Al meer dan vijf eeuwen wonen er Wambacqs in Essene. We vinden de naam terug onder de pachters van grote hoeven, meiers en griffiers van de abdij Affligem, onder de notabelen van de gemeente en als notaris. Jan Lindemans meent dat het geslacht afkomstig is van Wambacq, een gemeente nabij Clervaux in het Groothertogdom Luxemburg[1]. De eerste vermelding van een Wambacq te Essene dateert van 1444. Gillis Wambacq was er pachter op het Hof ter Borcht, een hoeve van de abdij[2]. Na hem is Jan Wambacq de pachter. Hij was wellicht de zoon van Gillis en overleed voor 1577. Met Jan Wambacq kunnen we de familiegeschiedenis volgen. Eerst is er de genealogie van de familie Wambacq met gegegevens die we vonden bij Jan Lindemans en Alfons Van den Broeck[3], dan volgt informatie over leden van de familie die we aantroffen in de schepengriffies van de schepenbank van Asse en van het arrondissement Halle-Vilvoorde.
I. Jan, Hij is de vader van:
1- Jan, vader van Aert, getrouwd met Joanna Van der Hoeven.
2- Marie, getrouwd met Franchoys Van Vaerenbergh, pachter op het Hof te Belle.
3- Machiel, zie II.
4- Ambroos.
II. Machiel, hij was ook pachter op het Hof ter Borcht van 1518 tot 1530, overleden voor 1542, getrouwd met Barbele van Herbosch, dochter van Gielis. Kinderen:
1- Henrick, overleden voor 1563, getrouwd met Margriete de Clerck. In 1563 werden voor hun kinderen Franchoys, Cornelis, Peeter, Michiel, Robbrecht, Magdalena (ook Maria genoemd), Cathelyne en Barbele de volgende voogden aangesteld: Gielis wambacq en Niclaes de Clerck. Behalve Franchoys en Robbrecht zijn de andere kinderen overleden zonder nakomelingen.
2- Franchyne, getrouwd met Robbrecht van der Elst, zoon van Jan.
3- Gielis, zie III.
III. Gielis, pachter op het Hof ter Borcht 1545-1576 en getrouwd met Joanna Verleysen. Kinderen:
1- Michiel, zie IV.
2- Merten, getrouwd met Anthonyne Goossens.
3- Elisabeth, getrouwd met Pauwel van Neervelde.
IV. Michiel, overleden voor 1617, getrouwd met Barbara de Wevere. Kinderen:
1- Franchoys, zie V.
2- Michiel, getrouwd te Essene op 30 augustus 1614 met Josine de Witte. Kinderen te Essene gedoopt:
a- Barbara, gedoopt op 27 september 1615;
b- Francoys, gedoopt op 12 september 1619;
c- Elisabeth, gedoopt op 15 december 1620;
d- Geert; gedoopt op 22 febrari 1623.
3- Jan, getrouwd te Essene op 28 juni 1620 met Joanna Cammermans. Kinderen:
a- Michiel, gedoopt te Essene op 12 mei 1621;
b- Franciscus, monnik van Affligem met kloosternaam Willibrordus, intrede te Affligem op 26 juli 1651, professie op 28 juli 1652 en bij die gelegenheid schonken zijn ouders twee koperen lutrijnen[4]. Zijn priesterwijding had plaats op 20 september 1659. Hij had een zwak gestel en kon zich niet goed toeleggen op de studie. In 1659 had hij kritiek op het beleid van van proost R. Estrix die hem op 10 april 1660 naar de priorij van Waver stuurde. In 1668 kreeg hij de toelating om voor gezondheidsredenen bij een verwante pastoor te gaan wonen. Hij lag er heel de zomer ziek te bed en werd overgebracht naar de abdij om er op 20 december te overlijden[5].
4- Gillis, meisenier te Grimbergen op 12 mei 1620 met als stravers zijn oom Gillis de Wevere en zijn neef Machiel de Pape.
V. Franchoys, griffier van de schepenbank van de abdij Affligem. Hij kocht op 16 juni 1638 het Hof te Belle van de abdij: “15 juni heeft den aertsbiscop Boonen het Pachthof van Belle onder palmenslagh vercoght aan Franciscus Wambacq voor 9000 gulden ende daer waeren 24 booghen op de conditie staen in probis[6]”. Hij overleed op 30 juni 1661 en werd in de kerk begraven. Franchoys was getrouwd met Cathelijne de Troch. Kinderen te Essene gedoopt:
1- Barbara, gedoopt op 3 augustus 1614, Getrouwd met Jan Cornelis, pachter op het Hof ter Saele te Hekelgem. Zij hadden zes zonen:
a- Franchoys, priester
b- Martinus,
c- Robbrecht,
d- Willem
e- Michiel
f- Pieter.
Michiel en Pieter werden pachters op het Hof ter Saele.
2- Elisabeth, gedoopt op 21 januari 1616, getrouwd met Peeter van Mulders, zoon van Rafaël, griffier van Asse en hertrouwd met Hendrick Vrancx.
3- Michiel, volgt VI.
4- Martinus, gedoopt op 10 december 1619, notaris te Essene, volgde zijn vader op als griffier van Affligem, overleden te Essene op 6 februari 1675. Hij trouwde met Anna Vrancx, zus van Hendrik. Kinderen:
a- Franchoys, gedoopt op 21 augustus 1667, jong overleden;
b- Hendrick, gedoopt op 30 juli 1669, getrouwd met Catharina Verleysen, woonde te Hekelgem;
c- Gillis, gedoopt op 1 september 1671, trouwde met Margriete Clauwaert, weduwe van Frans robijns, vestigde zich ook te Hekelgem;
d- Franchoys, gedoopt op 20 oktober 1673, getrouwd te Essene op 26 november 1697 met Joanna Van Vaerenbergh en hun kinderen: Henricus, gedoopt op dinsdag 18 november 1698 in Essene, overleden aldaar in 1698; Egidius, gedoopt op zondag 10 oktober 1700 in Essene, overleden aldaar in 1701; Joanna Maria, gedoopt op donderdag 13 april 1702 in Essene; Maria, gedoopt op dinsdag 1 september 1705 in Essene en overleden op zaterdag 12 januari 1788 in Essene 82 jaar oud;. Elisabeth, gedoopt op maandag 8 oktober 1708 in Essene en is overleden in 1711 in Essene,3 jaar oud; Joannes, gedoopt op dinsdag 27 oktober 1711 in Essene, overleden aldaar op donderdag 14 september 1780, 68 jaar oud; Petrus, gedoopt op vrijdag 13 maart 1716 in Essene.
5- Cathelyne (Catharina), gedoopt op 12 december 1621, trouwde op 14 oktober 1648 met Franchoys de Bailliu. Kinderen:
a- Gillis de Bailliu, geen kinderen;
b- Franchoys, pachter te Relegem;
c- Cathelijne, getrouwd met Merten Leemans en hertrouwd met Joos Van Linthout;
d- Joanna, getrouwd met Carel Timmermans;
e- Marie, begijn in het Groot Begijnhof te Brussel;
f- Michiel, pastoor te Overijse, overleden op 1 juni 1723;
g- Hendrick, schepen van het Land van Asse en van de abdij, trouwde met Anna Van den Wijngaerde;
h- Anna
i- Barbara, getrouwd mett Pauwel Wauwermans.
6- Anna, gedoopt op 22 februari 1627, begijn in het Groot Begijnhof te Brussel.
7- Lucas, gedoopt op 14 juni 1627??? pachter, overleden op 10 september 1670, trouwde te Essene op 4 juli 1649 met Catherina Breynaert en hertrtouwde op 19 juli 1657 met Anna Van de Putte. Kinderen uit het eerste huwelijk:
a- Cathelyne, gedoopt op28 april 1650, huwelijk op 22 januari 1671 met Andries Van der Sraeten;
b- Adriana, gedoopt op 12 december 1651, jong overleden;
c- Joanna, gedoopt op 28 oktober 1653, begijn in het Groot Begijnhof te Brussel;
d- Franchoys, gedoopt op 10 augystus 1655, lid van de ‘Salas de la Quiets’, rentmeester van de hertogen van Arenberg voor het kwarier van Brussel, secretaris van het Land van Rotselaar, Werchter, Haacht, griffier van Steenokkerzeel en Humelgem, overleden voor 1718 en begraven in de Sint-Kathelijnekerk te Brussel. Franchoys was getrouwd met Maria Magdalena de Bruyne.
e- Michiel, gedoopt op 29 mei 1657.
Kinderen uit het tweede huwelijk:
f- Aert, gedoopt op 17 juni 1658, huwelijk met Joanna de Smedt, kinderen:Peeter en Joanna die trouwde met Hendrick Cammermans en Anna Maria die trouwde met Peeter de Clerck.
g- Willem, gedoopt op 5 april 1660, jong overleden.
h- Merten, gedoopt op 14 augustus 1662, overleden te Essene op 4 juli 1720. Hij trouwde op 4 maart 1965 met Barbara Camermans, overleden op 4 augustus 1698, hertrouwde met Catharina de Pape op 16 augustus 1702. Hun zoon Peeter trouwde met Catharina Willems op 9 mei 1723 met wie hij een zoon had, Peeter, gedoopt op 16 augustus 1702. Hun dochter Joanna Maria werd begijn te Brussel. Merten trouwde een derde maal met Elisabeth de Valck, overleden op 14 september 1704.
i- Joanna, gedoopt op 13 januari 1638, begijn te Brussel.
VI. Michiel, gedoopt te Essene op 17 oktober 1617. Hij werd meier van de Affligemse schepenbank en overleed op 22 oktober 1690 en werd in de kerk van Essene begraven. Michiel trouwde te Buizingen op 17 november 1647 met Joanna de Bast, dochter van Peeter en Louisa de Greve, gedoopt te Buizingen op 4 oktober 1629. Joanna overleed te Essene op 2 januari 1692 en werd bij haar man in de kerk bijgezet. Het gezin woonde bij de kerk in ‘Het Ankerhof’, waar nog steeds familie woont. Wat was er gebeurd met het Hof ter Borcht? Was het verwoest waren de gebouwen weer bouwvallig? Wellicht was hij de eerste brouwer van de familie. Meisenier van Grimbergen op 16 augustus 1672. Kinderen:
1- Catharina, gedoopt op 17 november 1648. Zij trouwde met Franchoys Robijns, gedoop te Hekelgem op 2 januari 1647, zoon van Aert en Anna Van den Broeck. Kinderen:
a- Michel Robijns,priester in de orde van de bogaarden;
b- Peeter, gedoopt op 19 november 1677, heer van Dworp;
c- Joanna Maria, gedoopt op 19 februari 1680, overleden te Brussel en begraven in de Sint-Katharinakerk;
d- Philips Jozef, gedoopt op 11 september 1682, heer van Westmalle, Zoersel, Rolland te Sterrebeek enz.
2- Louisa, gedoopt op 2 maart 1650, huwelijk te Merchtem met Joos van Linthout op 7 februari 1671. Zij overleed aldaar op 13 oktober 1677 en werd in de kerk begraven. Kinderen:
a- Joanna, gedoopt op 4 september 1672, overleden in 1672;
b- Andries, gedoopt op 13 december 1673;
c- Michiel, gedoopt op 4 november 1674;
d- Jenne-Maria, gedoopt op 7 juni 1676, overleden op 30 december 1710;
e- Michiel, gedoopt op19 augustus 1677, overleden in 1677.
3- Franchoys, gedoopt op 6 februari 1652, priester, kanunnik van de Sint-Pieterskerk te Turnhout.
4- Peeter, zie VII.
5- Joanna Henrica, gedoopt op 11 oktober 1656, begijn in het Goot Begijnhof te Brussel. Zij muntte uit door liefdadigheid en behulpzaamheid tijdens besmettelijke ziekten te Brussel. Zij hielp meerdere begijnhoven in Vlaanderen herinrichten.
6- Gillis, gedoopt op 1 april 1659, monnik in Sint-Bernards-aan-de-Schelde. Zijn kloosternaam was dom Malachias. Hij ontving de priesterwijding op 9 maart 1686 en werd pastoor op de Ouden Bosch. Overleden in zijn abdij op 2 mei 1721.
7- Jan, gedoopt op 24 november 1660.
8- Philips-Jozef, geboren op 3 maart 1663.
9- Jacqueline, gedoopt op 26 juli 1665, overleden te Wambeek in 1717. Zij trouwde op 22 mei 1685 met Jan Frans de Coninck, griffier van Kruikenburg, Wambeek, Lombeek en Ternat. Hertrouwde met Magdalena Truyts. Kinderen uit eerste huwelijk:
a- Michiel Jozef, gedoopt op 18 maart 168, griffier te Pamel;
b- Pieter Jozef, gedoopt op 17 maart 1688;
c- Joanna Maria, gedoopt op 13 december 1684;
d- Maria, gedoopt in 1690;
e- Theresia, gedoopt in 1694;
f- Jan Baptist, gedoopt in 1697;
g- Jan Frans, gedoopt in 1698.
10- Frans Jan Baptist, gedoopt op 29 februari 1668, overleden te Essene op 28 oktober 1681 genoemd Sassenus te Brussel. Kinderen te Brussel gedoopt:
a- Elisabeth, gedoopt op 10 augustus 1694, huwelijk met Philip Joseph Robijns en hertrouwd met Jan Jozef ’t Kint;
b- Maria Francisca Josepha, gedoop top 1 januari 1691;
c- Angela, gedoopt op 10 augustus 1703;
d- Magdalena, gedoopt in 1704.
VII. Peeter, gedoopt op 25 maart 1653, overleden te Essene op 2 oktober 1713 en in de kerk begraven. Hij trouwde met Ernestina Van Campenhout, gedoopt op 11 juni 1694, overleden op 18 maart 1751 en ook in de kerk van Essene begraven. Kinderen te Essene gedoopt:
1- Frans Joseph, gedoopt op 19 maart 1693, priester van O.-L.-Vrouw Waver.
2- Peeter, VIII.
3- Phillips Joseph, gedoop top 24 oktober 1706, griffier van de Vrijheid van Merchtem, advocaat in de Raad van Brabant. Hij trouwde te Brussel in 1736 met Jeanne Claudine Cascalés, dochter van Jan Antoon, kapitien van de burgerwacht van Brussel. Kinderen:
a- Theresia Petronilla, gedoopt op 24 juli 1737;
b- Joos Joseph, advocaat in de Raad van Brabant, heer van Ruwendaal.
VIII. Peeter, gedoopt op 15 februari 1700, huwelijk op 20 april 1734 met Petronella van Linthout, dochter van Martinus, meier van Affligem en van Elisabeth de Bailliu. Kinderen gedoopt te Essene:
1- Martinus Ernest Joseph, gedoopt op 16 juni 1736, zie IX.
2- Philips Jozef, gedoopt op 8 februari 1737, overleden op 16 oktober 1741.
3- Joanna Elisabeth, gedoopt op 20 maart 1741.
4- Ernestina Philippina, gedoopt op 14 november 1742, overleden op 27 februari 1745.
5- Jan, gedoopt op 16 juni 1746, overleden op 23 maart 1753.
IX. Martinus Ernest Jozef, gedoopt op 12 juni 1735, meier van Affligem. Huwelijk met Petronella van Opdenbosch uit Meerbeek. Martinus bleef bekend omwille van zijn moedig optreden tegen de Franse overheersers van 1798. Hij werd door de Fransen gevangen genomen en te Brussel opgesloten en daarna naar Frankrijk gevoerd. Als losprijs moest hij een vermogen betalen. Martinus overleed te Essene enige dagen na zijn vrijlating op 63-jarige leeftijd. Zij hadden 13 kinderen te Essene gedoopt:
1- Nikolaas Jozef, gedoopt op 14 maart 1753, overleden op 3 juli 1794.
2- Frans Jozef, tweelingbroer, overleden op 26 mei 1760.
3- Maria Elisabeth, gedoopt op 30 november 1760.
4- Philips Jozef, gedoopt op 4 april 1762, overleden op16 februari 1762.
5- Jan Baptist, gedoopt op 25 januari 1761 en overleden op 27 augustus 1765.
6- Joanna Francesca, gedoopt op 23 oktober 1765, huwelijk met Felix de Wever.
7- Maria, gedoopt op 13 mei 1767.
8- Elisabeth, gedoopt op 20 december 1768.
9- Maria Angela, gedoopt op 9 augustus 1770, huwelijk met Jan Frans Linthout, zoon van Francis en Catharina van der Schueren.
10- Catharina, gedoopt op10 mei 1772.
11- Barbara, gedoopt op 6 november 1774.
12- Corneel, gedoopt op 24 februari 1777.
13- Jan Baptist, volgde zijn vader als burgemeester op.
Voorspoed en tegenslag.
I. Jan.
Inventaris van het Hof ter Borcht[7].
In 1503 werd de inventaris opgemaakt van het Hof ter Borcht. Jan Wambacq was toen nog geen pachter, maar de inventaris geeft een goed beeld van een groot boerenbedrijf in het begin van de 16de eeuw net voor Jan de hoeve overnam. Jan Walschaerd was toen de pachter en was in financiële moeilijkheden geraakt. Hij kon zijn pacht niet meer betalen en abt Willem Michiels liet zijn rentmeester Willem Bernardi beslag leggen op het bezit van de pachter. Walschaerd had grote tekorten en uit het verslag noteerden we de interessantste gegevens. Zo kon hij 6 mudde 21 vierendelen rogge, 27 mudde 10 vierendelen gerst niet leveren en had hij ook een schulden en kon hij leningen niet terugbetalen. Maar ons interesserde wat er op de hoeve was. Walschaerd had 18 ‘leeghe’ beesten, 2 kalveren van 1 jaar, 9 mestbeesten, driemaal 25 schapen zowel hamelen, ooien als lammeren, 2 zeugen en 6 biggen. In het huis stonden er 3 bedden met toebehoorten, een koffer, een half dozijn kussens en 3 peluwen.
II. Machiel.
6 april 1551. Henrich koopt een hofstede op de Moorter (zie II 1).
Voor de schepenen Verleijsen en Polerck en meier Peeteren Ramet van de schepenbank van Affligem compareerden Joos De Baetselier, zoon van Laureijs De Baetselier en zijn vrouw voor de verkoop van een hofstede met huis en alle andere toebehoorten. De hofstede lag in Essene tussen de goederen van Gielis Jacops, die van Peeters Van Varenberghe, het veld genaamd ‘De Moertere’ en de ‘De Moerstrate’ De kopers waren Henrick Wambacx, zoon van wijlen Machiel Wambacx en Margriete Sclercx, zijn tweede echtgenote?
III. Gielis.
IV. Michiel.
1612. Barbara de Wevere weduwe van Machiel Wambacq tegen Filips Van Varenberghe Barbara werd gedaagd door Filips Van Vaerenberghe omdat zij een levering van 2 ½ viertelen tarwe voor 2 rijnsguldenniet heeft betaald. Barbara verweerde zich door te stellen dat hij nog aan haar 4 lammeren aan 20 stuivers het lam moest betalen en dat zij hem een viertel haver heeft geleend en dat zij nog recht heeft op de varkentienden. Zij verzocht de schepenbank om de aanklacht onontvankelijk te verklaren.
.
22 september 1615.Barbara de Wevere en Guillaume (onleesbaar) tegen Henrick Jacops.
Babara diende een klacht in tegen Henrick Jacops wegens zijn ‘injuriëren, blameren, attroche off schandaleuze’ woorden aan haar adres. Hij noemde haar in aanwezigheid van velen een ‘hoere, caroigne en duijvelinne’. “Zij was het niet waard”, zei hij, “dat sij die aerde soude beterden”, want zij hield “huijse met den duijvel ende dat den duijvel haeren meester was”. Zij verwachtte dat hij daarvoor zal beboet worden en dat hij.op ‘eenen genechtdage den volcke meest vergadert zijnde’ moest verschijnen tussen twee officieren blootvoets, bloothoofs in lijnwaad gekleed met een wassen kaars van tenminste vijf ponden in zijn handen om dan God Almachtig de justitie en aan haar vergiffenis te vragen en te verklaren dat hij op haar niets heeft aan te merken. De kaars moest hij naar de kerk dragen en ze tijdens een dienst laten opbranden. Barbara vroeg een vergoeding van 300 rijnsgulden waarvan 1/3 deel bestemd is voor de heer, en 2/3 voor de priesters.
Henrick Jacobs ontkende de te laste gelegde feiten. Hij was er zeker van dat zij voor de aanklachten geen bewijzen had. Het omgekeerde was waar. Barbara was nabij zijn huis zijn moeder en zijn vrouw ‘onverdragelijck (komen) tempteren ende injuriëren’. Hij daarentegen had haar man Michiel geholpen bij het laden en vervoeren van vijf eiken uit het Schepeneuselbos naar zijn huis aan de Krekelendries. Achteraf kreeg hij de verwijten een houtdief te zijn, dat zijn moeder in het kasteel van Gaasbeek had gestolen en dat zijn vrouw een tuindief was. Daardoor diende hij op zijn beurt een klacht in tegen Barbara en vroeg hij de schepenen haar te veroordelen tot dezelfde straf die Barbara tegen hem had geëist met dit verschil dat hij slechts 100 rijnsgulden vroeg voor de geleden schade.
Het proces bleef aanslepen met wederzijdse ontkenningen. Op 12 oktober 1616 vroeg Barbara de schepenen ’T Sas en Hendrick Van Ginderachter van de Poort en Vrijheid van Asse om enkele getuigen te verhoren. Haar advocaat Aerdt Adriani en de advocaat van Jacobs, Carel Van Der Slachmeulen, woonden de verhoren bij.
Als eerste kwam Ghijsbrecht Van Den Vijver, een jonge man van Essene, 22 jaar, aan de beurt. Hij had Henrick Jacobs tegen Barbara zo’n 16 maanden geleden horen zeggen dat dat ze een duivelin was die omging met de duivel.
Elisabeth Ooms, weduwe van Huijbrecht Willems eveneens van Essene, 50 jaar, verklaarde dat omtrent een half jaar geleden Barbara op de dorpel van haar voordeur zat toen Henrick er voorbij kwam en haar toeriep: “Ghij caraigne sitte ghij hier”. Barbara antwoordde daarop: Jaecq, wat hebde ghij niet te doene”.Jacobs repiceerde:”Ick sal U noch alsoo cleijn maecken als out meel dat gemalen was ende en sijt niet weerdt dat u den dach beschijnt”.
Adriaen Van Den Broecke, arbeider, van Essene, 75 jaaar, herinnerde zich dat Henrick tegen Barbara zei dat ze was: “Een hoere, caraigne, duvellinne ende dat sij niet weerdt en was dat sij de aerde soude beterden, dat sij met den duvel huijs hielde ende dat den duvel haren meester was ende soo verre sij quaeme morgen te sterven dat sij den duvel toebehoorde”.
Peeter Van Wichele, een arbeider van Essene, 30 jaar, Gerardt Pauwels, brouwer te Essene, 33 jaar, Hans De Vrient, een jonge man van Essene, 20 jaar en Gillis Roms, arbeider van Esschene, 24 jaar, herhaalden de verklaring van Elisabeth Ooms.
Op 8 november 1616 beslisten de schepenen dat nog meer onderzoek nodig was om tot een vonnis te komen.
16 februari 1615. Aankoop van het derde paart van een hofstede.
Michiel Wamback, zoon van Michiel en Barbara de Wevere, en zijn vrouw Josijne De Witte (zie IV 2) kochten van Jan Van Neervelde en Martijne De Hert het derde part van een onbehuisde hofstede, gelegen in Essene aan de ‘Crekelendriesch’, palend aan de goederen van Jans Van Den Abbeele, de goederen van Jans De Witte, Jan Raspoet en de straat. De hofstede was een erfenis van Pauwels Van Neervelde en Elisabeth Wamback, ouders van Jan van Neervelde. Op de hoeve rust een grondcijns.en nog jaarlijks 2 rjinsgulden aan Margriete Van Der Schueren. Stadhouder Joosen Van Der Borcht van meier Jannen Mertens stelde de akte op met als getuigen de schepenen A. Robijns en Meert.
2 november 1615. Slagen en verwondingen.
Sieur Guillamme Timmer van Tsevel, overmeier van het Land van Asse spande een proces in tegen Michiel Wambacq wegens slagen en verwondingen.Op Allerzielen van 1615 sloeg Michiel met zijn vuisten Gijsbrecht Van Den Vijvere ten huize van officier Joos Van Der Borcht. Hij wierp Gijsbrecht op de grond, trok zijn mes en wou Gijsbrecht daarmee steken maar Van Der Borcht en anderen konden dat verhinderen. Michiel greep nog naar een bierpot, om Gijsbrecht daarmee te slaan, maar ook dat kon men beletten. Dit was niet het enige vergrijp van Michiel. Enkele tijd geleden wou hij in het huis van Niclaes Van Grimberghen de dronken Merten Cuijpers, die door de drank in slaap was gevallen, naar buiten slepen ook al veroorzaakte die geen last. Niclaes Van Grimberghen wou dat verhinderen en Michiel sloeg hem op zijn hoofd waardoor hij twee of drie open wonden had. Een woedende Michiel stampte de deur kapot.
Op 31 maart ondervroegen in opdracht van jonker Guillam Tymmer van Tsevel de schepenen Hendrick Van Ghinderachter en Hendrick De Clercq van de Poort en Vrijheid van Asse de volgende getuigen:
Niclaes Van Grimbergen van Essene, biertapper, omtrent 57 jaar was in de keuken van Joos Van der Borght en zag dat Michiel Merten de Cuijper naar buiten wou slepen en hij heeft dat verhinderd waarop Michiel hem op zij hoofd sloeg met het gevolg dat hij bij chirurgijn Philips De Vos te Asse zijn wonden moest laten verzorgen. Hij had nog gezien dat Michiel, die naar buiten wou, de deur in stukken sloeg.
Gijsbrecht Van Den Vijver, een 21-jarige arbeider uit Essene, was op Sint Hubertusdag (3 november) aan het huis van Joos Van Der Borcht toen Michiel Wambacq was ‘maekende sijn waeter’ en hem met zijn vuist op zijn hoofd sloeg en naar de voordeur rende waar hij een schop nam waarmee hij Gijsbrecht wou slaan. Maar Gijsbrecht was sneller en gooide Michiel op de grond. Officier Joos Van Der Borcht scheidde de vechters. Michiel echter gaf niet op en greep een stenen ‘quaertpot die welcke op der regghebanck in de keucken was staende’ en sloeg ermee op het hoofd van Gijsbrecht. De pot vloog in stukken.
Officier Joos Van Der Borcht, 40 jaar hoorde veel rumoer op de voorvloer van zijn huis. Hij ging kijken zag Michiel Wambacq en Gijsbrecht Van den Vijver op elkaar liggen. Hij trok ze uiteen en zag toen dat Michiel een mes in zijn handen had. Hij nam het af waarop Michiel een pot nam en die op het hoofd van Gijsbrecht in stukken sloeg. Dan nam hij een rooster uit de schouw, maar de officier sloeg die uit zijn handen.
Anna De Reuze, vrouw van de officier, omtrent 33 jaar, legde dezelfde verklaring af als haar man.
14 maart 1617. Rente van 4 Carolusgulden[8].
Barbara de Wevere had recht op een rente vier carolusgulden, maar zag ervan af ‘swerende met opgerichte vingeren lijffelijcke ten heijligenwaerts’ in handen van Jannen, de meier van de abdij Affligem. Dat deden ook haar kinderen Gielis, Franchois en Hans Wambacq. Michiel Wamback en Barbara de Wevere verkregen de rente van Henrick Van Der Herstraeten zoon van wijlen Joos die ze had gerealiseerd op een bunder meers gelegen ‘t’Avenelle’ achter de molen en palend aan de goederen van de abdij, de goederen van mervrouw Vander Noot, Joos Eggericx en de straat. Meier Jannen Mertens stelde met de schepenen Schokaert en Meert de akte op.
10 november 1620. Erfenis voor Jan Wambacq (zie IV 3).
Voor de schepenen van de Poort en Vrijheid van Asse compareerden Gillis Wambacq, Franchois Wambacq, Machiel Wambacq, Jan Wambacq, allen kinderen en erfgenamen van hun ouders Machiel Wambacq en Barbara de Wevere. Zij verdeelden de erfenis van hun ouders. Het deel van Jan, derde zoon, bestond uit:
- Een behuisde hofstede met schuur, stallen en andere edificiën, gelegen in Essene en palend aan de straat en de goederen van Peeter (onleesbaar).
- 2 dagwand 8 roeden land gelegen op ‘Den Mueter’ palend aan (onleesbaar).
- 1 dagwand 78 roeden land uit een groter geheel van 3 dagwand, gelegen op hetzelfde veld en palend aan de goederen van N. De Nagele en de erfenis van Machiel Wambacq.
- 96 1/2 roeden land op ‘Den Hoogenwech’ en palend aan de ‘herbaene’, de goederen van meester Joos Van Der Heijden, de goederen van de erfgenamen van Adriaen De Wageneer en de goederen van Peeter Van Der Wichele.
- 1 dagwand 15 roeden land op het voorgaande veld en palend aan de straat, de goederen van Peeter Van Der Wichele, ‘De Eeckhoutweijde’ en de goederen van Laureijs Plas en van Peeter De Breucker.
- 86 ½ roeden land op het ‘Dooreken’ en palend aan ‘Den Weijboonhof’, ‘Den Lantboonhoff’, de goederen van de erfgenamen van juffvrouw Anna Van Den Abbeele en de goederen van zijn broer Gillis Wambacq.
- 1 dagwand 41 roeden land gelegen op het voorgaande veld en palend aan de goederen van de abdij Affligem, de goederen van Jan Raspoet en de wezen van Abraham Coppens, de goederen van de erfgenamen van Wilhem Van Der Slachmeulen en de de goederen van de wezen van Jan De Coninck, belast met 2 vierdelen onkwijtbaar koren aan de Kerk en de Heilige Geest van Hekelgem.
- De helft van een oud half bunder meers gelegen in (onleesbaar) en belast met een mud[9] rogge aan de Heilige Geest van Wambeke.
- 3 dagwand 99 roeden weide gelegen op Eekhout langs ‘Den Hoogenwech’ en beneden de straat, palend aan het goed van Machiel Wambacq, belast samen met het goed Franchois en Michiel waarvan 7 rjinsgulden 2 stuivers voor Jan.
- Jan Wambacq moet zijn broer Machiel toelaten om om de drie jaar met zijn beesten door de dreef te gaan.
- 75 ½ roeden land gelegen op ‘De Foist’ palend aan de goederen van jonker Jan de Behar, de goederen van de erfgenamen van Franchois De Rijcke, de goederen van Nicasen De Nagele en de goederen van Gillam Coppens.
10 november 1620. Erfenis voor Gillis Wambacq (zie IV 4).
- Een verbrande hofstede gelegen in van Essene, palend aan het goed van de weduwe van Philips Van Varenberge, het goed van Hendrick Van Der Slachmeulen, het goed van Jan De Witte en tegen de straat. De hoeve was belast met 4 rijnsgulden 9 stuivers grondcijns aan de abdij Affligem.
- Een half bunder 3 roeden land gelegen in Essene en palend aan de Kruisweg, de goederen van de erfgenamen van Guillam Van Der Slachmeulen, de goederen van Jan De Meij, zoon van Machiels, en zijn eigen goed.
- 1 dagwand 10 roeden weide genaamd ‘Den ….bempt’ en palend aan de straat van Asse naar Essene, het goed van Peeter Van Ginderachter en het goed van de erfgenamen van Dirick De Herde. De weide was belast met 25 stuivers grondcijns aan de abdij Affligem.
- 90 roeden land palend aan de goeden van (onleesbaar), het goed van de erfgenamen van Jan Van Varenberge
- 1 dagwand 3 roeden land gelegen op ‘De Montille’ palend aan het goed van (onleesbaar), het goed van Jan De Witte en ‘Den Hoogen Wech’. Het perceel was belast met 3 stuivers grondcijns aan de abdij Affligem.
- 2 dagwand 26 roeden land gelegen op ‘Den Hoogenwech’ en is een deel van een blok van 4 dagwand 52 roeden waarvan Machiel Wambacq de helft bezit. Het perceel paalt aan ‘De Eeckhoutweijde’, de goederen van Joos Fasseel, Machiel Wambacq en het goed van Andries Woffaert. Het hele perceel was belast met 2 rjinsgulden 10 stuivers waarvan de helft voor Machiel Wambacq.
- 1 dagwand 1 roede land gelegen op het ‘Dooreken’ palend aan ‘Den Landtboonhof’, de goederen van de erfgenamen vanJeroon Van Varenberge, het goed van Franchois Wambacq en het wederdeel van deze loting.
- 1 dagwand 6 ½ roeden land op ‘De Cappelle’ en palend aan het goed van de abdij van Affligem, de stal van Niclaes Van Grimbergen, de goederen van Peeter Van Den Abbeele en de erfgenamen van Guillam Van Der Slachmeulen en het goed van de wezen van (onleesbaar). Het was belast met wat grondcijns aan de abdij Affligem.
- 36 roeden land gelegen op ‘De Foist’ en palend aan de goederen van de erfgenamen en de de goederen van Jan Wambacq.
- De helft van anderhalf dagwand meers gelegen op ‘Den Langenmeersch’ te Sint Kathelijne- Lombeek. Het perceel paalde aan de beek naar de Bellemolen. Het geheel was belast met 20 stuivers aan de Kerk en de Heilige Geest van Wambeek waarvan 10 stuivers voor Gillis Wambacq.
- 1 dagwand 5 3/4 roeden land gelegen op ‘Den Muerter’ palend aan de voetweg van de kerk van Essene naar de Bellemolen, het goed van de erfgenamen Franchois De Ridder, het goed van de Heilige Geest van Essene en het goed van de buren van Sint-Kwintens-Lennik.
- 1 dagwand 5 roeden land op het ‘Asbekevelt’ en palend aan de straat naar de tiendenschuur, het goed van Melchior Laerman, het goed van Adriaen Schockaert de Jonge en het goed van Adriaen Schockaert de Oude. Het perceel was belast met een kleine grondcijns.
Het memorieboek van Joanna de Bast.
Op 8 mei 1667 begon Joanna de Bast, vrouw van Michiel, een ‘Memori boeck’ over haar leven op Het Ankerhof waarmee ze ons een kijk geeft op de samenstelling van haar gezin, op haar linnengoed, de kosten van haar studenten, huwelijkscadeaus voor meisjes, het loon van dienstpersoneel enz. Jan van der Hameyde publiceerde het memorieboek.[10] Hierna volgen een aantal voorbeelden om een idee te geven van het leven in een welstellend Brabants gezin in de 17de eeuw.
Wegens de inval van het Franse leger vluchtte het gezin op 9 mei 1667 naar Brussel en zij nam mee: een stuk lijnwaad, een stuk servettenlijnwaad 37 fijne servetten, 10 groene servetten, 21 grote en 9 kleine lakens, 5 witte schorten, 15 blauwe schorten, 26 vrouwenhemden, 22 zakdoeken, 6 mannenhemden, 7 handdoeken.
Op 16 mei vluchtte het gezin naar Aalst met: 6 grote en 14 kleine lakens, 17 studentenhemden, 10 vrouwenhemden, 51 kinderhemden, 89 linnen ondergoed, 54 mutsen, 15 witte halskragen, 33 servetten, 31 ‘boesems’, 24 schorten, 36 grote en 27 kleine zakdoeken. In de kist van dochter Cathelijne zaten: 22 kragen, 10 slaapmutsen, 2 witte schorten, 8 stuks ondergoed voor dochter Jenne Marie, een wit slaapkleed, 14 zakdoeken, 6 ‘begijntens’, 12 kinderhemden, 3 studentenhemden, 5 grote hemden, 4 fluwijnen, 18 kragen en 12 stuks ondergoed.
Twee zonen, Peeter en Franciscus studeerden aan de Latijnse school te Vilvoorde. Peeter volgde zijn vader op Het Ankerhof op en Franciscus werd priester en kanunnik van de Collegiale kerk te Turnhout. Joanna noteerde wat er naar Vilvoorde werd gezonden en wat er terug kwam om gewassen te worden.
– Op 8 juni kreeg ze thuis: 5 hemden, 17 kragen, 4 servetten, 2 fluwijnen, 8 zakdoeken, 2 lakens en 2 handdoeken.
– Op 21 januari 1668 zond ze 14 hemden, 14 servetten, 4 lakens, 4 fluwijnen, 4 handdoeken, 14 zakdoeken, 30 kragen, een ‘calson’ [11] een ‘slaaplijf en 2 conde’.
In zomer van 1668 studeerden ze in Leuven en ze namen mee: een matras, 2 dekens, 18 hemden, 18 servetten, 4 handdoeken, 6 lakens, 6 fluwijnen, 32 kragen, 17 zakdoeken, een tafelkleed, 4 ‘conde’, 7 blauwe handdoeken, 2 dozijn ‘crawat’.
Dochter Kathelijne, die op 23 augustus 1667 trouwde met Franchoys Robijns van Hekelgem, kreeg een bed, deken en gordijnen, een rood laken, lijnwaad, 2 stoffen, gevulde kussens, 2 hemdjes, 4 jonge koeien, 100 sisters tarwe, een paard van 120 gulden met het ‘gereck’.
Dochter Louisa trouwde op 7 februari 1671 met Joos van Linthout van Merchtem. Joanna noteerde wat zij kreeg behalve het trouwkleed, een bed, een kist, een kleerkast wat vee, pluimen, tijk, lint, gordijnen, rood laken, stof voor voering, linwaad, deken, kist, bedkoets en kleerschapraai, 3 jonge koeien.
Michiel Wambacq had meestal twee meiden, twee knechten en een herder in dienst. Het gaat om een jaarloon met kost en inwoon. Anna de Mey (1667) ontving 23 gulden, 3 hemden, 2 schorten en een paar schoenen. Anna Vermeeren (1668) kreeg 18 gulden, 3 hemden, 2 schorten en een paar schoenen. De knechten ontvingen een hoger loon, 34 tot 42 gulden per jaar, een paar schoenen, een lijnwaden broek. De herder kreeg 4 gulden 10 stuivers per maand en een hamel[12].
Joanna noteerde logementen van doortrekkende soldaten van 24 januari tot 29 april 1668. Dat is tijdens de oorlogen van Lodewijk XIV in de Nederlanden die op 2 mei met de Vrede van Aken eindigde. In 1668 lag in Asse een legereenheid in winterkwartier en de soldaten die in Essene verschenen waren waarschijnlijk fouragiers. Op 24 juli trok een legerafdeling door het dorp en zij leverde 41 pond brood, 10 pond 3 vierdelen boter en een ton bier..
V. Franchoys Wambacq.
1 september 1615. Klacht tegen Franchois Wambacq.
Op 1september diende Hendrick Jacobs een klacht in tegen Franchois Wambacq. Hij zou hem met een stok zo op zijn arm hebben geslagen dat hij dodelijk verwond was. Gedurende 18 dagen kon hij als timmerman niet werken en hij vroeg een schadevergoeding van 25 stuivers per dag. Een chirurgijn verzorgde de wonde en die kosten bedroegen 12 rijnsgulden. Bovendien moest hij ‘extra ordinaire spijse en dranck’ gebruiken opdat de wonde beter zou genezen en niet ontsteken wat een kost van 22 rijnsgulden meebracht. Hendrick Jacobs verzocht de schepenen Franchois Wambacq te veroordelen tot betaling van de geëiste sommen.
In zijn antwoord verklaarde Wambacq dat zijn tegenstander nooit een getuige zou vinden die zijn klacht tegen hem kon bevestigen vermits hij nooit met een mes of een scherp voorwerp hem gekwetst heeft. Ten tijde van de ruzie met Jacobs had hij wel een stok bij, maar die was amper een vinger dik en had een effen oppervlak. Bovendien kan geen enkele chirurgijn aantonen dat zijn wonde door een stok was toegebracht. Franchois beweerde dat Hendrick die wonde eerder had opgelopen tijdens een gevecht met Tielman Jacobs in het huis van Nicolaes Van Grimbergen in Essene of dat hij zichzelf heeft gekwetst want hij kwam die avond uit zijn huis gelopen met een mes in zijn hand en zijn vrouw riep hem na: “Och Herry wat wilt ghij met dat mes maecken”. Dat hebben veel omstaanders gehoord. Hendrick Jacobs was die avond ‘geheel bij drancke’ en wist waarschijnlijk niet meer waar hij die wonde had opgelopen en nu trachtte hij de schuld op zijn hals te leggen.
Meer was over dit voorval niet te vinden. Wellicht werd de klacht als niet ontvankelijk verklaard.
14 maart 1617. Rente van 4 carolusgulden.
Franchois Wamback en zijn vrouw Catharina De Troch verkregen een erfelijke rente van 4 carolusgulden van zijn broer Michiel. Die rente was eerder in het bezit van zijn ouders en ten laste van meerdere opeenvolgende personen. Jannen Mertens, meier van de abdij, stelde de akte op met als getuigen de schepenen A. Schokaert en Meert.
19 maart 1619. Aankoop land te Essene.
Op 19 maart 1619 kochten Franchois Wambacq en Cathelijne De Troch van Jan Van Neervelt, zoon van Pauwel en zijn vrouw Martijne De Hert 3/4 van een land gelegen op ‘Den Meutere’ te Essene. Het goed paalde aan goed van de Kerk van Essene, de ‘costerije’, ‘Den Gronaert’ en de weduwe van Machiel Wambacq. Guilliam Van Langenhove, stadhouder van de rentmeester van Overzenne, Urbaen De Maeijde, stelde de akte op met als getuigen de schepenen Franchois De Baillieu, Joos Van Neervelt, Joos Van Langenhove en Hendrick De Smeth.
Op 12 maart 1620 kochten Franchois Wamback en Catharina De Troch van Jan Van Neerveld, zoon van Pauwel en Elisabeth Wambacq, en Martijne De Hert[13].
- Een hofstede met woonhuis stallen en andere edifitiën gelegen in Essene. De hofstede paalde aan de straat naar ‘t ‘Gotenveldeken’, de weduwe en erfgenamen van Philips Van Varenberge en de straat.
- Een hofstede gelegen aaan ’t Gotenveldeken, Jan Camerman, de weduwe en de erfgenamen Van Varenberge en de straat.
- Een dagwand en 3 roeden land gelegen op ’t Gotenveldeken’, de kerk van Essene, Ingel Boitselier en Jannen Camerman.
- Een dagwand land gelegen op het ‘Dooreken’ en palend aan de ‘Boonhoff’, (onleesbaar), de weduwe Van Varenberge en de weduwe en erfgenamen van Michiel Wamback.
De twee hofsteden en de twee percelen waren belast met de jaarlijkse betaling van:
- 51 carolusgulden aan Geeraerd De Witte.
- 8 rijnsgulden aan de huisarmen van Molenbeek bij Brussel.
- 6 rijnsgulden aan Kaerle Van Der Slachmuelen.
- 9 rijnsgulden aan Guillam Van Der Kelen van Brussel.
- 5 rijnsgulden aan Guillam Van Der Muelen.
De meier van de Affligemse schepenbank stelde de akte op met als getuigen de schepenen A. Schockaert ende Meerte.
27 februari 1646. Schenking van een rente zes gulden en vijf stuivers.
Meester Franchois Wambacq, griffier van Affligem, en zijn vrouw Catharina De Troch verschenen voor meester Charles Van Der Slachmolen die fungeerde in opdracht van Francoise Van Candriesch, weduwe van Jan Van Der Hoffstadt voor de ontvangst van een rente van 6 gulden 5 stuivers. bepand op een bunder land gelegen in Mollem op ‘De Brempt’ en palend aan ‘Het Waerbeekveldeken’ , ‘Den Langenmeersch’ en tegen de goederen van Gillis De Vuijst. Charles Van der Slachmolen van het Land van Asse stelde de akte op met als getuigen de schepenen Joos Van Langenhove en Steven Van De Velde.
8 november 1647. Aankoop van een bos gelegen te Asbeek.
Advocaat Niclaes Snellincq, weduwnaar van Cornelia Goethals en nu getrouwd met Maria Balbani verkocht een bos met houtwas genaamd ‘Het Robbroeck’ groot 5 dagwand min 5 roeden gelegen in het gehucht Asbeek achter de Putberg. Het bos paalde aan de goederen van de heren van Asse, ‘Het Steenbeke’ en de goederen van de erfgenamen van Guilamme Snellincq. De kopers waren Franchois Wambacq en Cathelijne De Troch, hun schoonzoon Peeter Van Mulders, zoon van Raphael, en hun dochter Elisabeth Wambacq, vrouw van Peeter De akte werd opsteld door de stadhouder van het Land van Asse met als getuigen Joos Van Langenhove, Peeter Van Mulders en Joos Van Ginderachter.
14 januari 1648. Rente van 18 gulden.
Voor de schepenen van het Land van Asse Joos Van Langenhove, Peeter Van Mulders, Joos Van Ginderachter en Steven Meert verschenen Jan de Ketel en zijn vrouw Cathelijne Loijmans die beloofden jaarlijks een erfelijke rente van 18 rijnsgulden te betalen aan meester Franchois Wambacq en zijn vrouw Cathelijne De Troch. Als pand gaven ze een weide van 2 dagwand en 44 roeden gelegen in het ‘Legelant’ en palend aan de goederen van Goossen De Deken,de goederen van de Heilige Geest van Asse, de erfgenamen van Guillam Snellincq en de goederen van Jan De Kempeneer. De weide was onbelast. Jan de Ketel had de weide gekocht van Franchois de Bailly die ze zelf had gekocht van advocaat Nicolaes Snellincq. Cathelijne Loomans beloofde dat ze na de dood van haar ouders haar erfdeel als pand zou geven. Indien nodig zou ze haar ouders vragen haar erfdeel nog voor hun dood aan haar te schenken.
1 mei 1661. Franchoys Wambacq in de clinch met de hoogmeier.
De aartsbisschop van Mechelen en tevens abt van Affligem Andreas Creusen nam in 1661 enkele opvallende beslissingen in verband met Essene:
- Hij wou dat voortaan de rekeningen van de kerk- en huisarmen van Essene zouden opgesteld worden door de pastoor en ‘gequalificeerde ingesetenen’ van de parochie en dat Franchoys Wambacq als griffier van de abdij de rekeningen zou apostilleren[14].
- Dat de de pastoor, de ‘gequalificeerde ingesetenen’ en Franchoys Wambacq voortaan de reparaties aan de kerk zouden regelen.
Daarmee ging de aartsbisschop in tegen de juridictie van de Vrijheid en het Land van Asse. Toen de pastoor en zijn kerk- en armenmeester een vergadering planden om de rekeningen op te stellen, spanden de hoogmeier en de schepenen een proces in tegen de parochie van Essene. Jan van den Slachmolen ondervroeg Aert Robijns over de feiten die zich afspeelden in het huis van brouwer Nicolaes Meert.
Aert Robijns, 44 jaar en nieuwe schepen van de Vrijheid en het Land van Asse, verklaarde aan Jan Van Den Slachmolen dat hij op 11 april 1661 de pastoor, meester Franchois Wambacq, de kerk- en armenmeester Jan De Meije en Gillis De Baetselier bij brouwer Nicolaes Meert samenkwamen om de rekeningen op te stellen. Met de hoogmeier en vorster Hendrick Van Innichoven ging hij naar de herberg van Meert. In de keuken troffen ze de pastoor, de kerk- en armenmeester, Franchoys Wambacq en enkele andere personen aan. Franchoys vroeg hen wat ze kwamen doen en hij voegde eraan toe dat ze er niets te zoeken hadden. De hoogmeier antwoordde dat ze de rekingen kwamen controleren zoals bij kerkgebod was aangekondigd. De griffier lachte hen uit zei: “Wij en kennen u niet, gij sult se niet hooren, wij hebben den bruijt van u”.De hoogmeier wees hen erop dat de Raad van Brabant de nieuwe regeling had afgewezen.Franchoys reageerde spottend: “De Raede van Brabant, ick lache daermede ende ick hebbe de bruijt van u ende gijlieden en sult de rekeningen niet hooren, gij en hebt er niet te doen”. Daarop verliet de hoogmeier met zijn collega’s de keuken voor overleg. Hij ging terug naar de keuken en vroeg dat iedereen zou weggaan. Franchoys Wambacq weigerde als enige de kamer te verlaten tot de vorster dreigde hem naar buiten te slepen.Op de vraag aan kerkmeester Jan de Meije om zijn rekeningen voor te leggen, antwoordde die: “Ick hebbe de rekening in mijnen sack ende gijlieden en hebt niet mede te doen, gij sult se niet hooren ende wij hebben den bruijt”…
Daarmee was het conflict nog niet beslecht en ook in Baardegem deed zich hetzelfde probleem voor.
9 juni 1661. Liegt Franchoys over zijn lammeren?
Op de donderdag voor Pinksteren ging Michiel Steppe, 64 jaar en officier van Essene, naar het huis van Franchoys Wambacq om de tienden van de lammeren op te halen. De pastoor was echter niet tevreden met het resultaat. Volgens hem had Franchoys meer lammeren dan de 50 die hij had megedeeld. Hij keerde terug en het kwam tot een woordenwisseling met de pachter. Franchoys beet hem toe: “Wat brijt mij dien paep, dat hij hier waere, ick soude hem met mijnen stock op sijn kop bruijen”. Tegen zijn zonen Merten en Martinus Wambacq zei hij dat ze naar ‘den paep’ moesten gaan en hem op zijn kop slaan. Merten antwoordde dat hij beter zou zwijgen.
12 februari 1658. Elisabeth Wambacq eist betaling van geleverde kareelsteen.
Op 4 en 6 november 1652 leverde Peeter van Mulders, zoon van Rafaël, 2500 kareelstenen aan Cathelijne de Meij, de weduwe van Peeter van der Borght. Nadien leverde hij op 12, 14 en 16 november nog eens 1800 stenen voor een totaal bedrag van 2 500 gulden. Cathelijne had de stenen nodig voor een nieuw huis, maar ze betaalde niet de volledige som en bleef 55 gulden schuldig. Toen herhaald aandringen geen oplossing bracht diende Hendrick Vrancx een klacht in bij de schepenbank. Hij was immers de tweede echtgenoot van Elisabeth Wambacq. Ten tijde van de levering was ze getrouwd met Peeter van Mulders. Cathelijne De Meij beweerde nu dat ze aan Hendrick Vrancx niets schuldig was want hij had haar niets geleverd. In zijn klacht stelde Hendrick dat hij niet kon geloven dat Cathelijne ‘soo verre van haere siele salicheijt soude sijn geweken’ dat zij onder eed zou durven ontkennen dat zij de stenen heeft gekregen. De voorgaande echtgenoot van Elisabeth leverde de steen en zij heeft recht op de volledige vergoeding.
In haar verdediging stelde Cathelijne dat haar aanklager niet kon specifiëren welk jaar, maand en dag hij de stenen had geleverd wat toch gebruikelijk was. Bijgevolg is zijn klacht niet meer dan getreiter. Hij is ook nog maar een jaar met Elisabeth getrouwd en de gepretendeerde levering gebeurde al 5 of 6 jaar geleden. Bovendien zegt het keizerlijk plakkaat van 1540 dat goederen onderhevig aan sleet na twee jaar niet meer dezelfde waarde hebben en dat is het geval met kareelsteen. Zij merkte nog op dat Elisabeth ‘soo vinnich’ is dat zij geen 6 of 7 jaar zou gewacht hebben om het geld op te eisen. Andere bezwaren waren:
- De verkoper heeft niet vermeld hoeveel, waarop en wanneer er al is betaald.
- Het handboek, geconsigneerd bij de aanlegger van 26 maart 1659 en ondertekend door de griffier van deze schepenbank, toont aan op pagina 45 dat op de kareelsteen geleverd door Michiel Van Der Borcht haar zoon op 15 mei 1654 8 gulden en 12 stuivers betaalde.
- Hendrick Vrancx eiste ‘op den wilden boff’ 25 gulden, het restant van geleverde kareelsteen zonder enige prijs of betaling te vermelden.
- Zij heeft nooit beweerd dat er geen kareelsteen werden geleverd.
- Peeter van Mulders en Elisabeth hebben in 1644 van Cathelijne en haar man een rente van 25 gulden bekomen. Elisabeth heeft daarna een kwitantie op een jaar eerder geschreven waardoor zij een jaar meer zou moeten betalen. In aanwezigheid van een schepen heeft zij het jaartal moeten veranderen.
- Zij heeft dan aan Elisabeth 36 gulden gegeven waarvan 25 gulden voor een jaar rente was bedoeld en 11 gulden voor de kareelstenen. Elisabeth antwoordde dat ze de 36 gulden als afbetaling van de stenen rekende en ze wou geen kwitantie voor de rente geven. Zij is dan ‘al weenende ende crijtende’ naar huis gegaan.
- Daarna wilde Elisabeth direct 50 gulden ontvangen van 2 jaar rente. Zij had het geld niet en is bij haar neef Joos de Raedt gegaan om 50 gulden te lenen, wat hij ook deed en daarmee betaalde ze de achterstallige rente.
- Zij beweerde ook dat de kareelstenen wel vallen onder de reglementen van het plakkaat want zij zijn wel onderhevig aan sleet net zoals kalk.
Extract uit het manuaal van Hendrick Vrancx, man van de weduwe Peeter Van Mulders:
– Geleverd op 4 november 1652 en op 6 november 1652 aan de weduwe van Peeter Van Der Borcht 2 400 stenen.
– De weduwe van Peter Van Der Borcht heeft 1500 stenen gehaald in 2 ladingen op 12 november 1652 en op 13 november 1652.
– Op 14 november 1652 nog geleverd aan de weduwe van Pieter Van Der Borcht 300 stenen.
– De weduwe Peeter Van Der Borcht betaalde in juli 1653 aan advocaat Hoorebeke 25 guldenvoor de stenen
Na collatie is dit extract correct bevonden.
5 november 1650 tot 1666. Lucas Wambacq tegen tegen Adriaen Schockaert.
Lucas, zoon van Franchoys (zie V 7) kocht van Adriaen Schockaert 48 roeden land gelegen in Essene op het ‘Dooreken’ palend aan de goederen van Jans Van Den Abeele, de goederen van Lucas, de weduwe van Michiel Van Varenberghe en tegen ‘Den Vijvermeersch’. Het perceel was belast met een grondcijns . Maar er was meer aan de hand. Adriaen Schockaert had verzwegen dat het perceel ook belast was met een rente van 25 rijnsgulden voor sieur Matthias Van Der Jeught en zijn vrouw Joanna Catharina Merttens. Lucas wendde zich daarom tot de schepenbank van het Land van Asse met het verzoek Adriaen te verplichten de erfelijke rente af te lossen en daarvoor ook voldoende pand te stellen. Hij verwonderde er zich ook over dat tijdens de verkoop daarover niets werd gezegd.
Het proces nam echter een onverwachte wending. Procureur Charles Van Der Slachmolen eiste van Lucas, als de nieuwe eigenaar, de betaling van de rente aan Matthias van der Jeught wat hij weigerde, ook na pogingen om de zaak in der minne op te lossen. Op 3 juni 1665 eiste Charles van der Slachmolen nog dat Lucas alle proceskosten zou vergoeden. De uiteindelijke afloop van het proces konden we niet achterhalen.
3 december 1658. Lucas Wambacq tegen Steven Meert.
Steven Meert, collecteur van de Vrijheid en het Land van Asse, eiste van Lucas Wambacq, brouwer en pachter 6 rijnsgulden 18 stuivers 1 blank bepaald door de bedesetters voor het jaar 1658. Lucas was het daarmee niet eens en betaalde slechts 4 rijnsgulden zodat hij nog 2 rijnsgulden 18 stuivers 1 blank diende te betalen, wat hij weigerde met een proces tot gevolg.
1658. Lucas Wambacq zwaar in de fout.
Op 27 december 1658, de derde kerstdag, zaten enkele mannen in de keuken van de koster en schoolmeester Gillis De Ridder brandewijn te drinken. Een van hen, Lucas Wambacq , was er duidelijk op uit om ruzie te zoeken met Hendrik Van Hersele, de knecht van molenaar Aert Van de Putte. Hendrik had diens hond bij zich en Lucas begon het dier te slaan terwijl hij Hendrik verweet een dief te zijn. Op een bepaald moment vlogen ze elkaar in de haren en stampend en slaand vielen ze op de grond. Enkele aanwezigen konden de vechters uit elkaar halen, maar de woede van Lucas was nog niet over. Hij trok zijn mes en viel Hendrik weer aan. Dat werd een noodlottig gevecht dat voor beiden dramatisch afliep. Hendrik kreeg een messteek in de buik en overleed de volgende morgen aan die verwonding. Het bebloede mes van Lucas werd later onder de keukentafel gevonden.
Op 22 februari begonnen schepen Joos Van Ginderachter en griffier Van Mulders met het verhoor van de getuigen die door dorpsofficier Michiel Steppe waren gedagvaard.
Gillis De Ridder, de 42-jarige herbergier, koster en schoolmeester, kwam als eerste aan de beurt. Hij verklaarde dat op 27 december enkele mannen in zijn keuken brandewijn dronken. Onder hen Lucas Wambacq die Hendrik Van Hersele, de knecht van Aert Van de Putte, molenaar op de Avennemolen, aan het pesten was. Hij sloeg de hond. Op de vraag van Hendrik waarom hij zijn hond sloeg, antwoordde Lucas: ‘Wel gij hondsot ick mach hem soo wel slaen als gij off beter’ en meteen vloog hij op Hendrik af en trok hem bij zijn haar. Met de hulp van Carel De Nagel kon Gillis hen uit elkaar halen. Even later stortte Lucas zich weer op Hendrik en hij hoorde Hendrik roepen: ‘Mijnen buijck, ende heere ick ben gequetst’. Een van Gillis’ dochters vond onder de tafel het mes van Lucas Wambacq. Hij zag dat Hendrik een grote wonde had in zijn buik. De volgende dag is hij gestorven.
Peter Schoep, een pachter van 57 jaar, was een van de mannen in de keuken. Hij zag het getreiter van Lucas en het gevecht. Toen Hendrik riep dat hij gekwetst was, hoorde hij Lucas zeggen: ‘Dicken dieff hebdij het noch niet genoech, ick salt u genoech geven’. Hendrik had een grote wonde en onder de keukentafel lag een bebloed mes.
Franchois Van Vaerenberghe, zoon van Adriaan, 24 jaar, verklaarde dat na veel gekrakeel Lucas Wambacq en Hendrik Van Hersele begonnen te vechten. Op een bepaald ogenblik stond Hendrik recht en hij hield zich aan hem vast met een hand op zijn bebloede buik. Hendrik strompelde naar buiten, liep tot aan de school en viel daar omver en bleef liggen.
Franchois Stevens, zoon van Joos, 24 jaar, vermeldde dat er ook vrouwen in de keuken van Gillis zaten. Nadat Lucas de jonde Hendrik lange tijd had getergd, ontstond er tot tweemaal toe een gevecht. Nadat ze een eerste keer uit elkaar waren gehaald, zat Lucas aan de schouw met een mes in zijn handen dat hij onder zijn ‘instacorps’ trachtte te verbergen. Als het gevecht herbegon, vielen beiden tegen de tafel. Franchois zag toen de wonde in de buik van Hendrik.
Carel De Nagel, 37 jaar, bracht nieuwe informatie aan. Hij stond op het kerkhof als Lucas Wambacq hem zei: ‘Ick wiste wel dat ick dien dicken dieff hier soude vinden, alwas het huijs van Nicolaes Meert gepasseerd nochtans wiste ick wel dat hij het gebranden wijnhuijs niet en soude voorbij gaen’. Even later ging hij ook naar binnen, maar als het vechten begon, vertrok hij. Toen hij weer in de keuken kwam, zag hij dat Lucas met een mes in zijn handen Hendrik aanviel. Voor hij de keuken opnieuw verliet, hoorde hij Hendrik nog zeggen dat hij gekwetst was. Carel Rogiers, zoon van Joos en een 25-jarige radenmaker, legde dezelfde getuigenis af als Carel De Nagel.
Op 10 maart 1659 nam Jan Van den Slachmolen de taak over van Joos Van Ginderachter. Hij ondervroeg Jenneken De Ridder, de 20-jarige dochter van Gillis. Zij zag de vechters op de grond vallen. Hendrik stond op, met zijn handen op zijn buik, zei hij: ‘Mijnen buijck, ick moet liggen’. Hij ging evenwel naar buiten en zakte aan de school van haar vader ineen. Hij bleef er liggen.
Op 13 maart was schepen Joos Van Ginderachter weer present voor de ondervraging van Elisabeth Camermans, de vrouw van herbergier Gillis. Zij kwam van haar winkel de keuken binnen en zag dat Lucas met een mes in zijn handen Hendrik aanviel. Zij zag de wonde in de buik van Hendrik die naar buiten ging. Aan de school viel hij en bleef liggen. Hij werd naar binnen gedragen en bleef er tot de volgende morgen liggen. Omstreeks 8 u. is hij gestorven. Een van haar dochters vond een half uur later het bebloede mes van Lucas onder de keukentafel. Zij heeft het aan de schepenen overhandigd. Hoe het proces afliep, weten we niet.
2 september 1659. Lucas koopt erfdeel van Gillis Coppens.
Lucas Wambacq kocht van Gillis Coppens, zoon van Abraham al zijn rechten en die van zijn mede-erfgenamen op de goederen verstorven door de dood van Abraham Coppens voor 575 rijnsgulden boven op alle kosten van de erfenis. Lucas betaalde in twee keer 525 rijnsgulden en nadien nog eens 10 rijnsgulden. Hij bleef dus nog 40 rijnsgulden schuldig verminderd met 2 gulden en 12 stuivers die Lucas betaalde voor consumpties. De rest van de schulden wou Lucas niet betalen en Gillis Coppens stapte naar de schepenbank met de eis tot directe betaling. Lucas ontkende bij de schepenen dat hij had beloofd om tegen Kerstmis 1656 alles te vereffenen.Hij bleef er ook bij dat met de betaling van 10 gulden hij de koopsom had vereffend.
28 november 1661.Lucas Wambacq in de clinch met Adriaen Van Vaerenberch.
Lucas zou in het bijzijn van meerdere personen gezegd hebben dat Adriaen een dief was. Dat kon Adriaen niet zo laten. Wanneer een edelman door een gewone burger wordt beledigd dan kan hij die ter dood brengen en hij diende een klacht in bij de schepenen van Asse want hij is een treffelijk en eerlijk man wat anderen kunnen bevestigen.Hij verzocht de schepenen om Lucas te veroordelen om op een ‘genochtdaeghe binnen de vierschare’ tussen twee officieren in linnen kleren, bloothoofs en met een brandende kaars in zijn hand God, justitie en hem vergiffenis te vragen en te verklaren dat Hij Adriaen een man van deugd en eer is met een goede naam. Adriaen vroeg ook de schepenen om Lucas een boete van 300 rijnsgulden op te leggen ten voordele van de huisarmen van Essene.
Op 17 december reageerde Lucas met een uitgebreide replycke. Zoals verwacht ontkende hij de feiten. Integendeel, in zijn herberg had Adriazn hem en zijn broer Martinus, toen ze nog jong waren, hun allerlei scheldwoorden naar het hoofd geslingerd. Lucas stelde voorts dat, als men wat gedronken heeft, er gemakkelijk scheldwoorden volgen. Maar dat is geen reden om naar het gerecht te stappen. Men kan beter wanneer men nuchter is naar een notaris gaan om te bemiddelen. Zo heeft Adriaen samen met anderen ook al mensen beledigd toen hij eens bij Lucas thuis ruzie had gemaakt met hem, zijn broer Franchoys en pachter Jaspar Camerman. Zij werden geslagen en Jaspar kreeg een messteek in zijn linkerarm. De kaars werd driemaal uitgeblazen. De vrouw van Adriaen zocht een nieuwe kaars, stak die aan en vroeg de vechters om op te houden, maar Adriaen trok de kaars uit haar handen en blies ze uit en schopte Lucas’ vrouw zodat ze op de watersteen viel. Hij en Jaspar moesten vluchten. Komt daar nog bij dat Adriaen een grote haat koesterde tegen zijn broer Martinus Wambacq omdat die hem een duur proces had aangedaan.Lucas besloot met de opmerking dat hij beter tegen Adriaen een klacht had ingediend.
Adriaen Van Vaerenberch bleef erbij dat Lucas Wambacq hem een dief noemde en hij stelde dat er genoeg getuigen waren die dat konden bevestigen. Wat vroeger in zijn huis gebeurde met Martinus Wambacq heeft met deze zaak niets te maken. Trouwens na het incident hebben ze als vrienden met elkaar gedronken. Dat Lucas hem ook verweet dat hij als kind in het huis van Michiel Wambacq enige ‘poedermate van sekeren bandelier’ daar door een soldaat achtergelaten in zijn zak had gestopt, was een kinderachtig verwijt. Over de ruzie met Jaspar Camermans zegt Adriaen dat die ging tussen Jaspar en Jan de Meij en dat hij daar niet bij betrokken was. Lucas zou hem en zijn vrouw moeten bedanken omdat ze de ruziestokers uit hun huis hadden gezet. Hij heeft Lucas’ vrouw ook nooit geschopt.
Of er ooit een vonnis is geweest, hebben we niet kunnen achterhalen.
5 april 1672. Verdeling erfenis van Lucas Wambacq en Anna Van De Putte.
Voor meier Michiel Wambacq compareerden enerzijds Andries Van Der Straeten met zijn vrouw Cathelijne Wambacq, in eigen naam en als voogden van van de drie minderjarige kinderen van wijlen Lucas Wambacq en Cathelijne Breynaert en anderzijds Michiel Wambacq en Peter Segers ook als voogden van de kinderen van Lucas Wambacq en van wijlen Anna Van De Putte, dochter van Arnout, zijn tweede vrouw.
De erfenis werd in twee gelijke delen verdeeld. De tweede coparanten erfden:
- De goederen, gronden en andere effecten zoals een hofstede met weide en land met het hout daarop, de ‘vloghe’[15], varkenshokken, grote schuur, paarden en de koeistal, gelegen in Essene, groot 240 roeden, en palend aan de Vijvereusel, de goederen van Peeter De Bus en de straat. Alles getaxeerd op 1466 rijnsgulden
2) Een meers gelegen in Essene met de helft van de bomen palend aan ‘De Varenstrate’, de goederen van de abdij Affligem, de goederen van de heer markies van Asse en ede goederen van Nicolaes Fasseel, getaxeerd op 181 rijnsgulden.
- Een land gelegen in Essene op het veld ‘Den Grenaert’ groot 90 roeden, palend aan de voetweg van Aalst naar Ternat, de goederen van Carel De Nagel en meester Michiel Wambacq, het goed van het Rode Klooster en van Peeter De Bus. Getaxeerd op 236 gulden ende 5 stuivers.
- Een land gelegen op het ‘Het Dooreken’ groot 3 dagwand en 75 roeden, palend aan ‘De Vijvermeersch’, de goederen van Jan De Pape en de goederen van de erfgenamen Wellens, nu Jaspar Camerman. Getaxeerd op 750 rijnsgulden.
- Een rente van 30 stuivers tot last van Guilliam De Brackel op een kapitaal van 24 gulden.
- Een hofstede met hopstaken gelegen in Essene, groot 50 roeden, palend aan de straat, de goederen van Jan Van Varenberghe, de goederen van de erfgenamen van Jan Raspoet en de goederen van Jaspar Camerman. De hofstede werd getaxeerd op 168 rijnsgulden.
- Een land gelegen in Essene op ‘Het Doreken’, groot 1 dagwand 38 roeden, palend aan de goederen van de erfgenamen van Bartholomeus De Hertoghe, de goederen van de huisarmen van Asse, de goederen van de erfgenamen meester Joos Van Der Heijden en de goederen van meester Michiel Wambacq. Getaxeerd op 310 rijnsgulden 10 stuivers.
- Een dagwand en 20 roeden, palend aan ‘Den Peerlinckvijver’, de goederen van jonker Franciscus Van Steenlandt, de goederen van de der erfgenamen van Jan Coppens en de goederen van de erfgenamen van Jan De Witte. Het perceel werd getaxeerd op 342 rijnsgulden.
- Een hofstede met een nieuw huis gelegen in Essene aan ‘Den Crekelendriesch’, groot 1 dagwand 25 roeden, palend aan de straat, ‘Den Boonhof’” en de goederen van Gillis Van Den Broecke. De hofstede werd getaxeerd op 663 rijnsgulden 10 stuivers
De kinderen van Lucas met zijn eerste vrouw Cathelijne Breynaert zullen de goederen of andere effecten die de ouders hadden en de opbrengsten ervan tijdens zijn tweede huwelijk aan hen vergoed worden. Daarin ook begrepen de gelden door hun vader ontvangen van de erfenis van hun moeder afkomstig van de parochie Bever in Henegouwen. Deze akte werd opgesteld door officier Carel Steppe die drossaard Charles Ignatius Crabeels verving en in tegenwoordigheid van de schepenen van het markiezaat van Asse Joos Van Ginderachtere, Guilliam t’Kint, Peeter Moortgat en Nicolaes Meert.
De erfenis voor de voorkinderen van Lucas Wambacq en Catyhelijne Bruijaert.
- Een hofstede met bomen, woonhuijs, stenen kamer, kelder, ‘paveijssel’, brouwerij, brouwketel, kuip, koelbak, kleine schuur en koeienstal, gelegen in Essene, groot 240 roeden, palend aan de straat, wederdeel van lot B, de goederen van de erfgenamen van Pauwel Raspoet en de goederen van Jan Van Varenberghe. De hoeve was belast met een grondcijns aan de abdij en was getaxeerd op 2 230 rijnsgulden.
- Een land gelegen op het veld ‘Den Moorter’, groot 90 roeden, palend aan ‘Den Bellewech’, de goederen van de erfgenamen van Geeraert Linthoudt, de goederen van mijnheer Besar en de goederen van de erfgenamen Van Der Meulen. Het land werd getaxeerd op 180 rijnsgulden.
- Een blok land met bomen genaamd ‘Het Lancqblock’, groot 220 roeden, palend aan ‘Den Becrenbempt’ de goederen van Marie t’Kint, weduwe van Jacques Van Bossuijt, de straat, de goederen van Franchois De Bailluiw en de goederen van Guilliam t’Kint. Op het perceel rustte een kwijtbare last van 25 gulden aan het klooster van Ter Histen in het begijnhof te Brussel. Het werd getaxeerd op 422 gulden 5 stuivers.
- Een perceel gelegen in Essene op het ‘Het Dooreken’, groot 2 dagwand 10 roeden, palend aan de goederen vanPeeter Segers en Michiel Wambacq, de goederen van Gillis Van Den Broecke en de goederen van Jan Longin, ‘Den Groenenwech’ en de goederen van Jan De Pape. Het perceel werd geschat op 420 guldens..
- Een hofstede nu hoplochten genaamd ‘Den Schokaert’, groot 175 roeden met het hout en de hopstaken, gelegen in Essene, palend aan ‘Het Dooreken’, het straatje, de goederen van Jan De Smeth en Adriaen De Ridder.De hofstede is belast met 2 viertelen ‘rocx’[16] onkwijtbaar, voor het gasthuis van Asse en 2 viertelen rocx aan de huisarmen van Asse. die zijn afgetrokken van de totale som aan 80 gulden het ‘sister’[17],
- 2 gulden 7 stuivers uit een kwijtbare rente aan Jan Matthijs. Getaxeerd op 502 gulden 8 stuivers.
- Een land gelegen in Essene op ‘Den Moorter’, groot 71 1/2 roeden, palend aan de goederen van de abdij Affligemen de goederen van Franchois Bailliuw. Getaxeerd op 187 gulden 14 stuivers 1 blank.
- 1 dagwand 2 roeden land gelegen in Essene op het ‘Dooreken’, palend aan ‘Den Boonhoff’, de goederen van de erfgenamen van sieur Hendrick Wellens en hun eigen goed, getaxeerd op 229 gulden 10 stuivers.
9 mei 1667Testament van Anna ende Joanna Wambacq.
Op 9 mei 1667 verschenen voor notaris Michiel De Bisschop en de getuigen Joos Rogiers en Adriaen Overdain de begijnen in het Groot Begijnhof te Brussel en zussen Anna en Joanna Wambacq, dochters van Franchoys (zie V 7 en 8) nog gezond en ‘memorie ende verstand in alles wel hebbede. Hun testament bepaalde:
1- Ze wilden worden begraven in de kerk van het begijnhof met een eerlijke uitvaart, dertigste missen en aalmoezen voor andere kerken.
2- De langstlevende van hun beiden een legaat van 60 rijnsgulden zal betalen aan elk van hun broers en zusters of hun representanten onmiddellijk na de begrafenis van de eerste gestorvene.
3- De langstlevende erft al hun goereren en renten. Ze kan daarover naar eigen goeddunken beschikken zonder dat ze aan hun broers of zussen rekenschap moet geven.
9 mei 1667. Lening voor Franchois De Bailliu en Cathalijne Wambacq.
Anna en Joanna Wambacq, zussen van Cathelyne en begijnen te Brussel, leenden aan Franchois De Bailliu en Cathalijne Wambacq op 23 april 400 rijnsgulden met een rente van 20 gulden en op 18 januari 1667 nog eens 200 gulden met een rente van 10 gulden. Daarvoor gaven ze als pand een hofstede te Asse genaamd ‘Den Beirenbemt’ palend aan de straat, het koutergat van het ‘Rommelvelt’ en het goed van Lucas Wambacq en meester Aert tKint. De hoeve was belast met een cijns aan de abdij Affligem. Notaris de Bisschop stelde de akte op met als getuigen Joos De Keijser en Jan Verhasselt.
21 januari 1679. Cathelijne Wambacq tegen Jan Kieckens[18].
Cathelijne Wambacq, (zie V 5), dochter van Franchoys en weduwe van Franchois De Bailliu spande een proces in tegen Jan Kieckens, weduwnaar van de weduwe van Martinus Wambacq, (zie V 4), gewezen griffier van Affligem. Martinus Wambacq had op de 2 augustus 1662 een lening van 350 gulden bekomen van sieur Charles de la Mars bovenop de 100 pattacons[19] die hij eerder al had ontvangen. Martinus beloofde de lening terug te betalen op Bamis 1662 of solvente panden te geven, namelijk zijn persoon en zijn goederen. Maar Charles de la Mars eiste een betere borgstelling en daarvoor sprak Martinus zijn schoonbroer Franchoys de Bailliu aan. De schepenbank veroordeelde toch Martinus tot betaling van de 350 gulden vermeerderd met achterstallige renten en de kosten van het proces. Op 30 januari 1680.
VI. Michael (Michiel).
Michaël (Michiel) was meier schepenbank van Affligem en bewoonde Het Ankerhof te Essene.
Meisenier van Grimbergen op 16 augustus 1672.
1673. Bezat Michiel onwettig een stuk grond[20]?
Jan Van Varenberge en Adriaen Van Der Borcht, man van Joanna Van Varenberge, kinderen van wijlen Pauwel en Joanna Schockaert spanden een proces in tegen Michiel Wambacq (zie VI), meier van Affligem. Door van hun ouders erfden zij onder andere 2/4 delen van een perceel land gelegen in Essene genoemd ‘Den Biest’. Het goed paalde aan de voetweg naar de ‘”Rabauwstichel’ en het ‘Curengoed’ van Essene. Michiel heeft dat deel aangeslagen en weigerde de teruggave.Zij verzochten de schepenbank Michiel te verplichten afstand te doen van het land en hun de schade te betalen.
1673. Klacht tegen Michael Wambacq.
Jan Van Varenberge en Adriaen Van Der Borcht getrouwd met Joanna Van Varenberge, kinderen van wijlen Pauwel en Joanna Schockaert, dienden een klacht in tegen Michiel Wambacq, meier van Affligem, omdat hij een deel van een land zou hebben ingenomen. Na de dood van hun ouders erfden zij de helft van een perceel gelegen in Essene genaamd ‘De Biest’ palend aan de voetweg naar ‘Rabauwstichel’ en het kurengoed van Essene. Herhaalde pogingen om de zaak in der minne te regelen baatten niet en daarom richtten ze zich tot de schepenbank met het verzoek Michael te veroordelen tot teruggave van het perceel met vergoeding voor de geleden schade.
5 februari 1689. Klacht tegen Michiel wegens onbetaalde rente.
Gillis Van Mulders, griffier van het markiezaat en de Vrijheid van Asse diende een klacht in tegen Michiel Wambacq, meier van de abdij Affligem, als voogdt van de kinderen van wijlen Martinus Wambacq en Anna Vrancx. Michiel was Gillis 14 gulden stuivers schuldig. Dat was het gevolg van een onbetaalde rente van 3 gulden 10 stuivers voor de jaren 1687, 1688 en 1689. Die rente was bepand was op de behuisde hofstede gelegen in Essene. Gillis daagde, na mislukte pogingen om tot een oplossing te komen, Michiel voor de schepenbank.
22 augustus 1719. Franciscus koopt land van Petrus Josephus de Coninck zie V 4 d).
Voor de schepenen van de Vrijheid en het Land van Asse Joos ’t Sas, Guillam Verhasselt en Peeter Clauwaert, en Carel Rogiers als vertegenwoordiger van hoofddrossaard Huberus Moortgat, verscheen sieur Petrus Josephus De Coninck, zoon van wijlen sieur Jan Franciscus De Coninck, griffier van ‘Cruijckenbourgh’, Wambeek, Lombeek en Ternat en van wijlen Jacquelina Wambacq. Zij verkochten 1 dagwand 54 ½ roeden land gelegen in Essene op het ‘Rommelvelt’, palend aan de goederen van de Kerk van Essene, de erfgenamen van Franchois De Bailliu en de goederen van de abdij Affligem aan de hoogste bieder Franchois Wambacq voor 453 gulden 18 stuivers. Franciscus Wambacq was de jongste zoon van zoon van Martinus en Anna Vrancx. Hij is gedoopt op zondag 29 oktober 1673 in Essene en is aldaar overleden op vrijdag 10 april 1733, 59 jaar oud. Volgens de telling van Essene van 22 oktber 1704 had Franciscus een ‘eenen swerten ruijn oud 3 jaer ende1 peert’.
27 april 1733. Inventaris ten sterhuize van Franciscus Wambacq[21].
De inventaris werd opgeteld voor Catharina Bruylant, weduwe van Franciscus (zie V 4 d) en zijn kinderen met zijn eerste vrouw Joanna Van Varenbergh, namelijk Marie, getrouwd met Peeter Van Wayenbergh, Jan en Peeter Wambacq:
– Joanna Van Varenbergh aengegaen met Anna, Guillam en Jaspar Van Varenbergh haere broeders ende suster waerbij aen de selve Joanna is te deele gevallen een huijs met appendentie ende dependentie van dien mette hoffstede groot 100 roeden commende voor aen de straete, ter tweeder Sint Anthonis t’Esschene, ter 3de ’t wederdeel ende ter vierder de erffgenaemen Wambacq belast aen de kercke aldaer met een jaergeteijde van Engel Camerman van 33 stuijvers t’sjaers gepasseerd voor hun onderlinghe op den 13de Xber 1695 is op den dors gequoteerd I.
– Een erfbrief[22] verleden door Peeter De Raedt en Anna Van Den Houte voor Franchois Wambacq en Joanna Van Varenbergh van 109 ½ roeden land salvo gelegen in Essene op ‘De Foist’, palend aan heer Franchois Wambacq, Peeter Van Wayenbergh, de kanunnik Wambacq gepasseerd voor de schepenen van de abdij op de 29 juni 1717 en ondertekend door J. De WitteI.
– Een erfbrief verleden door Adriaen Van Linthout, zoon van wijlen Joos en Lowiese Wambacq voor Franchois Wambacq en Joanna Van Varenbergh van 2 dagwand land gelegen in Essene op ‘Den Montille’, palend aan de straat, de erfgenamen Anna Wambacq, Adriaen De Ridder en jonker Jan De Besar, gepasseerd voor de schepenen van Affligem op 10 februari 1727.
– Een erfbrief verleden door meester Charles Cuypers, licentiaat in beide de rechten en advocaat van de Souverijnen Raede van Brabant ten behoeve van Franchois Wambacq en Joanna Van Varenbergh van een half bunder gelegen in Essene, palend aan de straat, Michiel Cornelis en de wederhelft gepasseerd voor de schepenen tot Asse op 16 oktober 1715.
– Een erfbrief verleden door meester Nicolaes Mattijs voor Franchois Wambacq en Joanna Van Varenbergh van 3 dagwand 60 roeden land gelegen in Esshene op ‘Den Foost’ en palend aan de voetweg van Essene naar Affligem, Michiel Camerman en Peeter ? meester Michiel Wambacq en de erfgenamen van Nicasius De Naghel, gepasseerd voor de schepenen van Affligem op 18 april 1709, ondertekend J. De Witte.
– Een erfbrief van 50 roeden land gelegen in Essene op ‘Den Foist’, palend aan de straat, Geert Camermans, de Heilige Geest van Essene en de vermelde Camermans Het perceel verkregen Franchois en Joanna bij decreet gepasseerd voor de schepenen van Affligem op 6 maart 1702, ondertekend J. De Witte.
– Een constitutiebrief van een erfelijke rente van 25 gulden vallend op 14 juli verleend door Peeter De Vis, zzon van Aert en Peeternella Van Varenbergh voor Gillis Wambacq en Margarita Clauwaert, gepasseerd voor de schepenen van Affligem op 14 juli 1721, ondertekend door J. De Witte.
– Een transportbrief verleden doorj H. Wambacq voorzijn broer Franciscus Wambacq en Joanna Van Varenbergh van de helft van de rente, gepasseerd voor de schepenen van Affligem op 21 maart 1729, ondertekend door J. De Witte.
– Een erfbrief verleden door sieur Petrus Josephus De Coninck voor Franchois van een dagwand 45 1/2 roeden land gelegen in Essene op het ‘Rommelvelt’, palend aan de Kerk van Essene, de erfgenamen van Franciscus De Bailliu en e goederen van Affligem, gepasseerd de voor schepenen van Asse op 22 augustus 1719, onderteken door Mulders.
– Een erfbrief van een half bunder land gelegen in Essene op ‘Den Foist’, palend aan Peeter Wambacq, de huisarmen van Essene, de straat en nog eens de huisarmen van Essene door Franciscus en Joanna verkregen bij decreet gepasseerd voor de schepenen van Affligem op 26 januari 1711, ondertekend J. De Witte.
– Een erfbfrief verleden door Jan Rogiers voor Franciscus en Joanna voor een dagwand en 3 roeden land gelegen in Essene op ‘Den Foist’ en de Exterenberg, paled aan de straat, de Kerk en de armen van Essene en de erfgenamen van Franciscus Robijns, gepasseerd voor de schepenen van Affligem op 4 november 1715, ondertekend door J. De Witte.
– Eenn erfbrief verleden door Peeter Droeshout en Joanna Catharina Clauwaert voor Franchois en Joanna voor een dagwand land gelegen in Essene op ‘Den Montil’, palend aan de heer Raad en Fiscaal Coloma, Adriaen Van Linthout en de straat, gepasseerd voor de schepenen van Affligem op 13 januari 1727, onderteken door J. De Witte.
– Een erfbrief verleden door Arnoult De Smeth en zijn kinderen voor Franciscus en Joanna van de helft van een dagwand land gelegen in Essene op ‘Den Foist’, palend aan de huisarmen van Essene, de erfgenamen van sieur la Mars en de erfgenamen van meester Michiel Wambacq, gepasseerd voor de schepenen van Affligem op 8 november 1717, ondertekend door J. De Witte.
– Een erfbrief verleden door Jan Camermans, zoon van Jaspar voor Franciscus en Joanna van een dagwand en 50 roeden land gelegen in Essene op ‘Den Foist’ in twee partijen palend aan de huisarmen van Essene en de acceptant, Peeter Wambacq, de erfgenamen van Michiel Wambacq en Franciscus Wambacq en de straat. De de tweede partij, waarvan de helft toebehoort aan de kinderen van Aert De Smedt en zijn eerste vrouw Anna De Mey, palend aan de huisarmen van Essene, de erfgenamen van sieur la Mars en erfgenamen van Michiel Wambacq, gepasseerd voor de schepenen van Affligem op 8 november 1717, ondertekend door J. De Witte.
– Item eenen erffbrieff verleden bij sieur Joannes Franciscus De Coninck ten behoeve van Franciscus Wambacq ende Joanna Van Varenbergh van drije daghwanden bosch genoempt “Den Foist” gelegen onder Esschene paelende ter eenre Judocus Van Varenbergh, ter 2de Afflighem goeden, ter derder Judocus Van Varenbergh ende ter 4de den acceptant gepasseerd voor schepenen van Afflighem op den 7de juli 1727 onderteeckent J. De Witte is in dorso gequoteerd XV.
– Een erfbrief verleden voor Franchois Cornelis voor Franciscus en Joanna van 1 1/2 dagwand land gelegen in Essene op het ‘Rommelvelt’, palend aan de kopers, en Peeter Van Wayenbergh en de raadsheer Coloma, gepasseerd voor de schepenen van Affligem op 30 oktober 1719, ondertekend door J. De Witte.
Een erfbrief verleden door Jan Camermans voor van Franciscus en Joanna van de helft van een dagwand land gelegen in Essene op het ‘Rommelvelt’ waervan de andere helft al van Franciscus is Het perceel paalde in het geheel aan de erfgenamen van Marie De Pape, jonker Jan Besar, de erfgenamen van Peeter Cornelis en Balten De Bus, gepasseerd voor de schepenen van Affligem op 8 november 1717, ondertekend door J. De Witte.
– Een akte van ruil aangegaaen tussen Guillam Van Varenbergh en Franciscus Wambacq en Joanna Van Varenbergh waarbij aan Wambacq 28 roeden hoplochting toekwamen, gelegen in Essene en palend aan zijn eigen goederen en zijn hofstede J. Wambacq. De akte werd verleden voor notaris J. De Witte op (onleesbeaar) 1701.
– Een kopie van condities van verkoop gebeurd voor schepenen van Affligem op 28 juni 1717 waarbij de bedesetters van Essene 2 dagwand 8 roeden land hebben verkocht. Het goed lag in Essene op het ‘Rommelvelt’ en paalde aan mijnheer Steenlant, de heer Coloma en de weduwe van Peeter Wambacq. De koper was Franchois Wambacq.
Aldus geïnventariseerd op 27 april 1733 op verzoek van Catharina Bruylant, de weduwe van Franchois Wambacq. Zij verklaart geen andere brieven kennis te hebben.
Joanna Van Varenbergh, gedoopt te Essene op 10 januari 1675, overleed aldaar op 25 maart 1732. Zij huwde te Essene op 26 november 1697 met Franciscus Wambacq. Hij huwde opnieuw te Essene op 8 februari 1733 met Catharina Bruylant, dochter van Henricus, gedoopt te Essene december 1625, en aldaar overleden op 21 november 1705. Hij huwde te Essene op 12 april 1668 met Catharina Camerman, gedoopt te Essene op 17 juli 1640, en aldaar overleden op 27 december 1692.Catharina Bruylants trouwde later op zondag 28 juni 1733 in Essene met Henricus Veldekens (1696-1736).
27 juni 1733. Overeenkomst tussen Catharina Bruylant en de kinderen van Franciscus en Joanna[23].
Catharina Bruylant, weduwe van Franchois Wambacq liet de huur na van de velden en de weiden die zij pachtte van de abdij Affligem aan haar stiefzoon Jan Wambacq op volgens de condities van de huurpacht mits de toestemming van de monniken van de abdij en met de opleg voor de verbeteringen, het werk en de houtwas daarop van 400 gulden. Catharina Bruylant moest aan Jan Wambacq als huwelijksdot 333 gulden 6 ½ stuivers betalen.
Dezelfde som kregen haar andere stiefzoon Peeter Wambacq en Peeter Van Wayenbergh, man van Marie Wambacq. Peeter van Wayenbergh ontving nog 33 gulden 6 ½ stuivers.
Peeter Wambacq ontving van Peeter van Wayenbergh 33 gulden 6 ½ stuivers.
Catharina Brulant ontving van Peeter van Wayenbergh 266 gulden 13 stuivers.
Zo was bepaald in het huwelijkscontract tussen Franciscus Wambacq en Catharina Bruylant van notaris Crick van 28 januari 1733.
.
12 januari 1762. Rente van 70 gulden voor Elisabeth Wambacq, begijn te Brussel[24].
Op 13 december 1761 verschenen voor notaris Henrico Segers, Judocus Seyens en Philippus Nulant, schepenen van het Land van Asse, Maria Wamback, weduwe van Peeter Van Wayenbergh en haar dochter Elisabeth van Wayenbergh (zie V 4 a die, ‘tot meerder eere ende glorie Godts’ begijn wil worden het Groot Begijnhof te BrusMaria)sel. Maria Wambacq beloofte jaarlijks 70 gulden aan het begijnhof te betalen zolang haar dochter in het begijnhof verblijft. Als pand geeft zij:
- 2 dagwand land gelegen in Essene en palend aan de straat, juffvrouw N… de Fabirca?, Michiel Cornelis en de wederhelft.
- 1 dagwand 50 roeden gelegen in Essene op het ‘Trommelveld’ palend aan de kopers, juffvrouw Wamback, Peeter Van Weyenbergh en de raadsheer Coloma.
- 1 dagwand land gelegen op ’Trommelveld’ palend aan de erfgenamen Gillis De Witte, de erfgenamen Marie De Pape of jonker Jan Bezar, de erfgenamen van Peeter Cornelis, en Balthazar De Bus.
- 2 dagwand 8 roeden land gelegen in Essene op ’Het Trommelveld’ palend aan mijnheer Steenlant, de heer Coloma en de weduwe van Peeter Wamback.
De percelen zijn onbelast en komen uit de nalatenschap van Franciscus Wambacq en Joanna Van Varenbergh, haar ouders. De eerw. heer Coraet en de vier oppersten van het begijnhof ontvingen het geld.
Maria trouwde, 18 jaar oud, op zaterdag 25 maart 1724 in Essene met Petrus Van Wayenbergh. Petrus is overleden op zaterdag 11 februari 1741 in Essene.
30 januari 1753. Jan Wambacq en Elisabeth Meert kopen land, (zie V d Jan).
Op 10 januari 1753 verschenen voor notaris M. Van Itterbeke en de getuigen Joannes Baptista Bastaerts, Martinus Gheude en Petrus Wambacq, schepenen van het Land van Asse de heer en meester Joannes Franciscus De Coninck, licentiaat in de medicijnen in Puurs, zoon van wijlen de heer Joannes Franciscus De Coninck, gewezen griffier van het graafschap van Cruijckenborgh, Wambeke, Lombeke en Ternath en van Juffvrouw Jacquelina Wambacq.
Joannes Franciscus verkocht, aan Jan Wambacq en zijn vrouw Elisabeth Meert een perceel 90 roeden gelegen in Essene in ‘Den Steenpoel’ tegen de Exterenberg en palend aan sieur Petrus Wambacq, de Kerkgoederen van Essene en de straat. Het land is onbelast. Joannes Franciscus de Coninck erfde het land van Joanna Marie Wambacq, ‘jonge bejaarde dochter’ van Michiel en Joanna De Bast, zijn ‘moederlijcke moije’. De koopsom bedroeg 123 gulden 13 stuivers 1 oord.
Joannes trouwde, 21 jaar oud, op dinsdag 14 juli 1733 in Essene met Elisabeth Meert, 16 jaar oud. Zij is een dochter van Jacobus en Catharina Raspoet. Zij is gedoopt op dinsdag 8 september 1716 in Essene en is aldaar overleden op woensdag 31 oktober 1792, 76 jaar oud.
IX- Martinus.
Verborg Martinus gouden kandelaars?
Dat de Franse revolutionairen de katholieke godsdienst wilden uitschakelen was algemeen gekend. Kerken werden gesloten en kloosters en abdijen afgeschaft. Op 11 november 1796 verdreven Franse soldaten de monniken uit hun abdij en alle hun bezittingen werden geconfisceerd. De monniken wisten al een heel jaar wat hen te wachten stond en hebben zij getracht delen van hun kostbaarste kunstwerken voor de Franse overheid verborgen te houden? Lange tijd dacht men dat ze klokken aan de rand van de Aalsterse Dreef in de grond habben verstopt. Tot hiertoe is daar geen bewijs voor gevonden. Een even hardnekkig gerucht ging over verborgen gouden kandelaars. Volgens het hardnekkig gerucht zou Martinus, rentmeester van de abdij, op vraag van proost Beda Regaus, tien mensgrote gouden kandelaars op Het Ankerhof verborgen hebben. Alleen hij en de proosten kenden de geheime plaats. Wellicht zijn er nog monniken die stiekem hopen dat het gerucht waar zou zijn, maar tot nu toe is het alleen maar een mooi verhaal over de vriendschap tussen de prosst en zijn rentmeester.
Besluit.
De familie Wambacq was een welstellende en vorname familie in EsseneDe eerste generaties te Essene bewoonden het belangrijke Hof ter Borcht en toen dat verdween kwam Het Ankerhof in de plaats, een grote hoeve met brouwerij die tot vorige eeuwe zou blijven bestaan. Invloedrijke personen zoals notarissen en de griffiers van de abdij bepaalden mee het dorpsleven. Maar de Wambacq’s waren ook kinderen van hun tijd en sommigen hadden zoals vele anderen een kort lontje en schrokken niet terug voor verwijten, ruzies of zelfs vechtpartijen om gelijk te krijgen of om hun frustraties af te reageren. Een valt op: de voortdurende uitbreiding van hun bezittingen.
[1] J. Lindemans, ‘Oud-West-Brabantsche Geslachten, Wambacq’, Eigen Schoon en De Brabander, jg. 1-2, (1931) 282-290.
[2] Het Hof ter Borcht was een grote hoeve die oorspronkelijk verbonden was aan de burcht van Essene in het centrum van het dorp. Het was een leengoed van de heren van Asse dat in de 12de en 13de eeuw toebehoorde aan de ridders van Essene en de hoeve aan Reinier Eggloy, schepen van Brussel van wie de abdijhet goed verkreeg. W. Verleyen, ‘De abdijhoeven in de gemeente Affligem’, Heemkundige Kring Belledaal Jaarboek 1986, 48.
[3] J. Lindemans, idem en A. Van den Broeck, Bewerking van Parochieregisters en Burgerlijke Stand Essene, (1994.
[4] Lutrijn: koorlezenaar.
[5] W. Verleyen, ‘Necrologium van Affligem 1083-1992’, Eigen Schoon en De Brabander, jg.LXVI-LXXIV, (1983-1992),447.
[6] Het Hof te Belle bevond zich waarschijnlijk op de plaats waar nu het restaurant Mie Katoen is en voorheen het Hof te Brempt. De eerste vermelding dateert van 1377. In 1576 was de hoeve bouwvallig. De gebouwen, waarvan alleen het onderste gedeelte in steen was gebouwd, stonden in een vierkant. Er was toen al een brouwerij. Er stond ook een tiendenschuur. De aartsbisschop en ook abt van Affligerm verkocht de hoeve op 16 juni 1638 aan Franchoys Wambacq. Later ging het bedrijf over naar de naburige Bellemolen die dateert van 1149. W. Verleyen, ‘De abdijhoeven in de gemeente Affligem’, Heemkundige Kring Belledaal Jaarboek 1986, 48.
[7] R.A. Leuven, schepengriffie van Asse, nr. 211, f° 21-22.
[8][8] R. A. Leuven, Schepengriffies arrondissement Halle-Vilvoorde, Code van de inventaris: 51/2, nr. 5.
[9] Mudde of mud is een inhoudsmaat voor droge waren zoals graan en aardappelen. Een mud stond gelijk aan ongeveer 27 tot 28 liter (na de invoering van het metrieke stelsel werd dit 100 liter of 1 hectoliter). Bij aardappelen staat een mud gelijk aan een gewicht van ongeveer 70 kg.
[10] J.vander Hameyde, ‘De linnenkast van een Brabantsch gezin in de 17e eeuw’, Eigen Schoon en De Brabander, (jg. 19) 1936, nr. 9, 356-360.
[11] calson: caleçon: slipje
[12] Hamel is een gecastreerde ram.
[13] R. A. Leuven, Schepengriffies arrondissement Halle-Vilvoorde, Code van de inventaris: 51/2, nr. 6.
[14] Apostilleren is legaliseren. Legalisatie maakt het mogelijk om een Belgisch document in het buitenland te gebruiken of een buitenlands document in België.
[15] Vloghe: duiventil?
[16] Rocx = rogge
[17] Sister= In het Oudnederlands en in de geschiedenis van maten en gewichten was een sister (of zester) een historische inhoudsmaat voor droge waren, voornamelijk gebruikt voor koren, graan of haver.Inhoud: De exacte waarde verschilde per regio en type gewas, maar lag meestal tussen de 25 en 50 liter.
[18] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 177.
[19] De pattacon (ook: patagon, patacon) was in de zuidelijke Nederlanden een veelgebruikte munt en rekeneenheid; hij was dan ook bij veel van onze voorouders bekend. De zilveren munt wordt ook aangeduid als kruisdaalder, kruisrijksdaalder of kortweg rijksdaalder (Beesel, 1659). In oude akten spreekt men vaak over ‘specie pattacons’; hiermee bedoelt men een bedrag in klinkende munt. De munt werd ingevoerd in 1612 (tijdens de Tachtigjarige Oorlog) onder bewind van de aartshertogen Albrecht en Isabella (1598-1621) en was gangbaar tot ver in de 18e eeuw. Het duurde enkele jaren voordat de nieuwe naam gemeengoed was. In de omgeving van Roermond treffen we de pattacons aan vanaf ongeveer 1632. De munt blonk uit door zijn kwaliteit, niet enkel qua gewicht en gehalte, maar ook qua ontwerp en afwerking. Dat neemt niet weg dat bewaard gebleven exemplaren vaak veel sporen van slijtage vertonen. Op de voorzijde is een gekroond St-Andrieskruis (vandaar ook: kruisdaalder) te zien met in het midden de vuurslag en het Gulden Vlies. Op de keerzijde zien we het gekroonde Bourgondische wapen tussen de ketting van het Gulden Vlies. De munt werd op tal van plaatsen geslagen en omdat hij bovendien lange tijd in roulatie was, zien we ook verschillende versies.De pattacon had aanvankelijk een waarde van 48 stuiver – 2 gulden 8 stuiver – en groeide al snel uit tot een belangrijke handelsmunt die tot ver buiten het oorspronkelijke muntgebied werd gebruikt. 1 pattacon werd verdeeld in 8 schelling of schilling. Wikipedia.
[20] L. De Wee, ‘De notabele Leuvense familie Sassenus’, Eigen Schoon en De Brabander, jg. 105, nr.4 2022, 466.
[21] R. A. Leuven, Notaris Crick Egidius, Asse, Code van de inventaris: 882/522, nr. 31.
[22] Een erfbrief is een akte voor iemands recht op een eigendom.
[23] R. A. Leuven, Notaris Crick Egidius, Asse, Code van de inventaris: 882/522, nr. 31.
[24] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4720.
