Rechtszaken te Meldert tijdens de 18de eeuw.

Rechtszaken te Meldert tijdens de 18de eeuw.

Jan Pieters geschopt en geslagen[1].

Ten behoeve van de drossaard van het Land van Asse maakte dorpsofficier Franchois Van Onchem volgend verslag van de gebeurtenissen op Het Meirsbroek op 5 februari 1701.

Die dag legde Jan Pieters, 30jaar, een klacht neer wegens slagen en verwondingen. Hij had, toen hij in zijn huis was, twee wagens voorbij horen rijden. Omwille van het kabaal dat de voermannen maakten, ging hij buiten eens kijken en stelde dan vast dat de wagens niet op de weg reden maar door zijn graanveld. Hij zag nog dat een van de wagens, die van  Hendrik Van Ginderachter, kantelde. De andere wagen was van P. Plas uit Krokegem. Het is God die hem vreeckt omdat gij over mijn graen gereden hebt, meende Jan Pieters en hij riep zijn zwager om getuige te zijn van het voorval. Daarop kwam de knecht van P. Plas, Jan De Nil, op hem toegelopen, zeggend: wat heeft dese vagebond hier soo te roepen. Jan Pieters kon hem nog afweren met de dorsvlegel die hij van huis had meegenomen. Omdat Jan om hulp bleef roepen, vroeg Gillis hem of het zijn bedoeling was hun wagens te plunderen en hij sloeg hem met zijn vlegel op zijn rechterschouder terwijl hij zijn compagnons vroeg om met hun degens te komen. Pieters vluchtte weg, achtervolgd door Gillis Van Ginderachter. Al na een paar meter kon Van Ginderachter hem grijpen en vasthouden tot Van Huijnegem en De Nil hem bij zijn haar vastgrepen. Een van hen, Pieters wist niet wie, sloeg hem driemaal zo hard op zijn hoofd dat hij als in onmaght is geweest. Toch kon hij nog weglopen tot Van Huijnegem hem vastgreep. De twee anderen sloegen dan met zijn eigen vlegel op zijn rug, zijn benen en billen. Ondertussen waren andere mensen op het tumult afgekomen en de overvallers lieten Jan Pieters los, behalve Van Huijnegem die hem op de grond gooide. Stampt op zijn hert, stampt op zijn hert, moedigden de twee hem aan. Maar door het geroep van een andere man, Jan Pieters herkende de stem niet, gingen zijn aanvallers eindelijk weg.

Op 10 februari legde Frachois Van Onchem zijn verslag voor aan schepen Hendrik De Bailliu en de poorters Peter Gerstman en Joos De Clercq.

Peter Van de Putte: siet ick slaen den drossaert[2]

Wat bezielde Peter Van de Putte om de dorpsofficier van Meldert, Franchois Van Onchem, vast te grijpen en te slaen? Dat gebeurde in het huis van Jan Lans en in aanwezigheid van meerdere personen. Dat vergrijp bleef natuurlijk niet zonder gevolg, vooral omdat hij uitriep: siet, ick slaen nu den drossaert. Zoiets kon officier Franchois niet negeren en hij lichtte drossaard Hubert Moortgat in. Die vond dusdaenighe feijten intollerabel als strijdende tegen alle recht ende justitie mitsgaeders oock tegen de eere ende reputatie. Hij liet door officier Michiel Jacobs Van de Putte voor de schepenbank dagen op 12 december 1702. Zijn advocaat, Arnolt Adriana, eiste een schadeloosstelling van 5 patacons[3] (= 12 gulden). Maar Van de Putte daagde niet op, en ook niet na de tweede dagvaarding op 18 december. Toen hij na de derde dagvaarding niet verscheen, veroordeelden de schepenen Hendrik De Bailliu en Peter Gerstman hem tot het betalen van een boete van 20 gulden.

De woede van Peter Van de Putte is waarschijnlijk te verklaren door een eerder conflict. In 1697 bezorgde Franchois Van Onchem een dagvaarding. Volgens de collecteur Jan Van der Borght moest hij 78 gulden betalen aan het Melderts gemeentebestuur, een bedrag dat zijn vader, voor zijn overlijden, als collecteur nog zou schuldig zijn. Peter ontkende dat ten stelligste en dat leidde tot een proces dat in 1700 nog niet was opgelost[4].

De kwalijke erfenis van Jan Van der Borght[5].

Waarom Guilliam Van der Borght op 27 april 1650 een lening van 200 gulden met een erfelijke rente van 12 g 10 st aanging bij het klooster van Jericho[6] te Brussel is niet duidelijk. Hij was geen onbemiddelde man want hij kon meerdere partijen land als borg stellen:

-1/2 bunder land gelegen op de Rooskouter te Mollem, een erfenis van zijn moeder Joanna Van de Velde;

-1 bunder land gelegen op Den Bakoven te Asse;

-1 bunder land met huis te Asse-ter-Heide, een erfenis van zijn vader. Het perceel was belast met 10 g 10 st aan de kapelanij van Asse en met 12 g 10 st aan meester Arnoult Adriani.

De akte van de lening werd verleden door notaris Stephanus Van de Velde en door de schepenbank van Asse geregistreerd op 5 november 1650. Tot 1699 betaalde Guilliam en na zijn overlijden zijn zoon Jan stipt de rente op 27 april. Maar van 1700 tot 1707 werd er niets betaald. De schuld was inmiddels opgelopen tot 87 g 10 st. Voor de zusters was nu de maat vol. Pogingen om tot een minnelijke oplossing te komen hadden niets opgeleverd. Jan weigerde te betalen. Gevolg: de zusters richtten zich tot de schepenbank van de edele ende welgeboren vrouwe Marie de Cotereau der poort vrijheijt ende lande van Assche om Jan Van der Borght te verplichten de 87 g 10 st achterstel te betalen.

De weduwe Petronella beschuldigd van fraude[7].

De gemeentelijke boekhouding is een complexe zaak en dat was het zeker in vroeger tijden toen nog veel mensen niet konden lezen of schrijven. Voor de collecteurs, die de inkomsten en uitgaven moesten bijhouden, was het praktisch onmogelijk om voor alle verrichtingen de nodige kwitanties te verzamelen met als resultaat discussies over uitgaven die de collecteurs niet konden staven of niet geregistreerde inkomsten. Dat overkwam de weduwe van collecteur Jan Van den Biesen. Zij werd in 1698 voor de schepenbank van Asse gedaagd door Joan Van der Borght, de opvolger van haar man. Van der Borght eiste van haar 400 gulden, het tekort op de rekeningen die ze indiende bij de bedesetters. Voor een goed begrip volgt eerst een verduidelijking over de gemeentelijke boekhouding.

Een collecteur, soms ook rendant genoemd, zorgde voor de dorpsfinanciën. De inkomsten en uitgaven noteerde hij in oncost-, bede- en subsidieboeken. Hij inde of collecteerde de belastingen die door de bedesetters “geset”, d.w.z. verdeeld werden over alle belastingplichtigen meestal op basis van grondbezit als eigenaar of huurder. Ook molens en neringdoenders werden belast. De dorpsregeerders, de bedesetters en enkele andere vooraanstaanden, bepaalden de aanslag van de belastingen. Zij moesten bij hun benoeming een eed afleggen voor de schepenbank te Asse en ze kregen een vergoeding voor hun verplaatsing. De collecteur legde, meestal om de twee jaar, zijn rekeningen ter goedkeuring voor aan de dorpsregeerders en voor zijn werk werd hij vergoed met een tantième.

Op de rekeningen die Petronella De Meersman na de dood van haar man in 1698 aan de bedesetters Michiel Van de Putte, Jan Goeman, Gillis Van Onchem, Jan Baptista Robijns en Joan Van der Borght voorlegde, gaf zij als inkomsten 7 966 gulden 3 stuivers en 1 oord. Dat hoog bedrag was te wijten aan de verhoging van de grondbelasting van 6 naar 18 gulden per bunder. Daar kwam nog de pacht bij van 172 g 19 st voor 3 jaar van de vaghe goederen verhuurd door de bedesetters zodat de totale inkomsten 8 139 gulden 2 stuivers 2 oorden beliepen. Als vergoeding voor het opmaken van de rekeningen ontving Petronella 29 g 18 st 2 o. Bijgevolg ontving Petronella 8 109 g 4 st meer dan de uitgaven. In een tijd waarin de gemeenten het moeilijk hadden om hun uitgaven in evenwicht te houden met de inkomsten, was het duidelijk dat niet alle betalingen waren ingeschreven. Meteen wou de nieuwe collecteur Joan Van der Borght de rekeningen purgeren en hij kwam al snel tot de conclusie dat hij nog heel wat betalingen moest verrichten:

De achterstallige betalingen

– 1 898-4-2 van 13 november 1698 zonder nadere uitleg;

– 19-10-0 aan Gillis Beeckman  voor sijne specificatie;

– 29-10-0 aan Carel Ardenois voor vertier, goedgekeurd door de bedesetters van 24 oktober 1698; 9 g voor zijn werk met wagen en paard in dienst van sijne majesteijt in april 1698 en 1-16-0 voor de consumptie van de deurwaarder Van Gommeren;

– 21-4-5/8 aan Peter Van de Putte van 14 november 1698;

– 35-15-3 aan Jan Baptista Robijns voor wat hij voor de parochie deed;

– 4 985-14-0 aan afbetalingen voor meerdere personen;

– 126-17-0 die de weduwe of haar man hebben genoten;

– 12-9-0 voor een rente;

– 12-0-0 voor het opmaken van het setboeck;

– 6-0-0 voor de bedesetters die de rekeningen controleerden;

– 1-6-3 van 23 juli 1695;

– 7-15-0 van 23 juli 1695;

– 29-0-0 aan de abdij van Vorst;

De totale uitgaven bedroegen 7 214-15-0. Van de ontvangsten bleef er nog 894-9-0 over. De verbeterde rekeninghe ende reliqua legde de nieuwe collecteur aan de bedesetters ter goedkeuring voor. Maar Van der Borgt ontdekte nog onbetaalde recente rekeningen van:

– 21-6-0 voor Jacobus De Witte voor zijn debvooren voor de prochie;

– 4-8-0 aan Adriaan Linthout als bedesetter;

– 5-0-0 aan deurwaarder Borremans;

– 5-4-0 aan Jan Baptista Robijns;

– 14-10-0 aan Gillis Van Onchem als bedesetter;

– 25-15-0 aan Adriaan De Ridder als gids voor het Franse leger;

– 198-15-0 aan Joan Van der Borgt voor zijn werk met wagen en paarden ten dienst van de Fransen;

– 105-18-2 door de bedesetters gegeven aan Petronella voor de wagenvrachten in 1693 (voor het Franse leger?);

– 8-12-0 als tantième voor de weduwe;

– 66-0-0 voor haar paard dat aan de Fransen was geleverd en door de Spanjaarden in beslag werd genomen;

– 62-0-0 aan mijnheer De Backer voor een jaar rente in maart 1701;

– 511-11-0 van niet te innen bedragen volgens de oncostboecken van 1691, 1695 en 1696, het soldatenboeck van 1699 de bedeboecken van 1694,1695 en 1699.

De laatste uitgaven beliepen tot 1 030-3-0 zodat er een verlies was van 195-14-0. Die uitgaven werden uiteindelijk goedgekeurd door de schepenen Andries De Boitselier en Gillis Van Onchem, Jan Baptista Robijns, Adriaan Linthout en Steven Meysman en door de drossaard en Gillis Van Mulders en Peter Clauwaert, de schepenen van Asse, op 13 oktober 1711.

Ontfanghen bij mij ondergeteeckent vuijt handen van de weduwe Jan Van den Biesen op rekeninghe van ’t gene sij bij mij affrekeninghe ten achteren is gebleven, 50 guldens.

Actum 17de october 1702

Het proces.

Zoals te verwachten reageerde Petronella De Meersman op het slot van deze laatste rekeningen. Zij verweet Joan Van der Borgt dat hij na het eerste verslag van 31 juli 1698 nog op 2 juni 1704 een tweede verslag indiende, wat volgens haar aantoonde dat zijn eerste conclusies niet klopten. Hij gaf trouwens op 18 november 1704 toe voldaen te wesen in alle zijne prestaties ( van haar overleden man). Zij gaf van haar kant te kennen bereid te zijn met deughdeleijcken eedt te affirmeren dat sij aen den voorschreven aenlegger (Joan Van der Borgt) geene de minste schuld en is bekennende.

Daar de schepenen van Asse geen klaarheid zagen in de zaak die Joan Van der Borgt had aangespannen, richtten ze zich tot de Souvereijnen Raede van Brabant. De advocaten Beauregard en J.B. Van Gelder hadden al op 4 oktober 1710 het advies gegeven om getuigen op te roepen en te ondervragen. De schepenen van Asse besloten de raad van meesters ende geleerden in de rechten op te volgen. Jacobus De Witte, 60 jaar, Franchois Van Onchem, 47 jaar en Dominicus Van den Biesen, 66 jaar, getuigden dat zij in verband met de ingediende rekeningen van Petronella De Meersman winst noch verlies hadden geleden. Zij brachten dus geen nieuwe feiten aan. Het vonnis ontbreekt in de bundel, het enige wat duidelijk werd genoteerd waren de gerechtskosten. Wat begon in 1698 als een klacht over onbetaalde rekeningen, was in 1711 nog niet opgelost. Voor Petronella, die zelf niet kon schrijven en de weduwe was van collecteur Jan Van den Biesen, moeten al die jaren een ware nachtmerrie zijn geweest.

Gillis Beeckman betaalt niet[8].

Paulina Van Heil, een non, had van haar oom Jan Baptist Van Heil, een broer van haar vader, een onbehuijsde hoffstadt met een meirsken daerachter gelegen geërfd. De hofstee was belast met een erfelijke rente van 15 gulden 12 ½ stuivers. Gillis Beeckman had het goed in gebruik. Hij betaalde stipt de rente aan Paulina en na haar dood inde Peter Van der Bruggen, de man van Paulina’s zus het bedrag. Peter stierf in 1710 en toen stopte Gillis Beeckman met de betalingen. Dacht hij te profiteren van een onduidelijke erfeniskwestie? In elk geval pas na drie jaar reageerden de erfgenamen. Zij dienden een klacht in bij de schepenbank van Asse en op 14 mei 1713 werd Gillis op de schepenbank verwacht. De nichten Paulina Van der Bruggen met haar man Cornelis Van den Brande, Philippus Van den Brande, de weduwnaar van Catharina Van der Bruggen en Maria Van Heil, de zus van Paulina, eisten de directe betaling van 46 gulden 17 ½ stuivers achterstallige renten.

Een sluwe Gillis Van Ochem[9].

Op 17 december 1687 verkocht Gillis Van Onchem 1 dagwand land aan Christoffel Van Andenhove voor 22 ponden groot Vlaams[10]. Het perceel lag op het Meirbroeck, paalde aan de Groeneweg en was belast met 2 penningen Lovens[11] aan baron Van Capellen. Al snel rees er een probleem: Niclaas Van der Hasselt had beslag op gelegd op 45 roeden als gevolg van onbetaalde renten. Dat probleem bleef aanslepen tot de erfgenamen van Christoffel, zijn dochter Anna met haar man Jan Peeters en zijn tweede dochter Joanna met haar man Guillam Van den Driessche, na vergeefse pogingen om de zaak in der minne te regelen, tegen Gillis Van Onchem een proces inspanden. Volgens een akte verleden op 16 oktober 1703 kon Gillis 25 roeden aan hen afstaan. De volle 45 roeden kwamen pas in hun handen na een vonnis van de schepenbank van Asse op 13 oktober 1713, 26 jaar na de aankoop!

Testament voor een onwettige dochter[12].

Toen Peter De Nil, zoon van Gillis, sieck van lichaem maar sijn vertsand, memorie ende sinnen noch wel machtich zijn einde voelde naderen, liet hij pastoor Vresius zijn testament opmaken op 29 maart 1714. Hij schonk 150 gulden aan zijn zoon Martinus en 150 gulden aan zijn dochter Geertruide, illegitiem gemaeckt om haar daermede op te brengen. Voor Geertuide een welgekomen erfenis, maar niet naar de zin van Peters weduwe Catharina Van den Houte. Zij weigerde de 150 gulden voor Geertruide te betalen en dreigde ermee ’t selve kind wegh te jaeghen van haer ende alsoo in doelen loopen. Die weigering lokte een reactie uit van pastoor Vresius en de armmeesters Jan Van Vaerenbergh en Guilliam Vermoesen. Nu moesten zij instaan voor het onderhoud van het meisje, wat nadelig was voor de huisarmen van Meldert. Door de schepen bank gedwongen keerde Catharina de geëiste 150 gulden toch uit. Pastoor Vresius stelde voor om 50 gulden te reserveren voor de opvoeding en de resterende 100 gulden te beleggen bij notaris Egidius Crick. Probleem opgelost.

Toch niet, want de pastoor hield het geld voor zich. Het was Geertuides man, Judocus Fieremans, die bij de Raad van Brabant een klacht tegen Vresius indiende en de erfenis opeiste. Op 21 januari 1737 moest de pastoor voor de Raad van Brabant verschijnen. Wie dacht dat een diep beschaamde pastoor het geld kwam brengen, kende de lepe Vresius niet.

Hij had zijn biechtvader, dom Rumoldus Smaes, de gastenpater van de abdij, een getuigenis laten schrijven dat hij in perijckel des doodts was. Toen hij een tweede dagvaarding ontving om op 27 mei voor de Raad te komen, liet hij door notaris Crick een verklaring afgeven dat Geertruide al op 3 juli 1734 de volledige 150 gulden had ontvangen.

Jacobus Vresius, ook Vresins of De Vriese genoemd, was een Mechelaar van geboorte. Op 6 juni 1710 was hij benoemd tot pastoor van Meldert. Hij was een slecht parochieherder: hij hoorde nooit biecht, dronk te veel en had twee kinderen. In 1717 liet hij een nieuwe pastorie bouwen en wentelde de kosten af op de abdij. Hij schreef veel testamenten voor zijn parochianen en was voortdurend in processen verwikkeld. Beda Regaus schreef over hem: Hij was zwaarlijvig en zijn meid nog meer, maar de katten en de honden waren het niet minder. Daarom zegde Zijne Eminentie Kardinaal d’ Alsace: Meldert is een zeer vette pastorie. Hij overleed op 12 december 1746[13].

Meldert in financiële nood in 1714[14].

Op 7 september richtten de regeerders ende gemeijnteaeren van Meldert zich tot den keijser ende coninck in sijnen Souvereijnen Raede van Brabant . De gemeente bevond zich op de rand van het faillissement. Als ze de aangegane leningen, in het totaal voor 10 250 gulden, aan een intrest van 6% moest afbetalen dan zou dat voor het dorp hun totael ruïne betekenen. Die leningen hadden de regeerders aangegaan tijdens de Negenarige Oorlog om de kosten van logementen van soldaten, extra belastingen, opgelegde transporten en rantsoenen voor de Engelse, Hollandse en andere troepen te kunnen betalen. Maar die uitgaven brachten Meldert tot grote armoede. In het schrijven vragen de gemeentebestuurders seer ootmoedelijck dat de Raad van Brabant de intrest van de leningen tot 4% zou verlagen. Als bewijs is er een lijst van de leningen aan toegevoegd:

– aan mijnheer Van Can: 4 000-0-0 aangegaan op 16 april 1685

– aan sieur Van Mechelen: 600-0-0

– aan sieur Van den Brande: 400-0-0

– aan sieur Cassier: 1 200-0-0

– aan jouffr  (onleesbaar): 1 000-0-0

– aan mijnheer De Backer, nu sieur Martinus Robijns: 1 000-0-0

– aan mevrouw De Paepe: 800-0-0

– aan den selve: 600-0-0

– aan jouffr. Smickonen (?): 400-0-0

– aan Peter De Vis: 250-0-0

Summa van de kapitalen: 10 250-0-0

Peter Van Laecken moet zijn de rekening purgeren[15].

Er werden heel wat processen gevoerd tegen de collecteurs, wat laat vermoeden dat er waren die extra inkomsten uit hun opdracht wilden halen. Zo ook Peter Van Laecken, althans volgens de bedesetters was hij ten achteren merckelijcke somme van penninghen over de selve sijne collecte. Zij lieten Egidius Crick op 9 oktober 1714 bij de schepenbank een klacht neerleggen tegen Van Laecken. Die liet zich verdedigen door Christophel Van Coninxloo. Officier Andries De Wandeleer daagde Van Laecken voor de schepenbank op 4 november. Advocaat Crick eiste er namens de bedesetters dat Peter zijn rekeningen zou purgeren, aanzuiveren. Van Coninxloo ging daar niet op in, met als gevolg een nieuwe zitting op 4 december. Vermits Van Laecken noch Van Coninxloo dan opdaagden, veroordeelden de schepenen in gebanne vierschaere Peter tot het betalen van10 gulden 8 ½ stuivers.

Staet der goederen van Jan Van de Putte ende Elisabeth Robijns[16].

Jan Van de Putte was een zoon van Arnold en Antonia De Vleeshouder. Arnold (ook Aert) was molenaar op de Overnellemolen te Essene. Hij werd geboren op 16 november 1628. Volgde Jan zijn vader op als molenaar op de Overnellemolen of was hij molenaar op de Bellemolen? Hij kwam als enige zoon in aanmerking om zijn vader op te volgen op de Overnellemolen vermits zijn broer Guillelmus priester was. Jan (Joannes) was op 17 september 1645 (!), te Meldert getrouwd met Elisabeth Robijns. Zij was te Meldert gedoopt op 9 april 1628 als dochter van Gaspar en Margaretha Van den Bossche. Wanneer Jans vader Arnold sterft, is Joannes 34 jaar en al 17 jaar getrouwd. Daarom vermoeden we dat hij na zijn huwelijk naar de Bellemolen trok en dus de eerste van vele generaties Van de Putte op de Bellemolen was. Met Elisabeth had hij 9 kinderen, allen te Essene geboren:

1) Arnold (Aert), °(= gedoopt) op 11 maart 1647, p: Arnoldus Van de Putte, m: Margaretha Robijns. Hij legde zijn naderschap neer op 8 mei 1700, wat betekent dat hij het recht behield om een verkochte zaak terug te kopen. Of dit iets te maken heeft met de Bellemolen weten we (nog) niet.

2) Guilelmus,° op 29 april 1649, p: dom Guilelmus Van de Putte, m: Joanna De Vleeschouwer.

3) Gaspar, ° op 10 september 1651, p: Gaspar Robijns, m: Maria Wambacq (?), zie verder.

4) Catharina, ° 21 juni 1654, p: Gerard Van der Heyden, m: Catharina Robijs, + te Essene in 1719.

5) Franciscus,° op 5 februari 1657, p: Franciscus Robijns, m: Joanna Van de Putte. Hij werd de stamvader van de familietak Overnellemolen.

6) Joannes, ° op 5 juli 1659, p: Joannes Remens, m: Joanna Linthout.

7) Joanna, ° op 4 september 1661, p : Egidius Van Vaerenbergh, m : Joanna Vereecken.

8) Peter, ° op 30 oktober 1663, p: Petrus Robijns, m: Anna Van de Putte.

9) Elisabeth, ° op 16 november 1664, p: Joannes Fasseel, m: Anna Van de Putte[17].

Bleef Elisabeth na Jans overlijden op 16 augustus 1665 op de Bellemolen? Zij bleef met negen kinderen achter. Het oudste kind, Joannes was 20, het jongste, Joanna pas zes. Zij hertrouwde, na een moeilijke tijd, twee jaar later te Essene op 18 april 1667 met Jacques Van Droogenbroeck, gedoopt te Sint-Martens-Bodegem, overleden te Essene op 19 oktober 1681. Hij werd in de kerk begraven. Jacques (Jacobus) kwam uit een familie van molenaars. Zijn grootvader Peter werd in 1621 molenaar op de watermolen te Sint-Martens-Bodegem, een molen op de Alvennebeek. Zijn zoon Jacobus volgde hem op en diens zoon Jacques werd de tweede man van Elisabeth Robijns en molenaar op de Bellemolen[18]. Met Jacques had Elisabeth twee zonen:

1 Maarten, gedoopt te Essene op 27 februari 1668 en overleden ca 1676;

2 Judocus (Jacques), te Essene geboren op 20 april 1671 en overleden op 22 januari 1687. Zijn dooppeter was Antonius Robijns en Elisabeth Camermans zijn doopmeter.

Haar gezin heeft zeker een aantal moeilijke jaren na de dood van Joannes doorgemaakt. Beda Regaus vermeldt immers dat op 9 februari 1686 den molenbauw (is) ingevallen[19]. Een jaar later stierf haar tweede man, op 22 januari 1687 en pas het jaar daarop in augustus 1688 was de molen herbouwd. Haar zoon Jasper (Gaspar) nam in 1707 de molen over, zij was toen 79 jaar. Zij moet een bijzonder sterke vrouw zijn geweest. Haar dochter Catharina was na het overlijden van haar man Gillis Van den Broecke in de schulden geraakt. Op 3 februari 1710 was ze de abdij 1 586 gulden 12 stuivers schuldig en dat bedrag was in 1716 al opgelopen tot 4 173 gulden 4 ½ stuivers. Elisabeth schoot haar de helft van dat bedrag voor, nl. 2 086 gulden en 12 stuivers als voorschot op haar erfenis[20]. Zij moest nu binnen het jaar die som terugbetalen. De hele verdeling werd op 30 maart 1716 gepresenteerd aan Gillis Van Mulders en Peter Clauwaert, de schepenen van het Land van Asse en griffier Joannes Van Mulders.

Elisabeth overleed te Essene op 29 september 1715. Op 10 maart 1708 en een tweede maal op 10 april 1715 had zij contact opgenomen met notaris Egidius Crick te Asse om na voorgaenden adviese, rijpen raede ende voorsinnighe deliberatie ende taxatie van de goederen diein 5 gelijke parten te verdelen. Op verzoek van de erfgenamen van Jan en Elisabeth stelde notaris Egidius Crick op 7 november 1715 de inventaris en de verdeling van hun goederen voor. De landmaten zijn uitgedrukt in bunder, dagwand en roeden, de bedragen in gulden, stuivers en oorden en mijten.

Peter, de zoon van Gaspar

1- 1d 83 r land gelegen te Asse op het Horeken, waarde: 366 g.

2- 1d 50r gelegen te Ternat op het Groot Avenellievelt, belast met een grondcijns aan de abdij van1/2 stuiver 12 mijten: 260 g en nog 1 d op hetzelfde Avenellievelt gelegen en met een grondcijns aan de abdij van12 mijten: 240 g.

3- een hofstede onder Ternat, groot 3 d, de straat liggende tussen de hofstede en het goed van Franchois Wambacq is eigen goed, de prijs met de bomen en hopstaken: 535 g.

4- 1d 82r land gelegen te Essene op De Capelle, palende aan de voetweg gaande van de Okaaibeek naar de wijk, belast met een grondcijns aan de abdij van 2 stuivers 1 oord 3 mijten: 273 g.

Catharina.

Een partij land met hopveld gelegen te Asse, genoemd Den Bodem, groot 1b 3d, palende aan de middelgracht met de dam aan de overzijde, belast met een grondcijns aan de abdij van 8 gulden 13 stuivers en 14 ½ mijten, met de vruchten daarop: 1 558 g; de bomen: 132 g; de hopstaken: 100 g; het schaarhout: 30 g en de schuur: 80 ; totaal: 1 900.

Franchois.

1- De dam palende aan Den Bodem en de middelgracht, met de bomen en het schaarhout, uitgezonderd 7 getekende bomen: 400 g.

2- De watermolen te Essene, genoemd Den Avenellemolen, groot 1d 55r belast met een grondcijns aan de abdij van 8 gulden 12 mijten: 140 g; met het molenhuis: 1 623; de hopast: 36 en de bomen: 125.

De kinderen van Joanna vertegenwoordigd door de voogd Peter Mannaert voor de helft en Aert voor de andere helft.

1d 58r land gelegen op het Domentveld te Essene belast met een grondcijns aan de abdij van 1 stuiver 1 oord aan de abdij: 316 g.

De kinderen Peter Mannaert.

1- een hofstede, groot 2d 90r, gelegen te Meldert op Doment, palende aan de Grooten Domentschen Dries: 670 g; met het huis: 315 g, de schuur: 106 g; de boem en de opstal 9 g.

2- 1b 10 r land op het Domentveld, palende aan de voetweg naar Essene, belast met een grondcijns aan de abdij van 2 stuivers 1 blank en 1 ½ mijten: 600 g.

Aert.

1- weide gelegen te Hekelgem op het Schepersveldeken, groot 5d 75r, palende aan de paters jezuïeten van Aalst, belast met een grondcijns aan de abdij van 8 gulden 2 stuivers 1 blank: 600 g.

2- 5d 76 r land gelegen te Meldert op het Huisevel, palende aan de cleijnen Domentschen Driesch, belast met een grondcijns aan de abdij van 2 stuivers 1 oor 15 mijten: 1 100; met de bomer daarop: 100.

Het totaal van de vermelde goederen bedraagt 10 179 gulden. Voor elk van de 5 genoemden is dat 2035 gulden 10 stuivers.

Besluit.

Niettegenstaande alle moeilijkheden in haar leven was Elisabeth een welstellende vrouw. Zij bezat 8 bunder 1dagwand 92 roeden aan akkers en weiden, verspreid over de gemeenten Asse, Ternat, Essene en Meldert, een hofstede te Ternat, een te Meldert en de Overnellemolen te Essene. Dat gaat dan alleen over haar erfenis uit haar huwelijk met Jan Van de Putte. Wat Maarten en Judocus, de zonen uit haar huwelijk met Jacques Van Droogenbroek, erfden hebben we nog niet ontdekt.

Nog een collecteur in de problemen[21].

Nog een conflict over de gemeentelijke boekhouding. Het document is onvolledig, maar we kunnen met bijna volledige zekerheid het proces reconstrueren. Op 9 maart 1703 neemt Jan Van der Borght de job van collecteur over van Gillis Van Onchem. Gillis legt de jaarrekeningen, 10 oncostboecken, voor en die worden goedgekeurd. Nadien ontdekt Jan Van der Borgt dat er, volgens hem, nog 2 rekeningen ontbreken en dat er daardoor een tekort is van 93 gulden 1 stuiver. Hij dringt er bij Van Onchem op aan die rekeningen aan te zuiveren. Die ontkent de fraude en, na jaren van ruzie, dient hij in mei 1715 bij de schepenbank van Asse een klacht in tegen Jan Van der Borght. Hij stelt dat Van der Borght, die in 1703 de jaarrekeningen had goedgekeurd, na 12 jaar komt beweren dat er twee rekeningen ontbreken zonder eraan toe te voegen wat boecken, hoe vele ende van wat jaeren precies. Dat vond hij seer impertinent. Hij kon niet geloven dat Van der Borght nog oncostboecken van de vaeghe landen in zijn bezit had. Als hij oncostboecken bezat, dan had hij die quansuis gecollecteerd en kan men hem (Gillis) geene difficultijt maecken. Naar gewoonte volgden er een aantal zittingen met beschuldigingen over en weer tot de zaak op 10 september 1715 zijn beslag kreeg. Gillis Van Onchem betaalde de 93 gulden 1 stuiver aan Jan Van der Borght.

Vandalisme[22].

Vandalisme is van alle tijden. In 1709 of 1710 trokken twee mannen op een late avond door Meldert. Het waren Jan De Smeth en Jan De Man uit Sint-Amands. Aan het huis van Jacobus De Kempeneer namen ze een van de boomstammen die voor zijn woning lagen op en gooiden hem midden op de straat. Aan de brouwerij van Franchois Robijns, toen bewoond door Jan Van Nuffel, wierpen ze alle tonnen omver en op de weg naar Doment (nu Eekhoutstraat) braken ze de voetgangersbrug los en duwden ze in de beek. Het plezier vandalenstreken te kunnen uithalen, kende een keerzijde: er waren getuigen. Steven Van Onchem, 35 jaar had alles gezien en Jan De Mey, 24 jaar, was ook getuige van de eerste twee feiten. Op verzoek van de drossaard legden beiden hun verklaring af op 15 september 1716 bij officier Carel Rogiers.

Perikelen over de erfenis van een begijntje[23].

Op 15 maart 1688 verkocht Gillis Vinck 90 ½ roeden land aan Jan Van Muijsewinckel. Het goed lag op het Pireusveld en paalde aan het Wauwveld, de weduwe Gillis Beeckman, de kinderen Franchois De Vis en de Kerk van Meldert. De koopsom bedroeg 120 gulden plus 3 gulden voor het gelag op de koopdag. In dat perceel was 1/3 van Anna Van Mulders, begijntje te Mechelen. Zij stierf op 29 juli 1681 (zie Rechtszaken te Meldert in de 17de eeuw). Het goed was belast met een grondcijns van 2 ½ stuivers aan de abdij. Volgens de koopakte moest Van Muijsewinckel dat derde part, 40 gulden, pas betalen nadat de erfenis was geregeld die blijkbaar nog niet in orde was, maar dat deed hij niet. De kwestie bleef aanslepen tot Peter Crick, de man van Joanna Maria, Gillis dochter, op 13 juli 1717 bij de schepenbank een proces inspande om de betaling van de 40 gulden te eisen.

Inventaris inboedel betwist[24].

Na het overlijden van Gillis Dooms en zijn vrouw Petronella De Meersman taxeerde Guillam De Nil de inboedel ten sterfhuize met het oog op de verdeling van de erfenis. Gillis en Petronella hadden drie kinderen: Joos, Jan en Marie. Daar Joos al overleden was, kwam zijn erfdeel toe aan zijn kinderen Hendrik en Merten. Een eerste inventaris was klaar op 14 januari 1713, de tweede op 23 januari 1714. Hij presenteerde de twee documenten, in de tekst rekeningen genoemd, aan twee schepenen van het Land van Asse, Van Mulders en Guilliam Fasseel en aan Peter De Mol, Gielis Van Biesen, Adriaan Geeroms, en Hendrik en Merten van Meldert. De twee broers, Hendrik en Merten, voelden zich tekort gedaan en dienden op 23 april 1720 een klacht in tegen Guillam De Nil. Zij hadden meerdere bezwaren:

1 Zij eisten een herziening van de rekeningen waarop ze wettelijk gezien het recht hadden.

2 Zij ontkenden dat Merten bij het opstellen van de tweede rekening aanwezig was en bijgevolg kon hij die rekening niet hebben ondertekend.

3 De Nil stelde op 27 februari ri 1720 voor om hem 17 gulden 9 stuivers te geven, wat totaal onvoldoende was.

4 Hij bracht meerdere rekeningen in die eigenlijk hem ten laste vielen.

Guillam De Nil reageerde bij de schepenbank met een verweer van 58 artikelen waarvan een samenvatting volgt:

1 Dat de aanleggers, de twee broers, tegen hem een proces inspanden, vindt hij quaedtrouwigh.

2 Merten Dooms was wel degelijk aanwezig toen hij de twee rekeningen opstelde.

3 Die rekeningen heeft hij gepresenteerd aan de drossaard en de schepenen van het Land van Asse als oppermomboiren, voogden, van de wezen. Daar de rekeningen zijn goedgekeurd door de voogden, begrijpt hij niet waarom Hendrik en Merten soo nodeloos blijven persisteren ende soo te willen blijven stoot maecken over de verdeling van de erfenis. Er valt over de rekeningen niets meer te zeggen, zeker niet zonder bewijs van fauten ofte erreuren en dat kunnen ze niet aantonen.

4 Als de drossaard en de schepenen met de griffier hun goedkeuring gaven, volstaat dat als erkenning van de correcte afhandeling van de taxatie van de bezittingen.

5 Het gaat niet op dat zij nu de regels willen veranderen. Die moeten voor eeuwigh ende alleteijt eenen vasten voet hebben.

6 Zij beweren dat zij de rekeningen niet hebben ondertekend, maar dat neemt niet weg dat zij blijven een voltrocken werck aen het welcke niet en vermach nochte en canin het minste iets aen gedaen ofte veranderd worden.

7 De andere erfgenamen zijn wel akkoord gegaan.

8 Men kan onmogelijk een verdeling van de inboedel van een sterfhuis opstellen tot ieders appeteijt ende gescitheijt.

9 Hiermee is de onbequeamheijt van de aanleggers voldoende aangetoond.

Op 9 juli 1720 bezorgden Hendrik en Merten de schepenen nog een verweerschrift. Zij stelden vast dat Guillam De Nil erkende dat Merten de tweede rekening niet ondertekende daar hij toen te Leuven was en bijgevolg was er voor Merten geen afrekening. Dat de andere erfgenamen met zijn taxatie akkoord gingen, betekende niet dat zij voor Merten mochten beslissen. Hij had hen geen opdracht gegeven om in zijn naam te oordelen. Volgens de wet moet het consent van iedere belanghebbende gevraagd worden en die moet zijn satisfactie geven. Maar hun belangrijkste bezwaar tegen De Nil was dat zij zijn rekeningen hebben gecontroleerd en, in tegenstelling met wat hij beweerde, was er geen handtekening van de drossaard te vinden is. Die heeft dus de rekeningen niet goedgekeurd en daarom eisen ze een herziening van de taxatie van de bezittingen van hun grootouders.

De erfenis van Peter De Vis.

In De Faluintjes van 2017, nr.3 publiceerden we drie bijdragen over de bekende molenaarsfamilie De Vis van de watermolen te Meldert, nl. Molenaar Jan De Vis (1699 – 1768), Judocus De Vis, bouwheer van de staakmolen te Meldert en Jan Baptist De Vis (1778 – 1843), een schatrijke molenaar. Sindsdien ontdekten we nieuwe gegevens over de molenaarsfamilie. In het R.A. Leuven[25] vonden we de verdeling van de erfenis, zij het nog onvolledig, van Peter De Vis, de vader van Jan. Peter overleed op 15 december 1720. Zijn vrouw Maria De Ridder was al op 2 juli 1715 gestorven. Het gezin telde 9 kinderen:

1- Catharina, getrouwd met Hendrik De Witte op 5 juni 1719.

2- Margarita, getrouwd met Jan De Groot.

3- Elisabeth, getrouwd met Judocus Van der Kelen.

4- Jan, gedoopt te Meldert op 19 januari 1699.

5- Judocus, ° 26 juni 1701.

6- Wilhelmus, ° 31 augustus 1703.

7- Joanna Maria, ° 12 april 1706.

8- Jacquelina.

9- Anna, ° 6 augustus 1710.

Na de dood van hun vader Peter werden op 27 maart 1721 zijn goederen verkaveld. Na rijpen raede ende voorsienige adviese kwamen ze tot een akkoord om de goederen huijsinghe ende boomen van hun overleden ouders in zeven gelijke delen te verdelen. Wilhelmus en Joanna Maria waren dan al overleden. Judocus, Jacquelina en Anna, de minderjarigen, hadden als voogd Hendrik De Witte, de man van hun oudere zus Catharina. De overname van de watermpolen, die Peter in huur had van de abdij, stelde al een eerste probleem: hoeveel is het bedrijf waard? De oudste zoon Jan werd de nieuwe molenaar en hij had al onmiddellijk ruzie met zijn broer en zussen, het leidde zelfs tot een proces.

De moeilijke cavelinghe.

Catharina, Judocus, Jaquelina, Anna, Margarita en Elisabeth spanden op 25 juni 1721 een proces in tegen hun broer Jan. Die zou de watermolen over op 2 september 1721 overnemen en keerde daarvoor aan zijn broer en aan elke zus 148 gulden 19 stuivers uit. Over de overnameprijs die Jan betaalde, waren ze niet tevreden want zij ontdekten dat het huurcontract met de abdij een artikel bevatte dat de nieuwe pachter verplichtte de kosten van de verbeteringen die de afgaande pachter aan de molen had aangebracht te vergoeden. Peter had op zijn kosten een nieuwe hoesmolen ingericht en Jan gebruikte die nu dagelijks.

Bijgevolg moest hij aen ieder der voorschreven erffgenaemen goed doen het taxaet van de wercken van den molen des questie, bij wijlen hunnen vader becosticht met consent van de regeerders van de vermaerde abdije van Afflighem.

Jan wou dat bedrag wel betalen op voorwaarde dat de tegenpartij hem een overeenkomst met de abdij kon voorleggen waarin de monniken beloofden dat op het einde van zijn negenjarig pachtcontract het bedrag van de taxatie hetzelfde zou zijn als dat van 1720. Een onaanvaardbare eis, vuijtspotich ende belacheleijck, want zij hadden de huurovereenkomst met de abdij niet onderhandeld. Bovendien zullen tijdens die negen jaar de roerende delen van de molen door het dagelijks gebruik verslijten en het houtwerk kan rotten zodat de waarde van de molen van jaar tot jaar zal verminderen. Er kan ook een ongeval gebeuren. Dat alles wisten de monniken ook en daarom voorzagen ze uit ordinaire voorsichticheijt op het einde van elk pachtcontract een nieuwe taxatie. Het was dwaas van Jan om aan zijn familie die eis te stellen. Hij kan niet anders dan het bedrag van de taxatie te verhogen met de kosten van de hoesmolen. Daar hij dat niet in der minne wou regelen, spanden ze een proces tegen hem in.

Op 6 augustus 1721 ondertekende Jan een overeenkomst met de abdij. De achterstallige pachten tot het jaar 1720 werden hem kwijtgescholden en de granen die de pachters van het land hadden gehaald, waren hun eigendom in zoverre dat zij voor 1720 de pacht hadden betaald.

Een hofstede voor Elisabeth.

Elisabeth erfde een hofstede van 143 ½ roeden gelegen op Kokerij en grenzend aan de dries, aan de goederen van Affligem, Gillis Van den Wijngaert en Joos Applicoen en geschat op 227 gulden 2 stuivers na aftrek van de lasten. Het bijhorende huis met enkele bomen en gezaagd hout was 205 gulden waard. Elisabeth kreeg nog van haar zus Anna 22 gulden 6 stuivers, een obligatie van 96 gulden en haar aandeel in de watermolen van 148 gulden 19 stuivers. Dat geeft een totaal van 699 gulden 7 stuivers of 1/7de van het totale vermogen van Peter De Vis en Maria De Ridder dat 4 895 gulden 9 stuivers bedroeg.

De handtekeningen van Hendrik De Witte, Jan De Vis, Jan De Groot, Judocus Van der Kelen, Judocus De Vis en Jan De Ridder onder de rekening van Hendrik De Witte.

De erfenis van de wezen.

Hendrik De Witte maakte voor Judocus, Jacquelina en Anna, de minderjarige kinderen de rekening op van hun deel van de ontvangsten en uitgaven bij de verkaveling van de erfenis van hun vader Peter. Hij presenteerde zijn rekeningen aan de drossaard en de schepenen van het Land van Asse, de oppermomboiren, op 1 februari 1724. De bedragen zijn uitgedrukt in gulden, stuivers en groten Brabants.

De ontvangsten.

1- De openbare verkoop van de meubelen op 23 december 1720 bracht voor hen op: 550-7-2.

2- Cash geld in het sterfhuis: 660-14-0

3- Intresten van leningen

° van de weduwe Jacques De Smet van 2 jaar intrest: 10-0-0

° van Adriaan De Meersman van 8 jaar intrest: 15-0-0

°van Elisabeth Verdoodt van 1 jaar intrest: 3-8-3

° van de weduwe Guillam De Vis van 2 jaar intrest: 20-10-0

° van Jan De Coster, collecteur, van 3 jaar intrest: 96-0-0

° van de parochie: 7-10-0

° van Jan Van den Wijngaert van 1 jaar intrest: 3-0-0

° van Peter Van Ighem van 1 jaar intrest: 2-15-0

° van Peter Willems van 1 jaar intrest: 5-16-0

° van Joos Van Nieuwenborgh van 1 jaar intrest: 8-0-0

° van Jan Kindermans van 1 jaar intrest: 15-0-0

° van Elisabeth Verdoodt van 1 jaar intrest: 2-6-1

4- Landpacht.

° van Hendrik Van den Wijngaaert van 1 jaar pacht: 8-0-0

° van Joos Van Onchem van 1 jaar pacht: 10-0-0

° van Joos Vinck van 1 jaar pacht: 6-0-0

° van Franchois Buggenhout van 1 jaar pacht: 3-10-0

5- van Franciscus Heremans voor eenighe sweijsaet ende leijssaet: 2-0-0

6- van Jan De Vis: 4-0-0

De totale ontvangst bedroeg 1 440-0-2, een behoorlijk kapitaal dat 3/7 van de hele erfenis was.

De uitgaven.

1- aan Paschasius Robijns voor vertier van de molenslagers voor de taxatie van de molen: 2-9-0

2- aan Jan Gekeers en Arnaert Boquart voor de taxatie van de molen op 28 december 1720: 6-0-0

3- aan pastoor Jacobus Vresins voor de uitvaart van Peter De Vis: 12-0-0

4- aan Jan Van Nieuwenborgh als achterstal van Peter van de 20ste penning voor 1719 en 1720: 7-8-0

5- aan Peter Crick voor het vertier en voor de hulp in het sterfhuis: 4-4-0

6- aan Guillam Vermoesen, deken van de gilde[26], voor de doodschuld van zijn schoonvader en voor het lidmaatschap: 1-11-10

7- aan Joan Van Mulders, griffier van de schepenbank, voor 7 lotbrieven over het sterfhuis, geleverd op 15 april 1721: 51-9-0

8- aan J. Bloemen voor de onkosten van de schepenen en de vorster van 27 maart 1721: 7-7-0

9- aan Hendrik De Kegel, landmeter, voor zijn opmetingen: 4-0-0

10- aan Joos De Ridder voor het maken van de nieuwe molen in 1721: 20-0-0

11- aan Jan Van Nieuwenborgh voor zijn zorg voor de wezen van 1720 tot 1721: 7-12-0

12- aan Jacobus Van Nuffel volgens de kwitantie van 13 oktober 1721: 93-11-0

13- aan koster Gillis Mertens om aan de wezen les te geven in de winter: 1-4-0

14- aan Hendrik Vinck voor de 20ste penning van 1720: 19-8-0

15- aan Jan De Vis, zijn aandeel in de erfenis: 150-0-0

16- aan Judocus Van der Kelen, de man van Elisabeth, voor haar aandeel in de erfenis: 150-0-0

17- aan Judocus De Vis: 150-0-0

18- aan de vrouw van J. Van der Meersch, ontvanger van de abdij, de rest van de pacht van de watermolen: 150-0-0

19- aan Jan Van Nieuwenborgh, collecteur, voor de oncostboeck van 1719 en 1720: 18-3-2

20- aan J. De Witte voor 1 ½ dagwand land aan het leenhof van de abdij: 12-2-0

21- aan Jan De Coster, collecteur, voor de oncostboek 1720 tot 1721: 18-3-0

22- aan Romanus Govaert volgens de kwitantie: 13-0-0

23- aan Catharina Claessens voor de levering van lijnwaad voor de wezen: 4-14-0

24- aan Jan De Vis voor 1 jaar onderhoud van de wezen: 30-12-0; voor de uitgaven voor Jacquelina en Anna: 6-0-0; en voor de levering van graan, boter, smout, zeep, bier enz. aan het sterfhuis: 8-18-0

25- aan Judocus Van der Kelen voor twee jaar onderhoud van Jacquelina en Anna van 1722 tot 1723: 42-0-0

26- aan Jan De Ridder voor zijn werk in het sterfhuis: 2-0-0

27- aan Adriaan Van Linthout over sijne devoiren de date 23 januari 1724: 3-0-0

28- aan Franciscus Heremans voor diverse leveringen: 3-9-0

29- aan de hoofddrossaard van Asse voor de cleine rechten volgens de akte van 20 mei 1721: 12-1-0

30- aan de wezen volgens de notities van Hendrik De Witte: 62-12-3

31- aan Hendrik De Witte, de rendant, voor zijn devoiren gedaen voor het sterfhuis:

° op 26 december 1720 naar Asse geweest bij Jan Gekeers om de molen te taxeren: 0-10-0

° op 27 januari 1721 de pachtgoederen laten prijzen en de schatters nog 6 eieren gegeven: 0-11-2

° naar Hekelgem geweest voor de landmeter, naar Moorsel voor de timmerman en bij Pauwel Roosemont om het huis te schatten: 0-10-0

° op 13 februari heb ik 1 ½ dag hooi gebonden: 0-19-0

° op 5 juni 1721 bij Franciscus Robijns geweest om de molen te laten afschrijven: 0-5-0

° tweemaal bij Jan Van Nuffel geweest voor de rentebrieven aan de erfgenamen: 0-15-0

32- aan Pauwel Rodemont voor het taxeren van het huis van de rendant: 0-10-0

33- aan de rendant voor de voorschotten die hij betaalde voor Jacquelina en Anna: 9-3-2

34- aan de hoofddrossaard, schepenen, griffier en vorster voor het opstellen van de condities voor de verkoop van de goederen: 16-7-3.

35- aan de rendant voor zijn vergoeding als ordinaris van de 20ste penning: 61-0-0

36- aan de hoofddrossaard, schepenen en griffier voor het aanhoren van de rekeningen: 3-3-0

37- aan de rendant voor het optellen van de rekeningen: 1-10-0

38- voor het laten legaliseren van de rekeningen: 1-10-0

39- voor het opstellen van de rekeningen, voor ieder blad 4 ½ stuivers: 5-12-0

40- aan de rendant om van elk blad een kopie te maken: 3-16-0

Totaal van de uitgaven: 1 179-9-0.

Saldo van ontvangsten en uitgaven: een overschot van 280-11-2. Rendant Hendrik De Witte presenteerde de rekeningen aan de hoofddrossaard, de schepenen Joan Lahoese, Hendrik Louis en Adriaan Van Linthout. Waren ook aanwezig: Jan De Vis, Jan De Groot, de man van Margarita, Judocus Van der Kelen voor zijn vrouw Elisabeth, Judocus De Vis en Jan De Ridder als voogden.

Voorschotten betaald voor Jacquelina en Anna.

° twee paar weijntens: 0-7-2

° een snutdoos gekocht voor Anna: 0-7-0

° op 10 maart voor het lappen van hun schoenen: 0-1-2

° voor een paar kousen en 2 paar sokken: 1-4-0

° op 19 mei 1721 twee voorschoten gekocht: 2-1-1

° op 28 juni 1721 een snutdoeck gegeven mouwen laten maken: 2-9-0

° op 2 augustus 1721 een paar schoenen en gespen voor Anna/ 0-18-0

° op 13 augustus 1721 om de schoenen van Jacquelina te laten lappen: 0-8-0

° op 6 september 1721 voor Jacquelina een witte snutdoeck, een half elle lijnwaert ende het vertrecken van een rocklijf: 1-1-2

° op 4 oktober 1721 2 mutsen gekocht en nog 2 om op beeweg te gaan: 0-15-2

° op 12 oktober 1721 voor de twee meisjes gekocht:1 rocklijf, 2 paar sokken, 1 paar mouwen en haarsnoeren en de kleermaker betaald voor het maken van hun mouwen: 4-5-2

° op 19 oktober gekocht voor Anna: een paar kousen en een lint: 0-7-0

° op 20 december gekocht voor Jacquelina en Anna: 2 slaapleijven, reijsnoeren ende spellen: 6-9-3

° op 3 januari 1722 een paar kousen gekocht voor Jacquelina: 0-9-0

° op 17 januari 1722 een paar sokken en veters gekocht: 0-7-2

° op 31 januari 1722 een paar wanten en een lint gekocht: 0-10-0; 8 ellen lijnwaad en twee paar blokken (klompen): 3-14-0

° op 14 maart 1722 gekocht voor Jacquelina een paar lederen schoenen en voor Anna een paar kousen: 1-8-2

° op 28 maart 1722 voor Anna enige stof om een rockleijf te overtrekken en een paar mouwen gekocht: 1-15-0

° op 1 juni 1722 het schoolgeld aan de koster van Meldert betaald: 0-8-0

° op 10 juni 1722 wat Elisabeth voor de wezen betaalde teruggegeven: 1-11-2

° op 29 augustus voor de wezen gekocht: 2 gestreepte snutdoecken, 2 voorschoten en lint,een paer schoenen en gespen, stoffe om een rockleijf te overtrecken: 3-2-0

° op 3 oktober 1722: gekocht voor de wezen: 2 paar sokken en stof om een rok te lengen: 0-17-2

° op 21 november 1722 aan Elisabeth gegeven wat zij voor de wezen betaalde: 0-10-2

° op 28 november 1722 voor Jacquelina gekocht: een paar kousen, een boek en een halssnoer: 0-13-3

° op 21 december stof gekocht om een rockleijf te overtrekken, een paar mouwen en een paar blouses: 2-5-2

° op 2 januari 1723 een paar kousen voor Anna en een muts voor Jacquelina: 0-15-1

° op 4 april 1723 wat Judocus Van der Kelen voor de wezen betaalde: 1-14-1

° op 22 mei 1723 voor de wezen gekocht: een muts, een paar blokken, lint en een bril: 0-9-0

° op 19 juni 1723 voor de wezen gekocht: een paar kousen en een paar blokken: 1-3-0

° augustus 1723 aan Judocus Van der Kelen wat hij voor de wezen betaalde: 1-4-0

° op 18 september 1723 voor Anna gekocht een paar lederen schoenen en gespen: 1-3-0

° op 11 oktober 1723 voor de wezen gekocht: 2 paar kousen, 2 paar sokken en een paar blokken: 1-6-1

° op 18 december 1723 voor Jacquelina een muts gekocht: 0-6-0

° op 8 januari 1724 voor de wezen twee rockleijven en 2 paar mouwen gekocht: 5-9-0; het voorschot van Elisabeth teruggegeven: 0-14-3.

De naam van Judocus komt op deze lijst niet meer voor. De leeftijdsgrens voor volwassenheid lag toen op 25 jaar en hij was officieel nog een wees, maar wellicht werkte hij al meerdere jaren en beschikte zo over eigen inkomsten.

Voorschotten betaald voor het sterfhuis:

° voor zeep: 0-2-3

° voor zeep en smout: 0-4-1

° voor het vullen van het graf: 0-12-0

° voor een kaars voor de zieke Peter, nadien naar de kerk gedragen: 0-7-1

° voor een stoop bier voor de schatters op 31 januari 1721: 0-2-2

° aan Andries De Meersman gegeven op 3 maart 1721 voor een zegel: 0-4-0

° op 27 maart 1721 het gelag betaald bij Hendrik Louis te Asse: 1-0-0

° aan de griffier: 5-10-2

°op 24 augustus 1721 9 ellen lijnwaad gekocht: 4-14-0

° voor een zegel: 0-4-0

° 26 november 1721: wormkruid en poeder: 0-2-0 en een zegel: 0-4-0

° op 27 december gegeven aan griffier De Witte de achterstal van de cijns van het jaar 1720: 0-6-0

° op 10 juni 1722 aan Marie Janssens gegeven voor de cavelinghe: 0-8-3

° op 12 juli 1722: een zegel: 0-4-0

Besluit.

Peter De Vis was zeker een bemiddeld molenaar. Het hoge bedrag van de openbare verkoop van de meubelen toont dat al aan. Hij kon bovendien tal van leningen geven en land verpachten. Over de erfenis van Catharina en Margaritha vonden we nog geen gegevens. De wezen Jacquelina en Anna konden rekenen op de hulp van de hele familie. Hun aankopen geven een beeld van het dagelijks leven: klompen die snel verslijten, zelden lederen schoenen, mouwen die men apart kon kopen, regelmatig nieuwe mutsen, rocklijven, het geringe bedrag voor de lessen van de koster in de winter Bij de uitgaven valt op hoe elke uitgave, hoe klein ook, zorgvuldig werd bijgehouden.

Problemen voor de weduwe Joos Van den Brande[27].

Op 22 oktober 1720 veroordeelde de schepenbank van Asse de weduwe van Joos Van den Brande tot het betalen van een aantal kosten ten voordele van de parochie van Meldert. Jacobus De Witte had via zijn advocaat Crick dat proces ingespannen. Waarschijnlijk zat zij in geldnood, wat toen vaak het geval was voor weduwen. Daar zij niet kon betalen, werd ze nog voor de schepenbank gedaagd op 26 maart en 22 april 1721. Daar zij niet kwam opdagen, veroordeelden de schepenen haar definitief tot de betaling van 22 gulden 8 stuivers 1 oord aan Jacobus De Witte.

Eenen eijcken opgaende boom gecapt[28].

Op verzoek van Peter De Mol rooide Jacobus Van de Maele een eiken boom. Die stond tussen de hofstede van Peternella Dooms en die van Jan Philips op de Klaarhaag. Peternella was door erfenis van haar ouders in bezit van de hoeve gekomen en ze verhuurde haar aan Louis Van den Bossche. Tegen het kappen van de boom dienden Jan Baptista Ardenois en Jan Mertens een klacht in bij de schepenbank op 25 juni 1721.

Peternella was de weduwe van Carel Ardenois en hertrouwd met Peter De Mol. Op verzoek van De Mol verschenen Gillis Leurans 62 jaar, Jan Plilips 40 jaar, Louis Van den Bossche 45 jaar en Jacobus Van de Maele 30 jaar voor notaris Egidius Crick. Zij waren allen inwoners van de Klaarhaag en getuigden dat de eik al sinds 5 of 6 jaar voor de helft verdroogd stond.

Hij groeide niet meer en het was nodig om hem te kappen. Tijdens het kappen stelde Jacobus vast dat ook de wortels een een kant volledig verdroogd waren. Bij hun getuigenis in de abdij waren Guillam Vermoesen en Gillis Van den Bossche aanwezig.

Jan Baptista Ardenois en Jan Mertens reageerden op het getuigenis door het verzoek in te dienen dat de schepenen ter plaatse kwamen kijken. Dan konden ze zelf vaststellen dat de eik nog niet dood was. Peter Clauwaert, Adriaan Van Linthout, G. Verloes en officier Gommaert Verloes, die optrad als vervanger voor de drossaard, kwamen naar de Klaarhaag op 7 juli 1721 en stelden vast dat vuijt den voorschreven boom jonge scheuten waeren wassende. Toch oordeelden de schepenen Jan La Hoeze, Hendrik Lowies, Hendrik De Bailliu en Adriaan Linthout naer voorgaende advies van meesters schepenen rechtsgeleerde dat de klacht van Ardenois en Mertens ongefondeert ende niet onfancbaer was.

De kinderen Jacobus De Witte in de clinch[29].

Jacobus De Witte, te Strijtem geboren als een van de 5 kinderen van Jan en Margriet Cools trouwde te Meldert op 4 maart 1696 met Barbara Van Mulders. Hij was de broer van Jan, de griffier van de abdij[30]. Te Strijtem was hij meisenier net zoals zijn oudste broer Adriaan. Te Meldert bezat hij een hofstede op het dorp, het Hof ten Bontenacker ofte Cleine Kempinne genoemd. Ze grensde aan de pastorie, de straat, Franciscus Robijns en de Molenvijver. Op 30 september erfde zijn zoon Jacobus de hofstede. Jacobus overleed op 3 mei 1729 en Barbara op 30 september 1723. Met Barbara had hij 5 kinderen, allen te Meldert gedoopt:

1 Jacobus, °16 december 1696

2 Elisabeth Isabella, ° 8 januari 1699

3 Andries, °2 september 1700

4 Maurus, °2 juli 1702

5 Joanna Maria °18 juli 1704

Er zijn nog twee kinderen waarvan we de geboortedatum niet vinden: Hendrik en Franchois. Barbara overleed te Meldert op 30 september 1723 en Jacobus op 3 mei 1729. Het is best mogelijk dat Jacobus een eerste maal was getrouwd en dat hij uit dit huwelijk de twee broers Franciscus en Hendrik had. Jacobus, Isabella en Joanna Maria zaten verwikkeld in een proces dat hun halfbroers Franchois en Hendrik tegen hen hadden ingespannen in verband met de erfenis van de goederen van hun vader en Barbara Van Mulders. Het zag er naar uit dat een uitspraak nog niet voor direct was. Dat bracht voor hen een probleem mee, namelijk dat de vruchten te velde staende als oock het hoijgras in de meersschen soude connen te bederven. Daarom vroeger zij op 3 juli 1725 via hun advocaat Egidius Crick aan de schepenen van Asse, Joannes La Hoese, Hendrik Louis en Guillam Verhasselt om de vruchten en het hooi te mogen oogsten. Zij waren immers de huurders van de velden en de meersen. Van de tegenpartij, hun halfbroers, verwachtten ze een antwoord binnen de drie dagen. Op 6 juli liet Van Mulders, de advocaat van Franciscus en Hendrik, weten dat ze de vruchten en het hooigras mochten oogsten op twee voorwaarden:

1 Schepen Adriaan Van Linthout of zijn afgevaardigde moest eerst een schatting maken van de waarde van de vruchten en het hooi.

2 Zij moesten voldoende borg stellen voor de vruchten en het hooi.

Indien hun condities niet werden aanvaard, dan zouden zij de vruchten en het hooi weghalen.Crick antwoordde op 10 juli dat Jan Baptista Elskens, een inwoner van Meldert, zich als persoon borg stelde. Dat vond Van Mulders onvoldoende omdat hij onversien van middelen was. Niet waar, betoogde Crick, hij is sufficiënt als borge als versien sijnde van gronden ende van erffven. Van Mulders mocht zijn bezit laten taxeren en dan zou hij zien dat de waarde ervan die van de vruchten en het hooi ver overtrof. Maar Van Mulders gaf niet toe. Hij voerde aan dat Jan Baptista als ongetrouwde geen vast adres en geen goederen had vermits hij van zijn vader nog niet erfde. De schepenen besloten de discussies met de opdracht voor Jacobus, Isabella en Joanna Maria om voor een ander onderpand te zorgen.

Op 13 juli hielden de schepenen een extraordinair gerecht. Advocaat Egidius Crick weerlegde er de argumenten van Van Mulders, maar gaf toch een ander onderpand: de goederen die Jacobus, Isabella en Joanna Maria van hun vader hadden geërfd. Hij stelde ook dat de bijkomende kosten voor de extraordinaire zitting ten laste van Franchois en Hendrik waren. Uiteindelijk kwam er een akkoord. Van Mulders aanvaardde de borgstelling, maar eiste wel dat die binnen de 24 u zou gebeuren. Op die eis liep het weer fout. Op 16 juli stelde Van Mulders vast dat er geen borg was. Crick beloofde wel .aan de schepenen om  binnen de 24 u de gepresenteerde goederen te hypothekeren en aan hen voor te leggen. Daar gingen de schepenen niet op in. Ze wilden het advies van de advocaten van de Soevereine Raad van Brabant inwinnen. Die oordeelden dat eerst het lopende proces moest uitgesproken worden alvorens  een vonnis te vellen in deze zaak en dat eerst de kosten van het lopende proces met de vele zittingen moesten betaald worden. Dat betekende voor elke partij 560 gulden 19 ½ stuivers en 2 oorden.

Na het advies van de rechtsgeleerden werden Franciscus en Hendrik in het ongelijk gesteld. Franciscus legde zich niet neer bij die uitspraak en wendde zich tot de wethouders van Brussel. Die richtten een schrijven naar hun Eersame geminde vrienden van wegens Franchois De Witte.

Zij vroegen de schepenen van het Land van Asse om binnen de 14 dagen het dossier aan hen te overhandigen. Ze wilden ook weten of de schepenen bij hun uitspraak bleven.

Op 27 mei 1727 nodigden de schepenen Joannes La Hoese en Hendrik Louis, die blijkbaar geen oplossing voor het conflict zagen, de beide partijen uit om op 6 juni 1727 om 8 u. ten huijse van den heer advocaet Goijvaerts om aldaer over alle hunne geschillen te worden vergeleken. Wat dat overleg opleverde, weten we niet[31].

Nog een collecteur in opspraak[32].

Op 25 september 1725 dienden de bedesetters van Meldert via hun advocaat Egidius Crick bij de schepenbank een klacht in tegen hun collecteur Jan De Coster. Hij zou een tekort op zijn rekening hebben van 381 gulden 1 stuiver 1 oord. Dorpsofficier Hendrik Van Onchem bezorgde De Coster 3 dagvaardingen, maar hij noch zijn advocaat Van Mulders lieten zich op de zittingen zien. De kwestie bleef aanslepen tot 12 maart 1726. Jan De Coster betaalde nog 100 gulden, toch veroordeelden de schepenen Joannes (La) Hoese, Hendrik Louis en Adriaan Van Linthout, na raadpleging van schepenen rechtsgeleerden hem tot de betaling van het ontbrekende bedrag plus de gerechtskosten, samen 414 gulden 6 stuivers 1blank.

’T sal wesen om ’t mijne ofte sijn leven[33].

Op 23 september 1726 ondervroegen de schepenen Guillam Verhasselt en Adriaan Linthout op verzoek van de hoofddrossaard Jan De Bruyn. Deze jongeman, 19 jaar, was geboortig van Aalst maar woonde bij Laureijs Spinoije te Moorsel. Volgens zijn verklaring was Laureijs op 14 september naar Meldert gegaan om zijn klaverenveld op de Bevenhouten te bekijken.

Hij trof er twee kinderen aan die naar het huis van Jan Philips liepen. Voor Laureijs was dat feit voldoende als bewijs dat ze zijn klaveren kwamen stelen. Toen Jan De Bruyn korte tijd daarop met de paarden van Laureijs door de straat van Philips reed, riep die hem toe: gij donder, sout gij noch wel eens derven segghen dat sijne kinderen uwe claveren gestolen hebben. Hij wou ook weten waar Laureijs was, wat De Bruyn niet wist. Daarop beet Philips hem toe dat hij morghen wesende sondagh te commen naer de ierste misse tot Moorsel ende sal wesen om ’t mijn ofte sijn leven gedaen sijn.

Dat Philips zijn bedreiging meende, vernemen we uit het getuigenis van Peter Beeckman bij dezelfde schepenen. Peter, 23 jaar, woonde bij zijn moeder Catharina Vinck op de Klaarhaag. Op 15 september, zo verklaarde hij, was hij in het huis van Peter De Mol. Omstreeks 7 u. ’s avonds riep Jan Philips hem naar buiten en vertrouwde hem toe dat hij Laureijs Spinoije drie of vier kappen met een ames had gegeven. Peter verweet hem dat hij eenen miserabelen mensch was en Philips antwoordde dat het hem leedt te wesen.

Was Hendrik Jacobs een tuitelaar[34]?

De hop, ooit het groene goud genoemd, heeft in de loop der geschiedenis welvaart gebracht in onze streek. Maar als er een product is waar men veel geld mee kan verdienen dan zijn bedriegers niet ver uit de buurt, zeker met een teelt zoals de hop die zeer onderhevig is aan misoogsten. Zei men van de hop niet dat ze de kwekers laat zeven jaar in druk, het jaar daarop schenkt zij hem driedubbel geluk. Wanneer de oogst zwaar tegenviel dan hadden sommige hopboeren en handelaars wel eens de neiging om door toevoeging van allerlei poeders en droge bladeren hun opbrengst te vergroten, al was het maar om uit de kosten te geraken. Daarmee brachten die tuitelaars de goede faam van onze hop in gevaar. Om dat tegen te gaan werden er voortdurend pogingen ondernomen om hun schadelijk werk onmogelijk te maken.

Op verzoek van de burgemeester en de schepenen van Aalst vaardigde het landsbestuur in 1613 een ordonnantie uit in een poging om het vervalsen van de hop tegen te gaan.

Daarmee had de Koopmansnering van Aalst de volledige controle over de hophandel uit de streek. Alleen gekeurde en met hun merk geijkte hop mocht als Aalsterse hop verkocht worden. Op die manier wou men waarborgen dat de Aalsterse hop geëstimeert de beste van de ghene herwaarts over wassende zou blijven[35]. Toch ging het vervalsen nog door. In 1625 vaardigde aartshertogin Isabella een nieuwe ordonnantie uit waarin ze andermaal verbood dat de hop vervalscht ende ghecorrumpeert werd omdat de goede faam van de hop t’onsen grooten proffijte ende van onse ondersaeten gebracht heeft. De hophandelaars moesten nu al hun hop naar de stadswaag brengen om ze te laten keuren en alle vervalste hop moest op de markten publiekelijk verbrand worden.

Een ordonnantie van Karel VI uit 1719 beschrijft nog eens de vervalsingen met kruys ende andere groote gewrongen blaederen van de hoppe, ook met poeders de welke sij daervan ende van andere blaederen ende kruyden komen te maeken, met gekapte rankskens ende andere ondeugdelijke mengelingen mitsgaeders dat de belle-hoppe wordt geplukt met lange stelen, takkeringhen ende kleine blaederkens, ende ook gemengelt met de voorseyde poeders, ende somwijlen met sant ende andersins beswaert met besproeyinge van water, waerdoor de selve hoppen ende bellen van onse Nederlanden … niet alleen aldaer en zoude verloren hebben hare weerde, grootachtinghe ende debit, maer ook de koopers en gebruykers van dien in dese landen zouden bedrogen worden in het gewicht[36].

De klacht van Jan De Coster bij de schepenbank van Assetegen Hendrik Jacobs deed ons denken aan de tuitelaars. In februari 1726 kocht Jan de hop van Hendrik Jacobs aan 3 stuivers 1 blank het pond. Maar als hij de hopbellen wou zakken, in een baal persen, bemerkte hij dat het niet dezelfde hop was die hij had gekocht. Hij had bovendien een bijkomend probleem: hij had al 20 gulden als voorschot betaald. Om zijn klacht te ondersteunen liet hij 5 getuigen dagvaarden.

Michiel Vermoesen, 37 jaar, verklaarde op 13 december 1727 aan de schepenen Joannes La Hoese en hendrik Louies dat hij in het voorjaar van 1726 naar het huis van Hendrik Jacobs was gegaan met de bedoeling zijn hop te kopen. Maar Jan De Coster was hem voor geweest en had die hop al gekocht. Korte tijd later keerde hij met De Coster terug van Brussel en die vroeg hem om de hop bij Jacobs eens te gaan bekijken om na te gaan of het nog altijd dezelfde hop was. Op dat verzoek is hij niet ingegaan.

De tweede getuigen, Michiel Van Ransbeeck, 35 jaar, was in februari als houtzager aan het werk bij Jan De Coster. Die vertelde hem dat hij een probleem had. De hop die hij bij Jacobs had gekocht moest hij de volgende dag zakken. En dat kon hij niet omdat hij in Brussel moest zijn. Joos Van Ransbeeck, 33 jaar, die ook bij De Coster hout zaagde, bevestigde de verklaring van Michiel.

Jan Kieckens, 28 jaar en afkomstig van Asse, kreeg van Jan De Coster de opdracht om een baal leeg te maken en met die zak de hop bij Jacobs te halen. Hij voegde eraan toe dat hem dochte als dat de hoppe niet meer en was gelijck als in den tijt dat hij selve hoppe hadde gekocht.

De gewezen meid van Hendrik Jacobs, de 28-jarige Anna Maria De Maerschalck uit Opwijk, was op de zondag voor Vastenavond in het huis van Jan De Coster samen met Hendrik Jacobs. Hendrik zei toen dat hij geld nodig had en De Coster stelde voor om 20 gulden als voorschop op de gekochte hop te geven.

Was Hendrik Jacobs een tuitelaar? Het is mogelijk dat hij betere hop presenteerde bij de verkoop en later minderwaardige hopbellen eraan toevoegde. Dat was een veel voorkomende praktijk maar vermits het vonnis ontbreekt, kennen we de waarheid niet.

Eenighe eijtsels gestolen[37].

In het najaar van 1727 liet Gillis Van Zeebroeck het kanthout aan zijn hofstede kappen om er eijtsels (bussels) van te maken. Maar op een nacht waren er 30 verdwenen. Op zijn verzoek verrichtte schepen Verhasselt, met de hulp van twee burgers en van officier Van Onchem, een aantal huiszoekingen. Op het erf van Jan Baptist Monsieur uit Baardegem troffen ze 10 van de gestolen eijtsels aan. Een diefstal die expresselijck verboden is bij sijne majesteijts placcaaerten van 13 december 1721. Het 9de artikel ervan bepaalde dat de gene die eenigh groen hout hoedaenigh het sij sonder consent ende wille van den eijgenaer ofte bevel daervan hebbende, gehouwen, gecapt ofte wegh gedraegehen sullen vier mael soo veel betaelen alst voorschreven gecapt ofte wegh gedraeghen hout sal weert sijn. Ende sullen dan er boven noch betaelen tot behoeff van den heere die gewoonelijck kennen ende crencken.

Het gevolg was dat Jan Baptist Monsieur door officier Van Onchem voor de schepenbank werd gedaagd op 20 januari 1728. Monsieur kwam echter niet opdagen en ook niet op 27 januari en 3 februari. Op 9 maart 1728 velde hoofddrossaard Jacobus Josephus Jacobs zijn vonnis. Van het bedrag, viermaal de geschatte waarde, kreeg Van Zeebroeck 1/3, een ander 1/3 ging naar de schatkist en 1/3 aan de drossaard die daarmee alle vergoedingen voor zijn helpers en andere kosten moest betalen.

Hij heeft sich vermeten sijn mes te trecken[38].

Op 4 november 1731 omtrent 10 u. kwam Guilliam Van Handenhove met zijn schoonvader naar het huis van Francis Robijns. De hoogmis was nog bezig toen zij met elkaar begonnen te ruziën gemengelt met vloeken ende blasphemiën en uiteindelijk gingen ze elkaar te lijf. Francis zag zich genoodzaakt ze uit zijn huis te zetten. Maar aan de kerk bleven de kemphanen verder vechten tot schandaal van iedereen. Hun ruzie duurde voort tot 2 u. wanneer Van Handenhove soo vermetel was sijn mes te trecken ende sijn schoonvaeder daermede heeft gequest met vleeschelijcke quetsuren waervan hij geheel was bebloet. Officier Hendrik Van Onchem diende nog diezelfde dag een klacht in tegen Guilliam want dergelijke feiten zijn in een land van rechten niet gepermitteerd. De hoofddrossaard dagvaardde Van Handenhove op 13 november. Voor zijn woest optreden kreeg hij een amende van 4 gulden voor de blasphemiën en een tweede boete van 24 gulden voor de messteken.

Rekening ten sterfhuize van Pauwel Beeckman en Catharina Vinck.

Op 22 januari 1732 presenteerde Gillis Beeckman, zoon van Pauwel en Catharina zijn rekening van de ontvangsten en uitgaven na het overlijden van zijn ouders aan de hoofddrossaard en de schepenen van het Land van Asse.

De ontvangsten bedroegen 843 gulden 14 stuivers en kwamen voort van de verkochte meubelen. De uitgaven had hij zorgvuldig bijgehouden:

-voor het maken van de kavelbrieven voor de kinderen 34 gulden-4 stuivers-0 oorden.

-betaald aan de collecteur Peter De Clerck de 20ste penning voor 1731 en voor de oncostboeck van 1729 en 1730, samen: 23-4-0.

-aan Jan De Witte de cijns aan de abdij: 18-0-0; en de cijns voor land gelegen te Baardegem: 9-3-0.

-aan de kerkmeester Peeter Pesteels voor de begrafenis van zijn moeder: 6-0-0.

-landpacht aan Pauwel Smet: 8-15-0.

-aan Jacobus Meert voor de Sint-Gudulameester: 8-10-0.

-aan Catharina De Keghel voor haar werk in 1730: 16-8-0

-aan pastoor J.B. Verhoeven voor 3 jaren cijns op een ½ dagwand: 0-9-0.

-aan Egidius Crick voor zijn debvoiren voor het sterfhuis: 23-12-0.

-aan J.B. Beeckman voor de oogst van 1720: 5-8-0.

-aan Jan Hooft voor de settinghen van Baardegem: 6-6-0; als collecteur: 19-13-0.

-aan de hoofddrossaard, schepenen, griffier en vorster voor hun rechten bij de verkoop van de meubelen: 36-14-3; voor het nazicht van de rekeningen en het maken van kopies: 11-2-9.

-aan de meid: 1-5-0.

-aan de rendant voor zijn 3 paarden en veulen: 9-9-0.

-aan de rendant zijn deel van de winst: 24-0-0.

-aan Jan Baptist Beeckman, Peter Beeckman zijn broers en aan hemzelf, hun deel van de erfenis van juffrouw Josina Moens, begijntje te Dendermonde: elk 36-0-0.

Totale uitgaven: 376-4-3.

Bleef over: 467-0-1.

Bij de presentatie van de rekening waren aanwezig, behalve de drossaard ook de schepenen Hendrik Charles De Voghel, Gillis Van Ginderachter en Philips Van Humbeke. Ook Jan Baptist, Peter en Gillis Beeckman, Mariman Goeman, de man van Joanna Maria Beeckman en Jan Frans Van den Bossche, de zoon van Catharina Vinck waren getuigen.

Vreemdelingen moeten betalen[39].

De pastoor, de armmeester en de regeerders van Meldert waren in 1732 van oordeel dat vreemdelingen die zich in Meldert kwamen vestigen een borgtocht  moesten betalen voor het geval zij een beroep zouden doen op de H. Geesttafel. Deze maatregel doet denken aan de ordonnantie van de meier en de schepenen van het Land van Asse uit 1646. Toen kregen arme gezinnen het verbod om zich in het Land van Asse te komen vestigen. Wie dat toch deed en geen bestaansmiddelen had, moest binnen de drie dagen vertrekken.

De ingezetenen mochten alleen met toestemming van de meier woningen verhuren aan de vremdelinghen en dat slechts na betaling van een borgtocht[40].

Franciscus De Baetselier en Gillis Willems verhuisden van Hekelgem naar Meldert en kregen prompt te horen dat zij afgesetene ende vremdelinge van dese prochie van Meldert waren en dus een borgtocht moesten betalen. Dat was niet in overeenstemming met de geciteerde ordonnantie want Hekelgem behoorde ook tot het Land van Asse. De pastoor, de armmeester en de regeerders van Meldert lieten niettemin advocaat Crick op 13 mei 1732 bij de schepenbank een klacht indienen tegen De Baetselier en Willems omdat zij de borgtocht van 300 gulden tot ontlasting van de tafel van de tafel van de Heijlighen Geest nog niet hadden betaald. Officier Hendrik Van Onchem daagde beiden voor de schepenen, maar noch op 17 juni, 8 juli en 15 juli daagden ze op.

Daarop veroordeelden de schepenen hen op 12 november in gebanne vierschare tot de betaling van 313 gulden en 5 stuivers.

Lening niet terugbetaald[41].

Franchois De Pauw, zoon van Gllis, ging op 12 oktober 1716 een lening aan van 50 gulden aan 6,25% bij Jacobus Van Ransbeeck en Josina Van Nieuwenborgh. Notaris Egidius Crick stelde de akte op met als getuigen Jan Louis en Jan De Mol. Franchois moest de 50 gulden binnen de drie jaar terugbetalen. In 1732 waren Jacobus, Josina en Franchois overleden en dan bleek dat de lening niet was afgekort en dat er zelfs geen intrest was betaald. Andries Van Ransbeeck, aangesteld als voogd voor de kinderen van Jacobus en Josina, diende op 23 december 1732 een klacht in tegen Jan Van Houwe die inmiddels met de weduwe van Franchois De Pauw was getrouwd. Hij eiste de 50 gulden terug en ook de intrest voor de periode van 12 oktober 1717 tot 12 oktober 1732, nog eens 50 gulden.

Verdronken in het waschwater.

In de morgen van 30 juni 1734, omstreeks 8 u. wou Barbara Van Muijsewinckel, de 22-jarige dochter van Jan en Catharina Van Ransbeeck, wat linnengoed laten bleken aan de Waschbeek in de wijk Parijs. Ook Catharina Thomaes, de vrouw van bezembinder Jan Kindermans, had dezelfde gedachte. Toen ze aan de beek kwam, ontdekte ze tot haar ontsteltenis het lichaam van Barbara in de beek. Philip Clement hoorde haar “Jezus’ lippen “ roepen en zag haar handenwringend aan de beek staan. Samen trokken ze het levenloze lichaam zo goed als mogelijk uit de gracht. Barbara’s vader, op de hoogte gebracht van het voorval, verwittigde de dorpsofficier Hendrik Van Onchem. Die gaf aan Jan De Boitselier, Jacobus Van Onchem en Gillis Willems de opdracht bij het lijk te blijven zodat niemand er sijne handen kon steken terwijl hij te Asse de hoofddrossaard verwittigde. Die stuurde dokter Van Innis en de schepenen Peter Verlinden en Jacobus Meert ter plekke voor een aenschouw. Zij kwamen tot de conclusie dat Barbara was verdronken.

Een dubbelproces: de beek omgelegd en een wilg gekapt[42].

In 1732 besloot Pauwel Van Malderen de beek die midden door zijn bos aan Het Boonhof liep om te leiden naar de rand van zijn perceel. De brug over de beek verlegde hij tot op het veld van de Kerk van Meldert. Op de grens met dat veld plantte hij bomen. Dat was niet naar de zin van de pastoor Vresius, al berucht omwille van de vele processen die hij inspande, en de kerkmeesters. Zij waren van oordeel dat Van Malderen het recht niet had om de bedding van de beek te verleggen. Bovendien vonden ze dat Van Malderen wat van hun grond had ingenomen. Daarom steunden ze Anthoon Beeckman, hun pachter van het veld, toen die een wilg rooide, het hout wegvoerde en zo’n halve roede omspitte voor eigen gebruik.

Na twee jaar gekibbel over de kwestie diende Van Malderen een klacht in bij de schepenbank te Asse. Hij eiste het wilgenhout op. Maar ook Anthoon Beeckman spande het gerecht in. Eerst richtte hij zich tot de schepenbank van de abdij. Die was van oordeel dat Pauwel die beek niet had mogen verleggen zonder hun toestemming vermits zij het toezicht op de beken hadden. Gesteund door die uitspraak dienden de pastoor en de kerkmeesters een klacht in bij de Raad van Brabant. Zij namen daarvoor advocaat Crick onder de arm. Wat volgde was een juridisch steekspel tussen Crick en De Maré, de advocaat van Van Malderen, gedurende heel het jaar 1736. Zij twistten over de vraag of de beide klachten, die van Van Malderen tegen Beeckman en die van de pastoor en de kerkmeesters tegen Van Malderen, al of niet samen konden behandeld worden om kosten te sparen wat de schepenen van Asse niet zagen zitten. Was het vonnis van de Affligemse schepenbank aanvaardbaar voor de schepenbank van Asse of niet en zo meer. Het enige concrete resultaat uit die procedureslag was dat beide partijen de helft van de 66 gulden gerechtskosten moesten betalen.

Jacobus De Witte blijft in gebreke[43].

Jacobus De Witte en zijn vrouw Barbara Van Mulders leenden op 26 februari 1716 250 gulden aan 4,25% van de Swerte Susters, genoempt Bethleemen te Aalst. Het bedrag was bedoeld voor Joanna De Valck, geestelijke dochter te Aalst. Tot 1738 betaalde Jacobus de helft van de geleende som terug. Toen in 1739 geen afbetaling volgde, schakelde de overste, zuster Joanna De Brauwere, advocaat Egidius Crick in om Jacobus te praemen tot betaling van het reterende bedrag.Was jacobus daar niet toe in staat? Het was Andries Robijns, zijn schoonbroer die de 125 gulden en de verschuldigde intrest voor hem betaalde op 29 juni 1739.

Herder Jan Dhaens gaat in de fout[44].

Op Pasen van het 1738 trok Jan Dhaens, de schaapherder van boer Van Linthout van het Hof te Putte, met zijn kudde erop uit. Stond er nog niet genoeg gras in de weiden, nam hij het niet zo nauw met de eigendomsrechten of hoopte hij dat er op zo’n feestdag niemand in de velden zou lopen? Hij trok met zijn kudde door de weide van Guilliam Fasseel en verder door het bos van Marie Gabriëls, de 89-jarige weduwe van Gillis Van Ransbeke. Drie kinderen, Susanna Van Ransbeke, Marie Heyvaert en Barbara De Valck, waren bloemen aan het plukken toen hij met de schapen uit het bos kwam. Daar de schapen heel wat schade hadden aangericht in de weide en in het bos, dienden de eigenaars een klacht in tegen Jan Dhaens bij de hoofddrossaard Joannes Emmanuel Loovens. Die nam de overtreding ernstig en spande een proces in tegen de herder. Daarvoor steunde hij op het verslag van de dorpsofficier Jacobus Verloes en raadpleegde hij uitgebreid de bestaande wetgeving ter zake. Vermits dergelijke vaak voorkwamen op afgelegen of weinig bezochte plaatsen had de overheid bij uijterste sorgvuldiheijt verscheide placcaerten ende ordonnanties uitgevaardigd om te beletten dat de goede lieden schade zouden hebben aan hun velden en bossen.

-Het placcaert ende eeuwigh edict van 7 december 1737 bepaalde dat eigenaars of pachters die dieren op hun land aantroffen, die mochten vangen en opsluiten op voorwaarde dat een getuige op eed hun verklaring bevestigde. Justitie zal dan de schade vaststellen en de eigenaar van de dieren een boete opleggen.

– Het plakkaat van 11 januari 1548 hield in dat, als er geen getuigen zijn, de eigenaar of pachter de dieren mocht op stal zetten en de schade vaststellen. De dorpsofficier zal dan op zijn eed geloofd worden als hij de schadeclaim bevestigt. Zijn verslag is een suffisante preuve.

– Het plakkaat van 19 november 1605 handelde over getuigenissen van kinderen. Als zij eenigh verstandt hebben is hun getuigenis aanvaardbaar als de meisjes 12 jaar zijn en de jongens 14.

Voor zijn verdediging haalde Jan Dhaens het grove geschut boven en schuwde persoonlijke aanvallen niet. Hij reageerde op 17 februari 1739.

– Aan de klacht van Marie Gabriëls mag men geen geloof hechten. Haar man, Gillis Van Ransbeke werd geweigerd als dorpsofficier en als vorster omwille van zijn gebrek aan goede deught en zij draagt de slechte reputatie van haar man mee. Bovendien is zij al 89 jaar en aan zo’n oude vrouw hoeft men geen vergoeding meer te geven.

– Guilliam Fasseel diende alleen maar een klacht in om geld te krijgen, want hij heeft niet gezien dat de schapen op zijn weide liepen.

-Wat de verklaring van de drie kinderen aangaat, zij zijn meer bequam tot kinderspel als wel tot soo eenen serieusen act. Zij zijn nog geen 13 jaar en Susanna en Marie zijn de kleindochters van Marie Gabriëls. Hun getuigenis verdient niet meer aandacht dan het gekakel van kippen.

– Dat Jacobus Verloes verklaarde dat hij bereid was tot een minnelijke schikking is totaal onwaar. De officier stelde alleen maar een verslag op omwille van de vergoeding.

Met een tekst van 74 artikels weerlegde hoofddrossaard Loovens de argumenten van de schaapherder:

– Hij citeerde nog eens de verschillende plakkaten om de illegale handelswijze van Dhaens aan te tonen.

– De reputatie van haar man mag geen invloed hebben op het getuigenis van Marie Gabriëls en ook niet haar leeftijd, want daarover is er in de rechtspraak niets te vinden.

– Guilliam Fasseel heeft de schapen niet op zijn weide zien lopen, maar vond wel hun sporen die naar het bos van Marie leidden.

– Aan de bekwaamheid van de kinderen om te getuigen mag men niet twijfelen vermits ze ouder zijn dan 12 jaar.

– Dat Dhaens de schepenen die de zaak kwamen onderzoeken, blameerde is ongehoord en de beschuldiging dat officier Verloes alleen om de vergoeding een rapport opstelde is laster. Een officier ofte dienaer van justitie moet wesen luijden van eere om tot dien staet te comen en sij staen buiten enighe verdenking.

De drossaard besluit dat er geen twijfels bestaan over de schuld van Jan Dhaens en bijgevolg moet hij een amende krijgen.

Op 20 oktober 1739 beslisten de schepenen Van den Bossche, La Heese en Voghel beide partijen te dagvaarden om tot een vonnis te komen.

Oorlogsleningen van Meldert 1745 –  1749[45].

Om de kosten van de opgelegde karweien en van de refraichissementen van de troupen en de opgelegde belastingen tijdens de Franse invallen vanaf 1745 te kunnen betalen ging de gemeente meerdere leningen aan. Maar eerst geven we een overzicht van publique lasten van de overheid van 1746 tot 1749:

– 9 maal de 20ste penning: 4 123-6-0.

– voor de inkwartieringen: 10 426-2-1.

– foerage: 5 609-10-2.

– belastingen op hoofd, ploeg, schouw: 2 042-12-0.

– een bede van: 582.

Het totaal van de lasten beliep 22.784 gulden 10 stuivers 3 oorden. De prochie ging daarvoor de volgende leningen aan:

In 1745.

– een lening van 3 400 gulden aan 3,75% aan de weduwe van Francis Meert van Aalst;

– 1 000 g van het Godshuis Pacheco aan 3,50%;

– 1 200 g van de huisarmen van Meldert aan 3,75%;

– 1 200 g van sieur Cuijmans van Aalst aan 5% op datum van 7 september 1745

– 1 000 g van mijnheer Robijns van Brussel, nu de armen van Meldert aan 4%;

– 700 g  van Hendrik Michiels van Mazenzele aan 4%;

Van de geleende bedragen is op 4 en 13 januari 1746 460-2-0 betaald aan drossaard Loovens.

In 1746.

– 453 g van de armen van Meldert en van de kapelanie van Sint-Rochus aan 4%;

– 50 g van Jan De Vis aan 4%;

In 1748.

-1 000 g van Hendrik t’ Sas aan 4% op 13 januari;

Met het geleende geld werd een lening van Coordemans van 2 000 g en de lening van 700 g van Hendrik Michiels terugbetaald.

– 2 000 g van Guilliam Goossens van Mazenzele aan 4% op 3 september 1748 waarmee 1 858-8-0, dit is de helft van de 20ste penningen van 1748, aan de Staten van Brabant werd betaald op 3 september 1748 en 480-3-0 g aan drossaard Loovens als eerste bijdrage voor de foerage van de gekantonneerde troepen op 11 augustus 1748;

– 1 000 g van Hendrik Michiels van Mazenzele aan 4%;

Met dit geld werd op 3 september 1748 686-13-2 g betaald aan De Maré en 480-3-0 g aan drossaard Loovens, de tweede bijdrage voor de foerage van de gekantonneerde troepen;

200 g van de armen van Meldert aan 4% en werd betaald aan Savigny van het regiment van Belfort op 2 november 1748.

In 1749.

-1 500 g van Isabella Meert op 14 januari daarvan werd 1 470 g aan drossaard Loovens gegeven op 15 januari, 57-16-0 g aan Dillen Clercq voor het verzenden van brieven, 8-16-0 g aan notaris Eeman voor zijn devoiren en 197-3-0 g aan Hendrik Van Zeebroek op 26 februari 1749.

Totaal van de aangegane leningen: 6 203 g.

Soldaat Adriaan De Kegel zwaar in de fout.

Op zondag 24 maart 1758 geraakte Adriaan De Kegel in gesprek met drie ruiters in het huis van Joos De Wolf in de Klaarhaag. Er werd behoorlijk gedronken zodanig dat Adriaan droncken ende buijten verstand geraakte, wat de drie soldaten doorhadden en misbruik maakten van zijn toestand. Ze zetten hem, vuijt jooldije, op een van hun paarden en een van hen reed met Adriaan naar het huis van Peter Mesquin waar de 15-jarige Adriana Vergillis alleen thuis was. Adriaan eiste van haar een vat haver en een pot bier. Adriana weigerde omdat haar meester niet thuis was. Bier wou ze wel tappen, maar niet buiten. De twee mannen moesten dan maar afstappen en in het huis komen. Toen dreigde Adriaan dat hij met zijn pistool zou schieten als ze geen vat haver gaf. Omdat Adriana niet toegaf, schoot Adriaan in de richting van het huis. Daar was op dat ogenblik Cathelijne Marissens, de dochter van Jan aan het spelen. De kogel trof haar boven de knie en ging dwars door haar been. Op het huilen van het kind verschool Adriaan zich achter het andere paard en vertrok dan samen met de soldaat naar het huis van Adriaan Van den Wijngaerde.

Op verzoek van de hoofdmeier Charles Ignatius Crabeels ondervroeg de vorster in aanwezigheid van Aert Robijns en Gillis Breem Adriana en zij bevestigde dat verloop van de gebeurtenissen. Adriaan De kegel ontkende de feiten niet. Hij trok het pistool dat aan het zadel hing. Hij wou de maerte eens bang maken door haar met het pistool te bedreigen. Hij dacht dat het niet was geladen. Had hij geweten dat er een kogel in zat dan had hij liever sijn selven doodgeschoten als een onnoosel kind waarmee hij nooit gramschap had. Tot slot smeekte hij de hoofdmeier om een soo cleijnen amende als het mogelijck is.

De rekeningen van 1762[46]

Collecteur Joseph Van Malderen presenteerde op 20 juni 1764 zijn Rekeninge bewijs ende reliqua aan de substituut hoofddrossaard J. Van Malderen Loovens, de bedesetters en andere Meldertenaren die daartoe bij kerkgebod waren geconvoceerd: C. Van Vaerenbergh, Adriaan Verbeiren, P. Beeckman en Peter De Kegel. Die rekeningen dragen nog duidelijk de sporen van de Franse bezetting van 1745 tot 1748. Heel wat leningen die toen waren aangegaan om de oorlogskosten te dekken, moesten nog gedeeltelijk worden afbetaald. Met een ontvangst van 2293 gulden 3 oorden volgens het subsidieboek betaalde hij het volgende ten comptoire der heeren Staeten van Brabant:

– Driemaal de 20ste penning voor 1762 en nog eens ¾ van een 20ste penning als buitengewone steun tot onderhoud van het Hof van hertog Karel van Lorreinen en Baar, de gouverneur-generaal van de Nederlanden: 348 gulden en 9 stuivers (348-9-0).

-1/4 van een 20ste penning als deel van een lening van 600 000 gulden aangegaan door de Staten van Brabant voor een termijn van tien jaar tot coelinghe van der meest dringende schulden geduerende den tijdt der occupatie der Fransche trouppen: 116-3-0.

-1/2 van de 20ste penning op ieder bunder land, weiden, vijvers, bossen, molens, neringen en woningen toegestaan aan de gouverneur-generaal volgens een ordonnantie van de Staten van Brabant: 239-0-0.

– drie 20ste penningen voor het jaar 1762: 467-6-0.

– drie 20ste penningen ook voor 1762: 412-16-0.

– idem: 160-0-0.

– idem: 353-14-0.

– enkele kleine uitgaven ter ondersteuning van de armen: 12-17-3.

– het loon van de rendant: voor het innen van het subsidieboek: 111-4-3; voor het maken van het subsidieboek: 10-0-0; voor het opstellen van de rekeningen: 4-12-0; voor een kopie van de rekeningen: 2-6-0;

-aan de bedesetters: 6-0-0;

-aan de substituut voor het aanhoren van de rekeningen: 6-0-0;

-voor zegels en andere: 10-16-4.

Na aftrek van de uitgaven bleef er nog 34 gulden 1oord in de kassa van Meldert.

Was Guilliam Cordeman te hebberig[47]?

In heel wat gezinnen ontstonden er moeilijkheden wanneer een van de ouders vroegtijdig overleed en de overblijvende partner een (noodgedwongen) tweede huwelijk aanging. Welke erfenis kwam de kinderen uit het eerste huwelijk toe?

Ook in de welstellende familie Robijns rezen deze moeilijkheden na het overlijden van Anna Françoise Robijns, dochter van Franciscus en Jacqueline De Witte.

Franciscus Robijns en Jacqueline De Witte woonden in een hofstede naast de kerk van Meldert.(zie illustratie). Franciscus, geboren te Meldert op 17 januari 1666, was meier van Affligem. Hij trouwde te Meldert met Jacqueline (Jacoba) De Witte op 22 juli 1709. Zij was te Meldert geboren ca 1680. Franciscus stierf te Meldert op 17 november 1757 en Jacqueline op 3 oktober 1783. In hun gezin kwamen er 11 kinderen waaronder Jacobus die op de ouderlijke hoeve bleef wonen er een azijnbrouwerij uitbaatte, Judocus die griffier werd van het laathof van de H. Geest, kerkmeester en voogd van de kinderen van zijn zus Anna Francisca en Anna Francisca.

De hoeve en brouwerij van de familie Robijns rechts van de kerk. Kaartboek van Meldert, detail van de 5de kaart.

 Anna Francisca, geboren te Meldert op 11 mei 1729, trouwde op 22 oktober 1748 met Guillam Cordemans. Zij werden de ouders van Marie Françoise die trouwde met Jan Baptist De Meyer; Jacqueline die trouwde met Peter Beeckman en Joanna, die de vrouw werd van Paschasius De Witte. In 1747 verkregen Franciscus en Jacqueline  een tweede hoeve, groot dagwand en 60 roeden, en te Meldert gelegen. In 1753 lieten zij de hoeve voor 500 gulden na aan hun dochter, maar Anna Francisca stierf nog datzelfde jaar op 23 oktober 1753. Na haar overlijden erfden haar twee kinderen de hofstede. Maar Guilliam hertrouwde met Françoise Carnoy en voor zijn overlijden was hij soo onbedacht van de hoeve aan zijn tweede vrouwte willen overlaten. Dat was zonder de weduwe van Franciscus en Judocus Robijns, de voogd van de kinderen, gerekend. Zij spanden bij de schepenbank van Asse een proces in tegen Françoise Carnoy om haar te verplichten de hoeve promptelijkck te laeten varen met alle de baten ende proffijten genoten ende te genieten ten minstens t’ sedert den sterfdagh van wijlen Cordeman.

Een complexe erfenis[48].

Wanneer in een huwelijk een van de partners vroegtijdig stierf, dan stond de overblijvende partner vaak voor een enorm probleem. Was de man dood, dan kon de vrouw meestal niet alleen voor het nodige inkomen zorgen voor haar en de kinderen. Bleef de man alleen achter, dan had hij dringend iemand nodig om voor de kinderen te zorgen terwijl hij aan het werk was. Kwamen er nog kinderen bij, dan ontstonden er vaak spanningen als het over de verdeling van de erfenis ging. De erfenis van Ingel (Ingelbertus) Vermoesen is daar een voorbeeld van.

Engel was de zoon van Guillelmus en Elisabeth Robijns van Hekelgem. Hij werd te Hekelgem gedoopt voor 1700. Hij had een oudere broer, Guillelmus, te Hekelgem gedoopt op 15 april 1678. Engel trouwde driemaal.

I- Op 16 juni 1720 trouwde hij met Andrea Verbeke. Hun dochter Elisabeth werd te Meldert gedoopt op 24 maart 1721. Andrea overleed te Meldert op 9 april 1721. Elisabeth, trouwde met Jan Hoemans en met hem had zij twee kinderen: Anna Maria en Elisabeth. Na de dood van Jan Hoemans hertrouwde zij met Andrisijne Verbeken.

II- Nog hetzelfde jaar, op 10 september, trouwde Engel met Maria Mannaert. Zij werd te Meldert gedoopt op 4 augustus 1700 en overleed er op 22 april 1733. Zij was de dochter van Petrus en Joanna Van de Putte. In hun gezin werden 5 kinderen te Meldert geboren:

– Peter, ° 5 juni 1724, overleden te Meldert op 10 januari 1789. Hij trouwde te Meldert op 2 december 1758 met Anna Maria Dubois.

– Guillam, ° 28 april 1726.

– Jacqueline, ° 6 oktober 1728, trouwde met Anthoen Van Molhem.

– Joanna Maria, ° 11 april 1732, trouwde met Judocus Amerijckx te Asse op 26 juli 1760.

III- Na de dood van Maria Mannaert trouwde Ingel op 9 juli 1733 te Meldert met Maria Laus (Lauwers). Er werden nog twee kinderen te Meldert geboren:

– Catharina, ° 12 juli 1734.

– Henricus, ° 13 april 1740.

IV- Na het overlijden van Ingel hertrouwde Maria Laus te Meldert op 24 juni 1758 met Francis De Keijser. Hun dochter Angelina was nog minderjarig toen haar moeder overleed.

Als gevolg van vier huwelijken was de erfenis een heel ingewikkelde zaak geworden. Het ging om de perceel land van 1 d 18 r waarop vroeger een huis stond en een perceel land van 72 r op Het Labues (Doment) dat een erfenis was van Maria Laus. Twee groepen stonden eerst tegenover elkaar. De kinderen uit het eerste en tweede huwelijk van Engel, Elisabeth met haar tweede man Andrisijne Verbeken, Peter, Guillam, Jacqueline en Joanna Maria stonden tegenover Francis De Keijser, Adriaan De Coster, Guillam Goossens en Jan Mannaert. Waren Adriaan, Guillam en Jan de echtgenoten van kinderen van Maria Laus uit een vorig huwelijk? Dat konden we niet achterhalen. In haar testament van 1776 had Maria Laus beslist dat Francis hem content (moest houden) met de tochte die hem is gelaten bij … sijne huijsvrouwe. Uiteindelijk konden de twee partijen tot een akkoord komen dat zij op 23 april 1766 aan notaris Van Itterbeke uit Asse overhandigden.

Het dagwand kwam voor de helft toe aan de 5 kinderen uit zijn eerste en tweede huwelijk en voor de andere helft plus de 72 roeden aan Angelina, Adriaan De Coster, Guillam Goossens en Jan Mannaert.

Hoe ingewikkeld ook, ze zijn eruit geraakt want tot een proces is het niet gekomen.

Nog een betwiste erfenis[49].

Guillam De Nil trouwde te Moorsel op 17 juli 1703 te Moorsel met Maria Doomst. Zij stierf voor 1743 en hij hertrouwde met Elisabeth Van de Velde met wie hij een zoon had, namelijk Peter. Op 24 maart 1742 verkocht Guillam De Nil, sieck te bedde liggend”  zijn meubelen, huisraad,  paarden, koeien, runderen, kalveren, wagen, ploeg, eg, hout, hooi, stro, gedorste en ongedorste of nog op het veld staande granen aan zijn zoon Gillis en diens tweede vrouw Catharina Van Cauwenberghe. Guillams tweede vrouw, Elisabeth Van de Velde, was bij de verkoop aanwezig. Gillis nam ook al wat zijn vader pachtte van de abdij of van particulieren over. Notaris Van Itterbeke uit Asse stelde de akte op.

Gillis had twee dagen eerder al de helft van zijn hofstede met huis, schuur, stallingen en andere edificiën, groot 1 dagwand, op De Klaarhaag gelegen, gekocht. De andere helft van de hofstede ging naar de erfgenamen van Elisabeth Van de Velde, maar Guillam behield er de tocht. De hofstede paalde aan de straat, Judocus Van Brempt en Gillis Van Nieuwenborgh en was belast met een stuiver en 1/3 cappuijns per jaar aan de abdij. Guillam en Elisabeth hadden de hoeve gekocht van Elisabeth Maurissens, de weduwe van Gillis Van Mulders op 23 januari 1713[50]. Op 21 november 1735 kochten ze ook 82 roeden op het Swintersveldt, grenzend aan de Lijbeek, van Clara Dooms, dochter van Gillis en Petronella De Meersman[51] met de volgende condities. Hij moest Guillam en zijn nicht Maria De Meersman, dochter van Joannes en Clara Van Langenhove, onderhouden van cost ende dranck, leynen ende coulle ende allen ’t gene hunne lijve noodigh hebben sal, soo in siekte als gesontheijdt naer staet hun leven geduerende ende overleden hunnen lichaemen treffelijck doen begraeven. Guillam heeft bovendien recht op 7 stuivers drinkgeld per week en na zijn dood krijgen zijn broers en zussen en hun kinderen 3 gulden. Aan Maria De meersman moet hij jaarlijks voor haar dienst nog 3 gulden geven en als ze niet bij hem blijft wonen dan krijgt ze 25 gulden. Als laatste voorwaarde moest Gillis ook alle schulden betalen.

Gillis die in 1753 overleed was eerst getrouwd met Maria De Witte. Zij hadden een zoon: Peter. Na haar dood hertrouwde Gillis met Catharina Van Cauwenberghe in Meldert en met haar had hij twee zonen[52]. Na de dood van Catharina trouwde Gillis voor de derde maal, nu met Petronella Buggenhout op 16 april 1647. Zij kregen nog 4 kinderen die te Meldert werden gedoopt[53]. Na de dood van Catharina Van Cauwenbergh besliste Egidius om zijn goederen, de halve hoeve in De Klaarhaag en de 85 roeden op het Swintersveld over te laten aan zijn nog twee levende zonen Peter en Hendrik. Zijn derde vrouw, Petronella bleef echter op de hoeve wonen. In 1766 eisten de twee halfbroers niet alleen die goederen op, ze wilden ook een vergoeding voor het vruchtgebruik en voor de meerdere bomen die zij had laten kappen. Petronella, inmiddels te Meldert hertrouwd met Francis Van Ieghem op 25 november 1765, weigerde de hoeve te verlaten. Voor Peter en Hendrik bleef er niets anders over dan een rechtszaak aan te spannen tegen Francis Van Ieghem en Petronella Van Buggenhout.

De familie Van der Schueren te Meldert[54].

In het dossier van een proces uit 1776 voor de schepenbank van Asse tussen Jan Baptist De Baetselier, de pastoor van Kobbegem, en Peter Vercammen van Meldert over niet betaalde intresten vonden we een akte over de verkoop van een hofstede verleden voor notaris Jan Baptist Van der Schueren uit Meldert. Wie was die Jan Baptist? Is hij dezelfde persoon als de Jan Baptist Van der Schueren, de burgemeester van Meldert tijdens de Franse overheersing? Vragen die interessant genoeg waren voor een speurtocht naar de familie Van der Schueren te Meldert.

Alexander.

De eerste Van der Schueren te Meldert was Alexander, te Hekelgem gedoopt op 30 januari 1723, als zoon van Michael en Petronella Clauwaert. In dat gezin waren er 10 kinderen. Alexander werd als derde kind in het geboorteregister ingeschreven na Maria Anna (° 26/10/1721) en zijn tweelingbroer Job[55].

Alexandertrouwde te Meldert op 1 december 1742 met Jacoba De Baetselier, de dochter van Guilliam, meier van de abdij, en Adriana De Witte. Zij was te Meldert gedoopt op 17 maart 1710 en overleed er op 11 juli 1762. In hun gezin kwamen er 5 kinderen:

– Jan Baptist, ° 25 maart 1745

– Petronella, ° 23 november 1746

– Jacobus, ° 7 februari 1749, overleden op 7 februari 1749.

– Anna Francisca, ° 20 juni 1753, overleden op 3 juni 1794.

– Joanna Maria, ° 14 oktober 1756, trouwde op 9 oktober 1778 met Petrus Robijns en overleed op 18 november 1788.

Volgens het kaartboek van Meldert van 1727 bezaten Guilliam en Adriana een hoeve van 2 dagwand en 40 roeden op Nievel die ze gekocht hadden van Maria Ransbeke, de weduwe van Jan Gerstman[56]. Voorts hadden ze nog land op het Huijselveld van 1 d 4 r, op de Huizekens van 1 d 89 r, bos in het Hulsbos van 47 r en op Den Houtstock van 97 r. Ze huurden land op de Molenkouter van 7 b 1 d 66 r, op het Molenveldeken van 1 b 2 d 3 r, op het Querrelsveld van 47 r en weiden in De Faluintjes van 1 d 11 r en op het Stevensveld van 1 b 69 r. Guilliam stierf op 31 maart 1730 en geleidelijk nam Alexander het land over van zijn overleden schoonvader.

Op 21 mei 1742 kocht Adriana De Witte, de weduwe van Guilliam De Baetselier de hoeve van hun buur Jan Baptist Mattens en zijn vrouw Anna Robijns die er voor 2/3 eigenaar van waren en van Jacqueline Robijns, de zus van Anna, en haar man Arnoult Verleijsen die het overige 1/3 in bezit hadden[57]. Het was een hofstede met huijse ende stalle daerop staende, groot 2 daghwanden 25 roeden. De hoeve paalde aan de Nieveldries, aan de weduwe Guilliam De Baetselier en aan Jan Willems, Joos Arijs, Guilliam Jacobs en Jan De Ridder. De koopsom bedroeg 980 gulden te verhogen met 300 gulden als afbetaling van een lening aan de schepenbank van Affligem. Het is die hoeve die Alexander en Jacoba betrokken na hun huwelijk op 1 december 1742.

Zijn eerste jaren al zelfstandige boer begonnen nochtans dramatisch. Joos Robijns, een boer van Nievel, noteerde in zijn memorieboek: het jaer 1744 heeft het leger ghelegen op den Molencauter recht over de poort van d’ abdije van Affligem, te weten het volck van de koninginne van Hongarijen, de hollanders, de engelsche en de hannoversche, te samen sterck negentigh duysent mannen ende hebben daer gelegen 13 dagen in bloyen van het coren, ende de hollanders hebben op den 2den Sinxendagh op Noeven  (= Nievel) gheplundert ses huysen omdieswille dat eenen van hun volck in de clerageby naer doodt was gheslagen wiens huysen sijn gheweest Pauwels Gregoir, Jan Gekeer, Alexander Van der Schuren, Jan De Ridder, Joos Arijs ende Jan Willems borgemeester… ende als dan iser eene sterfte ghekomen onder de beesten van daer dat het in alle steden verboden is geene rienders ofte kalvers te slachten omdat de menschen jonge beesten souden ophouden, soo dat hier tot Nievel eenen grooten toeloop is tot den H. Rochus, die ons tot noch toe van die sterfte heeft bewaert[58].

Dat Alexander toch goed boerde blijkt uit de beden die de inwoners van Meldert in 1763 moesten betalen. Die belastingen werden geïnd op labeurlanden, weijden en bosschen aan 1 gulden 7 stuivers per bunder. De stockbosschen waren vrij van lasten. Met 13 bunder 2 dagwand 89 roeden in gebruik was hij een van de grootste boeren van Meldert[59]. In 1748 was Alexander bedesetter en ging hij met de andere bedesetters een lening aan van 2 000 gulden bij Guilliam Goossens en nog een van 1 000 gulden bij Hendrik Michiels, beiden uit Mazenzele.

Alexander stierf op 6 mei 1766

Jan Baptist.

De oudste zoon, Jan Baptist, trouwde op 15 juli 1777 met Joanne Catharina Clauwaert, de dochter van Joannes Baptist en Anna Catharina Pensionaris. Hun kinderen waren:

– Joanna Maria, ° 30 oktober 1778.

– Maria Anna, ° 30 oktober 1779.

– Anna Catharina, ° 4 januari 1782.

– Petronella, ° 7 januari 1784.

– Franciscus, ° 1 augustus 1786.

– Dorothea, ° 1 augustus 1786.

– Rochus, 0 5 oktober 1788.

Als oudste zoon nam Jan Baptist de hoeve van zijn overleden vader over. Maar onze eerste kennismaking met Jan Baptist was een voor hem dramatische ervaring.

Jan Baptist geturbeert door differente slaeghen[60].

Op 3 augustus 1768 liet hoofddrossaard Emanuel Loovens een onderzoek instellen naar een aanval op Jan Baptist Van der Schueren in de herberg van Jan Gekeer op Nievel. Als slachtoffer werd Jan Baptist het eerst verhoord.

Jan Baptist Van der Schueren was toen naar hij verklaarde 23 of 24 jaar. Op zondag 31 juli 1768 was hij met Jan De Koninck, een steenkapper van de abdij, naar de herberg van Jan Gekeer op Nievel gegaan. Daar trof hij Jacobus Robijns, de zoon van Frans, Francis Beeckman, de zoon van Peter, Jan Baptist Gerstman, de zoon van Arnold, Judocus Gerstman, Jan De Vis, Melchior Van der Maelen, Antoon De Ridder, Gillis Van de Perre en Judocus Robijns, ook een zoon van Frans. Onmiddellijk beet Jacobus Robijns hem toe: houssa hoe durfde hier nogh in mijne presentie te komen. Jan Baptist ging op die uitdaging niet in en begon te kaarten met De Koninck tot ongeveer zes uur. Toen werd plotseling de stoel onder hem weggeslagen en kreeg hij een slag op de rechterkant van zijn hoofd. Hij was door die slag zo bedwelmd dat hij niet meer weet of hij op de grond viel of dat enkele mensen hem naar de achtervloer van de herberg hebben gedragen. Daar werd hij eerst vastgehouden door Jan Baptist Gerstman en dan op de vloer gegooid terwijl Jacobus Robijns en anderen,die hij niet kende, hem aanvielen. Jacobus stampte met beide voeten op zijn benen en vroeg hem: wie heeft mij gesteeken in mijn handt? Daarop antwoordde Jan Baptist niet want hij was geheel geturbeert. Robijns bleef met zijn vuisten op zijn hoofd slaan tot iemand van het gezelschap zei: hij heeft genoegh, laet hem liggen. Als die groep was vertrokken, is Jan Gekeer bij hem gekomen, hielp hem overeind en bracht hem naar zijn houtkot en deed de deur op slot.

Daarmee kwam er nog geen einde aan zijn miserie want enige tijd later kwam de bende terug. Aan de stem herkende hij Judocus Gerstman. De mannen sloegen en stampten op de deur en riepen: doet maer open, hij heeft niet genoegh gehad. Omdat hij vreesde dar ze hem zouden doodslaan, vluchtte hij langs de rijckels van het voorschreven houtkot tot op het scherwerck. Daar bleef hij zitten tot hij de stem van de pastoor van Meldert hoorde. Toen hij naar beneden kwam, hoorde hij Jacobus Robijns tot de pastoor zeggen: ick hebbe den stoel met mijn eighen handen van onder sijn gat getrocken een dat hij een pot op zijn hoofd in stukken heeft geslagen.

Gevraagd naar zijn kwetsuren, verklaarde Jan Baptist dat hij nog steeds bedlegerig is en wonden heeft op zijn schouders, borst, rug, been en in de hals. Dagelijks wordt hij gecureert door de chirurgijn Savena en die kan een beter oordeel geven over zijn toestand.

Jacobus Robijns, de hoofdverdachte,werd te Meldert gedoopt op 22 maart 1723 als zoon van Franciscus en Jacqueline De Witte. Hij bleef in het ouderlijk huis, naast de kerk van Meldert, wonen en werd er azijnbrouwer en overleed te Merchtem. Hij trouwde met Catherine Goossens, geboren te Lennik, op 14 februari 1794. Zij waren getuigen bij het huwelijk van hun neef en nicht Peter Goossens en Marie Françoise Goetvinck. Bij die gelegenheid schonken hen hun hofstede als bruischat. Zijzelf trokken zich terug te Merchtem[61].

De verhoren.

Het voorval in de herberg werd door de schepenbank ernstig genomen. De schepenen Jacobus Van Innis, J.B. Van Grasdorf en Franciscus Van den Bossche ondervroegen achtereenvolgens Melchior Van der Maele, Jan Gekeer, Petronella Van der Biesen, Gillis Van de Perre, Antoen De Ridder, Jacobus De Leeuw, Jan De Vis, Jan Baptist Van de Velde, Johannes De Koninck, weduwe Pauwel Gregoir, Joannes Franciscus Meert en Petrus Savena.

Als eerste kwam Melchior Van der Maelen aan de beurt. Gedaagd door de officier Hendrik Jacobs verklaarde hij dat hij die zondag 31 juli 1768 naar de herberg van Jan Gekeer ging om eenen pot bier te drincken. Hij was in het gezelschap van Jacobus De Leeuw, Joseph De Nil, Judocus Verleijsen en Benedictus De Baetselier.In de herberg zaten Jacobus Robijns, Judocus en Jan Baptist Gerstman, Francis en Jan Francis Beeckman. Hij heeft ook Jan Baptist Van der Schueren met de steenkapper zien binnen komen. Staande in de deuropening zag hij ook Judocus Robijns binnen komen. Die vroeg om hem een pot bier te tappen. Daar hij vreesde dat die op ruzie uit was, is hij vertrokken, maar bleef nog enige tijd op de Nieveldries wachten. Hij hoorde groot geschreeuw, ramier ende getier. De steenhouwer van Affligem kwam met een bebloed hoofd naar buiten en daarop is hij naar zijn huis gegaan.

Jan Gekeer, brouwer en herbergier op de Nieveldries, legde de eed af bij Joannes Van Stichel en getuigde dat Jacobus Robijns, Francis Beeckman en Judocus Gerstman in zijn herberg waren toen Jan Baptist Van der Schueren en N. De Koninck binnen kwamen. Tussen 6 en 7 u., zou Van der Schueren door Jacobus Robijns zijn aangerand. Dat heeft hij horen zeggen want hij was naar zijn hopveld gegaan. Toen hij thuis kwam, zag hij Jan Baptist Van der Schueren op de voorvloer liggen. Hij hielp hem recht en leidde hem naar zijn houtstal en sloot de deur. Hij bleef voor de deur staan. Jacobus Robijns en Judocus Gerstman kwamen op hem af en eisten dat hij de deur zou openen, zeggende: hij heeft noch geen slaegen genoegh gehadt. Hij antwoordde dat hij de sleutel niet had. Robijns toonde hem zijn hand en zei: siet hoe dat ick gequetst ben, laet mij in huijs om mijn handt te vermaecken. Gekeer ontweek de vraag door te zeggen dat hijgeen Franse brandewijn in huis had. Robijns en Gerstman vertrokken en hij bleef nog voor het houtkot staan tot hij de pastoor hoorde. Met de pastoor ging hij naar zijn huis waar Van der Schueren hen tegemoet kwam. De pastoor[62] vergezelde Jan Baptist dan tot aan zijn huis.

Petronella Van den Biesen, de vrouw van Gekeer voegde eraan toe dat ook Adriaan Van Dam en Gillis Van de Perre in de herberg waren toen Jan Baptist Van der Schueren en De Koninck binnen kwamen. Omstreeks 6 uur is Francis Beeckman naar buiten gegaan om Judocus Robijns, Peter Hereman en Jan Francis Beeckman te halen. Toen die binnen kwamen, trok Jacobus Robijns de stoel van onder Van der Schueren die op de grond viel. Jan Baptist en Judocus Gerstman, Guilliam en Judocus Goetvinck en Jan Francis Beeckman trokken Van der Schueren bij zijn haar naar de voorvloer. N. De Konick lag ook op de vloer nabij de watersteen aan de kelderdeur. Een persoon, die op hem lag en hem sloeg, trachtte ze tevergeefs weg te trekken. Zij zag dat De Koninck een hoofdwonde had die hevig bloedde. Zij is dan naar Van der Schueren gegaan en haar man zei haar dat, zonder zijn hulp, de aanvallers Van der Schueren wel doodgeslagen hadden. Toen de aanvallers de pastoor naar de herberg zagen komen, zijn ze vertrokken.

Gillis Van de Perre. Noemt dezelfde namen, maar voegt toch nieuwe elementen toe. Hij heeft gezien dat, toen Jan Baptist Van der Schueren op de grond lag, Jacobus Robijns zolang met een pot op zijn rug sloeg tot die in stukken brak. Judocus Gerstman deed hetzelfde met een stok. Judocus Goetvinck had een ijzeren brandelaer uit de schouw genomen om daarmee te slaan, maar de vrouw van de herbergier kon hem afnemen. Een van de acht aanvallers had een ijzeren priem, een voet lang, in zijn hand, maar hij heeft niet gezien dat hij daarmee heeft gestoken. Dan heeft die bende Jan Baptist naar de achtervloer getrokken, de vrouw sloot de keukendeur en hij weet niet wat er voorts is gebeurd.

Op 5 augustus zetten de schepenen hun verhoor voort. Schoenmaker Antoen De Ridder, 23 jaar,was als eerste aan de beurt. Hij was die zondag ook in de herberg en daar hij ruzie verwachtte, verliet hij de herberg voor de aanslag op Jan Baptist. Hij was net buiten toen hij Jan De Koninck met bebloed hoofd  uit de herberg zag komen. Daar hij eenigh gerucht hoorde, stak hij zijn hoofd door het keukenvenster en zag hoe enige personen Van der Schueren vasthielden en anderen hem sloegen. Dan bemerkte hij dat Jacobus Robijns en François Beeckman naar buiten komen met bloed aan hun handen. Toen de pastoor er was, hoorde hij Jacobus Robijns tegen de pastoor zeggen dat hij de stoel van onder Van der Schueren had getrokken en dat hij hem daarna al suckelende ende met moijte naar zijn huis zag gaan.

Jacobus De Leeuw, wasgeboortig van Meldert, 24 of 25 jaar en blokschoenmaker. Volgens hem waren Jan De Vis, Laureijs Clauwaert en Jan Gerstman ook in de herberg. Hij hoorde dat Jacobus Robijns aan Guilliam De Nil vragen of hij naar Meldert wou gaan om enkele mensen te halen. De Nil antwoordde: ist om vrolijck te sijn, ick sal se gaen roepen, maer ist om rusie te maeken, ick en sal het niet doen. Francis Beeckman vertrok dan naar Meldert en kwam terug met Judocus Robijns, Peter Hereman, Jan Francis Beeckman en Judocus en Guilliam Goetvinck. Zonder enige aanleiding is dan de groep van Jacobus Robijns naar de keuken gegaan, ze grepen Van der Schueren vast en sleurden hem naar de achtervloer en daar hebben ze hem buijten sijn selven geslaegen tot de baas hem in zijn houtkot verschool. Die bende heeft hem ook vastgepakt zonder hem te slaan, behalve Francis Beeckman die hem met een stok sloeg en Judocus Robijns die met zijn ijzeren schop wou slaan, maar hij kon de schop uit zijn handen trekken. Beeckman verweet hem: houssa gij moet oock hebben gelijck de anderen, gij sijt oock van de selve compagnie. Uiteindelijk is hij uit de herberg geraakt. Jacobus verklaarde nog dat hij later vernam dat Van der Schueren soo veel als doodt geslaegen was.

Jan De Vis, inwoner van Meldert, 34 jaar en timmerman, somt dezelfde namen op van de personendie in de herberg waren. Hij zag hoe Francis Beeckman een eijsere vierschuppe  nam, die onder sijnen casack stak en dat was het teken voor Jacobus en Judocus Robijns en hun vrienden om Jan Baptist Van der Schueren en Jan De Koninck, die zaten te kaarten, aan te vallen. Voor hij uit de keuken vluchtte, zag hij nog dat Francis Beeckman iemand een stamp met de schop gaf.

Jan Baptist Van de Velde, geboortig van Meldert, 22 of 23 jaar en paardenknecht bij Van der Schueren, had net een pint gedronken in de herberg van Jan Gekeer toen hij een groot lawaai hoorde dat uit de keuken kwam. Hij zag hoe Jacobus Robijns zijn meester met zijn vuisten in het gezicht sloeg en dat Judocus Gerstman een elzen knuppel, anderhalve voet lang, in zijn handen had. Guilliam Goetvinck riep Jacobus Robijns toe: om Godswille coben, com slaeght hem doodt. Hij wou zijn meester bijstaan, maar een van de aanranders zei hem: gij en hebt u maer weg te maeken van hier oft wij sullen u van ’t selve geven. Hij ging dan weg en later zag hij zijn meester met de pastoor afkomen en hij is achter zijn meester naar huis gegaan.

Op 6 augustus kwam Jan De Koninck nog getuigen. Hij was een 23 jarige steenkapper afkomstig van Steenokkerzeel. Hij werkte al 15 of 16 maanden in de abdij. Die zondag zat hij met Jan Baptist te kaarten. Nadat Jacobus Robijns de stoel van Jan Baptist had weggetrokken, haalde Jacobus zo hard naar hem uit dat hij op de grond viel. Hij kreeg nog meerdere slagen op zijn borst en zijn armen. Kruipend op handen en voeten geraakte hij buiten waar iemand hem vroeg waar Jan Baptist Van der Schueren was. Sekerlijck doodt, antwoordde hij en met de vrouw van Jan Van Houwe is hij naar haar huis gegaan waar zij het bloed van zijn wonden heeft afgewassen. Daarna vertrok hij naar zijn logement in het huis van de weduwe van Pauwel Gregoir. Gevraagd naar zijn toestand, antwoordde Jan dat hij nog steeds niet kan werken en dat hij dagelijks wordt verzorgd door chirurgijn Savena. Chirurgijn Boterdael van Aalst en dokter Meert onderzochten hem nog twee dagen geleden. Zij zullen meer uitleg over zijn wonden kunnen geven.

De verzorging van de kwetsuren.

Op 10 oktober dienden Jan Baptist en Jan bij de schepenbank de kosten in van hun verzorging. Voor de dagelijkse verzorging van 4 tot 12 augustus rekenden P.B. Boterdael en P.J. Meert 39 gulden 4 stuivers voor beiden. Chirurgijn Savena had voor Van der Schueren een aparte rekening:

– 31 visites (driemaal daags) van 31 juli tot 11 augustus: 10-17-0.

– 2 laetinge (aderlatingen)[63]: 0-14-0.

– 4 consultaties met Boterdael en Meert: 2-16-0.

– olium rosarum[64]:1-1-0.

– emplastrum[65] de betonic: 1-1-0.

– spirtus vini[66]: 1-1-0.

– emplastrum sanctallinum: 2-3-0.

Als gevolg van zijn verwondingen gaf Jan Baptist nog uit:

– voor 4 potten bruin bier en mondkost: 4-19-3.

– aan medicijnen: 1-19-0.

Totaal: 6-8-3.

Chirurgijn Savena bezorgde Jan De Koninck ook een rekening:

– 31 visites (driemaal daags): 10-17-0.

– 2 laetinge: 0-14-0.

– onleesbaar: 1-1-0.

– idem: 1-1-0.

– 4 consultaties met Boterdael en Meert: 2-16-0.

Totaal: 15-15-0.

Aan medicijnen gaf Jan nog uit: 4-15-2.

De weduwe van Pauwel Gregoir verzorgde Jan gedurende 13 dagen volgens ordonnantie van doctoor ende chirurgijn en gaf hem alles wat hij nodig had:

– 17 potten zoete melk, botermelk en weije: 1-6-2.

– voor wijn, suiker, witbrood, eieren, rijst: 1-14-0.

– eens naar Aalst geweest bij de dokter: 0-4-0.

– voor een vrouw die Jan 9 dagen heeft bijgestaan: 3-12-2.

– 5 potten bier, vuur en licht: 0-14-0.

Jan Baptist Van der Schueren en Jan De Koninck lagen van 31 juli tot 13 augustus te bed en konden hun werk als pachter en steenhouwer niet doen. Voor die gelden schade en voor de geleden pijnen rekenen zij op een tegemoetkoming door de drossaard te bepalen.

De chirurgijnen getuigen.

Op 6 februari 1769 ondervroegen de schepenen de chirurgijns en de dokter. Joannes Franciscus Meert, licentiaat in de medicijnen, 44 jaar en Aalstenaar, getuigde samen met chirurgijn Boterdael, 40 jaar en eveneens van Aalst. Op 4 augustus 1768 werden zij naar het huis van Jan Baptist Van der Schueren geroepen wegens grote hoofdpijn en draaiingen. De omstaanders verklaarden dar zijn pijnen het gevolg waren van de vele slagen die hij enige dagen tevoren had gekregen. Hun onderzoek leidde tot de volgende vaststellingen:

– de musculus temporalis[67] van de rechterkant was gezwollen;

– het rechterooglid was blauw-bruin;

– nadat zijn hoofdhaar was afgeknipt vonden ze geen wonde;

– op zijn hoofd enige kruiden gelegd en de volgende dag waren de zwelling en de pijnen verdwenen.

– geen koorts, alleen een gespannen pols, wat verdween na een aderlating;

– Jan Baptist klaagde ook over pijn aan weerszijden het epigastrum[68] en aan de ribben die rood en gezwollen waren, een verzachtende cayaplasma nam de zwelling en de pijnen weg;

– een confusie op het onderste van de zijde van zijn links been was van weinig belang.

In het huis van Van der Schueren kwam ook Jan De Koninck om hem te laten onderzoeken. Hij had koorts, een wonde aan zijn hoofd en had nog regelmatig last van koorts en huiveringen. Na onderzoek stelden zij vast dat hij een langwerpige droge wonde op het voorhoofd had.

Dan was Petrus Savena aan de beurt. Hij woonde in Hekelgem en was geadmitteerd chirurgijn in het college medicum van Brussel. Op 31 juli 1768 werd hij naar het huis van de weduwe De Vis op de Nieveldries geroepen om Jan Baptist Van der Schueren te verzorgen. Hij had differente confusiën eschymo[69] op het hoofd, armen en benen. Vervolgens verzorgde hij hem driemaal daags tot de 11de augustus en nog eenmaal daags tot de 31ste augustus. Gedurende 6 à 7 dagen heeft Jan Baptist koorts gehad en tweemaal diende hij een aderlating toe. In hetzelfde huis was ook Jan De Koninck die een hoofdwonde had. Hij wou hem een aderlating geven, dat weigerde De Koninck vier dagen lang. Maar hij kreeg koorts en op bevel van dokter Meert en chirurgijn Boterdael gaf hij hem tweemaal een aderlating. Hij bleef De Koninck verzorgen tot de 31ste augustus.

Het proces.

Op 4 oktober 1768 hielden de schepenen Joannes Baptista Van Grasdorf, Petrus Jacobus Van Innis en Franciscus Van der Schueren hun eerste zitting. De Maré, de advocaat van hoofddrossaard Loovens, die optrad als aanlegger, formuleerde  de klacht tegen de boers Jacobus en Judocus Robijns, Jan Franciscus en Franciscus Beeckman, de zonen van Peter, Judocus en Guilliam Goetvinck, de zonen van Jan, Jan Baptist en Judocus Geerstman, de zonen van Arnoldi en Peter Herremans. Na het relaas van de aanval, de slagen en de verzorging vraagt hij dat de chirurgijns en de dokter als eersten betaald worden voor hun diensten en dat de slachtoffers om hunne pijne ende smerte als oock over de schaede van hun verleth behoorlijk vergoed worden. De negen aangeklaagden hebben met voorbedachte raad Jan Baptist aangevallen om een pretense injurie aen Judocus Robijns gedaen te vreken. Hij vraagt de schepenen dat zij de gedaagden, elk afzonderlijk, dusdanige straf en boete zullen opleggen zoals voorzien door de plakkaten van zijne majesteit. Hij hoopt dat daarna de vrede onder de buren zal hersteld zijn. Van Itterbeke, de advocaat van de negen, wil een kopie van het dossier.

Er volgden nog zittingen op 11, 18 en 25 oktober, 8 en 22 november,17 en 31januari, 14, 21 en 28 februari en 7 maart. Van Itterbeke kwam telkens met nieuwe opmerkingen en eisen: over het bedrag van het werkverlet, over de vergoeding voor geleden pijn, over het verschil tussen wat de drossaard besliste en wat de griffier voorlegde …

Dat deed De Maré besluiten om het advies te vragen van rechtsgeleerden wat dan weer discussies uitlokte over wie die kosten moest betalen. Uiteindelijk komen ze op 14 maart overeen om elk de helft van die kosten en van de extra zittingen te betalen. Het geverbaliseerde bedrag werd ook aanvaard.

De notaris[70].

Op heden den 12de 10ber 1774 compareerde voor mij onderschreven openbaar notaris geadmitteerd in haere Majesteijts Souverijnen Raede van Brabant binnen de parochie van Meldert residerende … Quod attestor Jan Baptist Van der Schueren notaris.

Tot nu toe hebben we slechts die akte van 1774 in ons archief als een getuige van het werk als notaris van Jan Baptist. De akte was als bewijsstuk toegevoegd aan het dossier van een proces in 1776 tussen Jan Baptist De Baetselier, pastoor van Kobbegem en Peter Vercammen en zijn vrouw Joanna Beeckmans. Jan Baptist Van der Schueren trad in dat proces op als de advocaat van de pastoor. Ook bij Beda Regaus[71], proost en historicus van de abdij Affligem vinden we een verwijzing naar notaris Van Der Schueren in het jaar 1791[72].

De boer.

In 1781 kocht Jan Baptist 2 900 stenen van de steenoven die was opgezet voor de nieuwbouw van de Sint-Petronellakapel. Hoewel hij niet betrokken was bij de bouw, in tegenstelling tot de meeste voornaamste boeren van Meldert, kocht hij toch een deel van het overschot van de steenoven. Als pachter deed Jan Baptist goede zaken want in 1783 had hij al 6 bunder van de 11 die zijn vader Alexander in pacht had, in eigendom.

In 1796 na de afschaffing van de abdij liet de Franse overheid alle abdijgoederen inventariseren met het oog op de verkoop. Uit dat dossier blijkt dat Jan Baptist samen met Jean Meganck van de abdij 10 b 3 d 80 r land en weide pachtte voor 200 g.

° 6 b 3 d (8 ha 48 a 81 ca) landbouwgrond gelegen op De Molenkouter.

° 5 d (1 ha 57 a 19 ca) landbouwgrond gelegen op De Molenkouter.

° 3 d (94 a 31 ca ( weide gelegen op De Molenkouter.

° 5 d (1 ha 57 a 15 ca) weide gelegen op De Molenkouter.

° 3 d 56 r (1 ha 7 a 61 ca) landbouwgrond gelegen te Moorsel grenzend aan het bos op De Geer.

De jaarlijkse opbrengst werd door commissarissen geschat op 663 fr. en de verkoopprijs op 24 270 fr. 40 hoogstammige bomen, geschat op 120 fr. inbegrepen.

Jan Baptist was toen achterstallig met de pacht: 74 gulden voor 1794 en 100 g voor 1795[73].

De kapitein van de volontairen.

In 1789 vonden er in meerdere steden schermutselingen plaats tegen het Oostenrijks bewind. De patriotten slaagden er zelfs in Brussel in te nemen en het Oostenrijks leger trok zich naar Luxemburg terug om er zich te hergroeperen. Een Nationaal Comité hield op 18 december zijn triomfantelijke intrede en op 11 juni 1790 riepen de Staten-Generaal de onafhankelijkheid uit van de Verenigde Belgische Staten met Van der Noot als staatshoofd. In Brussel werden allerlei manifestaties georganiseerd. Wegens een dreigende inval van de het Oostenrijks leger vaardigden op 3 juli de drij staeten van Brabant een circulaire uit die op 18 juli op de kerkdeur van Meldert werd geafficheerd en waarin de gemeenten verplicht werden een compagnie vrijwilligers samen te stellen tot behoudenisse ende verdediging van ’s Nederlandts vrijheijdt. Als gevolg van die oproep kwamen op 24 juli 1790 op initiatief van drossaard J.D. Gheude te Meldert samen: Peter Clauwaert, de vertegenwoordiger van de drossaard, pastoor Goetgebuer, J. Van Vaerenbergh, Romanus Van den Abbeele, F. Beeckman en Joannes Uijttersprot. Zij kozen als kapitein van de op te richten compagnie Jan Baptist omwille van zijn goedheid, eerlijk gedrag en bekwaamheid op conditie dat hij zich in alles gedraagt zoals een goede en getrouwe kapitein[74]. Jan Baptist slaagde erin 27 vrijwilligers te verzamelen waaronder bekende namen als Jacobus Robijns, Benedictus Van Nieuwenborgh en Judocus Goeman. Adriaan Van Nuffel werd aangesteld als luitenant. Op 1 september vertrokken de vrijwilligers naar Asse. In Asse werden de compagnieën uit het Land van Asse samengevoegd en op 3 september vertrokken ze over Brussel en Leuven naar Tienen. Op 8 september marcheerden ze richting Namen. Nabij Neuville kwamen ze op 22 september tegenover de vijand te staan. Enthousiaste, maar onervaren vrijwilligers geleid door onbekwame bevelhebbers stonden tegenover een gedrild leger. Een zware nederlaag was voorspelbaar en een wanordelijke aftocht volgde. De abdij, die de opstand had gesteund met een gift van 2 352 gulden voor 6 stukken veldgeschut, werd beboet met de inkwartiering van 1 000 soldaten tot 1 januari[75].

De burgemeester.

Met het decreet van van het Comité de Salut Public van 31 augustus 1795 (14 fructidor an III) werden de vorstendommen in de Nederlanden verdeeld in 9 departementen. Elk departement bestond uit arrondissementen en die waren ingedeeld in kantons. De kantons werden gevormd door gemeenten (municipaliteiten). Een municipale raad bestuurde de kantonmunicipaliteit en bestond uit een commissaris als vertegenwoordiger van de overheid en in elke gemeente kwam er een municipale agent en een adjunct. De municipale agent stond in voor het invullen van de registers van de burgerlijke stand. Meldert maakte del uit van het kanton Lebbeke. De benoemden moesten de eed van trouw aan de reubliek en haat aan het koningschap in handen van de commissaris afleggen. Voor veel mensen was dat een moeilijke opdracht omwille  van de gehate eed en omdat ze een lijst moesten opstellen van de burgers die in aanmerking kwamen voor de gedwongen lening die de overheid had uitgeschreven. Maar velen durfden de aanstelling niet weigeren. Het was een onbezoldigd mandaat voor twee jaar en om gekozen te worden moesten de kandidaten aan enkele voorwaarden voldoen zoals ouder dan 21 jaar zijn, kunnen lezen en schrijven en over voldoende middelen beschikken om belastingen te kunnen betalen. In Meldert werd Judocus Goeman de municipale agent, voor de functie van adjunct vond men geen kandidaat.

Voor de tweede verkiezing voor de gemeenteraad vond de Franse overheid in Meldert geen kandidaten om de municipaliteit samen te stellen. In december 1799 schafte het Consulaat de kantonmunicipaliteiten af. Elke gemeente met een vertegenwoordiging in de kantonmunicipaliteit krijgt een eigen burgemeester. De burgemeester en zijn adjunct werden voortaan voor 5 jaar benoemd en de leden van de gemeenteraad voor 10 jaar.

Van 1807 tot 1812 ondertekende Jan Baptist als burgemeester alle akten in de registers van de burgerlijke stand. Zijn jongste zoon Rochus Benedictus tekende vaak in de registers als getuige. Jan Baptist spande zich als burgemeester in voor het behoud van de Rochting, een 17 ha groot gebied ten oosten van de Affligemse abdijgebouwen dat in opdracht van de Franse overheid naar Hekelgem werd overgeheveld. Het conflict met Hekelgem, dat maar al te graag dat vruchtbare gebied annexeerde, duurde tot 1812. In dat jaar kon de burgemeester niet anders dan de beslissing van de hogere overheid aanvaarden en in december 1812 wandelde hij met de burgemeesters van Hekelgem, Moorsel, Baardegem, Mazenzele, Asse en Essene in het gezelschap van een door de Franse overheid aangestelde géomêtre langs de nieuwe grenzen tussen hun gemeenten met de bedoeling ze te verkennen en er hun goedkeuring aan te geven door het proces-verbaal van de opmetingen te ondertekenen[76].

De Nieveldries. Links de kapel van Sint-Rochus en rechtover de hoeve Van der Schueren (nr. 136), hogerop de hoeve van Guilliam De Baetselier (later hoeve Van Cauwelaert). Bron kaartboek Meldert 1727.

De kinderen van Jan Baptist.

– Joanna Maria, ° 30 oktober 1778, trouwde op 2 februari 1802 met Antonius De Boeck, 32 jaar uit Etterbeek. Hun dochter Maria Anna, geboren te Etterbeek trouwde met Guillelmus Goossens uit Etterbeek. Maria Anna overleed te Meldert op 3 september 1889.

– Maria Anna, ° 30 oktober 1779.

– Anna Catharina, ° 4 januari 1782, trouwde met Jan Baptist Van Brempt, brandewijnstoker uit Meldert op 7 januari 1810. Anna Catharina overleed op 28 april 1823.  Hun kinderen:

° Jan Baptist, ° 24 april 1811.

° Adriana Henriëtta, ° op 10 maart 1812.

° Joseph Ludovicus, ° op 13 juni 1814, hij trouwde met Maria Ludovica Van den Driessche op 30 augustus 1845, was burgemeester van Meldert van 1870 tot 1878 en overleed op 25 april 1879.

° Maria Jacquelina, ° op 10 januari 1817 en overleed op 14 januari 1817.

° Maria Anna, ° op 5 juni 1819.

° Dorothea, ° op 20 januari 1822 en overleed op 24 november 1851.

– Petronella, ° 7 januari 1784.

– Franciscus, ° 1 augustus 1786, overleden op 14 april 1789.

– Dorothea, ° 1 augustus 1786, trouwde op 14 juni 1818 met Judocus Bocqué, een zaakwaarnemer van 39 jaar  uit Scheldewindeke.

– Rochus, ° 5 oktober 1788, overleed in 1830.

Besluit.

Alexander en Jan Baptist Van der Schueren behoorden tot de grootste boeren in Meldert, maar het is vooral Jan Baptist die als notaris, als kapitein van de volontairen en als burgemeester deel uitmaakte van de kleine schare van notabelen in Meldert. Na Alexander en Jan Baptist verdween de naam Van der Schueren te Meldert. Alexander had twee zonen, Jan Baptist en Jacobus die overleed op de dag van zijn geboorte. Jan Baptist had twee zonen. Franciscus overleed op 3-jarige leeftijd en Rochus stierf ongehuwd zodat met het overlijden van de dochters de naam Van der Schueren te Meldert niet meer voorkwam.

Pauwel Vermoesen wil zijn geld[77].

Voor de schepenen van het Land van Asse, Petrus Van den Bossche en Joannes Baptista De Nil, verscheen op 2 juni 1772 meester De Maré als advocaat van Pauwel Vermoesen. Die had voor een bedrag van 30 gulden 3 stuivers en 2 oorden hopbellen verkocht aan Jan Baptist De Pauw uit Hekelgem. Omdat De pauw niet onmiddellijk kon betalen, gaf hij op 13 mei 1772 een obligatie met de belofte het verschuldigde bedrag binnen de 14 dagen te vereffenen. Maar hij kwam zijn belofte niet na en Pauwel schakelde De Maré in als zijn advocaat. Nadat De Pauw op de eerste dagvaarding niet reageerde, vroeg De Maré op 2 juni om de meubelen van De Pauw in beslag te mogen nemen. De schepenen gingen in op dat verzoek. Ze daagden nog tweemaal de wanbetaler voor hun schepenbank, namelijk op 16 en 23 juni, maar die gaf ook dan verstek. Daarop vroegen de schepenen advies aan de advocaten geadmitteerd bij de Souvereine Raad van Brabant. Die rechtsgeleerden stelden op 28 juni de schepenen van Asse voor om De Pauw te verplichten onmiddellijk zijn schulden aan Vermoesen, verhoogd met intrest en gerechtskosten, te vereffenen.

Zover kwam het echter niet, want De Pauw, beseffend dat hij geen weg meer op kon, had ondertussen alles al betaald.

Desen seghel dint tot de medegaende obligatie verleden door Jan Baptist de pauw aen pauwel Vermoesen van de somme van dertigh guldens drij stuijvers twee oorden over coop van hoppe wesende van der dathe derthien maij seventhien hondert twee en t’seventigh.

Meldert wil zijn driesen verkopen[78].

Op vraag van de bedesetters van Meldert kwamen Cornelis Van den Houte en Joseph Van Malderen, bedesetters van Baardegem 5 driesen beplant met bomen taxeren. Het gemeentebestuur wou die verkopen omdat ze te weinig opbrachten. Men kon er immers alleen het vee laten grazen. Bovendien was Meldert opgecropt van volck en zo’n 300 inwoners moeste ongehuwd blijven bij gebrek aan woningen. Van 1719 tot 1772 was het aantal inwoners gestegen van 707 tot 1050[79]. Op 13 oktober 1772 overhandigden de Baardegemse bedesetters het resultaat van hun taxatie aan hun Meldertse collega’s. De bedragen zijn uitgedrukt in gulden, stuivers en oorden.

Den Grooten Domenschen Driesch: de grond 2 g 10 st de roede, de bomen 974 g;

– Den Kleynen Domenschen Driesch: de grond 3 g de roede, de bomen 272 g;

– Den Nieveldriesch: de grond 3 g de roede, de bomen 2 760 g;

Den Cockerijedriesch:de grond 2 g 15 st de roede, geen bomen;

Den Sinte Petronellabergh: de grond 1 g de roede, de bomen 1 800 g.

Met deze taxatie richtten de bedesetters zich op 26 november 1772 tot  Joannes Dominicus Gheude, griffier van het Land van Asse, met het verzoek om van de Souverijnen Raad van Brabant of van de heer fiscael de vergunning te bekomen om de 5 driesen te verkopen. Zij verwezen hierbij naar een plakkaat van haere Majsteijt dat de gem

eenten toeliet om heijden ende vage inculte gronden te verkopen. Daar het de bedesetters Van den Houte en Carel Geeroms niet duidelijk was of de 5 driesen wel degelijk de eigendom van de gemeente was, voegden ze een uitgebreid schrijven toe aan hun verzoek om de ingewikkelde situatie van de dreven toe te lichten.

Vooreerst verwezen ze naar artikel 23 van het plakkaat dat bepaalde dat de opbrengst van de verkoop van de gronden en de bomen voor ¼ aan de heer toekomt en voor ¾ aan de gemeente. Dat betekende dat de abdij Affligem ¼ zou krijgen en de rest was voor de gemeentekas. Want al in 1227 bezat Meldert het recht van de pasturagie. In mei van dat jaar schonk de hertog van Brabant, Hendrik I (1190 – 1235) alle weiden en verlaten plaatsen gelegen tussen de abdijkerk en de kerk van Asse aan de abdij maar onder bepaalde voorwaarden. Aan die schenkingen mocht niets worden veranderd. De weiden mochten niet tot akkers omgeploegd worden, er mochten geen hagen, grachten of bermen aangebracht worden zodat het vee van Meldert er kon grazen. Die beperkingen leidden in de 17de eeuw tot een proces tussen de abdij en de markies van

 Asse dat 30 jaar aansleepte en eindigde met een overeenkomst in 1664.

De bedesetters vroegen de griffier ook uitdrukkelijk dat de heere fiscael zou bevestigen dat Meldert wel degelijk de driesen mocht verkopen. Zij meenden dat het hun recht was. Als de abdij de gronden en de bomen zou verkopen, betekende dat een groot verlies voor de gemeente. De abdij had trouwens de opgelegde voorwaarden geschonden door in 1635 de Rochting in cultuur te brengen, er grachten aan te leggen en het geheel te omringen met hagen. De Rochting ligt noordoost van de abdijgebouwen en is 11 bunder 2 dagwand en 17 roeden groot[80]. Voor die tijd had de abdij maar 3 bunder in gebruik zoals blijkt uit de Caert Figuratief van Affligem van 1635. De abdij had daarenboven eenige huijskens en hopastenop die gemene gronden laten bouwen en inde er de cijns. Ze liet ook toe dat particulieren er wilgen of andere bomen plantten. De bedesetters wilden ook weten of het gemeentebestuur die asten mocht verkopen, waarvan dan ¼ de eigenaar toekwam.

De bedesetters benadrukten nog dat de inwoners meer landbouwgronden nodig hadden. In Meldert was er van de totale oppervlakte 220 bunder bos en 12 bunder vijver en slechts 306 bunder was niet van de abdij. Met 900 communicanten waren er ook te weinig huizen. Als laatste argumenten stelden de bedesetters dat de gemeente belast was met een schuld van 7 000 gulden en met de verkoop van de driesen kon die schuld worden afgelost.

Pastoor Johannes Franciscus Goetgebuer verhoogde de druk op de heere fiscael door in een brief te wijzen op het gevaar dat men de huidige toestand van de driesen zou laten bestaan. Hij wou ook weten of het nuttig of nodig was om een van de bedesetters naar Brussel te sturen om daar hun zaak te bepleiten.

Mijnheer greffier.

Ick hebbe desen ingesloten geschreven als aen u toegesonden om desen eerst laeten te sien aen onsen advocaet en als hij het goet oordeelt, dat U. E. gaen saude bij den Fiscael bij u hebbende de transactie van de abdije met den marquis en ook de nieuwe caert der driesschen (xx en om den Fiscael desen ingesloten te laeten lesen), en waer het saecken den Fiscael van sinschen te sijn dees driesschen nogh driesschen te laeten, saud hem connen segghen dat d’abdije al was het hun verboden eenige boomen op dees driessche te planten sij evenwel naer verloop van jaeren dit sauden doen: gelijk sij nu gedaen hebben boven ’t verbodt van den hertog van Brabant hunnen gever en tegen hun eijge transactie. Gelieft ons te laeten weten wat antwoort U. E. sal gehad hebben van den Fiscael en oft er imant van de bedesetters oft ick moet naer Brussel comen. … blijve met respect en genegenthijt.

Mijnheer U. E. ootmoedigen dienaer J. F. Goetgebuer pastor van Meldert.

Ferrariskaarten +/- 1777.

Den Grooten Domenschen Driesch en Den Kleynen Domenschen Driesch.

Den Nieveldriesch.

Den Cockerijedriesch.

Den Sinte Petronellabergh.

Ruzie over de borgstelling[81].

Officier van het Land van Asse, Judocus Verloes, hield ten huize van de weduwe Jan Baptist Bastaert op 7 oktober 1774 een openbare verkoping van bomen en schaarhout uit het bos van Assenaar Thomas Van Laecken. Judocus De Pauw[82] uit Meldert kocht er schaarhout en eiken voor een totaal van 9 gulden. Als borg stelde hij de persoon van Jacobus Sterckx uit Asse-ter-Heide en de verkoper ging daarmee akkoord. Maar nadien kwam De Pauw terug op zijn gegeven woord. Hij wilde een andere borg stellen. Thomas Van Laecken wou dat hij zich aan de afspraak hield, want hij wist dat Sterckx al zijn betalingen nakwam. Het is mogelijk dat er een conflict was gerezen tussen De Pauw en Jacobus Sterckx en wou die niet meer als borg fungeren. Zo ontstond er een patstelling: De Pauw betaalde niet omdat Van Laecken het niet eens was met de wijziging in de borgstelling en volgens Van Laecken kon De Pauw niet betalen en wou hij de aankoop opzeggen. Maar Van Laecken had het geld van de verkoop dringend nodig en daarom wendde hij zich op 31 maart 1775 tot de schepenbank met het verzoek De Pauw te verplichten promptelijck de koopsom, verhoogd met de geleden schade en intrest te betalen.

In de volgende maanden vlogen de beschuldigingen over en weer. De Pauw ontkende dat hij de koop had opgezegd. Hij wachtte nog steeds op een antwoord van Van Laecken over de borgstelling. Waarop die, omdat De Pauw niet betaalde, zelf was begonnen met het hout te kappen en de bomen te rooien tot officier Verloes op vraag van De Pauw hem verbood nog aan het hout voort te werken. Door het verbod zag Van Laecken zich genoodzaakt zijn hopstaken te gebruiken als brandhout voor zijn huis. Hij kon ook het resterende hout niet meer wegvoeren. De Pauw had van pachters de toelating gekregen om tot half maart 1775 met het hout over hun velden te rijden. Op 27 juni richtte De Pauw zich nog eens tot de schepenbank. Hij bevestigde dat hij zich aan de overeenkomst met Van Laecken hield, maar dat die geen akkoord wou over een andere borgstelling. Hij was zelfs bij de verkoper geweest om over de schade te praten die hij had geleden door het uitstel van betaling. Die had hem naar zijn advocaat De Maré verwezen. Met hem kwam De Pauw overeen dat hij 5 gulden als schadeloosstelling zou geven. In een laatste reactie ontkende Van Laecken dat er een akkoord was over schadevergoeding want hij had meer schade geleden. Hij moest nu een andere weg kopen om het hout, waarvan maar 1/3 meer overbleef, weg te voeren.

Een valse akte[83].

1774. Kermismaadag van de parochie Essene. In de herberg van Henricus De Clerck op Den Grooten Domentschen Driesch gaat het er vrolijk aan toe. De herbergier had gezorgd voor eenen speleman zodat daar in een kamer lustigh wiert gedanst, soo van getrouwde als ongetrouwde van beijde sexen als oock aldaer op de gemelde camer wiert gedroncken wijn ende bier. Doment was tot laat in de 19de eeuw een geïsoleerd gehucht. Het lag en ligt nog op de gemeenten Essene, Hekelgem en Meldert. De afstand tot de parochiekerken van Essene en Hekelgem was bijzonder groot zodat de meeste bewoners zich meer verbonden voelden met de parochie van Meldert, maar daarbuiten regelden ze hun zaken onder elkaar en hadden ze hun eigen kermis. Zo kwam het ook dat in de herberg van Henricus De Clerck zowel mensen van Essene, Hekelgem als Meldert aanwezig waren.

Deze aanklacht bij de schepenbank van Asse werd ingediend door Gillis Verbeiren en zijn moeder Joanna Maria Christiaens[84]. Gillis was domesticq ten huizevan Henricus De Clerck waar hij ook inwoonde. Op die bewuste kermismaandag bracht hij bier en wijn naar de kamer van de dansers. Onder de kermisvierders bevond zich ook Jan Baptist Bruijninckx[85]. Die was volgens Gillis in een heftige woordenwisseling verwikkeld met Jacobus De Clerck, broer van de herbergier. Op een bepaald ogenblik begonnen ze zelfs te vechten tot Henricus de twee kon scheiden. Enige tijd later ontstond er in heel de herberg opschudding omdat Bruijninckx rondliep met een hoofdwonde die hevig bloedde. Men zei dat Jacobus De Clerck zijn tegenstander met een glas op zijn voorhoofd had geslagen.

De drossaard van het Land van Asse onderzocht de feiten in 1774 en 1775.Toen duidelijk werd dat er een rechtszaak zou volgen, kreeg Gillis het bezoek van zijn meester Henricus die vergezeld was van zijn broer Jacobus, Andries Van den Brande die men Casteur noemde en van Cornelis Van den Houte, een pachter die op de Domentse Dries woonde. Ze praatten zolang op hem in dat hij aanvaardde te verklaren dat hij de pintslagh aan Bruijninckx had toegediend. Door dronckenschap en met de belofte van hem drie gulden te geven en de consumpties te betalen, gaf hij zijn woord. In november 1775 ging hij met Andries Van den Brande naar Asse bij Philippus Arents, brood maecker, en daar noteerde diens zoon als notaris de verklaring van Gillis. In de paastijd van 1776 kreeg Gillis daerover remors van consciëntie. Hij biechtte de hele zaak op aan zijn biechtvader en die wou hem geen absolutie van zijn zonden geven tot hij de drossaard op de hoogte had gebracht van de valse verklaring. Met zijn voogd en schepen J.B. De Nil zocht hij advocaat J.B. De Maré op. De advocaat raadde hem aan Jacobus De Clerck te vragen of hij de valse verklaringen wilde laten annuleren en Gillis zou hem de drie gulden teruggeven. Jacobus weigerde echter hem te ontvangen waardoor voor Gillis alleen nog den wech van rechten overbleef om zijn geweten te sussen.

De erfenis van smid Peter Carlé[86].

Nog voor zijn huwelijk met Joanna Maria De Bruecker op 2 mei 1775 kocht Peter Carlé, een smid, 10 roeden land voor 100 gulden uit een partij van 1 dagwand waarop hij een huis liet bouwen. De aankoop werd door griffier B. E. De Witte ingeschreven in het register van de goedenisse van de abdij op 15 juli 1776. Het betrof een akte verleden door notaris Jan Baptist Van der Schueren. Hendrik Van Zeebroeck trad op als gevolmachtigde van Isabella Willems. Deze bejaarde jonge dochter had het perceel geërfd van haar ouders, Jan en Maria Van den Broeck[87]. Peter Emmanuel Schoon, Franciscus Van Linthout en Martinus Wambacq, de schepenen waren de getuigen.

Met zijn vrouw Joanna Maria De Bruecker had Peter drie kinderen[88]. Ze kochten op 9 oktober 1779 een hofstede van 80 roeden. Na het overlijden van Peter hertrouwde Joanna Maria te Meldert op 13 november 1784 met Albert Van der Meulen. Na haar dood erfden Peter en Theresia de twee hofsteden. Maar twee jaar later had hun stiefvader Albert de twee boerderijen nog steeds in zijn bezit. Daarom spanden hun grootvader Peter Carlé en hun voogd Joannes Baptista De Bruecker een proces in tegen Albert Van der Meulen ook Vermeulen). Om hun zaak te bekrachtigen voegden ze bij hun klacht twee bewijsstukken toe.

1- De akte van 2 mei 1775 van de aankoop van de 10 roeden. Het perceel was belast met een grondcijns aan de abdij en een rente aan Joanna Maria De Baetselier, begijn te Brussel. De verkoopster, Isabella Willems, beloofde binnen de 8 dagen het perceel vrij van rente te maken.

2- De akte van de aankoop van de hofstede van 80 roeden voor 685 gulden 13 stuivers. Die hoeve paalde aan Gillis Robijns, de weduwe Francis Robijns de erfgename, Judo Van Onchem en Peter Carlé. De eerste koper was Jacobus De Clerck en na een hoger bod wees notaris Van der schueren de hoeve toe aan peter Carlé. Griffier De Witte registreerde de akte voor de schepenbank van Affligem op 19 juni 1780 met als getuigen Franciscus Van Linthout en Martinus Wambacq.

De erfenis van Michael De Vis[89].

Michael De Vis[90] had met zijn eerste vrouw, Catharina Beel, een dochter Elisabeth[91]. Na haar dood, overleden te Meldert op 9 augustus 1727, hertrouwde Michael te Meldert op 30 oktober 1727 met Elisabeth Mergan. Zij kregen vier kinderen[92] en de zaken liepen goed want Michael en Elisabeth konden drie percelen grond aankopen. Op 11 oktober 1728 kochten ze 1 dagwand land en bos op Het Schoon Manneken. Vier jaar later, op 16 juni 1732 konden ze nog een perceel van 1 d bijkopen. Het sloot aan bij hun eerste aankoop. Ten slotte verwierven ze nog uit hetzelfde domein 1 d en 2 r op 12 mei 1753.

Met de dood van Elisabeth Mergan op 10 januari 1759 erfde Michael, als langstlevende, de helft van al hun goederen. Maar na zijn overlijden te Meldert op 17 augustus 1776, ontstonden de problemen. Elisabeth, zijn dochter uit zijn eerste huwelijk en gesteund door haar man Judocus Clauwaert, eiste als mede-erfgenaam 1/5de op van de helft van het eerste dagwand en 1/5de van de andere aankopen. Zij wilden dat kinderen soo van eersten als tweeden bedde gelijke delen kregen. Vier kinderen uit het tweede huwelijk waren daartoe niet bereid. Bijgevolg richtten Judocus en Elisabeth zich tot de schepenbank en daagden Joanna De Vis en haar man Adriaan Gillis, Catharina De Vis en haar man Judocus Peeters, Judocus De Vis en Joannes Kindermans, de weduwnaar van Anna Maria De Vis en voogd van hun minderjarige kinderen voor de rechtbank. Als bewijs legden ze de drie aankoopakten voor.

1- De koop van 11 oktober 1728. Het dagwand land en bos kochten ze van Jan Van Muijsewinckel voor 105 gulden. Het paalde aan het gasthof straetken en aan de Cappelleken straete. Griffier J. De Witte van het laathof van de abdij verleed de akte. Adriaan De Witte, Andries De Baetselier en meester Judocus Godefroij, erflaten en meier Guillam De Baetselier waren de getuigen.

2- De koop van 9 juni 1732. Notaris Eg. Crick verleed de akte. De koopsom bedroeg 75 gulden. Griffier J. De Witte registreerde de aankoop in de goedenisse van de abdij. Nu traden Judocus Godefroij, Joos ’t Sas en Martinus Linthout als getuigen op.

3- Het derde perceel kochten Michael en Elisabeth van Elisabeth De Vis en haar man Jan De Mey voor 157 gulden 10 stuivers. Hendrik Van Zeebroeck en Peter Van de Bosch getuigden, notaris J.F. Gillis stelde de akte op.

Verplaatste Paschier Vertongen de grenspalen[93]?

In 1769 kochten Judocus Van den Steen[94] uit Meldert en Francis De Vis uit Hekelgem elk een veld gelegen op het Querrelsveld[95] van Martinus Van Vaerenbergh[96] en zijn vrouw Anna Maria De Witte. Het deel van Francis was 1 d 50 roeden groot, dat van Judocus 118 ½ roeden. Het perceel van Judocus paalde aan Francis De Vis, Peter Wambacq, Hendrik Poels en Gillis Van Roy. De scheiding tussen het veld van De Vis en dat van Van den Steen was een rechte lijn in het verlengde van de scheiding van hun erven en werd gemarkeerd door twee paalsteneen. De aankoop werd genoteerd in het register van de goedenisse van de abdij op 24 april 1769. Na de dood van Francis De Vis werd Paschier Vertongen[97], man van Petronella De Vis, de nieuwe eigenaar en toen begonnen de moeilijkheden. Judocus stelde vast dat een van de grenspalen met Paschier Vertongen verdwenen was en hij meende dat zijn veld was verkleind. Hij vermoedde dat Paschier die had weggenomen om zijn veld te vergroten om zo meer vruchten te kunnen oogsten. Na heel wat discussies en nieuwe opmetingen zonder resultaat, diende hij bij de schepenbank een klacht in tegen Paschier Vertongen. Hij vroeg de schepenen zijn tegenstander te verplichten om de grenssteen weer op de oude plaats te zetten, een schadevergoeding en proceskosten te betalen.

Zoals te verwachten was, ontkende Paschier via zijn advocaat Gillis de feiten. Hij vond dat de zaak de moeite niet waard was voor een proces. Mensinck, de advocaat van Judocus, zag daarin een maneuver van de tegenpartij om de kosten van een proces te ontlopen en hij overhandigde de schepenen 5 documenten om het gelijk van zijn cliënt te bewijzen.

1- Het getuigeins van Francis De Doncker. Deze gezworen landmeter uit Teralfene had op verzoek van Martinus Van Vaerenbergh, de verkoper, de 2 percelen opgemeten in aanwezigheid van de  Francis De Vis en Judocus Van den Steen. De grootte van de velden waren respectievelijk 1 d 50 r en 118 ½ roeden. Om de scheiding tussen de twee aan te duiden gebruikte hij 2 kasseistenen. Na de dood van De Vis ontstonden er moeilijkheden tussen Paschier Vertongen, zijn schoonzoon, en Judocus Van den Steen. Ze vroegen De Doncker om hun percelen opnieuw op te meten. Hij stelde vast dat een grenssteen tussen hun velden was verdwenen. Wat later, op 20 november 1781, verzocht Paschier hem de velden opnieuw op te meten. Hij stelde vast dat Paschier tot 6 voeten van het veld van Van den Steen had ingenomen.

2- Verslag van J.F. De Coster, gezworen landmeter van Meldert. Op 27 november 1783 kwam hij de scheidingslijn tussen de velden van Vertongen en Van den Steen herstellen. De twee partijen gingen daarmee akkoord.

3- Het getuigenis van Guilelmus De Nil. Deze 33-jarige Hekelgemnaar legde bij notaris De Smedt een verklaring af op verzoek van Judocus Van den Steen. In oktober 1782 was hij naar het huis van Paschier gegaan met een boodschap van zijn vrouw. Zij kon zijn lijnwaad niet wassen. Paschier vertelde toen dat hij weer ruzie had met Van den Steen over de grens tussen hun velden. Guilelmus antwoordde dat het gerucht de ronde deed dat Paschier zelf de grenssteen had weggenomen. Paschier gaf dan toe dat het zijn vrouw was die de steen had verwijderd wat, zei hij, hem niet raakte daar een vrouwmensch toch geen recht en was gevonden.

4-De verklaring van Peter Ledegen. Peter was de zoon van Joannes Baptiste, een van de aangrenzende eigenaars. Hij had eens gezien dat de grenssteen bij het ploegen op het land van Wambacq werd losgereden. Notaris Jan Baptist Van der Schueren noteerde zijn getuigenis.

5- Henricus Poels was in 1769 aanwezig toen De Doncker zijn opmetingen verrichtte. Zowel Francis De Vis als Judocus Van den Steen waren content met het resultaat. Dat veranderde toen Paschier het land van Francis erfde. In 1781 liet Judocus zijn perceel nog eens opmeten, nu door de gezworen landmeter De Coster uit Meldert. Die kwam tot het besluit dat Judocus 3 roeden te weinig had en gaf het bevel de steen te zoeken. 6 voeten ver in het veld van Paschier groef men de steen op. Een nieuwe opmeting tot aan de teruggeplaatste steen  wees uit dat Judocus nu zijn 118 ½ roeden terug had. Zijn verklaring legde hij af bij notaris De Smedt op 26 juni 1783.

Waar is het geld van de collecteurs[98]?

Voorjaar 1784. Heel Meldert staat in rep en roer. Het gerucht doet de ronde dat twee collecteurs, Judocus Verbeiren en Petrus De Pauw, heel wat geld hebben achtergehouden. Verontwaardiging alom. Verdachtmakingen ook. Hoe is dat kunnen gebeuren en wie was daarvan op de hoogte? Wie profiteerde mee? Oude vetes worden afgestoft. Of het er echt zo in de lente van 1784 in Meldert aan toe ging, weten we niet. Maar het ging er alleszins zo heftig aan toe dat de Meldertse vooraanstaanden besloten om allen die op een of ander gebied wat te zeggen hadden voor overleg bijeen te roepen.

8 juli 1784. De gegoeijde ingesetenen ende fructuateurs van Meldert komen samen in de herberg van Adriaan De Coster na kerkgebod[99] en oproepingsbrief geafficheerd aan de kerkdeur op 4 juli. Ze wilden overleggen over het murmuer ofte misnoegen in het dorp over de rekeningen van de collecteurs. Na uitgebreide discussies kwamen de regeerders tot de volgende besluiten.

1 Alle documenten van Judocus Verbeiren en van Peter De Pauw die in de dorpscomme liggen of in de griffie van Asse werden bewaard door de bedesetters te laten onderzoeken op mogelijke fraude. Als dat het geval was, wilden ze eerst trachten tot een minnelijke schikking te komen en als dat niet lukte, zouden ze hen met den rechte praemen.

2 De bedesetters moesten verklaren waarom hun rekeningen niet overeenkwamen met die van de collecteurs.

3 Daar collecteur Judocus Verbeiren niet in staat was om de tekorten op zijn rekeningen van 1778 en 1779 aan te zuiveren, verzochten ze de schepenen van Asse om zijn borgen aan te spreken om het ontbrekende bedrag te betalen.

4 Als de beschuldigingen van fraude aan het adres van Peter De Pauw op waarheid berustten, dan zouden de regeerders eerst het advies van rechtsgeleerden inwinnen en dan de borgen verplichten om het tekort te betalen.

Op 26 april 1786 was de griffier van de schepenbank, zijn naam werd nergens vermeld, klaar met zijn onderzoek en legde hij zijn rapport voor aan de drossaard, de bedesetters, de regeerders en gegoeijde gemeentenaeren die waren samengekomen ten huize van Jacobus Robijns naast het kerkhof. Vooraf was de vergadering met kerkgebod aangekondigd. Jacobus Robijns was zelf ook aanwezig als erfgenaam van zijn vader Franciscus evenals zijn moeder Jacqueline De Witte. Beide ouders hadden zich voor De Pauw borg gesteld. De griffier had na lankduerige recherches in het huis van de overleden procureur De Maré  eene farde papieren (ontdekt) relatief tot de saecke en eenen originelen staet van liquidatie tussen de bedesetters en Peter De Pauw op datum van 20 juli 1757. De inkomsten voor dat jaar bedroegen 1018 gulden 19 stuivers. Die kwamen voort uit het saldo van 1756, uit de ontvangsten van de abdijen Affligem en Vorst en van de oncostboeck. Na aftrek van de lange lijst van uitgaven, een miscalculatie van 17 gulden 3 stuivers inbegrepen, bleek dat De Pauw nog recht had op 8 gulden 9 stuivers 2 oorden. Maar de kosten van het onderzoek, ten laste van de collecteur, bedroegen 59 gulden 7 stuivers 1 oord zodat hij aan de parochie nog 50 gulden 17 stuivers 3 oorden schuldig was.

Tijdens de vergadering legde Jacobus Robijns twee kwitanties voor. De eerste dateerde van 22 juli 1756 en ging over een betaling aan de bedesetters Gillis Beeckman, J. Van Overstraeten, J. De Witte en Michiel Van den Wijngaert van 227 gulden door Franciscus en Judocus Robijns als borgen voor Peter De Pauw. De tweede kwitantie, voor een bedrag van 50 gulden, was van Jacqueline De Witte op datum van 30 november 1757. Bijgevolg had de collecteur nog een schuld van 17 stuivers 3 oorden en die schold men hem kwijt. De griffier stelde nog voor om te onderzoeken of die bedragen wel bij de gemeente waren terecht gekomen, maar daar werd niet op ingegaan. Drie van de vier bedesetters wilden het rapport pas ondertekenen nadat het met kerkgebod ter kennis was gebracht van alle inwoners. De volgende vergadering had dan plaats bij Jacobus Robijns op 11 juli 1787. Toen bleek dat de bedesetters nog over een kwitantie van 50 gulden beschikten, een gift van Jan De Vis. Daarmee werd de zaak van Peter De Pauw afgesloten.

Collecteur Judocus Verbeiren zat in grotere moeilijkheden. Hij had een tekort van 749 gulden 5 stuivers 1 oord. Daarvan had Joseph Van Malder, als borgsteller, 204 gulden 1 stuiver afbetaald op 21 augustus 1785. Er bleef dus nog een schuld van 475 gulden. Peter Clauwaert, de dorpsofficier, nodigde in opdracht van de regeerders de edele Vrouwe Marquise des Landt van Assche en alle gegoeijde inwoners uit op een vergadering in de herberg van Jacobus Robijns op 1 augustus 1787 om 9 u. Tijdens de vergadering werd besloten om de borgen een som van 375 gulden kwijt te schelden. De resterende 100 gulden moest binnen de twee maanden betaald zijn. Schoenmaker Daniël Luypaert had zich tijdens de discussies tevergeefs verzet tegen het voorstel. Waarom men zo mild was voor Judocus Verbeiren werd niet vermeld.

De staakmolen van Judocus De Vis: problemen[100].

In het artikel “Judocus De Vis, bouwheer van de staakmolen”[101] schreven we over de moeilijkheden die Judocus ondervond met Joannes Van den Dale uit Moorsel die voor hem de molen zou bouwen voor 425 gulden plus cost ende dranck voor hem en zijn werklieden. Die begon eraan in april 1787, maar in de zomer stopte hij met de werken omdat, volgens hem, Judocus nog niets had betaald. Volgens het contract afgesloten bij notaris J.D. Gheude moest hij de helft van het bedrag betalen als het cot was gerecht. Judocus betwistte dat en vond dat Van den Daele nog niet aan die voorwaarden voldeed. Judocus haalde op 28 augustus zijn gelijk bij de schepenbank van Asse en hij kreeg de toelating om al het materiaal en ook de gereedschappen van de molenbouwer in veiligheid te brengen bij zijn halfbroer Ferdinand De Vis. Dat deed hij op 28 augustus onder toezicht van Van Stichel, de vorster van de schepenbank. Van den Daele werd met een missive op 28 augustusen een aanplakbrief aan de kerkdeur van Meldert op 2 september voor de schepenbank gedaagd. Tijdens de zitting van 4 september ging Judocus ermee akkoord om de gepresteerde daguren verminderd met de helft van de kosten van de rechtszaak te betalen.

Het artikel eindigde met de bemerking dat Joannes blijkbaar het werk hervatte en de molen afwerkte want andere documenten over mogelijke geschillen waren er niet te vinden. Dat laatste was niet juist. Een recent gevonden Extract uit de rolle gehouden voor de schepenen van 4 september 1787 vermeldt dat Van den Daele akkoord was om hun contract voor de bouw van de molen te ontbinden mits betaling van het bedrag dat op de zitting van 4 september was afgesproken. Judocus moest dus op zoek naar een nieuwe molenbouwer.

Ruzie om de tienden in De Klaarhaag[102].

Op 9 juni 1789 diende advocaat Gillis namens Lambertus Rommens, landsdeken van Moorsel, een klacht in bij de schepenbank van het Land van Asse tegen Peter De Wolf uit Meldert. Wat was er aan de hand?

In 1787 verwierf Peter het recht de tienden te innen in de vijfde wijk van Moorsel, namelijk De Klaarhaag te Meldert voor 102 gulden. 2/3 van het bedrag kwam toe aan de Kerk van Moorsel en moest hij betalen in handen van de kerkmeesters. Het resterende derde was voor de pastoor. De eerste betaling van 51 gulden viel op Allerheiligen 1787 en de tweede betaling met Lichtmis 1788. Het contract was ondertekend door Peter De Wolf enerzijds en anderzijds door baljuw Laurentius Van den Hauwe, burgemeester Laureijs Caudron en de schepenen Pieter Meert, Pieter Bosteels, Joannes Van Hoije en Cornelius Beeckman.

Was er een mislukte oogst of had Peter De Wolf andere problemen? In feite had hij in het voorjaar van 1789 nog geen cent van de tienden betaald zodat landdeken Rommens besloot om tegen hem een klacht neer te leggen bij de schepenbank van Asse om de onmiddellijke betaling te eisen.

Peter De Wolf was de zoon van Leopold en Catharina Van der Elst. Hij werd te Moorsel gedoopt op 12 december 1751 als vierde kind van het gezin.

Lambertus Rommens was afkomstig van Dessel en werd op 14 juni1737 prietser gewijd. Hij was eerst onderpastoor in Lede en werd op 4 juni 1751 benoemd tot pastoor van Moorsel. Hij liet in 1752 een nieuwe pastorie bouwen die nog steeds bestaat. Vanaf 1765 was hij deken van het district Aalst. Met pastoor J. Goetgebeur van Meldert had hij constant ruzie over de tienden in De Klaarhaag.

Hield notaris Van der Schueren geld achter[103]?

Op 17 oktober 1789 leidde notaris Jan Baptist Van der Schueren van Meldert de openbare verkoop van een hofstede en een perceel landbouwgrond van 50 roeden. De hofstede bestond uit een stenen huis ende dependantiën, groot 30 roeden. Het goed paalde  aan De Wolf, Francis De Ridder en de straat. De verkopers waren Peter De Wolf en zijn vrouw Theresia Van der Goten. Guillam Turnhout, een vrijgezel uit Wieze, kocht het goed voor het echtpaar David Verbeken en Anna Maria Verhasselt uit Baardegem. De tweede koop, de 50 roeden land, paalde aan de hofstede, aan Francis De Ridder en aan de straat. Dat was een deel uit een stuk van 80 roeden dat Peter De Wolf en zijn vrouw op 5 oktober 1784 hadden gekocht van Joannes Geeroms, zoon van Karel en Josina Beeckmans. Volgens de akte ontving notaris Van der Schueren uit handen van David Verbeken 701 gulden 8 stuivers voor de hofstede en 327 gulden 12 stuivers voor het veld.

Merkwaardig is dat op 26 januari 1790 Peter De Wolf bij de schepenbank van Asse een klacht indiende tegen David Verbeken omdat hij het geld van de verkoop nog niet had ontvangen. Hield notaris Van der Schueren het geld in eigen zak?

De kaveling van Gillis Nulant[104].

Op 9 december 1781 werden de goederen van het echtpaar Gillis Nulant en Barbara Van Belle verdeeld onder hun kinderen Catharina en Peter. Na onderlinge blinde lotinge ging de eerste kavel naar Peter en de tweede naar zijn zus Catharina en haar man Jan Poels. Peter erfde een hofstede met een opstal op de Kleindries, groot 197 ½ roeden, palende aan Judocus Van den Steen, Cornelis Van den Houte, Jan Baptist Bruyninckx en Francis Temmers. Ook een partij land, groot 85 roeden, palende aan Josephus Van Malder, Peter Robijns, de erfgenamen van Francis Robijns en Jacquelina De Witte en het dorpsplein. Het deel van Catharina bestond uit een hofstede, groot 107 roeden 18 voeten, palende aan voorgaande partij land, de erfgenamen Francis Robijns, de straat en het dorpsplein.

Beide kavels waren belast met een rente van 350 gulden ten voordele van juffrouw Crick. Volgens de verkaveling moest Peter de komende 6 jaar die rente afbetalen. Maar als zijn zus, om welke reden ook, hun hofstede zou verpanden dan moest zij Peter daarvan drie maanden vooraf op de hoogte brengen en viel de afbetaling van de rente aan de pandnemer. In 1790 beleefden Jan en Catharina een moeilijk jaar door het sterven van verscheijde hunnen koeien en zo in den nood sijn gecomen van geld te lichten. Op 26 juli 1790 lieten zij notaris J.B. Van der Schueren aan Peter officieel weten dat zij de hofstede zouden verpanden. Toen bleek dat Peter de rente niet had afbetaald, wendden zij zich tot de schepenbank van Asse om Peter te verplichten zijn verbintenis na te komen zodat de rente niet op hen kon worden verhaald.

Jan Poels was de zoon van Jacobus en Catharina Van Belle. Hij werd te Essene gedoopt op woensdag 1 juli 1744. Hij overleed op zondag 31 december 1820. Bij zijn overlijden woonde hij aan het dorpsplein te Meldert. Hij trouwde, 30 jaar oud, op dinsdag 20 juni 1775 in Meldert met Catharina Nulant, de dochter van Egidius en Barbara Van Belle. Zij overleed voor 1820.

Zij hadden 9 kinderen te Meldert gedoopt:

1 Isabella, gedoopt op 8 juli 1776.

2 Joanna, gedoopt op 25 januari 1778.

3  Henricus, gedoopt op 2 maart 1782.

4  Anna Catharina, gedoopt op 4 februari 1783.

5 Jacobus, gedoopt op 12 maart 1784.

6 Henrica, gedoopt op 23 januari 1786.

7 Joanna, gedoopt op 19 februari 1789

8 Joannes Franciscus, gedoopt op 13 juni 1791.

9 Egidius, gedoopt op 18 september 1794.

Van Peter Nulant is er in de parochieregisters van Meldert geen spoor te vinden, niet bij huwelijken en ook niet bij geboortes.

Dorpsvergadering[105].

Na convocatie bij kerkgebod op de kerkdeur op zondag 10 juli 1791, kwamen op 20 juli de geïnteresseerde deser gemeijnte van Meldert  samen te huize van Jacob Robijns. Die dorpsvergadering kwam er na distincte brieven van de Souvereine Raad van Brabant aan de markiezin van Asse als vrouwe van Meldert en aan de abdijen van Affligem en Vorst als de meest bemiddelden van het dorp. De bedoeling van de vergadering was om een voorstel van de Soevereine Raad goed te keuren. Voor de door Meldert geleverde1072 rantsoenen hooi stelde de Raad voor dat de bedesetters, in hun hoedanigheid van regeerders, voor elke honderd geleverde rantsoenen hooi 17 gulden 10 stuivers zouden betalen. Op Judocus Vermoesen na keurden alle aanwezigen dat voorstel goed. De bedesetters van Meldert en Essene, Godefridus Van Brempt, G. De Witte, Francis Van Brempt, J. Goetvinck, Gillis De Witte, P. Van Biesen, Francis Van Ieghem en Peter De Vis konden met een beter voorstel Judocus overtuigen om het compromis te aanvaarden. De gemeente zou voor elke honderd rantsoenen nog 2 gulden 5 stuivers extra betalen. De kosten voor de levering van het hooi bleven ten laste van de boeren, maar de bedesetters kregen wel een vergoeding voor hun werk.

Francis Van Brempt, Gillis De Witte, Peeter De Vis, P. Van Biesen, drossaard Gheude, J. Van vaerenbergh, J. Uyttersprot en Beeckman ondertekenden het document.

Strijd om de erfenis van Andries Robijns[106].

Andries Robijns bezat een ½ bunder land op Den Boonhof. Na zijn dood werd dit perceel het voorwerp van een strijd onder zijn erfgenamen. Die waren verdeeld in twee kampen: Petronella De Kegel enerzijds en de kinderen uit zijn eerste en tweede huwelijk anderzijds.

Andries Robijns was de zoon van François en Joanna Maria Vinck. Hij was te Meldert gedoopt op donderdag 26 januari 1702. Van 1750 tot 1759 was hij koster en van 1750 tot 1759 Armen- en H. Geestmeester. Hij was de eerste van 6 generaties Robijns die te Meldert koster waren. Andries overleed op vrijdag 29 juli 1791 in de leeftijd van 89 jaar. Hij trouwde een eerste maal, 23 jaar oud, op zondag 23 september 1725 met Joanna Isabella Rosa De Witte, 26 jaar. Egidius Mertens en Jacobus De Witte waren hun getuigen. Joanna was de dochter van Jacobus en Barbara Van Mulders en werd te Meldert gedoopt op donderdag 8 januari 1699. Bij haar doop waren Elisabeth Van Mulders en Joannes De Witte de meter en peter. Joanna overleed op donderdag 26 februari 1733, 34 jaar. Zij kregen twee kinderen:

1 Joanna Maria, gedoopt op donderdag 4 maart 1728. Getuigen waren Joanna Maria De Witte en Petrus Robijns. Zij trouwde op 4 december 1754 met Egidius Franciscus Van Gerwen, 27 jaar, koster te Moorsel. Getuigen waren Andreas Cooreman en Francisca Melis. Egidius was de zoon van Joannes Benedictus Van Gerwen en Maria Brusselmans.

2 Petrus Benedictus, gedoopt op zondag 19 maart 1730. Hij trouwde op 48-jarige leeftijd op donderdag 10 september 1778 met Joanna Maria Van der Schueren, 27 jaar Zij werd te Meldert gedoopt op woensdag 14 oktober 1750 en was de dochter van Alexander en Jacoba De Baetselier. Petrus Benedictus stierf op zondag 23 maart 1788. Zij overleed op dinsdag 18 november 1788, 38 jaar. Hij werd in 1773 aangesteld als koster te Meldert.

Na de dood van Joanna op 26 februari 1733 hertrouwde Andries op woensdag 28 juli 1733 in Mazenzele met Catharina Meert, 27 jaar. Zij was in Mazenzele gedoopt op dinsdag 22 september 1705 en overleed te Meldert op maandag 19 augustus 1753. Zij hadden 6 kinderen:

1 Guillelmus, gedoopt op zondag 18 april 1734.

2 Catharina, gedoopt op maandag 15oktober 1736.

3 Petronella, gedoopt op 13 april 1737.

4 Franciscus, gedoopt op zondag 15 mei 1740.

5 Egidius, gedoopt op zondag 27 mei 1742.

6 Petrus, gedoopt op 8 april 1746.

Met zijn derde vrouw, Petronella De Kegel uit Hekelgem, trouwde Andries in 1756. Zij kregen 5 kinderen:

1 Laurentius, gedoopt op zondag 1 mei 1757, overleden op 12 februari 1762.

2 Anna Plilippina, gedoopt op donderdag 26 oktober 1758, overleden op maandag 6 maart 1769.

3 Alexander, gedoopt op dinsdag 9 september 1760, overleden op dinsdag 30 maart 1762.

4 Isabella, gedoopt op dinsdag 30 januari 1762 en overleden op zaterdag 26 maart 1763.

5 Joanna Catharina, gedoopt op dinsdag 29 juli 1766.

Na de dood van Andries op 29 juli 1791 eiste Petronella het bezit op van een ½ bunder land op Den Boonhof, palende aan de cappelerije van Meldert, Joseph Van Malderen, Peter Beeckman[107] en Den Mutsereel. Volgens haar viel de erfenis onder de costuymen[108] van het Land van Asse waar het als mobilair werd beschouwd en zij de erfgename was van alle mobilair. Maar Petrus Benedictus en twee kinderen van Egidius Van Gerwen en Joanna Maria[109], namelijk Joanna Catharina met haar man J.B. Moreels en Anna Catharina en haar man Petrus Van Nieuwenborgh hadden het land al op 27 maart 1792 bewerkt en de bomen die er op stonden hadden ze openbaar verkocht. Via haar advocaat De Smedt vroeg Petronella de schepenbank van Asse om haar tegenpartij te veroordelen tot de teruggave van het land, de opbrengst van de verkoop van de bomen en de betaling van een schadevergoeding. De gedaagden schakelden advocaat Gillis in. We weten dat de molens van het gerecht langzaam malen, ook toen al, zodat we niet verwonderd moeten zijn dat er twee jaar later, in 1794 nog geen vonnis was.

Proces-verbaal van de volksvergadering van 23 december 1792.

In 1792 verjoegen de Franse revolutionaire legers de Oostenrijkers uit de Zuidelijke Nederlanden. Generaal Dumouriez, opperbevelhebber van het Franse leger, vaardigde op 28 oktober een hoopvol manifest uit gericht tot de inwoners van de pas veroverde gebieden: “Wij zullen spoedig uw grondgebied betreden om u te helpen de vrijheidsboom te planten, zonder ons te mengen in de aangelegenheden van de grondwet die u verkiest. In zoverre u de soevereiniteit aan het volk verleent en weigert om verder door despoten geregeerd te worden, zijn wij uw broeders[110].” De generaal rekende duidelijk op een volksopstand. Na zijn overwinning op 6 november te Jemappes proclameerde Dumouriez: “Het volk is bevrijd van het juk van het Oostenrijkse huis. Het volk is nu de vorst”. De Conventie te Parijs dacht daar duidelijk anders over: geen bevrijding, wel verovering en inmenging. Op 15 december besliste ze dat in de bezette gebieden alle rechten en plichten van het ancien regime werden opgeheven, wat het begin inluidde van een stroom aan dictatoriale hervormingen. In Meldert was men daarvan nog niet op de hoogte en de mensen gingen gewillig in op een vraag van Dumouriez om hun wensen kenbaar te maken.

Op verzoek! van generaal Dumoulier, werd er op 23 december 1792 een volksvergadering gehouden op het Dorpsplein. Daartoe waren de mensen opgeroepen met aanplakbrieven aan de kerk, ergens in de Klaarhaag en aan de abdijpoort omdat daar het volck het meest vergadert sijnde. Na het eindigen des Goddelijcken dienst ende naer het luijden der parochiale klocke begon de vergadering. De mensen stemden eenpaerlijck ende sonder tegenseggen van iemand de volgende artikelen:

1 Dat zij willen leven in hunne Heijlige Roomsche Catholique Religie.

2 Als wettige vertegenwoordigers erkennen en bevestigen zij de drie Staten van Brabant.

3 Zij wensen te leven als een Vrij Volck volgens de wetten en constituties van Brabant. Maar over de uitvoerende macht wensen zij zich nog nader te beramen.

4 Zij wensen ook dat de Raad van Brabant zijn functie voort blijft uitoefenen volgens de oude wetten.

5 Het is hun wens dat de leden van de Staten van Brabant zo haast mogelijk worden samengeroepen.

6 Ten slotte wensen zij dat er een proces-verbaal wordt opgemaakt van wat zij nu in alle vrijheid hebben besloten. Van dat proces moeten kopieën aangeplakt worden waar het nodig is. Van de bedesetters verwachten ze dat die, als regeerders van Meldert en in naam van het volk, het proces-verbaal ondertekenen en dat ze zich zullen verzetten, voor zover dat in hun macht ligt, tegen alles wat ingaat tegen wat ze nu hebben besloten.

Het document werd ondertekend door de bedesetters J. Uijtersprot, P. Van Nuffel, E. De Mey en Peter Franciscus Meert.

De erfenis van Anna Maria Muysewinckel[111].

Na de dood van Anna Maria Muysewinckel op 4 februari 1790, haar eerste man Leonardus Lenssens was al op 26 mei 1779 gestorven, bleef haar tweede man, Antonius De Meester, op de hofstede wonen en dat tot grote ergernis van Jan Baptist Mergan. Hij eiste de erfenis van zijn vrouw Anna Catharina Lenssens en haar minderjarige broer Jan Baptist op. Zij waren de kinderen van Leonardus  en Anna Maria.

Over welke erfenis ging het?

1- Over 2 d 75 r land gelegen te Hekelgem op de Buikouter. Dat perceel had Gillis Lenssens, de vader van Leonardus, volgens de akte van 15 november 1715 voor 362 gulden 4 stuivers gekocht van Aldegonde en Catharina Longin, begijntjes in het Groot-Begijnhof te Brussel. Het stuk paalde aan de weduwe Melchior Carnoye, de Langehaag, de Hekelgemkouter en Joos Eeman en was belast met een grondcijns van 4 deniers per jaar aan de abdij. De akte was opgemaakt door griffier J. De Witte en was ondertekend door Peter Van Langenhove, Michiel Clauwaert, Andries De Baetselier en Hendrik De Bailliu, schepenen van Affligem. Om te bewijzen dat dit land aan Anna Catharina Lenssens toekwam, voegde Jan Baptist Mergan, de aanlegger, er een kopie aan toe uit het cijnsboek van de abdij met als datum 2 december 1715. Daaruit blijkt dat haar grootvader al de grondcijns aan de abdij betaalde en hij dus de eigenaar was.

2- Een partij land gelegen op de Boekhoutberg te Hekelgem door Leonardus Lenssens uit Erembodegem gekocht op 11 december 1770 van Zacharias De Wever en zijn vrouw Anna Van de Perre. Het perceel grensde aan het koutergat van de Buikouter, de weduwe Francis Van Vaerenbergh, de kinderen Peter Van Vaerenbergh en de erfgenamen van Arnoldus Eeckhout en was belast met 1 blank aan de abdij. De akte, opgesteld door de schepenbank van de abdij, was ondertekend door J.B. De Witte, griffier en de schepenen Peter Emmanuel Schoon en Jan Baptist Van de Velde.

3- De helft van een behuisde hofstede. Op 16 juli 1751 kwam bij de verkaveling van de goederen van zijn overleden ouders onder de zeven kinderen na rechtveerdige lote aanGillis Muysewinckel de helft toe van Den Hond, een hofstede van 75 roeden met hopast en bomen, gelegen in het gehucht Parijs. De hoeve paalde aan Jan Willems, Peter De Ruddere, aan de andere helft en aan de straat. Het geheel werd geschat op 325 gulden. Na het scheiren van den oost mocht hij zijn erfenis in bezit nemen. De verdeling van de erfenis vond plaats met als getuigen Hendrik Van Zeebroeck en Francis De Doncker.

4- Een half bunder land gelegen te Baardegem en Den Breninck genoemd. Het perceel paalde aan de straat, Jan Francis Van den Bossche en Jan Van Ounsen, Gillis Muysewinckel en Peter Wauters. Gillis en Peter Muysewinckel kochten het voor 316 gulden van Anna Catharina Goeman, de vrouw van de zieke Ignatius Mergan.

Volgens Antoon De Meester, de gedaagde en tweede man van Anna Maria Muysewinckel, bepaalde zijn huwelijkscontract dat hij de enige erfgenaam was van al haar goederen. Dat ontkende Jan Baptist ten stelligste en hij vond dat Antoon De Meester gansch van den wegh is gedwaelt. De vraag die verder verloop van het proces zou bepalen was: kon De Meester zo’n huwelijkscontract aan de schepenbank voorleggen. Dat het contract ontbreekt in het dossier en dat kan erop wijzen dat het niet bestond of geen invloed had op het verdere verloop van het proces.

Joannes Baptist Mergan was de zoon van Christphorus en Adriana Vermoesen. Hij werd gedoopt op vrijdag 17 juni 1768 in Asse en overleed op zaterdag 25 september 1830 in Asse. Hij trouwde op 28-jarige leeftijd op dinsdag 24 juni 1794 in Meldert met Anna Catharina Lenssens, 19 jaar oud. Zij was een dochter van Leonardus Lenssens en Anna Maria Muysewinckel. Zij werd op maandag 17 april 1775 te Aalst gedoopt en overleed op dinsdag 10 december 1844 in Asse in de leeftijd van 69 jaar. Zij hadden drie kinderen te Asse gedoopt:

1- Adriana, gedoopt op vrijdag 8 mei 1795 en overleden op maandag 13 maart 1837 te Asse. Zij trouwde met Antonius ’T Sas, een zoon van Cornelius en Anna Catharina Plas.

2- Joannes Baptista, geboren op donderdag 29 november 1798 en overleed ook te Asse op woensdag 1 april 1885, 86 jaar oud.

3- Barbara Sophia, geboren op woensdag 19 augustus 1801 en overleed te Asse op vrijdag 20 januari 1865. Zij trouwde te Asse op woensdag 22 jnui 1825 met Andreas Moyson, de zoon van Petrus en Anna Maria Verbeiren.

Anna Maria Muysewinckel is gedoopt te Meldert op donderdag 6 oktober 1757 en overleed op donderdag 4 februari 1790 in Meldert, 32 jaar oud. Zij trouwde, 15 jaar oud, met Leonardus Lenssens te Meldert op dinsdag 3 augustus 1773. Leonardus, gedoopt in Erembodegem, overleed op woensdag 26 mei 1779. Zij hadden twee kinderen:

1 Anna Catharina, gedoopt op maandag 17 april 1775 in Aalst. Zij overleed op dinsdag 10 december 1844 in Asse, 69 jaar oud. Zij trouwde op dinsdag 24 juni 1794 te Meldert met Joannes Baptist Mergan, 26 jaar oud. Hij was de zoon van Christophorus en Adriana Vermoesen. Hij werd gedoopt op vrijdag 17 juni 1768 in Asse. Joannes Batist overleed op zaterdag 25 september 1830 in Asse.

2 Joannes Baptist, gedoopt op woensdag 23 april 1777 in Meldert.

Anna Maria hertrouwde ( 21 jaar) op zondag 18 juli 1779 in Meldert met Jan Antonius De Meester, 30 jaar. Hij werd in Meldert gedoopt op woensdag 23 april 1777. Met hem had zij nog 6 kinderen te Meldert gedoopt:

1- Jacoba, gedoopt op 18 augustus 1780.

2- Egidius, gedoopt op 21 december 1781.

3- Josephus, gedoopt op 6 februari 1783.

4- Andreas, gedoopt op 6 oktober 1785.

5- Andreas, gedoopt op 29 september 1787.

6- Isabella, gedoopt op 19 september 1788.

Na de dood van Anna Maria Muysewinckel hertrouwde Antonius op 42-jarige leeftijd te Meldert op dinsdag 22 februari 1791 met Joanna Walburga De Groot, 19 jaar. Zij werd gedoopt op zaterdag 4 mei 1771 in Meldert en overleed op maandag 30 januari 1826.

Petronella Beeckman eist haar verkochte goederen terug[112].

Judocus Goetvinck kocht op 23 juli 1795 tijdens een openbare verkoping van notaris Stephanus Gillis in de herberg van Pertus Benedictus Van den Bossche te Hekelgem een stuk land en een onbehuisde hofstede.

– De eerste koop was de helft van 50 roeden gelegen op het Nievelveld. Het perceel palende aan Jacobus Goetvinck, de abdij en Joannes De Leeuw en was belast met een grondcijns aan de abdij van 6 stuivers 1 blank. De koopsom bedroeg 166 gulden.

– De onbehuisde hofstede met schuur, groot 63 ½ roeden lag aan de Nieveldries en paalde aan Laureijs Clauwaert en de abdij. De hoeve was ook belast met een kleine grondcijns aan de abdij. De koopsom bedroeg 538 gulden.

In de akte was een merkwaardig artikel opgenomen. De verkoper had het recht om binnen de 14 dagen na betaling van de koopsom de verkochte goederen terug te nemen mits teruggave van de koopsom. Waarschijnlijk tot grote ergernis van Judocus Goetvinck besloot Petronella enkele dagen na de betaling tot restitutie. Zij zocht Joducus op en vroeg hem promptelijck ende sonder uitstel de goederen af te staan. Omdat die niet inging op haar vraag, verzocht ze notaris Gillis om, in het bijzijn van de getuigen E. De Meij en Judocus Vermoesen, het geld van de verkoop aan Judocus terug te geven. Daar Judocus niet reageerde, bezocht op 7 oktober 1795 de notaris hem opnieuw en kreeg er als antwoord dat hij de zaak niet verstond en eerst geleerde mannen wou raadplegen. Het wachten moe, wendde Petronella zich, via haar notaris, tot de schepenbank om Judocus te verplichten tot de gevraagde teruggave.


[1] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, Meldert.

[2] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 178.

[3] De patacon of patagon werd onder aartshertogen Albrecht en Isabella (1598 – 1621) geïntroduceerd in de Lage Landen en bleef in omloop tot het begin van de 18de eeuw. Het is een zilveren munt met een waarde van 48 stuivers.

[4] Zie Edmond SCHOON & Ben VERMOESEN, 1697 Was Michiel Van de Putte nalatig als collecteur?, in: Rechtszaken te Meldert tijden de 17de eeuw, op website:

https://wordpress.com/view/indeschaduwvanaffligem.video.blog.

[5] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3773.

[6] Het klooster van Jericho te Brussel werd gesticht in 1456 door tussenkomst van Filips de Goede en zijn vrouw Isabelle van Portugal. Het werd bekend door de vele handschriften en de honderden preken die ze noteerden. Keizer Jozef II hief het klooster op in 1783.

[7] R A Leuven, schepenbank van Asse nr. 3747.

[8] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3841.

[9] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3840.

[10] Groot Vlaams = een munteenheid tot ca 1795 in gebruik in Vlaanderen, 1 pond = 20 schellingen = 240 groten

[11] Penningen: een algemene benaming voor munten.

[12] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3850.

[13] W. VERLEYEN, Meldert, 181 – 182.

[14] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 6882.

[15] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.3848.

[16] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 4007.

[17] Edmond SCHOON, Persoonskaart van Gaspar Van de Putte.

[18] De watermolens van Bodegem (van de 13e tot de 20e eeuw), in: Bodegem in vroegere tijden, nr. 5, 2016. Een uitgave van de Heemkring BKW.

[19] B. VERMOESEN, De familie Van de Putte en de Bellemolen, in: Jaarboek Belledaal, 2006, 115 – 136.

[20] E. SCHOON,  Persoonskaart van Elisabeth Robijns.

[21] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3867.

[22] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.305.

[23] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3894

[24] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3940.

[25] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3966.en 3961.

[26] De boogschuttersgilde van Sint-Jozef. Peter was deken van 1716 – 1717.

[27] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 180.

[28] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3961.

[29] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 4050.

[30] B. VERMOESEN, Jan De Witte en Anna Robijns, een merkwaardige familie in Meldert, in: De Faluintjes, 2008, nr. 2.

[31] E. SCHOON, Persoonskaart Hendricus De Witte, onuitgegeven bron.

[32] R A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4051.

[33] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 317.

[34]  R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4058 en 4073.

[35] P. LINDEMANS, Geschiedenis van de landbouw in België, Antwerpen 1952, dl II, p. 147.

[36] RAG, Kasselrij Aalst, 444. Citaat in P. Lindemans p. 148 – 149

[37] R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 624.

[38] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 637.

[39] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 105.

[40] E. SCHOON, B. VERMOESEN, Eigen armen eerst, in: Eigen Schoon en De Brabander, 2018, 225 – 232.

[41] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4146.

[42] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4172.

[43] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 4224.

[44] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 659.

[45] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nrs. 6885 en 6886.

[46] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 6900.

[47] R A Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4339.

[48] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4370.

[49] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4420.

[50] Gillis Van Mulders en Elisabeth Maurissens (Marissens) trouwden te Meldert op 27 januari 1659. Twee dochters verrijkten hun huwelijk:

1 jacoba, gedoopt op 27 januari 1660.

2 Margareta, gedoopt op 29 september 1665.

[51] Gillis Dooms en Petronella De Meersman hadden 5 kinderen, te Moorsel gedoopt:

1 Judocus, gedoopt op 29 december 1651.

2 Catharina, gedoopt op 28 september 1653.

3 Clara, gedoopt op 12 januari 1655.

4 Petrus, gedoopt op 27 februari 1661.

5 Maria, gedoopt op 16 september 1663.

[52] Wilhelmus, gedoopt te Meldert op 25 augustus 1743 en Henricus, gedoopt te Meldert op 6 januari 1745.

[53] Joanna Catharina, gedoopt op 3 februari 1748, Anna, gedoopt op 18 augustus 1749, Maria Anna, gedoopt op 23 januari 1751 en Egidius, gedoopt op 2 december 1752.

[54] RA Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4393

[55] De andere kinderen van Michael Van der Schueren en Petronella Clauwaert waren:

– Maria Anna, ° 7 augustus 1724

– Joanna Maria Ludovica, ° 21 februari 1726

– Theresia, ° 3 februari 1728

– Joanna, ° 29 januari 1730

– Anna Catharina, ° 11 januari 1732

– Joannes Franciscus, ° 30 februari 1733

– Joannes Baptist, ° 23 juni 1737.

Van de kinderen is alleen Joannes  Franciscus in Hekelgem nog terug te vinden. Hij trouwde met Elisabeth Schelkens  in Hekelgem en kregen twee kinderen: Josephus (12/02/1767) en Joannes Dominicus (26/03/1769)

[56] H. STRIJPENS & A. VAN DE PERRE, De hoeve Van Cauwelaert, in: Jaarboek 2 van De Faluintjes, 219.

[57] E. SCHOON, Persoonskaart van Adriana De Witte, onuitgegeven bron.

[58] H. ROSELETH, Uit oude memorieboeken, in: Eigen Schoon en De Brabander, 1931, 231.

[59] E. SCHOON & B. VERMOESEN, Meldert in 1763: de beden, in:

https://indeschaduwvanaffligem.video.blog/

[60] RA Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 695.

[61] J. OCKELEY, Een oud geslacht uit het Land van Asse. De Familie Robijns, in: Vlaamse Stam, 1966, 212.

[62] Pastoor Johannes Fraciscus Goetgebuer, pastoor te Meldert van 1747 tot 1800.

[63] Tot de 19de eeuw beschouwde men aderlatingen als een middel om ziekte of kwaal te verhelpen.

Men gebruikte daarvoor aderlaatmessen of bloedzuigers

[64] Olium rosarum, olie van de kamillebloem werd gebruikt bij hoofdzweren Olium rosarum, olie van de kamillebloem werd gebruikt bij hoofdzweren

[65] Emplastrum : een verband.

[66] Spiritus vini bekwam men door brandewijn te laten verhitten tot het water verdampt was. Door die spiritus op een poeder te gieten en aan te brengen, kom de kracht en ’t wezen van andere dingen uittrekken.

[67] Musculus temporalis: spier aan de zijkant van het hoofd.

[68] Epigastrum: de regio rond de maag.

[69] Ecchymose: blauwe vlek, kleinvlekkige bloeding in de huid of in een slijmvlies.

[70] Rijksarchief te Gent: Inventaris van de minuten en repertoria van Joannes Baptista Van der Schueren, notaris te Meldert, voor de jaren 1774-1796.

[71] Directorium Abbatiae Hafflighemensis, Bona et Jura monasterii Hafflighemensis, Beda Regaus, A. R. Brussel, 2002, laatste bladzijde.

[72] 1791 is wederom gemoveerd questie over het school houden. Als wanneer Jan Baptist Moreels bij de abdije heeft school gehouden tot interest van de costers van Meldert ende Hekelghem. Soo heeft men een request gemaekt den 24ste januari 1791 onderteeckent van circa 30 persoonen van Hekelghem ende den 25ste januari circa 27 van Meldert bij ’t welcke sij aen den voorseijde Moreels versoeken van school te houden ontrent de abdije op pretext dat de school der costers te verre afgelegen sijn principalijck in den winter om hun kinderen daertoe te senden &a. de copije was onderteeckent van Van Der Schueren notaris tot Meldert ende van E. De Koster notaris van Hekelghem. Nota: de ordinantie van Albertus en Isabella is van 1607.

Dan heeft Jan Baptist Moreels een request gepresenteerd aen den landdeken den 26ste januari om geëxamineerd ende geautoriseerd te worden om school te houden ende wederom 1 februari 1791.

Den deken heeft daerop geantwoord mondelinx dat Jan Baptist Moreels gene qualiteijdt besat om die affaire selfs te ondernemen. Item dat aen geen gemijnte toestaet eenen schoolmeester te benoemen waer tegen Moreels geprotesteerd heeft.

[73] E SCHOON & B.VERMOESEN, De pachters van Meldert, in: Jaarboek 1 van De Faluintjes 2018.

[74] RA Leuven, Schepenbank van Asse, nr. XXXX.

[75] J. SPANHOVE, Voluntairen van Hekelgem 1789 – 1791, in: jaarboek Belledaal 1989 – 90, 2 – 9.

[76] B. VERMOESEN, De strijd om de Rochting, in: De Faluintjes, 2009, nr. 3.

[77] R A Leuven, Schepenbank van Asse, nr.4362.

[78] RA Leuven, Schepenbank van Asse, nrs. 6891 en 7948.

[79] W. VERLEYEN, Meldert, 107.

[80] In 1808 besliste de Franse overheid om heel het gebied van Meldert naar Hekelgem over te hevelen, tot groot ongenoegen van het Melderts gemeentebestuur.

[81] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4388.

[82] JUDOCUS DE PAUW. Hij is gedoopt in 1717 in ASSE. JUDOCUS is overleden op woensdag 5 maart 1800 in MELDERT, 83 jaar oud. JUDOCUS trouwde, 69 jaar oud, op zaterdag 7 januari 1786 in ASSE met MARIA ANNA BOOM, 49 jaar oud. Zij is gedoopt op maandag 30 januari 1736 in ESSENE. MARIA is overleden op zaterdag 20 januari 1798 in MELDERT, 61 jaar oud.

[83] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4405.

[84] De familie Jan Verbeiren-Joanna Maria Christiaens woonde op de Kleindries te Meldert. Ze waren te Essene getrouwd op 23 juli 1740 en hadden 7 kinderen:

1 Petrus, °1 april 1748.

2 Gerardus, ° 2 april 1750.

3 Joanna, ° 1 november 1752.

4 Egidius, ) 25 augustus 1754.

5 Jan Baptist, ° 30 april 1757.

6 Wilhelmus, ° 11 januari 1760.

7 Martinus, ° 22 oktober 1762.

[85] Jan Baptist Bruijninckx trouwde te Meldert op 20 november 1764 met Joanna Maria Vermoesen. Ze kregen 6 kinderen:

1 Carolina, ° 12 augustus 1765

2 Jan Franciscus, ° 9 februaei 1767

3 Maria Francisca, ° 20 november 1769

5 Jan Baptist, ° 28 november 1778

6 Paulus, ° 26 augustus 1779.

[86] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4402

[87] In de parochieregisters vinden we dat Jan Willems en Maria Van den Broeck te Meldert trouwden op 8 maart 1743. Hun enig kind, Barbara (Isabella?) werd te Meldert gedoopt op 21 augustus 1744.

[88] De kinderen van Peter Carlé en Joanna Maria De bruecker werden te Meldert gedoopt:

1 Peter, gedoopt op 24 juli 1779,

2 Theresia, op 19 augustus 1781

3 Catharina op 7 mei 1784.

[89] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4438.

[90] Michael was de zoon van Peter en Barbara Van Buggenhout, gedoopt te Meldert op 3 mei 1696.

[91] Elisabeth De Vis trouwde te Meldert op 2 mei 1751 met Judocus Clauwaert.

[92] Michael trouwde te Meldert op 30 oktober 1727 met Elisabeth Mergan. De kinderen waren:

1 Catharina, gedoopt op 2 november 1730, huwelijk met Judocus Peeters te Meldert op 30 september 1767.

2 Judocus, gedoopt op 1 augustus 1733, huwelijk te Meldert met Anna Maria Van den Hout op 1 juli 1777.

3 Anna Maria, gedoopt op 24 juni 1735, trouwde met Jan Kindermans op 26 juli 1761, kinderen: Anna en Maria.

4 Joannes, gedoopt op 31 augustus 1738.

5 Wilhelmus, gedoopt op 10 april 1739.

6 Peter, gedoopt op 19 november 1741.

7 Joanna Catharina, gedoopt op 5 september 1743, gehuwd met  Adriaan Gillis.

8 Christina, gedoopt op 24 oktober 1746.

[93] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4453.

[94] Judocus Van den Steen was getouwd met Anna De Paep. Zij hadden drie dochters te Meldert gedoopt:

1 Petronella, gedoopt op 13 oktober 1749.

2 Judoca, gedoopt op 28 januari 1752.

3 Joanna Maria, gedoopt op 6 september 1754.

[95] Het Querrelsveld. Querrel = quellen wat opborrelen, opwellen uit de grond  betekent. Het Querrelsveld is een bronnengebied tegen het Nievelsveld gelegen.

[96] Martinus Van Vaerenbergh was de zoon van Judocus en Catharina De Busch, gedoopt in Essene op 13 november 1710 in Essene, hij overleed er op 19 januari 1779. Hij trouwde op 22 juli 1734 in Hekelgem met Joanna Maria De Witte, dochter van Jacobus en Joanna Maria Clauwaert, gedoopt op 4 juni 1712 en er overleden op 12 oktober 1775. Zij hadden 10 kinderen te Essene gedoopt:

1 Joanna Catharina, gedoopt op 21 juni 1735.

2 Joannas Baptist, gedoopt op 23 juni 1737, overleden in 1737, nog geen jaar oud.

3 Maria Theresia, gedoopt op 11 augustus 1738, overleden in 1739.

4 Maria Theresia, gedoopt op 18 september 1740, overleden in 1745.

5 Anna Joanna, gedoopt op 5 juli 1743, overleden in 1745.

6 Joanna Theresia, gedoopt op 2 september 1745, overleden in 1748.

7 Joannes Baptist, gedoopt op 17 januari 1748 en overleden in 1814.

8 Anna Francisca, gedoopt op 5 september 1749.

9 Benedictus, gedoopt op 2 april 1751 en overleden in 1754.

10 Joanna Theresia, gedoopt op 15 december 1753, trouwde op 4 februari 1777 met Joannes Baptist Van Mulders.

[97] Paschier (Paschasius) Vertongen werd te Malderen gedoopt op 26 juli 1736 en overleed te Hekelgem op 24 februari ri 1802. Hij trouwde te Hekelgem met Petronella De Vis op 24 november 1772. Zij was de dochter van Franciscus en Anna Maria De Cort.  Ze werd te Hekelgem gedoopt op 13 juli 1746 en overleed op 20 april 1788, 1 maand na de geboorte van Maria Catharina. Na haar dood hertrouwde Paschasius op 22 oktober 1799 in Asse met Maria Anna Everaert.

 Kinderen te Hekelgem gedoopt:

1 Joannes, gedoopt op 10 september 1773 en overleden te Hekelgem op 19 januari 1849.

2 Amandus, gedoopt op 16 augustus 1775 en overleden te Hekelgem op 17 december 1755. Hij trouwde eerst met Maria Anna Schoon op 20 september 1798, dochter van Jacobus Schoon en Marie-Anna Barbe. Maria Anna werd in Hekelgem gedoopt op 15 juni 1776 en overleed er op 29 juni 1807. Amandus hertrouwde met Maria Theresia Hutsebaut, gedoopt in Aalst in 1784, zij overleed te Hekelgem op 24 maart 1826.

3 Joanna, gedoopt op 12 augustus 1777.

4 Petrus, gedoopt op 14 augustus 1779 en overleden te Hekelgem in 1785.

5 Antonius, gedoopt op 18 december 1781, hij overleed aan de gevolgen van dysenterie in 1783.

6 Benedictus, gedoopt op 21 maart 1786.

7 Maria Catharina, gedoopt te Hekelgem op 28 maart 1788.

[98] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 6888.

[99] Kerkgebod: aankondiging in de kerk gedurende drie  zondagen.

[100] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4493.

[101] E. SCHOON & B. VERMOESEN, Judocus De Vis, bouwheer van de staakmolen, in: De faluintjes, 2017, nr. 3, 335 – 339.

[102] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4513.

[103] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4521.

[104] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.4518.

[105] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 6888.

[106] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4542.

[107] De kinderen van Petrus Benedictus en Joanna Van der Schueren:

1 Felix, gedoopt op 31 januari 1778.

2 Petronella, gedoopt op 31 juli 1779.

3 Franciscus, gedoopt op 18 mei 1781.

4 Victoria, gedoopt op 16 augustus 1786.

[108] Costuymen: het gewoonterecht.

[109] De kinderen van Egidius Van Gerwen, koster te Moorsel, en Joanna Maria Robijns te Moorsel gedoopt:

1 Andreas, gedoopt op 18 oktober 1755.

2 Anna Catharina, gedoopt op 24 januari 1757, trouwde met Petrus Van Nieuwenborgh.

3 Joanna Catharina, gedoopt op 3 december 1758, trouwde met Joannes Baptista Moreels.

4 Joannes, gedoopt op 18 september 1760.

5 Jan Baptist, gedoopt op 27 augustus 1766.

[110] Kroniek van België, Standaard Uitgeverij, 509.

[111] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4547.

[112] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.4554

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s