Processen Essene voor de schepenbank van Asse tijdens de 17de eeuw.

1542. Verkoop van land[1].

Op 2 september 1542 kochten Jan De Nul en zijn vrouw Cathelijne Jacobs 1 1/2d land gelegen op ’t Doreken van Jan Gillisjans, zoon van Joannes. Het perceel paalde aan de goederen van Gillis Kints, de H. Geest van Asse en de abdij. De schepenen ende meier Janne Van Leefdale stelden de akte op.

1557. Inventaris ten sterfhuize van Gillis Gillisjans[2].

Op 8 augustus 1557 werd op verzoek van Janne De Hagelere, Willem Van der Slachmeulen en Jan Gillisjans de inventaris opgesteld van de goederen van het overleden echtpaar Gillis Gillisjans, alias Van Pullewouwe en Geertruide Van der Slachmeulen. De verzoekers waren de voogden van de kinderen van Gillis en Geertruide.

Gillis was omstreeks 1515 geboren als zoon van Robbrecht en Margriete Moyesoens en overleed in 1565. Hij trouwde, minstens 27 jaar oud, na 1542 met Geertruide Van der Slagmolen, de weduwe van Jacob Geerts, overleden voor 1542.

Gillis bezat goederen te Heylborre en op ‘t Doreken te Asse en was volgens de gasthuisrekeningen pachter van o. a. het Gasthuis van Asse. Zo betaalde hij een vierteel rogge op 20 roeden land gelegen op het Vorduyn. Na hem betaalde Jan Geerts deze pacht. In de S.G. 215 van Asse vinden we in een “vidimus” voor Gysbrecht Gillisjans – ca. 1604 – de bespreking van een akte uit 1541 die handelt over een hofstede te Heylborre onder Asse gelegen ten behoeve van Jacob Geerts en Geertruide Van der Slagmolen. Waarschijnlijk is dit het Hof te Heylborre  van 1/2 bunder dat in 1606 wordt vermeld bij Gysbrecht.

Inventaris van de haeffelijke goede gebleven achter wijlen Gielis Gielisjans alias Van Pullewouwe ende Gheertruijdt Van Der Slachmeulen sijne wettige huijsvrouwe ende gesellinne…..

Deze inventaris is onvolledig omdat een deel van de lijst onleesbaar is.

  • Acht grote en kleine ketels
  • twee melkakers.
  • drie pannen.
  • drie ijzeren pannen.
  • een melkemmer met ??
  • elf tinnen schotels
  • drie kandelaars.
  • een schotelvat met schotels.
  • een botervat.
  • een houwmes en wanten.
  • drie stenen kannen.
  • koe- emmers.
  • een vaatspoelvat.
  • een tinnen boterschotel.
  • een manszetelstoel.
  • een rondeel.
  • twee vrouwenstoelen.
  • twee schoppen.
  • een lichtvat.
  • een zoutvat.
  • een boterteil en een hanger.
  • een ijzeren hamer.
  • een schapraai.

In de kamer

  • een ronde tafel.
  • twee kommen.
  • twee cutsen met twee bedden en twee dekens.
  • een wit seele.
  • een vrouwenhuik.
  • een rode deken.
  • een vrouwentabbaart.
  • een rood wollen hemd.

De beesten.

  • vijf koeien en drie vaarzen.
  • twee kalveren.
  • drie paarden en een veulen.
  • zesenveertig schapen.
  • een ploeg.
  • twee eggen.
  • een voorderboom.
  • twee karren.
  • vier garelen.

Hoewel onvolledig, toch geeft de lijst belangrijke informatie, zeker wat de beesten betreft. Dat Gillis drie paarden bezat, betekent dat hij een van de weinige welstellende paardenboeren was. Ook het grote aantal schapen in vergelijking met het aantal koeien valt op.

1572. Een schenking voor de Kerk.

Joos Van Doolaeghe, zoon van Jan, en zijn vrouw Geertrui Van der Beken schonken op 13 januari 1572 een jaarlijkse erfelijke rente van twee rijnsgulden aan de kerk van Essene, te betalen op het feest van O.-L.-Vrouw-Lichtmis. Als onderpand gaven ze een hofstede met huis en ander toebehoren, gelegen te Essene en palende aan Jan De Nil, Franchois Van Vaerenbergh en de straat. De hofstede was belast met een grondcijns van 1 penning en 13 st voor Gillis Buggenhout, pastoor van Asse. In het geval dat de rente niet werd betaald kon kerkmeester Gillis De Witte de hoeve in beslag nemen tot alle schulden waren vergoed.

De akte werd verleden voor Vrouwe Kathelijne van Brandenborch, weduwe van Jan Cotereau, baanderheer van Ghete en heer van de poort en vrijheid van en tot Asse, rentmeester Hendrik Van Langenhove en de schepenen Jan Van Thille en Hendrik Schokaert die de akte opstelden.

Wij schepenen Vrouwe Kathelijne van Brandenborch achtergelaten weduwe van wijlen heere Janne Coutereau in zijn leven geweest hebbende baenderheere van Gheete, heere van ? ende heere van de poort ende vrijheijt van ende tot Assche in haere heerlicheijt ende bancke van Assche aldaer, saluijt met kennissen der waerheijt doen condt dat op den dach van heden, datum van desen …

1573. De weduwe Gillis Wambacq eist de correcte uitvoering van een testament[3].

Na de dood van Jan Van der Doolaeghe en zijn vrouw Geertruide Van der Beken kwamen de schoonzoons Mattheus Boterbergh en Lauwereijs Van Cauwenberghe met Joos Van der Doolaeghe en de kinderen van Peter Van der Doolaeghe overeen dat de hofstede met huis van de ouders onder Mattheus en Lauwereijs werd verdeeld en dat alle kosten die nog zouden volgen ten laste kwamen van Joos. De mud koren zouden ze samen regelen. Bij die overeenkomst waren Pauwels Van Neervelde en Joos Cuppens aanwezig en samen met Joos Van der Doolaeghe ondertekenden ze het compromis.

Wat een mooie minnelijke schikking leek, leidde later tot een ernstig conflict met de weduwe van Gillis Wambacq. Joos had als uitvoerder van het testament van zijn ouders wat teveel aan zichzelf gedacht:

– Hij had de lening verzwegen die ze bij Gillis Wambacq hadden aangegaan.

– Hij betaalde de kinderen van zijn broer Peter de 7 g 2st 1 bl niet en ook niet de 20 st aan Hansken Van Laere waarop ze recht hadden.

– Uit de rekeningen bleek dat hij 23 g 10 st 1 bl meer had ontvangen dan uitgegeven.

De weduwe van Gillis Wambacq spande uiteindelijk een proces tegen hem in dat eind 1573 nog niet was beslecht.

1581. Een paard in beslag genomen[4].

In de herfst van 1581 ging Seger Mensschaerts met enkele buren naar de paardenmarkt in Eksaarde en kocht er twee jonge merries voor 14 ponden Vlaams. Met de paarden en de buren keerde hij terug naar Affligem, zijn woonplaats. Met de paarden bewerkte hij zijn velden tot de 26ste oktober 1581. Toen kwam de preter van Essene, Peter De Cuyper, tot bij hem, klom op een paard en reed er mee weg tot bij Peter Van Langenhove, de vorster van de schepenbank van Asse. Waarom de preter het paard in beslag nam, begreep Seger niet. Hij had de paarden betaald en had bij niemand schulden. Daarom spande hij op 8 november 1581 een proces in tegen Peter De Cuyper.

Preter: toezichter, de dorpsofficier?

Vorster: Een vorster (ook: dorpsdienaar) was tijdens het feodale tijdperk een functionaris in het dorpsbestuur die onder meer de functie had van deurwaarder. De term was vooral in zwang in het Hertogdom Brabant. De vorster moest dagvaardingen bezorgen namens de schepenbank. Ook las de vorster vaak de besluiten van autoriteiten, zoals van de hertog of de hoogschout, en had aldus de functie van gerechtsbode. Vaak was de vorster tevens een soort ordebewaarder en assistent van de schout. De functie van vorster stond dan ook in aanzien. Na de opheffing van het feodale stelsel werd een deel van de functies van de vorster overgenomen door de veldwachter (garde champêtre). Bron: Wikipedia.

1597. Schenking van een rente[5].

Andries De Weghe en Barbara Vercleren schonken op 21 februari 1597 een jaarlijkse erfelijke rente van 30 st aan Willem Van der Slachmeulen. Die rente was hun bij kavel toegewezen na de dood van Catelijn Gillisjans. Zij  was omstreeks 1510 geboren als dochter van Jan Gillisjans (alias van Pullewouwe) en Catelijne van de Nuevelle. Catelijne is overleden vóór 1587, ten hoogste 77 jaar oud. Zij trouwde met Peter Eggericx, zoon van Merten. Na zijn dood hertrouwde ze met Peter Jacobs. Die liet bij de schepenen van Asse zijn testament opstellen.

De akte van de rente werd opgesteld door de schepenbank van Asse met Vrouwe Catarina van Brandenborch, weduwe van Jan Cotereau, meier Gillis Van langenhove, Jan Vercleren en Jan Van Wijngaerde. Als onderpand gaven ze het bos genoemd Den Berckerenbos, groot 1 ½ d 36 r, gelegen te Essene en palende aan den Cleine Esschenen ?, het goed van Meert en de straat.

Jan de Cotereau huwde een eerste maal bij contract van 16 juni 1528 met Marie d’Argenteau, vrouwe van Staye. Zij was dochter van Jan d’Argenteau, heer van Ochain, Vignée, Avenne, hoofdschout van Mehagne, grootbaljuw van Condroz en burgemeester van Luik in 1491 en van diens eerste vrouw Marie de Roxhelée de Perilleux. Zij was sinds l januari 1519 weduwe van Jan de Berlaymont, heer van Gesves en Hautepenne, grootbaljuw van Haspengouw. Volgens manuscript 17035 in de Kon. biblioteek: Toparchae Ascani liet Jan voor zijn overleden echtgenote een mausoleum oprichten dat bij het bombardement van de kerk door markies de Boufflers in januari 1684 werd beschadigd. Cornelius van Gestel in zijn Historiae archiepiscopatus Mechliniensis, dl. II, p. 151, noteerde er het grafschrift van: Suae amantissimae Conjugi Mariae d’Argenteau, Clari Equitis Joannis d’Argenteau, Dochen et Winnen Domini filiae, Clarus Eques Joannes Coutereau Baro Jaceanus de Widou et in Asca Dominus poni jussit. Obiit 12 Octobris anno 1555.

Markiezin Marie de Cotereau liet in 1639 door beeldhouwer Theodoor Janssen uit Brussel dit grafmonument aanpassen. Deze moest “daerinne brengende dry figueren van avendersteen der hooghde van dry voeten ende een halff…”. Deze drie figuren betroffen Jan met zijn twee vrouwen.

Begin 1556 hertrouwde Jan de Cotereau met Catherina de Brandenbourg, geheten Boulan, dochter van Theodoor de Brandenbourg en van Catherina van Liedekerke. Zij was voordien hofdame van Maria van Hongarije en kanunnikes te Andenne geweest. In zijn huwelijkscontract bepaalde Jan de Cotereau dat het vruchtgebruik van de heerlijkheid Relegem aan zijn vrouw kwam (verhef 2.5.1556). Catherina de Brandenbourg was 59 jaar weduwe toen zij stierf op 12 januari 1621. Op haar grafmonument las men: Cy repose noble et genereuse Dame Catharine Maronne de Brandenbourg, Dame de Gentinnes et de Steynockersele, vesve de feu mess

ire Jean de Coutereau, Chevalier, Baron de Jauche, Seigneur d’Assche, Wydou, Stayne. En son vivant Lieutenant des fiefs de sa Majesté Catholique en Brabant, ayant vescu en sa viduité LIX ans, trespassa le XII de janvier MDCXXI, agée de LXXXV ans. Priez Dieu pour son ame.

Een glasraam in het hoogkoor van de Sint-Martinuskerk in Asse herinnert aan de devotie van Jan de Cotereau en Catherina de Brandenbourg voor het H. Sacrament. Catharina liet het plaatsen, wellicht op aandringen van landdeken Calenus, pastoor te Asse van 1609 tot 1621.

Na het overlijden van haar man kocht Catherina de Brandenbourg op 4 december 1577 van prins Charles de Lannoy Steenokkerzeel (verhef 10.12.1577) en het kasteel te Ham (verhef 23.12.1585). Hummelgem werd in 1605 verkocht aan markies d’Havré.

Catelijne Gillisjans is geboren omstreeks 1510, dochter van Jan (alias van Pullewouwe) en Catelijne van de Nuevelle. Zij overleed vóór 1587, ten hoogste 77 jaar oud. Catelijne trouwde met Peter Eggericx, zoon van Merten. Zij hertrouwde met Peter Jacobs.  Peter liet de schepenen van Asse in 1574 een testament opmaken (S.G. 214 p. 381 v. gedeeltelijk overgenomen):

Indien Catelijne Gillisjans voor Peeter Jacobs sterft, dan krijgt Barbara Eggericx: al de huisraad, een hofstede op de Krekelendries,  1,5 d elsbroek den Berkenbosch, 0,5 d op den Moirter, 0,5 d op den Grovaert, 0,5 d op den Eksterenberg, 30 stuivers erfelijk bepand op goederen van Metten van Houte.

Indien Catelijne Gillisjans na Peeter Jacobs sterft, dan krijgt Henneken Jacobs: 18 g, een hofstede van 1,5 d aan de Quadebrugge gelegen, 1,5 d Berkenbosch te Pullewouwe,  Essene, 0,5 d land op ’t Doreken, 0,5 d land op de Moirter te Essene, drie vierendelen land op de Grote Essene Elst te Asse, 5 g op de goederen van Anna Buevers, 20 stuivers op de goederen van Joos Veldekens.

1611. Straffe uitspraken brengen Jan De Coninck in de problemen[6].

Op 11 november 1611 onderzocht vorster Guillam Van Langenhove in de herberg van Niclaes Van Grimbergen of Jan De Coninck de Raad van Brabant had beledigd. De Coninck was pachter geweest van de impost, de belastingen, en was in de problemen gekomen door een tekort. Zelf vertelde hij echter dat hij winst had gemaakt. De nieuwe pachter van de belastingen, Joos Van der Borcht, was van het tekort op de hoogte en daagde in de herberg Jan uit door te zeggen dat hij op zijn succes wel mocht trakteren met een stoop bier. Die reageerde geërgerd. Het waren allemaal leugens, beweerde hij en alle de heeren in den Raede van Brabant sijn schelmen, filten ende loerendraeiers. Met die uitspraak bezorgde hij zichzelf een proces.

Vorster Van Langenhove ondervroeg eerst de 54 jarige waard, Niclaes Van Grimbergen. Hij bevestigde dat De Coninck op 11 november in zijn herberg was en zich kwaad had gemaakt omdat men hem vroeg eens te trakteren op zijn winst. Jeroon Van Vaerenbergh en Jan Van Grimbergen, de zoon van de waard, verklaarden dat De Coninck wel degelijk de heren van de Raad van Brabant schelmen, filten en loerendraeiers had genoemd. Jeroon had hem de raad gegeven beter op zijn woorden te letten. Ook de 63-jarige Joos Mijlieff was die avond in de herberg. Hij hoorde Joos Van Der Borcht zeggen dat hij een kopie bezat van het vonnis van de Raad van Brabant voor het tekort op Jans rekening. Jan De Coninck herhaalde zijn beledigingen aan het adres van de Raad waarop Jeroon Van Varenberghe antwoordde dat hij die woorden niet soude willen off derven segghen om al ’t gene ick in de wereld hebbe,  Linthout voegde eraan toe dat Jan zich beter zou accorderen met Van Der Borcht. De Coninck sneerde dat ze ook schelmen waren ende gijlieden soeckt mij alle gelijck op te eten. Voor de vorster volstond de ondervraging van de getuigen om de schepenen een klacht tegen De Coninck te laten indienen.

1612. Filips Van Vaerenbergh klaagt Barbara De Wever aan[7].

Filips leverde aan Barbara De Wever, de weduwe van Michiel Wambacq 2 ½ viertelen tarwe voor 2 g en 4 lammeren aan 20 st per dier. Daarvan betaalde Barbara ¾ van het bedrag. Zij leende aan Filips een viertel haver en heeft zij nog de varkens tienden van 9 jaar tegoed. Barbara was dan ook ontstemd dat Van Vaerenbergh bij de schepenbank van Asse een klacht tegen haar indiende omdat zij de viertelen tarwe nog niet had betaald. Zij vroeg de schepenen de klacht te verwerpen en hem te verplichten zijn achterstal te betalen met vermindering van de 2 g voor de tarwe.

Michiel Wambacq, zoon van Gielis en Joanna Verleysen, werd gedoopt omstreeks 1555 in Essene en overleed vóór 1612 in Essene, 62 jaar oud. Hij trouwde, 33 jaar oud, in 1588 in Essene met Barbara De Wever, 32 jaar oud. Zij was gedoopt in 1556 in Essene. Michiel was pachter op het Hof ter Borcht dat oorspronkelijk verbonden was aan de burcht van Essene in het centrum van het dorp. Dat was een leengoed van de heren van Asse.

1615. Wie sloeg Hendrik Jacobs[8]?

Op 1 september 1615 diende timmerman Hendrik Jacobs bij de schepenbank van Asse een klacht in tegen Franchois Wambacq. Die zou hem sekere doodelijcke wonde aan zijn arm hebben toegebracht met een stok. Als gevolg van die slag heeft hij veel kosten gehad en die wou hij nu door de dader laten vergoeden:

1. De meester chirurgijn die de wonde verzorgde, rekende hem 12 g aan.

2. Gedurende 18 dagen kon hij niet werken en bovendien had hij extra voedsel en drank nodig opdat de wonde niet zou ontsteken en genezen. Dat kostte hem 22 g.

Hij vroeg de schepenen om Franchois Wambacq te veroordelen tot betaling van de 34 g. In zijn verweer verklaarde Franchois dat Jacobs geen enkele getuigen zou vinden die zijn beschuldigingen konden staven vermits hij Jacobs met geen mes of ander scherp voorwerp had verwond. Met zijn stok, die nauwelijks een vinger dik is, kon hij zo’n wonde niet veroorzaken. Die wonde is aan de onderkant van de arm en kan dus niet van een stokslag zijn. Het staat wel vast dat Jacobs voordien had gevochten met Thielman Jacobs in het huis van Nicolaas Van Grimbergen. Hij kwam nadien uit zijn huis gelopen met een mes en zijn vrouw riep och herry wat wilt ghij met dat mes maecken. Hij was die avond dronken of heeft hij zichzelf wel verwond en weet hij niet meer waar hij de wonde heeft opgelopen. Daarom trachtte hij de schuld in zijn schoenen te schuiven.

1615. Barbara De Wever voelt zich zwaar beledigd[9].

Op een avond in augustus 1615 zat Barbara De Wever, de weduwe van Michiel Wambacq[10], op de dorpel van haar voordeur. Toen Hendrik Jacobs er voorbij kwam, begon hij haar uit te schelden voor hoere, caroigne (een feeks) , duivelinne en dat sij niet weert en was dat sij die aerde soude beterden. Hij was beter in zijn schoen dan zij in heel haar lijf omdat zij met de duivelen daarom verzocht ze de schepenen van het Land van Asse om Hendrik Jacobs te verplichten om op een genechtedag, een dag waarop er veel volk in Asse was omdat er een rechtszitting plaats had, op blote voeten, blootshoofds met een kaars van tenminste 5 pond in zijn handen en vergezeld van 2 officieren om publiekelijk God, justitie en haar om vergiffenis te vragen, zijn spijt te betuigen en te beloven die woorden nooit meer uit te spreken. De kaars moest hij naar de kerk dragen en ze daar laten opbranden. Barbara vroeg ook hem een boete op te leggen van 300 g waarvan 1/3 voor de heer was en 2/3 voor de schepenen.

In zijn verweer stelde Hendrik Jacobs dat Barbara een loopje nam met de waarheid en al de beschuldigingen had overgoten met sope. De waarheid was dat Barbara hem, zijn moeder en zijn vrouw aan zijn huis is komen onverdraegelijck tempteren en beledigen omdat hij Michiel Wambacq had geholpen om 5 eiken uit het bos Schepeneusel te laden om ze naar zijn huis aan de Krekelendries te voeren. Daarom verweet ze hem een houtdief te zijn en van zijn moeder zei ze dat ze in het kasteel van Gaasbeek had gestolen en van zijn vrouw dat ze een tuindievegge was. Omwille van al deze beschuldigingen wou ze dat de schepenen Barbara veroordeelden tot dezelfde straf die ze van hem eiste, maar met een boete van slechts 100 g waarvan de helft voor de armen was bestemd en de andere helft voor de kerk van Essene.

Ghesien bij de wethouderen der poort ende vrijheijt van Assche het proces voor hun gehouden ende hangende onbeslist tusschen de weduwe wijlen Machiel Wambacq aenleggersse ende gereconveniëerde ter eenre ende Hendrick Jacops gedaeghde ende reconveniënt ter andere zeijden ende op al geleth ter manissen des stadthouders des meijers soo hebben de voorschreven wethouderen gewesen ende verclaert, wijsen ende verclaren dat ’t voorschreven proces nochtertijt niet en is in staete om diffinitievelijck beslist te worden zonder ierst ende vooral informatie genomen te worden op de feijten bij partijen geallegeert, admitteren daeromme de selve daerop ten thoone ende de saecke nader geïnstrueert hij voorts recht gedaen te worden naer behooren, de costen staende ten diffinitiven. Aldus gedaen ende vuijtgesprocken op den achtsten novembris anno XVI° ende zesthiene. J. Van Der Heijden.

Barbara ontkende natuurlijk die beschuldigingen en vroeg om getuigen te verhoren. Dat gebeurde op 12 oktober 1616 door de schepenen Jan ’T Sas en Hendrik Van Ginderachter. Gijsbrecht Van de Vijver, 22 jaar, getuigde dat hij Hendrik Jacobs tegen Barbara hoorde zeggen dat ze een tovernares en een duivelin was die omgang had met de duivel. Elisabeth Roms, de weduwe van Huijbrecht Willmes, 50 jaar, vertelde dat Jacobs had gezegd ick sal u noch alsoo cleijn maecken als out meel dat gemalen was ende ghij sijt niet weert dat u den dach beschijnt. Adriaan Van den Broeck, een handwerker van 75 jaar, hoorde Jacobs roepen dat Barbara een caroigne was met de duivel als haar meester. Peter Van Wichele, Gerard Pauwels[11], de brouwer van 33 jaar, Hans De Vrient en Gillis Roms[12] getuigden in dezelfde zin.

Op 8 november 1616 beslisten de schepenen dat er meer informatie nodig om een vonnis te kunnen vellen. Wellicht was het hen ook opgevallen dat alle getuigen ten voordele van Barbara De Wever spraken.

1615. Michiel Wambacq[13] gaat woest tekeer[14].

De overmeier van Asse, Guillamme Timmer van Tsevel, daagde Michiel Wambacq voor de schepenbank voor meerdere gewelddaden. Op Allerzielen 1615 ging hij in de herberg van de dorpsofficier Joos Van der Borcht nogal woest tekeer tegen Gijsbrecht Van den Vijver. Hij sloeg hem met zijn vuisten, wierp hem onder zijn voeten en trok zijn mes om hem te steken. Maar Van der Borcht en anderen die in de herberg waren, konden het mes uit zijn handen nemen. Michiel was echter nog niet gekalmeerd en greep naar een  bierpot om die naar Gijsbrecht te gooien. Dat konden de anderen ook beletten.

De overmeier klaagde Michiel Wambacq nog voor een tweede zaak aan. In de herberg van Nicolaas Van Grimbergen lag, enkele weken eerder, de dronken kuiper Merten Cuijper te slapen. Hij berokkende niemand last en toch sloeg Michiel hem op zijn hoofd waardoor hij een paar open wonden had. Daarna stampte hij de keukendeur van de herberg stuk. De schepenen Hendrik Van Ginderachter en Hendrik De Clerck beslisten op 31 maart 1616 om meerdere getuigen te ondervragen.

Nicolaas Van Grimbergen verklaarde dat Michiel, die in zijn keuken wat bier zat te drinken, de slapende Merten wou buiten gooien, wat Nicolaas hem belette. Geërgerd sloeg hij dan Merten op zijn hoofd en stampte de keukendeur in. Merten moest zijn open wonden door chirurgijn Philips De Vos uit Asse laten verzorgen.

Gijsbrecht Van den Vijver, een handwerker van 21 jaar, was een van de herbergklanten. Terwijl Michiel Wambacq buiten sijn water was maeckende sprak hij met hem. Onverwachts sloeg Michiel hem op zijn hoofd en ging naar de voorvloer en greep daar naar een schop om hem te slaan. Maar hij stortte zich op Michiel en gooide hem op de vloer. Op het tumult kwamen andere klanten naar de voorvloer en trokken hen uit elkaar. In de keuken gekomen greep Michiel een stenen quaertpot van de regghebanck en sloeg die op hem stuk.

Joos Van der Borcht, 40 jaar, hielp Michiel en Gijbrecht uit elkaar halen en zag dat Michiel een bloot mes in zijn hand had. Hij kon het afnemen en als dorpsofficier verbaliseerde hij Michiel. Die bleef razend en in de keuken greep hij de quaertpot en sloeg die op het hoofd van Gijsbrecht in stukken.

Anna De Reuze, de 33-jarige vrouw van Joos, voegde er nog aan toe dat Michiel, nadat hij de pot had stukgeslagen, nog het rooster uit de schouw wou nemen, wat Joos kon verhinderen.

1615. Jan Wambacq in de problemen[15].

Waarom Jan Wambacq[16] Gerard De Witte[17] bleef verwijten dat hij een dief was, wordt in het document niet verklaard. In elk geval, hij herhaalde dat zo dikwijls dat zelfs zijn moeder hem vroeg dat niet meer te zeggen. Gerard diende op 10 november 1615 een klacht in bij de schepenbank. Hij wou dat Jan werd veroordeeld om met een brandende kaars van 3 pond in zijn handen, blootshoofds en in een leijnen kleed op een genechtedag God en hem om vergiffenis te vragen. De kaars moest hij naar de kerk van Asse dragen en ze voor het altaar van het Heilig Kruis laten opbranden. Hij vroeg ook om Jan een boete op te leggen van 100 g waarvan de helft voor de H. Geesttafel van Essene was bestemd en de andere helft voor de Kerk van Essene;

Jan Wambach ontkende die beschuldiging en toch vroegen de schepenen dat hij zich voor hen zou komen verantwoorden.

1619. Michiel Wambacq leverde de wissen niet[18].

Michiel Wambacq verkocht 30 wissen eikenhout aan Jan Boone met de belofte die te Brussel te leveren voor Sint-Jansmis (24 juni) 1619 voor 37 g 10 st. Jan Boone moest van het bedrag 33 g aan Michiels moeder betalen omdat hij haar nog dat bedrag schuldig was voor de levering van graan. Het resterend bedrag zou Boone bij de levering geven. Maar Michiel leverde de wissen niet zodat voor Boone alleen nog de weg van het gerecht over. Op 19 november 1619 diende hij een klacht in.

Ick Machiel Wambacq woonende te Esschene bekenne vercocht te hebben aen Jan Boone coopman van graen woonende te Brussel dertich wissen eijckenhout te Brussel gelevert ’t sijnen huijse tusschen ende voor Sint Jansmisse toecommende zesthien hondert negenthiene vollevert voor de somme van sevenendertich thien stuijvers met conditie dat Jan Boone moet betalen aen sijne moeder de somme van drijendertich rinsguldens ses stuijvers d’welck den voornoemde Wambacq haer schuldich is voor levering van graen ende de resterende somme van vier rinsguldens vier stuijvers sal de voornoemde Boone betaelen te volle levering van de selve hout. In kennisse der waerheijt zoo hebbe ick Machiel Wambacq mijn hanteecken hieronder gestelt desen sessentwintichsten januari XVI° negenthiene.

Michiel[19] kwam nog een tweede maal in de problemen. Samen met Joos Manlieff pachtte hij een meers van sieur Hannibal Boselli[20] in Den Langenmeers aen de Avenellebeke te Lombeek. De pachtprijs bedroeg 60 g, of 30 g voor elk. Joos betaalde stipt zijn pacht, maar Michiel niet. Omdat Hannibal Boselli Joos voor de rechter daagde om de andere helft van de pacht te betalen, richtte Joos zich tot de schepenbank van Asse om Michiel te dwingen zijn deel toch te betalen.

Het gehucht Steenvoorde verwijst naar de stenen brug of voorde van de Romeinse baan, net zoals de Steenbrugstraat verwijst naar de stenen brug over de Wambeek. De huidige Steenvoordestraat liep naar Essene (een oude nederzetting van voor en tijdens de Romeinse periode). Net voorbij de plaats waar het kasteel van Steenvoorde zou worden opgericht vond men fibula die zouden verwijzen naar een Romeinse begraafplaats (rode cirkel op de Ferrariskaart hierboven.

Michiel Wambach wachtte nog een derde dagvaarding[21] in 1624. In 1618 had hij van Cornelia Van den Casteele voor 6 jaar 3 b land gepacht, gelegen op De Foist en Den Hoijenbergh genoemd. De pachtsom bedroeg 12 sisters[22] rogge. Michiel betaalde de laatste twee jaar van de termijn niet en was zo 8 mudden 3 sisters rogge of 19 g 10 ½ st schuldig in 1624. Voor Cornelia was de maat vol en zij richtte zich tot de schepenbank om de betaling te eisen.

1619. Peter Moernay veroordeeld wegens blasfemie[23].

Tijdens de eucharistievieringen van de kerstdagen van 16?? veroorzaakte Peter Moernay heel wat opschudding in de kerk van Essene. Hij uitte zijn ongenoegen over de kerk en de pastoor in zulke bewoordingen dat hij door de overmeier werd aangeklaagd wegens blasfemie:

– Op Kerstmis vroeg hij aan de gelovigen die van de communiebank terugkeerden naar hun plaats of ze voor hem iets wilden meebrengen.

– Op tweede kerstdag vroeg hij zich af wat de mensen die te communie gingen wat steken sij daer in hun backhuijs, wat hulpt hun dat, vele beters staecken zij een stuijvers brood in hun backhuijs.

Zijn commentaar over de pastoor luidde: ick en weet niet wat sijlieden van papen wilt seggen, wijs mij eenen paep, ick wijse u een duijvel want wat sijn die papen anders als duijvels.

– Van zichzelf vond hij dat hij beter kon preken dan de pastoor van Essene, want die had het altijd over geven.

– Over de pastoor van Essene was hij ook niet te spreken. Die was zo dik omdat hij driemaal van de wijn dronk en die van Ternat maar tweemaal.

De hoofdmeier van Asse werd op de hoogte gebracht van de uitspraken van Moernay en kloeg hem aan voor blasfemie.

Om de beschuldigingen te weerleggen wees Peter erop dat hij door zijn ouders als een oprechte katholiek was opgevoed. Als 60-jarige heeft hij nog altijd een goede naam. Hij gaat elke zondag en op feestdagen naar de mis en ontvangt de sacramenten. Hij is zeker geen geus en het kan niet anders dan dat de beschuldigingen vals zijn. Trouwens de mensen die hem aanklaagden zijn zelf dieven en tovenaars en bijgevolg is de klacht tegen hem niet ontvankelijk.

Omdat overmeier Guille Tymer was overleden, antwoordde zijn weduwe in zijn plaats. Peter Moernay heeft helemaal geen goede naam. Hij leidt een ongeregeld leven en is al door de baljuw van Gaasbeek gevangen genomen en opgesloten in de gevangenis van het kasteel. Hij kreeg er een boete van 30 g. Peter tracht dan aan een veroordeling te ontkomen door er op te wijzen dat hij een inwoner van Ternat is en onder de jurisdictie van de heer van Kruikenburg valt. Maar zijn wangedrag had plaats in Essene en hij had vroeger in Essene gewoond en de schepenen willen daarom eerst zich informeren bij de Raad van Brabant. Op 24 mei kwamen ze tot de conclusie dat de schepenbank van Asse de zaak kan behandelen en dat de proceskosten voor hem zijn.

1620. Vechtpartij na een kaatswedstrijd[24].

Arnoult Adriani, overmeier van het Land van Asse, ondervroeg op 26 augustus 1620 in de herberg van Joos Moijesoen enkele betrokkenen van een vechtpartij. Na een kaatswedstrijd waarin Joos De Jonge en Michiel Van Vaerenbergh[25] het opnamen tegen Peter Mijlieff en Joos De Ceulenere was er onder de spelers een discussie ontstaan over de vraag wie de winnaar was want die moest allen trakteren. De ruzie liep snel uit op een vechtpartij. De eerste ondervraagde was de 33-jarige herbergier en brouwer Joos Moijesoen. Hij had gezien dat Joos De Jonge een vuistslag gaf aan Peter Mijlieff en dat Geert Van Vaerenbergh zich in het gevecht mengde. Meer kon hij niet vertellen want hij was naar zijn kelderkamer gevlucht om zich daar te verstoppen tot het vechten gedaan was.

De 23-jarige Joos De Jonge die bij Jan De Witte woonde, herinnerde zich dat zij afgesproken hadden dat de verliezers die avond hun consumpties zouden betalen. Peter Mijlieff en Joos De Ceulenere verloren en wilden niet trakteren. Daarop was hij met Peter Mijlieff beginnen te vechten. Daar hielden ze al snel mee op, gingen samen een pint drinken en verlieten dan de herberg met Lambrecht Linthout en Gillis Van Vaerenbergh. Toen ze aan het huis van Wambacq waren gekomen, haalde Joos Van Vaerenbergh hen in, sloeg met zijn clauwstock naar hen en liep dan weg, achternagezeten door Peter Mijlieff. Aan het wagenhuis van Pauwels Van Vaerenbergh dook Joos Van Vaerenbergh weer op om met Lambrecht Linthout en Gillis Van Vaerenberg te vechten. Toen hij met Peter Mijlieff Lambrecht en Gillis wou helpen, ging Joos Van Vaerenbergh lopen.

De ongehuwde Lambrecht Linthout, 31 jaar, dacht dat Peter Mijlieff het gevecht was begonnen door De Jonge een slag met zijn stok te geven. Na een kort gevecht dronken ze een biertje, maar Peter bleef klagen dat men hem had geslagen: swaeger, ick hebbe daer soo gesmeten geweest. Joos Van Vaerenbergh wou weten wie er had geslagen en vertrok dan zonder een woord te zeggen. Toen Lambrecht en zijn vrienden aan het huis van Wambacq kwamen, werden ze aangevallen door Gillis Van Vaerenbergh en Peter Mijlieff met hun stokken. Zij liepen weg om stokken te zoeken en zagen hun aanvallers weer aan de schuur van Pauwels Van Vaerenbergh en nu waren het de aanvallers die zich uit de voeten maakten.

1623. Strijd om de (later genoemd) Bastaertshoeve[26].

De hoeve en brouwerij nabij de kerk van Essene, vanaf de 18de eeuw Bestaertshoeve genoemd, kent een lange geschiedenis. Het oudste document ervan dat wij vonden dateert van 1604. Op 20 december van dat jaar leenden Nicolaas Carite en zijn vrouw Josijne De Vleminck aan Peter Cools, zoon van Lauwereijs een bedrag met een jaarlijkse rente van 33 carolusgulden[27]. Als onderpand gaf hij:

1. De hoeve die hij recent had gekocht als laatste bieder voor 99 jaar van de Kerk van Essene. De aartsbisschop van Mechelen en tevens abt van Affligem, Hovius, had samen met de kerk- en armenmeesters van Essene daartoe de toestemming gegeven. De hofstede met huis, brouwerij met ketels, kuipen, bakken en ander materiaal en de plaetsputte (vijver) lag aan het kerkhof en paalde aan de straat. Het goed was belast met 4 g aan de Kerk van Essene.

2. Ook 1 d meers aan Den Vitsbocht en palend aan de goederen van de weduwe Willem Van der Slachmeulen en aan de straat.

3. 1 d en ? r palend aan de Cleijne Meers, de goederen van de erfgenamen Guillaume Snellincq, de meers genoemd Marie Casens en eigendom van de abdij.

Indien Peter Cools de rente niet tijdig betaalt, kan Nicolaas Carite de goederen van het onderpand in bezit nemen tot de schulden zijn afgelost. De akte werd opgesteld door meier Janne Mertens en de schepen Adriaan Schockaert van het Land van Asse. Die gronden vielen deels onder de jurisdictie van het Land van Asse en deels onder de abdij.

Verhuurd.

Op 16 januari 1614 richtte Nicolaas Carite een schrijven naar de aartshertogen Albrecht en Isabella. Hij had al 9 jaar de rente niet ontvangen en hij zat in de gevangenis van Aalst omwille van schulden. Hij vroeg de toestemming om de goederen van het onderpand te mogen verhuren. Het antwoord van de aartshertogen kwam toe op 15 maart 1614. Na raadpleging van de schepenen van Asse geven ze Nicolaas de toestemming om de goederen te verhuren. De huur van het deel onder Asse gelegen mocht tot 30 g 12 st 2 pl gaan, het deel onder Affligem tot 29 g. Ook voor de cijns was er een achtstal van 5 jaar. Carite kreeg ook een vergunning om alles openbaar te verkopen.

Op 18 maart verpachtte Nicolaas Carite het hele bedrijf aan Gerard Pauwels[28], zijn vrouw Joanne De Bonte en zijn moeder Martijne Cammaerts onder de volgende voorwaarden:

1. De brouwerij werd verhuurd voor een termijn van 3 jaar.

2. Als de huurder de brouwerij onderverhuurt aan de hoogste bieder, dat gaat van elk opbod 20 st naar Pauwels en 1/3 naar de eigenaar.

3. De huurder moet elk jaar de grondcijns betalen.

4. De huurder aanvaardt de brouwketel,de kuipen, bakken en ander brouwalaam  en moet ze in goede staat behouden.

5. De huurder moet het huis onderhouden en de kosten ervan zelf dragen.

6. Voor de jaarlijkse pacht zal de huurder voldoende onderpand geven.

7. Betaalt de huurder de pacht niet, dan kan de verhuurder de brouwerij voor een termijn van 3 jaar aan anderen verhuren met dezelfde condities.

 J. Van der Borcht trad op als vervanger van meier J. Mertens. Het pachtcontract werd opgesteld door Schockaert, Robijns en Meert, de schepenen van Affligem.

Verkocht.

Op 17 december 1614 verkocht Nicolaas Carite aan Gerard De Witte[29] de hoffstadt metten huijse, brouwerije ende andere edificiën daerop staende, vijvere ende coollochtene daeraen gelegen gelijck de selve gestaen ende gelegen is in de prochie van Esschene bij de kercke, aldaer commende rondsomme tegen des heeren strate. Als nieuwe eigenaar vroeg hij herhaaldelijk aan Gerard Pauwelsom de hoeve te ontruimen, maar die weigerde. Op 31 januari 1615 gingen de schepenen Nicolaas Meert en H. Van Ginderachter samen met de dorpsofficier van Essene, J. Van der Borcht, op zijn verzoek bemiddelen bij Gerard Pauwels. Martijne Cammaerts, Gerards moeder, deelde kordaat mee dat ze voor de rest van haar leven op de hofstede zou blijven en Gerard en zijn vrouw Joanna zegden dat ze niet zinnens waren om de eis van De Witte peijsselijck off vredelijck in te willigen. Daarop liet Gerard De Witte zijn advocaat Slachmeulen een klacht tegen de verkoper Carite indienen bij de schepenbank van Asse. Hij had er moeten voor zorgen dat de hoeve en de brouwerij al in februari waren overgedragen aan de Affligemse schepenen. Hij eiste bovendien een vergoeding voor de voor hem verloren maanden. Daarmee was Gerard De Witte een procedure begonnen die nog jaren zou aanslepen.

Het proces.

Nicolaas Carite reageerde via zijn advocaat Adriani met een verzoekschrift bij de aartshertogen Albrecht en Isabella op 20 juni 1615. Het was niet aan hem om de bewoners van de hofstede te doen verhuizen vermits De Witte de nieuwe eigenaar was. De aartshertogen oordeelden dat de verkoop plaats had nadat Pauwels het pachtcontract had getekend en dus dat de huur voorging op de koop. Ze maakten de zaak aan de Raad van Brabant die op zijn beurt de zaak naar de schepenbank van Asse doorschoof.

Die Eertshertogen.

Lieve ende beminde wij seijnden U hierinne besloten die supplicatie in onsen Raede van Brabant overgegeven bij off van wegen Niclaes Charite, ordonnerende ende bevelende U wel ernstelijck bij desen dat ghij den suject nopende den versuecke daerbij gedaen versiet gelijck ghij naer gelegentheijt van de saecke in goede equiteijt ende justicie sult bevinden te behooren U heden daertoe authoriserende midts desen ende des en laet niet want ons alsoo gelieft, lieve ende beminde Godt die Heere sij met U. geschreven binnen onser stadt van Brussele den XX° juni 1615. Cools loco Piermans.

Advocaat Adriani diende direct een verweerschrift in bij de schepenen van Asse. Hij betoogde dat Gerard de Witte zelf de problemen veroorzaakte omdat hij de volledige koopsom nog niet had betaald en door zijn verzet tegen de keuze van Carite om de akte te laten verlijden door de schepenbank van Affligem. Carite wou de akte laten verlijden door de Affligemse schepenen omdat op een deel van de goederen de grondcijns aan de abdij toekwam.

In zijn antwoord verklaarde Gerard De Witte dat hij weigerde het volledige bedrag te betalen zolang Pauwels op de hoeve woonde. Het was de plicht van de verkoper om ervoor te zorgen dat het verkochte goed vrij was. Bovendien was er ondertussen al veel schade aangericht aan de gebouwen en de cijns aan Affligem betrof alleen de vijver. Heel de maand juli volgde de ene beschuldiging de andere op. Blijkbaar besloot de schepenbank om getuigen te ondervragen, maar daarvan is in het dossier niets te vinden. Een laatste document dateert van 1619 en daarin betwijfelde Gerard De Witte of bepaalde getuigen wel de waarheid spraken. Het hele proces, begonnen in 1615, eindigde in 1623 wanneer Gerard de hofstede verkocht aan Steven Meert voor een jaarlijkse erfelijke rente van 60 g. De schepenbank van Asse met meier Guilliam Van Langenhove, Urbaan De Maeyer, de rentmeester van Overzenne en de schepenen Schockaert en De Cleck stelden de akte op.

1642. Een erfenis voor weeskinderen[30].

Voor Arnoult Adriani, rentmeester van het Land van Asse, en de schepenen Peter Van Mulders en Jan Schoonjans verschenen op 24 maart 1642 Peter, Nicolaes en Joos Van Couwenberghe[31] als voogden van Johanna en Marie, de kinderen van hun overleden zus Margriete en haar man Gielis Aeckelijs. Het betrof het deel van de erfenis van de grootouders van de kinderen, Joannes Van Couwenberghe en Catharina Van de Mueter. Johanna en Marie erfden een hofstede van 75 r die paalde aan de hofstede van Joos Van Couwenberghe, aan Laureijs Van Grimbergen, aan De Moorter en aan de straat.

1644. Michiel Camermans[32] betaalde zijn pacht niet[33].

Op 1636 had Michiel Camermans het Groot Broek in erfpacht genomen van het klooster van Groenendaal voor 8 sisters en 3 veertelen of 175 g 15 st. Hij betaalde voor de termijn van 8 jaar 22 g zodat hij nog 153 g 15 st schuld had. De procurator daagde hem op 20 juni 1644 voor de schepenbank om hem te later veroordelen tot betaling van zijn schulden.

De voormalige Priorij Groenendaal ligt in het Zoniënwoud bij de plaats Groenendaal op grondgebied Hoeilaart, zo’n 10 km ten zuidoosten van Brussel. Ze had een grote uitstraling onder haar eerste prior Jan van Ruusbroec en stond later dicht bij de Habsburgse jagersvorsten. Tegen de late 18e eeuw had de site zijn glans verloren. Het “nutteloze klooster” verscheen op de lijst van instellingen die keizer Jozef II in 1784 met een pennentrek ophief. De kerk en aanhorigheden werden op drie jaar tijd verkocht en grotendeels gesloopt (1787). Tijdens de Brabantse Omwenteling liet men het klooster herleven (1790), maar de komst van de Fransen betekende het definitieve einde (1796). Zelfs de relieken van Ruusbroec, die na de afbraak naar Brussel waren overgebracht, gingen verloren. Er zijn nog enkele merkwaardige overblijfselen.

Zicht op Groenendaal, Wenceslaus Hollar, 1647.

1652. Hendrik Van den Wijngaerde betaalde de maaltijden niet[34].

Van 12 december 1652 tot 9 januari 1653 verbleef Hendrik Van den Wijngaerde in het huis van Martinus Wambacq te Antwerpen. Voor elke maaltijd rekende Martinus hem 6 st aan, wat in het totaal tot 18 g opliep. Hendrik vertrok zonder te betalen en Martinus zag zich genoodzaakt den wech van rechte inne te gaen en Hendrik voor de schepenbank te dagen.

1652. Nicolaas Meert vergat de rente te betalen[35].

Op 22 maart 1632 verkochten Adriaan De Smet en zijn vrouw Marie Mertens de Peerput, een vijver te Essene, aan Nicolaas Van Grimbergen en Maijken Van Huijneghem voor een rente van 10 g. De vijver paalde aan de straat, aan het goed van Van Grimbergen en aan een opstal en was belast met een grondcijns aan Asse. Als pand gaf Van Grimbergen de net verkregen vijver en een weide op de Uwijck, palend aan de straat, aan Charles Van der Slachmolen en aan de erfgenamen van Jans Ranspoel, belast met een grondcijns en een rente van 4 g 10 st aan Van der Slachmolen. De akte werd ondertekend door de schepenen Joos Van langenhove en Nicolaas Van der Hasselt.

In 1652 was de vijver veranderd in een hopveld en was Nicolaas Meert[36] de eigenaar. Hij had echter de rente al 10 jaar niet betaald zodat Jan De Smet, zoon van Adriaan, tegen hem een proces inspande.

1652. Koster Gillis De Ridder[37] in de problemen[38].

Voor verscheidene processen deed koster Gillis een beroep op Charles Van der Slachmolen als advocaat. Dat was zowel voor hem als voor de erfgenamen van Jan Camerman en Cathelijne De Witte, zijn schoonouders. Maar hij kon of wou de advocaat niet betalen tot die op 23 april 1652 Gillis voor de schepenbank daagde en hem de volgende rekening voorlegde:

– Voor het proces tegen de vrouw van Jan De Witte: 19 g 4 ½ st.

– Voor het proces tegen Barbara De Witte, dochter van Jan: 22 g 14 ½ st.

– Voor het proces tegen Jan Van Overstraeten tegen Peter Schoep: 3 g.

– Voor het proces tegen de weduwe van Jasper Verhoeven.

Totaal van de schulden: 46 g 2st.

1652. Huur van een weefgetouw[39].

Joos De Jonge huurde van timmerman Mattijs Van den Bossche een weefgetouw voor 4 g per jaar. De laatste drie ontving hij echter geen huurgeld en hij stapte naar de schepenbank om Joos te dwingen het achterstal van 13 g te betalen.

1656. Verkochte hop niet betaald[40].

Nicolaas Van den Cruyce uit Bollebeek kocht van Hendrik Vranckx[41] 1070 pond hop aan 25 g per 100. Na aftrek van het gewicht van de zakken bedroeg 1027 pond met een verkoopprijs van 261 g 15 st. Nicolaas betaalde slechts 219 g en om aan het resterend bedrag van 42 g 15 st te geraken bleef er voor Hendrik maar een mogelijkheid over: een proces inspannen tegen Nicolaas.

1657. Handelde notaris Martinus Wambacq correct bij de afhandeling van de erfenis Marie De Witte?

De afhandeling van de erfenis van Jan Camerman en zijn vrouw Cathelijne De Witte leidde tot een ruzie in de familie en tot een nog grotere vete met notaris Martinus Wambacq met als gevolg een reeks processen van 1656 tot 1663. Wie zijn de acteurs in dit drama?

Het gezin Camerman-De Witte.

Joannes Camerman (ook Camermans), gedoopt omstreeks 1570 en overleed na 1637, minstens 67 jaar oud. Hij trouwde met Catharina De Witte, een dochter van Gillis De Witte en Barbara Van Vaerenbergh, gedoopt omstreeks 1570. Joannes (Jan) was poorter van Asse. In het gezin werden 11 kinderen geboren die te Essene werden gedoopt:

1.Ingel, meisenier te Essene.

2. Maria, overleden voor 1638, trouwde met Franchois Verhoeven, overleden op 23 oktober 1616.

3. Anthoen, meisenier te Grimbergen, cit. 1633.

4. Geeraert, trouwde te Essene op 19 november 1621 met Elisabeth De Meye.

5. Jenneken, overleden voor 1671, trouwde met Jan Van Overstraeten van het Hof te Latem te Sint-Martens-Lennik, nadien Hof te Hobosch te merchtem..

6. Cathelijne, trouwde te Essene met Gerardus Linthout, zoon van Adriaan, op 17 november 1624. Zij woonden op het Hof te Brempt in 1657.Gerard hertrouwde met Beatrijs Van Pissote,de weduwe van Gillis De Weghnaere, burgemeester van Denderleeuw.

7. Elisabeth, gedoopt in april 1606 trouwde met Gillis De Ridder te Essene op 4 oktober 1637.

8. Jan, overleden voor 1638, trouwde met Elisabeth De Roye.

9. Anne, gedoopt op 28 april 1608, trouwde met Gillis De Waegenaere en hertrouwde met Nicolaes Buggenhout uit Asse.

10. Gillis, gedoopt op 21 november 1610, trouwde te Essene op 22 mei 1639 met Anne Van den Abbeele.

11. Michiel, gedoopt op 1 september 1613, trouwde met Elisabeth De Valck.

Opmerking: Catharina was in eerste of tweede huwelijk getrouwd met Joos Van Ruijssevelt (cit. 1621)[42]

De rekeningen van Geeraerdt Linthout[43].

Geeraedt Linthout[44], weduwnaar van Cathelijne Camermans, betaalde alle rekeningen na het overlijden van Marie De Witte in 1648 en stelde een lijst op van de inkomsten en presenteerde die aan Martinus Wambacq, griffier van Affligem, als procuratiehouder van de kinderen van Franchois Verhoeven, Michiel Camerman en Gillis De Ridder. De rekeningen werden ondertekend op 11 januari 1655 door M. Wambacq.

Opmerking. In de processtukken is er alleen sprake van Marie De Witte. Zij was een zus van Gillis. Zij was meisenier te Borchtlombeek  (cit. 1574) en poorter van Aalst (cit. 1586). Zij trouwde met Hendrik De Coster en hertrouwde met Jan Cools. Zij stierf kinderloos wat verklaart waarom de kinderen van haar broer Gillis erfgenamen waren[45].

Ontvangsten van het sterfhuis van Marie De Witte, 1648.

– van Niclaes De Groot een jaar rente op 4 juni 1648: 12 – 0 – 0.

– van Jan Goossens de helft van 2 jaar rente voor 1649 en 1650: 12 – 0 – 0.

hun part van de kaveling van Den Diesborremeersch verkocht:  45 – 0 – 0.

– van Guillam De Keijser voor de huur van een meers gelegen te Liedekerke: 18 – 7 – 0.

– van Adriaen De Schrijver voor de huur van dezelfde meers 2 jaar geleden: 16 – 0 – 0.

– verkocht aan Jan De Roover een partij land, groot 72 1/2 roeden, gelegen te Borchgrave Lombeke, het is ¼ van 2 d 90 r: 94 – 11 – 1/2.

– een partij land verkocht aan Nicolaes Staeckman, groot 1 d, gelegen op D’ Opperbochou: 200 g  waarvan de rente 12 g 10 st bedroeg en daarvoor een lening aanging van 200 g.

– een rente gekocht van 6 g tot last van Niclaes De Groot voor de lening 94 – 0 – 0.

– ontvangen van bomen staande in de Borghgrave Lombeke ende Strijthem: 18 – 17 – 0.

– ontvangen van de weduwe Jan De Waghenere voor de huur van land gelegen op D’ Opperbockhout: 18 – 0 – 0.

– ontvangen van de weduwe Jan Goossens 8 g 2 st van een verlopen van rente van 1 p pond groot Brabants: 8 – 2 – 0.

– ontvangen van Adriaen De Schrijver voor een jaar meerspacht van 1652: 8 – 0 – 0.

– van Gillis De Ridder over de huur van een meers gelegen te Liedekerke 16 g 16 – 0 – 0.

Het totaal van de ontvangsten bedraagt 359 – 3 – 0.

De uitgaven.

– aan Gillis De Ridder op rekening van het furnissement[46]in de zaak Verhoeven: 6 – 0 – 0.

– aan den griffier van de Caemer van Uccle voor de helft van het rapport waarvan de andere helft is betaald door Gillis De Ridder in de zaak Verhoeven: 17 – 19 – 0.

– aan Michiel Camerman: 9 – 0 – 0.

– aan Geerardt Camerman op 15 september 1649 voor het rapport in het proces tegen de weduwe Anthoon Camerman: 24 – 15 – 0.

– voor een parcquementen brieff aan den griffier Wambacq: 4 – 4 – 0.

– aan de procureur Robijns 14 g om daarmee advocaat Langhriet te betalen voor het opstellen van de duplycke in de zaak van Geerardt en Michiel Camermans tegen Jan De Grave: 14 – 0 – 0.

– aan advocaat Langriet voor zijn antwoord aan Jan De Mets: 9 – 0 – 0.

– aan advocaat Christijne de helft van 2 g 10 st, de andere helft is betaald door Merten Wambacq in de zaak tegen Gabriels.

– aan de griffier Adriani in de zaak tegen Michiel Camermans: 2 – 10 – 0.

– aan advocaat Horenbeke voor zijn verzoekschrift 2 g 8 st  en 6 st voor zijn presentatie aan de schepenen van Affligem.

– aan Gillis De Ridder: 25 g voor procureur Slachmolen, 10 g voor de zaak van de erfgenamen De Mets, 15 g voor de zaak tegen Jan De Mets en 1 g 12 ½ st.

– aan Martinus Wambacq voor het opstellen van een antwoord  aan Franchois Verhoeven en Gillis De Ridder cum suis[47]: 3 – 15 – 0.

– aan advocaat Horenbeke voor het opstellen van de replycke tegen Franchois Verhoeven en de zijnen: 19 – 16 – 0.

– aan de advocaat voor het vertier bij hem: 5 – 8 – 0.

– aan de la Mars 9 g  9st wettelijke kosten: 13 – 9 – 0.

– aan advocaat Van Horenbeke in de zaak van Franchois Verhoeven:  11 – 6 – 1/2.

– aan F. Wambacq voor furnissement ene wettelijke kosten in de zaak tussen hem en zijn  consoorten tegen de kinderen van Franchois Verhoeven: 46 – 15 – 0.

– aan den procureur Robijns voor het proces tegen Franchois Verhoeven: 18 – 1/2 – 0.

– aan meester Moors voor het visiteren van den processe van Verhoeven:  9 – 16 – 0.

– aan meester De Bisschop voor het proces tussen Verhoeven en de erfgenamen Camermans voor de schepenen van Affligem: 18 – 0 – 0.

– aan Gillis De Ridder 4 g 17 st voor de griffier van Asse in de zaak tegen de weduwe Jan De Mets: 4 – 17 – 0.

– aan Adriani voor zijn rechten in het debat van restitutie van de helft van de kosten  tussen de erfgenamen Camermans en De Grove: 2 – 19 – 0.

– aan procureur Slachmolen voor zijn werk voor Jan De Grove tegen de erfgenamen van Jan Camermans: 9 – 0 – 0.

– aan F. Francq: 1-1 – 0.

– aan F. Wambacq voor de kosten in de zaak van de kinderen van Franchois Verhoeven tegen Gillis De Ridder: 5 – 12 – 0.

– aan Peeter Pauwels: 4 – 9 – 0.

– aan N. Van De Perre voor de kopieën  voor de hoofdbank van Ukkel vanwege Franchois Verhoeven en zijn kinderen tegen Gillis De Ridder en de zijnen: 2 – 3 – 0.

– aan Guillam Cortvrindt voor de schepenen en de griffier voor documenten voor de erfgenamen van Anthoon De Wit: 0 – 17 – 0.

– aan meester Bisschop voor Franchois Verhoeven: 9 – 0 – 0.

– aan advocaat Moors voor het opstellen van een replycke in het proces van Gillis De Ridder en consoorten tegen Franchois Verhoeven: 7 – 7 – 0.

– aan Michiel Steppe voor de kosten  gedaan in het sterfhuis van Jan Camermans op verzoek van Franchois Verhoeven: 1 – 11 – 0.

– aan de la Mars voor de kosten van het proces tegen de erfgenamen van Franchois Verhoeven: 1 – 9 – 0.

– aan procureur Slachmolen voor diverse kosten: 12 – 0 – 0.

– aan Steven voor het vertier in zijn huis gedaan door Geerardt Linthout en Gillis De Ridder: 9 – 0 – 0.

– aan de la Mars voor zijn bijdrage in het proces tussen de kinderen van Franchois Verhoeven en Gillis De Ridder: 54 – 0 – 0.

– aan procureur Slachmolen: 2 – 0 – 0.

– aan meester De Bisschop voor het opstellen van drie procuraties: 4 – 10 – 0.

– aan Gillis Camermans voor zijn aandeel in de rente van zes gulden: 7 – 2 – 1/2.

– aan Martinus Wambacq voor de kinderen van Franchois Verhoeven en van Gillis De Ridder voor hun part van Den Disborre Meersch gelegen in Borchgrave Lombeke,  gekocht door Philips Van Den Eeckhout voor 45 g: 12 – 17 – 0.

– aan de rendant voor  twee jaar rente van 12 g 10 st 1 blank: 25 – 0 – 0.

– voor een hesp geschonken aan procureur Robijns: 2 – 0 – 0.

–  aan drie daghementen: 0 – 7 – 1/2.

– voor het opmaken van de rekening: 6 – 0 – 0.

Uit de lijsten van de ontvangsten kunnen we vaststellen dat de familie Camerman-De Witte bemiddeld waren. Maar uit de uitgaven leiden we af dat er bijzonder veel onenigheid was tussen de kinderen. Op de lijst staan niet minder dan 31 betalingen aan advocaten en proceskosten voor een bedrag van 366 g 17 ½ st. waardoor de totale uitgaven opliepen tot  500 – 15 – ¼. Vermits de totale ontvangsten slechts 359 g 3 st bedroegen was meer uitgegeven dan ontvangen, namelijk 140 g 12 st 1/4.

Daar er nog 6 bijkomende uitgaven waren, stelde Geeraerdt Linthout op 1 februari 1657 een nieuwe lijst op die werd ondertekend door de overmeier Charles Van Der Slachmolen, de schepenen Joos Van Ghinderachter en Aert Robijns, Geerard Linthout, Franchois Verhoeven en Michiel Camermans en hun procuratiehouder meester Martinus Wambacq, Hendrick Aerts, man van de dochter van Anna Camermans.

– op 14 oktober 1655 betaalde Linthout nog aan procureur Robijns: 8 – 17 – 0.

– aan Peeter Pauwels ende Merten Carnoije: 4 – 0 – 0.

– aan de deurwaarders Van Schelle en Gillis Timmermans: 5 – 0 – 0.

– aan de griffier voor  elk blad van de rekening: 2 – 8 – 0.

– voor de auditie van deze rekening: 6 – 6 – 0.

– voor het narekenen door de schepenen: 1 – 11 – 0.

Dat bracht het totale tekort op 168 g 14 st ¼. De erfgenamen moesten dus betalen in de plaats van te ontvangen en dat leidde dan weer tot processen.

De rekening van Gillis De Ridder.

Als man van Elisabeth Camermans stelde Gillis samen met Geeraerdt Linthout een inventaris op van ontvangsten en uitgaven van het sterfhuis van Maria De Witte in 1651.

Ontvangsten.

– ontvangen uit handen van Lieven Van Der Eecken de huur van een meers gelegen aan De Steenenbrugge: 29 – 10 – 0.

– aangaande de resterende huur van die meers, daarover heeft de rendant geen informatie  behalve dat er een som in zijn vorige rekening is vermeld van Merten Wambacq.

– van Marie Walckiers waardin in Den Wispeleer 12 g en van Guillam De Keijser 6 g voor achterstallige huur van goederen gelegen onder Borchgrave Lombeke: 18 – 0 – 0.

– aangaande de resterende huur en de verkochte goederen,  daarvan  Geerardt Linthout dat  in zijn rekeninge gebracht.

Totaal van de ontvangsten: 47 g 10 st.

Uitgaven.

– aan Charles Van Der Slachmolen junior: 23 – 13 – 0.

– aan officier Verbist van de Kamer van Ukkel voor een aanmaning voor Gillis De Ridder en Geert Camerman: 3 – 10 – 0.

– aan griffier van de hoofdbank van Ukkel: 17 – 19 – 0.

– aan procureur de la Mars voor het proces tegen de erfgenamen Franchois Van Der Hoeven: 53 – 19 – 0.

– aan de schepenen van Borchgrave Lombeke voor het instellen van de zaak tegen Philips Van De Eeckhoute: 1 – 2 – 1/2.

– aan deurwaarders Van Schel en Timmermans voor hun werk op verzoek van de erfgenamen Verhoeven: 2 – 10 – 0.

– aan Anthoon Carlier voor zijn kosten en vertier van de officieren in opdracht van meester Charles Van Der Slachmolen: 26 – 0 – 0.

– aan advocaat Horenbeke voor het maken van de sustineringhe tegen de erfgenamen Verhoeven: 4 – 19 – 0.

– aan Peeter Pauwels voor zijn werk voor de erfgenamen: 12 – 0 – 0.

– aan Martinus Wambacq: 8 – 1 – 0.

– aan procureur Daniels: 2 – 17 – 0.

– aan advocaat Horenbeke en aan de procureur en griffier Franco en de procureur Robijns te samen: 4 – 1 – 0.

– aan Peeter Pauwels: 2 – 2 – 0.

– aan griffier Van De Perre: 7 – 12 – 1/2.

– aan griffier Wambacq voor het overdragen van het proces: 5 – 0 – 0.

– aan procureur Franco voor een request: 0 – 12 – 0.

– aan de officier van de kamer van Ukkel: 7 – 4 – 0.

– aan Peeter Pauwels en Merten Carnoije: 6 – 6 – 0.

– aan meester Martinus Wambacq voor enkele kopieën:18 – 0 – 0.

– aan advocaat Horenbeke voor het verweerschrift in het proces tegen de erfgenamen Franchois Verhoeven: 2 – 2 – 0.

– aan procureur Kints voor het communiceren van een relievement aan griffier Wambacq:  2 – 2 – 0.

– aan de wethouders van Affligem voor het advoye[48] en de procuratie gegeven aan procureur de la Mars in het proces tegen de erfgenamen Franchois Verhoeven: 0 – 15 – 0.

-voor Gillis om de processen te volgen, per dag met vertier: 12 – 0 – 0.

– aan Peeter Pauwels en Guillam Van Den Driessche beide officieren van Affligem voor de kosten gedaan op verzoek van  de erfgenamen Franchois Verhoeven: 4 – 13 – 0.

– Gillis betaalde aan meester Franchois Wambacq 6 g bovenop de 12 g die Geerardt Linthout heeft betaald voor de kosten van de Raad van Brabant tussen de erfgenamen en de kinderen Franchois Verhoeven: 6 – 0 – 0.

– aan meester Charles Van Der Slachmolen: 4 – 0 – 0.

– aan meester Charles Van Der Slachmolen voor zijn optreden tegen de erfgenamen Jan De Mets: 1 – 12 – 1/2.

– voor het opstellen van de rekening, voor elk blad 4 st: 2 – 10 – 0.

– voor de kopij zal de rendant aan de griffier betalen voor elk blad 3 st: 1 – 10 – 0.

Het totaal van de uitgaven bedroeg 237 g 7 ½ st en de ontvangsten 47 g 10 st. De rendant had een tekort van 189 g 17 ½ st. Gillis presenteerde zijn rekening op 1 februari 1657 aan overmeier Charles Van Der Slachmolen, aan de schepenen Joos Van Ghinderachter en Aert Robijns en net zoals de  rekening van Geerardt Linthout ondertekend door griffier Van Mulders.

De rekening van Jan Van Overstraeten.

Jan Van Overstraeten betaalde op 14 juli 1656 de som van 52 g en 10 st aan de schepenen van Affligem in de zaak tussen Gillis De Ridder, Geeraert Linthout, Jan Van Overstraeten en de zijnen, aanleggers tegen de kinderen Franchois Verhoeven, gedaagden. F. Wambacq ondertekende het document. Er stond nog bijgeschreven: op 23 september 1656 betaalde  Jan Van Overstraten aan mij, ondergetekende in naam van Merten, mijn zoon 13 g 9 st.

F. Wambacq 1656.

De rekening van Martinus Wambacq.

Martinus Wambacq stelde in 1657 ten behoeve van de meier en de schepenen van het Land van Asse een lijst op van de voorschotten die hij betaalde voor de kinderen van Franchois Verhoeven[49] en Michiel Camerman in het proces tegen Jan De Grove en consoorten dat gevoerd werd voor de schepenen van Asse en de schepenen van Brussel.

– aan griffier Adriani: 10 – 4 – 0.

– aan overmeier Charles Van Der Slachmolen: 12 – 0 – 0.

– aan procureur Robijns: 22 – 17 – 0.

– aan de overmeier het vijfde deel van de kosten van het proces van Jan De Grove contra Camermans: 14 – 0 – 0.

– aan Michiel Steppe voor de dagvaarding met zijn assistent in de zaak van Jan De Grove contra Camermans: 5 – 0 – 0 en nog eens 5 – 16 – 0 op vraag van de erfgenamen Jan Camermans ten voordele van Charles Van der Slachmolen junior.

– aan procureur Slachmolen junior voor het proces van Jan De Grove: 18 – 0 – 0.

– aan procureur De Bisschop: 17 – 0 – 0.

– aan Charles de la Mars: 17 – 19 – 2 plecken.

– aan de deurwaarder Van Schelle ten huize van Steven Meert: 5 – 0 – 0.

– aan advocaat Christijnen: 10 – 0.

– aan procureur Robijns voor het proces Camermans: 11 – 7 – 0.

– aan secretaris Gaillard van de Raad van Brabant: 7 – 4 – 0.

– aan dezelfde: 2 – 12 – 0.

– aan de deurwaarder voor de sommatie[50] van Camermans: 5 – 12 – 0.

– aan Wambacq de rest van de kosten ten laste van Gillis De Ridder en de zijnen: 25 – 0 – 0.

– voor de rendant: 172 – 0 – 1.

Totaal van de rekening Wambacq: 142 g 11 st 2 pl. Deze rekening werd gepresenteerd op 1 februari 1657 aan overmeier Charles Van Der Slachmolen, de schepenen Jan Van Ghinderachter en Aert Robijns, Gillis en Geerart Camermans, Geerardt Linthout, weduwnaar van Cathelijne Camermans, meester Martinus Wambacq als procuratiehouder voor Franchois Verhoeven, Michiel Camermans en Hendrick Aerts, man van Anna Camermans. Gillis en Michiel Camermans, Franchois Verhoeven en Hendrick Aerts protesteren tegen deze kosten omdat zij geen procuratie hebben gegeven om een proces in te spannen en de kosten die daaruit volgen.

Het proces Van Overstraeten – Wambacq[51]

Jan Van Overstraeten[52] spande op 9 oktober 1657 een proces in tegen notaris Martinus Wambacq. Volgens hem is Martinus Wambacq hem nog geld schuldig. Wat zijn de feiten?

Op 17 oktober 1656 bekende Jan Van Overstraeten bij notaris de la Mars dat hij aan notaris Martinus Wambacq  nog 70 g moest betalen en nog eens 103 g 15 st 1 o als vijfde part van 519 g 6 st 1 plek, zijn honorarium voor het proces tegen de kinderen Verhoeven. Van Overstraeten beloofde Wambacq te voldoen binnen de vier maanden. Op 13 april 1657, na een vermaning, betaalde hij 24 g en bleven er nog 79 g 8 st 1 o te voldoen wat Van Overstraeten ontkende. Omdat de notaris die betaling of een borgstelling bleef eisen, richtte Jan zich tot de schepenbank om de eis van Wambacq als niet ontvangbaar te verklaren. Volgens Van Overstraeten had Martinus Wambacq het geëiste geld al genomen tijdens het proces met de erfgenamen van Franchois Verhoeven. Martinus was dan griffier bij notaris De Bisschop.

Op 6 november diende Martinus Wambacq een antwoord in op de beweringen van Van Overstraeten. Nadat hij Van Overstraeten op 17 april 1656 sommeerde tot betaling heeft hij 28 g  6 st betaald en daarvan heeft hij het bewijs bijgehouden. Andere betalingen zijn er niet geweest.

Op 20 november reageerde Van Overstraeten op het antwoord van Wambacq. Hij heeft samen met zijn consoorten, samen 5 leden, een proces ingespannen voor de schepenbank van Affligem tegen de kinderen van Franchois Verhoeven. De kosten daarvan bedroegen niet 519 g 6st 1 plek, maar slechts 344 g. Zijn aandeel in de kosten was 68 g. Hij betaalde daarvan op 24 juli 1656 de som van 52 g 10 st en van dat bedrag heeft hij een kwitantie en volgens de kwitantie van 23 september 1656 betaalde hij aan Martinus’ vader 13 g 9 st. wat een totaal geeft van 66 g min 1 st. en daarmee was de schuld van Jan op 1 of 2 g na afbetaald. Maar Martinus, een slecht persoon landtsman van sijnen stiel bleef beweren dat de kosten 519 g 6 st 1 plek beliepen. Dat had tot gevolg dat hij op 27 oktober 1656 voor notaris de la Mars het contract heeft ondertekend alsof de twee betalingen van 52 g 10 st en 13 g 9 st nog moesten gevalideerd worden. Met dat contract kon Wambacq hem voor alle banken laten dagvaarden om de betaling te eisen. Zo komt het dat hij nog eens 24 g betaalde, dus 22 of 23 g teveel en die moet Wambacq restitueren en daarvoor heeft hij zich tot de schepenbank gewend. 

In zijn reactie vroeg Martinus dat de schepenen notaris De Bisschop zouden verzoeken om zijn kosten bekend te maken en hij herinnerde eraan dat Jan heeft bekend dat hij en de zijnen 519 g 6 st 1 plek schuldig waren en dat hij daarin het vijfde part had als erfgenaam van Jan Camerman en van Cathelijne De Witte.

Van Overstraeten ontkende dat de schuld van de erfenis is samengesteld uit de rekeningen van Gerard Linthout, Gillis De Ridder en Martinus Wambacq. Alleen de gezamenlijke rekening van Gerard en Gillis en die van notaris Wambacq komen in aanmerking want tussen de erfgenamen is pas op 1 februari 1657 een rekening gesloten en dat is 1 jaar en 4 maanden na 17 oktober 1656 waar hij bij notaris de la Mars het contract met Wambacq afsloot. Het bedrag van Gerards rekening mocht hij niet aanrekenen, maar na valse beloften en grote druk op Gerard en Gillis heeft de notaris in mei 1658 met eigen hand die rekening naar hem overgeschreven en geantidateerd met anderhalf jaar. Met diergelijcke trecken kon de notaris hem, maer sijnde een slechts eenvoudich huijsman ende geen greffier off practisijn, die obligatie van 103 g 15 st op 17 oktober 1656 opdringen. Vermits Jan zijn part in de kosten van het proces van de kinderen Verhoeven aan Wambacq al had betaald, zelfs teveel had betaald, is het toch voor de schepenen duidelijk dat notaris Wambacq onbehoorlijk heeft gehandeld en dat de zaak in handen van het officie fiscael moet komen.

Als reactie vroeg Martinus Wambacq aan de schepenbank om getuigen te verhoren. Het verhoor had plaats te Essene op 27 april 1660. Gillis Breem als schepen en Jan De Cuijper als griffier ondervroegen advocaat Slachmolen die Wambacq vertegenwoordigde en advocaat De Bisschop trad op voor Jan Van Overstraeten

Geerardt Linthout pachter en inwoner van Essene, 72 jaar, verklaarde dat hij door zijn eerste vrouw een van de vijf erfgenamen was van Jan Camermans. Maar een van de erfgenamen ging niet akkoord met de rekening van de inkomsten en uitgaven met het gevolg dat zij die rekening hebben gepresenteerd aan de meier en de schepenen van Asse ten huize van Nicolaes Meert op 1 februari 1657. Daar was Jan Van Overstraeten niet bij, wel zijn vrouw en twee zonen. Hij heeft toen samen met Gillis De Ridder aan Martinus Wambacq de volmacht gegeven om hun zaak te behandelen. De vrouw en de zonen Van Overstraeten hebben toen geen bewaar gemaakt tegen de betaling van het vijfde part van de erfenis. Geeraerdt was een jaar later wel aanwezig in het huis van meester Franchois Wambacq waar Van Overstraeten de obligatie voor notaris de la Mars heeft getekend zoals ook hij die heeft getekend. Zijn rekening is nooit opgenomen geweest in die obligatie. Daarna hebben Van Overstraeten en Martinus Wambacq meerdere glazen bier gedronken.

Gillis De Ridder[53] koster ende schoolmeester van Essene, 44 jaar, bevestigde dat hij zijn vijfde part aan Martinus betaalde en dat een van de erfgenamen niet akkoord ging met het slot van de rekeningen. Daarop werd besloten de schepenen te vragen de rekeningen te controleren, wat gebeurde ten huize van Nicolaes Meert. Aan Martinus Wambacq deelde hij het slot van hun rekening mee  zonder hem de opdracht te geven die te controleren. Voorts weet hij niet meer hoeveel hij en Geeraerdt hebben ontvangen voor het opstellen van de rekeningen.

Op 12 juli 1661 beslisten de schepenen Joos Van Ginderachter en Slachmolen het advies te vragen van de Raad van Brabant. Dat oordeel kwam er op 9 september 1661.

De Raad rekende zorgvuldig alles na en maakte een overzicht van de processen in deze complexe erfenis.

1. Het proces dat Gillis De Ridder, Geeraerdt Linthout en Michiel Camerman inspanden tegen de erfgenamen van Franchois Verhoeven voor de schepenen van Affligem. Op 16 juni werden de kosten getaxeerd op 324 g 2st.

2. De kosten van het beroep op de kamer van Ukkel getaxeerd op 23 september 1652 op 61 g 1 st 2 pl.

De totale kosten beliepen 385 g 3 st 2 pl. en daarvan moest worden afgetrokken:

– 48 g 16 st, een bedrag dat tweemaal werd aangerekend;

– 46 g 15 st die Geeraerdt aan de vader van Martinus had betaald;

– 29 g door Linthout aan advocaat De Bisschop betaald.

Het bedrag van de korting was 124 g 11 ½ st en er bleef nog 260 g 11 ½ st 2 pl te betalen zodat iedere erfgenaam 52 g 2 st 1 o moest bijdragen. Dat bedrag heeft Martinus Wambacq van Jan Van Overstraeten gekregen op 14 juli 1656, drie maanden voordat hij met dreigementen Van Overstraeten en Geeraerdt Linthout een obligatie deed tekenen van 103 g 15 st. Bijgevolg ontving notaris Wambacq ontving nog 13 g 9 st op 23 september en 24 g 6st 1 bl van Gillis Van Neervelt, samen 38 g 3 st 1 bl en heeft hij Van Overstraeten bedrogen. Te kwader trouw heeft hij de controle van de rekening van Geeraerdt en Gillis aangerekend en geantidateerd met anderhalf jaar. Daarom moet volgens de Raad van Brabant de notaris de tegenpartij schadeloos stellen door 38 g 3 st 1 bl te betalen.

Op 25 oktober 1661 reageerde Martinus Wambacq op het advies van de Raad van Brabant. Het contract bij notaris de la Mars is door zijn opponent getekend met kennis van de inhoud. Hij wil ook dat Van Overtsraeten alle schriftelijke documenten nog eens voorlegt en dat hij zijn domicilie in het Land van Asse moet nemen. Van Overstraeten woonde in Sint-Martens-Lennik.

Het vonnis.

Pas op 1 oktober 1663 volgde het definitief advies van de advocaten van de Raad van Brabant aan de schepenen van Asse. Zij verklaren dat notaris Wambacq quaelijck ende onbehoorelijcke heeft gehandeld en 38 g 3 st aan Van Overstraeten moet betalen en de proceskosten.

1657. De hoofdmeier tegen Franchois en Michiel Wambacq, schepenen en griffier van de abdij Affligem: inpalmen van de openbare weg (holle weg) bij de uitbating van een steengroeve.

Zie: Liet Franchois Wambacq zandstenen poelen in de Eksterenbergstraat ?

IN DE SCHADUW VAN AFFLIGEM – Bijdragen aan de regionale geschiedenis – Ben Vermoesen & Edmond Schoon (video.blog)

E-1658. Waren de kareelstenen al betaald[54]?

Peter van der Borcht en Cattelijne De Mey gingen in 1644 een lening aan bij Peter Van Mulders en Elisabeth Wambacq. De rente bedroeg 25 g. In de loop van de maand november van 1652 leverde  Peter Van Mulders 4 200 kareelstenen aan Peter Van der Borcht. Na het overlijden van Peter geraakte zijn vrouw Cattelijne in financiële problemen. Ze moest niet alleen de rente betalen, maar ook nog een deel van de kareelstenen. Al twee jaar kon ze de rente niet betalen. Toch slaagde ze erin om op een bepaald moment in 1652 36 g aan Elisabeth Wambacq geven. 25 g waren bedoeld als rente en 11 g voor de kareelstenen. Maar Elisabeth besliste er anders over. De 36 g waren volgens haar de betaling voor de kareelstenen en ze eiste nog 25 g voor de rente.  Ze wou, steeds volgens Cattelijne, voor de 36 g geen kwitantie geven. Ze is dan weenende ende crytende naar huis gelopen. Ze stond nu voor 50 g in de schuld bij Elisabeth en die richtte zich tot de schepenbank om de 50 g op te eisen. Om een schandaal te vermijden, leende Cattelijne de 50 g bij haar neef Joos De Raedt.

In 1658 eiste de tweede man van Elisabeth Wambacq, Hendrik Vranckx nog 25 g op als laatste betaling voor de stenen. Cattelijne stelde vast dat op de factuur die Hendrik bij de schepenbank had neergelegd geen datum van levering stond. Bijgevolg kon Hendrik niet bewijzen dat Peter Van Mulders ooit kareelstenen aan haar had geleverd. Een zwak argument want Hendrik verlaarde dat er voor het nieuwe huis van Cattelijne kareelstenen waren gebruikt, wat meerdere mensen konden getuigen. Cattelijne verwonderde er zich in haar reactie over dat Hendrik Vranckx pas na 6 jaar een datum van de levering kon voorleggen. Bovendien zou Peter Van Mulders tijdens zijn leven zeker de betaling hebben geëist en geen 6 jaar hebben gewacht. Het is gewoon op aansporen van zijn vrouw, die graag geld ziet, dat Hendrik geld kwam eisen. De rekening die hij voorlegde, vermeldde trouwens geen prijs per 1 000 stenen en evenmin het bedrag en de datum van wat al was betaald. Cattelijne had wel een kwitantie van 8 g 12 st die haar zoon Michiel Van der Borcht op 15 mei 1654 had betaald en ze verwees ook naar een plakkaat van keizer Karel uit 1540 dat bepaalde dat alle waren die aan slijtage onderhevig waren, binnen de twee jaar na levering moesten betaald zijn en stenen waren, volgens haar ook onderhevig aan slijtage. Kwam de schuldenaar te overlijden, dan mocht de schuldeiser het achterstal binnen de twee jaar van de erfgenamen opeisen. Dat was allemaal niet gebeurd en Cattelijne besloot haar argumentatie met te stellen dat Elisabeth zomaar op den wilden boff  25 g kwam eisen.

E-1658. Straatschenderij en moedwilligheden[55].

Op woensdag 24 juli (jaartal ontbreekt) ondervroegen de schepenen Aert Robijns en Michiel De Bisschop op last van hoofdmeier Joannes Charles Crabeels enkele getuigen van een straatschenderij.

Als eerste kwam Joos Timmermans, een 19-jarige inwoner van Sint-Katharina-Lombeek aan de beurt. Hij had op woensdagnacht omtrent half een zijn paard ingespannen om op vraag van Merten De Paepe, een brouwer uit de Steenstraat te Ternat, mergel te gaan halen  in de steengroeve aan de Exterenberg. Op weg met Joos De Paepe, zoon van Michiel,  werden ze aan het huis van pachter Jan De Meije tegengehouden door Guillam Verbeiren, de knecht van Jan De Meije, en een persoon die hij niet kende. Die twee mannen wilden weten waar ze naartoe reden. Joos antwoordde dat ze op wandel waren en ze mochten door. Nadat hun wagens met mergel geladen waren, keerden ze terug, maar aan het huis van Jan De Meije stonden opnieuw twee mannen onder een eik. Een van hen greep zijn paard vast. Joos riep hem toe dat hij niet mocht slaan want dat hij hem kende. Hij kon verder rijden, zijn compagnon echter sloegen ze met hun stokken op zijn rug, trokken hem van de wagen, sleurden hem naar de mesthoop en een groot deel van de mergel stootten ze van de wagen.

Hendrik De Meersman, de 18-jarige zoon van Cornelis, woonde bij zijn schoonvader Merten De Paepe. Op diens verzoek was hij die woensdagnacht ook vertrokken om mergel te halen. Jacques Taelman volgde hem met zijn door paarden bespannen wagen. Aan het huis van Jan De Meije en Lucas Geerstman gekomen, zag hij de geladen wagen van de knecht van Peter Van der Heyden staan.Twee mannen hadden het berd, een houten zij- of achterplank, van de wagen getrokken zodat een deel van de lading op de grond viel. De knecht plaatste het berd terug, schepte de mergel op en vertrok samen met Hendrik Van Pissote. Zelf ging hij zijn wagen laden en op de terugweg hielde dezelfde twee mannen hem tegen en sloegen hem en zijn paard met hun stokken. Zijn paard hield er een wonde op zijn rug aan over. Van Hendrik Van Pissote vernam hij later dat een van de mannen Guillam Verbeiren was, de knecht van Jan De Meije.

De 64-jarige molenaar Gillis Parmentier was ook op de vraag van Merten De Paepe ingegaan om mergel te gaan halen. Aan het huis van Jan De Meije zag hij de wagens van Peter Van der Heyden en Hendrik Pissote staan. Hendrik Van Pissote, die altijd het laatste woord wou hebben, hoorde hij zeggen: Guillam, waarom doe je dat, het is de wagen van Merten De Paepe. Gillis is dan naar de steenpoel gereden en terwijl hij aan het laden was, kwam daar de wagen van Jan Maes toe, zonder voerman en met slechts drie wielen. Hij is de voerman en het wiel gaan zoeken. Het wiel vond hij aan het huis van Jan De Meije en de knecht van Jan Maes, Jacques Taelman, lag in de gracht. Die was voor de twee boeven gaan lopen toen ze met hun stokken begonnen te slaan.

Carel De Bont, zoon van Carel, 36 jaar en afkomstig van Sint-Katharina-Lombeek, was met de knecht van Joos Troch en met Jan Van Gucht, de zoon van Joos, op weg met drie wagens om mergel te halen. Aan het huis van Jan De Meije hoorde hij roepen, tappe sur. frappe sur en hij zag hoe twee mannen met hun stokken Jan Van Gucht sloegen. Ze spoorden hun paarden aan en konden ontkomen.

De 31-jarige Jacques Taelman was de laatste die werd ondervraagd. Hij hoorde Hendrik Van Pissote tijdens de schermutselingen aan het huis van Jan De Meije zeggen: Guillam, wat manieren sijn dat, gij soudt beter op uw bedde gaan liggen slapen als ons hier affronten. Op de terugweg vond hij een jonge man in een gracht en tegelijk kwamen twee mannen op hem toegelopen die riepen: avans merblu, tappe sur. Hij vroeg hen waarom ze sloegen en voegde eraan toe dat Merten De Paepe een goede huisvader was en dat hij nooit aan iemand van Essene kwaad had gedaan. Toen trokken ze een berd van de wagen en sloegen op zijn paard. Dat schrok en stormde weg.

Zinloos geweld en vandalisme zijn blijkbaar van alle tijden.

E-1659 – 1661. Lucas Wambacq gaat zwaar in de fout[56].

Lucas Wambacq, pachter en brouwer te Essene, was een zoon van Franciscus en Catharina Troch. Franciscus werd omstreeks 1580 te Essene gedoopt als zoon van Michiel en Barbara De Wever. Hij overleed op donderdag 30 juni 1661 te Essene, ongeveer 81 jaar oud. Hij trouwde in 1613 te Essene met Catharina Troch, de dochter van Jan en Cathelijne Plas. Cathelijne werd gedoopt omstreeks 1587. Zij hadden 9 kinderen te Essene gedoopt.

1. Barbara, gedoopt op zondag 3 augustus 1614 en overleden op vrijdag 2 augustus 1652 in Hekelgem, 37 jaar oud.

2. Elisabeth, gedoopt op donderdag 21 januari 1616, en overleden op vrijdag 7 december 1674 in Asse, 58 jaar oud. Zij trouwde met Peter Van Mulders, griffier te Asse. Hij werd in 1608 te Asse gedoopt en overleed in 1660, 52 jaar oud.

3. Michiel, gedoopt op dinsdag 17 oktober 1617 en overleden op zondag 22 1690 in Essene, 73 jaar oud. Michiel was de eerste bewoner van Het Ankerhof en meier van de schepenbank van de abdij. Zie ook Jaarboek Belledaal, 2008, 213.

4. Martinus, gedoopt op zaterdag 19 oktober 1619 en overleden op woensdag 6 februari 1675, 55 jaar oud. Hij was notaris te Essene en griffier van de abdij.

5. Catharina, gedoopt op zondag 12 december 1621 en overleden op zaterdag 15 maart 1681 te Asse, 59 jaar oud.

6. Anna, gedoopt op woensdag 7 februari 1624 en overleden voor 1625.

7. Anna, gedoopt op zaterdag 22 maart 1625.

8. Lucas, gedoopt op donderdag 14 juni 1629 en overleden op 10 september 1670 in Essene, 41 jaar oud.

9. Joanna, gedoopt op woensdag 13 januari 1638.

Lucas was vermoedelijk de laatste pachter van het Hof ter Borcht. Deze grote hoeve was oorspronkelijk verbonden aan de burcht van Essene. Ze bevond zich in het centrum van het dorp, ten zuiden van de kerk en behoorde in de 12de en 13de eeuw toe aan de ridders van Essene. In het begin van de 16de eeuw nam de familie Wambacq het bedrijf over. Achtereenvolgens waren Jan, Michiel, Grelis, Michiel en Franchois er de uitbaters. Franchois, de vader van Lucas, was griffer van de schepenbank van de abdij. Hij kocht op 30 juni 1661 het Hof te Belle van de abdij voor 900 gulden.

Het gezin van Lucas Wambacq.

Lucas trouwde een eerste maal met Cathelijne Bruijaert op 4 juli 1649 met wie hij vijf kinderen had die te Essene werden gedoopt:

1. Catharine, gedoopt op 26 april 1650

2. Adriana, gedoopt op 12 december 1651

3. Joanna, gedoopt op 28 december 1653

4. Franciscus, gedoopt op 10 augustus 1655

5. Michael, gedoopt op 29 mei 1657.

 Na de dood van Cathelijne in 1657 hertrouwde hij met Anna Van de Putte op 19 juli 1657. Zij was een  dochter van Aert, gedoopt te Essene op 16 november 1629. Anna overleed in 1662. Met zijn tweede vrouw had Lucas nog vier kinderen:

1. Arnold, gedoopt op 17 juni 1658

2. Guillelmus, gedoopt op 5 april 1660

3. Martinus, gedoopt op 14 augustus 1662, overleden in 1720

4. Joannes, gedoopt op 6 januari 1665.

Processen.

Een verzwegen grondcijns

In de procestukken van de schepenbank treffen we Lucas Wambacq aan in 1655. Hij had dat jaar 48 r land gekocht van Adriaan Schockaert. Het perceel lag op Het Doreken en paalde aan Jan Van den Abeele, zijn eigen goed, de weduwe Michiel Van Vaerenbergh en de Vijvermeers. De grond was belast met een grondcijns. Adriaan verzweeg bij de verkoop aan Lucas dat hij op 5 november 1650 het land als pand had gegeven voor een erfelijke rente van 25 g aan sieur Matthias Van der Jeught en zijn vrouw Joanna Catharina Mertens. Die eiste aan de nieuwe eigenaar de betaling van de rente wat aanleiding gaf voor het proces dat Lucas inspande tegen Adriaan want hij wou dat Adriaan hem de 25 g rente betaalde of dat hij ervoor zorgde dat het goed van de rente werd ontlast.

In de clinch met de collecteurs

1659 was een anno horriblis voor Lucas Wambacq. Op korte tijd geraakte hij driemaal in de problemen, eerst tweemaal met de collecteurs van Asse en een derde maal met de hoofdmeier.

Met de collecteurs betwisste Lucas zijn aandeel in de belastingen. Volgens Steven Meert bedroeg het aaandeel van Lucas in de rationsboeck van de Vrijheid van Asse 6 g 18 st 1 bl. Lucas betaalde slechts 4 g en bleef zo nog 2 g 18 st 1 bl schuldig. Omdat Steven Meert het geld bleef opeisen, daagde Lucas hem voor de schepenbank.

Met collecteur Michiel De Bisschop kreeg hij het aan de stok over zijn bezittingen in Asse. In 1657 belastten de bedesetters van Asse hem voor 34 st voor drie percelen die Lucas bezat in Asse, namelijk een partij land van 1 d 75 r, een van 6 d 30 r en een perceel van 1 b 1 d 70 r. Lucas ging daarmee niet akkoord en hij maakte twee bezwaren. Voor de eerste twee percelen betwisste hij de opgegeven grootte en hij liet gezworen landmeter Joos Van Langenhove de percelen opmeten. Die kwam tot de vaststelling dat ze samen een oppervlakte hadden van niet meer dan  2 b 6 r. Wat het veld van 1 b 1 d 70 r betrof, dat was niet van hem, maar van zijn broer Michiel. In de plaats van 36 st betaalde hij 20 st, wat hem een dagvaarding voor de schepenbank van Michiel De Bisschop opleverde. Tijdens het proces bleek dat Lucas tot 1657 peijselijck ende vredelijck de 36 st betaalde en dus kreeg hij ongelijk.

Zware beschuldigingen

Op 27 december 1658, de derde kerstdag, zaten enkele mannen in de keuken van de koster en schoolmeester Gillis De Ridder[57] gebrande wijn te drinken. Een van hen, Lucas Wambacq, was er duidelijk op uit om ruzie te zoeken met Hendrik Van Hersele, de knecht van molenaar Aert Van de Putte. Hendrik had diens hond bij zich en Lucas begon het dier te slaan terwijl hij Hendrik verweet een dief te zijn. Op een bepaald moment vlogen ze elkaar in de haren en stampend en slaand vielen ze op de grond. Enkele aanwezigen konden de vechters uit elkaar halen, maar de woede van Lucas was nog niet over. Hij trok zijn mes en viel Hendrik weer aan. Dat werd een noodlottig gevecht dat voor beiden dramatisch afliep. Hendrik kreeg een messteek in de buik en overleed de volgende morgen aan die verwonding. Het bebloede mes van Lucas werd later onder de keukentafel gevonden.

Op 22 februari begonnen schepen Joos Van Ginderachter en griffier Van Mulders met het verhoor van de getuigen die door dorpsofficier Michiel Steppe waren gedagvaard.

Gillis De Ridder, de 42-jarige herbergier, koster en schoolmeester, kwam als eerste aan de beurt. Hij verklaarde dat op 27 december enkele mannen in zijn keuken brandewijn dronken. Onder hen Lucas Wambacq die Hendrik Van Hersele, de knecht van Aert Van de Putte[58], molenaar op de Avennemolen, aan het pesten was. Hij sloeg de hond. Op de vraag van Hendrik waarom hij zijn hond sloeg, antwoordde Lucas: wel gij hondsot ick mach hem soo wel slaen als gij off beter en meteen vloog hij op Hendrik af. Hij trok hem bij zijn haar. Met de hulp van Carel De Nagel kon Gillis hen uit elkaar halen. Even later stortte Lucas zich weer op Hendrik en hij hoorde Hendrik roepen: mijnen buijck, ende heere ick ben gequetst. Een van Gillis’ dochers vond onder de tafel het mes van Lucas Wambacq. Hij zag dat Hendrik een grote wonde had in zijn buik. De volgende dag is hij gestorven.

Peter Schoep, een pachter van 57 jaar, was een van de mannen in de keuken. Hij zag het getreiter van Lucas en het gevecht. Toen Hendrik riep dat hij gekwetst was, hoorde hij Lucas zeggen: dicken dieff hebdij het noch niet genoech, ick salt u genoech geven. Hendrik had een grote wonde en onder de keukentafel lag een bebloed mes.

Franchois Van Vaaerenberhe, zoon van Adriaan, 24 jaar, verklaarde dat na veel gekrakeel Lucas Wambacq en Hendrik Van Hersele begonnen te vechten. Op een bepaald ogenblik stond Hendrik recht en hij hield zich aan hem vast met een hand op zijn bebloede buik. Hendrik strompelde naar buiten, liep tot aan de school en viel daar omver en bleef liggen.

Franchois Stevens, zoon van Joos, 24 jaar, vermeldde dat er ook vrouwen in de keuken van Gillis zaten. Nadat Lucas de jonde Hendrik lange tijd had getergd, ontstond er tot tweemaal toe een gevecht. Nadat ze een eerste keer uit elkaar waren gehaald, zat Lucas aan de schouw met een mes in zijn handen dat hij onder zijn instacorps trachtte te verbergen. Als het gevecht herbegon, vielen beiden tegen de tafel. Franchois zag toen de wonde in de buik van Hendrik.

Carel De Nagel, 37 jaar, bracht nieuwe informatie aan. Hij stond op het kerkhof als Lucas Wambacq hem zei: ick wiste wel dat ick dien dicken dieff hier soude vinden, alwas het huijs van Nicolaes Meert gepasseerd nochtans wiste ick wel dat hij het gebranden wijnhuijs niet en soude voorbij gaen. Even later ging hij ook naar binnen, maar als het vechten begon, vertrok hij. Toen hij weer in de keuken kwam, zag hij dat Lucas met een mes in zijn handen Hendrik aanviel. Voor hij de keuken opnieuw verliet, hoorde hij Hendrik nog zeggen dat hij gekwetst was. Carel Rogiers, zoon van Joos en een 25-jarige radenmaker, legde dezelfde getuigenis af als Carel De Nagel.

Op 10 maart 1659 nam Jan Van den Slachmolen de taak over van Joos Van Ginderachter. Hij ondervroeg Jenneken De Ridder, de 20-jarige dochter van Gillis. Zij zag de vechters op de grond vallen. Hendrik stond op, met zijn handen op zijn buik, zei hij: mijnen buijck, ick moet liggen. Hij ging evenwel naar buiten en zakte aan de school van haar vader ineen. Hij bleef er liggen.

Op13 maart was schepen Joos Van Ginderachter weer present voor de ondervraging van Elisabeth Camermans, de vrouw van herbergier Gillis. Zij kwam van haar winkel de keuken binnen en zag dat Lucas met een mes in zijn handen Hendrik aanviel. Zij zag de wonde in de buik van Hendrik die naar buiten ging. Aan de school viel hij en bleef liggen. Hij werd naar binnen gedragen en bleef er tot de volgende morgen liggen. Omstreeks 8 u. is hij gestorven. Een van haar dochters vond een half uur later het bebloede mes van Lucas onder de keukentafel. Zij heeft het aan de schepenen overhandigd.

Was het goud te hoog geschat?

Op 19 januari 1657 kocht Lucas het erfdeel dat Gillis Coppens van zijn vader Abraham had verkregen voor 575 g. Hij betaalde daarvan 525 g en later nog eens 10 g zodat hij nog 40 g schuldig bleef. Omdat Gillis niet in der minne aan zijn geld geraakte, wendde hij zich tot de schepenbank. In zijn verweer betoogde Lucas Wambacq dat het goud van de erfenis te hoog was geschat en zeker geen 25 g waard was. Gillis erkende dat en ging akkoord met 10 g die Lucas betaalde. Zo resste er nog 25 g die hij van Lacas via de schepenen eiste.

Ruzie met Adriaan Van Vaerenbergh.

Als kind zou Adriaan Van Vaerebergh poedermate van sekeren bandelier, door een soldaat achtergelaten in zijn vaders huis,  hebben afgetrokken. Dat voorvan vertelede hij eens aan Lucas Wambacq. Jaren later, in 1661, verweet Lucas tijdens een caféruzie Adriaan dat hij een dief was. Omdat meerdere personen daarbij aanwezig waren, nam Adriaan het verwijt zeer ernstig en hij stapte op 28 november 1661 naar de schepenen met de eis om Lucas Wambacq te veroordelen om op een gerechtsdag te verschijnen tussen twee officieren, gekleed in een linnen gewaad en met een brandende kaars in zijn handen. Hij moest God en hem om vergiffenis vragen en getuigen dat Adriaan een man van eer en deugd was  met een goede faam. Hij vroeg ook een boete van 300 g bestemd voor de huisarmen van Essene. Tegelijk richtte hij zich tot de Raad van Brabant met het verzoek om Lucas Wambacq binnen de acht dagen voor de rechtbank te dagen. Dat verzoek werd ingewilligd en overgemeekt aan de schepenen van Asse op 2 december 1661.

Lucas Wambacq antwoordde op 17 december en hij ontkende de beschuldiging. Hij had Adriaan zeker geen dief genoemd en hij somde zelf een aantal beschuldigingen aan het adres van Adriaan op:

– Eigenlijk had hij Adriaan wel een dief genoemd, maar hij had wat gedronken en bijna onmiddellijk verklaarde hij ick segge niet dat gij een dieff sijt.

– In de herberg van Adriaan hoorde hij dat die allerlei dingen opnoemen die zijn broer Martinus als jonge man zou hebben uitgespookt.

– Bij een andere gelegenheid maakte Adriaan bij hem thuis ruzie met zijn broer Franchois, Jaspar Camerman en Jan De Meije. Op een bepaald moment werd er met stokken geslagen en zelfs met een roer geschoten. Adriaan trok de kaars uit de handen van zijn vrouw en gaf haar zo’n schop dat ze op de water steen viel. Hij en Jaspar Camerman zijn dan naar buiten gevlucht.

– Omdat Adriaan nog een aanzielijks som aan zijn broer Martinus moest betalen, spande hij uit wraak een proces tegen hem in.

Lucas vroeg de schepenen om de klacht van Adriaan Van vaerenbergh als niet ontvankelijk te beoordelen.

Uiteraard ontkende Adriaan wat Lucas tegen hem inbracht. En ja, hij had woorden gehad met Martinus Wambacq, maar op het einde hebben ze als vrienden een pint gedronken. Hij bleef bij zijn eis.

De nalatenschap van Lucas Wambacq.

Voor de meier van de abdij verschenen op 5 april 1672 Adriaan Van der Sraeten en zijn vrouw Cathelijne Wambacq als voogden voor drie minderjarige kinderen uit zijn eerste huwelijk en Michiel Wambacq en Peter segers als voogden van de kinderen met zijn tweede vrouw. De goederen van Lucas als langstlevende werden in twee gelijke delen verdeeld, behalve wat vooraf al ten deele was gevallen aan de kinderen uit het eerste huwelijk de opbrengst van verkochte goederen in de parochie van Bever in Henegouwen.

1. Een hofstede met weiland en hout, een vloghe, varkenshokken, grote schuur, paarden- en koeienstal, groot 240 r, palend aan de vijvereusel, en de goederen van Peter De Bus, getaxeerd op 1466 g.

2. Een meers met bomen palend aan de Varensstraat, aan Affligem, de markies van Asse en Nicolaas Fasseel, getaxeerd op 181 g.

3. Een perceel van 90 r gelegen op Den Grenaert, palend aan de voetweg van Aalst naar Ternat, Carel De Nagel, Michiel Wambacq, het Rodeklooster en Peter De Bus, getaxeerd op 266 g 5 st.

4. Een perceel van 3 d 75 r op Het Doreken, palend aan de Vijvermeers, Jan De Paepe en Jasper Camerman, getaxeerd op 750 g.

5. Een rente van 30 st van een kapitaal van 24 g van Guillam De Brackel uit Wambeke.

6. Een hofstede met hopstaken van 50 r, palend aan de straat, Jan Van Vaerenbergh, de erfgenamen Jan Raspoet en Jasper Camerman, getaxeerd op 168 g.

7. Een veld gelegen op het Doreken, 1 d 38 r, palend aan Bartolomeus De hertoghe, de armen van Asse, wijlen meester Joos Van der Heyden en Michiel Wambacq, getaxeerd op 310 g 10 st.

8. Een perceel gelegen op De Montil, 1 d 20 r, palend aan de Pelinkvijver, jonker Francis Van Steenlandt, de erfgenamen Jan Coppens en de erfgenamen Jan De Witte, getaxeerd op 342 g.

9. Een hofstede met een nieuw huis aan de Krekelendries, 1 d 25 r, palend aan de straat, Den Boonhof en Gillis Van den Broeck, getaxeerd op 663 g 10 st.

De kinderen op zijn eerste huwelijk erfden:

1. De hofstede met weiland en hout, een vloghe, varkenshokken, grote schuur, paarden- en koeienstal, groot 240 r,

2. Een veld op Den Moorter, 90 r, palend aan de Belleweg, de erfgenamen Gerard Linthout, de heer Besar en de erfgenamen Van der Meulen, getaxeerd op 180 g.

3. Het Langeveld met bomen, 220 r, palend aan de Berenbremt, Marie T’ Kint, de weduwe van Jacques Van Bossuyt, Franchois De Bailliu en Guillam T’Kint met een last van 25 g aan het godshuis Ter Histen in het begijn hof van Brussel, getaxeerd op 222 g 5 st.

4. Land op Het Doreken, 2 d 10 r, palend aan GillisVan den Broeck, Jan Longin, de groeneweg en Jan De Paepe, getaxeerd op 420 g.

5. Een hofstede genoemd Den Schockaert, 175 r, palend aan de straat, Jan De Smet en Adriaan De Ridder met een last van 2 viertelen rocx voor het gasthuis van Asse, 2 viertelen rocx aan de armen van Asse.

6. Deel van een rente van 502 g 8 st van Jan Matthijs met een rente van 2 g 7 st.

7. Land op De Moorter, 71 ½ r, palend aan het goed van Affligem en Frachois De Bailliu, getaxeerd op 187 g 14 st 1b.

8. Een perceel van 1 d 22 r, palend aan de Boonhof en de erfgenamen van sieur Hendrik Wellens, getaxeerd op 229 g 10 st.

Deze akte werd verleden door de schepenen Joos Van Ginderachter, Guillam T’ KInt, Peter Moortgat en Nicolaas Meert, schepenen van het markizaat en vrijheid van Asse in aanwezigheid van Charles Ignatius Crabeels, drossaard en Carel Steppe, dorpsofficier.

Een vergelijking met de inventaris van de nalatenschap breng alleen maar verwarring want er komen nieuwe percelen voor met andere oppervlaktes en andere aangelanden. Een mogelijke verklaring is dat bepaalde percelen werd verdeeld of dat ze uit de erfenis van Cathelijne Breijaert voortkwamen.

1660. Michiel Wambacq beschuldigt griffier Gillis Van Mulders[59].

Een ongewoon proces: Volgens griffier Gillis Van Mulders was Michiel Wambacq[60] nalatig in de betaling voor akten, handtekeningen en kopieën enz. aan de schepenbank van Asse. Na herhaald aan dringen kwam er verrassende wending in de zaak. Michiel trok zelf naar de schepenbank en diende een klacht in tegen Gillis. Die legde de schepenen een gedetailleerde rekening voor waaruit bleek dat het in het totaal omeen schuld van 95 g 12 ¼  st  ging. Na 26 augustus bleef daarvan nog 59 g 6 ½ st over.

1661. Wie moet betalen voor het kind van Adriaan Linthout[61]?

Op 18 november 1659 kwamen Gerard Linthout en zijn zoon Adriaan met Joos Taelemans overeen om Gerard, het kind van Adriaan bij zijn eerste vrouw, te nouriceren ende te alimenteren voor 46 g per jaar. Die overeenkomst gebeurde in de herberg De Valck van brouwerJan Hellincx te Ternat. Maar anderhalf jaar later, op het feest van Hemelvaart had Joos slechts enkele betalingen gekregen:

– van Gerard 7 g;

– van Cathelijne Van der Smissen 23 g

– van gerard een stuk hout van 4 g 5 st waarvan hij voor 5 st koussen voor de kleine Gerard moest kopen;

– toen hij het kind bij Gerard bracht, gaf die hem 4 g 16 st

– in Den Hert te Asse betaalde Gerard hem 4 g 12 st

–  met Pinksteren kreeg hij 6 g

–  nog enkele kleine betalingen zodat er nog een tekort was van 14 g 8 st.

Meer wou Gerard niet geven en Joos trok in 1662 naar de schepenbank.

In zijn antwoord op de beschuldigingen stelde Gerad Linthout dat een vader niet aansprakelijk is voor de schulden van zijn kinderen. Hij ontkende ook dat hij de overeenkomst met Joos sloot. Wel heeft hij omwille van de goede naam van zijn zoon 17 g betaald, wat niet betekende dat hij de schuldenaar is. Dat gold ook voor Cathelijne Van der Smissen. Tot slot voegde hij er nog aan toe dat Adriaan hertrouwd was en in Mechelen woonde.

Cathelijne Wellemans, de weduwe van Joos Taelemans, weerlegde Gerards stelling dat hij geen contract had afgesloten met Joos. Hij had het zelf geregeld dat Joos het geld kon ontvangen in Den Hulstboom te Brussel en het was een feit dat Gerard meerdere betalingen heeft gedaan.

Het proces sleepte zich voort. We zijn al in 1663 als Barbara Van Pissote reageerde op de het verweer van Cathelijne Wellemans. Zij is de weduwe van Gerard Linthout en zij gaf toe dat haar man betrokken was bij de uitbesteding. Maar het ging om het kind van Adriaan en die heeft in meerdere brieven bevestigd dat hij verantwoordelijk was voor de overdracht aan Joos Taelemans. Die breiven bewijzen dat Gerard niet kan opdraaien voor de schulden die Adriaan nog had bij Cathelijne.

Op den X° marty XVI° vierentsestich comparerende voor mij notaris ende getuijgen naergenoemt Adriaen Linthout woonachtich binnen dese stadt Mechelen heeft ten versoecke van wegen Geerart Linthout verclaert ende geattesteerd onder eede in handen mijns notaris gepresteerd warachtich te wesen dat hij sijn kindt bij hem behouden van sijne eerste huijsvrouwe selffs heeft bestaijdt aen Joos Taelmans des geleden den XVIII° november in den jaere XVI° negenenvijftich ende dat in de herberg “Den Valck” binnen den dorpe van Ternat ende daerop alsdoen betaelt te hebben het gelach ende des anderen daeghs voor eenen goidtspenninck gegeven te hebben twelff stuijvers sonder dat den voorschreven requirant hem dies heeft bemoijt, constituerende voorts den voornoemde comparant………… om ’t selve voor alle heeren, hoven, ende wetten daer ’t versocht off van noode wesen sal te vernieuwen mitsgaders den voorschreven eedt in sijns comparants ziele te presteren promittens et obligans prout in forma.

Actum tot Mechelen present Peeter Van ? ende Jan Ladou getuijgen, de minute es bij den comparant onderteeckent met mij notaris.

1661. Franciscus Wambacq in de clinch met de hoofdmeier[62].

In 1661 vaardige Andreas Creusen, aartsbisschop en tevens abt van Affligem, een ordonnantie uit die bepaalde  dat voortaan de rekeningen van de kerkmeester en die van de huisarmenmeester van Essene elk jaar omstreeks Pasen aan de pastoor en aan gekwalificeerde inwoners van Essene moesten gepresenteerd worden. Franchois Wambacq[63], griffier van de Affligemse schepenbank, kreeg de taak die te controleren. Een tweede voorschrift handelde over de kosten van reparaties aan de kerk. Die rekeningen moesten aan dezelfde personen worden voorgelegd, maar niet meer aan de hoofdmeier en de schepenen van Asse.

Volgens die instructies van de aartsbisschop wilden de kerkmeester Jan De Meije en huisarmenmeester Gillis De Baetselier op 11 april hun rekeningen presenteren ten huize van brouwer Nicolaas Meert aan de pastoor en anderen. Geheel onverwacht verscheen ook de hoofdmeier met de schepen Aert Robijns[64] in de keuken van Nicolaas Meert. Franchois Wambacq vroeg direct aan de hoofdmeier wat hij kwam doen. We kennen het kerkgebod en komen luisteren naar de presentatie van de rekeningen, was het antwoord van de hoofdmeier. Er ontstond dan een heftige woordenwisseling tussen Franchois en de hoofdmeier. Aert Robijns legde op verzoek van schepen Jan Van der Slachmolen daarover een getuigenis af. De ruzie verliep als volgt:

-Franchois: wij en kennen u niet, gij sult se niet hooren, wij hebben den bruijt van u.

-Hoofdmeier: wij sullen se hooren… gij hebt gesien ende gij weet wel de ordonnantie tot uwen laste gestelt op onse requeste bij den Raede van Brabant, obedieert de selve. De hoofdmeier had tegen de beslissing van de aartsbisschop een klacht ingediend bij de Raad van Brabant.

Franchois: de Raede van Brabant, ick lache daermede ende ick hebbe de bruijt van u ……. ende gijlieden en sult de rekeningen niet hooren, gij en hebt er niet te doen.

Daarop verlieten de hoofdmeier en Aert Robijns de keuken en gingen een kamer binnen om te overleggen, maar de anderen volgden hen. De hoofdmeier vroeg hen de kamer te verlaten, wat ze ook deden behalve Franchois Wambacq. Die ging pas weg toen de vorster, Michiel Steppe, hem dreigde naar buiten te sleuren. Ondertussen knorde hij wat bruijt hij nu dien schoonen joncker, ick hebbe noch alsulcken jonckers gesien. De hoofdmeier en Aert Robijns verlieten pas in de namiddag Essene, maar rekeningen hadden ze gezien of gehoord.

In juni ontstond er opnieuw ruzie tussen de hoofdmeier en Franchois Wambacq. Michiel Steppe had in opdracht van de pastoor de lammeren vertiend. Franchois gaf aan dat hij 50 lammeren had en volgens de pastoor waren dat er vier te weinig. De pastoor diende een klacht in en Michiel Steppe befgaf zich op 11 juni naar het huis van Franchois. Daar wachtte hem een koele ontvangst. Wat bruijt mij dien paep dat hij hier waere, ick soude hem met mijnen stock op sijn kop bruijen, en Franchois Wambacq vervolgde: Merten ende Martinus (zijn zonen) gaet wacht het daer gij den paep vindt ende slaet daerop, ick sal u affdragen al watter van compt. Maar zijn zonen antwoordden hem dat hij soude swijgen ende want redelijck is.

Comparerende voor de schepenen der Vrijheijt ende Lande van Assche Michiel Steppe officier der prochie van Esschene oudt LXIIII° jaeren heeft vercleert ende gecertificeerd soo hij doet bij desen soo ten versuecke van heere hoochmeijer des Landts als den heere pastoor der voorschreven prochie van Esschene dat hij donderdachs voor Sinxen lestleden is geweest ten huijse van meester Franchois Wambacq woonende in de voorschreven prochie alwaer tusschen hem comparant ende den voorschreven Wambacq eenige woorden sijn geresen nopende het verthienden van de lammerthiende die welcke hij comparant eenighe dagen te voren hadde gedaen ten versuecke van voorschreven heere pastoor van de lammeren des voornoemde Wambacq ende alsoo den attestant was seggende dat den voornoemde heere pastoor dochte dat de voorschreven thiendinghe niet behoordelijcken was gedaen vuijt dien hij voor seker was houdende dat den voorschreven Wambacq meer lammeren was hebbende als ten voorschijn int thienden wierden gebrocht als maer ten voorschijn gebrocht geweest sijnde vijftich lammeren behalvens vier lammeren die die welcke Wambacq niet en heeft willen laeten thienden, soo heeft den voornoemde Wambacq daerop geseght met dese off iegelijcke woorden onder geschreven, wat brijt mij dien paep dat hij hier waere, ick soude hem met mijnen stock op sijn kop bruijen, seggende voorts den voorschreven meester Franchois Wambacq, Merten, ende Martinus Wambacq sijnen sone, gaet wacht het daer gij den paep vindt ende slaet daerop, ick sal u affdragen al watter van compt, daerop sijnen sone Merten seijde dat hij soude swijgen ende want redelijck is etha.

Actum 9de juni 1661 present Jans Slachmolen schepen, bij mij Machiel Steppe.

1661. Joos De Valck reed door het erwtenveld van de pastoor[65].

Op 9 juni 1661 gingen meier Charles Crabeels en schepen Joos Van Ginderachter op verzoek van pastoor Mattheus Van Lintnaar het veld Den Moorter. De pastoor had een klacht ingediend tegen Joos De Valck, de knecht van Franchois Wambacq, omdat hij met zijn mestwagen herhaaldelijk door het erwtenveld van de pastoor had gereden. Bovendien had hij nog meer schade aangericht door over het korenveld van Adriaan Van Vaerenbergh en het erwtenveld van Nicolaas Meert te rijden. De drie percelen lagen langs de weg van achter het huis van Jan De Meije naar de Exterenberg. Toen de meier en de schepen daar aankwamen, betrapten ze Joos De Valck door nog eens over die velden te rijden. Aan de meier zei Joos dat zijn meester Franchois hem had opgedragen om zo naar zijn akker te rijden. Ze stelden ook vast dat de voetweg voldoende breed was om er met zijn kar door te rijden en dat hij, om het vlasveld van Michiel Wambacq, zoon van Franchois, te vermijden  over hetkorenveld van Adriaan Van Vaerenbergh en het erwtenveld van Nicolaas Meert reed. De schade voor de pastoor schatten ze op een tienling erwten en voor Adriaan op 12 st.

1662. Martinus Wambacq beledigt Adriaan Van Vaerenbergh[66].

Van dit proces is alleen het verweer van Adriaan Van Vaerenbergh tegen zijn aanklager Martinus Wambacq bewaard gebleven.

Adriaan Van Vaerenberg, pachter en bedesetter van Essene had blijkbaar verwacht  dat Martinus Wambacq, griffier van de abdij, zou weigeren de bedeboecken van de parochie ter beschikking te stellen van de bedesetters. Daarom was hij met alle bedesetters, de officier en de voornaamste pachters van Essene naar de weduwe van Franchois Wambacq gegaan om die boeken op te eisen. Franchois was collecteur geweest en had in die functie de boeken in zijn bezit gehad en die waren bij zijn weduwe gebleven als erfgename van haar in 1661 overleden man. De bedesetters wilden die bedeboeken  omdat de opmeting van de parochiegoederen daarin was opgenomen. Aan de hand daarvan konden ze het bezit van elke pachter bepalen en dus ook zijn aandeel in de beden.

Maar Martinus, de zoon van Franchois en ook griffier van de abdij, had de vraag van de bedesetters verwacht. Hij refuseerde sonder eenich het minste fondament  de gevraagde documenten te overhandigen, ook al was de vraag niet aan hem, maar aan zijn moeder gesteld. Adriaan ging met zijn groep naar het huis van brouwer Nicolaas Meert om te overleggen. Toen Martinus er ook verscheen, richtte Adriaan zich tot hem en zei dat zijn moeder verplicht was de opmeting te geven omdat de parochie die had betaald. Martinus antwoordde, zonder te beseffen dat Adriaan de vertegenwoordiger  van de parochie was, dat hij een leugenaar was: ghij lieghter bij Godt aen ende voorts ghij sijt eenen waersegger. Voor Adriaan was de griffier te ver gegaan. Dat hij publiekelijk in soo eene treffelijcke vergaederinghe beledigd werd, eiste een reactie want dat zou niemand accepteren. Volgens een oud gebruik en spreekwoord is een uitspraak als ghij lieghter aen eenen slach weerdich want het was een vernedering voor alle schepenen en bedesetters en hij sloeg Martinus in het gezicht. Daarmee was voor Adriaan het conflict beslecht, maar niet zo voor Martinus. Hij greep zijn pistool en trakteerde hen op een scheut saet. Het schot met hagel verwondde meerdere aanwezigen. Sommigen hadden tot  25 kwetsuren ende saijkens in hun lijf. De littekens zijn nog altijd te zien. Anderen hebben nog altijd hagel in hun lichaam, wat te zien is aan een verdikking van de huid.

Martinus heeft met zijn schot veel pijn en smart veroorzaakt en dat hij dan nog het lef had om Adriaan bij de schepenbank aan te klagen was voor hem ongefondeerd ende niet ontfanckbaer. Dat hij zich bovendien beriep op zijn functie als griffier van de abdij en zijn positie als notaris bij de Raad van Brabant, op de voorname positie van zijn vader en de veele rijkelijcke middelen die hij had om zijn daad vrij te pleiten, zijn dwaese discourssen en hebben niets met de zaak te maken. Net zo min als het verwijt dat hij een slechte pachter was die niet eens twee paarden had.  Wie het meeste stouffen, hebben het minste bij te setten. Zijn status en rijkdom permitteren hem niet om anderen valselijk te beschuldigen. Dat hij beweert dat het schot per ongeluk is afgegaan, is omdat hij  de kosten van de chirurgijnen voor de verzorging van de wonden wil ontlopen. Adriaan verzocht via zijn advocaat Theodorus Van Paeffenrode, de schepenbank dan ook om Martinus te veroordelen tot betaling van 200 gulden als vergoeding voor de kosten en de geleden pijnen en smarten.

1663. Gerard Linthout[67] eist geld van Merten De Waegenere[68].

In 1662 verwachtte Gerard Linthout, pachter te Belle, meerdere betalingen van brouwer Merten De Waegenere uit Sint-Katharina-Lombeek: 36 g voor landpacht, 14 g pacht voor een hopveld en 6 g van een erfelijke rente. De totale schuld van De Waegenere bedroeg 92 g en omdat minnelijcke vermaeninghen niet hielpen richtte hij zich tot de schepenbank.

Op 23 januari 1663 stemden beiden in met een bemiddeling door vier schepen, twee voor elke partij. Ze verbonden zich ertoe in te stemmen met het oordeel van de schepen. Merten De waegenere aanvaardde het voorstel om 2/3 van de proceskosten  van 12 g 18 st 1 blank 12 mijten te betalen. Maar daarmee waren de problemen nog niet opgelost want op 15 januari 1664 verscheen Gerard Linthout voor notaris Jan De Nil. Hij overhandigde de notaris zijn dossier van het proces tegen Merten De Waegenere en verlaarde onder eed dat hij in dezen is procedeerende ter goeder trouwen met vaste hope ende meijninghe van ten definitieve te triompheren. Hij bevestigde  dat hij meubelen en goederen bezat die tienmaal meer waard waren dan de mogelijke kosten van een proces. Van de tegenpartij verwachtte hij dat zijn advocaat ook alle elementen aan de schepenen zou overhandigen. Hoe het verder verliep is onduidelijk omdat er ook stukken in het dossier zitten van een ander proces, namelijk over de verdeling van de erfenis van Gerard Linthout. Het laatste gegeven is dat Merten op 29 september 1664 een verklaring ondertekende waarin hij erkende dat hij van Gerard 6 g had ontvangen.

1663. Was Pauwel Stevens een oplichter[69]?

Als gevolg van meerdere klachten verzocht de drossaard van de Vrijheid van Asse de schepenen Jan Van der Slachmolen en Peter Moortgat een onderzoek te voeren naar de activiteiten van Pauwel Stevens. Op 20 november 1663 ondervroegen de schepenen 3 getuigen. Peter Symons, 45 jaar, was op 15 oktober 1663 in het huis van Jan Mattens te Avenelle samen met Mattens’ vrouw, Adriaan Stevens en Pauwel Stevens. Pauwel beschuldigde hem ervan dat hij zijn 2 koeien en een rund op de klaverweide van Lucas Wambacq had laten grazen en hij eiste 3 g 12 st schadevergoeding. Peter betaalde de som maar liet Pauwel wel een document als bewijs ondertekenen. Pauwel wilde meer en verwittigde de luitenant warranier (de boswachter?) over de schade met het gevolg  dat Peter voor het consistorie van den hove (gerechtshof van boswachters) werd gedaagd waar hij nog eens 3 g moest betalen plus 15 st voor de dagvaarding en 2 g voor een tweede warranier. Peter kon nog meer vertellen over de wandaden van Pauwel Stevens:

– Van Joos Steppe en Franchois Ophalvens vernam hij dat Pauwel ’s nachts de paarden van Lucas Wambacq op Het Doreken had gedreven en daarna van Lucas een schadevergoeding eiste.

– Hetzelfde deed hij met de paarden van Peter Schoup.

– Anthonijne, een oude waelinne had hij eens geslagen en hij bedreigde haar met meer slagen als ze iets over het voorval zou verklappen.

– De rok van Joos Vincks vrouw scheurde hij eens helemaal open en Peter zag de vrouw met de rok in haar handen naar de dorpsofficier Michiel Steppe lopen.

Martin Linthout, 28 jaar, herinnerde zich dat in 1661, kort na de kermis, Pauwel Stevens[70] hem kwam zeggen dat zijn koeien in de weide van Peter Symonsen die van Jan De Witte aan de Sluis hadden gegrazen. Martin ontkende, maar Pauwel bleef volhouden dat hij de koeien in de weides had gezien. Uiteindelijk kwamen ze tot een akkoord. Martin zou 9 g betalen. Later bekende Pauwel aan Peter Symons en Jan De Clercq dat hij had gelogen en als ze daarover zouden zwijgen, kregen ze elk een vat erwten. Martin kende nog meer voorbeelden van oplichterij:

– Vorige oogst haalde hij op klaarlichte dag de tiendenschoven van zijn graan weg.

– Zijn jongere broer beschuldigde hij ervan in Den Jongen Bosch te hebben gelopen. Zijn vader betaalde daarvoor 9 schellingen aan Lucas Wambacq.

– In 1662 kwam Pauwel hem dagvaarden voor het Consistorie van het Hof om enige kosten te voldoen. Hij kreeg daarvoor 8 dagen de tijd, maar de volgende dag eiste hij al 2 g 8 st.

Met Joos De Clercq, een 37-jarige kleermaker, deed Pauwel zijn voor hem succesvolle truc nog eens over. Kort voor Allerheiligen kwam hij met Adriaan Van Vaerenbergh hem meedelen dat zijn 2 koeien en een rund in de weide van Adriaan stonden te grazen en hij eiste een schadevergoeding van 3 g. Zijn vrouw gaf hem 6 st en beloofde binnen de 3 dagen de rest te voldoen. Dat gebeurde niet en Pauwel verwittigde de warrantmeester die hem dagvaardde. Joos verwittigde de koster die Pauwel ontbood, wat voor Joos alleen nadelige gevolgen had want die vroeg nu 6 g. Na enige discussie was hij toch tevreden met 3 g.

1663. Jan Geerstman in de schulden[71].

Joannes Ivain[72], schepen van stad Aalst leverde aan brouwer Jan Geerstman mout en gerst voor een bedrag van 201 g 8 st. Een jaar na de levering had Jan nog niets betaald en de schepen trok naar de schepenbank van Asse om langs gerechtelijke weg aan zijn geld te geraken. Een datum werd niet vermeld.

1664. Stal Jaspar Boom kalk uit de kerk[73]?

Elisabeth Camerman, de vrouw van koster Gillis De Riddere[74], beschuldigde metselaar Jaspar Boom[75] ervan kalk uit de kerk te hebben gestolen. Met wat hij had meegenomen witte hij het huis van Gerard Van Ophoven en dat van Joos Rogiers. Jaspar tilde zwaar aan de beschuldiging omdat hij vooral in de streek werkte en voortaan zou niemand hem nog willen vertrouwen en werk geven. Met zijn aanklacht wou hij bekomen dat Elisabeth haar verontschuldigingen aanbood en verklaren dat hij een man van eer was. Weigerde ze aan zijn eisen te voldoen, dan vroeg hij de schepenen om Elisabeth te verbieden hem nog te blameren en haar te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

1665. Adriaan Schockaert beledigde Adriaan Linthout[76].

Volgens Adriaan Linthout[77] had Adriaan Schockaert  hem enorm beledigd en bleef hij hem nog dagelijks blameren wat zijn reputatie van een man van eer te zijn schaadde. Hij liet zijn advocaat Van der Slachmolen een bede richten tot de Raad van Brabant om de schepenen van Asse te ordonneren Adriaan voor hun schepenbank te dagen. De Raad ging in op zijn verzoek op 17 juli 1665.

Bij den Coninck.

Lieve ende beminde.

Wij senden hierinne gesloten de supplicatie gepresenteerd in onsen Raede geordonneerd in Brabant bij off van wegen Adriaen Linthout ingesetene der prochie van Esschene ende mits de redenen daerinne begrepen ordonneren ende bevelen bij desen dat gij de saecke daerinne geruert voor U doet ende laet bedingen de tridio ad tridium off met alsulcke andere off peremptoite termijnen als gij naer gelegentheijt der selver ende in goede institie sult vinden te behooren oock niettegenstaende eenige vacantiën van des te doen en sijt niet in gebreke want ons alsoo gelieft.

Lieve ende beminde onse Heere Godt sij met U.

Geschreven in onse stadt van Brussele den 17de juli 1665. Goyens.

1666. Vechtpartij bij brouwer Hendrik Van der Slachmolen[78].

Op 15 mei 1666 ontstond er in de herberg van Hendrik Van der Slachmolen te Krokegem een ruzie tussen Hendrik Vranckx[79], zijn vrouw Elisabeth Wambacq[80] en Hendrik De Raedt en Gillis De Bailliu. Ze zaten samen aan een tafel met Lucas Dooms en de schepen Jan Van der Slachmolen en discussieerden over het kopen en verkopen van de hofstede van Lucas Dooms. Ze hadden allen al heel wat gedronken en na het vertrek van schepen Jan Van der Slachmolen ontaardde de discussie in een felle ruzie. Elisabeth sloeg met haar hand naar Hendrik De Raedt en zei lachend dat het om te jocken was. Een verontwaardigde  De Raedt reageerde met wat wilt ghij mij, ghij hebt mij te voren noch eens geaffronteerd, ick sal u een glas naer u hooft werpen. Gillis De Bailliu, de schoonzoon van Elisabeth vroeg Hendrik De Raedt waarom hij een glas naar zijn schoonmoeder gooide en vroeg hem om naar buiten te gaan om het daar uit te vechten. Hij gaf zijn mes aan Michiel De Bisschop en vroeg dat ook Hendrik dat zou doen en dat ze alleen met de vuisten zouden vechten. Nog voor ze buiten waren, stortte De Raedt zich op Gillis en het regende langs beide kanten van de vuistslagen. Hendrik Vrancken kwam De Bailliu ter hulp en trok Hendrik De Raedt met zijn haar weg van De Bailliu. Vorster Van Innichoven en Michiel De Bisschop konden de vechtenden scheiden. Hendrik De Raedt bloedde uit zijn neus, maar hij ging toch met De Bailliu een pint drinken. Even later ging de groep uit elkaar.

Toen Michiel De Bisschop, Hendrik Vranckx en anderen aan de linde kwamen waar ook de griffiers van Asse stonden met meester Joos Van der Weerden, Jan Van Laethem en zijn vrouw Anna ’t Sas met hun zoon Zeger en Gillis De Bailliu herbegon de ruzie. Zeger en Gillis gingen elkaar te lijf. De ouders van Zeger mengden zich in het gevecht en Jan Van Laethem wou met een groene mutsaertstock op het hoofd van Vranckx slaan wat Michiel nog kon beletten. Een woedende Hendrik Vranckx trok zijn wambuis uit en riep dat het nu pas voor goed was begonnen. Hij schoot op Jan Van Laethem toe terwijl Elisabeth Wambacq Anna ’t Sas aanviel, maar van Zeger een hevige vuistslag op de neus kreeg en hevig begon te bloeden. Michiel De Bisschop besefte dat de toestand hopeloos werd en repte zich om de waard Hendrik Van der Slachmolen te gaan halen en samen konden ze de vechtenden scheiden. Anna ‘t Sas zei nog dat zij Elisabeth Wambacq soude den hals breken off de tuijten afftrecken waer dat sij haer soude tegen commen alwaert op den kerckwech.

De drossaard van de Vrijheid van Asse liet een onderzoek instellen naar de vechtpartijen. De schepenen Joos Van Ginderachter, Peter Moortgat en Jan Van der Slachmolen ondervroegen op 29 mei een aantal getuigen. Advocaat Michiel De Bisschop, 43 jaar, kwam als eerste aan de beurt. Hij bracht een heel uitgebreid verslag in tegenstelling tot Hendrik Van Innichoven, de 40-jarige vorster die getuigde dat hij alleen de eerste vechtpartij had gezien. Hendrik Van der Slachmolen en Joos Van Ginderachter vertelden de gebeurtenissen van de tweede vechtpartij.

1668. Ruzie voor een assignatie[85].

Collecteur Gillis Dauman had nog een tegoed van 13 g 9 st van Jaspar Camermans. Om zijn schuld te kunnen betalen, gaf Jaspar een assignatie van 12 g 9 st ten laste van Martinus Wambacq en zo bleef hij nog 20 st schuldig en die kon hij bij de volgende afrekening bijbetalen. Maar Gillis Dauman[86] aanvaardde slechts onder voorbehoud de assignatie en zoals hij vermoedde, betaalde Martinus de som niet uit met een fikse ruzie tussen Dauman en Camermans tot gevolg want voor hem was aan de rekening voldaan. Omdat er geen oplossing kwam, wendde Dauman zich tot de schepenbank om de 13 g 9 st te eisen. Hij voegde er bij zijn klacht nog aan toe dat er geen kwitantie was voor het geld van de assignatie en dat volgens de plakkaten een assignatie niet als betaalmiddel mocht worden gebruikt.

1668. Gillis Dauman heeft last met de leningen[87].

Op 10 januari 1668 leende Lucas Geerstman 100 g met een intrest van 6,25 % van kleermaker Jan Lemmens uit Merchtem. De akte werd opgesteld door notaris Jan Schoonjans. Voor die lening kon hij geen pand geven, maar zodra zijn moeder was overleden zou hij voldoende pang geven. Zijn moeder stierf, maar van een pand was er geen sprake. Hij liet ook een nieuw pak maken dat hij een jaar later nog niet had betaald. Hij stond dan voor 120 g 19 st 1 o in het krijt. Kleermaker Jan had meer dan voldoende redenen om bij de schepenen een klacht in te dienen om zo aan zijn geld te geraken of om Lucas te verplichten een pand te geven.

Gillis De Ridder[88] leende bij Gillis Dauman 30 patacons[89] of 72 g. Als afkorting van de lening gaf De Ridder een koe, wat volgens Dauman niet voldoende was en ook nu diende hij een klacht in.

1668. Jan Geerstman in de schulden[90].

Op 21 augustus 1666 leende brouwer Jan Geerstman[91] 400 g met een jaarlijkse rente van 25 g van Barbara Van Ginderdeuren, de weduwe van Leonart Van Lille. Als pand gaf hij een block lants gelegen te Vilvoorde in borcht genoempt “Het Middel Molenblock, groot twee bunder en belast met eenighe penningen Lovens volgens de verklaring onder eed vanGeertruijt Van Langenhove, Jans moeder. Vier jaar later had zijn weduwe nog geen enkele rente betaald en was de schuld opgelopen tot 100 g. Barbara trok naar de schepenbank

1669. Pacht niet betaald[92].

Adriaan De Keuleneer pachtte van Jacques Van der Goten een meers te Belle voor 22 g. Het laatste jaar van de pachtermijn betaalde hij echter te weinig, wat hem een proces opleverde.

1671. Franchois Van Vaerenbergh ruziet met de kinderen Lucas Wambacq[93].

Cathelijne De Troch[94], de moeder van Lucas Wambacq, verpachtte op 1 februari 1667 1/2 bunder meers, Den Molenbeemt genoemd, voor een termijn van drie jaar aan Merten Linthout. Daar er nog een achterstallige rente van 12 g 10 st was, bedroeg de totale pacht 74 g 5 st. Na de dood van Cathelijne verpachtte Lucas Wambacq op 15 juli 1670 de meers voor 7 jaar aan Franchois Van Vaerenbergh, zoon van Pauwels. Volgens de overeenkomst zou Franchois de niet betaalde pacht van Merten Linthout van 74 g 5 st overnemen en nog 13 g 5 st opleggen. Lucas dacht een kans te zien om dat achterstal tweemaal binnen te halen door van Merten Linthout de betaling van zijn pacht te blijven eisen. Na zijn dood eisten de erfgenamen dat Franchois de jaarlijkse pacht van 12 g 10 st zou betalen en ontkenden dat hun vader een overeenkomst met Franchois had gesloten vermits die het achterstal bij Merten Linthout opeiste. Zij richtten een schrijven naar de Raad van Brabant om toelating te vragen de meers, nog in huur bij Franchois te verkopen. Als reden gaven ze op dat Van Vaerenbergh geen pacht betaalde.

Wij onderschreven als vooghden ende momboirs van de kinderen Lucas Wambacq[95] geven midts desen volcommen last ende procuratie aen den procureur Bisschop om te vervolgen alsulcken proces als wij in de voorschreven qualiteijt genootsaeckt sijn te sustineren als executanten ende gedaeghde op ende tegen Franchois Van Varenberghe opponent ende aenlegger voor schepenen der vrijheijt ende marquisaet van Assche nopende een rente van XII rinsguldens X stuijvers tsiaers vuijtgaende op “Den Molenbempt” advoyerende voorts alle ’t gene hij alreede daerinne heeft gedaen ende noch sal doene, gelovende etha, verbindende etha.

Actum desen XIIII° mei 1671. M. Wambacq 1671 – Andries Van Der Straeten.

Franchois reageerde met een klacht bij de schepenbank. Hij vroeg de schepenen de verkoop van de meers te verbieden omdat hij, op de 13 g 5 st na de volledige pacht had betaald. Op 27 december oordeelden de schepenen dat ze nog geen vonnis konden vellen.

1670. Hendrik Vranckx komt belofte niet na[96].

Toen Hendrik Vranckx[97] en Elisabeth Wambacq wilden trouwen, sloten ze bij notaris De Bisschop op 16 mei 1657 een huwelijksovereenkomst af dat inhield dat Hendrik, in het geval hij Elisabeth zou overleven, hij aan de kinderen uit haar huwelijk met Peter Van Mulders[98], elk 400 g zou geven als ze trouwden. In het geval een v

an de kinderen voortijdig overleed, zou hij 200 g aan de andere kinderen geven en 200 g tegen intrest uitzetten en daarvan elk kind zijn part geven als het trouwde. Bij gelegenheid van zijn huwelijk met Catharina Vertonghen eiste Peter de 400 g op en zijn deel in het bedrag van zijn overleden broer Gillis. Hendrik reageerde niet en Peter kon niet anders dan bij de schepenbank de betaling te eisen.

1672. Adriaan Van Vaerenbergh en de Pelinkvijver[99].

Op vraag van Catharina Eeckhout, de moeder van Franchois De Witte[100], maakte Adriaan Van Vaerenbergh de Pelinkvijver, die hij van haar pachtte, schoon. Toen Catharina overleed had hij zijn arbeidsloon nog niet ontvangen en hij vroeg aan haar zoon Franchois om zijn loon uit te betalen. Die beriep zich op een plakkaat uit 1540, vernieuwd in 1650, dat bepaalde dat een vergoeding voor geleverde arbeid binnen de twee jaar moet worden uitbetaald. Nadien was het geld niet meer opeisbaar. Adriaan hoopte dat de schepenbank Franchois zou verplichten hem uit te betalen, maar die vroeg de schepenen om zijn eis als niet ontvankelijk te verklaren.

1674. Martinus Wambacq eist betaling van pacht[105].

Op 12 april gingen Michiel en Pauwel De Corte en hun moeder een lening aan bij Martinus Wambacq met een rente van 31 g 5 st. De lening werd bepand met twee hofsteden De eerste hofstede met huis, groot 3 d en gelegen in de Tuwijk. De hofstede paalde aan de goederen van de erfgenamen Philips Schoemans, de straat, Jacques Wichele en de kapel en was belast met een grondcijns aan de abdij. De tweede hofstede met huis, groot ½ b paalde met twee zijden aan de straat, Franciscus Van Lierde en de Weidemeers. De hofstede was belast met een grondcijns aan de markiezin van Asse.

Omdat de rente niet werd betaald vroeg Martinus Wambacq toen het tekort was opgelopen tot 136 g aan de schepenbank de toelating om de panden in bezit te nemen en te houden tot voldoening van de schulden vermits hij het verschuldigde bedrag al had voorgeschoten aan de weduwe van meester Charles de la Mars, de oorspronkelijke leengever. Zelf had hij al  een hoeveelheid mest en hopstaken laten weghalen. Hij vroeg ook de toelating om de tweede hofstede te verkopen, ook al zou de opbrengst onvoldoende zijn om de schuld af te lossen

1675. Nicolaas Meert[106] in de problemen[107].

De kinderen en erfgenamen van sieur Jacques Van Dongelberghe, keurmeester van Brussel  eisten 250 g van Nicolaas Meert. Die had op 20 december 1671 een lening van 800 g met een erfelijke rente van 50 g aangegaan bij de de keurmeester en zijn vrouw Margarite De Ridder. Als pand gaf Meert een hofstede met stenen huis, 1 d 9 r groot, gelegen nabij de kerk. In 1675 was de achterstand van de rente al opgelopen tot 250 g en bovendien leverde Nicolaas niet de afgesproken sisteren tarwe en koren voor de pacht van 2 percelen. De erfgenamen dienden een klacht in om de betaling van 250 g en de levering van tarwe en koren te eisen.

1675. Jan Kieckens tot over zijn oren in de schulden[108].

Franchois De Middeler, ontvanger van de abdij, spande een proces in tegen Jan Kieckens, de weduwnaar van de weduwe van Martinus Wambacq. Jan was aan den spijcker van de abdij, de graanschuur, 175 g schuldig. Meer informatie konden we uit het beschadigd document niet halen.

Een tweede proces dat hem bedreigde kwam van de erfgenamen van Jan Van Bellingen. Gillis De Ridder en Elisabeth Wambacq wilden bij Catharina De Troch, de weduwe van Franchois Wambacq, een lening aangaan van 1700 g met als onderpand al hun goederen. Om zeker te zijn die niet waren belast, vroeg ze haar zoon Martinus, griffier van de schepenbank van de abdij, een certificaat op te stellen van de staat van de goederen. Marinus bezorgde haar dat certificaat op 13 juni 1665 zonder te vermelden dat de goederen belast waren met een rente van 11 g 11 st 1 o ten behoeve van Catharina De Troch. Catharina verleende de lening en de akte werd door de schepenbank van de abdij opgesteld op 4 augustus 1665. Toen de erfgenamen van Jan Van Bellingen het goed kochten, kwam het bedrog met de verzwegen rente van 11 g 11 st 1 o aan het licht en steeg de koopprijs met de onbetaalde rentes. Michiel Wambacq, broer van Martinus, bracht de toenmalige griffier Jan Van Nuffel daarvan op de hoogte, maar die liet de erfgenamen weten dat zij de verzwegen rente moesten betalen. Tegen die beslissing spanden de erfgenamen een proces in bij de Affligemse schepenbank met de vraag om Jan Kieckens als erfgenaam  via zijn vrouw het resterend bedrag te doen betalen.

1676. Ingel Huijge weigert te betalen[109].

Jacques De Coster[110] kocht in mei 1676 van Ingel Huijge een hofstede aan de Kleindries op Doment voor 598 g vermeerderd met de rente waarmee de hofstede was belast aan vier verschillende personen:

1. aan de erfgenamen van Gillis Van Ginderachter 13 g 10 st.

2. aan Joanna Barbara Huenaerts 10 g.

3. aan de weduwe Antoon De Witte 9 g 7 st.

4. aan rentmeester Van Nuffel 6 g.

Het totale bedrag van de aankoop steeg daardoor tot 614 g of 25 g boven het budget van Jacques. Maar hij mocht nog rekenen op een tegemoetkoming van 25 g, namelijk het bedrag van de renten die Ingel had ontvangen in de periode tussen de verkoopdag en de vervaldag. Ingel weigerde te betalen met als gevolg dat Jacques tegen hem een proces inspande om die 25 g op te eisen.

1676. Jan Van Vaerenbergh, pachter van de impost in de problemen[111].

Jan Van Vaerenbergh pachtte de impost van de Staten van Brabant van de vier speciën van consumptie van Meldert vanaf mei 1675. Hij liet de inning echter over aan Adriaan Van den Wijngaert die naliet de opbrengst aan rentmeester Van de Velde te overhandigen en zo een schuld naliet van 47 g 5 st. Het gevolg was dat de rentmeester Jan Van Vaerenbergh liet dagvaarden. Jan betaalde de som en daagde op zijn beurt Van den Wijngaert voor de schepenbank om hem te verplichten promptelijck de 47 g 5 st te betalen.

1677. De bedesetters van Essene in de clinch met die van Baardegem[112].

De bedesetters van Baardegem bekenden op 12 maart 1677 aan de bedesetters van Essene dat ze hen 78 g schuldig waren door de verplichte levering van een paard ten dienste van zijne Majesteit. Ze beloofden de som te betalen op 24 maart. Op 16 november 1677 hadden de bedesetters van Essene nog niets ontvangen en ze dienden een klacht in bij de schepenbank.

1678. De drossaard van Asse tegen de weduwe Catharina Wambacq[113].

Op 1 juli 1678 ging de vorster van Asse met de schepenen van Asse Jan Van der Slachmolen en Charles Van Langenhove en de officieren Guillam Meert en Gillis Van den Broecke naar Catharina Wambacq[114], de weduwe van Franchois De Bailliu om het geld op te eisen van wat zij schuldig was aan sauvegarde geld. De vorster vroeg haar of ze wilde betalen of een pand aanwijzen. Catharina weigerde en zei dat ze niets schuldig was waarop de vorster de twee officieren de opdracht gaf een koe uit de stal te halen. Dat lukte niet want Catharina ging in de deuropening van de stal staan en liet niemand binnen. De vorster, die toch trachtte binnen te geraken, duwde ze ruw weg en haar zoon Franchois[115] greep een stok en dreigde ermee om de vorster op zijn kop te slaan. De schepenen beslisten dan dat het probleem niet met slaan was op te lossen, wel met recht en ze vertrokken. Catharina volgde hen roepend dat ze opeters en oplichters waren ende fraij schepenen waren van haer gat. Dat konden de schepenen niet laten passeren en ze lichtten de drossaard in die Catharina Wambacq voor de schepenbank daagde.

1679. Martinus Wambacq bracht zijn erfgenamen in de problemen[116].

Martinus Wambacq leende op 2 augustus 1662 bij Charles de la Mars 350 g bovenop een eerdere lening van 100 pattacons. De rente van de nieuwe lening bedroeg 6,25%. Hij zou de 350 g met Bamis volledig terugbetalen of voor voldoende borgstelling zorgen. Hij betaalde niet, maar stelde zich persoonlijk met al zijn goederen borg evenals zijn schoonbroer François De Bailliu. Anna Vranckx, zijn weduwe en inmiddels hertrouwd met Jan Kieckens, betaalde 6 jaar lang de renten niet met het gevolg dat de weduwe van Charles de la Mars hen in 1679 voor de schepenbank daagde om de volledige betaling te eisen. Catharina Wambacq, de weduwe van François De Bailliu, daagde dan op haar beurt Jan Kieckers voor de schepenen want zij wou niet opdraaien voor de helft van de onbetaalde renten.

Franciscus De Bailliu, zoon van Franciscus en Catharina Van Den Bossche. Hij is gedoopt op donderdag 3 oktober 1613 in Asse en is overleden op zaterdag 3 oktober 1676 in Asse, 63 jaar oud. Hij trouwde, 25 jaar oud, op donderdag 14 oktober 1638 in Essene met Catharina Wambacq, 16 jaar oud. Zij is een dochter van Franciscus en Catharina De Troch. Zij is gedoopt op zondag 12 december 1621 in Essene en is overleden op zaterdag 15 maart 1681 in Asse, 59 jaar oud.

Anna Vranckx, dochter van Henricus en Anna Rodomont, is overleden op donderdag 24 december 1676 in Essene vermoedelijk bij de bevalling van een tweeling, Arnoldus en Judocus op 24 december 1676. Begraven in de kerk van Essene. Zij trouwde op vrijdag 9 juli 1655 in Asse met Martinus Wambacq, 35 jaar oud. Hij is een zoon van Franciscus en Catharina De Troch. Hij is gedoopt op zaterdag 19 oktober 1619 in Essene. Martinus is overleden, 55 jaar oud. Hij is begraven op woensdag 6 februari 1675 te Essene en werd begraven in de kerk van Essene. Notaris te Essene, Griffier van de abdij Affligem. Anna her- trouwde op zondag 12 januari 1676 in Essene met Joannes Kieckens.

1679. Jan De Meije moet 126 g achterstal betalen[117].

Op 10 september 1629 kocht Jan De Meije sr 1 d land gelegen op Den Esschenen Elst, voor een rente van 6 g. Hetland paalde aan Den Torffput, het goed van de H. Geest, dat van de abdij en dat van jonker Besart. De verkoper was de vader van jonker Joan Van der Heyden, heer van Waesmont in Merchtem en Steenhuffel. In 1679 constateerde Catharina Van Dormael, de weduwe van Joan Van der Heyden dat de rente al 24 jaar niet was betaald. Ze diende bij de schepenen een klacht in tegen Jan De Meije jr en eiste van hem de 126 g achterstallige rente.

1680. Lucas Wambacq zadelde zijn erfgenamen op met onbetaalde renten[118].

Jan Day en Maria Van der Hofstadt leenden aan Lucas Wambacq[119] en Anna Van de Putte 200 g aan 6,25% of 12 g 10 st per jaar. Notaris Hendrik De Coster  stelde op 12 mei 1661 de akte op. Lucas en Anna lieten na om, zoals afgesproken, binnen het jaar voor voldoende borg te zorgen waarop Maria Van der Hofstadt, intussen weduwe geworden, de schepenen verzocht om de erfgenamen van Lucas te dagen en hen te verplichten de borgstelling in orde te brengen en bovendien de achterstallige renten te betalen. Bij de schepenen erkenden de erfgenamen dat ze jaarlijks 12 g 10 st moesten betalen en nog eens 31 g 5 st van een vroegere lening. Maar hun voogd had op 11 juni 1667 de 2 leningen, samen 700 g, terugbetaald en later nog de achterstallige renten. Die kwitanties konden ze niet voorleggen daar ze door oorlogsomstandigheden verloren waren gegaan. Zij stelden voor dat Maria Van der Hofstadt haar manuaal aan de schepenen zou voorleggen want de betalingen waren zeker genoteerd.

Dat manuaal toonde aan dat de erfgenamen haar nog 163 g 1 ½ st schuldig waren en toch kwam er geen schot in de zaak. Maria richtte zich tenslotte tot de Raad van Brabant en die oordeelde op 29 maart 1680 dat er onvoldoende elementen waren om tot een vonnis te komen en vorderde bijkomend onderzoek.

Extract vuijt sekeren lanckwerpigen hantboeck ter greffie van Assche geconsigneerd bij jouffvrouwe Marie Van Der Hoffstadt in den welcken staet als volght:

Den XV° december 1659 getelt aen de huijsvrouwe van Lucas Wambacq de somme van V hondert guldens waraff eersten jaer vallen sal den XV° december 1660 sestich is jaer XXXI gulden en V stuijvers het is gepasseerd voor Carel De Carron notaris.

Noch streck ick op den selven XII guldens X stuijvers jaer waeraff eerste jaer vallen dal den XII° dach van mei 1662 gepasseerd voor Hendrick De Cuijper notaris in de …..straet.

Kenne ontfangen te hebben van Lucas Wambacq de somme van XXXI guldens en V stuijvers ende dat van een jaer rente verschenen den XV° december het jaer 1660. LX.

1681. Rekeningen van de inkomsten en uitgaven voor de kinderen van wijlen Lucas Wambacq[120].

Na de dood van Lucas Wambacq in 1670 stelden Andries Van der Straeten, man van Cathelijne Wambacq, en Michiel Wambacq de rekeningen op van de inkomsten en uitgaven voor de kinderen van Lucas.

De rekening van Andries Van der Straeten

Ontvangsten.

– 349 – 0 – 0 van de verkoop van de Molenbeem”.

– nog 17 – 9 – 0 van de verkoop.

Uitgaven.

– betaald voor de verhuring van het pand, te weten: het vonnis, het kerkgebod, proclamatie, zitdag, het maken van de condities: 10 – 10 – 1/2.

– voor het depecheren van het octrooi heeft de rendant moeten betalen aan de secretaris Loijens: 16 – 4 – 0.

– Franchois Van Varenberge diende als bezitter en propriëtaris van het pand een klacht in tegen de verkoop. De kosten voor de griffier bedroegen:  17 – 12 – 1/2.

– voor de uitspraak van het vonnis: 1 – 4 – 0.

– voor ’t dictum: 0 – 12 – 0.

– aan de griffier voor het tweede furnissement: 4 – 5 – 1/2.

– voor hun procureur Bisschop: 25 – 0 – 0.

– afbetaling van de lening op het pand: 200 – 0 – 0.

– de verlopen van rente tot 17de augustus 1669: 87 – 10 – 0.

– de rente van 17 augustus 1670, 1671 en 1672: 37 – 10 – 0.

– voor het opmaken van de rekening: 1 – 4 – 1 blanc.

– voor de auditie: 3 – 3 – 0.

– voor een kopie van de rekening aan de griffier: 0 – 15 – 1/3.

– voor de procureur: 0 – 6 – 0.

– aan de kosten tijdens de verkoop: 18 – 18 – 0.

Laatste deel ontbreekt.

Michiel Wambacq trad ook op als rendant voor de drossaard en de schepenen van het Land en markiezaat van Asse.

Ontvangsten.

– een partij wortelen verkocht aan Andries Van Stichele: 2 – 8 – 0.

– nog een partij aan Van Stichele: 2 – 18 – 0.

– een derde partij aan Adriaen De Ridder: 3 – 0 – 0.

– de vierde partij aan Peeter Symons: 3 – 0 – 0.

– de vijfde partij aan Franchois Van Varenbergh, zoon van Adriaenn: 3 – 0 – 0.

– de zesde partij aan Adriaen De Ceuleneir: 2 – 16 – 0.

– de zevende partij aan Jan Verbeiren: 3 – 8 – 0.

– de achtste partij aan Steven Jacops: 3 – 7 – 0.

– in de tweede taille, de eerste partij aan Franchois Stevens: 1 – 10 – 0.

– de tweede partij is gebleven aan Franchois De Witte: 2 – 10 – 0.

– de derde partij aan Franchois Van Varenbergh: 2 – 10 – 0.

– de vierde partij aan Pauwel Robijns: 2 – 12 – 0.

– de vijfde partij aan de zelfde Robijns: 3 – 3 – 0.

– de zesde partij aan Adriaen De Ceuleneir: 3 – 0 – 0.

– de zevende partij aan Michiel Wambacq: 3 – 13 – 0.

– de achtste partij aan Franchois Van Den Driessche: 3 – 7 – 0.

– in de derde taille, d’eerste partij aan Jan Boon: 1 – 7 – 0.

– de tweede partij aan de weduwe Joos Van Varenbergh: 1 – 10 – 0.

– de derde partij aan Jan De Loose: 1 – 14 – 0.

– de vierde partij aan Adriaen Van Den Wijngaert: 1 – 5 – 0.

– de vijfde partij aan Hendrick De Bruecker: 2 – 4 – 0.

– de zesde partij aan Adriaen Van Den Wijngaert: 2 – 9 – 0.

Summa = 56 – 11 – 0.

– renten ontvangen van Jan Blommaert waarvan de laatste betaling gebeurde in 1971: 35 – 13 – 0.

– van Andries Van Der Straeten voor vijf sister en half tarwe à twee guldens en zestien stuijvers het sister, verkocht op 12 juni 1671 in Brussel: 15 – 18 – 0.

– van Andries Van Der Straeten voor acht sister tarwe crinsen, het sister à vierendertig stuivers: 13 – 12 – 0.

– van Hendrick Stijleman voor zeven stukken koren, het stuk à zes vaten, het vat à twaalf stuivers en half op 10 juli 1671: 26 – 5 – 0.

– van Stijleman 12 augustus 1671 voor vier stukken koren à 12 1/2 het vat: 15 – 0 – 0.

– van Michiel De Jonge voor 25 vaten koren waarvan het laatste op 14 september 1671 het vat à 12 1/2 stuivers: 15 – 12 – 1/2.

– van Adriaen De Ceuleneir op 16 augustus 1671 voor 4 vaten koren, het vat à twaalf stuivers en half : 2 – 10 – 0.

– van Peeter Couck op 4 augustus 1671 voor een vat koren, het vat à twaalf stuivers en half:  0 – 12 – 1/2.

– van Pauwel Rogge over vijftien vaten koren à veertien stuivers het vat, laatste betaling op 19 april 1671: 10 – 10 – 0.

– van Peeter Abbeele voor vijf vaten koren, het vat à 0 – 13 – ½: 3 – 7 – 1/2.

– van Joos Steppe voor achtienen half vaten koren à dertien stuivers het vat en negentien vaten à veertien stuijvers het vat is samen: 25 – 6 – 1/2.

– van Jan Verdoodt voor elf vaten koren à dertien stuivers het vat en acht en half vaten à dertien stuivers het vat, samen: 13 – 4 – 1/2.

– van Jan De …… voor staken die hij heeft gehad van de erfgenamen Lucas Wambacq: 8 – 11 – 0.

– Wambacq kocht een mijd quaet hoije voor tien guldens op 20 januari 1671 van de van Lucas Wambacq: 10 – 0 – 0.

Summa van de ontvangsten = 252 – 3 – 1/2.

Uitgegeven aan gedorste granen en andere.

– betaald op acht februari 1671 Joos Steppe en Jan Verdoodt voor 141 vaten gerst à 1 st 1 o het vat, 34 vaten tarwe en 84 vaten rogge, het vat à 1 1/2 st, samen: 17 – 13 – 1/4.

– op 8 februari 1671 aan Joos Steppe en Jan Verdoodt voor het dorsen van 227 vaten haver, het vat à 1 st 1 o: 12 – 18 – 3/4.

– op 1 maart 1671 aan dezelfden voor het dorsen van 101 vaten tarwe à 1 ½ st het vat komt op 7 g 11 ½ st en nog 15 vaten haver à 1 st 1 o het vat komt samen: 8 – 10 – 1/4.

– op 22 maart 1671 aan dezelfden voor het dorsen van 120 vaten tarwe en 103 vaten koren en 22 vaten terwe crappen, samen: 18 – 7 – 1/2.

– op 11 april 1671 aan Joos Steppe en Jan Verdoodt voor het  dorsen van 50 vaten koren en werk van elk vier dagen en 3 kwart à 8 st per  dag, komt op:  7 – 11 – 0.

– op 7 mei 1671 aan dezelfden voor het dorsen van 120 vaten koren en 19 dagen werk à 9 st per dag komt op: 17 – 11 – 0.

– op 21 mei 1671 aan dezelfden voor het dorsen van 134 vaten koren en nog 13 dagen werk9 st per dag, samen: 10 – 12 – 0.

– op 31 mei 1671 aan Joos Steppe en Jan Verdoodt elk 13 ½ daguren à 9 st per dag komt op 12 g en 3 st en nog gedorst  130 vaten  koren à 1 ½ st het vat, hiervan door Andries Van Der Straeten betaald aan Jan Verdoodt 9 g 10 st 1 b en aan Joos Steppe 6 g 2 st 1 b, dus voor Michiel Wambacq: 6 – 4 – 1/2.

– op 19 april 1671 aan Michiel De Corte voor het dorsen van 43 ½ vaten koren en tarwe à 1  ½ st het vat, komt op 3 g 5 st 1 o. Ook nog 25 vaten koren en 2 ½ daguren à 8 st per dag, nog  83 ½ gedorste vaten koren en 1 ½ dag werk komt op 6 g 17 st 1 o en alles samen: 13 g,  hiervan door Andries Van Der Straeten betaald aan Michiel De Corte 3 g 19 st, dus voor Michiel Wambacq: 9 – 1 – 0.

– op 30  april 1671 aan Peeter Van Den Bossche voor het dorsen van 62 vaten en 3 vierlingen koren à 1 ½ st het vat en tien vaten haver, het vat à 1 st 1 o. Op dezelfde dag hout gekapt à 8 st per dag en 14 daguren in de kost à 5 st per dag komt op 9 g 4 st. Ontvangen ten huize van Lucas Wambacq 5 g 10 st het vat, blijft voor Michiel Wambacq: 2 – 6 – 1/2.

– op 30 april 1671 aan Pauwel Rogge van hout te kappen in het Grietenbrouck 3  dagen, op Den Hoijenbergh 7 ½ dagen, in het bos op het Belderdael 1 dag, samen 11 ½  dagen à 9 st per dag; in de Warande staken gekapt en 900 mutsaarts gebonden à tien st het honderd. Op Den Hoijenbergh 1010 mutsaartsgebonden, bedraagt al samen: 15 g 1 b en hiervan door Andries Van Der Straeten betaald aan Rogge 2 g 18 st 1 b, blijft voor Michiel Wambacq: 12 – 2 – 0.

– aan Peeter Van Den Abbeele voor 7 ½ daguren hout kappen op Den Hoijenbergh en 1 dag in het bos op Belderdael samen 8 ½ dagen à 9 st per dag en 1302 twee hopen mutsaarts gebonden op Den Hoijenbergh samen 10 g 11 ½ st. Hiervan 6 g betaald door Andries Van Der Straeten, blijft voor Michiel Wambacq: 4 – 11 – 1/2.

– op 27 december 1670 aan Adriaen Eeman om 2 dagen staken gekapt te hebben in het Grietenbrouck:  0 – 18 – 0.

– op 27 december 1670 aan Peeter Van Neijghem om staken te kappen in het Grietenbrouck:  2 – 8 – 0.

– aan Hendrick Stijleman aan vertier toen zij gedaan hadden met hout te kappen in het Grietenbrouck  12 st

– aan Jan Van Varenbergh voor de erfgenamen Lucas Wambacq van wat zij ten achteren stonden in een setboek van 1669: 57 – 15 – 0.

– aan de heer drossaard, schepenen en griffier voor de eed van de voogden op 16 september 1670: 1 – 2 – 1/2.

– aan de procureur De Raedt voor een passeringe op 18 september 1670: 0 – 15 – 0.

– gegeven aan de kinderen Lucas Wambacq op 27 september 1670 toen zij een luitenant en vier ruiters moesten logeren: 6 – 0 – 0.

– te Brussel op 31 oktober 1670 voor een vet rund voor de uitvaart van de voorschreven Wambacq,  daarvan de helft genoten: 15 – 13 – ?.

– voor het publiceren van negen biljetten en om die te bestellen: 1 – 16 – 0.

– gegeven aan Joanna Wambacq 10 g om een knecht te betalen die daar gewoond had en met hun vader zijn rekening had gemaakt op 30 november 1670: 10 – 0 – 0.

– aan Jan Verdoodt en Joos Van Den Wijngaert voor winterkuilen van 2300 kuilen hop à 8 st het honderd: 9 – 8 – 0.

– wat de erfgenamen ten achter zijn aan Michiel Wambacq van Sint-Jansmis1669:16 – 10.

– wat de erfgenamen nog  ten achter zijn aan den voorschreven Wambacq van de Kerstmisbede 1969: 72 – 8 – 0.

– de erfgenamen zijn nog ten achter aan de voorschreven Wambacq van Sint-Jansmis 1670:  105 – 10 – 0.

– de erfgenamen zijn nog ten achter aan de voorschreven Wambacq in de Kerstmisbede 1670: 63 – 16 – 0.

– aan Catharina Vlemincx voor een verlopen rente: 20 – 0 – 0.

– gegeven aan Joanna, Franchois, Michiel en Arnault Wambacq toen hun zuster Catharina Wambacq getrouwd is (22 januari 1671) 27 g, en aan Joanna Wambacq 10 g en 8 st,  samen: 37 – 8 – 0.

– aan Guillam Van Brachene: 1 – 0 – 0.

– voor de XXste penning: 7 – 0 – 0.

– aan de werklieden van de rendant voor het maken van snoeihout: 3 – 10 – 0.

– de cijnzen toebehorende ’t Godshuis van Affligem vermeld in het boek van Essene artikel 87, 130, 140, 174, 204, 206, 300, 302, 314, 355, 436 en in het lange aelmoesen boeck artikel 53 welke cijnzen bedragen tot 1675 7 – 11 – 0.

– aan de erfgenamen van Catharina Vlemincx voor het verloop van een rente van 1675: 94.

– Lucas Wambacq heeft een ton klein bier gekregen op 28 oktober 1668: 1 – 0 – 0.

– voor de auditie betaald aan de lieutenant-drossaard,  schepenen en griffier: 2 – 2 – 0.

– voor het opstellen van deze rekening: 2 – 2 – 0.

– voor de kopij: 1 – 7 – 0.

Summa van de gehele uitgaven = 668 – 9 – 1bl – 9 mijten.

De ontvangsten bedroegen 252 – 3 – 1/2. Er is dus meer uitgegeven als ontvangen de som van 416 – 6 – 1 – 9 mijten.

De rekening werd gepresenteerd op de negende februari 1677 in presentie van vorster Van Innichoven die de drossaard vertegenwoordigde en de schepenen Jan Van Der Slachmolen, meester Steven Van Mulders, en Michiel Cornelis en Andries Van Der Straeten, Franchois en Michiel Wambacq kinderen wijlen Lucas en mij griffier quod attestor Van Mulders.

Ontvangsten van Andries Van Der Straeten van de goederen en het inkomen der kinderen van wijlen Lucas Wambacq.

Verhuurde goederen.

-ontvangen van Jacques Van Droogenbroeck 15 – 12 – 0 voor 3 jaar huur van 68 r meers gelegen op te Essene voor de jaren 1675, 76 ende 77

– van Carel De Nagel 17 – 2 – 0 voor 3 jaar huur van Den Gronaert

– van Andries Van Der Straeten 55 – 10 – 0 voor 3 jaar pacht van een stuk land gelegen onder Essene op het Dooreken, groot 375 r: 55 – 10 – 0.

– van Andries Van Der Straeten 13 – 4 – 0 voor 3 jaar huur van een hofstede groot 50 roeden gelegen te Essene verschenen het leste jaar als voren, dus hier 13 – 4 – 0.

– van dezelfde ontvangen voor 3 jaar pacht 16 – 4 – 0 pacht van 138 r land gelegen op het Doreken onder Essene: 16 – 4 – 0.

– van Adriaen Van Den Wijngaert voor 3 jaar pacht van een stuk land gelegen onder Essene op Den Montille, groot 180 r: 18 – 0 – 0.

– van Nicolaes Symons voor 3 jaar huur van 83 r land onder Essene op De Cappelle: 12 – 9 .- voor een hofstede gelegen aan Den Krekelendriesch, groot 125 r voor 3 jaar: 1 – 7 – 0.

– voor 3 jaar pacht van een meers gelegen onder Ternat, groot 4 d 56 r: 164 – 8 – 0.

– voor een meers gelegen groot 200 r, De Slockersmeersch”, is verhuurd geweest aan Michiel Van De Cruijce waarvan de rendant geen ontvangst heeft gehad omdat de  meers wettelijk met de brandende keersse is verkocht aan meester Michiel Wambacq zo dat de huur moet ontvangen worden van Wambacq en daarvan geen ontvangst gehad.

– van de weduwe Jan Camermans voor 25 morch wishout tegen 13 st ’t honderd: 17 – 6 – 1/2.

– voor ontvangst van 609 mutsaarts in  Den Avernellemeersch onder Ternat van meester Michiel Wambacq aan hem verkocht à 2 g 8 st ’t hondert: 14 – 12 – 0.

– van mutsaarts en wishout van de hofstede waar de rendant woonde: van Nicolaes Stevens op 19 maart 1680 7 – 0 – 0; van een partij spaanders, mutsaarts en wishout op 19 maart 1680  10 – 0 – 0; van Lucas Geertsmans voor een partij spaanders, mutsaarts en wishout op 19 maart 1681 7 – 0 – 0.

Summa van de ontvangsten 378 – 18 – 1/2. Er is dus meer uitgegeven dan ontvangen 432 – 17 – 1/2

Uitgaven .

– wat in zijn huis is verteerd bij het verhuren van de goederen op 16 april 1677 : 1 – 8 ..

– betaald aan de griffier voor de kopie van de condities: 4 – 4 – 0.

– aan Adriaen Van Den Abbeele en Peeter Van Ransbeke voor het zagen van plank en zolderribben en voor uitwinden van enige bomen afgemeten bij meester Michiel Wambacq:  19 – 11 – 0.

– aan Nicolaes Stevens twee stuivers nagels aan het huis van de kinderen: 0 – 2 – 0.

– aan Passchier de nagelman voor nagels tot reparatie van het: 4 -16 – 0.

– aan Peeter De Busse voor vier voeder sulsteen, ieder voeder à 20 stuivers: 4 – 0 – 0.

– op 22 september 1680 dezelfde steen gehaald: 3 – 0 – 0.

– 23 september 1680 een halve dag klei en vitsroeden gehaald: 1 – 10 – 0.

– 24 september 1680 een halve dag klei gehaald: 1 – 10 – 0.

-27 september 1680 twee schotels nagels, ieder schotel à 14 stuivers: 1 – 8 – 0.

– 28 september 1680 geleverd 5 bundels latten, ieder bundel à 12 stuivers: 3 – 0 – 0.

– 4 oktober 1680 een halve dag klei gehaald: 1 – 10 – 0.

– dezelfde dag goed gedaan aan de officier van de heer markies van Asse voor 13 bundels roeden: 3 – 7 – 0.

– de laatste dag van oktober 1680 goedgedaen voor een schotel nagels: 0 – 14 – 0.

– 6 november 1680 een halve dag klei gehaald: 1 – 10 – 0.

– 8 november 1680 2 Brusselse vaten kalk gekocht, ieder vat à 11 stuivers: 1 – 2 – 0.

– 11 november 1680 een dag klei gehaald: 2 – 8 – 0.

– 13 november 1680 een halve dag klei gehaald: 1 – 10 – 0.

– 14 november 1680 een dag kareelsteen gehaald met 3 paarden: 3 – 0 – 0.

– 15 en 16 november 1680 een dag steen gehaald: 3 – 0 – 0.

– 20 november 1680 een dag steen, klei en zavel gehaald: 3 – 0 – 0.

– 23 november 1680 een halve dag klei gehaald: 1 – 10 – 0.

– 27 november 1680 een schotel nagels: 0 – 14 – 0.

– dezelfde dag een vat en half kalk gekocht: 1 – 6 – 1/2.

goedgedaen aan Carel De Nagel voor vier bundels latten ieder bundel à 12 stuivers: 2 – 8 .

– aan Pauwel Rogge en zijn zoon voor verdiende arbeid bij hen gedaan: plakken, klei laden, metser dienen, vitsrooien kappen, spaanders binnen dragen, de timmerman helpen, ieder voor 15 dagen à 10 stuivers per dag: 15 – 0 – 0.

– geleverd 40 bundels stro: 1 – 0 – 0.

– aan Franchois Van Varenberg voor 11 dagen en half de metser en de dekkers te dienen à 8 stuivers per dag: 4 – 14 – 0.

– aan Lauwereijs Arijs en Jan Van Neervelt ieder voor een dag te dekken à 14 stuivers per dag en een pot bier, en nog geleverd 135 gelaije à 2 gulden per 100: 3 – 5 – 0; en alsnog voor een dag dezelfde dekkers te dienen met wissen te halen, 10 stuivers, samen gerekend  op dn laatste februari 1681: 5 – 6 – 0.

 aan de hofmeester van Affligem 28 g en dat voor 100 kareelsteen 3 januari 1681: 28 – 0.

– aan Jan De Leeuw metser voor 14 dagen te metsen aan een schouw en een huis te sullen en een borrebancq te maken à 18 stuivers daags: 12 – 12 – 0.

Den ondergeschreven bekent ontfangen te hebben vuijt handen van Andries Van Der Straeten de somme van twelf rinsguldens en twelff stuijvers ende dat voor vierthien differente daghueren à achthien stuijvers daeghs in d’metsen aen het niet huijs van de minderjaerige kinderen van Lucas Wambacq, te weten in d’maecken van een andere schouw, t’sullen, borrebanck te maecken als andersints. T’oirconden hebbe ick het selve onderteeckent desen derden meert 1681. Jan De Leeuw.

goedgedaen aan Joos Steppe en Jan Verdoodt ieder voor een dag te vitsen en plakken en een halve dag vitsroeden gehaald, samen 2 dagen en half à 8 stuivers daags: 1 – 0 – 0.

– de 27 maart 1681 een halve dag klei gehaald: 1 – 10 – 0.

– 28 maart 1681 200 nagels gekocht: 0 – 7 – 1/2.

– 3 jaar pacht waarvan maar ontfangen 2 jaar en het derde is kwijtgescholden: 108 – 19 – 0.

goedgedaen aan Lucas Geerstmans en Nicolaes Stevens voor het kappen en vermaken van het hout in Den Avernellemeersch: 7 – 0 – 0.

– voor de andere: 3 – 3 – 0.

– voor het opstellen van deze rekening: 1 – 16 – 0.

– voor de kopie van  deze rekening: 1 – 16 – 0.

Summa van de gehele uitgaven 495 – 13 – 1 blcq.

De gehele ontvangst beloopt 378 – 18 – 1/2.

Er is meer heeft uitgegeven als ontvangen 116 – 15 – 1.

Aldus gehoord en gesloten op de laatste dag van maart 1681 ten overstaan van Jan ’T Sas en Franchois, schepenen, meester Michiel Wambacq en Peeter Segers voogden, meester Franchois Wambacq en Lucas Aert en mij griffier quod attestor Van Mulders.

1682. Gestolen hop[121].

Gillis De Jonghe[122] huurde een huis van de erfgenamen van Lucas Wambacq, maar liet na om voor voldoende borg te zorgen. Als reactie daagden de erfgenamen Gillis voor de schepenbank en lieten zijn hop plukken, drogen en naar de zolder van Adries Van der Staeten overbrengen.Gillis diende op zijn beurt daarvoor een klacht in bij de schepenen en verklaarde dat hij bereid was om het gehuurde huis te verlaten op het einde van het jaar. Ook wou hij dat de schepenen zijn hop lieten taxeren. Als het bedrag lager was dan zijn verschuldigde huishuur was hij bereid het verschil bij te passen.

1682. Andries Van der Straeten[123] in de problemen als tiendenpachter[124].

Andries Van der Straeten was van 1670 tot 1679 de tiendenpachter van de abdij voor Essene. Met Jasper Camermans kwam hij overeen dat die maar 2/3 van de verplichte tienden zou betalen zolang het rentmeester Cocquille niet zou opvallen. Maar het liep anders. Rentmeester De Middeleer eiste de volledige betaling van de tienden voor de periode van 1674 tot 1679. Andries wentelde die eis af op Jasper en daagde hem voor de schepenbank. Op 19 juni 1682 kon Andries aan rentmeester Cocquille 52 g 10 st betalen als afkorting van de openstaande schuld. Jasper verdedigde zich door erop te wijzen dat het Andries was die voorstelde slechts 2/3 van de tienden te betalen en dat hij altijd een goede samenwerking met de abdij had. Dat bleek ook toen Ambrosius Van Lierde[125], de hofmeester van de abdij, hem op 25 oktober 1682 aanstelde als de nieuwe tiendenpachter. De Raad van Brabant, die van oordeel was dat het de tiendenpachter Andries was die het correcte bedrag aan de rentmeester moest betalen, veroordeelde Andries Van der Straeten op 23 september 1683 tot betaling van de helft van de proceskosten.

1684. Jan Kieckens betaalde de merrie niet[126].

Jan Kieckens[127] kocht van Merten Leemans, een pachter van Asbeek, een merrie maar betaalde de 33 g niet. Leemans kon niet anders dan de schepenen inschakelen om aan zijn geld te geraken.

1685. Drie processen voor Gillis Van den Wijngaerde[128].

Gillis Van den Wijngaerde, zoon van Adriaen, bezorgde de mensen die voor hem borg stonden heel wat moeilijkheden, maar moest uiteindelijk zelf opdraaien voor zijn onfair gedrag.

Jan Meert uit Brussel had zich borg gesteld voor Gillis als pachter van de impost voor het tweede halfjaar van 1683 voor de gemeenten Hekelgem en Meldert. Het ging om behoorlijke bedragen: 187 g voor Hekelgem en 181 g voor Meldert. Eind 1683 verstreek de pachttermijn en Jan Meert ging ervan uit dat zijn borgstelling was opgeheven. Groot was zijn verontwaardiging toen rentmeester Van de Velde van de Staten hem sommeerde tot betaling van de twee bedragen, samen 368 g. Hij dagvaardde op 24 oktober 1684 Gillis Van den Wijngaerde voor de schepenbank met het verzoek dat de schepenen Gillis zouden veroordelen tot ontlasting van de borgstelling. Gillis negeerde de drie dagvaardingen met het gevolg dat De advocaat van Jan Meert de goederen van Gillis liet verkopen op 5 maart 1685. De verkoop bracht 54 g 6 st op. Er waren ook voor 36 g 17 ½ st kosten zodat er amper 17 g 9 st over bleef. De Raad van Brabant oordeelde op 1 oktober 1685 dat Jan Meert ook de hofstede van Gillis mocht verkopen.

Het tweede proces tegen Gillis Van den Wijngaerde kwam van Gillis Wijnants, officier van Hekelgem. Die had zich voor 140 g 16 st borg gesteld voor Gillis en hij werd ook door rentmeester Van de Velde verplicht om dat bedrag te betalen. Zoals Jan Meert richtte Gillis Wijnants zich tot de schepenbank van Asse en de geschiedenis herhaalde zich: drie dagvaardingen van de schepenen en Gillis Van den Wijngaerde liet zich niet zien. Omdat Van den Wijgaerde die som niet kon betalen, werd zijn tarwe verkocht. Er bleef echter nog een schuld over van 42 g.

Samen met Jan De Loose pachtte Gillis Van den Wijngaerde het subsidieboeck van Essene. Zij moesten aan de Staten van Brabant 528 g 1 ½ st betalen zoals bleek uit de rekening opgesteld op 5 juli 1684 in aanwezigheid van Jan De Meije en Carel Steppe. Gillis betaalde de Staten maar bleef nog 70 g 19 st schuldig. Jan nam het niet dat Gillis, na meerdere aanmaningen, het resterend bedrag niet betaalde en hij richtte zich tot de schepenbank om Gillis daartoe te verplichten.

1682. Gillis De Smedt rekende teveel aan[129].

Gillis De Smedt collecteerde voor de 20ste penning in 1682 en rekende Franchois Van Onchem 21 st teveel aan. Dat bedrag is gelijk aan een goed daguur voor een werkman. Franchois slaagde er niet in zijn geld terug te krijgen en dus bleef er maar een oplossing: de schepenbank inschakelen.

1686. Rente onterecht opgeëist[130]?

De erfgenamen van Margriete De Ridder, weduwe van Jacques Van Dongelberge, vertegenwoordigd door Jacobus Van den Bossche, eisten voor de schepenbank 80 g van Joos Van den Bossche. Die 80 g kwamen voort van een rente van 4 g, maar was gedurende 20 jaar niet betaald. Joos Van den Bossche had een lening met een rente van 4 g aangegaan bij de aankoop op 3 september 1663 van zijn hoeve Den Ruijninck. Het hing om een hofstede met huis en andere edificiën daarop staande,  groot 3 d, gelegen in Essene en genoemd “Den Ruijninck”, palend noordoost de goederen van Peeter Van Driessche, zuidoost aan de goederen van de erfgenamen van wijlen Hendrick Willems, zuidwest Jasper Van Varenberge en met de vierde zijde noordwest aan de heirbaan lopende van Brussel naar Aelst. De hofstede was belast met een heerlijke grondcijns aan n Affligem van twee rinsgulden per jaar.

In zijn verweer betoogde Joos Van den Bossche dat er bij de aankoop geen sprake was van een rente van 4 g en hij vroeg de aanleggers van het proces om hem voorts niet meer te komen molesteren ende quellen. Hij en zijn vrouw Jacqueline Van den Abeele hadden de hofstede verkregen van Peeter Pauwels. De akte werd opgesteld door de Affligemse meier Michiel Wambacq en ondertekend door de schepenen Melchior Van den Driessche, Erasmus De Merchie en Nicolaes Robijns.

1689. Jan Stevens koopt een hofstede[131].

Op 20 april 1680 kocht Jan Stevens een deel van een behuisde hofstede te Steenhuffel. Een dag later kwam hij met Joos Van Linthout uit Merchtem overeen om zijn deel van de hofstede over te kopen voor 156 g 10 st met de belofte hem het geld binnen de 14 dagen te overhandigen. Dat deed Jan niet en Joos dat niet connende verdraegen daagde Jan voor de schepenbank om zijn geld te eisen.

1689. Jasper Camerman kan zijn belastingen niet betalen[132].

In 1689 geraakte Jasper Camerman[133] in zware financiële problemen. Hij kon zijn belastingen niet volledig betalen. Peeter Wambacq[134], ontvanger van de beden, taxeerde hem als pachter voor het subsidieboek voor 28 st voor ieder bunder en als brouwer, samen voor 66 g 10 st 1 b. Hij betaalde daarvan in meerdere schijven 52 g 1 st. Voor het bedenboek voor 1687 en 1688 werd hij belast aan 30 st per bunder, voor elk schaap ½ st en voor elke koe 6 st, samen 66 g 12 st 1 b. Daarvan betaalde Jasper 35 g en bleef hij 31 g 12 st 1 b schuldig. 1689 was een duur jaar. Voor het bedenboek moesten de Essenaren per bunder 3 g 6 st betalen, 5 st per koe en ½ st per schaap. Voor Jasper kwam dat neer op een belasting van 140 g 18 1/2 st. Jasper kon niets betalen. Voor het subsidieboek kwam zijn bijdrage op 93 g 16 ½ st en daarvan kon hij 50 g betalen en bleef hij voor 43 g 6 ½ st in het rood staan. Zijn totale belastingschuld bedroeg in 1689 niet minder dan 235 g 7 ½  st. Geen wonder dat Peeter Wambacq hem voor de schepenbank daagde.

1689. Peeter Wambacq[135].

Peeter Wambacq werd door Franse soldaten gevangen genomen en opgesloten in de gevangenis van Doornik. Nadat hij al langen tijd zat opgesloten, vroegen de bedesetters van Essene aan Franchois De Geijnt om Peeters plaats in te nemen voor een vergoeding van 6 ½ st per dag. Na 409 dagen kwam Franchois op vrije voeten en had hij recht op 130 g. Voor zijn edelmoedige daad mocht hij niet rekenen op enige dankbaarheid want de bedesetters dachten niet aan de uitbetaling zoals was afgesproken. Franchois kon niet anders dan de schepenbank inschakelen om aan zijn geld te geraken.

Het is jammer dat de datum ontbreekt, maar we kunnen veronderstellen dat het oppakken van Peeter te maken had met niet tijdig betaalde oorlogslasten, opgelegd door de Franse bezetters. In september 1689 waren er Franse legerbendes in onze streek. Op 19 september bezette een bende de abdij en namen proost Vedastus Van Nuffel gevangen omdat de geheven belasting nog niet was betaald. Dom Romanus was de dag voordien met 240 g naar hun kamp in Doornik gezonden, maar hij kwam terug met de mededeling dat er voor 26 september 2 000 g moest worden betaald anders zou men de abdij in brand steken. De abdij kon slechts 1 000 g betalen en dan was onvoldoende, want op 25 september kwam het bericht dat de Fransen de abdij, Hekelgem en Essene in brand zouden steken[136]. Op 7 juli 1691 was Essene weer het slachtoffer van oorlogsgeweld en in 1695 staken Fransen Het Ankerhof in brand.

1691. Meester Jan Van Vaerenbergh tegen Peeter Wambacq[137].

Daar de erfgenamen van Jan Camermans de pacht van hun deel van ’t Grootbroek, 3 bunders groot en te Essene gelegen, niet konden betalen, beslisten de stadhouder en de leenmannen van de abdij Affligem om het goed aan Jan Van Vaerenbergh te verpachten. Als pand gaf Jan 1 ½ d land te Asse gelegen en eigendom van het klooster van Groenendaal dat ook het wederdeel van ’t Grootbroek bezat. Dat deel had Jan ook kunnen pachten. Wanneer Peeter Wambacq als collecteur Van Vaerenberghs deel voor de bedenboek kwam opeisen, weigerde hij te betalen omdat hij beweerde dat hij zijn bijdrage aan Groenendaal had betaald en hij diende in 1691 een klacht in tegen Peeter Wambacq. Die kon aan de hand van uittreksels van het bedenboek uit 1677, 1681 en 1684 aantonen dat het land altijd al door de bedesetters was belast.

1694. Balthazar De Bus weigert te betalen[138].

Om de kosten van wagens en pioniers ten dienste van de keizer te betalen werd Essene belast met 6 g per bunder wat een totaal gaf van 639 g 18 ½ st. Collecteur Balthazar De Bus vond het bedrag teveel of onrechtvaardig, in elk geval Essene zat opgescheept met een achterstallige betaling van 639 g 18 ½ st. Om moeilijkheden met de overheid te vermijden spande Peeter Wambacq namens de bedesetters een proces in tegen Balthazar. Hij wou dat de schepenen hem dwongen de beden te betalen.

Een voorbeeld van de lasten: de weduwe Michiel Wambacq moest 444 g 13 ½ st betalen.

Michiel Wambacq, zoon van Franciscus en Catharina De Troch werd gedoopt op dinsdag 17 oktober 1617 in Essene en overleed op zondag 22 oktober 1690 in Essene, 73 jaar oud. Hij trouwde, 30 jaar oud, op zondag 17 november 1647 in Buizingen met Joanna De Bast, 18 jaar oud. Zij is gedoopt op donderdag 4 oktober 1629 in Buizingen en is overleden op woensdag 2 januari 1692 in Essene, 62 jaar oud. Meier van de schepenbank van de abdij Affligem. Het huisgezin Michiel Wambacq-de Bast bewoonde te Essene, bij de kerk, “Het Ankerhof”. Bisschop Malderus kwam dikwijls zijn verlofdagen doorbrengen bij zijn nicht op het Ankerhof, alwaar hij zijn eigen boekenkamer bezat. Het Ankerhof werd platgebrand door het Franse leger van Villeroy (1695) en heropgebouwd in 1702. ( Villeroy , generaal van Louis XIV, heeft eveneens de grote markt van Brussel platgeschoten. Zie ook jaarboek Belledaal 2008 blz. 213.

1695. Jan Baptist Van Pede eist zijn deel[139].

Na de dood van Joanna De Bast, weduwe van Michiel Wambacq en moeder van Peeter, op 2 januari 1692, kon aan de 7 erfgenamen 200 g 16 st worden uitgedeeld of voor ieder 30 g 8 st. Voor Jan Baptist Van Pede duurde het te lang voor hij zijn deel kreeg en hij diende op 26 april 1695 tegen Peeter een klacht in. Op 29 december 1695 schreef Peeter een brief aan Jan Baptist waarin hij uitlegde waarom hij niet kon betalen:

Esschene 29 Xber 1695.

Mijnheer Van Pede,

Het is mij leedt dat ick op gisteren off heden niet en hebbe konnen besorgen eene goede somme geld, hebbe gedaen alle mogelijcke debvoiren om geld geld te bekommen, jae, hebbe gisteren expresselijck naer Aelst geweest bij iemand die mij heeft hout gecocht met gereed geld ende vermeijden aldaer te ontfanghen 7 pond groot maer daer commende heeft hij mij uijtgestelt den dagh van geld te haelen tot morgen ende acht dagen ’t selve gehaelt hebbende sal U. E. ’t selve sonder faute als dan brenghen oversulcx hopende dat U. E. tot als dan sal patiëntie hebben want daer en is geen geld te bekommen van de gene die mij schuldigh sijn soo dat ick moet alles betaelen van mijn geld ’t gene ick ontfanghen moet van mijn vercocht goed ende dat van een ander het welcke hard is hierop betrouwende blijve.

P. Wambacq.

1695. Lucas Bruylants betaalt geen pacht[140].

Op 6 juni 1690 pachtte Lucas Bruylants van Peeter Van der Haren, official op het wijncomptoir te Antwerpen, een zaailand gelegen op de Foost voor 6 jaar. De pacht bedroeg 12 g. In 1695 had Lucas nog geen cent betaald en dat leverde hem een proces op bij de schepenbank. Hij moest dadelijk de 60 g schuld betalen.

1697. Peeter Wambacq betaalt lening niet terug[141].

Op 9 januari 1697 leende Nicolaes Daumans 50 g aan Christina Van Campenhout zoals blijkt uit onderstaande brief:

Ick onderschreven Christina Van Campenhout huijsvrouwe van Peeter Wambacq in de tegenwoordicheijt van mijnheer Tijs pastoor van Esschene bekenne bij dese wel ende eerlijck ontfangen te hebben vuijt de handen van Nicolaes Daumans ingesetene van Esschene de somme van vijftich rinsguldens eens, belovende deses omme wederomme te geven tusschen den tijd van een halff jaer van datum deser ende dat met den interest van dien tegen sesse guldens het hondert ende off het gebeurde dat Niclaes Daumans dese vijftich guldens eerder hadde van doen bij exempel binnen vier off vijff maenden soos al ick onderschreven hem dese somme weder geven met den interest van ’t volle halff jaer mits drij off vier weken te vooren vermaent sijnde ende om dit alles wel ende vast soude sijn soo verbinde ick hiertoe mijne hoffstede daer den selven Nicolaes is op woonende genaemt “Den ?” gestaen binnen Esschene ende in teecken der waerheijt hebbe dit met mijn eijgen hanteecken onderteeckent.

Actum den negensten januari sesthien hondert ende sevenentnegentichende was onderteeckent Christina Van Campenhout ende ter sijden S. Tijs pastoor in Esschene 1697.

Dat was een mooie overeenkomst, maar wanneer Nicolaes zijn terug wou, reageerde Peeter niet en bleef hem alleen de rechtbank over om aan zijn geld te geraken.

Stephanus Thijs was pastoor in Essene tot 1700.

1698. Cathelijne Wambacq in conflict met de bedesetters[142].

Cathelijne Wambacq, de weduwe van Andries Van der Straeten[143], beweerde dat ze het hele dorp vertegenwoordigde in het verzet tegen de kosten van logementen en vertier van soldaten. Op 3 april 1698 kwam zij met de bedesetters Nicolaes Meert, Gillis en met Jan Van Varenberch, Aert Van De Putte, Jacobus De Meije, Michiel De Cort, Aert De Smeth en Jan Steppe overeen dat Essene 454 g 16 ½ st zou betalen. Zij maakte zelf voor 168 g 4 ½ st kosten die ze tevergeefs van de bedesetters wou recupereren. Alleen een klacht bij de schepenbank kon haar helpen om aan haar geld te geraken.


[1] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 8070.

[2] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 5146.

[3] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 823.

[4] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 858.

[5] R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 1083. R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 8098.

[6] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1083.

[7] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1092.

[8] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1191.

[9] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1185.

[10] Michiel Wambacq, zoon van Gillis en Joanna Verleysen is gedoopt omstreeks 1555 in Essene. Hij is overleden vóór 1612 in Essene, ten hoogste 57 jaar oud. Michiel trouwde in Essene met Barbara De Wever. Zij is gedoopt omstreeks 1556 in Essene.

[11] Gerardus Pauwels trouwde op dinsdag 23 juni 1609 in Essene met Joanna De Bonte.

[12] Egidius Roms trouwde op zondag 21 september 1614 in Essene met Margareta  Willems.

[13] Michiel Wambacq, zoon van Michiel en Barbara De Weverj is gedoopt omstreeks 1585 in Essene. Hij trouwde, ongeveer 29 jaar oud, op zaterdag 30 augustus 1614 in Essene met Josine De Witte. Josine is overleden op donderdag 16 december 1655 in Essene.

[14] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 396.

[15] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 1182.

[16] Joannes Wambacq, zoon van Michiel en Barbara De Wever. Hij is gedoopt omstreeks 1587 in Essene. Hij trouwde, 33 jaar oud, op zondag 28 juni 1620 in Essene met Joanna Camermans, nadat zij in Essene in ondertrouw zijn gegaan.

[17] Gerard De Witte, zoon van Gillis en Barbara Van Vaerenbergh, trouwde op donderdag 11 juni 1620 in Essene met Elisabetha Ooms.

[18] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1290.

[19] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1300.

[20] Inventaris van het archief van de Raad van Brabant. Processen van de adel. 1511-1650.

Schulden en uitvoering van het testament van Hannibal Boselli, heer van Steenvoorden (onder Ternat). Proces voor schepenen van Brussel. 1638-1639.

[21] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1407.

[22] Mud: inhoudsmaat, 1 mud = 6 sister (ook sester) = 6 zakken = 24 veertelen.

[23] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 389.

[24] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 207.

[25] Michael Van Vaerenbergh trouwde op zondag 1 oktober 1623 in Essene met Anna De Mey.

[26] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1207.

[27] Een carolusgulden of karolusgulden is een oude munt die ten tijde van keizer Karel V werd geslagen en naar hem is genoemd. De carolusgulden bestond zowel in een gouden uitvoering (Carolus d’or) als een zilveren (Carolus d’argent). De gouden carolusgulden werd voor het eerst in 1517 geslagen, de zilveren in 1543. Beide vertegenwoordigden bij de invoering van de zilveren carolusgulden dezelfde waarde. Deze bedroeg 20 stuivers. Onder Karels opvolger koning Filips II is de aanmunting van deze guldens niet meer voortgezet. De term karolusgulden als aanduiding voor een rekeneenheid bedrag van 20 stuiver, weldra kortweg gulden genoemd, heeft echter nog lang nadien als gediend, totdat de Republiek der Nederlanden vanaf 1688 fysieke zilveren guldens is gaan slaan. Bron: Wikipedia.

[28] Gerardus Pauwels, zoon van NN Pauwels en Martijne Cammaerts. trouwde op dinsdag 23 juni 1609 in Essene met Joanna De Bonte. Kinderen van Gerard en Joanna in Essene gedoopt:

1- Egidius, gedoopt op dinsdag 13 juli 1610.

2- Catharina, gedoopt op zondag 22 juli 1612.

3- Elisabeth, gedoopt in 1615.

4- Joannes, gedoopt op donderdag 20 mei 1621.

[29] Gerard De Witte (ook Geeraert) was de zoon van Gillis, molenaar op de IJzerbeekmolen te Asse en daarna op de Bellemolen en boer op het Hof ter Belle, meisenier en kerkmeester te Essene in 1573, poorter van Aalst, overleden voor 1612. Hij trouwde met Barbara Van Vaerenbergh, dochter van Geeraert, boer op het Hof te Belle, overleden na 1612. Gerard, meisenier in 1607, was brouwer en wellicht vader van:

1. Catharina, trouwde met Dierick Struelens, brouwer.

2. Marie, trouwde met Carel De Coninck.

3. Kathelijne, trouwde met Joos Van Ruijsevelt

4. Anna, Trouwde met Peter Van der Beke

5.Barbara, trouwde met Jacques Van der Hulst, griffier te Opwijk

6. Adriana, trouwde met Peter Van den Eeckhout.

7. Jan, trouwde met Catharina Van den Eeckhout

8. Gillis, vermoord door Peter Meert.

L. LINDEMANS, Aanvullingen bij de Genealogie Evenepoel, in: ESDB, 1990, 78.

[30] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 8123.

[31] Joannes Van Cauwenberghe trouwde met Catharina Van Den Mueter. Zij hadden 9 kinderen:

1- Peter.

2- Nicolaes.

3- Margriete, zij trouwde met Gielis Aeckelijs. Zij hadden twee kinderen: Johanna en Marie.

4- Judocus, gedoopt op woensdag 24 juni 1609 in Essene. Hij trouwde, 23 jaar oud, op zondag 26 september 1632 in Essene met Francisca Droesselere, 26 jaar oud. Zij is gedoopt op vrijdag 16 december 1605 in Essene. Zij hadden vier kinderen te Essene gedoopt: Catharina, gedoopt op zondag 27 april 1636; Michael, gedoopt op zondag 6 februari 1639; Judocus, gedoopt op vrijdag 15 november 1641; Elisabeth, gedoopt op vrijdag 15 november 1641.

5- Franciscus, levenloos geboren zoon, gedoopt op woensdag 18 november 1643.

6- Anna, levenloos geboren dochter, gedoopt op woensdag 18 november 1643.

7- Franciscus, gedoopt op woensdag 4 oktober 1645.

8- Anna, gedoopt op maandag 20 januari 1648.

9- Petrus, gedoopt op donderdag 17 november 1650.

[32] Michael Camermans, zoon van Joannes en Catharina De Witte, werd gedoopt op vrijdag 11 oktober 1613 in Essene. Hij trouwde, 30 jaar oud, op maandag 9 november 1643 in Essene met Elisabeth De Valck.

[33] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 1889.

[34] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2160.

[35] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2092.

[36] Nicolaas Meert, gedoopt in 1635 in Essene overleed op zondag 10 februari 1709 in Essene, 74 jaar oud. Hij trouwde, 23 jaar oud, op maandag 2 september 1658 in Baardegem met Clara Van Langenhove, 20 jaar oud. Zij is een dochter van Joannes en Barbara Van den Broeck. Zij is gedoopt op woensdag 3 maart 1638 in Baardegem. Clara overleed op zaterdag 16 mei 1676 in Essene, 38 jaar oud. Nicolaas hertrouwde, 41 jaar oud, op zondag 20 september 1676 in Sint-Aands met Clara De Keersmaecker 32 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 11 september 1644 in Sint- Amands. Zij overleed op vrijdag 12 april 1720 in Essene, 75 jaar oud.

[37] Egidius De Riddere is overleden op maandag 16 mei 1672 in Essene. Hij trouwde op zondag 4 oktober 1637 in Essene met Elisabeth Camerman, 31 jaar oud. Zij is een dochter van Joannes en Catharina De Witte. Zij is gedoopt op zaterdag 1 april 1606 in Essene. Zij is overleden op dinsdag 28 juli 1676 in Essene, 70 jaar oud.

[38] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2079.

[39] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2083.

[40] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2198.

[41] Hendrick Vranckx, zoon van Henricus en Anna Rodomont is gedoopt op maandag 13 april 1626 in Asse en overleden op donderdag 1 april 1677 in Essene, 50 jaar oud. Hij trouwde, 35 jaar oud, in 1661 in Essene met Elisabeth Wambacq, 45 jaar oud. Zij is een dochter van Franciscus en Catharina De Troch. Zij is gedoopt op donderdag 21 januari 1616 in Essene en is overleden op dinsdag 7 december 1677 in Asse, 61 jaar oud. Zij was weduwe van Peter Gabriël Van Mulders (1608-1660), met wie zij trouwde in 1635.

[42] L. LINDEMANS, Genealogische schets: Camerman(s), in: Ascania, 1992, 133 – 136.

[43] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2213.

[44] Gerardus Linthout, gedoopt omstreeks 1590 en is overleden op woensdag 20 augustus 1664 in Essene, ongeveer 74 jaar oud. Hij trouwde, ongeveer 34 jaar oud, op zondag 17 november 1624 in Essene met Catharina Camerman.

Kinderen van Gerardus en Catharina in Essene gedoopt:

1 Joanna, gedoopt op woensdag 7 januari 1626.

2 Adrianus, gedoopt op zaterdag 26 december 1626.

3 Joanna, gedoopt op dinsdag 1 mei 1629.

4 Joannes, gedoopt omstreeks 1632 en overleden in 1680, ongeveer 48 jaar oud.

5 Petrus, gedoopt op donderdag 3 juli 1636 en overleden in 1653 in Essene, 17 jaar oud.

6 Franciscus, gedoopt op dinsdag 10 mei 1639.

[45] J. LINDEMANS, Aanvullingen bij de Genealogie Evenepoel, in: ESDB, 1990, 74 – 77.

[46] Furnissement: het totaal van de dagvaardingen

[47] Cum suis: en de zijnen.

[48] Advoye: goedkeuring.

[49] Franciscus Verhoeven, gedoopt omstreeks 1590 en overleden omstreeks 1660, ongeveer 70 jaar oud. Hij trouwde, ongeveer 26 jaar oud, op zondag 23 oktober 1616 in Essene met Maria Camermans, minstens 17 jaar oud. Zij was een dochter van Joannes en Catharina De Witte, gedoopt vóór 1599 in Essene. Zij is overleden op zaterdag 2 januari 1638 in Hekelgem, minstens 39 jaar oud.

Kinderen van Franciscus en Maria in Hekelgem gedoopt:

1 Elisabeth, gedoopt op donderdag 5 mei 1622 en overleden op donderdag 14 oktober 1683 in Hekelgem, 61 jaar oud. Zij trouwde, 23 jaar oud, op maandag 21 augustus 1645 in Hekelgem met Martinus Carnoy, 25 jaar oud. Hij is gedoopt op donderdag 9 januari 1620 in Hekelgem. Martinus is overleden op dinsdag 6 augustus 1680 in Hekelgem, 60 jaar oud.

2 Francisca, gedoopt op dinsdag 28 november 1628 en is overleden op vrijdag 15 maart 1697 in Hekelgem, 68 jaar oud. Zij trouwde, 25 jaar oud, op zaterdag 17 oktober 1654 in Hekelgem met Joannes Pensionaris, 25 jaar oud. Hij is gedoopt op zondag 11 februari 1629 in Hekelgem en is overleden op zaterdag 16 mei 1671 in Hekelgem, 42 jaar oud.

3 Maria, gedoopt op woensdag 26 juli 1634 en overleden op woensdag 26 april 1713 in Hekelgem, 78 jaar oud. Zij trouwde met Michael Mertens, gedoopt omstreeks 1635 en overleden op dinsdag 4 oktober 1695 in Hekelgem, ongeveer 60 jaar oud.

[50] Sommatie: laatste aanmaning.

[51] Martinus Wambacq, zoon van Franciscus en Catharina De Troch is gedoopt op zaterdag 19 oktober 1619 in Essene. Hij overleed, 55 jaar oud en werd begraven in de kerk van Essene op woensdag 6 februari 1675 te Essene. Hij was notaris te Essene en griffier van de abdij Affligem. Martinus trouwde, 35 jaar oud, op vrijdag 9 juli 1655 in Asse met Anna Vranckx, de dochter van Henricus en Anna Rodomont. Anna overleed op donderdag 24 december 1676 in Essene,  vermoedelijk bij de bevalling van een tweeling, Arnoldus en Judocus op 24 december 1676. Begraven in de kerk van Essene. Zij hertrouwde op zondag 12 januari 1676 in Essene met Joannes Kieckens.

[52] Joannes Van Overstraeten, werd gedoopt omstreeks 1597 in Sint-Martens-Lennik. Hij overleed in 1664 in Merchtem, ongeveer 67 jaar oud. Joannes trouwde, ongeveer 25 jaar oud, op dinsdag 10 mei 1622 in Essene met Janna Camermans, minstens 22 jaar oud. Zij is een dochter van Joannes Camermans en Catharina De Witte. Zij is gedoopt vóór 1600 in Essene en overleed op woensdag 24 juni 1671 in Merchtem, minstens 71 jaar oud.

[53] Egidius De Ridder, gedoopt omstreeks 1610 in Ternat overleed op maandag 16 mei 1672 in Essene, ongeveer 62 jaar oud. Hij was koster en schoolmeester van Essene en werd in de kerk begraven. Hij trouwde, ongeveer 27 jaar oud, op zondag 4 oktober 1637 in Essene met Elisabeth Camerman, 26 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 10 juli 1611 in Malderen overleed op dinsdag 28 juli 1676 in Essene, 65 jaar oud.

[54] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2249.

[55] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 248.

[56] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nrs. 2238, 2247, 2250 en 515.

[57] Egidius De Ridder is overleden op maandag 16 mei 1672 in Essene. Hij trouwde op zondag 4 oktober 1637 in Essene met Elisabeth Camerman, 31 jaar oud. Zij is gedoopt op zaterdag 1 april 1606 in Essene. Zij is overleden op dinsdag 28 juli 1676 in Essene, 70 jaar oud.

[58] Arnold Van de Putte, zoon van Arnold sr en Joanna Geyle. Hij is gedoopt omstreeks 1595 en overleden op woensdag 20 december 1662 in Essene, ongeveer 67 jaar oud. Arnold trouwde met Antonia De Vleeschouwere, overleden na 1645.

[59] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2636.

[60] Michaël Wambacq, zoon van Franciscus en Catharina De Ttoch, werd gedoopt op dinsdag 17 oktober 1617 in Essene. Michaël is overleden op zondag 22 oktober 1690 in Essene, 73 jaar oud. Hij trouwde, 30 jaar oud, op zondag 17 november 1647 in Buizingen met Joanna De Bast, 18 jaar oud. Zij is een dochter van Petrus en Ludovica Louisa De Greve. Zij is gedoopt op donderdag 4 oktober 1629 in Buizingen en overleed op woensdag 2 januari 1692 in Essene, 62 jaar oud.

[61] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr.2272.

[62] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 260.

[63] Franciscus Wambacq, geboren omstreeks 1580 in Essene, zoon van Michiel en Barbara De Wever. Hij overleed op donderdag 30 juni 1661 in Essene, ongeveer 81 jaar oud en  werd in de kerk begraven. Hij kocht in 1638 het hof te Belle van de abdij: “15 juni heeft den aertsbiscop Boonen het Pachthof van Belle onder palenslagh vercoght aan Franciscus Wambacq voor gl 9000 ende daer waeren 24 booghen op de conditie staen in probis”. Hij was ook griffier van de schepenbank van de abdij Affligem. Zie jaarboek Belledaal 2008 blz. 211.

[64] Arnoldus Robijns, zoon van Martinus (Merten) en Elisabeth Wauters is gedoopt op woensdag 1 mei 1619 in Hekelgem. Hij trouwde, 23 jaar oud, op dinsdag 7 oktober 1642 in Hekelgem met Anna Van Den Broeck, 15 jaar oud. Zij is gedoopt op dinsdag 19 januari 1627 in Hekelgem.

[65] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr.264.

[66] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2300.

[67] Gerard Linthout huwde op zondag 17 november 1624 in Essene met Catharina Camerman. Kinderen van Gerardus en Catharina te Essene gedoopt:

1-Joanna, gedoopt op woensdag 7 januari 1626

2- Adrianus, gedoopt op zaterdag 26 december 1626

3- Joanna, gedoopt op dinsdag 1 mei 1629

4- Petrus, gedoopt op donderdag 3 juli 1636 en overleden in 1653 in Essene, 17 jaar oud.

5- Franciscus, gedoopt op dinsdag 10 mei 1639.

[68] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2334.

[69] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 272.

[70] Paulus Stevens is overleden op dinsdag 21 juli 1671 in Essene. Hij trouwde op zaterdag 21 juni 1653 in Essene met Maria De Raet, overleden op maandag 1 februari 1694 in Essene.

[71] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2340.

[72] Uit het “boeck van de guldebroeders ende Gulde Susters van dat Broerscap van der heiliger Maghet Kathelijne van Aelst”: Joannes Ivain et Adrianus de Cuyper koningh – 14.2.1657. Het Land van Aalst, 1987, 4-5, blz. 196.

[73] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2338.

[74] Egidius De Ridder, gedoopt omstreeks 1610 in Ternat overleed op maandag 16 mei 1672 in Essene, ongeveer 62 jaar oud. Hij was koster in Essene en werd in de kerk begraven. Egidius trouwde, ongeveer 27 jaar oud, op zondag 4 oktober 1637 in Essene met Elisabeth Camerman, 26 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 10 juli 1611 in Malderen en overleed op dinsdag 28 juli 1676 in Essene, 65 jaar oud.

[75] Gaspar Boom trouwde op zaterdag 9 juli 1661 in Essene met Josina De Ceuster.

[76] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2372.

[77] Adrianus Linthout, zoon van Gerardus en Catharina Camerman, werd gedoopt op zaterdag 26 december 1626 in Essene.

[78] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 548.

[79] Hendrik Vranckx, zoon van Hendrik en Anna Rodomont, is gedoopt op maandag 13 april 1626 in Asse. Hij is overleden op donderdag 1 april 1677 in Essene, 50 jaar oud. Hendrik trouwde, 35 jaar oud, in 1661 in Essene met Elisabeth Wambacq, 45 jaar oud.

[80] Elisabeth Wambacq, dochter van Franciscus en Catharina De Troch, is gedoopt op donderdag 21 januari 1616 in Essene. Zij is overleden op dinsdag 7 december 1677 in Asse, 61 jaar oud. Elisabeth trouwde, 19 jaar oud, in 1635 met Peter Gabriël Van Mulders, 27 jaar oud. Hij is gedoopt in 1608 in Asse en overleed in 1660 in Asse, 52 jaar oud. Hij was weduwnaar van Kathelijne Van den Bossche (1590-1635), met wie hij trouwde op zaterdag 26 oktober 1624 in Asse. Peter was griffier van Asse.

Elisabeth hertrouwde, 45 jaar oud, in 1661 in Essene met Hendrik Vranckx, 35 jaar oud.

[81] Jacques Van Droogenbroeck, zoon van Judocus en Catharina Van De Waeter,j is gedoopt in Sint-Martens-Bodegem. Hij is overleden op zondag 19 oktober 1681 in Essene en werd en in de kerk begraven. Jacques trouwde op maandag 18 april 1667 in Essene met Elisabeth Robijns, 39 jaar oud, dochter van Gaspar en Margaretha Van Den Bossche. Zij is gedoopt op zondag 9 april 1628 in Meldert. Elisabeth is overleden op zondag 29 september 1715 in Essene, 87 jaar oud. Zij trouwde, 17 jaar oud, op zondag 17 september 1645 in Meldert met Joannes Van de Putte, 16 jaar oud. Hij is een zoon van Arnold Jr. en van Antonia  De Vleeschouwere. Hij is gedoopt op donderdag 16 november 1628 in Essene. Bij de doop van Joannes waren de volgende getuigen aanwezig: Arnold Van De Putte en Margaretha Van Den Bossche, geboren in 1582 op de Overnellemolen. Joannes is overleden op zondag 16 augustus 1665 in Essene, 36 jaar oud. Hij was molenaar op de Bellemolen 1651. Elisabeth hertrouwde, 39 jaar oud, op maandag 18 april 1667 in Essene met Jacques Van Droogenbroeck.

[82] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2410.

[83] B. VERMOESEN, Een rijke geschiedenis in: De kracht van water, de Bellemolen te Essene, 2020, 20.

[84] In 1667 was een Frans leger de Zuidelijke Nederlanden binnengevallen. Een allegaartje van Spanjaarden, Walen en Duitsers tracht de veroveringstocht te stoppen, maar op 12 september 1667 viel Aalst in Franse handen.

[85] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2415.

[86] Egidius Daman, gedoopt op maandag 12 mei 1642 in Essene, overleed op woensdag 28 april 1723 in Essene, 80 jaar oud. Hij trouwde, 20 jaar oud, op maandag 6 november 1662 in Essene met Joanna De Ridder, 24 jaar oud. Zij is een dochter van Egidius en Elisabeth Camerman. Zij is gedoopt op zondag 29 augustus 1638 in Essene.

[87] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2441.

[88] Egidius De Ridder, gedoopt omstreeks 1610 in Ternat, overleed op maandag 16 mei 1672 in Essene, ongeveer 62 jaar oud. Hij was koster en werd in de kerk begraven. Egidius trouwde, ongeveer 27 jaar oud, op zondag 4 oktober 1637 in Essene met Elisabeth Camerman, 26 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 10 juli 1611 in Malderen.  Zij is overleden op dinsdag 28 juli 1676 in Essene, 65 jaar oud.

[89] Patagon = De patagon, pat(t)acon of Albertusdaalder is een munt die in de Lage Landen in 1612 werd geïntroduceerd onder het bewind van de aartshertogen Albrecht en Isabella (1598-1621) en werd voor het laatst geslagen in 1711 onder de Spaanse troonpretendent Karel III (1703-1711) in Antwerpen. Patagon – Wikipedia.

[90] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2496.

[91] Joannes Geerstman, zoon van Judocus en Gertrudis Van Langenhove, gedoopt op maandag 2 januari 1634 in Meldert, trouwde met Elisabeth Van Ginderachter. Zij is een dochter van Gillis en Catharina Plas. Zij trouwde voor of later met Jan Van Onsem.

[92] R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2438.

[93] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2503.

[94] Catharina De Troch, dochter van Jan en Cathelijne T’Sas,  gedoopt omstreeks 1587. Zij trouwde, ongeveer 26 jaar oud, op dinsdag 3 september 1613 in Asse met Franciscus, ongeveer 33 jaar oud. Hij is geboren omstreeks 1580 in Essene, zoon van Michiel en Barbara De Wever. Hij overleed op donderdag 30 juni 1661 in Essene, ongeveer 81 jaar oud en werd in de kerk bergraven.

[95] Lucas Wambacq, zoon van Franciscus en Catharina De Troch, gedoopt op donderdag 14 juni 1629 in Essene, overleed op woensdag 10 september 1670 in Essene, 41 jaar oud. Hij trouwde, 20 jaar oud, op zondag 4 juli 1649 in Essene met Catharina Breijnaers, ongeveer 29 jaar oud. Zij is gedoopt omstreeks 1620. Catharina is overleden op donderdag 17 mei 1657 in Essene, ongeveer 37 jaar oud.

Lucas hertrouwde, 28 jaar oud, op donderdag 19 juli 1657 in Essene met Anna Van de Putte, 30 jaar oud. Zij is een dochter van Arnold Jr  en Antonia De Vleschouwere. Zij is gedoopt op vrijdag 9 juli 1627 in Essene. Anna is overleden vóór 1670, ten hoogste 43 jaar oud.

Kinderen van Lucas en Catharina te Essene gedoopt:

1 Catharina, gedoopt op donderdag 28 april 1650

2 Adriana, gedoopt op dinsdag 12 december 1651. Zij is overleden vóór 1675 in Essene, ten hoogste 24 jaar oud.

3 Joanna, gedoopt op zondag 28 december 1653

4 Franciscus, gedoopt op dinsdag 10 augustus 1655

5 Michael,  gedoopt op dinsdag 29 mei 1657

Kinderen van Lucas en Anna gedoopt in Essene:

1 Aroldus, gedoopt op maandag 17 juni 1658

2 Guillelmus, gedoopt op maandag 5 april 1660 .

3 Martinus, gedoopt op maandag 14 augustus 1662. Martinus is overleden op donderdag 4 juli 1720 in Essene, 57 jaar oud.

4 Joannes, gedoopt op dinsdag 6 januari 1665

[96] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2222.

[97] Hendrik Vranckx, zoon van Henricus en Anna Rodomont, is gedoopt op maandag 13 april 1626 in Asse en overleed op donderdag 1 april 1677 in Essene, 50 jaar oud. 

Henricus Vranckx trouwde op zondag 8 juni 1625 in Asse met Anna Rodomont. Zij overleed op woensdag 16 mei 1668 in Asse. Hun dochter Anna overleed op donderdag 24 december 1676 in Essene vermoedelijk overleden bij de bevalling van een tweeling Arnoldus en Judocus op 24 december 1676. Zij werd in de kerk begraven. Anna trouwde op vrijdag 9 juli 1655 in Asse met Martinus Wambacq, 35 jaar oud. Hij was een zoon van Franciscus en Catharina De Troch, gedoopt op zaterdag 19 oktober 1619 in Essene. Martinus overleed, 55 jaar oud. Hij is begraven op woensdag 6 februari 1675 te Essene. Anna hertrouwde op zondag 12 januari 1676 in Essene met Joannes Kieckens.

[98] Peter Van Mulders, zoon van Peter Gabriël en Elisabeth Wambacq, gedoopt op donderdag 15 juli 1649 in Asse, overleed op dinsdag 8 april 1692 in Asse, 42 jaar oud. Hij trouwde met Catharina Vertonghen. Zij is gedoopt omstreeks 1642 en is overleden op vrijdag 19 september 1692 in Asse, ongeveer 50 jaar oud.

[99] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2547.

[100] Franciscus De Witte, trouwde op zaterdag 14 april 1668 in Essene met Adriana Van Vaerenbergh, nadat zij op maandag 2 april 1668 in Essene in ondertrouw zijn gegaan.

[101] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2563

[102] B. VERMOESEN, Een rijke geschiedenis, in: De kracht van water de Bellemolen, 2020, 16.

[103] Een leenhof was bevoegd voor de registratie van transacties en de regeling van conflicten over ‘leengoederen’. Het ging dan meestal om onroerend goed (gronden, kastelen), maar ook om rechten die tot inkomsten konden leiden, zoals tollen, jacht- en visrechten, verplichtingen van jaarlijkse leveringen… Die leengoederen waren in het feodale systeem in de loop der eeuwen ‘in leen gegeven’ door een ‘leenheer’ (meestal de vorst) aan ‘leenmannen’. Een leenman was wel de eigenaar van het leengoed en kon het verkopen of doorgeven aan zijn erfgenamen, maar bij die transacties moest de nieuwe leenman een belasting betalen aan de leenheer (in dit geval de vorst), en ‘leenhulde’ doen. Traditioneel ging dit gepaard met een ceremonie waarin de leenman blootshoofds zijn handen in die van de leenheer legde en een eed van trouw aflegde. Maar zeker vanaf het midden van de 18e eeuw was dit voornamelijk een administratieve handeling. In een leenhof werden die transacties en leenhulden geregistreerd.  Het Leenhof van Brabant was tijdens het ancien regime het hoogste ‘registratiekantoor’ en de hoogste rechtbank van het hertogdom Brabant en de Landen van Overmaas voor zogenaamde ‘leengoederen’. Het Leenhof was ook bevoegd voor rechtszaken over deze leengoederen (ook al gebeurde dit in de loop van de 17e en 18e eeuw steeds vaker door de Raad van Brabant). Het Leenhof was tevens een beroepsrechtbank voor alle lagere leenhoven in het hertogdom Brabant. Bron:Wikipedia.

[104] Mattheus Van Lint was al pastoor te Essene in 1641. In een van zijn brieven spreekt Gillis hem aan als “Eerwaarde Pater”.

[105] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2593.

[106] Nicolaes Meert, zoon van Stephanus en Clara Geerstman, gedoopt in 1635 in Essene. Hij is overleden op zondag 10 februari 1709 in Essene, 74 jaar oud. Nicolaes trouwde, 23 jaar oud, op maandag 2 september 1658 in Baardegem  metClara Van Langenhove, 20 jaar oud. Zij is een dochter van Joannes en Barbara Van den Broeck. Zij is gedoopt op woensdag 3 maart 1638 in Baardegem. Clara is overleden op zaterdag 16 mei 1676 in Essene, 38 jaar oud. Zij hertrouwde, 41 jaar oud, op zondag 20 september 1676 in Sint-Amands met Clara De keersmaecker, 32 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 11 september 1644 in Sint-Amands en is overleden op vrijdag 12 april 1720 in Essene, 75 jaar oud.

[107] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2677.

[108] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2684.

[109] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2725.

[110] Jacobus De Coster trouwde op donderdag 26 januari 1673 met Joanna De Baetselier.

[111] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2697.

[112] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2753.

[113] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 563.

[114] Catharina Wambacq, dochter van Franciscus en Catharina De Troch, gedoopt op zondag 12 december 1621 in Essene, overleed op zaterdag 15 maart 1681 in Asse, 59 jaar oud. Zij trouwde, 16 jaar oud, op donderdag 14 oktober 1638 in Essene met Franciscus De Bailliu, 25 jaar oud. Hij is een zoon van Franciscus en Catharina Van Den Bossche, gedoopt op donderdag 3 oktober 1613 in Asse. Franciscus overleed op zaterdag 3 oktober 1676 in Asse, 63 jaar oud.

[115] Franciscus De Bailliu, zoon van Franciscus en Catharina Wambacq, gedoopt op zondag 7 juli 1652 in Asse, overleed op donderdag 20 mei 1728 in Wemmel, 75 jaar oud. Hij trouwde, 28 jaar oud, op dinsdag 10 september 1680 in Wemmel met Maria Colliers, 28 jaar oud. Zij is gedoopt op donderdag 14 december 1651 in Wemmel en is overleden op zaterdag 3 september 1729 in Wemmel, 77 jaar oud.

[116] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2846.

[117] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2834.

[118] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2842.

[119] Lucas Wambacq, zoon van Franciscus en Catharina De Troch, is gedoopt op donderdag 14 juni 1629 in Essene en is overleden op woensdag 10 september 1670 in Essene, 41 jaar oud. Hij trouwde, 20 jaar oud, op zondag 4 juli 1649 in Essene met Catharina Breijnaers, ongeveer 29 jaar oud. Zij is gedoopt omstreeks 1620 en is overleden op donderdag 17 mei 1657 in Essene, ongeveer 37 jaar oud. Lucas hertrouwde, 28 jaar oud, op donderdag 19 juli 1657 in Essene met Anna Van De Putte, 30 jaar oud. Zij is een dochter van Arnold JR en Antonia De Vleeschouwere. Zij is gedoopt op vrijdag 9 juli 1627 in Essene en is overleden vóór 1670, ten hoogste 43 jaar oud.

Kinderen van Lucas en Catharina te Essene gedoopt:

1 Catharina, gedoopt op donderdag 28 april 1650 en is overleden na 1698, minstens 48 jaar oud. Zij trouwde, 20 jaar oud, op donderdag 22 januari 1671 in Essene met Andreas Van Der Straeten, 24 jaar oud. Hij is een zoon van Hendrick en Catharina Van Den Daele. Hij is gedoopt op maandag 12 maart 1646 in Asse en is overleden op donderdag 20 februari 1698 in Essene, 51 jaar oud.

2 Adriana, is gedoopt op dinsdag 12 december 1651 en is overleden vóór 1675 in Essene, ten hoogste 24 jaar oud.

3 Joanna, gedoopt op zondag 28 december 1653

4 Franciscus, gedoopt op dinsdag 10 augustus 1655

5 Michael, gedoopt op dinsdag 29 mei 1657

Kinderen van Lucas en Anna:

1 Arnoldus, gedoopt op maandag 17 juni 1658 en is overleden op zondag 11 april 1694 in Hekelgem, 35 jaar oud. Hij trouwde, 24 jaar oud, op zondag 30 mei 1683 in Hekelgem met Joanna De Smet, 19jaar oud.

2 Guillelmus, gedoopt op maandag 5 april 1660.

3 Martinus, gedoopt op maandag 14 augustus 1662 en is overleden op donderdag 4 juli 1720 in Essene, 57 jaar oud.

4 Joanna Maria, gedoopt op dinsdag 6 januari 1665, begijn in het begijnhof van Brussel.

[120] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4903.

[121] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2974.

[122] Egidius De Jonghe trouwde op maandag 28 april 1681 in Essene met Anna Van Vaerenbergh overleden op donderdag 13 juli 1702 in Essene.

[123] Andreas Van Der Straeten, zoon van Hendrick en Catharina Van Den Daele, werd gedoopt op maandag 12 maart 1646 in Asse. Hij overleed op donderdag 20 februari 1698 in Essene, 51 jaar oud.: Hij werd in de kerk van Essene begraven. Andreas trouwde, 24 jaar oud, op donderdag 22 januari 1671 in Essene met Catherina Wambacq, 20 jaar oud. Bij het kerkelijk huwelijk van Catharina en Andreas waren de volgende getuigen aanwezig: Egidius De Ridder en Petrus De Smedt Zij is een dochter van Lucas en Catharina Breijnaers. Zij is gedoopt op donderdag 28 april 1650 in Essene. Bij de doop van Catharina waren de volgende getuigen aanwezig: Arnoldus Kotmans en Catharina Troch. Zij is overleden na 1698, minstens 48 jaar oud.

[124] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2902.

[125] Ambrosius Van Lierde was afkomstig van Aaigem en legde zijn geloften af op 18 oktober 1644 en ontving de priesterwijding op 25 mei 1652. Hij zou de auteur zijn van Historia Affligeniensis. In 1665 werd hij econoom en graanmeester. Op 16 juli 1670 werd hij tot eerste syndicus gekozen. In 1672 liet hij  nieuwe steengroeven uitbaten in Meldert en Asbeek-Asse om de sluis Slijkens te Oostende te vernieuwen. Hij overleed in de abdij op 21 november 1695.

[126] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3050.

[127] Joannes Kieckens trouwde in Essene met Anna Vranckx, 32 jaar oud. Zij is een dochter van Henricus en Anna Rodomont. Zij is gedoopt op zondag 1 februari 1643 in Asse en is overleden vóór 1680, ten hoogste 37 jaar oud. Zij was weduwe van Martinus Wambacq (1619-1675), met wie zij trouwde op vrijdag 9 juli 1655 in Asse.

[128] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3084, 3085 en 3074.

[129] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3077.

[130] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3121.

[131] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3148.

[132] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3192.

[133] Gaspar Camermans trouwde op donderdag 1 mei 1670 in Essene met Maria Van Der Elst.

[134] Petrus Wambacq, zoon van Michiel en Joanna De Bast werd gedoopt op woensdag 25 maart 1654 in Essene. Hij overleed op maandag 2 oktober 1713 in Essene, 59 jaar oud. Peeter studeerde aan de Latijnse school te Vilvoorde en nam het bedrijf van zijn vader over. Hij trouwde, 40 jaar oud, op vrijdag 11 juni 1694 in Essene met Ernestina Van Campenhout, minstens 14 jaar oud. Zij is gedoopt vóór 1680 en is overleden op donderdag 18 maart 1751 in Essene, minstens 71 jaar oud.

[135] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3218.

[136] Affligemensia, 1947, Abdij Affligem, nrs. 6-7-8.

[137] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3242.

[138] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3335.

[139] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3375.

[140] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3371.

[141] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3401.

[142] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3412.

[143] Andreas Van Der Straeten, zoon van Hendrick en Catharina Van Den Daele is gedoopt op maandag 12 maart 1646 in Asse. Hij is overleden op donderdag 20 februari 1698 in Essene, 51 jaar oud en werd begraven in de kerk van Essene. Hij trouwde, 24 jaar oud, op donderdag 22 januari 1671 in Essene met Catharina Wambacq, 20 jaar oud. Bij het kerkelijk huwelijk van Catharina en Andreas waren de volgende getuigen aanwezig: Egidius De Ridder en Petrus De Smedt. Zij is een dochter van Lucas Wambacq en Catharina Breijnaers Zij is gedoopt op donderdag 28 april 1650 in Essene. Bij de doop van Catharina waren de volgende getuigen aanwezig: Arnoldus Kotmans en Catharina Troch. Catharina is overleden na 1698, minstens 48 jaar oud.

Advertentie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s