Hekelgem 1656, ontdook Adriaen Van Nuffel de belastingen op zijn wijn[1]?


Elk landsbestuur heeft geld nodig en tracht door belastingen op wat ook maar mogelijk is aan het nodige geld te geraken. Dat was in de 17de eeuw niet anders. Op alle dranken, bier en wijn, er moest er tol worden betaald. Voor wijn gebeurde dat bij de invoer in het hertogdom Brabant. Om het geld te innen stelde de Raad van Brabant een ‘impostpachter’ aan die volgens de ordonnantie van 1601 en 1643 moest optreden (zie bijlage 1). Die was ook bevoegd om niet aangegeven wijnen op te sporen door huiszoekingen te verrichten ten ‘huijse van de brouwers, tappers, wijntaveniers ende andere hun met wijn ende bier generende als oock van de Goitshuijsen, groote heeren ende andere particuliere persoonen. In 1656 liep het echter mis toen de impostpachter bij Adriaen Van Nuffel (zie bijlage 2) zijn kelder wou controleren. Het kwam tot een bitsig proces.

Charles Van den Driessche was op 12 juni 1656 aangesteld door de Raad van Brabant als pachter van de wijnimpost voor het Land van Asse voor de periode van 1 juni tot 30 november. Op 13 november bood hij zich samen met dorpsofficier Guillam Jacobs van Hekelgem aan bij Adriaen Van Nuffel in zijn huis nabij de abdij. Hij wou zijn kelder doorzoeken op niet aangegeven vaten wijn. Adriaen echter weigerde hem binnen te laten met de woorden: “Ghijlieden en sijt niet goed genoech om in mijnen kelder te gaen”. Het kwam tot een proces en beide partijen zochten steun. Volgens Adriaen moest de controleur vergezeld zijn van twee schepenen of twee poorters als hij een huiszoeking deed bij een poorter. Dat stond in een ‘seker viercant boecxken gebonden met een couverture van franchijn off parcquement op welcke couverture staet geschreven aldus: Dit es den chartere van Assche welcke previlegiën sijn gedateert den VI° juli duijsent drij hondert tsestich ende negene’. Blijkbaar werd die ondonnantie al lang niet meer toegepast en volstond de aanwezigheid van een deurwaarder of officier.

Item soe wie poorter es t’Assche dat niemant en sal op hem tuijghen hij en sij poirter t’Assche, item men en salne niet panden dan met schepenen ocht met poorteren.

Geëxtraheert vuijt de previligiën der vrijheijt van Assche staende geschreven …

Maar volgens Guillam Jacobs officier van Hekelgem, Anthoen Van Ransbeke officier van Meldert, Franchois Van Ransbeke meier en officier van Mollem en Bollebeek, Andries De Cleen van Asse, Leonard Van den Velde officier van Walfergem en Peeter Van Den Bossche officier van Asse-Terheide en allen officieren van de overmeiers van de Vrijheid en het Land van Asse volstond de aanwezigheid van een deurwaarder of dorpsofficier. Zij verwezen naar de instructies van de Staten van Brabant over de impost van wijn en bier van 1601 en van 1643 en dat ze altijd al hebben geweten dat de impostpachter bij het zoeken naar niet aangegeven wijnen vergezeld was van een deurwaarder of officier van de gemeente.

Had Adriaen Van Nuffel gelijk?

Volgens de meier en de schepenen van de Vrijheid en Land van Asse had Adriaen het recht aan zijn kant. Zij attesteerden op 9 januari 1657 dat niemand bij een poorter een huiszoeking mag doen tenzij vergezeld van twee schepenen of twee poorters conform de privilegiën van Asse. De verklaring was ondertekend door Van Mulders. De schepenen van de abdij Affligem getuigden op 15 januari dat zij nooit gehoord hadden van ordonnanties van de Staten van Brabant over de impost van de wijnen en dat Adriaen Van Nuffel een man van eer is en dat hij nooit ruzie met een impostmeester heeft gehad. Melchior Van Den Driessche, 66 jaar en Guillam De Batselier, 68 jaar ondertekenden de verklaring. Andries De Wever, koster van Hekelgem en Guillam Jacobs spraken zich uit in dezelfde zin op 15 januari en dat in tegenspraak met de eerdere verklaring van de dorpsofficier.

Het verweer van Charles Van den Driessche.

Charles reageerde via zijn advocaat Slachmulder op 18 januari 1657. Wat Van Nuffel beweerde zijn ‘al opgesochte droomen ende versnede speculaties’. Wat de ouderen beweren, dat de impostmeester met twee schepenen huiszoekingen verrichtte, is onwaar, het gebeurde altijd met assistentie van een deurwaarder of van een officier. Trouwens met de schepenen als getuige zou er veel misbruik zijn want de schepenen kennen niet alle inwoners van het Land van Asse en sommige dorpen hebben zelfs geen schepen en zo zouden de ‘moeffelaers ende contraventeurs’ de tijd hebben om hun ‘moeffelerijen’ te verstoppen. Sommige schepen zijn zelf wijnverkopers. De impostpachters zouden tot hun grote schade het ontdoken goed niet kunnen opsporen. Vermits hij als impostpachter zijn werk niet kon doen, vroeg hij dat aan Van Nuffel een boete werd opgelegd van 200 gulden carolus zoals voorzien in de plakkaten van 1601 en 1643. Het is de dorpsofficier die binnen het jaar de boete moet innen en zijn advocaat voegde er de volgende kopie aan toe:

Dat de voorschreven penen sullen bij de voorschreven collecteurs off pachters moeten geheijst worden binnen tsiaers voor de raeden auditeurs ende wethouderen respective hier vooren geroert de welcke (sommerlijck gebleken van den intentie des pachters) den beclaeghde sullen condemneren om de voorschreven penen te namptiseren daeraff den officier van der plaetse d’executie sal doen sonder eenich faveur off vertreck op pene dat van de selve penen off boeten te mogen verhaelt worden op de voors. raeden auditeurs, wethouderen off officier des in gebreke respectivelijck zijnde.

Aldus geëxtraheert vuijt seker gedruckt off instructie gemaeckt bij haere hoogheden op ’t stuck van het collecteren van den impost der heeren Staeten van Brabant in dathe …… 1601 waerinne onder andere staet ’t gene voors. is ende naer voorgaende collatie is desen extracte daermede bevonden concorderende quod attestor.

De opmerking van Van Nuffel dat Van den Driessche maar een gewone huisman is die de wetten niet verstaat, slaat nergens op zoals blijkt uit het exploot van deurwaarder Meremans die toch iemand is die zijn rechten kent.

‘Replicque‘ van Adriaen Van Nuffel.

Op 29 januari 1657 liet Van Nuffel weten dat Van den Driessche nog altijd niet heeft aangetoond dat hij gemachtigd was om de controle op de wijn te doen zodat hem niets te verwijten viel. Bovendien is hij poorter van het Land van Asse en volgens het privilige van hertog Wenceslaus van 1369 mogen bij de poorters van Asse alleen huiszoekingen worden gedaan in het bijzijn van twee schepenen of poorters van dezelfde Vrijheid van Asse. Dat is zo gebeurd zolang de mensen zich kunnen herinneren. Van het bestaan van plakkaten weet hij naar zijn beste vermogen niets af. Die plakkaten en nog andere zijn immers nooit in het Land van Asse gepubliceerd en zolang dat niet is gebeurd, zijn ze ook niet van kracht. Bijgevolg mocht de impostpachter geen huiszoeking doen als hij geen schepenen of poorters als getuigen had. In Brussel doet de impostpachter zijn controle altijd in het bijzijn van de amman of zijn luitenant en twee schepenen. Van Nuffel liet nog opmerken dat hij geen herberg heeft en geen wijnverkoper of biertapper is en dat hij Van den Driessche alleen de opmerking heeft gemaakt dat hij voor de huiszoeking twee schepenen moest meebrengen. Hij beweerde ook dat hij geen wijn in zijn kelder had. Tenslotte voegde hij eraan toe dat hij een goed, eerlijk en vreedzaam persoon is die nooit met imposteurs, collecteurs of pachters problemen heeft gehad. Als bewijs voegde Adriaen er nog een attest van de gezworen ‘affschrijvere ten comptoire van de wijnen’ van Brussel aan toe.

Den ondergeschreven gesworene affschrijvere ten comptoire van de wijnen deser stadt verclaeren voor de gerechtighe waerheijt mits desen dat soo wanneer eenighe pachters van den accijse der selver wijnen hebbende presumptie van fraude op eenighe borgers ofte ingesetenen der selver stadt hunne huijsen niet en vermogen te visiteren sonder assistentie ofte bijwesen van den heere amptman ofte sijnen lieutenant met twee heeren schepenen gelijck die voors. pachters hun daernaer oock sijn regulerende ende ’t selve die ondergeschreven hebben sien practiserende. Oirconden ettha. Aldus gedaen binnen deser stadt Brussele den negenthiensten januari XVI° sevenenvijftich. De Bonte.

Getuigen spreken.

Gillis Van Nijversele, impostmeester van de Staten van Brabant op de impost van de bieren, granen en vlees voor de Vrijheid van Asse, verklaarde op 4 februari 1657 dat de impostmeesters altijd geassisteerd werden door de officier van de parochie zonder schepenen. Jacques Van Cattenberghe, schoolmeester, 41 jaar en gewezen collecteur en substituut van sieur Anthoen Crabbe, pachter en impostmeester van de wijnen voor het Land van Asse zei op dezelfde dag dat hij zelf had meegemaakt dat bij huisbezoeken bij de pastoor van Asse, bij Van Den Driessche, Van Innichoven, de vorster van Asse, Adriaen Van Der Snick, Jan Van Der Slachmolen en anderen de impostpachter vergezeld was van de meier of de officier van de gemeente. De overmeier Slants van Asse en meier tot Asse verklaarde op 5 februari 1657 op verzoek van Carel Van Den Driessche dat hij met sieur Anthoen Crabbe, toen impostmeester van de wijnen, en met deurwaarder Meermans in herbergen en in de pastorie huiszoekingen deed zonder aanwezigheid van schepenen.

‘Naerdere replicque’ van Adriaen Van Nuffel.

Een antwoord van Adriaen kon na de getuigenissen tegen hem niet wachten. Op 20 april reageerde zijn advocaat met een lang verweerschrift waarin hij alle argumenten van de tegenpartij opsomde en weerlegde. Hij benadrukte dat Van den Driessches stelling dat de plakkaten van 1601 en 1643 in het Land van Asse niet werden bekend gemaakt, niet heeft tegengesproken en bijgevolg bleven de ‘costuijmen’ van toepassing. Het verslag van deurwaarder Meermans toonde aan dat hij niet werd bestraft, alleen gesommeerd op verzoek van Van den Driessche om de 200 gulden te betalen. Adriaen weerlegde dan de verklaringen van de getuigen. Wat de overmeier vertelde ‘niet en can prevaleren tegens de voors. schabinale ende andere certificaties’ want een overmeier heeft minder aanzien dan een schepen. De twee andere getuigen zijn zelf collecteur geweest en willen hun eigen daden rechtvaardigen. Trouwens Jacques Van Callenberch had alleen maar herbergiers aan de steenweg van Asse en officier Jacobs had zijn getuigenis gewijzigd op verzoek van de impostpachter en dus niet meer geloofwaardig. Die beschuldiging vroeg om een antwoord van Guillam Jacobs. Op 18 mei liet hij weten dat hij 58 jaar was en al 25 jaar officier van Hekelgem. Charles Van den Driessche had hem verzocht om zes weken vooraf het kerkgebod[1] te doen van de controle van de wijnen en op 13 november 1656 boden de impostpachter en hij zich aan bij Adriaen Van Nuffel. Die dag had hij Van Nuffel een boete gegevenvolgens de instructies voor de impost van de wijnen omdat Van Nuffel weigerde zijn kelder te openen. Later vernam hij nog dat Van Nuffel wijn bij zijn werklieden had verstopt.

‘Versueck’ van Charles Van den Driessche.

Als reactie op de ‘Naedere replique’ van Van Nuffel eiste Charles op 25 mei dat hij de ‘eed de calumnia[2] zou afleggen, wat Adriaen op 12 juni deed in het bijzijn van zijn advocaat Arnoult De Witte, griffier van Kraainem. en dat hij zijn domicilie te Brussel zou vestigen.

Nieuwe getuigenis van Guillam Jacobs.

De schepenen van Asse dagvaardden Guillam Jacobs om op 28 december 1657 voor hen te verschijnen. Hij herhaalde dat Adriaen Van Nuffel weigerde hem en de impostpachter in de kelder toe te laten. Adriaen wou schepen Aert Robijns gaan halen, maar die was niet thuis. Guillam bevestigde dat Charles niet corrypt was en geen geld van Adriaen had ontvangen,  maar ook dat hij de instructies van de Staten van Brabant betreffende de impost van de wijnen van 1601 en 1643 nooit heeft bekendgemaakt.

Laatste verweer van Charles Van den Driessche.

Op 26 september 1657 maakte de impostpachter de balans op van alle argumenten van Van Nuffel en zijn tegenargumenten:

  1. Als twee schepenen de impostpachter moeten vergezellen dat is de pachter de slaaf van de schepenen omdat in de buitenparochies een schepen moeilijk te vinden is en een fraudeur zal gemakkelijk weten dat de schepen op komst is.
  2. Uit de verklaringen van de overmeier, sieur Anthoen Crabbe en van meester Jacques Cattenbergh en van andere personen blijkt dat zij geen schepen nodig hadden voor een huiszoeking.
  3. De plakkaten van 1601 en 1643 zijn wel degelijk bekengemaakt. De rekeningen van de overmeiers bewijzen dat en ook een brief van de amman van 4 april 1643.
  4. Het privilege van hertog Wenceslaus ‘item soo wie poorter is te Assche dat niemandt op hen sal tuijghen hij en sij poorter te Assche. Item en sal men niet panden dan met schepenen off poorters’ houden niet in dat de pachter schepenen nodig heeft voor een huiszoeking.
  5. Als de pachter op zondag een huiszoeking bij een herbergier verricht, dan mag hij de volgende dag die opnieuw verrichten.Vindt hij meer wijn dan voorheen dan wodrt de herbergier beboet en wordt de geconfisqeerde wijn uit de kelder gehaald.
  6. De verwijzing naar de stad Brussel doet hier niet terzake want ook daar mag de huiszoeking zonder schepenen gebeuren..
  7. Over de laatste verklaring van Guillam Jacobs zegt hij dat Adriaen de officier dronken had gemaakt en hem 2 rijnsgulden en zeven stuivers in een papier gewikkeld in zijn zak had gestoken. Die verklaring was trouwens door zijn zoon geschreven en Guillam had, bevangen door de drank die getuigenis ondertekend.
  8. De besproken plakkaten zijn wel degelijk in het Land van Asse bekendgemaakt en artikel vier bepaalde dat een pachter of collecteur altijd een huiszoeking mag doen ook in huizen van grote heren. Bij weigering riskeren ze een boete van 200 gulden.
  9. De zoon van Adriaen, Joannes, is bosmeester van de abdij en woont nog bij zijn vader. Van hem is gekend dat hij zoveel wijn vertiert als in een herberg en dat hij wijn bij anderen verbergt.

Het laatste woord voor Adriaen Van Nuffel.

In zijn laatste reactie van 16 oktober klaagde Adriaen de beledigingen van zijn zoon aan en beschuldigde hij Charles Van den Driessche ervan met opzet een lang en duur proces te willen voeren. Op zijn verzoek getuigden in december 1657 Michiel Steppe, officier van Essene, de gewezen overmeier Slants en de vorster van Asse dat ze de ordonnanties van de Staten van Brabant van 1601 en 1643 die hen recent zijn getoond nooit eerder hadden gezien.

Besluit.

Hoewel het document onvolledig is, onder meer het vonnis ontbreekt, kunnen we ervan uitgaan dat beide partijen voor een deel gelijk hadden. Het is best mogelijk dat de instructies van de Staten van Brabant niet overal duidelijk gecommuniceerd werden en dat de oude gebruiken in voege bleven. Anderzijds mogen we Adriaen niet onderschatten. Hij was een dorpsnotabele, trouwde met een dochter van een even notabele familie en was rent- en bosmeester van de abdij en schepen van Affligem. Van hem mag je verwachten dat hij goed op de hoogte was van de wetten en geplogenheden. Wou hij misbruik maken van zijn status door de impostpachter te manipuleren en de dorpsofficier om te kopen? Het vonnis had ons dat kunnen vertellen.

Bijlage 1: ‘Extract naerdere declaratie van sijne koninghlijcke maiesteijt’.

Om aan het nodige geld te geraken ‘totte betaelinghe van het volck van oorloghe’ en om de inning van de belastingen op de wijnen correct te laten verlopen vaardigden de drie Staten van Brabant de volgende instructies uit, eerst in 1601 en daarna met toevoegingen in 1643:

  1. De belastingen op elk aam op de Rijnse, Franse, Bourgondische, Spaanse en inlandse wijnen, uitgezonderd de brandewijn bedraagt 8 gulden.
  2. Op wijnazijn: 8 gulden.
  3. Bij het transport van wijn, te land of op het water, wordt vaak de tol ontdoken. Daarom moeten alle schippers en karrenvoerders bij de invoer in het hertogdom Brabant op alle aangeduide plaatsen de hoeveelheid wijn aangeven en de plaats van bestemming met de naam en toenaam van de koper. Zij ontvangen dan een certificaat. Als zij daarin bedrog plegen, zullen hun schepen, karren en paarden in beslag worden genomen.
  4. Wanneer de wijn wordt geleverd, geven zij het attest af aan de balie van de impost van de wijnen of aan de pachter van de impost.
  5.  Om alle fraude te voorkomen, moeten zij de wijn leveren op de op het certificaat vermelde plaatsen.
  6. Verkoopt de schipper of de voerman onderweg wijn, dan moet hij op die plaats aan de impostpachter of de collecteur daarvan een attest vragen met de vermelding van de naam en de toenaam van de koper en van de hoeveelheid wijn.
  7. De koper zal de impost betalen.
  8. Voor de doorverkoop buiten zijn residentie of buiten Brabant, zal de verkoper een attest van de balie of van de impostpachter vragen met de vermelding van de naam en toenaam en de plaats van de nieuwe koper. Bij gebrek daaraan volgt een boete van 100 gulden per aam.
  9. Daarenboven moeten de verkopers de wijn aan de ‘commisen’ presenteren om geproefd te worden op straf van verbeurdverklaring van de wijn en de schepen of de karren en paarden.
  10. Binnen de 14 dagen zal de verkoper aan de pachter of collecteur van de verkoopplaats een certificaat van de geleverde wijnen bezorgen op straf van een dubbele impost.
  11. Wanneer een schipper of voerman water of iets anders vervoert in de plaats van de vermelde wijn, worden ze bovenop de al aangehaalde inbeslagnames voor de eerste overtredeing ‘geschavotteert’ als dief en voor de tweede overtreding zwaarder  gestraft.
  12. Voor kopers, griffier en facteurs van wijnen is het verboden om wijn in kruikren, potten, flessen of in andere kleine hoeveelheden te verkopen in of buiten hun huis op straf van verbeurdverklaring van de wijn, een boete van 200 gulden en een schorsing van hun bedrijf voor een half jaar.
  13. Alle koper van wijn moeten een eed van trouw aan de instructies zweren. Bij overtreding worden zij publikelijk geschavoteerd en voor altijd uit het hertogdom verbannen. Wie een fraudeur aanbrengt, ontvangt als zijn verklaring terecht is een vergoeding van 100 gulden

Aldus gedaen in den Raede van Brabant den XXI° februari 1643 geparapheert ……. ende onderteeckent Van Ghindertaelen.

Bijlage 2: de familie Van Nuffel.

Adriaen of Andries Van Nuffel was afkomstig van Wieze. Hij was een zoon van Joos en werd omstreeks 1600 geboren. Hij trouwde ongeveer 25 jaar oud op vrijdag 31 oktober 1625 in Brussel in de Sint-Kathelijnekerk met Jacqueline Robijns, ongeveer 20 jaar oud. Zij was een kleindochter van Merten Robijns, schepen van Affligem en van het Land van Asse en van Elisabeth Wauters. Zij pachtten in 1630 het Sint-Hubrechtshof met brouwerij in de Domentstraat te Hekelgem. Andriaen werd rent- en bosmeester van de abdij en ook schepen van Affligem. Kinderen:

1.Franciscus, gedoopt te Hekelgem op 12 augustus 1630. Franciscus werd in 1652 monnik te Affligem en kreeg als kloosternaam Vedastus. Het kloosterleven was toen vrij streng met de metten om 2 u. ’s nachts en vleesderving. Driemaal per week mocht men na het middagmaal met elkaar praten en voor lichte overtredingen volgden zware straffen zoals het vasten op water en brood en het eten op de vloer van de refter. Op 20 november 1659 werd hij tot priester gewijd. Dom Vedastus maakte snel carrière. In 1671 werd hij subprior, in 1675 prior en in 1679 novicemeester en pommarius. In 1683 kreeg hij de opdracht de charters te kopiëren die aartsbisschop de monniken had ontnomen. Op 5 september 1685 werd hij verkozen tot proost van de abdij. Vanaf 1689 werd de abdij geteisterd door de oorlog van Lodewijk XIV. Dom Vedastus beleefde een moeilijke tijd en in 1689 vroeg hij zijn ontslag als prior.en trok zich terug in de priorij van Bornem. Hij overleed op 22 juli 1707.

2. Johannes,

gedoopt te Hekelgem op vrijdag 18 maart 1633. Hij werd griffier van de abdij, rentmeester en stadhouder van de bossen van Affligem (citaat in 1633 en 1667) en notaris van Affligem tot 1690. Hij woonde te Meldert op het dorp. Hij trouwde Ursula Van Aken en samen kregen ze vier kinderen: Johannes Franciscus, Maria Theresia, Jozef en Johanna Maria. Johannes liet bij zijn dood op 29 augustus 1686 een tekort in zijn rekeningen na zodat zijn goederen door de abdij werden aangeslagen.

Extract vuijtten testamente van dheer Joannes Van Nuffel stadthouder, rentmeester ende greffier des Godtshuijs van Affligem ende jouf. Ursula Van Aken sijne huijsvrouwe voor mij notaris ende sekere getuijgen gepasseerd op den twintichsten augustus XVI° ende sessentachentich in het welck ondere andere staet het naervolgende:

Item laten ende maecken in aelmoessen aen den huijsarmen van Meldert ende Hekelgem elck ter helft de somme van hondert guldens eens die hun terstont naer de dood van den ierst afflijvigen sullen moeten betaelt worden.

Ende ingevalle alle beijde hunne voorschreven kinderen commen te sterven sonder lichamelijck hoir off hoirs achter te laten soos al het een derde deel der voorschreven resterende goederen ende renten toecommen ende versterven aen ende op den huijsarmen van Hekelgem ende Meldert oock elck voor de helft.

Naer voorgaende collatie is desen extracte mette originele minute van den voornoemde testamente onder mij berustende bevonden te concorderen quod attestor. M. De Bisschop notaris’.

R.A. Leuven, parochie Hekelgem, toegang 620, nr. 282.

3. Marinus, gedoopt te Hekelgem op 21 januari 1635, werd op 7 januari 1655 ingeschreven als student van de pedagogie De Burcht te Leuven. Hij legde op 5 mei 1658 zijn geloften af in de cisterciëncerabdij Sint-Bernard-aan-de-Schelde en werd er tot priester gewijd op 3 juni 1662. Hij was er achtereenvolgens sub prior, econoom en prior. Martinus overleed op 8 september 1709.

4. Judocus, trouwde te Hekelgem op 18 november 1675 met Catharina Robijns, geboren te Meldert op 12 juni 1646. Volgens de haardtelling van Meldert van 1693 woonde hij er met zijn vrouw en vier kinderen en een meid. Hij overleed op 8 februari 1703 en werd in de kerk begraven.

Bronnen: W. Verleyen, Dom Vedastus Van Nuffel (1630-1717), Eigen Schoon en De Brabander, LXXIX, 1996, 125-164. De Faluintjes jg. 21 nr. 2, 2008, Ben Vermoesen, Jan De Witte, Anna Robijns en kinderen, een merkwaardige familie te Meldert, blz. 195.


[1] Kerkgebod:bekendmaking van een aanstaande gebeurtenis in de kerk of aan het kerkportaal.

[2] “Eed van calumnia” is een juridische term die verwijst naar een eed die werd afgelegd door een aanklager om te bevestigen dat hij te goeder trouw een aanklacht indiende en niet uit kwaadwilligheid of laster. Het is een eed waarbij de aanklager zweert dat hij niet vals beschuldigt en dat hij gelooft dat de beschuldigingen waar zijn. De term “calumnia” zelf betekent “laster” of “valse beschuldiging”. In het Nederlands kan het ook vertaald worden als “eed van smaad”. 

[1] RA Vorst, Raad van Brabant, Processen particulieren, 2de reeks, toegang I 100 nr. 7627.

Plaats een reactie