De weg van Asse naar Aalst: van zandweg tot steenweg.

De term steenweg slaat op een grote verharde weg. Aanvankelijk waren de wegen tussen steden en dorpen onverhard, maar in het centrum van de steden en belangrijke dorpen kwamen de eerste gekasseide wegen al in de 15de eeuw voor. Als we de heirbanen van de Romeinen buiten beschouwing laten, kunnen we stellen dat de eerste verharde wegen buiten de centra in België werden aangelegd tijdens de zestiende eeuw. Het waren verlengingen van de geplaveide wegen van de stad met het doel het transport van het platteland naar de stad te vergemakkelijken. Onder het bestuur van de landvoogden Albrecht van Oostenrijk en Infante Isabella (1598-1633), een periode van vrede, nam het verharden van de wegen sterk toe.

De zandwegen tussen de steden en dorpen werden slecht onderhouden en waren vaak na een zware regenbui en in de wintermaanden onberijdbaar. De Aalsterse Dreef bijvoorbeeld, van aan de abdij tot Aalst, was dat nog tot aan de Tweede Wereldoorlog. Bovendien waren die wegen erg kronkelig met als gevolg dat het transport van goederen traag verliep en soms onmogelijk was. Dan kwam de bevoorrading van de grote steden in het gedrang. Hoe het met de wegen in onze regio was gesteld vernemen we uit enkele documenten uit de 16de en de 17de eeuw. Die geven ons een beeld van de toestand van de belangrijke weg van Brussel naar Aalst. Hij werd toen genoemd de principaelste passagiën van dese lande tot gerieff van inwoonders ende van alle de gene die met wagens, kerren, paerden off te voet rijden. Voor het onderhoud van het gedeelte binnen de Vrijheid van Asse stond Asse zelf in samen metde buitenparochies Baardegem, Essene, Hekelgem, Mazenzele, Meldert en Mollem. Elke parochie moest, volgens haar belang, instaan voor de aanvoer van materialen zoals kasseien en zavel. Alleen de wagenlieden kregen als vergoeding een pot bier zoals blijkt uit volgende extracten[1]:

– Voor de wagenlieden van Mollem die stenen haalden, hebben tot diversche stonden ende in diversche herbergen verteert: 1 gulden 10 st uivers 2 oorden. Betaald op 11 maart 1544.

– De kasseileggers die het werk kwamen aanvaarden, verteerden voor 0-12-0; de knechten van de pachters van Essene die met wagens en paarden stenen haalden, kregen als drinkgeld 0-13-2; de knechten van de pachters van Meldert voor dezelfde karwei: 0-2-0. Betaald op 11 maart 1554.

– Aan die van Mazenzele die stenen haalden: 1-6-0; aan de wagenlieden die stenen en zavel haalden: 1-5-0; Hendrik Van Langenhove, Peter Van den Bossche, Steven De Wagener en Hendrik Van den Houte trakteerden de wagenlieden van Asse om hen te overhalen om de stenen te halen: 4-6-0; aan Willem Middelborch die daarvan een verslag opstelde: 0-9-0. Betaald op 15 maart 1563 door Jacob Van Bellingen en Joos De Mol, kasseimeesters en poorters van Asse.

– Twee traktaties in het huis van Joos De Mol voor de kasseimeesters en de wagenknechten van Mollem en voor de wagenknechten die vier lege wagens haalden om stenen te vervoeren. Betaald op 18 september 1566: 28-9-0.

– Joos Vranckx betaalde op 23 juni 1568 aan de knechten van de pachters van Mazenzele, Mollem, Bollebeek en Krokegem die met 48 paarden stenen haalden voor hun vertier in de Klaarhaag 3-10-0 en voor 8 bezems voor de kasseiers: 0-6-0.

Het valt op dat er praktisch om de tien jaar werken aan de straat nodig waren. Omdat er telkens kasseien werden aangevoerd, veronderstellen we dat het ging om uitbreidingen van de gekasseide weg daar de oorspronkelijke verharding in slechte staat was.

Documenten uit de 17de eeuw brengen hetzelfde verhaal maar met meer informatie. Zo verkregen op 31 juli 1619 de meier, de schepenen en de poorters van de Vrijheid van Asse van het landsbestuur de toelating om op elke aam[2] bier die binnen de Vrijheid van Asse werd verbruikt een extra belasting van 6 stuivers te heffen voor een termijn van 6 jaar met uitzondering van de bieren waarvan de prijs lager lag dan 25 stuivers. Met die opbrengst zou men de weg van Brussel naar Vlaanderen, die op het grondgebied van de Vrijheid, weer eens in zeer slechte staat was, kunnen verbeteren. Zes jaar later was al 2 500 gulden besteed aan de werken, maar er was zeker nog 2 000 gulden nodig voor verdere reparatiewerken en voor een nieuwe waag daar de oude  tijdens de voorbije troebelen was verwoest. De extra belasting bracht jaarlijks tussen de 1 200 en 1 400 gulden op en daarom vroegen de meier en de schepenen in 1625 om de extra heffing op het bier met twee jaar te verlengen. Na raadpleging van de officier fiscael gaf koning Filips II op 30 augustus 1625 de vergunning op voorwaarde dat de opbrengst alleen gebruikt werd voor de noodzakelijke wegenwerken. Bovendien moesten ze binnen de 14 dagen na de verlopen termijn van twee jaar de rekeningen voorleggen en jaarlijks 6 gulden betalen voor het octrooi.

Als antwoord op de vergunning stuurden de meier, de schepenen en de poorters van de Vrijheid op 16 augustus 1626 een verzoek aan de kanselier. Sinds mensenheugenis, zo betoogden ze, hielpen de inwoners van de buitenparochies van Asse bij het herstel van de weg. Ze met hun wagens en karren haalden de stenen en de zavel, elke parochie volgens haar aandeel in de Vrijheid. Maar de pachters van Essene hebben ooit eens geweigerd om hun deel van de taken uit te voeren. Na een proces werden ze toch gedwongen om hun deel te doen. Zij willen nu voorkomen dat het nog eens gebeurt. Zij wezen de kanselier dat er ook op de inwoners van de Vrijheid geen kasseigeld betaalden als ze met hun wagens en karren over de kasseien rijden, hoewel alleen die getoogen van Brabant en anderen volgens een oude ordonnantie waren vrijgesteld. Zij stelden ook vast dat de casseyen andermael soo is vervallen dat er drie roeden nieuwe steen nodig zijn en de kosten zullen meer dan 200 gulden bedragen. Ze zullen verplicht zijn om de inwoners van de Vrijheid opnieuw aan te spreken om de stenen en de zavel aan te halen, maar enige parochies lieten al weten dat ze die taken zullen weigeren daar de opbrengst van het kasseigeld amper 40 gulden bedraagt en er een tekort zou ontstaan van 60 gulden. Het gevolg is dat de casseye lancx hoe meer is vervallende en voor de winter niet meer zal gemaakt geraken. Zij vragen de kanselier om de onwillige buitenparochies te verplichten hun deel van het werk te doen.

Zowat om de tien jaar waren er herstellingen aan de kasseiweg nodig. Na de wegenwerken van 1619-1620 en 1626 waren er in 1634 10 wagens nodig om de kasseien in Vilvoorde te halen en 15 wagens voor de zavel. Voor elke vracht stenen kreeg de pachter 4 gulden en voor de zavel 2 gulden 10 stuivers. Vijf jaar later, in 1639, moest elke parochie op de zaterdag na 19 augustus een wagen bespannen met drie paarden leveren om kasseien en zavel te vervoeren.

Over welke weg gaat het hier? Was het de weg die door Asse liep en verder van Kokegem naar Asse –Terheide en daar een tracé volgde ten zuiden van de huidige steenweg tot aan het Zandtapijt in Hekelgem? Daar wordt hij de “Oude Baan” genoemd en volgens R. De Schrijver was dat de oude Romeinse heerbaan, een deel van de handelsroute van Brugge naar Keulen[3]. Volgens Lindemans[4] echter was Asse in de eerste eeuwen een knooppunt van zes wegen, maar was er geen weg die naar Asse-Terheide liep. Pas in de 8ste eeuw zou er volgens hem een aftakking zijn aangelegd van in Krokegem naar Asse-Terheide en verder door naar Aalst[5]. Verbesselt daarentegen kwam tot het besluit dat pas in de late middeleeuwen de “Oude Baan” werd aangelegd en liep de handelsroute dichter bij de in 1062 gestichte abdij  Affligem. Dat zou dan de huidige Langestraat zijn die aan de grens met Meldert afboog naar Doment en verder richting Asse-Terheide en daar het tracé van de steenweg naar Krokegem volgde[6]. Adriaan Van Marselaer bezocht in 1597 de ruïnes van de abdij en noteerde dat den heerbaene loopende van Aelst naer Brussel voorbijt clooster liep[7]. Ockeley vermeldt nog een andere optie. De verbinding Langestraat met Asse zou over de Heidekouter, Assestraat en Notstraat naar Asse gaan[8]. Wanneer deze weg aan belang inboette en het tracé van de Oude Baan over Essene en Hekelgem ( zie de stippellijn op kaart 1) belangrijker werd, weten we niet precies.

Waar al die herstellingswerken gebeurden kunnen we dus niet exact nagaan. Maar we mogen ervan uitgaan de het kasseien vooral in het centrum van Asse gebeurde en van daaruit naar de buitenparochies. Dat kan de onwil van sommige parochies om een deel van werk op zich te nemen verklaren.

Door de groei van de economie op het einde van de 17de eeuw ontstond de nood aan betere wegen. In opdracht van de Spaanse overheid begon men nieuwe wegen aan te leggen die van uit Brussel vertrokken. Tussen 1704 en 1718 werden de volgende nieuwe grote en verharde wegen aangelegd:

Brussel – Mechelen – Antwerpen;

Brussel – Leuven – Tienen;

Brussel – Halle – Bergen;

Brussel – Asse – Aalst – Gent.

In 1688 ontwierp J. Boulangier, ingenieur en luitenant-generaal bij de artillerie een nieuw tracé voor de verbinding van Brussel naar Gent. J. Ockeley publiceerde in 2018 een grondige studie over de aanleg van de steenweg Brussel-Aalst[9]. Wij beperken ons tot het gedeelte tussen Asse-Terheide en de grens met Vlaanderen op de Boekhoutberg. Hij stelde daarvoor meerdere tracés voor. Een eerste ontwerp volgde de oude weg van Asse-Terheide naar de Heidekouter, Doment, Abdijstraat en Langestraat. Het tweede ontwerp werd uitgevoerd en liep van de Sint-Hubertuskapel van Asse-Terheide rechtdoor tussen twee vijvers van de abdij op Koudenberg tot de Boekhoutberg (kaart 2). In tegenstelling tot de Oude Baan liep de nieuwe weg niet over de heuvelkam maar vanaf Asse-Terheide in de vlakte[10].

Kaart 1. De kaart van Boulangier van Asse-Terheide (rechts) naar Boekhout. De stippellijn is het nieuwe tracé.

Legende: 1 Asse-Terheide, 2 De Oude Baan, 3 Koudenberg, 4 De abdij Affligem,  5 Langestraat,  6 Nu Oud Zandtapijt, 7 De galg (domein Verbrugghen).

De nieuwe steenweg werd 13 m breed waarvan 5 m gekasseid. Langs beide zijdenkwam er een zandweg en een gracht van 1,5 m breed en een diepte van 50 à 60 cm. De kasseien hadden een afmeting van 4 tot 5 duim op 6 tot 7 duim en boordstenen moesten 3 duim dik zijn en 1 ½ voet hoog. De dorpsbesturen waren verplicht om op eigen kosten paarden, wagens en karren ter beschikking te stellen voor het vervoer van de stenen en van zand en een aantal pioniers leveren die moesten helpen bij het uitgraven van de bedding. Dat gold niet alleen voor de dorpen op wiens grondgebied de weg werd aangelegd, maar voor alle dorpen die op een of andere wijze van die weg konden profiteren. Voor het vervoer van 700 000 kasseistenen van Aalst naar Asse-Terheide moesten 10 dorpen instaan. Meldert leverde 3 wagens, Essene en Baardegem 4. Voor het transport van zand waren 5 dorpen verantwoordelijk en Hekelgem stelde daarvoor 5 wagens ter beschikking. Het aantal pioniers voor Essene bedroeg 9, voor Hekelgem 13 en 12 voor Meldert[11]. In Hekelgem aan de Fosselstraat en op de Boekhoutberg was er een werf.

Kaart 2. De nieuwe steenweg van de kapel van Asse-Terheide tot aan de galg op de Boekhoutberg. De windmolen waarvan de naam onleesbaar is, kan niet anders zijn de Oude Molen op de Molenberg, maar hij staat niet op de juiste plaats. Op 26 mei 1706 werd molenaar Petrus De Vis er door Franse soldaten vermoord.

De overheid paste voor de nieuwe steenwegen net zoals in de middeleeuwen het principe toe van de verbruiker betaald. Om de vijf kilometer kwam er een slagbomen en werd er tol geheven. Dat was het geval in Essene. De benaming ’t Bareeltje verwijst er naar. Het bedrag van de tol hing af van het aantal paarden. Voor een paard met ruiter betaalde men 1 stuiver, voor een kar met 1 paard 2 stuivers. Het handelsverkeer nam snel toe dank zij de kortere reistijd, de stiptere uren en de zekerheid van de berijdbaarheid. Er waren ook minder paarden nodig om zware lasten te vervoeren. Een transport met vier paarden van Aalst naar Terhulpen (nabij Waterloo) duurde via de oude wegen één dag, dat kon nu op de nieuwe steenwegen in drie uur tijd en met een paard minder[12]. Daar iedereen aan de slagbomen moest stoppen, groeiden de bareelhuizen al snel uit tot pleisterplaatsen waar men de paarden konden voederen en de mensen iets konden eten en drinken. Ook elders langs de weg rezen herbergen als paddestoelen uit de grond. In Hekelgem waren er twee: de Kaaszak en het Bourgondisch Cruys.

Die laatste afspanning dankte zijn naam aan een Frans officier. Marquis Jean Baptiste Roseleth lag in 1692 in winterkwartier in Hekelgem en maakte er kennis met Anna Goetvinck, een dochter van peer en Catharina Carnoy die een herberg hadden op Boekhout. Het paar trouwde op 13 april 1693. Jean Baptiste verliet uit het leger en nam de herberg van zijn schoonouders over en gaf hem de naam het Burgoins Cruys[13]. Na de aanleg van de steenweg breidde zijn zaak snel uit. In 1715 was er al een standplaats van al de post- en reizigerskoetsen van de geregelde dienst tussen Gent en Brussel. De verzendingen voor Hekelgem, Meldert en andere omliggende gemeenten kwamen in Het Burgoins Cruys toe. In 1777 werden de gebouwen herbouwd en de afspanning vergroot met kamers en nieuwe stallingen[14]. Van Het Bourgondisch Cruys is nu niets meer te zien. In 1797 was het tolbureau van Essene al verhuisd naar De Kaaszak van Zacharias De Wever. Deze landbouwer, brouwer en eigenaar van die afspanning was een man van aanzien in Hekelgem. Van 1785 tot 1795 was hij schepen voor het Land van Asse en bedesetter in Hekelgem. Als municipaal agent schrijft hij op 13 april het eerste gemeentelijk geboorteregister. In zijn herberg ( naast het vroegere gemeentehuis en rechtover het Oud Zandtapijt aan de Brusselbaan) kwam het eerste gemeentehuis van Hekelgem. Aan een zijmuur hing altijd een kaaszak voor de bereiding van “platte kaas”.


[1] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 5625.

[2] Een aam is een oude inhoudsmaat voor wijn en komt ongeveer overeen met 135 tot 160 liter.

[3] R. DE SCHRIJVER, De eerste kasseiwegen in Hekelgem, Jaarboek Belledaal, 2001, 1 – 2.

[4] J. LINDEMANS, Toponymie van Asse, 1950, 120.

[5] J. OCKELEY, Leven onder de Toren, Bijdrage tot de geschiedenis van Asse-Terheide n.a.v. 150 jaar Sint-Hubertusparochie, Asse, 2014, 9 – 10.

[6] J. VERBESSELT, Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13de eeuw, dl 5, Pittem, 1966, 75.

[7] W. VERLEYEN, Een bezoek aan de abdij Affligem in 1597. Plan van de ruïnes, in: ESDB, 2003, 272 – 274.

[8] J. OCKELEY, o.c., 10.

[9] J. OCKELEY, o;c., 345.

[10] J. BOULANGER, carte figurative de la route de chemin depuis la ville de Bruxelle jusques à celle d’ Alost ij comprenant les abbijes, bourgages, chasteaux, villages scituéés au long dudit chemin jusques ou s’estendant les terres et terroire de la province et duché de Brabant jusques à celle de Flandre.

[11] J. OCKELEY, o;c., 345.

[12] B. BLONDE & R. VERMOESEN, De Steenweg naar Brussel, 118.

[13] Het Burgoins Cruys of Bourgondisch Kruis is in de heraldiek een schuinsgeplaatst kruis van twee knoestige stokken, soms laurierstokken genoemd, vaak eindigend in breed uitlopend omkrullend loofwerk. Het lijkt enigszins op het Andreaskruis, dat uit twee gladde balken bestaat. Andreaskruis en Bourgondisch kruis worden vaak met elkaar verward. De hertogen van Bourgondië voerden in hun vaandels een rood, groot-uitgeschulpt schuin kruis.

[14] J. GRAVEZ,  Stamboom van de familie Roseleth te Hekelgem, deel 2, 2003.

Plaats een reactie