Het Bourgoins Cruijs.

Deze afspanning aan een weg van Brussel naar Aalst op de Boekhoutberg te Hekelgem dankte zijn naam aan een Frans officier. In 1692 trad er een pauze in na de vele gevechten tussen het Franse leger en de geallieerden in 1691 waarbij in onze streken veel schade werd aangericht. In de abdij en elders in Hekegem gingen Franse soldaten van de legerafdeling van generaal graaf Marchin (of Mastin?) in winterkwartier. Onder de officieren was er marquis Jean Baptiste Roseleth[1]. De naam Roseleth komt van Rossel, een bijnaam voor een roodharige. De oudste vermelding dateert van 1365[2]. In onze streken treft men die naam voor de eerste maal aan in een register van de Broederschap van O.- L.- Vrouw van Lebbeke. In de XVde eeuw liet de hertogin van Bourgondië zich als lid inschrijven van deze Broederschap met twaalf van haar edellieden waarvan er vijf de naam Roselet droegen. Blijkbaar stond de familie Roselet in hoog aanzien bij de hertog van Bourgondië[3]. Met Jean Baptiste begint de geschiedenis van Het Bougondisch Kruis.

Jean Baptiste.

We kunnen veronderstellen dat Jean Baptiste Roseleth, om de tijd door te brengen, op verkenning ging en de herberg van Peter Goetvinck en Catharina Carnoy op de Boekhoutberg bezocht. Hij moet er meer dan eens zijn geweest nadat hij er kennis had gemaakt met de dochter Anna. Voor haar verliet hij het leger. Het paar trouwde op 13 april 1693 en Jean Baptiste nam de herberg van zijn schoonouders over en gaf haar de naam Het Burgoins Cruys[4]. Was die naam een verwijzing naar zijn streek van herkomst?In het gezin werden zeven kinderen geboren die in Hekelgem werden gedoopt.

1- Anna Maria, gedoopt op 20 mei 1694, zij trouwde in 1727 met Andries Van den Broeck en ging in Meldert wonen

2- Joannes, gedoopt op 17 maart 1696

3- Elisabeth, gedoopt op 13 juni 1698, overleden in 1713

4- Joannes Simon, gedoopt op 11 februari 1701, overleden in 1729, hij trouwde met Catharina Van Lier. Hun zoon Philippus Joannes gedoopt op 8 september 1729 overleed ongehuwd in 1768. Joannes Simon hertrouwde na de dood van Catharina Van Lier met Catharina Goudtswilders. Zij hadden twee meisjes, Elisabeth en Joanna die kinderloos stierven.

5- Petronella, gedoopt op 22 mei 1703, trouwde met Livinus Van der Stuijft.

6- Jacobus, gedoopt op 16 juni 1707, trouwde met Christina Herbosch en overleed op 8 mei 1769.

7- Lambertus, gedoopt op 3 maart 1709.

Van 1704 tot 1706 werd de steenweg Brussel – Gent aangelegd, een brede gekasseide weg die van Asse tot het begin van Boekhout een ander tracé volgde dan de oude zandweg, nu Oude Baan genoemd. Op Boekhout liep de nieuwe weg voor hun deur, wat voor herbergier Jean Baptiste een enorme meevaller was . Eens de steenweg in gebruik was, breidde hun zaak snel uit. In 1715 was er al een standplaats van al de post- en reizigerskoetsen van de geregelde dienst tussen Gent en Brussel. De verzendingen voor Hekelgem, Meldert en andere omliggende gemeenten kwamen in Het Burgoins Cruys toe.

Het werd een druk bezochte afspanning. Dat is onder meer te merken aan de betalingen van de bedesetters voor de consumpties en logementen van de provoost[5], militairen en andere gezagsdragers waarvoor de gemeente moest opdraaien. Boekhout, met onder meer de afspanning De Kaaszak van Zacharias De Wever, was toen het drukke centrum van Hekelgem. Enkele voorbeelden:

– De bedesetters betalen Jean Baptiste 3 g 4 st (in gulden-stuivers en oorden) voor het vertier van de provoost en anderen in officiële dienst. Jean Baptiste tekende met een kruis daar hij verclaert neijt te connen schrijven.

– 6 augustus 1724: voor het vertier van de provoost-generaal met een wagen gevangenen: 6-10-0.

– 4 december 1728: voor het vertier van de compagnie van de provoost: 3-3-0.

– 31 januari 1726: vertier van de provoost en partijen: 7-0-0.

– 22 juni 1727: voor het vertier van de provoost 2-18-0 en voor het logement van twee ruiters te voet: 0-24-0.

Op 24 februari 1711 verwierf Jean Baptiste het poorterschap van het Land van Asse. De schepenen Peter Clauwaert, Jan Mattens en Peter De Kegel bevestigden in een akte dat Jean Baptiste Roseleth by ons is gemaeckt ende geworden poiter der voorschr. Vryheyt van Assche, hebbende tot dyen eynde gedaen den behoorlycken eedt in alle solemniteyten daertoe gerequireert ende heeft voorts alles gelooft te doen ’t gene een goed ende gertouwe poirter schuldig end ebehoorden te doen[6].

Van zijn toenemende welvaart getuigt de aankoop van een partij land op de hoek van de steenweg en de nieuwe straete (Boekhoutstraat). Op 24 mei 1726 kocht hij twee percelen land, een van 2 d 58 r en een van 175 r, op de Boekhoutberg voor 21 g. Hij kocht ze van de edele ende hoogh geborene vrouwe, vrouwe Joanna Charlotte marquise der poirt Vrijheijt ende Lande van Assche. De percelen paalden aan de Molenbaan en waren belast met een grondcijns aan de markiezin van 10 g[7]. Het eerste stuk land schonk Anna Goetvinck na het overlijden van haar man op 14 juni 1738 aan haar zoon Jacobus. De schenking uijt haeren vrijen eijghen ende liberen wille onbedwongen noch verleijt van iemand deed zij voor zijn trouwe dienst. Jacobus moest wel 5 g grondcijns aan de markies van Asse betalen. Op 8 juni 1741 verkocht Anna Goetvinck een hofstede aan Jan Baeck en zijn vrouw Geertruide De Ridder. De hoeve met huis en een ½ d hopveld lag op de hoek van de steenweg en de Nieuwstraat (nu Boekhoutstraat). De hofstede was belast met een grondcijns van 12 st voor de Kerk van Meldert en van 6 st voor de Kerk van Hekelgem. Wanneer Jean Baptiste en Anna die hofstede kochten, hebben we nog niet ontdekt.

In 1726 spande Jean Baptiste een proces in tegen Andries Cornelis omdat die zijn schulden niet betaalde. In zijn klacht bij de schepenbank somde hij ze op:

-geleend geld en consumpties in zijn huis: 3-10-0.

-levering van 3 vaten haver aan 18 st het vat: 2-14-0.

-geleend op 28 februari 1712: 10-16-0.

-voorschot gegeven voor de aankoop van hout in de Pileweijde Broecken: 8-7-0.

-lening en vertier op 18 april 1719: 12-12-0.

-voor Cornelis aan Gommaert Verloes betaald: 2-16-0.

De totale schuld bedroeg 40-15-0.

Andries Cornelis werd voor de eerste maal voor de schepenbank gedaagd door de Hekelgemse officier Peter Ledegen op 12 november 1726, maar hij daagde niet op. Ook na de tweede dagvaarding verscheen Cornelis niet op de zitting van de schepenbank. Op 6 mei 1724 veroordeelden de schepenen Andries Cornelis tot de betaling van 49- 6 1/2 st waarvan 8-11-2 voor de schepenbank.

   Het Bourgondisch Kruis op de poppkaart., ca 1860. A (Aalst) – B (Brussel) is de Brusselbaan. De inkleuring is van J. Gravez

Een overval aan Het Bourgoins Cruijs[8].

In 1712 stelde de “provoost-generaal der Nederlanden” een onderzoek in naar een overval op een postkoets van de reguliere verbinding van Brussel naar Gent op de Boekhoutberg.

Een passagier, Carolina de Miranda, legde over die gebeurtenis een uitvoerige verklaring af. Hierna volgt er een samenvatting van.

Zij was de vrouw van Carel Chimaines, een koopman van stoffen uit Brussel. Op 20 november was ze uit Gent vertrokken met de ordinairisse koetse die gevoerd werd door een zekere Arnou. Eens buiten Aalst bemerkte ze dat een jongen, gecleedt gelijck een treffelijck borgerskindt voor de postkoets was komen lopen. Ter hoogte van de galg op de Boekhoutberg kwam er een man, gecleedt op sijn boers, die Arnou een bepaald teken gaf. Daarop kwamen 9 of 10 gewapende mannen naar de postkoets en onderzochten ze en ook de papieren van de reizigers. De leider van de bende was omtrent 24 jaar. Hij droeg een zwarte jas en rode broek, twee anderen waren in het rood gekleed. De overvallers dwongen drie mannen uit te stappen en gingen met hen het bos in. Carolina zag ze daarna niet meer terug. Tijdens die overval stond Arnou, veel familiariteijt getoont hebbende, met een overvaller te praten. Carolina had in Gent een pak rijsselsche stoffe gekocht ter waarde van 200 tot 300 gulden, bestemd voor religieuzen. Een van de mannen opende het pak en riep de anderen: Siet het is allemaal wit voor de vrouwen ofte begijnen, maar lieten de stoffen ongemoeid.De postkoets reed dan voort tot een herberg op die slinckse kant, waer uijt hanght, soo sij vermeijnt, het bougons cruijs. Arnou ging de herberg binnen en bleef er langer dan een kwartier spreken met enkele van de overvallers. Uiteindelijk reden ze voort en toen ze aan een bos kwamen, begon Arnou trager te rijden en met zijn zweep te slaan, constant links en rechts kijkend. Eens het bos voorbij joeg hij de paarden op. Aan de Corijnsberg (Zellik) kwamen twee ruiters naast de koets rijden. Een van hen zei tegen Carolina dat ze geen schrik moest hebben, ze waren brave lieden. Ze merkte wel op dat ze onder elkaar Frans spraken of plat Brussels. Die namiddag zag ze in de nieuwe straete, (de Nieuwstraat) een man uit een café komen en ze herkende hem als een van de drie reizigers die uit de postkoets waren gehaald. Zijn hoofd was verbonden met een servet. Hij vertelde dat de overvallers een seker jargon ofte onbekende taele spraken. Later vernam ze nog dat op diezelfde 20ste november de postkoets die van Brussel naar Aalst reed ook was overvallen.

Jacobus.

Na de dood van Jean Baptiste op 14 juni 1738 deed zijn weduwe Anna Goetvinck op 3 februari 1739 afstand van de nalatenschap van haar man door een gift tussen levenden ten voordele van haar nog levende kinderen Anna Maria en haar man Andries Van den Broeck; Petronella en haar man Livinus Van der Struijff; Catharina Goutswilders, weduwe van Simon en haar tweede man Michiel Willems voor de kinderen van de overleden zoon Simon en tenslotte Jacobus. Twee jaar later verwierf Jacobus door uitkoop van zijn zussen Het Bourgoins Cruijs. De afspanning werd in de akte als volgt beschreven:

Sekere afspanningge metten huijse, camers, stallen ende alle andere edificiën daerop staende geleghen onder de prochie van Hekelghem gemeineleijck genoemt Het Burgoins Cruijs, groot 125 roeden, paelende ter I ° den steenwegh loopende van Aelst naer Brussel, ter II°Jan Droeshout, ter III° Andries Van Ghete, ende ter IIII° Engel Carnoije, belast aen ’t Godtshuijs van Afflighem met drij guldens drij stuivers grondcheijns ende aen de kercke ofte Armen van Hekelghem met sesthien stuivers s’ jaers ende aen sieur N. Boterdael met eene rente van twee hondert guldens wisselgeld capitael ende aen den heere canoninck capitein met eene rente van hondert guldens capitael sonder meer. Jacobus moest wel zijn moeder onderhouden van cost ende drank, lijnen ende wolle ende alle ’t gene haeren lijve nodigh hebben sal soo in siekte als gesontheijd. Na haar overlijden moest hij zorgen voor een uitvaart naar haar staat en al haar schulden betalen.

Jacobus trouwde met Christina Herbosch en ze kregen twee kinderen:

1- Judoca Theresia, gedoopt op 20 januari 1741

2- Franciscus, gedoopt op 19 juli 1742, huwelijk met Maria Droeshoudt.

Op 20 mei 1741 gingen Jacobus en zijn vrouw Christina een lening van 1 000 g aan bij Isabelle Maria De Man – Lodyck uit Brussel met een rente van 4%. Als zij de rente binnen de 6 weken na de vervaldag betaalden, kregen ze een korting van 0,5 %. Hun herberg en 5 d land op de Boekhoutberg gaven ze als pand.

Volgens de telling van 27 december 1754 hadden Jacobus en zijn vrouw een kind van 11 jaar (Franciscus), 1 meid en een logé, Philip Roseleth.

Het Bougoins Cruijs bleef onder Jacobus een populaire herberg waar ook de bedesetters vergaderden. Enkele voorbeelden:

– 19 februari 1759: comsumpties van de bedesetters die de rekeningen controleerden: 3-18-0.

– 20 juni 1759: vertier van de bedesetters: 4-0-0.

Christina overleed op 3 oktober 1773, Jacobus was al op 8 mei 1769 gestorven.

Een bourgondisch kruis

Frans.

Frans (Franciscus) trouwde op 7 februari 1770 met Maria Anna Droeshout, een dochter van Joannes en Barbara Van Vaerenbergh, pachters van Ten Bos. Zij was te Hekelgem geboren op 21 december 1742. Franciscus en Maria kregen 8 kinderen.

1- Petrus Frans, gedoopt op 30 maart 1771 en overleden op 21 april 1784, 13 jaar oud.

2- Jan Baptist, gedoopt op 23 juli 1773, hij trouwde met Anna Maria Boterbergh op 5 juni 1795. Zij overleed op 16 mei 1797 en Joannes Baptist hertrouwde met Petronilla De Nil 20 augustus 1806. Hij werd brouwer op Het Hoeksken.

3- Maria, gedoopt op 29 juni 1775 en overleden op 12 januari  1855.

4- Petrus Josephus, gedoopt op 28 januari 1777 en overleden op 16 oktober 1851.

5- Theresia, gedoopt op 24 augustus 1779, overleden op 20 juni 1854.

6- Jacobus, gedoopt op 3 mei 1781, overleden in 1788

7 Philippe, gedoopt op 16 november 1782, overleden in 1782.

8- Cecilia, gedoopt op 20 november 1783, trouwde met Joannes Clauwaert.

Maria Droeshout stierf op 18 september 1784. Hun jongste kind was nog geen jaar oud en Frans hertrouwde met Maria Elisabeth Fieremans, te Asse gedoopt op 27 november 1746 en te Hekelgem overleden op 1 februari 1822. Op 23 juli 1771 kochten Frans en Maria een perceel land van 89 ¼ roeden op de Buikouter van Francis Baeck uit Wemmel voor 400 g. Het was belast met een grondcijns van 1 st aan de abdij. In 1777 werden de gebouwen herbouwd en de afspanning vergroot met kamers en nieuwe stallingen[9], een bewijs dat de zaken goed bleven gaan. De bedesetters hielden nog altijd hun vergaderingen in hun afspanning. Enkele voorbeelden.

– 13 december 1771: de rendant betaalde aan Frans  het vertier van de bedesetters die vergaderden over de oncostboeck en de bedeboeck: 4-0-0.

– 6 oktober 1783: vergadering gemeentebestuur, vertier: 0-10-0.

– 15 december 1783: de bedesetters bespreken bij een glas bier een brief van de gedeputeerde van de Staten van Brabant: 0-5-0.

– 29 januari 1787: een soldaat van het regiment Clerfayt logeert er: 0-2-0.

Frans overleed op 25 mei 1786, 44 jaar oud.

Tussen de kinderen uit het eerste huwelijk en hun stiefmoeder Maria Fieremans boterde het niet. Oorzaak van de twist was de erfenis van Frans die de kinderen zich toe-eigenden.

Maria hertrouwde na de dood van Frans met Francis De Wolf. Zij diende op 2 september 1788 een klacht in tegen de kinderen want zij beriep zich op de Costumen van Ukkel om de goederen op de Boekhoutberg op te eisen. Joannes Vonck trad op als voogd voor Jan, Maria, Joseph, Theresia, Jacobus en Cecilia. De schepenen van Asse beslisten dat beide partijen zich bij de rechtsgeleerde Du Mont, Vierwindenberg te Brussel moesten aanmelden op 29 augustus 1788. Als gevolg daarvan moesten de kinderen, na een proces van 5 jaar, op 28 januari 1794 2 d 58 r land op de Boekhoutberg aan hun stiefmoeder afstaan[10]. De kinderen waren tijdens de moeilijkheden met hun stiefmoeder opgevangen door hun voogd Jan Baptist Vonck en zijn vrouw Joanna Catharina Droeshout. Maria Fieremans en haar tweede man, Francis De Wolf woonden zes jaar in Het Bourgoins Cruijs[11]. De kinderen Petrus Joseph, Maria, Theresia en Cecilia namen samen met hun tante Catharina Droeshout (moeie) in 1799 weer bezit van Het Bourgoins Kruijs (spelling van 1799). Cecilia trouwde op 7 juni 1820 met Jan Baptist Clauwaert. De kinderen ze waren niet in staat de herberg te runnen en besloten de zaak te verhuren. Op 14 maart 1799 (24ste ventôse an VII) stelde notaris Philippe Van Itterbeke de akte van verhuur op. Adriaan Frans Van Nieuwenhove uit Essene trad op als voogd voor de minderjarige Theresia en haar zus Cecilia. Jan Baptist, geboren in 1773 was meerderjarig en hij verdedigde ook de belangen van zijn zus Maria en zijn broer Petrus Joseph. De afspanning, nu 190 r groot, werd voor drie jaar verhuurd aan Gerard De Vos uit Hekelgem voor 67 g per jaar. Hij moest daarvoor het huis onderhouden van gelaesen, het binnen zijn termijn witten en de strodaken van de stal en de schuur herstellen. De belasting op deuren en vensters viel ook te zijnen laste.

Op 20 maart 1802 volgde de verdeling van de erfenis van Frans en Maria Anna Droeshout. Voor notaris Joannes Hubertus Boumans verschenen Jan Baptist, Maria, Petrus Joseph, Maria Theresia en Adriaan Van Nieuwenhove als voogd van de minderjarige Cecilia. De hele erfenis bedroeg 7 882 g 10 st en werd in 5 gelijke parten verdeeld zodat aan ieder kind 1 576 g 10 st toekwam. Jan Baptist verwierf 38 are land met de bomen en de haag op Erembodegem gelegen en Den Bijsenbier genoemd; een tweede perceel van 5 a eveneens op Den Bijsenbier gelegen en het Sint-Amandsbos te Erembogem, groot 28 a. Hij zag af van alle aanspraken op de roerende goederen. Maria, Petrus Joseph Maria Theresia en Cecilia hadden al besloten om de rest van de erfenis in hun gemeenschap te houden. Dat deel van de erfenis omvatte:

1 Het Bourgons Cruijs, een hofstede met gemetsten huijse, schuere, stalling ende alle andere edificiën daerop staende, groot 39 a (1 d 25 r.

2 Een veld van31 a op de Boekoutberg en palend aan de straat.

3 Een perceel op de Buikouter van 32 a en palend aan de weg.

4 Een tweede perceel op de Buikouter van 32 a, naast het vorige veld gelegen.

5 Een bos met bomen en houtwas, Den Eenenbergh genoemd, groot 24 a.

De afspanning was nog belast met een lening van 1 000 g die ten laste van de vier samenwonenden viel.

Maria, Petrus en Theresia lieten op 10 maart 1836 hun testament opstellen door notaris Josephus Hamerijckx te Asse. Ze wilden begraven worden met een uitvaartdienst van tweede klasse. Na de begrafenis moest er voor 40 fr. Brood uitgedeeld worden aan de armen die de uitvaart bijwoonden. Voor hun zielenrust vroegen ze 75 gezongen en 200 gelezen missen en 24 gezongen missen voor de zielenrust van hun ouders en 20 voor hun oom Jan Baptist Vonck en Joanna Catharina Droeshout, hun moije. Zij lieten hun bezittingen na, elk voor de helft aan de overlevenden, Petrus aan Maria en Theresia, Theresia aan Petrus en Maria en Maria aan Petrus en Theresia.

Petrus Joseph, landbouwer en aubergist, overleed 1851. Op 24 maart 1840 had hij bij een openbare verkoop uit de nalatenschap van Jan Joseph Droeshout een aantal bomen gekocht: twee populieren voor 47 fr., zes canada’s 139 fr.

Maria, landbouwersse aubergiste, Maria overleed als laatste op 12 januari 1855. De verdeling van haar erfenis volgde op 9 februari 1855. Voor notaris Josephus Angelus Crick verschenen Cecilia en haar man Jan Baptist Clauwaert, landbouwers te Hekelgem en Jan Frans, enig kind van wijlen Jan Baptist en Anna Maria Boterbergh, landbouwer te Hekelgem.

– Jan Frans erfde Het Bourggondisch Kruijs, groot 76 a 39 ca, sectie A, nrs. 920, 921, 922 en een deel van 923.

– een perceel land van 53 a 43 ca gelegen op Den Hulstbosch, sectie A, nr. 750.

Cecilia kreeg een veld van 53 a 43 ca, palend aan voorgaand perceel dat Jan Frans in bezit kreeg, sectie A, nr. 750.

– een partij land van 33 a 30 ca op Het Roggebrood gelegen, palend aan Jan Egied Van Lierde, sectie A, nr. 808.

– een perceel van 30 a 30 ca op de Boekhoutberg, sectie D, nr.31.

– een veld van 37 a 10 ca op de Buikouter, sectie D, nr. 285.

– weide en bos van 31 a 34 ca, gelegen op De Plek, sectie D, nrs. 546 en 547

– een bos van 15 a 80 ca gelegen op Ten Bos in Erembodegem, sectie A, nr. 2351, genoemd Den Ijzeren Man.

– een bos van 19 a 50 ca in Erembofegem, sectie A, nr. 2325, genoemd Den Rottenbosch.

een eeuwigdurende rente van 14, 51 fr. Van een kapitaal van 423, 28 fr. Die ze samen met Jan Frans had toegestaan aan Jan Baptist Herzeel en zijn vrouw Isabella Van Nieuwenborgh volgens de akte gepasseerd voor notaris Van der Schueren te Meldert op 24 april 1775. Als pand gaven de ontleners hun hofstede van 16 a 80 ca, gelegen in het gehucht Mazits, sectie A, nrs. 637 en 638.

Maria had de goederen in Hekelgem gelegen verkregen samen met haar broer Petrus Josephus en haar zus Maria Theresia door verkaveling op 1 juni 1820[12] en de twee bossen in Erembodegem door aankoop op 24 maart 1840[13].

Den Calcoenschen Haen op de poppkaart aan de Langestraat, ca 1860. De inkleuring is van J. Gravez. met de aanduiding van de brouwerij.

Jan Frans.

Jan Frans (Joannes Franciscus) was het enig kind van Joannes Baptista en Anna Maria Boterbergh, geboren in 3 april 1796. Zijn moeder was in 1770 in Erembodegem geboren. Zijn ouders hadden een huis aan de Langestraat. Hij trouwde met Maria Theresia De Smedt, dochter van Jan Baptist en Anna Maria Crols op 23 juli 1818. Zij was te Hekelgem geboren op 16 februari 1798 en overleed er op 27 mei 1836. Jan Frans bleef bij zijn moeder inwonen en zorgde er voor de brouwerij. Zij kregen negen kinderen:

1- Jan Baptist, geboren op 14 december 1818, trouwde met Maria Bruyninckx en vestigde zich te Meldert.

2- Maria Joanna Petronilla, geboren op 28 maart 1820, trouwde met Isidoor Van Vaerenbergh. Zij gingen in Erembodegem wonen.

3- Maria Ludovica, geboren op 17 juli 1822, trouwde met Elias Verbeecken en het paar woonde in het Coomanshof te Bleregem.

4- Petrus Joseph, geboren op 22 mei 1824, trouwde met Amelia Schoon op 11 juli 1855. Zij was te Hekelgem geboren op 7 april 1824 en er overleden op 31 januari 1891. Zij was de dochter van Jan Hubert en Carolina Judoca Plas. Zij woonden eerst in een hofstede op het Hoeksken en na 6 jaar verhuisden ze naar het Oud-Molenhuis op de Boekhoutberg.

5- Maria Theresia, geboren op 14 december 1826 en overleden op 7 september 1829.

6- Cecilia, geboren op 12 december 1828.

7- Jan August, geboren op 6 februari 1831, trouwde met Maria Prudentia De Schrijver.

8- Maria Theresia, geboren op 13 april 1833 en overleden op 19 februari 1839.

9- Maria Josepha, geboren op 11 augustus 1834. Zij trouwde met Camiel Coppens uit Meise.

De inboedel van Het Bourgondisch Kruis werd op 14 maart 1855 verkocht. Cecilia en Jan Frans kochten de meeste meubelen. Nadat hij eigenaar was geworden van Het Bourgondisch Kruis vestigde Jan Frans zich daar met zijn nog drie ongetrouwde kinderen, Jan August, Cecilia en Maria Josepha. In 1835 was hij lid van de gemeenteraad geworden en in 1836 volgde zijn aanstelling tot schepen onder burgemeester Jan Bosteels samen met zijn medeschepen Jan Hubert Schoon. Vanaf 1851 was Benedicts Emmanuel De Vis de burgemeester en Jan Frans bleef schepen tot hij in 1861 ontslag nam. Zijn naam komt ook voor op de lijst van de leden van de Koninklijke Harmonie Ste-Cecilia van Hekelgem van 1850. Volgens de poppkaart van 1860 was hij geen herbergier meer en dat betekende ook het einde van Het Bourgondisch Kruis. Met de aanstelling van Jozef De Doncker in 1810 en de verhuizing van de gemeentediensten naar het dorpsplein aan de kerk, was Boekhout niet meer het centrum van het dorpsleven. Jan Frans overleed op16 februari 1865.

Cecilia, het vijfde kind van Jan Frans en Anna Maria Boterberg, bleef met haar zus Maria Theresia in het Bourgondisch Kruis wonen. In 1866 trouwde ze met Karel Strens, de koster van Hekelgem. Jan August trouwde met Maria Prudentia De Schrijver en ging in het oud huis van de familie Roseleth op Het Hoeksken wonen. Het jongste kind, Maria Josepha was na kaveling met Cecilia op 30 augustus 1869 alleen eigenares van Het Bourgondisch Kruis geworden. De afspanning had toen een geschatte waarde van 11 200 fr. Zij trouwde op 26 juni 1872 met Camiel Coppens uit Meise. De stallen en de andere gebouwen werden afgebroken, alleen nog het woonhuis en een deel van de schuur bleven over. Maria Josepha stierf op 22 december 1896. Zij hadden drie kinderen:

1- Pertus Frans, geboren op 11 maart 1873, trouwde met Maria Joanna De Wilde uit Teralfene. Zij kregen 9 kinderen.

2- Petrus Joseph, geboren op 10 januari 1875, trouwde te Hekelgem met Maria De Backer. Zij kregen 2 kinderen.

3- August Placied, geboren op 19 december 1876. Hij trouwde te Hekelgem met Maria Leontina Scheerlinckx.

Hun kinderen verdeelden de nalatenschap. Het huis werd in twee gedeeld. Petrus Joseph Coppens bekwam de keuken, het washuis, twee kamers en de helft van de hofstede, Petrus Frans kreeg de rest van de hofstede en verbouwde de grote poort tot een huis en daarmee eindigde de geschiedenis van Het Bourgondisch Kruis. Nu is er niets meer van te zien.


[1] Gref. Scab. Arrond. De Bruxelles, reg. no 8897, blad 206, art. 807.

[2] F. DE BRABANDERE, Woordenboek van de familienamen in België en Noord-frankrijk, Gemeentekrediet, 1993, 1205.

[3] H. ROSELETH, Geslachtboom der Familie Roseleth, in: J. GRAVEZ, Stamboom van de familie Roseleth, 2003, dl II, 6.

[4] Het Burgoins Cruys of Bourgondisch Kruis is in de heraldiek een schuingeplaatst kruis van twee knoestige stokken, soms laurierstokken genoemd, vaak eindigend in breed uitlopend omkrullend loofwerk. Het lijkt enigszins op het Andreaskruis, dat uit twee gladde balken bestaat. Andreaskruis en Bourgondisch kruis worden vaak met elkaar verward. De hertogen van Bourgondië voerden in hun vaandels een rood, groot-uitgeschulpt schuin kruis.

[5] Provoost: gezaghebber in een gevangenis of de (onder)officier belast met de handhaving van de orde en de tucht in een kazerne of garnizoensplaats. Ook gerechtelijk ambtenaar, te vergelijken met een schout of baljuw.

[6] H. Roseleth, Idem, 7.

[7] R.A. Leuven, notariaat Egidius Crick, notaris te Asse van 1703 tot 1741, nr. 9.

[8] C. THEYS, Een renconter met de postkoets van Gent op Brussel, in: ESDB, 1952, 40 – 43.

[9] J. GRAVEZ,  Stamboom van de familie Roseleth te Hekelgem, deel 2, 2003.

[10] Akte gepasseerd voor notaris Boumans, Asse, 22 februari 1802.

[11] H.ROSELETH, Idem, 11.

[12] Akte van notaris De lantsheere te Opwijk.

[13] Akte van notaris Hamerijckx te Asse.

Advertentie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s