De familie Resteau te Hekelgem: kerk-en armenmeesters, kosters-schoolmeesters.

De eerste Resteau in Hekelgem was Franciscus. Hijwerd tot koster benoemd op 20 januari 1697, dat was na de dood van Andries Segers. Hij was geboren in 1666 en te Hekelgem getrouwd op 6 september 1696 met Anna Cornelis, te Hekelgem gedoopt op 30 december 1670. Zij kregen 8 kinderen. Na de dood van Anna op 17 oktober 1714 hertrouwde hij met Catharina Van de Voorde en er werden nog 4 kinderen geboren.

1- Joanna, gedoopt op 7 juni 1697.

2- Frans, gedoopt op 28 mei 1699.

3- Anna Catharina, gedoopt op 27 januari 1701.

4- Theresia, gedoopt op 19 oktober 1702.

5- Jan Baptist, gedoopt op 29 juli 1704, zie verder.

6- Catharina Petronella, gedoopt op 8 november 1706.

7- Jan Frans, gedoopt op 6 mei 1709.

8- Frans, gedoopt op 26 maart 1712.

Uit zijn tweede huwelijk:

1- Adriaan, gedoopt op 30 januari 1716.

2- Anna Maria, gedoopt op 7 april 1717.

3- Jacob Benedict, gedoopt op 6 maart 1720.

4- Petrus, gedoopt op 5 mei 1722.

Catharina overleed op 11 maart 1750.

Frans Resteau bouwde in 1704 een huis aan de kerk van Hekelgem. Hij diende als koster onder zes pastoors en begon zijn carrière als koster en onderwijzer onder Martinus Van de Nest die al sinds 1671 pastoor van Hekelgem was. In 1697 stuurde aartsbisschop De Precipiano een brief naar zijn parochies waarin hij van leer trok tegen het verfoeilijk misbruik van die dertele en onbeschaamde samenkomsten van jongmans ende dochters in herbergen. In zijn lessen zal Resteau daar zeker over gesproken hebben. Of het veel resultaat had, valt te betwijfelen want op 21 juli 1700 beval aartsbisschop de pastoors viermaal na elkaar te preken over die verderfelijke ontspanningen, oorzaak van de bestraffing met oorlog. Pastoor Van de Nest overleed in 1709. Antwerpenaar Jan Karel Broeckmans werd op 20 december 1709 de volgende pastoor van Hekelgem. De nieuwe pastoor was begaan met zijn kerk en liet heel wat werken uitvoeren. Er was eindelijk een tijd van vrede aangebroken en er kwam welvaart. In 1712 klaagde Jan Broeckmans erover dat teveel parochianen in de abdijkerk de mis gingen bijwonen omdat de paters niet preekten. Nobert Breugelmans was niet meer dan een naam. Tot pastoor benoemd op 23 oktober 1724 werd hij al op 22 mei 1725 vervangen door Henri Van Mulders. Die overleed op 12 september 1741, zijn zerk staat achter het oologsmonument. Een dag later was Adriaan De Smet al aangeduid als deservitor. Hij was afkomstig van Wemmel en werd te Mechelen priester gewijd op 26 mei 1736. In 1742 volgde een benoeming als administrator te Moorsel. Hij overleed te Erembodegem. De aartsbisschop benoemde Rumoldus De Cuyper tot de volgende pastoor van Hekelgem. Deze Mechelaar, omstreeks 1704 geboren, ontving zijn priesterwijding op 6 maart 1730, zijn aanstelling tot pastoor te Schorisse op 18 juni 1734 en die voor Hekelgem op 11 mei 1742.

Frans Resteau kreeg in 1699 moeilijkheden met Melchior Van den Driessche omdat die ook onderwijs wou geven. Frans bracht de zaak voor de Raad van Brabant en kreeg gelijk. Hij had zich beroepen op een edict van keizer Karel en van Albrecht en Isabella dat het onderwijs toekende aan de parochie en zijn bewering gestaafd met een verklaring van de parochianen dat ze nooit andere schoolmeesters gekend hadden dan de kosters. In 1703 behoorde hij tot de belastingbetalers wat er op wijst dat hij over een behoorlijk inkomen beschikte. Een jaar later aanvaardde hij een cijns van 2 g 8 st op 50 r land en bouwde er een huis op. Maar in de plaats van de cijns te betalen ruilde hij met een ander perceel[1].

Kort voor 1743 was Jasper Cayman met een school begonnen in de buurt van de abdij voor de kinderen uit de omgeving. Die provocatie kon koster Resteau niet dulden en hij protesteerde opnieuw. Als koster had hij alleen het recht een scholastrije te hebben. Maar deze maal kantten zich 19 parochianen, waaronder burgemeester Peter Ceuppens, tegen hem. Ze richtten een verzoekschrift tot Odo De Craecker, proost van de abdij, die als patroon van de Kerk van Hekelgem het begevingsrecht over de kosterij had. Ze vroegen de proost Cayman te laten onderwijzen want koster Resteau was al een oude man, bijna 50 jaar in dienst en vrijwel blind. Bovendien was de afstand tot het dorp zeer groot. Ze wezen ook nog op het dreigend oorlogsgevaar: er is eenen toecommen swaeren oorlogh voorhanden en in dat geval zouden de kinderen levenslanck ongeleerd blijven. Op 8 februari 1743 verwierp de proost hun verzoek want hij achtte het niet opportuun de school te splitsen.

Frans Resteau 1743

Omstreeks 1750 deelde pastoor Rumoldus De Cuyper de inkomsten van de koster mee. Van de armendis kreeg hij 20 g voor het onderricht van de arme kinderen, van de Kerk 15 g 12 st uit fundaties, wat inkomsten uit jaargetijden, eieren in de paastijd, enkele schoven in de oogsttijd, van elk gezin, de armen uitgezonderd, 1 st, plus nog wat toevallige bijdragen. De koster was ook grafdelver – voor een kindergraf ontving hij 2 g 4 st – en klokluider (57). Frans Resteau overleed op 13 juli 1752. Hij was gedurende 56 jaar koster – schoolmeester geweest en vele jaren kerkmeester.

Jan Baptist Resteau volgde zijn vader op als koster en schoolmeester. Hij was het vijfde kind van Frans en Anna Cornelis, te Hekelgem gedoopt dinsdag op 29 juli 1704. Hij trouwde op 22 juni 1732 met Joanna Catharina Van Nieuwenhove, de dochter van Joannes en Adriana Meert. Ze werd te Hekelgem gedoopt op zaterdag 20 januari 1703 en overleed op woensdag 18 oktober 1786. Jan Baptist stierf op woensdag 8 februari 1764. Ze hadden 4 kinderen.

1- Joanna Maria, gedoopt op 16 augustus 1737. Zij overleed op maandag 25 mei 1807. Zij trouwde op zaterdag 30 oktober 1762 in Hekelgem met Michaël Franciscus Crols. Michaël was tot zijn huwelijk organist in de abdijkerk.

2- Francisca, gedoopt op 19 maart 1740, huwelijk met Martinus Robijns.

3- Anna Catharina, gedoopt op 25 augustus 1743, huwelijk met Joannes De Smet.

4 Jan Frans, gedoopt op 31 augustus 1745.

Net als zijn vader was hij een bemiddeld man en dus stond zijn naam ook op de rol van de belastingbetalers onder meer in 1735 (in het totaal 213 namen), 1737, 1745 en 1746 (in het totaal 240 namen). Van 1737 tot 1761 komt zijn naam ook voor op de lijst commerschap, neringhe, brouwerijen ende herbergen. In 1737 waren er 39 neringdoeners, in 1761 was het aantal gestegen tot 59. Jan Baptist, al in 1750 rentmeester van de Kerk en de armendis, hield heel gedetailleerde rekeningen bij. In 1756 bijvoorbeeld noteerde hij stipt de verhuur van een wit baarkleed voor de overleden kinderen van Asse, Erembodegem, Essene, Baardegem, Teralfene, Meldert en Moorsel. Volgens de telling van 27 december 1754 woonde Jan Baptist, koster en winkelier, samen met zijn vrouw, 3 kinderen, 1 knecht en een andere knecht voor drie maanden.

Op 10 februari 1733 kochten Jan Baptist en Joanna Catharina een huis naast het kerkhof: secker huijs met een hofstede gelegen binnen de prochie van Heckelghem bij het kerckhoff paelende in drij seijden aen de straeten, ende dat voor ende omme de  somme van vier hondert guldens courant gelt. Er waren twee voorwaarden gesteld. De verkoper mocht nog zijn toog uit de winkel halen en drie boompjes achter het huis afkappen. De tweede conditie was dat de koper elk jaar vijf stuivers aan de Kerk of aan de armen van Hekelgem moest geven. Diezelfde dag kochten ze van Adriaan Vonck ook  een perceel land van 101 ½ roede op de Hekelgemkouter gelegen. Het echtpaar bleef hun bezit uitbreiden en op 26 november 1742 kochten ze een hoplochting van Jan Van Vaerenbergh en Peter Vertongen voor de som van 4 g 5 st de roede of een totaal van 212 g waarvan 2/3 voor Jan Van Vaerenbergh en 1/3 voor Peter Vertongen. De koper moest wel een rente ten laste nemen van 80 g aan Adriana De Witte. Het hopveld lag op de Paterslochting nabij de kerk van Hekelgem en paalde aan zijn hofstede. Op 20 mei 1748 stonden ze een lening toe van 350 g aan de bejaerde jonge dochter Catharina Van Onchem. De rente bedroeg 4% en dus betaalde Catharina elk jaar 14 g intrest. Als pand gaf zij een perceel land van 1 d 10 r gelegen op Den Vlieghuijt en palende aan de Kleindries te Doment in Essene, 1d 74 r land en broek met houtwas en bomen, gelegen op het Domentveld te Essene en een lening van 100 g aan Diericx uit Aalst. 15 jaar later konden Jan Baptist en Catharina nog twee percelen op de Hekelgemkouter bijkopen. 53 roeden kochten ze van Joannes Bernardus Bruno en zijn vrouw Catharina Ledegen uit Aalst voor 218 g en 52 r land van Jan Eeman voor 140 g.

Bedesetter.

Op 15 maart 1748 betaalde A. Daens, de collecteur 41 g 5 st aan Jan Baptist omdat hij sijne devoiren gedaen (heeft) ten dienste van de prochie van Hekelgem ten teijde als hij bedesetter heeft gheweest ten teijde der jaere van den 15de juli 1744 tot juli 1746[2]. Het overzicht geeft een duidelijk beeld van de last die de inval van de Fransen met zich meebracht.

– 15 juli 1744. Voor zijn reis naar Asse om er de eed als bedesetter af te leggen: 1-5-2.

– 21 en 23 oktober 1744. Tweemaal naar Brussel geweest om de vergoeding te regelen van het logement van Hollanders: 2-0-0.

– Zonder datum. Naar Brussel het geld gehaald voor het jaar 1740: 1-0-0.

– Tweemaal naar Brussel voor de leveringen aan het leger dat in Hekelgem kampeerde: 2-0-0.

– Tweemaal de heer Van den Broeck opgezocht om een vergoeding te bekomen voor de schade door het leger aangericht: 2-0-0.

– Met collecteur Jan Baptist De Witte naar Brussel geweest om het geld van de leveringen te halen: 1-0-0.

– Naar Brussel bij de heer Van den Broeck geweest met klachten over het gedrag van de huzaren: 1-0-0.

– Tijdens de troebelen naar Wemmel geweest bij de markies met een rekening en daarna daarmee naar Opdorp bij de graaf de chelles (vermoedelijk Jean Moreau de Séchelles) en daar moeten overnachten: 2-0-0.

– Augustus 1745. Bij mijnheer Van den Broeck geweest om te weten of wij aan de Fransen mogen leveren zoveel wij kunnen: 1-0-0.

– Met de resolutie van de contributie naar Brussel[3] geweest: 1-0-0.

– Juli 1746. Naar Brussel geweest om het geld van de wagenvrachten van 1744: 1-0-0.

– Nog naar Brussel geweest met Jan Droeshout met de lijst van het restant van het huis van de koningin: 1-0-0.

– Naar Asse geweest met klachten over de huzaren: 0-10-0.

– Naar Asse geweest voor het onderzoek naar het restant van het hooi:0-10-0.

– Naar Asse geweest met de opleg voor het hooi: 0-10-0.

– Naar het kasteel van Steenhuffel geweest bij de kapitein van de vrije compagnie van Waldeck en daar een gids moeten vragen om een order naar Brussel te dragen en hem 10 st betaald, dus voor mijn vergoeding: 1-0-0.

– Tweemaal naar Aalst geweest om geld op te halen: 1-0-0.

– Nog tweemaal naar Aalst geweest met wagens: 1-0-0.

– Nog tweemaal naar Aalst geweest bij mijnheer Dierick, eens om 500 g af te geven en eens om het hooi te betalen: 1-0-0.

– Tweemaal naar Steenhuffel geweest, eens met 63 man, elk met een sister[4] graan, en de tweede maal met lege wagens: 1-0-0.

– Nog eens naar Steenhuffel met lege wagens: 1-0-0.

– Tweemaal naar Aalst geweest met de partizaan Baumanoir (?): 1-0-0.

– Naar Brussel geweest met de generale lasten van wagens der coningine bij den griffier van Assche: 1-0-0.

– Naar Asse geweest om 13 diverse zaken te regelen: 6-10-0.

– Voor alle extraordinaire devoiren gedaen voor de prochie als oock in ’t clooster van Affligem in den troubel in de maent van augustus 1745 als oock in den teijt van de coninginne om waegens, peerden, pioniers en leveranties te besorgen, soo en brenge alhier gene daghure maer alleen saldo juste mijn vertair: 7-0-0.

– Op 2 mei ontving Jan Baptist van de rendant 6 g 8 st voor het vertier van de arbeiders die de nieuwe klok ophaalden en nog 1 g 4 st voor twee flessen wijn.

Rekeninge ende bewijs bij desen is doende Jan Baptista resteau Coster, over den ontfanck van out was van de leycken.

In de clinch met de drossaard[5].

In 1739 geraakte Jan Baptist als armenmeester van Hekelgem in een conflict gewikkeld met Joannes Emanuel Loovens, de drossaard van het Land van Asse. Oorzaak van de ruzie: wie betaalt voor het onderhoud van een vondeling. Het ging om een kind van Theresia Michiels. Zij was te Hekelgem geboren, maar door haar ooms opgevoed te Asse en te Meldert. Zij was een tijd samen met Jan Timmermans te Asse met wie ze een kind had. Ze verkwistten er al haar goederen tot ze landlopers werden. Haar kind werd onderhouden door de armenmeesters van Asse. Ze kreeg een tweede kind te Hekelgem en vertrok er zonder dat de armenmeesters Hendrik Dauwe en Jan Baptist wisten wat ze met dat kind had gedaan. Mogelijks was het de vondeling die men in Asse had aangetroffen. De drossaard wou nu dat de armenmeesters van Hekelgem zouden instaan voor het onderhoud van dat kind. Die weigerden. Ze verwonderden zich over het feit dat men te Asse had toegelaten dat Theresia er ondeughdeleijck met Jan Timmermans leefde. De pastoor en de armenmeesters hadden zich nooit met Theresia bemoeid, alleen de drossaard. Die spande een proces in tegen de armenmeesters van Hekelgem omwille van hun weigering. Dauwe en Resteau wezen de drossaard erop dat het de rentmeester is die bij ordonnantie van de pastoor beslist wie steun van de armenmeesters krijgt en bijgevolg kunnen zij niet voor de schepenbank worden gedaagd.

In zijn antwoord wees de drossaard erop dat het een christelijke plicht is om onmondige ende verlaete arme kinderen te besorgen den nooddrufft tot hunner substantie. Dat de pastoor het alleenrecht bezat om te bepalen wie steun van de H. Geesttafel kreeg, was in strijd met de wetten van het Land van Asse. Die hooghen moet sal in duighen vallen, betoogde de drossaard en de armenmeesters moeten volgens hun eed de distributeurs zijn van de goederen van de H. Geesttafel want zij zijn de voogden. De drossaard verwees zelfs naar de synode van Mechelen van 1609 die bepaalde dat de eerste plicht van de armenmeesters was zorg te dragen voor de weduwen, wezen, oude mensen en hen door bijstand te helpen. Op de dag van het Laatste Oordeel zullen zij daar verantwoording moeten voor afleggen. De drossaard besloot dat het kind in Hekelgem was geboren en dat het daar moet onderhouden worden. Hij vroeg de schepenen van het Land van Asse om de twee armenmeesters te verplichten voor het kind te zorgen. Twee maanden later, in december 1739, vroegen de schepenen aan Dauwe en Jan Baptist om duidelijker uit te leggen waarom zij de zorg voor de vondeling weigerden.

Na het overlijden van Jan Baptist nam zijn vrouw zijn werk als rendant van de kerkmeesters over.

Joanna Maria Resteau, de oudste dochter, werd ook rentmeester van de Kerk en zette zo de familietraditie voort. Zij trouwde te Hekelgem met Michiel Franciscus Crols op 30 oktober 1762. Haar man volgde haar vader op als koster, schoolmeester en rentmeester van de kercke en de armen van de prochie Hekelgem[6]. Michiel Crolswas eerst organist geweest in de abdij waar hij Andreas Rombouts in 1752 was opgevolgd. Voordien was hij te Leuven in de leer geweest bij klokkengieter – organist A.D. Van den Gheyn zodat hij niet alleen het orgel maar ook de beiaard kon bespelen en die zelfs bijstellen wat hem een extra van 21 g opleverde. Na zijn huwelijk in 1762 met Joanna Maria kreeg hij in de abdij de bons omdat de organisten ongetrouwd moesten zijn[7]. Hij werd dan koster – schoolmeester maar overleed al op 1 december 1771. Zij kregen twee kinderen:

1- Anna Maria, gedoopt op 14 augustus 1763, trouwde met Jan Baptist De Smedt.

2- Rumoldus, gedoopt op 14 juli 1766.

Op 28 november 1767 kochten Michiel en Joanna de hofstede van Frans Resteau van haar zus Anna Catharina en haar man Jan Baptist De Smedt. Die hadden het huis verkregen als erfdeel van haar ouders. De koop werd als volgt beschreven:

Ierst eenen hofstede metten steenen huijse, schuere, stallingen ende alle andere edificiën daerop staende, groot dertigh roeden salvo justo gelegen onder Hekelgem ontrent de kercke aldaer…; item ende alnoch eenen boomgaert metten houtwasch ende boomen daerop staende gelegen ter plaetse voorschreven rontsom in sijne heijmen, groot 94 roeden. Het huis was belast met een cijns van 5 st aan de armen van Hekelgem en de boomgaard met een grondcijns aan de abdij. De koopsom bedroeg 1600 g en daarvan betaalden Michiel en Joanna 1000 g en de resterende som van 600 g leende ze van de verkopers tegen een rente van 3 g. Indien de kopers drie jaren achterstallig waren met de rente, dan hadden de verkopers het recht om de hoeve openbaar te verkopen[8].

Jan Baptist De Smedt en Maria Anna Resteau hadden op 20 juli 1767 de hoeve De Valck gekocht gelegen op de hoek van de Langestraat en de Nieuwstraat (nu Boekhoutstraat).

Na de dood van Michiel nam Joanna zijn taak als rentmeester over en ondertekende de rekeningen met weduwe van wijlen Michel Crols. Zij werd Sissenwanne genoemd, waarschijnlijk omdat zij in het grootouders huis woonde (Franciscus + Joanna = Sissen + Wanne). Haar dood betekende het einde van de belangrijke inbreng van de familie Resteau gedurende 111 jaar in het parochiaal leven van Hekelgem.


[1] B. REGAUS, Bona et Jura Monasterii Haffligemensis, in: Fontes Affligemenses met inleiding van J. Ockeley, 1975, p. 48.

[2] Parochiearchief Hekelgem.

[3] Op 13 juli overviel een Franse legerafdeling de abdij die vol vluchtelingen was. Na het vertrek van de Fransen kwam een regiment Saksen dat twee maanden bleef en veel schade aanrichtte.

[4] Sister: inhoudsmaat voor graan, ca 49 l.

[5] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4217.

[6] Kerkrekening 1765 – 1766

[7] BEDA REGAUS, Directorium, 195.

[8] RA Leuven, Goedenisse van de schepenbank van de abdij Affligem, nr. 35.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s