Josephus Gheude[1] was na de dood van Philippe Plas met diens weduwe Maria Anna Lauwers getrouwd. Maria was gedoopt op zaterdag 15 augustus 1705 in Sint-Ulriks-Kapelle en overleed er op vrijdag 12 september 1760, 55 jaar oud. Zij trouwde, 18 jaar oud, op woensdag 5 juli 1724 in Sint-Ulriks-Kapelle met Philippus Plas, 60 jaar oud. Hij is gedoopt op dinsdag 6 mei 1664 in Sint-Martens-Bodegem. Philippus overleed op dinsdag 4 februari 1749 in Sint-Ulriks-Kapelle, 84 jaar oud. Maria hertrouwde, 44 jaar oud, op dinsdag 3 maart 1750 in Sint-Ulriks-Kapelle met Josephus Gheude.
Kinderen van Maria en Philippus gedoopt in Sint-Ulriks-Kapelle:
1Elisabeth, gedoopt op woensdag 27 juni 1725, overleden vóór 1732, ten hoogste 7 jaar oud.
2- Gertrudis, gedoopt op donderdag 2 januari 1727, overleden op woensdag 16 mei 1810 in Sint-Martens-Lennik, 83 jaar oud. Zij trouwde, 27 jaar oud, op zaterdag 4 mei 1754 in Sint-Ulriks-Kapelle met Antonius Van Eertbrugge.
3- Jacona Catharina, gedoopt op zaterdag 26 februari 1729, begijn in het Grootbegijnhof te Brussel.
4- Maria Catharina, gedoopt op donderdag 23 november 1730, overleden op zondag 30 november 1788 in Mollem, 58 jaar oud. Zij is begraven op dinsdag 2 december 1788 te Mollem.Maria trouwde, 30 jaar oud, op donderdag 27 november 1760 in Sint-Ulriks-Kapelle met Joannes Baptist Van den Houte, 25 jaar oud. Hij is een zoon van Judocus en Maria Anna Van Verre. Hij is gedoopt op maandag 27 december 1734 in Buggenhout en is overleden in Mollem.
5- Elisabeth, gedoopt op zaterdag 27 december 17.
6- Petrus Josephus, gedoopt op zondag 21 november 1734,overleden op zaterdag 4 december 1802 in Sint-Ulriks-Kapelle, 68 jaar oud.
7- Franciscus Josephus, gedoopt op vrijdag 16 november 1736, overleden na 1790, minstens 54 jaar oud. Hij trouwde, 25 jaar oud, op maandag 16 november 1761 in Sint-Ulriks-Kapelle met Joanna Catharina Hannaert, 27 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 5 september 1734 in Sint-Ulriks-Kapelle.
8- Antonius, gedoopt op woensdag 18 juni 1738, trouwde, 27 jaar oud, op vrijdag 28 februari 1766 in Ternat met Maria Anna Segers.
9- Maria Clara, gedoopt op zaterdag 5 maart 1740.
10- Anna Maria Antonia, gedoopt op donderdag 28 februari 1743.
10- Anna Maria Antonia, gedoopt op donderdag 28 februari 1743.
11- Judocus, gedoopt op woensdag 1 november 1747.
Kind van Maria en Josephus: Catherine, gedoopt op dinsdag 15 december 1750 in Sint-Ulriks-Kapelle.
Toen Maria Anna in 1760 overleed waren er van haar eerste man acht kinderen nog in leven: Maria, Jacquelina, Gertrudis vrouw van Anthoen Vereertbruggen, Peeter, Franciscus Josephus, Maria Catharina, vrouw van Jan Baptista Van Houten, en Clara. In het huwelijkscontract van Josephus en Maria verleden voor notaris Boogaerts op 26 juli 1759 was bepaald dat, in het geval dat Maria eerst zou sterven, Joannes aan ieder kind op 20-jarige leeftijd of in ‘geapprobeerden staet’[2] een dot[3] zou geven van 1000 gulden te bekomen van haar patrimoniale goederen. Maria overleed en Joannes maakte geen aanstalten om de dot uit te betalen en dat was niet naar de zin van de kinderen Plas. Vooral Jacquelina, het begijntje, bezorgde in naam van haar broers en zussen, Josephus heel wat kopzorgen. Dat leidde tot een proces bij de Raad van Brabant omdat de kinderen Plas in verschillende jurisdicties woonden. Het begon in 1762 en duurde tot 1779.
Josephus verdedigde zich tegen de aanklacht dat hij de 1000 gulden dot niet betaalde met te verwijzen naar het feit dat zijn tegenstanders, nadat ze een smid hadden gevraagd zijn koffer open te breken, al zijn penningen en documenten hadden gestolen en zijn inkomsten uit de verpachte goederen waarvan hij het vruchtgebruik hadden ze voor zich hadden gehouden. Het ging om vijf partijen land samen drie bunder achtendertig roeden verdeeld als volgt: drie dagwand negentien roeden boekweit[4] op de kouter ‘Den Volbroeck’, drie dagwand zeventien roeden op dezelfde kouter, bemest en bezaaid met sloorplanten, een dagwand en twee roeden op dezelfde kouter, bemest, twee dagwand op ‘Het Molenveld’ bezaaid met klaveren, drie dagwand op ‘Het Schuervelt’ bezaaid met klaveren en nog een half bunder in de parochie van Sint-Martens-Bodeghem bezaaid geweest met kruid of rapen. Hij verzocht het Hof om de gedaagden (de kinderen Plas) te verplichten zijn geld en documenten terug te geven en van Jacquelina eiste hij een staande klok terug. Josephus Gheude, in de verslagen impetrant genoemd, vermeldde ook dat de gedaagden nieuwe huurders hadden gezocht en voor de mest en de planten niets betaalden. Hij verzocht de Raad om alle gedaagden te verplichten ‘promptelijck’ hem te ontlasten van de parochiale verplichtingen, hem te vergoeden voor de prijzij en de tegenpartij te veroordelen tot betaling van de intrest en de kosten van het proces.
Ondertussen hadden Franciscus en Jan Baptist Van Houte, man van Maria Catharina, tegen Gheude een klacht ingediend om hun dot te bekomen. Om die 1000 gulden aan de acht kinderen te kunnen betalen hadden Joannes en Maria behalve de patrimoniale goederen ook een lening aangegaan van 3000 gulden bij N. Baclé. op conditie dat ze binnen de 10 jaar de lening zouden afbetalen. Josephus Gheude gaf als borg al hun erfelijke goederen. De gedaagden vroegen de Raad dat Josephus de 3000 gulden zou afbetalen om zo de goederen die ze van hun moeder hadden geërfd te ontlasten. Na de dood van Maria was hij gestopt met de betaling van de rente en van 1760 tot 1771 had begijn Jacquelina die rente betaald. Dat was opgelopen tot een bedrag van 1530 gulden. Zij eiste nu dat Gheude die som aan haar zou geven verhoogd met de intrest. Het Hof besliste op negen december 1771 dat de impetrant (= Gheude) de 3000 gulden aan N. Baclé moest betalen. Die ging daarmee niet akkoord. Hij wou dat de 3000 gulden aan de gedaagden werden gegeven zoals bepaald in de transactie van 26 juli 1759.
Op 12 juli 1772 legde Jacquelina voor de Raad de volgende verklaringen af:
- In de koffer van haar schoonvader vond ze geen andere documenten dan die ze heeft voorgelegd. Ze heeft een akten of andere documenten verbrand of verscheurd.
- Ze is bereid de staande klok aan Joannes te geven als hij de kosten die ze aan de horlogemaker gaf voor het herstellen van de klok vergoedt.
- Ze is bereid de lasten op de gronden die ze van haar vader heeft geërfd en die ze sedert 1761 heeft betaald aan Gheude kwijt te schelden.
- De belastingen op het perceel met de sloorplanten zijn voor Gheude. Maar als teken van goede wil zal zij die kosten op haar nemen.
In zijn reactie stelde de Josephus dat hij aan Jacquelina alle intresten die zij aan N. Baclé betaalde, zal geven. Hij ziet ook af van het vruchtgebruik van de patrimoniale goederen zodat de gedaagden die gronden onder elkaar kunnen verdelen. Zijn voorstel werd aanvaard op voorwaarde dat ze de intrest van de hun toegewezen goederen krijgen.
Op 27 mei 1776 kreeg het proces een nieuwe wending. De Raad oordeelde dat beide partijen bepaalde documenten achterhielden en dat ze eindelijk alle gegevens waarover ze beschikten aan de rechters moesten voorleggen. Josephus en Jacquelina werden verplicht om 1/4 van de gerechtskosten te betalen.
In 1777 daagde nog een nieuw probleem op. Om hofmeesteres van het begijnhof te kunnen worden, hadden de ouders van Jacquelina een lening aangegaan van 1000 gulden op 6 april 1748 bij de parochie van Sint-Ulriks-Kapelle. Die lening was nog niet afgekort, althans volgens Gheude. En hij eiste die 1000 gulden op. Het Hof verklaarde de eis van Gheude onontvankelijk en verzocht Jacquelina om binnen de 14 dagen te bewijzen dat zij die som had terugbetaald. Zij had, nog volgens Gheude, alle meubels van haar schoonvader openbaar verkocht om meesteres op het begijnhof te kunnen blijven. Die verkoop had de som van 1333 gulden opgebracht. Gheude eiste nu dat bedrag terug vermeerderd met de intresten. Dat hij afzag van het vruchtgebruik van de patrimoniale goederen samen met de 11 pistolen[5] die hij haar had gegeven, beschouwde hij als haar dot. De juwelen, kleren, contant geld en meerdere voorwerpen die ze van haar moeder had geërfd beschouwde Gheude ook als zijn eigendom.
De uiteindelijke beslissing viel op 16 april 1779. Gheude staakte zijn verzet en trok zijn eisen in. Hij zal de 3000 gulden moeten betalen.
[1] RA Vorst, inventaris van het archief van de Raad van Brabant: Deel 1: Archief van de griffies, toegang I 18 nr. 1072, blz. 160.
[2] Als meerderjarig beschouwd.
[3] Voor kloosterlingen ook bruidsschat genoemd.
[4] Boekweit: plant die veel magnesium, fosfer en kalium bevat.
[5] Pistool, of double écu d’or, benaming voor de dubbele Spaanse escudo of dubloen en voor de Franse louis d’or (een dubbele kroon met een gewicht van oorspronkelijk 6,69 g). De naam is ontleend aan het Italiaanse piastola, het verkleinwoord van piastra (piaster). Hij werd ook aangemunt te Bouillon door Willem Robert van der Marck (1574-1588) en opvolgers en te Orange door Philips Willem (1584-1618), Maurits (1618-1625), Frederik Hendrik (1625-1647) en Willem II van Oranje (1647-1650). De halve pistool is de pistolet, de dubbele pistool is de quadrupel .Wikipedia.
