Rechtszaken te Hekelgem in de 17de eeuw.

Rechtszaken te Hekelgem in de 17de eeuw.

Met de publicatie van de processen van Hekelgemnaren voor de schepenbank van het Land van Asse wilden we een beeld schetsen van het leven in Hekelgem in de 17de eeuw. Hoe gingen de mensen toen met elkaar om? Met welke problemen kampten ze? De processtukken vertellen ons over vechtpartijen, achterstallige huur, erfeniskwesties, het onvermogen, vooral van weduwen, om leningen terug te betalen, het verbreken van een gegeven woord enz. Het was interessant om na te gaan welke argumenten en tegenargumenten aanklager en beschuldigde aanbrachten. Bij het overlopen van de lijst van de processen valt het op dat vaak dezelfde namen voorkomen. Dat waren dan mensen die het zich konden veroorloven om een proces te voeren, want ook toen duurde een proces meestal meerdere jaren. De aandachtige lezer zal opmerken dat in de meeste gevallen er geen vonnis is. Dat is te verklaren door het ontbreken van de vonnissen bij de processtukken. Maar voor ons vormde dat geen probleem, zo wordt niemand veroordeeld of beoordeeld. We hadden enkel de bedoeling de sluier van het 17de -eeuwse Hekelgem even op te lichten.

Hekelgem in het Land van Asse

Vermits deze bundel een reeks processen uit de 17de eeuw bevat die voor de schepenbank van het Land van Asse werden gevoerd, is het voor een goed begrip nodig om de bestuurlijke situatie van Meldert uiteen te zetten zoals die was tijdens het ancien regime. Meldert behoorde tot het Land van Asse. Die entiteit omvatte het dorp Asse met de gehuchten Asbeek, Ter Heide, Krokegem, Koutertaverent en Walfergem en de buitenparochies Baardegem, Essene, Hekelgem, Mazenzele, Meldert en Mollem. Aan het hoofd stond een meier die vanaf de 17de eeuw ook overmeier of drossaard werd genoemd. Hij trad op als vertegenwoordiger van de hertog van Brabant en had uitgebreide bevoegdheden. Hij beëdigde de zeven schepenen, de vorsters en de bedesetters. De daders van zware misdrijven waarop een lichamelijke straf stond, moest hij overdragen aan de amman van Brussel. Maar het vonnis, executie door ophanging, onthoofding of levend verbranden, of verminking door radbraken of brandmerken, moest hij zelf uitvoeren. De stoffelijke resten van de veroordeelden werden als afschrikking tentoongesteld, bijvoorbeeld op de Boekthoutberg te Hekelgem. Ook de lagere justitie, waarbij goederen werden behandeld in de laatbanken, zoals de laatbank van de abdij Affligem, ontsnapten aan zijn gezag. De gedupeerden daarvan konden wel in beroep gaan bij de schepenbank van Asse die door de meier werd voorgezeten. De meier was vooral als gerechtsofficier actief. Hij behandelde met de schepenen zaken met boeten en lichtere straffen. Ze zetelden in vierschaar in een zaal van het gasthuis van Asse. Voor Meldert en de andere buitenparochies ging de helft van de boeten naar de hertog, de andere helft naar de heer tot Asse. Enkele meiers uit de 17de eeuw waren Christoffel Van Wijnantshoven, Gillis Van Langenhove, Lucas Van Langenhove en Arnold Adriani (tot 1633). Adriani was nadien griffier van 1633 tot 1656. Hij trad ook op als notaris[1].

De eerste schepenbanken zouden ontstaan zijn in de tijd van Karel de Grote. Ze waren verbonden aan het hof van de vorst en beschikten over reële macht. De schepenen stonden hoog in aanzien. Aanvankelijk bestonden ze alleen in de steden, na 1200 ook op het platteland. De taken van de schepenbank waren uitgebreider dan die van de huidige burgemeester en schepenen. Het was een college van zeven leden, aanvankelijk aangesteld door de hertog, later door de heer. Ze werden gekozen uit de notabelen en waren min of meer de notarissen van hun tijd. Ze maakten contracten op, deden openbare verkopen, hypotheekacties van goederen, beheerden de financiën van de gemeenschap, zorgden voor de bescherming van weduwen en wezen en spraken recht in burgerlijke en criminele zaken. Vanaf de 17de eeuw werd voor een verkoop meestal een beroep gedaan op een notaris. De akte moest dan wel nog naar de schepenbank voor het wettelijk passeren en het zegelen van het document. De schepenbank had immers een eigen zegel en maakte met haar zegel het document officieel. De meier werd in de schepenbank bijgestaan door een ondermeier of vorster. Die werd aangeduid voor drie jaar. Voor zijn aanstelling moest hij een borgsom betalen. Het was zijn taak te helpen bij arrestaties, veroordeelden op te sluiten en te bewaken in de vrunte en de kettingen en de boeien te bewaren. Op dorpsniveau was de meier vertegenwoordigd door een dorpsofficier en een collecteur, ook rendant genoemd, die de belastingen inde die de bedezetters over alle belastingplichtigen verdeeld hadden[2]. De officier moest de bevelen van de meier en de schepenen uitvoeren, toezicht houden op de jacht, op de bomen van de heer en op de bevolking.

Een proces voor de schepenbank

Een zaak voor de schepenbank brengen, kon men door een verzoekschrift in te dienen. De indiener of eiser werd de suppliant genoemd. Gebeurde het op een andere manier dan heette de eiser aenlegger en de verweerder gedaeghde. De beide partijen hadden het recht om een procureur aan te stellen om hun zaak voor de schepenbank te verdedigen, wat nu advocaten doen. De procureurs boden hun eisen en verweer schriftelijk aan waarna de zaak op de rolle kwam voor kennisneming door de schepenen. Op deze schrifturen volgden een replique, een duplique, persisteringhe enz. Daar kon dan weer een antwoorde met verclaeren ende conclusie volgen. Tenslotte hielden de procureurs hun pleidooien. Na veel getrek en geduw volgde het vonnis.

De griffiers werden per geschreven bladzijde betaald, wat de soms ellenlange uitweidingen en herhalingen verklaart die in veel documenten voorkomen. De drossaard of de dorpsofficier hadden ook het recht iemand rechtstreeks voor de schepenbank te dagen. Zij traden dan op als openbaar aanklager.

1582. Aandeel in de bedeboeck niet betaald.

Op 13 oktober 1582 vroeg bedesetter Rombout Van den Driessche, in naam van de inwoners Hekelgem, aan de meier en de schepenen van het Land van Asse de toelating om op te treden tegen alle personen  die hun deel in de bedebouck niet hadden betaald. Met het akkoord van de schepenen kon hij van alle gebreckelijcke persoonen beslag leggen op hun goederen tot hun schuld was vereffend en de wettelijke kosten waren betaald.

1603. Aaankoop gronden.

Gillis Vermoesen en zijn vrouw Anna Ridders kochten op 18 maart 1603 de helft van een behuisde hofstede te Hekelgem gelegen, groot 1 d en grenzend aan Hans Van den Wijngaerde, Merten Verleysen, Jan De Greve en de straat. Ook de helft van 75 r land dat paalde aan de straat, Joos Van Neerveldt, Peeter Verleysen en aan wijlen Merten Verleysen. De derde koop was een perceel van 1 d 25 r land op Het Rot gelegen tegen het Hulstbos en de Lemmekens Haag en de goederen van Henricx De Greve. De akte werd verleden door de meier Gielis Van Langenhove en door de schepenen van vrouwe Catarina van Brandenborch, achtergelaten weduwe van de heer Jans Coutereaux, de heer van Asse en de schepenen Peeter De Clerck en Henrick Van Ginderachter.

1603. Aankoop grond.

Jan de Baetselier en zijn vrouw Anna Verlenssen kochten op 27 mei 1603 van Gielis Van den Meeter, zoon van Henricx, 1 d land op de Morette, palend aan de goederen van de abdij, aan hun land en aan Jans Van den Houte. Op de zitting van de schepenbank waren Guillam Van Langenhove, vorster en stadhouder van meier Gielis Van Langenhove, Peeter De Clerck en Aert Robijns aanwezig. De twee laatsten ondertekenden de akte.

1604. Zomaar een woonhuijsken afgebroken[3].

Henrich Van den Houte had het lef om een huisje dat op de grond stond van Jan Lambrechts aan de Vierwechscheede af te breken zonder toestemming van de eigenaar en zonder enige vergoeding. Jan Lambrechts richtte zich op 6 juli 1604 tot de schepenbank met de eis dat Van den Houte het huis zou heropbouwen in alsulcke staete ende weerde als ’t selve heeft geweest.

1612. geleverde tonnen bier niet betaald[4].

De erfgenamen van wijlen Adriaen De Mesmaecker spanden op 20 maart 1612 een proces in tegen Laureijs Van Steenberghen. Adriaen was brouwer en had ook een taverne in Ham, gelegen in de meierij Merchtem. Hij had meerdere vaten bier geleverd voor 10 g aan Laureijs Van Steenberghen toen die in Wolvertem woonde. Laureijs, ondertussen verhuisd naar Hekelgem, dacht zich aan zijn schuld aan de overleden brouwer te kunnen onttrekken en betaalde niet, maar de erfgenamen van spanden bij de schepenbank van Asse een proces tegen hem in om de betaling van de 10 g te eisen.

1612. Rachen De Merchie wou teveel profiteren[5].

Bedesetter Rachen De Merchie verpachtte in 1612 de impost van de consumptie, de accijnzen op consumptiegoederen, aan zichzelf en bespaarde daarmee 50 g voor de gemeente, althans volgens zijn verklaring. Maar na de inning had hij een tekort van 14 g en om dat bedrag weg te werken verhoogde De Merchie de belasting op bier van 2 st per vat tot 10 st. Brouwer Jan Michiels weigerde te betalen, wat tot een fikse ruzie met De Merchie leidde. Die betichtte Michiels ervan dat hij klein bier verkocht als dubbel of sterk bier. Een grove belediging voor de brouwer die bovendien schadelijk was voor zijn zaak. Zelf achtte hij zich een man van eer en van goeden naem ende fame int ’t stuck van sijnen handel. Hij verweet De Merchie een dief te zijn en dat was de waarheid want iedereen, ook zijn eigen moeder, noemde De Merchie den rijken dief. Die uitspraak dreef de bedesetter ertoe om de brouwer een flinke mep te verkopen, over een bank te sleuren en zijn kraag te scheuren. Als reactie richtte Michiels zich tot de schepenbank en verzocht de schepenen De Merchie een boete op te leggen van 400 g. De helft was bestemd voor de armen en de andere helft voor hemzelf. Aan de schepenen om een rechtvaardig oordeel te vellen!

Joannes Michiels overleed op woensdag 19 juni 1613 in Hekelgem. Hij was met Maria Galiaerts getrouwd die op zaterdag 16 mei 1615 overleed in Hekelgem.

Erasmus De Merchie, zoon van Erasmus en Anna Van den Berghe, werd in Hekelgem gedoopt in 1575. Hij trouwde met Amelberga Verroten voor 1604, dochter van Jacobus.

1613. De koopsom vergeten[6].

Adriaen Verleysen verkocht 1 b beemt tegen de Weijmeersch Eussel aan Machiel Verleysen. Wat er gebeurde nadat de koop gesloten was, weten we niet. Waarschijnlijk werd er op de succesvolle verkoop eens goed gedronken, maar het feit is dat Machiel zich nadien niet meer wist hoeveel hij voor het beemt moest betalen. De schepenbank vroeg hij op 23 april 1613 om Adriaen onder eed te laten verklaren voor hoeveel hij die bunder had verkocht.

In der saecken geport voor de wethouderen der poort ende vrijheijt van Assche tusschen Adriaen Verleijsen arrestant ende aenlegger ter eenre ende Machiel Verleijsen gearresteerde ende gedaeghde ter andere zijden, versocht den voorschreven arrestant ende aenlegger dat den voorschreven gearresteerde ende gedaeghde soude vercleren onder eed den justen prijs van seker bunder bempts gelegen tot Hekelghem tegen “Den Weijmeersch Eussel” bij hem vercocht aen Machiels.

1618. Een oog uitgestoken[7].

In 1618 viel Pinksteren op 3 juni en de eerste zondag erna, op 20 juni was het Hekelgemkermis. Lieven De Nil trok die dag met enkele vrienden naar het huis van Jenneken Sridders, de weduwe van Guillam De Mesmaecker waar er enkele jonge mannen van Teralfene waren. Lieven stond bekend als een persoon van seer ongebonden roeckeloos ende quade leven. Hij had met zijn vrienden al flink wat gedronken bij Ghielmus Stoop. Aan het huis gekomen,  begonnen ze met stenen naar de vensters te gooien en met stokken op de deur te kloppen al roepend dat de mannen die bij Jenneken waren naar buiten moesten komen. De reden van hun querelle was een jonge dochter die d’een partije d’ander wilde afhandich maecken. Toen Jenneken vreesde dat ze de deur stuk zouden slaan, maakte ze die open. Meteen kreeg ze zo’n slag in haar oog dat ze er voor de rest van haar leven blind was. De overmeier van Asse, Arnoult Adriani en meier Lucas Van Langenhove daagden op 23 april 1613 Lieven De Nil voor de schepenbank en vroegen de dader een boete op te leggen van 50 g.

Guillelmus De Mesmaecker, overleden op zaterdag 10 decmeber 1616, was in Hekelgem getrouwd met Joanna Sridders op zondag 7 oktober 1607. Zij hadden 3 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1) Philippus, gedoopt op zondag 29 juni 1608, overleden te Hekelgem op dinsdag 5 juli 1667. Hij trouwde te Hekelgem met Maria Laus.

2) Petrus, gedoopt op donderdag 27 augustus 1609 en te Hekelgem getrouwd op zondag 28 september 1636 met Sdeckers, 31 jaar, gedoopt te Hekelgem op woensdag 13 juli 1605 en er overleden op zondag 19 december 1677.

3) Anna, gedoopt op zaterdag 24 november 1612.

Een van de complicen van Lieven De Nil was Adriaen De Costere. Die was bij de schepenbank al bekend voor een vechtpartij op 22 maart. Met zijn vrienden was hij toen ten huize van Peeter Van den Wijngaert te Meldert. Daar waren ook enkele mannen van Mazenzele. Toen die groep vertrok, ging Adriaen met zijn vrienden hen achterna en ze begonnen hen uit te dagen met verwijten als ghij besssemmaeckers en andere beledigingen. De Mazenzelenaars antwoordden dat ze niet wilden vechten, maar dat was voor De Costere een aansporing om te schoppen en te slaan met klippels en stukken van hopstaken die ze in het hopveld van Jan Vergillis vonden. De Mazenzelenaars werden zwaar gekwetst en er vloeide veel bloed. Een van hen verkeerde zelfs in levensgevaar. Voor Adriaen De Costere vroegen de meiers een amende van 10 ponden groten Vlaams.

Adrianus De Costere trouwde met Catharina Verbeesselt. Zij hadden 4 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1) Joannes, gedoopt op zondag 6 maart 1622 en overleden te Hekelgem in 1637, 15 jaar oud.

2) Martinus, gedoopt op dinsdag 1 april 1625 en in Hekelgem overleden in 1693, 68 jaar.

3) Christoffer, gedoopt op 10 september 1628.

4) Maria, gedoopt op zondag 21 maart 1632 en te Hekelgem overleden in 1667, 35 jaar.

R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 410.

1621. Doodslag na caféruzie[8].

Op 22 januari 1621 onderzocht overmeier Arnoult Adriani de dood van Gijsbrecht De Backere. Als eerste ondervroeg hij Michiel De Backere, de 32-jarige broer van het slachtoffer en kareelbakker. Die verklaarde dat op 10 januari Gijsbrecht, Steven en Adriaen De Hondt, Hendrick Henricx, Joos Van Ghete en Gillis Mercx in zijn huis bier hadden gedronken. Op een bepaald moment ontstond er ruzie en Adriaen De Hondt begon zelfs met een stok op Hendrick Henricx te slaan. Michiel zag het gevaar en raadde zijn broer aan om te vertrekken. Daarop zijn Gijsbrecht en Hendrick de deur uitgegaan, maar even later kwamen ze terug met Cornelis Bettens die ze onderweg hadden ontmoet. Steven en Adriaen De Hondt, Gillis mercx en Joos Van Ghete betaalden hun gelag en verlieten de herberg, kort daarna gevolgd door de anderen. Michiel wou achter hen de deur sluiten en hij hoorde Steven De Hondt roepen: Gij moordenaars van Brabant, wij zullen u nog vermoorden. Daarop gaf hij zijn broer Gijsbrecht, Hendrick en Cornelis de raad om langs de achterdeur te verdwijnen, wat ze ook deden. Maar even later ontstond er geroep en getier. Hij opende de voordeur en hoorde zijn broer zeggen: compt mij niet naerder als mijnen stock lanck en es en neven nadien: aij mij, ick hebbe genoch. Michiel rende naar buiten en zag zijn broer op de grond liggen zonder een teken van leven. Naast hem stonden Adriaen met een mes in zijn hand, Steven De Hondt, Joos Van Ghete en Gillis Mercx. Michiel zette de achtervolging in op Adriaen De Hondt en aan de Kluiskouter dwong hij hem met zijn stok op de knieën. Adriaen smeekte om sijns lijfs genaede en Michiel keerde terug naar de plaats waar zijn broer lag. Die werd met de hulp van buren en van De Kegel naar zijn huis gedragen en toen ze zagen hoe zwaar Gijsbrecht was verwond, brachten ze hem naar het huis van chirurgijn Merten Breems. Daar overleed hij op 12 januari. Hij had drie steekwonden, twee in zijn schouder en een in zijn dij. Van de aanwezigen bij het gevecht vernam Michiel dat Adriaen de messteken had toegediend.

De tweede ondervraagde was Cornelis Bettens, de bospreter van Immerzeel, 35 jaar. Hij was op 10 januari aan Het Steenken Gijsbrecht en Hendrick tegengekomen en zij nodigden hem uit om bij Michiel een pint te drinken. In het café zaten Steven en Adriaen De Hondt, Gillis Mercx en Joos Van Ghete die kort daarna vertrokken. Als zij ook naar buiten gingen, hoorde hij Adriaen roepen: Ghij sacramentele Brabanders, wat wilt gijlieden seggen?. Hij zag ook dat Steven een mes in zijn handen had. Hij kon nog net antwoorden dat hij Steven niets wilde misdoen toen hij een steek in de duim van zijn rechterhand voelde en tegelijk zag hij dat Adriaen op de rug van Gijsbrecht zat, hem tweemaal stak en dan wegliep. Met de hulp van buren hebben ze Gijsbrecht naar het huis van Michiel gedragen, hebben hem ontkleed en zagen twee dodelijke wonden in zijn rug. Ze besloten Gijsbrecht naar meester chirurgijn Merten Breems te dragen. Twee dagen later is hij daar gestorven.

Meester Merten Breems, 26 jaar,  en inwoner van Hekelgem, beschreef de wonden. De eerste messteek was in het midden van de rug, de tweede in de nier. Beide waren dodelijk. Er was nog een derde messteek op het schouderblad. Gijsbrecht overleed twee dagen later in zijn huis.

1624. Een brouwketel tweemaal verkocht[9].

Op 18 maart 1624 verkocht Steven Verpaelt een brouwketel van zijn brouwerij Lijsens Stede, gelegen aan de straat van de abdij naar de kerk van Hekelgem, aan Thielman Jacops. In de verkoop waren ook begrepen een ton, twee halve tonnen, een vierdeelvat, twee stortvaten en de steen waarop de brouwketel stond. Steven Verpaelt mocht de ketel nog tot eind februari 1625 gebruiken. Getuigen van de verkoop waren Merten Van den Houte, Lieven Derijcke en Gielis De Coster. In afwachting van de levering liet Thielman door Merten Combien een lokaal bouwen voor zijn nieuwe brouwerij. Maar Verpaelt verkocht ondertussen het brouwalaam aan een ander. In zijn klacht bij de schepenbank eiste Thielman een schadevergoeding van 32 g 3 st, te weten 23 g voor het bouwen van een brouwerij, de 5 g loon voor de metselaar en 3 g 10 st voor verloren consumpties.

Thielman Jacops was gehuwd met Anna De Bruyn. Ze hadden 8 kinderen.

1627. Joos Van den Abbeele betaalde de pacht niet[10].

Na de dood van Adriaen Van den Guchte werd zijn huis met bijhorend land, palend aan ’t Klein Fosselbos van Geert De Corte, het Guchtveld en aan de straat, verhuurd aan Joos Van den Abbeele voor 27 g. In 1627 was Joos al twee achter met zijn pacht. Een tussenkomst van Carel De Greve, de voogd van de kinderen van Adriaen, leverde geen resultaat op en hij wendde zich tenslotte tot de schepenbank om de betaling te bekomen.

1637. Een schenking aan de pastorie[11].

Op 9 februari 1637 schonken Erasmus De Merchie en zijn vrouw Amelberghe Verooten een onbehuisde hofstede, groot 2 d 26 r aan pastoor Jan Bernaerts van Hekelgem. Het goed lag aan de Kerkweg, aan de eigendommen van Jan Van Beringhen en aan het kerkgoed. De akte werd verleden door Charles de la Mars, meier van de abdij en was mee ondertekend door de schepenen Joos Van Neerveldt, Joos Van Langenhove, Merten Robijns, Melchior Van den Driessche, Gillis Van Ginderachter en Adriaan Van Vaerenberge.

1637. Zelfmoord het het Asserenbos[12].

In het Asserenbos werd het lijk gevonden van een onbekende man. Hij had zich met een touw opgehangen aan een berkenboom. De officier van de meier van het Land van Asse stelde een onderzoek in en kwam te weten dat de onbekende man in de herberg Den Hulstbosch op 25 april een pot bier had gedronken. Niemand van de aanwezigen had aan hem iets ongewoons gezien. Hij was niet dronken of krankzinnig. Gillis Van Langenhove, stadhouder van Asse, en Carel Van Enichoven, de vorster van Asse, besloten het lijk op een slede naar de Boekhoutberg te voeren en het daar op te hangen aan een vorcke oft micke ter exempel.

Verboden te werken tijdens de vespers[13]!

Jan De Smet, bijgenaamd Soetenpas, bestond het om op zondag tijdens de vespers met een kar volgeladen met graan tot bij Jan Heyvaert te rijden om daar het graan te lossen. Daar het verboden was om tijdens den goddelijcken dienst eenige graenen te vervoeren legde Guillaum Jacops, de dorpsofficier, hem een boete op van 60 realen en het verbod om het Land van Asse te verlaten. Toch vertrok Jan De Smet naar zijn woning in Aalst. Charles Van der Slachmolen liet hem daarop voor de schepenbank dagen. Of De Smet inging op de dagvaarding weten we niet.

1652. Molenaar Lieven Eloot betaalde de pacht niet[14].

Lieven Eloijt (Eloot) pachtte van Jan Zayman een molen te Hekelgem, maar verzuimde al twee jaar om zijn pacht te betalen en stond voor 32 g in het rood. Ja Zayman vond dat hij al te lang geduld had geoefend  en richtte zich tot de schepenbank  om de betaling van de 32 g te eisen.

Lieven Eloot was getrouwd met Petronella Broecquaert en had een dochter, Joanna, gedoopt op dinsdag 25 maart 1653 in Hekelgem.

1635. Onbetaalde landpacht[15].

Jan De Brauwe huurde land van de H. Geest, maar van 1651 tot 1654 betaalde hij zijn pacht niet. Adriaen Van Nuffel, rentmeester van de Kerk en van de H. Geest, eiste voor de schepenbank op 28 september 1655 van Jan De Brauwe de betaling van 16 g.

1657. Rente niet betaald[16].

Steven De Smedt en zijn vrouw Margriete Pauwels bezaten een hofstede met huis, groot 27 r, gelegen op het dorp en palend aan Barbara De Raedt, de weduwe van Machiel Crick, aan de erfgenamen van Anthoon Maes den Ouden en aan de straat. Deze hoeve was eerst in het bezit van Joos De Roock en Cathelijne Van der Meren en was belast met een rente van 25 g. In 1650, op 21 februari, verschenen Steven De Smedt en zijn vrouw voor de schepenbank van de abdij en gaven als pand voor de aankoop van die hofstede een andere met huis, groot 28 r en grenzend aan de eerste hofstede. In 1655 bleek dat het echtpaar De Smedt-Pauwels van 1648 tot 1655 die rente niet had betaald, wat hen met een schuld opzadelde van 120 g. Voor Gillis De Raedt uit Brussel een voldoende reden om naar het gerecht te stappen. Steven ontving een dagvaarding op 2 februari 1657 van de schepenbank en schreef prompt een brief naar de schepenen waarin hij verklaarde dat zijn vrouw ziek was en hij niet op de dagvaarding kon ingaan. Hij vroeg een uitstel van 10 dagen. Hij kreeg 5 dagen respijt.

Stephanus De Smedt touwde op dinsdag 4 september 1635 te Hekelgem met Margreta Pauwels, 25 jaar. Zij was op woensdag 12 mei 1610 in Hekelgem geboren.

Aen mijn heeren die schepenen des Lants van Assche.

Verthoont met reverentie Steven De Smeth als dat hij alhier voor U. E. moet sustineren proces tegen Gillis De Raedt daerinne soo verre is geprocedeerd dat hem suppliant staet te presteren sekeren eed die oock mede moet gepresteerd worden bij sijne huijsvrouwe van alsoo de selve sijne huijsvrouwe is sieckelijck, soo is haer onmogelijck geweest alhier te compareren midts welcken sij dat ……….. geen recht en geeft, soo bid die suppliant van eene prolongé van thien dagen pro anni termine, dwelck doende ettha.

1657. Zich borg stellen houdt risico’s in[17].

Andries Seminck uit Erembodegem kocht schaarhout in het Hertegembos te Sint-Katharina-Lombeek. Met Adriaen Van Rampelberch, brouwer op Boekhout, had hij afgesproken dat die zich als borgsteller zou opgeven op conditie dat Andries hem daarvan kosteloos en schadeloos zou ontheffen. Die trok zich van het akkoord niets aan en, wat voor de brouwer erger was, hij betaalde de koopsom niet. Het gevolg was dat de verkopers, het wachten beu, Adriaen Rampelberch herinnerden aan zijn borgstelling en van hem de koopsom eisten. Adriaen zag zich genoodzaakt dorpsofficier Guillam Jacops aan te spreken om Andries te dwingen  zijn belofte na te komen. Die toonde zich inschikkelijk en beloofde binnen de 8 dagen een schriftelijke verklaring die Adriaen onthief als borgsteller te ondertekenen. Maar een week later, op 13 maart, was die verklaring er nog niet en Adriaen stapte naar de schepenbank met de eis dat Andries zijn belofte zou nakomen.

Adrianus Van Rampelberch trouwde op dinsdag 8 januari 1647 te Hekelgem met Maria Verhoeven. Zij overleed te Hekelgem op dinsdag 8 november 1667. Hij hertrouwde op woensdag 15 augustus 1668 te Hekelgem met Joanna Sonck.

1657. Jongen verdronken in de abdijvijver[18].

Op 23 juni 1657 gingen Adriaen De Vadt, 12 jaar, en zijn broer Peter, 10 jaar, met hun vriend Guillam De Jaeger, 12 jaar, zwemmen in de abdijvijver gelegen tegen het Roeiveld. Op een bepaald moment kwam Adriaen in een diepte terecht. Hij voelde geen grond meer onder zijn voeten en verdronk. Peter en Guillam zagen van op de kant dat Adriaen dreigde onder te gaan en om hulp riep en uiteindelijk niet meer boven kwam. Guillam verwittigde de vader van Adriaen en Peter die onmiddellijk in het water sprong en het dode lichaam naar de oever bracht. Hij liep dan naar de dorpsofficier Guillam Jacops die op zijn beurt de schepenen van Asse op de hoogte bracht van het dramatisch gebeuren. Jan Buggenhout, Lauwereijs De grove, Guillam Jacops en Jan De Coster ondertekenden de overlijdensakte.

Op heden desen 23ste junius 1657, soo heeft den sone van Lucas De Vadt genoempt Adriaen De Vadt oudt sijnde twelf jaeren is gaen leeren swemmen met sijnen broeder Peeter De Vadt oudt sijnde tien jaren met noch den sone van Lieven De Jaeger bij naeme Gilliam De Jaeger oudt sijnde twelf jaren in den vijver toebehoiren het Godtshuijs van Afflighem gelegen tegen het ’t Roeijvelt in de prochie van Hekelghem ende heeft hem aldaer omcleet ende is alsoo in het waeter gegaen ende is geraect in een diepe ?? daer hij geenen grondt gevonden en heeft ende is alsoo verdroncken ende de voorschreven jongens sijnde op den kandt van den vijver siddende, siende dat den voorschreven Adriaen De Vadt ten gronde gesonken is ende heeft geroepen om helpe dwelc sij niet doen en consten, den sone van Lieven De Jaeger is gecomen om adverteren als den vader van overleden ende is derrewaerts haestelijck gaen loopen in den vijver hem soekende ende heeft den selven gevonden doot onder het waeter ende heeft den overleden gebrocht aen den kandt van den vijver ende heeft d’advertenssie gedaen aen den officier Gillam Jacobs ende heeft gesonden om twee schepenen van Assche ende is alsoo behoirlijc geviseteert present Jan Bugenhout ende Lauwereijs De Greve, Gillam Jacobs ende Jan De Coster officieren, datum als boven.

1658. Verplichte patrouilles[19].

Omdat er dagelijks moeilijkheden waren met vagebonden en rondtrekkende militairen werd er in de parochies van het Land van Asse gepatrouilleerd. Een noodzakelijk kwaad waarmee niet iedereen was opgezet. Sommigen weigerden hun beurt te doen. De overmeier en de schepenen besloten dan om in elke parochie een sergeant aan te stellen die de wacht- en patrouillediensten moest organiseren en er toezicht op houden. Weigeraars kon hij verplichten hun taak uit te voeren. Voor elke wacht- en patrouillebeurt ontving hij 3 g, de helft was voor hem en de andere helft voor de korporaal en zijn mannen. In Hekelgem werd Philips Jacops de sergeant.

1659. De bedesetters van Essene boos op Hekelgem[20].

Bij de verdeling van de generale repartitie van de onkostboec van het Land van Asse gehouden op 8 en 9 januari en 4 april 1659 zou Hekelgem 349 g 13 st 1 bl ontvangen. Mollem moest daarvan 304 g 9 ½ st bijdragen en Essene 45 g 10 st. Maar de bedesetters van Essene vroegen een korting van 50 g omdat zij een huurling ten laste hadden. De bedesetters van Hekelgem gingen daar niet mee akkoord zolang Essene daarvan geen behoorlijk bewijs kon voorleggen.

R.A. Leuven, toegang 94, nr. 2255.

1664. Lorrewagen met bier gestolen.

Guilliam Camu zal nog lang gedacht hebben aan de dag van 15 maart 1664. Die dag was hij met zijn zoon Michiel met een lorrewagen bij brouwer Franchois Vermoesen klein bier gaan halen. Zij lieten de volgeladen wagen op de steenweg staan en gingen bij Franchois vier of vijf potten bier drinken. Ondertussen hadden enkele mannen van Aalst de wagen opgemerkt en gingen ermee vandoor. Raphael Dedemaecker, een jonge kerel, had de diefstal gezien en hij verwittigde Guillam en Michiel. Die zetten onmiddellijk de achtervolging in samen met Gilleken de slager. Op de Boekhoutberg hoorden ze van mannen uit Essene dat er bij de dieven een Jan De Witte was, een Camermans en een De Jonghe. Toen de dieven hen opmerkten, stormden ze op hen af en onze gedupeerden vluchtten weg en konden ontkomen, behalve Guillam die gevallen was. Met hun stokken sloegen de dieven op hem los. Op zijn vraag waarom ze hem sloegen, antwoordden ze dat hij hen voor dieven had uitgemaakt. Uiteindelijk kon hij ontsnappen voor een van hen met zijn mes wou steken.

1665. Een gestolen vet rund[21].

Op 1 september 1664 om 14 u. braken Dierick Baris en Jan De Donder de stal open van Joanna de Herville, weduwe van jonkheer Cupis de Camar, en gingen aan de haal met een vet rund van ruim twee jaar. Zij verkochten het aan  Peeter vonck voor 15 g 10 st. De bestolen weduwe vroeg aan Aert De Pauw en anderen om het rund op te sporen. Zij vonden het bij Peeter Vonck die het onder een afdak had verscholen. Na aandringen van De Pauw gaf Vonck toe dat hij het rund had gekocht en dat hij dus niet verplicht was het terug te geven. De Pauw argumenteerde dat het rund wel 36 g waard was en dat hij kon veronderstellen dat het een gestolen dier was. Volgens de wet was de koper van gestolen goed even schuldig als de dief en daarom trachtte Joanna de Herville Peeter Vonck ervan te overtuigen om het dier terug te geven of haar 36 g te betalen. Peeter Vonck ging niet op haar voorstel in en er bleef voor de weduwe niets anders over dat tegen Peeter een klacht in te dienen bij de schepenbank. Op 11 september 1668 kwamen de schepenen Slachmolen, Moortgat en Meert tot het besluit dat het recht van antwoord op de beschuldiging in het dossier ontbrak en dat ze bijgevolg nog geen vonnis konden vellen.

1668. Inventaris ten sterfhuize van pastoor Joannes Baptista Bernaerts te Hekelgem, 1628 – 1666.

https://www.belledaal.be/inventaris-ten-sterfhuize-van-pastoor-joannes-baptista-bernaerts-te-hekelgem.html

1670. Geen vergoeding voor oorlogsschade.

Op 13 en 14 augustus 1667 logeerden 30 regimenten ruiters onder het bevel van de graaf van Marche en de prins de Ligne te Hekelgem. Dat kostte de parochie naar eigen zeggen vele duizenden en de bedesetters deden dan ook een beroep op de andere parochies van het Land van Asse opdat elk zijn deel van de kosten zou dragen. Dat vroegen ze ook voor de zes meegenomen paarden in 1668 door het Franse leger. De bedesetters steunden zich voor hun aanvraag op een resolutie die bepaalde dat alle persoonlijke lasten door logementen van soldaten, rantsoenen, transporten met wagens, leveringen van pioniers en dergelijke die binnen het Land van Asse een of meerdere parochies ten laste vielen, door alle inwoners moesten worden gedragen. De zes andere parochies, Asse, Baardegem, Essene, Mazenzele, Meldert en Mollem, waren echter niet bereid hun deel van de kosten te dragen. Zij beriepen zich op de resolutie van 1654 die inhield dat de solidariteit alleen speelde na een order van de koning, d.w.z. een door de hertog of de gouverneur ondertekend order, en niet op bevel van een generaal of kolonel. Bovendien moest de aanvraag tot smaldeelinghe het juiste aantal officieren en soldaten vermelden, samen met de kosten zodat de andere parochies die gegevens konden verifiëren. De bedesetters van Hekelgem hadden zo’n lijst niet voorgelegd want de Hekelgemnaren waren tijdens de bezetting van de ruiters massaal met hun meubels en dieren naar de abdij of naar de omliggende gemeenten gevlucht. Daardoor gingen de ruiters in Asse, Essene, Teralfene, Erembodegem, Moorsel en Meldert fourageren. Met andere woorden de bedesetters vroegen de andere parochies te betalen voor kosten die ze zelf niet hadden gemaakt. Dat vonden die eenen seer ongoddelijcken wech ook omdat de boeren voor de schade aan hun vruchten  al vermindering van pacht zouden krijgen.

1671. Had Peter Van den Wijngaert met een concubine?[22]

In 1671 stelde drossaard Crabeels een onderzoek in naar Peter Van de Wijngaert en zijn derde vrouw Marie De Kempenere. Allerlei geruchten deden de ronde over het plotse overlijden van Peters tweede vrouw Cathelijne De Buver en de voortijdige geboorte van het kind van zijn meid Marie. Wat was er gebeurd?

De drie huwelijken van Peter.

Peter Van den Wijngaert overleed te Hekelgem op dinsdag 3 augustus 1677. Hij was voor 1667 te Hekelgem getrouwd met Catharina Bonamis. Zij overleed op woensdag 30 november 1667. Zij hadden samen drie kinderen. Van Antoon kennen we de datum van zijn doopsel: zaterdag 1 februari 1659 in Hekelgem. Na de dood van Catharina leefde Peter seer familierlijck gelijck man en vrouw van den huijse met zijn meid Marie De Kempenere tot 11 februari 1670, de dag waarop Peter hertrouwde met Cathelijne (ook Catharina genoemd) De Buver te Ternat. Zij was gedoopt op zaterdag 2 maart 1630 te Sint-Katharina-Lombeek. Marie bleef als huishoudster bij Peter wonen. Kort na haar trouw klaagde Cathelijne bij haar broers dat Peter haar onder druk zette om al haar goederen aan hem over te maken. Cathelijne was een weduwe en had zowel van haar eerste man als van haar moeder geërfd. Ze overleed al na drie maanden huwelijk in de nacht van 27 op 28 mei. De plotse dood wekte achterdocht en de mensen herinnerden zich dat Cathelijne meermaals geklaagd had over Peter. Hij zag zijn meid liever dan haar. Voor Marie sneed hij tijdens het eten kaas af, maar niet voor haar. Als zij ging slapen bleef hij tot 12 of 1 u. nog met Marie op en dat was niet, zo had Cathelijne verteld, om een paternoster te lezen. Als ze eens vriendelijk met haar man sprak dan reageerde Marie jaloers. Maar ook Peter was jaloers. Eens toen de kleermaker van de abdij haar opzocht, bleef hij de hele avond bij hen zitten. Op een dag ontaardde die gespannen toestand in een gevecht. Peter en zijn zoon Antoon waren naar Meldert gegaan om er te werken. Het kwam tot een gevecht tussen Cathelijne en Marie. Die sloeg met een bierpot zo hard op het hoofd van Cathelijne dat de pot in stukken vloog. Wanneer Peter thuis kwam, vond hij zijn vrouw in bed. Op zijn vraag wat haar scheelde, antwoordde ze dat het een wonder was dat ze nog leefde na die slag op haar hoofd. Enkele dagen later was Cathelijne dood, naar alle apparentie als gevolg van de slag op haar hoofd. Peter zelf vertelde dat aan anderen en hij toonde zelfs een pot gelijk aan die waarmee Marie geslagen had. Op 19 oktober trouwde Peter met Marie die in verwachting was en op 18 december 1670 werd haar zoon Adriaen geboren. Het was volgens de vroedvrouw een kloek, fris en voldragen kind. De volgende dag werd Adriaen te Hekelgem gedoopt als zoon van Peter en Marie, maar twee dagen later was het kind dood.

De mensen uit de buurt hadden al snel door dat er tussen het huwelijk en de geboorte maar zes maanden waren en bijgevolg had de conceptie plaats nog tijdens het huwelijk van Peter met Cathelijne. Er was dus sprake van overspel en had het schielijk overlijden van Cathelijne te maken met het feit dat Marie in verwachting was? Hadden Peter en Marie Cathelijne van kant gemaakt om zo hunne boosheijt ende vuijlicheijt te bedecken? Wie drossaard Crabeels van de feiten op de hoogte bracht, weten we niet. Die liet Peter en Marie dagvaarden om het te straffen conform de plakkaten van Zijn Majesteit.

Het antwoord van Peter en Marie.

Peter ontkende dat hij met Marie naar bed was geweest en als men uit het feit dat een meid inwoont bij een weduwnaar besluit dat er criminele feiten worden gepleegd, dan kan een weduwnaar nooit een meid hebben of een weduwe een knecht. Hij geeft wel toe dat Cathelijne jaloers was omdat Marie al voor hun huwelijk bij hem inwoonde. Maar hij had een goed huwelijk, want uit pure liefde maakte Cathelijne al haar goederen aan hem over, met uitsluiting van haar broers. Die hebben tevergeefs nog getracht die erfenis aan te vechten.

Jaarlijks zijn er mannen of vrouwen die kort na hun huwelijk sterven zonder dat er een crimineel feit mee gemoeid is of enige verdenking rust op de weduwnaar en de meid of de weduwe en de knecht. Zijn vrouw Cathelijne stierf nadat ze zeven dagen ziek te bed had gelegen als gevolg van een accident aan haar rechterarm. De pastoor[23] heeft dat ook vastgesteld en hij was van oordeel dat het om de contagieuse sieckte (de pest) ging. Dat was ook de mening van chirurgijn meester Philips Van Ghete. Die bezocht Cathelijne acht dagen voor haar dood in het gezelschap van officier Gillis Wijnant en de schepenen Gillis Breem en Merten Robijns. Andere verwondingen hebben ze niet vastgesteld.

Peter vroeg zich in zijn antwoord ook af waarom de drossaard maanden wachtte om tegen hem een proces in te spannen als hij Peter ervan verdacht zijn vrouw te hebben omgebracht. Hij weerlegt dan een aantal aantijgingen:

– Wat haar broers beweren, namelijk dat hij zijn meid liever zag dan zijn vrouw, is onjuist.

– Hij was niet zo welstellend dat hij zijn meid koffie kon geven.

– Het is best mogelijk dat hij nog op bleef als Cathelijne ging slapen. Het is immers niet raadzaam dat de meester nog op blijft als de dienstboden blijven zitten. Al was het maar om de kelder te bewaken.

– De pastoor en de chirurgijn hebben aangetoond dat zijn vrouw niet gestorven is door een slag op haar hoofd.

– Het is waar dat hij vrijers van Marie wegzond omdat het tijd was om te slapen.

– Hij is bereid onder eed te verklaren dat hij met Marie niet heeft geslapen zolang Cathelijne leefde. Dat is wel gebeurd na haar dood en dat was dan ook waarom hij met haar is getrouwd op 9 oktober.

– Marie is op 18 december bevallen van een onvoldragen zoon van zes maanden oud. Het was een miskraam als gevolg van een stamp in haar buik van een rund.

– De aanklagers kunnen niet besluiten dat hij de vader was. In de schole der medicijnen leert men dat een kind van zes en een halve maand levensvatbaar is en nog enkele dagen kan leven.

– Als hij met Marie een verhouding had,  dan was er zeker vroeger al een kind geweest.

– Als men niet kan zeggen wanneer de conceptie plaats had, kan er ook geen sprake zijn van overspel.

– Als het kind niet van hem was, dan zou hij zeker niet met Marie zijn getrouwd.

Getuigen aan het woord.

Gillis De Buver, 49 jaar en zijn broer Jacques, 46 jaar, legden op 2 januari 1671 bij de drossaard een verklaring af. Peter was een weduwnaar met drie kinderen toen hij met Cathelijne trouwde. Zij was bemiddeld door de erfenis van haar eerste man en die van haar moeder. Toen Peter meubels van Cathelijne kwam halen, vertelde hun zus dat Peter haar onder druk zette om al haar goederen aan hem af te staan. Tijdens de begrafenis vertrouwde een vrouw hen het voorval met de bierpot toe. Toen ze Peter daarover aanspraken,toonde hij hen een gelijkaardige pot. Het was een stenen bierpot met een tinnen band. Op de vraag waarom Peter hen niet had verwittigd dat Cathelijne ziek was, antwoordde hij dat ze dat niet wou.

Op 22 april 1671 ondervroeg de drossaard in het huis van Peter Cornelis met Van Mulders als griffier enkele getuigen.

Anna Van den Houte, een 44-jarige vroedvrouw had Marie geholpen bij de geboorte. Voor haar was het kind een jongen cloecke sone. Zij zag bij Marie geen wonde of letsel, wel vertelde ze dat haeren metten haar gestoten had.

Martinus Van den Nest, de pastoor van Hekelgem, had Cathelijne voor haar dood nog gezien. Zij klaagde toen over keelpijn en was van oordeel dat het om de contagieuse sieckte ging. Chirurgijn Van Ghete zocht hem na het overlijden op en bevestigde dat Cathelijne aan de pest was bezweken.

Philips Van Ghete, 42 jaar, bezocht Cathelijne zes of zeven dagen voor haar dood en zag toen een teecken van de contagieuse sieckte onder haar rechterarm. Na haar dood onderzocht hij het lijk in aanwezigheid van Gillis Wijnants, Gillis Breems en Merten Robijns. Hij vond geen nadere kwetsuren dan het accident onder haar rechterarm.

Gillijne De Kempenere, 26 jaar, vrouw van Laureijs Van Gijseghem en zus van Marie, had van anderen vernomen dat Marie was bevallen in de nacht van donderdag op vrijdag en dat het kindje op zondag was begraven.

Cathelijne Van Neerveldt, dochter van Gillis Van Neerveldt, 18 jaar,  was in de stal koeien aan het melken toen Marie in de stal kwam. Plotseling hoorde ze haar luid roepen dat ze van een rund een stamp in haar buik had gekregen. Dat gebeurde een paar dagen voor haar bevalling.

Deductie van de drossaard.

Na de ondervragingen stelde drossaard Crabeels zijn bevindingen op ten behoeve van de schepenen:

– Nog voor zijn huwelijk leefden Peter en Marie samen als man en vrouw. Wie het huis van Peter bezocht stelde dat vast. Het gaf een groot schandaal, zeker als na het huwelijk met Cathelijne De Buver Marie bij Peter bleef wonen.

– Marie haatte Cathelijne zodanig dat ze haar meermaals deed krijten ende kermen.

Voor haar dood werd Cathelijne op haar hoofd geslagen met een bierpot. Peter koos in die ruzie de kant van Marie.

– Hij bleef ’s avonds met haar laat op.

– Als hij met wagen en paarden naar Aalst reed, vergezelde Marie hem als was ze zijn vrouw. Cathelijne moest thuis blijven.

– Getuigen zagen ook dat Marie bij hem achter op het paard zat en Cathelijne moest te voet gaan.

– Tijdens het eten gaf hij kaas aan Marie, niet aan zijn vrouw.

– Peter was jaloers als jonge mannen als mogelijke vrijers voor Marie kwamen.

– Cathelijne herhaalde vaak dat Peter Marie liever zag dan haar en dat hij wou dat ze haar meubels aan hem overmaakte.

– Het is bijzonder verdacht dat Marie haar testament op 27 mei ondertekende terwijl ze die nacht al was overleden.

– Ze had toen een blauwe vlek op haar rechterarm waarvan chirurgijn Van Ghete beweerde dat het een pestvlek was. Ook pastoor Van den Nest verklaarde dat ze pest had, maar hij zei dat ze een vlek onder haar keel had. Die tegenspraak was voor de drossaard het bewijs dat beide getuigen ten voordele van Peter spraken.

– Merten Robijns, die de chirurg vergezelde, was ervan overtuigd dat de blauwe vlek op haar rechterarm het gevolg was van een slag. De chirurgijn had er al een pleisters opgelegd.

– Wat voor de drossaard de verklaringen over de pest ongeloofwaardig maakten, was dat er geen andere besmettingen waren. Ook niet bij degenen die bij het lijk waren geweest.

– Als het toch pest was, dan mocht de pastoor haar niet hebben begraven in aanwezigheid van publiek.

– Nog een ongeloofwaardige verklaring van Peter was dat Cathelijne haar testament had gedicteerd aan een vreemde notaris en twee onbekende getuigen. Als het testament toch te voorschijn kwam, bleek dat het was verleden door notaris Martinus Wambacq met 27 mei als datum. Nicoaes Vranckx en François De Pelsmaecker waren de getuigen.

Ten slotte was er de kwestie van de boreling, een voldragen kind volgens de vroedvrouw. Peter ontkende eerst dat het zijn kind was, maar bij het doopsel zei hij dat hij de vader was.

De drossaard besloot dat door het concubinaat tijdens Peters tweede huwelijk, de nulliteijt van zijn derde huwelijk volgde.

Besluit.

Daar het vonnis ontbreekt, weten we niet of er een veroordeling volgde. Als er een straf volgde, kan het geen zware veroordeling zijn geweest daar Peter en Marie  in 1672 een dochter kregen en nadien volgden nog vier kinderen.

Kinderen van Petrus en Maria:

1- Adrianus,gedoopt op vrijdag 19 december 1670 in Hekelgem.  Adrianus is overleden op zondag 21 december 1670 in Hekelgem, 2 dagen oud.

2- Catharina, gedoopt op vrijdag 22 april 1672 in Hekelgem.

3- Jacobus, gedoopt op woensdag 18 oktober 1673 in Hekelgem. Jacobus is overleden in 1724 in Hekelgem, 51 jaar oud.

4- Jan Baptist, gedoopt op vrijdag 19 april 1675 in Hekelgem.

5- Franciscus, gedoopt op donderdag 16 juli 1676 in Hekelgem.

6- Jan Baptist, gedoopt op donderdag 1 juli 1677 in Hekelgem.

1671. De kinderen Eeckhout in de clich met hun stiefmoeder[24].

Gerard Eeckhout, zoon van Gerard en Anna Engels, werd op zondag 20 mei 1601 te Teralfene gedoopt. Hij trouwde op zondag 4 juni 1623 te Teralfene met Anna Cortvrint en  overleed op maandag 27 januari 1670 in Teralfene. Zij hadden 10 kinderen:

1 Egidius, gedoopt te Teralfene op maandag 17 juni 1624, overleden in 1648 in Teralfene, 24 jaar oud.

2 Anna, gedoopt te Teralfene op woensdag 14 oktober 1626

3 Maria, gedoopt op zondag 24 september 1628 in Hekelgem. Maria is overleden op dinsdag 13 januari 1688 in Hekelgem, 59 jaar oud. Zij trouwde, 23 jaar oud, op zaterdag 21 oktober 1651 in Hekelgem met Merten Robijns, 25 jaar oud. Hij is een zoon van Martinus (Merten) Robijns en Elisabeth Wauters. Hij is gedoopt op maandag 2 maart 1626 in Hekelgem en overleed op zondag 31 december 1679 in Hekelgem, 53 jaar oud. Hij was pachter op het Sint-Huibrechthof te Hekelgem.

4 Anna, gedoopt op zondag 26 januari 1631 in Hekelgem.

5 Arnold, gedoopt op donderdag 31 maart 1633 in Hekelgem. Arnold is overleden in 1667 in Hekelgem, 34 jaar oud.

6 Catharina, gedoopt op zondag 6 januari 1636 in Hekelgem.

7 Carolus, gedoopt op zondag 17 januari 1638 in Teralfene.

8 Maria Magdalena, gedoopt op donderdag 4 oktober 1640 in Hekelgem.

9 Margareta, gedoopt op donderdag 9 juli 1643 in Hekelgem.

10 Joannes, gedoopt op dinsdag 5 september 1645 in Hekelgem.

Gerard hertrouwde, 65 jaar oud, op donderdag 26 augustus 1666 in Teralfene met Judoca Coolens.

Kinderen van Gerard en Anna:

1 Andreas, gedoopt op donderdag 13 mei 1666 in Hekelgem.

2 Gerard, gedoopt op woensdag 7 maart 1668 in Teralfene.

3 Joanna, gedoopt op woensdag 4 juni 1670 in Teralfene en overleden in 1677 in Teralfene, 7 jaar oud.

Na de dood van Gerard regelden de schepenen van Affligem de erfenis van zijn kinderen met Anna Cortvrint. De akte werd ondertekend door Martinus Wambacq, de rentmeester van de abdij. Maar Judoca weigerde de meubels en onroerende goederen af te staan. Zij betwistte de bevoegdheid van de Affligemse schepenbank omdat die de stukken niet had overgemaakt aan de schepenbank van Asse. Alleen die velden waarop de abdij cijnsrecht had wou ze aan de stiefkinderen afstaan. Het ging om 0,5 bunder land op de Buikouter en 1 d 18 r land op het Fosselveldeken. Gerard bezat nog 5 d 23 r op het Pesterveld die hij in 1650 van de abdij had gekocht.

Na een klacht van de kinderen bij de schepenbank raadpleegden Jan Van der Slachmolen, Joos Van Ginderachter en griffier Van Mulders enkele inwoners van Hekelgem. Guillam ’t Kint, 47 jaar, bevestigde dat de eigen goederen onder Asse gelegen door de schepenbank van het Land van Asse geërfd moesten worden en niet door een andere schepenbank. Procureur Jan Schoonjans trad hem daarin bij. Op 15 juli 1672 ging de raadpleging voort. Schepen Michiel Cornelis ondervroeg Peter Arijs, een 67-jarige handwerker en Peter De Meie, 58 jaar en handwerker, zij dachten dat Gerard het perceel op het Fosselveldeken gekocht had van Andries Sterck. Bijgevolg hadden de erfgenamen er geen recht op.

1674. Jan Stock weigerde huur te betalen.

Jan Stock woonde in een huis van pastoor Joannes Bernaerts en dacht na zijn overlijden te ontsnappen aan de huur. Meester Jan Schoonjans ontdekte de achterstallige huur tijdens een controle van de rekeningen in het sterfhuis. Na een klacht bij de schepenen daagde officier Gillis Wijnants Jan voor de schepenbank. Het vonnis van 16 januari hield in dat hij de huur vermeerderd met 2 g 14 st gerechtskosten moest betalen.

1678. Collecteur Andries Segers eist stipte betaling[25].

Op 3 september 1678 diende Andries Segers als collecteur een klacht in tegen Franchois Robijns, pachter, brouwer en biertapper. Hij eiste de onmiddellijke betaling van 155 g 18 st waarvan de helft zijn contributie was en de andere helft een bede en andere dorpslasten. Franchois reageerde met een schrijven aan de schepenen waarin hij opmerkte dat hij zelf van de bedesetters nog 750 g tegoed had. Het ging om vertier en logementen van diverse gasten op vraag van de bedesetters en 80 g voor het ter beschikking stellen van zijn paard aan de gemeente. Hij stelde de bedesetters voor om de 150 g 18 st af te trekken van de 750 g waarop hij nog recht had en de schepenen verzocht hij om de bedesetters te verplichten die som promptelijck  te doen betalen.

Franciscus Robijns, zoon van Arnoldus en Anna Van den Broeck, gedoopt op woensdag 2 januari 1647 in Hekelgem overleed op zaterdag 5 februari 1689 in Hekelgem, 42 jaar oud.

1679. Als de bedestters moeten betalen[26]!

Volgens de oncostboeck moesten de bedesetters aan Gillis Vermoesen, brouwer en biertappper, 279 g 17 st betalen als vergoeding voor logementen en ravitaillering van soldaten in 1677 en nog 90 g voor de logementen op 15 november 1677 en 189 g 17 st op 19 oktober 1678. Daar de betaling uitbleef, liet Gillis advocaat Bisschop op 28 februari 1679 klacht neerleggen bij de schepenbank tegen de bedesetters Franchois Mattens, Gillis De Decker, Guiullam Cornelis en Joos Van den Bossche.

Egidius trouwde op zaterdag 19 februari 1661 in Hekelgem met Catharina Uytendenolie. Catharina  overleed op zaterdag 2 juli 1678 in Hekelgem. Kinderen van Egidius en Catharina in Hekelgem gedoopt:

1 Petronella, gedoopt op donderdag 28 juni 1663, overleden in 1730 in Hekelgem, 67 jaar oud.

2 Joannes, gedoopt op maandag 28 december 1665.

3 Adrianus, gedoopt op donderdag 8 maart 1668, overleden in 1726 in Hekelgem, 58 jaar oud.

4 Franciscus, gedoopt op maandag 18 mei 1671..

5 Judoca, gedoopt op zaterdag 8 juli 1673 en overleden in 1744 in Hekelgem, 71 jaar oud.

6 Elisabeth, gedoopt op vrijdag 29 maart 1675 en overleden in 1751 in Hekelgem, 76 jaar oud.

1679. Wie moest na Peter Linthouts dood de pacht betalen[27]?

Op Kerstmis 1671 sloot Peter Linthout met dom Ambrosius Van Lierde een contract af voor de huur van land op de Bellekouter voor een termijn van 9 jaar. Na zijn overlijden in 1977 vroeg zijn weduwe aan dom Ambrosius om het contract te verbreken. Die ging akkoord en verpachtte het land in 1679 aan Jacques Van Droogenbroeck. Jan Mattens, de collectuer van Hekelgem, stelde in 1679 vast dat de beden en de settingen op dat land voor 1677 en 1678 niet waren betaald. Hij richtte zich tot Jan Van Vaerenbergh, de curator van het sterfhuis van Peter Linthout. Die liet weten dat hij zich tot dom Ambrosius, de administrator van de abdij, moest wenden. De monnik verklaarde dat het verpachtte land geamortiseerd (kerkelijk goed) goed was en dus vrij van lasten. Mattens vroeg dan aan de wethouders van Asse hoe hij aan zijn geld kon geraken. Die lieten weten dat hij dat aan de eigenaar moest vragen. Dom Ambrosius liet Franciscus De Middeleer, de rentmeester van de abdij, in zijn plaats antwoorden. De weduwe van Peter Linthout moet de beden en settingen betalen vermits zij  toen nog de gronden in bezit had en de vruchten kon oogsten. Hij voegde er nog aan toe dat Peter en zijn vrouw genoechsaem sijn voorsien geweest van goederen ende andere effecten om die achterstallen te kunnen betalen. Hij kan het bedrag nog verhalen op 1/4de van de opbrengst van de verkoop van het hooghuis te Belle aan meier Wambacq. De vraag om de bomen op het perceel te mogen verkopen wijst De Middeleer van de hand als ongefundeerd. Tenslotte merkte de rentmeester nog op dat het door de negligentie van Mattens is dat hij zijn geld nog niet heeft.

Joannes Mattens is gedoopt op donderdag 16 mei 1647 in Hekelgem. Hij is overleden op vrijdag 25 november 1695 in Hekelgem, 48 jaar oud. Joannes trouwde, 24 jaar oud, op maandag 16 november 1671 in MeldertT met Elisabeth De Valck, 19 jaar oud. Zij is gedoopt op dinsdag 19 december 1651 in Meldert en is overleden op zondag 13 november 1695 in Hekelgem, 43 jaar oud.

Kinderen van Joannes en Elisabeth te Hekelgem gedoopt:

1 Anna is gedoopt op maandag 19 december 1672.

2 Catharina is gedoopt op donderdag 8 oktober 1676..

3 Barbara is gedoopt op dinsdag 4 februari 1681en is overleden op zondag 28 april 1765 in Hekelgem, 84 jaar oud. Barbara trouwde, 29 jaar oud, op zondag 22 juni 1710 in Hekelgem met Leonardus Linsens, 27 jaar oud. Hij is een zoon van Egidius en Maria De Gent. Hij is gedoopt op dinsdag 26 januari 1683 in Hekelgem. Leonardus is overleden op zondag 10 mei 1733 in Hekelgem, 50 jaar oud.

4 Maria is gedoopt op maandag 6 november 1684.

5 Petrus is gedoopt op dinsdag 3 juni 1687.

6 Judocus is gedoopt op zaterdag 29 april 1690.

7 Joannes is gedoopt op donderdag 19 november 1693.

Ambrosius Van Lierde was afkomstig van Aaigem ontving in de abdij de priesterwijding op 25 mei 1652. Hij is de auteur van Historia Affligeniensis en verbleef te Neerwaver en te Bornem. Hij stond bekend om zijn moeilijk karakter. Vanaf 1664 verbleef hij in de abdij en werd er econoom en graanmeester en in 1669 werd hij de eerste syndicus van de abdij. Op 15 februari 1672 sloot hij een overeenkomst met de Raad van Financiën voor het uitbaten van nieuwe steengroeven te Meldert en te Asbeek-Asse. Hij overleed op 21 november 1695.

1679. Peter Van Rampelbergh heeft alleen nog een botervat en een viggen[28].

Op 10 april 1679 verhuurde de rentmeester Franchois De Middeleer land en meers aan Michiel Van Nieuwenhove dat voorheen gepacht was door Peter Van Rampelbergh voor de som van 15 pond groot. De termijn was de gebruikelijke periode van 9 jaar. Op 12 augustus 1679 liet collectuer Jan Mattens de schepenen van Asse weten dat volgens zijn bedenboek Peter Van Rampelbergh nog 37 g 10 st in het rood stond. Van de percelen die Peter nog in pacht had gehad, waren er twee bezaaid met haver, samen 5 d en die zou hij willen verkopen om zo aan zijn geld te komen. Op verzoek van Mattens gingen op 21 augustus Gillis Wijnants en Michiel Cornelis naar het huis van Peter. Zij vonder er alleeneen botervat, een quade vlieghe ende een viggen, ten hoochsten weert sijnde eenen pattacon. Van Rampelbergh was dus totaal niet in staat zijn schulden te betalen. Van de schepenen vernam Mattens dat hij twee mogelijkheden had om het geld te innen: de bezitter van het goed kon betalen of de vruchten op het veld verkopen want de wet schrijft voor dat de bezitter van het goed op de betaaldag van de beden die moet betalen.

R. A. Leuven, Schepenbank van Asse nr. 2822.

1679 – Een proces over schoolgeld[29].

Zie – https://indeschaduwvanaffligem.video.blog/2020/11/24/bloemlezing-van-documenten-behelzende-de-abdij-affligem-beslecht-door-de-schepenbank-van-asse/

1681. De erfgenamen van pastoor Bernaerts betalen niet[30].

In 1680 riepen de bedesetters van Hekelgem de hulp in van de schepenen van het Land van Asse omdat de erfgenamen van pastoor Joannes Bernaerts weigerden de contributie van 18 g 11/2 st voor de jaren 1677 tot 1680 te betalen. Een mogelijke verklaring was dat de erfgenamen erop rekenden dat de verkoop van een huis van de pastoor voldoende was om alle schulden te vergoeden. Dat was niet het geval, integendeel er was een tekort van 3 g 11 st.

1681. Kinderen Philippus Van Gete in de clinch met stiefmoeder[31].

https://www.belledaal.be/kinderen-philippus-van-ghete-in-de-clinch-met-stiefmoeder.html

1683. Carel Van Camp wordt de nieuwe boer[32].

Van jonker Franciscus Du Mont pachtte Carel Van Camp op 22 september 1682 seeckeren steenen huijse mette schuere, stallingen ende andere edificiën daerop staende, mette landen, weijden en alle andere goederen voor een bedrag van 100 g,10 viertelen tarwe en 10 viertelen gerst. Het graan moest ten huize van  de verhuurder geleverd worden ten laatste 60 dagen na de vervaldag. De afgaande huurder was Peter Van den Wijngaert en voor de overname van de granen en de dieren moest Van Camp hem 950 g betalen. Notaris J. De Witte stelde de akte op.

1684. Gerard Lambrechts mag er niet in[33].

Op 14 juni 1683 kocht Gerard Lambrechts een hofstede van Andries Segers die optrad als gevolmachtigde voor zijn broer Guillam. De akte werd opgesteld door de schepenbank van Affligem en was ondertekend door J. Van Nuffel. Volgens de akte mocht Lambrechts op Kerstmis 1683 de hoeve in bezit nemen. Maar de toenmalige bewoner, Adriaan Schoon, weigerde te vertrekken. Op 1 maart 1684 overhandigde dorpsofficier Gillis Wijnants een schrijven van Andries Segers, voogd van Guillam, aan Adriaan Schoon. Andries verbood Adriaan om de velden te bewerken en gebood hem het huis te ontruimen. Hij legde ook beslag op het weefgetouw en nam zoveel hopstaken mee tot de waarde van 20 g, een bedrag dat gelijk was aan de achterstallige huur. DE zaak bleef aanslepen want pas op 22 augustus werd Adriaan Schoon voor de rechtbank gedaagd.

1684. Koster Andries Segers wist nergens van[34].

Jan Dooms uit Opwijk stierf ongehuwd en zijn erfenis werd op 5 februari 1659 vereffend door de meier en schepenen van de Vrijheid van Merchtem. Onder de erfgenamen waren Franchois Van Halen, een pachter uit Opwijk, en zijn vrouw Joanna Dooms. Een andere erfgenaam was Cornelis Segers. Bij de verdeling moest Cornelis 6 g 5 st opleggen aan François Van Halen en Joanna Dooms. Die rente was bezet op een hofstede metten huijse, stallingen ende boomen daerop staende gelegen onder de prochie van Hekelgem voor het cloister van Affligem.

In 1684 is de situatie helemaal veranderd. Door overlijdens is die erfenis op de jongere generaties overgegaan. Cathelijne Van Halen, vrouw van Peter De Hauwer en dochter van François erfde via haar moeder Joanna Dooms, een zus van de overleden Jan Dooms. Na de dood van Cathelijne werd haar man  Peter de erfgenaam van de rente van 6 g 5st.. Maar wat blijkt: al zeven jaar is die rente niet maar betaald. De vraag was: wie erfde van Cornelis Segers en moest de rente betalen. Peter De Hauwer diende een klacht in bij de schepenen van Asse tegen koster en schoolmeester van Hekelgem Andries Segers, zoon van Cornelis. De sluwe koster reageerde niet want hij was geen zoon maar een kleinzoon van Cornelis. Uiteindelijk ontdekte notaris Gillis Van Halen de ware toedracht. Toch bleef er nog een ernstig probleem. Peter De Hauwer had de akte van 1659 niet meer door de lanckheijt van tijde ende menich schuldige oorlogen, troubelen ende vluchtelingen was de akte verloren gegaan. Toch oordeelden de schepenen van Asse op 12 april 1684 dat koster Andries binnen de acht dagen moest antwoorden op de klacht.

respectieve comparanten ende getuijgen neffens mij notaris onderteeckent, quod attestor ende was onderteeckent M D Bisschop notaris G Vanhatle notaris 1683.

1684. Jan De Vis wil niet tweemaal betalen[35].

Op 4 mei 1684 ondertekende bedesetter Joos Pauwels een betalingsbewijs van 24 g voor Jan De Vis, zoon van Franchois, molenaar op Boekhout. Dat was op de dag dat De Vis de collecteur Peter De kegel voor de schepenen van Asse had gedaagd omdat De Kegel hem de eerste schijf van 20 g van de beden en achterstel van renten en obligaties, in het totaal 40 g 12 ½ st., wou doen betalen zonder rekening te houden met zijn voorschot aan Joos Pauwels. Jan De Vis stelde vast dat hij in sijne eenvoudighe onnooselheijt al 3 g 13 st 1 bl teveel had gegeven. Er bleven nog ruim 16 g te betalen, maar De Kegel had voor de tweede schijf nog geen opdracht tot betaling gegeven. Van de schepenen verwachtte Jan dat ze De kegel zouden verplichten om van zijn bijdrage de 24 g af te trekken.

Ick onderschreven kenne ontfangen te hebben vuijt handen van Jan De Vis filius Franchois de somme van vierentwintich guldens in twee off drije keeren ende sal hem valideren op Peeter De Kegels boecken. Actum desen vierden meije XVI° vierentachentich ende is onderteekent Joos Pauwels 1684. Accordeert met sijn origineel in dathe ende geteekent als voren quod attestor De Raedt notaris 1684.

1684. De bedesetters van Meldert komen hun belofte niet na[36].

Op 31 juli 1684 leverden de parochies van Hekelgem en Meldert fouragie aan het leger van kolonel Du Bie te Aalst. Beide parochies ontvingen daarvoor dezelfde vergoeding. Maar Hekelgem had meer geleverd dan Meldert en vroeg aan Meldert een tegemoetkoming. Na onderhandelingen tussen Franchois Robijns en Joos Pauwels voor Hekelgem en Guillam De Clerck en Jan Robijns voor Meldert kwamen de bedesetters tot een akkoord: Meldert zou 20 g aan Hekelgem geven. Maar de betaling bleef uit en verliesende hunne patiëntie trokken de bedesetters van Hekelgem naar de rechtbank om de onmiddellijke betaling te eisen.

1684. Ruzie over de koopsom[37].

Op 11 oktober 1684 verkochten Peter De Boodt en zijn vrouw Anna Manghé seker paert van een huijsinghe gestaen en gelegen tegen den grond van de weduwe Franchois Walckiers en nog 16 r gelegen langs dezelfde grond van de weduwe. De koper was Hendrik De Kegel, zoon van Joos. De koopsom bedroeg 12 ponden groot en voor zijn palmslagh kreeg De Kegel 3 g. Er waren wel enkele voorwaarden aan de koop verbonden:

1) Tot de drie sondaghsche kerckgeboden kon men nog opbieden.

2) Elk opbod moest minstens 20 st bedragen.

3) Van elk bod ging 2/3 naar de verkoper en 1/3 naar de koper.

4) Wie meer biedt, betaalt 4 st voor een traktatie.

Nog dezelfde dag begon het bieden. Jan Van Brempt, Ingel Carnoy, Jan Bogaert, Gillis Wijnant en Gerard Verhoeven verhoogde tot 30 maal de koopsom.  Op 12 oktober deed Andries Segers nog een bod en uiteindelijk haalde Jan De Meije, de zoon van Andreas, als laatste bieder, zijn slag thuis. De prijs was ondertussen met 40 g gestegen. Liet De Meije zich meeslepen in het opbieden? Feit was dat hij de koopsom niet kon betalen en Peter De Boodt zag zich genoodzaakt zich tot de schepenbank van Asse te wenden om aan zijn geld te geraken. Jan De Meije reageerde op 5 juni 1685 met een schrijven van zijn advocaat De Raedt. Die betwistte de koopsom. Volgens hem bedroeg die 20 ponden groot en rekende De Boodt 30 g teveel. Uiteraard ontkende Schoonjans dat er een fout was gemaakt en hij eiste voor zijn cliënt de prompte betaling van de in het totaal al opgelopen bedrag van 112 g.

Schoonjans rescontrerende het geverbaliseerde van De Raedt segt datter geen abus en is te vinden terwijl den coopprijs volgens den contracte beloopt ter somme van 42 guldens ende datter sijn 60 hooghen waervan d’ene derde den aenlegger toecommen bedraegende a eenen gulden de hooghe t’samen ter somme van 40 guldens, concluderende geheijst sonder dat hij aenlegger hem heeft aen te draegen watter soude wesen van het ander derde ofte voordere oncosten waerop den ghedaeghde sijne computatie maeckt sonder dat eene naerdere presentatie genoech is om te ontgaen de condemnatie van costen deser procedure den aenlegger niettemin bereet sijnde voor soo vele hem aengaet te ontfangen de gemelde twee sommen t’samen bedraegende 112 de welcke den gedaegde van eerst aff hadde behooren te betaelen off te namptiseren voorsulcx persisteert hij aenlegger voor de replicque alnoch als voren cum axpensis.

1684. Gerard Lambrechts betaalde niet[38].

Gerard Lambrechts huurde een huis van koster-schoolmeester Andries Segers. Hij liet zijn kinderen bij hem ook les volgen om te leeren lesen ende schrijven aan 5 st per maand. Gerard was evenwel niet in staat om de huishuur en het schoolgeld te betalen. Voor de huishuur stond hij 1 jaar achter en voor het schoolgeld 36 maanden. In het totaal moest hij 41 g 5 st betalen. Een behoorlijke som en Andries aarzelde niet om de schepenbank in te schakelen om Gerard te dwingen zijn verplichtingen na te komen.

1685. Gerard Van den Wijngaert: problemen met de impost[39].

Op 27 februari en op 6 maart 1685 werd Gerard Van den Wijngaert op vraag van Gillis Wijnants opgeroepen om voor de schepenen van Asse te verschijnen. Hij stuurde zijn kat, maar na de derde dagvaarding verscheen hij toch op de schepenbank op 13 maart. De beschuldiging luidde dat hij de halfjaarlijkse belasting van november van 1683 ten bedrage van 140 g 16 st niet had betaald. Op 27 maart 1685 werd hij veroordeeld tot de betaling van het verschuldigde bedrag. In april maande officier Peter De Haegeleer hem nog tweemaal tevergeefs aan om zijn schulden aan te zuiveren. Gillis Wijnants richtte zich tot de Raad van Brabant en kreeg de toelating om de tarwe van Van den Wijnaert, staande op De Vreuckers te Essene, te verkopen. De verkoop van 19 juli 1685 bracht 42 g op. Van dat bedrag ging 4 g 12 ½ st naar de schepenen, 22 g 13 st naar notaris Schoonjans, 13 g naar de griffier en 6 g 8 ¾ st naar de officieren zodat er helemaal niets overbleef voor schuldeiser Wijnants.

1685. Adriaan De Ridder mocht de bomen niet kappen[40].

Op 15 juni 1665 stelde notaris Charles Van der Slachmolen ten huize van Cathelijne Carnoy op Nievel (Meldert) een akte op voor een lening. Peter Goetvinck en zijn vrouw Cathelijne Carnoy leenden 250 g met een jaarlijkse rente van 15 g 15 st bij Anthonius De Steenwinckel, secretaris bij de Raad van Brabant en zijn vrouw Catharina Sophie. Met dat besdrag konden Peter en Cathelijne een hoeve van haar grootouders, Mathijs Van den Abeele en Cathelijne De Coster, overnemen. De hofstede was belast met een grondcijns van 7 st aan de infirmerie van den beggjnhove binnen Brussel. Als pand gaven ze een hofstede van 75 r met de helft van het huis van hogergenoemde hofstede. Beide partijen lagen in de Broekstraat en paalde aan Peter Stevens, Jan Meert, Mathijs Van den Abeele en de straat. In het geval dat de rente niet werd betaald, voorzag de akte dat de leengevers gemachtigd waren om de goederen van Peter en Cathelijne in beslag te nemen of te verkopen tot een bedrag gelijk aan de achterstallige rente.

Dat was het geval in 1685. Peter Goetvinck en zijn vrouw zijn dan overleden en hun erfgenamen hebben al vier jaar de rente niet meer betaald. Franchois Du Mont, heer van Bisen en tweede man van Catharina Sophie, diende op 5 februari 1685 bij de meier en de schepenen van Asse het verzoek in om beide hofsteden te mogen verhuren. Op 19 februari 1685 had, na voorgaand kerkgebod, de zitdag plaats. Franchois vroeg 24 g als pacht, maar niemand bood zich aan. Daarop besloot Du Mont om de twee hofsteden te verkopen. Egidius Lemmens kocht ze op 14 mei 1685 en betaalde 340 g. In die prijs was ook de achterstallige rente begrepen. Nog voor de verkoop had plaats gehad, verkocht Anna Goetvinck, de dochter van Peter en Cathelijne een aantal bomen van de hofsteden aan Adriaan De Ridder. Die kapte de bomen en bracht ze naar zijn huis en dat tot grote woede van kolonel Du Mont. Die diende op 15 mei 1685 bij de schepenbank van Asse een klacht in tegen Adriaan De Ridder. Hij eiste dat die hem zou vergoeden voor het verlies van de bomen en stipte ook aan dat Anna Goetvinck als 19-jarige nog minderjarig was en het recht niet had om te verkopen.

Het proces bleef aanslepen en op 15 september 1688 richtte Du Mont zich tot de Raad van Brabant. Hij was te weten gekomen dat Adriaan De Ridder voor zijn aankoop raad had gevraagd aan Jan De Witte. De griffier van de abdij had hem die aankoop expresselijck ontraden … ende andersints soude commen in groote rusie. Du Mont vroeg de Raad om de schepenen te autoriseren om Jan De Witte daarover te verhoren. Die goedkeuring kwam er  vier dagen later op 19 september. Of de griffier werd ondervraagd, vermeldt het dossier niet. Pas op 5 april 1690 kwamen de schepenen tot een vonnis. De eis van Franchois Du Mont vonden ze ongefondeerd ende niet ontfanckbaar en ze veroordeelden hem tot de betaling van de proceskosten. Daar legde de kolonel zich niet bij neer en hij uitte zijn grieven nog eens voor de schepenen:

1 Adriaan De Ridder had die bomen niet mogen kappen want hij was op de hoogte van de verkoop vermits hij nabij de abdijkerk woont en daar had het kerkgebod plaats.

2 Anna Goetvinck kon niet verkopen want zij was minderjarig.

3 De teruggave van de bomen volstond niet en moest ook intrest worden etaald voor het geleden verlies.

Of de schepenbank hierop is ingegaan, weten we niet.

1685. Jan De Maij betaalde het vertier niet[41].

Op 16 januari 1685 verscheen Elisabeth Van Ghete, weduwe van Franchois Walckiers, voor de schepenbank van Asse. Zij had een klacht ingediend tegen Jan De Maij, zoon van Adriaan. In haar herberg De Kroon nabij de abdij hadden op 11 oktober 1684 Peter De Boodt, Anna Mangé en Hendrik De kegel, zoon van Joos,  een deel van een huis verkocht. De afspraak was dat bij elk opbod een traktatie van 4 st zou volgen en voor de palmslag  een van 3 g. In het totaal had Elisabeth recht op 13 g. Wanneer zij, na herhaald aandringen bij de koper, Jan De Maij, geen gehoor vond en haer patientoe verliesende, wendde ze zich tot de schepenbank. Jan werd op 6 februari 1685 gedagvaard, maar hij kwam niet opdagen. Zijn advocaat, Michiel De Bisschop verzocht om uitstel en toch ging Jan niet in op de dagvaardingen van 8 en 15 mei. Blijkbaar tot ongenoegen van zijn advocaat die de schepenen liet weten dat hij De Maij niet langer verdedigde. Of was het een list om tijd te winnen, want zijn opvolger Hendrik De Raedt vroeg meteen een uitstel van 6 weken en tegelijk protesteerde hij tegen de hoge intrest die Van Ghete vroeg. Op 22 mei 1685 liet de advocaat van Elisabeth, J. Schoonjans  weten dat het achterstal van De Maij al was opgelopen tot 17 g 11 st.

1685. De carrousel van een erfelijke rente[42].

Gerard Eeckhout ging in 1639 bij Hendrik De Bolle, zoon van Jan, uit Aalst een lening aan met een jaarlijkse erfelijke rente van 18 g. Als pand gaf hij een meers van 1 d 25 r. Die rente werd stipt betaald, telkens op 7 februari, tot 1679. Zes jaar later was het achterstal opgelopen tot 108 g. In naam van Hendrik De Bolle diende Jacques D’ Hont een klacht in bij de schepenbank. Gereard Eeckhout was inmiddels al overleden evenals zijn zoon Carl. Zo kwam de schuld terecht bij Daniël Schoonjans die met de weduwe van Carl was getrouwd. Om aan het geld te geraken wenste D’ Hont het pand van 1 d 25 r meers te verkopen en hij vroeg de schepenbank daarvoor de toestemming.

Carolus Eeckhout, zoon van Gerard en Anna Cortvrint, werd gedoopt op zondag 17 januari 1638 in Teralfene. Carolus trouwde, 26 jaar oud, op zondag 1 juni 1664 in Teralfene met Joanna Van Varenbergh. Joanna overleed op woensdag 27 augustus 1642 in Teralfene.

Gerard, zoon van Gerard en Anna Engels werd gedoopt op zondag 20 mei 1601 in Teralfene. Hij overleed op maandag 27 januari 1670 in Teralfene, 68 jaar oud. Hij trouwde, 22 jaar oud, op zondag 4 juni 1623 in Teralfene met Anna Cortvrint en hertouwde, 65 jaar oud, op donderdag 26 augustus 1666 in Teralfene met Judoca Coolens.

1686. Peter Vonck vergat zijn winkelwaren te betalen[43].

Jan De Maij, zoon van Adriaan, leverde een aantal winkelwaren aan Peter Vonck ter waarde van 6 g 1 ½ st. Na meerdere vermaningen had Peter zijn schuld nog niet betaald en zijn patiëntie was op. Hij liet op 30 april 1686 Peter voor de schepenbank dagen in de hoop dat de schepenen Peter promptelijck zouden verplichten te betalen.

Petrus Vonck was de zoon van Petrus en Catharina Verhoeven. Hij werd te Hekelgem gedoopt op dinsdag 26 september 1659 en overleed er op woensdag 12 september 1708. Hij trouwde te Hekelgem op zaterdag 6 februari 1683 met Maria Van den Wijngaert. Zij overleed te Hekelgem op maandag 6 juli 1711.

1686. Jan De Witte en Jan Robijns regelen hun geschil inder minne[44].

Jan De Witte had een proces aangespannen tegen zijn schoonbroer Jan Robijns in verband met de erfenis van zijn ouders Pauwel en Adriana Breynaert. Op 23 december besloten ze het proces stop te zetten en hun zaken in der minne te regelen. Ze kwamen overeen dat Jan Robijns uiterlijk binnen het jaar 173 g 6 st aan De Witte zou betalen en 2/3 van de proceskosten voor zijn rekening zou nemen.

Pauwel Robijns was de zoon van Merten en Elisabeth Wauters. Hij werd te Hekelgem gedoopt in 1615 en overleed te Meldert, 56 jaar oud, en werd op dinsdag 3 februari 1671 begraven. Hij trouwde op woensdag 21 november 1640 te Essene met Adriana Breynaert, ca 22 jaar oud.

1687. Brouwer Peter Cornelis in moeilijkheden[45].

Peter Cornelis, pachter en brouwer, ging een lening aan bij Louis Verbruggen, kanunnik te Antwerpen, met een rente van 12 g 10 st. De lening was bezet op zijn hofstede met huis, brouwkuip en andere edificiën, gelegen tegenover de kerk van Hekelgem. Op juni 1687 bleek dat Cornelis de rente al 6 jaar niet meer had betaald, een achterstal van 75 g. De kanunnik verzocht nu de schepenen Cornelis te verplichten tot onmiddellijke betaling.

Peter Cornelis was dezoon van Joannes en Barbara Wambacq. Hij is gedoopt op woensdag 8 februari 1640 in Hekelgem. Pieter overleed op woensdag 15 december 1700 in Hekelgem, 60 jaar oud. Pieter trouwde met Catharina De Vleeshouder, overleden op woensdag 27 november 1686 in Hekelgem. Hij woonde op het Hof ter Saele. Zie jaarboek Belledaal 2008 blz. 207.

1687. De pastoor weigert te betalen[46].

Op 29 oktober 1687gaven de meest ghegoeijde ende gemeijn ingesetenen der prochie van Hekelgem volcommen macht ende onwederroepeleijck procuratie aan Franchois Robijns, schepen en Peter Van Nieuwenhove, collecteur om pastoor Martinus Van den Nest en andere inwoners die weigerden hun deel te betalen in de Franse contributie van 1683 en 1684 en bepaalde tienden te vervolgen. Die procuratie hield ook de aanstelling in van een advocaat bij de schepenbank van Asse of bij de Raad van Brabant. De pastoor genoot een vrijstelling voor 6 d die door de bedesetters was toegestaan op 23 juli 1683. Die overeenkomst was ondertekend door de pastoor en Guillam Cornelis, Joos Van den Bossche, Joos De Kegel, Michael Cornelis en Carel Everaerts. Uit het bedebouck op datum van 24 januari 1687 bleek nu dat de pastoor belast was met 7 g 15 st en met 31 g voor de tienden. Pastoor Van den Nest was van mening dat hij, omdat zijn inkomen lager was dan 300 g, vrijgesteld was van de tienden en betaalde niet. Op 11 maart 1687 spande Jan Van Brempt, toen collecteur, een proces aan tegen de pastoor. Van den Nest zocht steun bij zijn collega’s van Mollem en Bollebeek en samen schreven ze een brief naar de schepenen om hen op hun rechten te wijzen. Gillis Van Mulder, de griffier van de schepenbank, zond hun brief op 16 juli 1687 naar de Raad van Brabant. Het antwoord van de Raad op 13 november 1687 bevestigde de vrijstelling van de pastoor. Er werd ook een bijkomende verklaring van de Raad in aangekondigd. Maar er kwam geen schot in de zaak en de collecteur dreigde de goederen van de pastoor aan te slaan, wat zeker een schandaal zou veroorzaken. Daarom schreef Van den Nest op 30 januari 1688 Aen den Coninck in sijnen souveramen Rade van Brabant. Hij vroeg ootmoedeleijck biddende om de bedesetters en de collecteur te dagvaarden zodat hij zijn recht op vrijstelling kon aantonen.

Martinus Van den Nest was pastoor van Hekelgem van 5 mei 1671 tot 1709.

1689. Peter Cornelis, aan huis bij de schepenbank[47].

Op 5 mei 1689 ondertekenden Catharina Wambacq,  de weduwe van Franchois Robijns, en Peter Cornelis een overeenkomst. Peter erkende dat hij de parochie 87 g 19 st schuldig was en dat hij dat bedrag onmiddellijk zou betalen. Maar op 5 juli had Catharina nog geen stuiver ontvangen en zij diende bij de schepenbank een klacht in.

Franciscus Robijns was een zoon van Arnoldus en Anna Van den Broeck. Hij is gedoopt op woensdag 2 januari 1647 in Hekelgem. Franciscus overleed op zaterdag 5 februari 1689 in Heklegem, 42 jaar oud. Hij trouwde, 21 jaar oud, op donderdag 23 augustus 1668 in Essene met Catharina Wambacq, 19 jaar oud. Zij is een dochter van Michel en Joanna De Bast.  Zij is gedoopt op dinsdag 17 november 1648 in Essene en overleed op zaterdag 10 november 1703 in Hekelgem, 54 jaar oud.

Peter kwam nog op een andere manier in contact met de schepenbank. Zijn vader Jan had bij chirurgijn Jan Grillaer uit Brussel een lening aangegaan. Na zijn dood  bleef er nog 100 g te betalen, een bedrag dat hij eiste van Franciscus en Peter, de zonen van Jan. Die weigerden, maar de schepenbank gaf de chirurgijn gelijk en voor de broers kwam er nog de proceskosten bij: 28 g 15 st 2 o.

Joos De Handschutter werkte een tijd als knecht bij Peter. Toen hij het bedrijf van Peter verliet had hij nog recht op 22 g. Peter maakte geen aanstalten om hem zijn laatste loon te geven en dat mocht hij aan de schepenbank gaan uitleggen.

Peter De Vis was in 1694 curator  in het sterfhuis van Guillam Van Neervelt. Peter Cornelis kwam hem opzoeken  en vertelde dat Van Neervelt bij hem een lening was aangegaan met een rente van 25 g. De laatste 6 jaar was die rente niet meer betaald en hij wou dat De Vis die achter stal zou betalen. De Vis weigerde omdat hij geen enkel bewijs van die lening had gevonden. Peter Cornelis trok op 3 februari 1694 naar de schepenbank en al op 9 februari kreeg hij een antwoord. De schepenen gaven Peter De Vis gelijk.

1689. De jezuïeten spannen een proces in[48].

Philips De Donder, de man van de weduwe van Carel De Backer, leende bij de jezuïeten van Aalst een bedrag met een erfelijke rente van 18  g. Hij betaald die 18 g de laatste maal op 22 maart 1681. Acht jaar hadden de jezuïetengeduld tot in 1689 de schuld was opgelopen tot 144 g en dan dienden ze een klacht in bij de schepenbank.

1691. Schoolgeld niet betaald[49].

Pastoor Franciscus Cornelis van O.-L.-Vrouw Waver had de kinderen van Gillis De Bailliu kost en inwoon verschaft en hun schoolgeld betaald, alles samen voor een bedrag van 140 g 7 st 1 o. Gillis had al als betaling 5 sisteren tarwe voor 13 g 10 st, 10 viertelen koren voor 4 g 15 st, 100 bussels tarwestro voor 4 g 10 st en 184 pond hop voor 13 g 18 st geleverd. Maar na het overlijden van Gillis betaalde zijn weduwe niets meer van het resterende bedrag van 91 g 14 st. De pastoor vroeg op 15 februari 1690 notaris J. Roux om een akte op te stellen waarin hij zijn broer Peter de volmacht gaf om in zijn naam met welke middelen ook het verschuldigde bedrag te innen.

Egidius De Bailliu was de zoon van Franciscus en Catharina Van den Bossche. Hij werd gedoopt op was zondag 30 april 1623 in Asse en overleed op zondag 14 januari 1691 in Asse, 67 jaar oud. Hij  trouwde, 30 jaar oud, op zaterdag 30 augustus 1653 in Asse met Catharina Van Mulders, 17 jaar oud. Zij is gedoopt op donderdag 15 november 1635 in Mazenzele en overleed op maandag 30 augustus 1694 in Asse, 58 jaar oud.

1694. De bedesetters tegen Michiel De Bisschop[50].

In 1694 verbleven de maître de camp Valensar en zijn klerk met hun eenheid in Erembodegem, Hekelgem en Teralfene. Het aandeel van Teralfene in de kosten van het logement bedroeg 73 g. Michiel De Bisschop weigerde dat aandeel te betalen. De bedesetters van Hekelgem wezen hem erop dat eenen neutralen rechter nopende die materie van repartitie de quota had vastgesteld en dienden klacht in bij de schepenbank. Op 27 september 1694 kreeg Teralfene de rekening gepresenteerd: het moest de 73 g betalen en ook nog eens 17 g proceskosten.

1698. Barabara Van de Velde driemaal voor de schepenbank[51].

Barbara Van de Velde, de weduwe van Adriaan De Ridder, kocht wijn bij Balthasar Rijcx te Gent. De wijnhandelaar bleef echter met een onbetaalde rekening van 56 g zitten. De schepenen verplichtten Barbara de rekening te betalen en de proceskosten van 7 g 12 st 3 o. In 1698 was Barabara vragende partij. Op 1 maart had er in haar huis de verkoop plaats van een huis te Bleregem. Jacobus Van Ransbeeck was er samen met Peter De Vis, Joos Van den Bossche, Joos Van Onchem en Adriaan Van den Abeele en zijn vrouw. Zij dronken er bier, wijn en brandewijn zonder te betalen. Tegen een van hen, Jacobus Van Ransbeeck, diende Barbara een klacht in.

Een jaar later moest Barbara weer voor de schepenbank verschijnen, ditmaal als gedaagde. Jonker Joannes Arnoldus Crabeels had bij haar twee vaten wijn gekocht. Een vat droeg Peter Van den Biesen op 15 december 1698 naar het gasthuis in Asse, de jonker vertrok met het andere. Hij betaalde de 5 g, wat slechts een deel van de rekening was. Barbara eiste van hem als vergoeding de twee vaten terug. Bij de schepenbank kreeg ze evenwel geen gelijk en bovendien moest ze ook de proceskosten betalen.

1699. De parochie blijft in gebreke[52].

In 1688 kreeg gezworen landmeter Peter Van Damme van de bedesetters de opdracht de parochie op te meten en een cohier te maken. De bedesetters, Franchois Robijns, Michiel Cornelis, Jan Verleysen en Jasper Robijns zouden binnen het jaar 165 g met een rente van 10 g 18 st 1 bl betalen voor zijn werk. Als de betaling uitbleef, mocht de landmeter beslag leggen op goede en sufficiënte panden. De bedesetters betaalden een laatste maal op 15 juli 1696 en bouwden zo een schuld op van 21 g 17 ½ st in 1698. Herhaald aandringen op betaling leverde geen resultaat op en Peter Van Damme zag nog een uitweg: een klacht indienen bij de schepenbank.


[1] Ockeley, J., De rechtspleging in het begin van de 17de eeuw in het Land van Asse, in: Recht in geschiedenis, Davidsfonds, Leuven, 2006, 259 – 263.

[2] SCHOON, E., Een genante geldzaak te Meldert in het jaar 1738, in: De Faluintjes, 2015, nr. 4. Rijksarchief Leuven, Schepenbank Land van Asse.

[3] R.A. Leuven, Schepenbank Asse, toegang 94, nr. 951.

[4] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 1103.

[5] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 1117.

[6] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 1139.

[7] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 405.

[8] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang nr. 208.

[9] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1492.

[10] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1565.

[11] R.A. Leuven, parochie Hekelgem, toegang 620, nr. 192.

[12] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 176.

[13] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 536.

[14] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3586.

[15] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 2170.

[16] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 2207.

[17] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 229.

[18] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 234.

[19] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 5.

[20] R.A. Leuven, toegang 94, nr. 2255.

[21] R.A. Leuven, toegang 94, nr. 2349.

[22] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 554.

[23] Martinus Van den Nest was deservitor te Hekelgem van 13 januari 1667 en pastoor van 5 mei 1671 tot 1709.

[24] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse nr. 2523.

[25] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 2773.

[26] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94 nr. 2821.

[27] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse nr. 2822.

[28] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse nr. 2822.

[29] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse nr. 2827.

[30] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang nr. 2899.

[31] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang nr. 2920.

[32] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3009.

[33] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3035.

[34] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3047.

[35] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3063.

[36] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3061.

[37] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3068.

[38] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3160.

[39] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3085.

[40] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3091.

[41] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3144.

[42] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3143.

[43] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3119.

[44] R.A. Leuven, Inventaris van het archief van de parochie Hekelgem, nr.274.

[45] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3140.

[46] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 6980.

[47] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3198, 3285, 3270 en 3329.

[48] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr.3225.

[49] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3258.

[50] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3350.

[51] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3336, 3414 en 3419.

[52] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3406.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s