Essene 1657 – Liet Franchois Wambacq zandstenen poelen in de Eksterenbergstraat ?

Charles Crabeels, de hoofdmeier van het Land van Asse en meier van Asse, diende op 20 oktober 1657 een klacht in tegen Franchois Wambacq en tegen zijn broer Michiel. Volgens Crabeels hadden de broers op hun land op de Foost, gelegen aan de Eksterenbergstraat, een zandsteenpoel geopend tot in de straat en daarbij de bovenliggende aarde op een hoop gestort die een deel van de weg innam zodat elk verkeer er onmogelijk was. Na een eerste klacht hadden Franchois en Michiel de grond van de straat gehaald, maar dat was voor de overmeier niet voldoende. Hij verweet hen dat ze in de straat stenen hadden gepoeld en er eene groote qualiteijt witten arduinsteen met een waarde van vele honderden guldens hadden uitgehaald en dat zonder enige vergunning. Daardoor was de straat heel smal geworden en bovendien heel gevaarlijk want hun put was zeer diep. Verwijzend naar de plakkaten die bepaalden dat alle straten en wegen te allen tijde berijdbaar moesten zijn, diende hij een nieuwe klacht tegen hen in. Hij eiste dat Franchois en Michiel de straat in de oorspronkelijke staat herstelden en legde hen een boete op van 600 gulden.

Alvorens het verloop van het proces te volgen, komt eerst wat informatie over de broers Wambacq en over de steen-, mergel- en vlasputten waarvan verder sprake is. Opvallend is ook dat de Eksterenbergstraat door meerdere getuigen beschreven wordt als een holle weg en als de straat naar Affligem en Aalst. Was de oude heirbeaan (de Oude Baan) al in zo’n slechte staat dat men liever via de Eksterenberg ging?

De familie Wambacq.

De familie Wambacq is waarschijnlijk afkomstig van Luxemburg. De eerste Wambacqs waren pachters van de grote hoeven van de abdij. In het begin van de 16de eeuw is Jan Wambacq pachter op het Hof ter Borcht gelegen in het centrum van Essene. Hij overleed in 1577. Na hem komen Michiel, Grelis van 1545 tot 1576 en Michiel, getrouwd met Barbara De Wever. Hun zoon Franchois werd ca 1580 te Essene geboren en overleed op donderdag 30 juni 1661 en werd in de kerk begraven. In 1638 kocht hij het Hof te Belle van de abdij: 15 juni heeft den aertsbisschop Boonen (en abt van Affligem) het Pachthof van Belle onder palenslagh vercoght aen Franciscus Wambacq voor gl 900 ende daer waeren 24 hooghen op[1]. Hij was griffier van de schepenbank van de abdij. Hij trouwde met Cathelijne De Troch. Zij hadden 8 kinderen te Essene geboren:

– Barbara, gedoopt op 3 augustus 1614, trouwde met Jan Cornelis, pachter op het Hof ter Sale te Hekelgem

– Elisabeth, ° op 21 januari 1616, x met Peter Van Mulders en nadien met Hendrik Vrancx.

– Michiel, ° op 17 oktober 1617, x met Joanna De Bast, meier van de schepenbank van de abdij, + in 1690 en werd in de kerk begraven. Joanna De Bast hield een memorieboek bij[2] dat Jan Van der Hameyde in Eigen Schoon en De Brabander publiceerde.

– Martinus, ° op 10 december 1619, x met Anna Vrancx, notaris te Essene en griffier van Affligem.

– Anna, ° op 22 februari 1626, begijn op het Groot Begijnhof te Brussel.

– Catharina, ° op 12 december 1621, x met Franchoys De Baillu.

– Lucas, ° op 14 juni 1627, pachter te Essene, x met Catharina Breynaert.

– Joanna, ° op 13 januari 1638, begijn te Brussel.

Michiel werd gedoopt in 1585 en trouwde, 20 jaar oud, op dinsdag 7 oktober 1614 in Essene met Josine De Witte. Hij was schepen van de schepenbank van Affligem. Met Josine had hij 4 kinderen:

– Barbara, ° op 27 september 1615.

– Franchoys, ° op 12 september 1619.

– Elisabeth, ° op 15 december 1620.

–  Geert, ° op 22 maart 1623.

Ferrariskaart 1778 – de steenpoelen moeten zich 130 jaar vroeger bevonden hebben tussen de twee vertakkingen van de straten – Rechts naar Essene kerk en links boven naar den Exterenberg.

De zandsteengroeven[1].

In de teksten is er sprake van “witten arduinsteen”, maar in feite gaat het om zandsteen die hier in de streek te vinden was. Van Hekelgem tot Brussel heeft de abdij Affligem gedurende zeven eeuwen zandstenen gepoeld. De eerste ontginningen gebeurden in het midden van de 12de eeuw te Meldert tussen de wijken Nievel en Doment en aan het Hof te Putte. Later kwamen er groeven bij te Hekelgem, Essene, Asse en Zellik. De zandsteenbanken lagen op een diepte van 6 tot 10 meter, soms twee tot drie lagen boven elkaar. De abdij gebruikte de stenen voor de eigen gebouwen, voor de vele parochiekerken uit de streek waarover ze het patronaat had, voor haar boerderijen en ze verkocht stenen om inkomsten te hebben. Particulieren die eigendom hadden nabij een steengroeve en over het nodige kapitaal beschikten, openden ook een groeve. De zandstenen gebruikten ze voor het hele huis of voor de voeting en voor deur- en raamomlijstingen van hun gebouwen. Om tot aan de zandsteenlaag te komen, groef men de bovenlaag af. Dan maakte men de steenblokken los, haalde ze naar boven en sleepte ze naar de steenkappers, die ze de vereiste vorm gaven en ze merkten met hun steenkappersmerk. De stenen waren nu klaar om met paard en kar naar de bouwplaats of naar de Dender te voeren. In 1293 opende de abdij een groeve op de Foost. Die plaats werd ook Kerkpoel genoemd omdat de steen voor de bouw van de kerk werd gebruikt. In 1664, bij de bouw van de kerktoren, kwam de steen ook uit die poel. Te Essene verwijzen nog enkele plaatsnamen naar de steengroeven: Foost = steengroeve, semelaar: voerman en mogelijks ook Forsijn = hof en land, Montil = berg, Pirresbeloc = beluik waar steen voorhanden is.

Mergel en rootputten.

Tot de 19de eeuw kweekte bijna elke boer vlas, meestal slechts een beperkte hoeveelheid, voor het garen en het lijnzaad. Het roten gebeurde in gegraven putten of rieten en duurde 6 tot 10 dagen. De putten moesten diep genoeg zijn zodat het vlas volledig in het water kwam. Door de vlasstengels in water te zetten, rotte de bast van de stengels, maar die verrotting verspreidde een stank waardoor ze meestal op een afgelegen plaats te vinden waren. “Het vlas uit de rootput halen was het vuilste boerenwerk dat er bestond: een werkman daalde tot aan het middel in het vuile, vette, stinkende water”[2].

Al in de Middeleeuwen werden de akkers voor graanwinning gemergeld om verzuring te voorkomen. Maar in de 16de eeuw waren de meeste mergellagen uitgeput. Door de dieren op stal te houden beschikten de boeren over stalmest ter vervanging van de mergel.

Het antwoord van Franchois en Michiel.

Op 20 december 1657 reageerden de broers via hun advocaat Van der Slachmolen op de beschuldigingen van de hoofdmeier. Zij vinden ook dat alle straten berijdbaar moeten blijven en ontkennen ten stelligste dat zij grond lieten storten op de Eksterenbergstraat en dat zij daar een diepe steenpoel hadden gemaakt om daaruit “arduinsteen” te halen. Om hun beweringen te staven, voegden ze er de getuigenissen aan toe van Guillam Verbeiren, Jacques Pieman en Hendrik Van Hoorebeke, allen inwoners van Essene. Die hebben 14 jaar geleden op het erf van Franchois en tot 4 of 5 voet van de straatberm die beplant is met eiken, olmen, een kerselaar en ander houtwas, een mergerlput gegraven. Op zekere diepte stootten ze op een steenlaag, waarvan ze niet wisten dat daar zandstenen zouden liggen. De stenen lieten ze ongemoeid, want er was al een steengroeve op het erf van Franchois. Ze groeven ook een vlasput op dezelfde afstand van de straat. Die was op die plaats een holle weg en zo smal dat men er met een eg niet door kon en seer onbequaem ende moijelijck om op ende aff te rijden. Charles Van der Slachmolen, toen overmeier van het Land van Asse, poelde wel stenen in de straat voor het bouwen van zijn huis te Asse. Men kan de plaats van de groeve nog zien. Jeroom Raspoet, Nicolaes Martino, Jan Van der Gucht en anderen werkten in die groeve. Ze haalden er zoveel stenen uit als de overmeier nodig had voor zijn huis. Er bleven nog stenen liggen, maar die hebben zij niet weggehaald. Dat de beide broers het deden, hebben ze nooit gezien of gehoord. De straat is nu langs de kant van Wambacq eene bequaeme ende effen straete, zijnde rijdbaer ende ganckbaer, behalve aen de overkant, de kant van Peter Schoep, want die heeft met zijn steengroeve een deel van de straat ingenomen. Nog andere getuigen kwamen de broers met hun verklaring ter hulp:

– Gregorius Doms, een steenkapper uit Meldert, getuigde dat hij met andere steenhouwers voor de overmeier werkte aan de stenen die uit de straat kwamen. Hij werkte ook meerdere jaren als steenkapper voor de broers, maar nooit aan stenen die uit de straat kwamen.

– Jan De Putter uit Erembodegem verklaarde dat hij gedurende zes jaar samen met Michiel De Pauw in de steenpoel van Peter De Bus aan de slag was. Die groeve lag tussen het goed van de kapelanij van Sint-Kwintens-Lennik en het goed van de Wambacqs. Ze verbreedden er de straat zodanig dat een kleine olm op het land van Franchois nu aan de straatkant staat.

– Peter Van Huisseghem beweerde dat hij in 1556 samen met Jan De Putter met stootkarren aarde aanvoerde om de straat berijdbaar te maken.

– François Lippens weet dat hij, Jan De Putter en Aert Piemans een maand voor de aanklacht op het erf van Franchois van de vlasput hebben gezien en dat er nog enkele bundels vlas lagen. Hij heeft ook in de steengroeve van Franchois gewerkt, maar heeft nooit stenen uit de straatput gehaald. Integendeel, hij herstelde met Jan en Aert de straat met grond van de steenpoel op het erf van Franchois. Hij besloot dat, nu hij erover nadacht, de straat deels op grond van Franchois ligt en moet opschuiven naar Peter Schoep toe. Dat zeit hij al aan de overmeier en is dan ook verwonderd dat de meier Crabeels soo lichtveerdelijck ende temerairrelijck een rechtszaak heeft ingespannenen onnodige kosten heeft veroorzaakt. Hij hoopt dat de overmeier de kosten zal betalen.


Ten versuecke van joncker Charles Crabeels hooftmeijer des Lants van Assche hebbe ick onderteeckent vorster desselffs Lants van Assche verboth gedaen soo ick doen midts desen aen Aert Peeman knecht van Michiel Wambacq ende aen Franchois ………. knecht van meester Franchois Wambacq dwelck ick oock hebbe gedaen aen den voorschreven meester Franchois ende Michiel Wambacq in persoone ten eijnde dat sij niet meer en souden voorts wercken int aerde schieten in sekeren steenpoel tegen den affschietenden kant naest de strate beneden “Den Exterenbergh” binnen Esschene bij forme van een steuntsel off weringe tegen het voorder affschieten van de voorschreven strate in den voorschreven steenpoel op pene van tsestich goude keurealen off sulcken amende als daertoe is staende. Actum de tweeden meert XVI° achtenenvijftich toirconden ettha. H. Van Innichoven.

Op 15 januari 1658 liet de overmeier weten dat Franchois en Michiel toch voor de schepenbank moesten verschijnen om onder eed te bevestigen dat hun verweer op waarheid berust en zij te goeder trouw handelden. Zij moesten ook de nodige stukken voorleggen waarop zij hun argumentatie steunden. Ingaand op de eis van Crabeels legden de broers op 22 januari de eed af en verklaarden over geen schriftelijke bewijzen te beschikken.

De zitting van de schepenbank van 22 januari 1658.

De schepenen ondervroegen de getuigen die Franchois en Michiel geciteerd hadden in hun antwoord op de aanklacht. Guillam Verbeiren, Jacques Pieman en Hendrik Van Hoorebeke hielden zich aan hun eerste getuigenis en herhaalden dat zij bij het graven van een mergelput op 5 voet van de straat en op het erf van Franchois zandstenen aantroffen en die lieten liggen. Zij voegden er nog aan toe dat de straat aan het goed van Michiel Wambacq eenen crock ende ronde off gelijck eenen ellenboogh maekt en de officieren van Essene haalden er zand voor de pickers ende maeijers.

Jeroen Raspoet, Nicolaes Martino, Jan Van de Gucht, Jan De Putter, Franchois Lippens en Peter Huijsseghem hadden al op 29 december te Asse een verklaring afgelegd en bleven bij die getuigenis.

Joos Van Langenhove, gezworen landmeter bij de Souvereine Raad van Brabant, sprak op 9 januari 1658. Op verzoek van de broers Wambacq had hij de site bezocht en vastgesteld dat Franchois niet in de straat had gepoeld, maar 2 voet op zijn domein was gebleven.

De gewezen overmeier, P.J. Van der Slachmolen, bekende op 26 januari dat hij de zandstenen voor zijn huis uit een groeve in de Eksterenbergstraat had gehaald.

Brieven aan de kanselier.

Na de voor hem ongunstige getuigenissen schreef M. De Bisschop, de advocaat van Charles Crabeels, een brief naar de kanselier van Brabant met het verzoek om zijn klacht tegen de Franchoys en Michiel Wambacq te mogen aanvullen met nieuwe feiten. De kanselier gaf zijn toestemming op 15 februari. Dat lokte een reactie uit van J. Van der Slachmolen die ook over nieuwe gegevens beschikte. Hij was te weten gekomen dat de vorster van Asse zijn getuigen had verboden om nog verklaringen af te leggen. Daarop reageerde de hoofdmeier met een tweede brief aan de kanselier om diversche pointen ende malfaicten van de tegenpartij bij de processtukken te mogen voegen, waarvoor hij ook de toestemming kreeg.

Aan de officier van Essene, Machiel Steppe, gaf hij op 1 maart de opdracht om Aert Pieman, de knecht van Michiel Wambacq en Franchois Lippens, de knecht van Franchois Wambacq te verbieden verder te werken aan het opvullen van de put in de straat.

Adriaan De Kegel gewraakt.

Tijdens de zitting van de schepenbank op 1 augustus onder het voorzitterschap van loco-meier Van Innichoven delibereerden de schepenen Peter Van Mulders, Joos Van Ginderachter, Jan Van der slachmolen en Guilliam Kints over Adriaan De kegel, een getuige van Crabeels. Zij vonden hem een seer lichtveerdich persoon daar hij diversche kinderen had geprocreerd buiten zijn huwelijk. Hij had hij op vraag van Crabeels in de Eksterenbergstraat opmetingen gedaan die zij niet konden aanvaarden daar hij geen gezworen landmeter was. Bovendien verdachten ze hem dat hij in ruil voor de kwijtschelding van een boete, de overmeier een dienst wou bewijzen. Hun derde bezwaar was dat hij een jonge dochter zwanger had gemaakt. Redenen genoeg vonden ze om zich te verzetten tegen zijn getuigenis.

Het antwoord van Crabeels.

De reactie van de hoofdmeier liet niet lang op zich wachten. Op 11 augustus deelde hij aan de schepenbank zijn nieuwe informatie mee:

– De gedaagden Franchois en Michiel hebben de steenpoel, wel 20 voet diep, laten vullen om de bewijzen te laten verdwijnen.

– Ze lieten ook een gracht graven om te beletten dat het water de grond zou wegspoelen. Trouwens, een deel van de straat was al in de put gespoeld. Ze wilden dat camoufleren door eigen grond aan te voeren.

– Zonder toelating van het gerecht plaatsten ze een grenspaal om de straat een andere bedding te geven. Later hebben ze die weggenomen.

– In de berm staat een kerselaar en enkele oude eiken en daaraan is te zien dat de gedaagden 4 voet van de straatbreedte hebben ingenomen op de plaats van de steenpoel  waaruit zij de grote partij stenen hebben gehaald die nog op het erf van Franchois ligt.

De zitting van 11 augustus 1658.

De schepenen Peter Van Mulders, Joos Van Ginderachter,Jan Van der Slachmolen en Aert Robijns beslisten om Peter De Bus en Peter Schoep niet te laten getuigen omdat zij aan de overkant van de straat een steenpoel hebben en zelf een deel van de straat hebben ingenomen. Zij bevestigden nog dat Adriaan De Kegel als creatuur des aanleggers en lichtveerdich persoon niet mag getuigen. Maar M. De Bisschop, als advocaat van Crabeels, legde toch de getuigenissen voor die de drie op 3 maart hadden afgelegd.

– Peter De Bus, 36 jaar, inwoner van Essene en steenhouwer, heeft gezien dat de gedaagden hun steenpoel tegen de straat door hun werklieden 18 voet lieten ophogen om het instorten van de wanden te voorkomen. Dat gebeurde na de vorstperiode van de voorbije winter en in zo’n slecht weer dat men eenen hond niet en soude vuijtten huijse jaegen. Tijdens het proces legden ze een berm aan om het instromende water af te leiden. Op 2 maart stortte toch een deel in en dat hebben de werklieden opgevuld. Hij weet ook dat de broers met stortkerren mergel hebben weggevoerd en een grote hoeveelheid zandstenen uit de put haalden. De stenen liggen nog op het erf.

– Peter Schoep, 57 jaar, Essenaar en kuiper, herhaalde de woorden van De Bus en voegde eraan toe nabij de hut van de steenkappers de bomen, struiken en hagen gerooid zijn.

– Adriaan De Kegel uit Meldert, 36 jaar, was op 2 maart op vraag van de overmeier naar Eksterenbergstraat gekomen. Hij bevestigde wat de twee vorigen zeiden en verklaarde nog dat hij de straat heeft opgemeten en volgens hem hebben Franchois en Michiel aan het begin van de straat 5 voet ingenomen en hogerop nog 2 voet. Zelf heeft hij nog geholpen om de steenpoel verder op te vullen met grond die van een hoger gelegen veld kwam. Twee jaar geleden liet Franchois een olmen stok plaatsen, dik omtrent een schupsteel, om de straat af te bakenen aan het goed van Michiel. Maar een van diens knechten heeft die omver gereden. Martinus, de zoon van Franchois, verving de stok door een steen die Adriaan op bevel van Michiel heeft weggenomen.

– Gerard Camerman, een 63-jarige pachter van Essene, was gedagvaard door officier Michiel Steppe. Volgens hem kan men door al die werken niet meer zien waar de straat vroeger lag. Franchois Wambacq heeft de oude berm met meerdere bomen verwijderd en een nieuwe berm laten aanleggen. Zijn steenpoel was zeer diep en als er iemand in zou vallen, dan zou hij de hals ende been off anderen deel van sijnen lichaem breken.

Gesien etha, ’t proces voor hun hangende onbeslicht tusschen joncker Charles Ignatius Crabeels hooftmeijer des Landts van Assche ende meijer tot Assche nomine officii aenlegger ter eenre tegen meester Franchois ende Michiel Wambacq gedaeghden te andere sijden soo ende gelijck ’t selve is geïnstrueert tot duplycke inclus volgende den instrumente daeraff sijnde in dorso gequoteerd numero ………. wijsen ende vercleeren dat het voorschreven proces nochtertijt niet en is in staet om diffinitievelijck gedecideerd te worden maer dat ierst ende vooral informatie sal worden genomen op de feijten bij de voorschreven partijen nu geposeert, admitterende de selve daerop ten thoone om ’t selve. Gedaen ende de saecke andermael geïnstrueert sijnde voorts recht gedaen te worden naer behooren. De costen ten diffiniteven reserverende. Aldus gedaen den XXI° meije 1658 present J. Van Der Slachmolen ende Aert Robijns.

De zittingen van 4 en 5 september 1658.

Loco-meier Hendrik Van Innichoven en de schepenen Peter Van Mulders, Jan Van der Slachmolen en Guillam Kints zetten op 4 september de verhoren voort.

-Peter Van Overstraeten was een pachter en landmeter van 65 jaar uit Sint-Martens-Lennik. Op verzoek van de gedaagden, de broers Wambacq, had hij op 4 september  1657 de straat opgemeten met assistentie van Aert Kints en Joos Van Langenhove, beiden gezworen landmeters. De straat was respectievelijk elf voeten (3,03 m), dertien (3,58 m) tien (2,75 m) en twaalf voet (3,30 m) breed[1] en de steenpoel had een oppervlakte van 4 roeden 9 voeten.

Hij stelde ook vast dat de berm nu dichter bij de straat lag dan eertijds.

De volgende dag verhoorden Jan Van der Slachmolen en Peter Van Mulders nog Peter Symoens, Guilliam De Baetselier, Guilliam Coppens en Jan Van Neygen.

– Peter Symons was een 75-jarige inwoner van Wambeke. Hij weet zeker dat Franchois Wambacq nooit in de straat heeft gepoeld. Zijn poel kwam tot 4 of 5 voet van de straat. De straat is altijd al een diepe holle weg geweest. In zijn jonge jaren woonde hij in Essene en reed hij vaak door de straat. Zij was toen zo smal dat hij zich met een eg heeft vastgereden. Hij moest toen van zijn paard komen om de eg los te maken. Op verzoek van Franchois is hij nog eens naar de straat geweest en zag dat ze nu effen en gemakkelijk berijdbaar is en dat Franchois de vlasput weer heeft geopend.

– Guilliam De Baetselier uit Hekelgem is 70 jaar en schepen van de abdij. Hij herhaalde wat Symons zei en voegde eraan toe dat de olm die vroeger in de berm van Franchois stond nu tot tegen de straat komt omdat de weg naar het goed van Franchois is opgeschoven met als gevolg dat de wortels van de bomen in de berm worden bloot gereden. De steenkappershut van Peter De Bus en Peter Schoep staat gedeeltelijk op de straat. Dat de broers Wambacq stenen uit een straatpoel haalden, heeft hij nooit gehoord.

– Guilliam Coppens is 78 jaar en komt uit Essene. Hij was het eens met de voorgaande getuigen. Hij weet dat er vroeger aan de kant van Peter Schoep een gracht lag die nu is opgevuld met grond. Hij heeft ook regarde genomen van een kerselaar en een olm die vroeger in de berm van Franchois stonden en nu verder van de straatkant staan en daarmee spreekt hij de andere getuigen tegen.

– Jan Van Neygen is smid in Essene en 57 jaar. Hij was vroeger paardenknecht bij Franchois en kende de straat goed. Nu is het een goed berijdbare weg, maar vroeger was ze in zo’n slechte staat dat men zich voortdurend vast reed. Hij was er bij toen de eerste steenpoel werd gegraven en die kwam niet tot aan de straat.

De zitting van 7 september 1658.

Advocaat M. De Bisschop protesteerde tegen het verhoor tijdens de voorbije twee zittingen van de schepenbank van getuigen zonder dat hij daarvan tijdig op de hoogte was. Het waren ook getuigen die ofwel vrienden, familie of werklieden waren van de Wambacqs. Er werden nog drie getuigen ondervraagd.

– Essenaar Hendrik Van Hoorebeke, 46 jaar, werkte al 14 jaar in de steenpoel van Franchois en sinds 1654 in de mergelput. Op bevel van Franchois moesten ze met de groeve 4 of 5 voet van de straatkant blijven. Hij heeft ook nog in de vlasput gewerkt.

– Jacques Pierman, 56 jaar en eveneens uit Essene, ontdekte samen met  Guilliam Verbeiren, mergel in de steenpoel. Dat was in 1654. Zandstenen heeft hij aan de straatkant niet gezien en hij noch sijne confrères noijnt en hebben aen de straete getoucheerd en hebben nooit gezien dat Franchois er stenen uit de straat haalde. Tot slot zei hij dat hij nog in het huis van Franchois heeft gewoond.

– Guilliam Verbeiren beklemtoonde dat hun meester hen verbood tot aan de straat te delven.

Besluit.

Deze processtukken zijn bijzonder interessant omdat ze aantonen dat niet alleen de abdij, maar ook particulieren zandsteengroeven hadden. Dat alle getuigen verklaarden dat de put heel diep was, illustreert dat de zandsteenlagen op een diepte van 6 tot 10 m voorkwamen. Dat er nog in de 17de eeuw mergel werd opgegraven om op de velden te voeren is toch eerder uitzonderlijk. Rootputten vond men in onze streek nog tot de eerste decennia van de 20ste eeuw.

De vele getuigen behoorden duidelijk tot een van de twee kampen. Franchois en Michiel Wambacq konden wel rekenen op meer en betrouwbaarder getuigen. Over het feit dat de vorige hoofdmeier in de straat een steengroeve opende om er de stenen voor zijn huis uit te halen, is er geen tegenspraak.

Opmerkelijk is ook dat meerdere getuigen de Eksterenbergstraat aanduiden als de weg naar Aalst en Affligem. Dat geeft aan de deze holle en steile aarden weg een belangrijke verbindingsweg was die men verkoos boven de oude heerbaan.


[1] De Brusselse voet = 0,2758 m.

[1] VERMOESEN, De Zandsteengroeven van de abdij Affligem, Heemkunige Kring Belledaal.

[2] P. LINDEMANS, Geschiedenis van de landbouw in België, dl II, 233.

[1] Fontes Affligemensis, nr. 20. Bona et Jura Monasterii Haffligemensis, ingeleid door Jaak Ockeley, 1975, 26.

[2] JAN VAN DER HAMEYDE (pseudoniem van Jan Lindemans) publiceerde delen van het memorieboek in Eigen Schoon en De Brabander.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s