Rechtszaken te Hekelgem in de 18de eeuw.

1702. Hendrik Michiels betaalde niet[1].

Op 2 februari 1693 leende Hendrik Michiels 150 g van Carel De Greve, man van Cathelijn De Wolff, met een rente van 9 g 7 ½ st. De looptijd bedroeg drie jaar en in het geval dat de lening niet binnen die afgesproken termijn was afgelost, dan kon de leninggever of zijn nakomelingen beslag laten leggen op voldoende panden. Vanaf 1696 betaalde Hendrik de rente niet meer en pas in 1702 diende Cathelijn, ondertussen weduwe geworden, bij de schepenbank het verzoek in om beslag te mogen leggen op goederen van Michiels ter waarde van de achterstallige renten. Op 25 april 1702 gaven de schepenen Peter De Vis en Peter Moens, als voogden van Leonaert, de zoon van Carel en Cathelijn, aan Joan Van Mulders de opdracht Hendrik Michiels te dwingen tot restitutie van de lening en de achterstallige intrest.

Henricus Michiels overleed op zaterdag 27 januari 1703 in Hekelgem.  Hij trouwde op zondag 10 mei 1671 in Hekelgem met Joanna De Merchie, 30 jaar oud. Zij is een dochter van Erasmus en Joanna Van Der Elst. Zij is gedoopt op zondag 6 januari 1641 in Hekelgem en overleed op woensdag 10 augustus 1701 in Hekelgem, 60 jaar oud.

1702. Verkoop van de inboedel van Jan De Roije[2].

In opdracht van de drossaard en de schepenen van het Markizaat en Land van Asse verkocht collecteur Andries De Boitselier de meubelen, granen en andere effecten die waren aangetroffen in het verlaten sterfhuis van Jan De Roije. Op 17 oktober 1702 legde Andries de rekeningen ter goedkeuring voor aan drossaard Mortgat, de schepenen Hendrik Van Ginderachter, Jan Van Zeebroeck en de griffier Van Muilders. Als ontvangsten noteerde hij:

– de verkoop van meubelen op 31 juni 1701: 35-11-2

– de verkoop van graan aan het hopveld op 7 augustus: 3-4-0

– verkoop van gerst aan Barbara Van de Velde: 8-8-0

– verkoop van wit koren aan Jan Arijs, zoon van Peter: 7-2-0

– verkoop van 2 partijen wit graan aan Gillis Lambrechts: 0-7-0

– verkoop van een partij haver aan collecteur Peter Verleysen: 7-12-0

– en voor een partij bonen en erwten ook aan Peter Verleysen: 4-13-0

– verkoop van koren aan Jan Pensionaris: 3-0-0

– verkoop van roomse bonen en de helft van de hop van het hopveld nabij zijn hof:1-8-0.

Samen met nog enkele andere inkomsten bedroeg de ontvangst 85-4-2.

De uitgaven waren hoofdzakelijk vergoedingen:

-voor het werk van de drossaard, de schepenen, de oproeper en de griffier: 7-14-0

– aan Elisabeth Eeckhout voor haar werk als meid bij Jan De Roije: 16-19-0

– aan Anna De Blangh die ook als meid werkte: 16-0-0

– aan Peter De Vis, officier, voor zijn ambtelijke prestaties: 3-0-0

– aan Melchior Carnoy voor het beslagen van een paard van De Roije:1-16-0

– allerlei uitgaven voor het opstellen van de rekeningen: 85-4-2.

Het ontvangstbewijs van Anna De Bangh

Besluit: De uitgaven waren gelijk aan de inkomsten en de rekeningen werden goedgekeurd.

1702. Wie moet de schulden van Anna Vranckx betalen[3]?

Joan Kieckens, een pachter van IJzeringen, was getrouwd geweest met Anna Vranckx, de weduwe van wijlen Martinus Wambacq. Na de dood van Anna had Joan Kieckens het sterfhuis verlaten en Gillis Wambacq, de zoon van Anna en Martinus, bleef in het huis wonen met het gebruik van de meubels. Joan vond dat hij als langstlevende recht had op die meubels, maar Gillis had zich die erfenis toegeëigend en dus moest hij volgens zijn stiefvader ook al de schulden van die erfenis betalen, dus ook die bij A. Franchois Joostens. Daar Gillis weigerde, trok Joan naar de schepenen van Asse.

In zijn antwoord op de klacht van Joan benadrukte Gillis dat zijn stiefvader uit eigen wil het huis had verlaten. Maar als hij zich ziet als de rechtmatige eigenaar, moet hij alle schulden betalen. Trachtte Kieckens op een sluwe manier Gillis ertoe te brengen dat hij de schulden moest aflossen? Eerder had hij Gillis al gezegd dat hij de 5 g van een landpacht mocht houden en anderzijds liet hij hem de grondcijns aan de abdij betalen. Wilde hij tenslotte met zijn vraag naar de meubels dat Gillis zich uitsprak als de erfgenaam? Gillis verklaarde aan de schepenen dat Kieckens in feite bij hem in de schuld stond en dat hij hem beter zou vergoeden in de plaats van hem met een rechtszaak te comen quellen. Hij vroeg de schepenen om de zaak dood ende te niet te doen.

Egidius Wambacq, zoon van Martinus en Anna Vrancx. Hij is gedoopt op dinsdag 1 september 1671 in Essene. Hij is overleden op zondag 27 juli 1721 in Hekelgem, 49 jaar oud. Egidius trouwde, 29 jaar oud, op zondag 19 december 1700 in Hekelgem met Margareta Clauwaert, 47 jaar oud. Zij is een dochter van Petrus en Joanna Verleysen. Zij is gedoopt op maandag 10 november 1653 in Hekelgem. Margareta is overleden op zaterdag 15 november 1727 in Hekelgem, 74 jaar oud. Zij was weduwe van Franciscus Robijns (1653-1698), met wie zij trouwde op zaterdag 23 september 1679 in Hekelgem.

Anna Vrancx, dochter van Henricus en Anna Rodomont, werd gedoopt op zondag 1 februari 1643 in Asse. Zij overleed vóór 1680, ten hoogste 37 jaar oud. ANNA trouwde, 12 jaar oud, op vrijdag 9 juli 1655 in Asse met Martinus Wambacq, 35 jaar oud. Hij is een zoon van Franciscus en Catharina De Troch. Hij is gedoopt op zaterdag 19 oktober 1619 in Essene. Martinus overleed op woensdag 6 februari 1675 in de abdij Affligem, 55 jaar oud. Zij trouwde, 32 jaar oud, op zondag 12 januari 1676 in Essene met Joannes Kieckens. Martinus was notaris te Essene en griffier in Affligem.

1703. De bomen van Hendrik Schoonjans[4].

Op 29 december verkocht Hendrik Schoonjaans voor 108 g bomen die op een veld stonden waarvan hij de vruchtgebruiker was en zijn kinderen de eigenaars. Zijn schoonzoon, Jacobus Verheijlewegen, een pachter van Asse, was daar niet mee opgezet en eiste het geld van die verkoop. Had Hendrik het geld nodig? Hij was alvast 80 g 10 st schuldig aan Engel Carnoy, bosmeester van de abdij. Die trad kordaat op en verzocht de schepenbank om zijn 80 g 10 st te mogen recupereren van de verkoopsom van de bomen. Het gevolg was dat de 108 g geblokkeerd werden. Dat was tot ergernis van Jacobus Verheijlewegen die een proces inspande tegen Engel Carnoy. Wat dan volgde was een procedureslag tussen de abvocaten Adriani voor Carnoy en Slachmolen voor Verheijlewegen.

Op 25 juni 1703 ondertkende Hendrik Schoonjans een verklaring waarin hij erkende dat hij geen recht had op de verkoopsom van de bomen want die waren eigendom van zijn kinderen. Het geld moest dus aan Jacobus worden overgemaakt. Ingel Carnoy reageerde op 3 juli 1703. Hij stelde dat Jacobus zich tot de verkeerde persoon richtte. Niet hij maar Hendrik Schoonjans is de schuldige, hij moet zijn schulden betalen en voegde er nog aan toe dat Schoonjans als advocaat eenen persoon is die gedaelt is tot eene grote cadentie ende blijckbaer ontbloot is van al sijne middelen. Hij veronderstelde dan ook dat Jacobus met zijn schoonvader samenspande om hem van zijn rechtmatige eis van de betaling van 80 g af te houden.

Dan was het de beurt aan Jacobus om te antwoorden. Volgens hem had Carnoy niet het recht om de 108 g te laten blokkeren want  zijn schoonvader verkocht de bomen in opdracht van de kinderen en dus had Carnoy paerte nochte deel off actie in die verkoop. Om zijn stelling te ondersteunen verwees hij naar de costuijmen van Brussel die bepalen dat een vruchtgebruiker niet mag raken aan harthoutbomen als eiken, beuken, olmen, essen en dergelijke. Om een beter inzicht in de zaak te hebben ondervroegen de schepenen twee getuigen: Jan Kieckens en Jan Stevens die bomen kochten verklaarden aan de schepenen dat ze het geld in de handen van Hendrik Schoonjans moesten geven. Hij vermeldde niet dat het de vruchtgebruiker van de gronden was.

Op 13 november 1703 besliste de schepenen dat er nog bijkomende informatie nodig was om tot een uitspraak te komen. Uiteindelijk viel het vonnis op 3 maart 1705. Wat de schepenbank besliste weten we niet want het document is onvolledig.

Ick ondergeteeckent verclaere ende attestere dat ick van wegens Jacobus Verheijlewegen als getrouwt sijnde met mijne dochter Anna Schoonjans ende van wegens mijne andere kinderen hebbe vercocht aen Jan Stevens, innegesetene der prochie van Esschene eene partije herte boomen gestaen hebbende op hunne goederen daer van mij aen het landt maer de tochte en was competerende, ende de propriëteijt aen de selve mijne kinderen, verclaerende aen de coopsomme dijer…

1703. Jacques Vremi veroordeeld tot de corde[5].

Jacques Vremi (ook Jaco Vremy, Vermi of Vermy geschreven) en zijn zoon Valentijn verlieten op 27 april 1703 hun huis met hun viool. Net voor het vallen van de avond keerden ze terug, maar ‘s nachts vertrokken ze weer. Nog diezelfde nacht werd er bij Marie Bocqueneau ingebroken. Iemand had een gat gemaakt onder de dorpel, was langs daar naar binnen gekropen en had er kleren en lijnwaad gestolen. Telkens als Jaco de speelman daarna bij haar binnenkwam, spotte hij dat ze wel arme mensen waren en zich toch nog lieten bestelen. Haar man was bekwamer in het bewaren van vrouwenkousen, zei hij, dan in het beschermen van zijn huis. Vier of vijf maanden later bood Antoon, de jongere zoon van Jaco haar een serviette te koop aan, maar zij weigerde het aanbod omdat ze dacht dat die gestolen was. Ze gaf hem 1 ½ stuiver opdat hij zou weggaan. Enkele dagen later kwam zijn moeder de serviette, die Antoon had laten liggen, ophalen en gaf toe dat ze gestolen was. Bij Marie was de achterdocht gewekt en ze lichtte de schepenen in over de gestolen serviette. Zo begon een proces tegen Jaco Vremi dat voor hem op dramatische wijze zou eindigen.

De schepenbank startte een onderzoek en ontdekte al snel een aantal feiten die in de richting van Jaco wezen als de dader van de diefstallen. Ze ondervroegen meerdere getuigen.

Marie Bocqueneau was een huisvrouw van 42 jaar. Ze vertelde de schepenen dat zo’n 3 jaar geleden Jaco Vremy met een twintigjarige vrouw bij haar kwam. Hij vroeg haar een bed om die jonge vrouw tot sijne vrouwe te maecken want zijn eigen vrouw was dood. Marie antwoordde hem dat ze zijn vrouw kende en dat het een schande was wat hij als getrouwde man wilde doen. Ze maakte voor hem een bed klaar in een kamer en een voor de vrouw in de keuken. Maar Jaco wilde niet naar de kamer gaan en bleef in de keuken waardoor haar man zich genoodzaakt zag om de hele nacht op te blijven om die vuijlicheijt van overspel te beletten en dat tot ergernis van Jaco. Die dreigde ermee dat hij dat wel eens te passe zou brengen. Veertien dagen later werd er bij haar ingebroken. Marie vertelde ook het voorval met de serviette.

Jan De Bruecker was 32 jaar en inwoner van Asse. Hij verklaarde dat op donderdag 26 april Jaco en zijn zoon bij hem waren gekomen. Nadat ze twee pinten hadden gedronken, waren ze vertrokken. Die nacht werd er bij hem ingebroken. Onder de dorpel was een gat gemaakt. Als gestolen goed vermeldde hij 37 ellen lijnwaad, een bruine stoffen rok, 3 voorschoten, 1 hemd, een paar lakens, een kints casacxken, een witte mantel, een rol tabak en nog wat kleinigheden. Buiten zag hij voetafdrukken en op aandringen van zijn vrouw volgde hij de sporen doorheen Asbeek tot aan het huis van Vremy in Hekelgem. Samen met Andries De Boitselier, Laureijs De Coninck, Andries De Wandeleir en Gillis Troch is hij de diefstal bij de drossaard gaan aangeven. Bij Jaco zagen ze de goederen liggen en aan zijn zoon Antoon vroegen ze of hij wist dat het gestolen goed was. Antoon gaf dat toe en voegde eraan toe dat zijn vader hem had verboden om daarover iets te zeggen, want dan zou hij zijn armen en benen breken. Aan de drossaard had Jaco verteld dat hij die nacht van de 26ste april te Bijgaarden en te Kapellen voor soldaten had gespeeld. Zijn vrouw getuigde echter dat hij die nacht niet thuis was en dat hij dikwijls ’s nachts wegbleef of zeer laat thuis kwam. De Bruecker deelde nog mee dat hij eens de vrouw van de speelman door het venster van de kamer van Jan Poels had zien kruipen. Ze wrong zich door de tralies.

Elisabeth Troch, de 29-jarige vrouw van Jan De Bruecker, bevestigde dat Jaco en Valentijn op 26 april in hun huis zijn geweest. Ze wilden een pint drinken. Terwijl zij in de kelder om het bier was, hoorde ze de twee mannen in haar huis rondlopen. Na een tweede pint zijn ze vertrokken. Die nacht werd er ingebroken en de dingen die haar man opnoemde werden gestolen.

Margriet Raes, de vrouw van Jan De Bois, 36 jaar, herinnerde zich dat, toen zij eens ’s morgens vroeg naar Brussel ging, zij Jaco Vremy en zijn zoon Valentijn tegenkwam. Ze zaten langs de kant van de weg te rusten en hadden elk een grote maalzak bij. Op haar vraag wat er in de zak stak, antwoordde Jaco dat het hop was en hij haalde er een carnaten hemdrock uit en vroeg of zij die wilde kopen. Margriet weigerde en Jaco zei dat hij zijn spullen wel op de Oude Markt kwijt kon. Daarop ging Margriet alleen voort.

Bij Adriaan Hellinck, 45 jaar, werd twee geleden zijn geweer gestolen. Hoe dat is gebeurd, weet hij niet, maar onlangs bood iemand hem een geweer aan waarvan de loop met ongeveer de breedte van een handpalm was ingekort. Hij dacht dat het zijn geweer was, want hij herkende nog een stukje van de scheur die zijn pistool had.

Peter De Mesmaecker, een 56-jarige slotenmaker, vertelde de schepenen dat zo’n 8 à 9 maanden geleden Jaco Vremy bij hem kwam en vroeg om de loop van een ruiterpistool in te korten zodat hij het wapen in zijn zak kon steken. Hij had dat van iemand gekregen, beweerde hij. Peter heeft dan een stuk van de loop afgezaagd.

Cornelis Van den Cruyce, een 32-jarige inwoner van Bekkerzeel, Tussen Allerheiligen en Sint-Andries bood Jaco hem een carnaten hemdrock met tinnen knopen en gevoerd met lijnwaad te koop aan. Die hemdrok was van zijn zoon, beweerde Jaco, maar die droeg nu alleen nog juppens. Hij vroeg er 46 st voor, het bedrag waarvoor Valentijn die hemdrok had gekocht. Cornelis betrouwde de zaak niet want hij dacht dat die hemdrok zeker 6 g waard was.

Antoon Vremy was de jongste zoon. Zijn getuigenis werd noodlottig voor zijn vader. Op een nacht moest hij van zijn vader een mutsaard gaan stelen achter het huis van Engel Carnoy. Het regende en zijn vader en zijn broer gingen nog weg en zouden nat thuiskomen. Met die mutsaard konden ze zich laten drogen en verwarmen. Onderweg kwam hij beiden tegen en hij zag dat zijn vader al een mutsaard had. Zijn broer droeg een mantel. Thuis hoorde hij zijn vader zeggen dat ze het ding in de Rammeleer hadden gelegd en het daar 24 u. zouden laten liggen. Als er een huiszoeking kwam, dan zouden ze niets vinden. De volgende morgen beval Jaco Antoon om naar de vijver te gaan om te controleren of er niets van zijn spullen boven water was gekomen. Die avond, het was al na 10 u., gingen zijn vader en Valentijn de mantel halen en legden hem achter hun huis in het koren. In de kamer van zijn ouders zag hij lijnwaad, lakens, voorschoten en andere prompselerije hangen. De volgende avond wou zijn moeder de mantel uit het koren halen, maar zag nog net op tijd dat de schepen Andries De Boitselier rechtover hun deur stond te kijken. Valentijn haalde dan later de mantel naar binnen. Zijn vader zei dat ze met de verkoop van die dingen de aankoop van een ezel konden betalen. Op 1 mei gingen zijn ouders en zijn broer met hun kraam en violen naar de kermis te Meldert. Antoon moest op het huis passen. Na de middag kwamen officieren en de schepenen Van der Slachmolen en Andries De Boitselier van het Land van Asse om het huis te doorzoeken en vonden er de gestolen goederen. Antoon namen ze gevangen omdat hij de diefstal had verzwegen en de gestolen goederen had bewaard. Griffier Van Mulders noteerde dat Antoon had meegewerkt.

Op 8 mei verhoorden de schepenen Jaco Vremy. Hij ontkende nadrukkelijk alle aantijgingen. Hij had geen enkele reden om te stelen, zei hij, want hij had de ezel al drie of vier weken voor de inbraak al  betaald. Dat was gebeurd in een herberg aan de IJzenbeek in aanwezigheid van sieur Philippe Van Mulders en de waard. De avond van de inbraak liet hij zijn ezel weiden en nadien had hij zijn huis niet meer verlaten. Over de dingen die in zijn kamer hingen te drogen wist hij niets en had geen idee hoe ze daar waren gekomen. Hij was die eerste mei vertrokken om de kost te verdienen voor zijn vrouw en kinderen. Hij heeft in Brabant en Vlaanderen een goede naam en faam waar hij zijn kost verdient in eer en deugd. De abt van Grimbergen heeft dat in een brief bevestigd. Jaco nodigde zelfs de schepenen uit om in de naburige parochies getuigenissen te verzamelen van zijn eerlijk gedrag.

De schepenen gingen ondervroegen op 12 mei twee nieuwe getuigen. Molenaar Gillis Van den Cruyce van Asse bevestigde dat Jaco op 12 april zijn ezel kocht voor 9 g, maar slechts 6 g betaalde. Christiaan Meert, 30 jaar,  Philippus Van Mulders, 30 jaar en Jacobus Verheijlenwegen waren daarbij aanwezig.

14 juli: de bekentenis. Daar Jaco Vremy de feiten bleef ontkennen beslisten Hendrik Van Ginderachter, Joos Van der Slachmolen en Andries De Boitselier om de tortuur toe te passen. Jaco werd gebonden, kreeg een halsband om en bij een vuur geplaatst. Onmiddellijk begon Jaco te klagen en te roepen: Onse Lieve Moeder Gods Maria ende moeder Sint Anna wilt mij bijstaan. Een half uur later verweet hij zijn advocaat Van der Slachmolen dat hij hem niet goed had verdedigd en dat men nu goed het verschil kon zien tussen mensen met geld en degenen die er geen hadden. Jaco kreeg wat te drinken. Hij bleef lamenteren dat de mensen geen compassie hadden en vroeg nog eens om drinken. Na een uur vroeg om losgemaakt te worden want hij wilde alles bekennen. Maar eens vrij ontkende hij nog eens alle beschuldigingen. Een half uur later hield hij de hitte niet meer uit en bekende dat hij op 27 april in het huis van Jan De Bruecker had ingebroken. Hij en Valentijn hadden onder de zulle[6] Valentijn kroop naar binnen en hij hield buiten de wacht samen met de concubine van Valentijn. Al wat Valentijn naar buiten bracht, staken ze in een zak en droegen die naar de Rammelaar[7] waar ze alles in het water lieten zakken, behalve de mantel die ze in een gracht verborgen. Op zondagavond haalden ze de spullen naar huis en hingen ze in de kamer te drogen. De bekentenis werd aan Jaco, die nog bij het vuur zat, voorgelezen en hij ondertekende de bekentenis met een kruis.

23 juli veroordeeld tot de corde[8].

De drossaard van het Land van Asse, die optrad als vertegenwoordiger van de hertog, had uitgebreide bevoegdheden, maar daders van zware misdrijven waarop een lichamelijke straf stond, moest hij overdragen aan de amman van Brussel. Bijgevolg zond de schepenbank het proces verbaal naar de Steenstraat te Brussel voor de Raad van Brabant. Op 17 juli volgde het vonnis van F.J. Stucken en F. Gochet. Jacques Vremy werd veroordeeld om gestraft te worden met de corde soo datter de dood naervolgde, verclaerende tot dien sijne goederen geconfisceerd ten behoeve van de heere, ierst afgetrocken de costen ende missen van justitie over den processe ende executie van de vonnisse.  Volgens de wet moest de drossaard het vonnis, executie door ophanging, onthoofding, levend verbranden of verminking door radbraken of brandmerken, zelf uitvoeren. Daarom kwamen de drossaard en de schepenen van Asse, Hendrik Van Ginderachter, Joos Vander Slachmolen, Andries De Boitselier en Hendrik De Bailliu samen met de schepenen tot Asse, Jan Lahoese, Andries De Vogel, Gillis Taekers en Clauwaert bijeen om het vonnis uit te voeren. We mogen aannemen dat dood met de cordeophanging betekende. Die strafuitvoering had meestal plaats op een drukke marktplaats in het centrum van de meierij, hier dus het centrum van Asse. Na de strafuitvoering transporteerde de beul  zo vernederend mogelijk de stoffelijke resten naar de tentoonstellingsgalg waar hij het gehavende lijk aan de galg bevestigde. Jacques’ lijk kwam op de Boekhoutberg[9] terecht. Zijn stoffelijke resten bleven zoals gebruikelijk  afschrikking aan de galg hangen.

Slot van het pv van griffier Van Mulders.

1703. Verwarring over een elsbroek[10].

Op 2 augustus 1659 stelden de schepenen van het Land van Asse de akte op van een lening op die Nicolaas De Smedt, brouwer te Asbeek, en zijn vrouw Joanna Plas aangingen bij juffrouw Maria Van Steenwinckel. Zij was de grootmoeder en voogd van Gillis en Guillam Defraije, kinderen van haar zoon en van wijlen Joanna Catharina Van Loy. Het ging om een bedrag van 200 g met een erfelijke rente van 12 g 10 st (6,5 %) te betalen telkens op 15 juli vanaf 1660. Als pand gaven Nicolaas en Joanna 3 d elsbroek gelegen te Asbeek en palend aan Den Rottican, het goed van Laureijs Gillisjabns en het goed van het godshuis van Groenendaal. Het broek was belast met een grondcijns van ½ graspenning. Het tweede pand was 1 d meers gelegen te Asbeek en palend aan de Hopstraat, het Molenstraatje en het goed van het godshuis van Asse, belast met een cijns aan de heer Van Steenvoort.

In 1703 was de rente al jaren niet meer betaald en Jan Albert Defraije spande een proces in tegen Petrus Clauwaert en Joanna Cornelis uit Hekelgem. Joanna Cornelis was een kleindochter van Nicolaas De Smedt en tevens erfgename van de onbetaalde intresten van haar grootvader. Defraije liet het elsbroek en de meers aanslaan en verkopen ten bate van Gillis en Guillam Defraije en hun zus. Op 16 mei kocht hij zelf de twee percelen voor 350 g. Met dat geld was de achterstallige rente betaald, kon hij zijn mede-erfgenamen vergoeden en was hij eigenaar van twee onroerende goederen. Het was wellicht tot zijn grote verbazing dat hij vernam dat Gillis De Smedt, een zoon van Nicolaas, op 21 mei 1676 een lening had aangegaan bij Joanna Barbara Van Ginderdeuren, de weduwe van procureur Van Lille, met een rente van 21 g 17 ½ st. Als pand gaf hij een elsbroek van 3 d en een meers van 1 d. Advocaat Deens was in 1703 via zijn vrouw de eigenaar geworden van die twee partijen land en hij spande op zijn beurt een proces in tegen Jan Albert Defraije. Die had niet het recht dat elsbroek en de meers aan te slaan en zeker niet om ze te verkopen. Defraije startte een onderzoek en ontdekte dat het om twee verschillende panden ging. Het elsbroek dat Gillis De Smedt had gegeven was een broeckagie gelegen in het Pulleweidebroek en paalde aan de erfgenamen van Francis Wambacq, Hendrik Fasseel en het godshuis van Groenendaal. De meers lag aan het Borgstadbroek en paalde aan het goed van Affligem en de Kleine Eendenkouter. Het besluit was duidelijk: het ging om twee verschillende percelen. Hij vroeg dan ook aan zijn opponent Deens om de rechtsprocedure die al drie jaar duurde te stoppen.

Wij ondergeteeckent verclaeren te constitueren den procureur Cri(e)ck om ten diffintiven toe te vervolgen alsulcken proces als wij genootsaeckt worden te sustineren voor de bancke van Assche in materie van guarandt tegen Peeter Clauwaert ingesetene van Eckelgem als in houwelijck hebbende Joanna Cornelis, ratificerende ende approberende ’t gene bij den selven daer inne alreede magh wesen gedaen. Actum desen 25ste januari 1706, sijnde onderteeckent G. F. Defraije, J. A. Defraije, M.

A. P. Defraije, E; A. Defraije, E. D. Schelkens, Maria Magdalena Herregouts, Isabella Defraije, ende Catharina De Fraije. Accordeert met d’origineel quod attestor, Eg. Lodewijcx, notaris, 1706

Petrus Clauwaert was de, zoon van Petrus en Catharina Robijns. Hij is gedoopt omstreeks 1655 in Hekelgem en is overleden op zaterdag 11 september 1723 in Hekelgem, ongeveer 68 jaar oud. Hij trouwde, ongeveer 34 jaar oud, op zaterdag 14 mei 1689 in Hekelgem met Joanna Cornelis, 24 jaar oud. Zij was een kleindochter van Nicolaas De Smedt en werd gedoopt in 1665 in Hekelgem. Zij is overleden op zondag 27 september 1722 in Hekelgem, 57 jaar oud.

1703. Nicolaas Kieckens, een kordate maar niet correcte collecteur[11].

Op 17 april 1703 verzocht collecteur Nicolaas Kieckens de schepenbank om Gillis Van den Wijngaarden te verplichten om binnen de 8 dagen zijn verplichtingen voor het omstellingsboeck na te komen en, in het geval van nalatigheid, hem de toestemming te geven om de mobilaire en immobilaire goederen van Gillis te verkopen tot voldoening van de schuld. Officier Peter De Vis overhandigde op 24 april 1703 het order aan Gillis Van den Wijngaerde samen de kosten van 6 g voor het opstellen van de akte.

Vier maanden later geraakte Nicolaas zelf in de problemen. Peter Zeelens had hem schapen verkocht voor 29 ponden Vlaams, 5 schellingen en 3 st. Maar Nicolaas betaalde niet en op 31 juli 1703 moest hij zelf zich voor de schepenen gaan verantwoorden. Op advies van de Raad van Brabant verplichtte de schepenbank hem op 8 september Peter Zeelens promptelijck te betalen plus 6g voor elke adviseur en 12 st voor de griffier van de Raad Van Brabant.

1703. Engel Carnoy in de problemen[12].

Op vraag van de schepenen daagde officier Peter De Vis Engel Carnoy voor de schepenbank. Juffrouw Catharina Van Cutsem had tegen hem een proces ingespannen omdat hij al twee jaar een rente van 6 g niet had betaald. Na drie dagvaardingen had Engel zich nog niet bij de schepenen gemeld. Hij werd op 26 juni 1703 veroordeeld tot het betalen van de 12 g 10 st achterstallige rente en de gerechtskosten, samen 19 g 7 st.

In 1713 was de kwestie nog niet van de baan. Carnoy stond 5 jaar achter met de betaling van de rente. Weer volgde een proces bij de schepenbank en weer ging Engel niet in op de dagvaardingen. Op 25 april 1713 werd hij veroordeeld tot betaling van 43 g 2 st waarvan 30 g achterstallige rente, 6 g 14 st 2 o voor de griffier en 6 g 8 st voor de advocaat.

Als collecteur trad Engel in 1712 wel drastischer op tegen wanbetalers. Peter Verleysen kon maar 12 g van de verplichte 15 g betalen voor het collecteboek. Na enkele maanden was het geduld van Engel op en hij schakelde de schepenbank in om aan zijn 3 g te geraken. Het duurde drie maanden om tot een uitspraak te komen. Peter moest de achterstallige 3 g plus de gerechtskostenkosten betalen, samen 21 g 12 ½ st.

In 1716 geraakte Carnoy tweemaal in moeilijkheden. Barbara Van de Velde   hem aanomdat hij haar 72 g schuldig was, afkomstig van geleend geld en consumpties. Op 16 juni 1716 veroordeelden de schepenen Engel tot de betaling van 83 g.

Bij de weduwe van Jan Raspoet kocht Engel in 1709 schaarhout aan voor 9 g. Hij haalde het hout op, maar vergat te betalen. In 1716 was het geduld van de weduwe op en zij schakelde advocaat Arnoult Adriani in om haar zaak bij de schepenbank te verdedigen. Engel werd op 14 juli veroordeeld tot het betalen van 15 g 6 ½ st.

1704. Lasten voor de parochie.

Van Sint-Jansmis 1703 tot Sint-Jansmis 1704 moest Hekelgem een aanzienlijke bijdrage leveren in de oorlogskosten. De 18de eeuw was begonnen zoals de 17de eindigde: met oorlog. De Spaanse koning Karel II stierf zonder opvolger en de Franse koning Lodewijk XIV eiste de Spaanse troon op en dat tegen de zin van de Oostenrijkse Habsburgers, Engeland en de Hollandse republiek. Het gevolg was dat onze streken in de oorlog werden betrokken. Zo roofden soldaten 29.164 bomen van de abdij en de legeraanvoerders, Malborough en Wittenberg, namen er hun intrek en verteerden met hun gevolg heel de voorraad haver, hooi en stro een grote hoeveelheid mutsaarden.

De strijd duurde tot 1715 en had voor de Zuidelijke Nederlanden het gevolg dat wij van Spaans bestuur naar Oostenrijks bestuur overgingen. In opdracht van de Staten van Brabant moest Hekelgem:

– 126 g betalen aan de mannen die van 24 augustus tot 16 september 1704 hadden gewerkt aan de linie nabij Namen

– 425 g 14 st aan de pioniers die aan de linie van Aarschot hadden gewerkt.

– 64 g 2 o als deel van de kosten van 28 oktober.

– 290 g 9 st als deel van 27 november.

– 124 g 8 st 2 o voor de wagenvrachten op 4 december.

– 144 g 2 st 2 o voor de boot en wagenvrachten op 29 december.

– idem 94 g 12 st op 31 december.

– 48 g voor twee wagens gedurende 4 dagen.

Bovenop die betalingen kwamen de leningen die de gemeente moest aangaan om aan bovenstaande verplichtingen te kunnen voldoen.

– 229 g 5 st aan verscheidene personen.

– een 250 g van een lening van 4000 g bij Joanna Maria Van den Cruyce, begijn te Brussel

– een rente van 45 g aan de meierij van Asse voor een lening van 6000 g.

– een rente van 54 g aan Michiel Clauwaert voor een lening van 900 g.

– 120 g aan Nicolaas Rousseau uit Brussel voor een lening van 2000 g.

– een rente van 25 g aan Gillis Leysen, idem aan Jan De Vis en idem aan Merten De Corte

– 12 g aan Peter Van den Bossche.

– 42 g aan Jan De Weghe uit Aalst.

– 18 g 15 st aan Jan Cayman.

– 31 g 15 st aan Judocus De Waeghene.

– 67 g 15 st aan Egidius Lemmens.

– 16 g 8 st aan de pastoor van Hekelgem.

– 48 g aan Jacobus Van Aert.

Jaarlijkse betalingen van opgelichte penningen.

-aan begijn Van Den Cruijce 30 g.

– aan Niclaas Rousseau 125 g.

– aan De Backer 40 g 12 st.

– aan sieur Van Antwerpen 40 g.

– aan Michiel Clauwaert de oude 56 g.

– aan Egidius Lemmens 92 g 10 st.

– aan Jan en Peeter De Vis 25 g.

– aan Gillis Linssens 25 g.

– aan Peter Van Den Bossche 15 g 10 st.

– aan de pastoor van Hekelgem 16 g 8 st.

– aan de drossaard  uit een meerdere som van 12000 g jaarlijks 86 g.

– aan Caijman 18 g.

– aan Louis Daertvan Aalst 18 g 15 st.

– aan Jan Sumaert van Meldert 12 g 10 st.

Samen = 819 g 5 st.

1704. Carel Van Camp kan rekenen op hulp[13].

Om een lening van 4000 g van de heer Van den Cruyce te kunnen terugbetalen belastten de bedesetters  van Hekelgem op 4 juni 1685 elke bunder land met 9 g. Voor Carel Van Camp was dat een ramp. In 1704 was hij daarvan nog 78 g 15 st schuldig aan Peter De Kegel, de collecteur. Op 6 februari 1704 sloten de drossaard, de schepen Andries De Boitselier en de heer J. Steenwinckel een akkoord met de bedesetters Jacobus Van Ransbeeck, Peter De Raedt, Jan Baptista Crick en Jan Baptista Van Nieuwenhove. Peter Verleysen, de collecteur zou de 78 g achterstal van Van Camp betalen samen met de proceskosten. Aansluitend sloten Andries De Boitselier, Peter Verleysen en Nicolaas Kieckens een overeenkomst met Van Camp. Andries De Boitselier en Nicolaas Kieckens zouden daarvan elk 16 g voor hun rekening nemen.

1705. Peter De Mesmaecker kan zijn intresten niet betalen[14].

Peter De Mesmaecker leende bij Gillis Van den Wijngaarde 8 ponden groten Vlaams met een intrest van 3 g en met een looptijd van 3 jaar. De Mesmaecker betaalde 2 jaar intrest en geraakte dan in de problemen. Hij kon de lening ook niet terugbetalen. Op 10 maart 1705 vroeg Van den Wijngaerde de schepenen om Peter te verplichten het verschuldigde bedrag promptelijck te vergoeden of om hem de toelating te geven om op bepaalde goederen beslag te leggen. Het pond Vlaams of Vlaams pond = 20 schellingen = 240 groten; 1 pond groten Vlaams = 6 g.

1705. Franciscus Goossens betaalde de overname niet[15].

In 1705 verliet Jan Schelfout een boerderij van de abdij te Hekelgem. Franciscus Goossens werd de nieuwe pachter. Met Jan kwam hij overeen om bepaalde veldvruchten over te nemen en de verbeteringen die Schelfout had aangebracht te vergoeden. Het ging om:

1.De verbeteringen aan het bedrijf. P. Van Nieuwenhove en Jan Verleysen werden gevraagd om de verbeteringen te schatten. Zij kwamen tot een bedrag van 15 ponden groten Vlaams (= 90 g).

2.Franciscus nam een aantal hopstaken over ter waarde van 12 g.

3.Hij mocht op 3 d het hout splijten voor 3 g.

4.Jan Schelfout had op 1 d de klaveren gescheurd voor 1 g.

5. De overname van het loof: 4 g.

Totaal 111 g. Franciscus stelde de betaling alsmaar uit tot Jan Schelfout zich op 1 december 1705 tot de schepenbank richtte om de betaling te eisen.

1708, 1712. Collecteur Jan De Vis aangeklaagde en aanklager[16].

Jan De Vis ging op 12 juni 1708 een lening aan bij de bedesetters Judocus Godefroije, Peter De Vis, Jan Mertens en Jan Baptista Michiels. Hij leende 32 pond groot wisselgeld en zou het bedrag binnen de 3 maanden terugbetalen. De termijn verliep, maar Jan betaalde niet. De bedesetters spraken op 20 oktober 1711 advocaat Crick aan om bij de schepenbank hun zaak te bepleiten. Arnault Adriana verdedigde Jan De Vis. Hij werd driemaal voor de schepenbank gedaagd, maar hij liet zich niet zien. Op 24 juni 1712 volgde zijn veroordeling tot betaling van de lening en de gerechtskosten.

In het begin van de 18de eeuw geraakte Andries Cornelis in moeilijkheden en kon daarbij op weinig begrip rekenen van Jan De Vis. Hij kon zijn belastingen niet betalen. De bedesetters hadden om te voldoen aan de bede van de Staten van Brabant voor het jaar 1705, lopende van Sint-Jansmis en eindigend met Kerstmis een belasting geheven van 20 st op elk bunder. Voor Andries met 10 b 60 r betekende dat een bedrag van 10 g 3 st. De volgende jaren bleven de lasten op de inwoners toenemen:

1706: Hekelgem moest 585 g 1 st bijdragen aan de bede en de bedesetters Jan Blondeel, Aert De Vis, Adriaan Van Nieuwenhove en Gillis Wambacq belastten elk bunder met 25 st. Voor Andries steeg zijn deel tot 13 g 3 st.

1707: De taks bleef op 25 st. Andries bezat toen 8 b 2 d 72 r en moest 10 g 17 st betalen. Op 21 juni beslisten de bedesetters om de obligaties en de vergoedingen voor de pioniers te kunnen betalen de bijdrage voor de oncostboeck voor elk bunder land en weide op 6 g vast te leggen. Andries met 10 b 2 d 8 r moest 63 g 2 st ophoesten.

Behalve de bedeboeck en de oncostboeck was er ook nog het ommestellingeboeck. Op 17 augustus 1705 hadden de Staten van Brabant beslist de gemeenten een supplement van een 21ste penning op te leggen, gevolgd door een 23ste penning op 12 november van hetzelfde jaar om de kantoneringen van graaf van Bergeyck te betalen. De bedesetters hieven een belasting van 4 g op elke bunder land, weide en bos. Voor Andries kwam er 40 g 12 st taks bij. Op 15 januari moest Hekelgem 1830 g aan het subsidieboeck van de Staten van Brabant en dus kwam er nog eens een belasting van 4 g op elke bunder land, weide, beemd en stockbosch. Voor Andries met 11 b 1 d 30 r: 45 g 8 st.

Er kwam geen einde aan de reeks nieuwe lasten in 1707. Het Franse invasieleger de legde de gemeente een oorlogsbelasting op van 1227 16 st, te betalen voor 15 mei 1708. Het Franse leger was Vlaanderen binnen gevallen in het kader van de Spaanse Successieoorlog. De Spaanse koning Karel II was zonder troonopvolger gestorven en de Franse koning Lodewijk XIV eiste de Spaanse kroon op. Maar ook de Habsburgse keizer had dezelfde eis en een nieuwe oorlog was begonnen. Toen in 1715 de vrede werd getekend kwamen de Zuidelijke Nederlanden onder het Oostenrijks bestuur. De bedesetters verdeelden de last als volgt: 2 g 10 st op de gronden, 6 st per paard, 6 st per koe en 3 st huisgeld. Andries Cornelis had 8 b 2 d 72 r land, 2 paarden en 2 koeien en moest 22 g 18 st bijdragen. Hoeveel Cornelis telkens betaalde werd niet vermeld, maar in 1708 was hij aan de collecteur een aanzienlijk bedrag verschuldigd. Op 3 juli 1708 was het geduld van collecteur Jan De Vis op en hij verzocht de schepenbank om de veldvruchten, de dieren, de hop en de hopstaken van Andries en Merten Cornelis in beslag te mogen nemen om te verkopen. Andries reageerde scherp en noemde de rechtszaak eene absurde middel om eenen eerlijcken man alsoo van sijne pachtinge af te worgen.

Ten versuecke van Jan De Vis, soo hebbe ick ondergeteeckent officier des Lants van Assche geïnsinueerd secker rechte bij den selven gepresenteert aen die heeren drossaert ende schepenen des Lants voorschreven aen Andries Cornelis desen 20ste juli 1708. Jan Van Huijnegem, 1708.

Andreas Cornelis was een zoonvan Michael en Anna Smet. Hij is gedoopt op donderdag 14 mei 1671 in Hekelgem en  is overleden op woensdag 20 juli 1735 in Hekelgem, 64 jaar oud. Hij trouwde,

24 jaar oud, op woensdag 9 november 1695 in Hekelgem met Anna Robijns. Zij is overleden op zondag 24 september 1741 in Hekelgem.

Kinderen van Andreas en Anna: te Hekelgem gedoopt:

1- Egidiusj is gedoopt op maandag 16 juli 1696 en is overleden in 1758 in Hekelgem, 62 jaar oud.

2- Joannes Baptist is gedoopt op zaterdag 24 augustus 1697

3- Elisabeth is gedoopt op donderdag 4 juni 1699 

4- Gregorius is gedoopt op vrijdag 20 augustus 1700 

5- Maria Anna is gedoopt op zondag 9 oktober 1701 en is overleden in 1738 in Hekelgem, 37 jaar oud.

6- Anna Francisca is gedoopt op donderdag 6 september 1703.

7- Catharina is gedoopt op zondag 2 augustus 1705.

8- Catharina is gedoopt op vrijdag 9 maart 1708.

9- Jacobus is gedoopt op vrijdag 5 juli 1709.

10- Franciscus is gedoopt op donderdag 22 oktober 1711.

11- Jacobus is gedoopt op zondag 23 september 1714.

Ook Engel Carnoy kwam in botsing met Jan De Vis. Op 21 juni 1712 vroeg collectuer De Vis aan de hoofdrossaard en de schepenen de toelating om de tarwe en de gerst van Engel Carnoy te verkopen. Engel had zijn belastingen niet betaald en had een schuld van 75 g 16 st 1 b. Officier Jan Van Huynegem bracht op 6 juli Engel Carnoy op de hoogte van de beslissing van de schepenbank: zijn tarwe en gerst zouden worden verkocht. De kopers moesten bepaalde voorwaarden in acht nemen. Ze moesten binnen de 8 dagen de aankoop betalen. Na de verkoop had Engel nog 7 dagen om zijn graan te behouden als hijzelf de koopsom betaalde. De verkoop ging door op 18 juli 1712 in aanwezigheid van de drossaard en de schepenen Jan Van den Bossche en Gillis De Smedt.. Jan De Vos kocht tarwe voor 76 g en Jan De Vis de gerst voor 17 g.

Angelus Carnoy is gedoopt in 1656 in Hekelgem en is overleden op woensdag 7 januari 1722 in Hekelgem, 66 jaar oud. Hij trouwde, 22 jaar oud, op donderdag 21 juli 1678 in Hekelgem met Maria Robijns, 23 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 28 februari 1655 in Hekelgem en is overleden op dinsdag 27 september 1695 in Hekelgem, 40 jaar oud.

Angelus hertrouwde, minstens 39 jaar oud, na 1695 met Judoca Schords, overleden op donderdag 11 mei 1741 in Hekelgem.

Ten versoecke van jan de Vis hebbe onderschreven officier der justitie van hekelgem en Lande van Assche communicatie gedaen aen Ingel Carnoij desen 27 junius 1712. Jan Van huijnegem.

1710. Verwarring over een onbetaalde rente[17].

Gerard Carnoy en Anna De Hoy leenden 460 g bij Guillam Huygens, meester schrijnwerker uit Brussel, en zijn vrouw Elisabeth Carnoy. In 1693 was de toestand erg veranderd. Gerard Carnoy en zijn vrouw Anna De Hoy waren overleden. Anna was na de dood van Gerard hertrouwd geweest met Adriaan De Leeuw die als erfgenaam van Anna te maken kreeg met  onbetaalde renten. Op 3 april 1693 kwamen Guillam Huygens en Elisabeth Carnoy met Adriaan De Leeuw overeen om de lening te herschikken. Adriaan kreeg een lening van 350 g met een rente van 18 g. Als pand gaf hij de helft van een hofstede met huis, groot 1 ½ d, gelegen op Boekhout en palend aan de straat, Het Veldeken en Michiel Steven. De hofstede was belast met een grondcijns aan de abdij. Als tegenprestatie stonden Huygens en zijn vrouw een afgebrande hofstede af, gelegen op Boekhout, groot 39 r en palend aan de erfgenamen Philips Verleysen, de erfgenamen Carnoy. De hofstede was belast met een grondcijns aan de kerk van Hekelgem. Adriaan stelde wel de voorwaarde dat hij de lening mocht afkorten volgens zijn financiële mogelijkheden. De akte werd verleden door notaris Appelman te Brussel en geregistreerd door de schepenen Michiel Bruylant, Gillis Van Mulders en Jan Van den Bossche op 9 december 1710.

Anna D’Hoy overleed op maandag 9 oktober 1690 in Hekelgem. Zij trouwde met Gerard, overleden op zondag 27 september 1676 in Hekelgem. Anna hertrouwde op zondag 31 juli 1649 in Hekelgem.

1711. Een weide tweemaal verkocht[18].

Op 25 november 1659 verkocht Martinus Wambacq een weide aan Michiel De Bisschop voor 165 g. De weide lag aan de Vijverbeek te Asse en was belast met een grondcijns van 4 ½ st aan de abdij. Op 20 maart 1661 betaalde De Bisschop de koopsom. De akte werd verleden door Melchoir Van Driessche als vervanger van de Affligemse meier Charles de la Mars. In 1689 kwam Michiel tot de onaangename vaststelling dat zijn weide zonder zijn weten was verkocht. De erfgenamen van Franchois Van Bambos hadden op 9 januari 1690 7 partijen, afkomstig  van de erfgenamen van Martinus Wambacq, verkocht. Onder de 7 percelen de weide van Michiel De Bisschop. De koper was Jan Baptist De Bisschop. Hij betaalde 425 g en daarvan ging 341 g naar de verkopers en de rest werd besteed aan achterstallige renten.

Michiel en zijn vrouw Catharina Schoonjans spanden een proces in tegen Gillis Wambacq een van de erfgenamen om hun weide of de 165 g terug te eisen.

1712. Paardenknechten overvallen.

Peter De Valck, de knecht van Jan De Vis, en Lenaart De Pauw die in dienst was bij Jan Baptist Michiels, reden op 21 juni 1712 in opdracht van de overheid met een met brood volgeladen wagen van Brussel naar Bergen. Op de terugweg werden ze in de buurt van Bavai overvallen. Enkele dieven vertrokken onmiddellijk met hun drie paarden en de wagen terwijl andere overvallers hen 2 u. gevangen hielden en hen dan verjoegen. Ze meldden de overval bij de drossaard, de griffier en de schepenen die beslisten de eigenaars te vergoeden. Op 9 augustus 1712 taxeerden ze de 2 paarden van Jan De Vis op 36 pond groot en het paard van Michiels op 17 pond groot, de wagen op 60 g.

1712. Adriaan Dierickx draait op voor de schulden van zijn voorganger[19].

François Dauwe, een schoenmaker uit de buurt van de abdij, leende op 17 april 1694 bij Jacqueline Van den Bossche 34 g 17 ½ st met de verplichting de som binnen de maand terug te betalen. Toen François op 13 april 1706 overleed had Jacqueline haar geld nog niet terug. De weduwe van de schoenmaker hertrouwde op 16 februari 1708 te Hekelgem met Adriaan Dierickx die daardoor met de schuld was opgezadeld. Na de dood van Jacqueline wendde haar zoon, Jan De Dier, zich op 31 mei 1711 tot de schepenbank om de betaling te eisen. Na 18 jaar, op 16 februari 1712, behandelden de schepenen de aanklacht.

1712. Barbara Van de Velde, klant bij de schepenbank[20].

Op 23 maart 1712 stelde de Antwerpse notaris Peter Coppens de verkoopakte op van een levering wijnen die Nobert Colijns, wijnhandelaar te Antwerpen, verkocht aan Barbara Van de Velde. Het ging om een bedrag van 65 g 17 st. Gillis Gramon uit Mazenzele zou instaan voor het transport en het geld ontvangen. Maar Barbara betaalde niet en al op  31maart schakelde Colijns advocaat Crick in om zijn zaak aanhangig te maken bij de schepenbank.

Peter Mannaert uit Meldert stond bij Barbara voor 14 g 12 st in het krijt voor zijn consumpties sinds 14 februari 1713. Zij vroeg Egidius Crick om bij de schepenbank een klacht in te dienen tegen Peter. Zoals zovelen reageerden Peter noch zijn advocaat Coninxloo op de dagvaardingen. Hij werd op 12 februari 1715 veroordeeld tot betaling van 27 g 17 st aan Barbara,

In 1716 kloeg Barbara Engel Carnoy aan. Hij was haar 72 g schuldig, afkomstig van geleend geld en consumpties. Op 16 juni 1716 veroordeelden de schepenen Engel tot de betaling van 83 g.

Barbara Van de Velde trouwde op zaterdag 13 juli 1675 in Hekelgem met Adriaan De Ridder is overleden op woensdag 5 maart 1692 in Hekelgem.

1713. Chirurgijn Judocus Godefroy staat op zijn rechten[21].

De weduwe Joos Van Nuffel bezat een meers gelegen op Koudenberg aan de vijvers en achter die van Judocus Godefroy. Op 19 januari had zij zich verstaut te rijden over sijne meersch met waghen ende peerden. Judocus was van oordeel dat het aen nijemant geoorlooft is over het goed van een ander te rijden en hij daagde haar voor de schepenbank om de schade die zij had veroorzaakt te vergoeden. In de verdediging wees de advocaat van de weduwe erop dat sinds mensenheugenis de weide van de chirurgijn diende als losweg voor haar weide. Er bestond ook een transactie gepasseerd voor notaris De Raedt van 11 november 1675 die de vrije toegang verleende voor wagens met hooi en hout. Judocus bezat ook die akte en hij overhandigde ze op 21 februari 1713 aan de schepenen. De akte was opgesteld voor de voorgaande eigenaars en bevatte een artikel dat men voor het gebruik van de eerste weide als losweg telkens de toestemming aan de eigenaar moest vragen. Bij gebruik zonder de toelating moest de schade worden vergoed en luijden hun des verstaene bepaalden de schade.

De schepenen ondervroegen meerdere getuigen. Gillis Van Onchem, 64 jaar, verklaarde dat hij meermaals hooi haalde voor Arnout Van Ransbeeck, de vroegere eigenaar, en telkens over de eerste weide reed zonder toestemming te vragen. Joos Maes, 66 jaar, legde dezelfde verklaring af. Marie Van Neervelt, 70 jaar, getuigde dat Jan Robijns altijd zijn hooi en hout haalde via de weide van Jan Meert, een vroegere eigenaar. Advocaat Arnoult Adriani besloot na de getuigenissen dat de weide van Godefroy al 30 jaar twee- à driemaal per laar paijselelijck werd gebruikt. Bijgevolg was de klacht van de chirurgijn ongefundeerd. De advocaat van Judocus hamerde op het feit dat er voor het gebruik van de eerste weide als losweg een toestemming van de eigenaar nodig was. Het was niet omdat Robijns en anderen die aanvraag niet deden dat ze het recht aan hun kant hadden.

Op 10 oktober 1713 kwamen de schepenen tot een uitspraak. De weduwe Van Nuffel moest de schade en de proceskosten betalen.

1714. Een proces voor 2 g[22].

De dieren van de weduwe Franchois Willems hadden wat schade aangericht aan de goederen van Anton De Voghel uit Essene. Ook al was de schade beperkt, toch schakelde De Voghel advocaat Crick in om bij de schepenen een klacht in te dienen. Het oordeel van de schepenen was dat de weduwe de schade plus de gerechtskosten moest betalen, samen 5 g 10 ½ st en tegelijk wezen ze erop dat voor zo’n clijnicheijt een proces niet nodig was.

Omdat Adriaan Vermosen 2 g lvoor 1 jaar landpacht niet betaalde deed Peter Verleysen hem ook een proces aan. Adriaan moest hem 5 g 6 ½ st betalen.

1715. Guillam Cortvrindt betaalde het zaad niet[23].

Bij Joannes Beeckman uit Aalst kocht Guillam Cortvrindt voor 28 g zaad, maar hij was niet in staat zijn aankoop te betalen. Arnoult Adriani diende voor Beeckman een klacht in. Na de drie dagvaardingen waarop Cortvrindt niet verscheen, werd hij veroordeeld tot 34 g 4 ½ st.

1716. Een slag op het hoofd[24].

Peter Callebaut kreeg het op 3 mei 1716 in de herberg De Valck aan de stok met Laureijs De Ridder. Het kwam tot een vechtpartij, maar omstanders haalden hen uit elkaar. Terwijl Peter zich wat wou wassen, sloeg Laureijs met een stoel op zijn hoofd. Hij kon nog om hulp roepen en viel dan op de grond. Op 16 mei constateerde officier Carel Rogiers dat hij nog altijd bedlegerig was. Hij overhandigde zijn rapport aan de hoofddrossaard.

Petrus Callebaut werd gedoopt omstreeks 1673 en overleed op zondag 29 augustus 1723 in Hekelgerm, ongeveer 50 jaar oud. Hij trouwde met Maria Anna Applicoen, overleden op dinsdag 27 januari 1750 in Hekelgem.

1716. Elisabeth Robijns helpt dochter Catharina[25].

Op 30 januari 1710 verscheen Elisabeth Robijns van de Bellemolen te Essene met haar zoon Jasper voor notaris Egidius Crick met de bedoeling tot een oplossing te komen voor het conflict van haar dochter Catharina met de abdij. Catharina was weduwe van Gillis Van den Broeck en in financiële moeilijkheden geraakt. Zij kon de pacht aan de abdij niet meer betalen. Haar schuld was al opgelopen tot 4 173 g 4 ½ st. Elisabeth wou de helft van het bedrag, 2 086 g 12 st aan de abdij geven met die bemerking dat het bedrag al een deel van Catharina’s erfenis zou uitmaken. Gillis, de zoon van Catharina, verkocht een bos in Erembodegem van 12 d voor 500 g aan de abdij waardoor de schuld verminderde tot1 586 g 12 st. De Affligemse spijkermeester, dom Wilibrordus Resquens schol de rest van de schuld kwijt.

Deze overeenkomst werd op 19 december 1716 geregistreerd door de schepenbank vertegenwoordigd door Jan Pissaer voor drossaard Hubert Mo(o)rtgat en de schepenen Peter Clauwaert en Guillam Verhasselt. Cornelis Schoon legde de akte voor.

1717. Beenhouwer Peter De Keijser en de vette beesten[26].

12 januari 1717 was een zwarte dag voor meester-beenhouwer Peter De Keijser uit Asse. Die dag veroordeelden de schepenen hem tot de betaling van 52 g aan Anna Buggenhout, de weduwe van Michiel Clauwaert. Hij had bij haar vette beesten gekocht voor 25 g en zoals zo vaak gebeurde met weduwes, hij betaalde de rekening niet. Zij vroeg Egidius Crick om als haar advocaat de zaak bij de schepenbank te bepleiten. De beenhouwer stoorde zich niet aan de dagvaardingen met het gekende gevolg voor hem.

1717. Borgsteller voor de rechter gedaagd[27].

Gilliam Cortvrindt vroeg in 1714 aan Peter De Nil om zich borg te stellen. Hij wou bij de weduwe Verspecht een rund kopen. In 1716 had Cortvrindt zijn aankoop nog niet betaald en vermits ze bij Cortvrindt niet aan haar geld geraakte, spande de weduwe een proces in tegen Peter De Nil in de hoop dat hij zou betalen. De Nil richtte zich op zijn beurt tot de schepenbank met het verzoek hem te ontlasten van de borg. Op 19 januari 1717 volgde de uitspraak. Guillam moest de koopsom en de gerechtskosten, samen 8 g 8 ½ st betalen.

1717. De kapellanen eisen hun geld[28].

De kapellanen van de Sint-Niklaaskerk te Brussel hadden recht op  2 gulden cijns ten laste van de erfgenamen van Jan Pensionaris en die van Merten Van den Bergh. De cijns was bezet op 2 hofsteden, een in de Bosstraat en een die aan de Rammelaar was gelegen (toen nog op het grondgebied van Meldert). Daar de cijns al 9 jaar niet meer was voldaan, dreigden de kapellanen de eerste hofstede te ontnemen aan Adriaan Serteel, man van Joanna Pensionaris. Die liet het zover niet komen en trok op 26 april 1715 naar Brussel en betaalde niet alleen zijn schuld, maar ook die van Adriaan De Jonghe die via zijn vrouw de in het bezit van de hoeve was gekomen. Vervolgens ging hij bij De Jonghe om wat hij voor hem had voorgeschoten te ontvangen. Dat liep mis. Adriaan De Jonghe was er gerust in nu zijn schuld bij de kapellanen was vereffend en hij betaalde niet. Er bleef voor Serteel niets anders over dan de schepenbank in te schakelen.

In 1719 geraakte Adriaan Serteel zelf in de problemen. Hij had geld geleend en koren gekocht bij Peter Verleysen voor 28 g 13 st zonder dat hij in staat was om de rekening te betalen. Op 18 februari 1719 veroordeelden de schepenen hem, nadat hij op de dagvaardingen niet had gereageerd, om 22 g 7 st te betalen.

Adrianus Serteel is overleden op vrijdag 23 augustus 1726 in Hekelgem. Hij trouwde op donderdag 31 juli 1698 in Hekelgem met Joanna Persionaris, de weduwe van Petrus De Bont, overleden in 1697, met wie zij was getrouwd op zondag 9 november 1681 in Hekelgem.

Adrianus De Jonghe, overleden op woensdag 15 mei 1771 in Hekelgem, trouwde met Maria Tuysinck, gedoopt op zondag 1 februari 1688 in Hekelgem en overleden op woensdag 21 augustus 1771 in Hekelgem, 83 jaar oud.

1718. Beenhouwer Peter De Keijser opnieuw veroordeeld[29].

In 1718 verkocht de hofmeester van de abdij vette beesten voor 99gaan de meester-beenhouwer De Keijser uit Asse. Maar net zoals bij de weduwe van Michiel Clauwaert betaalde hij slechts een deel van de rekening, namelijk 31 g 10 st. Hij moest werkelijk geld tekort hebben want van de abdij kon hij verwachten dat ze snel een procedure tegen hem zouden beginnen. De hofmeester lietadvocaat Crick een proces inspannen en op 18 januari werd De Keijser veroordeeld tot de betaling van 119 g.

Kon Peter pas betalen als hij het vlees van de dieren had verkocht? Hij bleef zijn handelwijze toepassen. Bij Jan Van Nieuwenborgh kocht hij voor 60 g vette beesten  tot hij op 4 maart 1732 werd veroordeeld en 68 g 8 st had te betalen.

1718. Engel Carnoy blijft schulden maken[30].

Kon Engel Carnoy wegens zijn schulden niet meer terecht in de herberg van Barbara Van de Velde, dan zocht hij vertier bij Laureijs Van Mijnsbrugge te Essene. Maar ook hier liepen zijn schulden al snel op tot 6 g met het te verwachten gevolg. Van Mijnsbrugge diende in 1717 een klacht in bij de schepenbank, Engel werd driemaal gedagvaard, kwam niet opdagen en werd op 22 maart 1718 veroordeeld tot betaling van 18 g.

1718.Peter Callebaut gokte verkeerd[31].

Peter Callebaut leende een bepaalde som bij Jan Timmermans uit Erembodegem en vergat de laatste 2 g terug te betalen. Hij hoopte dat Jan voor zo’n klein bedrag geen rechtszaak zou beginnen. Hij gokte verkeerd en Egidius Crick bepleitte de zaak voor de schepenen met als resultaat dat Peter volgens het vonnis van 15 juli 1718 meer dan het dubbele, namelijk 5 g 19 st moest betalen.

1719. Was de cijns betaald[32]?

Op 22 maart 1707 verkochten Michiel Van den Hauwe en zijn vrouw Geertrui Van Brempt een hofstede aan Gommaar Verloes van Meldert. De boerderij, ½ d groot, lag te Asse-ter-Heide en paalde aan Niclaas Van Laer, de Nieuwen Steenwegh, en het leengoed van het Leenhof van Asse. De hofstede was belast met de helft van 6 ½ viertelen haver aan de heer tot Asse en 6 ½ vietelen rogge voor het cijnsboek van Lapoigne. Michiel had de hoeve van zijn ouders geërfd op 28 maart 1707. Hij verkocht ook een ½ d land dat aan de hofstede paalde en belast was met dezelfde cijns aan de heer tot Asse en aan Lapoigne. De koop werd gesloten voor een bedrag van 550 g waarvan de kopers 250 g moesten betalen voor Lichtmis van het volgende jaar en de resterende som met een intrest van 5% in 3 schijven  vanaf 1710.

In augustus 1718 ontstond er twijfel over de betaling van de cijns op het ½ d land voor de periode van 1683 tot 1691. Bij de verkoop had Michiel Van den Hauwe verklaard dat hij in 1710 alle achterstallige cijnsen, 46 g, had vergoed en toch spande Jan Louis, de tweede man van Geertrui Van Brempt een proces in tegen Gommaar Verloes omdat die de achterstallige cijns had moeten betalen. Na een proces dat liep van 14 januari 1718 tot 10 januari 1719 met beschuldigingen heen en weer, bleek dat Michiel Van den Hauwe effectief alle schulden had aangezuiverd.

1719. De hofstede onterecht verkocht[33]?

Op 29 juli 1718, tijdens de tweede zitdag, werd de hoeve van het overleden echtpaar François De Roock en Josina Van den Biesen door notaris Egidius Crick ten huize van Judocus Godefroy verkocht. De hoofddrossaard als oppervoogd van de kinderen had daartoe zijn toestemming verleend. Voor de notaris verschenen:

– Adriaan en Petronella De Roock als erfgenamen van 2/3 van de helft van de hoeve en Adriaan trad ook op, samen met Antoon Van den Biesen, als voogd van Josina die voor 1/3 van de helft erfgenaam was.

– Zij waren ook voogd van de kinderen van Marie De Roock, de overleden echtgenote van Peter Francq en voor de kinderen van Joanna De Roock, de overleden vrouw van Jan Van den Bergh. Marie en Joanna hadden een andere moeder, namelijk Marie Pleet. Samen hadden zij recht op 2/5 van de helft van de goederen.

De verkoop omvatte een hofstede met huis en hopast, groot 1 d en gelegen in de Bosstraat, palende aan de straat, Peter Van de Perre, Andries Cornelis en Jan Verleysen. De hoeve was belast met een grondcijns van 6 st aan de abdij en een rente van 21 g 17 ½ st aan Lieven Daens en Petronella Vonck. De ouders hadden in 1688 de hofstede gekocht van Jacquemijne Mattens voor 460 g 14 st. De kopers waren Cornelis Van Nieuwenhove en Elisabeth Verhoeven. Zij betaalden 900 g.

Kort na de verkoop zag Cornelis zich verplicht een proces in te spannen tegen Josina De Roock die weigerde het huis te verlaten. Zij was niet akkoord gegaan met de verkoop en wilde haar deel van de boerderij behouden. Cornelis Van Nieuwenhove stelde op 13 september dat haar voogden, haar broer Adriaan en  Antoon Van den Biesen, een overeenkomst tot verkoop hadden ondertekend. Maar op 19 september bezorgde Adriaan de schepenen een ondertekende verklaring waarin hij getuigde dat hij onder druk van bedreigingen en geweld die overeenkomst had ondertekend. Peter Clauwaert, officier Peter Ledegen, Peter Verleysen en Jan De Coster hadden hem thuis in Meldert opgezocht. Ze wilden dat hij een document ondertekende waarin hij de toestemming gaf om de – ondertussen al verkochte hoeve – te verkopen. Hij weigerde hen binnen te laten. De officier dreigde toen dat hij de deure soude opencappen oftewel met eene houte de deure openloopen. Op een zondag, 7 of 10 augustus, kwam hij met Cornelis Van Nieuwenborg tot bij hem en vroegen hem mee te gaan naar procureur Crick te Asse. Daar wachtte Peter Clauwaert hen op met de vraag de verklaring te ondertekenen in ruil voor geld. Hij duwde hem zelfs een pen in de hand, maar Adriaan gooide ze weg en vertrok. Aan de bareel te Asse grepen de anderen hem vast en ze zouden hem affpanden als hij niet tekende. Adriaan ging akkoord om te tekenen, maar alleen in eigen naam en niet als voogd van de wezen. Peter Clauwaert beweerde dat het juist in het voordeel van de wezen was dat de hoeve was verkocht, want een verkaveling zou soo veel van brieffven costen. Uiteindelijk ging Adriaan akkoord.

Josina gaf echter niet op en liet een brief schrijven naar den keijser ende Coninck in sijnen Souvereijnen Raede geordonneerd in Brabant. Het schrijven was ondertekend door J.H.V. Brande, Josina en Adriaan. Josina legde erin uit dat ze niet akkoord was met de verkoop en dat Adriaan sich bij importuniteijten ende andere ongehoortheden soude hebben laten verleijden tot de verkoop. Hij werd daartoe bij force gedwongen. Daarom vroeg ze de verkoop te verklaren nul, machteloos en van onweerde. Op 31 oktober 1718 ontvingen de schepenen van Affligem het antwoord van de Raad met de autorisatie om de zaak te behandelen.

Op 13 december vatte Josina ten behoeve van de schapenen de hele zaak nog eens samen. Peter Clauwaert, Peter Ledegen, Peter Willems en Jan De Coster zochten enige tijd na de verkoop Adriaan thuis op en wilden hem een volmacht tot verkoop laten tekenen. Adriaan weigerde. Op een zondag in augustus namen ze hem mee naar Crick te Asse waar hem met geld wilden verleiden om te tekenen. Onder bedreiging gebeurde dat dan toch, maar alleen in eigen naam. Zij was nooit akkoord gegaan met de verkoop en Van Nieuwenborgh kan het tegendeel niet bewijzen. Bijgevolg is haar deel van de hoeve niet verkocht en moet zij het huis niet ontruimen. Zij vroeg de schepenen om het naderschap toe te passen, d.w.z. dat zij het recht had om de verkochte hoeve terug te kopen.

Andere documenten van de rechtszaak ontbreken.

Livinus Daens, overleden op dinsdag 12 februari 1726 in Hekelgem, trouwde met Petronella Vonck, overleden op maandag 20 maart 1724 in Hekelgem. Kinderen van Livinus en Petronella in Hekelgem gedoopt:

1 Egidius, gedoopt op zaterdag 27 juni 1711.

2 Andreas, gedoopt op donderdag 30 november 1713.

3 Franciscus, gedoopt op maandag 17 augustus 1716 en overleden in 1748 in Hekelgem, 32 jaar.

4 Catharina, gedoopt op zondag 29 januari 1719.

5 Henricus, gedoopt op vrijdag 21 november 1721.

6 Judocus, gedoopt op zaterdag 18 maart 1724.

1719. Een lening van de studiebeurs Lemmens[34].

Gillis Van den Wijgaard van Essene kreeg een lening van de studiebeurs Lemmens. Jacobus De Witte, als beheerder van de stichting, had hem een lening met een jaarlijkse rente van 12 g toegekend. Maar Gillis had al 7 jaar de rente niet meer betaald zodat zijn schuld was opgelopen tot 84 g. Op 12 december 1719 diende Egidius Crick op vraag van Jacobus een klacht in bij de schepenbank en die veroordeelde Van den Wijngaard nadat hij driemaal had geweigerd voor de schepenbank te verschijnen op 20 maart tot de betaling van 99 g.

Franchoys Lemmens vestigde zich omstreeks 1585 in de puinen van de vijf jaar eerder verwoeste abdij om van daaruit zijn functie als bosmeester uit te oefenen. Hij was afkomstig van Balen in het toenmalige prinsbisdom Luik en was getrouwd met Jacquelijne Broeckx. Met de aanstelling tot bosmeester bekleedde hij een belangrijke functie. Hij beheerde de uitgestrekte abdijbossen en hield toezicht op 8 boswachters. Toen de monniken in 1605 terugkeerden, vestigde hij zich met zijn gezin in de Broekstraat op Doment. Na een ziekte liet  Franchoys samen met zijn vrouw een testament opstellen. Opmerkelijk daarin was de stichting van twee studiebeurzen aan de universiteit van Leuven met voorrang voor de armsten en bekwaamsten. De abdij en de pastoor van Meldert stonden in voor de toekenning van de beurs en het beheer van het geld. Het behoorde tot hun opdracht het geld zo goed mogelijk te beleggen door leningen aan particulieren. Hij overleed op hoge leeftijd op 9 september 1637 en werd in de kerk van Meldert begraven.

1721. Hendrik Vasseur in de problemen[35].

De broers Hendrik en Peter Vasseur leenden op 1 september 1718 500 g met een rente van 5% als ze binnen de 3 maanden na de vervaldag betaalden. De leengever was Leonard De Wever, doctor in de medicijnen te Aalst. Notaris Jacques Ignatius Willems stelde de akte op. De broers beloofden het bedrag binnen de 3 jaar terug te betalen. Peter Vasseur hield zich aan de belofte en betaalde zijn deel, 250 g, aan de dokter. Hendrik had niets afgekort en De Wever schakelde de schepenbank in om zijn geld terug te krijgen of, in het geval dat Hendrik dat niet kon, hem te verplichten  dobbel suffisante panden, gronden van erffven te besetten ten contentemente van hem aenlegger.

Henricus Vasseur, zoon van Tilmanus en Joanna Michiels, werd gedoopt op dinsdag 5 december 1684 in Hekelgem. Hij overleden, 58 jaar oud, op woensdag 27 februari 1743 te Hekelgem. Henricus trouwde, 33 jaar oud, op zondag 13 november 1718 in Hekelgem met Petronella De Bont.

1721. Hendrik De Kegel stapelde de tekorten op[36].

Als collecteur en landmeter stapelde Hendrik De Kegel het ene tekort na het andere op in de oncostboecken, bedeboecken en subsidieboecken van 1703,1719, 1720 en 1721 Het tekort was opgelopen tot 1011 g 11 ½ st. De bedesetters konden niet anders dan hun zaak bij de schepenbank in te dienen. Dat gebeurde op 13 mei 1721. Hendrik vroeg om 2 maanden uitstel, maar dat verzoek werd geweigerd. Op 24 juni gingen Hendrik en zijn vrouw Marie Van Vaerenbergh een lening van 500 g met een rente van 5% aan bij Peter De Vis en Petronella Van Vaerenbergh. Als pand gaven ze hun kindsdeel van zijn ouders, Peter De Kegel en Maria Carnoy, en van haar ouders, Guillam Van Vaerenbergh en Marie Kieckens. Daarmee konden ze de helft van hun schuld bij de bedesetters aflossen. In 1720 had Hendrik een proces ingespannen tegen Peter Mangee omdat die hem 1 g schuldig was! Hoe de bedesetters aan de rest van het geld geraakten, weten we niet.

Hendrik De Keghel, zoon van Petrus en Maria Carnoy, werd gedoopt op maandag 23 december 1680 in Hekelgem. Hij overleed op donderdag 15 november 1742 in Hekelgem, 61 jaar oud. Hendrik trouwde met Maria Van Vaerenbergh, overleden op maandag 27 september 1762 in Hekelgem. Zij hadden 6 kinderen in Hekelgem gedoopt.

Kinderen van HENRICUS en MARIA:

1 Maria, gedoopt op vrijdag 11 mei 1714.

2 Petrus Eugeen, gedoopt op donderdag 16 september 1717.

3 Anna Petronella, gedoopt op maandag 1 mei 1719 en overleden in 1742 in Hekelgem, 23 jaar oud.

4 Petrus Gregorius, gedoopt op zaterdag 14 maart 1722.

5 Bernardina, gedoopt op dinsdag 3 oktober 1724.

6 Joannes Baptista Bernardus, gedoopt op maandag 27 september 1728, overleden in 1776, 48 jaar oud.

1721 en 1723. Guillam Cortvrindt andermaal in de problemen[37].

François Michiels en Guillam Cortvrindt sloten op 14 maart 1721 een overeenkomst die inhield dat Guillam 400 g zou betalen voor alle verbeteringen die François, aan de hofstede waar hij had gewoond, had aangebracht. Guillam betaalde niet en François talmde niet om de schepenbank in te schakelen. Op 25 juni 1721 legde zijn advocaat Egidius Crick zijn zaak voor. Na de tweede dagvaarding vroeg Guillam 14 dagen uitstel, wat werd geweigerd. Na de derde dagvaarding beslisten de schepenen op 5 juli dat Guillam 408 g 10 st moest betalen.

– Guillam had bij Jan Plas klaveren gekocht voor 47 g 12 st. Op 7 september 1723 legde Jan  een klacht neer tegen Guillam wegens wanbetaling. Hij werd voor de schepenbank gedaagd op 12, 19 en 27 oktober maar liet zich niet zien. Op 9 novemver volgde de uitspraak: Cortvrindt moest de koopsom en de gerechtskosten betalen, samen 55 g 14 st.

– Een jaar later had Guillam een nieuw proces aan zijn been. Hij pachtte van de markiezin van Asse 2 partijen land op de Boekhoutberg voor 17 g 15 st. Het ene perceel bewerkte hij zelf, het anderen verhuurde hij aan Jan Van den Biesen. Daar hij in 1723 de pacht niet betaalde, liet de markiezin Egidius Crick een proces inspannen bij de schepenbenk. Ook nu reageerde Guillam niet op de dagvaardingen en de schepenen veroordeelden hem op 23 mei 1724 in gebanne vierschare tot de betaling van 13 g 0,5 st.

– De miserie hield daarmee niet op. Ten huize van Jan Louis had hij op 23 maart 1724 een akkoord gesloten met Jan Plas. Hij zou hem tegen Pasen 7 g betalen voor het werk dat Jan Plas voor hem had gedaan. Weer was Guillam niet in staat om de 7 g te geven met het gekende vervolg. De schepenen veroordeelden hem tot  betaling van 24 g 11 st.

1721. Koeien richtten schade aan[38].

De koeien van Jan Baptista Michiels hadden bij Michiel Van Ghete behoorlijk wat schade aangericht. Jan Baptista werd daarvoor door de hoofddrossaard beboet met 7 g 4 st. Op 7 oktober dagvaardden de schepenen Jan Baptista maar hij negeerde die en de twee volgende waarop de schepenen Jan Lahoeze, Clauwaert, Linthout, De Bailliu en Louis hem tot de betaling van 16 g 9 st.

1727. De weduwe Carnoy erft schulden[39].

Al 4 jaar vroeg Judocus Godefroy de weduwe van Engel Carnoy om de schulden van haar overleden man te betalen. Het ging om het vertier van Engel in zijn herberg. Op 12 mei 1727 liet hij, het wachten beu, Egidius Crick een klacht neerleggen bij de schepenbank. Hij eiste 10 g 5 st voor de consumpties van 4 mei 1717 tot 1718. De vrouw ging niet in op de dagvaardingen met als gevolg dat de schepenen Jan Lahoeze en Adriaan Van Linthout haar het bedrag van 16 g 13 st oplegden.

1723. De besoigniën ende debvoiren van pastoor Broeckmans[40].

Voor de bemoeienissen die Peter Ledegen en Jan Sijmoen in zijn opdracht deden eiste pastoor Broeckmans 4 croon stucken.

Den 14 juny 1723. Specificatie van de besoigniën ende gedaene debvoiren bij mij ondergeschreven pastoor van Hekelghem gedaen voor Peeternella De Cort dochter van Michiel De Cort getrouwd met Joannes Verleijsen ende is als volght.

Te weten: alsoo Peeter Ledeghen ende Jan Simon Roselet verboth hadden gedaen van het selve houwelijck voorst te gaen hebben sesse reijsen gebesioneert met de selve Peeternella De Cort, ider ider reijse eenen geheelen naer miedagh comt mij daer vooren bij moderatie vier croon stucken. Toirconden etha. Joannes Carolus Broeckmans pastor in Eeckelghem.

Petronella De Cort, dochter van Michael en Anna Vonck, werd gedoopt op maandag 10 juli 1702 in Hekelgem. Zij is overleden op maandag 15 februari 1740 in Hekelgem, 37 jaar oud. Petronella  trouwde, 20 jaar oud, op donderdag 3 september 1722 in Hekelgem met Joannes Verleysen, 20 jaar oud. Hij is een zoon van Thomas en Petronella Verhoeven. Hij is gedoopt op zondag 25 juni 1702 in Hekelgem. Joannes overleed op donderdag 26 november 1772 in Hekelgem, 70 jaar oud.

Joannes Carolus Broeckmans werd op 20 december 1709 pastoor in Hekelgem. De nieuwe pastoor was begaan met zijn kerk en liet heel wat werken uitvoeren: het houten gewelf van het koor werd vernieuwd, het dak van de kerk hersteld, een nieuwe communiebank en een nieuwe biechtstoel aangekocht. Hij geraakte in een conflict met de abdij omdat er naar zijn zin teveel parochianen naar de abdijkerk gingen. Van bij zijn aanstelling tot zijn dood in 1724 hield hij een memorieboek bij waarin hij de landpachten en allerlei interessante gegevens noteerde.

1723. Twijfel over kwitanties[41].

Peter Hutsebaut uit Erembodegem betaalde 11 g rente aan Jan De Vis. In 1722 vroeg Jan zich af of die rente wel altijd werd betaald en hij verzocht Peter om hem al zijn kwitanties  te tonen. Peter bevestigde op 15 mei 1722 narratievelijck dat hij aan al zijn plichten had voldaan. Voor Jan waren zijn mondelinge bevestigingen onvoldoende en hij eiste dat Peter effectievelijck met kwitanties in de hand bij de schepenbank de betalingen van 1715, 1716, 1717 en 1718 bewees. De schepenen waren het oneens over wat er met die aanklacht moest gebeuren. Om toch tot een oplossing te komen, wonnen ze het advies in van advocaten en schepenen rechtsgeleerden. Die gaven de raad om ten huize van advocaat Roef te Brussel samen te komen om elckanders differenten te vergelijken. Op 22 september 1723 kreeg Peter het bevel met behoorlijke kwitanties zijn betalingen aan te tonen.

Wij onderschreven bekenne ontfanghen te hebben vuijt handen van Pr. Hutsebaut de somme van elf guldens over een jaer rente verschenen in juni seventhien hondert twee ende noch ontfanghen de somme van tweeëntwintigh guldens in twee reijsen over twee jaeren verloop van een rente van elf guldens sjaers verschenen het jaer seventhien hondert vier. Toirconden eta desen 30ste april 1707.

Joannes De Vis, zoon van Arnoldus en Maria Coppens, werd gedoopt op donderdag 17 januari 1669 in Hekelgem. Hij is overleden vóór 1751, ten hoogste 82 jaar oud. Joannes trouwde, 36 jaar oud, op zondag 3 januari 1706 in Hekelgem met Elisabeth Vonck, 19 jaar oud. Zij is een dochter van Petrus en Maria Van den Wijngaert. Zij is gedoopt op donderdag 21 februari 1686 in Hekelgem. Elisabeth is overleden op donderdag 27 februari 1721 in Hekelgem, 35 jaar oud en werd begraven op zaterdag 1 maart 1721.

1726. Peter Ledegen trad kordaat op[42].

De ontvanger van den impost, Peter Ledegen liet meerdere personen voor de schepenbank verschijnen wegens onbetaalde belastingen. Op 3 juli 1726 volgden de veroordelingen:

– Franciscus De Nil moest nog 14 st betalen en kreeg een boete van 3 g 15 st.

– Peter en Marie De Vuyst zagen hun tekort van 28 st veranderen in een boete van 4 g 9 ½ st.

–  en Marie Verhoeven van 14 st naar 3 g 15 st.

1726. Rentmeester Gillis De Kegel zit met tekorten[43].

De nieuwe rentmeester van de kerk, Peter Verleysen, beschuldigde zijn voorganger Gillis De Kegel ervan dat hij op 1 oktober 1726 een tekort op zijn rekening had van 41 g 9 ½ st. Gillis stelde voor om 30 g 11 st te betalen als Peter bereid was om  de rest van zijn schuld kwijt te schelden. Peter weigerde en diende een klacht in.

1726. Pastoor Breugelmans is keihard[44].

De weduwe van Jacobus Van den Wijngaert bleef na de begrafenis van haar man 2 g 14 st 1 b schuldig aan pastoor Breugelmans. Veel medelijden met de weduwe had hij niet want hij diende een klacht in. Zij werd veroordeeld  tot de betaling van 5 g 16 st 1 o.

Norbertus Breugelmans benoemd op 23 oktober 1724 en vervangen door Henri Van Mulders op 22 mei 1725. Zijn deken vond hem een toegewijde priester die regelmatig de zieken bezocht. Hij zorgde voor een tweede biechtstoel en kon bekomen dat de abdij voor een verhoogde toren zorgde.

1727. Herbergier Jan Baptist Roseleth eist zijn geld[45].

Jan Baptist Roseleth had wel veel vertrouwen in Andries Cornelis. Op zijn kerfstok stond hij met een schuld van 40 g 15 st. Andries had de voorbije jaren voor 16 g 2 st in zijn herberg verteerd. Hij had 3 vaten haver gekocht aan 18 st het vat, dat maakte samen 2 g 14 st. Toen Andries hout kocht in de Pilleweydebroecken schoot Jan Baptist hem 8 g 7 st voor en nog eens 2 g 16 st toen Andries officier Gommaar Verloes niet kon betalen. Begin november 1726 verscheen advocaat Egidius Crick samen met de vrouw van Jan Baptist voor de schepenbank met het verzoek om Andries in gebreke te stellen. Peter Ledegen bracht de dagvaarding bij Andries, maar die reageerde niet. Op 12 november volgde een nieuwe dagvaarding en op 29 april 1727 de derde. Op 6 mei beslisten de schepenen dat Andries 49 g 6 st moest betalen.

Anna Goetvinck, dochter van Peer en Catharina Carnoy, werd begraven op woensdag 28 november 1742 te Hekelgem. Anna trouwde op maandag 13 april 1693 in Hekelgem met Jan Baptist Roseleth. Hij is begraven op zaterdag 14 juni 1738 te Hekelgem. Haar vader Peer had een gekende afspanning op Boekhout. Samen met haar man Jan Baptist Roselet nam ze de afspanning over die de naam “Het Burgoins Cruys” kreeg.

1727. Inventaris van de goederen van de wezen De Leeuw[46].

Jan De Coster uit Meldert was na het overlijden van zijn zus Marie, de derde vrouw van Adriaan De leeuw, door de hoofddrossaard aangeduid als voogd voor de kinderen van Marie. Op verzoek van hoofddrossaard Jacobs en de schepenen Jan Lahoese en Hendrik Louis maakte hij de inventaris op van de bezittingen en de uitgaven. Geen gemakkelijke opdracht daar hij rekening moest houden met de kinderen van Adriaan uit zijn eerste huwelijk en met Andries Ledegen, de voogd van de kinderen van Adriaan uit zijn tweede huwelijk. Op 8 juli 1727 presenteerde Jan  zijn rekeningen van de inkomsten en uitgaven voor de hoofddrossaard en de schepenen. Voor een goed begrip verduidelijken wij eerst de complexe gezinssituatie van Adriaan De Leeuw.

Adriaan De Leeuw, zoon van Joannes en Margareta De Clercq, werd gedoopt op zondag 11 juli 1649 in Hekelgem. Hij overleed vóór 1727, ten hoogste 78 jaar oud. Adriaan trouwde driemaal:

1) met Anna De Hoy op 31 oktober 1677. Anna overleed op 9 oktober 1690. Haar eerste man was Gerard Carnoy. Zij hadden een zoon Guillelmus, gedoopt te Hekelgem op 2 oktober 1678 en overleden in 1711.( zie 1710 Verwarring over een onbetaalde rente)

2) met Anna Van Mulders. Anna is overleden op donderdag 27 april 1702 in Hekelgem. Zij hadden 3 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Elisabeth, gedoopt op vrijdag 13 maart 1693. Zij huwde met Egidius De Cort.

2- Joannes, gedoopt op zondag 11 december 1695.

3- Maria, gedoopt op zaterdag 11 oktober 1698. Zij trouwde met Aert Van Mollem

3) trouwde, 52 jaar oud, op zaterdag 24 juni 1702 in Hekelgem met Maria De Coster. Maria         overleed op woensdag 6 mei 1716 in Hekelgem. Zij hadden 5 kinderen in Hekezlgem gedoopt:

1- Joanna, gedoopt op maandag 2 april 1703.

2- Joannes, gedoopt op zondag 13 juli 1704.

3- Judoca, gedoopt op zaterdag 7 januari 1708.

4- Andreas, gedoopt op zondag 18 mei 1710.  Andreas overleed in 1775 in Hekelgem, 65 jaar oud.

5- Joanna Petronella, gedoopt op dinsdag 9 augustus 1712.

De ontvangsten. (de bedragen zijn uitgedrukt in gulden-stuivers-oorden)

– Intrest van Guillam Van Vaerenbergh: 5-18-0.

– Peter Verleysen betaalde de rest van een lening voor De uitgebrande stede op Boekhout. Adriaan had die verworven tijdens zijn eerste huwelijk: 28-0-0.

– Van Jan Van Mulders: 20-0-0.

– 2 jaar rente van Andries Ledegen: 5-18-0.

– Andries Ledegen verkocht als voogd voor de kinderen van Anna hout voor 13-2-0.

– Michiel Tielman kochtklaveren voor 13 g.

Den ondergeschreven heeft gecocht van de momboiren der kinderen Anna Van Mulders de claveren staende op de goederen der selve weesen gelegen op “D’Eeckhout” conditie dat ick deselve mach gebruijcken tot Bamisse toecommende van desen jaere 1717 om ende voor de somme van derthien guldens die ick gelove te betaelen tusschen heden ende den vijffthiensten augustus en oock van desen jaere op voor deze conditie dat op den pandt egeene coijen off andere beesten moghen gepastureert nochte gedreven worden. Actum 10de mei 1717. Michiel Tieleman.

Uitgaven.

– Aan Joos De Coster voor 3 jaar mondcost voor Adriaan: 30-0-0.

– Aan Peter Verleysen, de bijdrage voor de oncostboeck: 6-3-1.

– Jan De Coster ontving als voogd: 1-9-1.

– Aan deurwaarder Willems in 1721: 4-0-6.

– Aan Peter De Kegel in 1721: 2-5-3.

– Aan Jan Van Mulders voor zijn werk op 4 juli 1720: 8-0-0.

– Aan de vrouw van Judocus Van den Brempt voor broeck, lijrock en andersins voor de wezen in 1720: 3-1-0; in 1722 voor kousen en kleren: 5-19-0.

Ontfanghen bij mij onders. van Jan De Coster als voght over de weesen Adriaen De Leeuwe de somme van twee guldens sesthien stuijvers over de geleeverde kleeren in differente rijsen ende bekenne bij desen voldaen te sijn desen 21ste meert 1722.

De huijsvrouw van Judocus Van Der Brempt.

– Aan Jan De Bailliu voor 2 jaar mondcost voor Adriaan in 1721: 10-10-0.

– Aan Hendrik De Kegel, collecteur, voor de setboecken van 1718: 0-12-0.

Aan Andries Ledegen voor lijnwaad en hemden om sijn lichaam te bedecken in 1723: 3-0-0; in 1725: 16-0-0; voor een casack ende hemden voor Andriaan in 1726: 6-0-0 en voor zijn vacaties (ambtelijke verrichtingen) ende debvoiren voor de wezen: 6-0-0.

– Aan Francis Servain uit Brussel voor casack ende broeck voor Adrriaan in 1727: 9-11-0.

– Aan Jan Van Mulders voor het cavelen van de wevers getauwen: 1-10-0.

– Voor een hoed voor Adriaan in 1720: 0-14-0, voor lijnwaad voor het maken van 3 hemden en eenen rolcovel: 0-17-1.

– Aan Guillam De Boitselier voor een paar schoenen voor Adriaan: 1-6-0; voor blockschoenen : 3-12-0.

– Het tantième voor de rendant: 4-6-2.

– Voor de hoofddrossaard, de schepenen en de griffier voor het aanhoren van de rekeningen: 3-3-0; voor het calculeren van de rekeningen: 1-11-2.

– Aan Jan De Coster voor het opstellen van de rekeningen en het schrijven van een kopie: 6-15-0.

Het totaal van de uitgaven bedroeg 155-1-2 en dat van de ontvangsten: 86-11-0. Er was dus een tekort van 68-10-2. Om dat tekort aan te zuiveren vroeg Jan De Coster de toelating van de hoofddrossaard en de schepenen om een pand te verkopen aan Peter Laebaert.

De kinderen van Anna Van Mulders sloten op 1 juli 1728 een akkoord met de kinderen van Marie De Coster om een obligatie van 59 g 10 st onder elkaar te verdelen. De kinderen van Anna De Hoy gingen ook een overeenkomst aan met de andere kinderen om het geld van de verkoop van De verbrande stede aan Peter Clauwaert onder elkaar te verdelen. Die hoeve had Adriaan verworven in 1693.

1727. Adriaan De Vis nam zijn tak als voogd niet ernstig[47].

Joannes De Vis en Catharina Van de Velde hadden 5 kinderen die te Hekelgem werden gedoopt:

1. Petrus, gedoopt o^p 18 oktober 1697.

2. Adriaan, gedoopt op 5 maart 1700.

3. Joanna Maria, gedoopt op 13 november 1703.

4. Laurentius, gedoopt op 23 augustus 1705.

5. Catharina, gedoopt op 7 juni 1708.

Na de dood van de ouders stelde de hoofddrossaard Jacobus Jacobs Adriaan De Vis aan als voogd van de 5 kinderen. Maar hij was niet tevreden met de inzet van Adriaan. De cijns aan de abdij van Zwijveke was niet betaald met het gevolg dat de abdis een proces inspande tegen de kinderen en hen zo belastte met bijkomende kosten soo verre dat hunne cleijne middelkens daerinne souden commen te versmachten. De hoofddrossaard liet advocaat De Maré een klacht neerleggen bij de schepenbank. Hij wou dat Adriaan werd veroordeeld tot het betalen van de noodeloose costen die door Adriaans malgoverne ende onbehoorlijcke administratie waren ontstaan en dat hij voor het niet nakomen van zijn plicht als voogd een boete zou krijgen. Op 29 oktober 1727 spraken de schepenen zich uit/ Adriaan moest 7 g 1 st plus de proceskosten betalen.

1729. Een proces voor 2 g[48].

Judocus Van de Perre wou een hofstede huren van Peter De Ridder, maar kon geen voldoende borg geven. Peter verzocht dan Judocus om de hoeve te verlaten, wat Jacobus ook deed. Hij vroeg wel 2 g 15 st terug die hij boven de pacht had betaald. Peter weigerde en Judocus trok naar de schepenbank Op 31 mei 1729 kreeg Peter te horen dat hij 6 g 9 st moest betalen.

1730. Een kind zwaar verbrand[49].

Pauwel De Smet en Suzanna Van der Jeught, herbergiers van De Kroon, waren op 13 juni 1723 te Hekelgem getrouwd en hadden 6 kinderen die te Hekelgem werden gedoopt:

1. Anna Catharina, gedoopt op 17 december 1724.

2. Cornelius, gedoopt op 26 januari 1727.

3. Joannes Baptist, gedoopt op 12 november 1729.

4.  Anna Catharina, gedoopt op 11 mei 1732.

5. Egidius, gedoopt op 4 september 1734.

6. Anna Maria, gedoopt op 25 september 1736.

Op 9 mei zaten enkele mannen in de keuken van de herberg De kroon van Pauwel De Smet en zijn vrouw. Plots is er een geschreeuw van het oudste kind, Anna Catharina. Het meisje ligt op de grond naast een gebroken teil waaruit water gemengd met een groen kruid wegvloeit. Suzanna grijpt naar een mes en snijdt het kleedje open. Op de rug, de dijen en de armen zijn zware brandwonden te zien. Ze sprenkelt water op de wonden en strijkt er dan gist op. Een buurman brengt het kind naar een kamer. De volgende dag is het dood.

Op 11 mei ondervroegen de schepenen Hendrik De Voghel en Peter Verleysen, in opdracht van hoofddrossaard Jacobs een aantal getuigen.

Gillis De Kegel, 54 jaar, zat op het ogenblik van het ongeval in de keuken van De Kroon. Hij zag dat Suzanna haar kind dat op de grond lag, opraapte en op haar vraag om een mes gaf hij het zijne. De moeder sneed daarmee het kleedje open en hij zag de brandwonden. Gillis, de broer van Pauwel, vroeg haar waarom ze de pot niet op de bank had gezet.

Gillis Hellinckx, 32 jaar, was ook in de herberg tussen 8 en 9 u. ’s avonds. Hij zat bij het vuur. Op het geroep van een kind draaide hij zich om en zag water met een groen kruid op de vloer en hij hoorde zeggen dat het kind verbrand was.

Gerard De Kegel, 32 à 33 jaar en winkelier, hoorde Suzanna Jezus Maria roepen en zag haar met een klein kind naar de watersteen gaan en hoorde haar om een mes vragen om het rijgsnoer open te snijden. Hij zag grote blaren op de rug en de billen van het meisje terwijl de moeder met haar hand er water over goot.

Albert Van Droogenbroeck, 31 jaar, bevestigde de verklaringen van Gerard De Kegel en voegde eraan toe dat hij met zijn mes het kleed open sneed. Hij zag ook hoe de moeder de wonden met gist instreek waarna een man, hij kende zijn naam niet, het slachtoffertje heeft vermaeckt.

Op 13 mei ondervroegen de schepenen Judocus Van den Bossche en Jan Van Assche nog enkele getuigen.

Anna Van den Bossche, 20 jaar en meid bij Pauwel, zei alleen dat zij de rockens van Anna heeft open getrokken.

Gillis Van Nieuwenborgh, een 42-jarige wever, werd op de avond van 9 mei door 3 kinderen, waarvan een van Pauwel De Smet, gevraagd om naar het huis van Pauwel te gaan. In een kamer zag hij een meisje liggen dat op de rug, de billen, de armen en rechts op de buik zwaar verbrand was. Op de vraag van Pauwel en zijn vrouw heeft hij het kind vermaeckt. ’s Anderendaags keerde hij naar de herberg terug om het meisje nog eens te verzorgen, maar het was al overleden.

Officier Peter Ledegen, 54 jaar, ging op 10 mei om 5 u. ’s morgens naar het huis van Pauwel. Zijn vrouw vertelde hem dat hun dochtertje de vorige avond een ongeval had. Zij was in de keuken gekomen en tegen een pot gevallen. Die viel om en het water liep over het kind. Hij was er bij toen het op 10 mei stierf. Pauwel vroeg hem om samen naar de pastoor te gaan om te vragen wat er met het dode kind moest gebeuren. De pastoor antwoordde dat het aan de officier was  om samen met Pauwel naar Brussel te gaan bij de hoofddrossaard. Op 11 mei, tussen 4 en 5 u. ’s morgens deed hij de kamer op slot en reed dan met Pauwel naar Brussel. Zij kregen geen antwoord op hun vraag wat ze met het lijk moesten doen en ze keerden naar Hekelgem terug. Peter wou dat de chirurgijn een lijkschouwing deed, maar om 17 u. vonden ze de kamer leeg. Er lag alleen nog het stro waarop Anna had gelegen en een witte doek. Bijgevolg kon de chirurgijn niet vaststellen of het kind was gestorven door de brandwonden. De hoofddrossaard stelde dan voor dat de schepenen de ouders zouden dagvaarden om meer uitleg te geven. Dat gebeurde op 4 juli 1730.

1730. Vechtpartij in Sint-Hubertus[50].

Op 15 augustus 1730 kwam Pauwel Maes uit Baardegem samen met enkele andere mannen aan in de herberg Sint-Hubertus van Andries Robijns. De bende had voordien al gevochten ten huize van Jan Louis. Een van hen zocht ruzie met Jan De Vis en sloeg hem met zijn vuisten. Hendrik Carel De Voghel, schepen van het Land van Asse, wou De Vis naar buiten helpen, maar de bendeleden hielden hem tegen en ze begonnen iedereen te slaan, ook zijn knecht Jan Van Wemmel. Uiteindelijk konden ze zich in een kamer verschuilen samen met de knecht van Jan Van Humbeeck. Enkele mannen drongen echter de kamer binnen en sloegen Hendrik op zijn hoofd. Nadat de vechters waren vertrokken, hielden ze zich nog enige tijd schuil en verlieten dan de herberg. Hendrik nam wel een stok mee. Aan de Kleine Rammelaar stond de bende hen op te wachten. Zij vroegen hem wat hij met die stok wilde doen. Om naar huis te gaan, antwoordde Hendrik, maar zij namen de stok af en bedreigden hem ermee. Hij vluchtte weg achternagezeten door de vechters. Zij sloegen zo hard op zijn hoofd dat hij op de grond viel en bleven hem dan nog schoppen en stampen.

Omdat dergelijke moedwilligheden ende straetschenderijen niet geoorloofd zijn, diende hij  op 3 oktober 1730 een klacht in. Hij vroeg de schepenen een schadevergoeding van 24 g.

Hendrik De VoghelL, zoon van Andreas en Maria Vander Meerssche, werd gedoopt op woensdag 17 januari 1685 in Asse. Hij is overleden op vrijdag 1 juni 1742 in Asse, 57 jaar oud. Hendrik trouwde, 25 jaar oud, op dinsdag 24 juni 1710 in Meldert met Anna De Clerck, 22 jaar oud. Zij is gedoopt in 1688 in Meldert. Anna overleed op woensdag 15 oktober 1738 in Asse, 50 jaar oud.

De Rammelaar, nu gedempt was gelegen aan de hoek van de Langestraat en Molenstraat (voorheen Domentstraat).

1734. Klaveren gestolen[51].

Op een namiddag in oktober 1733 ging Marie Elisabeth De Keijser, de 20-jarige vrouw van Franciscus Cornelis naar hun klaverveld op de Keuckenshaeghe. Daar zag zij de vrouw van Adriaan De Vis die met twee van haar kinderen in hun veld klaveren afsneed en in haar voorschoot stopte. Zij meldde de diefstal aan advocaat De Maré die de feiten meldde bij drossaard Joannes Loovens. Die liet haar op 1 juni 1734 een verklaring afleggen en vervolgens Jacobus De Brucker ondervragen. Jacobus, nu dienstbode bij de weduwe Jan Van den Bossche in Baardegem, was op het ogenblik van de feiten in dienst bij Franciscus Cornelis. Jacobus getuigde dat hij de vrouw van Adriaan De Vis en enkele andere vrouwen op Keuckenhaeghe had gezien, maar kon niet zeggen dat zij op het veld van Cornelis stonden. Hij heeft wel Marie horen roepen: Gij dievegge. Waarop de vrouw van Adriaan antwoordde: Gij sijt selve eene dieffegge en ick hebbe tot tuwent drij potten bier gedroncken ende gij hebt ons vier doen betalen. Wou Adriaans vrouw het teveel betaalde tergwinnen?

1735. De bedesetters van Hekelgem betaalden niet[52].

Steven Louis, zoon van Joos en poortmeester van de Vrijheid en het Land van Asse diende op 10 januari 1735 zijn rekening van de waeghe der poort voor de periode van september 1724 tot augustus 1725 en voor het jaar 1732 in. Hij had een tekort van 195 g 10 st maar  drossaard Loovens en de schepenen keurden ze toch goed. Om het tekort weg te werken moest elke gemeente een bijdrage leveren: Asse: 88 g 2 st; Baardegem: 20 g 4 st; Essene: 22 g 5 st; Hekelgem: 23 g 13 st; Meldert: 19 g 8 st; Mazenzele: 5 g 2 st en Mollem: 26 g 16 st. Samen 200 g. Alle gemeenten betaalden behalve Hekelgem. Steven Louis vroeg de schepenbak om Hekelgem te verplichten de 23 g 13 st te betalen.

1736. De Vlamingen moeten eraan[53].

Op 20 juni 1736 omstreeks 11 u. werd er op de deur geklopt van chirurgijn Judocus Godefroy. Toen hij die opende, zag hij drie mannen staan. Een van hen was dorpsofficier Peter Ledegen en een andere was Michiel Camu van Erembodegem. De derde persoon kende hij niet. Michiel Camu was geheel bebloed en had twee hoofdwonden. Na onderzoek bleek ook dat de cleijne pijpe van zijn onderarm was gebroken. Judocus verzorgde de wonden en Michiel Camu vertrok. De volgende dag, na een nieuw onderzoek, vond Judocus de hoofdwonden geheel dansireus. Hij raadde hem aan zich rustig te houden en meester Boterdael, de chirurgijn van het gasthuis van Aalst, te ontbieden. Daarna heeft hij Michiel Camu niet meer gezien, wel vernam hij dat Camu in het gasthuis was opgenomen. Hoe die aan zijn verwondingen kwam, heeft hij niet vernomen.

Deze verklaring legde Judocus af op 23 juni bij de schepenen Hendrik De Voghel en Peter Verleysen nadat de hoofddrossaard een onderzoek naar de feiten had bevolen. De schepenen ondervroegen nog andere getuigen.

Guillam Arijs, cossaert (keuterboer) uit Erembodegem en zoon van Jan, was de tweede getuige die ze verhoorden. Hij vertelde dat hij op 20 juni met Michiel Camu, Andries Meert en Judocus Seminck naar de abdij was geweest om tienden te pachten. Na de middag zijn ze naar de herberg De Vishernaers getrokken en er tot 8 à 9 u gebleven. Op weg naar huis, aan de woning van Frans Van Nieuwenborgh, de zoon van Gillis, kwam een hondje blaffend op hen toegelopen. Het bleef maar rond hun benen draaien en pas door in zijn handen te klappen en met zijn voeten te stampen kon hij het hondje verjagen. Hij volgde het tot aan het huis van Gillis en daar bleef hij met gekruiste armen aan de dorpel staan. Plots voelde hij slagen op zijn rug en armen tot hij bewusteloos viel. Toen hij bijkwam, zag hij Merten Verleysen, zoon van Frans, met een haak in zijn linkerhand. Wie hem geslagen heeft, weet hij niet. Hij ging naar de herberg Den (onleesbaar) en trof er Peter Ledegen en Michiel Camu die ernstig gewond was. Samen zijn ze naar het huis van Judocus Godefroy gegaan die Michiel verzorgde. Daarna brachten ze Michiel naar zijn huis. Later vertelde Michiel hem dat het Gillis Van Nieuwenborgh was die hem eerst met een stok had geslagen, dan diens zoon met een ijzeren kolf en Merten Verleysen met een haak. Michiel was nog naar hem komen kijken toen hij op de grond lag, maar de drie mannen vielen hem aan en hebben hem zwaar toegetakeld. Jan Verleysen, de zoon van Thomas, was er getuige van dat hij bewusteloos op de grond lag.

Cornelis De Schrijver, een 33-jarige Erembodegemnaar, was met Jan Van de Velde naar de verpachting van de tienden geweest. Bij het terugkeren moest hij sijn gevoegh gaen maecken  terwijl Jan verder ging. Even later zag hij Jan aan het huis van Laureijs Everaert staan en dat Guillam Arijs en Michiel Camu al struikelend naar hen toe kwamen en achter hen enkele mannen die riepen en tierden. Hij stelde Jan voor om snel weg te gaan want hij vreesde dat er kon gevochten worden. Ze verstopten zich in een graanveld en zagen eerst een bebloede Michiel Camu voorbij lopen achternagezeten door enkele mannen die hij niet kende. Een van die mannen riep dat ze in het graan zaten en daarop is hij naar de steenweg en tot aan het huis van Peter Clauwaert gelopen. Nadien heeft hij niets meer gezien.

Jan Van de Velde, 46 jaar, gaf dezelfde verklaring als Cornelis De Schrijver.

Laureijs Everaert, 65 jaar en cossaert, lag de avond van 20 juni al in bed toen Jan Van de Velde omstreeks 10 u. op de deur klopte. Hij wou een pijp ontsteken, riep hij. Zijn vrouw was nog op en liet hem binnen. Even later kwam zij ook slapen. Dan was er zo’n lawaai dat hij dacht dat er wagens passeerden. Iemand schreeuwde gij donder soude gij u mes trecken. Hij sprong uit bed en wou op straat gaan kijken, maar zijn vrouw hield hem tegen. Hij trok dan de achterdeur open waar zijn zoon Jan, 14 of 15 jaar oud, al stond. Jan zei dat er iemand zo hard werd geslagen dat hij op zijn knieën om zijn leven bad. Toen zag hij Gillis Van Nieuwenborgh die hem toeriep dat hij op de Vlamingen zo fel had geklopt dat zijn kolf bijna in stukken was. Hij vroeg wie die Vlamingen waren, maar kreeg geen antwoord. Dan kwam Martinus Verleysen, de zoon van Frans, tot bij hen. Die had een stok in zijn handen en sprak geen woord. Laureijs sloot de deur en ging weer naar bed.

Andries Boterbergh, 34 jaar, sliep al toen hij hoorde roepen vader, sij slaen met hun messen. Hij ging op straat kijken en zag wat verder Laureijs Everaert in zijn hemd aan de achterdeur staan en hij ging met hem wat praten. Zij zagen Guillam Arijs die zijn hoed zocht en Gillis Van Nieuwenborgh en zijn zoon Frans op hun mesthoop staan. Frans had een stok in zijn hand, een duim dik. Het leek Andries ’t beste dat hij naar huis ging.

Laurentius Everaert, zoon van Carolus en Joanna Geysels(Gijsens, werd gedoopt op maandag 1 augustus 1672 in Hekelgem. Hij overleed op zaterdag 4 februari 1747 in Hekelgem, 74 jaar oud. Laurentius trouwde met Maria verleysen, overleden op donderdag 13 april 1769 in Hekelgem.

Kinderen van Laurentius en Maria te Hekelgem gedoopt

1 Joannes, gedoopt op 11 juli 1711.

2 Thomas, gedoopt op zondag 16 juli 1713 en overleden in 1787 in Hekelgem, 74 jaar oud.

3 Joanna Elisabeth, gedoopt op maandag 1 maart 1717.

4 Joannes, gedoopt op woensdag 14 augustus 1720 en overleden op zaterdag 19 november 1791 in Hekelkgem, 71 jaar oud. Hij trouwde, 17 jaar oud, op zondag 16 februari 1738 in Hekelgem met Elisabeth Van Mulders 17 jaar oud. Zij is gedoopt in 1731 in Baardegem en overleed op dinsdag 31 mei 1796 in Hekelgem, 65 jaar oud.

5 Anna Francisca, gedoopt op maandag 3 januari 1724.

Thomas Verleysen, een 60-jarige cossaert lag te slapen toen hij hoorde schreeuwen gij, mordeussche divels, gij moetten aen. Hij kleedde zich snel aan en ging de straat op. Daar zag hij Jan Van Nieuwenborgh, de zoon van Gillis, een jongen van 13 of 14 jaar, met een mesthaak op zijn schouders en Gillis en Frans Van Nieuwenborgh die ongewapend waren en Merten Verleysen die een haak droeg. Andries Boterbergh, Jan Verleysen en nog andere buren waren ook naar buiten gekomen. Guillam Arijs kwam op hem toe en vroeg om hem te helpen zijn hoed te zoeken. Dat heeft hij gedaan en daarna bleef hij nog wat met de buren praten over wat er kon gebeurd zijn. Dan zagen ze Guillam Arijs terugkomen en naar de herberg gaan waar, naar men zei, Michiel Camu gekwetst lag. Thomas voegde er nog aan toe dat Gillis Van Nieuwenborgh hem vertelde dat er ruzie was ontstaan over een hondje.

Op 26 juni ondervroegen Hendrik De Voghel en Gillis Meert officier Peter Ledegen en burgemeester Jan Van den Bossche verhoorde Thomas Everaert.

Peter Ledegen, 62 jaar, was op 20 juni in de herberg In den Coninck van Spaigne van Peter Clauwaert. Omstreeks 10 u. ging hij richting Boekhoutberg. Aan de galg gekomen, hoorde hij iemand herhaaldelijk O Heere, ick moet sterven roepen. Hij ging in de Mazitsstraat kijken en zag daar iemand liggen die zo bebloed was dat hij niet kon zien wie het was. Hij bracht hem naar het huis van de weduwe Arijs in de herberg Den …stock. De dochter zei dat het Michiel Camu uit Erembodegem was. Peter vroeg hem meermaals of hij Michiel Camu was, maar de man was zo toegetakeld dat hij niet kon antwoorden. Toen kwam Guillam Arijs binnen die op zoek was naar Michiel. Hij vertelde wat er aan het huis van Frans Van Nieuwenborgh was voorgevallen. Giilis, Frans en Merten Verleysen hebben hen aangevallen en Michiel soo mordadelijck gekwetst. Hijzelf kon nog vluchten. Peter Ledegen besloot om met Guillam Arijs  Michiel Camu naar Judocus Godefroy te brengen. Na verzorging begeleidde hij met de knecht van de provoost Michiel tot aan de grens met Erembodegem. De volgende dag, tussen 6 en 7 u. heeft hij een klacht ingediend tegen Gillis, zijn zoon Frans en Merten Verleysen. Op de messinck van Gillis vond hij de hoed van Michiel en ook een quaet mesch.

Thomas Everaert, 23 of 24 jaar werd op 20 juni door zijn broer wakker gemaakt omwille van lawaai. Hij vermoedde dat het Vlamingen waren die van de verpachting van de tienden kwamen. Hij is zijn broer naar de achterdeur gevolgd, maar er was niets meer te zien. Op straat stond Gillis Van Nieuwenborgh, die ze ook Giilis Zachias noemden, met zijn zoon Frans die een kolf droeg.

Een brief aan de burgemeester en de schepenen.

De vrouw van Gillis Van Nieuwenborgh en die van Merten Verleysen mengden zich in het proces door een brief te schrijven naar de burgemeester en de schepenen van Asse. Volgens hen stonden op de avond van 20 juni, tussen 9 en 10 u., twee of meer personen uit Erembodegem uijt pure boosheijt ofte dronkenschap beledigingen te roepen aan hun huis. Gillis, die al in bed lag, stond op, nam een stok en met zijn zoon die een kolf droeg, gingen ze de straat op en riepen om hulp. Martinus Verleysen kwam bij hen met eene brack. Zij zagen twee personen die hen wilden attaqueren. Gillis, zijn zoon en Merten hebben het ongeluk gehad dat ze in hun verdediging Michiel Camu aan zijn hoofd zodanig hebben gekwetst dat hij in het  gasthuis te Aalst werd getrapaneert ( zijn schedel werd doorboord). Zij hebben vernomen dat de hoofddrossaard een onderzoek heeft ingesteld en hun mannen wil aanhouden. Daarop zijn die gevlucht en lieten zo hun vrouwen en kinderen die schier van armoede staen te vergaen in de steek. Vooral de vrouw van Martinus, die zwanger is,  verkeert nu in perijckel van te misvaeren. Dat is geheel in tegenstelling tot de gekwetste die nu buiten levensgevaar is zoals blijkt uit de verklaringen van de heer Somers, dokter pensionaris van Aalst en chirurgijn Boterdael die naar de drossaard zijn gezonden. Bijgevolg kan de zaak niet meer als een criminele daad worden gezien vermits de wonde niet dodelijk was en het gevolg was van zelfverdediging en om hun woning te beschermen. Zij vroegen dat de provisie van de prise de corps voor hun mannen zou stoppen.

Het attest van de dokter.

Op 22 augustus 1736 schreven Somers en Boterdael twee brieven naar de hoofddrossaard. Hun eerste brief handelde over de toestand van Michiel Camu, de tweede over over  hun vergoedingen:

Onderschreven doctor en meester chirurgijn beijde ten pensioenen in dese Lande van Aelst attesteren bij desen ten versoecke van mijnheer den drossaert van Assche als dat den persoon van Michiel Camu hier voorens ten uijterste periculeus gequest gheweest hebbende ende ligghende alhier int gasthuijs te Aelst als nu buijten alle peryckel der doods is, sijnde de vreese die wij niet sonder de grootste redenen hadden van quaet en doodelijck ghevolgh als nu ten vollen verdwenen. In teecken der waerheijt hebben wij dese onderteeckent desen 22ste augustus 1736. J. G. Somers medicus, D. V. Boterdael.

Mijnheer,

Sende volghens U. E. versoeck een attestatie aengaende de gesteltenisse van Machiel Camu ligghende alhier te Aelst gequetst  in het gasthuijs.

Vandaegh te Afflighem sijnde met sieur Boterdael is bij ons ghekoomen eenen seekeren boer den welcken mij ende sieur Boterdael gheassureert heeft voor de betaelinghe over onse devoiren rakende den voorseijden ghequetsten  waerover wij de assurantie aenghenomen hebbende aen U. E. gheen gebreck van betalinghe en sullen doen, sijnde wij te onder met die assuraten vermits eenen heer van Afflighem ons verseekert heeft dat dien boer goed daervoor was ist saken wij U. E. eenighen dienst konnen doen, gelieve te ordonneren aen de ghene met alle respect sullen altijt toonen te sijn U. E. ootmoedighste dienaren. J. G. Somers medicus, D. V. Boterdael.

Een tragisch einde.

Op 11 oktober overleed Michiel Camu en zijn weduwe richtte zich tot de Raad van Brabant om Gillis en Frans Van Nieuwenborgh en Martinus Verleysen aan te klagen als moordenaars van haar man. Helaas voor de weduwe beschikte de hoofddrossaard over het attest van de dokter en de chirurgijn waardoor de Raad oordeelde dat Michiels dood een gevolg moest zijn van een ander voorval. Haar eis werd afgewezen.

1737. Een proces van 6 jaar voor smaad[54].

Op 25 september 1731 diende Jan De Ran uit Meldert een klacht in bij de schepenbank tegen officier Peter Ledegen wegens smaad. Wat Peter had gezegd, wordt nergens vermeld. De schepenen wisten blijkbaar niet wat ze met die klacht moesten aanvangen en riepen in 1735 het advies in van de Raad van Brabant. Die stelde de schepenen voor om beide partijen te dagvaarden en aan Peter te vragen of hij over de eer en de reputatie van Jan aanmerkingen had. Als hij, wat hij al had verkondigd, niet meer staande hield aan wat hij had beweerd, dan stopte het proces. De confrontatie gebeurde op 24 januari 1736 in de gebanne vierschaar met drossaard en de schepenen Hendrik De Voghel, Gillis Meert, Philips Van Humbeeck en Jacobus Meert. Peter trok zijn vroegere beweringen in en moest op 6 juni 1737 37 g 3 st proceskosten betalen.

1738.Gillis Meert doodgeschoten[55].

Gillis De Smet, 33 jaar en zoon van Michiel, vertelde de schepenen La Hoese, De Voghel en Van Mulders over de gebeurtenissen van 26 oktober 1738. De schepenen ondervroegen hem in opdracht van hoofddrossaard Joannes Emanuel Loovens. Op die zondag 26 oktober stopte er aan zijn herberg De Kroon een wagen gevoerd door Gillis meert, zoon van Frans uit Asse-ter-Heide met op de wagen Jan Louis, zoon van Hendrik, Joos Huyghe, de knecht van Frans Meert en Thomas Van Laecken, zoon van Peter. Ze wilden een pot bier drinken. Ze waren gehaast want ze dronken hun pint maar half leeg, betaalden en vertrokken. Dan zag hij Frans Vonck, zoon van Jan, de korporaal van de nachtwacht, en Jan Baptist Piron, zoon van Frans, voorbij lopen. Frans was ongewapend, maar Jan Baptist droeg een busse. Zij schreeuwden staet, staet, maar de wagen reed door en Piron lostte een schot. Gillis zag hoe Gillis Meert die op een paard zat, voorover viel, van het paard gleed en als een dronken man naar de kant van de weg wankelde waar hij ging zitten. Jan Baptist Piron zag hij over de gracht springen tussen de steenweg en zijn hopveld en wegvluchten. Hij heeft hem daarna niet meer gezien. Francis Vonck keerde terug naar de steenweg. Jan Louis sprak hem aan en zei dat de patrouille van Hekelgem naar hun pas hadden gevraagd. Die hadden ze niet, maar Joos Huyghe toonde hen de rekening van de paters kapucijnen van Aalst waar ze planken hadden geleverd. Dan kwam er een wagen van de abdij aangereden, die stopte en een pater kapucijn boog zich over Gillis Meert en hoorde zijn biecht. Even later arriveerde de pastoor van Hekelgem en gaf Gillis sijne heijlighe rechte (de ziekenzalving). Daarna brachten enkele mannen het slachtoffer naar de kelderkamer in zijn huis. Judocus Godefroy[56], de chirurgijn verzorgde hem en tussen 9 en 10 u. is Gillis Meert overleden[57].

De schepenen ondervroegen nog meerdere getuigen van het dramatisch voorval. Allen vertelden wat zij gezien en gehoord hadden en geleidelijk kreeg het verloop van de gebeurtenissen een duidelijk beeld.

Joos Nuelant, die als tweede aan de beurt kwam, was in De kroon en hoorde Francis Vonck zeggen schiet mordieu en Jan Baptist Piron schoot naar een wagen waarop zowel mannen als vrouwen zaten. De voerman viel voorover op het gareel, gleed van het paard af en schuifelde naar de kant van de weg. Piron liep na het schot weg door het hopveld van Gillis De Smet tot aan de abdij waar de knechten hem niet binnen lieten. Joos wou dan gaan zien hoe het met Gillis Meert was, maar omstaanders wezen hem af. Hij had er niets te zoeken beten ze hem toe. Hij kon wel zien dat de voerman zwaar getroffen was. Het bloed liep met heele hoeden uijt. Iemand vroeg hem om de pastoor te verwittigen. Hij liep naar de kerk en kwam hem onderweg al tegen. De knecht van Frans Meert had een paard uitgespannen en was daarmee naar de pastorie gereden. Terug in de herberg hielp hij Gillis  naar binnen dragen en wat later ging hij naar huis. Toch keerde hij een uur later weer en dan leefde Gillis nog.

Jan Verdoodt, knecht bij Francis Cornelis, ontmoette Frans Vonck na het schieten. Hij greep hem vast. Ghij hebt mij oock willen omver schieten schreeuwde hij hem toe. Francis smeekte om hem te laten gaan en hij liet hem los.

Thomas Van Laecken, zoon van Petrus uit Asse-ter-Heide, 28 jaar, werd door Peter Ledegen gedagvaard. Hij was op 26 oktober 1738 in de herberg Den Vogelensanck. Omstreeks 3 u. ging hij naar Het Croontien (De Kroon) en zag de wagen waarop Anna De Voghel, Catharina en Angelina Verlies zaten, meisjes van Asse-ter-Heide. Joos Huyghe, wiens wagen het was, riep vanuit de keuken comt binnen, wij reijden soo t’ saemen naar huijs. Binnen trof hij Joos in het gezelschap van Gillis Meert en Jan Louis. Huyghe bood hem een pint aan en met Jan Louis ging hij in de deuropening staan. In de verte kwamen twee mannen aangelopen en Jan zei laet ons avanceren, wat hebben wij met die sotten vandoen, daer soude dickwijls rusie comen. Jan en Joos stapten op de wagen en Gillis op een paard. Toen ze wegreden, hoorde hij roepen Gille Meert staet ghij, sijt ghij eenen eerlijcken. Dat was een van de Voncken die hij eerder had gezien en toen al dacht dat hij dronken was. Dan volgde er een schot van een fusiek en hij zag dat Gillis getroffen was. Thomas zei hem dat Gillis in de rug was geraakt en dat de kogel er langs voor was uitgekomen. Hij is dan de ouders gaan verwittigen.

Joos Huyghe, 26 jaar van Asse-ter-Heide, was die zondagmorgen rond 8 u. met de anderen met een wagen vol planken naar de kapucijnen van Aalst gereden. Na de middag keerden ze terug met ook Lan Louis die ze in Aalst hadden ontmoet. Te Hekelgem aan de nieuwe herberg Het Croontien kwam Francis Vonck naar buiten, greep een paard vast en vroeg hun pas. Gillis Meert antwoordde dat ze geen pas hadden, maar Vonck bleef eisen dat ze hun pas zouden tonen en tastte naar zijn mes. Jan Louis sprong direct van de wagen, gooide Vonck op de grond en ging te voet verder. Zij vervolgden ook hun weg, achternagezeten door Francis Vonck. Aan Het Croontien bleven ze staan voor een verfrissing, maar toen Jan Louis Vonck en een andere man zag aankomen, zijn ze vertrokken. Hij hoorde Vonck roepen, er volgde een schot en hij zag een man met een geweer naar de hoplochting lopen. Hij ging naar Gillis toe en hoorde hem nog fluisteren Jezus Maria, Joos ick ben geschooten. Toen hij de wonde zag, spande hij een paard uit en reed naar de pastoor. Nadat ze in de herberg terug waren, bleef hij nog even wachten en ging dan te voet naar huis.

Jan Baptist De Witte, de 29-jarige zoon van griffier Jacobus, wandelde op die beruchte zondag met Peter Van den Broeck over de Molenkouter naar De Kroon. Daar zaten als enkele mannen zoals Jan De Bailliu, Frans, de knecht Gillis De Smet, Jan De Smet en Andries Van den Bossche, de knecht van Jan Meert. Rond half drie kwam Jan Louis binnen met Gillis meert en Joos Huyghe. Ze waren er maar net als Jan Louis zei comt laet ons gaen die sotten ofte satten van die wacht comen daer wederomme. Wat later vernam hij dat Gillis Meert was geschoten. Hij bleef wat in de keuken en ging dan naar de gekwetste kijken die buiten op een stoel zat. De pastoor diende hem de ziekenzalving toe en enkele mannen droegen hem naar de kelderkamer waar hij een wagenmand klaar maakte om Gillis erin te leggen. Tot ongeveer 7 u. wachtte hij in de keuken en ging dan naar de kelderkamer en bleef bij Gillis tot hij stierf.

Peter Van den Broeck, 23 jaar, vernam van Thomas Van Laecken in De Kroon dat de mannen van de boerenwacht moeilijk deden en ze maakten zich zorgen. Ze vertrokken zonder hun pot uit te drinken. Hij ging daarop naar buiten en hij hoorde Francis Vonck roepen dat Jan Baptist moest schieten en er volgde een schot. Bij Gillis zag hij onder zijn borst een open wonde. Hij is op de kelderkamer gebleven tot Gillis overleed.

Guillam De Donder, 28 jaar, was de waard van de nieuwe herberg De Halve Maene. Die zondag 26 oktober zaten de mannen van de patrouille bij hem te kaarten: korporaal Francis Vonck, Jan Baptist Piron, Joos Van Nieuwenborgh, Peter Van den Steen en Francis Cornelis, de zoon van Andries. Ze waren al behoorlijk dronken. Toen er een wagen passeerde, stapte Frans Vonck naar buiten en even later kwam iemand zeggen dat de korporaal werd geslagen. Jan Baptist Piron nam zijn geweer en ging kijken. Die namiddag vernam hij dat Frans en Jan Baptist op iemand hadden geschoten.

Jan Leemans, een 30-jarige kleermaker uit Essene stond aan de deur van De Halve Maene aan de hoek van de Fossel en de steenweg. Frans Vonck kwam kijken toen er een wagen aankwam en hield die tegen. Er volgde een discussie tussen de voerman en de korporaal. Plots greep die de voerman bij de slip van zijn casack en de loigne van het paard. Toen sprongen twee mannen van de wagen en gooiden Vonck op de somerbaene. Een van het ging te voet verder en de andere stapte op de wagen en ze reden weg. Op dat ogenblik kwam Jan Baptist Piron naar buiten en Jan zei hem gaet maer an, ghij sult oock wat krijgen gelijck den corporael gehadt heeft. Piron antwoordde niet en haastte zich weg. Hij bleef in De Halve Maene naar het schijfschieten kijken. Een kwartier later meldde Jan, de paardenknecht van Frans Cornelis, dat iemand door zijn lijf was geschoten. Leemans ging naar De Kroon en zag Gillis op zijn buik liggen.

Het getuigenis van Jan Leemans werd op 29 oktober ondertekend door P. Van den Bossche, Gillis Meert, Jan Baptist Lahoese en J. De Backer. De 30ste oktober ondervroegen dezelfde schepenen nog enkele getuigen.

Anna De Voghel, 24 jaar, werd gedagvaard door Peter De Wandeleer. Zij was een van de meisjes op de wagen. Aan de nieuwe herberg tegen de steenweg kwam een man in  een witte lijnwaerte casack naar buiten en riep hen toe om te stoppen. Hij wilde hun pas zien. Gillis antwoordde dat ze die niet nodig hadden. Daarop greep de man Gillis vast, maar Jan Louis en Joos Huyghe bevolen hem om Gillis los te laten. Hij weigerde en de twee mannen trokkken hem weg terwijl Gillis hem op zijn arm sloeg met zijn zweep. Toen reden ze weg gevolgd door die man die met een mes zwaaide. Aan Het Croontien stopten ze om wat te drinken. De vrouwen bleven op de wagen zitten. Die man, dat was Frans Vonck, had hen ingehaald en keek even naar binnen, keerde op zijn stappen terug en dook even later weer op met Jan Baptist Piron. De meisjes riepen de mannen om snel te vertrekken omdat ze ruzies verwachtten. Joos Huyghe en Thomas Van Laecken kropen op de wagen en Gillis op zijn paard en vertrokken. Piron riep dat hij zou schieten als ze niet stopten. Met zijn schot trof hij Gillis in zijn schouder. Anna bleef nog tot een pater kapucijn de biecht van Gillis hoorde en ging dan met Catharina te voet naar huis.

Catharina Verloes, 18 jaar legde dezelfde getuigenis af als Anna De Voghel.

Jan Verdoodt, zoon van Arnold, 27 of 28 jaar, werd een tweede maal verhoord. Hij ging die zondag met zijn meester Frans Cornelis[58], een blinde man, naar De Halve Maene van Guillam De Donder. Daar zaten Frans Vonck, Peter Van den Steen, Joos Van Nieuwenborgh, Jan Baptist Piron en Frans Cornelis. Frans Vonck zei tot zijn meester: ghij blinden donder wat wilt ghij hebben van den corporael. Een pot met drinken, antwoordde Cornelis, maar Vonck greep hem vast en eiste dat hij zijn pas toonde. Jan mengde zich in de discussie: siet wat ghij doet, sijt voorsichtigh met een geladen geweer soo iemand onder den neus staen. Vonck en de andere patrouilleleden pakten hem vast en stootten hem van de ene kant naar de andere, trokken aan zijn haar, grepen hem bij de keel en scheurden zijn laeckenen casack. De waard kon hem wegtrekken en in een kamer opsluiten. Wat later kon hij naar Het Croontien gaan en zag Jan Baptist Piron, die juist geschoten had, naar de hoplochting van Gillis De Smet weglopen. Frans Vonck kwam naar hem toe en Jan beet hem toe dat hij hem niet moest neerschieten, dat hij al genoeg ongelukken had gedaan. Dan stopte er een wagen met een kapucijn en de hofmeester van de abdij. Nadat hij de wonde bij Gillis Meert had gezien, is hij vertrokken.

Peter Callebaut, 27 jaar, zag Frans Vonck ruzie maken met mensen die op een wagen zaten en daarna Jan Baptist Piron, gewapend met een busse, op de steenweg richting Het Croontien lopen. Hij volgde en op de weg naar Affligem (de Fosselstraat?) zag hij een wagen van de abdij met de hofmeester en twee kapucijnen. Een man zei hem dat er iemand was neergeschoten. Peter besloot om direct naar huis te gaan.

De lijkschouwing.

Op 27 oktober gingen, op vraag van de hoofddrossaard Joannes Loovens, dokter Carel Van Innes en meester Judocus Godefroy naar De kroon voor de lijkschouwing op Gillis Meert. Zij stelden vast dat de kogel de lever gans vermorselt had en de vena hepatica (de ader die het bloed van de lever afvoert) had doorboord. Gillis was, naar hun mening, incurabel ende corts naer den scheut moest daervan sterven. De verklaring werd ondertekend door C. Van Innes, J. Godefroy, Jan Baptist Lahoese en E. Van Mulders.

Het verdict van de hoofddrossaard.

In zijn verslag van 31 oktober liet de hoofddrossaard de burgemeester en de schepenen weten dat Frans Vonck en zijn compagnons van de wacht al van in de voormiddag van 26 oktober zich hadden gedragen als vrijbuiters. Ze deden alle koetsen, zelfs de diligences,  stoppen met gespannen geweer. Ook de wagen van Gillis Meert moest halt houden met het gevolg dat Jan Louis en Joos Huyghe van de wagen sprongen en Vonck, die het paard bij de loigne en Gillis bij de slip van zijn casack vasthield, weg te trekken. Louis sloeg met een stok waardoor Vonck op de grond viel. De wagen vertrok, achternagezeten door Frans Vonck met een mes in zijn hand. Jan Baptist Piron, die bij de patrouille hoorde, kreeg van Frans het bevel te schieten. Hij trof Gillis Meert onder de rechterschouder en Gillis was dodelijk getroffen. Hij gaf de schepenen de opdracht om Frans Vonck en Jan Baptist Piron, die het Land van Asse ontvlucht waren, te arresteren en al hun goederen aan te slaan en te verkopen.

Het vonnis.

Op 23 juni 1739 spraken de schepenen in gebanne vierschaere het vonnis uit:

Verclaeren daeromme voorder dat de geproclameerde (dit zijn Frans Vonck en Jan Baptist Piron) hebben verbeurt lijff ende goed, condemnerende de selve geproclameerde van op het hooghste van den daeghe gebrocht te worden op een schavot ter plaetse alwaer men onder Assche gewoon is criminele justitie te doen ende aldaer publicquelijck met een sweirdt onthoofd te worden soo datter de dood naer volght, ordonnerende mits hunne voortvluchtigheijt dat de exercitie sal geschieden in effigie[59] andere ten excemple, condemnerende tot dien de voorschreven geproclameerde ende ieder in solidium in de costen ende missen van justitie ter behoorelijcke taxatie ende moderatie.

Het vonnis werd uitgespreken ten overstaen van de heer Joannes Emanuel Loovens hooftdrossaert, sieur Petrus Van Den Bossche, Gillis Meert, Joannes Baptista Lahoese, Jan Baptista Verhasselt, Jan Meert, Anthoon De Voghel ende Ieronimus De Backer schepenen van Assche. Egidius Van Mulders, Jan Van Assche, Jan Baptista De Cock, Peeter Wambacq, Peeter Beeckman ende Zegher Esselens schepenen tot Assche,.

P. Robijns was als griffier ook aanwezig.

Opmerking: op dat ogenblik waren de twee veroordeelden nog voortvluchtig.

R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 657.

Een godvruchtig gedenkteken.

Henri Roseleth[60] publiceerde in 1913 een artikel[61] onder de titel Godvruchtige Gedenkteekens waarin hij op die dramatische gebeurtenis terugkwam. Ongeveer op de plaats waar Gillis Meert werd neergeschoten, richtte de familie een kruis op (zie tekening). Het is er tot 1889 blijven staan en werd in dat jaar op een nacht vernield. Het gemeentebestuur wilde die godvruchtige traditie in ere houden en gaf de stukken in bewaring in een naburig huis waar ze na zekere tijd waren verdwenen. Het aanpalende land werd volgens Roseleth nog lange tijd “Het Kruis” genoemd.

Over de patrouilles, die hij boerenwachten noemt, weet hij te melden dat ze waren opgericht als bescherming tegen roversbenden. De leden van de patrouille onder leiding van Frans Vonck, zo had hij vernomen, had de nacht in de herberg doorgebracht en Frans Vonck en Gillis Meert waren concurrenten: ze dongen beiden naar de hand van hetzelfde meisje.

Merkwaardig maar de datum op het kruis, 24 november 1736, is in tegenspraak met de datum in de processtukken waar herhaaldelijk 26 oktober 1738 staat.

1739. De armmeesters van Hekelgem moeten het achtergelaten kind onderhouden[62].

Op 9 september 1739 spande hoofddrossaard Joannes Loovens een proces tegen Hendrik Dauwe en Jan Baptist Restaeu, armenmeesters van Hekelgem. Hij wilde dat ze een achtergelaten kind van Theresia Michiels, geboren in Hekelgem, zouden onderhouden. Theresia werd na haar geboorte opgevoed door haar ooms in Asse, Meldert en elders. Als volwassen vrouw leefde ze een tijd in bloedschenderij samen met Jan Timmermans. In Hekelgem werd hun kind geboren, maar korte tijd later verhuisde het koppel naar Asse. Weldra werden ze door armoede gedwongen tot landloperij. Het kind lieten ze achter bij  een zekere Michiel Willems in Asse. De drossaard besliste  dat het kind, in Hekelgem geboren, ten laste viel van de armenmeesters van Hekelgem. Die waren met die beslissing niet opgezet en weigerden om in te staan voor het onderhoud. Het is een christelijke plicht, betoogden ze, om onmondige en verlaten kinderen, wezen, oude mensen bij te staan. Maar in het geval van het achtergelaten kind kwam die plicht toe aan de H. Geesttafel van Asse. Die zijn eigenlijk de voogden en de oppermomboir is de pastoor van Asse. De synode van Mechelen van 1609 bepaalde immers dat allen die de administratie van de tafel van de H. Geest aanvaardden, moeten de zorg dragen voor alle hulpbehoevenden. Ze mogen zich niet verschuilen achter de rug van de pastoor en beweren dat die de last van onderhoud op Hekelgem wou afwenden. In de dag des oordeels moeten zij daarover verantwoording afleggen.

Hendrik Dauwe en Jan Baptist Resteau betwijfelden of het kind dat bij Michiel Willems verbleef wel van Theresia Michiels was. Van een ouder kind beweerden de Assenaren dat het van Theresia was, maar ze kenden de vader niet en het werd als vondeling aan de deur van de pastorie aangetroffen. Dus

 weten ze niet met zekerheid wie de moeder is.

De schepenen deden een beroep op de advocaten van de Raad van Brabant.  In december 1739 ontvingen de schepenen de raad om de armenmeesters van Hekelgem uit te nodigen om hun argumenten nog eens uiteen te zetten.

1740. Verkoop ten sterfhuize Hutsebaut[63].

Na het overlijden van het echtpaar Cornelis Hutsebaut en Joanna Van Nieuwenborgh stelde Jacobus Hutsebaut in opdracht van de hoofddrossaard de rekeningen op van de verkoop van de meubelen, van twee hofsteden en van de uitgaven. De opbrengsten kwamen ten goede aan 6 erfgenamen. De meubelen waren verkocht op 10 december 1739 en de verkoop van de hofsteden gebeurde op de derde zitdag op 28 januari 1740.

De ontvangsten.

– De verkochte meubelen brachten 80 g 18 st op. Dat betekende voor elke erfgenaam 13 g 9 ½  st.

– De hofstede met huis, groot 180 r, gekocht door Antoon Beeckman: 1060 g, gaf voor ieder 135 g.

– De hofstede met huisje, groot 4 r, 164 g, voor ieder 27 g 6 st.

– Twee jaar intrest van een lening van 400 g: 13 g.

– Met nog enkele kleine bedragen was het totaal van de inkomsten 183 g 2 1/1 st.

De uitgaven.

– Aan de drossaard, de schepenen en de griffier voor de verkoop van de meubelen: 7 g 7 st.

– Voor het afnemen van de eed: 1 g 11 st.

– Voor de toelating van de voogden om de hofsteden te verkopen: 2 g 12 st.

– Aan Gillis Crick voor de verkoop: 1 g 3 st.

– Aan Joannes Pieters voor 2 verplaatsingen met zijn paard op 28 juni 1740: 25 g.

– Ook aan Pieters op 4 maart: 1740 : 5 st.

– Aan Jan Leemans voor Cornelis Verleysen: 12 st.

– Aan Lievens voor kinderkleren: 2 g 1 st.

– Aan Joannes Vonck voor de levering van een halve ton bier bij de uitvaart: 10 st.

– Aan de gewezen pastoor van Hekelgem en aan Francis Resteau voor de kerkelijke diensten bij de uitvaart van Joanna Van Nieuwenborgh: 1 g 11 ¼ st.

– Aan Peter De Ridder voor een vat bier op 11 december 1739: 1 g 1st.

– Aan jan Baptist Resteau voor de levering van wassen kaarsen bij de uitvaart van Joanna Van Nieuwenborgh: 1 g 1 st.

– Aan Antoon Beeckman: 16 st.

– Aan Jan Baptist Verleysen: 15 g 17 st 14 o.

– Aan Cornelis Verleysen: 4 g 1 ¾ st.

– Aan Peter Verleysen: 9 g 12 ¾ st.

– Uitgave van 2 g 2 ¼ st.

–  Voor 3 jaar mondcost van Peter Verleysen voor Andries Verleysen: 24 g.

– Aan de hoofddrossaard, de schepenen en de griffier voor het aanhoren van de rekeningen:3 g 3 st.

– Voor het opstellen van de rekeningen: 2 g 18 ½ st.

De totale uitgaven bedroegen 58 g 14 st.

Cornelis Husebaut, overleden op donderdag 10 juni 1734 in Hekelgem. Hij trouwde op zondag 11 mei 1687 in Hekelgem met Joanna Van Nieuwenborgh, 21 jaar oud. Zij is gedoopt op dinsdag 1 december 1665 in Hekelgem. Zij is overleden op maandag 30 november 1739 in Hekelgem, 73 jaar oud. Kinderen van Cornelis en Joanna te Hekelgem gedoopt::

1- Joannes, gedoopt op vrijdag 23 april 1688.

2- Joanna, gedoopt op zondag 23 oktober 1689.

3- Anna, gedoopt op woensdag 12 september 1691. Anna is overleden in 1714 in Hekelgem, 23 jaar oud.

4- Elisabeth, gedoopt op zondag 6 december 1693.

5- Jacoba, gedoopt op vrijdag 27 april 1696.

6- Laurentius, gedoopt op zondag 2 november 1698.

7- Petronella, gedoopt op zondag 1 mei 170. Zij overleed op zondag 7 december 1788 in Hekelgem, 87 jaar oud. Petronella trouwde, 25 jaar oud, op dinsdag 26 november 1726 in Hekelgem met Anthoon Beeckman, overleden op maandag 12 mei 1777 in Hekelgem.

8- Egidius, gedoopt op woensdag 5 maart 1704. Hij overleed in 1747 in Hekelgem, 43 jaar oud.

9- Maria, gedoopt op woensdag 13 oktober 1706. Maria overleed in 1734 in Hekelgem, 28 jaar oud.

10- Jacobus, gedoopt op zondag 1 december 1709. Hij overleed in 1766 in Hekelgem, 57 jaar oud.

1742. Onbetaalde renten[64].

Op 18 februari 1732 gingen Jan Van den Bossche, zoon van Jan, en Jan De meersman, zoon van Pauwels, uit Baardegem bij Cornelis Van Lierde en Anna Segers een lening aan van 150 g aan 5%. In 1742 stonden zij 2 jaar achter met de betaling van de rente en bovendien hadden zij nagelaten om voor voldoende pand te zorgen. Daarom wachtte Cornelis niet langer en spande een proces tegen hen in.

Cornelius, gedoopt te Zele op 24 februari 1689 en te Hekelgem overleden op 13 december 1765, huwde te Hekelgem op 14 november 1714 met Anna Seghers, gedoopt te Hekelgem op 2 januari 1686 en aldaar begraven op 19 juni 1742, dochter van koster Andries Seghers en Jacquelina Robijns. Cornelius werd in de kerk begraven. Kinderen uit dit huwelijk te Hekelgem gedoopt:

1. Judoca, gedoopt op 18 februari 1717.

2. Joannes Baptist, gedoopt op 24 augustus 1718.

3. Josephus Cornelis, gedoopt op 12 mei 1720 en aldaar begraven op 1 februari 1785. Hij huwde te Hekelgem op 15 mei 1747 met Joanna Catharina De Kegel, gedoopt te Hekelgem op 30 november 1722 en aldaar overleden op 21 juni 1796, dochter van Egidius en Anna Francisca Clauwaert. Hij volgde zijn vader als molenaar op.

4. Judoca Francisca, gedoopt op 18 mei 1722.

5. Jacobus, gedoopt op 27 mei 1724.

6. Catharina Theresia, gedoopt op 27 september 1727.

Cornelius kwam in 1714 op de “Oude Molen”, een windmolen op de Boekhoutberg te Hekelgem. Het ging hem daar voor de wind. In 1727 ruilde hij een hofstede met huis en afhankelijkheden, gelegen bij de kerk van Hekelgem en palend aan de costerije, groot 30 r, een land van 68 r op de Hekelgemkouter gelegen met een hofstede en huis nabij de abdij, groot 37 r, palend aan de straat, 2 d 29 r van een partij broek te Bleregem en nog een partij land van 86 r op de Molenkouter.

1743. Betaalde Pauwel De Vos zijn pacht[65]?

Franciscus Van Neervelt, gewezen onderpastoor van Asse, bezat een perceel land van 63 r op de Hekelgemkouter tegen de Sint-Antoniuskapel. Gillis Lemmens, kapelaan te Moorsel, erfde het perceel en verpachtte het voor 3 g 10 st in 1710 aan Pauwel De Vos. Na de dood van de kapelaan ca 1720 werd Judocus Van de Perre de erfgenaam. In 1743 kwam hij tot de vaststelling dat hij al 20 jaar geen pacht had ontvangen. Hij wou dat Pauwel hem zijn laatste kwitantie van de pacht toonde, maar die weigerde. Hij schakelde dan advocaat Van Mulders in om zijn zaak bij de schepenbank te bepleiten.

1742. Lening niet terugbetaald[66].

Op 26 april 1735 leenden Francis Cornelis en zijn vrouw Elisabeth De Keyser 300 g aan 4% aan Peter en Barbara De Cort, kinderen van Michael en Anna Van Mulders. Het kapitaal moest ten laatste op 1 mei 1742 afgekort zijn. Vanaf 1737 betaalden zij de intrest niet meer en op 15 maart 1742 werden zij voor de schepenen gedaagd om de lening terug te betalen of om er voldoende panden op te bezetten.

Anna Van Mulders, overleden op maandag 22 februari 1717 in Hekelgem, trouwde op zaterdag 27 december 1710 in Hekelgem met Michael De Cort, 36 jaar. Hij is een zoon van Martinus De Cort en Clara De Vuyst. Hij is gedoopt op dinsdag 17 april 1674 in Hekelgem. Bij de doop van Michael waren de volgende getuigen aanwezig: Michael Verleysen en Barbara Verleysen. Michael overleed op zaterdag 8 september 1742 in Hekelgem, 68 jaar oud. Hij was weduwnaar van Anna Vonck (ovl. 1709 en van Judoca Uyttenhof (ovl. 1729).

Kinderen van Anna en Michael te Hekelgem gedoopt:

1- Barbara, gedoopt op zondag 4 mei 1710 en overleden op vrijdag 24 oktober 1760 in Hekelgem, 50 jaar oud. Barbara trouwde, 32 jaar oud, op woensdag 11 juli 1742 in Hekelgem met Petrus Wambacq, 26 jaar oud. Hij is een zoon van Henricus en Catharina Verleysen. Hij is gedoopt op zondag 29 december 1715 in Hekelgem. Petrus overleed op zondag 21 juli 1748 in Hekelgem, 32 jaar oud. Barbara hertrouwde, 38 jaar oud, op donderdag 30 januari 1749 in Hekelgem met Johannes Baptista Mattens, 32 jaar oud. Hij is een zoon van Franciscus en Anna Robijns. Hij is gedoopt op zondag 16 augustus 1716 in Hekelgem. Johannes overleed in 1784 in Hekelgem, 68 jaar oud.

2- Joannes, gedoopt op maandag 1 februari 1712.

3- Petrus, gedoopt op woensdag 14 februari 1714, overleden in 1745 in Hekelgem, 31 jaar oud.

1742. Rekening ten sterhuize van Peter Ledegen[67].

Op vraag van Gerard Van Biesen stelde Peter Verleysen de rekeningen op van de verkoop van de goederen van de gewezen dorpsofficier van Hekelgem, Peter Ledegen, en zijn vrouw Anna Van den Eede. De verkoop van de meubelen en de onroerende goederen had plaats op 7 mei en op 13 juni 1742. Peter Verleysen presenteerde de rekeningen van de ontvangsten en uitgaven aan de hoofddrossaard en de schepenen op 26 september 1742.

Ontvangsten. (in gulden, stuivers en oorden)

– De verkoop van de meubelen en andere goederen bracht 209 g 8 1/ st op.

– De 20ste penning 10-9-2.

– De verkochte hofstede aan Peter De Cort: 891-6-2 ½.

– Een veld op de Kluiskouter, verkocht aan Hendrik Van Laecken, 252-0-0.

– Een veld op De Heuvel, met dezelfde koper: 141-3-1.

Totaal van de verkochte goederen: 1504-7-3.

Uitgaven.

Alleen die uitgaven met vermelding van de bestemmeling zijn opgenomen.

– Aan de hoofddrossaard, de schepenen en de griffier voor de hulp bij de verkoop op 7 mei: 23-4-1

– Aan A. De Smedt, deservitor te Hekelgem voor de uitvaart van Peter en zijn vrouw: 12-0-0

– Aan Frans Resteau, koster, voor de uitvaarten: 6-14-0

– Aan Jan Baptist Resteau voor de kaarsen bij de uitvaart: 11-1-0

– Aan Livinus De Cunbsel voor de twee doodskisten:4-18-0

– Aan Josina DeRoock voor haar hulp aan de overledenen: 14-1-0

– Aan Martinus Tavernier voor een lijnwaden casack, jupon ende broeck voor Peter: 0-19-0

– Aan J. De Witte, rentmeester van de abdij, voor de cijnzen van 1741 en 1742: 5-4-0

– Voor het vertier van de klokkenluiders, de dragers, de levering van suiker, wit brood en bier tijdens de ziekte van het echtpaar: 5-3-0

– Aan Michiel De Cort, teruggave van geleend geld: 10-0-0

– Aan H. Ter Linden voor de parochie van Erembodegem: 3-11-0

– Afbetaling van een lening van de parochie van Hekelgem met intresten: 872-13-1

– Aan Andries Daens: 6-8-1

– Aan Jan baptist Van de Perre, de officier van Hekelgem: 0-12-0

– Aan Peter Verleysen: 16-0-0

– Aan Hendrik Van Laecken voor 4 dagen werk op het land: 2-0-0

– Aan Peter Cooremans voor de bedenboek: 7-7-0

– Aan J.B. Boone, afbetaling van een lening en intrest: 133-13-0

– Aan Peter Wambacq voor de aankoop van schaarhout: 21-0-0

– Aan Jan Plas, teruggave van geleend geld: 7-0-0

– Aan de weduwe Hendrik Meeus: 3-10-0

– Aan Jan Eeckhoudt voor twee jaar landpacht: 5-0-0

– Aan Jan Vonck voor de levering van hout:0-9-0

– Aan Francis Vonck voor landpacht: 2-10-0

– Aan Gerard De Keghel voor geleverde winkelwaren: 6-12-0

– Aan de weduwe Lenaert Lenssens: 2-10-0

– Aan Philippus De Nil voor geleverde winkelwaren:0-5-0

– Aan Frans Cornelis voor geleverd vlas en het werk van zijn paarden: 12-8-0

– Aan de regeerders van Hekelgem: 9-18-0

– Aan Jan Cortvrindt voor bier en brandewijn: 2-0-0

– Aan Peter Nerinckx voor vier pond klaverzaad: 0-12-0

– Aan Adriaan De Leeuw voor gekocht graan en gekochte meubelen: 7-16-0

– Aan zuster Martha De Clerck van het gasthuis Sint-Jan-op-den-Poel, afkorting van een leningen intrest: 312-6-0

– Aan Catharina Beeckmans, afkorting van een lening met intresten: 274-0-0

– Aan Michiel De Cort, teruggave van gelend geld: 10-10-0

– Aan Martinus Taverniers voor het maken van een casack, jupon en broeck: 0-19-0

– Aan David Verbeken, teruggave van geleend geld: 6-0-0

– Aan de hoofddrossaard voor het taxeren van de oogst en van verkocht hout van een bos op Erembodegem: 30-12-0

– Aan Peter Vonck, terggave van geleend geld: 2-16-0

– Aan juffrouw Catharina Beijens, terggave van achtstallen: 58-6-2.

Totaal van de uitgaven: 999-9 -1/2.

Er was een saldo van 504 g 18 st 1 oord maar er liepen nog obligaties ter waarde van 1078-2-0 zodat elke crediteur slechts de helft van zij geld terugkreeg. De rentmeester van het Sint-Jansgasthuis besliste echter, als belangrijkste crediteur, dat de leningen van Theodora De Bisschop en Catharina Bleijens niet werden terugbetaald.

Petrus Ledegen, gedoopt op maandag 1 november 1677 in Hekelgem, overleden op vrijdag 13 april 1742 in Hekelgem, 64 jaar oud. Hij trouwde, 22 jaar oud, op woensdag 20 oktober 1700 in Hekelgem met Anna Van den Eede, overleden op donderdag 19 april 1742 in Hekelgem.

Ten versoucke ende vervolgens schriftelijcken last van Jan Baptista Boone hebbe ick onderschreven officier des Lants van Assche gedaen arreste ten huijse van Peeter Ledegen op de koeij ende hoppestaecken staende op sijne hofstede immers op alle de meubelaere effecten t’seijnen huijse bevonden voorden ende dat tot verhael ende betaelinghe van eene obligatie ende met de croijsen die daer verschenen sijn t’sedert den 26ste 8ber 1738 bedraegende vijf guldens s’jaers mits doende verbot ende interdictie van niet te mogen roeren om te vercoopen. Actum desen 16de april 1742. Jan Baptist Van De Perre.

1743. Problemen voor borgsteller Peter De Meersman[68].

Jacobus Hutsebaut ging op 20 maart 1741 een lening aan van 250 g aan 5% bij Joanna Catharina Meert, dochter van Anthoni uit Aalst. Peter De Meersman uit Baardegem stelde zich borg. Notaris Josephus Ghijsels uit Aalst stelde de akte op. In 1743 had Jacobus nog geen intrest betaald en Joanna diende een klacht in bij de schepenbank. Op 28 mei 1743 volgde de veroordeling: als Jacobus niet onmiddellijk de achterstallen met de kosten van het proces betaalde, moest Peter voldoende panden afstaan. P. van den Bossche, Martinus Gheude, Jan Bailliu, Hendrik ’t Sas en J.B. Van der Hasselt tekenden als schepenen.

1747. Inventaris van de bezittingen en schulden van de wezen Clauwaert[69].

De hoofddrossaard en de schepenen stelden Peter Clauwaert aan om een inventaris op te stellen van de bezittingen  en schulden van de kinderen Jan Baptist, Peter en Michael van Francis Clauwaert en Anna Van der Slchmolen.

Inkomsten.

– Verhuur van huizen, een meers en van De Drij Coninghen voor de jaren 1740, 1745, 1746 en 1747: 400-0-0

– Pacht van een ½ bunder meers: 23-0-0

– Verkoop van hopstaken: 13-0-0

Totaal: 436 g.

Kosten.

Alleen die uitgaven met vermelding van de bestemmeling en de reden zijn opgenomen.

– Aan Maximilian Spinael voor leveringen:12-16-0

– Aan Peter Engelken voor een nieuw stuk aan de slang: 6-0-0

– Aan Gregoir Pauwel voor zijn werk:7-4-0

– Aan Jan baptist Clauwaert voor geleverd laken: 11-18-0

– Aan Frans Resteau, koster, voor de uitvaart van Peter Clauwaert, zoon van Frans: 3-7-0

– Aan de pastoor voor de uitvaart: 5-19-0

– Aan W. Van Bostraet voor medicijnen: 1-18-2

– Aan Josina Pieters voor medicijnen: 1-14-0

– Aan M. Meganck voor lijnwaad: 2-11-2

– Aan J. De Witte, cijns: 5-18-0

– Aan F. Lindemans voor 3 ½ maand schoolgeld, boeken en kaarsen: 26-7-0

– Aan H. Dierickx voor 1 jaar rente: 28-0-0

– Voor de beden aan de wethouders: 1-11-0

– Aan hendrik dauwe voor een paar schoenen en voor het lappen van een ander paar: 2-0-0

– Aan Borremans voor het maken van een broek en een japon: 1-8-0

– Aan Jan Baptist Clauwaert voor een paar kousen: 1-6-0

– Voor 8 manden kalk, om de  vloertegels en om de steenput te repareren: 3-0-0

– Voor 100 vloertegels en 100 klinkers: 5-12-0

– Aan Peter Guns voor zijn hulp: 2-10-0

– Aan Michiel Clauwaert voor callemande calson, lijnwaert en de het maecken: 3-3-0

– Voor sokken en klompen: 0-14-0

– Voor het jaargetijde van Elisabeth Robijns en Guillam Cornelis: 2-2-2

– Voor het repareren van de schuur:1-16-0

– Voor 3 bussels latten voor het huis: 1-16-0

Aan Peter Van de Winckel voor het inzetten van de brandewijnketel: 0-15-0.

Totaal: 121-19-1.

Franciscus Clauwaert, gedoopt op 21 augustus 1696 en overleden op 17 augustus 1732. Hij trouwde met Anna Van der Slaghmolen, overleden te Hekelgem op 14 juli 1743. Zij hadden drie kinderen te Hekelgem gedoopt:

1.Jan baptist, gedoopt op 24 juni 1726

2. Peter, gedoopt op donderdag 12 augustus 1728. Hij overleed op donderdag 21 oktober 1745, 17 jaar oud.

3.Michael, gedoopt op 8 juli 1731.

1753. De erfenis van Thomas Verleysen[70].

Thomas Verleysen werd te Hekelgem gedoopt op 12 februari 1678 en overleed er op 18 februari 1748, 70 jaar oud. Hij was een zoon van Michael en Barbara De Valck 70 jaar oud. Hij trouwde met Petronella Verhoeven te Hekelgem op 20 juli 1700. Petronella overleed te Hekelgem op 5 maart 1747. Zij hadden 4 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1. Joannes, gedoopt op 25 juni 1702, overleden op donderdag 26 november 1772 in Hekelgem, 70 jaar oud. Hij trouwde, 20 jaar oud, op donderdag 3 september 1722 in Hekelgem met Petronella De Cort, 20 jaar oud. Zij is een dochter van Michael en Anna Vonck. Zij is gedoopt op maandag 10 juli 1702 in Hekelgem en overleed op maandag 15 februari 1740 in Hekelgem, 37 jaar oud.

2. Peter, gedoopt op 4 november 1703.

3. Catharina, gedoopt op 16 januari 1705.

4. Petronella, gedoopt op 8 mei 1707.

Catharina trouwde met Joannes Verleysen en had met hem 9 kinderen die vroeg wees werden. Enkele kennen we bij naam: Petronella, Gillis, Marie die met Guillam Piron was getrouw en met hem twee kinderen had: Catharina en Maria Petronella. Zij woonden niet in Hekelgem en na het overlijden van Jan Verleysen, voor 1740, geraakte Catharina in financiële moeilijkheden. Vanaf 1740 noteerde Thomas de hulp die hij zijn dochter bood:

– 28 augustus 1740: aan Catharina: 50-0-0.

– Aan Catharina: 43-0-0.

– 8 januari: aan Hendrik Van Laecken voor het huis van Catharina: 8-0-0.

– 2 mei: aan Catharina: 7-0-0.

– 8 juni 1742: aan Catharina: 50-0-0.

– 17 november 1740: tot onderhoud van de kinderen: 7-0-0.

– 23 januari: aan Gillis De Ridder voor de huishuur van Catharina: 7-0-0.

– 6 maart: aan Catharina: 8-0-0.

– 25 maart: aan Catharina: 5-0-0.

– 4 juni: aan Peter Vonck de rente van een lening van 100 g van Catharina: 4-10-0.

– Aan de kinderen: 4-0-0.

– 22 oktober: een casack voor Gillis: 3-18-0.

– Aan de weduwe van Hendrik Ledeghen voor een jaar mondcost van Peter: 14-0-0.

– Nog eens aan de weduwe: 3-4-0.

– 19 maart: 4-12-0.

– 27 maart: aan de kinderen: 1-5-0.

– 3 mei: aan Elisabeth Verhoeven voor een jaar mondcost voor Elisabeth: 6-0-0.

– 13 mei: twee hemden voor Gillis: 1-10-2.

– 10 juni: voor de kinderen:2-0-0.

– Aan Peter Vonck een rente van 4-10-0.

– Een casack voor Gillis:1-4-2.

– 18 december: een lijfrock entwee hemden voor Gillis: 4-18-0.

– 7 april: lijnwaad voor hemden en een broek:5-2-0.

– 22 april: aan de weduwe Hendrik Ledeghen voor een jaar mondcost voor Peter: 14-0-0.

– Aan Peternelle: 10-1-0.

– 20 april: aan de weduwe van Hendrik Ledeghen voor een jaar mondcost voor Peter: 14-0-0.

– 16 december: twee casacken voor Peter en Gillis: 7-5-0.

– 20 januari: twee lijnwaden casacken: 1-13-0.

– 24 juni: twaalf ellen wit lijnwaad: 6-11-0.

– 25 maart: aan de weduwe van Hendrik Ledeghen voor mondcost voor Peter: 14-0-0.

– Aan de pastoor voor de sepiltieren rechte (uitvaart) van Josina: 4-17-0.

– Aan de koster voor Josina: 0-16-0.

– Aan een paar kousen en een paar sokken voor de kinderen: 0-16-0.

– Aan twee hemden voor Peter: 1-16-2.

Thomas hield de uitgaven bij omdat hij, zo verklaarde hij aan zijn broer Jan, d’ een kind niet (wou) geven om d’ ander kind te nemen ende naer sijn dood sullen de selve kinderen van Jan (en Catharina) dat moeten goed doen aen mijne andere kinderen. Hij vertelde zijn broer nog dat hij voor het onderhoud van Catharina en haar kinderen een lening was aangegaan bij Peter Vonck. De oudste zoon van Thomas, Jan, moest de helft van de 848 g 3 st 3 o, aangetroffen in het sterfhuis terugbetalen. De kinderen van Catharina, die een lening van 366 g 1 o van hun grootvader Thomas hadden gekregen, moesten dat bedrag in de erfenis brengen. Die bedroeg in het totaal 1200 g 4 st en kwam voor de helft toe aan Jan en voor de andere helft aan de kinderen van Catharina.

1755. Volkstelling in 1755[71].

Volgens het plakkaat van keizerin Maria Theresia van 27 december 1754 moest er in Hekelgem een volkstelling worden gehouden. Dat gebeurde op 9 en 10 januari 1755. De telling is een interessant document omdat het niet alleen de gezinssamenstelling weergeeft maar ook het beroep van de man. Helaas zijn de laatste bladzijden onleesbaar.

1. De pastoor (Rumoldus De Cuyper) met zijn onderpastoor, 1 knecht, 1 meid.

2. De abdij van Affligem met de proost, de subprior, de hofmeester, de gasten pater, de syndicus, de koster, de lector en nog 22 monniken.

18 domestiquen de pachterije doende in de abdij.

3. Laureijs Leemans bakker in de abdij en winkelier met zijn vrouw en twee kinderen, een van 21 en een van 19 jaar.

4. De weduwe Carel Arijs werkt in het klooster, een kind van 15 jaar.

5. Jan Baeck, smid, met zijn huisvrouw en een kind van 9 jaar.

6. Jacobus Bellemans, broodmaecker en winkelier met zijn vrouw en een kind van 1 1/2 dag oud.

7. Jan Baptist Bellemans, kuijper en winkelier met zijn vrouw en twee kinderen, een van 2 1/2 en  van 1 jaar, een knecht en een meid.

8. Jan Boon, werkman, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn huisvrouw en 3 kinderen, een van 6, een van 4 en een van 1 jaar.

9. Peter Bosteels, pachter met zijn huisvrouw en 3 kinderen, een van 6, een van 3 en een van 12 maanden, 2 knechten, 1 meid.

10. Franciscus Callebaut, knecht in de abdij, met zijn vrouw en een kind van 2 jaar.

11. Gillis Cammaert, kleermakersknecht met zijn vrouw en een kind van 1 1/2 jaar.

12. Engel Carnoij, leeft van de Tafel van den H. Geest met 2 kinderen, een van 16 en een van 10 jaar.

13. Weduwe Peeter Carnoije, clijne cossaert[72] en een zoon van 31 jaar.

14. Jan Baptist Clauwaert, herbergier met zijn vrouw een kind van 1 1/2 jaar.

15. Laureijs Clauwaert, kossaard, met zijn vrouw en een kind van 20 jaar, leeft in armoede.

16. Peter Clauwaert, herbergier, brouwer en pachter, met zijn vrouw met 7 kinderen, een van 28, een van 23, een van 20, een van 17,een van 15, een van 11 en een van 10 jaar.

17. Peter Clauwaert, zoon van Jan, met zijn vrouw, leeft van aalmoezen.

18. Peter Ceuppens, pachter, brouwer en herbergier, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 20 en een  van 16 jaar, en een meid.

19. Hendrick Dauwe, gareelmaker en schoenmaker, met zijn vrouw en een kind van 22 jaar, een knecht en een meid.

20. Jan De Bailliu, pachter, met zijn vrouw, met  zonen, een van 24, een van 22, een van 20 en 1 een van 16 jaar, 1 dochter van 19 jaar en een meid.

21. Michiel De Bisschop, kossaard, met zijn vrouw  en 3 kinderen, een van 26, een van 20 en van 8 jaar, leeft van de Tafel van de H. Geest.

22. Weduwe Andries De Boitselier, kossaard, met huwbare dochters, een van 27 en een van 22 jaar.

23. Francis De Boitselier, kossaard, leeft in armoede van de Tafel van de H. Geest met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 14, een van 10 en een van 3 jaar.

24. Peter De Clercq, zoon van Jan, kossaard, met zijn huisvrouw en een dochter van 27 jaar.

25. Weduwe Peter De Clercq, zoon van Michiel, kossaard, 2 kinderen, een van 39 en een van  20 jaar, met een werkman.

26. Jan De Cort met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 19, een van 17 en een van 12 jaar.

27. Laureijs De Cort, kleine kossaardmet zijn huisvrouw en 4 kinderen, een van 8, een van 6, een van 2 en een van 1 jaar.

28. Joos De Coster, kossaard, leeft van de Tafel van de H. Geest met zoon van 29 en dochter 23 jaar.

29. Gillis Cromphout, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 10 jaar.

30. Guilliam De Donder, herbergier en kossaard, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn huisvrouw en 2 kinderen, een van 25 en een van 17 jaar.

31. Peter De Donder, kleine kossaard, met zijn huisvrouw met 3 kinderen, een van 12, een van 9 en een van 7 jaar.

32. Jan Baptist De Gendt, smid, met zijn huisvrouw en 5 kinderen, een van 11, een van 8, een van 7, een van 4 en een van 8 maanden, 1 knecht.

33. Peter De Gols, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 1 1/2 jaar.

34. Weduwe Geeraert De Kegel, kossaard, een zoon van 20 jaar, 2 dochters van 18 en 14 jaar.

35. Weduwe Gillis De Kegel, kossaard, met 2 kinderen, een van 25, is  onnoosel, een van 22 jaar, 1 knecht, 1 meid.

36. Weduwe Joos De Kegel, kossaard, 1 knecht, 1 meid.

37. Peter De Kegel, kossaard, weduwnaar met 3 kinderen, een van 30, een van 25, een van 20 jaar.

38. Geeraert De Meij, werkman, met zijn huisvrouw, gaan naar Essene wonen, met 2 kinderen, een  van 8 en een van 5 jaar.

39. Pauwel De Meersman, werkman in het klooster, met zijn  vrouw en een kind van 3 jaar.

40. Peter De Meij, kossaard, leeft van de Tafel van den H. Geest, met zijn vrouw en 2 kinderen, een en een van 2 jaar.

41. Francis De Mesmaecker, kleine kossaard, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 27 en een van 14 jaar, leeft in armoede.

42. Francis De Nil, met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 8, een van 5 en een van 3 jaar, grote armoede, leeft van de Tafel van de H. Geest.

43. Philips De Nil, met zijn vrouw en een kind van 5 jaar.

44. Jan Baptist De Pape, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 2 jaar.

45. Weduwe Hendrick De Raedt, met een knecht, raedemaecker en 3 dochters van 19, 17, en 15 jaar.

46. Jacobus De Raedt, kleine kossaard, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 4 en een van 6 dagen.

47. Judocus De Ridder, wever, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 12 en een van 7 jaar.

48. Martinus De Ridder, werkman, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 12 en een van 9 jaar.

49. Peter De Ridder, kossaard, met zijn vrouw, een zoon van 17 en twee dochters van 20 en 17 jaar.

50. Weduwe Francis De Schrijver, pachtersse met 3 kinderen, een van 19, een van 15 en een van 11 jaar, 1 knecht, 1 meid.

51. Jan De Schrijver, kossaard, met zijn huisvrouw, 3 kinderen, een van 4, een van 3 en een van 1 jaar, 1 meid en de vader van zijn vrouw, Geert Van Varenbergh, een oude mens.

52. Gillis De Smedt, pachter en herbergier, met zijn vrouw, met 3 kinderen, een van 23, een van 21 en een van 17 jaar, 2 knechten en J. Verleijsen aldaar uit armoede gehouden.

53. Jan Baptist De Smedt, pachter met zijn vrouw, 2 knechten, een meid.

54. Joos De Smedt, kleine kossaard, met zijn huisvrouw zonder kinderen.

55. Marinus De Smedt, pachterken, met zijn vrouw en een kind van 3 jaar, een knecht.

56. Francis De Vis, kossaard en werkman, met zijn vrouw en 4 kinderen, een van 16, een van 12, een van 7 en een van 1 jaar.

57. Francis De Vis, zoon van Aert, weduwnaar, kleine kossaard en timmermansknecht, met twee kinderen, een van 22 en een van 11 jaar.

58. Jan De Vis, kleine kossaard, met zijn vrouw.

59. Weduwe Peter DeVis, kossaard, met 3 kinderen, een van 40, een van 36 en een van 30 jaar.

60. Peter De Vis, weduwnaar, timmerman, met twee kinderen, een van 32, ziek en een van 31 jaar.

61. Peter De Vis, zoon van Jan, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 2 1/2 jaar. 62. Eene cranckzinnige vrouwspersoon leeft van de Tafel van den H. Geest.

63. Andries De Vos, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 1 jaar.

64. Franciscus De Witte, kossaard, met zijn vrouw.

65. Sieur Jan Baptist De Witte, griffier van Affligem met zijn huisvrouw en 4 kinderen, een van 6, van 5, een van 4 en een van 3 jaar, 2 knechten, 1 meid.

66. Jan Droeshout, kleine pachter, met zijn huisvrouw en 6 kinderen, een van 24, een van 20, een van 18, een van 16, een van 13 en een van 11 jaar, 1 knecht.

67. Peter Droeshout, kleine pachter en herbergier, weduwnaar met 5 kinderen, een van 30, een van 28, een van 26, een van 20 en een van 18 jaar.

68. Philips Druwé, kleermacker in het klooster, met zijn vrouw en met een meid.

69. Peter Everaert, kossaard, met zijn huisvrouw en een kind van 1 jaar.

70. Christiaen Galemaert, pachter, met zijn huisvrouw en 4 kinderen, een zoon van 20, een zoon van 11 en een zoon van 7 jaar, 1 dochter van 12 jaar, een meid en een knecht.

71. Guilliam Goddefroy, kossaard, met 2 kinderen, een van 24 en een van 20 jaar.

72. Peter Guns, werkman met zijn vrouw.

73. Matthijs Jacobs, kleine kossaard, met zijn huisvrouw en een kind van 14 jaar en een ander kind van den armen.

74. Michiel Janssens, krankzinnige oude man, leeft van aalmoezen.

75. Gaspar Koijman, tiendensteker, met zijn vrouw en een kind van 4 jaar.

76. Jan Leemans, kleermaker, met zijn huisvrouw, zonder kinderen.

77. Francis Louis, blockschoenvercooper, met zijn vrouw en een kind van 9 jaar.

78. Christiaen Mattens,  kleine kossaard, met zijn vrouw.

79. Francis Mattens, kossaard, weduwnaar, met zijn zoon van 30 jaar.

80. Weduwe Jan Mattens, kleine kossaard, met een zoon van 40 jaar.

81. Jan Baptist Mattens, kossaard, leeft van de Tafel van den H. Geest, met zijn huisvrouw en 2 kinderen, een van 25 en een van 20 jaar.

82. Peter Mattens, kossaard en winkelier, met zijn vrouw, een meid.

83. Francis Meert, pachter en herbergier, met zijn huisvrouw met 6 kinderen, een van 21, een van 20, een van 14, een van 6, een van 5 en een van 3 jaar.

84. Jan Meert, kleine pachter, weduwnaar, met een zoon van 30 jaar, 2 knechten, 1 meid.

85. Francis Mertens, kossaard, met zijn huisvrouw en 2 kinderen, een van 11 en een van 2 1/2 jaar.

86. Jan Mertens, zoon van  Peter, werkman, met zijn vrouw en een kind van 9 jaar.

87. Jan Moens, kleine kossaard, met zijn huisvrouw.

88. Joos Nieulant, kossaard, met zijn vrouw met 2 kinderen, een van 8 en een van 15 jaar.

89. Weduwe Judocus Pauwels, kleine pachter, met 4 kinderen, een van 30, een van 26, een van 25 en een van 23 jaar.

90. Joannes Pauwels, pachter, met zijn huisvrouw zonder kinderen, 2 knechten, 1 meid.

91. Peter Pensionaris, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 13 jaar.

92. Jan Baptist Pereman, kleine kossaard, met zijn vrouw, een zoon, gebreckelijck onnoosel niet connende gaen, oud 22 jaar.

93. Gillis Plas, pachter met zijn huisvrouw, 4 zonen, een van 36, een van 24, een van 22 en een van 19 jaar, een dochter van 15 jaar, 3 knechten, 2 meiden.

94. Hendrick Poels, kossaard, met zijn huisvrouw.

95. De erfgenamen Nicolaas Raes, zoon van 25 jaar, lijnwever, een dochter van 19 jaar.

96. Meester Joannes Baptista Resteau, koster en winkelier, met zijn huisvrouw, 3 kinderen, een van 17, een van 13 en een van 11 jaar, 1 knecht, een andere voor drie maanden.

97. Judocus Roggeman grote kossaard, met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 18, een van 10 en een van 6 jaar, een zieke dochter aldaar gelogeerd uit liefde,  leeft van aalmoezen.

98. Jacobus Roseleth, herbergier, met zijn huisvrouw, een kind van 11 jaar, 1 meid, Philip Roseleth logeert er.

99. Judocus Scheirlinck, werkman, leeft ten dele van de Tafel van de H. Geest met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 5, een van 4 en een van 1 jaar.

100. Carel Schellincx, werkman met zijn vrouw.

101. Cornelis Schoon, pachter, met zijn huisvrouw met 2 kinderen, een van 34 en een van 30 jaar, 1 knecht.

102. Peter Schoon, kleine pachter, met zijn vrouw, een kind van 2 jaar, een knecht en een meid.

103. Benedictus Schoonjans, kossaard, met zijn vrouw en een kind van 4 maanden.

104. Caerel Steven, kossaard, met zijn huisvrouw en een zoon van 35 jaar.

105. Gillis Van Cauter, smid, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 3 en een van 4 dagen, een knecht.

106. Hendrick Van Brempt, kossaard, met zijn vrouw, een vrouw met een kind aldaar logerende als vreemdelingen.

107. Jacobus Van De Perre, kossaard, met zijn huisvrouw en 2 kinderen, een van 5 en een van 2 jaar.

108. De kinderen Jan Van De Perre, Peter Van De Perre oud 46 jaar, Elisabeth Van De Perre 50 jaar

109. Weduwe Hendrick Van De Velde, kossaard, met een zoon van 35 jaar.

110. Jan Baptist Van De Velde, kossaard, met zijn huisvrouw met 3 kinderen, een van 17, een van 12,  onnoosel, en een van 2 jaar, 1 knecht, 1 meid.

111. Jan Baptist Van De Velde, kossaard en werkman, met zijn huisvrouw en een kind oud 2 jaar.

112. Michiel Van De Velde, kossaard, met zijn huisvrouw met twee kinderen, een van 7 en een   van 3 jaar, een knecht bij hem woont, Jan Van De Velde.

113. Geeraert Van Den Biesen, herbergier, met zijn huisvrouw zonder kinderen, 1 meid bij hem inwonend.

114. Francis Van Den Bossche, kossaard, met zijn vrouw en een meid.

115. Michiel Van Den Bossche, kossaard, met zijn huisvrouw, zonder kinderen.

116. Jan Van Den Broeck, kossaard, met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 12, een van 9 en een van 6 jaar.

117. Peter Van Den Driessche, kossaard, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 16 en een van 9 jaar.

118. Jan Van Den Eijnd, strodekker,  met zijn huisvrouw een kind van 20 jaar.

 119. Gillis Van Den Weijngaert, kossaard, weduwnaar, 3 kinderen, een van 20, een van 18 en een van 9 jaar.

120. Niclaes Van Der Elst, blockschoenmaecker, met zijn vrouw en een kind van 11 jaar.

121. Jan Van Der Jeught, kossaard, met zijn vrouw en een zoon van 29 jaar en een dochter van 26 jaar.

122. Geeraert Van Der Jeught, is blind, leeft van de Tafel van den H. Geest, met zijn vrouw, armoede.

123. Michiel Van Der Schueren, pachter, met zijn huisvrouw en 2, een van 21 van 18 jaar, een knecht, een meid.

124. Andries Van Geite, kleine kossaard, met zijn vrouw, 3 kinderen, een zoon van 17 geraakt, een van 9 en een van 20 jaar.

125. Jaspar Van Impen, werkman, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn vrouw en een kind van 9 maanden.

126. Jan Van Itterbeke, kossaard, met zijn huisvrouw, een zoon van 25 jaar.

127. Francis Van Langenhove, kleine pachter en herbergier, met zijn huisvrouw met een kind van 7 jaar, drie knechten, een meid.

128. Joseph Van Lierde, molenaar, met zijn huisvrouw met 4 kinderen, een van 6, een van 4,

een van 2 en een van 3 maanden, 1 knecht, 1 meid, zijn vader Cornelis Van Lierde woont er ook.

129. Francis Van Nieuwenborgh, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn vrouw en twee kinderen, een van 10 en een van 8 jaar.

130. Jan Baptist Van Nieuwenhove,  raedemaecker met zijn vrouw zonder kinderen.

131. Jacobus Van Ockeleijen, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 14 en een van 6 jaar.

132. Peter Van Onsem, kossaard, met zijn vrouw en een kind van omtrent 8 jaar.

133. Weduwe Joos Van Ransbeke,  werkster met haar dochter van 26 jaar, armoede.

134. Weduwe Nicolaes Van Ransbeke, met een zoon timmermansknecht, oud 24 jaar.

135. Jan Van Varenbergh, kossaard, met zijn huisvrouw, met 3 kinderen, een van 17, een van 13 en een van 8 jaar.

136. Jan Van Varenbergh, zoon van Jan, beenhouwer, met zijn vrouw  en twee kinderen, een van 10 en een van 8 jaar.

137. Hendrick Verdoodt, grote kossaard, met zijn vrouw, met 4 kinderen, een van 17, een van 16, een van 8 en een van 6 jaar, en Henricus Van Ransbeke, aldaar aanbesteed leeft van de Tafel van den H. Geest.

138. Jacques Verdoodt,  werkman, met zijn vrouw en een kind van 17 jaar.

139. Aert Verleijsen, kossaard, met zijn vrouw, een zoon van 28 en een dochter van 31 jaar.

140. Jan Verleijsen, zoon van Michiel, weduwnaar, kleine kossaard, met twee kinderen, een van 35 en een van 23 jaar.

141. Peter Verleijsen, kleine kossaard, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 8 en een van 6 jaar.

Aldus gedaen, gestelt en opgenomen den 9de en 10de januari 1755 coram de ondergeteeckende bedesetteren, Andries De Coninck en Francis Van Langenhove.

Besluit

De gemeente telde meer dan de hier besproken 141 huishoudens. Daar de laatste bladzijden onleesbaar zijn, vernemen we niets over de families Vermoesen, Vonck, Wambacq en anderen. Toch kunnen we een aantal algemene besluiten trekken.

Het meest opvallende aan de telling is dat de vrouwen niet bij naam worden genoemd. Ze zijn de (huis)vrouw of de weduwe van hun man. Op het gebied van gelijke rechten hadden ze nog een lange weg af te leggen. Een tweede opmerkelijke punt is de grote armoede. De Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748), een oorlog waarin Frankrijk, Pruisen en Spanje tegen de nieuwe Maria Theresia van Oostenrijk en haar bondgenoten vochten, was toch al enkele jaren afgelopen, maar de schade door troepen was enorm. Op 13 juli 1745 waren 2 800 Franse soldaten de abdij binnen gevallen. Ze bleven er zes weken en de omliggende gemeenten moesten instaan voor hun onderhoud. Ze plunderden meerdere huizen en eisten werklieden op voor verdedigingswerken. Dat deden ook de keizerlijke troepen en zeven jaar na de vredesonderhandelingen waren de rampzalige gevolgen van de oorlogen nog merkbaar. Elf gezinnen genoten steun van de H. Geesttafel en twee anderen leefden in armoede. Er waren 11 weduwes en 5 weduwnaren

Van al de gezinnen kennen we de beroepsactiviteit. 82 van de 141 gezinnen hadden een boerderij. De tellers maakten daarbij een onderscheid tussen de pachters, de grote boeren,  en de cossaerts en de cleine cossaerts. De pachers die met 20 waren hadden meestel knechten en meiden in dienst. Vijftiengezinnen hadden 1 knecht, vier gezinnen 2 en 2 gezinnen hadden zelfs 3 knechten in dienst. In twintig gezinnen was er 1 meid, in twee gezinnen waren er 2. Opvallend: in de abdij werkten 18 knechten en 5 die niet in de badij verbleven. De 42 cossaerts kleine boeren bewerkten minder dan 5 ha en de cleijne cossaerts moesten het stellen met minder dan 1 ha. Sommigen hadden nog andere inkomsten als winkelier, herbergier enz.

Een overzicht van de verschillende beroepen:

Bakker: 2

Brouwer: 2

Gareelmaker: 1

Herbergier: 10

Kleermaker: 3

Knecht: 14

Kuiper:1

Molenaar: 1

Radenmaker: 2

Schoenmaker: 2

Smid: 3

Strodekker: 1

Tiendensteker: 1

Timmerman: 1

Verkoper: 1

Wever:2

Winkelier: 4

1755. Wie moet wie betalen[73]?

Joannes Adriaan Pauwels spande in 1755 een proces in tegen François Van Langenhove en zijn vrouw Anna Maria Kieckens. Hij eiste van de 300 g terug die ze bij hem hadden geleend. Het echtpaar beweerde echter dat niet zij maar Joannes bij hen in het krijt stond en op 27 mei 1755 legden zij op hun beurt een klacht neer tegen Joannes Pauwels. Wat was er aan de hand?

In 1729 hadden Peter Pauwels en Anna Maria Kieckens een lening van 800 g aangegaan bij de Aalsterse koopman Jan Rogier Cayman. De rente bedroeg 40 g. Als borg gaven zij de helft van een hopveld en een akker van 5 d 20 r, gelegen op de Lievendries te Erembodegem en een behuisde hofstede van 150 r op de Vogelenzang te Hekelgem. Na hun dood moest Joseph Pauwels, de halfbroer van Joannes, als mede-erfgenaam voor 1/6de instaan voor de afbetaling van de rente. Dat kon hij niet en François betaalde in zijn plaats. Hij stond ook in voor het onderhoudsgeld van Joseph  bij Judocus De Bolle en betaalde de begrafeniskosten voor Joseph en zijn zus Elisabeth. In het totaal had hij voor 317 g uitgegeven en dat bedrag wou hij recupereren van Joannes als erfgenaam van Joseph. Na aftrek van de 300 g bleven nog 17 g over en die eiste hij van Joannes. François spande daarvoor op zijn beurt een proces in tegen Joannes.

De schepenen van Asse wisten niet wat ze met die twee zaken moesten aanvangen en vroegen advies aan de Raad van Brabant. Op 21 februari was hun advies klaar: ga voort met het onderzoek!

1761. Kan een bastaardkind erven[74]?

Op 9 december oordeelden de schepenen Judocus Seijens en Martino Van Vaerenbergh dat Jan Verleysen en zijn vrouw Josina Arijs 123 g schuldig waren aan sieur Daniël Geeraerts en zijn vrouw Marie Beeckman. De moeder van Marie was Marie Arijs, een zus van Josina.

De erfenis van de ouders van Marie en Josina bestond uit velden en huizen. Volgens de costuijmen van Brussel kon Josina, als bastaardkind, geen onroerende goederen erven. Bij de verkaveling op 22 oktober 1737 echter werd zij toch als mede-erfgenaam aanvaard en kreeg ze een opleg van 102 g. Dat bedrag eiste Geeraerts nu terug, zich steunend op die costuijmen. Advocaat De Maré verdedigde Jan Verleysen en pleitte dat de familie zelf Josina als erfgenaam had aanvaard en Josina had geen onroerende goederen gekregen. Hij kreeg geen gelijk.

1762. Hendrik Van Laecken schuldig bevonden[75].

Op 30 maart 1762 werd Hendrik Van Laecken in effigie[76] veroordeeld met eene strope aen den hals aen eene galge ten hoogsten van den daege te woeden gehangen ten exemple.

Wat had Hendrik gedaan om de zwaarste straf te krijgen?

Op 14 mei 1761 had Hendrik de zoon van Gillis Lensens naar Catherina Heijvaert gestuurd met het verzoek om onmiddellijk naar zijn huis te komen. Hij dacht dat zijn vrouw stervende was. Toen Catharina bij het bed van zijn vrouw, Catharina Vermoesen, kwam, vermoedde ze dat haar vriendin al dood was. Dat zei tegen de onderpastoor en de koster die er al waren om haar te berechten want er liep bloed uit haar rechteroor en ze had een blauw oog. Tijdens haar tweede ondervraging op 26 oktober voegde ze er nog aan toe dat ze Van Laecken had horen zeggen: ze zullen wel zeggen dat ik mijn vrouw heb doodgeslagen. Catharina legde die getuigenis voor de schepenen af op 19 mei.

Cornelis Van den Bergen was de tweede getuige die door de schepenen werd verhoord. Hij woonde in een aanleunend huis en had die nacht van 14 mei keijvagie, dreigementen en slagen gehoord in het huis van Hendrik. Hij is naar Hendrik, zijn oom, gestapt en zag dat Catharina op haar rug op de grond lag. Hendrik trachtte haar recht te krijgen. Toen hij dacht dat er weer vrede was, keerde hij naar zijn huis terug. Hij lag al in bed toen hij Catharina Jezus Maria hoorde roepen. Wat later riep zijn oom hem, hij ging naar binnen en zag Catharina op de grond zitten en Hendrik hield zijn armen om haar heen. Het leek hem dat Catharina tot bewustzijn kwam en hij ging zijn vrouw halen om Catharina te helpen. Zijn vrouw kwam hem meermaals zeggen dat Catharina stervende was en ten slotte dat ze dood was. Cornelis voegde later aan zijn getuigenis nog toe dat het gerucht ging dat Hendrik zijn vrouw had doodgeslagen.

Franchois Lansons, ook een buurman van Hendrik, ging toen hij geroep hoorde  naar het huis van Hendrik. Hij zag Catharina op een stoel zitten met schuim op haar mond. Hij vroeg Hendrik of de pastoor al verwittigd was, waarop Hendrik hem vroeg om dat te doen. Hij liep naar de pastorie en keerde terug met de onderpastoor en de koster. Bij aankomst zagen ze dat Catharina al dood was. De koster wees iedereen erop dat er bloed uit haar rechteroor kwam. Hendrik antwoordde dat ze uit bed was gevallen. Franchois vertelde aan de schepenen nog dat Catharina bijna dagelijks werd geslagen.

Gillis Lensens, gewekt door het tumult, was naar het huis van Hendrik gegaan en zag zijn vrouw op een pailliasse liggen. Zij was stervende. Hij liep de pastoor tegemoet en vroeg hem zich te haasten want er was perijckel van sterven. Als ze toekwamen, was Catharina al overleden en koster Jan Baptist Resteau merkte op dat ze bloedde. Jezus Maria riep Van Laecken, ze zullen zeggen dat ik haar doodgeslagen heb. De onderpastoor vroeg hem waarom de mensen dat zouden zeggen, maar hij antwoordde niet.

Joanna Maria De Smedt, vrouw van Cornelis Van den Berghe, werd op 20 mei verhoord. Zij bevestigde dat er in de nacht van 13 mei deftige woorden waren tussen Hendrik en Catharina. Zij hoorde Catharina lamenteren over de slagen die ze kreeg. Joanna vroeg Cornelis om toch eens te gaan kijken. Toen hij terug was, zei hij dat Catharina op de grond lag. Hendrik gaf als uitleg dat ze dempich hadden gegeten. Joanna was er niet gerust in en bleef nog een tijdje op terwijl haar man ging slapen. Even later herbegon de ruzie. Zij hoorde Hendrik schreeuwen gij sult van mijne handen noch sterven, alwaert dat de galge daer gerecht waere. Joanna liep onmiddellijk naar het huis en trachtte Hendrik te kalmeren. Dat lukte niet en ze ging slapen. Het laatste wat ze hoorde, was een harde slag. Niet lang daarna kwam Hendrik hen roepen. Zijn vrouw had iets gekregen, zei hij. Eerst ging haar man en hij zag dat Catharina naar adem snakte en riep Joanna om te komen helpen. Zij zag toen het blauwe oog en het bloed aan haar rechteroor.

Joanna Van de Perre, vrouw van Francis Lanson,  hoorde bijna dagelijks ruzie en slagen en had dikwijls compassie met de vrouw. Die nacht van 13 op 14 mei was de ruzie heel heftig en de slagen waren onverdraegelijck. Voor haar man was dat geen nieuws, het is dagelijks brood, zei hij. Rond drie uur kwam Hendrik hen roepen omdat zijn vrouw wilde sterven. Ze volgden hem tot bij Catharina die op een stoel zat en nauwelijks nog ademde. Ze nam haar in haar armen. Catharina Heijvaert merkte het bloed op en Hendrik antwoordde handenwrijvend ze sullen noch seggen dat ick haer dood geslagen hebbe. Niemand durfde te antwoorden.

Koster Jan Baptist Resteau kwam samen met de onderpastoor in het huis. De onderpastoor gaf haar de absolutie en vroeg hem haar gezicht eens nader te bekijken. Hij zag het bloed en de blauwe plekken en vroeg wat er met haar was gebeurd. Hendrik zei dat ze uit bed was gevallen. Voor Jan Baptist was het duidelijk: Catharina was vermoord en hij stelde voor om de aartsbisschop de toelating te vragen voor een lijkschouwing.

Die lijkschouwing had plaats op 23 mei en werd uitgevoerd door dokter Petrus Van Innes en chirurgijn Savena. Hun besluit was dat Catharina was gestorven aan de gevolgen van een zware slag op haar hoofd met een stok of een ander voorwerp. Ondertussen had drossaard Joannes Loovens de schepenen gevraagd om Hendrik Van Laecken te arresteren, maar die was al gevlucht. Op 2 juni gaf hij het bevel om zijn roerende goederen in beslag te nemen en de onroerende te verhuren. Gezien de zware misdaad door Hendrik begaan, werd het dossier overgemaakt aan de hoofddrossaard te Brussel die het advies van de Raad van Brabant vroeg. Dat kwam er op 13 februari 1762: dood door ophanging. De volgende schepenen ondertekenden op 30 maart het doodvonnis: P. Nulant, N. Van Heqinbeke, M. Van Vaerenbergh, G. Plas, P. Van Den Bossche, P. De Bidou, C. Van Den Houte, J. B. Van De Velde, Guilliam Goossens en Verstappen.

Henricus Van Laecken, trouwde op maandag 11 juli 1740 in Hekelgem met Catharina Vermoesen, 36 jaar oud. Zij is gedoopt op zaterdag 13 oktober 1703 in Hekelgem en overleed op donderdag 14 mei 1761 in Hekelgem, 57 jaar oud. Zij hadden een zoon Petrus, gedoopt op vrijdag 9 april 1745 in Hekelgem. Petrus overleed in 1747 in Hekelgem, 2 jaar oud.

1763. Judocus Vonck eist het erfdeel van zijn vrouw op[77].

Judocus Vonck liet op 14 mei 1763 aan Jan Verleysen weten dat hij het erfdeel van zijn overleden vrouw opeiste. Dat was haar nagelaten door Michiel De Cort. Jan betwistte dat omdat volgens de costuymen van Brussel een bastaardkind geen recht op de erfenis had. De schepenen verzochten hem om de pampieren waarop hij zijn weigering steunde, aan hen voor te leggen.

1769. Acht jaar ruzie om een losweg[78].

In augustus 1761 gaf de Hekelgemse officier Jan Baptist Van de Perre een boete aan Francis Clauwaert omdat hij met een wagen bespannen met twee paarden en geladen met tarwe over het veld van Peter Bosteels[79] had gereden. Francis had voor Jan Baeck tarwe opgehaald op het veld dat hij pachtte van de armen van Hekelgem. Het veld lag op De Capruin achter het perceel van Peter Bosteels. Francis kreeg ook het verbod om nog over die akker te rijden. Toch reed Francis nog met mestkarren over Peters grond die als reactie in september een klacht indiende bij de schepenbank tegen Jan Baeck. Dat was het begin van een rechtszaak tussen Peter Bosteels en pastoor De Cuijper, de armen- en kerkmeesters, de eigenaars van de grond, en Jan Baeck die acht jaar zou duren.

in 1759 van Peter het verbod om over zijn akker te rijden, maar op 15 mei 1759 sloten ze een akkoorden De Witte kreeg weer vrije doorgang. De hoofddrossaard en de schepenen keurden dat op 27 april goed met die bemerking dat aangerichte schade moest vergoed worden. Zij eisten op grond van dat vonnis ook de toegang tot hun veld want zonder die bereikbaarheid was hun bezit waardeloos en vielen de inkomsten van de armen weg.

Peter Bosteels bleef het gebruik van de losweg weigeren omdat in de aankoopakte van zijn hofstede geen vermelding is van een servitudeweg.

De schepenen zagen blijkbaar geen oplossing voor het geschil en in 1763 kwam het dossier terecht bij de schepen van Brussel en rechtsgeleerde Theijs. Hij had een figuratieve kaart met de aanduiding van de betrokken percelen. Op 21 oktober 1763 ondervroeg hij een aantal getuigen.

Op 15 december 1761 dienden de gedaagden, de pastoor en de armen- en kerkmeesters met Jan Baeck, op hun beurt een klacht in tegen hun aanlegger Peter BosteelsVoor de armen- en kerkmeesters tekenden Jan Baptist De Ridder, Jan Van Vaerenbergh, Gillis Plas en P. Van Linthout. Zij betoogden dat de pachters van hun grond sinds aloude tijden met wagens, karren ploegen en eggen over de grond van Bosteels, voorheen van Michiel Van den Bossche, reden  vermist dat veld aan de straat paalde en er geen andere toegang tot hun veld was. Griffier Jan Baptist De Witte[80], die ook een perceel achter Bosteels had, kreeg

Peter Clauwaert, zoon van Peter, 72 jaar, verklaarde dat hij al in de jaren dertig over het perceel reed.

Jan Van Itterbeke, geboortig van Mazenzele en al 5 jaar kossaard in Hekelgem, wist dat een knecht van de griffier de losweg gebruikte.

Michiel Stevens, een 60-jarige kossaard, vertelde dat er een wegje was aan de kant van Bosteels en dat hij daar dikwijls met zijn kruiwagen reed om naar zijn veld te gaan.

Guillam De Donder, 53 jaar, kossaard en herbergier, werkte in 1745 als het Franse leger in Hekelgem kampeerde als paardenknecht bij Jan Baptist Eeman. In die tijd reed hij regelmatig over het land van Bosteels met wagen en paarden. Van een verbod heeft hij nooit iets gehoord.

Philippus Collier, de officier van Moorsel, 42 jaar, woonde van 1735 tot 1737 in bij Jan Baptist Eeman. Er lag toen een specie van baene van aan de straat tussen het goed dat nu Bosteels heeft en een haag. Hij reed er vaak met mest, granen en klaveren naar het goed van Affligem. Of anderen ook die losweg gebruikten, weet hij niet.

Het verhoor ging voort op 23 december, nog steeds ten huize van schepen Theijs.

Gillis Van Nieuwenborgh[81], 77 jaar, had al 50 jaar niet meer over het betrokken perceel gereden. Hij herinnerde zich nog dat ervan aan de straat langsheen het hopveld dat nu Bosteels heeft, een groene strook lag. De pachter van het land van de H. Geest reden toen met kruiwagens via een voetweg naar het veld. De oogst droegen ze op hun rug of lag op een kruiwagen.

Joanna Egger, de weduwe van Joos Van Ransbeeck[82], 74 jaar, was 16 of 17 jaar toen ze de koeien van haar ouders in De Capruin liet grazen. Zij zag toe David Verbeken, tiendenpachter Jan Vermoesen en Adriaan Van den Abbeele met karren op het betwiste veld rijden. Gerard Van den Biesen, de toenmalige eigenaar, maakte wel bezwaren.

Joos De Greve uit Erembodegem, 55 jaar, werd pas op 27 januari 1764 verhoord. Hij woonde als voerman 35 of 36 jaar bij de weduwe van Joos Eeman in het pachthof dat nu van Bosteels is. Hij reed toe van de straat (de Kerkstraat) tot op het veld van Affligem, maar nie tot aan de akker van De Witte. De pachters van de H. Geest hadden langs de achterkant een toegang. De losweg van Bosteels gebruikten ze niet.

Petronelle Van den Bossche kwam op 1 maart 1764 aan de beurt. Zij was een jonge dochter van 65 of 66 jaar en woonde tot aan het vertrek van de Franse troepen (1748) in het huis van haar vader Peter. Daarna is ze gaan dienen. Zij heeft nooit gezien dat er over het veld werd gereden. Er lag wel een groen weghsken. Haar zus Theresia, vrouw van Francis De Vis en haar broer Michiel legden dezelfde verklaring af.

Jacobus De Clercq werd op 30 maart opgeroepen. Hij was 53 jaar, afkomstig van Meldert en woonde in Essene. Als 18-jarige was hij paardenknecht bij de weduwe Eeman. Behalve hij reed er niemand met paarden over het veld.

Joos Nuelant, 55 jaar, afkomstig van Asse was nu kossaard in Hekelgem. Hij werkte in 1729 en 1730ook als paardenknecht bij Eeman en vertelde de schepen hetzelfde als Jacobus De Clercq.

Op 18 april nam schepen en rechtsgeleerde Van den Cruyce de verhoren over. Als eerst kwam Michiel Van den Bossche, 55 jaar, zag alleen dat men de losweg gebruikte met sleden door een paard getrokken, geen karren of wagens.

Peter Clauwaert, 77 jaar, pachter en brouwer, moest ok naar Brussel gaan. Hij heeft altijd de losweg gebruikt om naar het veld van griffier De Witte te rijden. Gerard Van den Biesen en Jan Baptist Eeman deden het ook.

Aalstenaar Peter Mahieu, 73 jaar, werkman bij Jan baptist Eeman, wist nog dat er toestemming van de buren nodig was om over het land te rijden.

Machiel Stevens, 60 jaar, kossaard, werkte als knecht bij Joos Eeman en herinnerde zich dat Jan Baptist Eeman met zijn paarden en wagens de losweg gebruikte, anderen reden met een kruiwagen.

Philippus Collier van Moorsel legde dezelfde verklaring als Peter Mahieu af.

Het proces leek uitgestorven, maar in 1767 diende Peter Bosteels een nieuw argument in. egen de hofstede van Michiel Van den Bossche aan de straat lag een waterput. Die verhinderde dat er met wagens konden passeren. Maar zijn tegenpartij konden dat met getuigenissen weerleggen. Zelfs Bosteels reed er door met zijn wagen. Ze stipten nog eens aan dat, volgens de costuimen al wie beemden, velden, weiden of bossen bezat, recht hadden op een weg zonder schade aan te richten aan andermans eigendom. Zo’n weg werd noodweg genoemd.

Zoals te verwachten was, diende Peter Bosteels op 18 april 1768 een antwoord in. Aan de hand van figuratieve kaarten van landmeter Hendrik De keghel van 1718 en die van landmeter Franciscus De Donder toonde hij aan dat er aan zijn hopveld en akker nooit een koutergat was geweest en dat er dus geen noodweg was.

De gedaagden hadden hun antwoord klaar op 27 september. Zij herinnerden Peter Bosteels aan zijn verbod aan Jan Baptist De Witte om over zijn land te rijden en het proces dat daarop volgde. Het vonnis was dat De Witte vrije toegang tot zijn achterliggend veld kreeg. De losweg werd toen beschreven: de breedte was 1 roede, de lengte 10 roeden 14 voeten. Als De Witte de losweg mocht gebruiken, dan gold dat ook voor andere achterliggenden. Dat was voor hen claerder dan claer. Om hun eis kracht bij te zetten schreven ze naar de keijserinne douarière ende coninginne in haere souvereijnen raede geordonneerd in Brabant waarin ze heel de situatie verklaarden. Het advies van de Raad van Brabant volgde op 3 mei 1769.

1786. Caféruzie leidt tot proces[83].

In gebanne vierschaere veroordeelden de schepenen Jan Baptist De Nil, J. Van Roy en Gillis Van Humbeeck op 16 mei 1786 de dorpsofficier van Hekelgem, Francis Van de Perre, tot betaling van de proceskosten. De aanleiding voor het proces was een ruzie tussen Van de Perre en Joannes Callebaut in de herberg van Henricus Fieremans te Asse-ter-Heide op 6 december 1785. Callebaut had een proces aangespannen tegen de dekens van de rhetorijcke gilde van de H. Barbara. De dorpsofficier trachtte hem ervan te overtuigen om zijn aanklacht in te trekken. Maar Joannes wees het bespottelijk voorstel af met de opmerking zijt gij daer wederom al, gij hebt mij dies aengaende noch differente reijsen aen geweest. In woede ontstoken schreeuwde Van de Perre gij lieght daeraen als eenen deugniet, eene jean foutter ende eene lourre met nog andere heftige woorden. Callebaut reageerde niet op de beledigingen, wat volgens Francis een bewijs van zijn gelijk was. Op 17 december, 11 dagen later, diende hij wel een klacht in voor beledigingen. In zijn verweer wees Francis erop dat tussen pot en pint al eens harde woorden vallen die echter snel vergeten worden. Dat Callebaut naar de rechter stapte was alleen maar om hem op kosten te jagen. Had Joannes hem gevraagd of hij vasthield aan zijn woorden, dan had hij gezegd dat het proces tegen de gilde steunde op een leugen. Joannes is voor hem eenen eerlicken ende deugdsaemen persoon met goede naam en faam.

Helaas voor de officier, zijn pleidooi heeft niet geholpen.

Prosessaelen inventaris in sacke van Joannes Callebaut en Francis Van de Perre

1786. Een proces tegen De Witte Rose[84].

Volgens Joannes Callebaut was de Rhetorijcke gilde van de H. Barbara De Witte Rose hem 1 g 8 st schuldig. In 1783 had hij op 16  mei een houten engel geschilderd voor 1 g 3 st en op 8 juli van hetzelfde jaar gaf hij op vraag van de hoofdman en de kapitein van de gilde 5 boterhammen aan 5 meisjes die dansten tijdens een optreden van de gilde in Merchtem. Daarvoor rekende hij 5 st. Twee jaar later was hij nog niet betaald en daarover was hij zo ontstemd dat hij de gilde een proces aandeed. De schepenbank stelde een onderzoek in en ondervroeg twee getuigen.

Op 18 februari 1785 verklaarde Franciscus Vasseur, 31 jaar en brouwersgast in de abdij, dat hij op 17 november 1785 samen met de andere knechten in de knechtenkamer zat. Joannes Callebaut was er ook. Toen de gilde ter sprake kwam, zei hij  dat hij van de confreers van de gilde nog 28 st tegoed had en dat het eene strontcompagnie was die hem voor zijn arbeid niet wilde belonen. Twee dagen later was Josephus Drighé aan de beurt. Hij was een 37-jarige ziekenverzorger van de abdij en op vraag van Joannes De Laet en Judocus Van Kelecom, de dekens van de gilde, bevestigde hij de verklaring van Franciscus Vasseur.

Na die getuigenissen vroegen de schepenen het advies aan de Raad van Brabant. Die oordeelde op 8 juni 1786 dat Joannes Callebaut 1/3 van de proceskosten moest betalen.

R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4481.

Specificatie van verdienden aerbeijdt, leveringe van verve, olie &a mitsgaders van verschot gedaen door Joannes Callebaut ten dienste der leden van de Rethorijke Gilde van Heilige Barbara genaemt De Witte Rose geërigeert binnen de prochie van Hekelgem als volght

1789. Oncostboeck van Hekelgem[85].

Door het autoritair optreden van keizer Jozef II groeide in de Zuidelijke Nederlanden het verzet dat uiteindelijk leidde tot de Brabantse Omwenteling. De toenemende onrust had tot gevolg dat de Oostenrijkers nog meer lasten op de bevolking legden. Het ging om opeising van wagens, paarden en pioniers. Zo kreeg de gemeente op 11 september 1789 het bevel van de commandant van het regiment Van Bender om wagens bespannen met paarden en pioniers naar Brussel te sturen voor het transport van bagage. Ze moesten op 20 september om 6 u. klaar staan op de Koninklijke Plaats. Na 9 dagen keerden de pioniers en de wagens terug behalve de wagen en twee paarden van Francis Verbeken en de paarden van Gerard Plas en het paard van de weduwe Judocus Vonck. Na enige tijd werden de paarden van Gerard Plas gevonden, maar het paard van Vonck was tijdens de verplichte dienst gestorven. Op initiatief van Zacharias De Wever werd er een volksvergadering gehouden bij hem thuis in De Kaaszak op 3 maart 1790. De vergadering was bij kerkgebod aangekondigd op zondag 25 februari na de hoogmis. 37 Hekelgemnaren kwamen samen en op 1 tegenstem na beslisten ze dat de gemeente de schade die sommigen door de opeisingen hadden geleden te vergoeden en een dagloon aan de pioniers te geven. Voor haar dode paard kreeg de weduwe 60 g. De aanwezigen waren: Peeter Bosteels  Joannes De Gendt zoon van Peter, Jan Baptist De Pauw, Michiel Droeshout, Hendrick De Nil, Guilliam De Smedt, Zacharias De Wever, Geraerdt Plas, Peeter Ledegen, Joannes Boterbergh, Peeter De Mol, Peeter Verbeken, Judo Van Nieuwenhove, Ferdinand Meert, Jan Francis Verbeken, Jaspar Petrus ‘T Kint, Franciscus D’Houwe, Jan Baptist De Smedt, Guilliam Van Vaerenbergh, Hendrick Robijns, Peeter Van Nieuwenborgh, Judo Mertens, Joannes De Cort, Michiel Van De Perre, Hendrick Wambacq, Peeter Cooman, Judo Van Vaerenbergh, Pauwel Van Vaerenbergh, Franciscus Van Vaerenbergh, Louis Van Den Berge, Franciscus Verleijsen, Jan Baptist Van Nieuwenborgh, Jan Baptist De Bailliu, Jan Baptist Van Nieuwenhove, Guilliam Amelinckx, Jan De Schrijver. Jan Baptist Mattens stemde tegen.

Wat de verplichte bijdrage van Hekelgem was, vernemen we uit het oncostboeck van 1789.

– de jaarlijkse betaling van de kwartierlasten volgens een decreet van de Raad van Brabant van 20 juni 1783: 294-0-0

– het aandeel van Hekelgem in de kwartierlast, te betalen aan de hoofdmeier: 30-0-0

Het oncostboeck, goedgekeurd door de drossaard, de bedesetters en regeerders, vermeldt ook de andere betalingen:

– de heerlijksche gagie van de hoofdmeier: 94-2-0

– voor het werk van de drossaard, de griffier en de bedesetters: 90-0-0

– voor het verpachten van de boecken, setten van de beden en het contrleren van de rekeningen: 21-0-0

– voor de griffier: 1-4-0

– voor het schrijven van een kopie van de boecken: 10-0-0

– aan collecteur Armand Vertonghen: 8-0-0

Totaal van de lasten: 565-2-0

Bijkomend een belasting van 15 st per bunder op velden, weiden en bossen op 594 b verminderd met de geamortiseerde goederen en oude stokbossen, samen 50 b 58 r, die vrij van lasten zijn: 404-2-1

De 20ste penning op de windmolen: 11-5-0, op elke nering: 5-5-0, op de tienden: 56-5-0

Blasius Columban von Bender, (Gengenbach, 14 november 1713Praag, 20 september 1798) was een Oostenrijks officier en baron van Duitse afkomst. In dienst van de Habsburgse monarchie vocht hij in 29 militaire campagnes, twaalf veldslagen en zes belegeringen. Op hoge leeftijd leidde Bender het leger dat in 1790 de opstandige Belgische provincies heroverde, maar enkele jaren later moest hij het gebied prijsgeven aan de Franse revolutionairen. Ook de vesting Luxemburg, waarover hij het bevel voerde, viel in 1795 in Franse handen.

Judocus Vonck, zoon van Joannes en Elisabeth Suys, werd gedoopt op dinsdag 13 februari 1725 in Hekelgem. Hij overleed op zaterdag 10 september 1785 in Hekelgem, 60 jaar oud.

Judocus trouwde, 38 jaar oud, op dinsdag 3 mei 1763 in Hekelgem met Anna Maria Francisca Plas, 23 jaar oud. Zij is een dochter van Judocus en Catharina Verleysen. Zij is gedoopt op donderdag 15 oktober 1739 in Hekelgem. Anna overleed op zaterdag 22 januari 1803 in Hekelgem, 63 jaar oud.

Geamortiseerde goederen zijn goederen die aan de Kerk of aan een kerkelijke stichting werden overgedragen. Ook vermeld als in de dode hand brengen en daardoor niet kunnen vererven.

1793. Joannes De Cort was de tiendensteker te vlug af[86].

Op 8 augustus 1793 ging Andries Van den Bergh, de tiendensteker van de abdij, naar de Buikouter om te zien of hij de tarwetienden op het veld van Joannes De Cort kon ophalen. De schoven lagen nog op de grond en daarom keerde hij op 9 augustus terug. Onderweg kwam hij Joannes tegen die met Judocus Van Nieuwenhove een wagen volgeladen met tarweschoven wegvoerden. Op het veld aangekomen, was er geen enkele schoof meer te zien. Onmiddellijk stapte hij naar Judoocus Van Nieuwenhove die hem meedeelde dat hij de tarwe op vraag van Joannes De Cort naar de schuur van Gillis Verbeken had gevoerd. Andries wou De Cort opzoeken, maar die was volgens zijn vrouw niet thuis. Zij trakteerde hem bovendien op een reeks scheldwoorden. Dom Livinus De Wemer, de hofmeester van de abdij, verwittigde  drossaard J.D. Gheude van de diefstal en samen dienden ze een klacht in tegen Joannes De Cort. Zij eisten dubbele tienden zoals een ordonnantie van 6 juni 1564 bepaalde. De drossaard legde Joannes nog een boete op van 100 pattacons.

Livinus De Wemer uit Brussel legde de geloften af op 14 januari 1770 en ontving de priesterwijding op 23 juni 1775. Van 5 november 1779 tot 23 juni 1792 verbleef hij te Neerwaver. Op 28 mei 1793 werd hij hofmeester. In 1794 vluchtte hij voor de Fransen. Hij keerde terug en leed herhaaldelijk aan zinsverbijstering. Hij overleed in 1794 en na zijn dood bracht Beda Regaus zijn verwaarloosd beheer als hofmeester in orde.

1793. Strijd om een meers[87].

Met de verkoop van een meers aan Gillis De Vis bracht Franciscus Meert een carrousel aan de gang die jaren duurde. Gillis verkocht de meers op 10 maart 1772 aan Peter Cornelis, zijn stiefzoon. Na diens overlijden kwam de meers in het bezit van Elisabeth De Keijser, de weduwe van Peter en dan vrouw van Peter Van Mulders, die ze verkocht aan Elisabeth Plas op 11 september 1772. Dan verschijnt Jan Baptist Meert, zoon van Franciscus. Hij wil de meers terug en beroept zich op het recht van naderschap. Dat is een recht om een bezit dat is verkocht terug te kopen onder dezelfde voorwaarden. Als er geen rechtstreekse afstammeling was, konden aanverwanten het recht van naderschap uitoefenen. Elisabeth Plas weigerde en voerde aan dat het recht van naderschap was verlopen. Jan Baptist verwierp haar argument want dat recht was 30 jaar geldig. Wat Elisabeth dan weer betwistte want het edict van 12 juli 1771 had de termijn verkort tot 1 jaar als er al eens het recht op naderschap was toegepast. Op 10 september oordeelde de schepenbank dat de eis van Jan Baptist Meert niet ontvankelijk was en veroordeelde hem tot betaling van de proceskosten..

1795. De Weth van Assche[88].

In 1795 hadden de Franse Revolutionairen een nieuw bestuur geïnstalleerd. De officieren municipael hadden de plaats ingenomen van de schepenen. Franciscus De Wolf maakte zich zorgen over de documenten in verband met de voogdijschap van de kinderen van wijlen Franciscus Roseleth. Die waren in het bezit van de gewezen griffier J.D. Gheude en hij vreesde dat de voogd, Franciscus Van Nieuwenhove, als vriend van procureur Gillis de stukken kon inkijken om er zelf voordeel uit te halen. Hij vroef de officieren om de documenten aan een neutraal overheidspersoon te overhandigen.. Op 29 augustus 1795 (12 fructidor an III) antwoordde Van Itterbeke, eersten dienaer der voorschreven Weth van Assche dat het dossier werd overgemaakt aan borger Velleman, maire.

Franciscus De Wolf, zoon van Petrus en Carolina Raspoet. Hij is gedoopt omstreeks 1757 in Aalst. Franciscus is overleden op zaterdag 22 juni 1811 in Hekelgem, ongeveer 54 jaar oud.  Hij woonde met zijn vrouw Maria Elisabeth Fieremans ongeveer zes jaar in de afspanning “Het Bourgondisch Kruis”. Op 27 maart 1799 betaalde hij aan de Franse administratie de patentbelasting als herbergier. Franciscus trouwde, ongeveer 31 jaar oud, op donderdag 1 mei 1788 in Hekelgem met Maria Elisabeth Fiermans, 41 jaar oud. Maria werd geboren op zondag 27 november 1746 in Asse, dochter van Hendrik en Cornelia De Voghel. Zij  overleed op vrijdag 1 februari 1822 in Hekelgeem 75 jaar oud. Zij was weduwe van Franciscus Roseleth (1742-1786), met wie zij trouwde na 1784.

Franciscus Roseleth, zoon van Jacobus en Christina Herbosch, werd gedoopt op donderdag 19 juli 1742 in Hekelgem. Hij overleed, 43 jaar oud. Hij is begraven op donderdag 25 mei 1786 te Hekelgem. Franciscus trouwde, 27 jaar oud, op woensdag 7 februari 1770 in Hekelgem met Maria Anna Droeshout, 27 jaar oud. Zij is een dochter van Joannes en Barbara Van Vaerenbergh. Maria is gedoopt op vrijdag 21 december 1742 in Hekelgem en overleed, 42 jaar oud. Zij is begraven op de 19e van een onbekende maand in 1784 te Hekelgem

Franciscus hertrouwde, minstens 42 jaar oud, na 1784 met Maria Elisabeth Fieremans, minstens 38 jaar oud. Zij trouwde later na 1786 met FRANCISCUS DE WOLF (±1757-1811).


[1] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3683.

[2] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 5462.

[3] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3692.

[4] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3704.

[5] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr.604.

[6] De zulle of zille is een dorpel onder een deur.

[7] De Rammelaar was een abdijvijver op de hoek van de Langestraat en de Domentstraat.

[8] Met corde bedoelde men de strop van de galg.

[9] R. VERMOESEN, “No rest for the wicked” of waarom het op de Boekhoutberg spookt, in: Ons Heem,  2005, nr. 1,29

[10] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3709.

[11] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 179.

[12] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 179, 304 en toegang nr. 3876.

[13] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3446.

[14] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3754.

[15] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3756.

[16] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3783, 3776 en 3824.

[17] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3796.

[18] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr.3805.

[19] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3819.

[20] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3823, schepenbank nr. 171 en toegang 94, nr. 3876.

[21] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3838.

[22] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 179.

[23] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 179.

[24] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 304.

[25] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 779.

[26] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 179.

[27] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 179.

[28] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3895 en nr.180.

[29] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4134 en nr.179.

[30] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 179.

[31] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.180.

[32] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.180.

[33] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3900.

[34] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180.

[35] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3964.

[36] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180.

[37] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180 en toegang 94, nr. 4004, nr. 180.

[38] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180.

[39] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180.

[40] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4003.

[41] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3989.

[42] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180.

[43] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4067.

[44] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4062.

[45] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4083.

[46] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 5059.

[47] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180.

[48] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180.

[49] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180.

[50] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 634.

[51] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 645.

[52] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4160.

[53] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 652.

[54] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4166.

[55] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 657.

[56] Judocus Godefroy, zoon van Adrianus en Petronella Pauwels. Hij was  barbier en chirurgijn te Affligem.Judocus trouwde op dinsdag 10 februari 1699 in Hekelgem met Maria Mertens, 25 jaar oud. Zij is gedoopt op woensdag 15 november 1673 in Hekelgem. Zie Jaarboek Heemkundige kring Belledaal 1998, blz. 5.

[57] Zijn overlijden werd door de pastoor van Hekelgem ingeschreven in het overlijdensregister.

[58] Franciscus Cornelis is gedoopt op maandag 22 februari 1672 in Hekelgem. Hij is overleden op vrijdag 1 april 1729 in Hekelgem, 57 jaar oud. Franciscus trouwde, 24 jaar oud, op vrijdag 7 september 1696 in Hekelgem met Anna Theresia De Merchie, 35 jaar oud. Zij is een dochter van Erasmus en Joanna Van der Elst. Zij is gedoopt op dinsdag 5 oktober 1660 in Hekelgem en overleed op dinsdag 27 mei 1732 in Hekelgem, 71 jaar oud. Zij was weduwe van Andries Seghers, overleden in 1696 met wie zij trouwde op maandag 14 september 1693 in Hekelgerm.

[59] Effigie = beeltenis. van het Latijnse woord effigies = beeltenis). Deze uitdrukking wordt enkel gebruikt in samenstellingen als: iemand in effigie ophangen of verbranden, d.i. de beeltenis van een ter dood veroordeelde de straf doen ondergaan, die over den misdadiger was uitgesproken.

Dit gebeurde in vroeger tijden alleen, als men den schuldige niet te pakken kon krijgen. Soms gebeurt’ het ook in onrustige tijden, wanneer volksmassa’s aan hun geringe sympathie voor bepaalde personen uiting geven, door hen „in effigie” te verbranden. Bron google.

[60] Joannes Henricus Roseleth, geboren op vrijdag 19 augustus 1859 in Hekelgem, was de zoon van Petrus Josephus en Amelia Schoon.Joannes overleed op woensdag 1 maart 1939 in Hekelgem, 79 jaar oud.

[61] Eigen Schoon, 1913, nr. 8, 125 – 127.

[62] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4217.

[63] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 5547.

[64] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4231.

[65] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4254.

[66] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4246.

[67] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 5551.

[68] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.180.

[69] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 5115.

[70] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4155.

[71] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 5752.

[72] Cossaert: keuterboer, met een bedrijf kleiner dan 1 ha.

[73] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4302.

[74] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4326.

[75] R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 693.

[76] In effigie: Hendrik was voortvluchtig en in zijn plaats werd een beeld, dat hem moest voorstellen, opgehangen.

[77] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr.4334.

[78] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4330.

Peter Bosteels, zoon van Martinus en Anna Verhasselt, werd gedoopt op donderdag 16 augustus 1725 in Moorsel. Peter is overleden op zondag 7 maart 1790 in Hekelgem, 64 jaar oud. Hij trouwde, 22 jaar oud, op woensdag 15 november 1747 in Hekelgem met Jacoba Ringoet, 27 jaar oud. Zij is gedoopt op woensdag 1 mei 1720 in Denderbelle. Jacoba is overleden op maandag 28 mei 1798 in Hekelgem, 78 jaar oud.

Petrus Josephus Clauwaert, zoon van Petrus en Joanna Cornelis, werd gedoopt op maandag 20 april 1693 in Hekelgem. Hij is overleden op dinsdag 12 april 1785 in Hekelgem, 91 jaar oud. Hij  trouwde, 31 jaar oud, in 1724 in HEKELGEM met Maria Cooremans, 29 jaar oud. Zij is gedoopt in 1695 in Hekelgem en is overleden op vrijdag 20 juni 1727 in Hekelgem, 32 jaar oud. Petrus hertrouwde, 34 jaar oud, op zondag 18 april 1728 in Liedekerke met Joanna Maria Bastien, 26 jaar oud. Zij is gedoopt in 1702 in Liedekerke en is overleden op zondag 2 januari 1785 in Hekelgem, 83 jaar oud.

Joannes Baptist De Witte, zoon van Jacobus en Joanna Maria Clauwaert, werd gedoopt op donderdag 11 oktober 1708 in Hekelgem. Hij overleed, 63 jaar oud. Hij is begraven op zaterdag 11 januari 1772 te Hekelgem. Joannesq trouwde, 38 jaar oud, op zaterdag 20 mei 1747 in Hekelgem met Maria Theresia Meert, 31 jaar oud. Bij het kerkelijk huwelijk waren de volgende getuigen aanwezig: Joannes Meert en Josephus Cornelis Van Lierde (1720-1785). Zij is een dochter van Jan  Meert en Catharina Seghers. Zij is gedoopt op zondag 8 september 1715 in Hekelgem en overleed, 70 jaar oud. Zij is begraven op zondag 20 november 1785 te Hekelgem.

Egidius Van Nieuwenborgh is overleden op woensdag 29 mei 1765 in Hekelgem. Hij trouwde met Catharina Van den Berghe, overleden op maandag 9 januari 1758 in Hekelgem.

Judocus Van Ransbeeck is overleden op woensdag 3 juli 1748 in Hekelgem. Hij trouwde op zondag 5 november 1713 in Hekelgem met Joanna Van Egger, 24 jaar oud. Zij is geboren op zondag 10 juli 1689 in Hekelgem en is overleden op vrijdag 6 maart 1767 in Hekelgem, 77 jaar oud.

 

[83] R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4486.

[84] R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4481.

[85] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 6980.

[86] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4541.

[87] R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4540.

[88] R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 7963.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s