Molenaar Jacques Van Droogenbroeck in de clinch met de bedesetters van Essene.

In 1668 spande Jacques Van Droogenbroeck, molenaar op de Bellemolen te Essene, een proces in tegen de bedesetters van Essene. Hij vond dat hij teveel dorpslasten moest betalen. Hij werd als molenaar en als boer belast voor 12 b land en zijn concurrent Lieven Van Liere van de Avenellemolen moest voor slechts 6 d betalen terwijl hij ook een bloeiend bedrijf had. De helft van de inwoners van Essene trok immers met hun graan naar de Avenellemolen. Zijn voorgangers werden zelfs op 18 b belast terwijl ze maar 15 b bezaten. Het werd tijd, vond hij, om de fouten weg te werken. Jacques was bereid voor 9 b bij te dragen aan de dorpskas op voorwaarde dat zijn molen op gelijke voet werd belast als de brouwers en biertappers. Daarom liet hij landmeter Van Langenhove zijn velden en weiden opmeten en dat resultaat maakte hij op 27 maart 1668 over aan de schepen bank van Asse.

Jacques stamde uit een familie van molenaars. Zijn grootvader Peter werd in 1621 molenaar te Sint-Martens-Bodegem op een molen op de Alfennebeek. Zijn zoon Jacobus volgde hem op en diens zoon Jacques werd de tweede man van Elisabeth Robijns, de weduwe van molenaar Jan Van de Putte van de Bellemolen[1]. Jacques was dus de zoon van Jacobus en Catharina Van de Waeter. Hij werd gedoopt in Sint-Martens-Bodegem en overleed op zondag 19 oktober 1681 in Essene. Hij werd er in de kerk begraven. Jacques trouwde op maandag 18 april 1667 in Essene met Elisabeth Robijns, 39 jaar oud. Zij was een dochter van Gaspar en Margaretha Van den Bossche. Zij werd gedoopt op zondag 9 april 1628 in Meldert. Elisabeth overleed op zondag 29 september 1715 in Essene, 87 jaar oud. Zij was eerst getrouwd, 17 jaar oud, op zondag 17 september 1645 in Meldert met Jan Van de Putte, 16 jaar oud. Hij was een zoon van Arnold jr. en Antonia De Vleeschouwere. Jan was gedoopt op donderdag 16 november 1628 in Essene. Bij de doop van Jan waren de volgende getuigen aanwezig: Arnold Van de Putte en Margaretha Van den Bossche, geboren in 1582. Jan werd geboren op de  Overnellemolen. Hij overleed op zondag 16 augustus 1665 in Essene, 36 jaar oud. Samen hadden ze negen kinderen. Elisabeth  trouwde, 39 jaar oud, op maandag 18 april 1667 in Essene met Jacques Van Droogenbroeck met wie ze nog twee kinderen had: Maarten, gedoopt op 27 februari 1668 en overleden in 1676 en Judocus, gedoopt op 20 april 1671 en overleden op 22 januari 1687.

Het bedrijf van de Bellemolen.

1. De hofstede Te Belle met hopveld palend aan de beek, de straat en de vijver, groot 380 r.

2. Een weide palend aan de Sluisvijver, de beek en de hofstede, groot 264 r.

3. Een veld op de Cleijne Capelle, palend aan Jan Van den Abbeele, de houtheg en meester Michiel Wambacq, groot 174 r.

4. Een perceel geheten De Spuerweijde gelegen aan de Jonghen Bosch, groot 3 b 3 d 22 r.

5. ’T Voorvelt naast de Spuerweijde en palend aan de Jonghen Bosch en de straat, groot 2 b 3 d  68 r.

6. Het Solleveldeken palend aan het goed van Affligem, de hofstede van Nicolaas Roelandt en de straat, 611 r.

7. Een weide palend met drie zijden aan Affligem en aan de straat, 190 r.

8. Een partij op De Boschveldekens palend met twee zijden aan Affligem, de hofstede van Van Brempt, 604 r.

9. Een veld ernaast palend met drie zijden aan de hofstede van Franchois Van den Abbeele, groot 352 r.

10. Een partij ernaast palend met drie zijden aan het goed van Affligem, groot 400 r.

Totaal 15 b 1 d 65 r.

Jacques nam het pachtcontract over dat Jan Van de Putte met de abdij had gesloten en nog drie jaar geldig was. De pacht bedroeg 550 g en hield een aantal verplichtingen in:

– de Molenvijver achter de hofstede, groot 2 b 75 r, onderhouden en een nieuwe dam aanleggen waarvoor hij van de abdij een vergoeding kreeg van 88 g.

– de velden behoorlijk bemesten en bewerken volgens de drieslag, mest en stro van de velden niet elders gebruiken, de riolen vrij houden, de waterlopen onderhouden.

– 12 abelen of eiken planten die hij niet mocht snoeien maar waarvan hij wel het houwmesrecht had.

– bij schade door onweer de abdij ervan op de hoogte brengen zodat de schade kan worden getaxeerd.

– alle draaiende onderdelen van de molen goed onderhouden.

Het antwoord van de bedesetters.

De bedesetters noemden de klacht van Jacques een klucht daar de molen al vele jaren op dezelfde wijze werd belast. Zijn voorganger betaalde de lasten zonder obstakel. Hij zoekt vijff voeten in een schaap en zij zullen zijn ongelijk in deze zaak soo claer als den dach bewijzen. De molenaar had zijn klacht ook doorgestuurd naar de Raad van Brabant. Van der Moesen antwoordde namens de Raad op 11 juni 1668 dat het verzet van Jacques een poging was om het proces op de lange baan te schuiven, wat een quad exempel zou geven. Hij raadde de schepenen aan om geen uitstel te verlenen en het proces snel af te handelen.

Lieve ende beminde.

Wij senden U alhier innegesloten die supplicatie gepresenteerd in onsen Raede geordonneerd in Brabant van weghen onse lieve ende beminde die bedesetters der prochie van Esschene ende midts de redenen daerinne begrepen ordonneren U ende bevelen bij dese dat ghij in de saecke breeder in de voorschreven supplicatie geruert, procedeert met sulcke peremptoire termijnen als ghij naer gelegentheijt der selver ende in goede justitie sult vinden te behooren geduerende oock de aenstaende off tegenwoordige vacantiën ende des niet en laet, want onse geliefte sulcx is. Lieve ende beminde onse heere Godt sij met U.

Geschreven binnen onse stadt Brussel den XI° juni 1668.

Indachtig het advies van de Raad vergaderden de bedesetters al op 12 juni. Zij stelden vast dat Van Droogenbroeck de dorpslasten op 12 b land al eerder zonder opmerkingen had betaald. Bovendien moest Essene in de moeilijke oorlogsomstandigheden[2] zoveel aan Sijne Majesteijt  betalen dat de bijdrage  van Van Droogenbroeck absoluut noodzakelijk was. Zonder die bijdrage kon Essene niet aan de verplichtingen voldoen en niet bijdragen aan de welvaart van de inwoners. De vraag om de molen op gelijke voet te belasten met de brouwers en de biertappers is niets anders dan een uitvlucht net zoals de vergelijking met de Avenellemolen. De Bellemolen is een groter bedrijf en de velden en weiden van beide molens zijn gelijk belast. De bedesetters verwierpen de andere klacht van Jacques, namelijk dat zijn voorganger voor 18 b moest bijdragen en maar 15 b bezat. Di setting is naar waarheid gebeurd.

De bedesetters verduidelijkten hoe zo’n setting gebeurde. Om alle twisten te vermijden kondigde de dorpsofficier met een kerkgebod het bedrag van ieders dorpslasten aan. Iedereen kon dan komen aangeven welke goederen hij niet meer in gebruik had. Wie dat niet deed, werd het vermelde bedrag, namelijk dat van het voorgaande jaar, aangerekend. Van die mogelijkheid had Van Droogenbroeck geen gebruik gemaakt. Hij kan evenwel nog komen aangeven van welke goederen hij afstand had gedaan.

De laatste opmerking van de schepenen betrof de opmetingen van landmeter Van Langenhove. Die zijn niet legaal omdat hij de bedesetters niet heeft uitgenodigd om de opmetingen bij te wonen. Ze zijn ervan overtuigd dat de molenaar meer goederen heeft dan in de meting zijn opgenomen. Hij  kan nog altijd zijn goederen door een gezworen landmeter laten opmeten in aanwezigheid van beide partijen.

Tweede reactie van de bedesetters.

Op 24 april geven de bedesetters meer uitleg over hun weigering om op de eisen van Van Droogenbroeck in te gaan. Geen enkele gemeente of stad heeft het recht in te gaan tegen de beden van de koning want die dienen de algemene welvaart. Als dat wel het geval was, dan konden de subsidies niet tijdig geïnd worden en de regeerders van de parochies zouden door de vele processen opgeëten worden. Jans Huijghe diende zo’n verzoek al in bij de Raad van Brabant, maar die werd afgewezen. Ook Van Droogenbroeck heeft dat recht niet, wel kan hij, na betaling, een herziening van zijn lasten vragen. Zijn klacht komt op een moment dat Essene in financiële moeilijkheden verkeert door de contributies die de Franse legers eisen, de dagelijkse doortrekkende troepen van Spanjaarden en andere legers.

Verzoek van Jacques Van Droogenbroeck.

Op 16 juli diende de advocaat van Jacques, Arnoult Adriani, het verzoek bij de schepenbank in om de settingboeken van de laatste 30 jaar tot de setboek van Jasper Camerman binnen de 14 dagen te mogen inkijken. Hij voegde er de opmerking nog aan toe dat de Bellemolen dubbel werd belast. Een eerste maal voor de grond waarop hij was gebouwd en een tweede maal als molen en dat is niet het geval bij andere inwoners van Essene zoals brouwers en biertappers. In Asse is  de belasting van een molen gelijk aan 2 of ten hoogstens 2,5 b land, wat beduidend minder is dan in Essene en in Mazenzele diende molenaar Jan Elskens een klacht in tegen bedesetter Adriaan De Smedt omdat hij veel te zwaar werd belast. Hij kreeg gelijk. Jacques stelde voor dat de Bellemolen niet hoger werd geschat dan de Avenellemolen, namelijk op 1 ½ b land, maar hij was bereid om tot 4 b te geven als hij voor zijn gronden slechts op 8 b of 9 b moet betalen. De opmeting van zijn goederen was correct en wat zijn voorgangers teveel betaalden, wil hij terug.

Op 24 augustus 1668 beslisten de schepenen de alle settingboeke tot Jaspae Camerman aan de schepenen te overhandigen.

Wij ondergeteeckent bedesetteren van de prochie van Esschenen geven vollen last aen Franchois Van Varenberch onsen mede bedesetter om te haelen de bedeboecken ende rekeningen raeckende de voorschreven prochie vuijt handen van den greffier van Assche ende dat op sijnen behoorelijcke salaris in oirconden hebben dit onderteeckent desen XXVI° november 1669. Merten Linthout.

Ick ondergeschreven bedesetter van Esschene hebbe ontfangen alle de originele bedeboecken die onder de greffie van Assche met oock alle de rekeningen die int proces van de bedesetteren voorschreven als …. tegen Jaecques Van Droogenbroeck geconsigneert waeren, gelovende ende verbindende etha. actum 26ste 9ber 1669.

Francoos Van Varenbergh.


[1] B. VERMOESEN, Een rijke geschiedenis in: De kracht van water, de Bellemolen te Essene, 2020, 20.

[2] In 1667 was een Frans leger de Zuidelijke Nederlanden binnengevallen. Een allegaartje van Spanjaarden, Walen en Duitsers tracht de veroveringstocht te stoppen, maar op 12 september 1667 viel Aalst in Franse handen.

De pachters van de abdij te Hekelgem in 1796.

Op 26 juni 1794 verpletterde de Franse generaal Jourdan het Oostenrijkse leger in Fleurus. Die overwinning betekende het definitieve einde van het Oostenrijks bewind in de Zuidelijke Nederlanden en het begin van ruim 20 jaar Franse bezetting. Met het decreet van 1 oktober 1795 werd het gebied dat nu België is bij Frankrijk ingelijfd en ingedeeld in departementen. Deze eenzijdige beslissing werd pas met de Vrede van Campo Formio van 17 oktober 1797 internationaal erkend. Voor de invoering van de Franse wetgeving in onze departementen heeft de Franse overheid zolang niet gewacht. Vanaf 6 oktober 1795 was de burgerlijke grondwet van het jaar III van toepassing. Als gevolg van deze wetgeving werden alle kerkelijke goederen in onze contreien geconfisqueerd. In Frankrijk was dat al met de wet van 2 november 1789 gebeurd. De Franse republikeinen wilden immers de katholieke godsdienst uitroeien en met hun wet van 15 fructidor an IV (1 september 1796) werden de abdijen en kloosters in de 9 departementen van wat nu België is, opgeheven De geconfisqueerde goederen werden als nationaal goed in een “Caisse” ondergebracht in afwachting van hun verkoop. Zij dienden als onderpand voor de uitgifte van papiergeld, de assignaten.

Een voorbeeld van de eenzijdige toepassing van de Franse wetten: op 29 november 1796 werden te Brussel reeds goederen van de abdij, gelegen in de parochie Vieux-Genappe, aan anderen toegewezen.

Hoe gingen de Fransen tewerk bij de toewijzing van de kerkelijke goederen?

1) Eerst stelden commissarissen lijsten op van de onroerende goederen van kerken en kloosters. Voor Affligem gebeurde dat tussen 29 september en 9 oktober 1796. Deze lijsten bevinden zich in het Rijksarchief te Leuven[1]. Ze vermelden voor elk goed de aard (hoeve, land, weide, bos), de grootte, de pachter, de laatste pachttermijn, het bedrag en eventuele achterstallige pacht. Aan de hand van die lijsten kunnen we nagaan wie van Affligem (Essene, Hekelgem en Teralfene) van de abdij pachtte en de grootte van het gepachte goed. Uit de lijsten selecteerden we de volgende gegevens:

– de naam van de pachter, het gepachte goed, einde pacht, het pacht- of huurgeld;

– de maten zijn uitgedrukt in bunder (= b, 1 b = 4 d of 1,25 ha), dagwand (= d, 1 d = 100 r) en roeden (= r, 1 r = 31,4375 ca);

– de verpachtingen gebeurden telkens voor een periode van 9 jaar;

– de betalingen zijn vermeld in “argent de Brabant”, namelijk gulden – stuivers – oorden en nadien in Franse frank;

– “Bois défriché” hebben we vertaald als “geruimd bos” omdat défricher ook kan betekenen dat men na de gerooide bomen nog het schaarhout heeft weggehaald. Vanaf de jaren 80 verkeerde de abdij in geldnood en ging ze meerdere leningen aan. Mogelijks heeft ze toen veel bomen laten kappen en verkocht. Het schaarhout, ook grondhout genoemd, werd voor 9 jaar verpacht.

Dom Hiëronymus Haenen, syndicus van de abdij sinds 24 april 1794, stelde de meeste pachtcontracten op[2]. Dom Jozef De Grauw, dom Fulgentius Biebuyck en dom R. Maes sloten voor of na dom Haenen de andere contracten af.

2) Wat er nadien met het gepachte goed gebeurde, kwamen we te weten door de proces-verbalen (PV) van de schatting en de verkoop. Eerst noteerden schatters, een expert en een lid van het gemeentebestuur, voor elk goed de jaarlijkse opbrengst, de pachtsom en de ligging. Dan stelden ze een verkoopprijs voor. Aan de hand van hun Proces-verbal d’ estimation de biens affermés stelde de overheid affiches op met tien of meer beschrijvingen van de toe te wijzen goederen en de datum van de eerste toewijzing. De verkopen hadden plaats te Brussel. De verkoopprijs moest twintig maal de jaarlijkse opbrengst zijn en de inzetprijs niet lager dan achttien maal het jaarlijks inkomen[3]. De Caisse d’ Amortissement had voor de verkoop al de meeste goederen verpacht voor een periode van 3, 6 of 9 negen jaar. Het bedrag van de schatting en de verkoopsom zijn uitgedrukt in livres (= ponden  schellingen en deniers waarbij 1 pond = 20 schellingen en 1 schelling = 12 deniers). Vanaf 1798 ook in frank. De gegevens van de ligging van de percelen hebben we bewust beperkt gehouden om de leesbaarheid niet te bemoeilijken. De onderstaande processen-verbaal werden opgezocht in de rijksarchieven van Anderlecht en Gent. Die waren uiteraard opgesteld in het Frans. Edmond Schoon zorgde voor de vertaling.

De kopers van kerkelijke goederen moesten eerst met assignaten betalen. De assignaten waren een vorm van staatsobligatie met de kerkelijke goederen als onderpand. Vanaf 1796 werden ze uit de omloop gehaald omdat hun waarde was gedaald tot 1/30ste van de waarde van edelmetaal. In 1798 waren ze nog verder gedevalueerd tot 1/74ste.

In de onderstaande alfabetische lijst komen de namen voor die op de lijst staan van de gepachte goederen uit 1796 en de namen die na 1796 geconfisqueerde goederen van de abdij hebben gepacht. Die namen vonden we in de processen-verbaal (PV) van de schatting. De namen van de pachters in 1796 en die van de PV’s van de latere schatting komen niet altijd overeen. Dat komt door het tijdsverschil, soms tien jaar en meer, maar ook omdat de Franse administratie voor de verkoop meerdere percelen samenvoegde. Veel contracten eindigden in 1795, maar werden blijkbaar verlengd zonder nieuwe overeenkomst. Na de confiscatie was het de ontvanger der domeinen die de gronden verpachtte.

Van de pachters die ook in het Gezinsboek van A. Van den Broeck (1992) voorkomen, geven we een korte gezinssituatie zodat ze gemakkelijk een familegeschiedenis kunnen aanvullen.

De persoons- en plaatsnamen staan in de originele spelling.

Abdij Affligem: het abdijdomein, nr. 2.

De Franse revolutionairen supprimeerden de abdij zoals alle andere kloosters en de monniken werden op 11 november 1796 verdreven. Ze waren geen eigenaars of pachters meer van hun vroegere bezittingen en strikt genomen hoort het abdijdomein en andere bezittingen die ze in eigen gebruik hadden niet thuis in deze bijdrage. We hebben die toch opgenomen omwille van de volledigheid van het abdijbezit in Hekelgem.

Beschrijving van de goederen: het klooster van Affligem met zijn bijhorende gebouwen, kerk, kapellen, stallen, hangaars, tuinen, brouwerij, vijver. Geschat op een jaarlijkse huurwaarde van 3600 pond. Gelegen en opgedeeld als volgt:

1-Een moderne ingangspoort in blauwe steen waarin zich twee kamers bevinden voor de portier met boven een mooie zolder. Verdergaand ziet men een laan afgeboord met linden, rechts daarvan een plein beplant met notelaars, en tegen de muren die het omringen bevinden zich bergplaatsen bedekt met stro die gebruikt worden door de steenkappers. Links van de ingangspoort, westelijk gelegen, staat een kapel met vooraan een berg onbewerkte stenen voor het onderhoud der gebouwen en niet begrepen in deze schatting. Naast deze ingangspoort ligt de tuin, die ommuurd is en begrensd noord, oost en zuid door het kanaal van de abdij. In deze tuin bevinden zich twee visreservoirs en een kalkoven en verder een bergplaats voor opslag van hout. Tegenover deze tuin, noordelijk, werd een kleine wasserij -gebouwd, ommuurd, gebruikt door het klooster.

Om zich verder naar het abtsplein te begeven gaat men door een tweede poort in slechte staat, waarin vier kamers zijn en een zolder.

2- Rechts van het vernoemde plein, noordelijk, staat de abdijkerk met 5 marmeren altaren en een orgel in zeer goede staat (deze objecten zijn eigendom van de republiek volgens artikel 3- van de wet van 17 fructidor), palend aan de kerk, gaande naar het noorden, vindt men de graanschuur bestaande uit twee grote plaatsen in gebruik als opslagplaats, achter dit gebouw ligt zich de kloostertuin.

4- Rechtover deze tuin vindt men het kwartier van de proostdij, samengesteld uit een grote gang, en vijf grote plaatsen op gelijkvloers, dertien kamers op de eerste verdieping en dertien kamers op de tweede verdieping, en daarboven nog een grote zolder. Langs de zijkant staat nog een klein paviljoen dienstdoende als ingang, bestaande uit twee plaatsen en een zolder gebruikt door de conciërge.

5- Rechtover dit kwartier, westwaarts, ligt de boomgaard met allerlei fruitbomen en aan het eind een brouwerij, bestaande uit twee kleine plaatsen, gebruikt door de bewaker en met een huis voor de visser, ook bestaande uit twee kamers met een zolder erboven. Daarnaast ligt de groentetuin.

6- Lager dan deze tuin heeft men over de gehele lengte een visrijk kanaal gegraven, waarin zich vijf visreservoirs bevinden, deze worden gebruikt door de abdij.

7- Gaande naar het noorden en nog steeds voor deze tuin bevinden zich de oude gebouwen in gebruik als stal, koetshuis, bergplaats, en eveneens de oven van de paardensmid, en vijf kamers voor de knechten.

8- Naar het westen, aan de overkant het kanaal, bevinden zich vier door buizen met elkaar verbonden vijvers. Westelijk daarvan ook nog het kleine bos en noordelijk het hoogstammig abdijbos.

9- Rechts van de proostdij staat een klein paviljoen voor stalling van de rijtuigen met erboven een mooie zolder.

10- Achter de proostdij ligt een groot plein met een gebouw aan de oostzijde dat gebruikt wordt als opslagplaats voor hout met daarboven een grote zolder. Naast deze gebouwen ziet men een aanpalende kleine tuin met daarin een gebouw in gebruik als infirmerie bestaande uit zes plaatsen en boven een grote zolder.

11- Naast deze infirmerie op dezelfde lijn, staat een ander gebouw, bestaande uit vijf plaatsen op gelijkvloers en dertien op de eerste verdieping, daarboven een zolder, gebruikt door de knechten.

12- Noordelijk van deze koer ligt een ommuurde groentetuin waarin zich ook fruitbomen bevinden.

13- Achter dit plein, in het zuiden, staat het nieuwe onafgewerkte gebouw, waarin zich achttien ramen bevinden langs de kant van de bloementuin. In het gebouw bevinden zich 38 cellen op de eerste verdieping en eronder 12 grote plaatsen, alles nog onafgewerkt.

14- Naast dit gebouw staat een ander gebouw, dat als terras dient, en waaronder zich de oranjerie bevindt. Vandaag met een voorlopige dakbedekking.

15- Rechtover dit gebouw, richting Asse, ligt een perceel landbouwgrond met een oppervlakte van 8 bunder (10 ha 6 a), omzoomd door bomen, door de religieuzen bewerkt, palende noord aan de weg naar Meldert, oost aan de weg komende van Hekelgem, west aan het beukenbos van de abdij.

16- Achter de voornoemde gebouwen bevindt zich de slaapzaal van religieuzen, met op het gelijkvloers twee plaatsen in gebruik als refter en kapittelzaal, waarboven men 36 cellen bevinden voor de monniken en daarboven een grote zolder.

17- Naast de slaapzaal staat een oud gebouw, een oude sacristie, met een zolder boven.

18- In de bloementuin, volledig ommuurd, staat een paviljoen tegenover het nieuwe gebouw, in de volksmond “Verloren kost” genoemd, gebruikt door de religieuzen.

19- In het midden van deze tuin bevindt zich een bergplaats voor de tuiniers.

Ferrariskaart 1778

Zijn niet inbegrepen, de objecten die de republiek toebehoren door de wet van 17 fructidor laatstleden, en zich bevinden in de kerk, sacristie of elders, alsook bewerkte en onbewerkte stenen, balken en gebinten, ruw of bewerkt. Ook de windmolen is niet begrepen in deze verkoop. Zijn ook niet inbegrepen, de spiegels die zich in het huis bevinden, zelfs niet in een houten behuizing, zij maken deel uit van de inboedel en zullen afzonderlijk verkocht worden conform de brief van de minister van financiën van zes vendémiaire laatstleden.

De koper zal drie decaden lang de bovengenoemde objecten van de Republiek aanwezig in de kerk, laten staan en gedurende zes decaden de andere materialen, om het even waar ze zich bevinden[4].

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 29 oktober 1796 door Jean Sterckx, expert en Mathias Gruber, commissaris. Zij vonden de gronden van een middelmatige kwaliteit. De verkoopprijs schatten zij op 90 200 pond, de inboedel van de kerk was daar niet in begrepen. De 200 hoogstammige bomen die er zich op bevonden werden afzonderlijk geschat op 3 000 pond en waren in de verkoopprijs begrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 23 december 1796 om 9 uur ’s morgens volgens affiche nr. 13, artikel 15. Het bieden ving aan met een bod van 90 200 pond door burger Belval. Een tweede maal verhoogt door burger Belval tot 130 000 pond. De toewijzing ging na een eindbod van 137 000 pond naar burger Jean Charles Marin Michel Guéroult de La Pallière.

Abdij Affligem: De windmolen van de abdij, nr. 10.

Beschrijving van de molen: een windmolen die zich bevindt op het erf van de abdij Affligem zonder de grond waarop hij staat. De ingang is ongeveer 13 voet breed (voet = 0,27575 m of 3,585 m) en ongeveer 22,5 voet lang (6,2 m). In de molen bevinden zich een paar molenstenen met inscriptie: 17de fabriek van Dorpt?

De molen werd geschat door Philippe De Cuyper, expert en Hendrik De Ridder, adjoint agent municipal. De verkoopprijs werd geschat op £ 2 000 voor de afbraak en op £ 3 000 indien hij ter plaatse bleef staan, dus 1 000 pond voor de grond. De wieken en doeken van de molen waren in goede staat, evenals het geraamte. Het PV van de schatting opgemaakt op 27 december 1796.

De verkoop had plaats te Brussel op 27 januari 1797 om 15 uur volgens de affiche nr. 18, artikel 24. Het bieden ving aan met een bod van 2 250 pond. Tijdens het branden van de tweede kaars werd de molen toegewezen voor een eindbod van 3 250 pond aan burger Everard Tops.

Aantekening in de marge: “Vandaag, 14 pluviôse van het jaar vijf (2 februari 1797) van de Franse republiek, een en ondeelbaar, voor ons Administrateurs van het departement van de Dijle verschijnt de burger Everard Tops, koper van een windmolen die zich bevindt op het erf van de abdij Affligem, gelegen te Hekelgem, kanton Assche, beschreven in de akten van drie en acht pluviôse laatstleden, die verklaart dat de opdrachtgever en eigenaar van de vermelde opdracht is, de burger François Joseph Van Swal, ex-minderbroeder van Brussel, die hier aanwezig is en aanvaardend alle lasten, clausules en condities vermeldt in de toewijzing hierboven opgetekend. Wij, de contracterende partijen tekenen met ons, dag, maand en jaar zoals boven. Evrard Tops, François Joseph Van Swal, J. Debériot, J. Torfs. Geregistreerd te Brussel 28 pluviôse an 5ième (16 februari 1797)”.De koper was dus François Joseph Van Swal.

Tot in de 16de eeuw stond de molen op de Molenkouter tussen de Fosselstraat en de Bleregemstraat tot aan de Oude Baan. Hij werd verwoest tijdens de godsdienstoorlogen. Die molen werd voor het eerst vermeld in 1484. In 1648 liet de abdij een windmolen bouwen ten

westen van het huidige Cultureel Centrum, op de helling die nog altijd te zien is. De nieuwe molen was een houten staakmolen. De nieuwe molen kostte 1440 gulden 35 stuivers en diende om het graan te malen voor de monniken en voor de armen.

In de 18de eeuw was de molen verpacht aan Jacobus Schoon (1727 – 1797) van de brouwerij De Valk uit de Langestraat te Hekelgem. Die liet het werk in de molen over aan een molenaar. In 1789 werden er nog voor 173 gulden 17 stuivers herstellingswerken aan uitgevoerd. Zeven jaar later nam de Franse overheid, samen met de andere abdijbezittingen, de molen in beslag. Een storm op 9 november 1800 rukte hem van zijn voetstuk en het jaar daarop, in de maand maart, volgde een nieuwe verkoop. De molen verhuisde naar de Siesegemkouter te Aalst om er een vernielde tabaksmolen te vervangen. De laatste eigenaar, Gustaaf Van Londerseele, onderhield de molen slecht en in 1913 liet hij hem afbreken. De plaats waar de molen stond, is nu het parkeerterrein van het Aalsters Stedelijk Ziekenhuis.

Abdij Affligem: De Damvijver van de abdij, nr.67.

Beschrijving van de vijver: een vijver in de vorm van een driehoek in de volksmond “Damvijver” genoemd, groot 180 roeden (56 a 59 ca), grenzend aan een zijde de weg van Aalst naar Brussel, 2de Henry (van) Nieuwenborg, 3de Laurent Van Roy & Henry De Nil.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 13 augustus 1797. De schatters waren Eugène Melsnijder, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 40 gulden en de verkoopprijs op £ 800. De vijver werd door de monniken zelf gebruikt

De verkoop had plaats te Brussel op 27 december 1797 om 10 uur volgens de affiche nr. 54, artikel 34.Het bieden ving aan met een openingsbod van 600 pond. Tijdens het branden van de laatste kaars werd de vijver toegewezen voor het eindbod van 9 100 pond aan burger J. F. Callebaut wonende te Hekelgem. De koper betaalde de volledige aankoopsom in een keer.

De Damvijver lag in de Langestraat. Een geschil met de buren, die beweerden het recht te hebben hun dieren in de Damvijver te baden, werd in 1691 in het voordeel van de abdij beslecht[5].

Abdij Affligem: Het bos “De Meer”, nr. 68.

Beschrijving van het bos: een bos genaamd “De Meer”, groot ongeveer drie bunder (3 ha 77 a 25 ca) grenzend aan een zijde aan de weg van Sint-Katherina-Lombeek naar Aalst, 2de aan het goed verpacht aan De Nil, 3de aan het bos genaamd “De Catten” departement van de Schelde, 4de aan een goed verpacht aan de weduwe Crols, 5de aan dat verpacht aan Michel Drousaert, 6de aan de weg genaamd “Catergat”, 7de aan Judo Van Der Borght. In dit bos bevinden zich 200 hoogstammige bomen, twee tot zeven voet dik, en schaarhout van 4 jaar.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 2 augustus 1797. De schatters waren Eugène Melsnijder, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. Zij schatten de jaarlijkse opbrengst op £ 240, en de verkoopprijs op £ 4 800 voor de grond en £ 3 000 voor 200 hoogstammige bomen, deels eiken en deels beuken. Het bos werd door de monniken zelf gebruikt.

De verkoop had plaats te Brussel op 27 december 1797 om 10 uur volgens affiche nr. 54, artikel 35. Het bieden ving aan met een openingsbod van 5 850 pond. Tijdens het branden van de laatste kaars werd het bos toegewezen voor het eindbod van 100 000 pond aan burger Jean De Viswonende te Erembodegem, een stroman die kocht voor zichzelf en met een volmacht van Jean De Ridder, Jean François De Ridder en Joseph Blanquart, ieder voor één vierde deel. De kopers waren dus Jean De Vis, Jean De Ridder, Jean François De Ridder en Joseph Blanquart.

Opmerking[6]: De verkochte goederen werden in 1722 gemeten en beschreven als volgt:

(blz. 176 nr. 3) de Meir (bos) soo veele onder Hekelghem. Palende aan: 1. het ghescheet van Herembodeghem, 2. de straete. Groot 3 bunder 20 roeden.

Abdij Affligem: Het bos “Het Setsels”[7], nr. 91.

Beschrijving van de goederen: zes dagwand (1 ha 88 a 62 ca) bos genaamd “Het Setsels” waarop zich 140 hoogstammige bomen bevinden van één voet tot vier en een halve voet diameter, uitgebaat door de monniken zelf, grenzend aan een zijde aan de dreef die Moorsel met Erembodegem verbindt, 2de het goed verpacht aan de weduwe Boterbergh, 3de aan dit van J.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 17 september 1797. De schatters waren Eugène Melsnijder, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. Ze schatten de jaarlijkse opbrengst op £ 150, en de verkoopprijs op £ 3 008, de 140 hoogstammige bomen inbegrepen. Het schaarhout was volledig gekapt. Het bos uitgebaat door de monniken voor hun bevoorrading aan brandhout voor de verwarming en voor de ovens.

De verkoop had plaats te Brussel op 15 januari 1798 om 10 uur volgens de affiche nr. 58, artikel 17. Het bieden ving aan met een openingsbod van 2250 pond. Tijdens het branden van de laatste kaars werd het bos toegewezen voor het eindbod van 61 100 pond aan burger Jean Boterbergh wonende te Hekelgem.

Opmerking[8]: De verkochte goederen werden in 1722 gemeten en beschreven als volgt: (blz. 170 nr. 40) Bosselken onder Hekelghem gemijnelijck genoempt Het Sethsel. Palende aan: 1. den dreuve naer de Cluijse Cappelle, 2. de naervolgende partije. Groot 2 bunder 19 roeden.

Abdij Affligem: het bos “Drijbeckenheelen[9], nr. 157.

Beschrijving van het bos: drie dagwand 50 roeden (1 ha 10 a 3 ca) bos gelegen genoemd de Drijbeckenheelen en geëxploiteerd door de monniken. In het bos bevindt zich schaarhout van 7 tot 8 jaar oud en 43 jonge hoogstammige bomen. Het grenst oost aan de goederen van de abdij Affligem, zuid aan het goed van Henri Verleysen, noord aan het goed van de weduwe Vasseur en aan de “Asscherenbosch”, en west aan de goederen van de abdij Affligem.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 31 maart 1798. De schatters waren Jean Valentin Cordier, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. Volgens bedroeg de jaarlijkse opbrengst £ 53, en de verkoopprijs schatten ze op £ 1 060, de 43 jonge hoogstammige bomen werden geschat op £ 200. Het schaarhout van zes jaar oud werd geschat op £ 300, samen £ 1 560. Het bos werd niet verpacht maar gebruikt door de monniken voor hun eigen bevoorrading.

De verkoop had plaats te Brussel op 16 mei 1798 om 10 uur volgens affiche nr. 82, artikel: 3 – 2de lot. Het bieden ving aan met een openingsbod van 1 170 pond. Tijdens het branden van de laatste kaars werd het bos toegewezen voor het eindbod van 42 000 pond aan burger Jean De Vis wonende te Erembodegem.

Abdij Affligem: Asscherenbosch[10], nr. 267.

Beschrijving van het bos: de “Asscherenbosch”, groot negentien bunder (23 ha 89 a 25 ca) beplant met schaarhout en 830 hoogstammige bomen van 2 tot 7 voet omtrek, grenzend langs een zijde aan de dreef van Moorsel naar Erembodegem, 2de aan het bos genaamd “Bidelaerbossche”, 3de aan de “Bosbeek”, 4de aan burger Pierre Verleijsen, en 5de aan de “Cluysencauter”.

Het Pv van de schatting opgemaakt op 8 december 1798 door Charles Louis Joseph Terrace, expert, Mathias Gruber, commissaris te Asse, en André De Koninck, « garde forestier » die in het proces-verbaal van de schatting liet noteren dat de verkoop van het bos, volgens de wet van 4 nivôse jaar 4, was toegestaan. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 279,15 frank, en de verkoopprijs op 11 753,13 frank, daarin waren begrepen: 1ste – 360 hoogstammige eiken en beuken met een omtrek van 5 tot 7 voet[11] (1,38 m – 1,93 m) die geschat werden op 5 289,13 frank en 2de – 470 hoogstammige eiken en beuken met een omtrek van 2 tot 4 voet (0,55 m – 1,1 m) die geschat werden op 2 406 frank. Het schaarhout was maar één jaar oud en werd niet in rekening gebracht.

Dit bos werd door de monniken zelf beheerd, het teveel aan schaarhout werd soms geheel of gedeeltelijk verpacht.

De verkoop had plaats te Brussel op 6 juni 1799 om 10 uur volgens de affiche nr. 175, artikel 22. Het bieden begon met een openingsbod van 11 753 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 11 875 frank aan burger Jean François Merckaert & compagnie wonende te Aalst.

Opmerking[12]. De verkochte goederen werden in 1752 gemeten en beschreven als volgt:

1- (blz. 170 nr. 41) den grooten Asscherenbosch onder hekelghem. Palende aan west den dreuve naer de Cluijse Cappelle, noord en oost de naervolgende partije. Groot 20 bunder 3 dagwand 38 roeden. Dit toont aan dat de Asscherenbosch ongeveer 1 bunder en 3 dagwand in omvang verkleinde in de periode 1752 – 1799. Werd er reeds een gedeelte gerooid?

Abdij Affligem: drooggelegde vijver[13], nr. 266.

Beschrijving van de vijver: een drooggelegde vijver gelegen te Hekelgem en genaamd “Caenbergvijver”, groot vijf dagwand (1 ha 57 a 19 ca) grenzend langs een zijde aan de steenweg van Aalst naar Brussel, 2de aan het goed van de kinderen Gillis Smedt, 3de aan de kleine weg genoemd “Doment”, 4de aan de goederen van de kinderen Pierre Clauwaert.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 11 augustus 1798 Charles Louis Joseph Terrace, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op £ 40, en de verkoopprijs £ 800, de 50 hoogstammige bomen, die zich aan de rand van de vijver bevonden, werden geschat op £ 150, samen £ 950. Deze vijver werd door de monniken zelf gebruikt voor hun bevoorrading aan vis. De jaarlijkse opbrengst werd herzien en bedroeg 40 frank en de hoogstammige bomen 50 frank. De verkoopprijs werd door de administratie, aan de hand van deze gegevens, vastgesteld op 470 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 27 mei 1799 om 10 uur volgens affiche nr. 173, art. 26 . Het bieden ving aan met een openingsbod van 470 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 775 frank aan burger C. Meert wonende te Asse.

De vijvers van de Koudenberg, nr. 3, ca 1700[14]. Tussen 2 vijvers het tracé van de nieuw aan te leggen steenweg

Abdij Affligem: het Kluisbos, nr. 275.

Beschrijving van het bos: elf bunder twee dagwand (14 ha 46 a 12 ca) bos “Le bois de l’Hermitage” (Kluisbos) beplant met schaarhout van één jaar en hoogstammige eiken- en beukenbomen, grenzend langs een zijde aan de grens met het departement van de Schelde, 2de aan de weg van Moorsel naar Erembodegem, 3de aan de weg van Meldert naar Aalst, 4de & 5de aan de Kluiskapel.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 13 december 1798 door Charles Louis Joseph Terrace, expert, Mathias Gruber, commissaris te Asse, en André De Koninck, « garde forestier » die in het proces-verbaal liet noteren dat de verkoop van het bos was toegestaan. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 207 frank en de verkoopprijs op 8 685 frank, daarin waren begrepen: 1ste – 332 hoogstammige eiken en beuken met een omtrek van 5 tot 7 voet[15] (1,38 m – 1,93 m) die geschat werden op 3 409,25 frank en 2de – 337 hoogstammige eiken en beuken met een omtrek van 2 tot 4 voet (0,55 m – 1,1 m) die geschat werden op 2 470,80 frank. Het schaarhout was verwoest en maar één jaar oud, er kon geen prijs op geplakt worden. Dit bos werd door de monniken zelf beheerd, het teveel aan schaarhout werd soms geheel of gedeeltelijk verpacht.

De verkoop had plaats te Brussel op 30 augustus 1799 om 10 uur volgens affiche nr. 192, artikel 15. Het bieden ving aan met een openingsbod van 7 500 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 11 200 frank aan burger Jean François Merckaert wonende te Aalst.

Het Kluisbos is een van de oudste bossen van Affligem samen met het Kravaalbos te Meldert. Het maakte deel uit van het uitgestrekte Kolenwoud maar geleidelijk aan werden grote delen gerooid en in cultuur gebracht om te voldoen in het levensonderhoud van de toenemende bevolking. Het Kluisbos is een middelhoutbos, een mengeling van hoogstammige bomen zoals eik en beuk en kreupelhout. Populieren, Amerikaanse eik en spar werden aangeplant voor de omschakeling naar productiebos. Enkel op een klein gedeelte  bleef een oude kern bewaard met zomereik, beuk, abeel, hazelaar, lijsterbes, esdoorn en es. Verscheidenen bronnen ontspringen in het gebied.

Abdij Affligem: het Cortenbosch, nr. 287.

Beschrijving van het bos: zeven dagwand (2 ha 20 a 6 ca) bos gelegen op de plaats genoemd “Cortenbosch” grenzend langs een zijde aan de weg naar Teralfene, 2de aan burger Jean Baptiste Bosteels, 3de aan burger Jean Droeshout, 4de aan burger Jean Van Der Borgt, en 5de aan burger J. J. Mathijs.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 25 augustus 1799 door Charles Louis Joseph Terrace expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op £ 56, en de verkoopprijs op £ 2 950, daarin waren begrepen: 150 hoogstammige eiken en andere die geschat werden op £ 1 500. Het schaarhout, 2 jaar oud, werd geschat op £ 350. Dit bos werd door de monniken zelf beheerd.

De verkoop had plaats te Brussel op 25 oktober 1799 om 10 uur volgens affiche nr. 202, artikel 31. Het bieden ving aan met een openingsbod van 1 400 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 425 frank aan burger Gérard Van Der Steen wonende te Moorsel.

Abdij Affligem: Caveebosch, nr. 298.

Beschrijving van het bos: vier bunder twee dagwand (5 ha 65 a 87 ca) bos genoemd “Cavéebosch”, beplant met schaarhout van één tot vijf jaar oud en 206 hoogstammige bomen, grenzend langs een zijde aan burger Jean Baptiste Bosteels, 2de aan de weduwe Pierre De Cuyper, 3de aan burger C. P. Bisschop, en 4de aan het goed van burger Matthijs.

Het PV van de schatting werd opgemmakt op 9 augustus 1798, maar was niet op genomen in het archief. De schatters waren Charles Louis Joseph Terrace expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De verkoopprijs werd geschat op 3 600 frank door de administratie te Brussel. Dit bos werd door de monniken zelf beheerd.

De verkoop had plaats te Brussel op 23 januari 1800 om 11 u. volgens de affiche nr. 219, artikel 41. Het bieden begon met een openingsbod van 3 600 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 3 625 frank aan burger Marc Mercier wonende te Brussel, rue de Fleurus nr. 1008.

Abdij Affligem: De Kluiskapel, nr. 237.

Beschrijving van de kapel: een kapel genoemd “L’Hermitage” – “De Kluis”, gebouwd op een terrein van ongeveer één dagwand (31 a 44 ca). het gebouw is 40 voet lang en 16 voet breed en bedekt met leien.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 4 juli 1798 door Charles Louis Joseph Terrace, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op £ 10, en de verkoopprijs op £ 1 300, de 100 hoogstammige bomen, geschat p £ 1000 inbegrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 19 oktober 1798 om 10 u. volgens de affiche nr. 129, artikel 2. Het bieden ving aan met een openingsbod van 825 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars werd ze toegewezen voor het eindbod van 54 000 frank aan burger Jean François Callebaut wonende te Hekelgem, stroman die kocht met een volmacht van Jean François Merckaert, wonende te Aalst.

De geschiedenis van de Kluiskapel gaat terug tot de 7de of 8ste eeuw. De H. Ursmarus, abt van Lobbes (Henegouwen) die in onze streek het geloof verkondigde, zou op die plaats een kapel hebben laten bouwen. In 1085 kwam zowel de kapel als het bos in het bezit van de abdij Affligem. In de middeleeuwen trokken monniken zich soms tijdens de vasten terug als kluizenaar in het bos. De namen van enkele kluizenaars zijn bekend gebleven: Rdulf, Arnulf, Johannes. In de 17de eeuw waren de grondvesten van de kluizen nog te zien. Men vierde toen het feest van O.-L.-Vrouw van de Kluis op paasmaandag. Een grote menigte kwam er de mis bijwonen en Maria aanroepen tegen koorts. De bedevaarders dronken ook van het water van de nabije bron waaraan een wonderbare kracht werd toegeschreven. Het beheer van de kapel was in handen van een “cluysmeester”. Het huidig gebouw (1785) is slechts het koor van de verdwenen kerk. Het beeld van O.-L.-Vrouw, tronend boven het altaar tussen 2 engelen, wordt vereerd tijdens de begankenis van Beloken Pasen. De glasramen beelden 2  legenden van de Kluis uit. Het glasraam links vertelt dat een monnik, mediterend over en psalm naar het bos wandelde en wel 300 jaar naar het gezang van een vogel bleef luisteren alvorens terug te keren naar zijn abdij. Het raam rechts toont ons dom Radulphus die al 16 jaar niet meer had gesproken en een geweldige abdijbrand doofde met de woorden: “Vuur sta stil”. Hij zou in de kapel begraven zijn. Dichtbij  bevindt zich het Kluizeputteken, een bron waaruit de Hekelgemse kindjes worden geboren. Als je dat gelooft, kun je, met je oor op de rand van de put, de kindjes horen schreien. Sinds 1976 hebben de Vrienden van de Kluis zich ingezet voor de restauratie van de kapel en het herstel van de begankenis.

Abdij Affligem, weide en bos op de Dries, nr. 458 .

Beschrijving van de goederen: één ha 10 a 3 ca moerassige weide en vijver beplant met beuken en olmen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1-62 a 87 ca moerassige weide gelegen op de “Dries” grenzend langs een zijde aan het goed verpacht aan Pierre Broeckmans, 2de aan de weg van Hekelgem naar Meldert, 3de aan de weg van Aalst naar Brussel, 4de aan deze van Meldert naar Brussel, 5de aan Pierre Schaumans, 6de aan de goederen van de kinderen Pierre Doywe?, doorsneden door de steenweg van de abdij Affligem die loopt naar de steenweg van Brussel naar Aalst.

2-47 a 16 ca moerassige weide gelegen op het veld “Blereghem” waarin zich een vijver bevindt van 50 roeden, grenzend langs een zijde aan de weg van Essene naar Meldert, 2de aan Gaspard Kint, 3de aan dezelfde, 4de aan Guillaume Louis, en 5de aan de goederen van de kinderen Roggemans.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 25 augustus 1800 door Charles Louis Joseph Terrace wonende te Asse, expert, en Mathias Gruber burgemeester te Asse.

De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 20 frank, en de verkoopprijs op 368 frank, daarin waren begrepen: 80 hoogstammige beuken, olmen en abelen met een omtrek van 1 tot 4 voet[16] (0,275 – 1,10 m) die geschat werden op 160 frank, belastingen inbegrepen. Deze percelen werden door de monniken zelf beheerd.

De verkoop had plaats te Brussel op 10 september 1803 om 12 uur volgens de affiche nr. 381          artikel 17. Het bieden begon met een openingsbod van 368 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 2 025 frank aan burgeres Jeanne Marie Van Gerwen wonende te Leuven, rue Neuve, meerderjarige dochter van?

De kinderen Guillaume Amelinx (Guillelmus Hamelinckx), nr. 408.

Guillelmus overleed op 28 oktober 1794. Met zijn eerste vrouw Adriane, overleden op 22 juli 1770 had hij 2 kinderen: Petrus Franciscus (°30 maart 1768) en Joannes Baptist (°15 augustus 1769, overleden in 1770). Hij hertrouwde met Maria Geeroms, overleden op 23 mei 1797, met wie hij nog 5 kinderen had: Joannes Baptist (°9 september 1783), Petrus Franciscus (°8 juni 1785), Anna (°25 januari 1787), Isabella (°8 juli 1787) en Josephus (° 1 maart 1791).

Beschrijving van de goederen: één dagwand 75 roeden (55 a 2 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem, verpacht aan de kinderen G. Amelinx voor een jaarlijkse pachtsom van 29 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Één  dagwand (31 a 44 ca) landbouwgrond gelegen op “’t Guchtveld” grenzend langs een zijde aan een kleine weg naar Hekelgem, 2de aan J. De Meersman, 3de aan burgeres weduwe François Callebaut, en 4de aan François De Batselier.

2- 75 roeden (23 a 58 ca) landbouwgrond gelegen op “’t Guchtveld” grenzend langs een zijde aan een kleine weg naar de steenweg naar Brussel, 2de aan Henri De Nil, 3de aan François De Ridder, en 4de aan de kinderen François Van De Perre.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 26 november 1797 door Charles Louis Joseph Terrace, expert, wonende te Asse en ? Crick die Mathias Gruber commissaris te Asse, verving. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 28,60 frank en de verkoopprijs op 228,80 frank. Verpacht aan de kinderen Guillaume Amelinx (vermoedelijk betreft het hier Guillelmus Hamelinckx geboren te Merchtem en overleden te Hekelgem op 28 oktober 1794), voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op 26 oktober 1793, van kracht vanaf 9 november 1796 en eindigend op 9 november 1805, voor een jaarlijkse pachtsom van 11 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 23 april 1801 om 12 u.volgens affiche nr. 308 artikel 8. Het bieden ving aan met een openingsbod van 229 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 560 frank aan de burgers Charles Terrace wonende te Brussel, rue de Namur & François Jean Callebaut wonende te Hekelgem.

François Arijs, nr. 486.

Franciscus, gedoopt te Hekelgem op 15 januari 1726, trouwde met Joanna Clauwaert op 19 aprl 1757. Zij was te Hekelgem gedoopt op 1 mei 1721. Zij hadden 2 kinderen: Cornelius (°31 juli 1757) en Petrus (°23 maart 1763).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op de “De Meerecauter”, groot 62 a 60 ca, grenzend langs een zijde aan de “Nieuwstraet” die de gemeenten Hekelgem en Teralfene scheidt, 2de aan het perceel verpacht aan Michel Eckman, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht

Het PV van de schatting werd  opgemaakt op 18 juli 1804 door: Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en G. Petrus T’Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 20 frank en de verkoopprijs op 400 frank. Verpacht vanaf 22 december 1801 aan burger François Arijs wonende te Erembodegem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 (registernr. 1570 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 21,77 frank.

aan Jacques Van Vaerenbergh, en 4de aan het goed verpacht aan Jean Boterbergh.

De verkoop had plaats te Brussel op 8 september 1804 om 12 uur volgens de affiche nr. 433 artikel 20. Het bieden ving aan met een openingsbod van 400 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 810 frank aan burger Joseph Dubois wonende te Brussel, rue de Flandre nr. 1618, sectie 3, stroman die kocht met een volmacht van Jean Baptiste Vaerman, wonende te Teralfene.

De weduwe Gilles Beekmans, zie nr. 357.

Jacques Bellemans, nr. 409.

Jacques (Jacobus), gedoopt te Hekelgem op 5 augustus 1728, trouwde met Maria Mertens. Zij woonden aan de gewezen abdije. Het gezin telde 9 kinderen: Elisabeth (°5 januari 1755), Joanna Catharina (°10 januari 1757), Anna Francisca (23 oktober 1759), Joanna Maria (°7 maart 1762), Petrus Joannes (°7 juli 1764), Joannes barnardus (20 augustus 1767), Adriana (° 19 juni 1769), Angelina Francisca (°1 augustus 1770) en Catharina (°20 februari 1776).

Beschrijving van de goederen: drie dagwand (94 a 31 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem verpacht aan Jacques Bellemans voor een jaarlijkse pachtsom van 37 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1-Twee dagwand (62 a 87 ca) landbouwgrond gelegen op “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan de weg naar de kerk van Hekelgem, 2de aan Pierre Roggemans, 3de aan de dreef van het bos van de voormalige abdij Affligem, en 4de aan burgeres weduwe Gille Beekmans.

2-Één dagwand (31 a 44 ca) landbouwgrond gelegen op “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan de weg naar Hekelgem, 2de aan Jacques De Meersman, 3de aan de dreef van het bos van de abdij Affligem, en 4de aan burger Benedictus Schoon.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 25 november 1798 door Charles Louis Joseph Terrace, expert, wonende te Asse en ? Crick die Mathias Gruber commissaris te Asse, verving. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 37,30 frank en de verkoopprijs op 298,40 frank. Verpacht aan Jacques Bellemans, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op 26 oktober 1793, van kracht vanaf 9 november 1796 en eindigend op 9 november 1805, voor een jaarlijkse pachtsom van 15 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 23 april 1801om 12 u. volgens affiche nr. 308 artikel 9. Het bieden ving aan met een openingsbod van 298 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 920 frank aan de burgers Charles Terrace wonende te Brussel, rue de Namur & François Jean Callebaut wonende te Hekelgem.

B. Bosteels, nr. 314.

Beschrijving van de goederen: B. Bosteels pachtte 6 bunder 1 dagwand 9 roeden (7 ha 88 a 77 ca) land en weide voor een jaarlijkse pachtsom van 220 frank, belastingen niet inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1-Één bunder 36 roeden (1 ha 37 a 7 ca) weide (de plaats was niet te ontcijferen) grenzend langs een zijde aan de weg van Ninove naar Mechelen, 2de aan de goederen van burger Mercart, 3de aan burger Fr. Verbeek, en 4de aan de goederen van de voormalige abdij Affligem.

2- Één bunder twee dagwand (1 ha 88 a 62 ca) weide, door de gemeenschap te gebruiken na Sint-Jan, gelegen te Essene, grenzend langs een zijde aan de Avenellebeek, 2de aan burger Jacques Schouppe, 3de aan burger Jean Vansante(?), en 4de aan burger Philippe Charon.

3- Drie bunder 49 roeden (3 ha 92 a 65 ca) landbouwgrond grenzend langs een zijde aan Benoit Clauwaert, 2de aan de weduwe Joannes Baptist Smets, 3de aan burger Antoine Cappuijns, en 4de aan het voetpad naar de kerk.

4- Twee dagwand 24 roeden (70 a 42 ca) landbouwgrond op het veld “La terre du moulin” grenzend langs een zijde aan de weg naar Teralfene, 2de aan burger Jacques Clauwaert, 3de aan de weduwe Michel Clauwaert, en 4de aan burger Jean Van Nieuwenhove.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 19 juli 1798 door Charles Louis Joseph Terrace expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 120 gulden en de verkoopprijs op 4 800 pond. Op het perceel bevonden zich ook 15 hoogstammige bomen geschat op 45 pond, samen 4 845 pond. Verpacht aan B. Bosteels, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, in voege vanaf 8 oktober 1795, en eindigend op 9 oktober 1804, voor een pachtsom van 120 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 9 maart 1800 om 11 uur volgens de affiche nr. 228, artikel 22. Het bieden begon met een openingsbod van 2 000 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 2 525 frank aan burger Antoine Vauthier wonende te Brussel, rue Egalité nr. 1042, stroman die kocht met een volmacht van Joseph Roch, wonende te Parijs, rue d’Amboise.

Pierre Jean Bosteels, nr. 513.

Petrus Joannes werd geboren te hekelgem op 11 mei 1751 en trouwde met Maria Clauwaert, gedoopt te Hekelgem op 13 oktober 1771

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op “Den Trapdries”, groot 53 a 69 ca, grenzend langs een zijde aan de veldweg van Boeckhout naar Teralfene, 2de aan de weg van Teralfene naar Ten Bosch, 3de aan een “terre communale” genaamd “Trapdries”, en 4de aan de veldweg van Boeckhout naar de “Nieuwstraet”.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 1 juli 1805 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 24 frank en de verkoopprijs op 480 frank. Rond dit perceel bevonden zich grachten met daarop zich 49 eiken en 9 jonge beuken, samen geschat op 107 frank. Totaal 587 frank. Verpacht vanaf 26 december 1804 aan Pierre Jean Bosteels, landbouwer wonende te Hekelgem, voor zes jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 22 maart 1804, door de burgemeester van Asse (registernr. 86 te Asse), voor een jaarlijkse pachtsom van 14 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 21 december 1805 om 12 uur volgens de affiche nr. 500 artikel 6. Het bieden ving aan met een openingsbod van 587 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 610 frank aan burger Philippe Paul Chasse wonende te Brussel.

Pierre Jean kocht nog andere goederen van de voormalige abdij.

Beschrijving van de goederen: drie ha 76 a 80 ca landbouwgrond gelegen te Hekelgem naast de Dender. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1-56 a 52 ca landbouwgrond gelegen op “De Meerecauter” grenzend langs een zijde aan de veldweg die de scheiding maakt tussen de gemeenten Hekelgem en Erembodegem, 2de aan een hopveld en land van de abdij Affligem verpacht aan Jean Droeshout, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Gilles De Wever, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de kinderen Van Vaerenbergh.

2- 2 ha 35 a 50 ca landbouwgrond gelegen op “Het Hooghuysel” grenzend langs een zijde aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe Michel De Cuyper, 2de aan een gerooid bos genaamd “Caveebosch”, 3de aan een gerooid bos genaamd “Cortenbosch”, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe Michel Droeshout.

3- 84 a 78 ca weide gelegen op “De Pittantiemeersch” grenzend langs een zijde aan een weide van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe Michel Droeshout, 2de aan de haag van een weide van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe Michel De Cuyper, 3de en 4de aan de Dender.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 25 februari 1807 door Guillaume De Becker, expert, wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 150 frank en de verkoopprijs op 3000 frank. Verpacht vanaf 26 december 1802 aan Pierre Jean Bosteels wonende te Hekelgem, voor zes jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 22 maart 1802 (registernr. 29 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 110 frank, belastingen niet inbegrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 17 september 1807 volgens de affiche nr. 590 artikel 10. Het bieden ving aan met een openingsbod van 3 200 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 3 750 frank aan Pierre Joseph Coppijn wonende te Brussel.

Een derde aankoop volgde in 1808.

Beschrijving van de goederen: twee ha 51 a 20 ca landbouwgrond gelegen te Hekelgem op “Den Boeycauter” grenzend langs een zijde aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan François Hoefs, 2de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Gilles Plas, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe Verbeken, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aanAmand Vertongen.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 23 april 1807 door: Guillaume De Becker, expert, wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 100 frank en de verkoopprijs op 2000 frank. Verpacht vanaf 26 december 1804 aan Pierre Jean Bosteels wonende te Hekelgem, voor zes jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 22 maart 1804 (registernr. 48 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 78 frank, belastingen niet inbegrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 27 februari 1808 om 12 uur volgens deaffiche nr. 613 artikel 12. Het bieden ving aan met een openingsbod van 2 000 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 2 500 frank aan Jacques Latteur wonende te Tienen.

Jean Boterbergh, nr. 484.

Joannes waarschijnlijk geboren te Erembodegem trouwde Petronella Timmerman. Hij overleed te Hekelgem op 24 april 1805. Zij hadden  een dochter : Maria Theresia (°1 april 1774).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op de “De Meerecauter”, groot 93 a 90 ca, grenzend langs een zijde aan de “Nieuwstraet” die de gemeenten Hekelgem en Teralfene scheidt, 2de aan het perceel verpacht aan François Arijs, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jacques Van Varenbergh en Michel Droeshout, en 4de aan het goed verpacht aan Jacques LanckmanProces-verbaal van de schatting opgemaakt op: 17 juli 1804.

Het PV van de schatting werd opgemaakt  door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en G. Petrus T’Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 30 frank en de verkoopprijs op 600 frank. Verpacht vanaf 22 december 1801 aan burger Jean Boterbergh wonende te Erembodegem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 (registernr. 1569 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 31,13 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 8 september 1804 om 12 uur volgens de affiche nr. 433 artikel 18. Het bieden ving aan met een openingsbod van 600 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 450 frank aan burger Joannes Boterbergh wonende te Erembodegem, huurder van het perceel.

Henry Brucker, nr. 273.

Beschrijving van de goederen: twee bunder landbouwgrond verpacht aan Henry Brucker voor een jaarlijkse pachtsom van 80 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1-Een bunder (1 ha 25 a 75 ca) landbouwgrond op de “De Schaepschuer”, grenzend langs een zijde aan de steenweg van Aalst naar Brussel, 2de aan de goederen van de kinderen Gilles De Smedt, 3de aan de weg genaamd “La vieille route de Bruxelles”, 4de aan de weg van Essene naar Meldert.

2- Een bunder (1 ha 25 a 75 ca) landbouwgrond op “De Schaepschuer” grenzend langs een zijde aan de weg genaamd “La vieille route de Bruxelles”, 2de aan burger Benoit De Witte, 3de aan burger Josse De Wever, en 4de aan burger François Van Den Bossche.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 11 augustus 1798 door Charles Louis Joseph Terrace, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 40 gulden, en de verkoopprijs £ 1 600. De goederen waren verpacht aan Henry Brucker, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 10 juni 1794, in voege vanaf 10 juni 1797 en eindigend op 10 juni 1805, voor een pachtsom van 338 gulden. Deze percelen zijn van een middelmatige kwaliteit.

De verkoop had plaats te Brussel op 6 juli 1799 om 10 uur volgens de affiche nr. 181, artikel 23. Het bieden begon met een openingsbod van 640 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 645 frank aan burger Jean François Callebaut wonende te Hekelgem. Deze koper ondertekende het proces-verbaal met J. F. Calleboudt in een beverig handschrift.

Antoine Cappuyns, nr. 661.

Koster Antonius overleed te Hekelgem op 17 januari 1812. Hij trouwde met Joanna Judoca Schoonjans. Zij hadden 12 kinderen: Elisabeth (°19 augustus 1781), Barbara (°12 november 1782), Maria Elisabeth (°16 april 1784), Josephus (°20 september 1785), Petrus (°9 maart 1787), Joanna Maria (°4 mei 1788), Joannes baptist (°12 oktober 1789), Henricus (°15 februari 1792), Joannes Judoucus (26 december 1792), Anna Catharina (°16 augustus 1794), Theresia (°28 juni 1796) en Petrus Franciscus (°7 april 1798).

Beschrijving van de goederen: een perceel land en tuin, groot 15 a 10 ca gelegen te Hekelgem waarop zich een huis bevindt opgetrokken in steen dat eigendom is van de huurder, grenzend langs een zijde aan het dorpsplein, 2de aan de “Kerckstraet”, 3de aan de goederen van de voormalige abdij Affligem verpacht aan de kinderen Bosteels en aan de tuin van de weduwe van Jean Baptiste De Smedt[17].

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 16 februari 1809 door Guillaume De Becker, expert, wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 9 frank en de verkoopprijs op 180 frank. Verpacht zonder pachtcontract aan Antoine Cappuyns wonende te Hekelgem voor een jaarlijkse pachtsom van 9,07 frank, belastingen niet inbegrepen. Antoine Cappuyns liet noteren dat de gebouwen opgetrokken op het betrokken perceel zijn eigendom waren daar ze op zijn kosten opgericht werden. De waarde ervan was dus niet begrepen in de schattingsprijs.

De verkoop had plaats te Brussel op 22 juli 1809 om 12 uur volgens de affiche nr. 661 artikel 14. Het bieden ving aan met een openingsbod van 180 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 190 frank aan Joseph Cappuyns wonende te Elewijt, zoon van de huurder van het perceel.

Jean Baptiste Christiaens, zie nr. 385  en Louis Van Nieuwenhove.

Samen met Luouis Van Nieuwenhove pachtte Jean Baptiste devolgende goederen:

Beschrijving van de goederen: zeven dagwand (2 ha 20 a 6 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem verpacht aan Louis Van Nieuwenhove & consorten voor een jaarlijkse pachtsom van 89 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1-Vijf dagwand (1 ha 57 a 19 ca) landbouwgrond gelegen op de “Bellecauter” grenzend langs een zijde, zuid, aan burger Joseph Rollier, 2de aan burgeres weduwe Jacob Meert, 3de aan de “Kabeek”, 4de aan burger François Verbeeke, 5de aan burger Jean Bosmans, 6de aan burger Timmermans, 7de aan burger Michel Beekmans, 8de aan burger Guillaume Goedvinck, 9de aan burger Jean Schoon, en 10de aan burger François Van Nieuwenhove.

2-Twee dagwand (62 a 88 ca) landbouwgrond gelegen op de  “Bellecauter” grenzend langs een zijde, zuid, aan burger Judo Van Nieuwenhove, 2de aan de weg van Teralfene naar Hekelgem, 3de aan burger Jean Van Nieuwenhove, en 4de aan burger Joseph Rollier.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 2 september 1800 door Charles Louis Joseph Terrace, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 67,95 frank en de verkoopprijs op 714,40 frank. Verpacht aan de burgers Louis Van Nieuwenhove en Jean Baptiste Christiaens wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 9 november 1793, in voege vanaf 26 december 1795 en eindigend op 25 december 1804, voor een jaarlijkse pachtsom van 67,95 frank, belastingen niet inbegrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 19 november 1800 om 12 uur volgens de affiche nr. 277 artikel 7. Het bieden ving aan met een openingsbod van 712 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 728 frank aan burger Joseph Grégoire wonende te Brussel, Place de l’égalité nr. 1095. Vermoedelijk was hij een stroman voor een onbekende opdrachtgever.

Jean Baptiste Christiaens, nr. 505.

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op het “Pesterveld”, groot 53 a 69 ca, grenzend langs een zijde aan de losweg van het veld en de goederen van Pierre Van Den Broeck, 2de aan de goederen van Louis Van Nieuwenhove, 3de aan deze van de abdij Affligem verpacht aan Pierre Van Nijghem, 4de aan de goederen van de kerk van Teralfene verpacht aan Josse Christiaens, 5de & 6de aan de goederen van Henri Van Den Bossche

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 11 oktober 1805 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Joseph De Bisschop, burgemeester te Teralfene. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 24 frank en de verkoopprijs op 480 frank. Verpacht zonder pachtcontract aan burger Jean Baptiste Christiaens, landbouwer, wonende te Teralfene (registernr. 96 te Asse), voor een jaarlijkse pachtsom van 18,14 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op9 november 1805 om 12 uur volgens de affiche nr. 494 artikel 21. Het bieden begon met een openingsbod van 480 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 580 frank aan burger Jean Baptiste Christiaens wonende te Teralfene, huurder van het perceel.

Josse (Jacobus) Clauwaert, nr. 72.

Jacobus werd te Hekelgem gedoopt op 20 december 1741 en overleed er op 25 oktober 1805. Hij trouwde met Maria Theresia Bellemans, gedoopt te Hekelgem op 2 april 1759 en er overleden op 20 mei 1800. Zij hadden 8 kinderen: Petrus Franciscus (°8 april 25 april 1790), Benedictus (°23 juli 1785), Joannes Baptist (°30 december 1786), Judocus (°5 mei 1789), Judocus (°25 april 1790), Jacobus Bernardus (°9 juli 1792), Petrus Joannes (°29 januari 1794) en Petrus Fredinand (°1 augustus 1795).

Beschrijving van de goederen: zes bunder 51 roeden (7 ha 70 a 53 ca) land, weide en bos verpacht aan Josse Clauwaert voor een jaarlijkse pachtsom van 139 gulden, lasten niet inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1-Één dagwand 88 roeden (59 a 10 ca) landbouwgrond op de “Hekelghemcauter” grenzend aan een zijde aan het goed van de pastorij van Hekelgem, 2de idem, 3de aan het steegje genaamd “Het Losgat”, en 4de aan de goederen van burger Jean Verleijsen.

2- Twee dagwand 55 roeden landbouwgrond op de “Het Hooghde” grenzend aan een zijde aan de  “Kerkstraat”, 2de & 3de aan de goederen van de pastorij van Hekelgem, en 4de aan de goederen van burger Josse Lelie.

3- Drie dagwand 60 roeden (1 ha 13 a 17 ca) landbouwgrond op de “Schaepschuur” grenzend langs drie zijden aan de goederen van de abdij Affligem en 4de aan de steenweg van Asse naar Aalst.

4- Één bunder één roede (1 ha 26 a 6 ca) weide en bos op “Den Dome Driesch” (Domentdries) grenzend aan twee zijden aan de straat genaamd “Den Driesch”, 3de aan de goederen van de abdij Affligem, en 4de aan de goederen van burger Pierre Accoleijen.

5- Één bunder 40 roeden (1 ha 38 a 32 ca) landbouwgrond gelegen te Essene op de  “Heyenboschcauter” grenzend langs drie zijden aan de goederen van de abdij Affligem, en 4de aan de steenweg van Asse naar Aalst.

6- Één bunder 47 roeden (1 ha 40 a 52 ca) landbouwgrond en bos gelegen te Essene op de  “Mertelinckxbosch” grenzend aan een zijde aan de “Cauwenbergvijver”, 2de aan de steenweg van Brussel naar Gent, 3de & 4de aan de goederen van de abdij Affligem.

7- Drie dagwand 60 roeden (1 ha 13 a 18 ca) weide gelegen te Sint-Katharina-Lombeek op de plaats genaamd “Kerrebroeken”, grenzend langs drie zijden aan de goederen van de abdij Affligem, en 4de aan de “Molenbeek”.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 8 mei 1798 door de schatters Jean Valentin Cordier, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op £ 306, en de verkoopprijs op £ 6120, de 105 hoogstammige bomen op £ 320, samen £ 6440. De goederen waren Verpacht aan burger Josse Clauwaert, voor negen jaar, met een onderhandse akte verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, eindigend op 25 december 1805 voor een pachtsom van £ 139. De pachter liet de schatters noteren dat het schaarhout op de percelen nr. 4 en 6 zijn eigendom was.

De verkoop had plaats te Brussel op 16 juni 1798 om 10 uur volgens affiche nr. 91, artikel 1. Het  bieden ving aan met een openingsbod van 4 830 pond. Burger A. Camusel bood daar als laatste 88 000 pond, dit was niet genoeg volgens de administratie. Een nieuwe toewijzing werd vastgelegd een decade later op 26 juni 1798. Daar werden de goederen opnieuw aangeboden en dan toegewezen voor een eindbod van 89 000 pond aan burger Everard Tops wonende te Brussel. Vermoedelijk was hij een stroman voor een onbekende opdrachtgever.

Dit was slechts 1000 pond meer!

De weduwe Laurent Clauwaert, nr. 540.

Laurent werd te Hekelgem gedoopt op 14 juni 1700 en overleed er op 6 januari 1787. Hij trouwde te Hekelgem op 22 april 1766 met Judoca De Nul, gedoopt te Hekelgem op 25 mei 1686 en er overleden op 10 januari 1768. Zij hadden 4 kinderen: Petronella Joanna (1 mei 1721), Michael (° 2 oktober 1723), Anna Maria (°25 april 1726) en Henricus Benedictus (°4 juli 1732).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op de  “Lennickweijde”, groot 31 a 40 ca, grenzend langs een zijde aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Benoit Vonck, 2de aan de “Boschstraet”, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan François Vasseur, en 4de aan de dijk van de “Agterste vijver” ook “Ouden vijver” genaamd. Langs de kant van de straat bevonden er zich vijf geknotte bomen, langs de andere kant, aan de dijk van de vijver, stond er een strook schaarhout. Voor het kappen van het schaarhout zie naar verklaring bij de toewijzing nr. 539.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 21 augustus 1806 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Gaspar Pierre T’Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 10 frank en de verkoopprijs op 206 frank, de hoogstammige bomen geschat op 6 frank, inbegrepen. Verpacht vanaf 22 december 1800 aan de weduwe Laurent Clauwaert wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1800 door de burgemeester van Asse (registernr. 342 te Asse – 94 in het nieuwe register), voor een jaarlijkse pachtsom van 7,25 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 13 september 1806 om 12 uur volgens de affiche nr. 538          artikel 10. Het bieden ving aan met een openingsbod van 206 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 500 frank aan burger Arnould Pierre Geeroms wonende te Brussel, buiten de Lakense poort te Molenbeek.

Benedictus Cooreman, nr. 606.

Beschrijving van de goederen:

Twee ha 82 a 60 ca landbouwgrond gelegen te Hekelgem. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- 62 a 80 ca landbouwgrond gelegen op “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Henri Baillieu, 2de aan de “Donckerstraet” van “Tenbosch” naar de steenweg, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jean Baptiste Pauwels, 4de met de helft van het voetpad genaamd “Haesewegh” aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe Verbeken.

2- 94 a 20 ca landbouwgrond gelegen op “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jean Baptiste Pauwels, 2de aan de “Donckerstraet”, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe Verbeken, en 4de met de helft van het voetpad genaamd “Haesewegh” aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe Verbeken.

3- 31 a 40 ca landbouwgrond gelegen op “Den Molencauter” grenzend langs een zijde met de helft van het voetpad genaamd “Haesewegh” aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan François De Smedt, 2de aan de goederen van Benedictus Schoon, 3de aan dezelfde, 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jean Droeshout, 5de aan het volgende perceel en aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de kinderen Bosteels, 6de aan de goederen van de Armen en de kerk van Hekelgem verpacht aan André Coppens, de goederen van Sieur Van Lierde en Gilles Verbeken. Dit perceel wordt doorsneden door een voetpad van “Tenbosch” naar de kerk van Hekelgem.

4- 31 a 40 ca landbouwgrond gelegen op “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de kinderen Bosteels, 2de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe Michel Droeshout, 3de aan de “Donckerstraet”, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jean Droeshout.

5- 62 a 80 ca landbouwgrond gelegen op “Den Molencauter” grenzend langs een zijde met de helft van het voetpad genaamd “Haesewegh” aan de goederen van Gilles Verbeken, 2de aan de weg genaamd “Langehaegh” van de steenweg naar Teralfene, en 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan François De Smet.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 22 april 1807 door Guillaume De Becker, expert, wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 112 frank en de verkoopprijs op 2240 frank. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan Benedictus Cooreman wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 (registernr. 94 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 88 frank, belastingen niet inbegrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 19 september 1807 om 12 uur volgens de affiche nr. 590          artikel 11. Het bieden begon met een openingsbod van 2 246 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 4 100 frank aan Egide Van Boterdael wonende te Aalst.

André Courtemans, nr. 544.

André woonde op Bleregem. Hij was in Hekelgem getrouwd op 24 juli 1792 met Maria Anna Hellinckx. Hij overleed te hekelgem op 29 oktober 1842 en zijn vrouw op 2 mei 1847. Zij hadden 7 kinderen: Joannes Baptist (°5 april 1793), Petrus Josephus (°17 maart 1795), Egidius (°10 februari 1797), Henricus (°21 februari 1799), Maria Elisabeth (°14 mei 1801), Petrus Franciscus (°15 januari 1804) en Anna Francisca (°20 februari 1808).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond, weide en bos, gelegen op  “Coudenbergh”, groot 99 a 22 ca, grenzend langs een zijde aan de steenweg van Brussel naar Gent, 2de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Baduin Velge, 3de de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Baduin Velge en een weide van de abdij verpacht aan Jean De Cort, 4de aan de weide van Jean De Cort, 5de aan de “Nieuwenbosch”, en 6de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan François Van Den Bosch.

« Le bien est entouré des fossés lesquels et ceux séparent les closières intérieurs sont plantés avec douze arbres montant saulx, peupliers et chênes et avec cent vingt cinq arbres à tête, saulx peupliers et chênes, aussi une partie d’une closière terre aboutissant à la closière prairie est plantée de raspe. »

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 20 augustus 1806 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Gaspar Pierre T’Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 30 frank en de verkoopprijs op 750 frank, inbegrepen de hoogstammige bomen, geschat op 150 frank, die zich op het perceel bevonden. Verpacht vanaf 26 december 1804 aan de André Courtemans wonende te Hekelgem, voor zes jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 22 maart 1804 door de burgemeester van Asse (registernr. 78 te Asse – 22 in het nieuwe register), voor een jaarlijkse pachtsom van 23 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 20 september 1806 om 12 uur volgens de affiche nr. 539          artikel 19. Het bieden ving aan met een openingsbod van 750 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 425 frank aan Henri Hellinckx wonende te Hekelgem.

Michel Cuyper, nr. 48.

Beschrijving van de goederen: vijf bunder één dagwand 92 roeden land en weide gelegen te Hekelgem en Teralfene, verpacht aan de weduwe Michel Cuyper voor een jaarlijkse pachtsom van 183 frank, belastingen niet inbegrepen.

1-Vier bunder twee dagwand (5 ha 65 a 88 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem grenzend langs een zijde aan de weg van Teralfene naar Aalst, 2de aan Joannes Bosteels, 3de aan Michel Drosart (Droeshout?), 4de aan Michel Van Der More?, en 5de aan Cornelis De Schrijver.

2-Drie dagwand 92 roeden (1 ha 20 a 52 ca, de roede in Teralfene = 30,7456 ca ) weide gelegen te Teralfene, grenzend langs een zijde aan Pierre Jean Bosteels, 2de aan Michel Drousart, 3de aan de “Dender”, en 4de aan de weduwe Jean Baptiste Smets.

Het PV van de schatting opgemaakt op 22 juli 1798 door Charles Louis Joseph Terrace, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 100 gulden, en de verkoopprijs op £ 4 000, plus de 10 hoogstammige bomen die geschat werden op £ 30, samen £ 4 030. De goederen waren verpacht aan de weduwe Michel Cuyper, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, in voege vanaf 10 oktober 1796 en eindigend op 10 oktober 1805.De jaarlijkse pachtsom bedroeg 100 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 1 januari 1799 om 10 uur volgens de affiche nr. 142, artikel 19. Het bieden ving aan met een openingsbod van 1710 frank door André Van Gaver. Nadien werd er geen hoger bod meer uitgebracht en de administratie besliste dat er een decade later een tweede keer een toewijzing plaats moest vinden. Tijdens het branden van de laatste kaars op 11 januari 1799 volgde er dan een tweede toewijzing aan een bod van 1810 frank en werd het goed definitief toegewezen aan burger André Van Gaver wonende te Brussel.

Pierre Dauwe, zie Gillis Van de Velde, nr 327 en Jean Baptiste De Vos, nr. 356.

Petrus werd te Hekelgem gedoopt op 13 januari 1729 en overleed er op 18 maart 1787. Hij trouwde te Hekelgem op 12 mei 1767 met Maria Anna Verbeke. Zij werd te Hekelgem gedoopt op 15 februari 1742 en overleed er op 22 maart 1787. Zij hadden 10 kinderen: Christianus (°22 februari 1768), Franciscus (°20 september 1769), Joanna Maria (°11 december 1770), Joanna catharina (°17 april 1772), Ferdinand Franciscus (°13 oktober 1773), Egidius (°10 december 1775), Maria Elisabeth (°12 november 1777), David (°17 september 1779), Joannes Baptist (°22 januari 1782) en Carolus (°26 mei 1783).

Grégoire De Baetselier, nr. 509.

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op “De Koeyweyde”, groot 94 a 20 ca, grenzend langs een zijde aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan François De Smet & Jean Godefroy, 2de aan deze van de abdij verpacht aan de weduwe Jacques Goetvinck, 3de aan de losweg van de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe François Plas, en 4de aan de goederen van de abdij verpacht aan Jean Vertongen.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 26 juni 1805 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 30 frank en de verkoopprijs op 622 frank, de hoogstammige bomen die zich op de boord van het perceel bevonden, inbegrepen. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan Grégoire De Baetselier wonende te Hekelgem, voor drie zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801, door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 26,29 frank. Pachter Grégoire De Baetselier liet optekenen dat hij de helft van het perceel liet bewerken door zijn schoonbroer Gilles Van Vaerenbergh.

De verkoop had plaats te Brussel op 21 december 1805 om12 uur volgens de affiche nr. 500 artikel 2. Het bieden ving aan met een openingsbod van 622 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 630 frank aan burger Philippe Paul Chasse wonende te Brussel.

Jean Baptiste De Bailliu, nr. 177.

Joannes Baptist werd te Hekelgem gedoopt op 16 maart 1737. Hij trouwde te Hekelgem op 3 februari 1784 met Maria Judoca De Smedt. Zij was te Hekelgem gedoopt 23 april 1759. Jan Baptist overleed te Hekelgem op 30 januari 1815 en Maria Judoca op 10 september 1839. Zij hadden 9 kinderen: Joanna Catharina (°23 november 1784), Petronella (°9  februari 1786), Suzanna (°4 april 1788), Joannes Baptist (°20 februari 1790), Anna Maria (°9 februari 1792), Joanna Petronella (° 17 januari 1794), Anna Catharina (°21 maart 1796), Guillelmus (°28 april 1798) en Judocus (°8 mei 1801).

De familie De Bailliu kwam in 1717 op het Hof ter Sale en bleef er tot 1839.

Beschrijving van de goederen: Een hoeve gelegen te Hekelgem, kanton Asse, met zestien bunder drie dagwand 26 roeden (21 ha 14  a 49 ca) land, weide en bos, verpacht aan Jean Baptiste De Bailliu voor een jaarlijkse pachtsom van 304 gulden, lasten niet inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Een hoeve genaamd “Hof ter Saele” bestaande uit een woonhuis, kamers, zolder, kelders, gebouwd in baksteen, gedekt met stro, schuur, bergplaats, paardenstal, stallen in leem, dit alles staande op een erf van één dagwand (31 a 44 ca), de groentetuin inbegrepen. Grenzend aan een zijde aan de goederen van de abdij Affligem, 2de aan de straat genoemd “Cautergat”, 3de aan de goederen van de abdij Affligem, en 4de aan de “Casteelstraet”.

2- Één bunder twee dagwand (1 ha 88 a 62 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op de  plaats genaamd “Den Block”, grenzend aan een zijde aan de weg naar Ninove, 2de aan de weg van Hekelgem naar Essene, 3de aan de “Casteelstraet” en 4de aan de goederen van de abdij Affligem.

3- Vier bunder twee dagwand (5 ha 65 a 87 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op de plaats genaamd “Ceukenshaege”,

grenzend aan een zijde aan het goed van de weduwe Plas, 2de aan het goed van de weduwe Bosteels, 3de aan het goed van Josse Lelie, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem.

4- Zeven bunder twee dagwand 26 roeden (9 ha 51 a 30 ca) landbouwgrond grenzend aan een zijde aan de straat van Hekelgem naar Teralfene, 2de, 3de & 4de aan de goederen van de abdij Affligem.

5- Één bunder drie dagwand (2 ha 20 a 6 ca) weide en bos gelegen te Hekelgem op de plaats genaamd “Polderkens”, grenzend aan een zijde aan het goed van de weduwe Bosteels, 2de aan de goederen van de abdij Affligem, 3de aan het goed van Jean Baptiste Meert, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem.

6- Één bunder één dagwand (1 ha 57 a 19 ca) boomgaard en bos, gelegen te Hekelgem op de plaats genaamd “Den Boomgaert”, grenzend aan een zijde aan de hoeve, 2de aan de “Casteelstraet”, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem.

Koper: Jean François Merckaert.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op  22 mei 1798. De schatters waren Jean Valentin Cordier, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op £ 920, en de verkoopprijs op £ 18 400, de 54 hoogstammige bomen  op £ 120, samen £ 18 520. De goederen waren voor 9 jaar verpacht aan burger Jean Baptiste De Ballieu met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, eindigend op 9 november 1805. De pachter deed de schatters noteren dat hij van het schaarhout op de betrokken percelen het vruchtgebruik had. De schatters noteerden dit, maar schreven erbij dat dit in pachtcontract niet vermeld werd.

De verkoop had plaats te Brussel op 23 juni 1798 om 10 u. volgens de affiche nr. 93, artikel 2. Het bieden ving aan met een openingsbod van 11 250 pond. Tijdens het branden van de laatste kaars werden ze oegewezen voor het eindbod van 350 000 pond aan burger Jean François Merckaert, wonende te Aalst, vermoedelijk stroman voor een onbekende opdrachtgever.

Van het Hof ter Saele is alleen het woonhuis bewaard gebleven, een gebouw opgetrokken uit baksteen op een afgeschuinde plint van zandsteen. De boerderij maakte vroeger deel uit van het borchtcomplex, opgericht door de Frankische hoofdman die zijn naam aan het dorp gaf. Waarschijnlijk woonde er in de 11de eeuw Hendrik III van Hecclengem. In 1498 kocht de abdij de hoeve met akkers, weiden en beemden voor 100 ponden. De hoeve was toen volledig omwald en bestond uit wagenhuis, schuur, paarden- en koeienstallen. Tijdens de godsdienstoorlogen op het einde van de 16de eeuw werd het kasteel verwoest. De boerderij werd met afbraakmateriaal weer opgebouwd in 1643, een datum die boven de voordeur is gebeiteld.  Franse soldaten staken de gebouwen in 1689 in brand waarna de heropbouw volgde. Na de verkoop van 1802 kwam de hoeve in privéhanden. In de loop van de 19de eeuw verdwenen al de gebouwen op het woonhuis na. De grote zaal waar waarschijnlijk van 1580 tot 1609 de schepenbank van de abdij vergaderde (vandaar de naam ter Saele), was nu een koeienstal. Na de verkoop door de Fransen kende de hoeve meerdere eigenaars. In 1876 werd ze in 48 loten verkocht aan verschillende landbouwers.Sinds 1965 is het weer een woonhuis. Een mooie bomendreef leidt naar de rondboogdeur. Bekende pachters waren de families Cornelis, De Bailliu, De Wever en Plas.

Henri De Brueker, nr. 664.

Henri was afkomstig van Asse en trouwde te Hekelgem op 6 april 1785 met Barbara Taelemans, eveneens afkomstig van Asse maar woonde al in Hekelgem als weduwe van Petrus Verdoodt. Henri stierf te Hekelgem op 25 november 1829 en Barbara op 2 december 1802. Zij hadden 3 kinderen: Joannes Baptist (°24 april 1786), Antonius (°13 maart 1789) en Joanna (°30 december 1791). Henri hertrouwde te Hekelgem op 28 november 1807 met Anna Theresia Boom, te Hekelgem gedoopt op 8 november 1783. Anna Theresia stierf te Hekelgem op 21 februari 1828. Er kwamen nog 5 kinderen in het gezin: Anna Catharina (°2 oktober 1808), Franciscus Theodorus (°23 december 1810), Jacobus (°23 september 1812), Joannes Baptist (°26 juni 1815) en Petrus Josephus (°22 februari 1819).

Beschrijving van de goederen: 63 a 74 ca landbouwgrond gelegen op het “Het Weijveld” grenzend langs een zijde aan de steenweg van Brussel naar Aalst, 2de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Benoit De Witte, 3de aan de oude baan naar Aalst, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Zacharias De Wever.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 12 januari 1809 door Guillaume De Becker, expert, wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 25 frank en de verkoopprijs op 530 frank, de hoogstammige bomen geschat 30 frank inbegrepen. Verpacht aan Henri De Brueker wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, ingaande op 22 december 1801, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801, door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 19,95 frank, belastingen niet inbegrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 5 augustus 1809 om 12 uur volgens de affiche nr. 662 artikel 4. Het bieden ving aan met een openingsbod van 530 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 920 frank aan burger Guillaume Gommaire De Kepper wonende te Brussel, rue de Flandres nr. 1575 sectie 3, stroman die kocht als vervanger van Philippe Ange Verbruggen, wonende te Asse, stroman die optrad met een volmacht van Jean François Laurent Tack, wonende te Aalst, “section de l’Humanité nr. 265.

Henri De Clerck, nr. 545.

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond, gelegen op de  “Coollochtinge”, groot 62 a 80 ca, grenzend met de helft van de losweg aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Pierre Keijmolen en André Courtemans, 2de aan het goed van Sieur Baillu, de weduwe Robijns en Guillaume Lowies, 3de aan het bos van Josse Verreeken, en 4de aan de gracht van een weide van de abdij Affligem verpacht aan Guillaume Smet. Er bevond zich op dit perceel een boord met schaarhout en zeven jonge hoogstammige bomen.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 17 augustus 1806 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Gaspar Pierre T’Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 18 frank en de verkoopprijs op 367 frank, inbegrepen zeven jonge hoogstammige bomen geschat op 7 frank. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan de Henri De Clerck wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 door de burgemeester van Asse (registernr. 44 te Asse – 9 in het nieuwe register), voor een jaarlijkse pachtsom van 19,04 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 20 september 1806 om 12 uur volgens de affiche nr. 539          artikel 20. Het bieden ving aan met een openingsbod van 367 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 630 frank aan Alexandre Debroux wonende te Brussel, rue de l’Empereur.

Jean De Cort, nr. 410.

Joannes werd gedoopt op10 januari 1754 en overleed er op 12 april 1832. Hij trouwde te Hekelgem met Petronella Everaert op 20 november 1787. Zij was te Hekelgem gedoopt op 8 februari 1747 en overleed er op 27 maart 1800. Hun zoon Joannes Baptist werd op 17 september 1790 gedoopt. Joannes hertrouwde te Hekelgem op 27 november 1804 met Maria Anna Pots, te Hekelgem gedoopt op 30 mei 1778 en er overleden op 13 maart 1842. Zij hadden samen nog 6 kinderen: Maria Joanna (°6 oktober 1801), Franciscus (°18 oktober 1803), Egidius (°2 juni 1806), Joanna Maria (°4 oktober 1808), Constantinus (°12 augustus 1811) en Judocus (°25 februari 1816). Het gezin woonde in het Mazits.

Beschrijving van de goederen: drie dagwand (94 a 31 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op het “Steent” grenzend langs een zijde aan de “Langestraat” (rue Longue) komende van Aalst, 2de aan een kleine weg naar Hekelgem, 3de aan Jean Baptiste De Vos, en 4de aan François Wambacq. Verpacht aan Jean De Cort voor een jaarlijkse pachtsom van 46 frank, belastingen inbegrepen

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 22 november 1797 door Charles Louis Joseph Terrace, expert, wonende te Asse en ? Crick die Mathias Gruber commissaris te Asse, verving. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 46,45 frank en de verkoopprijs op 371,60 frank. Verpacht aan Jean De Cort, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op 26 oktober 1793, van kracht vanaf 9 november 1796 en eindigend op 9 november 1805, voor een jaarlijkse pachtsom van 20 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 23 april 1801om 12 uur volgens affiche nr. 308 artikel 10. Het bieden ving aan met een openingsbod van 371 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 850 frank aan burger Jean François Merckaert, wonende te Aalst.

De weduwe Jean De Coster, Petronille Van de Velde, nrs. 542 en 511.

Joannes , niet gedoopt en getrouwd te Hekelgem overleed er op 8 augustus 1783, zijn 11de kind was toen 2 maanden oud. Zijn vrouw Petronella Van de Velde op 22 januari 1809. De 11 kinderen te Hekelgem gedoopt: Petrus (°26 oktober 1766), Jacobus (°30 oktober 1767), Joannes Baptist (°6 mei 1769), Maria Theresia (°13 september 1770), Joannes Ferdinand (°30 mei 1772), Joanna Maria (°13 november 1773), Judocus (°12 juli 1775), Catharina (°27 juni 1777), Gerardus (°31 januari 1779), Francisca (°7 november 1780) en Judoca (°11 juni 1783).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen “Het Zetsel”, groot 62 a 80 ca, grenzend langs een zijde aan de “Casteelstraet”, 2de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Pierre Van Vaerenberg, 3de aan de goederen van de abdij verpacht aan Guillaume De Boeck en André Cortemans, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Chrétien Arijs. Dit perceel wordt doorsneden door een voetpad.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 2 juli 1805 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 20 frank en de verkoopprijs op 400 frank. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan de weduwe Jean De Coster, Petronille Van De Velde, wonende te Hekelgem, voor drie zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801, door de burgemeester van Asse (registernr. 58 te Asse), voor een jaarlijkse pachtsom van 18,14 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 21 december 1805 om 12 uur volgens de affiche nr. 500 artikel 4. Het bieden ving aan met een openingsbod van 400 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 450 frank aan burger Bernard Gérard, notaris, wonende te Brussel, rue de l’Oxum.

Nr. 511.

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond, hopveld en tuin, waarop zich een lemen huis bevindt bedekt met stro, gelegen te Hekelgem op de plaats genaamd “Casteelstraet”, groot 31 a 40 ca, grenzend langs een zijde aan de “Casteelstraet”, 2de & 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jean Baptiste Bailliu, en 4de aan het goed van de weduwe Jean Baptiste Godefroy. Dit perceel wordt op een hoek doorsneden door een voetpad.

Het PV van de schatting opgemaakt op 20 augustus 1806 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Gaspar Pierre T’Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 15 frank en de verkoopprijs op 300 frank. Verpacht vanaf 22 december 1800 aan de weduwe Jean De Coster wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1800 door de burgemeester van Asse (registernr. 50bis te Asse), voor een jaarlijkse pachtsom van 8,15 frank. De weduwe verklaarde dat het perceel aan hun verpacht was voor een onbepaalde (perpétuel- levenslang?) termijn maar dat het pachtcontract mee verbrandde met een huis dat er voordien stond. Het huis waar ze nu in woonde was haar eigendom en werd gebouwd door haar overleden echtgenoot.

De verkoop had plaats te Brussel op 13 september 1806 om 12 uur volgens de affiche nr. 538 artikel: 12. Het bieden ving aan met een openingsbod van 300 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 560 frank aan Judocus Fasseel wonende te Mollem.

François De Gols, nr. 547.

Franciscus, te Hekelgem gedoopt op 19 juni 1762 en er overleden op 30 juli 1841, trouwde er op 11 juni 1797 met Joanna Catharina Vonck. Zij werd te Hekelgem gedoopt op 12 juni 1765 en stierf er op 15 mei 1847. Zij hadden een huis aan de Boekhoutstraat.Er waren 3 kinderen: Joannes Baptist (°18 april 1805), Anna Maria (°2 juli 1806) en Egidius (°18 januari 1809).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op de  “Lennickweijde”, groot 47 a 10 ca, grenzend langs een zijde aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe Pierre De Schrijver, 2de aan de “Boschstraet”, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht Michel Van Den Berge, en 4de aan de dijk van de “Paddevijver”. Langs de kant van de straat bevonden er zich vier geknotte bomen en twee beuken, langs de andere kant, aan de dijk van de vijver, stond er een strook schaarhout.

Voor het kappen van het schaarhout zie naar verklaring bij de toewijzing nr. 539.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 20 augustus 1806 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 15 frank en de verkoopprijs op 310 frank, inbegrepen de hoogstammige bomen geschat op 10 frank. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan de François De Gols wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 door de burgemeester van Asse (registernr. 89 te Asse – 25 in het nieuwe register), voor een jaarlijkse pachtsom van 8,15 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 20 september 1806 om 12 uur volgens de affiche nr. 539          artikel 22. Het bieden ving aan met een openingsbod van 310 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 510 frank aan burger Henry Grundt wonende te Brussel, op de hoek van Cantersteen, stroman die kocht met een volmacht van burger Daniël De Smet wonende te Aalst.

Pierre De Koninck, nr. 403.

Petrus werd te Hekelgem gedoopt op 28mei 1740 en overleed er op 18 augustus 1804. Hij trouwde te Hekelgem op 3 november 1767 met Maria Judoca Boterbergh. Zij was te Hekelgem gedoopt op 12 oktober 1733 en er gestorven op 28 april 1789. Petrus en Maria hadden 4 kinderen: Andreas (°6 december 1768), Francisca (°22 april 1770), Elisabeth (°17 augustus 1771) en Maria Anna (°3 augustus 1773).

Beschrijving van de goederen: één dagwand (31 a 44 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op het “Wijveldt”, verpacht aan Pierre De Koninck zonder pachtcontract voor een jaarlijkse pachtsom van 12 frank, grenzend langs een zijde, zuid, aan de steenweg van Brussel naar Aalst, 2de aan Jaspar Kint, 3de aan de oude weg naar Brussel, en 4de aan de weg van Meldert naar Hekelgem.

Het Pv van de schatting opgemaakt op 21 februari 1800 door Charles Louis Joseph Terrace, en Mathias Gruber burgemeester te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 12,20 frank en de verkoopprijs op 97,60 frank. Verpacht aan burger Pierre De Koninck wonende te Hekelgem, zonder pachtcontract, voor een jaarlijkse pachtsom van 9,15 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 29 maart 1801 om 12 uur volgens affiche nr. 303 artikel 1. Het bieden begon met een openingsbod van 96 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 430 frank aan burger Philippe Van Den Hecke wonende te Gent, rue Draepstraat.

Jacques De Leeuw, zie Jean Baptist De Vos, nr. 356.

Beschrijving van de goederen: drie bunder één dagwand 90 roeden (4 ha 36 a 98 ca) land en weide gelegen te Hekelgem, verpacht aan de burgers Jean Baptiste De Vos, Jacques De Leeuw, Passchier Vertongen & Pierre Dauwe voor een jaarlijkse pachtsom van 168 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Twee dagwand 87 roeden (90 a 22 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op het veld genaamd “Den Molencauter” grenzend zuid aan de weduwe M. Robijns, 2de aan Benoit Schoon, en 3de aan burger Mattens.

2- Twee dagwand 3 roeden (63 a 82 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op het veld genaamd “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan de steenweg van Brussel naar Aalst, 2de aan burger Brucker, 3de aan de oude weg van Brussel naar Aalst, 4de aan burger G. Louis, 5de aan burger Benoit Schoon. Dit perceel en het voorgaande zijn verpacht aan Jean Baptiste De Vos.

3- Twee dagwand (62 a 87 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op het veld genaamd “De Droogeweijde” grenzend langs een zijde aan het goed van J. De Cort, aan dit van de kinderen van de weduwe Batselier, 3de aan burger Pierre D’Houwe, en 4de aan burger F. Linthout.

4- Twee dagwand (62 a 87 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op het veld genaamd “De Droogeweijde” grenzend langs een zijde aan de weg genaamd “Droogeweijde”, 2de aan de “Bleregemsche straete”, 3de aan burger B. Verdoot, 4de aan burger Zacharias De Wever. Dit perceel en het voorgaande zijn verpacht aan Passchier Vertongen en Jacques De Leeuw.

5- Drie dagwand (94 a 31 ca) landbouwgrond en één dagwand (31 a 44 ca) weide gelegen te Hekelgem op het veld genaamd “De Droogeweijde” grenzend langs een zijde aan burger Baetselier, 2de aan burger Josse Robijns, 3de aan Zacharias De Wever, 4de aan burger Josse Robijns, 5de aan burger Gilles Cammaert, en 6de aan André Keymolen. Verpacht aan Pierre Dauwe.

Er werden drie proces-verbalen van schatting samengevoegd tot een proces-verbaal van toewijzing.

1) Het PV van de schatting opgemaakt op 11 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 66,65 frank, en de verkoopprijs op 569,20 frank, 24 hoogstammige bomen met een omtrek van 2 tot 3 voet, geschat 36 frank, inbegrepen. Verpacht aan Jean Baptiste De Vos wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op 9 juni 1794, in voege vanaf 10 november 1794 en eindigend op 10 november 1803, voor een jaarlijkse pachtsom van 51,40 frank. Dit proces-verbaal betreft de nummers 1 & 2 van de beschrijving van de goederen.

2) Het PVl van de schatting opgemaakt op 15 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 52,60 frank, en de verkoopprijs op 420,20 frank. Verpacht aan Passchier Vertongen en Jacques De Leeuw wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 10 november 1793, in voege vanaf 10 november 1794 en eindigend op 10 november 1803, voor een jaarlijkse pachtsom van 40,40 frank. Dit proces-verbaal betreft nr. 3 & 4 van de beschrijving van de goederen.

3) Het PV van de schatting opgemaakt op 9 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 48,90 frank, en de verkoopprijs op 391,20 frank. Verpacht aan Pierre Dauwe wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 10 november 1793, in voege vanaf 10 november 1794 en eindigend op 10 november 1803, voor een jaarlijkse pachtsom van 36,70 frank. Dit proces-verbaal betreft nr. 5 van de beschrijving van de goederen.

De verkoop had plaats te Brussel op 7 juli 1800 om 12 uur vplgens de affiche nr. 251 artikel 19.  Het bieden ving aan met een openingsbod van 1 380 frank door burger M. Rocher wonende te Brussel, vervanger van burger Louis Badin die bood met een volmacht van Victor Badin, ondernemer van diverse diensten voor het Italiaans leger. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 2 800 frank aan burger M. Rocher.

Henri De Nil, nr. 414.

Henri werd te Hekelgem gedoopt op 20 december 1749 en overleed er op 28 juli 1831. Hij trouwde te Hekelgem op 26 januari 1773 met Joanna Catharina De Raedt, te Hekelgem gedoopt op 8 december 1739 en er overleden op 13 december 1817. Hun huis stond in de “Hoogstraat” (?).Hun dochter Anna Maria werd op 24 oktober 1781 gedoopt.

Beschrijving van de goederen: twee dagwand (62 a 87 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op “Den Molencauter”, verpacht aan Henri De Nil & consorten voor een jaarlijkse pachtsom van 28 frank, belastingen inbegrepen, grenzend langs een zijde aan de “Hekelgemse straet”, 2de aan burger Jacques Meersman, 3de aan burger Benoit Schoon, en 4de aan de weduwe Jean Baptiste Godefroid.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 24 november 1798 door Charles Louis Joseph Terrace, expert, wonende te Asse en ? Crick die Mathias Gruber commissaris te Asse, verving. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 28,32 frank en de verkoopprijs op 226,56 frank. Verpacht aan Henri De Nil, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op 26 oktober 1793, van kracht vanaf 9 november 1796 en eindigend op 9 november 1805, voor een jaarlijkse pachtsom van 11 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 23 april 1801 om 12 uur volgens de affiche nr. 308 artikel 14. Het bieden begon met een openingsbod van 226 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 480 frank aan burger Honoré Joseph Helin wonende te Brussel, rue de Namur nr. 929, stroman die kocht met een volmacht van Jean De Loecker & Guillaume Graindorge wonende te Asse.

Jacques De Meersman, nr. 603.

Jacobus werd te Hekelgem gedoopt op 10 oktober 1751 en overleed er op 20 november 1831. Hij trouwde te Hekelgem op 7 november 1792 met Anna Maria Van Mol, gedoopt te Hekelgem op 24 december 1769 en er overleden op 22 april 1842 in haar huis omtrent de abdye. Vermelding in 1831: huys op de “Hoogstraat”. Zij hadden 10 kinderen: Joannes Baptist (°2 februari 1794), Franciscus (°10 juni 1796), Petrus (°10 januari 1798), Bernardus (°19 mei 1800), Petrus Benedictus (°27 februari 1802), Guillelmus (°23 maart 1803), Anna Maria (°1 juli 1806), Joannes (°6 augustus 1809), Egidius (°18 juli 1812) en Paulus (°20 september 1815).

Beschrijving van de goederen: één ha 9 a 90 ca landbouwgrond gelegen te Hekelgem. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1-4 7 a 10 ca landbouwgrond gelegen op “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan de “Hoogstraet” van de abdij Affligem naar het gehucht Boekhout, 2de, 3de en 4de aan goederen van de voormalige abdij Affligem.

2- 62 a 80 ca landbouwgrond gelegen op “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan de “Hoogstraet” van de abdij Affligem naar het gehucht Boekhout, 2de aan goederen van de voormalige abdij Affligem, 3de aan Joseph Sarreel en Philippe Van De Perre, en 4de aan goederen van de voormalige abdij Affligem.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 17 februari 1807 door Guillaume De Becker, expert, wonende te Brussel, en Gaspar Petrus ‘T Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 40 frank en de verkoopprijs op 950 frank, inbegrepen de bomen die zich op het perceel bevonden, geschat 150 frank. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan Jacques De Meersman wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 (registernr. 56 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 40 frank, belastingen niet inbegrepen.

De verkoop had plaatste Brussel op 19 september 1807 om 12 uur volgens de affiche nr. 590 artikel 8. Het bieden begon met een openingsbod van 950 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 275 frank aan Jean François Glibert wonende te Brussel en Jean Fieremans wonende te Meulebeke, stroman die kocht met een volmacht van Jean Louis Augustin Lejeune, wonende te Brussel.

De weduwe Pierre De Schrijver en Pierre Vonck, nr. 538.

Petrus De Schrijver werd te Hekelgem gedoopt op 22 novelber 1741en overleed er op 14 april 1806. Hij trouwde met Maria Theresia Vonck te Hekelgem op 21 november 1797. Maria Theresia was te Hekelgem gedoopt op  14 juni 1763 en overleed er op 25 februari 1836. Hun huis stond in Terlinden. Zij hadden 4 kinderen: Maria Petronella (°7 oktober 1798), Judocus (°29 november 1799), Joannes (°4 februari 1803) en Petrus (°17 november 1805).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op het  “Asscherenveld”, groot 1 ha 28 a 74 ca, grenzend langs een zijde aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe François Clauwaert, 2de met de helft van de veldweg aan het land van Jean Baptiste Van Den Wijngaerden, Jean Plas, en François Verlijsen, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de kinderen Josse Vonck, en 4de aan een gerooid bos genaamd “Asscherenbosch”.

Proces-verbaal van de schatting werd opgemaakt op 11 augustus 1806 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Gaspar Pierre T’Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 50 frank en de verkoopprijs op 1000 frank. Verpacht vanaf 22 december 1801 aan de weduwen Pierre De Schrijver en Pierre Vonck wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1800 door de burgemeester van Asse (registernr. 393 te Asse – 116 in het nieuwe register), voor een jaarlijkse pachtsom van 38,70 frank

De verkoop had plaats te Brussel op 13 september 1806 om 12 uur volgens de affiche nr. 538          artikel 8. Het bieden ving aan met een openingsbod van 1000 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 375 frank aan Daniël De Smet wonende Aalst.

Guillaume De Smedt, nr. 184.

Guillelmus werd te Hekelgem gedoopt op 26 november 1740 en stierf er op 22 december 1822. Hij trouwde met Anna Maria Stallaert . Zij overleed te Hekelgem op 8 mei 1828. Hun huis stond tegen den steenweg aen de Bleregemsche straete. Zij hadden 12 kinderen: Petrus (°4 april 1778), Susanna (°26 augustus 1779), Zacharias (°21 april 1781), Elisabeth (°14 september 1782), Petronella (°14 september 1782), Joannes Baptist (°13 december 1783), henricus (°27 augustus 1786), Joannes (°20 november 1787), henricus (°24 juli 1790), Dominicus (°12 juni 1792), Henricus (°13 maart 1793) en Joanna Catharina (°29 november 1795).

Beschrijving van de goederen: acht bunder 49 roeden (10 ha 21 a 40 ca) land en weide verpacht aan Guillaume De Smedt. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1-Twee bunder (2 ha 51 a 50 ca) landbouwgrond gelegen op de “Schaepschuer” grenzend aan een zijde aan Benoit De Witte, 2de aan Henri De Brucker, 3de aan de steenweg van Asse naar Aalst, en 4de aan de straat genaamd “d’ Oude Baan”.

2- Drie dagwand (94 a 31 ca) landbouwgrond op de “Schaepschuer” grenzend aan een zijde aan de hoeve van de pachter, 2de aan de steenweg naar Aalst, 3de & 4de aan de goederen van de abdij Affligem.

3- Eén bunder (1 ha 25 a 75 ca) weide op de “Schaepschuer” grenzend aan een zijde aan François Van Den Bossche, 2de aan Josse Robijns, 3de aan Amand Vertongen, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem.

4- Drie bunder 49 roeden (3 ha 92 a 65 ca) landbouwgrond, een klein perceel schaarhout inbegrepen,  op “Het Hoeft” grenzend aan een zijde aan Jean Baptiste De Baillieu, 2de aan de goederen van de abdij Affligem, 3de aan Jean Baptiste Robijns, en 4de aan de “Cauwenbergvijver”.

5- Vijf dagwand (1 ha 57 a 19 ca) weide op de “Koeyweijde” grenzend aan een zijde aan Guillaume Louis, 2de aan de “Koeystraete”, 3de & 4de aan de goederen van de abdij Affligem

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 31 mei 1798 door Jean Valentin Cordier, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op £ 400, en de verkoopprijs op £ 8 000, plus de 12 hoogstammige bomen die geschat werden op £ 18, samen £ 8 018. De goederen waren verpacht aan burger Guillaume De Smedt, voor negen jaar met een pachtcontract van 25 december 1796, verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem en eindigend op 25 december 1805. De pacht bedroeg 160 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 10 juli 1798 om 11 u. volgens affiche nr. 98, artikel: 2. Het bieden begon met een openingsbod van 5 250 pond. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 130 000 pond aan burger Jacques Joseph De Waha wonende te Brussel, rue de la Montagne nr. 316, die kocht voor zichzelf en stroman was met een volmacht van Henry Charles en Marie Anne De Waha zijn broer en zus, wonende te Brussel, rue du Chêne nr. 748, ieder voor een derde deel.

De weduwe Jean Baptiste De Smet, nr. 632.

Jan Baptist trouwde te Hekelgem met Anna Catharina Resteau op 10 januari 1764 en overleed er op 23 juni 1786. Anna Catharina was te Hekelgem gedoopt op 23 augustus 1743 en stierf er op 14 juli 1808. Zij hadden 8 kinderen: Joannes Baptist (°14 juni 1765), Joanna Maria (°20 oktober 1766), Joannes Franciscus (°21 juli 1769), Martinus (°5 april 1772), Maria Theresia (°17 april 1774), Maria Francisca (°15 april 1777), Joanna (°12 oktober 1779) en Anna Maria (°18 juli 1782).

Beschrijving van de goederen: zeven ha 32 a 24 ca landbouwgrond gelegen te Hekelgem. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Vijf ha 43 a 84 ca landbouwgrond gelegen op de “Lemmekensweijde” in de volksmond ook “Den Poel” genaamd, grenzend langs een zijde aan de steenweg van Brussel naar Gent, 2de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Josse De Backer of de scheiding van de gemeenten Hekelgem en Erembodegem, 3de aan het land van Josse Clauwaert en François Everaert verpacht aan de weduwe Jean Baptiste Van Vaerenbergh, 4de aan het land van de weduwe Michel Clauwaert, Gilles De Gols, Jean De Cort en de weduwe Gilles De Gijseleer, 5de aan het land van de weduwe De Gijseleer, 6de met de veldweg aan de goederen van de Armen en de kerk van Hekelgem verpacht aan Jean Baptiste De Schrijver, het land van Jean Baptiste Van Nieuwenborre en de weduwe Henri Wamback, en 7de de goederen van Jean De Vis gehuwd met de weduwe van Jean Baptiste Mattens. Op dit perceel bevinden zich twee beuken en 15 geknotte eiken. Het perceel wordt eveneens doorsneden door een voetpad van Mazits naar de steenweg. Ingesloten in dit perceel bevindt zich een nat stuk land, groot ongeveer 31 a 40 ca, dat eigendom is van de weduwe Jean Baptiste Vonck en dat geen deel uitmaakt van deze toewijzing.

2- Eén ha 88 a 40 ca landbouwgrond gelegen op “Het Weijmeerschveldt” grenzend langs een zijde aan de straat van de steenweg naar Moorsel, 2de aan het erf van Pierre Van Den Berghe, 3de met de helft van de gracht aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Paul Van Vaerenbergh, 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Benoit Schoon, 5de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Josse Van De Perre. Dit perceel wordt doorsneden door een voetpad.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 10 november 1806 door Guillaume De Becker, expert, wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 240 frank en de verkoopprijs op 4 900 frank, inbegrepen 19 hoogstammige bomen geschat op 100 frank. Verpacht vanaf 26 december 1795 aan de weduwe Jean Baptiste De Smet wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, voor een jaarlijkse pachtsom van 218 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 6 augustus 1808 om 12 uur volgens de affiche nr. 636 artikel 8. Het bieden begon met een openingsbod van 4 900 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 5 750 frank aan Joseph Van Den Houte wonende te Meulebeke. Voor een onbekende opdrachtgever ?

Jean De Vis, nr. 413.

Beschrijving van de goederen: twee dagwand 50 roeden (78 a 59 ca) landbouwgrond gelegen op “De Koyweyde”, verpacht aan Jean De Vis voor een jaarlijkse pachtsom van 32 frank, grenzend langs een zijde aan de “Koyweyvijver”, een vijver van de voormalige abdij Affligem, 2de aan burger Jaspart ’T Kint, 3de aan de weg naar de weiden, en 4de aan de goederen van de kinderen Pierre D’Hauwe.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 24 november 1797 door Charles Louis Joseph Terrace, expert, wonende te Asse en ? Crick die Mathias Gruber commissaris te Asse, verving. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 31,75 frank en de verkoopprijs op 254 frank. Verpacht aan Jean De Vis, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op 26 oktober 1793, van kracht vanaf 9 november 1796 en eindigend op 9 november 1805, voor een jaarlijkse pachtsom van 13 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 23 april 1801 om 12 uur volgens affiche nr. 308 artikel 13. Het bieden ving aan met een openingsbod van 256 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 550 frank aan burger Jean De Loecker wonende te Asse, stroman die kocht met een volmacht van Jean Van Varenberg wonende te Ninove.

Michiel De Vis, nr. 433.

Michiel, geboren te Hekelgem op 3 september 1740, trouwde te Hekelgem op 5 februari 1782 met Joanna Boom uit Welle, maar al sinds 1756 in Hekelgem woonde. Michiel overleed te Hekelgem op 18 maart 1805 en Joanna op 27 februari 1820. Zij hadden 5 kinderen: Joannes (°15 mei 1783), Petrus (°28 december 1785), Francisca (°25 december 1788), barbara (°20 december 1790) en Joanna Petronella (°17 augustus 1795).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op “De Fossel”, groot 50 a 94 ca, grenzend langs een zijde aan Jean Verleysen, 2de aan de straat naar de kerk van Hekelgem, 3de aan Benoit De Witte, en 4de aan de Armen van Hekelgem

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 9 juli 1802 door Pierre Aubugeois, expert wonende te Brussel, en Mathias Gruber, burgemeester te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 22,50 frank en de verkoopprijs op 225 frank. Verpacht aan Michiel De Vis, voor drie zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801, door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 19,95 frank. Hij pachtte dit perceel sinds lange tijd. De ontvanger der domeinen te Asse verklaarde dat dit goed voordien verpacht werd voor een jaarlijkse pachtsom van 10 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 4 september 1802 om 12 uur volgens de affiche nr. 332 artikel 10. Het bieden begon met een openingsbod van 248 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 610 frank aan burger Guillaume Graindorge wonende te Asse, stroman die kocht met een volmacht van Michiel De Vis wonende te Hekelgem.

Jean Baptiste De Vos, nr. 356.

Joannes werd gedoopt te Hekelgem op 8 september 1750 en overleed er op 15 november 1815. Hij trouwde te Hekelgem op 10 mei 1777 met Elisabeth ledegen en woonden in het Mazits. Zij werd te Hekelgem gedoopt op 12 augustus 1738 en overleed op 23 juni 1822. Zij hadden 2 kinderen: Andreas (°30 maart 1778) en Maria (°2 november 1779).

Beschrijving van de goederen: drie bunder één dagwand 90 roeden (4 ha 36 a 98 ca) land en weide gelegen te Hekelgem, verpacht aan de burgers Jean Baptiste De Vos, Jacques De Leeuw, Passchier Vertongen & Pierre Dauwe voor een jaarlijkse pachtsom van 168 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Twee dagwand 87 roeden (90 a 22 ca) landbouwgrond gelegen “Den Molencauter” grenzend zuid aan de weduwe M. Robijns, 2de aan Benoit Schoon, en 3de aan burger Mattens.

2- Twee dagwand 3 roeden (63 a 82 ca) landbouwgrond gelegen “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan de steenweg van Brussel naar Aalst, 2de aan burger Brucker, 3de aan de oude weg van Brussel naar Aalst, 4de aan burger G. Louis, 5de aan burger Benoit Schoon. Dit perceel en het voorgaande zijn verpacht aan Jean Baptiste De Vos.

3- Twee dagwand (62 a 87 ca) landbouwgrond gelegen “De Droogeweijde” grenzend langs een zijde aan het goed van J. De Cort, aan dit van de kinderen van de weduwe Batselier, 3de aan burger Pierre D’Houwe, en 4de aan burger F. Linthout.

4- Twee dagwand (62 a 87 ca) landbouwgrond gelegen “De Droogeweijde” grenzend langs een zijde aan de weg genaamd “Droogeweijde”, 2de aan de “Bleregemsche straete”, 3de aan burger B. Verdoot, 4de aan burger Zacharias De Wever. Dit perceel en het voorgaande zijn verpacht aan Passchier Vertongen en Jacques De Leeuw.

5- Drie dagwand (94 a 31 ca) landbouwgrond en één dagwand (31 a 44 ca) weide gelegen “De Droogeweijde” grenzend langs een zijde aan burger Baetselier, 2de aan burger Josse Robijns, 3de aan Zacharias De Wever, 4de aan burger Josse Robijns, 5de aan burger Gilles Cammaert, en 6de aan André Keymolen. Verpacht aan Pierre Dauwe.

Er werden drie proces-verbalen van schatting samengevoegd tot een proces-verbaal van toewijzing.

1) PV van de schatting opgemaakt op 11 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 66,65 frank, en de verkoopprijs op 569,20 frank, 24 hoogstammige bomen met een omtrek van 2 tot 3 voet, geschat 36 frank, inbegrepen. Verpacht aan Jean Baptiste De Vos wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op 9 juni 1794, in voege vanaf 10 november 1794 en eindigend op 10 november 1803, voor een jaarlijkse pachtsom van 51,40 frank. Dit PV betreft de nummers 1 & 2 van de beschrijving van de goederen.

2) PVvan de schatting opgemaakt op 15 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 52,60 frank, en de verkoopprijs op 420,20 frank. Verpacht aan Passchier Vertongen en Jacques De Leeuw wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 10 november 1793, in voege vanaf 10 november 1794 en eindigend op 10 november 1803, voor een jaarlijkse pachtsom van 40,40 frank. Dit proces-verbaal betreft nr. 3 & 4 van de beschrijving van de goederen.

3) PV  van de schatting opgemaakt op 9 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 48,90 frank, en de verkoopprijs op 391,20 frank. Verpacht aan Pierre Dauwe wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 10 november 1793, in voege vanaf 10 november 1794 en eindigend op 10 november 1803, voor een jaarlijkse pachtsom van 36,70 frank. Dit PV betreft nr. 5 van de beschrijving van de goederen.

De verkoop had plaats te Brussel op 7 juli 1800 om 12 uur volgens de affiche nr. 251 artikel 19. Het bieden ving aan met een openingsbod van 1 380 frank door burger M. Rocher wonende te Brussel, vervanger van burger Louis Badin die bood met een volmacht van Victor Badin, ondernemer van diverse diensten voor het Italiaans leger. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 2 800 frank aan burger M. Rocher.

Josse De Wever, nr. 424.

Josse (Judocus), gedoopt te Hekelgem op25 juni 1771 en er overleden op 4 november 1826, trouwde te Hekelgem op 9 mei 1799 met Maria Theresia De Smedt. Zij was te Hekelgem gedoopt op 17 april 1774 en er overleden op28 augustus 1824. Zij woonden op Boekhout en hadden 10 kinderen: Anna Catharina (°15 september 1799), Joannes Franciscus (°3 mei 1801), Anna Catharina (°15 december 1802), Egidius (°4 november 1804), Anna Maria (°15 april 1806), Maria Dorothea (°17 juni 1810), Zacharias (°7 november 1811) en Amelia (°28 februari 1813).

Beschrijving van de goederen: een perceel van 39 a 25 ca land en bos gelegen op de  “Couwaze” (sic) grenzend langs een zijde aan de kinderen Pierre D’Hauwe, 2de aan Laurent Van Roy, 3de aan Jacques Delcam?, en 4de aan Gaspard Thinot.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 21 juli 1802 door Pierre Aubugeois, expert wonende te Brussel, en Mathias Gruber, burgemeester te Asse. De verkoopprijs werd geschat op 120 frank. Verpacht aan Josse De Wever die verklaarde dat dit perceel deel uitmaakte van een pachtcontract dat nog andere percelen omvatte en hem toegewezen werd op een openbare aanbesteding op 26 juli 1801 door de burgemeester van Asse. Het was slechte grond, maar de waarde nam toe door het schaarhout erop staande dat kon dienen voor hopstaken die toen waardevol waren.

De verkoop had plaats te Brussel op 14 augustus 1802 om 12 uur volgens de affiche nr. 329 artikel 20. Het bieden begon met een openingsbod van 132 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 400 frank aan burger Honoré Joseph Helin wonende te Brussel, rue de Namur nr. 929, en Guillaume Graindorge wonende te Asse.

Zacharias De Wever, nr. 412.

Zacharias werd te Hekelgem gedoopt op 8 december 1739 en overleed er op 5 januari 1828. Hij trouwde te Hekelgem op 11 augustus 1765 met Anna Van de Perre, te Hekelgem gedoopt op 28 maart 1734 en er overleden op 4 januari 1795. Hun huis stond op Boekhout en was de bekende afspanning “De kaaszak”. Zij hadden 6 kinderen: Joanna Catharina (13 juli 1766), Maria Anna (°12 mei 1768), Catharina (°27 november 1769), Judocus (°25 juni 1771) Egidius (°21 april 1774) en Petrus (°2 aprl 1778).

Beschrijving van de goederen: twee dagwand (62 a 87 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op “Den Molencauter”, verpacht aan Zacharias De Wever voor een jaarlijkse pachtsom van 25 frank, grenzend langs een zijde aan Benoit Schoon, 2de aan burger Pierre François ’T Kint, 3de aan de weg naar de steenweg van Aalst naar Brussel, en 4de aan burger Pierre Van Den Bossche

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 23 november 1797 door Charles Louis Joseph Terrace, expert, wonende te Asse en ? Crick die Mathias Gruber commissaris te Asse, verving. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 24,85 frank en de verkoopprijs op 198,80 frank. Verpacht aan Zacharias De Wever, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op 26 oktober 1793, van kracht vanaf 9 november 1796 en eindigend op 9 november 1805, voor een jaarlijkse pachtsom van 10 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 23 april 1801 om 12 uur volgens de affiche nr. 308 artikel 12. Het bieden begon met een openingsbod van 212 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 570 frank aan burger Henri Bastaerts, wonende te Kobbegem.

Benoit De Witte, nr. 479.

Benedicts Emanuel werd te Hekelgem gedoopt op 24 december 1753 en stierf er op 11 juli1847. Hij trouwde te Opwijk op 3 april 1786 met Catharina Paula De lantsheere. Zij overleed te Hekelgem op23 september 1826. Benedictus was griffier van de abdij en oliehandelaar. Hij bewoonde het Griffiershof aan de steenweg op Brussel. Zij hadden 8 kinderen: Joanna Benedicta (°26 augustus 1787), Paula Catharina (°12 maart 1789), Catharina Hubertina (°27 juli 1790), Joannes Baptist (°12 november 1792), Ivo Josephus (°30 januari 1794), Maria Theresia (°25 april 1795), Josephus Joannes (°15 november 1796) en Constantinus Alexander (°29 septmber 1800).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op de “Molencauter”, groot 1 ha 20 a 19 ca, grenzend langs een zijde aan de steenweg van de abdij Affligem naar de steenweg van Brussel naar Gent, 2de aan Joseph Mertens, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe Clauwaert, 4de aan de kleine weg van de steenweg van Brussel naar Gent naar de abdij Affligem, en 5de aan de goederen verpacht aan Pierre Roggemans.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 9 augustus 1803 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Mathias Gruber, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 55 frank en de verkoopprijs op 550 frank, plus 49 hoogstammige bomen, die stonden langs de dreef van de steenweg naar de abdij Affligem, geschat op 98 frank, samen 648 frank. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan Benoit De Witte wonende te Hekelgem aan de steenweg van Brussel naar Gent, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 (registernr. 1591 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 39,90 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 12 mei 1804 om 12 uur volgens de affiche nr. 416 artikel  Het bieden begon met een openingsbod van 1 100 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 600 frank aan burger Charles Van Hattem wonende te Brussel, rue de Schaerbeek nr. 1002, sectie 6.

Albert De Wit, nr. 404.

Albert De Wit was niet afkomstig van Hekelgem. Hij overleed er op 11 december 1804. Op 4 februari 1794 trouwde hij te Hekelgem met Joanna Catharina De Bisschop, te Hekelgem gedoopt op 23 oktober 1769 en er gestorven op 11 juli 1837. Zij hadden 5 kinderen: Joannes Franciscus (°23 december 1794), Cornelius (°27 maart 1797), Theresia (°26 april 1799), Petrus Benedictus (°4 januari 1801) en Joannes Franciscus (°23 maart 1805).

Beschrijving van de goederen: zeven dagwand 8 roeden (2 ha 22 a 44 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem, verpacht aan De Wit, met een pachtcontract eindigend in het jaar 1803, voor een jaarlijkse pachtsom van 98,50 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1-Vijf dagwand 4 roeden (1 ha 58 a 44 ca) landbouwgrond gelegen op de “Schaepschuer” grenzend langs een zijde aan de oude weg, 2de aan het goed verpacht aan G. Smets, 3de aan de weg naar Brussel naar Aalst, en 4de aan het goed verpacht aan H. De Brucker.

2- Twee dagwand 4 roeden (64 a 14 ca) landbouwgrond gelegen op het “Wijnveldt” grenzend langs een zijde aan de oude weg, 2de aan het goed verpacht aan H. De Brucker, 3de aan de steenweg van Brussel naar Aalst, en 4de aan de weg naar Essene.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 24 februari 1800 door Charles Louis Joseph Terrace, en Mathias Gruber burgemeester te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 98,55 frank en de verkoopprijs op 788,40 frank. Verpacht aan burger De Wit wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 25 december 1794, en eindigend op 25 december 1803, voor een jaarlijkse pachtsom van 77,20 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 29 maart 1801 om12 uur volgens affiche nr. 303 artikel 3. Het bieden begon met een openingsbod van 788 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 3 000 frank aan burger Philippe Van Den Hecke wonende te Gent, rue Draepstraat.

François De Wolf, nr. 420.

Franciscus,  overleden te Hekelgem op 22 juni 1811, trouwde te Hekelgem op 1 mei 1788 met Maria Elisabeth Fieremans, te Hekelgem overleden op 1 februari 1822. Hun dochter Catharina werd te Hekelgem gedoopt op 19 oktober 1789.

Beschrijving van de goederen: een huis gebouwd op een terrein van twee dagwand 60 roeden (81 a 74 ca) landbouwgrond, gedeeltelijk gebruikt als tuin en boomgaard, gelegen te Hekelgem op het “Leenveld”. De woning is gebouwd in baksteen en bedekt met stro en heeft alleen een gelijkvloers bestaande uit een keuken, twee kamers, kelder en stal, grenzend zuid aan burger Jean Baptiste De Raedt, aan burger François Verlijsen, aan burger Pierre De Raedt en burger Zacharias De Wever, 2de aan de oude weg naar Brussel, 3de noord aan burger François De Ridder, en 4de aan de steenweg van Aalst naar Brussel.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 23 januari 1802 door Charles Louis Joseph Terrace, expert, wonende te Asse en Mathias Gruber, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 34,80 frank en de verkoopprijs op 827 frank. Verpacht aan François De Wolf, voor zevenentwintig jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op 10 juni 1793, van kracht vanaf 25 december 1793 en eindigend op 24 december 1820, voor een jaarlijkse pachtsom van 34,80 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 10 maart 1802 om 12 uur volgens de affiche nr. 320 artikel 7. Het bieden ving aan met een openingsbod van 1 640 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 76 000 frank aan burger Honoré Joseph Helin wonende te Brussel, rue de Namur nr. 929, stroman die kocht met een volmacht van François De Wolf wonende te Hekelgem.

De weduwe Jean en Michel Droeshout, nr. 662.

Michiel, te Hekelgem gedoopt op26 februari 1736, stierf er op 14 december 1806. Hij trouwde te Hekelgem op 25 februari 1772 met Elisabeth Theresia Van der Elst. Zij overleed te Hekelgem op 2 september 1832. Het gezin woonde op Ten Bos en had 4 kinderen: Joanna Maria (°9 februari 1773), Anna Catharina (°27 juni 1776), Theresia (°1 april 1778) en Petronella (°16 februari 1783).

Joannes is niet terug te vinden in het Gezinsboek.Woonde hij op Erembodegem?

Beschrijving van de goederen: elf ha 64 a 94 ca landbouwgrond, hopveld, weide en schaarhout gelegen te Hekelgem en Teralfene. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- 53 a 38 ca hopveld gelegen te Hekelgem, gehucht “Ten Bossche”, grenzend langs een zijde aan de weg die de scheiding vormt tussen de gemeenten Erembodegem en Hekelgem, 2de aan de tuin en hopveld van de weduwe Michel Droeshout en het volgende perceel, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Gillis De Wever, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jean Bosteels.

2- 31 a 40 ca landbouwgrond gelegen te Hekelgem, gehucht “Ten Bossche”, op “Het Lindeken”, grenzend langs een zijde aan de tuin en hopveld van de weduwe Michel Droeshout, 2de met de veldweg aan het volgende perceel, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Henri De Baillieu en Gillis De Wever, en 4de aan het voorgaande perceel.

3- Twee ha 10 a 80 ca landbouwgrond gelegen te Hekelgem, gehucht “Ten Bossche”, op  “De Lettecauter”, grenzend langs een zijde aan de goederen van Jean Bosteels, Jean De Rijcke en Jean Van Nuffel, 2de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Michel Droeshout, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Pierre Vonck, en 4de aan de veldweg naast de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Henri De Baillieu en het voorgaande perceel.

4- Drie ha 45 a 40 ca landbouwgrond gelegen te Hekelgem, gehucht “Ten Bossche”, op “De Meerecauter”, grenzend langs een zijde aan aan de goederen van Corneille Cannic, het goed verpacht aan François De Backer, en een gerooid bos van de abdij Affligem, 2de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe Michel Droeshout, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jacques Lanckman en de kinderen Van Vaerenbergh, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de kinderen Van Vaerenbergh.

5- 94 a 20 ca landbouwgrond gelegen te Hekelgem, gehucht “Ten Bossche”, op “De Nieuwstraet”, grenzend langs een zijde aan “De Nieuwstraet”, 2de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de kinderen Van Vaerenbergh, 3de & 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Gillis De Wever. Op dit perceel bevonden zich zes beuken.

6- 43 a 96 ca landbouwgrond en schaarhout gelegen te Hekelgem, op “Den Molencauter”, grenzend langs een zijde aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jean Van Nieuwenhove, 2de aan de goederen verpacht aan de weduwe François Verbeken, 3de & 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan François De Smedt.

7- 62 a 80 ca landbouwgrond en weide gelegen te Hekelgem, op “Den Molencauter” dichtbij de windmolen van Boekhout, grenzend langs een zijde aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de kinderen Bosteels, 2de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jean Van Nieuwenhove, 3de aan de weg van de windmolen van Boekhout naar het gehucht “Ten Bossche”, 4de aan het goed van Jean De Cort verpacht aan Benoit Bombeek, het goed van de weduwe Van Vaerenbergh, François Verhasselt en Guillaume Van Vaerenbergh, en 5de aan het goed van een andere Van Vaerenbergh.

8- Twee ha 19 a 80 ca landbouwgrond en hopveld gelegen te Hekelgem, op “Drooghuysel” grenzend langs een zijde aan het gerooid bos van de abdij Affligem genaamd “Cortenbosch”, 2de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jean Bosteels, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe De Cuyper, en 4de aan de weg van Teralfene naar Aalst. Op dit perceel bevonden zich vier eiken en negen beuken.

9- 94 a 20 ca weide gelegen te Teralfene, op de “Pittantiemeersch” grenzend langs een zijde aan het gerooid bos van de abdij Affligem genaamd “Caviebosch”, 2de aan een perceel weide en schaarhout van Jean Van Der Borght en aan de Dender, 3de aan een weide van de abdij Affligem verpacht aan Jean Bosteels, en 4de aan een weide van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe De Cuyper , aan een bos schaarhout van de pastorij van Teralfene, en aan de goederen van Jacques Lanckman. Dit perceel werd doorsneden door een losweg naar de weide van de weduwe De Cuyper.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 22 februari 1809 door: Guillaume De Becker, expert, wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 419 frank en de verkoopprijs op 8 438 frank, de hoogstammige bomen geschat 58 frank, inbegrepen. Verpacht aan de weduwe van Michel Droeshout en Jean Droeshout wonende te Hekelgem, voor zes jaar, ingaande op 26 december 1804, tijdens de openbare aanbesteding van 22 maart 1804, door de burgemeester van Asse in naam van de prefect van het departement, voor een jaarlijkse pachtsom van 340 frank, belastingen niet inbegrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 22 juli 1809 om 12 uur volgens de affiche nr. 661 artikel 15. Het bieden begon met een openingsbod van 8 438 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 10 200 frank aan Jean François Laurent Tack wonende te Aalst & Pierre Joseph Coppijn wonende te Brussel, rue de l’Hopital.

Michel Eckman, nr. 485.

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op “De Meerecauter”, groot 62 a 60 ca, grenzend langs een zijde aan de “Nieuwstraet” die de gemeenten Hekelgem en Teralfene scheidt, 2de aan het perceel verpacht aan Guillaume Van Kerkhove, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jacques Van Varenbergh, en 4de aan het goed verpacht aan François Arijs.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 18 juli 1804 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en G. Petrus T’Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 20 frank en de verkoopprijs op 400 frank. Verpacht vanaf 22 december 1801 aan burger Michel Eckman wonende te Teralfene, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 (registernr. 1570 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 21,78 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 8 september 1804 om 12 uur volgens de affiche nr. 433 artikel 19. Het bieden ving aan met een openingsbod van 400 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 860 frank aan burger Michel Eckman wonende te Teralfene, huurder van het perceel.

De weduwe Jean Godefroy, Elisabeth Van Vaerenbergh, nr. 457.

Joannes Baptist werd te Hekelgem gedoopt op 10 maart 1719 en stierf er op 30 oktober 1793. Hij trouwde te Hekelgem op 22 mei 1760 met Elisabeth Van vaerenbergh. Zij was te Hekelgem gedoopt in 1735 en overleed er op 4 juni 1815. Zij hadden 8 kinderen: Joannes Baptist (°3 augustus 1761), Anna Petronella (°26 juli 1762) Joanna Maria (°14 oktober 1763), Judocus (°3 april 1766), Petrus Benedictus (°7 augustsu 1767), Maria Theresia (°23 december 1769), Guillelmus (°4 september 1771) en Maria Petronella (°16 maart 1775).

Beschrijving van de goederen: één ha 88 a 62 ca landbouwgrond verpacht aan Jean François Godefroy (zoon van?) met een vervallen pachtcontract, voor een jaarlijkse pachtsom van 73 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Een perceel landbouwgrond gelegen op “De Molencauter”, groot 62 a 87 ca, grenzend langs een zijde, zuid, aan de weg van Meldert naar Mechelen, 2de aan burger Henri De Nil, 3de aan burger Benoit Schoon, en 4de aan burger Pierre Van Den Bosch. Op dit perceel bevond zich 10 roeden schaarhout.

2- Een perceel landbouwgrond gelegen op “De Droogeweijde”, groot 1 ha 25 a 75 ca, grenzend langs een zijde, zuid, aan burger Josse Robijns, 2de aan burger Pierre Van Den Bosch, 3de aan burger Emmanuel Demey, en 4de aan de weduwe J. De Cort.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 23 november 1797 door Charles Louis Joseph Terrace, expert wonende te Asse, en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 73,10 frank en de verkoopprijs op 584 frank. Verpacht aan de weduwe Jean Godefroy wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden op 11 november 1793 door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, in voege vanaf 11 november 1793 en eindigend op 10 november 1802, voor een jaarlijkse pachtsom van 55,10 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 3 september 1803 om 12 uur volgens de affiche nr. 380 artikel: 24. Het bieden begon met een openingsbod van 803 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 550 frank aan burger Antoine De Vos wonende te Brussel, Quai aux Tourbes.

De weduwe Jacques Goedvinck, Jeanne Marie Meskens, nr. 536.

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op de “De Koeijweijde”, groot 94 a 20 ca, grenzend langs een zijde, met de helft van de gracht, aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Grégoire De Baetselier, 2de met de gracht aan de losweg, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Martin De Smet, en 4de met de helft van de gracht aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jean Baptiste Vermoesen en Jean Godefroy. Langs dit perceel staan langs de kant van de losweg 10 geknotte eiken en populieren.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 19 augustus 1806 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Gaspar Pierre T’Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 25 frank en de verkoopprijs op 510 frank, de geknotte bomen geschat op 10 frank, inbegrepen. Verpacht aan Jeanne Marie Meskens, weduwe Jacques Goedvinck wagenmaker, wonende te Meldert, zonder pachtcontract (registernr. 346 te Asse – 95 in het nieuwe register), voor een jaarlijkse pachtsom van 21,76 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 13 september 1806 om 12 uur volgens de affiche nr. 538          artikel 6. Het bieden ving aan met een openingsbod van 510 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 860 frank aan burger Arnould Pierre Geeroms wonende te Brussel, buiten de Lakense poort te Molenbeek.

Jean Baptiste Helinck, nr. 386.

Geen Jan Baptist die in aanmerking komt, wel een Joannes die te Hekelgem werd gedoopt op 27 april 1733 en er overleed op 18 februari 1803. Hij trouwde met Maria Angelica Houfflin, te Hekelgem gestorven op 10 maart 1777. Zij hadden 10 kinderen: Theresia (°27 augustus 1758), Maria Elisabeth (°4 december 1759), Egidius (°12 augustus 1761), Adriana (°16 februari 1763) Ludovica Theresia (°16 mei 1765), Henricus (°23 januari 1767), Maria Anna Rosa (°10 maart 1769), Petrus (°16 november 1770), Petrus Franciscus (°23 december 1772) en Petrus Amandus (°12 oktober 1774).

Beschrijving van de goederen: drie dagwand (94 a 31 ca) landbouwgrond verpacht aan Jean Baptiste Helinckx voor een jaarlijkse pachtsom van 37 frank, belastingen inbegrepen. Gelegen te Hekelgem op het veld “Lochtinck” grenzend langs een zijde, zuid, aan burger Guillaume De Smedt, 2de aan burger Gaspard ‘t Kint, 3de aan burger Henry De Clerck, en 4de aan burger François Linthout.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 30 augustus 1800 door Charles Louis Joseph Terrace, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 27,55 frank en de verkoopprijs op 293,60 frank. Verpacht aan burger Jean Baptiste Helinck wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, voor een jaarlijkse pachtsom van 27,55 frank, belastingen niet inbegrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 19 november 1800 om 12 uur volgens affiche nr. 277 artikel 8. Het bieden begon met een openingsbod van 296 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 305 frank aan burger Evrard Tops wonende te Brussel, Longue rue Neuve nr. 158. Vermoedelijk was hij een stroman voor een onbekende opdrachtgever.

François Hoefs (Van Houf), nr. 406.

Beschrijving van de goederen: twee bunder één dagwand (2 ha 82 a 94 ca) landbouwgrond op de  “Boicauter” grenzend zuid aan de weg naar Teralfene, 2de aan de weduwe Jacobus Schoon, 3de aan het goed van de abdij Affligem verpacht aan Jean Bastiens, en 4de aan de goederen van de kinderen Jacobus Schoon.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 23 februari 1800 door Charles Louis Joseph Terrace en Mathias Gruber, burgemeester te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 117 frank en de verkoopprijs op 936 frank. Verpacht aan François Van Houf (vermoedelijk betreft het hier François Hoefs geboren te Baardegem en overleden te Teralfene) wonende te Teralfene, zonder pachtcontract, voor een jaarlijkse pachtsom van 90 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 29 maart 1801 om 12 uur volgens affiche nr. 303 artikel 7. Het bieden begon met een openingsbod van 936 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 3 825 frank aan burger Philippe Van Den Hecke wonende te Gent, rue Draepstraat.

François kocht 7 jaar later, op 10 december 1808 om 12 uur (nr. 645) nog drie percelen bij.

Beschrijving van de goederen: één ha 88 a 40 ca landbouwgrond gelegen te Hekelgem. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- 68 a 50 ca landbouwgrond gelegen op “Den Brempst” grenzend langs een zijde aan de straat van Hekelgem naar Teralfene, 2de aan de losweg gelegen op de scheiding van de gemeenten Hekelgem en Teralfene, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jean Van Nieuwenhove, 4de & 5de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jean Van Nieuwenhove, en 6de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe François Verbeken.

2- 47 a 10 ca landbouwgrond gelegen op “Den Brempst” grenzend langs een zijde aan de goederen van Jean Van Nieuwenhove, 2de aan de losweg gelegen op de scheiding van de gemeenten Hekelgem en Teralfene, 3de & 4de aan de gracht naast de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe François Verbeken.

3- 62 a 80 ca landbouwgrond gelegen op het “Pesterveld” grenzend langs een zijde aan de goederen van Jean Christiaens, de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Van Nijghem en de goederen van Michel De Bisschop en François Dirickx, 2de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Van Nijghem, 3de & 4de aan het land van de weduwe Beekman, 5de & 6de aan de goederen van de erfgenamen Jean De Backer, 7de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Van Nijghem, en 8ste aan de goederen van Sieur Vaeremans, de erfgenamen Van Den Bergh en aan Louis Verbruggen

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 14 oktober 1808 door Guillaume De Becker, expert, wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 60 frank en de verkoopprijs op 1 250 frank, inbegrepen 9 hoogstammige bomen geschat op 50 frank. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan François Hoefs wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens een openbare aanbesteding, door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 96,14 frank..

Verkoop te Brussel, affiche nr. 654 artikel 19. Het bieden ving aan met een openingsbod van 1 250 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 2 350 frank aan Jean Baptiste Vaerman wonende te Teralfene, stroman die kocht met een volmacht van Jean François Laurent Tack wonende te Aalst.

Josse Kerckhove, nr. 434.

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op “De Merecauter”, groot 62 a 80 ca, grenzend langs een zijde aan de weg van Teralfene naar Aalst, 2de aan Michel Droeshoudt, 3de aan de kinderen Van Varenbergh, en 4de aan de weg

 genaamd “Nieuwstraat”. Het perceel was langs de weg afgeboord met bomen en waren eigendom van een andere eigenaar.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 17 juli 1802  door Pierre Aubugeois, expert wonende te Brussel, en Mathias Gruber, burgemeester te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 22 frank en de verkoopprijs op 220 frank. Verpacht aan Josse Kerchove, voor drie zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801, door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 21,76 frank. Hij pachtte dit perceel sinds 12 jaar. De ontvanger der domeinen te Asse verklaarde dat dit goed voordien verpacht werd voor een jaarlijkse pachtsom van 11 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 4 september 1802 om 12 uur volgens de affiche nr. 332 artikel 11. Het bieden begon met een openingsbod van 242 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 710 frank aan burger Jean François Callebaut, landbouwer, wonende te Hekelgem.

Jacques Lanckman, nr. 483.

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op “De Meerecauter”, groot 31 a 30 ca, grenzend langs een zijde aan de “Nieuwstraet” die de gemeenten Hekelgem en Teralfene scheidt, 2de aan het perceel verpacht aan Jean Boterbergh, 3de & 4de aan de goederen verpacht aan Michel Droeshoudt.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 17 juli 1804 door: Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en G. Petrus T’Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 10 frank en de verkoopprijs op 200 frank. Verpacht vanaf 22 december 1801 aan burger Jacques Lanckman wonende te Teralfene, in naam van zijn echtgenote, de weduwe Jacques Van Den Berghen, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 (registernr. 1372 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 9,97 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 8 september 1804 om 12 uur volgens de affiche nr. 433 artikel 17. Het bieden begon met een openingsbod van 200 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 500 frank aan burger Jacques Lanckman wonende te Hekelgem, huurder van het perceel.

De kinderen Gilles Lensens, nr. 357.

Beschrijving van de goederen: twee bunder drie dagwand 21 roeden (3 ha 52 a 41 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem, verpacht aan Thomas Raes & de weduwe Gilles Beekmans voor een jaarlijkse pachtsom van 134 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Twee dagwand 31 roeden (72 a 62 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op het veld genaamd “Het Vijverken” grenzend langs een zijde aan het “Cautergat”, 2de aan de goederen van de kinderen Gilles Lensens, 3de aan burger Pierre Raes, en 4de aan burger Michel Van Den Wijngaert.

2- Twee dagwand 90 roeden (91 a 17 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op het veld genaamd “De Weijde” grenzend langs een zijde aan de weg naar het bos, 2de aan burger Josse Van De Perre, 3de aan burger Pierre Raes, en 4de aan een kleine weg genaamd “Beckenelen”.

3- Drie dagwand (94 a 31 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op het veld genaamd “Assenboschveldt” grenzend langs een zijde aan Pierre Vonck, 2de aan burger Pierre Van Den Wijngaert, 3de aan burger Pierre Vasseur, en 4de aan de voormalige abdij Affligem.

4- Drie dagwand (94 a 31 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op het veld genaamd “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan burger Pierre Okely, 2de aan burger Jacques Bellemans, 3de aan burger Joseph Mertens, en 4de aan de steenweg van Aalst naar Brussel. Op dit laatste perceel bevinden zich zeven hoogstammige bomen, beuken, van twee tot drie voet omtrek

Er werden twee proces-verbalen van schatting samengevoegd tot een proces-verbaal van toewijzing.

1) Het PV van de schatting werd opgemaakt op 8 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 61,60 frank, en de verkoopprijs op 488,48 frank. Verpacht aan Thomas Raes en de kinderen Gilles Lensens wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op 10 november 1793, in voege vanaf 10 november 1794 en eindigend op 10 november 1803, voor een jaarlijkse pachtsom van 45,91 frank. Dit proces-verbaal betreft de nummers 1 & 2 van de beschrijving van de goederen.

2) Het PV van de schatting werd opgemaakt op 17 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 73,10 frank, en de verkoopprijs op 598,80 frank. Verpacht aan de weduwe Gilles Beekmans wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 10 oktober 1791, in voege vanaf 10 november 1792 en eindigend op 10 november 1801, voor een jaarlijkse pachtsom van 55,10 frank. Dit proces-verbaal betreft nr. 3 & 4 van de beschrijving van de goederen.

De verkoop had plaats te Brussel op 7 juli 1800 om 12 uur volgens de affiche nr. 251 artikel 20. Het bieden ving aan met een openingsbod van 1 072 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 375 frank aan burger Everard Tops wonende te Brussel, Longue rue Neuve nr. 158. Vermoedelijk was hij stroman voor een onbekende opdrachtgever.

Guillaume Louis, zie ook Jean Vertongen, nr. 362.

Beschrijving van de goederen: twee bunder drie dagwand 70 roeden (3 ha 67 a 82 ca) land, weide en bos gelegen te Hekelgem, verpacht aan de kinderen J. Vertongen, Jean Baptiste Vonck en Guillaume Louis voor een jaarlijkse pachtsom van 134,75 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Eén bunder twee dagwand (1 ha 88 a 62 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op het veld genaamd “Keselveck” (Kwezelsweg) grenzend langs een zijde aan de weg naar de molen van Hekelgem, 2de aan de goederen van de kinderen Van Lierde, 3de aan het goed van de abdij Affligem, 4de aan burger Zacharias De Wever, 5de aan burger Pierre Verleijsen, en 6de aan de weduwe Coppens.

2- Drie dagwand (94 a 31 ca) landbouwgrond, weide en bos, gelegen te Hekelgem op het veld genaamd “Koyweijde” grenzend langs een zijde, zuid, aan de weg naar het bos, 2de aan de dreef van de voormalige abdij naar Aalst, 3de aan burger Pierre Van De Perre, en 4de aan de weduwe Pierre Vasseur.

3- Twee dagwand 70 roeden (84 a 88 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op het veld genaamd “Bas Dewit” grenzend langs een zijde aan de oude weg van Aalst naar Brussel, 2de aan burger Charles Terrace, 3de aan dezelfde, en 4de aan burger Jean Baptiste De Vos.

Er werden drie proces-verbalen van schatting samengevoegd tot een proces-verbaal van toewijzing.

1) Het PV van de schatting werd opgemaakt op 4 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 70,30 frank, en de verkoopprijs op 562,40 frank. Verpacht aan de kinderen Jean Vertongen wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een door de pachter onvindbaar pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op 11 november 1793, voor een jaarlijkse pachtsom van 55,10 frank, belastingen niet inbegrepen. Dit proces-verbaal betreft het nummer 1 van de beschrijving van de goederen.

2) Het PV van de schatting opgemaakt op 15 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 34,85 frank, en de verkoopprijs op 598,80 frank, zeventien hoogstammige bomen geschat op 51 frank, inbegrepen. Verpacht aan Jean Baptiste Vonck wonende te Hekelgem, zonder pachtcontract, voor een jaarlijkse pachtsom van 25,70 frank. Dit proces-verbaal betreft nr. 2 van de beschrijving van de goederen.

3) Het PV van de schatting werd opgemaakt op 5 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 29,65 frank, en de verkoopprijs op 237,20 frank. Verpacht aan Guillaume Louis wonende te Hekelgem, zonder pachtcontract, voor een jaarlijkse pachtsom van 22 frank. Dit proces-verbaal betreft nr. 3 van de beschrijving van de goederen.

De verkoop had plaats te Brussel op 22 juli 1800 om 12 uur volgens de affiche nr. 254 artikel 24. Het bieden ving aan met een openingsbod van 1 129 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 2 100 frank aan burger Honoré Joseph Helin wonende te Brussel, rue de Namur nr. 929, stroman die kocht met een volmacht van Jean François Merckaert wonende te Aalst.

De weduwe Jean Mattens, nr. 599.

Beschrijving van de goederen: één ha 9 a 90 ca landbouwgrond gelegen te Hekelgem. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- 47 a 10 ca landbouwgrond gelegen op “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan de “Hoogstraet” van de abdij Affligem naar het gehucht Boekhout, 2de aan goederen van de voormalige abdij Affligem verpacht aan Jacques Mersman, 3de aan goederen van de voormalige abdij Affligem verpacht aan Benoit Schoon, en 4de aan goederen van de voormalige abdij Affligem verpacht aan Zacharias De Wever. Dit perceel wordt doorsneden door een voetpad van de steenweg van Brussel naar Gent naar de abdij. Naast dit voetpad bevinden zich acht beuken en vier essen.

2- 62 a 80 ca landbouwgrond gelegen op “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan de “Hoogstraet” van de abdij Affligem naar het gehucht Boekhout, 2de aan goederen van de voormalige abdij Affligem verpacht aan Pierre Jaspar T’Kint, 3de aan de tuin van deze T’Kint, en 4de aan goederen van de voormalige abdij Affligem verpacht aan Philippe Van Der Perren en Benoit Schoon. Dit perceel wordt doorsneden door een een kleine steenweg van de steenweg van Brussel naar Gent naar de abdij. Naast deze baan bevinden zich zeven beuken, één eik en vier essen.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 18 februari 1807 door Guillaume De Becker, expert, wonende te Brussel, en Gaspar Petrus ‘T Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 40 frank en de verkoopprijs op 950 frank, de hoogstammige bomen die zich op het perceel bevonden inbegrepen. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan de weduwe Jean Mattens wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 (registernr. 37 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 34 frank, belastingen niet inbegrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 19 september 1807 om 12 uur volgens de affiche nr. 590          artikel 4. Het bieden ving aan met een openingsbod van 950 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 970 frank aan Pierre Cierlans wonende te Brussel.

Merckaert, nr. 421.

Beschrijving van de goederen: één ha 57 a 19 ca bos, waarvan de hoogstammige bomen geveld en verkocht waren, gelegen te Hekelgem op “Den Boerdelaers” grenzend langs een zijde aan de weg van Meldert naar Aalst, 2de aan de goederen van de kinderen Jean Vonck, 3de zuid, aan de “Asscherenbosch”.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 24 januari 1802. Nog voor de schatting had een zekere Merckaert de bomen van het bos al verkocht voor een bedrag van 247, 20 fr.

De verkoop had plaats te Brussel op 10 maart 1802 om 12 uur volgens de affiche nr. 320 artikel 9.Het bieden begon met een openingsbod van 247 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 370 frank aan burger Honoré Joseph Helin wonende te Brussel, rue de Namur nr. 929, voor zichzelf, en als stroman met een volmacht voor Guillaume Graindorge wonende te Asse.

Ferdinand Meert, nr.307.

Ferdinand, te Hekelgem gedoopt op 13 oktober 1722 en er gestorven op 4 april 1800, trouwde te Hekelgem op 15 juli 1760 met Petronella Droeshout. Zij was te Hekelgem gedoopt op 6 januari 1734 en overleed er op 18 februari 1795. Zij hadden 6 kinderen: Petrus Ftanciscus (°17 juli 1761), Maria Theresia (°23 januari 1763), Joanna Francisca (°28 januari 1765), Cornelius (°12 oktober 1768), Michael (°22 april 1771) en Petrus Benedictus (°23 oktober 1776).

Beschrijving van de goederen: vijf bunder twee dagwand 82 roeden (7 ha 17 a 40 ca) land, weide en bos verpacht aan Ferdinand Meert voor een jaarlijkse pachtsom van 202 frank, belastingen niet inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1-Één bunder twee dagwand (1 ha 88 a 62 ca) landbouwgrond waarvan één dagwand beplant met schaarhout gelegen op “’t Setsel” grenzend langs een zijde aan burger J. Hellinckx, 2de aan burger Pierre Van Vaerenberghe, 3de aan burger Jerôme Hellinckx, en 4de aan burger François Meert.

2- Twee bunder drie dagwand 82 roeden (2 ha 45 a 34 ca) landbouwgrond op de “Buycauter” grenzend langs een zijde aan de weg naar Ninove, 2de aan ?, 3de aan burger Jean Baptiste Meert, 4de aan burger Joannes Franciscus Van Nieuwenhove, en 5de aan burger Pierre Verbeeck.

3- Vijf dagwand (1 ha 57 a 19 ca) weide, waarvan één dagwand schaarhout in de “Broeckagie” grenzend langs een zijde aan J. F. Callebaut, 2de aan de weduwe Martin Robijns, 3de aan de kinderen Pierre Bosteels, 4de aan ?, en 5de aan burger Jean Baptiste Meert.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 20 juli 1798 door Jean Valentin Cordier, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 110 gulden, en de verkoopprijs op 4 400 pond. De 14 hoogstammige bomen die zich op de percelen bevonden werden geschat op 56 pond, samen 4 456 pond. De goederen waren verpacht aan burger Ferdinand Meert, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 9 oktober 1793, in voege vanaf 9 oktober 1794 en eindigend op 9 oktober 1803. De pachtsom bedroeg 259 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 12 februari 1800 om 11 u. volgens affiche nr. 223, artikel 27.

Het bieden ving aan met een openingsbod van 2 000 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 2 025 frank aan burger Jean Baptiste Weemaels wonende te Brussel, rue de la Liberté nr. 181, vermoedelijk voor een onbekende opdrachtgever.

Jean Baptiste Meert, nr. 430.

Jan Baptist werd te Hekelgem gedoopt op24 augustus 1747 en overleed er op 2 december 1818. Hij trouwde te Hekelgem op 23 oktober 1771 met Petronella Van de Velde, te Hekelgem gedoopt in december 1737 en er overleden op 21 juni 1795. Zij hadden 4 kinderen: Joannes Franciscus (°5 oktober 1771), Maria Theresia (°31 januari 1773), Elisabeth (°13 oktober 1776) en Maria Josina (°5 juni 1780).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen te Hekelgem op de “Beaucauter”, groot 4 ha 86 a, grenzend langs een zijde aan François Verbeken, 2de aan Pierre Jean Bosteels, pachter van het perceel, 3de aan het “Cautergat, en 4de ?, 5de aan burger Jérôme Hellinckx, 6de aan de kinderen Ferdinand Meert, en 7de aan Josse Lelie.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 9 juli 1802 door Pierre Aubugeois, expert wonende te Brussel, en Mathias Gruber, burgemeester te Asse. De verkoopprijs werd geschat op 2 000 frank. Verpacht aan Jean Baptiste Meert, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801, door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 199,54 frank. Jean Baptiste Meert liet optekenen dat hij en consorten dit perceel pachtte voor een jaarlijkse pachtsom van 100 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 4 september 1802 om 12 uur volgens de affiche nr. 332 artikel 7. Het bieden begon met een openingsbod van 2 200 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 5 500 frank aan burger Honoré Joseph Helin wonende te Brussel, rue de Namur nr. 929, en Guillaume Graindorge wonende te Asse.

Joseph Meert, nr. 459.

Beschrijving van de goederen: één ha 64 a 32 ca landbouwgrond gelegen te Hekelgem, grenzend langs een zijde aan de straat van Essene naar Hekelgem, 2de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan François Hellinckx, 3de aan de scheiding van de gemeenten Essene en Hekelgem en naast de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Joseph Rollier, 4de met de helft van het voetpad die naar de molen van Essene liep, naast de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Corneille Van Mol.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 11 augustus 1803 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Mathias Gruber, burgemeester te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 68,16 frank en de verkoopprijs op 749,76 frank. Verpacht aan Joseph Meert wonende te Essene, voor drie zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 (registernr. 1559 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 47,16 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 23 september 1803 om 12 uur volgens de affiche nr. 383          artikel 4. Het bieden begon met een openingsbod van 750 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 2 650 frank aan burger Joseph De Bisschop wonende te Teralfene.

Jean Baptiste Pauwels, nr. 607.

Jan baptist werd te Hekelgem gedoopt op 26 mei 1757 en stierf er op 25 juni 1822. Hij trouwde te Hekelgem op 1 juli 1790 met Maria Catharina Van de Velde, te Hekelgem gedoopt op 17 septmber 1756 en er gestorven op 13 september 1808. Zij woonden op het gehucht Ten Bos en hun zoon Petrus Franciscus werd te Hekelgem gedoopt op 15 juli 1795.

Beschrijving van de goederen: één ha 29 a 68 ca landbouwgrond gelegen te Hekelgem. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- 62 a 80 landbouwgrond gelegen op “Den Drapdries” grenzend langs een zijde aan de “Nieuwstraet”, 2de aan het gemeentegoed genaamd “Drapdries”, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Amand Vertongen, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Adrien Van Nijghem. Op dit perceel stonden 17 beuken, 14 geknotte eiken en 3 geknotte populieren.

2- 66 a 88 ca landbouwgrond gelegen op “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan de “Donckerstraet” van “Tenbosch” naar de steenweg, 2de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Benoit Cooreman, 3de met de helft van de “Haesewegh” aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe Verbeken, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Benoit Cooreman

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 24 april 1807 door Guillaume De Becker, expert, wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 50 frank en de verkoopprijs op 1060 frank, de bomen die zich op het perceel bevonden, geschat 60 frank, inbegrepen. Verpacht vanaf 26 december 1804 aan Jean Baptiste Pauwels wonende te Hekelgem, voor zes jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 22 maart 1804 (registernr. 67 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 38 frank, belastingen niet inbegrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 19 september 1807om– 12 uur volgens de affiche nr. 590         artikel 12. Het bieden ving aan met een openingsbod van 1060 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 100 frank aan burger Pierre Cierlans wonende te Brussel, rue Neuve, section 5, n° 230.

Pierre François Pauwels, nr. 296.

Petrus Franciscus werd te Hekelgem gedoopt op 29 januari 1765 en overleed er op 20 juli 1817. Hij trouwde te Hekelgem op 3 januari 1791 met Anna Catharina De Wever, te Hekelgem gedoopt op 27 november 1769 en er overleden op 21 maart 1808. Zij hadden2 kinderen: Joannes (°24 februari 1798) en Maria Judoca (°3 december 1802).

Beschrijving van de goederen: twaalf bunder drie dagwand 30 roeden (16 ha 12 a 74 ca) land verpacht aan Pierre François Pauwels en anderen voor een jaarlijkse pachtsom van 500 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Drie bunder één dagwand (4 ha 8 a 69 ca) landbouwgrond op de “Nettecauter” grenzend langs een zijde aan de “Nieuwe Straet”, 2de aan de goederen van de abdij Affligem, 3de aan de goederen van de pachter, en 4de aan het goed van burger Van Der Noot.

2- Zes bunder drie dagwand (8 ha 48 a 81 ca) landbouwgrond gelegen op de “Molencauter”, grenzend langs een zijde aan het goed van burger De Doncker, 2de aan de “Donkerstraet”, 3de & 4de aan de goederen van de abdij Affligem.

3- Één bunder één dagwand 50 roeden (1 ha 72 a 90 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op  “Het Block” grenzend langs alle zijden aan de goederen van de abdij Affligem.

4- Één bunder één dagwand 80 roeden (1 ha 82 a 34 ca) landbouwgrond gelegen op “Het Block” grenzend langs alle zijden aan de goederen van de abdij Affligem.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 29 juni 1798 door: Jean Valentin Cordier, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op £ 520, en de verkoopprijs op £ 10 400. Bij de toewijzing te Brussel op 29 december 1799 werd door de administratie de verkoopprijs vastgesteld op 3 600 frank. De goederen waren verpacht aan Pierre François Pauwels en consorten, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, in voege vanaf 25 december 1795 en eindigend op 25 december 1804. De pachtsom bedroeg van 259 gulden. Expert Cordier noteerde dat pachter Pauwels nog een ander pachtcontract bezat voor zes dagwand land gelegen te Erembodegem en zes dagwand land die niet voorkwamen in deze schatting

De verkoop had plaats te Brussel op 29 december 1799 om 11 u. volgens affiche nr. 215, artikel 11. Het bieden ving aan met een openingsbod van 3 600 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 6 050 frank aan burger Egide Van Boterdael wonende te Aalst.

Michel Paridaens, nr. 487.

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op “De Meerecauter”, groot 13 a 14 ca, grenzend langs een zijde aan de “Nieuwstraet” die de gemeenten Hekelgem en Teralfene scheidt, 2de aan de straat komende van Hekelgem naar de “Nieuwstraat”, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jacques Van Vaerenbergh, en 4de aan het goed verpacht aan Josse Schoon en toegewezen aan Callebaut

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 17 juli 1804 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en G. Petrus T’Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 3 frank en de verkoopprijs op 60 frank. Verpacht vanaf 22 december 1801 aan burger Michel Paridaens wonende te Erembodegem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 (registernr. 1572 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 3,62 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 8 september 1804 om 12 uur volgens de affiche nr. 433 artikel 21. Het bieden ving aan met een openingsbod van 60 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 80 frank aan burger Michel Paridaens wonende te Erembodegem.

De weduwe Francois Plas, Joanna Verherstraeten, nr. 405.

Franciscus Benedictus Plas, te Hekelgem gedoopt op 31 maart 1715 en er overleden op 27 juli798, trouwde met Joanna Verherstraeten te Hekelgem op 7 oktober 1764. Zij was te Hekelgem gestorven op 2 november 1810. Zij woonden te Bleregem en hadden 4 kinderen: barbara (°19 augustus 1765), Gerardus (°17 juli 1768), Henricus (°24 november 1770) en Thomas (°23 november 1773).

Beschrijving van de goederen: één bunder twee dagwand (1 ha 88 a 62 ca) landbouwgrond gelegen op de “Coyewey” grenzend zuid aan de goederen van de kinderen Van Nieuwenborgh, 2de aan burger Jean Baptiste Van De Velde, 3de aan burgeres Adrienne De Kegel, 4de aan burgeres weduwe Pierre Ockelye, 5de aan burger Pierre Van den Bosch, 6de aan burger Laurent Van Roy, 7de aan het goed van de kinderen Pierre Daeve, en 8ste aan burger Josse Robijns.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op20 februari 1800 door Charles Louis Joseph Terrace en Mathias Gruber burgemeester te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 73,40 frank en de verkoopprijs op 787,20 frank. Verpacht aan weduwe François Plas wonende te Hekelgem, zonder pachtcontract, voor een jaarlijkse pachtsom van 55,10 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 29 maart 1801 om 12 uur volgens affiche nr. 303 artikel 4. Het bieden ving aan met een openingsbod van 584 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 2 025 frank aan burger Thomas Plas wonende te Hekelgem.

De weduwe Gerard Plas, Joanna Maria Rollier, nr. 79.

Gerard werd te Hekelgem gedoopt op 3 november 1734 en stierf er op 21 juli 1794. Hij trouwde te Pamel met Maria Joanna Rollier, te Hekelgem overleden op 23 december 1812. Zij hadden10 kinderen: Elisabeth (°23 februari 1771), Egidius (°22 februari 1772), Judocus Benedictus (°8 maart 1775), Barbara (°18 januari 1778), Carolina Judoca (° 15 januari 1780), Joannes Franciscus (°13 september 1781), Francisca Elisabeth (°31 augustus 1783), Cornelius (°4 december 1784), Joanna (°25 november 1787) en Carolus Franciscus (°20 juni 1790).

Beschrijving van de Blakmeershoeve: een hoeve genaamd “Ten Blauwkerse” (Blackmeersch) bestaande uit een woonhuis, schuur, paardenstallen, stallen, gebouwd in baksteen en bedekt met stro, met achtendertig bunder (47 ha 78 a 50 ca) land en weiden, verpacht aan de weduwe Gerard Plas met een pachtcontract eindigend jaar 11 voor een jaarlijkse pachtsom van 580 gulden, lasten niet inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Zevenentwintig bunder twee dagwand (33 ha 95 a 25 ca) landbouwgrond in een stuk gelegen op het veld genaamd “Boschcauter” grenzend aan een zijde aan burger Vogels, langs de drie andere zijden aan de goederen van de abdij Affligem.

2- Vier bunder (5 ha 3 a) weide gelegen op de plaats genoemd “Feesttruyn” grenzend langs de vier zijden aan de goederen van de abdij Affligem en aan de “Esschene Baene”.

3- Drie bunder twee dagwand (4 ha 40 a 12 ca) gelegen op de plaats genaamd “Tijke”, vermoedelijk “Het Heiken”, grenzend aan een zijde aan de “d’Hauwe Baan” (Oude Baan), 2de aan burger Benoit De Witte, 3de & 4de aan de goederen van de abdij Affligem.

4- Eén bunder (1 ha 25 a 75 ca) weide gelegen te Essene op de “Steenbrugge” grenzend aan een zijde aan burger François Linthout, 2de aan burger Josse De Smedt, en 3de & 4de aan dezelfden.

De schatting. Jean Valentin Cordier, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse stelden het PV van de schatting op 25 mei 1798 op. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op £ 920, en de verkoopprijs op £ 38 000, de 25 hoogstammige bomen werden geschat op £ 60, samen £ 38 060. Alles was voor 9 jaar verpacht aan de weduwe Gerard Plas met een pachtcontract van 25 december 1794 en eindigend op 25 december 1803 voor een jaarlijkse Pachtsom van 580 gulden. De weduwe Plas liet  noteren dat de schuur op het erf haar eigendom was.

De verkoop had plaats te Brussel op 26 juni 1798 om 10 uur volgens affiche nr. 94, artikel 4. Het bieden ving aan met een openingsbod van 19 500 pond. Tijdens het branden van de laatste kaars werden de goederen toegewezen voor het eindbod van 540 000 pond aan burger Josse Adrien De Wolf wonende te Aalst.

De huidige Blakmeershoeve dateert uit de 18de en 19de eeuw. Het is een indrukwekkend complex aan 3 zijden van een geplaveide binnenkoer ingeplant. De oude Blakmeershoeve stond zo’n 250 m meer zuidwaarts in een “broekagie”, een moerassig gebied wat sommigen doet veronderstellen dat de naam Blakmeers, vroeger Blackheyse, daarvan is afgeleid. Deze hoeve, eveneens eigendom van de abdij, ging in 1689 in de vlammen op. In 1726 werden een nieuwe paardenstal, koeienstal en kelderkamer gebouwd en in 1779 een schuur. Ca 1790 bedroeg de oppervlakte 15 b 2 d. Tot ‘de openbare verkoop’ door de Franse overheid (werd aangeslagen) was ze met haar 60 ha het belangrijkste landbouwbedrijf in Hekelgem. Nu is de semi-gesloten hoeve omgebouwd tot een riant woonhuis, met 24 are bestrijkende bebouwde vertrekken. Voor de restauratie van het schuurdak waren 24 000 dakpannen nodig.

Thomas Raes, nr. 357.

Thomas werd te Hekelgem gedoopt op 22 december 1737 10 januari 1771), Petrus Joannes (°2 februari 1772) en Henricus (°15 april 1775). overleed er op 30 mei 1814. Hij trouwde te Hekelgem op 24 mei 1763 met Judoca Boom, te Hekelgem gestorven op 2 mei 1795. Zij hadden 6 kinderen: Petrus Franciscus (°6 juli 1764), Anna Francisca (°27 april 1766), Egidius (°20 december 1768), Anna Petronella.

Beschrijving van de goederen: twee bunder drie dagwand 21 roeden (3 ha 52 a 41 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem, verpacht aan Thomas Raes & de weduwe Gilles Beekmans voor een jaarlijkse pachtsom van 134 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Twee dagwand 31 roeden (72 a 62 ca) landbouwgrond gelegen op het veld genoemd “Het Vijverken” grenzend langs een zijde aan het “Cautergat”, 2de aan de goederen van de kinderen Gilles Lensens, 3de aan burger Pierre Raes, en 4de aan burger Michel Van Den Wijngaert.

2- Twee dagwand 90 roeden (91 a 17 ca) landbouwgrond gelegen op het veld genoemd “De Weijde” grenzend langs een zijde aan de weg naar het bos, 2de aan burger Josse Van De Perre, 3de aan burger Pierre Raes, en 4de aan een kleine weg genaamd “Beckenelen”.

3- Drie dagwand (94 a 31 ca) landbouwgrond gelegen op het “Assenboschveldt” grenzend langs een zijde aan Pierre Vonck, 2de aan burger Pierre Van Den Wijngaert, 3de aan burger Pierre Vasseur, en 4de aan de voormalige abdij Affligem.

4- Drie dagwand (94 a 31 ca) landbouwgrond gelegen op “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan burger Pierre Okely, 2de aan burger Jacques Bellemans, 3de aan burger Joseph Mertens, en 4de aan de steenweg van Aalst naar Brussel. Op dit laatste perceel bevinden zich zeven hoogstammige bomen, beuken, van twee tot drie voet omtrek

Er werden twee PV van schatting samengevoegd tot een proces-verbaal van toewijzing.

1) PV van de schatting opgemaakt op 8 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 61,60 frank, en de verkoopprijs op 488,48 frank. Verpacht aan Thomas Raes en de kinderen Gilles Lensens wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op 10 november 1793, in voege vanaf 10 november 1794 en eindigend op 10 november 1803, voor een jaarlijkse pachtsom van 45,91 frank. Dit PV betreft de nummers 1 & 2 van de beschrijving van de goederen.

2) PV van de schatting opgemaakt op 17 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 73,10 frank, en de verkoopprijs op 598,80 frank. Verpacht aan de weduwe Gilles Beekmans wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 10 oktober 1791, in voege vanaf 10 november 1792 en eindigend op 10 november 1801, voor een jaarlijkse pachtsom van 55,10 frank. Dit proces-verbaal betreft nr. 3 & 4 van de beschrijving van de goederen.

De verkoop had plaats te Brussel op 7 juli 1800 om 12 uur volgens affiche nr. 251      artikel 20. Het bieden begon met een openingsbod van 1 072 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 375 frank aan burger Everard Tops wonende te Brussel, Longue rue Neuve nr. 158. Vermoedelijk was hij stroman voor een onbekende opdrachtgever.

Joseph Robijns, nr. 480.

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op “De Koyweijde”, groot 1 ha 95 a 80 ca, grenzend langs een zijde aan de weg naar “Koywyvijver”, 2de aan burger Pierre Van Den Bossche, 3de aan burger Zacharias De Wever, en 4de aan de kinderen van François De Baetselier.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 25 november 1798 door Charles Louis Joseph Terrace, expert wonende te Asse, en ? Crick die Mathias Gruber commissaris te Asse, verving. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 69 frank en de verkoopprijs op 1 380 frank. Verpacht aan Joseph Robijns, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op 27 oktober 1793, van kracht vanaf 10 november 1796 en eindigend op 10 november 1805, voor een jaarlijkse pachtsom van 27 gulden. Bij de toewijzing in het jaar 1804 was het verpacht voor 53,90 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 12 mei 1804 om 12 uur volgens de affiche nr. 416 artikel 24. Het bieden begon met een openingsbod van 1 078 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 675 frank aan burger Everard Tops wonende te Brussel, rue du Perril. Vermoedelijk was hij stroman voor een onbekende opdrachtgever.

Martin Robijns, nr. 210.

Martinus werd te Hekelgem gedoopt op 5 september 1733 en overleed er op 14 januari 1789. Hij trouwde te Hekelgem op 7 juli1767 met Francisca Resteau, te Hekelgem gedoopt op 19 maart 1740 en er overleden op 19 juli 1804. Zij hadden 6 kinderen: Joanna Catharina (°24 oktober 1768), Henricus (°7 augustus 1770), Joanna Maria (°7 april 1772), Anna Adriana (°29 april 1775), Anna (°30 augustus 1778) en Joannes Baptist (°12 december 1780).

Beschrijving van de goederen: drie bunder één dagwand 84 roeden (4 ha 35 a 10 ca) landbouwgrond verpacht aan de weduwe Robijns. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Eén bunder twee dagwand 84 roeden (2 ha 15 a 3 ca) landbouwgrond gelegen op de “Molencauter” grenzend langs alle zijden aan de goederen van de abdij Affligem.

2- Eén bunder drie dagwand (2 ha 20 a 7 ca) landbouwgrond gelegen op “De Fossel” grenzend aan een zijde aan de goederen van de erfgenamen François De Kegel, 2de aan de goederen van burger Emmanuel Verleysen, 3de aan de oude baan van Brussel naar Aalst, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem.

Het Proces-verbaal van de schatting werd opgemaakt op 4 juli 1798 Jean Valentin Cordier, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op £ 150, en de verkoopprijs op £ 2 000, de 12 hoogstammige bomen die geschat werden op £ 18, samen £ 2 018. De goederen waren verpacht aan de weduwe Martin Robijns, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, in voege vanaf 25 december 1795 en eindigend op 25 december 1804. De jaarlijkse pachtsom bedroeg 70 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 15 augustus 1798 om 10 uur volgens de affiche nr.109, artikel 17. Het bieden ving aan met een openingsbod van 2 100 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars werden de goederen toegewezen voor het eindbod van 62 000 frank aan burger Gérard Van Den Steen, wonende te Moorsel, kanton Lebbeke.

Josse Roggeman, nr. 319.

Judocus, afkomstig uit Denderbelle, overleed te Hekelgem gedoopt op 18 december 1795. Hij trouwde op 2 mei 1742 met Theresia Dierickx, te Hekelgem gedoopt op 8 noveber 1711 en er overleden op 27 januari 1784. Zij hadden 4 kinderen: Petronella (°1 augustus 1743), Ludovica Theresia (°19 januari 1746), Petrus (°4 augustus 1749) en Adriana (°11 april 1753).

Beschrijving van de goederen: drie bunder (3 ha 77 a 25 ca) landbouwgrond gelegen op “’t Heijken” grenzend langs een zijde aan burger Josse Robijns, 2de aan “De oude baan naar Brussel”, 3de aan de kinderen Van Lierde, 4de aan burger Jaspart ’t Kint, 5de aan Groenstraat”, 6de aan burger Josse Lelie, en 7de aan burger Ferdinand Meert

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 29 juli 1798 door Charles Louis Joseph Terrace expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 70 gulden, en de verkoopprijs op 2 800 pond. Verpacht aan de kinderen Josse Roggeman, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden op 10 oktober 1793 door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, in voege vanaf 10 oktober 1796, en eindigend op 10 oktober 1805, voor een pachtsom van 70 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 14 maart 1800 om 11 uur volgens de affiche nr. 229, artikel 16. Het bieden ving aan met een openingsbod van 1 200 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 300 frank aan burger Henri Greindt wonende te Brussel, op het “Cantersteen”, stroman die kocht met een volmacht van Daniël De Smet, wonende te Aalst.

Peter Roggeman, nr. 604.

Petrus werd te Hekelgem gedoopt op 4 augustus 1749 en overleed er op 4 juni 1832. Hij trouwde te Hekelgem op 10 januari 1786 met Petronella Van Droogenbroeck te Hekelgem overleden op 31 januari 1830. Hun huis stond op Bleregem en zij hadden 8 kinderen: Josephus (°14 november 1786), Ludovica (°15 december 1788), Thomas (°2 januari 1791), Joannes Baptist (°20 maart 1793), Joannes Franciscus (°18 april 1796), Anna Maria (°13 januari 1799),

Michael (°30 november 1801) en Maria Judoca (°15 februari 1804).

Beschrijving van de goederen: twee ha 4 a 10 ca landbouwgrond gelegen op “Den Molencauter” rechtover de abdij Affligem, grenzend langs een zijde aan de “Hoogstraet” van de abdij Affligem naar het gehucht Boekhout, 2de aan “Den Dries” en het erf verpacht aan François Smet, 3de aan de “Blereghemstraet” van de abdij Affligem naar de steenweg van Brussel naar Gent, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Benoit Emmanuel De Witte en de kinderen Jacques Bellemans. Dit perceel wordt doorsneden door een kleine steenweg van de steenweg van Brussel naar Gent. op dit perceel bevinden zich 28 geknotte bomen, 23 essen, 31 beuken en 16 eiken.

Het PV van de schatting werdd opgemaakt op 24 februari 1807 door Guillaume De Becker, expert, wonende te Brussel, en Gaspar Petrus ‘T Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 80 frank en de verkoopprijs op 2000 frank, de bomen die zich op het perceel bevonden, geschat 400 frank, inbegrepen. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan Peeter Roggeman wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 31 mei 1801 (registernr. 38 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 56 frank, belastingen niet inbegrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 19 september 1807om 12 uur volgens de affiche nr. 590 artikel 9. Het bieden ving aan met een openingsbod van 2 000 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 3 100 frank aan Peeter Roggeman wonende te Hekelgem.

Benoit Schoon, nr. 254.

Benedictus werd te hekelgem gedoopt op 29 augustus 1752 en stierf er op 19 maart 1808. Hij trouwde te Hekelgem op 11 juli 1780 met A       nna Francisca Van Lierde. Zij was te Hekelgem gedoopt op 7 mei 1756 en er overleden op 13 september 1797. Hun huis stond in de Langestraat. Hun gezin telde 12 kinderen: Joanna Maria (°3 mei 1781), Benedictus (°6 september 1782), Joannes Franciscus (°13 januari 1784), Joanna Benedicta (°20 oktober 1785), Joannes Baptist (°28 februari 1787), Petrus Joannes (°7 juni 1788), Joannes Hubertus (°3 november 1789), Catharina Jacoba (°8 juli 1791), Maria Francisca (°16 december 1792), Maria Theresia (°19 april 1794), Petrus Emanuel (°7 februari 1796) en Petronella (°27 augustus 1797).

Beschrijving van de goederen: drie bunder één dagwand (4 ha 8 a 69 ca) land en weide verpacht aan Benoit Schoon voor een jaarlijkse pachtsom van 143 frank, belastingen niet inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:° Twee dagwand (62a 87 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op de plaats genaamd “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan het goed van Pierre Nieulant, langs de drie andere zijden aan de goederen van de voormalige abdij Affligem.

1- Twee dagwand (62a 87 ca) landbouwgrond gelegen op “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan het goed van Pierre Nieulant, langs de drie andere zijden aan de goederen van de voormalige abdij Affligem

2- Zes dagwand (1 ha 88 a 63 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op de “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan de goederen van de Armen van Asse, 2de aan het goed van Benoit Schoon, 3de aan de steenweg van Brussel naar Gent, en 4de aan de goederen van de voormalige abdij Affligem.

3- Drie dagwand 50 roeden (1 ha 10 a 3 ca) landbouwgrond gelegen in “Den Wijmeersch” grenzend langs alle zijden aan het goed van Guillaume Van De Perre.

4- Één dagwand 50 roeden (47 a 16 ca) weide gelegen in “Den Wijmeersch” grenzend langs een zijde aan de “Wijmeerschvijvers”, 2de aan het goed van Benoit Schoon, 3de aan het goed van de weduwe De Smedt, en 4de aan het goed van Benoit Schoon.

De datum van de schatting werd niet vermeld. De schatters waren Jean Valentin Cordier, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op £ 178, en de verkoopprijs op £ 3 560. De goederen waren verpacht aan burger Benoit Schoon, voor negen jaar, met een pachtcontract in voege vanaf 25 december 1790 en eindigend op 25 december 1799, voor een jaarlijkse pachtsom van 78 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 17 januari 1799 om 10 uur volgens de affiche nr. 149, artikel 6. Het bieden ving aan met een openingsbod van 1 280 frank. Tijdens het branden van de 2de kaars toegewezen voor het eindbod van 2 000 frank aan burger Charles Louis Joseph Terrace wonende te Asse in opdracht van een onbekende opdrachtgever.

Jacques Schoon, nr.5.

Jacobus werd te Hekelgem gedoopt op 6 april 1727 en overleed er op 31 mei 1797. Hij trouwde met Maria Anna Barbé uit Gooik. Zij stierf te Hekelgem op 23 juli 1799. Zij hadden 6 kinderen: Maria Elisabeth (°1 juni 1770), Joanna Petronella (°13 juni 1772), Joanna Catharina (°4 juli 1773), Maria Anna (°15 juni 1776), Maria Benedicta (°8 april 1779) en Joannes Baptist (°19 december 1780).

Beschrijving van de goederen: Jacques (Jacobus) pachtte 5 bunder drie dagwand 38 roeden (7 ha 35 a) landbouwgrond met een pachtcontract afgesloten op Sint-Maarten 1789 door de weduwe Wouters, ontvanger van de abdij Affligem, voor een termijn van negen jaar, eindigend op Sint-Maarten 1799 voor een pachtprijs van 120 gulden per jaar, lasten niet inbegrepen. De goederen waren als volgt opgedeeld als volgt:

1- Drie bunder (3 ha 77 a 25 ca) landbouwgrond gelegen op de plaats genaamd “Buycauter”, palende langs een kant aan de goederen van de voormalige abdij Affligem, 2de door het deel dat de scheiding vormt met de gemeente Teralfene, en langs de twee andere zijden aan goederen van de voormalige abdij Affligem.

2- Twee bunder (2 ha 51 a 50 ca) landbouwgrond gelegen op dezelfde plaats grenzend aan de ene zijde aan de goederen van de weduwe Michiel Clauwaert en langs de andere zijden aan de goederen van de voormalige abdij Affligem.

3- Drie dagwand 38 roeden (1 ha 6 a 26 ca) landbouwgrond genaamd “le Jardin aux choux” (de Kooltuin?) grenzend aan de goederen van de voormalige abdij Affligem, 2de aan de goederen van Josse Van Varenberg en aan de andere zijden aan de goederen van de voormalige abdij Affligem.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 21 december 1796. De goederen werden geschat door Philippe Van Itterbeke, expert, en Mathias Gruber, commissaris. De verkoopprijs werd geschat op 2171 gulden en de jaarlijkse opbrengst op 144 – 15 – 0 pond. Het proces-verbaal werd ondertekent door Maria Anna Schoon in naam van haar vader Jacques (Jacobus). De landbouwgrond was van middelmatige kwaliteit.

De verkoop had plaats te Brussel op 22 januari 1797 om 9 uur ’s morgens volgens de affiche nr. 17 artikel 4. Het bieden begon met een bod van 4 600 pond. Tijdens het branden van de tweede kaars werden de percelen toegewezen met een eindbod van 4 600 pond aan burger Troussel. Deze persoon was de stroman van Jean Baptiste Pulée wonende te Parijs, rue Boudreau, divisie place de Vendôme. Hij beschikte over een volmacht geregistreerd op 25 december 1796 te Brussel. In de rand stond vermeld: burger Troussel gevolmachtigde van burger J. B. Paulée betaalde de helft van het 1ste tiende deel van de prijs en tekende in voor 4 obligaties gelijk aan 8 tienden van de prijs.

J. Schoon, nr. 416.

Beschrijving van de goederen: eén bunder twee dagwand land en weide, verpacht aan J. Schoon, voor een jaarlijkse pachtsom van 81 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Één bunder 2 roeden (1 ha 26 a 38 ca) landbouwgrond gelegen op de “Bellecauter” grenzend langs een zijde aan de weg van Ninove naar Mechelen, 2de aan de goederen van de kinderen Guillaume Beekmans, 3de aan L. Van Nieuwenhove, en 4de aan Jean Van Nieuwenhove.

2- Twee dagwand 37 roeden (72 a 87 ca) weide gelegen te Teralfene (roede = 30,7456 ca.)

op “De Kuyp” grenzend zuid aan burger Jean Van Nieuwenhove, 2de aan burger Jean Baptiste Christiaens, 3de aan de “Bellebeke”, en 4de aan burger Jean Van Nieuwenhove.

het PV van de schatting werd opgemaakt op 22 december 1800 door Charles Louis Joseph Terrace expert, Mathias Gruber burgemeester te Teralfene. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 81,40 frank, en de verkoopprijs op 651,20 frank. Verpacht aan J. Schoon, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Piré Van Beeke, voormalig bosmeester van de abdij Affligem op 25 mei 1793, in voege vanaf 10 november 1793 en eindigend op 9 november 1802, voor een pachtsom van 62,40 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 14 maart 1801 om 12 uur volgnes de a   ffiche nr. 306 artikel 5. Het bieden begon met een openingsbod van 648 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 125 frank aan burger Evrard Tops wonende te Brussel, rue Neuve, stroman die vermoedelijk kocht voor een onbekende opdrachtgever.

Jean Baptiste Timmermans, nr. 384.

Beschrijving van de goederen: vijf dagwand 50 roeden (1 ha 72 a 91 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem verpacht aan Jean Baptiste Timmermans & consorten voor een jaarlijkse pachtsom van 73 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Drie dagwand (1 ha 10 a 3 ca) landbouwgrond gelegen op de “Bellecauter” grenzend langs een zijde aan de weg van Teralfene naar de kerk van Hekelgem, 2de aan burger Michel Beekmans, 3de aan burger Louis Van Nieuwenhove, en 4de aan burger Jean Bosmans.

2- Twee dagwand (62 a 88 ca) landbouwgrond gelegen op de  “Bellecauter” grenzend langs een zijde, zuid, aan de weg van Ternat naar de kerk van Hekelgem, 2de aan burger Timmermans, 3de aan burger Louis Van Nieuwenhove, en 4de aan burger François Verbeeken.

Het PV van de schatting opgemaakt op 3 september 1800 door Charles Louis Joseph Terrace, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 73,40 frank en de verkoopprijs op 578,20 frank. Verpacht aan de burgers Jean Baptiste Timmermans en Jean Van Den Bossche wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 9 november 1793, in voege vanaf 26 december 1795 en eindigend op 25 december 1804, voor een jaarlijkse pachtsom van 56,90 frank, belastingen niet inbegrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 19 november 1800 om 12 uur volgens affiche nr. 277 artikel 6. Het bieden begon met een openingsbod van 584 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 590 frank aan burger Joseph Grégoire wonende te Brussel, Place de l’égalité nr. 1095. Vermoedelijk was hij een stroman voor een onbekende opdrachtgever.

Jaspard T’Kint, nr. 345.

Gaspard overleed te Hekelgem op 26 december 1816. Hij trouwde te Hekelgem op 30 juni 1774 met Maria Elisabeth Schelkens, te Hekelgem overleden op 24 maart 1822. Zij woonden op Bleregem en hadden 4 kinderen: Emanuel (°24 juni 1775), Joanna Cecilia (°20 juni 177), Angelina (°11 december 1778) en Henrica (°6 april 1782).

Beschrijving van de goederen: vijftien bunder drie dagwand 53 roeden (19 ha 97 a 22 ca) land, weide en bos, gelegen te Hekelgem en verpacht aan Gaspard T’Kint voor een jaarlijkse pachtsom van 580 frank, belastingen niet inbegrepen. De verkoopprijs werd ingesteld op 4 800 frank.

Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Drie bunder twee dagwand (4 ha 40 a 12 ca) landbouwgrond op de “Molencauter” grenzend langs alle zijden aan de goederen van de abdij Affligem.

2- Twee bunder twee dagwand (3 ha 14 a 37 ca) landbouwgrond op het “Wijveldt” grenzend langs een zijde aan de goederen van de abdij Affligem, 2de aan het goed van burger Pierre Van Ransbeek, 3de aan de “Auwebaen”, en 4de aan de steenweg van Brussel naar Aalst.

3- Twee dagwand (62 a 88 ca) landbouwgrond op “Het Lindeken” grenzend langs een zijde aan de “Kerkewegh”, 2de aan het goed van burger Josse Robijns, 3de aan de “Auwebaen”, en 4de aan de plaats genaamd “Losgat”.

4- Drie bunder (3 ha 77 a 25 ca) landbouwgrond en bos gelegen op “Het Heijken” grenzend langs een zijde aan de goederen van de abdij Affligem, 2de aan de “Grunestraet”, 3de aan het goed genaamd “Goedtberg”, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem.

5- Vier bunder (5 ha 3 a) landbouwgrond gelegen op “De broeken” grenzend langs alle zijden aan de goederen van de abdij Affligem.

6- Eén bunder 53 roeden (1 ha 42 a 41 ca) weide gelegen op de “Koeyweijde” grenzend langs alle zijden aan de goederen van de abdij Affligem.

7- Drie dagwand (94 a 31 ca) weide gelegen op de “Droogeweijde” grenzend langs een zijde aan het goed van de weduwe Robijns, 2de aan dit van burger Pascal Vertongen, 3de aan de goederen van de abdij Affligem, en 4de aan de goederen van de burgers Pierre & Joseph Deraedt.

8- Twee dagwand (62 a 88 ca) bos gelegen te Hekelgem op de plaats genaamd “Cauwenbergbosch” grenzend langs een zijde aan de “Cauwenbergvijver”, 2de, 3de & 4de aan de goederen van de abdij Affligem.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 9 juni 1798 door Jean Valentin Cordier, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 750 pond, en de verkoopprijs op 15 000 pond. Verpacht aan Jaspard T’Kint, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, in voege vanaf 25 december 1795 en eindigend op 25 december 1804, voor een jaarlijkse pachtsom van 317 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 7 juni 1800 om 12 uur volgens de affiche nr. 245 artikel 9. Het bieden begon met een openingsbod van 4 800 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor een eindbod van 6 725 frank aan burger Everard Tops wonende te Brussel, Longue rue Neuve n° 158. Vermoedelijk was hij stroman voor een onbekende opdrachtgever. De pachter ?

Michel Van den Bergh, nr. 551.

Michael werd te Hekelgem gedoopt op 26 mei 1751 en overleed er op 5 januazri 1838. Hij trouwde te Hekelgem op 31 januari 1786 met Francisca Ryssinck, te Hekelgem gedoopt op 12 oktober 1762 en er overleden op 7 januari 1848. Zij woonden in de Bosstraat en hadden 7 kinderen: Joanna (°11 januari 1787), Maria (°26 mei 1791), Francisca (°26 juni 1793), Petrus (°19 april 1796), Petrus Benedictus (°11 april 1799), Joanna Maria (°11 mei 1802) en Petrus Franciscus (°1 juli 1805).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op de  “Lennickweijde”, groot 47 a 10 ca, grenzend langs een zijde aan de “Boschstraet”, 2de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan François De Gols, 3de aan de dijk van de “Paddevijver”, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht de kinderen Josse Vonck. Langs de kant van de straat bevonden er zich negen geknotte eiken en drie populieren, langs de andere kant, aan de dijk van de vijver, stond er een strook schaarhout. Dat kwam Michel Van den Bergh toe.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 22 augustus 1806 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Gaspar Pierre T’Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 15 frank en de verkoopprijs op 310 frank, inbegrepen de hoogstammige bomen geschat op 10 frank. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan de Michel Van Den Bergh wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 door de burgemeester van Asse (registernr. 400 te Asse – 124 in het nieuwe register), voor een jaarlijkse pachtsom van 7,25 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 25 oktober 1806 om 12 uur volgens de affiche nr. 544 artikel 14. Het bieden ving aan met een openingsbod van 310 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 370 frank aan burger Henri Grundt wonende te Brussel, Place Saint Michel.

Jean Van Den Bossche, zie nr. 384.

Pierre Van den Bossche, nr. 251, zie ook Giilis Van de Velde nr. 327.

Petrus werd op 29 augsutus 1755 Hekelgem gedoopt en overleed er op 18 maart 1806. Hij trouwde met Maria Theresia Rogiers die niet van Hekelgem afkomstig was en er ook niet overleed. Zij woonden aan de badij en hadden 10 kinderen: Emanuel (°25 april 1784), Joanna (°31 mei 1785), Petrus Joannes (°9 september 1787), Guillelmus (Catharina (°25 maart 1789), Maria (°16 februari 1791), Adriana (°25 juni 1792), Maria Catharina (°12 februari 1795), Joanna Francisca (°12 december 1796) en Isabella (°16 mei 1799).

Beschrijving van de goederen: twee bunder 20 roeden (2 ha 57 a 79 ca) land, hopveld en schaarhout verpacht aan Pierre Van Den Bossche voor een jaarlijkse pachtsom van 69 frank, belastingen niet inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Twee dagwand (62 a 87 ca) landbouwgrond gelegen op de “Koeyweijde” grenzend langs een zijde aan Louis Van Roy, 2de aan de kinderen Dats, 3de aan een kleine weg naar de voormalige abdij Affligem, 4de aan de voormalige abdij.

2- Twee dagwand (62 a 87 ca) landbouwgrond grenzend langs een zijde aan de weg van Ninove naar Mechelen, 2de aan de weduwe Jean Baptiste Godefroy, 3de aan Benoit Schoon, en 4de aan Zacharias De Wever.

3- Eén bunder 20 roeden (1 ha 32 a 4 ca) landbouwgrond, waarvan een gedeelte gebruikt als hopveld en een deel voor schaarhout, grenzend langs een zijde aan de steenweg van Aalst naar Brussel, 2de aan de weduwe Robijns, 3de aan Pierre Van Den Bossche, en 4de aan een kleine weg naar de voormalige abdij Affligem.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 22 augustus 1798 door Charles Louis Joseph Terrace, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 38 gulden, en de verkoopprijs op £ 1 520, plus de 30 hoogstammige bomen die geschat werden op £ 70, samen £ 1 590. De goederen waren verpacht aan burger Pierre Van Den Bossche, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, in voege vanaf 9 oktober 1795 en eindigend op 10 oktober 1804, voor een jaarlijkse pachtsom van 38 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 7 januari 1799 om 10 uur volgens affiche nr. 144, artikel: 28. Het bieden ving aan met een openingsbod van 672 frank door burger Pierre Van Den Bossche. Tijdens het branden van de ? kaars toegewezen voor het eindbod van 765 frank aan burger Pierre Van Den Bossche wonende te Hekelgem, huurder van het goed.

Henri Van den Houten, nr. 411.

Beschrijving van de goederen: drie dagwand 4 roeden (95 a 57 ca) landbouwgrond gelegen op het veld “Clawate”, verpacht aan Jean Van Den Houten, voor een jaarlijkse pachtsom van 9 frank, belastingen inbegrepen, grenzend langs een zijde aan een kleine weg, 2de aan burger Goedvinck, 3de aan burgeres weduwe Jean Baptiste Godfroy, en 4de aan burger Gille Van De Velde.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 23 november 1797 door Charles Louis Joseph Terrace, expert, wonende te Asse en ? Crick die Mathias Gruber commissaris te Asse, verving. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 46,10 frank en de verkoopprijs op 312,80 frank. Verpacht aan Henri Van Den Houten, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op 26 oktober 1793, van kracht vanaf 9 november 1796 en eindigend op 9 november 1805, voor een jaarlijkse pachtsom van 16 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 23 april 1801 om 12 uur volgens affiche nr. 308 artikel 11. Het bieden begon met een openingsbod van 312 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 170 frank aan burger Honoré Joseph Helin wonende te Brussel, rue de Namur nr. 929, stroman die kocht met een volmacht van Jean De Loecker & Guillaume Graindorge wonende te Asse.

Michel Van Den Weijngaert, zie ook Gillis Van de Velde nr. 327.

Michael, overleed te Hekelgem op 14 juni 1804. Hij trouwde met Catharina Van Nieuwenborgh die te Hekelgem overleed op 29 januari 1825. Ze woonden in de Langestraat en hadden 6 kinderen : Joannes Baptist (°10 februari 1779), Anna catharina (°3 oktober 1781) Barbara (°29 september 1784), Anna Francisca (°9 oktober 1787), Petrus (°23 oktober 1791) en Barbara (°28 september 1794).

Gillis Van de Velde, Michel Van Den Weijngaert, weduwe François Plas, Pierre Dauwe en Pierre Van Den Bossche  nr. 327.

Egidius Van de Velde werd te Hekelgem gedoopt op 3 april 1717 en hij trouwde er op 19 juni 1738 met Clara Vijverman die niet in Hekelgem werd gedoopt en er ook niet stierf. Zij hadden 4 kinderen: Elisabeth (°10 september 1738), Joannes Baptist (°30 december 1741), Adrianus (°29 maart 1746) en Joannes Baptist (°18 augustus 1749).

Beschrijving van de goederen: vier bunder 65 roeden (5 ha 23 a 43 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem en Essene, verpacht aan Van De Velde en consorten voor een jaarlijkse pachtsom van 148 frank, belastingen niet inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Vijf dagwand (1 ha 57 a 19 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op de “Koyweijde” grenzend langs een zijde aan de “Koyweg”, 2de aan burger Corneille Van Houte, 3de aan burger Joseph Robijns, en 4de aan burger Joseph Clauwaert.

2- Drie dagwand 65 roeden (1 ha 14 a 75 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op “De Weijde” grenzend langs een zijde aan de weg, 2de aan burger Thomas Raes, 3de aan burger Pierre Raes, en 4de aan de weduwe Josse Vonck.

3- Eén bunder (1 ha 25 a 75 ca) landbouwgrond gelegen te Essene op “Den Nieuwenboschcauter” grenzend langs een zijde aan de “Nieuwenbosch”, 2de aan burger Josse Van Nieuwenhove, 3de aan burger François De Clercq, en 4de aan burger Josse Clauwaert.

4- Eén bunder (1 ha 25 a 75 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op “De Koyweijde” grenzend langs een zijde aan burger Pierre Van Den Bossche, 2de aan de weduwe François Plas, 3de aan burger Jean De Vis, en 4de aan burger Joseph De Decker.

Er werden 4 PV van de schattingen opgemaakt:

1) PVl van de schatting van nr. 1 opgemaakt op 31 juli 1798 door Louis Joseph Terrace, expert, Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 25 gulden, en de verkoopprijs op 1 008 pond, 4 hoogstammige bomen geschat op 8 pond inbegrepen. Verpacht aan Gillis Van De Velde wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden op 9 oktober 1793 door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, in voege vanaf 9 oktober 1796 en eindigend op 9 oktober 1805, voor een jaarlijkse pachtsom van 25 gulden.

2) PV van de schatting van nr. 2 opgemaakt op 28 november 1797 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 42,60 frank, en de verkoopprijs op 340,80 frank. Verpacht aan Michel Van Den Weijngaert wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 9 november 1793, in voege vanaf 9 november 1796 en eindigend op 9 november 1805, voor een jaarlijkse pachtsom van 15 gulden.

3) PV van de schatting van nr. 3 opgemaakt op 1 augustus 1798 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 21 gulden, en de verkoopprijs op 840 pond. Verpacht aan de weduwe François Plas wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden 9 oktober 1793 door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, in voege vanaf 9 oktober 1796 en eindigend op 9 oktober 1805, voor een jaarlijkse pachtsom van 21 gulden.

4) PV van de schatting opgemaakt op 1 december 1797 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 53,90 frank, en de verkoopprijs op 431,20 frank. Verpacht aan Pierre Dauwe en Pierre Van Den Bossche wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden op 9 november 1793 door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, in voege vanaf 9 november 1796 en eindigend op 9 november 1805, voor een jaarlijkse pachtsom van 20 pond. Er werden vier PV van de schatting samengevoegd tot een proces-verbaal van toewijzing

De verkoop had plaats te Brussel op 29 maart 1800 om 11 uur volgens de affiche nr. 232 artikel 39. Het bieden ving aan met een openingsbod van 1 250 frank door burger Jean Baptiste Weemaels, vervanger van burger Alexandre Bacquet die bood met een volmacht van Jean Baptiste Beauvais, ondernemer die instond voor de verwarming en licht van de troepen van de Republiek. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 2 150 frank aan burger Jean Baptiste Weemaels, wonende te Brussel.

André Van de Perre, nr. 602.

Beschrijving van de goederen: één ha 57 a 40 ca landbouwgrond gelegen op “De Beckenelen” grenzend langs een zijde aan de losweg, 2de aan de goederen van de kinderen Henri Verleijsen, 3de aan de goederen van de voormalige abdij Affligem, en 4de aan Jean Baptiste Van Der Schueren, en 6de aan de Armen en de kerk van Hekelgem.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 23 februari 1807 door Guillaume De Becker, expert, wonende te Brussel, en Gaspar Petrus ‘T Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 55 frank en de verkoopprijs op 1100 frank. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan André Van De Perre wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 (registernr. 52 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 48 frank, belastingen niet inbegrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 19 september 1807 om 12 uur volgens de affiche nr. 590          artikel 7. Het bieden ving aan met een openingsbod van 1 100 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 125 frank aan Zacharias De Wever wonende te Hekelgem.

Josse (Judocus)Van de Perre, nr. 601.

Judocus werd te Hekelgem gedoopt op 28 december 1755 en overleed er op 16 juni 1838. Hij trouwde met Anna Francisca Wauters die te Hekelgem overleed op 3 oktober 1836. Hun huis stond in de Bosstraat. Zij hadden 7 kinderen: Maria (°2 juni 1791), Andreas (°26 oktober 1792), Maria Judoca (°30 maart 1794), Joanna Catharina (°4 januari 1797), Joannes Baptist (°20 januari 1799), Petronella carolina (°13 juli 1802) en Victoria (°9 juli 1806).

Beschrijving van de goederen: één ha 88 a 40 ca landbouwgrond gelegen op “Het Weijmeerschveld” grenzend langs een zijde aan de “Boschstraet”, 2de aan de goederen van de voormalige abdij Affligem verpacht aan de weduwe Jean Baptiste De Smet, 3de aan de goederen van de voormalige abdij Affligem verpacht aan Benoit Schoon, en 4de aan het erf van de weduwe Guillaume Van De Perre. Dit perceel werd doorsneden door een voetpad en op een hoek door een ander voetpad.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 21 februari 1807 door Guillaume De Becker, expert, wonende te Brussel, en Gaspar Petrus ‘T Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 75 frank en de verkoopprijs op 1516 frank, de bomen die zich op het perceel bevonden, geschat 16 frank, inbegrepen. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan Josse Van De Perre en consorten wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 (registernr. 53 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 54 frank, belastingen niet inbegrepen. Judocus Van De Perre liet noteren dat dit land gebruikt werd door hem, de weduwe Henri Van Nieuwenborre, Andries Van Den Bergh en de kinderen Henri Plas maar dat het pachtcontract op zijn naam stond.

De verkoop had plaats te Brussel op 19 september 1807 om 12 uur volgens de affiche nr. 590          rtikel 6. Het bieden begon met een openingsbod van 1 516 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 550 frank aan André Van Den Bergh & Pierre Plas wonende te Hekelgem.

Jean Van der Borght, nr. 382.

Joannes werd te hekelgem gedoopt op 19 december 1748 en overleed er op 10 december 1815. Hij trouwde met Maria Anna De Backer, te Hekelgem overleden op 3 februari 1829.Hun huis stond op Kortenbos. Ze hadden 7 kinderen: Joannes Baptist (°18 februari 1780), Petronella (°8 februari 1781), Guillelmus (°27 septemner Adriana (°30 augustus 1789) en Joannes Baptist (°25 februari 1791).1782), Franciscus (°17 september 1785), Anna (°25 januari 1787),

Beschrijving van de goederen: zes dagwand (1 ha 88 a 62 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op de plaats genaamd “Kortenbosch” grenzend langs een zijde aan het nationaal goed genaamd “Kortenbosch”, 2de aan het goed van de abdij Affligem, 3de aan burger Defeves, en 4de aan de weg van Teralfene naar Aalst.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 22 mei 1798 door Jean Valentin Cordier, expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 45 pond, en de verkoopprijs op 1 390 pond, negen hoogstammige bomen geschat op 30 pond, inbegrepen. Verpacht aan burger Jean Van Der Borght wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een onderhandse akte verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, in voege vanaf 25 december 1795, voor een jaarlijkse pachtsom van 20 gulden, belastingen niet inbegrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 9 november 1800 om 12 uur volgens de affiche nr. 275 artikel 18. Het bieden begon met een openingsbod van 574 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 225 frank aan burger Josse Van Doren wonende te Opwijk.

Michel Van de(r) Perre(n), nr. 504.

Michael werd te hekelgem gedoopt op 23 oktober 1765 en overleed er op 5 juni 1843. Hij trouwde te Hekelgem op 22 januari 1793 met Joanna Francisca De Coninck. Zij werd te Hekelgem gedoopt op 22 april 1770 en overleed er op 2 november 1837. Ze woonden in ’t Mazits en hadden 7 kinderen: Joanna (°2 december 1793), Gerardus (°23 juni 1796), Petronella (°15 januari 1799), Joanna Maria (°25 juni 1801), Jacobus (°27 februari 1803), Judocus (°29 januari 1806) en Joanna Catharina (°1 september 1808).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op “Den Hekelghemcauter”, groot 59 a 3 ca, grenzend langs een zijde aan de goederen van de Armen van Moorsel verpacht aan Gille Buggenhout en de goederen van Josse Clauwaert, 2de aan deze van François Van Lierde, 3de met de helft van de losweg aan de goederen van Gille Verbeken, en 4de aan deze verpacht aan Josse Clauwaert.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 27 juni 1805 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 24 frank en de verkoopprijs op 480 frank. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan burger Michel Van Der Perren, landbouwer, wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 (registernr. 39 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 19,96 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 21 september 1805 om 12 uur volgens de affiche nr. 487          artikel 7. Het bieden ving aan met een openingsbod van 480 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 485 frank aan burger Henri Grundt wonende te Brussel, stroman die kocht met een volmacht van Daniël De Smedt wonende te Aalst.

Peter Van de(r) Perre(n), nr. 503.

Petrus werd te Hekelgem gedoopt op 30 juni 1752 en overleed er op 31 oktober 1816. Hij trouwde te Hekelgem op 15 mei 1779 met Elisabeth Spinael afkomstig van Brussel. Elisabeth stierf te hekelgem op 16 januari 1816. Zij hadden 4 kinderen: Anna (°9 januari 1780), Elisabeth (°5 september 1782), Josephus (°22 februari 1786) en Anna Francisca (°4 augustus 1792).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen dichtbij “De Queselswegh”, groot 39 a 35 ca, grenzend langs een zijde aan de straat van de kerk naar de steenweg van Brussel naar Gent, 2de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Vertongen, 3de aan de goederen van Michel Van Der Perren en deze van de kerk van Hekelgem verpacht aan Emmanuel Verleysen, en 4de aan de goederen van Sieur Benoit De Witte.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 29 juni 1805 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 18 frank en de verkoopprijs op 360 frank. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan burger Peeter Van Der Perren, landbouwer, wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 (registernr. 64 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 11,78 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 21 september 1805 om 12 uur volgens de affiche nr. 487          artikel 6. Het bieden ving aan met een openingsbod van 360 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 365 frank aan burger Henri Grundt wonende te Brussel, stroman die kocht met een volmacht van Daniël De Smedt wonende te Aalst.

De kinderen Joseph Van Lierde, nr.318.

Joseph werd te Hekelgem gedoopt op 12 mei 1720 en overleed er op 1 februari 1785. Hij trouwde te Hekelgem op 15 mei 1747 met Joanna Catharina De Kegel, te Hekelgem gedoopt op 30 november 1722 en er overleden op 21 juni 1796. Zij hadden 11 kinderen: Anna Theresia (°28 maart 1749), Joannes Franciscus (°28 februari 1751), Ferdinand Baptist (°15 november 1752), Joanna Petronella (°7 oktober 1754), Anna Francisca (°7 mei 1756),  Joannes Baptist (°14 januari 1758), Petrus Benedictus (°5 maart 1759), Joannes Jacobus (°21 juni 1761), Anna Maria (°27 december 1763), Petrus Jacobus (°30 juni 1766) en Maria Anna (°26 september 1769).

Beschrijving van de goederen: Joseph Van Lierde pachtte2 bunder drie dagwand (3 ha 45 a 81 ca) landbouwgrond voor een jaarlijkse pachtsom van 108 frank, belastingen niet inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Één dagwand (31 a 44 ca) landbouwgrond gelegen op “De Hoogde” grenzend langs een zijde aan de weg naar de kerk, 2de aan het voetpad gaande naar de steenweg naar Brussel, 3de aan een kleine weg naar Boukhout, en 4de aan Adrien Itterbeek.

2- Zes dagwand (1 ha 88 a 62 ca) landbouwgrond gelegen op “Den Fossel” grenzend langs een zijde aan de weg van Ninove naar Mechelen, 2de aan de goederen van de pastorij van Hekelgem, 3de aan burgeres weduwe Martin Robijns, en 4de aan de oude baan naar Brussel.

3- Eén bunder (1 ha 25 a 75 ca) landbouwgrond gelegen op “’t Heijken” grenzend langs een zijde aan de oude baan naar Brussel, 2de aan de weg naar Hekelgem, 3de aan burger Jaspart ’t Kint, en 4de aan burger Pierre Roggeman.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 29 juli 1798 door Charles Louis Joseph Terrace expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 60 gulden, en de verkoopprijs op 2 400 pond. De goederen waren verpacht aan de kinderen Joseph Van Lierde, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden op 10 oktober 1793 door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, in voege vanaf 10 oktober 1795, en eindigend op 10 oktober 1804, voor een pachtsom van 60 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 14 maart 1800 om 11 uur volgens de affiche nr. 229, artikel 14. Het bieden begon met een openingsbod van 960 frank door burger Jean Baptiste Weemaels, vervanger van burger Alexandre Bacquet die bood met een volmacht van Louis Badin, die burger Victor Badin, ondernemer van diverse diensten voor het Italiaans leger, verving. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 200 frank aan burger Jean Baptiste Weemaels, wonende te Brussel.

François Van Nieuwenhove, nr. 253.

Beschrijving van de goederen: twee bunder twee dagwand land en weide gelegen te Teralfene, Hekelgem en Liedekerke, verpacht aan François Van Nieuwenhove voor een jaarlijkse pachtsom van 91 frank, belastingen niet inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- 85 roeden (26 a 13 ca) landbouwgrond gelegen te Teralfene op het veld “Welleken” grenzend langs een zijde aan François Hermans, 2de aan Judocus Van Nijghen, 3de aan dezelfde, en 4de aan de los naar de weiden.

2- Drie dagwand 15 roeden (99 a 3 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem, grenzend langs een zijde aan burger Joannes Schoon, 2de aan de weg van Mechelen naar Ninove, 3de aan Joannes Ph. Rollier, en 4de aan burger Judocus De Reuse.

3- Drie dagwand (92 a 24 ca) landbouwgrond gelegen te Liedekerke, grenzend langs een zijde aan een kleine weg, 2de aan burger M. Custens, 3de aan de Bellebeek, en 4de aan Joannes Christiaens.

4- Drie dagwand (92 a 24 ca) weide gelegen te Liedekerke, grenzend langs een zijde aan een kleine weg, 2de aan burger M. Custens, 3de aan de Bellebeek, en 4de aan Joannes Christiaens.

Opmerking: Roede te Teralfene = 30,7456 ca, te Hekelgem = 31,4375 ca, te Liedekerke = 30,7456 ca.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 23 juli 1798 door Charles Louis Joseph Terrace, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 50 gulden, en de verkoopprijs op £ 2 000, plus 12 hoogstammige bomen. De goederen waren verpacht voor 9 jaar aan burger François Van Nieuwenhove met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, in voege vanaf 10 oktober 1795 en eindigend op 10 oktober 1804, voor een jaarlijkse pachtsom van 50 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 7 januari 1799 om 10 uur volgens affiche nr. 144, artikel 27. Het bieden ving aan met een openingsbod van 868 frank door André Van Gaver. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 885 frank aan burger André Van Gaver wonende te Brussel. frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 3 625 frank aan burger Marc Mercier wonende te Brussel, rue de Fleurus nr. 1008.

Joannes Van Nieuwenhove, Teralfene, nr. 320.

Beschrijving van de goederen: vijf bunder 70 roeden land, weide en bos gelegen te Teralfene, Hekelgem en Liedekerke, verpacht aan Joannes Van Nieuwenhove voor een jaarlijkse pachtsom van 200 frank. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Drie bunder (3 ha 68 a 95 ca) landbouwgrond gelegen te Teralfene (roede = 30,7456 ca.) op “De Bremme” grenzend langs een zijde aan de weg van Ninove naar Mechelen, 2de aan het voetpad naar Ninove, 3de aan burger Jean Bresse, en 4de aan burger Louis Van Nieuwenhove.

2- Twee dagwand (62 a 87 ca) landbouwgrond waarvan de helft voordien schaarhout, gelegen te Hekelgem grenzend langs een zijde aan het voetpad naar de weg van Ninove naar Mechelen, 2de aan Jean Van Nieuwenhove, 3de aan burger J. Verbeke, en 4de aan burger Joannes Franciscus Van Hove.

3- Eén bunder 70 roeden (1 ha 47 a 76 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op het veld “Ballae” grenzend langs een zijde aan de kinderen Joannes Pauwels, 2de aan François Van Nieuwenhove, 3de aan burger Lawis, en 4de aan burgeres weduwe Jacques Schoon.

4- Twee dagwand (61 a 49 ca) landbouwgrond en weide gelegen te Liedekerke (roede = 30,7456 ca.) op het veld  “Baudelle” grenzend langs een zijde aan de “Bellebeek” komende van Belle, 2de aan burger Michel De Bisschop, 3de aan burger Joannes Franciscus Van Hove, en 4de aan burger Mertens.

Land van gemiddelde kwaliteit.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 24 juli 1798 door Charles Louis Joseph Terrace expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 100 gulden, en de verkoopprijs op 2 027 pond, 9 hoogstammige bomen geschat op 27 pond inbegrepen. Verpacht Joannes Van Nieuwenhove van Teralfene, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 21 mei 1794. De pacht ging in voege vanaf 21 mei 1796 en eindigde op 21 mei 1805. De pachtsom bedroeg 80 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 14 maart 1800 om 11 uur volgens affiche nr. 229, artikel 15. Het bieden ving aan met een openingsbod van 1 600 frank door burger Jean Baptiste Weemaels, vervanger van burger Alexandre Bacquet die bood met een volmacht van Louis Badin, die burger Victor Badin, ondernemer van diverse diensten voor het Italiaans leger, verving. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 3 225 frank aan burger Jean Baptiste Weemaels, wonende te Brussel.

Louis Van Nieuwenhove, nr. 385, zie ook Joannes Baptist Christiaens.

Beschrijving van de goederen: zeven dagwand (2 ha 20 a 6 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem verpacht aan Louis Van Nieuwenhove & consorten voor een jaarlijkse pachtsom van 89 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Vijf dagwand (1 ha 57 a 19 ca) landbouwgrond gelegen op de “Bellecauter” grenzend langs een zijde, zuid, aan burger Joseph Rollier, 2de aan burgeres weduwe Jacob Meert, 3de aan de “Kabeek” (Okaaibreek), 4de aan burger François Verbeeke, 5de aan burger Jean Bosmans, 6de aan burger Timmermans, 7de aan burger Michel Beekmans, 8de aan burger Guillaume Goedvinck, 9de aan burger Jean Schoon, en 10de aan burger François Van Nieuwenhove.

2- wee dagwand (62 a 88 ca) landbouwgrond gelegen op de “Bellecauter” grenzend langs een zijde, zuid, aan burger Judo Van Nieuwenhove, 2de aan de weg van Teralfene naar Hekelgem, 3de aan burger Jean Van Nieuwenhove, en 4de aan burger Joseph Rollier.

Het PV van de schatting werdopgemaakt op 2 september 1800 door Charles Louis Joseph Terrace, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 67,95 frank en de verkoopprijs op 714,40 frank. Verpacht aan de burgers Louis Van Nieuwenhove en Jean Baptiste Christiaens wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 9 november 1793, in voege vanaf 26 december 1795 en eindigend op 25 december 1804, voor een jaarlijkse pachtsom van 67,95 frank, belastingen niet inbegrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 19 november 1800 om 12 u. volgens affiche nr. 277 artikel 7.

Het bieden ving aan met een openingsbod van 712 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 728 frank aan burger Joseph Grégoire wonende te Brussel, Place de l’égalité nr. 1095. Vermoedelijk was hij een stroman voor een onbekende opdrachtgever.

Adrien Van Nijghen, Teralfene, nr. 317.

Beschrijving van de goederen: vijf bunder drie dagwand 84 roeden (7 ha 49 a 47 ca) land verpacht aan Adrien Van Nijghem voor een jaarlijkse pachtsom van 303 frank. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- 95 roeden (29 a 86 ca) landbouwgrond gelegen op het veld genoemmd “Bollart” grenzend langs een zijde aan burger Jean Baptiste Christiaens, 2de aan burger Pierre De Bisschop, 3de aan het goed van de kinderen Guillaume Beekmans, en 4de aan burger Guillaume Van Vaerenbergh.

2- Één dagwand 30 roeden (40 a 87 ca) landbouwgrond gelegen op  “Bollart” grenzend langs een zijde aan burger Pierre De Bisschop, 2de aan de kinderen Joannes Pauwels, 3de aan burger Josse Van Vaerenbergh, en 4de aan burger Michel Van Vaerenbergh.

3- Vijf bunder één dagwand 59 roeden (6 ha 78 a 73 ca) landbouwgrond grenzend langs een zijde aan de weg naar Teralfene, 2de aan burgeres weduwe Jacobus Schoon, 3de aan burger François Van Hove, 4de aan de weduwe Michel De Cuyper, en 5de aan burger Michel De Bisschop.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 21 juli 1798 Charles Louis Joseph Terrace expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 165 gulden, en de verkoopprijs op 6 650 pond, 20 hoogstammige bomen inbegrepen. Verpacht aan Adrien Van Nijghen wonende te Teralfene, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, in voege vanaf 8 oktober 1797, en eindigend op 8 oktober 1806, voor een pachtsom van 165 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 9 maart 1800 om 11 uur volgens de affiche nr. 228, artikel 21. Het bieden ving aan met een openingsbod van 2 474 frank door burger Jean Baptiste Weemaels, vervanger van burger Alexandre Bacquet die bood met een volmacht van Louis Badin, die burger Victor Badin, ondernemer van diverse diensten voor het Italiaans leger, verving. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 3 775 frank aan burger Jean Baptiste Weemaels, wonende te Brussel.

De weduwe Pierre Van Occolayen, Anne Cathérine Boom[18], nr.467.

Petrus Van Ockeley, te Hekelgem gedoopt op 21 februari 1741 en er overleden op 20 april 1799, was eerst getrouwd met Catherine Tassenoy die op 24 augustus 1775 overleed. Zij hadden 2 kinderen: Joannes Franciscus (°2 maart 1772 en Eleonora (°23 januari 1775). Petrus hertrouwde Anna Catherina Booms die overleed te Hekelgem op 3 februari 1818. Met haar had Petrus nog 5 kinderen: Petrus (°11 juli 1777), Martinus (°22 januari 1779), Adrianus (°13 december 1780), Maria (°14 december 1783) en Maria Anna (°17 november 1786).

Beschrijving van de goederen: twee percelen landbouwgrond gelegen te Hekelgem, groot 1 ha 25 a 20 ca. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Een perceel landbouwgrond gelegen naast de abdij Affligem en genoemd “De Wijde”, groot 62 a 60 ca, grenzend langs een zijde aan de goederen verpacht aan François Plas, de dijk maakt deel uit van dit perceel, 2de aan het bos van de kinderen De Kegel tot aan de gracht, 3de aan het bos van Philippe Bal, Henri Poels, de kinderen De Kegel, Jean Van Houzon en de hoek van het bos van Jean Van Lierde, 4de aan het voetpad en losweg naast de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jean De Leeuw.

2- Een perceel landbouwgrond doorsneden door een kleine weg naar de abdij Affligem, op de  “Molencauter”, groot 62 a 60 ca, grenzend langs een zijde aan de goederen verpacht aan Jacques Meersman, 2de aan de weg van de abdij Affligem naar de steenweg van Brussel naar Gent, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe François Clijwaert, dit perceel wordt doorsneden door een voetpad

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 23 juli 1803 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Mathias Gruber, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 54,09 frank en de verkoopprijs op 540,90 frank plus 69 jonge beuken en olmen geschat op 138 frank, samen 678,90 frank. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan de weduwe Pierre Van Occolayen, wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 (registernr. 1588 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 38,09 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 11 februari 1804 om 12 uur volgens de affiche nr. 403 artikel 5. Het bieden begon met een openingsbod van 746 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 550 frank aan burger Evrard Tops wonende te Brussel, rue du Persil, stroman die kocht voor een onbekende

Laurent Van Roy, nr. 435.

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op “De Schaepschuer”, groot 62 a 80 ca, grenzend langs een zijde aan het “Croix de pierre” en de steenweg, 2de & 3de aan de weg naar “Cambergh” (Coudenberg?), en 4de aan het goed van Josse Clauwaert

Het PV van de schatting weerd opgemaakt op 20 juli 1802 door Pierre Aubugeois, expert wonende te Brussel, en Mathias Gruber, burgemeester te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 20 frank en de verkoopprijs op 200 frank. Bij de schatting werd het perceel gebruikt voor de aardappelteelt. Laurent Van Roy liet noteren dat hij dit perceel pachtte sinds Kerstmis 1786, voor negen jaar, voor een jaarlijkse pachtsom van 10 gulden. Het pachtcontract kon hij echter niet tonen. De ontvanger der domeinen te Asse verklaarde dat Laurent Van Roy geen geldig pachtcontract bezat.

De verkoop had plaats te Brussel op 4 september 1802 om 12 uur volgens de affiche nr. 332 artikel 12. Het bieden begon met een openingsbod van 220 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 650 frank aan burger Laurent Van Roy, wonende te Hekelgem.

Guillaume Van Vaerenbergh, nr. 476.

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op “De Merecauter”, groot 42 a 70 ca, grenzend langs een zijde aan de weg van Teralfene naar Aalst, 2de aan een voetpad naar de Dender, 3de aan een ander klein voetpad haaks op dit naar de Dender.

Het PV van de schatting opgemaakt op 18 juli 1802 door Pierre Aubugeois, expert wonende te Brussel, en Mathias Gruber, burgemeester te Asse. De verkoopprijs werd geschat op 149 frank. Verpacht vanaf 26 juli 1801 aan Guillaume Van Vaerenberg, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801, door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 13,59 frank. De pachter verklaarde dit perceel reeds 16 opeenvolgende jaren in pacht te hebben. Gewone grond waarop rogge geteeld werd.

De verkoop had plaats te Brussel op 17 maart 1804 om 12 uur volgens de affiche nr. 408 artikel 21. Het bieden begon met een openingsbod van 154 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 340 frank aan burger Antoine Levas wonende te Brussel, “Quai aux Tourbes”.

Jean Van Vaerenbergh, nr. 383.

Beschrijving van de goederen: zes dagwand (1 ha 88 a 62 ca) landbouwgrond van een gemiddelde kwaliteit gelegen op de “Koyweijde” grenzend langs een zijde aan burger Jaspart ‘t Kint, 2de aan burger Pierre Okelije, 3de aan het goed van de kinderen Josse Van Lierde, en 4de aan burger François Stas.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 2 augustus 1798 door Charles Louis Joseph Terrace, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 24 gulden en de verkoopprijs op 960 pond. Verpacht aan burger Jean Van Vaerenberg wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 9 oktober 1793, in voege vanaf 9 oktober 1795 en eindigend op 9 oktober 1804, voor een jaarlijkse pachtsom van 24 gulden, belastingen niet inbegrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 9 november 1800 om 12 uur volgens affiche nr. 275 artikel 19. Het bieden begon met een openingsbod van 480 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 225 frank aan burger Evrard Tops wonende te Brussel, Longue rue Neuve nr. 158. Vermoedelijk was hij een stroman voor een onbekende opdrachtgever.

Paul Van Vaerenbergh en Marie Thérèse Vonck, nr. 367.

Paul werd te Hekelgem gedoopt op 21 februari 1761 en overleed er op 25 januari 1829. Hij trouwde te Hekelgem op 9 november 1784 met Adriana Van den Dorpel, te Hekelgem overleden op 22 december 1834.Zij woonden in de Bosstraat en hadden 8 kinderen: Maria Anna (°6 mei 1785), Joannes (°19 november 1786), Isabella (°15 maart 1789), Francisca (°22 maart 1791), Anna Catharina (°15 mei 1792), Joannes (°8 november 1794), Joanna Benedicta (°13 april 1794) en Guiullelmus (°23 februari 1799).

Maria Theresia was de dochter van Joannesn Baptist en Catherina Van Geite, te Hekelgem geboren op 10 juni 1763 en er overleden op 25 februari 1836. Zij trouwde te Hekelgem op 21 november 1799 met Petrus De Schrijver, te Hekelgem gedoopt op 31 juli 1712 en er overleden op 25 november 1791. Hun huis stond in Terlinden en zij hadden 4 kinderen:  Maria Petronella (°7 oktober 1798), Judocus (°29 november 1799), Joannes (°4 februari 1803) en Petrus (°17 november 1805.

Beschrijving van de goederen: twee bunder één dagwand 50 roeden (2 ha 98 a 66 ca) land gelegen te Hekelgem en verpacht aan Paul Van Vaerenberg & Marie Thérèse Vonck voor een jaarlijkse pachtsom van 96 frank. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Één bunder 75 roeden (1 ha 49 a 33 ca) landbouwgrond gelegen op de “Leuninckweijde” grenzend langs een zijde aan “Den Kisvijver”, 2de aan Benoit Schoon, 3de aan de weduwe Jean Baptiste De Smet, en 4de aan G. Van De Perre.

2- Eén bunder 75 roeden (1 ha 49 a 33 ca) landbouwgrond gelegen  op de “Leuninckweijde” grenzend langs een zijde aan de weg naar het bos, 2de aan burger François De Gols, 3de aan de vijver genaamd “Den Perrevijver”, en 4de aan Paul Van Vaerenbergh.

Er werden twee PV van schatting samengevoegd tot een proces-verbaal van toewijzing.

1) PV van de schatting opgemaakt op 3 augustus 1798 door Louis Joseph Terrace, expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 21 gulden, en de verkoopprijs op 863 pond, inbegrepen 15 jonge hoogstammige bomen geschat op 23 pond. Verpacht aan burger Paul Van Vaerenberg wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op op 9 oktober 1793, in voege vanaf 9 oktober 1796 en eindigend op 9 oktober 1805, voor een jaarlijkse pachtsom van 21 gulden, belastingen niet inbegrepen. Dit proces-verbaal betreft het nummer 1 van de beschrijving van de goederen.

2) PV van de schatting opgemaakt op 30 juli 1798 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 21 gulden, en de verkoopprijs op 840 pond. Verpacht aan Marie Thérèse Vonck wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op op 9 oktober 1793, in voege vanaf 9 oktober 1796 en eindigend op 9 oktober 1805, voor een jaarlijkse pachtsom van 21 gulden. Dit PV betreft nr. 2 van de beschrijving van de goederen.

De verkoop had plaats te Brussel op 5 september 1800 om 12 uur volgens de affiche nr. 263 artikel: 11. Het bieden begon met een openingsbod van 768 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 150 frank aan burger Henry Grundt wonende te Brussel, op de hoek van Cantersteen, stroman die kocht met een volmacht van burger Daniël De Smet wonende te Aalst.

Pierre Van Vaerenbergh, nr. 510.

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op “Het Zetsel”, groot 62 a 80 ca, grenzend langs een zijde met de helft van het voetpad aan de goederen van Pierre Van Vaerenbergh en Jean De Cort, 2de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe Jean Van De Velde, 3de aan de goederen van de abdij verpacht aan Guillaume De Boeck, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jean De Coster. Op dit perceel bevindt zich een “quarré” met schaarhout.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 3 juli 1805 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 20 frank en de verkoopprijs op 400 frank. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan Pierre Van Vaerenbergh wonende te Hekelgem, voor drie zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801, door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 19,95 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 21 december 1805 om 12 uur volgens de affiche nr. 500 artikel 3. Het bieden begon met een openingsbod van 400 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 460 frank aan burger Bernard Gérard, notaris, wonende te Brussel, rue de l’Oxum.

François Vasseur, nr. 539.

Franciscus werd te Hekelgem gedoopt op 5 november 1752 en overleed er op 22 augustus 1817. Hij trouwde te Hekelgem op 2 mei 1799 met Petronella Lenssens, te Hekelgem gedoopt op 14 maart 1760 en er overleden op 9 september 1828. Zij woonden in de Boekhoutstraat en hadden 2 kinderen: Joanna Maria (°21 april 1800) en Benedictus (°10 februari 1802).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op de  “Lennickweijde”, groot 31 a 40 ca, grenzend langs een zijde aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe Clauwaert, 2de aan de “Boschstraet”, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Martin Vasseur, en 4de aan de dijk van de “Agterste vijver” ook “Ouden vijver” genaamd. Langs de kant van de straat bevonden er zich vier geknotte bomen en twee beuken, langs de andere kant, aan de dijk van de vijver, stond er een strook schaarhout. Pachter François Vasseur liet noteren dat de opbrengst van het schaarhout rond de “Agterste vijver” verdeeld werd door een onderlinge overeenkomst van diegenen die eraan paalden.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 21 augustus 1806 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Gaspar Pierre T’Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 10 frank en de verkoopprijs op 215 frank, de hoogstammige bomen geschat op 15 frank, inbegrepen. Verpacht vanaf 22 december 1800 aan François Vasseur wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1800 door de burgemeester van Asse (registernr. 392 te Asse – 115 in het nieuwe register), voor een jaarlijkse pachtsom van 5,44 frank.

 De verkoop had plaats te Brussel op 13 september 1806 om 12 uur volgens de affiche nr. 538         artikel 9. Het bieden ving aan met een openingsbod van 215 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 530 frank aan burger Arnould Pierre Geeroms wonende te Brussel, buiten de Lakense poort te Molenbeek.

Martin Vasseur, nr. 546.

Martinus werd te Hekelgem gedoopt op 3 maart 1774 en overleed er op 29 januari 1850. Hij trouwde met Joanna Maria Cooreman, te Hekelgem overleden op 9 maart 1828. Zij woonden in de Langestraat en hadden5 kinderen: Joanna Maria (°11 augustus 1801), Franciscus (°27 december 1802), Theresia Joanna (°28 april 1804), Gudula Constantia (°13 april 1807) en Anna Francisca (°25 februari 1812).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op de  “Lennickweijde”, groot 54 a 95 ca, grenzend langs een zijde aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan François Vasseur, 2de aan de “Boschstraet”, 3de met de helft van het voetpad aan de goederen van de abdij Affligem verpacht Jean Baptiste Vonck, Jean Baptiste Van Nieuwenhove en Benoit Van Den Bergh, en 4de aan de dijk van de “Agterste vijver”. Langs de kant van de straat bevonden er zich enkele geknotte bomen en drie hoogstammige met een omtrek van 1,5 m tot 2 m omtrek, langs de andere kant, aan de dijk van de vijver, stond er een strook schaarhout. Voor het kappen van het schaarhout zie naar verklaring bij de toewijzing nr. 539.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 22 augustus 1806 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Gaspar Pierre T’Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 18 frank en de verkoopprijs op 400 frank, inbegrepen de hoogstammige bomen geschat op 40 frank. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan de Martin Vasseur wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 door de burgemeester van Asse (registernr. 88 te Asse – 24 in het nieuwe register), voor een jaarlijkse pachtsom van 13,59 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 20 september 1806 om 12 uur volgens de affiche nr. 539          artikel 21. Het bieden ving aan met een openingsbod van 400 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 580 frank aan burger Henry Grundt wonende te Brussel, op de hoek van Cantersteen, stroman die kocht met een volmacht van burger Daniël De Smet wonende te Aalst.

François Verbeken, nr. 431.

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op de “Bellecauter”, groot 1 ha 65 a 50 ca, grenzend langs een zijde aan de “Carebeek”, 2de aan de kinderen Bosteels, 3de aan Van Den Bosch, en 4de aan Louis Van Nieuwenhove.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 9 juli 1802 door Pierre Aubugeois, expert wonende te Brussel, en Mathias Gruber, burgemeester te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 60 frank en de verkoopprijs op 600 frank. Verpacht aan François Verbeken, voor drie zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801, door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 58,05 frank. Hij pachtte dit perceel sinds lange tijd. De ontvanger der domeinen te Asse verklaarde dat dit goed voordien verpacht werd voor een jaarlijkse pachtsom van 32 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 4 september 1802 om 12 uur volgens de affiche nr. 332 artikel 8. Het bieden begon met een openingsbod van 660 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 550 frank aan burger Jean Baptiste Neesen, notaris, wonende te Gent, rue du Raeme nr. 413.

Benoit Verdoodt, nr. 520.

Benedictus werd te Hekelgem gedoopt op 20 maart 1736 en overleed er op 14 februari 1806. Hij trouwde te Hekelgem op 17 juni 1761 met Elisabeth Van de Velde, te Hekelgem gedoopt op 10 september 1738 en er overleden op 17 februari 1806. Zij hadden 7 kinderen: Joannes Baptist (°31 mei 1762), Guillelmus (°14 december 1764), Joannes Baptist (°1 september 1769), Joanna Maria (°15 juli 1770), Petrus Joannes (°28 februari 1774), Judocus (°20 juni 1777) en Michael (°28 december 1781).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond en schaarhout gelegen op het “Nieuwenbosch”, groot 68 a 45 ca, grenzend langs een zijde aan de straat van de abdij Affligem naar de herberg “La Couronne” (De Kroon), 2de, 3de en 4de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Jacques De Leeuw, 5de aan een perceel schaarhout van de abdij verpacht aan Jaspar T’Kint, en 6de aan een weide van de abdij verpacht aan de genoemde T’Kint en het erf van Pierre De Raedt. Langs de straatkant staan er enkele geknotte treurwilgen.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 24 juni 1805 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 24 frank en de verkoopprijs op 480 frank. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan Benoit Verdoodt, landbouwer wonende te Hekelgem, voor zes jaar, tijdens een openbare aanbesteding door de burgemeester van Asse (registernr. 56 te Asse), voor een jaarlijkse pachtsom van 19,96 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 22februari 1806om 12 uur volgens de affiche nr. 509 artikel 4. Het bieden ving aan met een openingsbod van 480 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 490 frank aan burger Bernard Gérard, notaris, wonende te Brussel, rue de l’Oxum, stroman die kocht met een volmacht van Claude Antoine Malerme wonende te Ukkel.

Jean Verleysen, nr. 432.

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op “De Fossel”, groot 51 a, grenzend langs een zijde aan de Kinderen Bosteels, 2de aan de straat naar de kerk van Hekelgem, en 3de aan Michiel De Vis.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 9 juli 1802 door Pierre Aubugeois, expert wonende te Brussel, en Mathias Gruber, burgemeester te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 20 frank en de verkoopprijs op 200 frank. Verpacht aan Jean Verleysen, voor drie zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801, door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 19,95 frank. Hij pachtte dit perceel sinds lange tijd. De ontvanger der domeinen te Asse verklaarde dat dit goed voordien verpacht werd voor een jaarlijkse pachtsom van 10 gulden.

De verkoop had plaats te Brussel op 4 september 1802om 12 uur volgens de affiche nr. 332 artikel 9. Het bieden begon met een openingsbod van 248 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 610 frank aan burger Jean Verleysen wonende te Hekelgem.

Pierre Verleysen, nr. 600.

Beschrijving van de goederen: één ha 9 a 90 ca landbouwgrond gelegen te Hekelgem. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- 47 a 10 ca landbouwgrond gelegen op “De Morette” grenzend langs een zijde aan de steenweg van Brussel naar Gent, 2de aan het erf van Sieur De Witte verpacht aan Philippe Van Overstraeten en het land van Jean Baptiste De Vos, 3de met de helft van het voetpad aan goederen van de weduwe Pierre Verleijsen, en 4de aan het land van de erfgenamen Everaert en het erf van François Everaert.

2- 62 a 80 ca gelegen op “De Morette” grenzend langs een zijde aan de goederen van de weduwe Jean Baptiste Mattens en de weduwe Pierre Verleijsen, 2de aan het goed van Jean De Cort, 3de aan de goederen van Gilles De Ridder en Pierre De Gols, 4de aan het bos schaarhout van Josse Verreeken, 5de met het voetpad aan de goederen van Pierre De Wever, Pierre De Gols en de weduwe Jean Baptiste Van Geert.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 19 februari 1807 door Guillaume De Becker, expert, wonende te Brussel, en Gaspar Petrus ‘T Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 40 frank en de verkoopprijs op 800 frank. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan Pierre Verlijsen wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801 (registernr. 51 te Asse), door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 33 frank, belastingen niet inbegrepen.

De verkoop had plaats te Brussel op 19 september 1807 12 uur volgens de affiche nr. 590 artikel 5. Het bieden begon met een openingsbod van 800 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 850 frank aan Pierre Cierlans wonende te Brussel.

Guillaume Vermoesen, nr. 438.

Beschrijving van de goederen: Land, weide en bos, groot 57 a 10 ca, gelegen te Hekelgem en Essene, bestaande uit twee delen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- 23 a 59 ca bos gelegen te Essene op het “Meckelenbosch” grenzend aan de gronden “Menedenbosch”, 2de & 3de aan Jean Hellinckx, en 4de aan de weduwe Robijns.

2- 23 a 59 ca landbouwgrond gelegen te Hekelgem op de “De Weije” grenzend langs een zijde aan Pierre Van Den Bosch, 2de aan het cautergat, 3de & 4de aan Laurent Van Roy.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 9 augustus 1802 door Pierre Aubugeois, expert wonende te Brussel, en Crick, vervanger van de burgemeester te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 18 frank en de verkoopprijs op 180 frank. Verpacht aan Guillaume Vermoesen, voor drie zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801, door de burgemeester van Asse, voor een jaarlijkse pachtsom van 14,51 frank. De ontvanger der domeinen te Asse verklaarde dat het eerste perceel begroeid was met schaarhout waarvan de huurder het vruchtgebruik had.

De verkoop had plaats te Brussel op 16 oktober 1802 om 12 uur volgens affiche nr. 338 artikel 22. Het bieden ving aan met een openingsbod van 198 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 820 frank aan burger Jean François Callebaut, landbouwer, wonende te Hekelgem. Voor een onbekende opdrachtgever?

Jean Baptiste Vermoesen, Meldert, nr. 512.

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op “De Droogeweijde”, groot 62 a 80 ca, grenzend langs een zijde aan de goederen van Jean Godefroy en Charles De Boeck, 2de aan deze van de abdij verpacht aan de weduwe Jean Baptiste Godefroy, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe Jacques Goedvinck, en 4de aan de goederen van de abdij verpacht aan Jean Godefroy.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 28 juni 1805 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Zacharias De Wever, burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 20 frank en de verkoopprijs op 400 frank. Verpacht vanaf 26 december 1801 aan Jean Baptiste Vermoesen wonende te Meldert, voor drie zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1801, door de burgemeester van Asse (registernr. 54 te Asse), voor een jaarlijkse pachtsom van 15,41 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 21 december 1805 om 12 uur volgens de affiche nr. 500 artikel 5. Het bieden ving aan met een openingsbod van 400 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 405 frank aan burger Philippe Paul Chasse wonende te Brussel.

Armand Vertongen, nr. 717.

Armand werd te Hekelgem gedoopt op 16 februari 1775 en overleed er op 17 december 1855. Hij trouwde te Hekelgem op 20 september 1798 met Maria Anna Schoon, te Hekelgem gedoopt op 15 juni 1776 en er overleden op 29 juni 1807. Zij hadden 5 kinderen: Joannes Baptist (°30 december 1798), Maria Josepha (°27 mei 1800), Joannes Franciscuq (°11 mei 1803), Sophia (°6 februari 1805) en Maria Anna (°17 mei 1807). Na de dood  van Maria Anna hertrouwde Armand met Maria Theresia Hutsebaut die te Hekelgem overleed op 24 maart 1826. Toen woonden ze op Ten Bos. Er werden nog 6 kinderen geboren; Joanna Maria (°16 juni 1809), Petrus Amandus (°22 november 1810), Maria Petronella (°10 januari 1813), Benedicta (°12 mei 1815), Carolus Ludovicus (°24 oktober 1818) en Petrus Josephus (°18 mei 1821).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond en hopveld gelegen te Hekelgem, groot 43 a 70 ca, grenzend oost aan Louis Van Nieuwenhove, zuid aan de goederen van de kerk en de Armen van Teralfene waarop de boerderij van de pachter gebouwd werd, west aan de goederen van Josse Buschops en Joseph Van Nieuwenhove, en noord aan Joseph Van Nieuwenhove en Sieur Charlier, eigenaar.

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 5 oktober 1810 door François Joseph Colinet, expert, en Pierre Van Lierde, adjunct burgemeester te Hekelgem. Verpacht zonder pachtcontract aan Amand Vertongen wonende te Hekelgem voor een jaarlijkse pachtsom van 11 frank. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 16 frank, en de verkoopprijs op 320 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 23 maart 1811 om 12 uur volgens de affiche nr. 701 artikel 13. Het bieden ving aan met een openingsbod van 320 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 600 frank aan Nicolas Delescluse wonende te Ukkel.

Jean Vertongen nr. 362.

Joannes overleed te Hekelgem op 28 oktober 1791. Hij trouwde te Hekelgem op 16 mei 1762 met Maria Theresia De Kegel. Zij hadden 7 kinderen: Petrus Amandus (°18 april 1763), Joannes Baptist °25 juli 1764), Amandus (°10 januari 1766), Anna Maria (°18 april 1767), Paschasius (°4 mei 1769), Maria Anna (°5 oktober 1771) en Joanna Petronella (°13 juli 1774).

Beschrijving van de goederen: twee bunder drie dagwand 70 roeden (3 ha 67 a 82 ca) land, weide en bos gelegen te Hekelgem, verpacht aan de kinderen J. Vertongen, Jean Baptiste Vonck en Guillaume Louis voor een jaarlijkse pachtsom van 134,75 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Één bunder twee dagwand (1 ha 88 a 62 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op het “Keelveck” (Kwezelsweg) grenzend langs een zijde aan de weg naar de molen van Hekelgem, 2de aan de goederen van de kinderen Van Lierde, 3de aan het goed van de abdij Affligem, 4de aan burger Zacharias De Wever, 5de aan burger Pierre Verleijsen, en 6de aan de weduwe Coppens.

2- Drie dagwand (94 a 31 ca) landbouwgrond, weide en bos, gelegen op de “Koyweijde” grenzend langs een zijde, zuid, aan de weg naar het bos, 2de aan de dreef van de voormalige abdij naar Aalst, 3de aan burger Pierre Van De Perre, en 4de aan de weduwe Pierre Vasseur.

3- Twee dagwand 70 roeden (84 a 88 ca) landbouwgrond gelegen op het veld “Bas Dewit” grenzend langs een zijde aan de oude weg van Aalst naar Brussel, 2de aan burger Charles Terrace, 3de aan dezelfde, en 4de aan burger Jean Baptiste De Vos.

Er werden drie proces-verbalen van schatting samengevoegd tot een proces-verbaal van toewijzing.

1) PV van de schatting opgemaakt op 4 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 70,30 frank, en de verkoopprijs op 562,40 frank. Verpacht aan de kinderen Jean Vertongen wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een door de pachter onvindbaar pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op 11 november 1793, voor een jaarlijkse pachtsom van 55,10 frank, belastingen niet inbegrepen. Dit PV betreft het nummer 1 van de beschrijving van de goederen.

2) PV van de schatting opgemaakt op 15 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 34,85 frank, en de verkoopprijs op 598,80 frank, zeventien hoogstammige bomen geschat op 51 frank, inbegrepen. Verpacht aan Jean Baptiste Vonck wonende te Hekelgem, zonder pachtcontract, voor een jaarlijkse pachtsom van 25,70 frank. Dit PV betreft nr. 2 van de beschrijving van de goederen.

3) Het PV van de schatting opgemaakt op 5 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 29,65 frank, en de verkoopprijs op 237,20 frank. Verpacht aan Guillaume Louis wonende te Hekelgem, zonder pachtcontract, voor een jaarlijkse pachtsom van 22 frank. Dit PV betreft nr. 3 van de beschrijving van de goederen.

De verkoop had plaats te Brussel op 22 juli 1800 om 12 uur  affiche nr. 254 artikel 24. Het bieden begon met een openingsbod van 1 129 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 2 100 frank aan burger Honoré Joseph Helin wonende te Brussel, rue de Namur nr. 929, stroman die kocht met een volmacht van Jean François Merckaert wonende te Aalst.

Passchier Vertongen, zie nr. 356.

Beschrijving van de goederen: drie bunder één dagwand 90 roeden (4 ha 36 a 98 ca) land en weide gelegen te Hekelgem, verpacht aan de burgers Jean Baptiste De Vos, Jacques De Leeuw, Passchier Vertongen & Pierre Dauwe voor een jaarlijkse pachtsom van 168 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Twee dagwand 87 roeden (90 a 22 ca) landbouwgrond gelegen “Den Molencauter” grenzend zuid aan de weduwe M. Robijns, 2de aan Benoit Schoon, en 3de aan burger Mattens.

2- Twee dagwand 3 roeden (63 a 82 ca) landbouwgrond gelegen “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan de steenweg van Brussel naar Aalst, 2de aan burger Brucker, 3de aan de oude weg van Brussel naar Aalst, 4de aan burger G. Louis, 5de aan burger Benoit Schoon. Dit perceel en het voorgaande zijn verpacht aan Jean Baptiste De Vos.

3- Twee dagwand (62 a 87 ca) landbouwgrond gelegen “De Droogeweijde” grenzend langs een zijde aan het goed van J. De Cort, aan dit van de kinderen van de weduwe Batselier, 3de aan burger Pierre D’Houwe, en 4de aan burger F. Linthout.

4- Twee dagwand (62 a 87 ca) landbouwgrond gelegen “De Droogeweijde” grenzend langs een zijde aan de weg genaamd “Droogeweijde”, 2de aan de “Bleregemsche straete”, 3de aan burger B. Verdoot, 4de aan burger Zacharias De Wever. Dit perceel en het voorgaande zijn verpacht aan Passchier Vertongen en Jacques De Leeuw.

5- Drie dagwand (94 a 31 ca) landbouwgrond en één dagwand (31 a 44 ca) weide gelegen “De Droogeweijde” grenzend langs een zijde aan burger Baetselier, 2de aan burger Josse Robijns, 3de aan Zacharias De Wever, 4de aan burger Josse Robijns, 5de aan burger Gilles Cammaert, en 6de aan André Keymolen. Verpacht aan Pierre Dauwe.

Er werden drie proces-verbalen van schatting samengevoegd tot een proces-verbaal van toewijzing.

1) Het PV van de schatting werd opgemaakt op 11 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 66,65 frank, en de verkoopprijs op 569,20 frank, 24 hoogstammige bomen met een omtrek van 2 tot 3 voet, geschat 36 frank, inbegrepen. Verpacht aan Jean Baptiste De Vos wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op 9 juni 1794, in voege vanaf 10 november 1794 en eindigend op 10 november 1803, voor een jaarlijkse pachtsom van 51,40 frank. Dit PV betreft de nummers 1 & 2 van de beschrijving van de goederen.

2) Het PVvan de schatting werd opgemaakt op 15 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 52,60 frank, en de verkoopprijs op 420,20 frank. Verpacht aan Passchier Vertongen en Jacques De Leeuw wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 10 november 1793, in voege vanaf 10 november 1794 en eindigend op 10 november 1803, voor een jaarlijkse pachtsom van 40,40 frank. Dit proces-verbaal betreft nr. 3 & 4 van de beschrijving van de goederen.

3) Het PV  van de schatting opgemaakt op 9 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 48,90 frank, en de verkoopprijs op 391,20 frank. Verpacht aan Pierre Dauwe wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 10 november 1793, in voege vanaf 10 november 1794 en eindigend op 10 november 1803, voor een jaarlijkse pachtsom van 36,70 frank. Dit PV betreft nr. 5 van de beschrijving van de goederen.

De verkoop had plaats te Brussel op 7 juli 1800 om 12 uur volgens de affiche nr. 251 artikel 19. Het bieden ving aan met een openingsbod van 1 380 frank door burger M. Rocher wonende te Brussel, vervanger van burger Louis Badin die bood met een volmacht van Victor Badin, ondernemer van diverse diensten voor het Italiaans leger. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het

Benoit Vonck, nr. 541.

Bendictus werd te Hekelgem gedoopt op 15 augustus 1776 en is er overleden op 30 mei 1848. Hij trouwde te Hekelgem op 2 mei 1808 met Maria Anna Van den Wijngaert, te Hekelgem gedoopt op 13 oktober 1781 en er overleden op 24 juni 1828. Zij woonden in de Langestraat en hadden 5 kinderen: Loannes Baptist (°16 juni 1808), Joannes Baptist Victor (°21 april 1810), Felix (°15 augustsu 1813), Joanna Maria (°9 december 1816) en Petrus Joannes (°26 oktober 1819).

Beschrijving van de goederen: een perceel landbouwgrond gelegen op de  “Lennickweijde”, groot 31 a 40 ca, grenzend langs een zijde aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan Michel Van Den Bergh, 2de aan de “Boschstraet”, 3de aan de goederen van de abdij Affligem verpacht aan de weduwe Clauwaert, en 4de aan de dijk van de “Agterste vijver” ook “Ouden vijver” genaamd. Langs de kant van de straat bevonden er zich zeven geknotte bomen, langs de andere kant, aan de dijk van de vijver, stond er een strook schaarhout. Voor het kappen van het schaarhout zie naar verklaring bij de toewijzing nr. 539

Het PV van de schatting werd opgemaakt op 21 augustus 1806 door Guillaume De Becker, expert wonende te Brussel, en Gaspar Pierre T’Kint, adjunct burgemeester te Hekelgem. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 10 frank en de verkoopprijs op 208 frank, de hoogstammige bomen geschat op 8 frank, inbegrepen. Verpacht vanaf 22 december 1800 aan Benoit Vonck wonende te Hekelgem, voor drie, zes of negen jaar, tijdens de openbare aanbesteding van 26 juli 1800 door de burgemeester van Asse (registernr. 90 te Asse – 26 in het nieuwe register), voor een jaarlijkse pachtsom van 8,15 frank.

De verkoop had plaats te Brussel op 13 september 1806 om 12 uur volgens de affiche nr. 538          artikel 11. Het bieden ving aan met een openingsbod van 208 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 540 frank aan burger Arnould Pierre Geeroms wonende te Brussel, buiten de Lakense poort te Molenbeek.

Jean Baptiste Vonck, zie nr. 362.

Beschrijving van de goederen: drie bunder één dagwand 90 roeden (4 ha 36 a 98 ca) land en weide gelegen te Hekelgem, verpacht aan de burgers Jean Baptiste De Vos, Jacques De Leeuw, Passchier Vertongen & Pierre Dauwe voor een jaarlijkse pachtsom van 168 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Twee dagwand 87 roeden (90 a 22 ca) landbouwgrond gelegen “Den Molencauter” grenzend zuid aan de weduwe M. Robijns, 2de aan Benoit Schoon, en 3de aan burger Mattens.

2- Twee dagwand 3 roeden (63 a 82 ca) landbouwgrond gelegen “Den Molencauter” grenzend langs een zijde aan de steenweg van Brussel naar Aalst, 2de aan burger Brucker, 3de aan de oude weg van Brussel naar Aalst, 4de aan burger G. Louis, 5de aan burger Benoit Schoon. Dit perceel en het voorgaande zijn verpacht aan Jean Baptiste De Vos.

3- Twee dagwand (62 a 87 ca) landbouwgrond gelegen “De Droogeweijde” grenzend langs een zijde aan het goed van J. De Cort, aan dit van de kinderen van de weduwe Batselier, 3de aan burger Pierre D’Houwe, en 4de aan burger F. Linthout.

4- Twee dagwand (62 a 87 ca) landbouwgrond gelegen “De Droogeweijde” grenzend langs een zijde aan de weg genaamd “Droogeweijde”, 2de aan de “Bleregemsche straete”, 3de aan burger B. Verdoot, 4de aan burger Zacharias De Wever. Dit perceel en het voorgaande zijn verpacht aan Passchier Vertongen en Jacques De Leeuw.

5- Drie dagwand (94 a 31 ca) landbouwgrond en één dagwand (31 a 44 ca) weide gelegen “De Droogeweijde” grenzend langs een zijde aan burger Baetselier, 2de aan burger Josse Robijns, 3de aan Zacharias De Wever, 4de aan burger Josse Robijns, 5de aan burger Gilles Cammaert, en 6de aan André Keymolen. Verpacht aan Pierre Dauwe.

Er werden drie proces-verbalen van schatting samengevoegd tot een proces-verbaal van toewijzing.

1) Het PV van de schatting werd opgemaakt op 11 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 66,65 frank, en de verkoopprijs op 569,20 frank, 24 hoogstammige bomen met een omtrek van 2 tot 3 voet, geschat 36 frank, inbegrepen. Verpacht aan Jean Baptiste De Vos wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op 9 juni 1794, in voege vanaf 10 november 1794 en eindigend op 10 november 1803, voor een jaarlijkse pachtsom van 51,40 frank. Dit PV betreft de nummers 1 & 2 van de beschrijving van de goederen.

2) Het PVvan de schatting werd opgemaakt op 15 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 52,60 frank, en de verkoopprijs op 420,20 frank. Verpacht aan Passchier Vertongen en Jacques De Leeuw wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 10 november 1793, in voege vanaf 10 november 1794 en eindigend op 10 november 1803, voor een jaarlijkse pachtsom van 40,40 frank. Dit proces-verbaal betreft nr. 3 & 4 van de beschrijving van de goederen.

3) Het PV van de schatting opgemaakt op 9 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 48,90 frank, en de verkoopprijs op 391,20 frank. Verpacht aan Pierre Dauwe wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 10 november 1793, in voege vanaf 10 november 1794 en eindigend op 10 november 1803, voor een jaarlijkse pachtsom van 36,70 frank. Dit PV betreft nr. 5 van de beschrijving van de goederen.

De verkoop had plaats te Brussel op 7 juli 1800 om 12 uur volgens de affiche nr. 251 artikel 19. Het bieden ving aan met een openingsbod van 1 380 frank door burger M. Rocher wonende te Brussel, vervanger van burger Louis Badin die bood met een volmacht van Victor Badin, ondernemer van diverse diensten voor het Italiaans leger. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het

De weduwe Judo Vonck, Anna Maria Plas, nr. 364.

Judocus werd te Hekelgem gedoopt op 13 februari 1725 en is er overleden op 10 september 1785. Hij trouwde te Hekelgem op 3 mei 1763 met Anna Maria Plas, te Hekelgem gedoopt op 15 oktober 1739 en er overleden op 22 januari 1803. Zij hadden 10 kinderen: Anna Catharina (°19 april 1764), Joanna Maria (°9 maart 1768), Isabella (°3 oktober 1767), Maria Francisca (°19 september 1769), Joannes Baptist (°2 september 1771), Anna Maria (°20 augustus 1773), Petrus Joannes (°20 maart 1775), Benedictus (°15 augustus 1776), Franciscus Josephus Joannes (°9 januari 1779) en Judocus (°18 maart 1786).

Beschrijving van de goederen: twee bunder één dagwand 80 roeden (3 ha 8 a 9 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem, verpacht aan de weduwe Judo Vonck & consorten voor een jaarlijkse pachtsom van 119,25 frank, belastingen inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Twee bunder (2 ha 51 a 50 ca) landbouwgrond gelegen op het  “Asscherenboschveldt” grenzend langs een zijde aan de veldweg, 2de aan burger Jean Plas, 3de aan de “Asscherenbosch”, en 4de aan het goed van burger Merckaert van Aalst.

2- Eén dagwand 80 roeden (56 a 59 ca) landbouwgrond gelegen op de Cluiscauter” grenzend langs een zijde aan de goederen van de Armen van Hekelgem, 2de aan dit van de weduwen Jacob en Meersman, 3de aan het goed van burger Judocus Verleijsen, 4de aan Judo Clauwaert, en 5de aan burger Gillis Wambacq.

Het PV van de schatting werd  opgemaakt op 3 maart 1800 door Louis Joseph Terrace, expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 27,45 frank, en de verkoopprijs op 954 frank. Verpacht aan de weduwe Judo Vonck & consorten wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 9 oktober 1793 voor een jaarlijkse pachtsom van 91,80 frank, belastingen niet inbegrepen

De verkoop had plaats te Brussel op 27 juli 1800 om 12 uur volgens de affiche nr. 255  artikel 6. Het bieden begon met een openingsbod van 954 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 2 025 frank aan de burgers Evrard Tops wonende te Brussel, rue Neuve, nr. 455, sectie 5, en Honoré Joseph Helin wonende te Brussel.

Pierre Vonck, nr. 321, zie ook nr. 538 – Pierre De Schrijver.

Petrus Vonck werd te Hekelgem gedoopt op 19 november 1753 en hij overleed er op 5 februari 1805. Petrus trouwde te Hekelgem op 17 januari 1786 met Petronella De Nil, te Hekelgem gedoopt op 16 januari 1755 en er overleden op 18 januari 1836. Zij hadden 7 kinderen: Jacobus (°14 september 1786), Joannes Bernard (°15 november 1787), Henricus (°11 augustus 1789), Anna Maria (°14 april 1791), Petrus Joannes (°30 november 1793), Joanna (°24 juni 1795) en Anna Catharina (°14 november 1799).

° Beschrijving van de goederen: negen bunder 73 roeden (11 ha 81 a 95 ca) land en weide gelegen te Hekelgem en Erembodegem, verpacht aan Vonck & consorten voor een jaarlijkse pachtsom van 358 frank. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Twee bunder 60 roeden (2 ha 70 a 36 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op de plaats genaamd “Nerrecauter” grenzend langs alle zijden aan de goederen van de abdij Affligem.

2- Drie bunder één dagwand 77 roeden (4 ha 32 a 89 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op de plaats genaamd “Lettecauter” grenzend langs alle zijden aan de goederen van de abdij Affligem.

3- 50 roeden (16 a 74 ca) weide gelegen te Erembodegem (roede = 33,4894 ca) op de plaats genaamd “Eeneberg” grenzend langs een zijde aan de goederen van burger J. B. Pauwels, 2de aan de goederen van de abdij Affligem, 3de aan het goed van burger Devos, en 4de aan de goederen van de abdij Affligem.

4- Drie bunder één dagwand 86 roeden (4 ha 35 a 72 ca) landbouwgrond in een perceel, gelegen te Hekelgem op de plaats genaamd “Meerecauter” grenzend langs een zijde aan de weg van Hekelgem naar Erembodegem, 2de aan burger Jean Baptiste Boterbergh, 3de aan burger Jean Droeshoudt, en 4de aan Michel Droeshoudt.

De twee proces-verbalen van de schatting werden samengevoegd tot een proces-verbaal van toewijzing.

Het eerste PV van de schatting werd opgemaakt op 9 juli 1798 door Charles Jean Valentin Cordier, expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 230 gulden, en de verkoopprijs op 4 600 pond. Verpacht aan Pierre Vonck & consorten wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, in voege vanaf 30 november 1795 en eindigend op 30 november 1804, voor een jaarlijkse pachtsom van 114 gulden. Dit proces-verbaal betreft de nummers 1, 2 & 3 van de beschrijving van de goederen.

Een tweede PV van de schatting betreft nr. 4 van de beschrijving van de goederen en werd opgemaakt op 11 november 1798 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 74 gulden, en de verkoopprijs op 2 960 pond. Verpacht aan Jacob Van Vaerenbergh wonende te Erembodegem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem, op 9 oktober 1794, in voege vanaf 9 oktober 1797 en eindigend op 9 oktober 1806, voor een jaarlijkse pachtsom van 148 pond.

De verkoop had plaats te Brussel op 19 maart 1800 om 11 uur volgens affiche nr. 230, artikel 49.

Het bieden begon met een openingsbod van 2 870 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars werden de goederen toegewezen voor het eindbod van 8 000 frank aan burger Egide Van Boterdael wonende te Aalst.

Maria Theresia Vonck.

Maria Theresia was de dochter van Joannes Baptist en Catherina Van Geite, te Hekelgem geboren op 10 juni 1763 en er overleden op 25 februari 1836. Zij trouwde te Hekelgem op 21 november 1799 met Petrus De Schrijver, te Hekelgem gedoopt op 31 juli 1712 en er overleden op 25 november 1791. Hun huis stond in Terlinden en zij hadden 4 kinderen:  Maria Petronella (°7 oktober 1798), Judocus (°29 november 1799), Joannes (°4 februari 1803) en Petrus (°17 november 1805.

Beschrijving van de goederen: twee bunder één dagwand 50 roeden (2 ha 98 a 66 ca) land gelegen te Hekelgem en verpacht aan Paul Van Vaerenberg & Marie Thérèse Vonck voor een jaarlijkse pachtsom van 96 frank. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- Eén bunder 75 roeden (1 ha 49 a 33 ca) landbouwgrond gelegen op de “Leuninckweijde” grenzend langs een zijde aan “Den Kisvijver”, 2de aan Benoit Schoon, 3de aan de weduwe Jean Baptiste De Smet, en 4de aan G. Van De Perre.

2- Eén bunder 75 roeden (1 ha 49 a 33 ca) landbouwgrond gelegen  op de “Leuninckweijde” grenzend langs een zijde aan de weg naar het bos, 2de aan burger François De Gols, 3de aan de vijver genaamd “Den Perrevijver”, en 4de aan Paul Van Vaerenbergh.

Er werden twee PV van schatting samengevoegd tot een proces-verbaal van toewijzing.

1) PV van de schatting opgemaakt op 3 augustus 1798 door Louis Joseph Terrace, expert, Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 21 gulden, en de verkoopprijs op 863 pond, inbegrepen 15 jonge hoogstammige bomen geschat op 23 pond. Verpacht aan burger Paul Van Vaerenberg wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op op 9 oktober 1793, in voege vanaf 9 oktober 1796 en eindigend op 9 oktober 1805, voor een jaarlijkse pachtsom van 21 gulden, belastingen niet inbegrepen. Dit proces-verbaal betreft het nummer 1 van de beschrijving van de goederen.

2) PV van de schatting opgemaakt op 30 juli 1798 door Louis Joseph Terrace, expert, en Mathias Gruber commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op 21 gulden, en de verkoopprijs op 840 pond. Verpacht aan Marie Thérèse Vonck wonende te Hekelgem, voor negen jaar, met een pachtcontract verleden door Hieronymus Haenen, syndicus van de abdij Affligem op op 9 oktober 1793, in voege vanaf 9 oktober 1796 en eindigend op 9 oktober 1805, voor een jaarlijkse pachtsom van 21 gulden. Dit PV betreft nr. 2 van de beschrijving van de goederen.

De verkoop had plaats te Brussel op 5 september 1800 om 12 uur volgens de affiche nr. 263 artikel: 11. Het bieden begon met een openingsbod van 768 frank. Tijdens het branden van de laatste kaars toegewezen voor het eindbod van 1 150 frank aan burger Henry Grundt wonende te Brussel, op de hoek van Cantersteen, stroman die kocht met een volmacht van burger Daniël De Smet wonende te Aalst.


[1] R.A. Leuven, archief van de abdij Affligem, 700, nr. 4676.

[2] W. VERLEYEN, Necrlogium, abdij Affligem, 273.

[3] J. OCKELEY, 950 jaar Affligem, in: Eigen Schoon en De Brabander, 2012, nr. 1, 37.

[4] Voor de “Ontmanteling van de abdij Affligem” zie jaarboek Heemkundige Kring Belledaal, 2007, blz. 13 e. v.

[5] W. VERLEYEN, De Abdijgebouwen van Affligem 1083 –  1796, blz. 82.

[6] J. OCKELEY, Kaartboek van de Abdij Affligem 2003, D/2003/0531/41, blz. 176,177.

[7] Het zetsel: moegelijke betekenis: afzetsel, bezinksel.

[8] IBIDEM, blz. 170, 171.

[9] De Bekkenelen: een vallei begrensd door de Bosstraat in het oosten en de Asserenbos in het westen. Dwars doorheen vloeit, in sierlijke bochten, van zuid naar noord de Steense Meersbeek, die zich tamelijk diep in de bodem heeft ingegraven. De Bekkennelen danken hun naam aan de vorm van de bodem. De reliëfvorm ontstond doordat het beekwater zich kronkelend een weg zocht naar lagergelegen oorden en door erosie die ermee gepaard ging. De valleiwanden kunnen er in een dergelijke situatie gaan uitzien als ineengeschoven schedels, een verwijzing naar Golgotha of Schedelplaats waar Chrisus werd gekruisigd. W. BEECKMAN, De Affligemstraat. Herkomst en betekenis van een aantal plaatsnamen in de gemeente Affligem, 2011, 47.

[10] Asserenbos of Asserenhout is en bosgeheel dat zich in het oude Land vanAsse uitstrekte over Essene, Meldert en Hekelgem. In 1047 heette het “Hascreold” en in 1192 “Ascerholt”. Asser als deel van Asserhout is een adjectief dat een bezit uitdrukt en betekent hout (bos) van Asse. W. Beeckman, Woorden voor Affligemse oorden, Herkomst en betekenis van een aantal plaatsnamen in de gemeente Affligem, 2013, 24.

[11] In de meierij Asse was de voet = 0,27575 m.

[12] Zie Kaartboek van de Abdij Affligem, Jaak Ockeley, 2003, D/2003/0531/41, blz. 170, 171.

[13] De vijvers te Koudenberg waren restanten van vroegere steengroeven.

[14] J. BOULANGER, carte figurative de la route de chemin depuis la ville de Bruxelle jusques à celle d’ Alost ij comprenant les abbijes, bourgages, chasteaux, villages scituéés au long dudit chemin jusques ou s’estendant les terres et terroire de la province et duché de Brabant jusques à celle de Flandre.

[15] In de meierij Asse was de voet = 0,27575 m.

[16] In de meierij Asse was de voet = 0,27575 m.

[17] Dit perceel werd later gekadastreerd onder de nrs. 159 en 160 van het P. C. Popp kadasterplan, samen groot 15 a 10 ca. Zie ook Jaarboek 2008, blz. 142 van de Heemkundige Kring Belledaal.

[18] Het betreft hier de echtgenoten Petrus Van Okelye (° Hekelgem 21/2/1741 – + Hekelgem 20/04/1799) en Anna Catharina Boom (O Asse 1750 – + Hekelgem 3/2/1818)

Rechtszaken te Hekelgem in de 18de eeuw.

1702. Hendrik Michiels betaalde niet[1].

Op 2 februari 1693 leende Hendrik Michiels 150 g van Carel De Greve, man van Cathelijn De Wolff, met een rente van 9 g 7 ½ st. De looptijd bedroeg drie jaar en in het geval dat de lening niet binnen die afgesproken termijn was afgelost, dan kon de leninggever of zijn nakomelingen beslag laten leggen op voldoende panden. Vanaf 1696 betaalde Hendrik de rente niet meer en pas in 1702 diende Cathelijn, ondertussen weduwe geworden, bij de schepenbank het verzoek in om beslag te mogen leggen op goederen van Michiels ter waarde van de achterstallige renten. Op 25 april 1702 gaven de schepenen Peter De Vis en Peter Moens, als voogden van Leonaert, de zoon van Carel en Cathelijn, aan Joan Van Mulders de opdracht Hendrik Michiels te dwingen tot restitutie van de lening en de achterstallige intrest.

Henricus Michiels overleed op zaterdag 27 januari 1703 in Hekelgem.  Hij trouwde op zondag 10 mei 1671 in Hekelgem met Joanna De Merchie, 30 jaar oud. Zij is een dochter van Erasmus en Joanna Van Der Elst. Zij is gedoopt op zondag 6 januari 1641 in Hekelgem en overleed op woensdag 10 augustus 1701 in Hekelgem, 60 jaar oud.

1702. Verkoop van de inboedel van Jan De Roije[2].

In opdracht van de drossaard en de schepenen van het Markizaat en Land van Asse verkocht collecteur Andries De Boitselier de meubelen, granen en andere effecten die waren aangetroffen in het verlaten sterfhuis van Jan De Roije. Op 17 oktober 1702 legde Andries de rekeningen ter goedkeuring voor aan drossaard Mortgat, de schepenen Hendrik Van Ginderachter, Jan Van Zeebroeck en de griffier Van Muilders. Als ontvangsten noteerde hij:

– de verkoop van meubelen op 31 juni 1701: 35-11-2

– de verkoop van graan aan het hopveld op 7 augustus: 3-4-0

– verkoop van gerst aan Barbara Van de Velde: 8-8-0

– verkoop van wit koren aan Jan Arijs, zoon van Peter: 7-2-0

– verkoop van 2 partijen wit graan aan Gillis Lambrechts: 0-7-0

– verkoop van een partij haver aan collecteur Peter Verleysen: 7-12-0

– en voor een partij bonen en erwten ook aan Peter Verleysen: 4-13-0

– verkoop van koren aan Jan Pensionaris: 3-0-0

– verkoop van roomse bonen en de helft van de hop van het hopveld nabij zijn hof:1-8-0.

Samen met nog enkele andere inkomsten bedroeg de ontvangst 85-4-2.

De uitgaven waren hoofdzakelijk vergoedingen:

-voor het werk van de drossaard, de schepenen, de oproeper en de griffier: 7-14-0

– aan Elisabeth Eeckhout voor haar werk als meid bij Jan De Roije: 16-19-0

– aan Anna De Blangh die ook als meid werkte: 16-0-0

– aan Peter De Vis, officier, voor zijn ambtelijke prestaties: 3-0-0

– aan Melchior Carnoy voor het beslagen van een paard van De Roije:1-16-0

– allerlei uitgaven voor het opstellen van de rekeningen: 85-4-2.

Het ontvangstbewijs van Anna De Bangh

Besluit: De uitgaven waren gelijk aan de inkomsten en de rekeningen werden goedgekeurd.

1702. Wie moet de schulden van Anna Vranckx betalen[3]?

Joan Kieckens, een pachter van IJzeringen, was getrouwd geweest met Anna Vranckx, de weduwe van wijlen Martinus Wambacq. Na de dood van Anna had Joan Kieckens het sterfhuis verlaten en Gillis Wambacq, de zoon van Anna en Martinus, bleef in het huis wonen met het gebruik van de meubels. Joan vond dat hij als langstlevende recht had op die meubels, maar Gillis had zich die erfenis toegeëigend en dus moest hij volgens zijn stiefvader ook al de schulden van die erfenis betalen, dus ook die bij A. Franchois Joostens. Daar Gillis weigerde, trok Joan naar de schepenen van Asse.

In zijn antwoord op de klacht van Joan benadrukte Gillis dat zijn stiefvader uit eigen wil het huis had verlaten. Maar als hij zich ziet als de rechtmatige eigenaar, moet hij alle schulden betalen. Trachtte Kieckens op een sluwe manier Gillis ertoe te brengen dat hij de schulden moest aflossen? Eerder had hij Gillis al gezegd dat hij de 5 g van een landpacht mocht houden en anderzijds liet hij hem de grondcijns aan de abdij betalen. Wilde hij tenslotte met zijn vraag naar de meubels dat Gillis zich uitsprak als de erfgenaam? Gillis verklaarde aan de schepenen dat Kieckens in feite bij hem in de schuld stond en dat hij hem beter zou vergoeden in de plaats van hem met een rechtszaak te comen quellen. Hij vroeg de schepenen om de zaak dood ende te niet te doen.

Egidius Wambacq, zoon van Martinus en Anna Vrancx. Hij is gedoopt op dinsdag 1 september 1671 in Essene. Hij is overleden op zondag 27 juli 1721 in Hekelgem, 49 jaar oud. Egidius trouwde, 29 jaar oud, op zondag 19 december 1700 in Hekelgem met Margareta Clauwaert, 47 jaar oud. Zij is een dochter van Petrus en Joanna Verleysen. Zij is gedoopt op maandag 10 november 1653 in Hekelgem. Margareta is overleden op zaterdag 15 november 1727 in Hekelgem, 74 jaar oud. Zij was weduwe van Franciscus Robijns (1653-1698), met wie zij trouwde op zaterdag 23 september 1679 in Hekelgem.

Anna Vrancx, dochter van Henricus en Anna Rodomont, werd gedoopt op zondag 1 februari 1643 in Asse. Zij overleed vóór 1680, ten hoogste 37 jaar oud. ANNA trouwde, 12 jaar oud, op vrijdag 9 juli 1655 in Asse met Martinus Wambacq, 35 jaar oud. Hij is een zoon van Franciscus en Catharina De Troch. Hij is gedoopt op zaterdag 19 oktober 1619 in Essene. Martinus overleed op woensdag 6 februari 1675 in de abdij Affligem, 55 jaar oud. Zij trouwde, 32 jaar oud, op zondag 12 januari 1676 in Essene met Joannes Kieckens. Martinus was notaris te Essene en griffier in Affligem.

1703. De bomen van Hendrik Schoonjans[4].

Op 29 december verkocht Hendrik Schoonjaans voor 108 g bomen die op een veld stonden waarvan hij de vruchtgebruiker was en zijn kinderen de eigenaars. Zijn schoonzoon, Jacobus Verheijlewegen, een pachter van Asse, was daar niet mee opgezet en eiste het geld van die verkoop. Had Hendrik het geld nodig? Hij was alvast 80 g 10 st schuldig aan Engel Carnoy, bosmeester van de abdij. Die trad kordaat op en verzocht de schepenbank om zijn 80 g 10 st te mogen recupereren van de verkoopsom van de bomen. Het gevolg was dat de 108 g geblokkeerd werden. Dat was tot ergernis van Jacobus Verheijlewegen die een proces inspande tegen Engel Carnoy. Wat dan volgde was een procedureslag tussen de abvocaten Adriani voor Carnoy en Slachmolen voor Verheijlewegen.

Op 25 juni 1703 ondertkende Hendrik Schoonjans een verklaring waarin hij erkende dat hij geen recht had op de verkoopsom van de bomen want die waren eigendom van zijn kinderen. Het geld moest dus aan Jacobus worden overgemaakt. Ingel Carnoy reageerde op 3 juli 1703. Hij stelde dat Jacobus zich tot de verkeerde persoon richtte. Niet hij maar Hendrik Schoonjans is de schuldige, hij moet zijn schulden betalen en voegde er nog aan toe dat Schoonjans als advocaat eenen persoon is die gedaelt is tot eene grote cadentie ende blijckbaer ontbloot is van al sijne middelen. Hij veronderstelde dan ook dat Jacobus met zijn schoonvader samenspande om hem van zijn rechtmatige eis van de betaling van 80 g af te houden.

Dan was het de beurt aan Jacobus om te antwoorden. Volgens hem had Carnoy niet het recht om de 108 g te laten blokkeren want  zijn schoonvader verkocht de bomen in opdracht van de kinderen en dus had Carnoy paerte nochte deel off actie in die verkoop. Om zijn stelling te ondersteunen verwees hij naar de costuijmen van Brussel die bepalen dat een vruchtgebruiker niet mag raken aan harthoutbomen als eiken, beuken, olmen, essen en dergelijke. Om een beter inzicht in de zaak te hebben ondervroegen de schepenen twee getuigen: Jan Kieckens en Jan Stevens die bomen kochten verklaarden aan de schepenen dat ze het geld in de handen van Hendrik Schoonjans moesten geven. Hij vermeldde niet dat het de vruchtgebruiker van de gronden was.

Op 13 november 1703 besliste de schepenen dat er nog bijkomende informatie nodig was om tot een uitspraak te komen. Uiteindelijk viel het vonnis op 3 maart 1705. Wat de schepenbank besliste weten we niet want het document is onvolledig.

Ick ondergeteeckent verclaere ende attestere dat ick van wegens Jacobus Verheijlewegen als getrouwt sijnde met mijne dochter Anna Schoonjans ende van wegens mijne andere kinderen hebbe vercocht aen Jan Stevens, innegesetene der prochie van Esschene eene partije herte boomen gestaen hebbende op hunne goederen daer van mij aen het landt maer de tochte en was competerende, ende de propriëteijt aen de selve mijne kinderen, verclaerende aen de coopsomme dijer…

1703. Jacques Vremi veroordeeld tot de corde[5].

Jacques Vremi (ook Jaco Vremy, Vermi of Vermy geschreven) en zijn zoon Valentijn verlieten op 27 april 1703 hun huis met hun viool. Net voor het vallen van de avond keerden ze terug, maar ‘s nachts vertrokken ze weer. Nog diezelfde nacht werd er bij Marie Bocqueneau ingebroken. Iemand had een gat gemaakt onder de dorpel, was langs daar naar binnen gekropen en had er kleren en lijnwaad gestolen. Telkens als Jaco de speelman daarna bij haar binnenkwam, spotte hij dat ze wel arme mensen waren en zich toch nog lieten bestelen. Haar man was bekwamer in het bewaren van vrouwenkousen, zei hij, dan in het beschermen van zijn huis. Vier of vijf maanden later bood Antoon, de jongere zoon van Jaco haar een serviette te koop aan, maar zij weigerde het aanbod omdat ze dacht dat die gestolen was. Ze gaf hem 1 ½ stuiver opdat hij zou weggaan. Enkele dagen later kwam zijn moeder de serviette, die Antoon had laten liggen, ophalen en gaf toe dat ze gestolen was. Bij Marie was de achterdocht gewekt en ze lichtte de schepenen in over de gestolen serviette. Zo begon een proces tegen Jaco Vremi dat voor hem op dramatische wijze zou eindigen.

De schepenbank startte een onderzoek en ontdekte al snel een aantal feiten die in de richting van Jaco wezen als de dader van de diefstallen. Ze ondervroegen meerdere getuigen.

Marie Bocqueneau was een huisvrouw van 42 jaar. Ze vertelde de schepenen dat zo’n 3 jaar geleden Jaco Vremy met een twintigjarige vrouw bij haar kwam. Hij vroeg haar een bed om die jonge vrouw tot sijne vrouwe te maecken want zijn eigen vrouw was dood. Marie antwoordde hem dat ze zijn vrouw kende en dat het een schande was wat hij als getrouwde man wilde doen. Ze maakte voor hem een bed klaar in een kamer en een voor de vrouw in de keuken. Maar Jaco wilde niet naar de kamer gaan en bleef in de keuken waardoor haar man zich genoodzaakt zag om de hele nacht op te blijven om die vuijlicheijt van overspel te beletten en dat tot ergernis van Jaco. Die dreigde ermee dat hij dat wel eens te passe zou brengen. Veertien dagen later werd er bij haar ingebroken. Marie vertelde ook het voorval met de serviette.

Jan De Bruecker was 32 jaar en inwoner van Asse. Hij verklaarde dat op donderdag 26 april Jaco en zijn zoon bij hem waren gekomen. Nadat ze twee pinten hadden gedronken, waren ze vertrokken. Die nacht werd er bij hem ingebroken. Onder de dorpel was een gat gemaakt. Als gestolen goed vermeldde hij 37 ellen lijnwaad, een bruine stoffen rok, 3 voorschoten, 1 hemd, een paar lakens, een kints casacxken, een witte mantel, een rol tabak en nog wat kleinigheden. Buiten zag hij voetafdrukken en op aandringen van zijn vrouw volgde hij de sporen doorheen Asbeek tot aan het huis van Vremy in Hekelgem. Samen met Andries De Boitselier, Laureijs De Coninck, Andries De Wandeleir en Gillis Troch is hij de diefstal bij de drossaard gaan aangeven. Bij Jaco zagen ze de goederen liggen en aan zijn zoon Antoon vroegen ze of hij wist dat het gestolen goed was. Antoon gaf dat toe en voegde eraan toe dat zijn vader hem had verboden om daarover iets te zeggen, want dan zou hij zijn armen en benen breken. Aan de drossaard had Jaco verteld dat hij die nacht van de 26ste april te Bijgaarden en te Kapellen voor soldaten had gespeeld. Zijn vrouw getuigde echter dat hij die nacht niet thuis was en dat hij dikwijls ’s nachts wegbleef of zeer laat thuis kwam. De Bruecker deelde nog mee dat hij eens de vrouw van de speelman door het venster van de kamer van Jan Poels had zien kruipen. Ze wrong zich door de tralies.

Elisabeth Troch, de 29-jarige vrouw van Jan De Bruecker, bevestigde dat Jaco en Valentijn op 26 april in hun huis zijn geweest. Ze wilden een pint drinken. Terwijl zij in de kelder om het bier was, hoorde ze de twee mannen in haar huis rondlopen. Na een tweede pint zijn ze vertrokken. Die nacht werd er ingebroken en de dingen die haar man opnoemde werden gestolen.

Margriet Raes, de vrouw van Jan De Bois, 36 jaar, herinnerde zich dat, toen zij eens ’s morgens vroeg naar Brussel ging, zij Jaco Vremy en zijn zoon Valentijn tegenkwam. Ze zaten langs de kant van de weg te rusten en hadden elk een grote maalzak bij. Op haar vraag wat er in de zak stak, antwoordde Jaco dat het hop was en hij haalde er een carnaten hemdrock uit en vroeg of zij die wilde kopen. Margriet weigerde en Jaco zei dat hij zijn spullen wel op de Oude Markt kwijt kon. Daarop ging Margriet alleen voort.

Bij Adriaan Hellinck, 45 jaar, werd twee geleden zijn geweer gestolen. Hoe dat is gebeurd, weet hij niet, maar onlangs bood iemand hem een geweer aan waarvan de loop met ongeveer de breedte van een handpalm was ingekort. Hij dacht dat het zijn geweer was, want hij herkende nog een stukje van de scheur die zijn pistool had.

Peter De Mesmaecker, een 56-jarige slotenmaker, vertelde de schepenen dat zo’n 8 à 9 maanden geleden Jaco Vremy bij hem kwam en vroeg om de loop van een ruiterpistool in te korten zodat hij het wapen in zijn zak kon steken. Hij had dat van iemand gekregen, beweerde hij. Peter heeft dan een stuk van de loop afgezaagd.

Cornelis Van den Cruyce, een 32-jarige inwoner van Bekkerzeel, Tussen Allerheiligen en Sint-Andries bood Jaco hem een carnaten hemdrock met tinnen knopen en gevoerd met lijnwaad te koop aan. Die hemdrok was van zijn zoon, beweerde Jaco, maar die droeg nu alleen nog juppens. Hij vroeg er 46 st voor, het bedrag waarvoor Valentijn die hemdrok had gekocht. Cornelis betrouwde de zaak niet want hij dacht dat die hemdrok zeker 6 g waard was.

Antoon Vremy was de jongste zoon. Zijn getuigenis werd noodlottig voor zijn vader. Op een nacht moest hij van zijn vader een mutsaard gaan stelen achter het huis van Engel Carnoy. Het regende en zijn vader en zijn broer gingen nog weg en zouden nat thuiskomen. Met die mutsaard konden ze zich laten drogen en verwarmen. Onderweg kwam hij beiden tegen en hij zag dat zijn vader al een mutsaard had. Zijn broer droeg een mantel. Thuis hoorde hij zijn vader zeggen dat ze het ding in de Rammeleer hadden gelegd en het daar 24 u. zouden laten liggen. Als er een huiszoeking kwam, dan zouden ze niets vinden. De volgende morgen beval Jaco Antoon om naar de vijver te gaan om te controleren of er niets van zijn spullen boven water was gekomen. Die avond, het was al na 10 u., gingen zijn vader en Valentijn de mantel halen en legden hem achter hun huis in het koren. In de kamer van zijn ouders zag hij lijnwaad, lakens, voorschoten en andere prompselerije hangen. De volgende avond wou zijn moeder de mantel uit het koren halen, maar zag nog net op tijd dat de schepen Andries De Boitselier rechtover hun deur stond te kijken. Valentijn haalde dan later de mantel naar binnen. Zijn vader zei dat ze met de verkoop van die dingen de aankoop van een ezel konden betalen. Op 1 mei gingen zijn ouders en zijn broer met hun kraam en violen naar de kermis te Meldert. Antoon moest op het huis passen. Na de middag kwamen officieren en de schepenen Van der Slachmolen en Andries De Boitselier van het Land van Asse om het huis te doorzoeken en vonden er de gestolen goederen. Antoon namen ze gevangen omdat hij de diefstal had verzwegen en de gestolen goederen had bewaard. Griffier Van Mulders noteerde dat Antoon had meegewerkt.

Op 8 mei verhoorden de schepenen Jaco Vremy. Hij ontkende nadrukkelijk alle aantijgingen. Hij had geen enkele reden om te stelen, zei hij, want hij had de ezel al drie of vier weken voor de inbraak al  betaald. Dat was gebeurd in een herberg aan de IJzenbeek in aanwezigheid van sieur Philippe Van Mulders en de waard. De avond van de inbraak liet hij zijn ezel weiden en nadien had hij zijn huis niet meer verlaten. Over de dingen die in zijn kamer hingen te drogen wist hij niets en had geen idee hoe ze daar waren gekomen. Hij was die eerste mei vertrokken om de kost te verdienen voor zijn vrouw en kinderen. Hij heeft in Brabant en Vlaanderen een goede naam en faam waar hij zijn kost verdient in eer en deugd. De abt van Grimbergen heeft dat in een brief bevestigd. Jaco nodigde zelfs de schepenen uit om in de naburige parochies getuigenissen te verzamelen van zijn eerlijk gedrag.

De schepenen gingen ondervroegen op 12 mei twee nieuwe getuigen. Molenaar Gillis Van den Cruyce van Asse bevestigde dat Jaco op 12 april zijn ezel kocht voor 9 g, maar slechts 6 g betaalde. Christiaan Meert, 30 jaar,  Philippus Van Mulders, 30 jaar en Jacobus Verheijlenwegen waren daarbij aanwezig.

14 juli: de bekentenis. Daar Jaco Vremy de feiten bleef ontkennen beslisten Hendrik Van Ginderachter, Joos Van der Slachmolen en Andries De Boitselier om de tortuur toe te passen. Jaco werd gebonden, kreeg een halsband om en bij een vuur geplaatst. Onmiddellijk begon Jaco te klagen en te roepen: Onse Lieve Moeder Gods Maria ende moeder Sint Anna wilt mij bijstaan. Een half uur later verweet hij zijn advocaat Van der Slachmolen dat hij hem niet goed had verdedigd en dat men nu goed het verschil kon zien tussen mensen met geld en degenen die er geen hadden. Jaco kreeg wat te drinken. Hij bleef lamenteren dat de mensen geen compassie hadden en vroeg nog eens om drinken. Na een uur vroeg om losgemaakt te worden want hij wilde alles bekennen. Maar eens vrij ontkende hij nog eens alle beschuldigingen. Een half uur later hield hij de hitte niet meer uit en bekende dat hij op 27 april in het huis van Jan De Bruecker had ingebroken. Hij en Valentijn hadden onder de zulle[6] Valentijn kroop naar binnen en hij hield buiten de wacht samen met de concubine van Valentijn. Al wat Valentijn naar buiten bracht, staken ze in een zak en droegen die naar de Rammelaar[7] waar ze alles in het water lieten zakken, behalve de mantel die ze in een gracht verborgen. Op zondagavond haalden ze de spullen naar huis en hingen ze in de kamer te drogen. De bekentenis werd aan Jaco, die nog bij het vuur zat, voorgelezen en hij ondertekende de bekentenis met een kruis.

23 juli veroordeeld tot de corde[8].

De drossaard van het Land van Asse, die optrad als vertegenwoordiger van de hertog, had uitgebreide bevoegdheden, maar daders van zware misdrijven waarop een lichamelijke straf stond, moest hij overdragen aan de amman van Brussel. Bijgevolg zond de schepenbank het proces verbaal naar de Steenstraat te Brussel voor de Raad van Brabant. Op 17 juli volgde het vonnis van F.J. Stucken en F. Gochet. Jacques Vremy werd veroordeeld om gestraft te worden met de corde soo datter de dood naervolgde, verclaerende tot dien sijne goederen geconfisceerd ten behoeve van de heere, ierst afgetrocken de costen ende missen van justitie over den processe ende executie van de vonnisse.  Volgens de wet moest de drossaard het vonnis, executie door ophanging, onthoofding, levend verbranden of verminking door radbraken of brandmerken, zelf uitvoeren. Daarom kwamen de drossaard en de schepenen van Asse, Hendrik Van Ginderachter, Joos Vander Slachmolen, Andries De Boitselier en Hendrik De Bailliu samen met de schepenen tot Asse, Jan Lahoese, Andries De Vogel, Gillis Taekers en Clauwaert bijeen om het vonnis uit te voeren. We mogen aannemen dat dood met de cordeophanging betekende. Die strafuitvoering had meestal plaats op een drukke marktplaats in het centrum van de meierij, hier dus het centrum van Asse. Na de strafuitvoering transporteerde de beul  zo vernederend mogelijk de stoffelijke resten naar de tentoonstellingsgalg waar hij het gehavende lijk aan de galg bevestigde. Jacques’ lijk kwam op de Boekhoutberg[9] terecht. Zijn stoffelijke resten bleven zoals gebruikelijk  afschrikking aan de galg hangen.

Slot van het pv van griffier Van Mulders.

1703. Verwarring over een elsbroek[10].

Op 2 augustus 1659 stelden de schepenen van het Land van Asse de akte op van een lening op die Nicolaas De Smedt, brouwer te Asbeek, en zijn vrouw Joanna Plas aangingen bij juffrouw Maria Van Steenwinckel. Zij was de grootmoeder en voogd van Gillis en Guillam Defraije, kinderen van haar zoon en van wijlen Joanna Catharina Van Loy. Het ging om een bedrag van 200 g met een erfelijke rente van 12 g 10 st (6,5 %) te betalen telkens op 15 juli vanaf 1660. Als pand gaven Nicolaas en Joanna 3 d elsbroek gelegen te Asbeek en palend aan Den Rottican, het goed van Laureijs Gillisjabns en het goed van het godshuis van Groenendaal. Het broek was belast met een grondcijns van ½ graspenning. Het tweede pand was 1 d meers gelegen te Asbeek en palend aan de Hopstraat, het Molenstraatje en het goed van het godshuis van Asse, belast met een cijns aan de heer Van Steenvoort.

In 1703 was de rente al jaren niet meer betaald en Jan Albert Defraije spande een proces in tegen Petrus Clauwaert en Joanna Cornelis uit Hekelgem. Joanna Cornelis was een kleindochter van Nicolaas De Smedt en tevens erfgename van de onbetaalde intresten van haar grootvader. Defraije liet het elsbroek en de meers aanslaan en verkopen ten bate van Gillis en Guillam Defraije en hun zus. Op 16 mei kocht hij zelf de twee percelen voor 350 g. Met dat geld was de achterstallige rente betaald, kon hij zijn mede-erfgenamen vergoeden en was hij eigenaar van twee onroerende goederen. Het was wellicht tot zijn grote verbazing dat hij vernam dat Gillis De Smedt, een zoon van Nicolaas, op 21 mei 1676 een lening had aangegaan bij Joanna Barbara Van Ginderdeuren, de weduwe van procureur Van Lille, met een rente van 21 g 17 ½ st. Als pand gaf hij een elsbroek van 3 d en een meers van 1 d. Advocaat Deens was in 1703 via zijn vrouw de eigenaar geworden van die twee partijen land en hij spande op zijn beurt een proces in tegen Jan Albert Defraije. Die had niet het recht dat elsbroek en de meers aan te slaan en zeker niet om ze te verkopen. Defraije startte een onderzoek en ontdekte dat het om twee verschillende panden ging. Het elsbroek dat Gillis De Smedt had gegeven was een broeckagie gelegen in het Pulleweidebroek en paalde aan de erfgenamen van Francis Wambacq, Hendrik Fasseel en het godshuis van Groenendaal. De meers lag aan het Borgstadbroek en paalde aan het goed van Affligem en de Kleine Eendenkouter. Het besluit was duidelijk: het ging om twee verschillende percelen. Hij vroeg dan ook aan zijn opponent Deens om de rechtsprocedure die al drie jaar duurde te stoppen.

Wij ondergeteeckent verclaeren te constitueren den procureur Cri(e)ck om ten diffintiven toe te vervolgen alsulcken proces als wij genootsaeckt worden te sustineren voor de bancke van Assche in materie van guarandt tegen Peeter Clauwaert ingesetene van Eckelgem als in houwelijck hebbende Joanna Cornelis, ratificerende ende approberende ’t gene bij den selven daer inne alreede magh wesen gedaen. Actum desen 25ste januari 1706, sijnde onderteeckent G. F. Defraije, J. A. Defraije, M.

A. P. Defraije, E; A. Defraije, E. D. Schelkens, Maria Magdalena Herregouts, Isabella Defraije, ende Catharina De Fraije. Accordeert met d’origineel quod attestor, Eg. Lodewijcx, notaris, 1706

Petrus Clauwaert was de, zoon van Petrus en Catharina Robijns. Hij is gedoopt omstreeks 1655 in Hekelgem en is overleden op zaterdag 11 september 1723 in Hekelgem, ongeveer 68 jaar oud. Hij trouwde, ongeveer 34 jaar oud, op zaterdag 14 mei 1689 in Hekelgem met Joanna Cornelis, 24 jaar oud. Zij was een kleindochter van Nicolaas De Smedt en werd gedoopt in 1665 in Hekelgem. Zij is overleden op zondag 27 september 1722 in Hekelgem, 57 jaar oud.

1703. Nicolaas Kieckens, een kordate maar niet correcte collecteur[11].

Op 17 april 1703 verzocht collecteur Nicolaas Kieckens de schepenbank om Gillis Van den Wijngaarden te verplichten om binnen de 8 dagen zijn verplichtingen voor het omstellingsboeck na te komen en, in het geval van nalatigheid, hem de toestemming te geven om de mobilaire en immobilaire goederen van Gillis te verkopen tot voldoening van de schuld. Officier Peter De Vis overhandigde op 24 april 1703 het order aan Gillis Van den Wijngaerde samen de kosten van 6 g voor het opstellen van de akte.

Vier maanden later geraakte Nicolaas zelf in de problemen. Peter Zeelens had hem schapen verkocht voor 29 ponden Vlaams, 5 schellingen en 3 st. Maar Nicolaas betaalde niet en op 31 juli 1703 moest hij zelf zich voor de schepenen gaan verantwoorden. Op advies van de Raad van Brabant verplichtte de schepenbank hem op 8 september Peter Zeelens promptelijck te betalen plus 6g voor elke adviseur en 12 st voor de griffier van de Raad Van Brabant.

1703. Engel Carnoy in de problemen[12].

Op vraag van de schepenen daagde officier Peter De Vis Engel Carnoy voor de schepenbank. Juffrouw Catharina Van Cutsem had tegen hem een proces ingespannen omdat hij al twee jaar een rente van 6 g niet had betaald. Na drie dagvaardingen had Engel zich nog niet bij de schepenen gemeld. Hij werd op 26 juni 1703 veroordeeld tot het betalen van de 12 g 10 st achterstallige rente en de gerechtskosten, samen 19 g 7 st.

In 1713 was de kwestie nog niet van de baan. Carnoy stond 5 jaar achter met de betaling van de rente. Weer volgde een proces bij de schepenbank en weer ging Engel niet in op de dagvaardingen. Op 25 april 1713 werd hij veroordeeld tot betaling van 43 g 2 st waarvan 30 g achterstallige rente, 6 g 14 st 2 o voor de griffier en 6 g 8 st voor de advocaat.

Als collecteur trad Engel in 1712 wel drastischer op tegen wanbetalers. Peter Verleysen kon maar 12 g van de verplichte 15 g betalen voor het collecteboek. Na enkele maanden was het geduld van Engel op en hij schakelde de schepenbank in om aan zijn 3 g te geraken. Het duurde drie maanden om tot een uitspraak te komen. Peter moest de achterstallige 3 g plus de gerechtskostenkosten betalen, samen 21 g 12 ½ st.

In 1716 geraakte Carnoy tweemaal in moeilijkheden. Barbara Van de Velde   hem aanomdat hij haar 72 g schuldig was, afkomstig van geleend geld en consumpties. Op 16 juni 1716 veroordeelden de schepenen Engel tot de betaling van 83 g.

Bij de weduwe van Jan Raspoet kocht Engel in 1709 schaarhout aan voor 9 g. Hij haalde het hout op, maar vergat te betalen. In 1716 was het geduld van de weduwe op en zij schakelde advocaat Arnoult Adriani in om haar zaak bij de schepenbank te verdedigen. Engel werd op 14 juli veroordeeld tot het betalen van 15 g 6 ½ st.

1704. Lasten voor de parochie.

Van Sint-Jansmis 1703 tot Sint-Jansmis 1704 moest Hekelgem een aanzienlijke bijdrage leveren in de oorlogskosten. De 18de eeuw was begonnen zoals de 17de eindigde: met oorlog. De Spaanse koning Karel II stierf zonder opvolger en de Franse koning Lodewijk XIV eiste de Spaanse troon op en dat tegen de zin van de Oostenrijkse Habsburgers, Engeland en de Hollandse republiek. Het gevolg was dat onze streken in de oorlog werden betrokken. Zo roofden soldaten 29.164 bomen van de abdij en de legeraanvoerders, Malborough en Wittenberg, namen er hun intrek en verteerden met hun gevolg heel de voorraad haver, hooi en stro een grote hoeveelheid mutsaarden.

De strijd duurde tot 1715 en had voor de Zuidelijke Nederlanden het gevolg dat wij van Spaans bestuur naar Oostenrijks bestuur overgingen. In opdracht van de Staten van Brabant moest Hekelgem:

– 126 g betalen aan de mannen die van 24 augustus tot 16 september 1704 hadden gewerkt aan de linie nabij Namen

– 425 g 14 st aan de pioniers die aan de linie van Aarschot hadden gewerkt.

– 64 g 2 o als deel van de kosten van 28 oktober.

– 290 g 9 st als deel van 27 november.

– 124 g 8 st 2 o voor de wagenvrachten op 4 december.

– 144 g 2 st 2 o voor de boot en wagenvrachten op 29 december.

– idem 94 g 12 st op 31 december.

– 48 g voor twee wagens gedurende 4 dagen.

Bovenop die betalingen kwamen de leningen die de gemeente moest aangaan om aan bovenstaande verplichtingen te kunnen voldoen.

– 229 g 5 st aan verscheidene personen.

– een 250 g van een lening van 4000 g bij Joanna Maria Van den Cruyce, begijn te Brussel

– een rente van 45 g aan de meierij van Asse voor een lening van 6000 g.

– een rente van 54 g aan Michiel Clauwaert voor een lening van 900 g.

– 120 g aan Nicolaas Rousseau uit Brussel voor een lening van 2000 g.

– een rente van 25 g aan Gillis Leysen, idem aan Jan De Vis en idem aan Merten De Corte

– 12 g aan Peter Van den Bossche.

– 42 g aan Jan De Weghe uit Aalst.

– 18 g 15 st aan Jan Cayman.

– 31 g 15 st aan Judocus De Waeghene.

– 67 g 15 st aan Egidius Lemmens.

– 16 g 8 st aan de pastoor van Hekelgem.

– 48 g aan Jacobus Van Aert.

Jaarlijkse betalingen van opgelichte penningen.

-aan begijn Van Den Cruijce 30 g.

– aan Niclaas Rousseau 125 g.

– aan De Backer 40 g 12 st.

– aan sieur Van Antwerpen 40 g.

– aan Michiel Clauwaert de oude 56 g.

– aan Egidius Lemmens 92 g 10 st.

– aan Jan en Peeter De Vis 25 g.

– aan Gillis Linssens 25 g.

– aan Peter Van Den Bossche 15 g 10 st.

– aan de pastoor van Hekelgem 16 g 8 st.

– aan de drossaard  uit een meerdere som van 12000 g jaarlijks 86 g.

– aan Caijman 18 g.

– aan Louis Daertvan Aalst 18 g 15 st.

– aan Jan Sumaert van Meldert 12 g 10 st.

Samen = 819 g 5 st.

1704. Carel Van Camp kan rekenen op hulp[13].

Om een lening van 4000 g van de heer Van den Cruyce te kunnen terugbetalen belastten de bedesetters  van Hekelgem op 4 juni 1685 elke bunder land met 9 g. Voor Carel Van Camp was dat een ramp. In 1704 was hij daarvan nog 78 g 15 st schuldig aan Peter De Kegel, de collecteur. Op 6 februari 1704 sloten de drossaard, de schepen Andries De Boitselier en de heer J. Steenwinckel een akkoord met de bedesetters Jacobus Van Ransbeeck, Peter De Raedt, Jan Baptista Crick en Jan Baptista Van Nieuwenhove. Peter Verleysen, de collecteur zou de 78 g achterstal van Van Camp betalen samen met de proceskosten. Aansluitend sloten Andries De Boitselier, Peter Verleysen en Nicolaas Kieckens een overeenkomst met Van Camp. Andries De Boitselier en Nicolaas Kieckens zouden daarvan elk 16 g voor hun rekening nemen.

1705. Peter De Mesmaecker kan zijn intresten niet betalen[14].

Peter De Mesmaecker leende bij Gillis Van den Wijngaarde 8 ponden groten Vlaams met een intrest van 3 g en met een looptijd van 3 jaar. De Mesmaecker betaalde 2 jaar intrest en geraakte dan in de problemen. Hij kon de lening ook niet terugbetalen. Op 10 maart 1705 vroeg Van den Wijngaerde de schepenen om Peter te verplichten het verschuldigde bedrag promptelijck te vergoeden of om hem de toelating te geven om op bepaalde goederen beslag te leggen. Het pond Vlaams of Vlaams pond = 20 schellingen = 240 groten; 1 pond groten Vlaams = 6 g.

1705. Franciscus Goossens betaalde de overname niet[15].

In 1705 verliet Jan Schelfout een boerderij van de abdij te Hekelgem. Franciscus Goossens werd de nieuwe pachter. Met Jan kwam hij overeen om bepaalde veldvruchten over te nemen en de verbeteringen die Schelfout had aangebracht te vergoeden. Het ging om:

1.De verbeteringen aan het bedrijf. P. Van Nieuwenhove en Jan Verleysen werden gevraagd om de verbeteringen te schatten. Zij kwamen tot een bedrag van 15 ponden groten Vlaams (= 90 g).

2.Franciscus nam een aantal hopstaken over ter waarde van 12 g.

3.Hij mocht op 3 d het hout splijten voor 3 g.

4.Jan Schelfout had op 1 d de klaveren gescheurd voor 1 g.

5. De overname van het loof: 4 g.

Totaal 111 g. Franciscus stelde de betaling alsmaar uit tot Jan Schelfout zich op 1 december 1705 tot de schepenbank richtte om de betaling te eisen.

1708, 1712. Collecteur Jan De Vis aangeklaagde en aanklager[16].

Jan De Vis ging op 12 juni 1708 een lening aan bij de bedesetters Judocus Godefroije, Peter De Vis, Jan Mertens en Jan Baptista Michiels. Hij leende 32 pond groot wisselgeld en zou het bedrag binnen de 3 maanden terugbetalen. De termijn verliep, maar Jan betaalde niet. De bedesetters spraken op 20 oktober 1711 advocaat Crick aan om bij de schepenbank hun zaak te bepleiten. Arnault Adriana verdedigde Jan De Vis. Hij werd driemaal voor de schepenbank gedaagd, maar hij liet zich niet zien. Op 24 juni 1712 volgde zijn veroordeling tot betaling van de lening en de gerechtskosten.

In het begin van de 18de eeuw geraakte Andries Cornelis in moeilijkheden en kon daarbij op weinig begrip rekenen van Jan De Vis. Hij kon zijn belastingen niet betalen. De bedesetters hadden om te voldoen aan de bede van de Staten van Brabant voor het jaar 1705, lopende van Sint-Jansmis en eindigend met Kerstmis een belasting geheven van 20 st op elk bunder. Voor Andries met 10 b 60 r betekende dat een bedrag van 10 g 3 st. De volgende jaren bleven de lasten op de inwoners toenemen:

1706: Hekelgem moest 585 g 1 st bijdragen aan de bede en de bedesetters Jan Blondeel, Aert De Vis, Adriaan Van Nieuwenhove en Gillis Wambacq belastten elk bunder met 25 st. Voor Andries steeg zijn deel tot 13 g 3 st.

1707: De taks bleef op 25 st. Andries bezat toen 8 b 2 d 72 r en moest 10 g 17 st betalen. Op 21 juni beslisten de bedesetters om de obligaties en de vergoedingen voor de pioniers te kunnen betalen de bijdrage voor de oncostboeck voor elk bunder land en weide op 6 g vast te leggen. Andries met 10 b 2 d 8 r moest 63 g 2 st ophoesten.

Behalve de bedeboeck en de oncostboeck was er ook nog het ommestellingeboeck. Op 17 augustus 1705 hadden de Staten van Brabant beslist de gemeenten een supplement van een 21ste penning op te leggen, gevolgd door een 23ste penning op 12 november van hetzelfde jaar om de kantoneringen van graaf van Bergeyck te betalen. De bedesetters hieven een belasting van 4 g op elke bunder land, weide en bos. Voor Andries kwam er 40 g 12 st taks bij. Op 15 januari moest Hekelgem 1830 g aan het subsidieboeck van de Staten van Brabant en dus kwam er nog eens een belasting van 4 g op elke bunder land, weide, beemd en stockbosch. Voor Andries met 11 b 1 d 30 r: 45 g 8 st.

Er kwam geen einde aan de reeks nieuwe lasten in 1707. Het Franse invasieleger de legde de gemeente een oorlogsbelasting op van 1227 16 st, te betalen voor 15 mei 1708. Het Franse leger was Vlaanderen binnen gevallen in het kader van de Spaanse Successieoorlog. De Spaanse koning Karel II was zonder troonopvolger gestorven en de Franse koning Lodewijk XIV eiste de Spaanse kroon op. Maar ook de Habsburgse keizer had dezelfde eis en een nieuwe oorlog was begonnen. Toen in 1715 de vrede werd getekend kwamen de Zuidelijke Nederlanden onder het Oostenrijks bestuur. De bedesetters verdeelden de last als volgt: 2 g 10 st op de gronden, 6 st per paard, 6 st per koe en 3 st huisgeld. Andries Cornelis had 8 b 2 d 72 r land, 2 paarden en 2 koeien en moest 22 g 18 st bijdragen. Hoeveel Cornelis telkens betaalde werd niet vermeld, maar in 1708 was hij aan de collecteur een aanzienlijk bedrag verschuldigd. Op 3 juli 1708 was het geduld van collecteur Jan De Vis op en hij verzocht de schepenbank om de veldvruchten, de dieren, de hop en de hopstaken van Andries en Merten Cornelis in beslag te mogen nemen om te verkopen. Andries reageerde scherp en noemde de rechtszaak eene absurde middel om eenen eerlijcken man alsoo van sijne pachtinge af te worgen.

Ten versuecke van Jan De Vis, soo hebbe ick ondergeteeckent officier des Lants van Assche geïnsinueerd secker rechte bij den selven gepresenteert aen die heeren drossaert ende schepenen des Lants voorschreven aen Andries Cornelis desen 20ste juli 1708. Jan Van Huijnegem, 1708.

Andreas Cornelis was een zoonvan Michael en Anna Smet. Hij is gedoopt op donderdag 14 mei 1671 in Hekelgem en  is overleden op woensdag 20 juli 1735 in Hekelgem, 64 jaar oud. Hij trouwde,

24 jaar oud, op woensdag 9 november 1695 in Hekelgem met Anna Robijns. Zij is overleden op zondag 24 september 1741 in Hekelgem.

Kinderen van Andreas en Anna: te Hekelgem gedoopt:

1- Egidiusj is gedoopt op maandag 16 juli 1696 en is overleden in 1758 in Hekelgem, 62 jaar oud.

2- Joannes Baptist is gedoopt op zaterdag 24 augustus 1697

3- Elisabeth is gedoopt op donderdag 4 juni 1699 

4- Gregorius is gedoopt op vrijdag 20 augustus 1700 

5- Maria Anna is gedoopt op zondag 9 oktober 1701 en is overleden in 1738 in Hekelgem, 37 jaar oud.

6- Anna Francisca is gedoopt op donderdag 6 september 1703.

7- Catharina is gedoopt op zondag 2 augustus 1705.

8- Catharina is gedoopt op vrijdag 9 maart 1708.

9- Jacobus is gedoopt op vrijdag 5 juli 1709.

10- Franciscus is gedoopt op donderdag 22 oktober 1711.

11- Jacobus is gedoopt op zondag 23 september 1714.

Ook Engel Carnoy kwam in botsing met Jan De Vis. Op 21 juni 1712 vroeg collectuer De Vis aan de hoofdrossaard en de schepenen de toelating om de tarwe en de gerst van Engel Carnoy te verkopen. Engel had zijn belastingen niet betaald en had een schuld van 75 g 16 st 1 b. Officier Jan Van Huynegem bracht op 6 juli Engel Carnoy op de hoogte van de beslissing van de schepenbank: zijn tarwe en gerst zouden worden verkocht. De kopers moesten bepaalde voorwaarden in acht nemen. Ze moesten binnen de 8 dagen de aankoop betalen. Na de verkoop had Engel nog 7 dagen om zijn graan te behouden als hijzelf de koopsom betaalde. De verkoop ging door op 18 juli 1712 in aanwezigheid van de drossaard en de schepenen Jan Van den Bossche en Gillis De Smedt.. Jan De Vos kocht tarwe voor 76 g en Jan De Vis de gerst voor 17 g.

Angelus Carnoy is gedoopt in 1656 in Hekelgem en is overleden op woensdag 7 januari 1722 in Hekelgem, 66 jaar oud. Hij trouwde, 22 jaar oud, op donderdag 21 juli 1678 in Hekelgem met Maria Robijns, 23 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 28 februari 1655 in Hekelgem en is overleden op dinsdag 27 september 1695 in Hekelgem, 40 jaar oud.

Angelus hertrouwde, minstens 39 jaar oud, na 1695 met Judoca Schords, overleden op donderdag 11 mei 1741 in Hekelgem.

Ten versoecke van jan de Vis hebbe onderschreven officier der justitie van hekelgem en Lande van Assche communicatie gedaen aen Ingel Carnoij desen 27 junius 1712. Jan Van huijnegem.

1710. Verwarring over een onbetaalde rente[17].

Gerard Carnoy en Anna De Hoy leenden 460 g bij Guillam Huygens, meester schrijnwerker uit Brussel, en zijn vrouw Elisabeth Carnoy. In 1693 was de toestand erg veranderd. Gerard Carnoy en zijn vrouw Anna De Hoy waren overleden. Anna was na de dood van Gerard hertrouwd geweest met Adriaan De Leeuw die als erfgenaam van Anna te maken kreeg met  onbetaalde renten. Op 3 april 1693 kwamen Guillam Huygens en Elisabeth Carnoy met Adriaan De Leeuw overeen om de lening te herschikken. Adriaan kreeg een lening van 350 g met een rente van 18 g. Als pand gaf hij de helft van een hofstede met huis, groot 1 ½ d, gelegen op Boekhout en palend aan de straat, Het Veldeken en Michiel Steven. De hofstede was belast met een grondcijns aan de abdij. Als tegenprestatie stonden Huygens en zijn vrouw een afgebrande hofstede af, gelegen op Boekhout, groot 39 r en palend aan de erfgenamen Philips Verleysen, de erfgenamen Carnoy. De hofstede was belast met een grondcijns aan de kerk van Hekelgem. Adriaan stelde wel de voorwaarde dat hij de lening mocht afkorten volgens zijn financiële mogelijkheden. De akte werd verleden door notaris Appelman te Brussel en geregistreerd door de schepenen Michiel Bruylant, Gillis Van Mulders en Jan Van den Bossche op 9 december 1710.

Anna D’Hoy overleed op maandag 9 oktober 1690 in Hekelgem. Zij trouwde met Gerard, overleden op zondag 27 september 1676 in Hekelgem. Anna hertrouwde op zondag 31 juli 1649 in Hekelgem.

1711. Een weide tweemaal verkocht[18].

Op 25 november 1659 verkocht Martinus Wambacq een weide aan Michiel De Bisschop voor 165 g. De weide lag aan de Vijverbeek te Asse en was belast met een grondcijns van 4 ½ st aan de abdij. Op 20 maart 1661 betaalde De Bisschop de koopsom. De akte werd verleden door Melchoir Van Driessche als vervanger van de Affligemse meier Charles de la Mars. In 1689 kwam Michiel tot de onaangename vaststelling dat zijn weide zonder zijn weten was verkocht. De erfgenamen van Franchois Van Bambos hadden op 9 januari 1690 7 partijen, afkomstig  van de erfgenamen van Martinus Wambacq, verkocht. Onder de 7 percelen de weide van Michiel De Bisschop. De koper was Jan Baptist De Bisschop. Hij betaalde 425 g en daarvan ging 341 g naar de verkopers en de rest werd besteed aan achterstallige renten.

Michiel en zijn vrouw Catharina Schoonjans spanden een proces in tegen Gillis Wambacq een van de erfgenamen om hun weide of de 165 g terug te eisen.

1712. Paardenknechten overvallen.

Peter De Valck, de knecht van Jan De Vis, en Lenaart De Pauw die in dienst was bij Jan Baptist Michiels, reden op 21 juni 1712 in opdracht van de overheid met een met brood volgeladen wagen van Brussel naar Bergen. Op de terugweg werden ze in de buurt van Bavai overvallen. Enkele dieven vertrokken onmiddellijk met hun drie paarden en de wagen terwijl andere overvallers hen 2 u. gevangen hielden en hen dan verjoegen. Ze meldden de overval bij de drossaard, de griffier en de schepenen die beslisten de eigenaars te vergoeden. Op 9 augustus 1712 taxeerden ze de 2 paarden van Jan De Vis op 36 pond groot en het paard van Michiels op 17 pond groot, de wagen op 60 g.

1712. Adriaan Dierickx draait op voor de schulden van zijn voorganger[19].

François Dauwe, een schoenmaker uit de buurt van de abdij, leende op 17 april 1694 bij Jacqueline Van den Bossche 34 g 17 ½ st met de verplichting de som binnen de maand terug te betalen. Toen François op 13 april 1706 overleed had Jacqueline haar geld nog niet terug. De weduwe van de schoenmaker hertrouwde op 16 februari 1708 te Hekelgem met Adriaan Dierickx die daardoor met de schuld was opgezadeld. Na de dood van Jacqueline wendde haar zoon, Jan De Dier, zich op 31 mei 1711 tot de schepenbank om de betaling te eisen. Na 18 jaar, op 16 februari 1712, behandelden de schepenen de aanklacht.

1712. Barbara Van de Velde, klant bij de schepenbank[20].

Op 23 maart 1712 stelde de Antwerpse notaris Peter Coppens de verkoopakte op van een levering wijnen die Nobert Colijns, wijnhandelaar te Antwerpen, verkocht aan Barbara Van de Velde. Het ging om een bedrag van 65 g 17 st. Gillis Gramon uit Mazenzele zou instaan voor het transport en het geld ontvangen. Maar Barbara betaalde niet en al op  31maart schakelde Colijns advocaat Crick in om zijn zaak aanhangig te maken bij de schepenbank.

Peter Mannaert uit Meldert stond bij Barbara voor 14 g 12 st in het krijt voor zijn consumpties sinds 14 februari 1713. Zij vroeg Egidius Crick om bij de schepenbank een klacht in te dienen tegen Peter. Zoals zovelen reageerden Peter noch zijn advocaat Coninxloo op de dagvaardingen. Hij werd op 12 februari 1715 veroordeeld tot betaling van 27 g 17 st aan Barbara,

In 1716 kloeg Barbara Engel Carnoy aan. Hij was haar 72 g schuldig, afkomstig van geleend geld en consumpties. Op 16 juni 1716 veroordeelden de schepenen Engel tot de betaling van 83 g.

Barbara Van de Velde trouwde op zaterdag 13 juli 1675 in Hekelgem met Adriaan De Ridder is overleden op woensdag 5 maart 1692 in Hekelgem.

1713. Chirurgijn Judocus Godefroy staat op zijn rechten[21].

De weduwe Joos Van Nuffel bezat een meers gelegen op Koudenberg aan de vijvers en achter die van Judocus Godefroy. Op 19 januari had zij zich verstaut te rijden over sijne meersch met waghen ende peerden. Judocus was van oordeel dat het aen nijemant geoorlooft is over het goed van een ander te rijden en hij daagde haar voor de schepenbank om de schade die zij had veroorzaakt te vergoeden. In de verdediging wees de advocaat van de weduwe erop dat sinds mensenheugenis de weide van de chirurgijn diende als losweg voor haar weide. Er bestond ook een transactie gepasseerd voor notaris De Raedt van 11 november 1675 die de vrije toegang verleende voor wagens met hooi en hout. Judocus bezat ook die akte en hij overhandigde ze op 21 februari 1713 aan de schepenen. De akte was opgesteld voor de voorgaande eigenaars en bevatte een artikel dat men voor het gebruik van de eerste weide als losweg telkens de toestemming aan de eigenaar moest vragen. Bij gebruik zonder de toelating moest de schade worden vergoed en luijden hun des verstaene bepaalden de schade.

De schepenen ondervroegen meerdere getuigen. Gillis Van Onchem, 64 jaar, verklaarde dat hij meermaals hooi haalde voor Arnout Van Ransbeeck, de vroegere eigenaar, en telkens over de eerste weide reed zonder toestemming te vragen. Joos Maes, 66 jaar, legde dezelfde verklaring af. Marie Van Neervelt, 70 jaar, getuigde dat Jan Robijns altijd zijn hooi en hout haalde via de weide van Jan Meert, een vroegere eigenaar. Advocaat Arnoult Adriani besloot na de getuigenissen dat de weide van Godefroy al 30 jaar twee- à driemaal per laar paijselelijck werd gebruikt. Bijgevolg was de klacht van de chirurgijn ongefundeerd. De advocaat van Judocus hamerde op het feit dat er voor het gebruik van de eerste weide als losweg een toestemming van de eigenaar nodig was. Het was niet omdat Robijns en anderen die aanvraag niet deden dat ze het recht aan hun kant hadden.

Op 10 oktober 1713 kwamen de schepenen tot een uitspraak. De weduwe Van Nuffel moest de schade en de proceskosten betalen.

1714. Een proces voor 2 g[22].

De dieren van de weduwe Franchois Willems hadden wat schade aangericht aan de goederen van Anton De Voghel uit Essene. Ook al was de schade beperkt, toch schakelde De Voghel advocaat Crick in om bij de schepenen een klacht in te dienen. Het oordeel van de schepenen was dat de weduwe de schade plus de gerechtskosten moest betalen, samen 5 g 10 ½ st en tegelijk wezen ze erop dat voor zo’n clijnicheijt een proces niet nodig was.

Omdat Adriaan Vermosen 2 g lvoor 1 jaar landpacht niet betaalde deed Peter Verleysen hem ook een proces aan. Adriaan moest hem 5 g 6 ½ st betalen.

1715. Guillam Cortvrindt betaalde het zaad niet[23].

Bij Joannes Beeckman uit Aalst kocht Guillam Cortvrindt voor 28 g zaad, maar hij was niet in staat zijn aankoop te betalen. Arnoult Adriani diende voor Beeckman een klacht in. Na de drie dagvaardingen waarop Cortvrindt niet verscheen, werd hij veroordeeld tot 34 g 4 ½ st.

1716. Een slag op het hoofd[24].

Peter Callebaut kreeg het op 3 mei 1716 in de herberg De Valck aan de stok met Laureijs De Ridder. Het kwam tot een vechtpartij, maar omstanders haalden hen uit elkaar. Terwijl Peter zich wat wou wassen, sloeg Laureijs met een stoel op zijn hoofd. Hij kon nog om hulp roepen en viel dan op de grond. Op 16 mei constateerde officier Carel Rogiers dat hij nog altijd bedlegerig was. Hij overhandigde zijn rapport aan de hoofddrossaard.

Petrus Callebaut werd gedoopt omstreeks 1673 en overleed op zondag 29 augustus 1723 in Hekelgerm, ongeveer 50 jaar oud. Hij trouwde met Maria Anna Applicoen, overleden op dinsdag 27 januari 1750 in Hekelgem.

1716. Elisabeth Robijns helpt dochter Catharina[25].

Op 30 januari 1710 verscheen Elisabeth Robijns van de Bellemolen te Essene met haar zoon Jasper voor notaris Egidius Crick met de bedoeling tot een oplossing te komen voor het conflict van haar dochter Catharina met de abdij. Catharina was weduwe van Gillis Van den Broeck en in financiële moeilijkheden geraakt. Zij kon de pacht aan de abdij niet meer betalen. Haar schuld was al opgelopen tot 4 173 g 4 ½ st. Elisabeth wou de helft van het bedrag, 2 086 g 12 st aan de abdij geven met die bemerking dat het bedrag al een deel van Catharina’s erfenis zou uitmaken. Gillis, de zoon van Catharina, verkocht een bos in Erembodegem van 12 d voor 500 g aan de abdij waardoor de schuld verminderde tot1 586 g 12 st. De Affligemse spijkermeester, dom Wilibrordus Resquens schol de rest van de schuld kwijt.

Deze overeenkomst werd op 19 december 1716 geregistreerd door de schepenbank vertegenwoordigd door Jan Pissaer voor drossaard Hubert Mo(o)rtgat en de schepenen Peter Clauwaert en Guillam Verhasselt. Cornelis Schoon legde de akte voor.

1717. Beenhouwer Peter De Keijser en de vette beesten[26].

12 januari 1717 was een zwarte dag voor meester-beenhouwer Peter De Keijser uit Asse. Die dag veroordeelden de schepenen hem tot de betaling van 52 g aan Anna Buggenhout, de weduwe van Michiel Clauwaert. Hij had bij haar vette beesten gekocht voor 25 g en zoals zo vaak gebeurde met weduwes, hij betaalde de rekening niet. Zij vroeg Egidius Crick om als haar advocaat de zaak bij de schepenbank te bepleiten. De beenhouwer stoorde zich niet aan de dagvaardingen met het gekende gevolg voor hem.

1717. Borgsteller voor de rechter gedaagd[27].

Gilliam Cortvrindt vroeg in 1714 aan Peter De Nil om zich borg te stellen. Hij wou bij de weduwe Verspecht een rund kopen. In 1716 had Cortvrindt zijn aankoop nog niet betaald en vermits ze bij Cortvrindt niet aan haar geld geraakte, spande de weduwe een proces in tegen Peter De Nil in de hoop dat hij zou betalen. De Nil richtte zich op zijn beurt tot de schepenbank met het verzoek hem te ontlasten van de borg. Op 19 januari 1717 volgde de uitspraak. Guillam moest de koopsom en de gerechtskosten, samen 8 g 8 ½ st betalen.

1717. De kapellanen eisen hun geld[28].

De kapellanen van de Sint-Niklaaskerk te Brussel hadden recht op  2 gulden cijns ten laste van de erfgenamen van Jan Pensionaris en die van Merten Van den Bergh. De cijns was bezet op 2 hofsteden, een in de Bosstraat en een die aan de Rammelaar was gelegen (toen nog op het grondgebied van Meldert). Daar de cijns al 9 jaar niet meer was voldaan, dreigden de kapellanen de eerste hofstede te ontnemen aan Adriaan Serteel, man van Joanna Pensionaris. Die liet het zover niet komen en trok op 26 april 1715 naar Brussel en betaalde niet alleen zijn schuld, maar ook die van Adriaan De Jonghe die via zijn vrouw de in het bezit van de hoeve was gekomen. Vervolgens ging hij bij De Jonghe om wat hij voor hem had voorgeschoten te ontvangen. Dat liep mis. Adriaan De Jonghe was er gerust in nu zijn schuld bij de kapellanen was vereffend en hij betaalde niet. Er bleef voor Serteel niets anders over dan de schepenbank in te schakelen.

In 1719 geraakte Adriaan Serteel zelf in de problemen. Hij had geld geleend en koren gekocht bij Peter Verleysen voor 28 g 13 st zonder dat hij in staat was om de rekening te betalen. Op 18 februari 1719 veroordeelden de schepenen hem, nadat hij op de dagvaardingen niet had gereageerd, om 22 g 7 st te betalen.

Adrianus Serteel is overleden op vrijdag 23 augustus 1726 in Hekelgem. Hij trouwde op donderdag 31 juli 1698 in Hekelgem met Joanna Persionaris, de weduwe van Petrus De Bont, overleden in 1697, met wie zij was getrouwd op zondag 9 november 1681 in Hekelgem.

Adrianus De Jonghe, overleden op woensdag 15 mei 1771 in Hekelgem, trouwde met Maria Tuysinck, gedoopt op zondag 1 februari 1688 in Hekelgem en overleden op woensdag 21 augustus 1771 in Hekelgem, 83 jaar oud.

1718. Beenhouwer Peter De Keijser opnieuw veroordeeld[29].

In 1718 verkocht de hofmeester van de abdij vette beesten voor 99gaan de meester-beenhouwer De Keijser uit Asse. Maar net zoals bij de weduwe van Michiel Clauwaert betaalde hij slechts een deel van de rekening, namelijk 31 g 10 st. Hij moest werkelijk geld tekort hebben want van de abdij kon hij verwachten dat ze snel een procedure tegen hem zouden beginnen. De hofmeester lietadvocaat Crick een proces inspannen en op 18 januari werd De Keijser veroordeeld tot de betaling van 119 g.

Kon Peter pas betalen als hij het vlees van de dieren had verkocht? Hij bleef zijn handelwijze toepassen. Bij Jan Van Nieuwenborgh kocht hij voor 60 g vette beesten  tot hij op 4 maart 1732 werd veroordeeld en 68 g 8 st had te betalen.

1718. Engel Carnoy blijft schulden maken[30].

Kon Engel Carnoy wegens zijn schulden niet meer terecht in de herberg van Barbara Van de Velde, dan zocht hij vertier bij Laureijs Van Mijnsbrugge te Essene. Maar ook hier liepen zijn schulden al snel op tot 6 g met het te verwachten gevolg. Van Mijnsbrugge diende in 1717 een klacht in bij de schepenbank, Engel werd driemaal gedagvaard, kwam niet opdagen en werd op 22 maart 1718 veroordeeld tot betaling van 18 g.

1718.Peter Callebaut gokte verkeerd[31].

Peter Callebaut leende een bepaalde som bij Jan Timmermans uit Erembodegem en vergat de laatste 2 g terug te betalen. Hij hoopte dat Jan voor zo’n klein bedrag geen rechtszaak zou beginnen. Hij gokte verkeerd en Egidius Crick bepleitte de zaak voor de schepenen met als resultaat dat Peter volgens het vonnis van 15 juli 1718 meer dan het dubbele, namelijk 5 g 19 st moest betalen.

1719. Was de cijns betaald[32]?

Op 22 maart 1707 verkochten Michiel Van den Hauwe en zijn vrouw Geertrui Van Brempt een hofstede aan Gommaar Verloes van Meldert. De boerderij, ½ d groot, lag te Asse-ter-Heide en paalde aan Niclaas Van Laer, de Nieuwen Steenwegh, en het leengoed van het Leenhof van Asse. De hofstede was belast met de helft van 6 ½ viertelen haver aan de heer tot Asse en 6 ½ vietelen rogge voor het cijnsboek van Lapoigne. Michiel had de hoeve van zijn ouders geërfd op 28 maart 1707. Hij verkocht ook een ½ d land dat aan de hofstede paalde en belast was met dezelfde cijns aan de heer tot Asse en aan Lapoigne. De koop werd gesloten voor een bedrag van 550 g waarvan de kopers 250 g moesten betalen voor Lichtmis van het volgende jaar en de resterende som met een intrest van 5% in 3 schijven  vanaf 1710.

In augustus 1718 ontstond er twijfel over de betaling van de cijns op het ½ d land voor de periode van 1683 tot 1691. Bij de verkoop had Michiel Van den Hauwe verklaard dat hij in 1710 alle achterstallige cijnsen, 46 g, had vergoed en toch spande Jan Louis, de tweede man van Geertrui Van Brempt een proces in tegen Gommaar Verloes omdat die de achterstallige cijns had moeten betalen. Na een proces dat liep van 14 januari 1718 tot 10 januari 1719 met beschuldigingen heen en weer, bleek dat Michiel Van den Hauwe effectief alle schulden had aangezuiverd.

1719. De hofstede onterecht verkocht[33]?

Op 29 juli 1718, tijdens de tweede zitdag, werd de hoeve van het overleden echtpaar François De Roock en Josina Van den Biesen door notaris Egidius Crick ten huize van Judocus Godefroy verkocht. De hoofddrossaard als oppervoogd van de kinderen had daartoe zijn toestemming verleend. Voor de notaris verschenen:

– Adriaan en Petronella De Roock als erfgenamen van 2/3 van de helft van de hoeve en Adriaan trad ook op, samen met Antoon Van den Biesen, als voogd van Josina die voor 1/3 van de helft erfgenaam was.

– Zij waren ook voogd van de kinderen van Marie De Roock, de overleden echtgenote van Peter Francq en voor de kinderen van Joanna De Roock, de overleden vrouw van Jan Van den Bergh. Marie en Joanna hadden een andere moeder, namelijk Marie Pleet. Samen hadden zij recht op 2/5 van de helft van de goederen.

De verkoop omvatte een hofstede met huis en hopast, groot 1 d en gelegen in de Bosstraat, palende aan de straat, Peter Van de Perre, Andries Cornelis en Jan Verleysen. De hoeve was belast met een grondcijns van 6 st aan de abdij en een rente van 21 g 17 ½ st aan Lieven Daens en Petronella Vonck. De ouders hadden in 1688 de hofstede gekocht van Jacquemijne Mattens voor 460 g 14 st. De kopers waren Cornelis Van Nieuwenhove en Elisabeth Verhoeven. Zij betaalden 900 g.

Kort na de verkoop zag Cornelis zich verplicht een proces in te spannen tegen Josina De Roock die weigerde het huis te verlaten. Zij was niet akkoord gegaan met de verkoop en wilde haar deel van de boerderij behouden. Cornelis Van Nieuwenhove stelde op 13 september dat haar voogden, haar broer Adriaan en  Antoon Van den Biesen, een overeenkomst tot verkoop hadden ondertekend. Maar op 19 september bezorgde Adriaan de schepenen een ondertekende verklaring waarin hij getuigde dat hij onder druk van bedreigingen en geweld die overeenkomst had ondertekend. Peter Clauwaert, officier Peter Ledegen, Peter Verleysen en Jan De Coster hadden hem thuis in Meldert opgezocht. Ze wilden dat hij een document ondertekende waarin hij de toestemming gaf om de – ondertussen al verkochte hoeve – te verkopen. Hij weigerde hen binnen te laten. De officier dreigde toen dat hij de deure soude opencappen oftewel met eene houte de deure openloopen. Op een zondag, 7 of 10 augustus, kwam hij met Cornelis Van Nieuwenborg tot bij hem en vroegen hem mee te gaan naar procureur Crick te Asse. Daar wachtte Peter Clauwaert hen op met de vraag de verklaring te ondertekenen in ruil voor geld. Hij duwde hem zelfs een pen in de hand, maar Adriaan gooide ze weg en vertrok. Aan de bareel te Asse grepen de anderen hem vast en ze zouden hem affpanden als hij niet tekende. Adriaan ging akkoord om te tekenen, maar alleen in eigen naam en niet als voogd van de wezen. Peter Clauwaert beweerde dat het juist in het voordeel van de wezen was dat de hoeve was verkocht, want een verkaveling zou soo veel van brieffven costen. Uiteindelijk ging Adriaan akkoord.

Josina gaf echter niet op en liet een brief schrijven naar den keijser ende Coninck in sijnen Souvereijnen Raede geordonneerd in Brabant. Het schrijven was ondertekend door J.H.V. Brande, Josina en Adriaan. Josina legde erin uit dat ze niet akkoord was met de verkoop en dat Adriaan sich bij importuniteijten ende andere ongehoortheden soude hebben laten verleijden tot de verkoop. Hij werd daartoe bij force gedwongen. Daarom vroeg ze de verkoop te verklaren nul, machteloos en van onweerde. Op 31 oktober 1718 ontvingen de schepenen van Affligem het antwoord van de Raad met de autorisatie om de zaak te behandelen.

Op 13 december vatte Josina ten behoeve van de schapenen de hele zaak nog eens samen. Peter Clauwaert, Peter Ledegen, Peter Willems en Jan De Coster zochten enige tijd na de verkoop Adriaan thuis op en wilden hem een volmacht tot verkoop laten tekenen. Adriaan weigerde. Op een zondag in augustus namen ze hem mee naar Crick te Asse waar hem met geld wilden verleiden om te tekenen. Onder bedreiging gebeurde dat dan toch, maar alleen in eigen naam. Zij was nooit akkoord gegaan met de verkoop en Van Nieuwenborgh kan het tegendeel niet bewijzen. Bijgevolg is haar deel van de hoeve niet verkocht en moet zij het huis niet ontruimen. Zij vroeg de schepenen om het naderschap toe te passen, d.w.z. dat zij het recht had om de verkochte hoeve terug te kopen.

Andere documenten van de rechtszaak ontbreken.

Livinus Daens, overleden op dinsdag 12 februari 1726 in Hekelgem, trouwde met Petronella Vonck, overleden op maandag 20 maart 1724 in Hekelgem. Kinderen van Livinus en Petronella in Hekelgem gedoopt:

1 Egidius, gedoopt op zaterdag 27 juni 1711.

2 Andreas, gedoopt op donderdag 30 november 1713.

3 Franciscus, gedoopt op maandag 17 augustus 1716 en overleden in 1748 in Hekelgem, 32 jaar.

4 Catharina, gedoopt op zondag 29 januari 1719.

5 Henricus, gedoopt op vrijdag 21 november 1721.

6 Judocus, gedoopt op zaterdag 18 maart 1724.

1719. Een lening van de studiebeurs Lemmens[34].

Gillis Van den Wijgaard van Essene kreeg een lening van de studiebeurs Lemmens. Jacobus De Witte, als beheerder van de stichting, had hem een lening met een jaarlijkse rente van 12 g toegekend. Maar Gillis had al 7 jaar de rente niet meer betaald zodat zijn schuld was opgelopen tot 84 g. Op 12 december 1719 diende Egidius Crick op vraag van Jacobus een klacht in bij de schepenbank en die veroordeelde Van den Wijngaard nadat hij driemaal had geweigerd voor de schepenbank te verschijnen op 20 maart tot de betaling van 99 g.

Franchoys Lemmens vestigde zich omstreeks 1585 in de puinen van de vijf jaar eerder verwoeste abdij om van daaruit zijn functie als bosmeester uit te oefenen. Hij was afkomstig van Balen in het toenmalige prinsbisdom Luik en was getrouwd met Jacquelijne Broeckx. Met de aanstelling tot bosmeester bekleedde hij een belangrijke functie. Hij beheerde de uitgestrekte abdijbossen en hield toezicht op 8 boswachters. Toen de monniken in 1605 terugkeerden, vestigde hij zich met zijn gezin in de Broekstraat op Doment. Na een ziekte liet  Franchoys samen met zijn vrouw een testament opstellen. Opmerkelijk daarin was de stichting van twee studiebeurzen aan de universiteit van Leuven met voorrang voor de armsten en bekwaamsten. De abdij en de pastoor van Meldert stonden in voor de toekenning van de beurs en het beheer van het geld. Het behoorde tot hun opdracht het geld zo goed mogelijk te beleggen door leningen aan particulieren. Hij overleed op hoge leeftijd op 9 september 1637 en werd in de kerk van Meldert begraven.

1721. Hendrik Vasseur in de problemen[35].

De broers Hendrik en Peter Vasseur leenden op 1 september 1718 500 g met een rente van 5% als ze binnen de 3 maanden na de vervaldag betaalden. De leengever was Leonard De Wever, doctor in de medicijnen te Aalst. Notaris Jacques Ignatius Willems stelde de akte op. De broers beloofden het bedrag binnen de 3 jaar terug te betalen. Peter Vasseur hield zich aan de belofte en betaalde zijn deel, 250 g, aan de dokter. Hendrik had niets afgekort en De Wever schakelde de schepenbank in om zijn geld terug te krijgen of, in het geval dat Hendrik dat niet kon, hem te verplichten  dobbel suffisante panden, gronden van erffven te besetten ten contentemente van hem aenlegger.

Henricus Vasseur, zoon van Tilmanus en Joanna Michiels, werd gedoopt op dinsdag 5 december 1684 in Hekelgem. Hij overleden, 58 jaar oud, op woensdag 27 februari 1743 te Hekelgem. Henricus trouwde, 33 jaar oud, op zondag 13 november 1718 in Hekelgem met Petronella De Bont.

1721. Hendrik De Kegel stapelde de tekorten op[36].

Als collecteur en landmeter stapelde Hendrik De Kegel het ene tekort na het andere op in de oncostboecken, bedeboecken en subsidieboecken van 1703,1719, 1720 en 1721 Het tekort was opgelopen tot 1011 g 11 ½ st. De bedesetters konden niet anders dan hun zaak bij de schepenbank in te dienen. Dat gebeurde op 13 mei 1721. Hendrik vroeg om 2 maanden uitstel, maar dat verzoek werd geweigerd. Op 24 juni gingen Hendrik en zijn vrouw Marie Van Vaerenbergh een lening van 500 g met een rente van 5% aan bij Peter De Vis en Petronella Van Vaerenbergh. Als pand gaven ze hun kindsdeel van zijn ouders, Peter De Kegel en Maria Carnoy, en van haar ouders, Guillam Van Vaerenbergh en Marie Kieckens. Daarmee konden ze de helft van hun schuld bij de bedesetters aflossen. In 1720 had Hendrik een proces ingespannen tegen Peter Mangee omdat die hem 1 g schuldig was! Hoe de bedesetters aan de rest van het geld geraakten, weten we niet.

Hendrik De Keghel, zoon van Petrus en Maria Carnoy, werd gedoopt op maandag 23 december 1680 in Hekelgem. Hij overleed op donderdag 15 november 1742 in Hekelgem, 61 jaar oud. Hendrik trouwde met Maria Van Vaerenbergh, overleden op maandag 27 september 1762 in Hekelgem. Zij hadden 6 kinderen in Hekelgem gedoopt.

Kinderen van HENRICUS en MARIA:

1 Maria, gedoopt op vrijdag 11 mei 1714.

2 Petrus Eugeen, gedoopt op donderdag 16 september 1717.

3 Anna Petronella, gedoopt op maandag 1 mei 1719 en overleden in 1742 in Hekelgem, 23 jaar oud.

4 Petrus Gregorius, gedoopt op zaterdag 14 maart 1722.

5 Bernardina, gedoopt op dinsdag 3 oktober 1724.

6 Joannes Baptista Bernardus, gedoopt op maandag 27 september 1728, overleden in 1776, 48 jaar oud.

1721 en 1723. Guillam Cortvrindt andermaal in de problemen[37].

François Michiels en Guillam Cortvrindt sloten op 14 maart 1721 een overeenkomst die inhield dat Guillam 400 g zou betalen voor alle verbeteringen die François, aan de hofstede waar hij had gewoond, had aangebracht. Guillam betaalde niet en François talmde niet om de schepenbank in te schakelen. Op 25 juni 1721 legde zijn advocaat Egidius Crick zijn zaak voor. Na de tweede dagvaarding vroeg Guillam 14 dagen uitstel, wat werd geweigerd. Na de derde dagvaarding beslisten de schepenen op 5 juli dat Guillam 408 g 10 st moest betalen.

– Guillam had bij Jan Plas klaveren gekocht voor 47 g 12 st. Op 7 september 1723 legde Jan  een klacht neer tegen Guillam wegens wanbetaling. Hij werd voor de schepenbank gedaagd op 12, 19 en 27 oktober maar liet zich niet zien. Op 9 novemver volgde de uitspraak: Cortvrindt moest de koopsom en de gerechtskosten betalen, samen 55 g 14 st.

– Een jaar later had Guillam een nieuw proces aan zijn been. Hij pachtte van de markiezin van Asse 2 partijen land op de Boekhoutberg voor 17 g 15 st. Het ene perceel bewerkte hij zelf, het anderen verhuurde hij aan Jan Van den Biesen. Daar hij in 1723 de pacht niet betaalde, liet de markiezin Egidius Crick een proces inspannen bij de schepenbenk. Ook nu reageerde Guillam niet op de dagvaardingen en de schepenen veroordeelden hem op 23 mei 1724 in gebanne vierschare tot de betaling van 13 g 0,5 st.

– De miserie hield daarmee niet op. Ten huize van Jan Louis had hij op 23 maart 1724 een akkoord gesloten met Jan Plas. Hij zou hem tegen Pasen 7 g betalen voor het werk dat Jan Plas voor hem had gedaan. Weer was Guillam niet in staat om de 7 g te geven met het gekende vervolg. De schepenen veroordeelden hem tot  betaling van 24 g 11 st.

1721. Koeien richtten schade aan[38].

De koeien van Jan Baptista Michiels hadden bij Michiel Van Ghete behoorlijk wat schade aangericht. Jan Baptista werd daarvoor door de hoofddrossaard beboet met 7 g 4 st. Op 7 oktober dagvaardden de schepenen Jan Baptista maar hij negeerde die en de twee volgende waarop de schepenen Jan Lahoeze, Clauwaert, Linthout, De Bailliu en Louis hem tot de betaling van 16 g 9 st.

1727. De weduwe Carnoy erft schulden[39].

Al 4 jaar vroeg Judocus Godefroy de weduwe van Engel Carnoy om de schulden van haar overleden man te betalen. Het ging om het vertier van Engel in zijn herberg. Op 12 mei 1727 liet hij, het wachten beu, Egidius Crick een klacht neerleggen bij de schepenbank. Hij eiste 10 g 5 st voor de consumpties van 4 mei 1717 tot 1718. De vrouw ging niet in op de dagvaardingen met als gevolg dat de schepenen Jan Lahoeze en Adriaan Van Linthout haar het bedrag van 16 g 13 st oplegden.

1723. De besoigniën ende debvoiren van pastoor Broeckmans[40].

Voor de bemoeienissen die Peter Ledegen en Jan Sijmoen in zijn opdracht deden eiste pastoor Broeckmans 4 croon stucken.

Den 14 juny 1723. Specificatie van de besoigniën ende gedaene debvoiren bij mij ondergeschreven pastoor van Hekelghem gedaen voor Peeternella De Cort dochter van Michiel De Cort getrouwd met Joannes Verleijsen ende is als volght.

Te weten: alsoo Peeter Ledeghen ende Jan Simon Roselet verboth hadden gedaen van het selve houwelijck voorst te gaen hebben sesse reijsen gebesioneert met de selve Peeternella De Cort, ider ider reijse eenen geheelen naer miedagh comt mij daer vooren bij moderatie vier croon stucken. Toirconden etha. Joannes Carolus Broeckmans pastor in Eeckelghem.

Petronella De Cort, dochter van Michael en Anna Vonck, werd gedoopt op maandag 10 juli 1702 in Hekelgem. Zij is overleden op maandag 15 februari 1740 in Hekelgem, 37 jaar oud. Petronella  trouwde, 20 jaar oud, op donderdag 3 september 1722 in Hekelgem met Joannes Verleysen, 20 jaar oud. Hij is een zoon van Thomas en Petronella Verhoeven. Hij is gedoopt op zondag 25 juni 1702 in Hekelgem. Joannes overleed op donderdag 26 november 1772 in Hekelgem, 70 jaar oud.

Joannes Carolus Broeckmans werd op 20 december 1709 pastoor in Hekelgem. De nieuwe pastoor was begaan met zijn kerk en liet heel wat werken uitvoeren: het houten gewelf van het koor werd vernieuwd, het dak van de kerk hersteld, een nieuwe communiebank en een nieuwe biechtstoel aangekocht. Hij geraakte in een conflict met de abdij omdat er naar zijn zin teveel parochianen naar de abdijkerk gingen. Van bij zijn aanstelling tot zijn dood in 1724 hield hij een memorieboek bij waarin hij de landpachten en allerlei interessante gegevens noteerde.

1723. Twijfel over kwitanties[41].

Peter Hutsebaut uit Erembodegem betaalde 11 g rente aan Jan De Vis. In 1722 vroeg Jan zich af of die rente wel altijd werd betaald en hij verzocht Peter om hem al zijn kwitanties  te tonen. Peter bevestigde op 15 mei 1722 narratievelijck dat hij aan al zijn plichten had voldaan. Voor Jan waren zijn mondelinge bevestigingen onvoldoende en hij eiste dat Peter effectievelijck met kwitanties in de hand bij de schepenbank de betalingen van 1715, 1716, 1717 en 1718 bewees. De schepenen waren het oneens over wat er met die aanklacht moest gebeuren. Om toch tot een oplossing te komen, wonnen ze het advies in van advocaten en schepenen rechtsgeleerden. Die gaven de raad om ten huize van advocaat Roef te Brussel samen te komen om elckanders differenten te vergelijken. Op 22 september 1723 kreeg Peter het bevel met behoorlijke kwitanties zijn betalingen aan te tonen.

Wij onderschreven bekenne ontfanghen te hebben vuijt handen van Pr. Hutsebaut de somme van elf guldens over een jaer rente verschenen in juni seventhien hondert twee ende noch ontfanghen de somme van tweeëntwintigh guldens in twee reijsen over twee jaeren verloop van een rente van elf guldens sjaers verschenen het jaer seventhien hondert vier. Toirconden eta desen 30ste april 1707.

Joannes De Vis, zoon van Arnoldus en Maria Coppens, werd gedoopt op donderdag 17 januari 1669 in Hekelgem. Hij is overleden vóór 1751, ten hoogste 82 jaar oud. Joannes trouwde, 36 jaar oud, op zondag 3 januari 1706 in Hekelgem met Elisabeth Vonck, 19 jaar oud. Zij is een dochter van Petrus en Maria Van den Wijngaert. Zij is gedoopt op donderdag 21 februari 1686 in Hekelgem. Elisabeth is overleden op donderdag 27 februari 1721 in Hekelgem, 35 jaar oud en werd begraven op zaterdag 1 maart 1721.

1726. Peter Ledegen trad kordaat op[42].

De ontvanger van den impost, Peter Ledegen liet meerdere personen voor de schepenbank verschijnen wegens onbetaalde belastingen. Op 3 juli 1726 volgden de veroordelingen:

– Franciscus De Nil moest nog 14 st betalen en kreeg een boete van 3 g 15 st.

– Peter en Marie De Vuyst zagen hun tekort van 28 st veranderen in een boete van 4 g 9 ½ st.

–  en Marie Verhoeven van 14 st naar 3 g 15 st.

1726. Rentmeester Gillis De Kegel zit met tekorten[43].

De nieuwe rentmeester van de kerk, Peter Verleysen, beschuldigde zijn voorganger Gillis De Kegel ervan dat hij op 1 oktober 1726 een tekort op zijn rekening had van 41 g 9 ½ st. Gillis stelde voor om 30 g 11 st te betalen als Peter bereid was om  de rest van zijn schuld kwijt te schelden. Peter weigerde en diende een klacht in.

1726. Pastoor Breugelmans is keihard[44].

De weduwe van Jacobus Van den Wijngaert bleef na de begrafenis van haar man 2 g 14 st 1 b schuldig aan pastoor Breugelmans. Veel medelijden met de weduwe had hij niet want hij diende een klacht in. Zij werd veroordeeld  tot de betaling van 5 g 16 st 1 o.

Norbertus Breugelmans benoemd op 23 oktober 1724 en vervangen door Henri Van Mulders op 22 mei 1725. Zijn deken vond hem een toegewijde priester die regelmatig de zieken bezocht. Hij zorgde voor een tweede biechtstoel en kon bekomen dat de abdij voor een verhoogde toren zorgde.

1727. Herbergier Jan Baptist Roseleth eist zijn geld[45].

Jan Baptist Roseleth had wel veel vertrouwen in Andries Cornelis. Op zijn kerfstok stond hij met een schuld van 40 g 15 st. Andries had de voorbije jaren voor 16 g 2 st in zijn herberg verteerd. Hij had 3 vaten haver gekocht aan 18 st het vat, dat maakte samen 2 g 14 st. Toen Andries hout kocht in de Pilleweydebroecken schoot Jan Baptist hem 8 g 7 st voor en nog eens 2 g 16 st toen Andries officier Gommaar Verloes niet kon betalen. Begin november 1726 verscheen advocaat Egidius Crick samen met de vrouw van Jan Baptist voor de schepenbank met het verzoek om Andries in gebreke te stellen. Peter Ledegen bracht de dagvaarding bij Andries, maar die reageerde niet. Op 12 november volgde een nieuwe dagvaarding en op 29 april 1727 de derde. Op 6 mei beslisten de schepenen dat Andries 49 g 6 st moest betalen.

Anna Goetvinck, dochter van Peer en Catharina Carnoy, werd begraven op woensdag 28 november 1742 te Hekelgem. Anna trouwde op maandag 13 april 1693 in Hekelgem met Jan Baptist Roseleth. Hij is begraven op zaterdag 14 juni 1738 te Hekelgem. Haar vader Peer had een gekende afspanning op Boekhout. Samen met haar man Jan Baptist Roselet nam ze de afspanning over die de naam “Het Burgoins Cruys” kreeg.

1727. Inventaris van de goederen van de wezen De Leeuw[46].

Jan De Coster uit Meldert was na het overlijden van zijn zus Marie, de derde vrouw van Adriaan De leeuw, door de hoofddrossaard aangeduid als voogd voor de kinderen van Marie. Op verzoek van hoofddrossaard Jacobs en de schepenen Jan Lahoese en Hendrik Louis maakte hij de inventaris op van de bezittingen en de uitgaven. Geen gemakkelijke opdracht daar hij rekening moest houden met de kinderen van Adriaan uit zijn eerste huwelijk en met Andries Ledegen, de voogd van de kinderen van Adriaan uit zijn tweede huwelijk. Op 8 juli 1727 presenteerde Jan  zijn rekeningen van de inkomsten en uitgaven voor de hoofddrossaard en de schepenen. Voor een goed begrip verduidelijken wij eerst de complexe gezinssituatie van Adriaan De Leeuw.

Adriaan De Leeuw, zoon van Joannes en Margareta De Clercq, werd gedoopt op zondag 11 juli 1649 in Hekelgem. Hij overleed vóór 1727, ten hoogste 78 jaar oud. Adriaan trouwde driemaal:

1) met Anna De Hoy op 31 oktober 1677. Anna overleed op 9 oktober 1690. Haar eerste man was Gerard Carnoy. Zij hadden een zoon Guillelmus, gedoopt te Hekelgem op 2 oktober 1678 en overleden in 1711.( zie 1710 Verwarring over een onbetaalde rente)

2) met Anna Van Mulders. Anna is overleden op donderdag 27 april 1702 in Hekelgem. Zij hadden 3 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Elisabeth, gedoopt op vrijdag 13 maart 1693. Zij huwde met Egidius De Cort.

2- Joannes, gedoopt op zondag 11 december 1695.

3- Maria, gedoopt op zaterdag 11 oktober 1698. Zij trouwde met Aert Van Mollem

3) trouwde, 52 jaar oud, op zaterdag 24 juni 1702 in Hekelgem met Maria De Coster. Maria         overleed op woensdag 6 mei 1716 in Hekelgem. Zij hadden 5 kinderen in Hekezlgem gedoopt:

1- Joanna, gedoopt op maandag 2 april 1703.

2- Joannes, gedoopt op zondag 13 juli 1704.

3- Judoca, gedoopt op zaterdag 7 januari 1708.

4- Andreas, gedoopt op zondag 18 mei 1710.  Andreas overleed in 1775 in Hekelgem, 65 jaar oud.

5- Joanna Petronella, gedoopt op dinsdag 9 augustus 1712.

De ontvangsten. (de bedragen zijn uitgedrukt in gulden-stuivers-oorden)

– Intrest van Guillam Van Vaerenbergh: 5-18-0.

– Peter Verleysen betaalde de rest van een lening voor De uitgebrande stede op Boekhout. Adriaan had die verworven tijdens zijn eerste huwelijk: 28-0-0.

– Van Jan Van Mulders: 20-0-0.

– 2 jaar rente van Andries Ledegen: 5-18-0.

– Andries Ledegen verkocht als voogd voor de kinderen van Anna hout voor 13-2-0.

– Michiel Tielman kochtklaveren voor 13 g.

Den ondergeschreven heeft gecocht van de momboiren der kinderen Anna Van Mulders de claveren staende op de goederen der selve weesen gelegen op “D’Eeckhout” conditie dat ick deselve mach gebruijcken tot Bamisse toecommende van desen jaere 1717 om ende voor de somme van derthien guldens die ick gelove te betaelen tusschen heden ende den vijffthiensten augustus en oock van desen jaere op voor deze conditie dat op den pandt egeene coijen off andere beesten moghen gepastureert nochte gedreven worden. Actum 10de mei 1717. Michiel Tieleman.

Uitgaven.

– Aan Joos De Coster voor 3 jaar mondcost voor Adriaan: 30-0-0.

– Aan Peter Verleysen, de bijdrage voor de oncostboeck: 6-3-1.

– Jan De Coster ontving als voogd: 1-9-1.

– Aan deurwaarder Willems in 1721: 4-0-6.

– Aan Peter De Kegel in 1721: 2-5-3.

– Aan Jan Van Mulders voor zijn werk op 4 juli 1720: 8-0-0.

– Aan de vrouw van Judocus Van den Brempt voor broeck, lijrock en andersins voor de wezen in 1720: 3-1-0; in 1722 voor kousen en kleren: 5-19-0.

Ontfanghen bij mij onders. van Jan De Coster als voght over de weesen Adriaen De Leeuwe de somme van twee guldens sesthien stuijvers over de geleeverde kleeren in differente rijsen ende bekenne bij desen voldaen te sijn desen 21ste meert 1722.

De huijsvrouw van Judocus Van Der Brempt.

– Aan Jan De Bailliu voor 2 jaar mondcost voor Adriaan in 1721: 10-10-0.

– Aan Hendrik De Kegel, collecteur, voor de setboecken van 1718: 0-12-0.

Aan Andries Ledegen voor lijnwaad en hemden om sijn lichaam te bedecken in 1723: 3-0-0; in 1725: 16-0-0; voor een casack ende hemden voor Andriaan in 1726: 6-0-0 en voor zijn vacaties (ambtelijke verrichtingen) ende debvoiren voor de wezen: 6-0-0.

– Aan Francis Servain uit Brussel voor casack ende broeck voor Adrriaan in 1727: 9-11-0.

– Aan Jan Van Mulders voor het cavelen van de wevers getauwen: 1-10-0.

– Voor een hoed voor Adriaan in 1720: 0-14-0, voor lijnwaad voor het maken van 3 hemden en eenen rolcovel: 0-17-1.

– Aan Guillam De Boitselier voor een paar schoenen voor Adriaan: 1-6-0; voor blockschoenen : 3-12-0.

– Het tantième voor de rendant: 4-6-2.

– Voor de hoofddrossaard, de schepenen en de griffier voor het aanhoren van de rekeningen: 3-3-0; voor het calculeren van de rekeningen: 1-11-2.

– Aan Jan De Coster voor het opstellen van de rekeningen en het schrijven van een kopie: 6-15-0.

Het totaal van de uitgaven bedroeg 155-1-2 en dat van de ontvangsten: 86-11-0. Er was dus een tekort van 68-10-2. Om dat tekort aan te zuiveren vroeg Jan De Coster de toelating van de hoofddrossaard en de schepenen om een pand te verkopen aan Peter Laebaert.

De kinderen van Anna Van Mulders sloten op 1 juli 1728 een akkoord met de kinderen van Marie De Coster om een obligatie van 59 g 10 st onder elkaar te verdelen. De kinderen van Anna De Hoy gingen ook een overeenkomst aan met de andere kinderen om het geld van de verkoop van De verbrande stede aan Peter Clauwaert onder elkaar te verdelen. Die hoeve had Adriaan verworven in 1693.

1727. Adriaan De Vis nam zijn tak als voogd niet ernstig[47].

Joannes De Vis en Catharina Van de Velde hadden 5 kinderen die te Hekelgem werden gedoopt:

1. Petrus, gedoopt o^p 18 oktober 1697.

2. Adriaan, gedoopt op 5 maart 1700.

3. Joanna Maria, gedoopt op 13 november 1703.

4. Laurentius, gedoopt op 23 augustus 1705.

5. Catharina, gedoopt op 7 juni 1708.

Na de dood van de ouders stelde de hoofddrossaard Jacobus Jacobs Adriaan De Vis aan als voogd van de 5 kinderen. Maar hij was niet tevreden met de inzet van Adriaan. De cijns aan de abdij van Zwijveke was niet betaald met het gevolg dat de abdis een proces inspande tegen de kinderen en hen zo belastte met bijkomende kosten soo verre dat hunne cleijne middelkens daerinne souden commen te versmachten. De hoofddrossaard liet advocaat De Maré een klacht neerleggen bij de schepenbank. Hij wou dat Adriaan werd veroordeeld tot het betalen van de noodeloose costen die door Adriaans malgoverne ende onbehoorlijcke administratie waren ontstaan en dat hij voor het niet nakomen van zijn plicht als voogd een boete zou krijgen. Op 29 oktober 1727 spraken de schepenen zich uit/ Adriaan moest 7 g 1 st plus de proceskosten betalen.

1729. Een proces voor 2 g[48].

Judocus Van de Perre wou een hofstede huren van Peter De Ridder, maar kon geen voldoende borg geven. Peter verzocht dan Judocus om de hoeve te verlaten, wat Jacobus ook deed. Hij vroeg wel 2 g 15 st terug die hij boven de pacht had betaald. Peter weigerde en Judocus trok naar de schepenbank Op 31 mei 1729 kreeg Peter te horen dat hij 6 g 9 st moest betalen.

1730. Een kind zwaar verbrand[49].

Pauwel De Smet en Suzanna Van der Jeught, herbergiers van De Kroon, waren op 13 juni 1723 te Hekelgem getrouwd en hadden 6 kinderen die te Hekelgem werden gedoopt:

1. Anna Catharina, gedoopt op 17 december 1724.

2. Cornelius, gedoopt op 26 januari 1727.

3. Joannes Baptist, gedoopt op 12 november 1729.

4.  Anna Catharina, gedoopt op 11 mei 1732.

5. Egidius, gedoopt op 4 september 1734.

6. Anna Maria, gedoopt op 25 september 1736.

Op 9 mei zaten enkele mannen in de keuken van de herberg De kroon van Pauwel De Smet en zijn vrouw. Plots is er een geschreeuw van het oudste kind, Anna Catharina. Het meisje ligt op de grond naast een gebroken teil waaruit water gemengd met een groen kruid wegvloeit. Suzanna grijpt naar een mes en snijdt het kleedje open. Op de rug, de dijen en de armen zijn zware brandwonden te zien. Ze sprenkelt water op de wonden en strijkt er dan gist op. Een buurman brengt het kind naar een kamer. De volgende dag is het dood.

Op 11 mei ondervroegen de schepenen Hendrik De Voghel en Peter Verleysen, in opdracht van hoofddrossaard Jacobs een aantal getuigen.

Gillis De Kegel, 54 jaar, zat op het ogenblik van het ongeval in de keuken van De Kroon. Hij zag dat Suzanna haar kind dat op de grond lag, opraapte en op haar vraag om een mes gaf hij het zijne. De moeder sneed daarmee het kleedje open en hij zag de brandwonden. Gillis, de broer van Pauwel, vroeg haar waarom ze de pot niet op de bank had gezet.

Gillis Hellinckx, 32 jaar, was ook in de herberg tussen 8 en 9 u. ’s avonds. Hij zat bij het vuur. Op het geroep van een kind draaide hij zich om en zag water met een groen kruid op de vloer en hij hoorde zeggen dat het kind verbrand was.

Gerard De Kegel, 32 à 33 jaar en winkelier, hoorde Suzanna Jezus Maria roepen en zag haar met een klein kind naar de watersteen gaan en hoorde haar om een mes vragen om het rijgsnoer open te snijden. Hij zag grote blaren op de rug en de billen van het meisje terwijl de moeder met haar hand er water over goot.

Albert Van Droogenbroeck, 31 jaar, bevestigde de verklaringen van Gerard De Kegel en voegde eraan toe dat hij met zijn mes het kleed open sneed. Hij zag ook hoe de moeder de wonden met gist instreek waarna een man, hij kende zijn naam niet, het slachtoffertje heeft vermaeckt.

Op 13 mei ondervroegen de schepenen Judocus Van den Bossche en Jan Van Assche nog enkele getuigen.

Anna Van den Bossche, 20 jaar en meid bij Pauwel, zei alleen dat zij de rockens van Anna heeft open getrokken.

Gillis Van Nieuwenborgh, een 42-jarige wever, werd op de avond van 9 mei door 3 kinderen, waarvan een van Pauwel De Smet, gevraagd om naar het huis van Pauwel te gaan. In een kamer zag hij een meisje liggen dat op de rug, de billen, de armen en rechts op de buik zwaar verbrand was. Op de vraag van Pauwel en zijn vrouw heeft hij het kind vermaeckt. ’s Anderendaags keerde hij naar de herberg terug om het meisje nog eens te verzorgen, maar het was al overleden.

Officier Peter Ledegen, 54 jaar, ging op 10 mei om 5 u. ’s morgens naar het huis van Pauwel. Zijn vrouw vertelde hem dat hun dochtertje de vorige avond een ongeval had. Zij was in de keuken gekomen en tegen een pot gevallen. Die viel om en het water liep over het kind. Hij was er bij toen het op 10 mei stierf. Pauwel vroeg hem om samen naar de pastoor te gaan om te vragen wat er met het dode kind moest gebeuren. De pastoor antwoordde dat het aan de officier was  om samen met Pauwel naar Brussel te gaan bij de hoofddrossaard. Op 11 mei, tussen 4 en 5 u. ’s morgens deed hij de kamer op slot en reed dan met Pauwel naar Brussel. Zij kregen geen antwoord op hun vraag wat ze met het lijk moesten doen en ze keerden naar Hekelgem terug. Peter wou dat de chirurgijn een lijkschouwing deed, maar om 17 u. vonden ze de kamer leeg. Er lag alleen nog het stro waarop Anna had gelegen en een witte doek. Bijgevolg kon de chirurgijn niet vaststellen of het kind was gestorven door de brandwonden. De hoofddrossaard stelde dan voor dat de schepenen de ouders zouden dagvaarden om meer uitleg te geven. Dat gebeurde op 4 juli 1730.

1730. Vechtpartij in Sint-Hubertus[50].

Op 15 augustus 1730 kwam Pauwel Maes uit Baardegem samen met enkele andere mannen aan in de herberg Sint-Hubertus van Andries Robijns. De bende had voordien al gevochten ten huize van Jan Louis. Een van hen zocht ruzie met Jan De Vis en sloeg hem met zijn vuisten. Hendrik Carel De Voghel, schepen van het Land van Asse, wou De Vis naar buiten helpen, maar de bendeleden hielden hem tegen en ze begonnen iedereen te slaan, ook zijn knecht Jan Van Wemmel. Uiteindelijk konden ze zich in een kamer verschuilen samen met de knecht van Jan Van Humbeeck. Enkele mannen drongen echter de kamer binnen en sloegen Hendrik op zijn hoofd. Nadat de vechters waren vertrokken, hielden ze zich nog enige tijd schuil en verlieten dan de herberg. Hendrik nam wel een stok mee. Aan de Kleine Rammelaar stond de bende hen op te wachten. Zij vroegen hem wat hij met die stok wilde doen. Om naar huis te gaan, antwoordde Hendrik, maar zij namen de stok af en bedreigden hem ermee. Hij vluchtte weg achternagezeten door de vechters. Zij sloegen zo hard op zijn hoofd dat hij op de grond viel en bleven hem dan nog schoppen en stampen.

Omdat dergelijke moedwilligheden ende straetschenderijen niet geoorloofd zijn, diende hij  op 3 oktober 1730 een klacht in. Hij vroeg de schepenen een schadevergoeding van 24 g.

Hendrik De VoghelL, zoon van Andreas en Maria Vander Meerssche, werd gedoopt op woensdag 17 januari 1685 in Asse. Hij is overleden op vrijdag 1 juni 1742 in Asse, 57 jaar oud. Hendrik trouwde, 25 jaar oud, op dinsdag 24 juni 1710 in Meldert met Anna De Clerck, 22 jaar oud. Zij is gedoopt in 1688 in Meldert. Anna overleed op woensdag 15 oktober 1738 in Asse, 50 jaar oud.

De Rammelaar, nu gedempt was gelegen aan de hoek van de Langestraat en Molenstraat (voorheen Domentstraat).

1734. Klaveren gestolen[51].

Op een namiddag in oktober 1733 ging Marie Elisabeth De Keijser, de 20-jarige vrouw van Franciscus Cornelis naar hun klaverveld op de Keuckenshaeghe. Daar zag zij de vrouw van Adriaan De Vis die met twee van haar kinderen in hun veld klaveren afsneed en in haar voorschoot stopte. Zij meldde de diefstal aan advocaat De Maré die de feiten meldde bij drossaard Joannes Loovens. Die liet haar op 1 juni 1734 een verklaring afleggen en vervolgens Jacobus De Brucker ondervragen. Jacobus, nu dienstbode bij de weduwe Jan Van den Bossche in Baardegem, was op het ogenblik van de feiten in dienst bij Franciscus Cornelis. Jacobus getuigde dat hij de vrouw van Adriaan De Vis en enkele andere vrouwen op Keuckenhaeghe had gezien, maar kon niet zeggen dat zij op het veld van Cornelis stonden. Hij heeft wel Marie horen roepen: Gij dievegge. Waarop de vrouw van Adriaan antwoordde: Gij sijt selve eene dieffegge en ick hebbe tot tuwent drij potten bier gedroncken ende gij hebt ons vier doen betalen. Wou Adriaans vrouw het teveel betaalde tergwinnen?

1735. De bedesetters van Hekelgem betaalden niet[52].

Steven Louis, zoon van Joos en poortmeester van de Vrijheid en het Land van Asse diende op 10 januari 1735 zijn rekening van de waeghe der poort voor de periode van september 1724 tot augustus 1725 en voor het jaar 1732 in. Hij had een tekort van 195 g 10 st maar  drossaard Loovens en de schepenen keurden ze toch goed. Om het tekort weg te werken moest elke gemeente een bijdrage leveren: Asse: 88 g 2 st; Baardegem: 20 g 4 st; Essene: 22 g 5 st; Hekelgem: 23 g 13 st; Meldert: 19 g 8 st; Mazenzele: 5 g 2 st en Mollem: 26 g 16 st. Samen 200 g. Alle gemeenten betaalden behalve Hekelgem. Steven Louis vroeg de schepenbak om Hekelgem te verplichten de 23 g 13 st te betalen.

1736. De Vlamingen moeten eraan[53].

Op 20 juni 1736 omstreeks 11 u. werd er op de deur geklopt van chirurgijn Judocus Godefroy. Toen hij die opende, zag hij drie mannen staan. Een van hen was dorpsofficier Peter Ledegen en een andere was Michiel Camu van Erembodegem. De derde persoon kende hij niet. Michiel Camu was geheel bebloed en had twee hoofdwonden. Na onderzoek bleek ook dat de cleijne pijpe van zijn onderarm was gebroken. Judocus verzorgde de wonden en Michiel Camu vertrok. De volgende dag, na een nieuw onderzoek, vond Judocus de hoofdwonden geheel dansireus. Hij raadde hem aan zich rustig te houden en meester Boterdael, de chirurgijn van het gasthuis van Aalst, te ontbieden. Daarna heeft hij Michiel Camu niet meer gezien, wel vernam hij dat Camu in het gasthuis was opgenomen. Hoe die aan zijn verwondingen kwam, heeft hij niet vernomen.

Deze verklaring legde Judocus af op 23 juni bij de schepenen Hendrik De Voghel en Peter Verleysen nadat de hoofddrossaard een onderzoek naar de feiten had bevolen. De schepenen ondervroegen nog andere getuigen.

Guillam Arijs, cossaert (keuterboer) uit Erembodegem en zoon van Jan, was de tweede getuige die ze verhoorden. Hij vertelde dat hij op 20 juni met Michiel Camu, Andries Meert en Judocus Seminck naar de abdij was geweest om tienden te pachten. Na de middag zijn ze naar de herberg De Vishernaers getrokken en er tot 8 à 9 u gebleven. Op weg naar huis, aan de woning van Frans Van Nieuwenborgh, de zoon van Gillis, kwam een hondje blaffend op hen toegelopen. Het bleef maar rond hun benen draaien en pas door in zijn handen te klappen en met zijn voeten te stampen kon hij het hondje verjagen. Hij volgde het tot aan het huis van Gillis en daar bleef hij met gekruiste armen aan de dorpel staan. Plots voelde hij slagen op zijn rug en armen tot hij bewusteloos viel. Toen hij bijkwam, zag hij Merten Verleysen, zoon van Frans, met een haak in zijn linkerhand. Wie hem geslagen heeft, weet hij niet. Hij ging naar de herberg Den (onleesbaar) en trof er Peter Ledegen en Michiel Camu die ernstig gewond was. Samen zijn ze naar het huis van Judocus Godefroy gegaan die Michiel verzorgde. Daarna brachten ze Michiel naar zijn huis. Later vertelde Michiel hem dat het Gillis Van Nieuwenborgh was die hem eerst met een stok had geslagen, dan diens zoon met een ijzeren kolf en Merten Verleysen met een haak. Michiel was nog naar hem komen kijken toen hij op de grond lag, maar de drie mannen vielen hem aan en hebben hem zwaar toegetakeld. Jan Verleysen, de zoon van Thomas, was er getuige van dat hij bewusteloos op de grond lag.

Cornelis De Schrijver, een 33-jarige Erembodegemnaar, was met Jan Van de Velde naar de verpachting van de tienden geweest. Bij het terugkeren moest hij sijn gevoegh gaen maecken  terwijl Jan verder ging. Even later zag hij Jan aan het huis van Laureijs Everaert staan en dat Guillam Arijs en Michiel Camu al struikelend naar hen toe kwamen en achter hen enkele mannen die riepen en tierden. Hij stelde Jan voor om snel weg te gaan want hij vreesde dat er kon gevochten worden. Ze verstopten zich in een graanveld en zagen eerst een bebloede Michiel Camu voorbij lopen achternagezeten door enkele mannen die hij niet kende. Een van die mannen riep dat ze in het graan zaten en daarop is hij naar de steenweg en tot aan het huis van Peter Clauwaert gelopen. Nadien heeft hij niets meer gezien.

Jan Van de Velde, 46 jaar, gaf dezelfde verklaring als Cornelis De Schrijver.

Laureijs Everaert, 65 jaar en cossaert, lag de avond van 20 juni al in bed toen Jan Van de Velde omstreeks 10 u. op de deur klopte. Hij wou een pijp ontsteken, riep hij. Zijn vrouw was nog op en liet hem binnen. Even later kwam zij ook slapen. Dan was er zo’n lawaai dat hij dacht dat er wagens passeerden. Iemand schreeuwde gij donder soude gij u mes trecken. Hij sprong uit bed en wou op straat gaan kijken, maar zijn vrouw hield hem tegen. Hij trok dan de achterdeur open waar zijn zoon Jan, 14 of 15 jaar oud, al stond. Jan zei dat er iemand zo hard werd geslagen dat hij op zijn knieën om zijn leven bad. Toen zag hij Gillis Van Nieuwenborgh die hem toeriep dat hij op de Vlamingen zo fel had geklopt dat zijn kolf bijna in stukken was. Hij vroeg wie die Vlamingen waren, maar kreeg geen antwoord. Dan kwam Martinus Verleysen, de zoon van Frans, tot bij hen. Die had een stok in zijn handen en sprak geen woord. Laureijs sloot de deur en ging weer naar bed.

Andries Boterbergh, 34 jaar, sliep al toen hij hoorde roepen vader, sij slaen met hun messen. Hij ging op straat kijken en zag wat verder Laureijs Everaert in zijn hemd aan de achterdeur staan en hij ging met hem wat praten. Zij zagen Guillam Arijs die zijn hoed zocht en Gillis Van Nieuwenborgh en zijn zoon Frans op hun mesthoop staan. Frans had een stok in zijn hand, een duim dik. Het leek Andries ’t beste dat hij naar huis ging.

Laurentius Everaert, zoon van Carolus en Joanna Geysels(Gijsens, werd gedoopt op maandag 1 augustus 1672 in Hekelgem. Hij overleed op zaterdag 4 februari 1747 in Hekelgem, 74 jaar oud. Laurentius trouwde met Maria verleysen, overleden op donderdag 13 april 1769 in Hekelgem.

Kinderen van Laurentius en Maria te Hekelgem gedoopt

1 Joannes, gedoopt op 11 juli 1711.

2 Thomas, gedoopt op zondag 16 juli 1713 en overleden in 1787 in Hekelgem, 74 jaar oud.

3 Joanna Elisabeth, gedoopt op maandag 1 maart 1717.

4 Joannes, gedoopt op woensdag 14 augustus 1720 en overleden op zaterdag 19 november 1791 in Hekelkgem, 71 jaar oud. Hij trouwde, 17 jaar oud, op zondag 16 februari 1738 in Hekelgem met Elisabeth Van Mulders 17 jaar oud. Zij is gedoopt in 1731 in Baardegem en overleed op dinsdag 31 mei 1796 in Hekelgem, 65 jaar oud.

5 Anna Francisca, gedoopt op maandag 3 januari 1724.

Thomas Verleysen, een 60-jarige cossaert lag te slapen toen hij hoorde schreeuwen gij, mordeussche divels, gij moetten aen. Hij kleedde zich snel aan en ging de straat op. Daar zag hij Jan Van Nieuwenborgh, de zoon van Gillis, een jongen van 13 of 14 jaar, met een mesthaak op zijn schouders en Gillis en Frans Van Nieuwenborgh die ongewapend waren en Merten Verleysen die een haak droeg. Andries Boterbergh, Jan Verleysen en nog andere buren waren ook naar buiten gekomen. Guillam Arijs kwam op hem toe en vroeg om hem te helpen zijn hoed te zoeken. Dat heeft hij gedaan en daarna bleef hij nog wat met de buren praten over wat er kon gebeurd zijn. Dan zagen ze Guillam Arijs terugkomen en naar de herberg gaan waar, naar men zei, Michiel Camu gekwetst lag. Thomas voegde er nog aan toe dat Gillis Van Nieuwenborgh hem vertelde dat er ruzie was ontstaan over een hondje.

Op 26 juni ondervroegen Hendrik De Voghel en Gillis Meert officier Peter Ledegen en burgemeester Jan Van den Bossche verhoorde Thomas Everaert.

Peter Ledegen, 62 jaar, was op 20 juni in de herberg In den Coninck van Spaigne van Peter Clauwaert. Omstreeks 10 u. ging hij richting Boekhoutberg. Aan de galg gekomen, hoorde hij iemand herhaaldelijk O Heere, ick moet sterven roepen. Hij ging in de Mazitsstraat kijken en zag daar iemand liggen die zo bebloed was dat hij niet kon zien wie het was. Hij bracht hem naar het huis van de weduwe Arijs in de herberg Den …stock. De dochter zei dat het Michiel Camu uit Erembodegem was. Peter vroeg hem meermaals of hij Michiel Camu was, maar de man was zo toegetakeld dat hij niet kon antwoorden. Toen kwam Guillam Arijs binnen die op zoek was naar Michiel. Hij vertelde wat er aan het huis van Frans Van Nieuwenborgh was voorgevallen. Giilis, Frans en Merten Verleysen hebben hen aangevallen en Michiel soo mordadelijck gekwetst. Hijzelf kon nog vluchten. Peter Ledegen besloot om met Guillam Arijs  Michiel Camu naar Judocus Godefroy te brengen. Na verzorging begeleidde hij met de knecht van de provoost Michiel tot aan de grens met Erembodegem. De volgende dag, tussen 6 en 7 u. heeft hij een klacht ingediend tegen Gillis, zijn zoon Frans en Merten Verleysen. Op de messinck van Gillis vond hij de hoed van Michiel en ook een quaet mesch.

Thomas Everaert, 23 of 24 jaar werd op 20 juni door zijn broer wakker gemaakt omwille van lawaai. Hij vermoedde dat het Vlamingen waren die van de verpachting van de tienden kwamen. Hij is zijn broer naar de achterdeur gevolgd, maar er was niets meer te zien. Op straat stond Gillis Van Nieuwenborgh, die ze ook Giilis Zachias noemden, met zijn zoon Frans die een kolf droeg.

Een brief aan de burgemeester en de schepenen.

De vrouw van Gillis Van Nieuwenborgh en die van Merten Verleysen mengden zich in het proces door een brief te schrijven naar de burgemeester en de schepenen van Asse. Volgens hen stonden op de avond van 20 juni, tussen 9 en 10 u., twee of meer personen uit Erembodegem uijt pure boosheijt ofte dronkenschap beledigingen te roepen aan hun huis. Gillis, die al in bed lag, stond op, nam een stok en met zijn zoon die een kolf droeg, gingen ze de straat op en riepen om hulp. Martinus Verleysen kwam bij hen met eene brack. Zij zagen twee personen die hen wilden attaqueren. Gillis, zijn zoon en Merten hebben het ongeluk gehad dat ze in hun verdediging Michiel Camu aan zijn hoofd zodanig hebben gekwetst dat hij in het  gasthuis te Aalst werd getrapaneert ( zijn schedel werd doorboord). Zij hebben vernomen dat de hoofddrossaard een onderzoek heeft ingesteld en hun mannen wil aanhouden. Daarop zijn die gevlucht en lieten zo hun vrouwen en kinderen die schier van armoede staen te vergaen in de steek. Vooral de vrouw van Martinus, die zwanger is,  verkeert nu in perijckel van te misvaeren. Dat is geheel in tegenstelling tot de gekwetste die nu buiten levensgevaar is zoals blijkt uit de verklaringen van de heer Somers, dokter pensionaris van Aalst en chirurgijn Boterdael die naar de drossaard zijn gezonden. Bijgevolg kan de zaak niet meer als een criminele daad worden gezien vermits de wonde niet dodelijk was en het gevolg was van zelfverdediging en om hun woning te beschermen. Zij vroegen dat de provisie van de prise de corps voor hun mannen zou stoppen.

Het attest van de dokter.

Op 22 augustus 1736 schreven Somers en Boterdael twee brieven naar de hoofddrossaard. Hun eerste brief handelde over de toestand van Michiel Camu, de tweede over over  hun vergoedingen:

Onderschreven doctor en meester chirurgijn beijde ten pensioenen in dese Lande van Aelst attesteren bij desen ten versoecke van mijnheer den drossaert van Assche als dat den persoon van Michiel Camu hier voorens ten uijterste periculeus gequest gheweest hebbende ende ligghende alhier int gasthuijs te Aelst als nu buijten alle peryckel der doods is, sijnde de vreese die wij niet sonder de grootste redenen hadden van quaet en doodelijck ghevolgh als nu ten vollen verdwenen. In teecken der waerheijt hebben wij dese onderteeckent desen 22ste augustus 1736. J. G. Somers medicus, D. V. Boterdael.

Mijnheer,

Sende volghens U. E. versoeck een attestatie aengaende de gesteltenisse van Machiel Camu ligghende alhier te Aelst gequetst  in het gasthuijs.

Vandaegh te Afflighem sijnde met sieur Boterdael is bij ons ghekoomen eenen seekeren boer den welcken mij ende sieur Boterdael gheassureert heeft voor de betaelinghe over onse devoiren rakende den voorseijden ghequetsten  waerover wij de assurantie aenghenomen hebbende aen U. E. gheen gebreck van betalinghe en sullen doen, sijnde wij te onder met die assuraten vermits eenen heer van Afflighem ons verseekert heeft dat dien boer goed daervoor was ist saken wij U. E. eenighen dienst konnen doen, gelieve te ordonneren aen de ghene met alle respect sullen altijt toonen te sijn U. E. ootmoedighste dienaren. J. G. Somers medicus, D. V. Boterdael.

Een tragisch einde.

Op 11 oktober overleed Michiel Camu en zijn weduwe richtte zich tot de Raad van Brabant om Gillis en Frans Van Nieuwenborgh en Martinus Verleysen aan te klagen als moordenaars van haar man. Helaas voor de weduwe beschikte de hoofddrossaard over het attest van de dokter en de chirurgijn waardoor de Raad oordeelde dat Michiels dood een gevolg moest zijn van een ander voorval. Haar eis werd afgewezen.

1737. Een proces van 6 jaar voor smaad[54].

Op 25 september 1731 diende Jan De Ran uit Meldert een klacht in bij de schepenbank tegen officier Peter Ledegen wegens smaad. Wat Peter had gezegd, wordt nergens vermeld. De schepenen wisten blijkbaar niet wat ze met die klacht moesten aanvangen en riepen in 1735 het advies in van de Raad van Brabant. Die stelde de schepenen voor om beide partijen te dagvaarden en aan Peter te vragen of hij over de eer en de reputatie van Jan aanmerkingen had. Als hij, wat hij al had verkondigd, niet meer staande hield aan wat hij had beweerd, dan stopte het proces. De confrontatie gebeurde op 24 januari 1736 in de gebanne vierschaar met drossaard en de schepenen Hendrik De Voghel, Gillis Meert, Philips Van Humbeeck en Jacobus Meert. Peter trok zijn vroegere beweringen in en moest op 6 juni 1737 37 g 3 st proceskosten betalen.

1738.Gillis Meert doodgeschoten[55].

Gillis De Smet, 33 jaar en zoon van Michiel, vertelde de schepenen La Hoese, De Voghel en Van Mulders over de gebeurtenissen van 26 oktober 1738. De schepenen ondervroegen hem in opdracht van hoofddrossaard Joannes Emanuel Loovens. Op die zondag 26 oktober stopte er aan zijn herberg De Kroon een wagen gevoerd door Gillis meert, zoon van Frans uit Asse-ter-Heide met op de wagen Jan Louis, zoon van Hendrik, Joos Huyghe, de knecht van Frans Meert en Thomas Van Laecken, zoon van Peter. Ze wilden een pot bier drinken. Ze waren gehaast want ze dronken hun pint maar half leeg, betaalden en vertrokken. Dan zag hij Frans Vonck, zoon van Jan, de korporaal van de nachtwacht, en Jan Baptist Piron, zoon van Frans, voorbij lopen. Frans was ongewapend, maar Jan Baptist droeg een busse. Zij schreeuwden staet, staet, maar de wagen reed door en Piron lostte een schot. Gillis zag hoe Gillis Meert die op een paard zat, voorover viel, van het paard gleed en als een dronken man naar de kant van de weg wankelde waar hij ging zitten. Jan Baptist Piron zag hij over de gracht springen tussen de steenweg en zijn hopveld en wegvluchten. Hij heeft hem daarna niet meer gezien. Francis Vonck keerde terug naar de steenweg. Jan Louis sprak hem aan en zei dat de patrouille van Hekelgem naar hun pas hadden gevraagd. Die hadden ze niet, maar Joos Huyghe toonde hen de rekening van de paters kapucijnen van Aalst waar ze planken hadden geleverd. Dan kwam er een wagen van de abdij aangereden, die stopte en een pater kapucijn boog zich over Gillis Meert en hoorde zijn biecht. Even later arriveerde de pastoor van Hekelgem en gaf Gillis sijne heijlighe rechte (de ziekenzalving). Daarna brachten enkele mannen het slachtoffer naar de kelderkamer in zijn huis. Judocus Godefroy[56], de chirurgijn verzorgde hem en tussen 9 en 10 u. is Gillis Meert overleden[57].

De schepenen ondervroegen nog meerdere getuigen van het dramatisch voorval. Allen vertelden wat zij gezien en gehoord hadden en geleidelijk kreeg het verloop van de gebeurtenissen een duidelijk beeld.

Joos Nuelant, die als tweede aan de beurt kwam, was in De kroon en hoorde Francis Vonck zeggen schiet mordieu en Jan Baptist Piron schoot naar een wagen waarop zowel mannen als vrouwen zaten. De voerman viel voorover op het gareel, gleed van het paard af en schuifelde naar de kant van de weg. Piron liep na het schot weg door het hopveld van Gillis De Smet tot aan de abdij waar de knechten hem niet binnen lieten. Joos wou dan gaan zien hoe het met Gillis Meert was, maar omstaanders wezen hem af. Hij had er niets te zoeken beten ze hem toe. Hij kon wel zien dat de voerman zwaar getroffen was. Het bloed liep met heele hoeden uijt. Iemand vroeg hem om de pastoor te verwittigen. Hij liep naar de kerk en kwam hem onderweg al tegen. De knecht van Frans Meert had een paard uitgespannen en was daarmee naar de pastorie gereden. Terug in de herberg hielp hij Gillis  naar binnen dragen en wat later ging hij naar huis. Toch keerde hij een uur later weer en dan leefde Gillis nog.

Jan Verdoodt, knecht bij Francis Cornelis, ontmoette Frans Vonck na het schieten. Hij greep hem vast. Ghij hebt mij oock willen omver schieten schreeuwde hij hem toe. Francis smeekte om hem te laten gaan en hij liet hem los.

Thomas Van Laecken, zoon van Petrus uit Asse-ter-Heide, 28 jaar, werd door Peter Ledegen gedagvaard. Hij was op 26 oktober 1738 in de herberg Den Vogelensanck. Omstreeks 3 u. ging hij naar Het Croontien (De Kroon) en zag de wagen waarop Anna De Voghel, Catharina en Angelina Verlies zaten, meisjes van Asse-ter-Heide. Joos Huyghe, wiens wagen het was, riep vanuit de keuken comt binnen, wij reijden soo t’ saemen naar huijs. Binnen trof hij Joos in het gezelschap van Gillis Meert en Jan Louis. Huyghe bood hem een pint aan en met Jan Louis ging hij in de deuropening staan. In de verte kwamen twee mannen aangelopen en Jan zei laet ons avanceren, wat hebben wij met die sotten vandoen, daer soude dickwijls rusie comen. Jan en Joos stapten op de wagen en Gillis op een paard. Toen ze wegreden, hoorde hij roepen Gille Meert staet ghij, sijt ghij eenen eerlijcken. Dat was een van de Voncken die hij eerder had gezien en toen al dacht dat hij dronken was. Dan volgde er een schot van een fusiek en hij zag dat Gillis getroffen was. Thomas zei hem dat Gillis in de rug was geraakt en dat de kogel er langs voor was uitgekomen. Hij is dan de ouders gaan verwittigen.

Joos Huyghe, 26 jaar van Asse-ter-Heide, was die zondagmorgen rond 8 u. met de anderen met een wagen vol planken naar de kapucijnen van Aalst gereden. Na de middag keerden ze terug met ook Lan Louis die ze in Aalst hadden ontmoet. Te Hekelgem aan de nieuwe herberg Het Croontien kwam Francis Vonck naar buiten, greep een paard vast en vroeg hun pas. Gillis Meert antwoordde dat ze geen pas hadden, maar Vonck bleef eisen dat ze hun pas zouden tonen en tastte naar zijn mes. Jan Louis sprong direct van de wagen, gooide Vonck op de grond en ging te voet verder. Zij vervolgden ook hun weg, achternagezeten door Francis Vonck. Aan Het Croontien bleven ze staan voor een verfrissing, maar toen Jan Louis Vonck en een andere man zag aankomen, zijn ze vertrokken. Hij hoorde Vonck roepen, er volgde een schot en hij zag een man met een geweer naar de hoplochting lopen. Hij ging naar Gillis toe en hoorde hem nog fluisteren Jezus Maria, Joos ick ben geschooten. Toen hij de wonde zag, spande hij een paard uit en reed naar de pastoor. Nadat ze in de herberg terug waren, bleef hij nog even wachten en ging dan te voet naar huis.

Jan Baptist De Witte, de 29-jarige zoon van griffier Jacobus, wandelde op die beruchte zondag met Peter Van den Broeck over de Molenkouter naar De Kroon. Daar zaten als enkele mannen zoals Jan De Bailliu, Frans, de knecht Gillis De Smet, Jan De Smet en Andries Van den Bossche, de knecht van Jan Meert. Rond half drie kwam Jan Louis binnen met Gillis meert en Joos Huyghe. Ze waren er maar net als Jan Louis zei comt laet ons gaen die sotten ofte satten van die wacht comen daer wederomme. Wat later vernam hij dat Gillis Meert was geschoten. Hij bleef wat in de keuken en ging dan naar de gekwetste kijken die buiten op een stoel zat. De pastoor diende hem de ziekenzalving toe en enkele mannen droegen hem naar de kelderkamer waar hij een wagenmand klaar maakte om Gillis erin te leggen. Tot ongeveer 7 u. wachtte hij in de keuken en ging dan naar de kelderkamer en bleef bij Gillis tot hij stierf.

Peter Van den Broeck, 23 jaar, vernam van Thomas Van Laecken in De Kroon dat de mannen van de boerenwacht moeilijk deden en ze maakten zich zorgen. Ze vertrokken zonder hun pot uit te drinken. Hij ging daarop naar buiten en hij hoorde Francis Vonck roepen dat Jan Baptist moest schieten en er volgde een schot. Bij Gillis zag hij onder zijn borst een open wonde. Hij is op de kelderkamer gebleven tot Gillis overleed.

Guillam De Donder, 28 jaar, was de waard van de nieuwe herberg De Halve Maene. Die zondag 26 oktober zaten de mannen van de patrouille bij hem te kaarten: korporaal Francis Vonck, Jan Baptist Piron, Joos Van Nieuwenborgh, Peter Van den Steen en Francis Cornelis, de zoon van Andries. Ze waren al behoorlijk dronken. Toen er een wagen passeerde, stapte Frans Vonck naar buiten en even later kwam iemand zeggen dat de korporaal werd geslagen. Jan Baptist Piron nam zijn geweer en ging kijken. Die namiddag vernam hij dat Frans en Jan Baptist op iemand hadden geschoten.

Jan Leemans, een 30-jarige kleermaker uit Essene stond aan de deur van De Halve Maene aan de hoek van de Fossel en de steenweg. Frans Vonck kwam kijken toen er een wagen aankwam en hield die tegen. Er volgde een discussie tussen de voerman en de korporaal. Plots greep die de voerman bij de slip van zijn casack en de loigne van het paard. Toen sprongen twee mannen van de wagen en gooiden Vonck op de somerbaene. Een van het ging te voet verder en de andere stapte op de wagen en ze reden weg. Op dat ogenblik kwam Jan Baptist Piron naar buiten en Jan zei hem gaet maer an, ghij sult oock wat krijgen gelijck den corporael gehadt heeft. Piron antwoordde niet en haastte zich weg. Hij bleef in De Halve Maene naar het schijfschieten kijken. Een kwartier later meldde Jan, de paardenknecht van Frans Cornelis, dat iemand door zijn lijf was geschoten. Leemans ging naar De Kroon en zag Gillis op zijn buik liggen.

Het getuigenis van Jan Leemans werd op 29 oktober ondertekend door P. Van den Bossche, Gillis Meert, Jan Baptist Lahoese en J. De Backer. De 30ste oktober ondervroegen dezelfde schepenen nog enkele getuigen.

Anna De Voghel, 24 jaar, werd gedagvaard door Peter De Wandeleer. Zij was een van de meisjes op de wagen. Aan de nieuwe herberg tegen de steenweg kwam een man in  een witte lijnwaerte casack naar buiten en riep hen toe om te stoppen. Hij wilde hun pas zien. Gillis antwoordde dat ze die niet nodig hadden. Daarop greep de man Gillis vast, maar Jan Louis en Joos Huyghe bevolen hem om Gillis los te laten. Hij weigerde en de twee mannen trokkken hem weg terwijl Gillis hem op zijn arm sloeg met zijn zweep. Toen reden ze weg gevolgd door die man die met een mes zwaaide. Aan Het Croontien stopten ze om wat te drinken. De vrouwen bleven op de wagen zitten. Die man, dat was Frans Vonck, had hen ingehaald en keek even naar binnen, keerde op zijn stappen terug en dook even later weer op met Jan Baptist Piron. De meisjes riepen de mannen om snel te vertrekken omdat ze ruzies verwachtten. Joos Huyghe en Thomas Van Laecken kropen op de wagen en Gillis op zijn paard en vertrokken. Piron riep dat hij zou schieten als ze niet stopten. Met zijn schot trof hij Gillis in zijn schouder. Anna bleef nog tot een pater kapucijn de biecht van Gillis hoorde en ging dan met Catharina te voet naar huis.

Catharina Verloes, 18 jaar legde dezelfde getuigenis af als Anna De Voghel.

Jan Verdoodt, zoon van Arnold, 27 of 28 jaar, werd een tweede maal verhoord. Hij ging die zondag met zijn meester Frans Cornelis[58], een blinde man, naar De Halve Maene van Guillam De Donder. Daar zaten Frans Vonck, Peter Van den Steen, Joos Van Nieuwenborgh, Jan Baptist Piron en Frans Cornelis. Frans Vonck zei tot zijn meester: ghij blinden donder wat wilt ghij hebben van den corporael. Een pot met drinken, antwoordde Cornelis, maar Vonck greep hem vast en eiste dat hij zijn pas toonde. Jan mengde zich in de discussie: siet wat ghij doet, sijt voorsichtigh met een geladen geweer soo iemand onder den neus staen. Vonck en de andere patrouilleleden pakten hem vast en stootten hem van de ene kant naar de andere, trokken aan zijn haar, grepen hem bij de keel en scheurden zijn laeckenen casack. De waard kon hem wegtrekken en in een kamer opsluiten. Wat later kon hij naar Het Croontien gaan en zag Jan Baptist Piron, die juist geschoten had, naar de hoplochting van Gillis De Smet weglopen. Frans Vonck kwam naar hem toe en Jan beet hem toe dat hij hem niet moest neerschieten, dat hij al genoeg ongelukken had gedaan. Dan stopte er een wagen met een kapucijn en de hofmeester van de abdij. Nadat hij de wonde bij Gillis Meert had gezien, is hij vertrokken.

Peter Callebaut, 27 jaar, zag Frans Vonck ruzie maken met mensen die op een wagen zaten en daarna Jan Baptist Piron, gewapend met een busse, op de steenweg richting Het Croontien lopen. Hij volgde en op de weg naar Affligem (de Fosselstraat?) zag hij een wagen van de abdij met de hofmeester en twee kapucijnen. Een man zei hem dat er iemand was neergeschoten. Peter besloot om direct naar huis te gaan.

De lijkschouwing.

Op 27 oktober gingen, op vraag van de hoofddrossaard Joannes Loovens, dokter Carel Van Innes en meester Judocus Godefroy naar De kroon voor de lijkschouwing op Gillis Meert. Zij stelden vast dat de kogel de lever gans vermorselt had en de vena hepatica (de ader die het bloed van de lever afvoert) had doorboord. Gillis was, naar hun mening, incurabel ende corts naer den scheut moest daervan sterven. De verklaring werd ondertekend door C. Van Innes, J. Godefroy, Jan Baptist Lahoese en E. Van Mulders.

Het verdict van de hoofddrossaard.

In zijn verslag van 31 oktober liet de hoofddrossaard de burgemeester en de schepenen weten dat Frans Vonck en zijn compagnons van de wacht al van in de voormiddag van 26 oktober zich hadden gedragen als vrijbuiters. Ze deden alle koetsen, zelfs de diligences,  stoppen met gespannen geweer. Ook de wagen van Gillis Meert moest halt houden met het gevolg dat Jan Louis en Joos Huyghe van de wagen sprongen en Vonck, die het paard bij de loigne en Gillis bij de slip van zijn casack vasthield, weg te trekken. Louis sloeg met een stok waardoor Vonck op de grond viel. De wagen vertrok, achternagezeten door Frans Vonck met een mes in zijn hand. Jan Baptist Piron, die bij de patrouille hoorde, kreeg van Frans het bevel te schieten. Hij trof Gillis Meert onder de rechterschouder en Gillis was dodelijk getroffen. Hij gaf de schepenen de opdracht om Frans Vonck en Jan Baptist Piron, die het Land van Asse ontvlucht waren, te arresteren en al hun goederen aan te slaan en te verkopen.

Het vonnis.

Op 23 juni 1739 spraken de schepenen in gebanne vierschaere het vonnis uit:

Verclaeren daeromme voorder dat de geproclameerde (dit zijn Frans Vonck en Jan Baptist Piron) hebben verbeurt lijff ende goed, condemnerende de selve geproclameerde van op het hooghste van den daeghe gebrocht te worden op een schavot ter plaetse alwaer men onder Assche gewoon is criminele justitie te doen ende aldaer publicquelijck met een sweirdt onthoofd te worden soo datter de dood naer volght, ordonnerende mits hunne voortvluchtigheijt dat de exercitie sal geschieden in effigie[59] andere ten excemple, condemnerende tot dien de voorschreven geproclameerde ende ieder in solidium in de costen ende missen van justitie ter behoorelijcke taxatie ende moderatie.

Het vonnis werd uitgespreken ten overstaen van de heer Joannes Emanuel Loovens hooftdrossaert, sieur Petrus Van Den Bossche, Gillis Meert, Joannes Baptista Lahoese, Jan Baptista Verhasselt, Jan Meert, Anthoon De Voghel ende Ieronimus De Backer schepenen van Assche. Egidius Van Mulders, Jan Van Assche, Jan Baptista De Cock, Peeter Wambacq, Peeter Beeckman ende Zegher Esselens schepenen tot Assche,.

P. Robijns was als griffier ook aanwezig.

Opmerking: op dat ogenblik waren de twee veroordeelden nog voortvluchtig.

R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 657.

Een godvruchtig gedenkteken.

Henri Roseleth[60] publiceerde in 1913 een artikel[61] onder de titel Godvruchtige Gedenkteekens waarin hij op die dramatische gebeurtenis terugkwam. Ongeveer op de plaats waar Gillis Meert werd neergeschoten, richtte de familie een kruis op (zie tekening). Het is er tot 1889 blijven staan en werd in dat jaar op een nacht vernield. Het gemeentebestuur wilde die godvruchtige traditie in ere houden en gaf de stukken in bewaring in een naburig huis waar ze na zekere tijd waren verdwenen. Het aanpalende land werd volgens Roseleth nog lange tijd “Het Kruis” genoemd.

Over de patrouilles, die hij boerenwachten noemt, weet hij te melden dat ze waren opgericht als bescherming tegen roversbenden. De leden van de patrouille onder leiding van Frans Vonck, zo had hij vernomen, had de nacht in de herberg doorgebracht en Frans Vonck en Gillis Meert waren concurrenten: ze dongen beiden naar de hand van hetzelfde meisje.

Merkwaardig maar de datum op het kruis, 24 november 1736, is in tegenspraak met de datum in de processtukken waar herhaaldelijk 26 oktober 1738 staat.

1739. De armmeesters van Hekelgem moeten het achtergelaten kind onderhouden[62].

Op 9 september 1739 spande hoofddrossaard Joannes Loovens een proces tegen Hendrik Dauwe en Jan Baptist Restaeu, armenmeesters van Hekelgem. Hij wilde dat ze een achtergelaten kind van Theresia Michiels, geboren in Hekelgem, zouden onderhouden. Theresia werd na haar geboorte opgevoed door haar ooms in Asse, Meldert en elders. Als volwassen vrouw leefde ze een tijd in bloedschenderij samen met Jan Timmermans. In Hekelgem werd hun kind geboren, maar korte tijd later verhuisde het koppel naar Asse. Weldra werden ze door armoede gedwongen tot landloperij. Het kind lieten ze achter bij  een zekere Michiel Willems in Asse. De drossaard besliste  dat het kind, in Hekelgem geboren, ten laste viel van de armenmeesters van Hekelgem. Die waren met die beslissing niet opgezet en weigerden om in te staan voor het onderhoud. Het is een christelijke plicht, betoogden ze, om onmondige en verlaten kinderen, wezen, oude mensen bij te staan. Maar in het geval van het achtergelaten kind kwam die plicht toe aan de H. Geesttafel van Asse. Die zijn eigenlijk de voogden en de oppermomboir is de pastoor van Asse. De synode van Mechelen van 1609 bepaalde immers dat allen die de administratie van de tafel van de H. Geest aanvaardden, moeten de zorg dragen voor alle hulpbehoevenden. Ze mogen zich niet verschuilen achter de rug van de pastoor en beweren dat die de last van onderhoud op Hekelgem wou afwenden. In de dag des oordeels moeten zij daarover verantwoording afleggen.

Hendrik Dauwe en Jan Baptist Resteau betwijfelden of het kind dat bij Michiel Willems verbleef wel van Theresia Michiels was. Van een ouder kind beweerden de Assenaren dat het van Theresia was, maar ze kenden de vader niet en het werd als vondeling aan de deur van de pastorie aangetroffen. Dus

 weten ze niet met zekerheid wie de moeder is.

De schepenen deden een beroep op de advocaten van de Raad van Brabant.  In december 1739 ontvingen de schepenen de raad om de armenmeesters van Hekelgem uit te nodigen om hun argumenten nog eens uiteen te zetten.

1740. Verkoop ten sterfhuize Hutsebaut[63].

Na het overlijden van het echtpaar Cornelis Hutsebaut en Joanna Van Nieuwenborgh stelde Jacobus Hutsebaut in opdracht van de hoofddrossaard de rekeningen op van de verkoop van de meubelen, van twee hofsteden en van de uitgaven. De opbrengsten kwamen ten goede aan 6 erfgenamen. De meubelen waren verkocht op 10 december 1739 en de verkoop van de hofsteden gebeurde op de derde zitdag op 28 januari 1740.

De ontvangsten.

– De verkochte meubelen brachten 80 g 18 st op. Dat betekende voor elke erfgenaam 13 g 9 ½  st.

– De hofstede met huis, groot 180 r, gekocht door Antoon Beeckman: 1060 g, gaf voor ieder 135 g.

– De hofstede met huisje, groot 4 r, 164 g, voor ieder 27 g 6 st.

– Twee jaar intrest van een lening van 400 g: 13 g.

– Met nog enkele kleine bedragen was het totaal van de inkomsten 183 g 2 1/1 st.

De uitgaven.

– Aan de drossaard, de schepenen en de griffier voor de verkoop van de meubelen: 7 g 7 st.

– Voor het afnemen van de eed: 1 g 11 st.

– Voor de toelating van de voogden om de hofsteden te verkopen: 2 g 12 st.

– Aan Gillis Crick voor de verkoop: 1 g 3 st.

– Aan Joannes Pieters voor 2 verplaatsingen met zijn paard op 28 juni 1740: 25 g.

– Ook aan Pieters op 4 maart: 1740 : 5 st.

– Aan Jan Leemans voor Cornelis Verleysen: 12 st.

– Aan Lievens voor kinderkleren: 2 g 1 st.

– Aan Joannes Vonck voor de levering van een halve ton bier bij de uitvaart: 10 st.

– Aan de gewezen pastoor van Hekelgem en aan Francis Resteau voor de kerkelijke diensten bij de uitvaart van Joanna Van Nieuwenborgh: 1 g 11 ¼ st.

– Aan Peter De Ridder voor een vat bier op 11 december 1739: 1 g 1st.

– Aan jan Baptist Resteau voor de levering van wassen kaarsen bij de uitvaart van Joanna Van Nieuwenborgh: 1 g 1 st.

– Aan Antoon Beeckman: 16 st.

– Aan Jan Baptist Verleysen: 15 g 17 st 14 o.

– Aan Cornelis Verleysen: 4 g 1 ¾ st.

– Aan Peter Verleysen: 9 g 12 ¾ st.

– Uitgave van 2 g 2 ¼ st.

–  Voor 3 jaar mondcost van Peter Verleysen voor Andries Verleysen: 24 g.

– Aan de hoofddrossaard, de schepenen en de griffier voor het aanhoren van de rekeningen:3 g 3 st.

– Voor het opstellen van de rekeningen: 2 g 18 ½ st.

De totale uitgaven bedroegen 58 g 14 st.

Cornelis Husebaut, overleden op donderdag 10 juni 1734 in Hekelgem. Hij trouwde op zondag 11 mei 1687 in Hekelgem met Joanna Van Nieuwenborgh, 21 jaar oud. Zij is gedoopt op dinsdag 1 december 1665 in Hekelgem. Zij is overleden op maandag 30 november 1739 in Hekelgem, 73 jaar oud. Kinderen van Cornelis en Joanna te Hekelgem gedoopt::

1- Joannes, gedoopt op vrijdag 23 april 1688.

2- Joanna, gedoopt op zondag 23 oktober 1689.

3- Anna, gedoopt op woensdag 12 september 1691. Anna is overleden in 1714 in Hekelgem, 23 jaar oud.

4- Elisabeth, gedoopt op zondag 6 december 1693.

5- Jacoba, gedoopt op vrijdag 27 april 1696.

6- Laurentius, gedoopt op zondag 2 november 1698.

7- Petronella, gedoopt op zondag 1 mei 170. Zij overleed op zondag 7 december 1788 in Hekelgem, 87 jaar oud. Petronella trouwde, 25 jaar oud, op dinsdag 26 november 1726 in Hekelgem met Anthoon Beeckman, overleden op maandag 12 mei 1777 in Hekelgem.

8- Egidius, gedoopt op woensdag 5 maart 1704. Hij overleed in 1747 in Hekelgem, 43 jaar oud.

9- Maria, gedoopt op woensdag 13 oktober 1706. Maria overleed in 1734 in Hekelgem, 28 jaar oud.

10- Jacobus, gedoopt op zondag 1 december 1709. Hij overleed in 1766 in Hekelgem, 57 jaar oud.

1742. Onbetaalde renten[64].

Op 18 februari 1732 gingen Jan Van den Bossche, zoon van Jan, en Jan De meersman, zoon van Pauwels, uit Baardegem bij Cornelis Van Lierde en Anna Segers een lening aan van 150 g aan 5%. In 1742 stonden zij 2 jaar achter met de betaling van de rente en bovendien hadden zij nagelaten om voor voldoende pand te zorgen. Daarom wachtte Cornelis niet langer en spande een proces tegen hen in.

Cornelius, gedoopt te Zele op 24 februari 1689 en te Hekelgem overleden op 13 december 1765, huwde te Hekelgem op 14 november 1714 met Anna Seghers, gedoopt te Hekelgem op 2 januari 1686 en aldaar begraven op 19 juni 1742, dochter van koster Andries Seghers en Jacquelina Robijns. Cornelius werd in de kerk begraven. Kinderen uit dit huwelijk te Hekelgem gedoopt:

1. Judoca, gedoopt op 18 februari 1717.

2. Joannes Baptist, gedoopt op 24 augustus 1718.

3. Josephus Cornelis, gedoopt op 12 mei 1720 en aldaar begraven op 1 februari 1785. Hij huwde te Hekelgem op 15 mei 1747 met Joanna Catharina De Kegel, gedoopt te Hekelgem op 30 november 1722 en aldaar overleden op 21 juni 1796, dochter van Egidius en Anna Francisca Clauwaert. Hij volgde zijn vader als molenaar op.

4. Judoca Francisca, gedoopt op 18 mei 1722.

5. Jacobus, gedoopt op 27 mei 1724.

6. Catharina Theresia, gedoopt op 27 september 1727.

Cornelius kwam in 1714 op de “Oude Molen”, een windmolen op de Boekhoutberg te Hekelgem. Het ging hem daar voor de wind. In 1727 ruilde hij een hofstede met huis en afhankelijkheden, gelegen bij de kerk van Hekelgem en palend aan de costerije, groot 30 r, een land van 68 r op de Hekelgemkouter gelegen met een hofstede en huis nabij de abdij, groot 37 r, palend aan de straat, 2 d 29 r van een partij broek te Bleregem en nog een partij land van 86 r op de Molenkouter.

1743. Betaalde Pauwel De Vos zijn pacht[65]?

Franciscus Van Neervelt, gewezen onderpastoor van Asse, bezat een perceel land van 63 r op de Hekelgemkouter tegen de Sint-Antoniuskapel. Gillis Lemmens, kapelaan te Moorsel, erfde het perceel en verpachtte het voor 3 g 10 st in 1710 aan Pauwel De Vos. Na de dood van de kapelaan ca 1720 werd Judocus Van de Perre de erfgenaam. In 1743 kwam hij tot de vaststelling dat hij al 20 jaar geen pacht had ontvangen. Hij wou dat Pauwel hem zijn laatste kwitantie van de pacht toonde, maar die weigerde. Hij schakelde dan advocaat Van Mulders in om zijn zaak bij de schepenbank te bepleiten.

1742. Lening niet terugbetaald[66].

Op 26 april 1735 leenden Francis Cornelis en zijn vrouw Elisabeth De Keyser 300 g aan 4% aan Peter en Barbara De Cort, kinderen van Michael en Anna Van Mulders. Het kapitaal moest ten laatste op 1 mei 1742 afgekort zijn. Vanaf 1737 betaalden zij de intrest niet meer en op 15 maart 1742 werden zij voor de schepenen gedaagd om de lening terug te betalen of om er voldoende panden op te bezetten.

Anna Van Mulders, overleden op maandag 22 februari 1717 in Hekelgem, trouwde op zaterdag 27 december 1710 in Hekelgem met Michael De Cort, 36 jaar. Hij is een zoon van Martinus De Cort en Clara De Vuyst. Hij is gedoopt op dinsdag 17 april 1674 in Hekelgem. Bij de doop van Michael waren de volgende getuigen aanwezig: Michael Verleysen en Barbara Verleysen. Michael overleed op zaterdag 8 september 1742 in Hekelgem, 68 jaar oud. Hij was weduwnaar van Anna Vonck (ovl. 1709 en van Judoca Uyttenhof (ovl. 1729).

Kinderen van Anna en Michael te Hekelgem gedoopt:

1- Barbara, gedoopt op zondag 4 mei 1710 en overleden op vrijdag 24 oktober 1760 in Hekelgem, 50 jaar oud. Barbara trouwde, 32 jaar oud, op woensdag 11 juli 1742 in Hekelgem met Petrus Wambacq, 26 jaar oud. Hij is een zoon van Henricus en Catharina Verleysen. Hij is gedoopt op zondag 29 december 1715 in Hekelgem. Petrus overleed op zondag 21 juli 1748 in Hekelgem, 32 jaar oud. Barbara hertrouwde, 38 jaar oud, op donderdag 30 januari 1749 in Hekelgem met Johannes Baptista Mattens, 32 jaar oud. Hij is een zoon van Franciscus en Anna Robijns. Hij is gedoopt op zondag 16 augustus 1716 in Hekelgem. Johannes overleed in 1784 in Hekelgem, 68 jaar oud.

2- Joannes, gedoopt op maandag 1 februari 1712.

3- Petrus, gedoopt op woensdag 14 februari 1714, overleden in 1745 in Hekelgem, 31 jaar oud.

1742. Rekening ten sterhuize van Peter Ledegen[67].

Op vraag van Gerard Van Biesen stelde Peter Verleysen de rekeningen op van de verkoop van de goederen van de gewezen dorpsofficier van Hekelgem, Peter Ledegen, en zijn vrouw Anna Van den Eede. De verkoop van de meubelen en de onroerende goederen had plaats op 7 mei en op 13 juni 1742. Peter Verleysen presenteerde de rekeningen van de ontvangsten en uitgaven aan de hoofddrossaard en de schepenen op 26 september 1742.

Ontvangsten. (in gulden, stuivers en oorden)

– De verkoop van de meubelen en andere goederen bracht 209 g 8 1/ st op.

– De 20ste penning 10-9-2.

– De verkochte hofstede aan Peter De Cort: 891-6-2 ½.

– Een veld op de Kluiskouter, verkocht aan Hendrik Van Laecken, 252-0-0.

– Een veld op De Heuvel, met dezelfde koper: 141-3-1.

Totaal van de verkochte goederen: 1504-7-3.

Uitgaven.

Alleen die uitgaven met vermelding van de bestemmeling zijn opgenomen.

– Aan de hoofddrossaard, de schepenen en de griffier voor de hulp bij de verkoop op 7 mei: 23-4-1

– Aan A. De Smedt, deservitor te Hekelgem voor de uitvaart van Peter en zijn vrouw: 12-0-0

– Aan Frans Resteau, koster, voor de uitvaarten: 6-14-0

– Aan Jan Baptist Resteau voor de kaarsen bij de uitvaart: 11-1-0

– Aan Livinus De Cunbsel voor de twee doodskisten:4-18-0

– Aan Josina DeRoock voor haar hulp aan de overledenen: 14-1-0

– Aan Martinus Tavernier voor een lijnwaden casack, jupon ende broeck voor Peter: 0-19-0

– Aan J. De Witte, rentmeester van de abdij, voor de cijnzen van 1741 en 1742: 5-4-0

– Voor het vertier van de klokkenluiders, de dragers, de levering van suiker, wit brood en bier tijdens de ziekte van het echtpaar: 5-3-0

– Aan Michiel De Cort, teruggave van geleend geld: 10-0-0

– Aan H. Ter Linden voor de parochie van Erembodegem: 3-11-0

– Afbetaling van een lening van de parochie van Hekelgem met intresten: 872-13-1

– Aan Andries Daens: 6-8-1

– Aan Jan baptist Van de Perre, de officier van Hekelgem: 0-12-0

– Aan Peter Verleysen: 16-0-0

– Aan Hendrik Van Laecken voor 4 dagen werk op het land: 2-0-0

– Aan Peter Cooremans voor de bedenboek: 7-7-0

– Aan J.B. Boone, afbetaling van een lening en intrest: 133-13-0

– Aan Peter Wambacq voor de aankoop van schaarhout: 21-0-0

– Aan Jan Plas, teruggave van geleend geld: 7-0-0

– Aan de weduwe Hendrik Meeus: 3-10-0

– Aan Jan Eeckhoudt voor twee jaar landpacht: 5-0-0

– Aan Jan Vonck voor de levering van hout:0-9-0

– Aan Francis Vonck voor landpacht: 2-10-0

– Aan Gerard De Keghel voor geleverde winkelwaren: 6-12-0

– Aan de weduwe Lenaert Lenssens: 2-10-0

– Aan Philippus De Nil voor geleverde winkelwaren:0-5-0

– Aan Frans Cornelis voor geleverd vlas en het werk van zijn paarden: 12-8-0

– Aan de regeerders van Hekelgem: 9-18-0

– Aan Jan Cortvrindt voor bier en brandewijn: 2-0-0

– Aan Peter Nerinckx voor vier pond klaverzaad: 0-12-0

– Aan Adriaan De Leeuw voor gekocht graan en gekochte meubelen: 7-16-0

– Aan zuster Martha De Clerck van het gasthuis Sint-Jan-op-den-Poel, afkorting van een leningen intrest: 312-6-0

– Aan Catharina Beeckmans, afkorting van een lening met intresten: 274-0-0

– Aan Michiel De Cort, teruggave van gelend geld: 10-10-0

– Aan Martinus Taverniers voor het maken van een casack, jupon en broeck: 0-19-0

– Aan David Verbeken, teruggave van geleend geld: 6-0-0

– Aan de hoofddrossaard voor het taxeren van de oogst en van verkocht hout van een bos op Erembodegem: 30-12-0

– Aan Peter Vonck, terggave van geleend geld: 2-16-0

– Aan juffrouw Catharina Beijens, terggave van achtstallen: 58-6-2.

Totaal van de uitgaven: 999-9 -1/2.

Er was een saldo van 504 g 18 st 1 oord maar er liepen nog obligaties ter waarde van 1078-2-0 zodat elke crediteur slechts de helft van zij geld terugkreeg. De rentmeester van het Sint-Jansgasthuis besliste echter, als belangrijkste crediteur, dat de leningen van Theodora De Bisschop en Catharina Bleijens niet werden terugbetaald.

Petrus Ledegen, gedoopt op maandag 1 november 1677 in Hekelgem, overleden op vrijdag 13 april 1742 in Hekelgem, 64 jaar oud. Hij trouwde, 22 jaar oud, op woensdag 20 oktober 1700 in Hekelgem met Anna Van den Eede, overleden op donderdag 19 april 1742 in Hekelgem.

Ten versoucke ende vervolgens schriftelijcken last van Jan Baptista Boone hebbe ick onderschreven officier des Lants van Assche gedaen arreste ten huijse van Peeter Ledegen op de koeij ende hoppestaecken staende op sijne hofstede immers op alle de meubelaere effecten t’seijnen huijse bevonden voorden ende dat tot verhael ende betaelinghe van eene obligatie ende met de croijsen die daer verschenen sijn t’sedert den 26ste 8ber 1738 bedraegende vijf guldens s’jaers mits doende verbot ende interdictie van niet te mogen roeren om te vercoopen. Actum desen 16de april 1742. Jan Baptist Van De Perre.

1743. Problemen voor borgsteller Peter De Meersman[68].

Jacobus Hutsebaut ging op 20 maart 1741 een lening aan van 250 g aan 5% bij Joanna Catharina Meert, dochter van Anthoni uit Aalst. Peter De Meersman uit Baardegem stelde zich borg. Notaris Josephus Ghijsels uit Aalst stelde de akte op. In 1743 had Jacobus nog geen intrest betaald en Joanna diende een klacht in bij de schepenbank. Op 28 mei 1743 volgde de veroordeling: als Jacobus niet onmiddellijk de achterstallen met de kosten van het proces betaalde, moest Peter voldoende panden afstaan. P. van den Bossche, Martinus Gheude, Jan Bailliu, Hendrik ’t Sas en J.B. Van der Hasselt tekenden als schepenen.

1747. Inventaris van de bezittingen en schulden van de wezen Clauwaert[69].

De hoofddrossaard en de schepenen stelden Peter Clauwaert aan om een inventaris op te stellen van de bezittingen  en schulden van de kinderen Jan Baptist, Peter en Michael van Francis Clauwaert en Anna Van der Slchmolen.

Inkomsten.

– Verhuur van huizen, een meers en van De Drij Coninghen voor de jaren 1740, 1745, 1746 en 1747: 400-0-0

– Pacht van een ½ bunder meers: 23-0-0

– Verkoop van hopstaken: 13-0-0

Totaal: 436 g.

Kosten.

Alleen die uitgaven met vermelding van de bestemmeling en de reden zijn opgenomen.

– Aan Maximilian Spinael voor leveringen:12-16-0

– Aan Peter Engelken voor een nieuw stuk aan de slang: 6-0-0

– Aan Gregoir Pauwel voor zijn werk:7-4-0

– Aan Jan baptist Clauwaert voor geleverd laken: 11-18-0

– Aan Frans Resteau, koster, voor de uitvaart van Peter Clauwaert, zoon van Frans: 3-7-0

– Aan de pastoor voor de uitvaart: 5-19-0

– Aan W. Van Bostraet voor medicijnen: 1-18-2

– Aan Josina Pieters voor medicijnen: 1-14-0

– Aan M. Meganck voor lijnwaad: 2-11-2

– Aan J. De Witte, cijns: 5-18-0

– Aan F. Lindemans voor 3 ½ maand schoolgeld, boeken en kaarsen: 26-7-0

– Aan H. Dierickx voor 1 jaar rente: 28-0-0

– Voor de beden aan de wethouders: 1-11-0

– Aan hendrik dauwe voor een paar schoenen en voor het lappen van een ander paar: 2-0-0

– Aan Borremans voor het maken van een broek en een japon: 1-8-0

– Aan Jan Baptist Clauwaert voor een paar kousen: 1-6-0

– Voor 8 manden kalk, om de  vloertegels en om de steenput te repareren: 3-0-0

– Voor 100 vloertegels en 100 klinkers: 5-12-0

– Aan Peter Guns voor zijn hulp: 2-10-0

– Aan Michiel Clauwaert voor callemande calson, lijnwaert en de het maecken: 3-3-0

– Voor sokken en klompen: 0-14-0

– Voor het jaargetijde van Elisabeth Robijns en Guillam Cornelis: 2-2-2

– Voor het repareren van de schuur:1-16-0

– Voor 3 bussels latten voor het huis: 1-16-0

Aan Peter Van de Winckel voor het inzetten van de brandewijnketel: 0-15-0.

Totaal: 121-19-1.

Franciscus Clauwaert, gedoopt op 21 augustus 1696 en overleden op 17 augustus 1732. Hij trouwde met Anna Van der Slaghmolen, overleden te Hekelgem op 14 juli 1743. Zij hadden drie kinderen te Hekelgem gedoopt:

1.Jan baptist, gedoopt op 24 juni 1726

2. Peter, gedoopt op donderdag 12 augustus 1728. Hij overleed op donderdag 21 oktober 1745, 17 jaar oud.

3.Michael, gedoopt op 8 juli 1731.

1753. De erfenis van Thomas Verleysen[70].

Thomas Verleysen werd te Hekelgem gedoopt op 12 februari 1678 en overleed er op 18 februari 1748, 70 jaar oud. Hij was een zoon van Michael en Barbara De Valck 70 jaar oud. Hij trouwde met Petronella Verhoeven te Hekelgem op 20 juli 1700. Petronella overleed te Hekelgem op 5 maart 1747. Zij hadden 4 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1. Joannes, gedoopt op 25 juni 1702, overleden op donderdag 26 november 1772 in Hekelgem, 70 jaar oud. Hij trouwde, 20 jaar oud, op donderdag 3 september 1722 in Hekelgem met Petronella De Cort, 20 jaar oud. Zij is een dochter van Michael en Anna Vonck. Zij is gedoopt op maandag 10 juli 1702 in Hekelgem en overleed op maandag 15 februari 1740 in Hekelgem, 37 jaar oud.

2. Peter, gedoopt op 4 november 1703.

3. Catharina, gedoopt op 16 januari 1705.

4. Petronella, gedoopt op 8 mei 1707.

Catharina trouwde met Joannes Verleysen en had met hem 9 kinderen die vroeg wees werden. Enkele kennen we bij naam: Petronella, Gillis, Marie die met Guillam Piron was getrouw en met hem twee kinderen had: Catharina en Maria Petronella. Zij woonden niet in Hekelgem en na het overlijden van Jan Verleysen, voor 1740, geraakte Catharina in financiële moeilijkheden. Vanaf 1740 noteerde Thomas de hulp die hij zijn dochter bood:

– 28 augustus 1740: aan Catharina: 50-0-0.

– Aan Catharina: 43-0-0.

– 8 januari: aan Hendrik Van Laecken voor het huis van Catharina: 8-0-0.

– 2 mei: aan Catharina: 7-0-0.

– 8 juni 1742: aan Catharina: 50-0-0.

– 17 november 1740: tot onderhoud van de kinderen: 7-0-0.

– 23 januari: aan Gillis De Ridder voor de huishuur van Catharina: 7-0-0.

– 6 maart: aan Catharina: 8-0-0.

– 25 maart: aan Catharina: 5-0-0.

– 4 juni: aan Peter Vonck de rente van een lening van 100 g van Catharina: 4-10-0.

– Aan de kinderen: 4-0-0.

– 22 oktober: een casack voor Gillis: 3-18-0.

– Aan de weduwe van Hendrik Ledeghen voor een jaar mondcost van Peter: 14-0-0.

– Nog eens aan de weduwe: 3-4-0.

– 19 maart: 4-12-0.

– 27 maart: aan de kinderen: 1-5-0.

– 3 mei: aan Elisabeth Verhoeven voor een jaar mondcost voor Elisabeth: 6-0-0.

– 13 mei: twee hemden voor Gillis: 1-10-2.

– 10 juni: voor de kinderen:2-0-0.

– Aan Peter Vonck een rente van 4-10-0.

– Een casack voor Gillis:1-4-2.

– 18 december: een lijfrock entwee hemden voor Gillis: 4-18-0.

– 7 april: lijnwaad voor hemden en een broek:5-2-0.

– 22 april: aan de weduwe Hendrik Ledeghen voor een jaar mondcost voor Peter: 14-0-0.

– Aan Peternelle: 10-1-0.

– 20 april: aan de weduwe van Hendrik Ledeghen voor een jaar mondcost voor Peter: 14-0-0.

– 16 december: twee casacken voor Peter en Gillis: 7-5-0.

– 20 januari: twee lijnwaden casacken: 1-13-0.

– 24 juni: twaalf ellen wit lijnwaad: 6-11-0.

– 25 maart: aan de weduwe van Hendrik Ledeghen voor mondcost voor Peter: 14-0-0.

– Aan de pastoor voor de sepiltieren rechte (uitvaart) van Josina: 4-17-0.

– Aan de koster voor Josina: 0-16-0.

– Aan een paar kousen en een paar sokken voor de kinderen: 0-16-0.

– Aan twee hemden voor Peter: 1-16-2.

Thomas hield de uitgaven bij omdat hij, zo verklaarde hij aan zijn broer Jan, d’ een kind niet (wou) geven om d’ ander kind te nemen ende naer sijn dood sullen de selve kinderen van Jan (en Catharina) dat moeten goed doen aen mijne andere kinderen. Hij vertelde zijn broer nog dat hij voor het onderhoud van Catharina en haar kinderen een lening was aangegaan bij Peter Vonck. De oudste zoon van Thomas, Jan, moest de helft van de 848 g 3 st 3 o, aangetroffen in het sterfhuis terugbetalen. De kinderen van Catharina, die een lening van 366 g 1 o van hun grootvader Thomas hadden gekregen, moesten dat bedrag in de erfenis brengen. Die bedroeg in het totaal 1200 g 4 st en kwam voor de helft toe aan Jan en voor de andere helft aan de kinderen van Catharina.

1755. Volkstelling in 1755[71].

Volgens het plakkaat van keizerin Maria Theresia van 27 december 1754 moest er in Hekelgem een volkstelling worden gehouden. Dat gebeurde op 9 en 10 januari 1755. De telling is een interessant document omdat het niet alleen de gezinssamenstelling weergeeft maar ook het beroep van de man. Helaas zijn de laatste bladzijden onleesbaar.

1. De pastoor (Rumoldus De Cuyper) met zijn onderpastoor, 1 knecht, 1 meid.

2. De abdij van Affligem met de proost, de subprior, de hofmeester, de gasten pater, de syndicus, de koster, de lector en nog 22 monniken.

18 domestiquen de pachterije doende in de abdij.

3. Laureijs Leemans bakker in de abdij en winkelier met zijn vrouw en twee kinderen, een van 21 en een van 19 jaar.

4. De weduwe Carel Arijs werkt in het klooster, een kind van 15 jaar.

5. Jan Baeck, smid, met zijn huisvrouw en een kind van 9 jaar.

6. Jacobus Bellemans, broodmaecker en winkelier met zijn vrouw en een kind van 1 1/2 dag oud.

7. Jan Baptist Bellemans, kuijper en winkelier met zijn vrouw en twee kinderen, een van 2 1/2 en  van 1 jaar, een knecht en een meid.

8. Jan Boon, werkman, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn huisvrouw en 3 kinderen, een van 6, een van 4 en een van 1 jaar.

9. Peter Bosteels, pachter met zijn huisvrouw en 3 kinderen, een van 6, een van 3 en een van 12 maanden, 2 knechten, 1 meid.

10. Franciscus Callebaut, knecht in de abdij, met zijn vrouw en een kind van 2 jaar.

11. Gillis Cammaert, kleermakersknecht met zijn vrouw en een kind van 1 1/2 jaar.

12. Engel Carnoij, leeft van de Tafel van den H. Geest met 2 kinderen, een van 16 en een van 10 jaar.

13. Weduwe Peeter Carnoije, clijne cossaert[72] en een zoon van 31 jaar.

14. Jan Baptist Clauwaert, herbergier met zijn vrouw een kind van 1 1/2 jaar.

15. Laureijs Clauwaert, kossaard, met zijn vrouw en een kind van 20 jaar, leeft in armoede.

16. Peter Clauwaert, herbergier, brouwer en pachter, met zijn vrouw met 7 kinderen, een van 28, een van 23, een van 20, een van 17,een van 15, een van 11 en een van 10 jaar.

17. Peter Clauwaert, zoon van Jan, met zijn vrouw, leeft van aalmoezen.

18. Peter Ceuppens, pachter, brouwer en herbergier, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 20 en een  van 16 jaar, en een meid.

19. Hendrick Dauwe, gareelmaker en schoenmaker, met zijn vrouw en een kind van 22 jaar, een knecht en een meid.

20. Jan De Bailliu, pachter, met zijn vrouw, met  zonen, een van 24, een van 22, een van 20 en 1 een van 16 jaar, 1 dochter van 19 jaar en een meid.

21. Michiel De Bisschop, kossaard, met zijn vrouw  en 3 kinderen, een van 26, een van 20 en van 8 jaar, leeft van de Tafel van de H. Geest.

22. Weduwe Andries De Boitselier, kossaard, met huwbare dochters, een van 27 en een van 22 jaar.

23. Francis De Boitselier, kossaard, leeft in armoede van de Tafel van de H. Geest met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 14, een van 10 en een van 3 jaar.

24. Peter De Clercq, zoon van Jan, kossaard, met zijn huisvrouw en een dochter van 27 jaar.

25. Weduwe Peter De Clercq, zoon van Michiel, kossaard, 2 kinderen, een van 39 en een van  20 jaar, met een werkman.

26. Jan De Cort met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 19, een van 17 en een van 12 jaar.

27. Laureijs De Cort, kleine kossaardmet zijn huisvrouw en 4 kinderen, een van 8, een van 6, een van 2 en een van 1 jaar.

28. Joos De Coster, kossaard, leeft van de Tafel van de H. Geest met zoon van 29 en dochter 23 jaar.

29. Gillis Cromphout, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 10 jaar.

30. Guilliam De Donder, herbergier en kossaard, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn huisvrouw en 2 kinderen, een van 25 en een van 17 jaar.

31. Peter De Donder, kleine kossaard, met zijn huisvrouw met 3 kinderen, een van 12, een van 9 en een van 7 jaar.

32. Jan Baptist De Gendt, smid, met zijn huisvrouw en 5 kinderen, een van 11, een van 8, een van 7, een van 4 en een van 8 maanden, 1 knecht.

33. Peter De Gols, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 1 1/2 jaar.

34. Weduwe Geeraert De Kegel, kossaard, een zoon van 20 jaar, 2 dochters van 18 en 14 jaar.

35. Weduwe Gillis De Kegel, kossaard, met 2 kinderen, een van 25, is  onnoosel, een van 22 jaar, 1 knecht, 1 meid.

36. Weduwe Joos De Kegel, kossaard, 1 knecht, 1 meid.

37. Peter De Kegel, kossaard, weduwnaar met 3 kinderen, een van 30, een van 25, een van 20 jaar.

38. Geeraert De Meij, werkman, met zijn huisvrouw, gaan naar Essene wonen, met 2 kinderen, een  van 8 en een van 5 jaar.

39. Pauwel De Meersman, werkman in het klooster, met zijn  vrouw en een kind van 3 jaar.

40. Peter De Meij, kossaard, leeft van de Tafel van den H. Geest, met zijn vrouw en 2 kinderen, een en een van 2 jaar.

41. Francis De Mesmaecker, kleine kossaard, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 27 en een van 14 jaar, leeft in armoede.

42. Francis De Nil, met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 8, een van 5 en een van 3 jaar, grote armoede, leeft van de Tafel van de H. Geest.

43. Philips De Nil, met zijn vrouw en een kind van 5 jaar.

44. Jan Baptist De Pape, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 2 jaar.

45. Weduwe Hendrick De Raedt, met een knecht, raedemaecker en 3 dochters van 19, 17, en 15 jaar.

46. Jacobus De Raedt, kleine kossaard, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 4 en een van 6 dagen.

47. Judocus De Ridder, wever, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 12 en een van 7 jaar.

48. Martinus De Ridder, werkman, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 12 en een van 9 jaar.

49. Peter De Ridder, kossaard, met zijn vrouw, een zoon van 17 en twee dochters van 20 en 17 jaar.

50. Weduwe Francis De Schrijver, pachtersse met 3 kinderen, een van 19, een van 15 en een van 11 jaar, 1 knecht, 1 meid.

51. Jan De Schrijver, kossaard, met zijn huisvrouw, 3 kinderen, een van 4, een van 3 en een van 1 jaar, 1 meid en de vader van zijn vrouw, Geert Van Varenbergh, een oude mens.

52. Gillis De Smedt, pachter en herbergier, met zijn vrouw, met 3 kinderen, een van 23, een van 21 en een van 17 jaar, 2 knechten en J. Verleijsen aldaar uit armoede gehouden.

53. Jan Baptist De Smedt, pachter met zijn vrouw, 2 knechten, een meid.

54. Joos De Smedt, kleine kossaard, met zijn huisvrouw zonder kinderen.

55. Marinus De Smedt, pachterken, met zijn vrouw en een kind van 3 jaar, een knecht.

56. Francis De Vis, kossaard en werkman, met zijn vrouw en 4 kinderen, een van 16, een van 12, een van 7 en een van 1 jaar.

57. Francis De Vis, zoon van Aert, weduwnaar, kleine kossaard en timmermansknecht, met twee kinderen, een van 22 en een van 11 jaar.

58. Jan De Vis, kleine kossaard, met zijn vrouw.

59. Weduwe Peter DeVis, kossaard, met 3 kinderen, een van 40, een van 36 en een van 30 jaar.

60. Peter De Vis, weduwnaar, timmerman, met twee kinderen, een van 32, ziek en een van 31 jaar.

61. Peter De Vis, zoon van Jan, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 2 1/2 jaar. 62. Eene cranckzinnige vrouwspersoon leeft van de Tafel van den H. Geest.

63. Andries De Vos, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 1 jaar.

64. Franciscus De Witte, kossaard, met zijn vrouw.

65. Sieur Jan Baptist De Witte, griffier van Affligem met zijn huisvrouw en 4 kinderen, een van 6, van 5, een van 4 en een van 3 jaar, 2 knechten, 1 meid.

66. Jan Droeshout, kleine pachter, met zijn huisvrouw en 6 kinderen, een van 24, een van 20, een van 18, een van 16, een van 13 en een van 11 jaar, 1 knecht.

67. Peter Droeshout, kleine pachter en herbergier, weduwnaar met 5 kinderen, een van 30, een van 28, een van 26, een van 20 en een van 18 jaar.

68. Philips Druwé, kleermacker in het klooster, met zijn vrouw en met een meid.

69. Peter Everaert, kossaard, met zijn huisvrouw en een kind van 1 jaar.

70. Christiaen Galemaert, pachter, met zijn huisvrouw en 4 kinderen, een zoon van 20, een zoon van 11 en een zoon van 7 jaar, 1 dochter van 12 jaar, een meid en een knecht.

71. Guilliam Goddefroy, kossaard, met 2 kinderen, een van 24 en een van 20 jaar.

72. Peter Guns, werkman met zijn vrouw.

73. Matthijs Jacobs, kleine kossaard, met zijn huisvrouw en een kind van 14 jaar en een ander kind van den armen.

74. Michiel Janssens, krankzinnige oude man, leeft van aalmoezen.

75. Gaspar Koijman, tiendensteker, met zijn vrouw en een kind van 4 jaar.

76. Jan Leemans, kleermaker, met zijn huisvrouw, zonder kinderen.

77. Francis Louis, blockschoenvercooper, met zijn vrouw en een kind van 9 jaar.

78. Christiaen Mattens,  kleine kossaard, met zijn vrouw.

79. Francis Mattens, kossaard, weduwnaar, met zijn zoon van 30 jaar.

80. Weduwe Jan Mattens, kleine kossaard, met een zoon van 40 jaar.

81. Jan Baptist Mattens, kossaard, leeft van de Tafel van den H. Geest, met zijn huisvrouw en 2 kinderen, een van 25 en een van 20 jaar.

82. Peter Mattens, kossaard en winkelier, met zijn vrouw, een meid.

83. Francis Meert, pachter en herbergier, met zijn huisvrouw met 6 kinderen, een van 21, een van 20, een van 14, een van 6, een van 5 en een van 3 jaar.

84. Jan Meert, kleine pachter, weduwnaar, met een zoon van 30 jaar, 2 knechten, 1 meid.

85. Francis Mertens, kossaard, met zijn huisvrouw en 2 kinderen, een van 11 en een van 2 1/2 jaar.

86. Jan Mertens, zoon van  Peter, werkman, met zijn vrouw en een kind van 9 jaar.

87. Jan Moens, kleine kossaard, met zijn huisvrouw.

88. Joos Nieulant, kossaard, met zijn vrouw met 2 kinderen, een van 8 en een van 15 jaar.

89. Weduwe Judocus Pauwels, kleine pachter, met 4 kinderen, een van 30, een van 26, een van 25 en een van 23 jaar.

90. Joannes Pauwels, pachter, met zijn huisvrouw zonder kinderen, 2 knechten, 1 meid.

91. Peter Pensionaris, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 13 jaar.

92. Jan Baptist Pereman, kleine kossaard, met zijn vrouw, een zoon, gebreckelijck onnoosel niet connende gaen, oud 22 jaar.

93. Gillis Plas, pachter met zijn huisvrouw, 4 zonen, een van 36, een van 24, een van 22 en een van 19 jaar, een dochter van 15 jaar, 3 knechten, 2 meiden.

94. Hendrick Poels, kossaard, met zijn huisvrouw.

95. De erfgenamen Nicolaas Raes, zoon van 25 jaar, lijnwever, een dochter van 19 jaar.

96. Meester Joannes Baptista Resteau, koster en winkelier, met zijn huisvrouw, 3 kinderen, een van 17, een van 13 en een van 11 jaar, 1 knecht, een andere voor drie maanden.

97. Judocus Roggeman grote kossaard, met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 18, een van 10 en een van 6 jaar, een zieke dochter aldaar gelogeerd uit liefde,  leeft van aalmoezen.

98. Jacobus Roseleth, herbergier, met zijn huisvrouw, een kind van 11 jaar, 1 meid, Philip Roseleth logeert er.

99. Judocus Scheirlinck, werkman, leeft ten dele van de Tafel van de H. Geest met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 5, een van 4 en een van 1 jaar.

100. Carel Schellincx, werkman met zijn vrouw.

101. Cornelis Schoon, pachter, met zijn huisvrouw met 2 kinderen, een van 34 en een van 30 jaar, 1 knecht.

102. Peter Schoon, kleine pachter, met zijn vrouw, een kind van 2 jaar, een knecht en een meid.

103. Benedictus Schoonjans, kossaard, met zijn vrouw en een kind van 4 maanden.

104. Caerel Steven, kossaard, met zijn huisvrouw en een zoon van 35 jaar.

105. Gillis Van Cauter, smid, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 3 en een van 4 dagen, een knecht.

106. Hendrick Van Brempt, kossaard, met zijn vrouw, een vrouw met een kind aldaar logerende als vreemdelingen.

107. Jacobus Van De Perre, kossaard, met zijn huisvrouw en 2 kinderen, een van 5 en een van 2 jaar.

108. De kinderen Jan Van De Perre, Peter Van De Perre oud 46 jaar, Elisabeth Van De Perre 50 jaar

109. Weduwe Hendrick Van De Velde, kossaard, met een zoon van 35 jaar.

110. Jan Baptist Van De Velde, kossaard, met zijn huisvrouw met 3 kinderen, een van 17, een van 12,  onnoosel, en een van 2 jaar, 1 knecht, 1 meid.

111. Jan Baptist Van De Velde, kossaard en werkman, met zijn huisvrouw en een kind oud 2 jaar.

112. Michiel Van De Velde, kossaard, met zijn huisvrouw met twee kinderen, een van 7 en een   van 3 jaar, een knecht bij hem woont, Jan Van De Velde.

113. Geeraert Van Den Biesen, herbergier, met zijn huisvrouw zonder kinderen, 1 meid bij hem inwonend.

114. Francis Van Den Bossche, kossaard, met zijn vrouw en een meid.

115. Michiel Van Den Bossche, kossaard, met zijn huisvrouw, zonder kinderen.

116. Jan Van Den Broeck, kossaard, met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 12, een van 9 en een van 6 jaar.

117. Peter Van Den Driessche, kossaard, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 16 en een van 9 jaar.

118. Jan Van Den Eijnd, strodekker,  met zijn huisvrouw een kind van 20 jaar.

 119. Gillis Van Den Weijngaert, kossaard, weduwnaar, 3 kinderen, een van 20, een van 18 en een van 9 jaar.

120. Niclaes Van Der Elst, blockschoenmaecker, met zijn vrouw en een kind van 11 jaar.

121. Jan Van Der Jeught, kossaard, met zijn vrouw en een zoon van 29 jaar en een dochter van 26 jaar.

122. Geeraert Van Der Jeught, is blind, leeft van de Tafel van den H. Geest, met zijn vrouw, armoede.

123. Michiel Van Der Schueren, pachter, met zijn huisvrouw en 2, een van 21 van 18 jaar, een knecht, een meid.

124. Andries Van Geite, kleine kossaard, met zijn vrouw, 3 kinderen, een zoon van 17 geraakt, een van 9 en een van 20 jaar.

125. Jaspar Van Impen, werkman, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn vrouw en een kind van 9 maanden.

126. Jan Van Itterbeke, kossaard, met zijn huisvrouw, een zoon van 25 jaar.

127. Francis Van Langenhove, kleine pachter en herbergier, met zijn huisvrouw met een kind van 7 jaar, drie knechten, een meid.

128. Joseph Van Lierde, molenaar, met zijn huisvrouw met 4 kinderen, een van 6, een van 4,

een van 2 en een van 3 maanden, 1 knecht, 1 meid, zijn vader Cornelis Van Lierde woont er ook.

129. Francis Van Nieuwenborgh, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn vrouw en twee kinderen, een van 10 en een van 8 jaar.

130. Jan Baptist Van Nieuwenhove,  raedemaecker met zijn vrouw zonder kinderen.

131. Jacobus Van Ockeleijen, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 14 en een van 6 jaar.

132. Peter Van Onsem, kossaard, met zijn vrouw en een kind van omtrent 8 jaar.

133. Weduwe Joos Van Ransbeke,  werkster met haar dochter van 26 jaar, armoede.

134. Weduwe Nicolaes Van Ransbeke, met een zoon timmermansknecht, oud 24 jaar.

135. Jan Van Varenbergh, kossaard, met zijn huisvrouw, met 3 kinderen, een van 17, een van 13 en een van 8 jaar.

136. Jan Van Varenbergh, zoon van Jan, beenhouwer, met zijn vrouw  en twee kinderen, een van 10 en een van 8 jaar.

137. Hendrick Verdoodt, grote kossaard, met zijn vrouw, met 4 kinderen, een van 17, een van 16, een van 8 en een van 6 jaar, en Henricus Van Ransbeke, aldaar aanbesteed leeft van de Tafel van den H. Geest.

138. Jacques Verdoodt,  werkman, met zijn vrouw en een kind van 17 jaar.

139. Aert Verleijsen, kossaard, met zijn vrouw, een zoon van 28 en een dochter van 31 jaar.

140. Jan Verleijsen, zoon van Michiel, weduwnaar, kleine kossaard, met twee kinderen, een van 35 en een van 23 jaar.

141. Peter Verleijsen, kleine kossaard, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 8 en een van 6 jaar.

Aldus gedaen, gestelt en opgenomen den 9de en 10de januari 1755 coram de ondergeteeckende bedesetteren, Andries De Coninck en Francis Van Langenhove.

Besluit

De gemeente telde meer dan de hier besproken 141 huishoudens. Daar de laatste bladzijden onleesbaar zijn, vernemen we niets over de families Vermoesen, Vonck, Wambacq en anderen. Toch kunnen we een aantal algemene besluiten trekken.

Het meest opvallende aan de telling is dat de vrouwen niet bij naam worden genoemd. Ze zijn de (huis)vrouw of de weduwe van hun man. Op het gebied van gelijke rechten hadden ze nog een lange weg af te leggen. Een tweede opmerkelijke punt is de grote armoede. De Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748), een oorlog waarin Frankrijk, Pruisen en Spanje tegen de nieuwe Maria Theresia van Oostenrijk en haar bondgenoten vochten, was toch al enkele jaren afgelopen, maar de schade door troepen was enorm. Op 13 juli 1745 waren 2 800 Franse soldaten de abdij binnen gevallen. Ze bleven er zes weken en de omliggende gemeenten moesten instaan voor hun onderhoud. Ze plunderden meerdere huizen en eisten werklieden op voor verdedigingswerken. Dat deden ook de keizerlijke troepen en zeven jaar na de vredesonderhandelingen waren de rampzalige gevolgen van de oorlogen nog merkbaar. Elf gezinnen genoten steun van de H. Geesttafel en twee anderen leefden in armoede. Er waren 11 weduwes en 5 weduwnaren

Van al de gezinnen kennen we de beroepsactiviteit. 82 van de 141 gezinnen hadden een boerderij. De tellers maakten daarbij een onderscheid tussen de pachters, de grote boeren,  en de cossaerts en de cleine cossaerts. De pachers die met 20 waren hadden meestel knechten en meiden in dienst. Vijftiengezinnen hadden 1 knecht, vier gezinnen 2 en 2 gezinnen hadden zelfs 3 knechten in dienst. In twintig gezinnen was er 1 meid, in twee gezinnen waren er 2. Opvallend: in de abdij werkten 18 knechten en 5 die niet in de badij verbleven. De 42 cossaerts kleine boeren bewerkten minder dan 5 ha en de cleijne cossaerts moesten het stellen met minder dan 1 ha. Sommigen hadden nog andere inkomsten als winkelier, herbergier enz.

Een overzicht van de verschillende beroepen:

Bakker: 2

Brouwer: 2

Gareelmaker: 1

Herbergier: 10

Kleermaker: 3

Knecht: 14

Kuiper:1

Molenaar: 1

Radenmaker: 2

Schoenmaker: 2

Smid: 3

Strodekker: 1

Tiendensteker: 1

Timmerman: 1

Verkoper: 1

Wever:2

Winkelier: 4

1755. Wie moet wie betalen[73]?

Joannes Adriaan Pauwels spande in 1755 een proces in tegen François Van Langenhove en zijn vrouw Anna Maria Kieckens. Hij eiste van de 300 g terug die ze bij hem hadden geleend. Het echtpaar beweerde echter dat niet zij maar Joannes bij hen in het krijt stond en op 27 mei 1755 legden zij op hun beurt een klacht neer tegen Joannes Pauwels. Wat was er aan de hand?

In 1729 hadden Peter Pauwels en Anna Maria Kieckens een lening van 800 g aangegaan bij de Aalsterse koopman Jan Rogier Cayman. De rente bedroeg 40 g. Als borg gaven zij de helft van een hopveld en een akker van 5 d 20 r, gelegen op de Lievendries te Erembodegem en een behuisde hofstede van 150 r op de Vogelenzang te Hekelgem. Na hun dood moest Joseph Pauwels, de halfbroer van Joannes, als mede-erfgenaam voor 1/6de instaan voor de afbetaling van de rente. Dat kon hij niet en François betaalde in zijn plaats. Hij stond ook in voor het onderhoudsgeld van Joseph  bij Judocus De Bolle en betaalde de begrafeniskosten voor Joseph en zijn zus Elisabeth. In het totaal had hij voor 317 g uitgegeven en dat bedrag wou hij recupereren van Joannes als erfgenaam van Joseph. Na aftrek van de 300 g bleven nog 17 g over en die eiste hij van Joannes. François spande daarvoor op zijn beurt een proces in tegen Joannes.

De schepenen van Asse wisten niet wat ze met die twee zaken moesten aanvangen en vroegen advies aan de Raad van Brabant. Op 21 februari was hun advies klaar: ga voort met het onderzoek!

1761. Kan een bastaardkind erven[74]?

Op 9 december oordeelden de schepenen Judocus Seijens en Martino Van Vaerenbergh dat Jan Verleysen en zijn vrouw Josina Arijs 123 g schuldig waren aan sieur Daniël Geeraerts en zijn vrouw Marie Beeckman. De moeder van Marie was Marie Arijs, een zus van Josina.

De erfenis van de ouders van Marie en Josina bestond uit velden en huizen. Volgens de costuijmen van Brussel kon Josina, als bastaardkind, geen onroerende goederen erven. Bij de verkaveling op 22 oktober 1737 echter werd zij toch als mede-erfgenaam aanvaard en kreeg ze een opleg van 102 g. Dat bedrag eiste Geeraerts nu terug, zich steunend op die costuijmen. Advocaat De Maré verdedigde Jan Verleysen en pleitte dat de familie zelf Josina als erfgenaam had aanvaard en Josina had geen onroerende goederen gekregen. Hij kreeg geen gelijk.

1762. Hendrik Van Laecken schuldig bevonden[75].

Op 30 maart 1762 werd Hendrik Van Laecken in effigie[76] veroordeeld met eene strope aen den hals aen eene galge ten hoogsten van den daege te woeden gehangen ten exemple.

Wat had Hendrik gedaan om de zwaarste straf te krijgen?

Op 14 mei 1761 had Hendrik de zoon van Gillis Lensens naar Catherina Heijvaert gestuurd met het verzoek om onmiddellijk naar zijn huis te komen. Hij dacht dat zijn vrouw stervende was. Toen Catharina bij het bed van zijn vrouw, Catharina Vermoesen, kwam, vermoedde ze dat haar vriendin al dood was. Dat zei tegen de onderpastoor en de koster die er al waren om haar te berechten want er liep bloed uit haar rechteroor en ze had een blauw oog. Tijdens haar tweede ondervraging op 26 oktober voegde ze er nog aan toe dat ze Van Laecken had horen zeggen: ze zullen wel zeggen dat ik mijn vrouw heb doodgeslagen. Catharina legde die getuigenis voor de schepenen af op 19 mei.

Cornelis Van den Bergen was de tweede getuige die door de schepenen werd verhoord. Hij woonde in een aanleunend huis en had die nacht van 14 mei keijvagie, dreigementen en slagen gehoord in het huis van Hendrik. Hij is naar Hendrik, zijn oom, gestapt en zag dat Catharina op haar rug op de grond lag. Hendrik trachtte haar recht te krijgen. Toen hij dacht dat er weer vrede was, keerde hij naar zijn huis terug. Hij lag al in bed toen hij Catharina Jezus Maria hoorde roepen. Wat later riep zijn oom hem, hij ging naar binnen en zag Catharina op de grond zitten en Hendrik hield zijn armen om haar heen. Het leek hem dat Catharina tot bewustzijn kwam en hij ging zijn vrouw halen om Catharina te helpen. Zijn vrouw kwam hem meermaals zeggen dat Catharina stervende was en ten slotte dat ze dood was. Cornelis voegde later aan zijn getuigenis nog toe dat het gerucht ging dat Hendrik zijn vrouw had doodgeslagen.

Franchois Lansons, ook een buurman van Hendrik, ging toen hij geroep hoorde  naar het huis van Hendrik. Hij zag Catharina op een stoel zitten met schuim op haar mond. Hij vroeg Hendrik of de pastoor al verwittigd was, waarop Hendrik hem vroeg om dat te doen. Hij liep naar de pastorie en keerde terug met de onderpastoor en de koster. Bij aankomst zagen ze dat Catharina al dood was. De koster wees iedereen erop dat er bloed uit haar rechteroor kwam. Hendrik antwoordde dat ze uit bed was gevallen. Franchois vertelde aan de schepenen nog dat Catharina bijna dagelijks werd geslagen.

Gillis Lensens, gewekt door het tumult, was naar het huis van Hendrik gegaan en zag zijn vrouw op een pailliasse liggen. Zij was stervende. Hij liep de pastoor tegemoet en vroeg hem zich te haasten want er was perijckel van sterven. Als ze toekwamen, was Catharina al overleden en koster Jan Baptist Resteau merkte op dat ze bloedde. Jezus Maria riep Van Laecken, ze zullen zeggen dat ik haar doodgeslagen heb. De onderpastoor vroeg hem waarom de mensen dat zouden zeggen, maar hij antwoordde niet.

Joanna Maria De Smedt, vrouw van Cornelis Van den Berghe, werd op 20 mei verhoord. Zij bevestigde dat er in de nacht van 13 mei deftige woorden waren tussen Hendrik en Catharina. Zij hoorde Catharina lamenteren over de slagen die ze kreeg. Joanna vroeg Cornelis om toch eens te gaan kijken. Toen hij terug was, zei hij dat Catharina op de grond lag. Hendrik gaf als uitleg dat ze dempich hadden gegeten. Joanna was er niet gerust in en bleef nog een tijdje op terwijl haar man ging slapen. Even later herbegon de ruzie. Zij hoorde Hendrik schreeuwen gij sult van mijne handen noch sterven, alwaert dat de galge daer gerecht waere. Joanna liep onmiddellijk naar het huis en trachtte Hendrik te kalmeren. Dat lukte niet en ze ging slapen. Het laatste wat ze hoorde, was een harde slag. Niet lang daarna kwam Hendrik hen roepen. Zijn vrouw had iets gekregen, zei hij. Eerst ging haar man en hij zag dat Catharina naar adem snakte en riep Joanna om te komen helpen. Zij zag toen het blauwe oog en het bloed aan haar rechteroor.

Joanna Van de Perre, vrouw van Francis Lanson,  hoorde bijna dagelijks ruzie en slagen en had dikwijls compassie met de vrouw. Die nacht van 13 op 14 mei was de ruzie heel heftig en de slagen waren onverdraegelijck. Voor haar man was dat geen nieuws, het is dagelijks brood, zei hij. Rond drie uur kwam Hendrik hen roepen omdat zijn vrouw wilde sterven. Ze volgden hem tot bij Catharina die op een stoel zat en nauwelijks nog ademde. Ze nam haar in haar armen. Catharina Heijvaert merkte het bloed op en Hendrik antwoordde handenwrijvend ze sullen noch seggen dat ick haer dood geslagen hebbe. Niemand durfde te antwoorden.

Koster Jan Baptist Resteau kwam samen met de onderpastoor in het huis. De onderpastoor gaf haar de absolutie en vroeg hem haar gezicht eens nader te bekijken. Hij zag het bloed en de blauwe plekken en vroeg wat er met haar was gebeurd. Hendrik zei dat ze uit bed was gevallen. Voor Jan Baptist was het duidelijk: Catharina was vermoord en hij stelde voor om de aartsbisschop de toelating te vragen voor een lijkschouwing.

Die lijkschouwing had plaats op 23 mei en werd uitgevoerd door dokter Petrus Van Innes en chirurgijn Savena. Hun besluit was dat Catharina was gestorven aan de gevolgen van een zware slag op haar hoofd met een stok of een ander voorwerp. Ondertussen had drossaard Joannes Loovens de schepenen gevraagd om Hendrik Van Laecken te arresteren, maar die was al gevlucht. Op 2 juni gaf hij het bevel om zijn roerende goederen in beslag te nemen en de onroerende te verhuren. Gezien de zware misdaad door Hendrik begaan, werd het dossier overgemaakt aan de hoofddrossaard te Brussel die het advies van de Raad van Brabant vroeg. Dat kwam er op 13 februari 1762: dood door ophanging. De volgende schepenen ondertekenden op 30 maart het doodvonnis: P. Nulant, N. Van Heqinbeke, M. Van Vaerenbergh, G. Plas, P. Van Den Bossche, P. De Bidou, C. Van Den Houte, J. B. Van De Velde, Guilliam Goossens en Verstappen.

Henricus Van Laecken, trouwde op maandag 11 juli 1740 in Hekelgem met Catharina Vermoesen, 36 jaar oud. Zij is gedoopt op zaterdag 13 oktober 1703 in Hekelgem en overleed op donderdag 14 mei 1761 in Hekelgem, 57 jaar oud. Zij hadden een zoon Petrus, gedoopt op vrijdag 9 april 1745 in Hekelgem. Petrus overleed in 1747 in Hekelgem, 2 jaar oud.

1763. Judocus Vonck eist het erfdeel van zijn vrouw op[77].

Judocus Vonck liet op 14 mei 1763 aan Jan Verleysen weten dat hij het erfdeel van zijn overleden vrouw opeiste. Dat was haar nagelaten door Michiel De Cort. Jan betwistte dat omdat volgens de costuymen van Brussel een bastaardkind geen recht op de erfenis had. De schepenen verzochten hem om de pampieren waarop hij zijn weigering steunde, aan hen voor te leggen.

1769. Acht jaar ruzie om een losweg[78].

In augustus 1761 gaf de Hekelgemse officier Jan Baptist Van de Perre een boete aan Francis Clauwaert omdat hij met een wagen bespannen met twee paarden en geladen met tarwe over het veld van Peter Bosteels[79] had gereden. Francis had voor Jan Baeck tarwe opgehaald op het veld dat hij pachtte van de armen van Hekelgem. Het veld lag op De Capruin achter het perceel van Peter Bosteels. Francis kreeg ook het verbod om nog over die akker te rijden. Toch reed Francis nog met mestkarren over Peters grond die als reactie in september een klacht indiende bij de schepenbank tegen Jan Baeck. Dat was het begin van een rechtszaak tussen Peter Bosteels en pastoor De Cuijper, de armen- en kerkmeesters, de eigenaars van de grond, en Jan Baeck die acht jaar zou duren.

in 1759 van Peter het verbod om over zijn akker te rijden, maar op 15 mei 1759 sloten ze een akkoorden De Witte kreeg weer vrije doorgang. De hoofddrossaard en de schepenen keurden dat op 27 april goed met die bemerking dat aangerichte schade moest vergoed worden. Zij eisten op grond van dat vonnis ook de toegang tot hun veld want zonder die bereikbaarheid was hun bezit waardeloos en vielen de inkomsten van de armen weg.

Peter Bosteels bleef het gebruik van de losweg weigeren omdat in de aankoopakte van zijn hofstede geen vermelding is van een servitudeweg.

De schepenen zagen blijkbaar geen oplossing voor het geschil en in 1763 kwam het dossier terecht bij de schepen van Brussel en rechtsgeleerde Theijs. Hij had een figuratieve kaart met de aanduiding van de betrokken percelen. Op 21 oktober 1763 ondervroeg hij een aantal getuigen.

Op 15 december 1761 dienden de gedaagden, de pastoor en de armen- en kerkmeesters met Jan Baeck, op hun beurt een klacht in tegen hun aanlegger Peter BosteelsVoor de armen- en kerkmeesters tekenden Jan Baptist De Ridder, Jan Van Vaerenbergh, Gillis Plas en P. Van Linthout. Zij betoogden dat de pachters van hun grond sinds aloude tijden met wagens, karren ploegen en eggen over de grond van Bosteels, voorheen van Michiel Van den Bossche, reden  vermist dat veld aan de straat paalde en er geen andere toegang tot hun veld was. Griffier Jan Baptist De Witte[80], die ook een perceel achter Bosteels had, kreeg

Peter Clauwaert, zoon van Peter, 72 jaar, verklaarde dat hij al in de jaren dertig over het perceel reed.

Jan Van Itterbeke, geboortig van Mazenzele en al 5 jaar kossaard in Hekelgem, wist dat een knecht van de griffier de losweg gebruikte.

Michiel Stevens, een 60-jarige kossaard, vertelde dat er een wegje was aan de kant van Bosteels en dat hij daar dikwijls met zijn kruiwagen reed om naar zijn veld te gaan.

Guillam De Donder, 53 jaar, kossaard en herbergier, werkte in 1745 als het Franse leger in Hekelgem kampeerde als paardenknecht bij Jan Baptist Eeman. In die tijd reed hij regelmatig over het land van Bosteels met wagen en paarden. Van een verbod heeft hij nooit iets gehoord.

Philippus Collier, de officier van Moorsel, 42 jaar, woonde van 1735 tot 1737 in bij Jan Baptist Eeman. Er lag toen een specie van baene van aan de straat tussen het goed dat nu Bosteels heeft en een haag. Hij reed er vaak met mest, granen en klaveren naar het goed van Affligem. Of anderen ook die losweg gebruikten, weet hij niet.

Het verhoor ging voort op 23 december, nog steeds ten huize van schepen Theijs.

Gillis Van Nieuwenborgh[81], 77 jaar, had al 50 jaar niet meer over het betrokken perceel gereden. Hij herinnerde zich nog dat ervan aan de straat langsheen het hopveld dat nu Bosteels heeft, een groene strook lag. De pachter van het land van de H. Geest reden toen met kruiwagens via een voetweg naar het veld. De oogst droegen ze op hun rug of lag op een kruiwagen.

Joanna Egger, de weduwe van Joos Van Ransbeeck[82], 74 jaar, was 16 of 17 jaar toen ze de koeien van haar ouders in De Capruin liet grazen. Zij zag toe David Verbeken, tiendenpachter Jan Vermoesen en Adriaan Van den Abbeele met karren op het betwiste veld rijden. Gerard Van den Biesen, de toenmalige eigenaar, maakte wel bezwaren.

Joos De Greve uit Erembodegem, 55 jaar, werd pas op 27 januari 1764 verhoord. Hij woonde als voerman 35 of 36 jaar bij de weduwe van Joos Eeman in het pachthof dat nu van Bosteels is. Hij reed toe van de straat (de Kerkstraat) tot op het veld van Affligem, maar nie tot aan de akker van De Witte. De pachters van de H. Geest hadden langs de achterkant een toegang. De losweg van Bosteels gebruikten ze niet.

Petronelle Van den Bossche kwam op 1 maart 1764 aan de beurt. Zij was een jonge dochter van 65 of 66 jaar en woonde tot aan het vertrek van de Franse troepen (1748) in het huis van haar vader Peter. Daarna is ze gaan dienen. Zij heeft nooit gezien dat er over het veld werd gereden. Er lag wel een groen weghsken. Haar zus Theresia, vrouw van Francis De Vis en haar broer Michiel legden dezelfde verklaring af.

Jacobus De Clercq werd op 30 maart opgeroepen. Hij was 53 jaar, afkomstig van Meldert en woonde in Essene. Als 18-jarige was hij paardenknecht bij de weduwe Eeman. Behalve hij reed er niemand met paarden over het veld.

Joos Nuelant, 55 jaar, afkomstig van Asse was nu kossaard in Hekelgem. Hij werkte in 1729 en 1730ook als paardenknecht bij Eeman en vertelde de schepen hetzelfde als Jacobus De Clercq.

Op 18 april nam schepen en rechtsgeleerde Van den Cruyce de verhoren over. Als eerst kwam Michiel Van den Bossche, 55 jaar, zag alleen dat men de losweg gebruikte met sleden door een paard getrokken, geen karren of wagens.

Peter Clauwaert, 77 jaar, pachter en brouwer, moest ok naar Brussel gaan. Hij heeft altijd de losweg gebruikt om naar het veld van griffier De Witte te rijden. Gerard Van den Biesen en Jan Baptist Eeman deden het ook.

Aalstenaar Peter Mahieu, 73 jaar, werkman bij Jan baptist Eeman, wist nog dat er toestemming van de buren nodig was om over het land te rijden.

Machiel Stevens, 60 jaar, kossaard, werkte als knecht bij Joos Eeman en herinnerde zich dat Jan Baptist Eeman met zijn paarden en wagens de losweg gebruikte, anderen reden met een kruiwagen.

Philippus Collier van Moorsel legde dezelfde verklaring als Peter Mahieu af.

Het proces leek uitgestorven, maar in 1767 diende Peter Bosteels een nieuw argument in. egen de hofstede van Michiel Van den Bossche aan de straat lag een waterput. Die verhinderde dat er met wagens konden passeren. Maar zijn tegenpartij konden dat met getuigenissen weerleggen. Zelfs Bosteels reed er door met zijn wagen. Ze stipten nog eens aan dat, volgens de costuimen al wie beemden, velden, weiden of bossen bezat, recht hadden op een weg zonder schade aan te richten aan andermans eigendom. Zo’n weg werd noodweg genoemd.

Zoals te verwachten was, diende Peter Bosteels op 18 april 1768 een antwoord in. Aan de hand van figuratieve kaarten van landmeter Hendrik De keghel van 1718 en die van landmeter Franciscus De Donder toonde hij aan dat er aan zijn hopveld en akker nooit een koutergat was geweest en dat er dus geen noodweg was.

De gedaagden hadden hun antwoord klaar op 27 september. Zij herinnerden Peter Bosteels aan zijn verbod aan Jan Baptist De Witte om over zijn land te rijden en het proces dat daarop volgde. Het vonnis was dat De Witte vrije toegang tot zijn achterliggend veld kreeg. De losweg werd toen beschreven: de breedte was 1 roede, de lengte 10 roeden 14 voeten. Als De Witte de losweg mocht gebruiken, dan gold dat ook voor andere achterliggenden. Dat was voor hen claerder dan claer. Om hun eis kracht bij te zetten schreven ze naar de keijserinne douarière ende coninginne in haere souvereijnen raede geordonneerd in Brabant waarin ze heel de situatie verklaarden. Het advies van de Raad van Brabant volgde op 3 mei 1769.

1786. Caféruzie leidt tot proces[83].

In gebanne vierschaere veroordeelden de schepenen Jan Baptist De Nil, J. Van Roy en Gillis Van Humbeeck op 16 mei 1786 de dorpsofficier van Hekelgem, Francis Van de Perre, tot betaling van de proceskosten. De aanleiding voor het proces was een ruzie tussen Van de Perre en Joannes Callebaut in de herberg van Henricus Fieremans te Asse-ter-Heide op 6 december 1785. Callebaut had een proces aangespannen tegen de dekens van de rhetorijcke gilde van de H. Barbara. De dorpsofficier trachtte hem ervan te overtuigen om zijn aanklacht in te trekken. Maar Joannes wees het bespottelijk voorstel af met de opmerking zijt gij daer wederom al, gij hebt mij dies aengaende noch differente reijsen aen geweest. In woede ontstoken schreeuwde Van de Perre gij lieght daeraen als eenen deugniet, eene jean foutter ende eene lourre met nog andere heftige woorden. Callebaut reageerde niet op de beledigingen, wat volgens Francis een bewijs van zijn gelijk was. Op 17 december, 11 dagen later, diende hij wel een klacht in voor beledigingen. In zijn verweer wees Francis erop dat tussen pot en pint al eens harde woorden vallen die echter snel vergeten worden. Dat Callebaut naar de rechter stapte was alleen maar om hem op kosten te jagen. Had Joannes hem gevraagd of hij vasthield aan zijn woorden, dan had hij gezegd dat het proces tegen de gilde steunde op een leugen. Joannes is voor hem eenen eerlicken ende deugdsaemen persoon met goede naam en faam.

Helaas voor de officier, zijn pleidooi heeft niet geholpen.

Prosessaelen inventaris in sacke van Joannes Callebaut en Francis Van de Perre

1786. Een proces tegen De Witte Rose[84].

Volgens Joannes Callebaut was de Rhetorijcke gilde van de H. Barbara De Witte Rose hem 1 g 8 st schuldig. In 1783 had hij op 16  mei een houten engel geschilderd voor 1 g 3 st en op 8 juli van hetzelfde jaar gaf hij op vraag van de hoofdman en de kapitein van de gilde 5 boterhammen aan 5 meisjes die dansten tijdens een optreden van de gilde in Merchtem. Daarvoor rekende hij 5 st. Twee jaar later was hij nog niet betaald en daarover was hij zo ontstemd dat hij de gilde een proces aandeed. De schepenbank stelde een onderzoek in en ondervroeg twee getuigen.

Op 18 februari 1785 verklaarde Franciscus Vasseur, 31 jaar en brouwersgast in de abdij, dat hij op 17 november 1785 samen met de andere knechten in de knechtenkamer zat. Joannes Callebaut was er ook. Toen de gilde ter sprake kwam, zei hij  dat hij van de confreers van de gilde nog 28 st tegoed had en dat het eene strontcompagnie was die hem voor zijn arbeid niet wilde belonen. Twee dagen later was Josephus Drighé aan de beurt. Hij was een 37-jarige ziekenverzorger van de abdij en op vraag van Joannes De Laet en Judocus Van Kelecom, de dekens van de gilde, bevestigde hij de verklaring van Franciscus Vasseur.

Na die getuigenissen vroegen de schepenen het advies aan de Raad van Brabant. Die oordeelde op 8 juni 1786 dat Joannes Callebaut 1/3 van de proceskosten moest betalen.

R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4481.

Specificatie van verdienden aerbeijdt, leveringe van verve, olie &a mitsgaders van verschot gedaen door Joannes Callebaut ten dienste der leden van de Rethorijke Gilde van Heilige Barbara genaemt De Witte Rose geërigeert binnen de prochie van Hekelgem als volght

1789. Oncostboeck van Hekelgem[85].

Door het autoritair optreden van keizer Jozef II groeide in de Zuidelijke Nederlanden het verzet dat uiteindelijk leidde tot de Brabantse Omwenteling. De toenemende onrust had tot gevolg dat de Oostenrijkers nog meer lasten op de bevolking legden. Het ging om opeising van wagens, paarden en pioniers. Zo kreeg de gemeente op 11 september 1789 het bevel van de commandant van het regiment Van Bender om wagens bespannen met paarden en pioniers naar Brussel te sturen voor het transport van bagage. Ze moesten op 20 september om 6 u. klaar staan op de Koninklijke Plaats. Na 9 dagen keerden de pioniers en de wagens terug behalve de wagen en twee paarden van Francis Verbeken en de paarden van Gerard Plas en het paard van de weduwe Judocus Vonck. Na enige tijd werden de paarden van Gerard Plas gevonden, maar het paard van Vonck was tijdens de verplichte dienst gestorven. Op initiatief van Zacharias De Wever werd er een volksvergadering gehouden bij hem thuis in De Kaaszak op 3 maart 1790. De vergadering was bij kerkgebod aangekondigd op zondag 25 februari na de hoogmis. 37 Hekelgemnaren kwamen samen en op 1 tegenstem na beslisten ze dat de gemeente de schade die sommigen door de opeisingen hadden geleden te vergoeden en een dagloon aan de pioniers te geven. Voor haar dode paard kreeg de weduwe 60 g. De aanwezigen waren: Peeter Bosteels  Joannes De Gendt zoon van Peter, Jan Baptist De Pauw, Michiel Droeshout, Hendrick De Nil, Guilliam De Smedt, Zacharias De Wever, Geraerdt Plas, Peeter Ledegen, Joannes Boterbergh, Peeter De Mol, Peeter Verbeken, Judo Van Nieuwenhove, Ferdinand Meert, Jan Francis Verbeken, Jaspar Petrus ‘T Kint, Franciscus D’Houwe, Jan Baptist De Smedt, Guilliam Van Vaerenbergh, Hendrick Robijns, Peeter Van Nieuwenborgh, Judo Mertens, Joannes De Cort, Michiel Van De Perre, Hendrick Wambacq, Peeter Cooman, Judo Van Vaerenbergh, Pauwel Van Vaerenbergh, Franciscus Van Vaerenbergh, Louis Van Den Berge, Franciscus Verleijsen, Jan Baptist Van Nieuwenborgh, Jan Baptist De Bailliu, Jan Baptist Van Nieuwenhove, Guilliam Amelinckx, Jan De Schrijver. Jan Baptist Mattens stemde tegen.

Wat de verplichte bijdrage van Hekelgem was, vernemen we uit het oncostboeck van 1789.

– de jaarlijkse betaling van de kwartierlasten volgens een decreet van de Raad van Brabant van 20 juni 1783: 294-0-0

– het aandeel van Hekelgem in de kwartierlast, te betalen aan de hoofdmeier: 30-0-0

Het oncostboeck, goedgekeurd door de drossaard, de bedesetters en regeerders, vermeldt ook de andere betalingen:

– de heerlijksche gagie van de hoofdmeier: 94-2-0

– voor het werk van de drossaard, de griffier en de bedesetters: 90-0-0

– voor het verpachten van de boecken, setten van de beden en het contrleren van de rekeningen: 21-0-0

– voor de griffier: 1-4-0

– voor het schrijven van een kopie van de boecken: 10-0-0

– aan collecteur Armand Vertonghen: 8-0-0

Totaal van de lasten: 565-2-0

Bijkomend een belasting van 15 st per bunder op velden, weiden en bossen op 594 b verminderd met de geamortiseerde goederen en oude stokbossen, samen 50 b 58 r, die vrij van lasten zijn: 404-2-1

De 20ste penning op de windmolen: 11-5-0, op elke nering: 5-5-0, op de tienden: 56-5-0

Blasius Columban von Bender, (Gengenbach, 14 november 1713Praag, 20 september 1798) was een Oostenrijks officier en baron van Duitse afkomst. In dienst van de Habsburgse monarchie vocht hij in 29 militaire campagnes, twaalf veldslagen en zes belegeringen. Op hoge leeftijd leidde Bender het leger dat in 1790 de opstandige Belgische provincies heroverde, maar enkele jaren later moest hij het gebied prijsgeven aan de Franse revolutionairen. Ook de vesting Luxemburg, waarover hij het bevel voerde, viel in 1795 in Franse handen.

Judocus Vonck, zoon van Joannes en Elisabeth Suys, werd gedoopt op dinsdag 13 februari 1725 in Hekelgem. Hij overleed op zaterdag 10 september 1785 in Hekelgem, 60 jaar oud.

Judocus trouwde, 38 jaar oud, op dinsdag 3 mei 1763 in Hekelgem met Anna Maria Francisca Plas, 23 jaar oud. Zij is een dochter van Judocus en Catharina Verleysen. Zij is gedoopt op donderdag 15 oktober 1739 in Hekelgem. Anna overleed op zaterdag 22 januari 1803 in Hekelgem, 63 jaar oud.

Geamortiseerde goederen zijn goederen die aan de Kerk of aan een kerkelijke stichting werden overgedragen. Ook vermeld als in de dode hand brengen en daardoor niet kunnen vererven.

1793. Joannes De Cort was de tiendensteker te vlug af[86].

Op 8 augustus 1793 ging Andries Van den Bergh, de tiendensteker van de abdij, naar de Buikouter om te zien of hij de tarwetienden op het veld van Joannes De Cort kon ophalen. De schoven lagen nog op de grond en daarom keerde hij op 9 augustus terug. Onderweg kwam hij Joannes tegen die met Judocus Van Nieuwenhove een wagen volgeladen met tarweschoven wegvoerden. Op het veld aangekomen, was er geen enkele schoof meer te zien. Onmiddellijk stapte hij naar Judoocus Van Nieuwenhove die hem meedeelde dat hij de tarwe op vraag van Joannes De Cort naar de schuur van Gillis Verbeken had gevoerd. Andries wou De Cort opzoeken, maar die was volgens zijn vrouw niet thuis. Zij trakteerde hem bovendien op een reeks scheldwoorden. Dom Livinus De Wemer, de hofmeester van de abdij, verwittigde  drossaard J.D. Gheude van de diefstal en samen dienden ze een klacht in tegen Joannes De Cort. Zij eisten dubbele tienden zoals een ordonnantie van 6 juni 1564 bepaalde. De drossaard legde Joannes nog een boete op van 100 pattacons.

Livinus De Wemer uit Brussel legde de geloften af op 14 januari 1770 en ontving de priesterwijding op 23 juni 1775. Van 5 november 1779 tot 23 juni 1792 verbleef hij te Neerwaver. Op 28 mei 1793 werd hij hofmeester. In 1794 vluchtte hij voor de Fransen. Hij keerde terug en leed herhaaldelijk aan zinsverbijstering. Hij overleed in 1794 en na zijn dood bracht Beda Regaus zijn verwaarloosd beheer als hofmeester in orde.

1793. Strijd om een meers[87].

Met de verkoop van een meers aan Gillis De Vis bracht Franciscus Meert een carrousel aan de gang die jaren duurde. Gillis verkocht de meers op 10 maart 1772 aan Peter Cornelis, zijn stiefzoon. Na diens overlijden kwam de meers in het bezit van Elisabeth De Keijser, de weduwe van Peter en dan vrouw van Peter Van Mulders, die ze verkocht aan Elisabeth Plas op 11 september 1772. Dan verschijnt Jan Baptist Meert, zoon van Franciscus. Hij wil de meers terug en beroept zich op het recht van naderschap. Dat is een recht om een bezit dat is verkocht terug te kopen onder dezelfde voorwaarden. Als er geen rechtstreekse afstammeling was, konden aanverwanten het recht van naderschap uitoefenen. Elisabeth Plas weigerde en voerde aan dat het recht van naderschap was verlopen. Jan Baptist verwierp haar argument want dat recht was 30 jaar geldig. Wat Elisabeth dan weer betwistte want het edict van 12 juli 1771 had de termijn verkort tot 1 jaar als er al eens het recht op naderschap was toegepast. Op 10 september oordeelde de schepenbank dat de eis van Jan Baptist Meert niet ontvankelijk was en veroordeelde hem tot betaling van de proceskosten..

1795. De Weth van Assche[88].

In 1795 hadden de Franse Revolutionairen een nieuw bestuur geïnstalleerd. De officieren municipael hadden de plaats ingenomen van de schepenen. Franciscus De Wolf maakte zich zorgen over de documenten in verband met de voogdijschap van de kinderen van wijlen Franciscus Roseleth. Die waren in het bezit van de gewezen griffier J.D. Gheude en hij vreesde dat de voogd, Franciscus Van Nieuwenhove, als vriend van procureur Gillis de stukken kon inkijken om er zelf voordeel uit te halen. Hij vroef de officieren om de documenten aan een neutraal overheidspersoon te overhandigen.. Op 29 augustus 1795 (12 fructidor an III) antwoordde Van Itterbeke, eersten dienaer der voorschreven Weth van Assche dat het dossier werd overgemaakt aan borger Velleman, maire.

Franciscus De Wolf, zoon van Petrus en Carolina Raspoet. Hij is gedoopt omstreeks 1757 in Aalst. Franciscus is overleden op zaterdag 22 juni 1811 in Hekelgem, ongeveer 54 jaar oud.  Hij woonde met zijn vrouw Maria Elisabeth Fieremans ongeveer zes jaar in de afspanning “Het Bourgondisch Kruis”. Op 27 maart 1799 betaalde hij aan de Franse administratie de patentbelasting als herbergier. Franciscus trouwde, ongeveer 31 jaar oud, op donderdag 1 mei 1788 in Hekelgem met Maria Elisabeth Fiermans, 41 jaar oud. Maria werd geboren op zondag 27 november 1746 in Asse, dochter van Hendrik en Cornelia De Voghel. Zij  overleed op vrijdag 1 februari 1822 in Hekelgeem 75 jaar oud. Zij was weduwe van Franciscus Roseleth (1742-1786), met wie zij trouwde na 1784.

Franciscus Roseleth, zoon van Jacobus en Christina Herbosch, werd gedoopt op donderdag 19 juli 1742 in Hekelgem. Hij overleed, 43 jaar oud. Hij is begraven op donderdag 25 mei 1786 te Hekelgem. Franciscus trouwde, 27 jaar oud, op woensdag 7 februari 1770 in Hekelgem met Maria Anna Droeshout, 27 jaar oud. Zij is een dochter van Joannes en Barbara Van Vaerenbergh. Maria is gedoopt op vrijdag 21 december 1742 in Hekelgem en overleed, 42 jaar oud. Zij is begraven op de 19e van een onbekende maand in 1784 te Hekelgem

Franciscus hertrouwde, minstens 42 jaar oud, na 1784 met Maria Elisabeth Fieremans, minstens 38 jaar oud. Zij trouwde later na 1786 met FRANCISCUS DE WOLF (±1757-1811).


[1] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3683.

[2] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 5462.

[3] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3692.

[4] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3704.

[5] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr.604.

[6] De zulle of zille is een dorpel onder een deur.

[7] De Rammelaar was een abdijvijver op de hoek van de Langestraat en de Domentstraat.

[8] Met corde bedoelde men de strop van de galg.

[9] R. VERMOESEN, “No rest for the wicked” of waarom het op de Boekhoutberg spookt, in: Ons Heem,  2005, nr. 1,29

[10] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3709.

[11] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 179.

[12] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 179, 304 en toegang nr. 3876.

[13] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3446.

[14] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3754.

[15] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3756.

[16] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3783, 3776 en 3824.

[17] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3796.

[18] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr.3805.

[19] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3819.

[20] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3823, schepenbank nr. 171 en toegang 94, nr. 3876.

[21] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3838.

[22] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 179.

[23] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 179.

[24] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 304.

[25] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 779.

[26] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 179.

[27] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 179.

[28] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3895 en nr.180.

[29] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4134 en nr.179.

[30] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 179.

[31] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.180.

[32] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.180.

[33] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3900.

[34] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180.

[35] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3964.

[36] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180.

[37] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180 en toegang 94, nr. 4004, nr. 180.

[38] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180.

[39] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180.

[40] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4003.

[41] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3989.

[42] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180.

[43] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4067.

[44] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4062.

[45] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4083.

[46] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 5059.

[47] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180.

[48] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180.

[49] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 180.

[50] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 634.

[51] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 645.

[52] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4160.

[53] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 652.

[54] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4166.

[55] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 657.

[56] Judocus Godefroy, zoon van Adrianus en Petronella Pauwels. Hij was  barbier en chirurgijn te Affligem.Judocus trouwde op dinsdag 10 februari 1699 in Hekelgem met Maria Mertens, 25 jaar oud. Zij is gedoopt op woensdag 15 november 1673 in Hekelgem. Zie Jaarboek Heemkundige kring Belledaal 1998, blz. 5.

[57] Zijn overlijden werd door de pastoor van Hekelgem ingeschreven in het overlijdensregister.

[58] Franciscus Cornelis is gedoopt op maandag 22 februari 1672 in Hekelgem. Hij is overleden op vrijdag 1 april 1729 in Hekelgem, 57 jaar oud. Franciscus trouwde, 24 jaar oud, op vrijdag 7 september 1696 in Hekelgem met Anna Theresia De Merchie, 35 jaar oud. Zij is een dochter van Erasmus en Joanna Van der Elst. Zij is gedoopt op dinsdag 5 oktober 1660 in Hekelgem en overleed op dinsdag 27 mei 1732 in Hekelgem, 71 jaar oud. Zij was weduwe van Andries Seghers, overleden in 1696 met wie zij trouwde op maandag 14 september 1693 in Hekelgerm.

[59] Effigie = beeltenis. van het Latijnse woord effigies = beeltenis). Deze uitdrukking wordt enkel gebruikt in samenstellingen als: iemand in effigie ophangen of verbranden, d.i. de beeltenis van een ter dood veroordeelde de straf doen ondergaan, die over den misdadiger was uitgesproken.

Dit gebeurde in vroeger tijden alleen, als men den schuldige niet te pakken kon krijgen. Soms gebeurt’ het ook in onrustige tijden, wanneer volksmassa’s aan hun geringe sympathie voor bepaalde personen uiting geven, door hen „in effigie” te verbranden. Bron google.

[60] Joannes Henricus Roseleth, geboren op vrijdag 19 augustus 1859 in Hekelgem, was de zoon van Petrus Josephus en Amelia Schoon.Joannes overleed op woensdag 1 maart 1939 in Hekelgem, 79 jaar oud.

[61] Eigen Schoon, 1913, nr. 8, 125 – 127.

[62] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4217.

[63] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 5547.

[64] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4231.

[65] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4254.

[66] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4246.

[67] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 5551.

[68] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.180.

[69] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 5115.

[70] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4155.

[71] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 5752.

[72] Cossaert: keuterboer, met een bedrijf kleiner dan 1 ha.

[73] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4302.

[74] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4326.

[75] R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 693.

[76] In effigie: Hendrik was voortvluchtig en in zijn plaats werd een beeld, dat hem moest voorstellen, opgehangen.

[77] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr.4334.

[78] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4330.

Peter Bosteels, zoon van Martinus en Anna Verhasselt, werd gedoopt op donderdag 16 augustus 1725 in Moorsel. Peter is overleden op zondag 7 maart 1790 in Hekelgem, 64 jaar oud. Hij trouwde, 22 jaar oud, op woensdag 15 november 1747 in Hekelgem met Jacoba Ringoet, 27 jaar oud. Zij is gedoopt op woensdag 1 mei 1720 in Denderbelle. Jacoba is overleden op maandag 28 mei 1798 in Hekelgem, 78 jaar oud.

Petrus Josephus Clauwaert, zoon van Petrus en Joanna Cornelis, werd gedoopt op maandag 20 april 1693 in Hekelgem. Hij is overleden op dinsdag 12 april 1785 in Hekelgem, 91 jaar oud. Hij  trouwde, 31 jaar oud, in 1724 in HEKELGEM met Maria Cooremans, 29 jaar oud. Zij is gedoopt in 1695 in Hekelgem en is overleden op vrijdag 20 juni 1727 in Hekelgem, 32 jaar oud. Petrus hertrouwde, 34 jaar oud, op zondag 18 april 1728 in Liedekerke met Joanna Maria Bastien, 26 jaar oud. Zij is gedoopt in 1702 in Liedekerke en is overleden op zondag 2 januari 1785 in Hekelgem, 83 jaar oud.

Joannes Baptist De Witte, zoon van Jacobus en Joanna Maria Clauwaert, werd gedoopt op donderdag 11 oktober 1708 in Hekelgem. Hij overleed, 63 jaar oud. Hij is begraven op zaterdag 11 januari 1772 te Hekelgem. Joannesq trouwde, 38 jaar oud, op zaterdag 20 mei 1747 in Hekelgem met Maria Theresia Meert, 31 jaar oud. Bij het kerkelijk huwelijk waren de volgende getuigen aanwezig: Joannes Meert en Josephus Cornelis Van Lierde (1720-1785). Zij is een dochter van Jan  Meert en Catharina Seghers. Zij is gedoopt op zondag 8 september 1715 in Hekelgem en overleed, 70 jaar oud. Zij is begraven op zondag 20 november 1785 te Hekelgem.

Egidius Van Nieuwenborgh is overleden op woensdag 29 mei 1765 in Hekelgem. Hij trouwde met Catharina Van den Berghe, overleden op maandag 9 januari 1758 in Hekelgem.

Judocus Van Ransbeeck is overleden op woensdag 3 juli 1748 in Hekelgem. Hij trouwde op zondag 5 november 1713 in Hekelgem met Joanna Van Egger, 24 jaar oud. Zij is geboren op zondag 10 juli 1689 in Hekelgem en is overleden op vrijdag 6 maart 1767 in Hekelgem, 77 jaar oud.

 

[83] R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4486.

[84] R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4481.

[85] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 6980.

[86] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4541.

[87] R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4540.

[88] R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 7963.

Rechtszaken te Hekelgem in de 17de eeuw.

Rechtszaken te Hekelgem in de 17de eeuw.

Met de publicatie van de processen van Hekelgemnaren voor de schepenbank van het Land van Asse wilden we een beeld schetsen van het leven in Hekelgem in de 17de eeuw. Hoe gingen de mensen toen met elkaar om? Met welke problemen kampten ze? De processtukken vertellen ons over vechtpartijen, achterstallige huur, erfeniskwesties, het onvermogen, vooral van weduwen, om leningen terug te betalen, het verbreken van een gegeven woord enz. Het was interessant om na te gaan welke argumenten en tegenargumenten aanklager en beschuldigde aanbrachten. Bij het overlopen van de lijst van de processen valt het op dat vaak dezelfde namen voorkomen. Dat waren dan mensen die het zich konden veroorloven om een proces te voeren, want ook toen duurde een proces meestal meerdere jaren. De aandachtige lezer zal opmerken dat in de meeste gevallen er geen vonnis is. Dat is te verklaren door het ontbreken van de vonnissen bij de processtukken. Maar voor ons vormde dat geen probleem, zo wordt niemand veroordeeld of beoordeeld. We hadden enkel de bedoeling de sluier van het 17de -eeuwse Hekelgem even op te lichten.

Hekelgem in het Land van Asse

Vermits deze bundel een reeks processen uit de 17de eeuw bevat die voor de schepenbank van het Land van Asse werden gevoerd, is het voor een goed begrip nodig om de bestuurlijke situatie van Meldert uiteen te zetten zoals die was tijdens het ancien regime. Meldert behoorde tot het Land van Asse. Die entiteit omvatte het dorp Asse met de gehuchten Asbeek, Ter Heide, Krokegem, Koutertaverent en Walfergem en de buitenparochies Baardegem, Essene, Hekelgem, Mazenzele, Meldert en Mollem. Aan het hoofd stond een meier die vanaf de 17de eeuw ook overmeier of drossaard werd genoemd. Hij trad op als vertegenwoordiger van de hertog van Brabant en had uitgebreide bevoegdheden. Hij beëdigde de zeven schepenen, de vorsters en de bedesetters. De daders van zware misdrijven waarop een lichamelijke straf stond, moest hij overdragen aan de amman van Brussel. Maar het vonnis, executie door ophanging, onthoofding of levend verbranden, of verminking door radbraken of brandmerken, moest hij zelf uitvoeren. De stoffelijke resten van de veroordeelden werden als afschrikking tentoongesteld, bijvoorbeeld op de Boekthoutberg te Hekelgem. Ook de lagere justitie, waarbij goederen werden behandeld in de laatbanken, zoals de laatbank van de abdij Affligem, ontsnapten aan zijn gezag. De gedupeerden daarvan konden wel in beroep gaan bij de schepenbank van Asse die door de meier werd voorgezeten. De meier was vooral als gerechtsofficier actief. Hij behandelde met de schepenen zaken met boeten en lichtere straffen. Ze zetelden in vierschaar in een zaal van het gasthuis van Asse. Voor Meldert en de andere buitenparochies ging de helft van de boeten naar de hertog, de andere helft naar de heer tot Asse. Enkele meiers uit de 17de eeuw waren Christoffel Van Wijnantshoven, Gillis Van Langenhove, Lucas Van Langenhove en Arnold Adriani (tot 1633). Adriani was nadien griffier van 1633 tot 1656. Hij trad ook op als notaris[1].

De eerste schepenbanken zouden ontstaan zijn in de tijd van Karel de Grote. Ze waren verbonden aan het hof van de vorst en beschikten over reële macht. De schepenen stonden hoog in aanzien. Aanvankelijk bestonden ze alleen in de steden, na 1200 ook op het platteland. De taken van de schepenbank waren uitgebreider dan die van de huidige burgemeester en schepenen. Het was een college van zeven leden, aanvankelijk aangesteld door de hertog, later door de heer. Ze werden gekozen uit de notabelen en waren min of meer de notarissen van hun tijd. Ze maakten contracten op, deden openbare verkopen, hypotheekacties van goederen, beheerden de financiën van de gemeenschap, zorgden voor de bescherming van weduwen en wezen en spraken recht in burgerlijke en criminele zaken. Vanaf de 17de eeuw werd voor een verkoop meestal een beroep gedaan op een notaris. De akte moest dan wel nog naar de schepenbank voor het wettelijk passeren en het zegelen van het document. De schepenbank had immers een eigen zegel en maakte met haar zegel het document officieel. De meier werd in de schepenbank bijgestaan door een ondermeier of vorster. Die werd aangeduid voor drie jaar. Voor zijn aanstelling moest hij een borgsom betalen. Het was zijn taak te helpen bij arrestaties, veroordeelden op te sluiten en te bewaken in de vrunte en de kettingen en de boeien te bewaren. Op dorpsniveau was de meier vertegenwoordigd door een dorpsofficier en een collecteur, ook rendant genoemd, die de belastingen inde die de bedezetters over alle belastingplichtigen verdeeld hadden[2]. De officier moest de bevelen van de meier en de schepenen uitvoeren, toezicht houden op de jacht, op de bomen van de heer en op de bevolking.

Een proces voor de schepenbank

Een zaak voor de schepenbank brengen, kon men door een verzoekschrift in te dienen. De indiener of eiser werd de suppliant genoemd. Gebeurde het op een andere manier dan heette de eiser aenlegger en de verweerder gedaeghde. De beide partijen hadden het recht om een procureur aan te stellen om hun zaak voor de schepenbank te verdedigen, wat nu advocaten doen. De procureurs boden hun eisen en verweer schriftelijk aan waarna de zaak op de rolle kwam voor kennisneming door de schepenen. Op deze schrifturen volgden een replique, een duplique, persisteringhe enz. Daar kon dan weer een antwoorde met verclaeren ende conclusie volgen. Tenslotte hielden de procureurs hun pleidooien. Na veel getrek en geduw volgde het vonnis.

De griffiers werden per geschreven bladzijde betaald, wat de soms ellenlange uitweidingen en herhalingen verklaart die in veel documenten voorkomen. De drossaard of de dorpsofficier hadden ook het recht iemand rechtstreeks voor de schepenbank te dagen. Zij traden dan op als openbaar aanklager.

1582. Aandeel in de bedeboeck niet betaald.

Op 13 oktober 1582 vroeg bedesetter Rombout Van den Driessche, in naam van de inwoners Hekelgem, aan de meier en de schepenen van het Land van Asse de toelating om op te treden tegen alle personen  die hun deel in de bedebouck niet hadden betaald. Met het akkoord van de schepenen kon hij van alle gebreckelijcke persoonen beslag leggen op hun goederen tot hun schuld was vereffend en de wettelijke kosten waren betaald.

1603. Aaankoop gronden.

Gillis Vermoesen en zijn vrouw Anna Ridders kochten op 18 maart 1603 de helft van een behuisde hofstede te Hekelgem gelegen, groot 1 d en grenzend aan Hans Van den Wijngaerde, Merten Verleysen, Jan De Greve en de straat. Ook de helft van 75 r land dat paalde aan de straat, Joos Van Neerveldt, Peeter Verleysen en aan wijlen Merten Verleysen. De derde koop was een perceel van 1 d 25 r land op Het Rot gelegen tegen het Hulstbos en de Lemmekens Haag en de goederen van Henricx De Greve. De akte werd verleden door de meier Gielis Van Langenhove en door de schepenen van vrouwe Catarina van Brandenborch, achtergelaten weduwe van de heer Jans Coutereaux, de heer van Asse en de schepenen Peeter De Clerck en Henrick Van Ginderachter.

1603. Aankoop grond.

Jan de Baetselier en zijn vrouw Anna Verlenssen kochten op 27 mei 1603 van Gielis Van den Meeter, zoon van Henricx, 1 d land op de Morette, palend aan de goederen van de abdij, aan hun land en aan Jans Van den Houte. Op de zitting van de schepenbank waren Guillam Van Langenhove, vorster en stadhouder van meier Gielis Van Langenhove, Peeter De Clerck en Aert Robijns aanwezig. De twee laatsten ondertekenden de akte.

1604. Zomaar een woonhuijsken afgebroken[3].

Henrich Van den Houte had het lef om een huisje dat op de grond stond van Jan Lambrechts aan de Vierwechscheede af te breken zonder toestemming van de eigenaar en zonder enige vergoeding. Jan Lambrechts richtte zich op 6 juli 1604 tot de schepenbank met de eis dat Van den Houte het huis zou heropbouwen in alsulcke staete ende weerde als ’t selve heeft geweest.

1612. geleverde tonnen bier niet betaald[4].

De erfgenamen van wijlen Adriaen De Mesmaecker spanden op 20 maart 1612 een proces in tegen Laureijs Van Steenberghen. Adriaen was brouwer en had ook een taverne in Ham, gelegen in de meierij Merchtem. Hij had meerdere vaten bier geleverd voor 10 g aan Laureijs Van Steenberghen toen die in Wolvertem woonde. Laureijs, ondertussen verhuisd naar Hekelgem, dacht zich aan zijn schuld aan de overleden brouwer te kunnen onttrekken en betaalde niet, maar de erfgenamen van spanden bij de schepenbank van Asse een proces tegen hem in om de betaling van de 10 g te eisen.

1612. Rachen De Merchie wou teveel profiteren[5].

Bedesetter Rachen De Merchie verpachtte in 1612 de impost van de consumptie, de accijnzen op consumptiegoederen, aan zichzelf en bespaarde daarmee 50 g voor de gemeente, althans volgens zijn verklaring. Maar na de inning had hij een tekort van 14 g en om dat bedrag weg te werken verhoogde De Merchie de belasting op bier van 2 st per vat tot 10 st. Brouwer Jan Michiels weigerde te betalen, wat tot een fikse ruzie met De Merchie leidde. Die betichtte Michiels ervan dat hij klein bier verkocht als dubbel of sterk bier. Een grove belediging voor de brouwer die bovendien schadelijk was voor zijn zaak. Zelf achtte hij zich een man van eer en van goeden naem ende fame int ’t stuck van sijnen handel. Hij verweet De Merchie een dief te zijn en dat was de waarheid want iedereen, ook zijn eigen moeder, noemde De Merchie den rijken dief. Die uitspraak dreef de bedesetter ertoe om de brouwer een flinke mep te verkopen, over een bank te sleuren en zijn kraag te scheuren. Als reactie richtte Michiels zich tot de schepenbank en verzocht de schepenen De Merchie een boete op te leggen van 400 g. De helft was bestemd voor de armen en de andere helft voor hemzelf. Aan de schepenen om een rechtvaardig oordeel te vellen!

Joannes Michiels overleed op woensdag 19 juni 1613 in Hekelgem. Hij was met Maria Galiaerts getrouwd die op zaterdag 16 mei 1615 overleed in Hekelgem.

Erasmus De Merchie, zoon van Erasmus en Anna Van den Berghe, werd in Hekelgem gedoopt in 1575. Hij trouwde met Amelberga Verroten voor 1604, dochter van Jacobus.

1613. De koopsom vergeten[6].

Adriaen Verleysen verkocht 1 b beemt tegen de Weijmeersch Eussel aan Machiel Verleysen. Wat er gebeurde nadat de koop gesloten was, weten we niet. Waarschijnlijk werd er op de succesvolle verkoop eens goed gedronken, maar het feit is dat Machiel zich nadien niet meer wist hoeveel hij voor het beemt moest betalen. De schepenbank vroeg hij op 23 april 1613 om Adriaen onder eed te laten verklaren voor hoeveel hij die bunder had verkocht.

In der saecken geport voor de wethouderen der poort ende vrijheijt van Assche tusschen Adriaen Verleijsen arrestant ende aenlegger ter eenre ende Machiel Verleijsen gearresteerde ende gedaeghde ter andere zijden, versocht den voorschreven arrestant ende aenlegger dat den voorschreven gearresteerde ende gedaeghde soude vercleren onder eed den justen prijs van seker bunder bempts gelegen tot Hekelghem tegen “Den Weijmeersch Eussel” bij hem vercocht aen Machiels.

1618. Een oog uitgestoken[7].

In 1618 viel Pinksteren op 3 juni en de eerste zondag erna, op 20 juni was het Hekelgemkermis. Lieven De Nil trok die dag met enkele vrienden naar het huis van Jenneken Sridders, de weduwe van Guillam De Mesmaecker waar er enkele jonge mannen van Teralfene waren. Lieven stond bekend als een persoon van seer ongebonden roeckeloos ende quade leven. Hij had met zijn vrienden al flink wat gedronken bij Ghielmus Stoop. Aan het huis gekomen,  begonnen ze met stenen naar de vensters te gooien en met stokken op de deur te kloppen al roepend dat de mannen die bij Jenneken waren naar buiten moesten komen. De reden van hun querelle was een jonge dochter die d’een partije d’ander wilde afhandich maecken. Toen Jenneken vreesde dat ze de deur stuk zouden slaan, maakte ze die open. Meteen kreeg ze zo’n slag in haar oog dat ze er voor de rest van haar leven blind was. De overmeier van Asse, Arnoult Adriani en meier Lucas Van Langenhove daagden op 23 april 1613 Lieven De Nil voor de schepenbank en vroegen de dader een boete op te leggen van 50 g.

Guillelmus De Mesmaecker, overleden op zaterdag 10 decmeber 1616, was in Hekelgem getrouwd met Joanna Sridders op zondag 7 oktober 1607. Zij hadden 3 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1) Philippus, gedoopt op zondag 29 juni 1608, overleden te Hekelgem op dinsdag 5 juli 1667. Hij trouwde te Hekelgem met Maria Laus.

2) Petrus, gedoopt op donderdag 27 augustus 1609 en te Hekelgem getrouwd op zondag 28 september 1636 met Sdeckers, 31 jaar, gedoopt te Hekelgem op woensdag 13 juli 1605 en er overleden op zondag 19 december 1677.

3) Anna, gedoopt op zaterdag 24 november 1612.

Een van de complicen van Lieven De Nil was Adriaen De Costere. Die was bij de schepenbank al bekend voor een vechtpartij op 22 maart. Met zijn vrienden was hij toen ten huize van Peeter Van den Wijngaert te Meldert. Daar waren ook enkele mannen van Mazenzele. Toen die groep vertrok, ging Adriaen met zijn vrienden hen achterna en ze begonnen hen uit te dagen met verwijten als ghij besssemmaeckers en andere beledigingen. De Mazenzelenaars antwoordden dat ze niet wilden vechten, maar dat was voor De Costere een aansporing om te schoppen en te slaan met klippels en stukken van hopstaken die ze in het hopveld van Jan Vergillis vonden. De Mazenzelenaars werden zwaar gekwetst en er vloeide veel bloed. Een van hen verkeerde zelfs in levensgevaar. Voor Adriaen De Costere vroegen de meiers een amende van 10 ponden groten Vlaams.

Adrianus De Costere trouwde met Catharina Verbeesselt. Zij hadden 4 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1) Joannes, gedoopt op zondag 6 maart 1622 en overleden te Hekelgem in 1637, 15 jaar oud.

2) Martinus, gedoopt op dinsdag 1 april 1625 en in Hekelgem overleden in 1693, 68 jaar.

3) Christoffer, gedoopt op 10 september 1628.

4) Maria, gedoopt op zondag 21 maart 1632 en te Hekelgem overleden in 1667, 35 jaar.

R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 410.

1621. Doodslag na caféruzie[8].

Op 22 januari 1621 onderzocht overmeier Arnoult Adriani de dood van Gijsbrecht De Backere. Als eerste ondervroeg hij Michiel De Backere, de 32-jarige broer van het slachtoffer en kareelbakker. Die verklaarde dat op 10 januari Gijsbrecht, Steven en Adriaen De Hondt, Hendrick Henricx, Joos Van Ghete en Gillis Mercx in zijn huis bier hadden gedronken. Op een bepaald moment ontstond er ruzie en Adriaen De Hondt begon zelfs met een stok op Hendrick Henricx te slaan. Michiel zag het gevaar en raadde zijn broer aan om te vertrekken. Daarop zijn Gijsbrecht en Hendrick de deur uitgegaan, maar even later kwamen ze terug met Cornelis Bettens die ze onderweg hadden ontmoet. Steven en Adriaen De Hondt, Gillis mercx en Joos Van Ghete betaalden hun gelag en verlieten de herberg, kort daarna gevolgd door de anderen. Michiel wou achter hen de deur sluiten en hij hoorde Steven De Hondt roepen: Gij moordenaars van Brabant, wij zullen u nog vermoorden. Daarop gaf hij zijn broer Gijsbrecht, Hendrick en Cornelis de raad om langs de achterdeur te verdwijnen, wat ze ook deden. Maar even later ontstond er geroep en getier. Hij opende de voordeur en hoorde zijn broer zeggen: compt mij niet naerder als mijnen stock lanck en es en neven nadien: aij mij, ick hebbe genoch. Michiel rende naar buiten en zag zijn broer op de grond liggen zonder een teken van leven. Naast hem stonden Adriaen met een mes in zijn hand, Steven De Hondt, Joos Van Ghete en Gillis Mercx. Michiel zette de achtervolging in op Adriaen De Hondt en aan de Kluiskouter dwong hij hem met zijn stok op de knieën. Adriaen smeekte om sijns lijfs genaede en Michiel keerde terug naar de plaats waar zijn broer lag. Die werd met de hulp van buren en van De Kegel naar zijn huis gedragen en toen ze zagen hoe zwaar Gijsbrecht was verwond, brachten ze hem naar het huis van chirurgijn Merten Breems. Daar overleed hij op 12 januari. Hij had drie steekwonden, twee in zijn schouder en een in zijn dij. Van de aanwezigen bij het gevecht vernam Michiel dat Adriaen de messteken had toegediend.

De tweede ondervraagde was Cornelis Bettens, de bospreter van Immerzeel, 35 jaar. Hij was op 10 januari aan Het Steenken Gijsbrecht en Hendrick tegengekomen en zij nodigden hem uit om bij Michiel een pint te drinken. In het café zaten Steven en Adriaen De Hondt, Gillis Mercx en Joos Van Ghete die kort daarna vertrokken. Als zij ook naar buiten gingen, hoorde hij Adriaen roepen: Ghij sacramentele Brabanders, wat wilt gijlieden seggen?. Hij zag ook dat Steven een mes in zijn handen had. Hij kon nog net antwoorden dat hij Steven niets wilde misdoen toen hij een steek in de duim van zijn rechterhand voelde en tegelijk zag hij dat Adriaen op de rug van Gijsbrecht zat, hem tweemaal stak en dan wegliep. Met de hulp van buren hebben ze Gijsbrecht naar het huis van Michiel gedragen, hebben hem ontkleed en zagen twee dodelijke wonden in zijn rug. Ze besloten Gijsbrecht naar meester chirurgijn Merten Breems te dragen. Twee dagen later is hij daar gestorven.

Meester Merten Breems, 26 jaar,  en inwoner van Hekelgem, beschreef de wonden. De eerste messteek was in het midden van de rug, de tweede in de nier. Beide waren dodelijk. Er was nog een derde messteek op het schouderblad. Gijsbrecht overleed twee dagen later in zijn huis.

1624. Een brouwketel tweemaal verkocht[9].

Op 18 maart 1624 verkocht Steven Verpaelt een brouwketel van zijn brouwerij Lijsens Stede, gelegen aan de straat van de abdij naar de kerk van Hekelgem, aan Thielman Jacops. In de verkoop waren ook begrepen een ton, twee halve tonnen, een vierdeelvat, twee stortvaten en de steen waarop de brouwketel stond. Steven Verpaelt mocht de ketel nog tot eind februari 1625 gebruiken. Getuigen van de verkoop waren Merten Van den Houte, Lieven Derijcke en Gielis De Coster. In afwachting van de levering liet Thielman door Merten Combien een lokaal bouwen voor zijn nieuwe brouwerij. Maar Verpaelt verkocht ondertussen het brouwalaam aan een ander. In zijn klacht bij de schepenbank eiste Thielman een schadevergoeding van 32 g 3 st, te weten 23 g voor het bouwen van een brouwerij, de 5 g loon voor de metselaar en 3 g 10 st voor verloren consumpties.

Thielman Jacops was gehuwd met Anna De Bruyn. Ze hadden 8 kinderen.

1627. Joos Van den Abbeele betaalde de pacht niet[10].

Na de dood van Adriaen Van den Guchte werd zijn huis met bijhorend land, palend aan ’t Klein Fosselbos van Geert De Corte, het Guchtveld en aan de straat, verhuurd aan Joos Van den Abbeele voor 27 g. In 1627 was Joos al twee achter met zijn pacht. Een tussenkomst van Carel De Greve, de voogd van de kinderen van Adriaen, leverde geen resultaat op en hij wendde zich tenslotte tot de schepenbank om de betaling te bekomen.

1637. Een schenking aan de pastorie[11].

Op 9 februari 1637 schonken Erasmus De Merchie en zijn vrouw Amelberghe Verooten een onbehuisde hofstede, groot 2 d 26 r aan pastoor Jan Bernaerts van Hekelgem. Het goed lag aan de Kerkweg, aan de eigendommen van Jan Van Beringhen en aan het kerkgoed. De akte werd verleden door Charles de la Mars, meier van de abdij en was mee ondertekend door de schepenen Joos Van Neerveldt, Joos Van Langenhove, Merten Robijns, Melchior Van den Driessche, Gillis Van Ginderachter en Adriaan Van Vaerenberge.

1637. Zelfmoord het het Asserenbos[12].

In het Asserenbos werd het lijk gevonden van een onbekende man. Hij had zich met een touw opgehangen aan een berkenboom. De officier van de meier van het Land van Asse stelde een onderzoek in en kwam te weten dat de onbekende man in de herberg Den Hulstbosch op 25 april een pot bier had gedronken. Niemand van de aanwezigen had aan hem iets ongewoons gezien. Hij was niet dronken of krankzinnig. Gillis Van Langenhove, stadhouder van Asse, en Carel Van Enichoven, de vorster van Asse, besloten het lijk op een slede naar de Boekhoutberg te voeren en het daar op te hangen aan een vorcke oft micke ter exempel.

Verboden te werken tijdens de vespers[13]!

Jan De Smet, bijgenaamd Soetenpas, bestond het om op zondag tijdens de vespers met een kar volgeladen met graan tot bij Jan Heyvaert te rijden om daar het graan te lossen. Daar het verboden was om tijdens den goddelijcken dienst eenige graenen te vervoeren legde Guillaum Jacops, de dorpsofficier, hem een boete op van 60 realen en het verbod om het Land van Asse te verlaten. Toch vertrok Jan De Smet naar zijn woning in Aalst. Charles Van der Slachmolen liet hem daarop voor de schepenbank dagen. Of De Smet inging op de dagvaarding weten we niet.

1652. Molenaar Lieven Eloot betaalde de pacht niet[14].

Lieven Eloijt (Eloot) pachtte van Jan Zayman een molen te Hekelgem, maar verzuimde al twee jaar om zijn pacht te betalen en stond voor 32 g in het rood. Ja Zayman vond dat hij al te lang geduld had geoefend  en richtte zich tot de schepenbank  om de betaling van de 32 g te eisen.

Lieven Eloot was getrouwd met Petronella Broecquaert en had een dochter, Joanna, gedoopt op dinsdag 25 maart 1653 in Hekelgem.

1635. Onbetaalde landpacht[15].

Jan De Brauwe huurde land van de H. Geest, maar van 1651 tot 1654 betaalde hij zijn pacht niet. Adriaen Van Nuffel, rentmeester van de Kerk en van de H. Geest, eiste voor de schepenbank op 28 september 1655 van Jan De Brauwe de betaling van 16 g.

1657. Rente niet betaald[16].

Steven De Smedt en zijn vrouw Margriete Pauwels bezaten een hofstede met huis, groot 27 r, gelegen op het dorp en palend aan Barbara De Raedt, de weduwe van Machiel Crick, aan de erfgenamen van Anthoon Maes den Ouden en aan de straat. Deze hoeve was eerst in het bezit van Joos De Roock en Cathelijne Van der Meren en was belast met een rente van 25 g. In 1650, op 21 februari, verschenen Steven De Smedt en zijn vrouw voor de schepenbank van de abdij en gaven als pand voor de aankoop van die hofstede een andere met huis, groot 28 r en grenzend aan de eerste hofstede. In 1655 bleek dat het echtpaar De Smedt-Pauwels van 1648 tot 1655 die rente niet had betaald, wat hen met een schuld opzadelde van 120 g. Voor Gillis De Raedt uit Brussel een voldoende reden om naar het gerecht te stappen. Steven ontving een dagvaarding op 2 februari 1657 van de schepenbank en schreef prompt een brief naar de schepenen waarin hij verklaarde dat zijn vrouw ziek was en hij niet op de dagvaarding kon ingaan. Hij vroeg een uitstel van 10 dagen. Hij kreeg 5 dagen respijt.

Stephanus De Smedt touwde op dinsdag 4 september 1635 te Hekelgem met Margreta Pauwels, 25 jaar. Zij was op woensdag 12 mei 1610 in Hekelgem geboren.

Aen mijn heeren die schepenen des Lants van Assche.

Verthoont met reverentie Steven De Smeth als dat hij alhier voor U. E. moet sustineren proces tegen Gillis De Raedt daerinne soo verre is geprocedeerd dat hem suppliant staet te presteren sekeren eed die oock mede moet gepresteerd worden bij sijne huijsvrouwe van alsoo de selve sijne huijsvrouwe is sieckelijck, soo is haer onmogelijck geweest alhier te compareren midts welcken sij dat ……….. geen recht en geeft, soo bid die suppliant van eene prolongé van thien dagen pro anni termine, dwelck doende ettha.

1657. Zich borg stellen houdt risico’s in[17].

Andries Seminck uit Erembodegem kocht schaarhout in het Hertegembos te Sint-Katharina-Lombeek. Met Adriaen Van Rampelberch, brouwer op Boekhout, had hij afgesproken dat die zich als borgsteller zou opgeven op conditie dat Andries hem daarvan kosteloos en schadeloos zou ontheffen. Die trok zich van het akkoord niets aan en, wat voor de brouwer erger was, hij betaalde de koopsom niet. Het gevolg was dat de verkopers, het wachten beu, Adriaen Rampelberch herinnerden aan zijn borgstelling en van hem de koopsom eisten. Adriaen zag zich genoodzaakt dorpsofficier Guillam Jacops aan te spreken om Andries te dwingen  zijn belofte na te komen. Die toonde zich inschikkelijk en beloofde binnen de 8 dagen een schriftelijke verklaring die Adriaen onthief als borgsteller te ondertekenen. Maar een week later, op 13 maart, was die verklaring er nog niet en Adriaen stapte naar de schepenbank met de eis dat Andries zijn belofte zou nakomen.

Adrianus Van Rampelberch trouwde op dinsdag 8 januari 1647 te Hekelgem met Maria Verhoeven. Zij overleed te Hekelgem op dinsdag 8 november 1667. Hij hertrouwde op woensdag 15 augustus 1668 te Hekelgem met Joanna Sonck.

1657. Jongen verdronken in de abdijvijver[18].

Op 23 juni 1657 gingen Adriaen De Vadt, 12 jaar, en zijn broer Peter, 10 jaar, met hun vriend Guillam De Jaeger, 12 jaar, zwemmen in de abdijvijver gelegen tegen het Roeiveld. Op een bepaald moment kwam Adriaen in een diepte terecht. Hij voelde geen grond meer onder zijn voeten en verdronk. Peter en Guillam zagen van op de kant dat Adriaen dreigde onder te gaan en om hulp riep en uiteindelijk niet meer boven kwam. Guillam verwittigde de vader van Adriaen en Peter die onmiddellijk in het water sprong en het dode lichaam naar de oever bracht. Hij liep dan naar de dorpsofficier Guillam Jacops die op zijn beurt de schepenen van Asse op de hoogte bracht van het dramatisch gebeuren. Jan Buggenhout, Lauwereijs De grove, Guillam Jacops en Jan De Coster ondertekenden de overlijdensakte.

Op heden desen 23ste junius 1657, soo heeft den sone van Lucas De Vadt genoempt Adriaen De Vadt oudt sijnde twelf jaeren is gaen leeren swemmen met sijnen broeder Peeter De Vadt oudt sijnde tien jaren met noch den sone van Lieven De Jaeger bij naeme Gilliam De Jaeger oudt sijnde twelf jaren in den vijver toebehoiren het Godtshuijs van Afflighem gelegen tegen het ’t Roeijvelt in de prochie van Hekelghem ende heeft hem aldaer omcleet ende is alsoo in het waeter gegaen ende is geraect in een diepe ?? daer hij geenen grondt gevonden en heeft ende is alsoo verdroncken ende de voorschreven jongens sijnde op den kandt van den vijver siddende, siende dat den voorschreven Adriaen De Vadt ten gronde gesonken is ende heeft geroepen om helpe dwelc sij niet doen en consten, den sone van Lieven De Jaeger is gecomen om adverteren als den vader van overleden ende is derrewaerts haestelijck gaen loopen in den vijver hem soekende ende heeft den selven gevonden doot onder het waeter ende heeft den overleden gebrocht aen den kandt van den vijver ende heeft d’advertenssie gedaen aen den officier Gillam Jacobs ende heeft gesonden om twee schepenen van Assche ende is alsoo behoirlijc geviseteert present Jan Bugenhout ende Lauwereijs De Greve, Gillam Jacobs ende Jan De Coster officieren, datum als boven.

1658. Verplichte patrouilles[19].

Omdat er dagelijks moeilijkheden waren met vagebonden en rondtrekkende militairen werd er in de parochies van het Land van Asse gepatrouilleerd. Een noodzakelijk kwaad waarmee niet iedereen was opgezet. Sommigen weigerden hun beurt te doen. De overmeier en de schepenen besloten dan om in elke parochie een sergeant aan te stellen die de wacht- en patrouillediensten moest organiseren en er toezicht op houden. Weigeraars kon hij verplichten hun taak uit te voeren. Voor elke wacht- en patrouillebeurt ontving hij 3 g, de helft was voor hem en de andere helft voor de korporaal en zijn mannen. In Hekelgem werd Philips Jacops de sergeant.

1659. De bedesetters van Essene boos op Hekelgem[20].

Bij de verdeling van de generale repartitie van de onkostboec van het Land van Asse gehouden op 8 en 9 januari en 4 april 1659 zou Hekelgem 349 g 13 st 1 bl ontvangen. Mollem moest daarvan 304 g 9 ½ st bijdragen en Essene 45 g 10 st. Maar de bedesetters van Essene vroegen een korting van 50 g omdat zij een huurling ten laste hadden. De bedesetters van Hekelgem gingen daar niet mee akkoord zolang Essene daarvan geen behoorlijk bewijs kon voorleggen.

R.A. Leuven, toegang 94, nr. 2255.

1664. Lorrewagen met bier gestolen.

Guilliam Camu zal nog lang gedacht hebben aan de dag van 15 maart 1664. Die dag was hij met zijn zoon Michiel met een lorrewagen bij brouwer Franchois Vermoesen klein bier gaan halen. Zij lieten de volgeladen wagen op de steenweg staan en gingen bij Franchois vier of vijf potten bier drinken. Ondertussen hadden enkele mannen van Aalst de wagen opgemerkt en gingen ermee vandoor. Raphael Dedemaecker, een jonge kerel, had de diefstal gezien en hij verwittigde Guillam en Michiel. Die zetten onmiddellijk de achtervolging in samen met Gilleken de slager. Op de Boekhoutberg hoorden ze van mannen uit Essene dat er bij de dieven een Jan De Witte was, een Camermans en een De Jonghe. Toen de dieven hen opmerkten, stormden ze op hen af en onze gedupeerden vluchtten weg en konden ontkomen, behalve Guillam die gevallen was. Met hun stokken sloegen de dieven op hem los. Op zijn vraag waarom ze hem sloegen, antwoordden ze dat hij hen voor dieven had uitgemaakt. Uiteindelijk kon hij ontsnappen voor een van hen met zijn mes wou steken.

1665. Een gestolen vet rund[21].

Op 1 september 1664 om 14 u. braken Dierick Baris en Jan De Donder de stal open van Joanna de Herville, weduwe van jonkheer Cupis de Camar, en gingen aan de haal met een vet rund van ruim twee jaar. Zij verkochten het aan  Peeter vonck voor 15 g 10 st. De bestolen weduwe vroeg aan Aert De Pauw en anderen om het rund op te sporen. Zij vonden het bij Peeter Vonck die het onder een afdak had verscholen. Na aandringen van De Pauw gaf Vonck toe dat hij het rund had gekocht en dat hij dus niet verplicht was het terug te geven. De Pauw argumenteerde dat het rund wel 36 g waard was en dat hij kon veronderstellen dat het een gestolen dier was. Volgens de wet was de koper van gestolen goed even schuldig als de dief en daarom trachtte Joanna de Herville Peeter Vonck ervan te overtuigen om het dier terug te geven of haar 36 g te betalen. Peeter Vonck ging niet op haar voorstel in en er bleef voor de weduwe niets anders over dat tegen Peeter een klacht in te dienen bij de schepenbank. Op 11 september 1668 kwamen de schepenen Slachmolen, Moortgat en Meert tot het besluit dat het recht van antwoord op de beschuldiging in het dossier ontbrak en dat ze bijgevolg nog geen vonnis konden vellen.

1668. Inventaris ten sterfhuize van pastoor Joannes Baptista Bernaerts te Hekelgem, 1628 – 1666.

https://www.belledaal.be/inventaris-ten-sterfhuize-van-pastoor-joannes-baptista-bernaerts-te-hekelgem.html

1670. Geen vergoeding voor oorlogsschade.

Op 13 en 14 augustus 1667 logeerden 30 regimenten ruiters onder het bevel van de graaf van Marche en de prins de Ligne te Hekelgem. Dat kostte de parochie naar eigen zeggen vele duizenden en de bedesetters deden dan ook een beroep op de andere parochies van het Land van Asse opdat elk zijn deel van de kosten zou dragen. Dat vroegen ze ook voor de zes meegenomen paarden in 1668 door het Franse leger. De bedesetters steunden zich voor hun aanvraag op een resolutie die bepaalde dat alle persoonlijke lasten door logementen van soldaten, rantsoenen, transporten met wagens, leveringen van pioniers en dergelijke die binnen het Land van Asse een of meerdere parochies ten laste vielen, door alle inwoners moesten worden gedragen. De zes andere parochies, Asse, Baardegem, Essene, Mazenzele, Meldert en Mollem, waren echter niet bereid hun deel van de kosten te dragen. Zij beriepen zich op de resolutie van 1654 die inhield dat de solidariteit alleen speelde na een order van de koning, d.w.z. een door de hertog of de gouverneur ondertekend order, en niet op bevel van een generaal of kolonel. Bovendien moest de aanvraag tot smaldeelinghe het juiste aantal officieren en soldaten vermelden, samen met de kosten zodat de andere parochies die gegevens konden verifiëren. De bedesetters van Hekelgem hadden zo’n lijst niet voorgelegd want de Hekelgemnaren waren tijdens de bezetting van de ruiters massaal met hun meubels en dieren naar de abdij of naar de omliggende gemeenten gevlucht. Daardoor gingen de ruiters in Asse, Essene, Teralfene, Erembodegem, Moorsel en Meldert fourageren. Met andere woorden de bedesetters vroegen de andere parochies te betalen voor kosten die ze zelf niet hadden gemaakt. Dat vonden die eenen seer ongoddelijcken wech ook omdat de boeren voor de schade aan hun vruchten  al vermindering van pacht zouden krijgen.

1671. Had Peter Van den Wijngaert met een concubine?[22]

In 1671 stelde drossaard Crabeels een onderzoek in naar Peter Van de Wijngaert en zijn derde vrouw Marie De Kempenere. Allerlei geruchten deden de ronde over het plotse overlijden van Peters tweede vrouw Cathelijne De Buver en de voortijdige geboorte van het kind van zijn meid Marie. Wat was er gebeurd?

De drie huwelijken van Peter.

Peter Van den Wijngaert overleed te Hekelgem op dinsdag 3 augustus 1677. Hij was voor 1667 te Hekelgem getrouwd met Catharina Bonamis. Zij overleed op woensdag 30 november 1667. Zij hadden samen drie kinderen. Van Antoon kennen we de datum van zijn doopsel: zaterdag 1 februari 1659 in Hekelgem. Na de dood van Catharina leefde Peter seer familierlijck gelijck man en vrouw van den huijse met zijn meid Marie De Kempenere tot 11 februari 1670, de dag waarop Peter hertrouwde met Cathelijne (ook Catharina genoemd) De Buver te Ternat. Zij was gedoopt op zaterdag 2 maart 1630 te Sint-Katharina-Lombeek. Marie bleef als huishoudster bij Peter wonen. Kort na haar trouw klaagde Cathelijne bij haar broers dat Peter haar onder druk zette om al haar goederen aan hem over te maken. Cathelijne was een weduwe en had zowel van haar eerste man als van haar moeder geërfd. Ze overleed al na drie maanden huwelijk in de nacht van 27 op 28 mei. De plotse dood wekte achterdocht en de mensen herinnerden zich dat Cathelijne meermaals geklaagd had over Peter. Hij zag zijn meid liever dan haar. Voor Marie sneed hij tijdens het eten kaas af, maar niet voor haar. Als zij ging slapen bleef hij tot 12 of 1 u. nog met Marie op en dat was niet, zo had Cathelijne verteld, om een paternoster te lezen. Als ze eens vriendelijk met haar man sprak dan reageerde Marie jaloers. Maar ook Peter was jaloers. Eens toen de kleermaker van de abdij haar opzocht, bleef hij de hele avond bij hen zitten. Op een dag ontaardde die gespannen toestand in een gevecht. Peter en zijn zoon Antoon waren naar Meldert gegaan om er te werken. Het kwam tot een gevecht tussen Cathelijne en Marie. Die sloeg met een bierpot zo hard op het hoofd van Cathelijne dat de pot in stukken vloog. Wanneer Peter thuis kwam, vond hij zijn vrouw in bed. Op zijn vraag wat haar scheelde, antwoordde ze dat het een wonder was dat ze nog leefde na die slag op haar hoofd. Enkele dagen later was Cathelijne dood, naar alle apparentie als gevolg van de slag op haar hoofd. Peter zelf vertelde dat aan anderen en hij toonde zelfs een pot gelijk aan die waarmee Marie geslagen had. Op 19 oktober trouwde Peter met Marie die in verwachting was en op 18 december 1670 werd haar zoon Adriaen geboren. Het was volgens de vroedvrouw een kloek, fris en voldragen kind. De volgende dag werd Adriaen te Hekelgem gedoopt als zoon van Peter en Marie, maar twee dagen later was het kind dood.

De mensen uit de buurt hadden al snel door dat er tussen het huwelijk en de geboorte maar zes maanden waren en bijgevolg had de conceptie plaats nog tijdens het huwelijk van Peter met Cathelijne. Er was dus sprake van overspel en had het schielijk overlijden van Cathelijne te maken met het feit dat Marie in verwachting was? Hadden Peter en Marie Cathelijne van kant gemaakt om zo hunne boosheijt ende vuijlicheijt te bedecken? Wie drossaard Crabeels van de feiten op de hoogte bracht, weten we niet. Die liet Peter en Marie dagvaarden om het te straffen conform de plakkaten van Zijn Majesteit.

Het antwoord van Peter en Marie.

Peter ontkende dat hij met Marie naar bed was geweest en als men uit het feit dat een meid inwoont bij een weduwnaar besluit dat er criminele feiten worden gepleegd, dan kan een weduwnaar nooit een meid hebben of een weduwe een knecht. Hij geeft wel toe dat Cathelijne jaloers was omdat Marie al voor hun huwelijk bij hem inwoonde. Maar hij had een goed huwelijk, want uit pure liefde maakte Cathelijne al haar goederen aan hem over, met uitsluiting van haar broers. Die hebben tevergeefs nog getracht die erfenis aan te vechten.

Jaarlijks zijn er mannen of vrouwen die kort na hun huwelijk sterven zonder dat er een crimineel feit mee gemoeid is of enige verdenking rust op de weduwnaar en de meid of de weduwe en de knecht. Zijn vrouw Cathelijne stierf nadat ze zeven dagen ziek te bed had gelegen als gevolg van een accident aan haar rechterarm. De pastoor[23] heeft dat ook vastgesteld en hij was van oordeel dat het om de contagieuse sieckte (de pest) ging. Dat was ook de mening van chirurgijn meester Philips Van Ghete. Die bezocht Cathelijne acht dagen voor haar dood in het gezelschap van officier Gillis Wijnant en de schepenen Gillis Breem en Merten Robijns. Andere verwondingen hebben ze niet vastgesteld.

Peter vroeg zich in zijn antwoord ook af waarom de drossaard maanden wachtte om tegen hem een proces in te spannen als hij Peter ervan verdacht zijn vrouw te hebben omgebracht. Hij weerlegt dan een aantal aantijgingen:

– Wat haar broers beweren, namelijk dat hij zijn meid liever zag dan zijn vrouw, is onjuist.

– Hij was niet zo welstellend dat hij zijn meid koffie kon geven.

– Het is best mogelijk dat hij nog op bleef als Cathelijne ging slapen. Het is immers niet raadzaam dat de meester nog op blijft als de dienstboden blijven zitten. Al was het maar om de kelder te bewaken.

– De pastoor en de chirurgijn hebben aangetoond dat zijn vrouw niet gestorven is door een slag op haar hoofd.

– Het is waar dat hij vrijers van Marie wegzond omdat het tijd was om te slapen.

– Hij is bereid onder eed te verklaren dat hij met Marie niet heeft geslapen zolang Cathelijne leefde. Dat is wel gebeurd na haar dood en dat was dan ook waarom hij met haar is getrouwd op 9 oktober.

– Marie is op 18 december bevallen van een onvoldragen zoon van zes maanden oud. Het was een miskraam als gevolg van een stamp in haar buik van een rund.

– De aanklagers kunnen niet besluiten dat hij de vader was. In de schole der medicijnen leert men dat een kind van zes en een halve maand levensvatbaar is en nog enkele dagen kan leven.

– Als hij met Marie een verhouding had,  dan was er zeker vroeger al een kind geweest.

– Als men niet kan zeggen wanneer de conceptie plaats had, kan er ook geen sprake zijn van overspel.

– Als het kind niet van hem was, dan zou hij zeker niet met Marie zijn getrouwd.

Getuigen aan het woord.

Gillis De Buver, 49 jaar en zijn broer Jacques, 46 jaar, legden op 2 januari 1671 bij de drossaard een verklaring af. Peter was een weduwnaar met drie kinderen toen hij met Cathelijne trouwde. Zij was bemiddeld door de erfenis van haar eerste man en die van haar moeder. Toen Peter meubels van Cathelijne kwam halen, vertelde hun zus dat Peter haar onder druk zette om al haar goederen aan hem af te staan. Tijdens de begrafenis vertrouwde een vrouw hen het voorval met de bierpot toe. Toen ze Peter daarover aanspraken,toonde hij hen een gelijkaardige pot. Het was een stenen bierpot met een tinnen band. Op de vraag waarom Peter hen niet had verwittigd dat Cathelijne ziek was, antwoordde hij dat ze dat niet wou.

Op 22 april 1671 ondervroeg de drossaard in het huis van Peter Cornelis met Van Mulders als griffier enkele getuigen.

Anna Van den Houte, een 44-jarige vroedvrouw had Marie geholpen bij de geboorte. Voor haar was het kind een jongen cloecke sone. Zij zag bij Marie geen wonde of letsel, wel vertelde ze dat haeren metten haar gestoten had.

Martinus Van den Nest, de pastoor van Hekelgem, had Cathelijne voor haar dood nog gezien. Zij klaagde toen over keelpijn en was van oordeel dat het om de contagieuse sieckte ging. Chirurgijn Van Ghete zocht hem na het overlijden op en bevestigde dat Cathelijne aan de pest was bezweken.

Philips Van Ghete, 42 jaar, bezocht Cathelijne zes of zeven dagen voor haar dood en zag toen een teecken van de contagieuse sieckte onder haar rechterarm. Na haar dood onderzocht hij het lijk in aanwezigheid van Gillis Wijnants, Gillis Breems en Merten Robijns. Hij vond geen nadere kwetsuren dan het accident onder haar rechterarm.

Gillijne De Kempenere, 26 jaar, vrouw van Laureijs Van Gijseghem en zus van Marie, had van anderen vernomen dat Marie was bevallen in de nacht van donderdag op vrijdag en dat het kindje op zondag was begraven.

Cathelijne Van Neerveldt, dochter van Gillis Van Neerveldt, 18 jaar,  was in de stal koeien aan het melken toen Marie in de stal kwam. Plotseling hoorde ze haar luid roepen dat ze van een rund een stamp in haar buik had gekregen. Dat gebeurde een paar dagen voor haar bevalling.

Deductie van de drossaard.

Na de ondervragingen stelde drossaard Crabeels zijn bevindingen op ten behoeve van de schepenen:

– Nog voor zijn huwelijk leefden Peter en Marie samen als man en vrouw. Wie het huis van Peter bezocht stelde dat vast. Het gaf een groot schandaal, zeker als na het huwelijk met Cathelijne De Buver Marie bij Peter bleef wonen.

– Marie haatte Cathelijne zodanig dat ze haar meermaals deed krijten ende kermen.

Voor haar dood werd Cathelijne op haar hoofd geslagen met een bierpot. Peter koos in die ruzie de kant van Marie.

– Hij bleef ’s avonds met haar laat op.

– Als hij met wagen en paarden naar Aalst reed, vergezelde Marie hem als was ze zijn vrouw. Cathelijne moest thuis blijven.

– Getuigen zagen ook dat Marie bij hem achter op het paard zat en Cathelijne moest te voet gaan.

– Tijdens het eten gaf hij kaas aan Marie, niet aan zijn vrouw.

– Peter was jaloers als jonge mannen als mogelijke vrijers voor Marie kwamen.

– Cathelijne herhaalde vaak dat Peter Marie liever zag dan haar en dat hij wou dat ze haar meubels aan hem overmaakte.

– Het is bijzonder verdacht dat Marie haar testament op 27 mei ondertekende terwijl ze die nacht al was overleden.

– Ze had toen een blauwe vlek op haar rechterarm waarvan chirurgijn Van Ghete beweerde dat het een pestvlek was. Ook pastoor Van den Nest verklaarde dat ze pest had, maar hij zei dat ze een vlek onder haar keel had. Die tegenspraak was voor de drossaard het bewijs dat beide getuigen ten voordele van Peter spraken.

– Merten Robijns, die de chirurg vergezelde, was ervan overtuigd dat de blauwe vlek op haar rechterarm het gevolg was van een slag. De chirurgijn had er al een pleisters opgelegd.

– Wat voor de drossaard de verklaringen over de pest ongeloofwaardig maakten, was dat er geen andere besmettingen waren. Ook niet bij degenen die bij het lijk waren geweest.

– Als het toch pest was, dan mocht de pastoor haar niet hebben begraven in aanwezigheid van publiek.

– Nog een ongeloofwaardige verklaring van Peter was dat Cathelijne haar testament had gedicteerd aan een vreemde notaris en twee onbekende getuigen. Als het testament toch te voorschijn kwam, bleek dat het was verleden door notaris Martinus Wambacq met 27 mei als datum. Nicoaes Vranckx en François De Pelsmaecker waren de getuigen.

Ten slotte was er de kwestie van de boreling, een voldragen kind volgens de vroedvrouw. Peter ontkende eerst dat het zijn kind was, maar bij het doopsel zei hij dat hij de vader was.

De drossaard besloot dat door het concubinaat tijdens Peters tweede huwelijk, de nulliteijt van zijn derde huwelijk volgde.

Besluit.

Daar het vonnis ontbreekt, weten we niet of er een veroordeling volgde. Als er een straf volgde, kan het geen zware veroordeling zijn geweest daar Peter en Marie  in 1672 een dochter kregen en nadien volgden nog vier kinderen.

Kinderen van Petrus en Maria:

1- Adrianus,gedoopt op vrijdag 19 december 1670 in Hekelgem.  Adrianus is overleden op zondag 21 december 1670 in Hekelgem, 2 dagen oud.

2- Catharina, gedoopt op vrijdag 22 april 1672 in Hekelgem.

3- Jacobus, gedoopt op woensdag 18 oktober 1673 in Hekelgem. Jacobus is overleden in 1724 in Hekelgem, 51 jaar oud.

4- Jan Baptist, gedoopt op vrijdag 19 april 1675 in Hekelgem.

5- Franciscus, gedoopt op donderdag 16 juli 1676 in Hekelgem.

6- Jan Baptist, gedoopt op donderdag 1 juli 1677 in Hekelgem.

1671. De kinderen Eeckhout in de clich met hun stiefmoeder[24].

Gerard Eeckhout, zoon van Gerard en Anna Engels, werd op zondag 20 mei 1601 te Teralfene gedoopt. Hij trouwde op zondag 4 juni 1623 te Teralfene met Anna Cortvrint en  overleed op maandag 27 januari 1670 in Teralfene. Zij hadden 10 kinderen:

1 Egidius, gedoopt te Teralfene op maandag 17 juni 1624, overleden in 1648 in Teralfene, 24 jaar oud.

2 Anna, gedoopt te Teralfene op woensdag 14 oktober 1626

3 Maria, gedoopt op zondag 24 september 1628 in Hekelgem. Maria is overleden op dinsdag 13 januari 1688 in Hekelgem, 59 jaar oud. Zij trouwde, 23 jaar oud, op zaterdag 21 oktober 1651 in Hekelgem met Merten Robijns, 25 jaar oud. Hij is een zoon van Martinus (Merten) Robijns en Elisabeth Wauters. Hij is gedoopt op maandag 2 maart 1626 in Hekelgem en overleed op zondag 31 december 1679 in Hekelgem, 53 jaar oud. Hij was pachter op het Sint-Huibrechthof te Hekelgem.

4 Anna, gedoopt op zondag 26 januari 1631 in Hekelgem.

5 Arnold, gedoopt op donderdag 31 maart 1633 in Hekelgem. Arnold is overleden in 1667 in Hekelgem, 34 jaar oud.

6 Catharina, gedoopt op zondag 6 januari 1636 in Hekelgem.

7 Carolus, gedoopt op zondag 17 januari 1638 in Teralfene.

8 Maria Magdalena, gedoopt op donderdag 4 oktober 1640 in Hekelgem.

9 Margareta, gedoopt op donderdag 9 juli 1643 in Hekelgem.

10 Joannes, gedoopt op dinsdag 5 september 1645 in Hekelgem.

Gerard hertrouwde, 65 jaar oud, op donderdag 26 augustus 1666 in Teralfene met Judoca Coolens.

Kinderen van Gerard en Anna:

1 Andreas, gedoopt op donderdag 13 mei 1666 in Hekelgem.

2 Gerard, gedoopt op woensdag 7 maart 1668 in Teralfene.

3 Joanna, gedoopt op woensdag 4 juni 1670 in Teralfene en overleden in 1677 in Teralfene, 7 jaar oud.

Na de dood van Gerard regelden de schepenen van Affligem de erfenis van zijn kinderen met Anna Cortvrint. De akte werd ondertekend door Martinus Wambacq, de rentmeester van de abdij. Maar Judoca weigerde de meubels en onroerende goederen af te staan. Zij betwistte de bevoegdheid van de Affligemse schepenbank omdat die de stukken niet had overgemaakt aan de schepenbank van Asse. Alleen die velden waarop de abdij cijnsrecht had wou ze aan de stiefkinderen afstaan. Het ging om 0,5 bunder land op de Buikouter en 1 d 18 r land op het Fosselveldeken. Gerard bezat nog 5 d 23 r op het Pesterveld die hij in 1650 van de abdij had gekocht.

Na een klacht van de kinderen bij de schepenbank raadpleegden Jan Van der Slachmolen, Joos Van Ginderachter en griffier Van Mulders enkele inwoners van Hekelgem. Guillam ’t Kint, 47 jaar, bevestigde dat de eigen goederen onder Asse gelegen door de schepenbank van het Land van Asse geërfd moesten worden en niet door een andere schepenbank. Procureur Jan Schoonjans trad hem daarin bij. Op 15 juli 1672 ging de raadpleging voort. Schepen Michiel Cornelis ondervroeg Peter Arijs, een 67-jarige handwerker en Peter De Meie, 58 jaar en handwerker, zij dachten dat Gerard het perceel op het Fosselveldeken gekocht had van Andries Sterck. Bijgevolg hadden de erfgenamen er geen recht op.

1674. Jan Stock weigerde huur te betalen.

Jan Stock woonde in een huis van pastoor Joannes Bernaerts en dacht na zijn overlijden te ontsnappen aan de huur. Meester Jan Schoonjans ontdekte de achterstallige huur tijdens een controle van de rekeningen in het sterfhuis. Na een klacht bij de schepenen daagde officier Gillis Wijnants Jan voor de schepenbank. Het vonnis van 16 januari hield in dat hij de huur vermeerderd met 2 g 14 st gerechtskosten moest betalen.

1678. Collecteur Andries Segers eist stipte betaling[25].

Op 3 september 1678 diende Andries Segers als collecteur een klacht in tegen Franchois Robijns, pachter, brouwer en biertapper. Hij eiste de onmiddellijke betaling van 155 g 18 st waarvan de helft zijn contributie was en de andere helft een bede en andere dorpslasten. Franchois reageerde met een schrijven aan de schepenen waarin hij opmerkte dat hij zelf van de bedesetters nog 750 g tegoed had. Het ging om vertier en logementen van diverse gasten op vraag van de bedesetters en 80 g voor het ter beschikking stellen van zijn paard aan de gemeente. Hij stelde de bedesetters voor om de 150 g 18 st af te trekken van de 750 g waarop hij nog recht had en de schepenen verzocht hij om de bedesetters te verplichten die som promptelijck  te doen betalen.

Franciscus Robijns, zoon van Arnoldus en Anna Van den Broeck, gedoopt op woensdag 2 januari 1647 in Hekelgem overleed op zaterdag 5 februari 1689 in Hekelgem, 42 jaar oud.

1679. Als de bedestters moeten betalen[26]!

Volgens de oncostboeck moesten de bedesetters aan Gillis Vermoesen, brouwer en biertappper, 279 g 17 st betalen als vergoeding voor logementen en ravitaillering van soldaten in 1677 en nog 90 g voor de logementen op 15 november 1677 en 189 g 17 st op 19 oktober 1678. Daar de betaling uitbleef, liet Gillis advocaat Bisschop op 28 februari 1679 klacht neerleggen bij de schepenbank tegen de bedesetters Franchois Mattens, Gillis De Decker, Guiullam Cornelis en Joos Van den Bossche.

Egidius trouwde op zaterdag 19 februari 1661 in Hekelgem met Catharina Uytendenolie. Catharina  overleed op zaterdag 2 juli 1678 in Hekelgem. Kinderen van Egidius en Catharina in Hekelgem gedoopt:

1 Petronella, gedoopt op donderdag 28 juni 1663, overleden in 1730 in Hekelgem, 67 jaar oud.

2 Joannes, gedoopt op maandag 28 december 1665.

3 Adrianus, gedoopt op donderdag 8 maart 1668, overleden in 1726 in Hekelgem, 58 jaar oud.

4 Franciscus, gedoopt op maandag 18 mei 1671..

5 Judoca, gedoopt op zaterdag 8 juli 1673 en overleden in 1744 in Hekelgem, 71 jaar oud.

6 Elisabeth, gedoopt op vrijdag 29 maart 1675 en overleden in 1751 in Hekelgem, 76 jaar oud.

1679. Wie moest na Peter Linthouts dood de pacht betalen[27]?

Op Kerstmis 1671 sloot Peter Linthout met dom Ambrosius Van Lierde een contract af voor de huur van land op de Bellekouter voor een termijn van 9 jaar. Na zijn overlijden in 1977 vroeg zijn weduwe aan dom Ambrosius om het contract te verbreken. Die ging akkoord en verpachtte het land in 1679 aan Jacques Van Droogenbroeck. Jan Mattens, de collectuer van Hekelgem, stelde in 1679 vast dat de beden en de settingen op dat land voor 1677 en 1678 niet waren betaald. Hij richtte zich tot Jan Van Vaerenbergh, de curator van het sterfhuis van Peter Linthout. Die liet weten dat hij zich tot dom Ambrosius, de administrator van de abdij, moest wenden. De monnik verklaarde dat het verpachtte land geamortiseerd (kerkelijk goed) goed was en dus vrij van lasten. Mattens vroeg dan aan de wethouders van Asse hoe hij aan zijn geld kon geraken. Die lieten weten dat hij dat aan de eigenaar moest vragen. Dom Ambrosius liet Franciscus De Middeleer, de rentmeester van de abdij, in zijn plaats antwoorden. De weduwe van Peter Linthout moet de beden en settingen betalen vermits zij  toen nog de gronden in bezit had en de vruchten kon oogsten. Hij voegde er nog aan toe dat Peter en zijn vrouw genoechsaem sijn voorsien geweest van goederen ende andere effecten om die achterstallen te kunnen betalen. Hij kan het bedrag nog verhalen op 1/4de van de opbrengst van de verkoop van het hooghuis te Belle aan meier Wambacq. De vraag om de bomen op het perceel te mogen verkopen wijst De Middeleer van de hand als ongefundeerd. Tenslotte merkte de rentmeester nog op dat het door de negligentie van Mattens is dat hij zijn geld nog niet heeft.

Joannes Mattens is gedoopt op donderdag 16 mei 1647 in Hekelgem. Hij is overleden op vrijdag 25 november 1695 in Hekelgem, 48 jaar oud. Joannes trouwde, 24 jaar oud, op maandag 16 november 1671 in MeldertT met Elisabeth De Valck, 19 jaar oud. Zij is gedoopt op dinsdag 19 december 1651 in Meldert en is overleden op zondag 13 november 1695 in Hekelgem, 43 jaar oud.

Kinderen van Joannes en Elisabeth te Hekelgem gedoopt:

1 Anna is gedoopt op maandag 19 december 1672.

2 Catharina is gedoopt op donderdag 8 oktober 1676..

3 Barbara is gedoopt op dinsdag 4 februari 1681en is overleden op zondag 28 april 1765 in Hekelgem, 84 jaar oud. Barbara trouwde, 29 jaar oud, op zondag 22 juni 1710 in Hekelgem met Leonardus Linsens, 27 jaar oud. Hij is een zoon van Egidius en Maria De Gent. Hij is gedoopt op dinsdag 26 januari 1683 in Hekelgem. Leonardus is overleden op zondag 10 mei 1733 in Hekelgem, 50 jaar oud.

4 Maria is gedoopt op maandag 6 november 1684.

5 Petrus is gedoopt op dinsdag 3 juni 1687.

6 Judocus is gedoopt op zaterdag 29 april 1690.

7 Joannes is gedoopt op donderdag 19 november 1693.

Ambrosius Van Lierde was afkomstig van Aaigem ontving in de abdij de priesterwijding op 25 mei 1652. Hij is de auteur van Historia Affligeniensis en verbleef te Neerwaver en te Bornem. Hij stond bekend om zijn moeilijk karakter. Vanaf 1664 verbleef hij in de abdij en werd er econoom en graanmeester en in 1669 werd hij de eerste syndicus van de abdij. Op 15 februari 1672 sloot hij een overeenkomst met de Raad van Financiën voor het uitbaten van nieuwe steengroeven te Meldert en te Asbeek-Asse. Hij overleed op 21 november 1695.

1679. Peter Van Rampelbergh heeft alleen nog een botervat en een viggen[28].

Op 10 april 1679 verhuurde de rentmeester Franchois De Middeleer land en meers aan Michiel Van Nieuwenhove dat voorheen gepacht was door Peter Van Rampelbergh voor de som van 15 pond groot. De termijn was de gebruikelijke periode van 9 jaar. Op 12 augustus 1679 liet collectuer Jan Mattens de schepenen van Asse weten dat volgens zijn bedenboek Peter Van Rampelbergh nog 37 g 10 st in het rood stond. Van de percelen die Peter nog in pacht had gehad, waren er twee bezaaid met haver, samen 5 d en die zou hij willen verkopen om zo aan zijn geld te komen. Op verzoek van Mattens gingen op 21 augustus Gillis Wijnants en Michiel Cornelis naar het huis van Peter. Zij vonder er alleeneen botervat, een quade vlieghe ende een viggen, ten hoochsten weert sijnde eenen pattacon. Van Rampelbergh was dus totaal niet in staat zijn schulden te betalen. Van de schepenen vernam Mattens dat hij twee mogelijkheden had om het geld te innen: de bezitter van het goed kon betalen of de vruchten op het veld verkopen want de wet schrijft voor dat de bezitter van het goed op de betaaldag van de beden die moet betalen.

R. A. Leuven, Schepenbank van Asse nr. 2822.

1679 – Een proces over schoolgeld[29].

Zie – https://indeschaduwvanaffligem.video.blog/2020/11/24/bloemlezing-van-documenten-behelzende-de-abdij-affligem-beslecht-door-de-schepenbank-van-asse/

1681. De erfgenamen van pastoor Bernaerts betalen niet[30].

In 1680 riepen de bedesetters van Hekelgem de hulp in van de schepenen van het Land van Asse omdat de erfgenamen van pastoor Joannes Bernaerts weigerden de contributie van 18 g 11/2 st voor de jaren 1677 tot 1680 te betalen. Een mogelijke verklaring was dat de erfgenamen erop rekenden dat de verkoop van een huis van de pastoor voldoende was om alle schulden te vergoeden. Dat was niet het geval, integendeel er was een tekort van 3 g 11 st.

1681. Kinderen Philippus Van Gete in de clinch met stiefmoeder[31].

https://www.belledaal.be/kinderen-philippus-van-ghete-in-de-clinch-met-stiefmoeder.html

1683. Carel Van Camp wordt de nieuwe boer[32].

Van jonker Franciscus Du Mont pachtte Carel Van Camp op 22 september 1682 seeckeren steenen huijse mette schuere, stallingen ende andere edificiën daerop staende, mette landen, weijden en alle andere goederen voor een bedrag van 100 g,10 viertelen tarwe en 10 viertelen gerst. Het graan moest ten huize van  de verhuurder geleverd worden ten laatste 60 dagen na de vervaldag. De afgaande huurder was Peter Van den Wijngaert en voor de overname van de granen en de dieren moest Van Camp hem 950 g betalen. Notaris J. De Witte stelde de akte op.

1684. Gerard Lambrechts mag er niet in[33].

Op 14 juni 1683 kocht Gerard Lambrechts een hofstede van Andries Segers die optrad als gevolmachtigde voor zijn broer Guillam. De akte werd opgesteld door de schepenbank van Affligem en was ondertekend door J. Van Nuffel. Volgens de akte mocht Lambrechts op Kerstmis 1683 de hoeve in bezit nemen. Maar de toenmalige bewoner, Adriaan Schoon, weigerde te vertrekken. Op 1 maart 1684 overhandigde dorpsofficier Gillis Wijnants een schrijven van Andries Segers, voogd van Guillam, aan Adriaan Schoon. Andries verbood Adriaan om de velden te bewerken en gebood hem het huis te ontruimen. Hij legde ook beslag op het weefgetouw en nam zoveel hopstaken mee tot de waarde van 20 g, een bedrag dat gelijk was aan de achterstallige huur. DE zaak bleef aanslepen want pas op 22 augustus werd Adriaan Schoon voor de rechtbank gedaagd.

1684. Koster Andries Segers wist nergens van[34].

Jan Dooms uit Opwijk stierf ongehuwd en zijn erfenis werd op 5 februari 1659 vereffend door de meier en schepenen van de Vrijheid van Merchtem. Onder de erfgenamen waren Franchois Van Halen, een pachter uit Opwijk, en zijn vrouw Joanna Dooms. Een andere erfgenaam was Cornelis Segers. Bij de verdeling moest Cornelis 6 g 5 st opleggen aan François Van Halen en Joanna Dooms. Die rente was bezet op een hofstede metten huijse, stallingen ende boomen daerop staende gelegen onder de prochie van Hekelgem voor het cloister van Affligem.

In 1684 is de situatie helemaal veranderd. Door overlijdens is die erfenis op de jongere generaties overgegaan. Cathelijne Van Halen, vrouw van Peter De Hauwer en dochter van François erfde via haar moeder Joanna Dooms, een zus van de overleden Jan Dooms. Na de dood van Cathelijne werd haar man  Peter de erfgenaam van de rente van 6 g 5st.. Maar wat blijkt: al zeven jaar is die rente niet maar betaald. De vraag was: wie erfde van Cornelis Segers en moest de rente betalen. Peter De Hauwer diende een klacht in bij de schepenen van Asse tegen koster en schoolmeester van Hekelgem Andries Segers, zoon van Cornelis. De sluwe koster reageerde niet want hij was geen zoon maar een kleinzoon van Cornelis. Uiteindelijk ontdekte notaris Gillis Van Halen de ware toedracht. Toch bleef er nog een ernstig probleem. Peter De Hauwer had de akte van 1659 niet meer door de lanckheijt van tijde ende menich schuldige oorlogen, troubelen ende vluchtelingen was de akte verloren gegaan. Toch oordeelden de schepenen van Asse op 12 april 1684 dat koster Andries binnen de acht dagen moest antwoorden op de klacht.

respectieve comparanten ende getuijgen neffens mij notaris onderteeckent, quod attestor ende was onderteeckent M D Bisschop notaris G Vanhatle notaris 1683.

1684. Jan De Vis wil niet tweemaal betalen[35].

Op 4 mei 1684 ondertekende bedesetter Joos Pauwels een betalingsbewijs van 24 g voor Jan De Vis, zoon van Franchois, molenaar op Boekhout. Dat was op de dag dat De Vis de collecteur Peter De kegel voor de schepenen van Asse had gedaagd omdat De Kegel hem de eerste schijf van 20 g van de beden en achterstel van renten en obligaties, in het totaal 40 g 12 ½ st., wou doen betalen zonder rekening te houden met zijn voorschot aan Joos Pauwels. Jan De Vis stelde vast dat hij in sijne eenvoudighe onnooselheijt al 3 g 13 st 1 bl teveel had gegeven. Er bleven nog ruim 16 g te betalen, maar De Kegel had voor de tweede schijf nog geen opdracht tot betaling gegeven. Van de schepenen verwachtte Jan dat ze De kegel zouden verplichten om van zijn bijdrage de 24 g af te trekken.

Ick onderschreven kenne ontfangen te hebben vuijt handen van Jan De Vis filius Franchois de somme van vierentwintich guldens in twee off drije keeren ende sal hem valideren op Peeter De Kegels boecken. Actum desen vierden meije XVI° vierentachentich ende is onderteekent Joos Pauwels 1684. Accordeert met sijn origineel in dathe ende geteekent als voren quod attestor De Raedt notaris 1684.

1684. De bedesetters van Meldert komen hun belofte niet na[36].

Op 31 juli 1684 leverden de parochies van Hekelgem en Meldert fouragie aan het leger van kolonel Du Bie te Aalst. Beide parochies ontvingen daarvoor dezelfde vergoeding. Maar Hekelgem had meer geleverd dan Meldert en vroeg aan Meldert een tegemoetkoming. Na onderhandelingen tussen Franchois Robijns en Joos Pauwels voor Hekelgem en Guillam De Clerck en Jan Robijns voor Meldert kwamen de bedesetters tot een akkoord: Meldert zou 20 g aan Hekelgem geven. Maar de betaling bleef uit en verliesende hunne patiëntie trokken de bedesetters van Hekelgem naar de rechtbank om de onmiddellijke betaling te eisen.

1684. Ruzie over de koopsom[37].

Op 11 oktober 1684 verkochten Peter De Boodt en zijn vrouw Anna Manghé seker paert van een huijsinghe gestaen en gelegen tegen den grond van de weduwe Franchois Walckiers en nog 16 r gelegen langs dezelfde grond van de weduwe. De koper was Hendrik De Kegel, zoon van Joos. De koopsom bedroeg 12 ponden groot en voor zijn palmslagh kreeg De Kegel 3 g. Er waren wel enkele voorwaarden aan de koop verbonden:

1) Tot de drie sondaghsche kerckgeboden kon men nog opbieden.

2) Elk opbod moest minstens 20 st bedragen.

3) Van elk bod ging 2/3 naar de verkoper en 1/3 naar de koper.

4) Wie meer biedt, betaalt 4 st voor een traktatie.

Nog dezelfde dag begon het bieden. Jan Van Brempt, Ingel Carnoy, Jan Bogaert, Gillis Wijnant en Gerard Verhoeven verhoogde tot 30 maal de koopsom.  Op 12 oktober deed Andries Segers nog een bod en uiteindelijk haalde Jan De Meije, de zoon van Andreas, als laatste bieder, zijn slag thuis. De prijs was ondertussen met 40 g gestegen. Liet De Meije zich meeslepen in het opbieden? Feit was dat hij de koopsom niet kon betalen en Peter De Boodt zag zich genoodzaakt zich tot de schepenbank van Asse te wenden om aan zijn geld te geraken. Jan De Meije reageerde op 5 juni 1685 met een schrijven van zijn advocaat De Raedt. Die betwistte de koopsom. Volgens hem bedroeg die 20 ponden groot en rekende De Boodt 30 g teveel. Uiteraard ontkende Schoonjans dat er een fout was gemaakt en hij eiste voor zijn cliënt de prompte betaling van de in het totaal al opgelopen bedrag van 112 g.

Schoonjans rescontrerende het geverbaliseerde van De Raedt segt datter geen abus en is te vinden terwijl den coopprijs volgens den contracte beloopt ter somme van 42 guldens ende datter sijn 60 hooghen waervan d’ene derde den aenlegger toecommen bedraegende a eenen gulden de hooghe t’samen ter somme van 40 guldens, concluderende geheijst sonder dat hij aenlegger hem heeft aen te draegen watter soude wesen van het ander derde ofte voordere oncosten waerop den ghedaeghde sijne computatie maeckt sonder dat eene naerdere presentatie genoech is om te ontgaen de condemnatie van costen deser procedure den aenlegger niettemin bereet sijnde voor soo vele hem aengaet te ontfangen de gemelde twee sommen t’samen bedraegende 112 de welcke den gedaegde van eerst aff hadde behooren te betaelen off te namptiseren voorsulcx persisteert hij aenlegger voor de replicque alnoch als voren cum axpensis.

1684. Gerard Lambrechts betaalde niet[38].

Gerard Lambrechts huurde een huis van koster-schoolmeester Andries Segers. Hij liet zijn kinderen bij hem ook les volgen om te leeren lesen ende schrijven aan 5 st per maand. Gerard was evenwel niet in staat om de huishuur en het schoolgeld te betalen. Voor de huishuur stond hij 1 jaar achter en voor het schoolgeld 36 maanden. In het totaal moest hij 41 g 5 st betalen. Een behoorlijke som en Andries aarzelde niet om de schepenbank in te schakelen om Gerard te dwingen zijn verplichtingen na te komen.

1685. Gerard Van den Wijngaert: problemen met de impost[39].

Op 27 februari en op 6 maart 1685 werd Gerard Van den Wijngaert op vraag van Gillis Wijnants opgeroepen om voor de schepenen van Asse te verschijnen. Hij stuurde zijn kat, maar na de derde dagvaarding verscheen hij toch op de schepenbank op 13 maart. De beschuldiging luidde dat hij de halfjaarlijkse belasting van november van 1683 ten bedrage van 140 g 16 st niet had betaald. Op 27 maart 1685 werd hij veroordeeld tot de betaling van het verschuldigde bedrag. In april maande officier Peter De Haegeleer hem nog tweemaal tevergeefs aan om zijn schulden aan te zuiveren. Gillis Wijnants richtte zich tot de Raad van Brabant en kreeg de toelating om de tarwe van Van den Wijnaert, staande op De Vreuckers te Essene, te verkopen. De verkoop van 19 juli 1685 bracht 42 g op. Van dat bedrag ging 4 g 12 ½ st naar de schepenen, 22 g 13 st naar notaris Schoonjans, 13 g naar de griffier en 6 g 8 ¾ st naar de officieren zodat er helemaal niets overbleef voor schuldeiser Wijnants.

1685. Adriaan De Ridder mocht de bomen niet kappen[40].

Op 15 juni 1665 stelde notaris Charles Van der Slachmolen ten huize van Cathelijne Carnoy op Nievel (Meldert) een akte op voor een lening. Peter Goetvinck en zijn vrouw Cathelijne Carnoy leenden 250 g met een jaarlijkse rente van 15 g 15 st bij Anthonius De Steenwinckel, secretaris bij de Raad van Brabant en zijn vrouw Catharina Sophie. Met dat besdrag konden Peter en Cathelijne een hoeve van haar grootouders, Mathijs Van den Abeele en Cathelijne De Coster, overnemen. De hofstede was belast met een grondcijns van 7 st aan de infirmerie van den beggjnhove binnen Brussel. Als pand gaven ze een hofstede van 75 r met de helft van het huis van hogergenoemde hofstede. Beide partijen lagen in de Broekstraat en paalde aan Peter Stevens, Jan Meert, Mathijs Van den Abeele en de straat. In het geval dat de rente niet werd betaald, voorzag de akte dat de leengevers gemachtigd waren om de goederen van Peter en Cathelijne in beslag te nemen of te verkopen tot een bedrag gelijk aan de achterstallige rente.

Dat was het geval in 1685. Peter Goetvinck en zijn vrouw zijn dan overleden en hun erfgenamen hebben al vier jaar de rente niet meer betaald. Franchois Du Mont, heer van Bisen en tweede man van Catharina Sophie, diende op 5 februari 1685 bij de meier en de schepenen van Asse het verzoek in om beide hofsteden te mogen verhuren. Op 19 februari 1685 had, na voorgaand kerkgebod, de zitdag plaats. Franchois vroeg 24 g als pacht, maar niemand bood zich aan. Daarop besloot Du Mont om de twee hofsteden te verkopen. Egidius Lemmens kocht ze op 14 mei 1685 en betaalde 340 g. In die prijs was ook de achterstallige rente begrepen. Nog voor de verkoop had plaats gehad, verkocht Anna Goetvinck, de dochter van Peter en Cathelijne een aantal bomen van de hofsteden aan Adriaan De Ridder. Die kapte de bomen en bracht ze naar zijn huis en dat tot grote woede van kolonel Du Mont. Die diende op 15 mei 1685 bij de schepenbank van Asse een klacht in tegen Adriaan De Ridder. Hij eiste dat die hem zou vergoeden voor het verlies van de bomen en stipte ook aan dat Anna Goetvinck als 19-jarige nog minderjarig was en het recht niet had om te verkopen.

Het proces bleef aanslepen en op 15 september 1688 richtte Du Mont zich tot de Raad van Brabant. Hij was te weten gekomen dat Adriaan De Ridder voor zijn aankoop raad had gevraagd aan Jan De Witte. De griffier van de abdij had hem die aankoop expresselijck ontraden … ende andersints soude commen in groote rusie. Du Mont vroeg de Raad om de schepenen te autoriseren om Jan De Witte daarover te verhoren. Die goedkeuring kwam er  vier dagen later op 19 september. Of de griffier werd ondervraagd, vermeldt het dossier niet. Pas op 5 april 1690 kwamen de schepenen tot een vonnis. De eis van Franchois Du Mont vonden ze ongefondeerd ende niet ontfanckbaar en ze veroordeelden hem tot de betaling van de proceskosten. Daar legde de kolonel zich niet bij neer en hij uitte zijn grieven nog eens voor de schepenen:

1 Adriaan De Ridder had die bomen niet mogen kappen want hij was op de hoogte van de verkoop vermits hij nabij de abdijkerk woont en daar had het kerkgebod plaats.

2 Anna Goetvinck kon niet verkopen want zij was minderjarig.

3 De teruggave van de bomen volstond niet en moest ook intrest worden etaald voor het geleden verlies.

Of de schepenbank hierop is ingegaan, weten we niet.

1685. Jan De Maij betaalde het vertier niet[41].

Op 16 januari 1685 verscheen Elisabeth Van Ghete, weduwe van Franchois Walckiers, voor de schepenbank van Asse. Zij had een klacht ingediend tegen Jan De Maij, zoon van Adriaan. In haar herberg De Kroon nabij de abdij hadden op 11 oktober 1684 Peter De Boodt, Anna Mangé en Hendrik De kegel, zoon van Joos,  een deel van een huis verkocht. De afspraak was dat bij elk opbod een traktatie van 4 st zou volgen en voor de palmslag  een van 3 g. In het totaal had Elisabeth recht op 13 g. Wanneer zij, na herhaald aandringen bij de koper, Jan De Maij, geen gehoor vond en haer patientoe verliesende, wendde ze zich tot de schepenbank. Jan werd op 6 februari 1685 gedagvaard, maar hij kwam niet opdagen. Zijn advocaat, Michiel De Bisschop verzocht om uitstel en toch ging Jan niet in op de dagvaardingen van 8 en 15 mei. Blijkbaar tot ongenoegen van zijn advocaat die de schepenen liet weten dat hij De Maij niet langer verdedigde. Of was het een list om tijd te winnen, want zijn opvolger Hendrik De Raedt vroeg meteen een uitstel van 6 weken en tegelijk protesteerde hij tegen de hoge intrest die Van Ghete vroeg. Op 22 mei 1685 liet de advocaat van Elisabeth, J. Schoonjans  weten dat het achterstal van De Maij al was opgelopen tot 17 g 11 st.

1685. De carrousel van een erfelijke rente[42].

Gerard Eeckhout ging in 1639 bij Hendrik De Bolle, zoon van Jan, uit Aalst een lening aan met een jaarlijkse erfelijke rente van 18 g. Als pand gaf hij een meers van 1 d 25 r. Die rente werd stipt betaald, telkens op 7 februari, tot 1679. Zes jaar later was het achterstal opgelopen tot 108 g. In naam van Hendrik De Bolle diende Jacques D’ Hont een klacht in bij de schepenbank. Gereard Eeckhout was inmiddels al overleden evenals zijn zoon Carl. Zo kwam de schuld terecht bij Daniël Schoonjans die met de weduwe van Carl was getrouwd. Om aan het geld te geraken wenste D’ Hont het pand van 1 d 25 r meers te verkopen en hij vroeg de schepenbank daarvoor de toestemming.

Carolus Eeckhout, zoon van Gerard en Anna Cortvrint, werd gedoopt op zondag 17 januari 1638 in Teralfene. Carolus trouwde, 26 jaar oud, op zondag 1 juni 1664 in Teralfene met Joanna Van Varenbergh. Joanna overleed op woensdag 27 augustus 1642 in Teralfene.

Gerard, zoon van Gerard en Anna Engels werd gedoopt op zondag 20 mei 1601 in Teralfene. Hij overleed op maandag 27 januari 1670 in Teralfene, 68 jaar oud. Hij trouwde, 22 jaar oud, op zondag 4 juni 1623 in Teralfene met Anna Cortvrint en hertouwde, 65 jaar oud, op donderdag 26 augustus 1666 in Teralfene met Judoca Coolens.

1686. Peter Vonck vergat zijn winkelwaren te betalen[43].

Jan De Maij, zoon van Adriaan, leverde een aantal winkelwaren aan Peter Vonck ter waarde van 6 g 1 ½ st. Na meerdere vermaningen had Peter zijn schuld nog niet betaald en zijn patiëntie was op. Hij liet op 30 april 1686 Peter voor de schepenbank dagen in de hoop dat de schepenen Peter promptelijck zouden verplichten te betalen.

Petrus Vonck was de zoon van Petrus en Catharina Verhoeven. Hij werd te Hekelgem gedoopt op dinsdag 26 september 1659 en overleed er op woensdag 12 september 1708. Hij trouwde te Hekelgem op zaterdag 6 februari 1683 met Maria Van den Wijngaert. Zij overleed te Hekelgem op maandag 6 juli 1711.

1686. Jan De Witte en Jan Robijns regelen hun geschil inder minne[44].

Jan De Witte had een proces aangespannen tegen zijn schoonbroer Jan Robijns in verband met de erfenis van zijn ouders Pauwel en Adriana Breynaert. Op 23 december besloten ze het proces stop te zetten en hun zaken in der minne te regelen. Ze kwamen overeen dat Jan Robijns uiterlijk binnen het jaar 173 g 6 st aan De Witte zou betalen en 2/3 van de proceskosten voor zijn rekening zou nemen.

Pauwel Robijns was de zoon van Merten en Elisabeth Wauters. Hij werd te Hekelgem gedoopt in 1615 en overleed te Meldert, 56 jaar oud, en werd op dinsdag 3 februari 1671 begraven. Hij trouwde op woensdag 21 november 1640 te Essene met Adriana Breynaert, ca 22 jaar oud.

1687. Brouwer Peter Cornelis in moeilijkheden[45].

Peter Cornelis, pachter en brouwer, ging een lening aan bij Louis Verbruggen, kanunnik te Antwerpen, met een rente van 12 g 10 st. De lening was bezet op zijn hofstede met huis, brouwkuip en andere edificiën, gelegen tegenover de kerk van Hekelgem. Op juni 1687 bleek dat Cornelis de rente al 6 jaar niet meer had betaald, een achterstal van 75 g. De kanunnik verzocht nu de schepenen Cornelis te verplichten tot onmiddellijke betaling.

Peter Cornelis was dezoon van Joannes en Barbara Wambacq. Hij is gedoopt op woensdag 8 februari 1640 in Hekelgem. Pieter overleed op woensdag 15 december 1700 in Hekelgem, 60 jaar oud. Pieter trouwde met Catharina De Vleeshouder, overleden op woensdag 27 november 1686 in Hekelgem. Hij woonde op het Hof ter Saele. Zie jaarboek Belledaal 2008 blz. 207.

1687. De pastoor weigert te betalen[46].

Op 29 oktober 1687gaven de meest ghegoeijde ende gemeijn ingesetenen der prochie van Hekelgem volcommen macht ende onwederroepeleijck procuratie aan Franchois Robijns, schepen en Peter Van Nieuwenhove, collecteur om pastoor Martinus Van den Nest en andere inwoners die weigerden hun deel te betalen in de Franse contributie van 1683 en 1684 en bepaalde tienden te vervolgen. Die procuratie hield ook de aanstelling in van een advocaat bij de schepenbank van Asse of bij de Raad van Brabant. De pastoor genoot een vrijstelling voor 6 d die door de bedesetters was toegestaan op 23 juli 1683. Die overeenkomst was ondertekend door de pastoor en Guillam Cornelis, Joos Van den Bossche, Joos De Kegel, Michael Cornelis en Carel Everaerts. Uit het bedebouck op datum van 24 januari 1687 bleek nu dat de pastoor belast was met 7 g 15 st en met 31 g voor de tienden. Pastoor Van den Nest was van mening dat hij, omdat zijn inkomen lager was dan 300 g, vrijgesteld was van de tienden en betaalde niet. Op 11 maart 1687 spande Jan Van Brempt, toen collecteur, een proces aan tegen de pastoor. Van den Nest zocht steun bij zijn collega’s van Mollem en Bollebeek en samen schreven ze een brief naar de schepenen om hen op hun rechten te wijzen. Gillis Van Mulder, de griffier van de schepenbank, zond hun brief op 16 juli 1687 naar de Raad van Brabant. Het antwoord van de Raad op 13 november 1687 bevestigde de vrijstelling van de pastoor. Er werd ook een bijkomende verklaring van de Raad in aangekondigd. Maar er kwam geen schot in de zaak en de collecteur dreigde de goederen van de pastoor aan te slaan, wat zeker een schandaal zou veroorzaken. Daarom schreef Van den Nest op 30 januari 1688 Aen den Coninck in sijnen souveramen Rade van Brabant. Hij vroeg ootmoedeleijck biddende om de bedesetters en de collecteur te dagvaarden zodat hij zijn recht op vrijstelling kon aantonen.

Martinus Van den Nest was pastoor van Hekelgem van 5 mei 1671 tot 1709.

1689. Peter Cornelis, aan huis bij de schepenbank[47].

Op 5 mei 1689 ondertekenden Catharina Wambacq,  de weduwe van Franchois Robijns, en Peter Cornelis een overeenkomst. Peter erkende dat hij de parochie 87 g 19 st schuldig was en dat hij dat bedrag onmiddellijk zou betalen. Maar op 5 juli had Catharina nog geen stuiver ontvangen en zij diende bij de schepenbank een klacht in.

Franciscus Robijns was een zoon van Arnoldus en Anna Van den Broeck. Hij is gedoopt op woensdag 2 januari 1647 in Hekelgem. Franciscus overleed op zaterdag 5 februari 1689 in Heklegem, 42 jaar oud. Hij trouwde, 21 jaar oud, op donderdag 23 augustus 1668 in Essene met Catharina Wambacq, 19 jaar oud. Zij is een dochter van Michel en Joanna De Bast.  Zij is gedoopt op dinsdag 17 november 1648 in Essene en overleed op zaterdag 10 november 1703 in Hekelgem, 54 jaar oud.

Peter kwam nog op een andere manier in contact met de schepenbank. Zijn vader Jan had bij chirurgijn Jan Grillaer uit Brussel een lening aangegaan. Na zijn dood  bleef er nog 100 g te betalen, een bedrag dat hij eiste van Franciscus en Peter, de zonen van Jan. Die weigerden, maar de schepenbank gaf de chirurgijn gelijk en voor de broers kwam er nog de proceskosten bij: 28 g 15 st 2 o.

Joos De Handschutter werkte een tijd als knecht bij Peter. Toen hij het bedrijf van Peter verliet had hij nog recht op 22 g. Peter maakte geen aanstalten om hem zijn laatste loon te geven en dat mocht hij aan de schepenbank gaan uitleggen.

Peter De Vis was in 1694 curator  in het sterfhuis van Guillam Van Neervelt. Peter Cornelis kwam hem opzoeken  en vertelde dat Van Neervelt bij hem een lening was aangegaan met een rente van 25 g. De laatste 6 jaar was die rente niet meer betaald en hij wou dat De Vis die achter stal zou betalen. De Vis weigerde omdat hij geen enkel bewijs van die lening had gevonden. Peter Cornelis trok op 3 februari 1694 naar de schepenbank en al op 9 februari kreeg hij een antwoord. De schepenen gaven Peter De Vis gelijk.

1689. De jezuïeten spannen een proces in[48].

Philips De Donder, de man van de weduwe van Carel De Backer, leende bij de jezuïeten van Aalst een bedrag met een erfelijke rente van 18  g. Hij betaald die 18 g de laatste maal op 22 maart 1681. Acht jaar hadden de jezuïetengeduld tot in 1689 de schuld was opgelopen tot 144 g en dan dienden ze een klacht in bij de schepenbank.

1691. Schoolgeld niet betaald[49].

Pastoor Franciscus Cornelis van O.-L.-Vrouw Waver had de kinderen van Gillis De Bailliu kost en inwoon verschaft en hun schoolgeld betaald, alles samen voor een bedrag van 140 g 7 st 1 o. Gillis had al als betaling 5 sisteren tarwe voor 13 g 10 st, 10 viertelen koren voor 4 g 15 st, 100 bussels tarwestro voor 4 g 10 st en 184 pond hop voor 13 g 18 st geleverd. Maar na het overlijden van Gillis betaalde zijn weduwe niets meer van het resterende bedrag van 91 g 14 st. De pastoor vroeg op 15 februari 1690 notaris J. Roux om een akte op te stellen waarin hij zijn broer Peter de volmacht gaf om in zijn naam met welke middelen ook het verschuldigde bedrag te innen.

Egidius De Bailliu was de zoon van Franciscus en Catharina Van den Bossche. Hij werd gedoopt op was zondag 30 april 1623 in Asse en overleed op zondag 14 januari 1691 in Asse, 67 jaar oud. Hij  trouwde, 30 jaar oud, op zaterdag 30 augustus 1653 in Asse met Catharina Van Mulders, 17 jaar oud. Zij is gedoopt op donderdag 15 november 1635 in Mazenzele en overleed op maandag 30 augustus 1694 in Asse, 58 jaar oud.

1694. De bedesetters tegen Michiel De Bisschop[50].

In 1694 verbleven de maître de camp Valensar en zijn klerk met hun eenheid in Erembodegem, Hekelgem en Teralfene. Het aandeel van Teralfene in de kosten van het logement bedroeg 73 g. Michiel De Bisschop weigerde dat aandeel te betalen. De bedesetters van Hekelgem wezen hem erop dat eenen neutralen rechter nopende die materie van repartitie de quota had vastgesteld en dienden klacht in bij de schepenbank. Op 27 september 1694 kreeg Teralfene de rekening gepresenteerd: het moest de 73 g betalen en ook nog eens 17 g proceskosten.

1698. Barabara Van de Velde driemaal voor de schepenbank[51].

Barbara Van de Velde, de weduwe van Adriaan De Ridder, kocht wijn bij Balthasar Rijcx te Gent. De wijnhandelaar bleef echter met een onbetaalde rekening van 56 g zitten. De schepenen verplichtten Barbara de rekening te betalen en de proceskosten van 7 g 12 st 3 o. In 1698 was Barabara vragende partij. Op 1 maart had er in haar huis de verkoop plaats van een huis te Bleregem. Jacobus Van Ransbeeck was er samen met Peter De Vis, Joos Van den Bossche, Joos Van Onchem en Adriaan Van den Abeele en zijn vrouw. Zij dronken er bier, wijn en brandewijn zonder te betalen. Tegen een van hen, Jacobus Van Ransbeeck, diende Barbara een klacht in.

Een jaar later moest Barbara weer voor de schepenbank verschijnen, ditmaal als gedaagde. Jonker Joannes Arnoldus Crabeels had bij haar twee vaten wijn gekocht. Een vat droeg Peter Van den Biesen op 15 december 1698 naar het gasthuis in Asse, de jonker vertrok met het andere. Hij betaalde de 5 g, wat slechts een deel van de rekening was. Barbara eiste van hem als vergoeding de twee vaten terug. Bij de schepenbank kreeg ze evenwel geen gelijk en bovendien moest ze ook de proceskosten betalen.

1699. De parochie blijft in gebreke[52].

In 1688 kreeg gezworen landmeter Peter Van Damme van de bedesetters de opdracht de parochie op te meten en een cohier te maken. De bedesetters, Franchois Robijns, Michiel Cornelis, Jan Verleysen en Jasper Robijns zouden binnen het jaar 165 g met een rente van 10 g 18 st 1 bl betalen voor zijn werk. Als de betaling uitbleef, mocht de landmeter beslag leggen op goede en sufficiënte panden. De bedesetters betaalden een laatste maal op 15 juli 1696 en bouwden zo een schuld op van 21 g 17 ½ st in 1698. Herhaald aandringen op betaling leverde geen resultaat op en Peter Van Damme zag nog een uitweg: een klacht indienen bij de schepenbank.


[1] Ockeley, J., De rechtspleging in het begin van de 17de eeuw in het Land van Asse, in: Recht in geschiedenis, Davidsfonds, Leuven, 2006, 259 – 263.

[2] SCHOON, E., Een genante geldzaak te Meldert in het jaar 1738, in: De Faluintjes, 2015, nr. 4. Rijksarchief Leuven, Schepenbank Land van Asse.

[3] R.A. Leuven, Schepenbank Asse, toegang 94, nr. 951.

[4] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 1103.

[5] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 1117.

[6] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 1139.

[7] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 405.

[8] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang nr. 208.

[9] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1492.

[10] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1565.

[11] R.A. Leuven, parochie Hekelgem, toegang 620, nr. 192.

[12] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 176.

[13] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 536.

[14] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3586.

[15] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 2170.

[16] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 2207.

[17] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 229.

[18] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 234.

[19] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 5.

[20] R.A. Leuven, toegang 94, nr. 2255.

[21] R.A. Leuven, toegang 94, nr. 2349.

[22] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 554.

[23] Martinus Van den Nest was deservitor te Hekelgem van 13 januari 1667 en pastoor van 5 mei 1671 tot 1709.

[24] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse nr. 2523.

[25] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 2773.

[26] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94 nr. 2821.

[27] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse nr. 2822.

[28] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse nr. 2822.

[29] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse nr. 2827.

[30] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang nr. 2899.

[31] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang nr. 2920.

[32] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3009.

[33] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3035.

[34] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3047.

[35] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3063.

[36] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3061.

[37] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3068.

[38] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3160.

[39] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3085.

[40] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3091.

[41] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3144.

[42] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3143.

[43] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3119.

[44] R.A. Leuven, Inventaris van het archief van de parochie Hekelgem, nr.274.

[45] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3140.

[46] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 6980.

[47] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3198, 3285, 3270 en 3329.

[48] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr.3225.

[49] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3258.

[50] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3350.

[51] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3336, 3414 en 3419.

[52] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3406.

Bloemlezing van documenten behelzende de abdij Affligem beslecht door de schepenbank van Asse.

1536 – Ruzie over hoptienden.

In 1531 diende de abdij een klacht in bij de Raad van Brabant tegen inwoners van Hekelgem en Meldert. Die hadden op het einde van de 15de eeuw op gronden van de abdij die weinig opbrachten hopvelden aangelegd en er nooit tienden voor betaald. Dat was ook zo voor boeren uit Baardegem, Mazenzele en Moorsel. De abdij eiste nu een vergoeding voor 12 ½ patar[1] per dagwand. De boeren hadden zich daartegen verzet omdat het over onontgonnen gronden ging.

Volgens een verordening van Karel de Grote moest iedere persoon elk jaar 10% van zijn opbrengsten aan de kerk afstaan. Het ging vooral om opbrengsten van de graanoogst, de veldvruchten en het vee. Die verplichting kende een ingewikkelde evolutie. De tienden dienden voor het levensonderhoud van de parochiepriesters, voor steun aan de armen en voor het onderhoud van het kerkgebouw. Elk van de drie partijen kreeg 1/3 van de tienden. Grootgrondbezitters, feodale heren, kapittels en abdijen maakten misbruik van die regeling om tienden in te lijven. Er waren grote tienden op graangewassen en kleine op veld- en tuingewassen zoals raapzaad. Vleestienden werden geheven op voortbrengselen van de stal zoals van varkens en lammeren en het neerhof. Vanaf de 12de eeuw ontstonden de novale of nieuwe tienden op opbrengsten van nieuw ontgonnen gronden en op nieuwe gewassen.

Was de hop toen een nieuw gewas? In de 15de eeuw begonnen de brouwers in Brabant hop toe te voegen aan hun brouwsels. Daardoor bekwam hun bier een betere stabiliteit, een enigszins een bittere smaak en een langere bewaartijd. Dat was zo’n belangrijke verbetering dat in de volgende eeuwen de hop in onze streken een enorme groei kende. Grote en middelgrote landbouwbedrijven schakelden in de loop van die eeuw in de regio Aalst-Affligem-Asse over op de hopcultuur. Zelfs binnen de Aalsterse stadswallen werden hopvelden aangelegd.

Op 14 juli 1536 volgde het vonnis. Op elk dagwand hop moest 12 ½ patar worden betaald zoals voor granen en andere vruchten of in natura voor een gelijkwaardig bedrag. Het belang van dit vonnis is dat het aantoont dat er al op het einde van de 15de eeuw in onze gemeente hopvelden waren.

1542 – Verkoop van land op ’t Dorreken[2].

Jan Gillisjans verkocht in 1542 1 ½ dagwand land aan Jans De Nul en zijn vrouw Kathelijnen Jacops. Het perceel was gelegen te Esene op ’t Dorreken en paalde aan de goederen van de abdij, Gillis Kints en de H. Geeste van Asse en was belast met een grondcijns aan de abdij van 9 myten Brabants[3].

Jan Gillisjans, alias van Pullewouwe, geboren ca 1510 en overleden voor 10 februari 1555 trouwde met Catelijn Van der slachmolen, overleden na 1569, dochter van Joos Van der Slachmolen. Zij hadden zes kinderen:

1- Beatrix, trouwde met Jan Van Nijverseele.

2- Elisabeth, trouwde voor 1566 met Adriaan Vander Haegen, de zoon van Aert.

3- Joanna, trouwde met Jan Sceerlinck, alias Thiers.

4- Joosken.

5- Josyne.

6- Maria.

Jan stierf vermoedelijk in 1554. Dat kunnen we besluiten uit volgende vaststellingen:

1- Zijn pacht van 6 viertelen gaat dan over op zijn zwager Willem Van der Slachmolen

2- Er komt een andere pachter op de Overheide[4].

Jan was pachter op het Hof te Asbeek, ook Hof te Montenaken genoemd. Er is een contract gekend van 28 januari 1528. Zijn moeder Margriete Moyesoens gaf hiervoor als pand 6 dagwand beemt. Vermoedelijk bezat het hof hopvelden. Zo verkocht Jan Moyesoens in 1575 7000 pond hop[5]. Later was hij waarschijnlijk pachter op het Hof te Pameymont[6].

1574 – Verkoop van land te Hekelgem[7].

Op 19 september 1574 verkocht Joos Van der Heyden, de zoon van Stevens, 2 percelen land aan Gillis De Raedt, schepen van Affligem. Peter Van Langenhove, meier en de schepenen van de abdij Mertens, Verelst en Neervelt stelden de akte op. Het eerste perceel, gelegen te Hekelgem, paalde aan de voetweg van het bos naar de kerk van Hekelgem, de Buikouterhaag en aan de goederen van de weduwe Hant De Meije. Het tweede veld lag op Het Beijken en grensde aan de goederen van Johanna Van der Heyden, de H. Geest van Hekelgem en de goederen van de abdij.

Handtekening van meier Jan Van Ghinderachtere.

1583 – Gillis Van Onsem wacht op zijn rente[8].

Gillis Van Onsem, zoon van Henric, bezat een hofstede met huis, stallen en andere toebehoorten te Asbeek. Zijn hoeve grensde aan de straat, de goederen van Sinte Lijsbetten uit Brussel en Jan Raspoets. Jan Meert nam de hoeve over voor een erfelijke rente van 9 karolusgulden te betalen op kerstavond vanaf 1583. Van Jan Meert ging de rente over op Janne Veldeken en zijn vrouw Goedele Meert, de dochter van Jan. Daar zij niet betaalden, hadden de erfgenamen van Gillis het recht om de hand te slaan aan de hofstede en andere panden tot volledige betaling van de renten en de gerechtskosten. Aldus beslisten de schepenen van de abdij, Daneels en L. Thielman, op 8 december 1532.

Werd de rente betaald? Het document vermeldt alleen dat op 6 augustus 1548 Janne Danneel en Christine Van Hulle 1/3 van de rente betaalden.

1593 – De kinderen van Geraert Van Vaerenbergh in de problemen[9].

Geraert Van Vaerenbergh had een erfelijke lening aangegaan van 18 gulden bij jonkheer Elias de la Ramourie. Daar hij zijn financiële problemen niet onder controle kreeg, betaalde hij die rente niet. Anna Van Tryst, de vrouw van de jonkheer, wendde zich via haar advocaat Jannen Mertens op 15 september 1584 tot de Raad van Brabant om beslag te mogen leggen op zijn bezittingen tot 54 gulden, namelijk het achterstel van drie jaar. De schepenen van Affligem verleenden hun toestemming om, na kerkgebod, de procedure tot beslagneming te starten. Tegen dit vonnis tekende de advocaat van de kinderen Van Varerenbergh[10], Geraert Van der Slachmolen, tevergeefs beroep aan. Maar het proces bleef aanslepen tot de definitieve uitspraak van de schepenen op 28 mei 1593. Anna Van Tryst kon eindelijk de achterstallige renten recupereren.

Alsoo ende nae dien opten eenenentwintichsten dach der maendt van mei anno vijftien hondert ende negenentachtich voere meijer ende schepenen des Gidtshijs van Affligem gecompareerd waere geweest joncker Elias de la Ramourie als man ende wettich momboir van jouff. Anna Van Tryst executant ten eendere op ende tegen Gielijssen De Witte in houwelijck hebbende Barbele, Joosten De Mets in houwelijck hebbende Anna Van Vaerenbergh ende Marie Van Vaerenbergh jonge dsochter ende suster des voorschreven Barbele ende Anna Van vaerenbergh kinderen wijlen Geeraerts Van Vaerenbergh opponenten ten andere sijden. Aldaer die voorschreven executant bij Jannen Merttens sijnen procureur hadde versocht gehadt adjucatie ende aenwijsinge van de panden in sekeren constitutiebrieff van achttiene rinsguldens erffelijck begrepen ende als die voorschreven jouffrouwe Anna Van Tryst op den XXIII dach der maendt van augustus anno XV ende vijffventachtich hadde vercregen tegen Geeraerd Van Vaerenberghe volgende copije ende autorisatie bij den Raede van Brabant omme die voorschreven belastinge te mogen doene hem sonderlinge gegeven ende verleent.

1595 – Hoe werden de hoeven van de abdij verpacht[11]?

Drie voormalige schepenen en meiers getuigden op 30 januari 1595 dat de pacht van de hofstaden van de abdij altijd in het cijnsboek werd genoteerd onder de rubriek pacht van hofstaden en dat ze werden verpacht ad modum domistadij, alsof het om knechten ging.

De eerste getuige was Gilles Raedt. Hij diende de abdij 25 of 26 jaar als schepen en meer dan 10 jaar als meier. Gillis Van Ginderachter, 66 jaar oud, was 28 jaar schepen en hij

heeft nooit anders geweten dan dat de hoeven gehouden werden als opsetene domistadij. De vierde  getuige, Guillaume Snellinck, was 23 jaar rentmeester van de abdij en heeft van vorige schepenen en meiers van de laatste vijftig jaar nooit anders gehoord dan dat de hofstaden altijd zijn verpacht geweest ad modum domistadij.

De drie getuigen stelden hun verklaring op voor Aert Mottemans te Brussel.

Wellicht gaat het hier om dom Arnoud Motmans, afkomstig van Leuven. Hij legde de geloften af in 1552 en ontving de priesterwijding op 1 april 1557. In 1563 werd hij prior en op 8 januari tot abt gekozen, maar zijn verkiezing werd nooit door de paus bevestigd. Hij was een voortreffelijk bestuurder. In 1580 trok hij zich terug in de priorij Waver. Dom Motmans overleed op 14 juni 1597.

Ick Gillis Raedt als meijer des Godtshuijs van Affligem ende den voorschreven Godtshuijse gedient hebbende van over de vijff off sessentwintich jaeren voir schepenen ende nu van over thien jaeren geleden voir meijere attestere midts desen als dat ick noijt anders en hebbe gehoirt van mijne voorsaeten in officie ende andere ouders (ouderen) van over de vijff ende sessendertich jaeren ende meer als meijers, schepenen ende anderssints gedient hebbende off de goeden ende panden staende int cheijnsboeck des voorschreven Goidtshuijs van Affligem onder de capittelen geïntituleert pacht van hofstaden ende sijn altijt gehouden geweest gelijck die noch……..

1615 – Matthias Hovius berispt Affligem.

Matthias Hovius werd op 25 september 1595 tot aartsbisschop van Mechelen benoemd en tegelijk tot de 29ste abt van Affligem die toen uit amper vier monniken bestond. De abdij lag sinds 1580 in puin en de monniken verbleven sinds 1595 in het Keizershof te Mechelen tot ze in 1605 naar Affligem konden terugkeren om met de wederopbouw van de abdij te beginnen. Aanvankelijk was Hovius de monniken niet goed gezind. Hij wilde de abdij afschaffen om zo over alle inkomsten van Affligem te beschikken voor de uitbouw van zijn aartsbisdom. In zijn laatste jaren echter steunde hij het herstel van de abdij waar hij soms een week lang verbleef. Dat blijkt ook uit zijn ordonnantie van 22 januari 1615 die Beda Regaus in zijn Bona et Jura (kolom 402 e.v.) opnam. Daarin vaardigde hij een aantal maatregelen uit tot verbetering van de werking van de Affligemse schepenbank.

De ordonnantie is gericht aan de meier, griffier en de wethouders van de schepenbank van de abdij met de duidelijke vermelding dat zij zich voertaen sullen schuldich zijn te reguleren.

1- De overmeier Jan Mertens mag niet optreden als advocaat voor de schepenbank.

2- De overmeier moet samen met de schepenen op geregelde tijden de straten en wegen controleren.

3- Alle procedures van de schepenbank en ook de regeling van de onbetaalde cijns worden beslecht door de meier en twee schepenen.

4- Een rechtszitting wordt gehouden door de meier en vier schepenen.

5- De zittingen hebben om de veertien dagen plaats op maandag. Als die dag een feestdag is, verschuift de zitting naar dinsdag.

6- De zittingen gaan door in de abdij in een lokaal door de E.H. Proost aan te duiden.

7- Alle brieven de schepenbank worden gezegeld in aanwezigheid van twee schepenen.

8- De proost zal ook over een sleutel van de comme der registers ende munimenten beschikken.

9- De meier, de griffier en de schepenen zullen in de plaats van 33 gulden 7 stuivers die ze tot nu als zitpenning ontvingen, voortaan mondcost in de abdij hebben zonder een financiële vergoeding.

10- Overmeier Mertens zal aan de schepenbank binnen de veertien dagen een copie autenticq van alle instructies van zijn dienst bezorgen.

11- Griffier Peter Van Ginderachter moet van de akten van de wettelijke verkopingen van de schepenbank en van andere bewijsstukken een kopie bezorgen aan de schepenbank van Asse voor de registratie van de stukken.

Tot heden werden de ordonnanties niet goed onderhouden wat nadelig was voor de abdij. Vanaf nu moeten alle beter hun debvoiren doen, zeker wat betreft de achterstallige cijns. Ik beveel dat Michiel ’t Serbranckx als griffier en Carel Van der Slachmolen als meier Jan Mertens en Peter Van Ginderachter een straf op te leggen. Ik Reker erop dat allen deze onderrichtingen punctuelijck zullen onderhouden.

1616 – Een pachtcontract voor een hoeve te Asbeek[12].

Op 16 december 1616 verhuurde Margriete Moijesoen, de weduwe van wijlen Guillam Snellincq, gewezen rentmeester van de abdij, een stenen huis met galerij en boomgaard in Asbeek aan timmerman Louis Costermans voor 40 gulden. Het contract hield voor de pachter meerdere verplichtingen in.

1 Wanneer de pachter de huur opzegt, moet hij een huurder zoeken die de goedkeuring heeft van de eigenaar.

2 De helft van het fruit in de boomgaard komt aan de verhuurster toe.

3 De dammen tussen de beek en de vijver en die langs de boomgaard moeten elk jaar worden hersteld.

4 Wanneer de verhuurster of iemand die vanwege haar naar Asse komt, dan krijgt zij of die andere persoon logement op de neerkamer tegen de koolhof.

5 De huurder kan geen kosten van reparatie inbrengen  dan alleen degene die noodzakelijk waren en de goedkeuring van de eigenaar hadden.

Zes jaar later, in 1622, kwam het tot een conflict tussen Margriete en Louis. Hij had samen met Peter Verheyden, Ingel van den Driesch en Lambrecht Tielman van haar een aantal bomen gekocht. Daar was een abeel bij die aan de kant van de beek stond die langs de weide achter het pachthof stroomde en zo verder langs de vijver voor het stenen huis. Van Louis verwachtte ze dat hij de abeel boven de grond zou afzagen zodat de zijkant van de beek niet zou instorten. Maar Lois haalde heel de stronk uit de grond om dat hout nog te recupereren en zo liet hij een groot gat achter dat bij de minste vloed nog zou vergroten. Dat getuigde volgens haar van quaden aensien vermits in de pachtovereenkomst stond dat de bomen boven de grond moesten worden afgezaagd. Om verdere schade aan de weide te voorkomen, daagde ze Louis op 7 februari 1623 voor de schepenbank met het verzoek dat de schepenen hem zouden veroordelen om de berm in de oorspronkelijke staat te herstellen.

1619 – De klacht van pachter Andries Van der Straeten[13].

Andries Van der Straeten pachtte in 1610 de Hoeve ter Heyden Bossche in de Vrijheid van Asse van de abdij Affligem. De hoeve was toen, volgens een schrijven van Andries aan de aartsbisschop Hovius,  seer desolaet, onversien van wooninghe, schure of stallingen, dan alleenlyck eenighe hutten staende op micken[14]. De afgaande pachter had de hoeve verwoest, verbrand en het hout verkocht. De aartsbisschop-abt gaf hem de toestemming om een nieuwe schuur te bouwen met het hout dat hij in de bossen van Affligem  mocht kappen.

De aartsbisschop, Matthias Hovius, te Mechelen geboren in 1542 en in 1567 tot priester gewijd, werd op 25 september 1595 tot aartsbisschop van Mechelen benoemd en tegelijk tot de 29ste abt van de abdij Affligem. Dat was een gevolg van de oprichting van het aartsbisdom Mechelen. De abdij werd toen als dotatie toegewezen aan het aartsbisdom. Affligem telde op dat ogenblik amper vier monniken. De abdij lag sinds 1580 in puin en de monniken verbleven vanaf 1595 in het Keizershof te Mechelen tot ze in 1605 naar Affligem konden terugkeren om met de wederopbouw van de abdij te beginnen. Aanvankelijk was Hovius de monniken niet goed gezind. Hij wilde de abdij afschaffen om zo over alle inkomsten van Affligem te beschikken voor de uitbouw van zijn aartsbisdom want hij kampte heel de tijd met financiële moeilijkheden. In de abdij nam een proost, door Hovius aangesteld, het dagelijks bestuur waar. In zijn laatste jaren echter steunde hij het herstel van Affligemj waar hij soms een week lang verbleef.

In 1619 verkreeg Andries een tweede pachtcontract voor een termijn van 9 jaar. Daar de hutten op de hoeve onbewoonbaar waren, mocht hij eenighe nieuwe edificiën oprichten. Van 1612 tot 1613 had hij al een dure schuur gebouwd en in 1620 startte hij met de bouw van een woonhuis, stallingen, een bakhuis en een wagenhuis. Dat werk heeft hem, zo schreef hij, zo kreupel gemaakt dat hij zijn handen en vingers niet meer kon gebruiken. Hij was er zo slecht aan toe dat hij soms twee tot drie maanden bedlegerig was. Daarenboven had hij bij het aanhalen van de bomen en ander materiaal zijn paarden versleten en zijn wagen stuk gevoerd. Zo’n werk zou hij nu niet meer aanvaarden, zelfs niet voor driehonderd pond groten.

Toen hij de brief schreef, had hij al enkele jaren de hoeve verlaten en hij herinnerde de Hoogw. Heer eraan dat hij toestond dat de nieuwe gebouwen werden getaxeerd door een onpartijdige expert om hem voor zijn werk te kunnen vergoeden. De taxatie bedroeg 3 759 gulden en 10 stuivers zonder de wagenvrachten het werk. Daarvan heeft hij slechts 400 gulden ontvangen zodat het resterend bedrag 3 360 gulden 6 stuivers bedraagt en na aftrek van zijn pacht nog 1 186 gulden 6 stuivers zonder de vergoeding voor de vrachten en het werk.

Andries wees er nog op dat in 1610 de beste velden uitgemergeld[15] en uitgeteerd waren en de slechte akkers begroeid met rieten, biezen en doornen. Het was onmogelijk om daarop vruchten te winnen tenzij na zware arbeid en toch verhoogde abt Hovius de pacht. De voorgaande pachter betaalde maar 260 gulden. Hij huurde de hoeve in 1610 voor 380 gulden en in 1619 was de pacht verhoogd tot 420 gulden.

Dom Wilfried beschreef de hoeve als volgt; Ze lag in Walfergem (Asse) en was in 1370 verhuurd voor 23 mudden rogge, 4 mudden gerst, 19 mudden haver en 24 fl. De landerijen lagen te Asse, Essene, Hekelgem en Meldert. Op 9 november 1650 werd de hoeve getaxeerd op 6 990 fl. Hendrik Van der Straeten was dan de pachter. Met het voorhof en bijvang, groentetuin, hoplochting en boomgaard met het blok achter de schuur bedroeg de oppervlakte 2 b 1 dw. In 1787 was de totale oppervlakte van het bedrijf 50 ha 40 a 22 ca[16]. Bij de confiscatie van de abdijgoederen in 1796 noteerden experts in dienst van de Franse overheid dat la cense de Terheydenbosch 40 b 32 r groot was en met de weduwe Gheude als pachter. Zij betaalde jaarlijks 860 gulden en 10 mudden haver. Ze had in 1796 een achterstallige pacht van 430 gulden voor 1795[17].

Het is jammer dat de laatste bladzijde van het document ontbreekt zodat we het antwoord van de abdij niet kennen. Dat de velden er verwaarloosd bijlagen was zeker een gevolg van de godsdienstoorlogen. Bezettingen, opeisingen, muitende Spaanse soldaten en de inquisitie hadden ervoor gezorgd dat veel mensen op de vlucht waren. Op 9 april 1609 werd een Twaalfjarig Bestand ondertekend zodat er eindelijk een periode van vrede aanbrak. De mensen herstelden hun huizen en konden hun akkers weer bewerken. De brief van Andries Van der Straeten typeert de tijd. De boeren brengen hun bedrijf weer in orde en zijn het slachtoffer van de geldhonger van overheid en grote eigenaars die ook hun bezittingen wilden herstellen.

1621 – Adriaan Van Linthout koopt De Putterije[18].

Op 20 december 1621 verkopen Karlen De Coninck en zijn vrouw Marie De Witte de weide De Putterije aan Adriaan Linthout en zijn vrouw Johanna De Vlaminck. De weide grensde aan de straat, de 6 dagwand van Aert Van de Putte en de Asbroek. Het goed was belast met een grondcijns van 9 cappuijnen, een vierlinck of in geld 3 gulden 5 stuivers ½ braspenning aan de abdij te betalen met Kerstmis plus een laatste rente van 18 carolusgulden.

1630 – Landmeter Joos Wouters betaalt niet[19].

Joos Wouters liet de schilder Jan Van Benthem in opdracht van de abdij drie koppen vergulden en zwart stofferen voor 5 gulden en nog eens 2 koppen met dezelfde opdracht voor zijn woonhuis binnen het klooster van Affligem voor 3 gulden. Maar Wouters betaalde de rekening niet, ook niet na het vele en menichvuldige minnelijck debvoiren van de schilder. Hij was zelfs naar Aalst en naar het huis van de schilder gegaan om aan zijn geld te geraken. Dus bleef er voor Van Benthem niets anders over dan inne te trecken den wech van rechte en de schepenen van Asse te vragen Wouters te verplichten de geëiste 8 gulden te betalen[20].

Het zinsdeel “voor zijn woonhuis binnen het klooster” roept nogal wat vragen op die een antwoord vereisen. Joos was een zoon van Andries en Anna Lemmens, een zus van Franchois Lemmens, de bosmeester van de abdij. Joos was meester timmerman en trouwde tweemaal. Eerst met Anna Robijns, dochter van Aert, de pachter op het Hof te Koudenberg te Hekelgem en daarna met Anna Van Mulders. Hij had geen kinderen en woonde te Meldert. Op 14 februari 1623 werd hij door aartsbisschop en abt Jacobus Boonen belast met de restauratie van de abdijkerk die sinds de brand van 1580 in puin lag. Er stonden nog slechts enkele muren overeind. Zijn taak omvatte zowel het timmer- als het metselwerk, de restauratie van de gewelven en de vloeren, de bepleistering en het witten, het herstel en verhogen van de twee torens en de bedaking met leien. De abdij zorgde voor de stenen en het hout. Op 1 september 1625 moest alles klaar zijn[21]. Om dat te realiseren moest Joos wel een beroep doen op bijzonder veel vaklui.

In 1644 maakte hij samen met zijn halfbroer Jan, bosmeester van Affligem, nog plannen voor een reeks verbouwingen van de abdij. De hiervoor vermelde opdracht aan schilder Jan Van Benthem had zeker te maken met zijn opdracht als restaurateur van de abdij. Het woonhuis binnen het klooster was de woning die zijn schoonbroer Franchois had laten bouwen achter de oostvleugel van de abdij toen de monniken nog in het Keizershof in Mechelen verbleven. Na hun terugkeer in 1605 gebruikte ze dat huis als refter en keuken en nadien nog als infirmerie. In 1637 werd het afgebroken. De vraag is dus: woonde Joos ook in dat huis tot 1605 of gaat het om een onjuiste formulering en moet het zijn: het huis binnen het klooster.

1632 – De griffier van de abdij eist betaling van renten[22].

Op 30 juni 1632 wil Peter Van Ginderachter, de griffier van de schepenbank van Affligem, van Peter Verhasselt weten waarom hij zijn vierde deel van een erfelijke rente van 24 gulden niet betaalde. Via zijn advocaat Adriani richtte hij zich tot de schepenbank van Asse. De ¾ van die rente was in handen van Peter Hujoel en zijn erfgenamen.

Dat Peter Verhasselt die 1/4 of 6 gulden moest betalen blijkt uit seker geschrift tusschen den voorschreven Verhasselt ende Peter Van Ginderachter. Dat was het begin van een gerechtelijke procedure die anderhalf jaar zou duren.

Op 30 juli 1633 oordeelden de schepenen van Asse dat de voorgelegde stukken Peter Van Ginderachter toelieten de procedure tegen Peter Verhasselt en Peter Hujoel voort te zetten. Voor Peter Verhasselt was dat een teken dat hij zijn gelijk niet kon halen en hij gaf in consignatie aan Carel Van Innichoven, de vorster van de schepenbank, zijn vierde part van de rente. Peter Hujoel deed hetzelfde voor de overige 3/4den. Maar volgens de schepenen kon men zich alleen ontlasten van eenige quijtbare renten de selve moet affleggen ende quijten in handen van de gene die daertoe sijn gericht, met andere woorden de rente moest aan Peter Van Ginderachter worden betaald. Uiteindelijk, het procederen moe, verzochten zowel Peter Van Ginderachter als Peter Hujoel en zijn familie de schepenen om een vonnis. Na advies van geleerden ende meesters in rechten dat Peter Van Ginderachter voor ¾ van de rente panden van Peter Hujoel en zijn familie mocht aanslaan tot het bedrag van de achterstallige rente. Bovendien werden zij ook veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten.

1634 – De koeien mogen er niet door[23].

1634. Al drie jaar is er te Asbeek een conflict tussen twee pachters. De weduwe van Jan De Valck wil niet dat er door haar straatje koeien naar de weide gedreven worden en zeker niet dar er wagens getrokken door paarden door komen. Voor de pachters op de hoeve van Margriete Moeijsoen, de weduwe van de abdijrentmeester Guillaume Snellinck is dat onaanvaardbaar. Margriete schakelde advocaat Adriani in om haar zaak bij de schepenbank van Asse te bepleiten.

Over welke staat ging het? Het straatje met aan de kant een voetpad is een zijweg van de reijbane loopende van Aelst op Brussel. De huidige steenweg werd pas in 1704 aangelegd. Was die reijbane dande oude Romeinse heirbaan of de oude handelsweg die van de abdij via de Abdijstraat, de Domentseweg en een deel van de Gentsesteenweg aansloot op de oude heirbaan[24]? Uit de context van het document kunnen we afleiden dat het gaat om het straatje op de bijgevoegde kaart links van de splitsing van de hoofdweg met op het einde voorbij de scherpe bocht naar links de aansluiting op de voetweg.

Om zich over de zaak goed te kunnen informeren riepen de schepenen Steven Van Mulders en Thomas De Pleckere op 20 september 1634 vier getuigen op. De eerste getuige was Merten Verhaegen, een 65-jarige arbeider uit Asbeek. Sinds zijn jeugd woonde hij in Asbeek en hij was al dikwijls in het straatje geweest. Hij weet dat tot drie jaar gelden de voetweg werd gebruikt om het vee naar de weiden te leiden, maar zelf heeft hij dat niet gezien en zeker niet dat er waegens, ploegen off eghden  door reden. Trouwens voor veertien jaar lag de ingang van het straatje zo hoog dat het voor wagens, geladen of leeg, niet mogelijk was om er in te rijden. In de straat, aan de kant van het blok De Filleijt” ligt er een bron die men, voor de troublen begonnen langs drie kanten heeft omheind. Hij heeft vaak van het water uit de bron gedronken. Maar tussen de omheinde bron en de beek is er nu zo weinig plaats dat het niet mogelijk is om er met wagens te passeren. Merten verklaarde voorts dat er ook abelen stonden en dat de schuur van de weduwe De Valck langs de kant van het gehucht Ter Beken zo dicht tegen de beek staat dat men met wagens daardoor niet over de stenen brug kan rijden in de richting van De Weijtsbeke of het Bekerveld. Hij is meermaals in die schuur geweest, ook eens toen er een bruiloft was en hij uit nieuwsgierigheid naar bruid en bruidegom ging kijken.

Adriaan Schockaert, 60 jaar en Asbekenaar, vertelde dat zijn vader nog op het pachthof van Snellincq heeft gewerkt en hij is dus dikwijls in de straat geweest. Van zijn vader en ook van Christiaan De Corte hoorde hij dat men tot drie jaar geleden langs de straat dieren naar de weide bracht, wagens reden er niet door. Die van Ter Beken moesten hun varkens laten hoeden met die van Asse en ze mochten hun dieren door de dreef leiden. Hij herinnerde zich ook dat hij elf tot veertien jaar gelden zijn koeien door het straatje naar Het Weijtsbroeck wilde drijven en dat Josijne Van der Borcht, de weduwe van Peter De Valck, en schoonmoeder van de gedaagde weduwe van Jan De Valck hem niet doorliet zodat hij genoodzaakt was om terug te keren. Aan de ingang van de weide van De Valck stond een stichele, een getimmerde overstap, en in de zijkant van de beek was er een gat gevuld met doornen. Zelf was hij jarenlang voerman, maar hij heeft nooit iemand met paarden door de dreef zien rijden en hij heeft wel vijf of zes pachters van het hof van Snellincq gekend.

 Rombout Verhaegen, een 59-jarige arbeider uit Asbeek bevestigde de verklaringen van de getuigen voor hem. Hij herinnerde zich een conflict met Josijne De Valck, kleindochter van Josijne Van der Borcht. Zij verhinderde dat enkele meiden van Adriaan De Waghenere, pachter van het hof van Snellincq, met de koeien door het straatje wilden gaan en dat Josijne de dieren met eene peertse wederomme dede keeren ende gaen van aldaer sij gecommen waeren. Volgens hem stond de stichele dwars over de dreef net aan de ingang van de weide.

Timmerman Ingel Van der Heyden, 66 jaar, was de laatste getuige. Hij woonde al 44 jaar in Asbeek en was 28 jaar lang de tiendensteker voor Adriaan Schockaert en Adriaan De Waghenere. Dat de voetweg werd gebruikt om koeien, paarden, schapen en ander vee door te leiden, weet hij niet. Van Adriaan Schockaert en Christiaan De Corte vernam hij dat het wel het geval was tot drie jaar geleden. Tot slot vertelde hij nog dat, als Den Cluijsberch was bezaaid, het Bekerveld braak lag en omgekeerd.

Na het verhoor van de getuigen eiste Margriete Moeijsoen op 17 oktober dat haar tegenstandster alle schriftelijke bescheeden zou voorleggenwaarop zijzich steunde om de toegang tot het straatje aan anderen te verbieden. Bovendien wilde ze ook dat de weduwe De Valck een borg zou stellen omdat ze een vrouw was van afgaende middelen. Die ontkende ten stelligste dat zij financiële problemen had. Alle inwoners van de Vrijheid, zo stelde ze, weten dat zij is versien van vele schoone gronden, van erffven ende behuijsde hoffsteden die sij voor geene thien duijsent guldens en soude willen acquiteren en bijgevolg hoefde  ze niet voor een borg te zorgen. Op 23 januari 1635 gaven de schepenen haar daarin gelijk. Of ze haar ook gelijk gaven en de boeren met hun koeien door het straatje niet meer mochten passeren, weten we niet.

In 1622 had Margriete al eens een proces ingespannen bij de schepenbank. Timmerman Louis Costermans, de pachter van haar hoeve te Asbeek, had samen met Peter Verheyden, Ingel Van den Driesch en Lambrecht Tielman een aantal van haar bomen gekocht. Daar was een abeel bij die stond aan de kant van de beek die langs de weide achter het pachthof stroomde en zo verder langs de vijver voor het stenen huis. Van Louis verwachtte ze dat hij de abeel boven de grond zou afzagen zodat de zijkant van de beek niet zou instorten. Maar Louis haalde heel de stronk uit de grond om dat hout nog te recupereren en zo liet hij een groot gat achter dat bij de minste vloed nog zou vergroten. Dat getuigde volgens haar van quaden aensien vermits in de verkoopsovereenkomst stond dat de bomen boven de grond moesten worden afgezaagd. Om verdere schade aan de weide te voorkomen, daagde ze Louis op 7 februari 1623 voor de schepenbank met het verzoek dat de schepenen hem zouden veroordelen om de berm in de oorspronkelijke staat te herstellen[25]. In hetzelfde dossier zat ook het pachtcontract van 16 december 1616. Margriete Moijesoen verhuurde een stenen huis met galerij en boomgaard in Asbeek aan Costermans voor 40 gulden. Het contract hield voor de pachter meerdere verplichtingen in.

1 Wanneer de pachter de huur opzegt, moet hij een huurder zoeken die de goedkeuring heeft van de eigenaar.

2 De helft van het fruit in de boomgaard komt aan de verhuurster toe.

3 De dammen tussen de beek en de vijver en die langs de boomgaard moeten elk jaar worden hersteld.

4 Wanneer de verhuurster of iemand die vanwege haar naar Asse komt, dan krijgt zij of die andere persoon logement op de neerkamer tegen de koolhof.

5 De huurder kan geen kosten van reparatie inbrengen dan alleen degene die noodzakelijk waren en de goedkeuring van de eigenaar hadden.

1637 – De kinderen Snellincq verkopen al hun bomen (1637)[26].

Na de dood van hun moeder, Margriete Moijesoen die al weduwe was van de abdijrentmeester Guillaume Snellincq, verkopen haar kinderen alle bomen die op de gronden van hun erfenis stonden. Dat gebeurde onder strikte voorwaarden.

1 De kopers betalen de helft van de koopsom op Sinte Mertensmesse (11 november) en de andere helft op Sinte Andriesmesse (30 november).

2 Wie eerste bod uitbrengt tot tevredenheid van de verkopers, krijgt den palmslach en als er geen opbod komt, heeft hij recht op 24 stuivers.

3 Wie de palmslag heeft, mag voor de anderen tot driemaal toe opbieden. Van elk bod van 24 stuivers is 2/3 voor de verkoper en 1/3 voor de bieder. Nadien mag ieder bieden zoveel hij wil.

4 De laatste bieder bij de vuijtganck van der berrender keerssen off stockslaeghe moet binnen de acht dagen de koopsom betalen ten huize van advocaat Snellincq in Brussel op de hoek van de Nieuwe Ossenmarkt op straf van 10 gulden voor elke koop.

5 De kopers moeten onmiddellijk voldoende borg geven. Als iemand geen borg wil of kan geven, dan zal men de goederen opnieuw verkopen. Is de verkoopsom lager dan bij de eerste verkoop, dan zal de gebreckelijcken cooper het verschil plus de onkosten en de schade moeten vergoeden. Bedraagt de koopsom hoger dan bij de eerste verkoop, dan komt het verschil de verkopers ten goede.

6 De kopers zullen de bomen die op de kanten staan, net boven de grond afzagen. Halen zij de stronken uit de grond, dan moeten ze de putten op hun kosten binnen de veertien dagen vullen. Tegen Sint- Andries moeten alle bomen gekapt en alles opgeruimd zijn. Is dat niet gebeurd, dan worden de bomen geconfisqueerd. De struiken mogen niet beschadigd worden.

7 Het hout wordt weggevoerd langs de wegen die de pachter zal aanduiden.

8 De kopers zullen in handen van de advocaat Snellincq 7,5 stuivers op elke koop betalen voor de registratie van de borgstelling.

9 Om de bomen te ontgraven mogen de putten niet groter zijn dan vier voeten in de ronde.

10 De struiken die de kopers hebben verwijderd om de bomen te kappen, moeten zij herplanten.

Verslag van de verkoop.

Aan het stenen huis.

1 Twee appelaren en een perelaar in de boomgaard, ingesteld door meester Nicolaas Snellincq, geen hoger bod: 6-5-0.

2 Vier appelaars tegen de straat, waarvan een op de grond ligt, ingesteld door meester Snellincq, geen hoger bod: 6-5-0.

3 Een appelaar en een kerselaar tegen de straat lopende naar de dam van de vijver, ingesteld door meester Snellincq, met zesmaal hoger bod: 11-0-0.

4 Aan de vijver twee appelaars en twee elzen, ingesteld door dezelfde advocaat, met zesmaal hoger bod: 4-10-0.

5 In de boomgaard een appelaar, twee kerselaars en een notelaar, ingesteld door Hendrik Van Ginderachter, met driemaal een hoger bod: 6-10-0.

6 Acht pruimelaars, voor de boomgaard, ingesteld door Gillis Verhasselt, met driemaal opbod: 1-17-0.

7 Een beuk, twee appelaars en twee perelaars, ingesteld door Jan Baptist Boonaet, met viermaal een hoger bod: 6-10-0.

8 Aan de bocht voor het huis een notelaar, twee notelaars bij de schuur op de andere boomgaard, ingesteld door de advocaat, met viermaal een hoger bod: 11-10-0.

9 Drie appelaars en een perelaar langs de straat, ingesteld door Guillam Van Langenhove, met driemaal een opbod: 7-5-0.

10 Twee appelaars en twee tronkeiken[27], ingesteld door de advocaat, met viermaal een hoger bod: 8-0-0.

11 Aan de andere straat op het einde van de poel drie wilgen, een els en een tronklinde, ingesteld door Steven De Raedt, met driemaal een opbod: 5-5-0.

12 Aan de andere zijde van de vijver drie wilgen, ingesteld door Arnoult Adriani, met driemaal een hoger bod: 7-0-0.

13 Drie notelaars tegen de vijver en twee olmen aan de straat, ingesteld door Merten De Meester, met driemaal een hoger bod: 13-10-0.

Achter de gaelderije.

1 Tien kerselaars, ingesteld door meester Jan Baptist Boonaet, met driemaal een hoger bod: 2-8-0.

2 Een populier en drie wilgen, ingesteld bij Gillis Van Langenhove, met driemaal een hoger bod: 6-0-0.

3 De berk over de beek, een grote beuk, twee tronkeiken en een opgaande eik, ingesteld bij de advocaat, met achtmaal een hoger bod: 20-0-0.

4 Op de hoofddam aan de brug 21 wilgen, ingesteld door de advocaat, met driemaal een hoger bod: 6-0-0.

5 Vier opgaande wilgen en een tronkwilg aan de bron, ingesteld door Gillis Verhasselt, met driemaal een hoger bod: 13-0-0.

6 Langs de voetweg tussen het bos en de bron drie elzen, een opgaande eik en een tronkeik, ingesteld door Arnoult Adriani, met driemaal een hoger bod: 11-0-0.

7 Op de Putberg vier opgaande espen, ingesteld door Joos Rogiers, met driemaal een hoger bod: 8-10-0.

8 Ook op de Putberg zes espen, ingesteld door Jan Baptist Boonaet, met driemaal een hoger bod: 9-0-0.

9 Idem tegenover de vijver zes espen, ingesteld door advocaat Snellincq, met viermaal een hoger bod: 8-10-0.

10 Idem beneden aan de weg twee espen, twee olmen en een opgaande eik, ingesteld door Carel Van Innichoven, met driemaal een hoger bod: 11-0-0.

Op de Putberg.

1 Int afhangen van den berch een esp, een tronkeik en vier opgaande eiken, ingesteld door de advocaat, met viermaal een hoger bod: 8-0-0.

2 Tegen Het Vilt twee opgaande eiken, een tronkeik en een esp tegen de voetweg, ingesteld door Arnoult Adriani, met driemaal een hoger bod: 9-0-0.

3 Op dezelfde plaats drie espen en een kerselaar, ingesteld door Jan De Troch, met driemaal een hoger bod: 10-0-0.

4 Op De Steenpoel tegen de straat twee opgaande eiken aan malkanderen gewassen als een gaffel, twee opgaande eiken en een tronkes, ingesteld door de advocaat, met zesmaal een hoger bod: 15-10-0.

5 Ook drie tronkeiken, een olm, drie kerselaars, twee opgaande eiken en een esp, ingesteld door Jan Cornelis, met viermaal een hoger bod: 12-0-0.

Tegen ’t Gaetkensblock ende Rotbroeck ende daer binnen.

1 Twee tronkeiken en twee kerselaars, ingesteld door Carel Van Innichoven, met driemaal een hoger bod: 8-10-0.

2 Aldaar ook een tronkels, een kerselaar en twee tronkessen, ingesteld door Carel Van Innichoven, met driemaal een hoger bod: 8-0-0.

Op de Wijtsbeek.

1 Een opgaande kerselaar, een tronkkerselaar, een tronkeik, een els met een gaffel, nog een opgaande els en nog een kerselaar aan de Molenbeek, ingesteld door (onleesbaar), met zesmaal een hoger bod: 9-10-0.

Op Bekerveld

1 Twee tronkeiken, ingesteld door de advocaat, met driemaal een hoger bod: 7-10-0.

Op ledich lant int Bosselken.

1 Een tronkeik, twee kerselaars, een perelaar en een esp die op de grond ligt, ingesteld door François Linthout, met driemaal een hoger bod: 7-0-0.

2 Twee opgaande eiken, een tronkeik, een opgaande es en een tronkes, ingesteld door de advocaat, met zesmaal een hoger bod: 25-0-0.

Derden coop vervolgens int weijken tegen den dreeff.

3 Drie tronkeiken, twee tronkessen, twee kerselaars en twee opgaande essen, ingesteld door Joos Rogiers, met driemaal een hoger bod: 25-10-0.

4 Een opgaande eik en twee tronkeiken, ingesteld door meester Jan Baptist Boonaet, met viermaal een hoger bod: 11-0-0.

5 Tegen ’t Bekerveld nog drie tronkeiken, een kerselaar en een es, ingesteld door Carel Van Innichoven, met driemaal een hoger bod: 18-10-0.

Iersten coop tegen Cleijn ledich landt aen De 3 Dachwanden.

1 Drie tronkeiken zonder een gaffel en een tronkes, ingesteld door de advocaat, met zesmaal een hoger bod: 22-10-0.

2 Vijf tronkeiken en een tronkes, ingesteld bij de advocaat, met viermaal een hoger bod: 15-10-0.

3 Nog vier opgaande essen en twee tronkessen, ingesteld door Carel Van Innichoven, met driemaal een hoger bod: 29-0-0.

Bijzondere koop.

Tussen de vijver en de beek op de dam, beginnend aan de grobbe waar het beekwater in de vijver vloeit tot aan de bron: 59 wilgepoten, ingesteld door Merten De Meester, met driemaal een hoger bod: 3-0-0.

1637 – Wie heeft recht op de cijns van de Merchtemkouter[28]?

Volgens Steven Herrebosch, de ontvanger van de cijns voor de abdij te Merchtem, kwam de cijns van een stuk land op de Merchtemkouter naast de Weijenberghe en tegen het koutergat in de Vrijheid van Merchtem toe aan de abdij. Het ging om 9 viertelen rogs. Hij was in het bezit van dat perceel gekomen op 12 september 1637. Maar Steven Van der Slachmolen, man van Margarite Van Nieuwenhove en voorheen van Peter Verhasselt, eiste van de ontvanger een cijns van 9 gulden per jaar. Zijn voorouders hadden op dat stuk land altijd de cijns geïnd. Van de Schepenbank van Asse verwachtte hij dat Steven Herrebosch zou veroordeeld worden tot betaling van  225 gulden, namelijk zijn achterstel plus kosten.

Had Steven Herrebosch zich onopzettelijk vergist of was het een sluwe zet om aan de cijns te ontkomen? Daar het document onvolledig is, zullen we het antwoord niet te weten komen.

Gedaegde den welcken was getreden in possessie van dien op den twelffsten september sesthien hondert ende sevenendertich getelt in voldoeninghe van sijne achterstel de somme van twee hondert vijffentwintich rinsguldens blijckende bij de autentijcke cpoije van de quittantie hier mede gaende

Hebbende daer vor aen voorschreven voorsaeten des aenleggers ende aen sijn huisvrouwe gegeven de ….

1641 – Gillis betaalt het vet rund niet[29].

Gillis Van Ransbeke kocht, tussen 1641 en 1649, een vet rund van dom Rumoldus Crabbe, de hofmeester van de abdij voor 15 gulden. Maar dom Rumoldus kon int minnelijck egeene betaelinge becommen wat debvoiren tot dien eijnde gedaen. Om aan zijn geld te geraken bleef hem niets anders over dan Gillis door de schepenbank van Asse te laten dagvaarden in de hoop dat de schepenen hem zouden verplichten zijn schulden te betalen.

Rumoldus Crabbe was afkomstig van Brussel en trad in 1627 in. In 1636 was hij pomarius, de verantwoordelijke voor de boomgaard, en vanaf 1641 was hij hofmeester. In 1649 vertrok hij naar de priorij Bornem. Hij kampte voortdurend met hoofdpijn en overleed op 15 juli 1650.

Gillis Van Ransbeke vinden we in die tijd niet in Meldert.

1645 – De boswachter van de abdij blijft in gebreke[30].

Stel je huurt een stuk land en de vruchten die je daarop hebt gezaaid worden vernietigd door een kamperend leger, een storm of overvloedige regens. Moet je dan de pacht betalen? Dat is een eeuwenoude strijdvraag. De verhuurder had natuurlijk gerekend op die inkomsten en de huurder op de opbrengst. Voor beiden een moeilijke zaak. De abdij voorzag in haar pachtcontract voor dergelijk voorval een schadeloosstelling als ze tijdig op de hoogte werd gebracht en de schade kon laten taxeren. Maar niet alle eigenaars waren daartoe bereid zoals onderstaand geval aantoont.

Jan Maurissens, boswachter van de abdij, pachtte in 1645 en 1646 van Guillaume Plas de naerweijde gelegen in Den Rooden Meersch  te Meldert. In 1645 viel er zoveel regen dat de weide bijna heel de tijd onder water stond en hij er geen enkel profijt van had en dus betaalde hij de pacht niet. Dat leverde hem een proces op want Guillaume had een klacht tegen hem ingediend bij de schepenbank van Asse.

In Meldert komt er midden 17de eeuw een familie Marissens voor: Jan en Barbara Fijn. Zij hadden 6 kinderen te Meldert gedoopt:

1- Gertrudis, ° op 17 november 1637.

2- Margareta, ° op 27 november 1639.

3- Judoca, ° op 12 augustus 1641.

4- Jan, ° op9 augustus 1643.

5- Martinus, ° op 19 maart 1646.

6- Catharina, ° op 7 augustus 1649.

Een Guillaume Plas komt dan niet in Meldert voor.

1661 – Is meier de Charles de la Mars een woekeraar?[31]

Charles de la Marche of de la Mars was meier van de abdij Affligem van 1616 tot 1657. Hij was gehuwd met Catharina de la Quadra, overleden in 1635. Zijn pensioen van 75 gulden stopte in 1661. Was hij overleden of was het een strafmaatregel van de abdij omwille van zijn frauduleus gedrag? Zijn slechte reputatie was in elk geval bij de abdij bekend geraakt. Hierbij twee rechtszaken waarbij Charles de la Mars betrokken was.

De zaak Jan De Deken

In 1650 ging Jan De Deken uit Mazenzele een lening aan van 8 ponden Vlaams bij Charles de la Mars, meier van de abdij Affligem. Twee jaar later leende hij nog eens 10 ponden, samen 18 ponden Vlaams of 108 rijnsgulden. Zoals bepaald door de wet, vroeg de meier geen intrest. Keizer Karel had op 29 oktober 1540 een plakkaat uitgevaardigd dat bepaalde dat het alleen aan den goeden coopman geoirloft ende toegelaten was intrest te vragen tot een rente van maximum 8,33%. Aan anderen was het verboden van met geld winst te maken, dat werd beschouwd als woeker. Volgens Jan had de meier hem door groote persuasie, inportun schrijven ende continuele drijgementen zodanig gedwongen ende affgeperst dat hij elk jaar 8 gulden betaalde voor de eerste lening en 12 gulden voor de tweede. In het totaal had hij al 75 gulden betaald in de mening dat hij zo zijn leningen afbetaalde en dat er slechts nog 37 gulden van overbleef. Zijn verontwaardiging was dan ook groot toen hij ontdekte dat volgens De la Mars hij alleen maar de intrest op de lening had betaald. Dat was volledig in tegenstrijd met het plakkaat van de keizer waarin uitdrukkelijk vermeld was dat het is notoir ende wel expressellycken verboden dat men van geleenden gelde egeenen intrest schuldich en is te betaelen noch en vermach heijsschen vele min te doen betaelen. Zijn betalingen waren dus afkortingen van de geleende bedragen. Als de la Mars dat niet aanvaardde was hij eenen waerachtghen woecker, zeker gezien het hoge bedrag dat hij eiste, meer als drije dobbelen intrest.

Maar de meier perste niet alleen Jan De deken af. Ook van andere schamele persoonen woonende alhier onder Assche ende binnen de Lande van Brabant eiste hij zo’n hoge intrest dat hij ze tot de beenen toe is vuijtmergelende ende hun vleesch ende bloed is opetende. Bovendien ontkende hij, ter quaeder trouw sijnde, dat De Deken hem geld had gegeven. Gelukkig had Jan enkele getuigen. Tegenover notaris Michiel De Bisschop verklaarde Jan De Nil, 28 jaar, onder eed dat hij samen met de vrouw van De Deken naar de woning van de meier te Aalst was geweest. Daar aangekomen gaf de vrouw hem een som geld om het voor haar te tellen en aan de meier te geven. Die nam de munten uit zijn handen en zei dat hij het geld zelf wel zou tellen. Hij ging er mee naar zijn comptoirken. De Nil, gezeten op seker banxcken hoorde hem het geld tellen. De Dekens vrouw zei toen dat het 12 gulden was, wat de meier bevestigde met de woorden jae, jae, wij sullen geen abuus hebben. Peter Van den Driessche, 60 jaar, getuigde dat hij met Jan De Deken naar sieur De la Mars was geweest om er 48 gulden te lenen. De meier overhandigde Jan slechts 44 gulden, 4 gulden diende als intrest. Een derde getuige, de 54-jarige Joos De Nil, verklaarde dat hij drie jaar geleden met Jan De Deken meeging naar de meier en dat Jan daar een som geld aan de meier gaf. Hoeveel weet hij niet. Hij hoorde wel dat de meier zei dat Jan nog tijd genoeg had om de lening te betalen. Anna Moyensoen, de weduwe van Adriaan Van den Biesen betaalde voor Jan aan de meier 2 gulden. Erger nog overkwam het de kinderen en erfgenamen van Gillis Van Ransbeke. Hun vader had bij de la Mars een lening aangegaan en volledig terugbetaald. Op de keerzijde van het contract stonden de afbetalingen genoteerd. De la Mars had dat gedeelte van het contract afgesneden, maar men kon nog zien eenighe beenen van de letteren off woord betaelt. De meier ontkende met eenen quaden eed de betalingen. Toch moest hij zijn misstap toegeven aan enkele monniken.

De la Mars beging trouwens meerdere criminele feiten. Als notaris vervalste hij[32] een akte en alleen door tussenkomst van goede vrienden kreeg hij alleen een boete. Hij werd, aldus Jan De Deken alleenelijck gegeeselt in de borse. Het verwonderde Jan dat de overmeier, die toch op de hoogte was van de criminele handel van de meier, hem als advocaat liet optreden. Maar het is zoals men zegt: om liefde van den smeer, leckt de kat den candeleer. Tot slot van zijn verweer drukte De Deken de hoop uit dat de overmeier, nadat hij zijn weerlegging aandachtig heeft gelezen en zich goed heeft geïnformeerd, de la Mars niet zal favoriseren, maar tegen hem sijn swerdt sal trecken ende daerover straffen naer behooren.

Op 17 augustus 1660 kwam het tot een akkoord tussen Charles de la Mars junior, die zijn vader vertegenwoordigde, en Jan De Deken met zijn vrouw Pierijne Moysoene. Omdat er noch vele costen souden hebben connen te gereijsen besloten ze het proces te beëindigen. Voor notaris H. De Raedt en in aanwezigheid van de getuigen Michiel De Baetselier en Servaas Moysoene kwam de volgende overeenkomst tot stand. Jan De Deken zou direct 6 gulden en binnen de 8 dagen 36 gulden aan de la Mars betalen. De 14 gulden die Jan nog schuldig was door de verplichting van een koppel kippen te geven, kwam te vervallen. Omdat de advocaat van De Deken, Slachmolen, zijn extraordinaire debvoiren had gedaan, stelde de notaris voor dat Jan hem eene coppel haesen versch wesende zou geven.

De zaak Joos De Nil[33].

Ook Joos De Nil, eveneens uit Mazenzele en zoon van Machiel, ging bij meier de la Mars een lening aan. Op 6 mei 1659 ontving hij 96 gulden. Die lening bestond uit graan ter waarde van 24 gulden, en een bedrag van 60 gulden dat nog werd aangevulde met 12 gulden. De akte werd verleden door notaris De Bisschop. Van een intrest was bij het opstellen van de akte geen sprake. In de volgende twee jaar betaalde Joos 61 gulden 1 stuiver af zodat hij nog 38 gulden 6 stuivers had af te korten. Tot zijn ergernis ontdekte Joos dat de la Mars de bedragen had veranderd. Er stond nu 62 gulden in de plaats van 60 en 14 gulden en niet 12. Hij had er dus 4 gulden bij gedaan. De Nil, onnoosel sijnde, zwichtte voor de dreigementen van de meier en aanvaardde de verhoging van het bedrag. Ook uit vrees voor bijkomende kosten.

Maar het ergste moest nog komen. Op 21 januari 1661 diende de la Mars bij de schepenbank een klacht in tegen De Nil wegens wanbetaling. Volgens een akte van notaris De Bisschop van 1 oktober 1655 had De Nil bij de meier een lening aangegaan van 210 gulden 10 stuivers met een intrest van 6,25%. Daarvan had hij al 61 gulden 1 stuiver afbetaald en was hij hem nog 150 gulden schuldig. Volgens De Nil zou hij nooit zo’n akte ondertekenen en was het zo klaar als de sonne in den middagh dat de akte vals was.Joos dreigde dat hij naar de Raad van Brabant zou stappen omdat hij de originele akte niet kon tonen en dan zou hij de strooperije int claer brengen. Toenkwam de La Mars met een nieuwe overeenkomst daterend van 1 januari 1659 op de proppen, een obligatie van 150 gulden. Die akte bezorgde hij op 29 maart 1661 aan de schepenbank van Asse. Die overeenkomst was opgesteld door Laureijs Robijns en Gillis Van Buggenhout met Martinus Wambacq, de griffier van de abdij, en de schepen Nicolaas Faseel als getuigen. Joos en Jan De Nil, zijn neef uit Mazenzele, hadden de tekst ondertekend en nog volgens de tekst had Jan De Nil zich borg gesteld voor die lening.

Joos reageerde via zijn neef Jan die het inmiddels tot notaris had gebracht. Hij is hoogst verwonderd dat de la Mars zich niet van zijn kwade trouw heeft bekeerd terwijl hij goed weet dat de 150 gulden hem niet toekomen. Dat hij, noch onnoosel sijnde, die tekst ondertekende is het gevolg van de dreigementen van de meier. Dat was ware schelmenhandel. Het antwoord van de la Mars liet niet op zich wachten. Joos De Nil is van eene quade inborst. Dat hij naar de Raad van Brabant wou gaan is frivool ende vidiculeus. Bovendien is het onbegrijpelijk dat De Nil de akte vals noemt. Zijn neef Jan, zelf notaris en niet onnoosel ofte slecht, zou toch de minste onjuistheid of onrechtvaardigheid hebben bespeurd. Integendeel, hij stelde zich borg. Hij vraagt de schepenen dat zij de stelling van Joos De Nil zouden verwerpen.

In zijn repliek stelt De Nil vast dat de meier de originele akte nog altijd niet heeft getoond en hij weet waarom. Omdat daervuijt het bedroch noch meer sal commen te blijcken. In vergelijking met de tekst van de lening van 96 gulden zal men vaststellen dat de laatste akte met andere hande ende penne geschreven werd. Dat Jan De Nil in 1659 geen bezwaren maakte en de overeenkomst ondertekende, komt door het feit dat hij toen nog onnoosel ende jonck was en zeker nog geen notaris. En hij besluit dat de la Mars een overgroot woeckeraer is den welcken onder de cristene menschen niet en behoort gerekent te worden off te verkeeren.

1661 – Griffier Wambacq in conflict met de hoogmeier van Asse[34].

Andreas Creusen[35], de aartsbisschop van Mechelen, tevens abt van Affligem, ordonneerde in 1661dat de kerk- en armenrekeningen van Essene voortaan elk jaar ontrent Pasen aan de pastoor en de gequalificeerde ingesetenen” moesten voorgelegd worden in aanwezigheid van Franchois Wambacq[36], griffier en schepen Affligem, die de rekeningen mee zou ondertekenen. Hetzelfde gold ook voor de reparaties aan de kerk. Die ordonnantie leidde tot een conflict tussen Wambacq en de hoofdmeier van het Land van Asse. Volgens de hoofdmeier ging dat besluit in tegen de jurisdictie van het Land van Asse, want het kwam hem toe de rekeningen te verifiëren.

Toen kerkmeester Jan De Meije en armenmeester Gillis De Baetselier hun rekeningen aan de pastoor wilden voorleggen in het huis van brouwer Niclaas Meert, verschenen zowel Franchois Wambacq als de hoofdmeier. Wat volgt is het getuigenis dat schepen Jan Van Slachmolen aflegde op 9 mei 1661voor de schepenbank van Asse na klacht van de hoofdmeier tegen Franchois Wambacq.

Het was Franchois Wambacq die de ruzie begon door de hoofdmeier toe te roepen dat hij in het huis niets te zoeken had. Daarop volgde een bitsig gesprek.

Hoofdmeier: Ik kom naar de preek luisteren, want die is bij kerkgebod afgekondigd.

Franchois Wambacq Wij hebben u niet nodig, gij zult de preek niet horen en daarbij wij hebben den bruijt aan u.

Hoofdmeier: Wij zullen ze horen en gij kunt hier wel de zaak in uw voordeel beslissen, maar op mijn verzoek heeft de Raad van Brabant …

Franchois Wambacq: Ik lach daarmee en ik heb den bruijt van uwe redenen ende gijlieden en sult de rekeninge niet hooren, gij en hebt er niet te doen.

Daarop riep de hoofdmeier de schepen Jan Van Slachmolen bij zich en verzocht de anderen de kamer te verlaten, want ze hadden iets te bespreken. Iedereen ging weg behalve Wambacq. Die bleef weigeren te vertrekken tot de hoofdmeier Hendrik Van Innichoven, de vorster van het Land van Asse, verzocht Franchois Wambacq buiten te zetten. Toen die zag dat het de vorster menens was, ging hij al knorrende weg. Kerkmeester Jan De Meije wou waarschijnlijk de gemoederen wat bedaren door te zeggen dat hij nog een uurtje aan zijn rekening moest werken. Maar Wambacq kon het niet laten om nog eens terug te slaan: Ick hebbe de rekening in mijnen sack ende gijlieden en hebt er niet mede te doen, gij sult se niet horen ende wij hebben den bruijt van ulen.

1662 – Martinus Wambacq ruziet met de bedesetters van Essene[37].

Adriaan Van Vaerenberg, pachter en bedesetter van Essene had blijkbaar verwacht dat Martinus Wambacq, griffier van de abdij, zou weigeren de bedeboecken van de parochie ter beschikking te stellen van de bedesetters. Daarom was hij met alle bedesetters, de officier en de voornaamste pachters van Essene naar de weduwe van Franchois Wambacq gegaan om die boeken op te eisen. Franchois was collecteur geweest en had in die functie de boeken in zijn bezit gehad en die waren bij zijn weduwe gebleven als erfgename van haar in 1661 overleden man. De bedesetters wilden die bedeboeken omdat de opmeting van de parochiegoederen daarin was opgenomen. Aan de hand daarvan konden ze het bezit van elke pachter bepalen en dus ook zijn aandeel in de beden.

Maar Martinus, de zoon van Franchois en ook griffier van de abdij, had de vraag van de bedesetters verwacht. Hij refuseerde sonder eenich het minste fondament de gevraagde documenten te overhandigen, ook al was de vraag niet aan hem, maar aan zijn moeder gesteld. Adriaan ging met zijn groep naar het huis van brouwer Nicolaas Meert om te overleggen. Toen Martinus er ook verscheen, richtte Adriaan zich tot hem en zei dat zijn moeder verplicht was de opmeting te geven omdat de parochie die had betaald. Martinus antwoordde, zonder te beseffen dat Adriaan de vertegenwoordiger van de parochie was, dat hij een leugenaar was: ghij lieghter bij Godt aen ende voorts ghij sijt eenen waersegger. Voor Adriaan was de griffier te ver gegaan. Dat hij publiekelijk in soo eene treffelijcke vergaederinghe beledigd werd, eiste een reactie want dat zou niemand accepteren. Volgens een oud gebruik en spreekwoord is een uitspraak als ghij lieghter aen eenen slach weerdich want het was een vernedering voor alle schepenen en bedesetters en hij sloeg Martinus in het gezicht. Daarmee was voor Adriaan het conflict beslecht, maar niet zo voor Martinus. Hij greep zijn pistool en trakteerde hen op een scheut saet. Het schot met hagel verwondde meerdere aanwezigen. Sommigen hadden tot 25 kwetsuren ende saijkens in hun lijf. De littekens zijn nog altijd te zien. Anderen hebben nog altijd hagel in hun lichaam, wat te zien is aan een verdikking van de huid.

Martinus heeft met zijn schot veel pijn en smart veroorzaakt en dat hij dan nog het lef had om Adriaan bij de schepenbank aan te klagen was voor hem ongefondeerd ende niet ontfanckbaer. Dat hij zich bovendien beriep op zijn functie als griffier van de abdij en zijn positie als notaris bij de Raad van Brabant, op de voorname positie van zijn vader en de veele rijkelijcke middelen die hij had om zijn daad vrij te pleiten, zijn dwaese discourssen en hebben niets met de zaak te maken. Net zo min als het verwijt dat hij een slechte pachter was die niet eens twee paarden had. Wie het meeste stouffen, hebben het minste bij te setten. Zijn status en rijkdom permitteren hem niet om anderen valselijk te beschuldigen. Dat hij beweert dat het schot per ongeluk is afgegaan, is omdat hij de kosten van de chirurgijnen voor de verzorging van de wonden wil ontlopen. Adriaan verzocht via zijn advocaat Theodorus Van Paeffenrode, de schepenbank dan ook om Martinus te veroordelen tot betaling van 200 gulden als vergoeding voor de kosten en de geleden pijnen en smarten.

1663 – Problemen voor wever Jan Van Vaereberghe[38].

Jan Van Vaerenberghe uit de Bosstraat te Hekelgem kocht voor 8 rijnsgulden hard stro bij Gillis Pijl, de ontvanger van de stad Aalst. Die leverde het stro op 31 januari 1663 en ontving 2 gulden en daar bleef het bij. Van Vaerenberghe kon zijn schuld niet meer aflossen zodat voor Gillis een proces bij de schepenbank nog de enige mogelijkheid was om nog aan zijn geld te geraken.

1663 – Ruzie over een losweg[39].

Jan ’t Kints, een pachter van Mollem, huurde van de abdij de Martijneweide, 1,5 dagwand groot, te Mollem. Hij had de pacht van zijn vader Aert overgenomen. Net zoals zijn vader sinds 1635 deed, bracht hij ook zijn koeien en andere beesten via een dreef, die langs het goed van de erfgenamen van Joos De Clerck liep, naar zijn weide. Zo’n zogenaamde losweg was de enige toegang tot een bepaald perceel en gaf vaak aanleiding tot discussies zelfs in onze tijd omdat die weg maar de breedte had van een kleine boerenkar en nu wilden zware tractoren met enorme karren dezelfde weg gebruiken.

In de zomer van 1662 ontstond er ruzie tussen Jan ’t Kints en Hendrik Vranckx uit Krokegem, de tweede man van Eisabeth Wambacq. Hendrik Vranckx verbood Jan ’t Kints om die weg nog te gebruiken. Elisabeth had een deel van de Martijneweide geërfd van haar eerste man, Steven van Mulders, de zoon van Rafaël. Steven van Mulders had er nooit bezwaar tegen gehad dat de losweg over zijn deel van de Martijneweide liep. Dat was toen een perceel van 7 dagwand. Maar na Peters dood ruzieden de kinderen van zijn eerste huwelijk met Catharina Van den Bossche met Elisabeth over die erfenis. Uiteindelijk werd het goed onder 7 verdeeld en Elisabeth kreeg alleen het vruchtgebruik over 1,5 dagwand. Ze vond dat ze zich niet kon veroorloven daarvan nog een losweg af te staan. Bovendien beweerde ze dat de koeien van Jan ’t Kints heel wat beschadigingen aanrichtten met als gevolg dat ze er geen profijt van had: zij had in eenen termijn geen half graen. Ze meende ook dat de dreef vroeger op de dam lag tussen de vijver en het goed van Steven Van Mulders en Aert ’t Kint, de vader van Jan, had die verlegd wat haar eerste man had  toegelaten. Om dat verbod kracht bij te zetten, riep ze de hulp in van jonker Servatius Caimo, rentmeester van de abdij. Die schreef de aartsbisschop en abt van Affligem, Jacobus Boonen aan. Hendrik Vranckx en Elisabeth Wambacq huurden te Krokegem 8 bunder weide en meersen van de abdij en ze betaalden stipt de pacht, ook nadat die met 6 rijnsgulden was verhoogd. Elisabeth had zelfs plannen om op haar deel van de Martijneweide een hoeve te bouwen en dat zou de abdij veel meer pacht opbrengen. Uiteindelijk op 29 mei 1663 stelde Elisabeth een compromis voor. Jan ’t Kints kreeg nog vrije toegang tot zijn weide tot het einde van zijn pachtovereenkomst.

1665 – Zware straffen voor illegale houtkap[40].

Een plakkaat uit 1623 legde de straffen vast voor het stelen van hout uit de bossen en specifieerde over welk hout het ging: heesters, dijssels, lanckwagens, peertssen, latreeesen of dachroeden, bessemstocken en tuinstokken.

1- Voor het kappen en weghalen van groen hout: viermaal de waarde van het gestolen hout.

2- Voor het stelen van opgaand hout: 25 rijnsgulden.

Omdat er uit de bossen van de abdij hout was verdwenen, het jaartal ontbreekt, stelde de overmeier van het Land van Asse, Arnouldt Adriani, met twee schepenen een onderzoek in. In het huis van Peter Coppens te Asse-ter-Heide vonden ze het gestolen hout. Peter Coppens bekende dat hij met Aert Van de Perre het hout had gekapt en het naar zijn huis had gevoerd. Hij kreeg een boete van 25 rijnsgulden en daar bovenop nog viermaal de waarde van zijn buit.

1667 – Testament van Anna en Joanna Wambacq[41].

Anna en Joanna, twee begijntjes van het Groot Begijnhof te Brussel, lieten op 9 mei 1667 te Essene door notaris Michiel De Bisschop hun testament opstellen. Zij wilden in de kerk van het begijnhof begraven worden met een eerlijcke vuijtvaert, dat er 30 missen voor hun zielenheil worden opgedragen en dat er na de begrafenis aalmoezen worden uitgedeeld. De langstlevende zal aan elk van hun broers en zussen na de uitvaart 6 gulden geven en alle goederen die de overledene bezat, komen toe aan de langstlevende die daarover naar eigen goeddunken kan beschikken.

Anna en Joanna waren dochters van Franciscus en Catharina Troch. Franciscus werd omstreeks 1580 te Essene gedoopt als zoon van Michiel en Barbara De Wever. Hij overleed op donderdag 30 juni 1661 te Essene, ongeveer 81 jaar oud. Hij trouwde in 1613 te Essene met Catharina Troch, de dochter van Jan en Cathelijne Plas. Cathelijne werd gedoopt omstreeks 1587. Zij hadden 9 kinderen te Essene gedoopt.

1 Barbara, gedoopt op zondag 3 augustus 1614 en overleden op vrijdag 2 augustus 1652 in Hekelgem, 37 jaar oud.

2 Elisabeth, gedoopt op donderdag 21 januari 1616, en overleden op vrijdag 7 december 1674 in Asse, 58 jaar oud. Zij trouwde met Peter Van Mulders, griffier te Asse. Hij werd in 1608 te Asse gedoopt en overleed in 1660, 52 jaar oud.

3 Michiel, gedoopt op dinsdag 17 oktober 1617 en overleden op zondag 22 1690 in Essene, 73 jaar oud. Michiel was de eerste bewoner van Het Ankerhof en meier van de schepenbank van de abdij. Zie ook Jaarboek Belledaal, 2008, 213.

4 Martinus, gedoopt op zaterdag 19 oktober 1619 en overleden op woensdag 6 februari 1675, 55 jaar oud. Hij was notaris te Essene en griffier van de abdij.

5 Catharina, gedoopt op zondag 12 december 1621 en overleden op zaterdag 15 maart 1681 te Asse, 59 jaar oud.

6 Anna, gedoopt op woensdag 7 februari 1624 en overleden voor 1625.

7 Anna, gedoopt op zaterdag 22 maart 1625.

8 Lucas, gedoopt op donderdag 14 juni 1629 en overleden op 10 september 1670 in Essene, 41 jaar oud.

9 Joanna, gedoopt op woensdag 13 januari 1638.

1670 – Eerste schepen Jan Van Langenhove in gebreke[42].

Op 29 augustus 1670 ging Jan Van Langenhove[43] van Baardegem, de eerste schepen van Affligem, een lening aan van 64 ponden grooten Vlems bij Martinus De Cleijne, schoenmaker te Brussel. De jaarlijkse rente bedroeg 24 gulden. Van Langenhove was vergezeld van zijn zonen Joos en Peter en van Nicolaas Meert, de man van zijn dochter Clara. De akte werd opgesteld door Peter en Jan De Meersman en Pauwel Gillisjans, de gezworen erflaters van Affligem onder Baardegem. Als onderpand gaven ze 3 dagwand weide, Den Brauwier genoemd en gelegen te Baardegem; De weide paalde aan de goederen van de abdij en meester Guillam ’t Kint, de erfgenamen Nicolaas Verhasselt en de jezuïeten van Aalst. Ook nog een weide van 2 dagwand en 53 roeden die paalde aan Den Brauwier, de erfgenamen Michiel De Meersman, de jezuïeten van Aalst en de straat. Van 1671 tot 1674 betaalde Jan Van Langenhove slechts 6 gulden per jaar. Zijn schulden waren in 1675 opgelopen tot 54 gulden, plus 8 gulden bijkomende kosten en Martinus De Cleijne, ook Martin Petit genoemd, wendde zich tot de schepenbank van Asse om toch aan zijn geld te geraken.

1673 – Jan Roodemont eigent zich de tiendeschoven toe[44].

Andries De Vogel was in 1673 de pachter van de abdij voor de tienden te Asse-ter-Heide. De gezworen tiendensteker, Jan Van Houw, wou de tiendenschoven die hem toekwamen tekenen en afzonderen van de rest van de oogst. Maar Jan Roodemont, zoon van Aert, hield daar geen rekening mee en op 13 augustus 1673 liet hij alle tarweschoven op Den Heylborrebosch binden en op een hoop samenbrengen. Toen Jan Van Houw die fraude ontdekte, liet hij elke tiendenschoof weghalen, want volgens de plakkaten van de koning mocht niemand een tiendenvrucht uit het veld wegvoeren tenzij met toestemming van de tiendensteker of de tiendenpachter. Hij duidde andere schoven als tienden aan tot grote ergernis van Jan Roodemont. Die tracteerde hem seer qualijck en sloeg hem met zijn gaffel. Jan Van Houw hield er een aantal blauwe plekken aan over. Roodemont volhardde in zijn boosheid en voerde de afgezonderde tiendenschoven weg. Daarop diende Andries De Vogel een klacht in bij de schepenbank van Asse met de eis dat Roodemont de weggevoerde schoven moet terugbrengen.

1673 – Miciel Wambacq aangeklaagd[45].

De kinderen van Pauwel Van Vaerenbergh en Joanna Schockaert, Jan en Joanna met haar man Adriaan Van der Borgt, erfden van hun ouders elk ¼ van een stuk land, genoemd De Biest. Het paalde aan de Rabauwstichel. Maar Michiel Wambacq eigende zich dat deel toe. Na mislukte pogingen om hun erfenis in hun bezit te krijgen, wendden ze zich tot de schepenbank van Asse om hun erfdeel in hun bezit te krijgen en om een vergoeding voor de geleden schade te eisen. Het jaartal ontbreekt.

1673 – De familie De Cort verdrinkt in de schulden[46].

Op 12 april 1660 stelden de schepenen van Affligem, Guillam De Baetselier en Erasmus Merchie, de nalatenschap op van Franchois de Cort. Zijn weduwe Anna Van der Biesen kreeg het vruchtgebruik van twee hofsteden die haar zonen Michiel en Pauwels erfden. Anna beloofde met opgerechte vingeren ten hemelwaarts dat zij de hoeven niet zou opeisen en samen beloofden ze de jaarlijkse rente van 31 gulden 5 stuivers te betalen aan Martinus Wambacq ten behoeve van de weduwe van Charles de la Mars, gewezen meier van Affligem. De eerste hofstede met huis en ast was 3 dagwand groot en was gelegen te Uwijck in Essene. Ze paalde aan Jacques Van Wichele, aan de kapel, aan de erven Philips Schoemans en aan de straat. Het goed was belast met een grondcijns aan de abdij. De andere hofstede, groot ½ bunder, ook in Essene gelegen, paalde aan de straat, aan Franciscus Van Liere en aan de Weijdemeersch en was belast met een grondcijns aan de markiezin van Asse. De twee hofsteden dienden als onderpand voor de lening.

Drie jaar later blijkt dat de rente niet werd betaald en Martinus Wambacq wil overgaan tot inbeslagname van de eerste hofstede tot de achterstallen zijn betaald. Maar dan ontdekt hij dat er, met de hoeve als onderpand, nog meer leningen zijn aangegaan. Er is een rente van 5 gulden aan advocaat Van der Moesen, van 6 gulden aan Hendrik Van Solten en van 10 gulden aan de weduwe van Jacques Van Dongelberge. Daardoor loopt het totale tekort op tot 136 gulden, een bedrag dat Martinus Wambacq al aan de weduwe de la Mars heeft voorgeschoten. Tot zijn ontzetting constateert hij dat de tweede hoeve ook met renten is belast: een onkwijtbare rente van 3 gulden, 18 gulden aan de erfgenamen van advocaat Langereijt, 7 gulden aan procureur Bisschop en 6 gulden 5 stuivers aan de erfgenamen van advocaat Nivors(?). Die renten werden de laatste jaren niet betaald. Om enige druk op de schuldenaars te leggen, liet hij een hoeveelheid mest en hopstaken van de eerste hoeve weghalen. De schulden van de tweede hoeve zijn volgens Wambacq hoger dan de waarde van de hofstede zelf en daarom wil hij dat de familie De Cort eerst alle schulden vergoed en dan pas de hoeve verkoopt. Als hij het doet dan zal hij schade lijden.

1675 – Eerste schepen Jan Van Langenhove nogmaals in gebreke[47].

Op 27 mei 1675 ging Nicolaas Meert uit Essene een lening aan van 123 gulden 13 stuivers 1 oord die meester Michiel Wambacq te zijne laste nam voor de weduwe Parijs. De akte werd verleden door notaris Hendrik De Raedt. Jan Van Langenhove, eerste schepen van Affligem, stelde zich borg voor zijn schoonzoon Nicolaas, de man van zijn dochter Clara. Hij beloofde om het bedrag met de intrest binnen het jaar terug te betalen. Jan De Witte en Jan Mertens waren de getuigen.

Dat Jan Van Langenhove zich borg stelde is merkwaardig daar hij zelf de rente van een lening van 64 ponden groten Vlaams[48] niet kon betalen. Maar ook Nicolaas Meert zat zonder geld en had een groot gezin. Hij was in 1658 getrouwd en in 1675 had hij 8 kinderen waarvan het jongste 2 jaar was[49]. Daar Michiel Wambacq inzag dat  hij van beiden niet en siet te becomen, daagde hij op 12 december 1678 Jan Van Langenhove voor de schepenbank van Asse.

1676 – Een erfenis aanvaarden kan kwalijke gevolgen hebben[50].

Dat ondervond Jan Kieckens de weduwnaar van Anna Vranckx die zelf weduwe was van meester Martinus Wambacq, gewezen griffier van de abdij. Wat was er gebeurd?

Meester Gillis De Ridder en zijn vrouw Elisabeth Camerman wilden bij de moeder van Jan Van Bellingen een lening aangaan. Maar om zeker te zijn dat de ontleners de rente konden betalen, wilde Jans moeder hun financiële positie kennen. Meester Martinus Wambacq[51] kreeg de opdracht om voor haar een staat van hun goederen op te stellen. De griffier voerde zijn opdracht niet correct uit want hij verzweeg dat De Ridder en Camerman zeven maanden eerder al een lening hadden afgesloten met een jaarlijkse rente van 11 gulden 11 stuivers 1 oort bij zijn eigen moeder Catharina De Troch. Het gevolg was dat Jans moeder aan het echtpaar De Ridder een bedrag van 1 700 gulden leende. De akte werd verleden voor de schepenbank van Affligem op 4 augustus 1665.

Toen de rente van die laatste lening niet werd betaald, wilden de erfgenamen van sieur Jan Van Bellingen, die erfgenaam van zijn moeder was geweest, de goederen van De Ridder aanslaan en zo ontdekten ze dat de vroeger aangegane lening nog moest worden afgelost waardoor ze een groot verlies leden. De schuld lag bij Martinus Wambacq die de lening in zijn staat van de goederen niet had vermeld. Een klacht indienen tegen Martinus konden ze niet want die was al overleden zoals ook zijn vrouw Anna Vranckx en zo kwam de klacht bij Jan Kieckens terecht, haar tweede man. Voor de schepenbank van Affligem eisten de erfgenamen van Jan Van Bellingen volledige schadeloosstelling van Jan Kieckens.

Ook Jan Van den Driessche zal wel geschrokken zijn toen hij ontdekte dat zijn erfenis van Franchois Van Hemelrijck belast was met een schuld van 118 rijnsgulden 8 stuivers aan dom Rupertus Beijdaels, de hofmeester van de abdij. Franchois Van Hemelrijck had die lening aangegaan in 1668. Acht jaar later, op 13 december 1676, diende de hofmeester via zijn advocaat Schoonjans een klacht in bij de schepenbank van Asse om Joos Van den Driessche te verplichten het achterstallig bedrag te betalen[52].

1676 – Heeft Adriaan De Ridder oorlogsschade geleden[53]?

Trokken in 1676 en 1677 Hollandse, Duitse, Spaanse en Franse troepen door Hekelgem en vernielde ze daarbij de veldvruchten? Dat beweerde Adriaan De Ridder[54]. Zijn hop, granen en hofkruiden werden gestolen of vernield en als pachter van de abdij rekende hij op vrijstelling van pacht voor vier jaar. Zijn huurcontract met de abdij voorzag immers die vrijstelling in geval van overmacht of hagelschade. Maar Franchois De Middeleer, de rentmeester van de abdij, ging daar niet mee akkoord en weigerde de vrijstelling van pacht. Volgens hem was er in die jaren geen oorlogsschade en moeste Adriaan zijn achterstallige pacht van 33 gulden 13 ½ stuivers wel degelijk betalen. Nadat De Ridder niet was ingegaan op meerdere vermaningen, besloot De Middeleer in 1682 tegen de Ridder een klacht in te dienen bij de schepenbank van Asse.

Als antwoord op de klacht van de rentmeester overhandigde Adriaan aan de schepenen het getuigenis van Dierik De Donder, Peter De Mesmaecker, Joos Van den Bossche en Philips De Donder. Zij verklaarden dat Adriaan sinds 1665 tegenover de kloosterpoort woonde op een erf van de abdij. In 1667 stelden ze vast dat Adriaan al zijn vruchten en zijn hopstaken verloor door het geweld van melitere die kampeerden op de Brabantse kant van Aalst. In 1674 hadden Duitse, Spaanse en Hollandse troepen die van Oudenaarde kwamen ook al zijn vruchten gestolen of vernield. En in 1677 was dat nog eens gebeurd. De hele discussie ging over de vraag of er in 1674, 1676 en 1677 vreemde troepen in de buurt van de abdij waren. Wat leert ons de geschiedenis? In “Geschiedenis der Benedictijner Abdij van Affligem” schreef dom Bernard[55]:

In 1673 had Affligem opnieuw veel van den oorlog te verduren… De monniken ontvingen de armen in hun gasthuis, kleedden er een oneindig getal, bijzonder uit de naburige plaatsen, de huizen door het vuur des oorlogs verteerd, herstelden zij geheel of ten deele, zij bezorgden aan de landbouwers tot zelfs het graan om hunne akkers te bezaaien, verschaften hun peerden en wagens, scholden hunne schulden kwijt … Het klooster was waarlijk met de ondergang bedreigd. Men ziet in de rekeningen wat zij van 1674 tot 1684 aan de landbouwers hadden kwijtgescholden: op het kantoor van Brussel 133 926 gulden, op dat van Aalst 87 593 gulden, op dat van Nijvel 117 692 gulden en op dat van Waver 25 878 gulden… Het kwam zo ver dat Affligem in 1679 een half miljoen schuld had. Daarom verkochten ze veel van hunne goederen, onder andere te Schilde en te Ranst. Dom Bernard vermeldt geen bezetting van de abdij of kampementen in de buurt, maar uit de tekst kunnen we afleiden dat er veel armoede was als gevolg van de rondtrekkende legers met plunderingen en vernielingen tot gevolg.

Als de abdij zoveel mensen hielp waarom dan Adriaan De Ridder niet? In zijn klacht tegen Adriaan stipte De Middeleer aan dat die geen “pertinente specificaties” van zijn schade had meegedeeld. Dat was voor hem het bewijs dat er geen schade was en hij heeft ook geen weet van kampementen van legers in de buurt van Aalst. Voor het verlies van hopstaken kon hij geen tegemoetkoming geven vermits die geen eigendom van de abdij waren. Trouwens, als er gevaar dreigde, kon De Ridder met zijn meubelen en zijn vruchten naar de abdij vluchten zoals zoveel boeren deden. Maar Adriaan was ook nalatig geweest. Hij woonde tegenover de abdij en hij kon dus gemakkelijk iemand van de administratie van de abdij vragen om zijn schade te komen taxeren, wat andere pachters wel hadden gedaan. De pachtovereenkomst voorzag immers in een vrijstelling van pacht als er schade was door overmacht of hagel. Zijn laatste argument om de vrijstelling te weigeren was dat Peter De Mesmaecker, die de helft van de hofstede bewoonde, geen schadevergoeding had aangevraagd.

In zijn duplycke trachtte Adriaan De Ridder de beschuldigingen te weerleggen:

1- Hij heeft voldoende zijn overgroote schaeden aangetoond.

2- Zijn getuigen zullen ook onder eed bij hun verklaringen blijven.

3- In 1667 ging zijn hele hopoogst verloren want als de hop niet aan staken kan groeien, is er geen hop.

4- De Middeleer beweerde dat hij zich tot de abdij moest wenden want in 1667 was hij nog geen rentmeester. Dat argument houdt geen steek. Als dat waar is dan heeft De Middeleer hier geen mond van spreken.

5- Het is wel waar dat in 1676 en 1677 zowel Hollandse, Duitse, Spaanse en Franse troepen aan de abdij zijn gepasseerd en later ook terugkeerden. Of zij nu kampeerden of alleen passeerden, ze hebben zijn oogst vernield en gestolen.

6- Dat hij met zijn meubelen en zijn vruchten naar de abdij had moeten vluchten, kon niet. Ze stonden nog op het veld te rijpen. En om de granen binnen te halen en te dorsen was er geen tijd.

7- Dat de rentmeester beweert dat hij voor vrijstelling van de vier jaar pacht, de juiste bedragen niet kan vinden is onzin. Hij moet maar in de boeken kijken.

8- Op het verwijt dat hij niemand van de kloosterlingen vroeg om de schade te komen vaststellen, antwoordt De Ridder dat de monniken hem en zijn buren kwamen troosten en zij beloofden dat er kwijtschelding van pacht zou volgen. Joos Van den Bossche en andere buren hebben al een vrijstelling van drie jaar gekregen.

9- Dat Peter De Mesmaecker geen aanvraag tot vrijstelling van pacht indiende, komt omdat de rentmeester hem bedreigde en nu hem is stil houdende ende vuijt siet wat hier van dese saecke sal comen, welcken vuijtval hij is verwachtende als wanneer hij sal versoeken gelijck den gedaegde ten desen sal genieten.

10- Hij is tevreden dat hem al een jaar vrijstelling is toegezegd, maar hij rekent erop dat de schepenen hem drie jaar zullen toekennen.

1677 – Vechtpartij in de abdij[56].

Tijdens de invallen van de legers van Lodewijk XIV in de laatste decennia van de 17de eeuw hebben de abdij en de omgeving veel te lijden gehad van plunderingen en opeisingen. In 1677 maakten Franse soldaten die te Ninove kampeerden de streek onveilig. Veel inwoners van de omliggende parochies waren met hun bezittingen naar de abdij gevlucht. Door de dreiging van de militairen en de opeengepakte massa binnen de abdijmuren ontstonden er weldra spanningen en zelfs een vechtpartij.

Een discussie tussen Joos De Craecker en Jan Goeman over het paard van Goeman ontaardde in een waar gevecht. Peter Geerstman kwam Goeman ter hulp en wierp De Craecker onder sijn solen en sloeg hem dapperlijck met vuijsten tot De Craecker eenen grooten clippel kon grijpen en daarmee zo hard op het hoofd van Jan Goeman sloeg dat die 14 dagen in de abdij in bed moest blijven.

Op 19 augustus 1677 legden Jan Van Brempt, 31 jaar, en Peter Van Nieuwenhove, 25 jaar, beiden wagenknechten van de abdij, op verzoek van Jan Goeman bovenstaande verklaring af bij notaris Joannes Schoonjans.

1679 – Een proces over schoolgeld[57].

Verkoopsovereenkomsten en contracten voor de levering van goederen en diensten werden vroeger vaak afgesloten zonder schriftelijk bewijs. Men vertrouwde op het woord van eer, op de naam en de faam van beide partijen. Wanneer de situatie veranderde door tegenslag of sterfgevallen leidde dat dikwijls tot processen omdat de schuldenaars, meestal de weduwe en/of de kinderen, niet in staat waren de aangegane schuld af te betalen of niet op de hoogte waren van de transactie. Wie dan over een schriftelijk bewijs beschikte, stond sterk in zijn schoenen zoals artikel 159 uit de constume ende rechten der stadt Brussel aantoont:

Kooplieden wesende lieden met eere en staende tot goede naem ende faem als sijdelaken coopers, laken vercoopers ende andere van gelijcke qualiteijt, oock wijntaverniers, brouwers ende herbergiers wordt volcommen gelijck gegeven op hunlieder boecken aengaende de actieve schulden ende passieve schulden ende daerop recht gedaen mits de selve boecken bij hunlieden eed confirmerende ende daertoe affirmerende dat de partijen daerin geschreven sijndeugdelijck, rechtveerdich ende onbetaelt.

Onderstaande bijdrage is daar een typisch voorbeeld van. De kinderen van Lucas Wambacq[58] liepen school en woonden een bepaalde tijd in bij koster en schoolmeester Andries De Wever[59] te Hekelgem. Hij kocht ook bomen, varkens, graan en andere goederen bij Lucas met dien verstande dat Andries die kosten zou aftrekken van het schoolgeld. Of Andries die kosten in zijn manuaal noteerde, is niet duidelijk omdat er bladen ontbraken. Na de dood van Lucas (1670) en van Andries (1673) waren de rekeningen nog niet vereffend en de tweede man van zijn weduwe Josine De Meye, Anthoon Antheunis, spande een proces in tegen Andries Van der Straeten, man van Cathelijne Wambacq[60], een dochter van Lucas. Het proces sleepte aan en op 8 maart 1678 beslisten de schepenen dat ze nog niet in staat waren om een vonnis uit te spreken en dat verder onderzoek nodig was.

Op 15 maart 1679 ondervroegen schepen Charles Van Langenhove en griffier Van Mulders ten huize van Michiel Wambacq, broer van Lucas en voogd van zijn kinderen, enkele getuigen. Andries Van der Straeten werd bijgestaan door advocaat De Raedt en Jos De Meije had Schoonjans als advocaat. Haar tweede man, Anthoon Antheunis was dan ook al overleden. Er ontstond al dadelijk een twist omdat Schoonjans zich verzette tegen Michiel Wambacq en Michiel Cornelis als getuigen omwille van hun verwantschap met de kinderen van Lucas. Michiel Wambacq was de oom en Michiel Cornelis de neef van de kinderen. De schepen beslisten dat ze mochten getuigen.

Peter Symons kwam als eerste getuige aan bod. Hij was een 63-jarige arbeider uit Essene. Hij vertelde dat hij zo’n 8 jaar geleden samen met Pauwel Rogge en Joos Steppe schaarhout kapte in een bos in het Grietenbroek dat Lucas pachtte van de abdij. Terwijl ze aan het werk waren, zag hij dat Andries De Wever van Michiel Wambacq eenige latteboomen, zo groot als hopstaken, kocht voor 9 gulden per 100. Hoeveel latteboomen De Wever kocht, weet hij niet en ook niet of hij die achteraf heeft weggehaald.

Pauwel Rogge, 55 jaar en ook afkomstig van Essene, was eveneens bij de verkoop van de latteboomen aanwezig omdat hij de mutsaards samenbond. Volgens hem kocht Andries De Wever er 100 voor 10 gulden. Wat er daarna met dat hout gebeurde, weet hij niet.

Essenaar Michiel Wambacq, meier van de abdij en brouwer, 61 jaar, bevestigde dat hij 200 latteboomen aan de schoolmeester verkocht voor 20 gulden. Die waren eigendom van de kinderen van zijn overleden broer Lucas. Die verkoop hield in dat De Wever de prijs voor de bomen, zou aftrekken van het schoolgeld. De latteboomen werden nadien weggehaald.

Michiel Cornelis, pachter en schepen van de Vrijheid en het Land van Asse, 44 jaar, heeft gehoord dat wijlen Lucas Wambacq aan De Wever varkens en graan had verkocht. Hij was ook op de koopdag in het sterfhuis van Lucas en zag daar dat De Wever een bierboom kocht. Voorts weet hij nog dat Lucas met zijn paarden en wagen twee vrachten bomen naar De Wever heeft gevoerd. Of die daarvoor betaalde, kwam hij niet te weten.

Als reactie op de getuigenissen legde Josine een uittreksel uit het manuaal van haar overleden man voor aan de schepenbank. Daaruit bleek dat de kinderen van Lucas, Francis en Michiel, in haar huis hebben gewoond en er de lessen volgden 24 oktober 1663 tot 25 juni 1664 en van 6 december 1666 tot 8 mei 1667. Cathelijne liep er school van 10 januari tot 12 maart 1666, Michiel en Aert van 14 november 1669 tot 26 juni 1670 en Francis nog eens van 24 november 1669 tot 26 juni 1670. In het manuaal staat ook een eigenhandig geschreven nota van Michiel Wambacq dat het totale schoolgeld 93 gulden bedraagt. Over de leveringen van varkens, mout, graan en andere goederen vond zij niets terug in het manuaal zodat Michiel Wambacq die leveringen niet kon bewijzen. Een tegenzet van Andries Van der Straeten liet niet lang op zich wachten. Het manuaal van Andries is onsienelijck in stucken gescheurt ende daer vuijtgenomen verscheijden blaederen. Hij wou dat Josine het volledige manuaal toonde en dan zou de jury, soo claer als de son, zien dat er bedrog in het spel was. Wat de leveringen van goederen betrof, Lucas verkocht 2 varkens, Francis en Michiel getuigden onder eed op 10 juli 1679 dat er nadien nog 3 varkens zijn geleverd, 2 zakken graan, een brouwsel mout en de 2 vrachten bomen.

Item de kinderen van Lucas Wambacq hebben tot onsen huijse gewoont vier jaeren ende seven maenden tot twintich guldens t’jaers ende ende een jaer over en dweer schoelen gekommen bedraeght al t’samen drijentnegentich guldens mits het tghene dat sij gegheven hebben off wel dat sijn konnen tonnen dat sal hun goede betalin(g) doen.

Anthoon Anthonis kwam op 23 maart 1679 met een voorstel. Hij wou de prijs van enkele geleverde goederen aftrekken van het schoolgeld, maar Andries Van der Straeten vond de lijst van de goederen onvolledig. En zo bleef de zaak op de rol staan en bleven de proceskosten stijgen.

Franchois ende Michiel van den 24ste 8ber 1663 tot den 25ste juli 1664.

Cattelijn Wambacq den xde januari 1666 tot den 12de meert 1666.

Franchois ende Michiel Wambacq den 6de Xber 1666 tot den 8ste meert 1667.

Aert Wambacq den 4de Xber 1668 tot den 16de meye 1669.

Michiel ende Aert Wambacq den 14de 8ber 1669 tot den 21ste juni 1670.

Franchois Wambacq den 24ste 9ber 1669 tot den 26ste juni 1670.

Hierop ontfaen den 13de april 1665 – 12 guldens.

Item van het schoolegaen van de boven geschreven soude bedraeghen de somme van 93 guldens.

1679 – Collecteur Jan Mattens in de problemen[61].

In 1671 ging Peter Linthout een huurcontract aan met de abdij voor twee percelen voor een termijn van 9 jaar. Een van de condities van het contract was dat de beden en andere lasten hem ten laste vielen. De goederen lagen op de Bellekouter te Hekelgem. Na zijn dood in 1677 vroeg zijn weduwe aan dom Ambrosius Van Lierde[62], de syndicus om het pachtcontract te verbreken. Dat gebeurde in 1678 en dom Ambrosius verhuurde dezelfde goederen aan Jacques Van Droogenbroeck vanaf 1679 en met dezelfde voorwaarde. Na het overlijden van Peter Linthout was Jan Van Vaerenbergh als curator van het sterfhuis aangesteld. Toen collecteur Jan Mattens de beden, settingen en andere lasten voor 1677 en 1678 ten bedrage van 35 gulden 12 ½ stuivers kwam opeisen, weigerde Jan Van Vaerenbergh te betalen met als reden dat de huur verlopen was en dat hij zich bijgevolg tot de abdij moest wenden. Dom Ambrosius Van Lierde antwoordde dat de abdijgoederen geamortiseerd[63] waren. Jan Mattens wendde zich dan tot de schepenbank van Asse met een klacht tegen de abdij.

Franciscus De Middeleer, de rentmeester van Affligem, diende dan op 15 augustus 1679 via de advocaat Van Mulders een verweerschrift in. Hij bevestigde dat Peter Linthout de goederen van de abdij op de Bellekouter pachtte vanaf 1671 en voor een termijn van 9 jaar met als voorwaarde dat alle beden, settingen en andere lasten voor zijn rekening waren. Na Peters dood verhuurde de abdij dezelfde goederen aan Jacques Van Droogenbroeck. Bijgevolg vielen de belastingen voor 1677 en 1678 ten laste van de weduwe die, volgens de rentmeester, voldoende middelen bezat om de schulden te betalen. Met de goederen die men in het sterfhuis had verkocht, kon men gemakkelijk alle schulden vereffenen. Indien de collecteur beter zijn debvoiren had gedaan, dan had hij zeker zijn geld gekregen. Bovendien was het hoochhuys te Belle verkocht aan meier Wambacq en de weduwe Linthout had recht op het1/4 deel van de verkoopsom. Van dat bedrag kon hij zijn deel opeisen. De klacht tegen de abdij noemde de rentmeester een frivoliteijt.

1679 – Officier De Hageleer in de duim gebeten[64].

Omtrent Kerstmis 1679 betrapten Ingel Carnoy en Michiel Vermoesen, beiden bospreters van de abdij, Joos Verdoodt en zijn vrouw tijdens het kappen van hout in het Affligembos. Volgens een plakkaat van 1623 was illegaal hout kappen een zware overtreding waarop strenge straffen stonden, tot viermaal de waarde van het gestolen hout. De boswachters wilden een bewijs van de diefstal en namen daarom het schort van de vrouw af. Die wilde dat absoluut vermijden en riep haar man toe om op de twee mannen te schieten. Uiteindelijk liep het voorval nog goed af en gaf het paar de “boschdieverije” toe ten huize van Joos Robijns. Maar kwaad bloed kruit waar het niet gaan kan en op 21 juli 1679 betrapte de dorpsofficier Peter De Hageleer[65] hen tijdens het maaien van gras op de weide van Jan Robijns in De Faluintjes. Om een straf te ontlopen beschuldigde de vrouw Peter ervan hij haar “oneerlijck soude hebben betast ende met haer dienvolgende vleesschelijck te hebben geconverseert”. Die beschuldiging herhaalde Joos ook op 10 augustus op het kerkhof in het bijzijn van meerdere kerkgangers. Dat verwijt leidde tot een vechtpartij waarbij Joos de officier in zijn duim beet. Alsof dat nog niet genoeg was, dook Joos op 13 augustus ’s nachts tussen elf en twaalf uur op voor het huis van De Hageleer al roepend “compter vuijt ghij donder, ghij blixem ende straetschendere, ick sal u den kop klieven” en nog meer “affdragende woorden”. Dat was volgens Peter een daad van pure straatschenderij die verdiende “vuijttersten gestraft te worden andere ten exempele” en daarvoor richtte hij zich tot de schepenbank van Asse.

1682 – Welke tiendenpachter moest betalen[66]?

Volgens een verordening van Karel de Grote moeste iedere persoon elk jaar 10 % van zijn opbrengsten afstaan aan de Kerk. Het ging om opbrengsten van de grond en van de veeteelt. De bedoeling was om de plaatselijke geestelijkheid en de armen van de parochie bestaansmiddelen te geven. De opbrengst ging aanvankelijk voor 1/3 naar de armen, voor 1/3 naar het onderhoud van de kerk en de erediensten en voor 1/3 naar de pastoor. In de loop van de eeuwen kende die verplichting een ingewikkelde evolutie. Zo stond heer Herebert, pastoor van Asse, in 1086 een deel van de tienden van de parochie Asse af aan de pas gestichte abdij Affligem. De inning van de tienden konden verhuurd worden aan een tiendenpachter. In Essene ontstond er een conflict tussen Andries Van der Staeten[67] en Jasper Camermans[68] die de inning van de tienden van Andries had overgenomen.

In 1682 diende Andries Van der Straeten bij de schepenbank van Asse een klacht in tegen Jasper Camermans. In 1670 had Andries het derde deel van de tienden van de abdij in Essene gepacht voor een jaarlijks bedrag van 121 gulden. In 1674 liet hij vuijt pure vriendschap die pacht over aan Jasper Camermans op conditie dat hij de tienden stipt zou betalen zodat Andries geen problemen zou krijgen met de Affligemse rentmeester Cocquille. Maar, zo vermeldde Andries in zijn klacht, Jasper was een slechte betaler. Van 1674 tot 1679 droeg hij de geïnde tienden niet over aan de rentmeester met het gevolg dat die van Andries Van der Straeten de betaling eiste. Hij vroeg de schepenen Jasper te veroordelen tot betaling van de achterstallige tienden zodat hij niet meer sou worden gemolesteerd door Cocquille. Volgens een kwitantie van 29 januari 1682 beschouwde de rentmeester Andries nog altijd als huurder van de tienden voor de periode 1670 tot 1679. Pas op 14 april van dat jaar gaf de advocaat van Jasper, Bisschop, toe dat zijn cliënt inderdaad de pacht had overgenomen.

Voor Andries Van der Straeten betekende deze bevestiging dat hij aan de rentmeester geen verantwoording meer moest afleggen en ook dat de kosten van het proces volledig ten laste van Jasper Camermans vielen vermits hij in gebreke was gebleven. Hij had de acte van decharge vroeger moeten indienen. Voor dit laatste argument steunde hij zich op het Eeuwig Edict van 1611 dat de rechters verplichtte de proceskosten te laten betalen door degene die veroordeeld werd.

Jan Camermans reageerde op de beschuldiging van Van der Straeten. Andries zou vuijt eenen puren haet off revengie een proces tegen hem aangespannen hebben omdat zijn varken van Andries klaveren had gegeten. Andries had hem inderdaad voorgesteld om de tiendenpacht van hem over te nemen, wat hij aanvaardde zonder dat hij daer toe groote liefde was hebbende. Het is evenwel onwaar dat de rentmeester of de monniken van de abdij Andries molesteerden want hij had de selve thiende die binnen sijnen tijt is verschenen seer loffelijck gedraegen ende betaelt. Een brief van de rentmeester toonde dat aan en als illustratie de brief van dom Ambrosius Van Lierde, de syndicus van de abdij, waarin hij meedeelde dat hij op de hoogte was van de pachterswissel voor de tienden en waarin hij ook zijn tevredenheid uitte over Jasper Camermans Die brief pleitte Jasper meteen vrij van Andries’ beschuldiging van wanbetaling.

Er was dus geen enkele reden voor Andries om hem na twee jaar met een proces op kosten te jagen. Op 23 september 1682 besliste de Souvereine Raad van Brabant, om de schepenbank van Asse uit hun onbeslistheid te helpen, dat elke partij de helft van de proceskosten moest betalen.

Den ondergeschreven als administrateur van de temporele goederen des Goidtshuijs van Affligem ………. bij desen dat hij als pachter van het derde paert van de thiende des voorschreven Goidtshuijs van Affligem haer bestreckende onder de prochie van Esschen heeft aenveert jasper Camerman bij overlatinge van Andries Van Der Straten ende dat hij met den rentmeester Concquille metten selven Camerman van het selve overlaten altijt tevreden sijn geweest ende den selven Andries daervan hebben ontslagen volgens ons voorgaende daeraff aen den voornoemde Camerman gegeven.

Actum desen 25ste october 1682 des torconden etha. Fr. Ambrosius Van Lierde relig. v. Affligem.

1687 – De kerkmeesters van Asse in conflict met de abdij[69].

In de jaren tachtig van de 17de eeuw wilden de kerkmeesters van Asse herstellingswerken aan het hoogkoor en de toren van de kerk laten uitvoeren en een tiendklok laten gieten. Een tiendklok of banale klok was een aparte klok ten behoeve van de pachters van de tienden[70]. Zij hadden het recht om een tiende gedeelte te heffen van de oogst en het jonggeboren vee, maar waren anderzijds wel verplicht om aan de plaatselijke gemeenschap een klok ter beschikking te stellen. Deze moest geplaatst worden in de toren en zodanig groot en zwaar zijn, dat de klok over het hele gebied waarover de belasting werd geheven, gehoord kon worden. Daar de abdij sinds 1086 de tienden in de parochie Asse mocht innen, rekenden de kerkmeesters op het klooster om de kosten van de herstellingen en van de klok te betalen. Het kwam tussen de beide partijen niet tot een overeenkomst en de kerkmeesters dienden bij de Raad van Brabant een klacht in tegen de abdij. De schepenbank van Asse bezit de notulen van een zitting van de Raad waar de abdij was vertegenwoordigd door dom Andreas Le Roy[71] en de Kerk van Asse door Jan Crabeels, de zoon van hoofddrossaard Charles Ignatius Crabeels, de schepenen Steven Van Mulders en Charles Van Langenhove en de kerkmeesters Hendrik Van den Bossche en Michiel Bruijlant. Het resultaat van die zitting was dat de abdij 100 patacons[72] zou betalen voor een klok van minimum 3 000 pond die de kerkmeesters konden laten gieten.

1691 – De “kele” van de Damvijver[73].

Met mondelinge toestemming van de hofmeester van de abdij hadden Guillam Cornelis en Lucas Crick eene kele oft wateringhe gemaakt op de hoek van de Affligemse Damvijver[74] aan de hofstede van Hendrik Michiels. Zij hadden met houten planken een toegang tot de vijver gemaakt om zo hun paarden, koeien en andere dieren te laten drinken. Na het overlijden van Guillam en Lucas realiseerde de hofmeester zich dat hun erfgenamen dezelfde kele gebruikten en dat het gevaar bestond dat zij en andere buren die toegang als een oude servitut, een verworven recht, zouden beschouwen zodat de kele er voor altijd moest blijven. Om dat te verhinderen ontboden de meier Gillis Robijns en de schepenen Michiel Cornelis, Andries Seghers en Nicolaas Meert op 17 december 1691 Peter Clauwaert, als erfgenaam van Guillam Cornelis, en Jasper Robijns, als man van de weduwe Lucas Crick, op de Affligemse schepenbank. Zij wilden dat Peter en Jasper een verklaring ondertekenden waarin zij erkenden dat de kele geen oude servitut was. En ook dat ze bereid waren om op verzoek van de hofmeester de toegang tot de Damvijver te verwijderen en de wal in zijn oorspronkelijke staat te herstellen. Beiden ondertekenden gewillichlijck het document.

1695 – De weduwe van rentmeester De Middeleer eist betaling van tantièmes[75].

In de jaren 90 van de 17de eeuw bleven onze streken geteisterd door de voortdurende oorlogen van Lodewijk XIV. Op 11 juli 1690 plunderden Franse soldaten zo’n 50 huizen in Meldert. In september van dat jaar kampeerden 3 vendels aan de poorten van de abdij. Op 13 november arriveerden 400 Franse soldaten aan de abdij. De bevolking sloeg op de vlucht. Eind november kwam een half legioen Fransen in de abdij overwinteren. In 1691 werd er aan de abdij gevochten tussen Fransen en Spanjaarden. Op 7 juli leed Meldert onder een nieuwe golf van brandstichting en plundering. In Hekelgem en 7 andere dorpen staken de Fransen de huizen in brand. Door tussenkomst van de monniken bleven de huizen rond de abdij gespaard. Door de continuele miseriën van zware oorlogsbelastingen, leveringen van paarden en voedsel, door de vele wagendiensten konden de boeren hun pacht niet betalen. Zo leed Baardegem van 1689 tot 1695 voor 231 gulden 16 stuivers oorlogsschade en de Kerk schold in 1690, 1691 en 1693 de pachten deels kwijt[76]. Ook de pachters van de abdij verzochten de proost om kwijtschelding wat hen seer liberaelijck werd toegestaan. Blijkbaar ging de rentmeester Franchois De Middeleer daarmee akkoord. Maar na zijn dood eiste zijn weduwe Anna Van Neucker de tantièmes op waarop haar man recht had als vergoeding voor het innen van de pachten en het schrijven van de kwitanties. In twee gevallen liep de weigering van de boeren om die tantièmes te betalen uit op een proces voor de schepenbank van Asse.

Pauwel Beeckman van Baardegem was door sijn geleden schaeden ende ravagiën niet in staat zijn pachten te betalen. Anna Van Neucker eiste van hem tot het jaar 1693 87 gulden 13 ½ stuivers. Daar er geen andere processtukken zijn, is het best mogelijk dat Pauwel de tantièmes toch betaalde.

Weerstand bood Joos Van den Wijngaert[77], man van Catharina Wambacq, uit Hekelgem. Van hem eiste de weduwe voor de jaren 1684 en van 1689 tot 1693 in het totaal 130 gulden 13 ½ stuivers. Joos, voor de schepenbank gedaagd, argumenteerde dat er bij het reguleren van de kwijtschelding nooit sprake was van betaling van tantièmes aan de rentmeester. Wijlen Ambrosius Van Lierde en Willebrordus Resquens[78] hebben dat niet vermeld. Joos kon zich ook niet voorstellen dat de monniken meer bezorgd zouden zijn voor hun rentmeester dan voor hun eigen. Bovendien had de rentmeester geen werk want hij moest geen pachten innen en geen kwitanties schrijven. De weduwe zou zich beter informeren over de rechten en plichten van haar man. Hij besloot met de opmerking dat de pachters alleen verplichtingen hebben tegenover de abdij.

Zoals te verwachten was reageerde Anna Van Neucker met een uitgebreide weerlegging van de argumenten van haar tegenpartij. Zij wilde met haar replyck Joos Van den Wijngaert vuijt sijnen dolenden droom helpen. Zij beschikte over een akte van kwijtschelding van 31 januari 1695 opgesteld door Robertus Van de Velde[79], de syndicus van de abdij met deze duidelijke vermelding: ter oorsaecke van den lanckdurige oorlog, logementen, fourageringen ende ander verlies is aen de naervolgende pachters quijtgescholden als volght: met daervan betalende den tantième aen joufvrouwe de weduwe van wijlen den heer rentmeester De Middeleer. Heeft zij voor Robertus Van de Velde, die pas in september 1694 uit Neerwaver terugkeerde naar Affligem, verzwegen dat er al een akte van kwijtschelding bestond? De verklaring van Willebrordus Resquens had volgens haar geen enkele waarde want hij was de spijkermeester en hij had zich niet te bemoeien met het werk van de syndicus. Om de zaak nog ingewikkelder te maken ondertekende Catharina Wambacq, de vrouw van Joos, de akte op 10 februari 1695 waarmee ze zich akkoord verklaarde om de tantièmes te betalen.

In zijn duplycke herhaalde Joos dat zowel Ambrosius Van Lierde als Willebrordus Requens de kwijtschelding van de pachten verleenden voor zijn verlies en de weduwe had zich niet te moeien met den redelijcken ende descreten handel tusschen de abdije ende hem. Hij betwistte ook de geldigheid van de akte van Robertus Van de Velde. Hij heeft die akte niet ondertekend. Hij kan lezen en schrijven en het kwam hem toe de overeenkomst te ondertekenen want in de gedrukte costumen van Brussel staat: geene gertauwde vrouwen (geen koopvrouwen wesende) en mogen staende het houwelijck geene beloften doen, hen selve off hare mans te verbinden off eenige schulden te maecken sonder consent ende authorisatie van de selve hare man. Bijgevolg telt alleen de akte van kwijtschelding van Ambrosius Van Lierde en Willebrordus Resquens en daarin is geen sprake van tantièmes. Op het verwijt dat Resquens zich niet te bemoeien had met de kwijtschelding, antwoordde Joos dat het precies zijn taak was om de graanpachters te ontvangen en te helpen.

Het proces bleef aanslepen. Uiteindelijk deden de schepenen van Asse een beroep op de Souvereine Raad van Brabant. In april 1697 was er nog geen uitspraak.

Ick onder geschreven verclare dat aen Joos Van Den Wijngaert pachter der abdije van Afflighem quijtgeschollen sijn, te weten de jaren 1689 voor de helft, 1690, 1691 ende 1692 geheel, 1693 een derde paert ende 1694 twee derde paerten. Aldus gedaen in de abdije van Affligem 29 9ber 1695 ende was onderteeckent fr. Willibrordus risquens spijckermeester van Afflighem.

Collata concordat cum suo originali quod attestor J. Schoonians notaris.

1695 – Jan Van den Brande gecalengierd[80].

Pech voor Jan Van den Brande en Joos Van den Biesen uit Baardegem. Toen ze op 29 december 1695 om 5 u. in het Mustereelbos grondhout kapten ten behoeve van Jan werden ze door Michiel Verherwegen, de bosofficier van de abdij, betrapt. Hij liet de volgende dag de schade taxeren door Peter Gerstman en Jan Van Zeebroeck. Zij bepaalden de schade op 2 gulden 12 stuivers. Verherweghen stelde een pv op, ten exemple van anderen, die hij overmaakte aan de drossaard van het Land van Asse. Die legde hen een boete op voor illegale houtkap van 12 gulden. Jan Van den Brande werd voor de schepenbank gedaagd om beide boetes te betalen.

1696 – Advocaat Judocus De Haen gaat in de fout[81].

Op 17 januari 1696 diende advocaat Judocus De Haen bij de schepenbank van Asse een klacht in tegen Gillis Robijns, de meier van Affligem. Die zou meerdere jaren een rente van 18 gulden, bepand op bepaalde goederen, niet hebben betaald. Het ging om de jaren 1689, 1693, 1694 en 1695. Het moet voor de advocaat bijzonder affrontelijk zijn geweest dat de meier aan de schepenen 5 kwitanties kon voorleggen die aan Jasper Robijns waren verleden. De eerste kwitantie, van 28 november 1689 betrof het jaar 1689, de tweede de jaren 1689 en 1690. Voor 1693 was er een kwijtschelding omwille van de geleden oorlogsschade. 1694 werd voldaan op 24 april 1696 en in 1695 was de rente niet meer in het bezit van Gillis Robijns.

1700 – Was Willebrordus Resquens te voortvarend[82]?

In het voorjaar van 1700 daagde spijkermeester Willebrordus Resquens Cornelis Willems voor de schepenbank van Asse voor een pachtachterstand van 1 806 gulden. Cornelis was de voogd van de kinderen van wijlen Peter Van den Bossche en het was Peter die van de abdij meerdere percelen in huur had. In zijn antwoord van 15 juni 1700 betwistte Cornelis het bedrag van de achterstel omdat er na het overlijden van Peter Van den Bossche geen eindafrekening was gemaakt. Bijgevolg kon de spijkermeester die merckabele somme van penningen niet verantwoorden. Hij vermeldde ook de kwijtschelding niet die de abdij had verleend voor de geleden oorlogsschade en hij verzweeg in zijn klacht ook dat hij de meubelen van de wezen had laten verkopen en wat de opbrengst ervan was. Cornelis verklaarde dat hij steeds bereid was om voor de schepenbank te verschijnen als de spijkermeester een correcte rekening kon voorleggen.

1705 – Jan Schelfout wil zijn geld[83].

In 1705 nam Fanciscus Goossens uit Hekelgem de akkers over die hij van de abdij pachtte. Omdat Schelfout, naar zijn mening, de gronden met vele ende notabele melioratiën ende beternissen had verrijkt, vroeg hij P. Van Nieuwenhove en Jan Verleysen op 28 oktober 1704 de verbeteringen te taxeren. Zij kwamen tot een bedrag van 15 ponden groten Vlaams[84].

Maar Franciscus Goossens was Jan Schelfout nog meer schuldig:

1- Een hoeveelheid hopstaken voor 12 gulden.

2- Om het hout te splijten op 3 dagwand, 3 g.

3- Voor het scheuren van 1 d klaveren, 2 g.

4- Voor de overname van 2 d rapen, 4 g.

In het totaal bedroeg de schuld van Franciscus Goossens 111 gulden. Ondanks meerdere pogingen geraakte Jan Schelfout niet aan zijn geld zodat een klacht bij de schepenbank op 1 oktober 1705 nog de enige mogelijkheid was.

1710 – De erfenis van Jan De Witte en Anna Robijns[85].

Op 15 januari 1710 verscheen Joannes De Witte, onderpastoor van O.- L.-Vrouw Waver samen met zijn zussen en broers voor Philippus Van Innichoven, vorster en stadhouder van drossaard Hubertus Moortgat van het Land van Asse voor de verdeling van de erfenis van hun ouders. Jan was de zoon van Jan, een boer uit Strijtem en Margriet Cools. Hij trouwde te Meldert op 2 december 1675 met Anna Robijns. Hij was griffier van de abdij voor het leenhof en voor de schepenbank. In 1683 werd hij meisenier met zijn broer Adriaan en zijn oom Jan De meij als stravers. Hij overleed ca 1710. Anna Robijns was de dochter van Pauwel en Adrienne Breynaert uit Tollembeek[86].

Zij erfden elk 1031 gulden 15 1 stuivers.

1- Jacqueline was vergezeld van haar man Guillam De Boitselier, meier van Affligem. Zij kreeg Den Bonten Akker met de bomen, groot 265 ½ roeden en palende aan de Molenvijver, en een rente van 200 gulden ten laste van Gillis De Decker uit Hekelgem .

2- Egidius kreeg de weide met de bomen achter de molen, groot 100 r, Den Hoorinck, een onbehuisde hofstede met de bomen, groot 182 ½ r, Het Broek, 30 r en een rente ten laste van Jan De Kegel uit de Klaarhaag van 78 g.

3- Judocus erfde de helft van 408 r op de Molenkouter en palend aan de hofstede van zijn vader en kreeg van Adriana 488 – 13 ¼.

4- Aan Andries kwam de andere helft van de 408 r met de bomen toe en ontving nog 473 – 13 ¼ van Adriana.

5- Jacobus ontving Het Queddelvelt aan de Wallenmeers, groot 271 r en kreeg van Joannes 135 – 17 ½ en van Franciscus 146 – 3.

6- Joannes kreeg Het Swijn met de bomen, gelegen onder Hekelgem en palende aan De Grote Rammelaar en aan De Koeweide, groot 294 r, een hopveld van 109 ½ r met een schuur achter de hofstede Den Rosmarijn. Hij moest aan Jacobus 135 – 17 ½ opleggen.

7- Franciscus erfde Den Rosmarijn, 121 ½ r groot met een steenput, ast, oven en opleggen aan Jacobus 146 – 3.

8- Adriana en haar man Franchois Robijns erfden de ouderlijke hofstede met huis, steenput, ast en oven, de fruitbomen, groot 121 ½ r. Zij betalen Judocus 488 – 13 ¼ en aan Egidius 146 11 ¼.

Alle erfgenamen konden vanaf 1712 over de goederen beschikken.Jan de Witte was zo zorgvuldig geweest om zijn hofstede door timmerman Jan De Vis en metselaar Joos Van den Brande te laten schatten op 30 september 1709.:

-de schuur: 428.

-de vleuge metten aenhanck: 70.

-het bakhuis met de oven: 40.

-de steenput: 180.

-de hopast: 112.

-het huis met de kelders en ander metserije: 1580.

-de steenput aan Den Rosmarijn: 150.

-het huis Den Rosmarijn: 130.

Mijnheer greffier gelieft aen mijnen broeder Franciscus op mijnen cavel te stellen, wesende “Den Rosemarijn” alias “Slappentap” ende mij op den sijnen, het selve accepterende al off ick daer selver present waere, daer vooren verbindende mijnen persoon ende goederen ettha. Actum 22ste januari 1710. E. De Witte.

1771 – De aanstelling van Benedictus Emmanuel De Witte als griffier van de abdij[87].

Op 30 december ondertekende proost Beda Regaus[88] in opdracht van de aartsbisschop Johannes von Franckenberg de aanstelling van Benedictus De Witte als griffier. Wij geven de tekst van de aanstelling in een hertaalde versie.

Wij aartsbisschop aan allen die dit zullen lezen, zaligheid in de Heer.

Wij laten weten dat wij, geïnformeerd over de bekwaamheid en naarstigheid van Benedictus Emmanuel De Witte, hem omwille van zijn goede naam, na het ontslag van zijn vader Joannes Baptista De Witte, hebben aangesteld tot griffier van onze heerlijkheid en (schepen)bank van Affligem voor het Land van Asse, van ons leenhof en onze laatbanken in de kwartieren van Brussel, Merchtem, Buggenhout, Londerzeel en omgeving. Hij zal als griffier alle voorvallen en toebehoren trouw bedienen, namelijk de notulen en de rollen van procedures van de vierschaar en van hoger beroep opstellen, zoals ook de akten van de goederen, onze besluiten of die van onze meiers bekend maken, de vonnissen noteren, opdrachten in verband met de goederen, erfenissen en onterfenissen en wettelijke passeringen[89] registreren. Voor zover wettelijk toegelaten zal hij op verzoek behoorlijke extracten schrijven en alle documenten aangaande onze rechten en plichten bijhouden, onze rechten verdedigen en doen wat hij als een trouwe griffier schuldig is. Hij zal van alle activiteiten binnen zijn griffierschappen voor ons een inventaris maken.

Bekend met de hierboven beschreven plichten en met het gewone salaris zal hij de eed van trouw in onze handen of in die van onze vertegenwoordiger afleggen. Wij bevelen onze officieren, meiers, schepenen, leenmannen en laten aan hem naar reden en recht behulpzaam te zijn. Was ondertekend: Beda Regaus.

1791 – Strijd om de erfenis van Andries Robijns[90].

Andries Robijns bezat een ½ bunder land op Den Boonhof. Na zijn dood werd dit perceel het voorwerp van een strijd onder zijn erfgenamen. Die waren verdeeld in twee kampen: Petronella De Kegel enerzijds en de kinderen uit zijn eerste en tweede huwelijk anderzijds.

Andries Robijns was de zoon van François en Joanna Maria Vinck. Hij was te Meldert gedoopt op donderdag 26 januari 1702. Van 1750 tot 1759 was hij koster en van 1750 tot 1759 Armen- en H. Geestmeester. Hij was de eerste van 6 generaties Robijns die te Meldert koster waren. Andries overleed op vrijdag 29 juli 1791 in de leeftijd van 89 jaar. Hij trouwde een eerste maal, 23 jaar oud, op zondag 23 september 1725 met Joanna Isabella Rosa De Witte, 26 jaar. Egidius Mertens en Jacobus De Witte waren hun getuigen. Joanna was de dochter van Jacobus en Barbara Van Mulders en werd te Meldert gedoopt op donderdag 8 januari 1699. Bij haar doop waren Elisabeth Van Mulders en Joannes De Witte de meter en peter. Joanna overleed op donderdag 26 februari 1733, 34 jaar. Zij kregen twee kinderen:

1 Joanna Maria, gedoopt op donderdag 4 maart 1728. Getuigen waren Joanna Maria De Witte en Petrus Robijns. Zij trouwde op 4 december 1754 met Egidius Franciscus Van Gerwen, 27 jaar, koster te Moorsel. Getuigen waren Andreas Cooreman en Francisca Melis. Egidius was de zoon van Joannes Benedictus Van Gerwen en Maria Brusselmans.

2 Petrus Benedictus, gedoopt op zondag 19 maart 1730. Hij trouwde op 48-jarige leeftijd op donderdag 10 september 1778 met Joanna Maria Van der Schueren, 27 jaar Zij werd te Meldert gedoopt op woensdag 14 oktober 1750 en was de dochter van Alexander en Jacoba De Baetselier. Petrus Benedictus stierf op zondag 23 maart 1788. Zij overleed op dinsdag 18 november 1788, 38 jaar. Hij werd in 1773 aangesteld als koster te Meldert.

Na de dood van Joanna op 26 februari 1733 hertrouwde Andries op woensdag 28 juli 1733 in Mazenzele met Catharina Meert, 27 jaar. Zij was in Mazenzele gedoopt op dinsdag 22 september 1705 en overleed te Meldert op maandag 19 augustus 1753. Zij hadden 6 kinderen:

1 Guillelmus, gedoopt op zondag 18 april 1734.

2 Catharina, gedoopt op maandag 15oktober 1736.

3 Petronella, gedoopt op 13 april 1737.

4 Franciscus, gedoopt op zondag 15 mei 1740.

5 Egidius, gedoopt op zondag 27 mei 1742.

6 Petrus, gedoopt op 8 april 1746.

Met zijn derde vrouw, Petronella De Kegel uit Hekelgem, trouwde Andries in 1756. Zij kregen 5 kinderen:

1 Laurentius, gedoopt op zondag 1 mei 1757, overleden op 12 februari 1762.

2 Anna Plilippina, gedoopt op donderdag 26 oktober 1758, overleden op maandag 6 maart 1769.

3 Alexander, gedoopt op dinsdag 9 september 1760, overleden op dinsdag 30 maart 1762.

4 Isabella, gedoopt op dinsdag 30 januari 1762 en overleden op zaterdag 26 maart 1763.

5 Joanna Catharina, gedoopt op dinsdag 29 juli 1766.

Na de dood van Andries op 29 juli 1791 eiste Petronella het bezit op van een ½ bunder land op Den Boonhof, palende aan de cappelerije van Meldert, Joseph Van Malderen, Peter Beeckman[91] en Den Mutsereel. Volgens haar viel de erfenis onder de costuymen[92] van het Land van Asse waar het als mobilair werd beschouwd en zij de erfgename was van alle mobilair. Maar Petrus Benedictus en twee kinderen van Egidius Van Gerwen en Joanna Maria[93], namelijk Joanna Catharina met haar man J.B. Moreels en Anna Catharina en haar man Petrus Van Nieuwenborgh hadden het land al op 27 maart 1792 bewerkt en de bomen die er op stonden hadden ze openbaar verkocht. Via haar advocaat De Smedt vroeg Petronella de schepenbank van Asse om haar tegenpartij te veroordelen tot de teruggave van het land, de opbrengst van de verkoop van de bomen en de betaling van een schadevergoeding. De gedaagden schakelden advocaat Gillis in. We weten dat de molens van het gerecht langzaam malen, ook toen al, zodat we niet verwonderd moeten zijn dat er twee jaar later, in 1794 nog geen vonnis was.

1793 – Joannes De Cort wou de tiendensteker voor zijn[94].

Andries Van den Bergh, de tiendensteker[95] van de abdij te Hekelgem, ging op 8 augustus 1793 naar de Buikouter om na te gaan of Joannes De Cort, een kossaard[96] van Hekelgem, zijn tarwe al had geoogst. Die bewerkte namelijk een veld waarop de abdij het tiendenrecht had. Joannes had, waarschijnlijk met pik en pikhaak, de tarwe al gepikt en ze in schoven gebonden. Andries schatte de oogst op 14 tot 15 elflingen en keerde de volgende morgen om half vijf terug om te vertienden, het tiende part of 1 elfling[97] op te halen. Onderweg zag hij Joannes De Coster samen met Judocus Van Nieuwenhove, een pachter van Hekelgem. Met paard en kar, waarop zo’n 14 of 15 elflingen lagen, reden zij weg. Daar Andries vermoedde dat er kwaad opzet mee gemoeid was, spoedde hij zich naar het veld van Joannes De Coster waar geen enkele schoof meer lag. Om uit te zoeken waar Judocus Van Nieuwenhove de schoven had gebracht, ging hij tussen 9 en 10 u. naar diens boerderij waar hij te horen kreeg dat de schoven niet van het veld van De Coster kwamen, maar uit de schuur van Gillis Verbeken. Andries wou ook uitleg van De Coster horen, maar trof alleen zijn vrouw thuis. Van haar kreeg hij alleen injurieuse woorden naar zijn hoofd geslingerd. Nog dezelfde dag bracht Andries verslag uit bij Livinus De Wemer, de hofmeester van de abdij. Die sprak op 19 augustus advocaat Stephanus Franciscus Gillis aan om namens de abdij een klacht neer te leggen bij de schepenbank van Asse en, zoals de wet het voorschrijft, als vergoeding het dubbel recht van tienden te eisen en om den baetsught ende besmettelijcken handel des gedaegde in te tomen. J. D. Gheude, de drossaard, voegde er nog een geldboete van 100 pattacons aan toe wegens het niet naleven van de wet.


[1] Patar: oude munt gelijk aan 1 gulden of 20 stuivers.

[2] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 8070.

[3] Een mijt was een kleine middeleeuwse munt. Een stuiver was gelijk aan 72 Brabantse mijten. Er bestond ook een Vlaamse mijt die anderhalve keer zoveel waard was als de Brabantse.

[4] Uit S.G. 1

[5] P. LINDEMANS, Geschiedenis van de Landbouw, dl p, 144.

[6] Ascania, S.g., 754.

[7] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 8109.

[8] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 8061.

[9] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4593.

[10] De kinderen van Geraert Van Vaerenbergh:

1- Barbele getrouwd met Gielyssen De Witte

2- Anna getrouwd met Joosten De Mets

3- Marie

[11] R.A. Leuven, Schepenbank van Affligem, nr. 8013.

[12] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1434.

[13] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 7421.

[14] Gebouwd op gaffelvormige palen.

[15] Al in de middeleeuwen werden de akkers voor graanwinning gemergeld om verzuring te voorkomen. Maar in de 16de eeuw waren de meeste mergellagen uitgeput. Door de dieren op stal te houden beschikten de boeren over stalmest ter vervanging van de mergel.

[16] W. VERLEYEN, De abdijhoeven buiten Affligem, in: Jaarboek Belledaal 1986, 11.

[17] E. SCHOON, De oude abdij Affligem geconfisqueerd, 2017, 40. Onuitgegeven bron.

[18] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.8112.

[19] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2002.

[20] Deze zaak dateert uit de 1ste helft van de 17de eeuw, +/- 1630.

[21] W. VERLEYEN, De familieclan van Franchoys Lemmens (+1637) Bosmeester van Affligem, in: Vlaamse Stam, jg. 33, nr. 10, oktober 1997.

[22] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 7645.

[23] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1693.

[24] J. OCKELEY, Leven onder de Toren, 2014, 10 – 11.

[25] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1434.

[26] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 5189.

[27] Tronk: stam van een boom. Dachwanden

[28] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1801.

[29] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2002.

[30] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2002.

[31] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2205.

[32] W. VERLEYEN, Het leenhof van Affligem, in: Recht in Geschiedenis, red. J. Ockeley, Leuven 2006, 472.

[33] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2294.

[34] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 261

[35] Andreass Creusen, de 31ste abt van Affligem, was doctor in de theologie en was van 1657 tot 1666 abt.

[36] Franchois Wambacq werd omstreeks 1580 in Essene geboren als zoon van Michel en Barbara De Wever. Hij overleed op donderdag 30 juni 1661 en werd in de kerk van Essene begraven. In 1638 kocht hij het Hof te Belle van de abdij: “15 juni heeft den aertsbisschop Boonen het pachthof van Belle onder paelenslagh verkogt aan Franciscus Wambacq voor gl 9000 ende daer waeren 24 hooghen op de conditie staen in probis.

[37] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2300.

[38] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2394.

[39] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2303.

[40] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 538.

[41] R.A. Leuven. Michiel De Bisschop notaris te Asse van 1654 tot 1688.

[42] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2775

[43] Jan Van Langenhove was de zoon van Judocus en Clara Scholasters; Hij werd te Baardegem gedoopt in 1611 en overleed op zondag 23 maart 1681 in Baardegem, 70 jaar oud. Hij was meier van het laathof Goubau te Baardgem en pachter op het Hof te Houtem. Hij trouwde op donderdag 6 oktober 1633 in Opwijk met Barbara Van den Broeck, 27 jaar. Zij werd gedoopt op donderdag 18 mei 1606 in Opwijk en overleed in Baardegem op vrijdag 29 augustus1664, 58 jaar oud.

Nicolaas Meert werd in Essene gedoopt in 1635 en overleed op zondag 10 februari 1709 in Essene, 74 jaar oud. Hij trouwde op maandag 2 september 1658 in Baardegem met Clara Van Langenhove, 20 jaar oud en dochter van Jan en Clara. Zij werd op woensdag 3 maart 1638 in Baardegem gedoopt en overleed op zaterdag 16 mei 1676 in Essene, 38 jaar oud. Nicolaas hertrouwde op 41-jarige leeftijd op zondag 20 september 1676 in Sint-Amands met Clara De Keersmaecker, 32 jaar. Zij werd gedoopt op zondag 11 september 1644 in Sint-Amands. Clara overleed op vrijdag 12 april 1720 in Essene, 75 jaar oud.

Kinderen van Nicolaas en Clara Van Langenhove: te Essene gedoopt:

1- Joannes, gedoopt op dinsdag 28 oktober 1659

2- Petrus, gedoopt op zaterdag 29 januari 1661 en overleden te Essene in 1699, 38 jaar.

3- Barbara, gedoopt op donderdag 19 april 1663

4- Catharina, gedoopt op donderdag 16 oktober 1664, Catharina Van den Broeck was getuige bij de doop.

5- Franciscus, gedoopt op zondag 24 april 1667, Joannes Lemmens was getuige bij de doop.

6- Anna, gedoopt op woensdag 29 januari 1670, Anna Van Langenhove en Egidius Linthout waren getuigen.

7- Judocus, gedoopt op zondag 11 oktober 1671, Catharina Gerstmans en Petrus Van Langenhove waren getuigen.

8- Maria, gedoopt op zondag 1 oktober 1673, Adrianus De Ridder en Maria Pinnock waren getuigen.

Kinderen van Nicolaas en Clara De Keersmaecker te Essene gedoopt:

1- Daniël, gedoopt op dinsdag 26 maart 1680, getuigen waren Maria De Keersmaecker en Daniël Van den Brande.

2- Elisabeth, gedoopt op zondag 29 maart 1682, getuigen waren Elisabeth De Keersmaecker en Petrus Gerstmans.

3- Jacobus Meert, gedoopt op donderdag 6 januari 1684 en overleden te Essene in 1759, 75 jaar oud.

4- Guillelmus, gedoopt op woensdag 3 oktober 1685, getuigen waren Petronella Tossyns en Joannes Van de Mael.

5- Carolus, gedoopt op dinsdag 4 november 1687

[44] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2569.

[45] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2591.

[46] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2593.

[47] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2796.

[48] 1 pond Vlaams groten = 12 ponden parisis = 6 gulden.

[49] Zie 1678 Eerste schepen Jan Van Langenhove in gebreke.

[50] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2664.

[51] Martinus Wambacq was een zoon van Franciscus. Franciscus was in Essene geboren en er overleden in 1661. Hij trouwde met Catharina De Troch. Martinus, geboren in Essene op 19 oktober 1619 overleed in de abdij op 8 februari 1675. Hij was getrouwd met Anna Vrankx en was notaris te Essene en griffier van de abdij.

[52] Idem, nr. 2737.

Dom Rupertus Beijdaels was afkomstig van Brussel. Hij legde in de abdij de geloften af op 28 januari 1657 en ontving de priesterwijding op 18 september 1660. Hij was novicemeester, hofmeester (ook spijkermeester genoemd), gastenmeester, prior en proost. In 1683 werd hij door Franse soldaten met geweld naar Aalst gevoerd omdat hij hen geen 20 koeien had geleverd. Dom Rupertus stierf op 29 augustus 1685.

[53] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2968.

[54] Adriaan De Ridder trouwde op zaterdag 13 juli in Hekelgem met Barbara Van de Velde. Hij overleed in Hekelgem op woensdag 5 maart 1692. Zij hadden zes kinderen te Hekelgem gedoopt.

1 Guillelmus, gedoopt op maandag 2 november 1676.

2 Adriaan, gedoopt op donderdag 3 maart 1678.

3 Angelus, gedoopt op zondag 1 juni 1681 en overleden te Hekelgem in 1703, 22 jaar oud.

4 Laurentius, gedoopt op dinsdag 11 januari 1684 en overleden te Hekelgem in 1743, 59 jaar oud.

5 Jacob, gedoopt op zaterdag 5 oktober 1686 en overleden te Hekelgem in 1720, 34 jaar oud.

6 Petrus, gedoopt op vrijdag 18 november 1689 en overleden te Hekelgem in 1766, 77 jaar oud.

[55] Dom Bernard O.S.B., Geschiedenis der Benedictijner Abdij van Affligem, Gent, A. Siffer, 1890, 273 – 275.

[56] R.A. Leuven, notariaat Joannes Schoonjans te Asse.

[57] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94 nr. 2827.

[58] LUCAS WAMBACQ, zoon van FRANCISCUS WAMBACQ en CATHARINA DE TROCH. Hij is gedoopt op donderdag 14 juni 1629 in ESSENE. LUCAS is overleden op woensdag 10 september 1670 in ESSENE, 41 jaar oud.

[59] ANDREAS DE WEVER, zoon van MERTEN DE WEVER en GEERTRUYDE VAN ROSSEM. Hij is gedoopt omstreeks 1610. ANDREAS is overleden op zaterdag 21 oktober 1673 in HEKELGEM, ongeveer 63 jaar oud. Koster te Hekelgem.

ANDREAS:

(1) trouwde, ongeveer 23 jaar oud, op zondag 19 juni 1633 in HEKELGEM met PETRONELLA DE MERCHIE, 21 jaar oud. Zij is een dochter van ERASMUS DE MERCHIE en AMELBERGA VERROTEN. Zij is gedoopt op donderdag 22 december 1611 in HEKELGEM. PETRONELLA is overleden, 23 jaar oud. Zij is begraven op zondag 11 november 1635 te HEKELGEM.

Notitie bij PETRONELLA: Overleden aan de pest.

(2) trouwde, ongeveer 40 jaar oud, op dinsdag 1 maart 1650 in HEKELGEM met JUDOCA DE MEYE, 26 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 15 oktober 1623 in HEKELGEM. JUDOCA is overleden na 1679, minstens 56 jaar oud. Zij trouwde later na 1673 met ANTHOON ANTHONIS.

[60] CATHERINA WAMBACQ, dochter van LUCAS WAMBACQ en CATHARINA BREIJNAERS. Zij is gedoopt op donderdag 28 april 1650 in ESSENE. CATHERINA trouwde, 20 jaar oud, op donderdag 22 januari 1671 in ESSENE met ANDREAS VAN DER STRAETEN. Hij is een zoon van HENDRICK VAN DER STRAETEN en CATHARINA VAN DEN DAELE. ANDREAS is overleden op donderdag 20 februari 1698 in ESSENE.

[61] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2822.

[62] Ambrosius Van Lierde was afkomstig van Aaigem waar hij in 1623 was geboren. Hij legde de geloften af op 18 oktober 1644 en ontving de priesterwijding op 25 mei 1652. Hij verbleef  in de priorijen van Neerwaver en Bornem. In 1644 keerde hij naar Affligem terug. Hij werd er econoom en graanmeester. In 1670 benoemde men hem tot de eerste syndicus. Op 15 februari 1672 sloot hij een overeenkomst met de Raad van Financiën voor het uitbaten van nieuwe steengroeven te Meldert en te Asbeek om de sluis Slijkens te Oostende te vernieuwen. Hij zou de Historia Affligemense geschreven hebben. Dom Ambrosius was zeer begaafd en bijzonder sluw.

[63] Geamortiseerde goederen: goederen van de dode hand, d.w.z. onroerende goederen die niet vererfd kunnen worden.

[64] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2737.

[65] Peter De Hageleer was getrouwd met Elisabeth Goossens. Zij hadden vier kinderen te Meldert geboren:

1 Anna, gedoopt op 13 januari n1669.

2 Joanna, gedoopt op 14 september 1670.

3 Egidius, gedoopt op 30 september 1672.

4 Judocus, gedoopt op 20 februari 1675.

[66] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2902.

[67] Andreas Van der Straeten was de zoon van Hendrik en Catharina Van den Daele. Hij overleed op donderdag 20 februari 1698 in Essene. Andreas trouwde op donderdag 22 januari 1671 in Essene met Catherina Wambacq. Egidius De Ridder en Petrus De Smedt waren hun getuigen Catharina was de dochter van Lucas en Catharina Breijnaert. Zij kregen vijf kinderen die in Essene werden gedoopt.

1 Michael, gedoopt op zondag 8 november 1671.

2 Joanna, gedoopt op dinsdag 24 januari 1673.

3 Petrus, gedoopt op donderdag 19 april 1674.

4 Joannes, gedoopt op vrijdag 28 februari 1676.

5 Joanna Maria, gedoopt op donderdag 25 mei 1679. Zij trouwde, 28 jaar oud, op zaterdag 10 december 1707 in Essene met Adrianus Ceuppens.

[68] Jasper Camermans was de zoon van Geeraert die op 19 november 1621 te Essene trouwde met Elisabeth de Meije. Jasper, gedoopt op 2 juni 1623 trouwde te Essene op 11 mei 1647 met Anna Van Linthout. Zij overleed op 8 oktober 1669. Jasper hertrouwde te Essene op 1 mei 1670 met Marie Van der Elst. Kinderen uit het eerste huwelijk te Essene gedoopt

1- Gerard, gedoopt op 30 augustus 1648.

2- Jan, gedoopt op 13 maart 1653.

3- Hendrik, gedoopt op 23 juli 1656.

4- Elisabeth, gedoopt op 2 juli 1657.

Uit het tweede huwelijk: Angelus, gedoopt te Essene op 17 maart 1675 en overleden op 7 december 1686.

[69] R.A. Leuven, Schepenbank van Affligem, nr. 7108.

[70] Tienden waren een soort belasting van kerkelijke oorsprong waarvan 1/ 3 bestemd was voor het onderhoud van de kerk en de eredienst .

[71] Andreas Le Roy, een Brusselaar trad in 1663 in de abdij in en ontving de priesterwijding op 23 mei 1671. Hij werd prior in Neerwaver en syndicus in Affligem. Dom Andreas onderscheidde zich door zijn grote lichaamskracht.

[72] De patacon of patagon was een munt uit de Lage Landen die in 1612 werd geïntroduceerd. Deze zilvermunt had een waarde van 48 stuivers. Op de voorzijde staat een gekroond stokkenhuis en de vuurslag van het Gulden Vlies; op de keerzijde het gekroonde Bourgondisch wapen omhangen met de ketting van het Gulden Vlies.

[73] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3332.

[74] De Damvijver lag in de Langestraat en is te zien op de ferrariskaart rechts van het woord Dorp. Helemaal recht de Cleynen Rammeleer. Links van de abdijgebouwen de 5 met elkaar door loden buizen verbonden visvijvers: de Weimeersvijver, de Rietvijver, de Grauwvijver, de Paddevijver en de Ouden vijver.

[75] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3332 en 3374.

[76] W. VERLEYEN, Negen eeuwen Affligem, 49; ID., Meldert 38; J. OCKELEY, Baardegem, 84.

[77] Joos Van den Wijngaert, was de zoon van Arnout en brouwer in Hekelgem.

[78] Ambrosius Van Lierde was afkomstig van Aaigem waar hij in 1623 was geboren. Hij legde de geloften af op 18 oktober 1644 en ontving de priesterwijding op 25 mei 1652. Hij verbleef  in de priorijen van Neerwaver en Bornem. In 1644 keerde hij naar Affligem terug. Hij werd er econoom en graanmeester. In 1670 benoemde men hem tot de eerste syndicus. Op 15 februari 1672 sloot hij een overeenkomst met de Raad van Financiën voor het uitbaten van nieuwe steengroeven te Meldert en te Asbeek om de sluis Slijkens te Oostende te vernieuwen. Hij zou de Historia Affligemense geschreven hebben. Dom Ambrosius was zeer begaafd en bijzonder sluw.

Willibrordus Riquens  was afkomstig van Antwerpen. Hij legde de geloften af op 2 februari 1637 en ontving de priesterwijding op 25 februari 1679. In de abdij vervulde hij meerdere functies: catecheet, sacrista, pomarius, cantor, graanmeester, subprior, ontvanger van de cijnzen en syndicus. Op 15 april 1721 volgde zijn benoeming tot prior te Bornem waar hij ook overleed op 18 december 1724.

[79] Robertus Van de Velde, een Brusselaar, ontving de professie op 12 juni 1677 en de priesterwijding op 19 september 1682. Van 1687 tot 1694 verbleef hij te Neerwaver. Na zijn terugkeer in Affligem werd hij syndicus en in 1708 econoom. Hij was een harde werker die zich met weinig tevreden stelde. In 1716 werd hij prior van Neerwaver. Hij overleed op 28 september 1722.

[80] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 587.

[81] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3387.

[82] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3647.

[83] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3756.

[84] 1 pond groten Vlaams = 6 gulden.

[85] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.5485.

[86] Voor meer informatie over de familie De Witte-Robijns zie B. VERMOESEN, Jan De Witte, Anna Robijns en kinderen: een merkwaardige familie te Meldert, in: De Faluintjes, 2008, nr. 2.

[87] B. REGAUS, Directorium Abbatiae Haffligemensis, Bona et Jura monasterii Haffligemensis, A.R. Brussel, 2002, kolom 396 e.v.

[88] Beda Regaus was de laatste proost van de abdij. Na de uitdrijving van de monniken in 1796 verbleef hij van 1798 tot aan zijn dood  bij zijn griffier Benedictus De Witte.

[89] Wettelijke Passeringen, ook schepenkennissen of schepenboeken genoemd omvatten hoofdzakelijk akten in verband met onroerende goederen (koop en verkoop van huizen, hofsteden, landerijen of bossen, leningen met een onroerend goed als onderpand, schenkingen, …). Af en toe is een huwelijkscontract of een testament opgetekend. De contracten werden neergelegd of ‘gepasseerd’ op de schepenbank en ingeschreven in de schepenregisters.

[90] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4542.

[91] De kinderen van Petrus Benedictus en Joanna Van der Schueren:

1 Felix, gedoopt op 31 januari 1778.

2 Petronella, gedoopt op 31 juli 1779.

3 Franciscus, gedoopt op 18 mei 1781.

4 Victoria, gedoopt op 16 augustus 1786.

[92] Costuymen: het gewoonterecht.

[93] De kinderen van Egidius Van Gerwen, koster te Moorsel, en Joanna Maria Robijns te Moorsel gedoopt:

1 Andreas, gedoopt op 18 oktober 1755.

2 Anna Catharina, gedoopt op 24 januari 1757, trouwde met Petrus Van Nieuwenborgh.

3 Joanna Catharina, gedoopt op 3 december 1758, trouwde met Joannes Baptista Moreels.

4 Joannes, gedoopt op 18 september 1760.

5 Jan Baptist, gedoopt op 27 augustus 1766.

[94] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4541.

[95] Een tiendensteker haalde de tienden op. In dit geval zou Andries over het tarweveld lopen en elke tiende schoof apart leggen of, eens de schoven in elflingen samen stonden, een elfling opgeëist hebben.

[96] Kossaard = keuterboer.

[97] Als het geoogste klaar in schoven was gebonden, zette men de schoven in groepen van 10 (een tienling) of 11 (een elfling) samen om te drogen.

Rechtszaken te Meldert tijdens de 18de eeuw.

Rechtszaken te Meldert tijdens de 18de eeuw.

Jan Pieters geschopt en geslagen[1].

Ten behoeve van de drossaard van het Land van Asse maakte dorpsofficier Franchois Van Onchem volgend verslag van de gebeurtenissen op Het Meirsbroek op 5 februari 1701.

Die dag legde Jan Pieters, 30jaar, een klacht neer wegens slagen en verwondingen. Hij had, toen hij in zijn huis was, twee wagens voorbij horen rijden. Omwille van het kabaal dat de voermannen maakten, ging hij buiten eens kijken en stelde dan vast dat de wagens niet op de weg reden maar door zijn graanveld. Hij zag nog dat een van de wagens, die van  Hendrik Van Ginderachter, kantelde. De andere wagen was van P. Plas uit Krokegem. Het is God die hem vreeckt omdat gij over mijn graen gereden hebt, meende Jan Pieters en hij riep zijn zwager om getuige te zijn van het voorval. Daarop kwam de knecht van P. Plas, Jan De Nil, op hem toegelopen, zeggend: wat heeft dese vagebond hier soo te roepen. Jan Pieters kon hem nog afweren met de dorsvlegel die hij van huis had meegenomen. Omdat Jan om hulp bleef roepen, vroeg Gillis hem of het zijn bedoeling was hun wagens te plunderen en hij sloeg hem met zijn vlegel op zijn rechterschouder terwijl hij zijn compagnons vroeg om met hun degens te komen. Pieters vluchtte weg, achtervolgd door Gillis Van Ginderachter. Al na een paar meter kon Van Ginderachter hem grijpen en vasthouden tot Van Huijnegem en De Nil hem bij zijn haar vastgrepen. Een van hen, Pieters wist niet wie, sloeg hem driemaal zo hard op zijn hoofd dat hij als in onmaght is geweest. Toch kon hij nog weglopen tot Van Huijnegem hem vastgreep. De twee anderen sloegen dan met zijn eigen vlegel op zijn rug, zijn benen en billen. Ondertussen waren andere mensen op het tumult afgekomen en de overvallers lieten Jan Pieters los, behalve Van Huijnegem die hem op de grond gooide. Stampt op zijn hert, stampt op zijn hert, moedigden de twee hem aan. Maar door het geroep van een andere man, Jan Pieters herkende de stem niet, gingen zijn aanvallers eindelijk weg.

Op 10 februari legde Frachois Van Onchem zijn verslag voor aan schepen Hendrik De Bailliu en de poorters Peter Gerstman en Joos De Clercq.

Peter Van de Putte: siet ick slaen den drossaert[2]

Wat bezielde Peter Van de Putte om de dorpsofficier van Meldert, Franchois Van Onchem, vast te grijpen en te slaen? Dat gebeurde in het huis van Jan Lans en in aanwezigheid van meerdere personen. Dat vergrijp bleef natuurlijk niet zonder gevolg, vooral omdat hij uitriep: siet, ick slaen nu den drossaert. Zoiets kon officier Franchois niet negeren en hij lichtte drossaard Hubert Moortgat in. Die vond dusdaenighe feijten intollerabel als strijdende tegen alle recht ende justitie mitsgaeders oock tegen de eere ende reputatie. Hij liet door officier Michiel Jacobs Van de Putte voor de schepenbank dagen op 12 december 1702. Zijn advocaat, Arnolt Adriana, eiste een schadeloosstelling van 5 patacons[3] (= 12 gulden). Maar Van de Putte daagde niet op, en ook niet na de tweede dagvaarding op 18 december. Toen hij na de derde dagvaarding niet verscheen, veroordeelden de schepenen Hendrik De Bailliu en Peter Gerstman hem tot het betalen van een boete van 20 gulden.

De woede van Peter Van de Putte is waarschijnlijk te verklaren door een eerder conflict. In 1697 bezorgde Franchois Van Onchem een dagvaarding. Volgens de collecteur Jan Van der Borght moest hij 78 gulden betalen aan het Melderts gemeentebestuur, een bedrag dat zijn vader, voor zijn overlijden, als collecteur nog zou schuldig zijn. Peter ontkende dat ten stelligste en dat leidde tot een proces dat in 1700 nog niet was opgelost[4].

De kwalijke erfenis van Jan Van der Borght[5].

Waarom Guilliam Van der Borght op 27 april 1650 een lening van 200 gulden met een erfelijke rente van 12 g 10 st aanging bij het klooster van Jericho[6] te Brussel is niet duidelijk. Hij was geen onbemiddelde man want hij kon meerdere partijen land als borg stellen:

-1/2 bunder land gelegen op de Rooskouter te Mollem, een erfenis van zijn moeder Joanna Van de Velde;

-1 bunder land gelegen op Den Bakoven te Asse;

-1 bunder land met huis te Asse-ter-Heide, een erfenis van zijn vader. Het perceel was belast met 10 g 10 st aan de kapelanij van Asse en met 12 g 10 st aan meester Arnoult Adriani.

De akte van de lening werd verleden door notaris Stephanus Van de Velde en door de schepenbank van Asse geregistreerd op 5 november 1650. Tot 1699 betaalde Guilliam en na zijn overlijden zijn zoon Jan stipt de rente op 27 april. Maar van 1700 tot 1707 werd er niets betaald. De schuld was inmiddels opgelopen tot 87 g 10 st. Voor de zusters was nu de maat vol. Pogingen om tot een minnelijke oplossing te komen hadden niets opgeleverd. Jan weigerde te betalen. Gevolg: de zusters richtten zich tot de schepenbank van de edele ende welgeboren vrouwe Marie de Cotereau der poort vrijheijt ende lande van Assche om Jan Van der Borght te verplichten de 87 g 10 st achterstel te betalen.

De weduwe Petronella beschuldigd van fraude[7].

De gemeentelijke boekhouding is een complexe zaak en dat was het zeker in vroeger tijden toen nog veel mensen niet konden lezen of schrijven. Voor de collecteurs, die de inkomsten en uitgaven moesten bijhouden, was het praktisch onmogelijk om voor alle verrichtingen de nodige kwitanties te verzamelen met als resultaat discussies over uitgaven die de collecteurs niet konden staven of niet geregistreerde inkomsten. Dat overkwam de weduwe van collecteur Jan Van den Biesen. Zij werd in 1698 voor de schepenbank van Asse gedaagd door Joan Van der Borght, de opvolger van haar man. Van der Borght eiste van haar 400 gulden, het tekort op de rekeningen die ze indiende bij de bedesetters. Voor een goed begrip volgt eerst een verduidelijking over de gemeentelijke boekhouding.

Een collecteur, soms ook rendant genoemd, zorgde voor de dorpsfinanciën. De inkomsten en uitgaven noteerde hij in oncost-, bede- en subsidieboeken. Hij inde of collecteerde de belastingen die door de bedesetters “geset”, d.w.z. verdeeld werden over alle belastingplichtigen meestal op basis van grondbezit als eigenaar of huurder. Ook molens en neringdoenders werden belast. De dorpsregeerders, de bedesetters en enkele andere vooraanstaanden, bepaalden de aanslag van de belastingen. Zij moesten bij hun benoeming een eed afleggen voor de schepenbank te Asse en ze kregen een vergoeding voor hun verplaatsing. De collecteur legde, meestal om de twee jaar, zijn rekeningen ter goedkeuring voor aan de dorpsregeerders en voor zijn werk werd hij vergoed met een tantième.

Op de rekeningen die Petronella De Meersman na de dood van haar man in 1698 aan de bedesetters Michiel Van de Putte, Jan Goeman, Gillis Van Onchem, Jan Baptista Robijns en Joan Van der Borght voorlegde, gaf zij als inkomsten 7 966 gulden 3 stuivers en 1 oord. Dat hoog bedrag was te wijten aan de verhoging van de grondbelasting van 6 naar 18 gulden per bunder. Daar kwam nog de pacht bij van 172 g 19 st voor 3 jaar van de vaghe goederen verhuurd door de bedesetters zodat de totale inkomsten 8 139 gulden 2 stuivers 2 oorden beliepen. Als vergoeding voor het opmaken van de rekeningen ontving Petronella 29 g 18 st 2 o. Bijgevolg ontving Petronella 8 109 g 4 st meer dan de uitgaven. In een tijd waarin de gemeenten het moeilijk hadden om hun uitgaven in evenwicht te houden met de inkomsten, was het duidelijk dat niet alle betalingen waren ingeschreven. Meteen wou de nieuwe collecteur Joan Van der Borght de rekeningen purgeren en hij kwam al snel tot de conclusie dat hij nog heel wat betalingen moest verrichten:

De achterstallige betalingen

– 1 898-4-2 van 13 november 1698 zonder nadere uitleg;

– 19-10-0 aan Gillis Beeckman  voor sijne specificatie;

– 29-10-0 aan Carel Ardenois voor vertier, goedgekeurd door de bedesetters van 24 oktober 1698; 9 g voor zijn werk met wagen en paard in dienst van sijne majesteijt in april 1698 en 1-16-0 voor de consumptie van de deurwaarder Van Gommeren;

– 21-4-5/8 aan Peter Van de Putte van 14 november 1698;

– 35-15-3 aan Jan Baptista Robijns voor wat hij voor de parochie deed;

– 4 985-14-0 aan afbetalingen voor meerdere personen;

– 126-17-0 die de weduwe of haar man hebben genoten;

– 12-9-0 voor een rente;

– 12-0-0 voor het opmaken van het setboeck;

– 6-0-0 voor de bedesetters die de rekeningen controleerden;

– 1-6-3 van 23 juli 1695;

– 7-15-0 van 23 juli 1695;

– 29-0-0 aan de abdij van Vorst;

De totale uitgaven bedroegen 7 214-15-0. Van de ontvangsten bleef er nog 894-9-0 over. De verbeterde rekeninghe ende reliqua legde de nieuwe collecteur aan de bedesetters ter goedkeuring voor. Maar Van der Borgt ontdekte nog onbetaalde recente rekeningen van:

– 21-6-0 voor Jacobus De Witte voor zijn debvooren voor de prochie;

– 4-8-0 aan Adriaan Linthout als bedesetter;

– 5-0-0 aan deurwaarder Borremans;

– 5-4-0 aan Jan Baptista Robijns;

– 14-10-0 aan Gillis Van Onchem als bedesetter;

– 25-15-0 aan Adriaan De Ridder als gids voor het Franse leger;

– 198-15-0 aan Joan Van der Borgt voor zijn werk met wagen en paarden ten dienst van de Fransen;

– 105-18-2 door de bedesetters gegeven aan Petronella voor de wagenvrachten in 1693 (voor het Franse leger?);

– 8-12-0 als tantième voor de weduwe;

– 66-0-0 voor haar paard dat aan de Fransen was geleverd en door de Spanjaarden in beslag werd genomen;

– 62-0-0 aan mijnheer De Backer voor een jaar rente in maart 1701;

– 511-11-0 van niet te innen bedragen volgens de oncostboecken van 1691, 1695 en 1696, het soldatenboeck van 1699 de bedeboecken van 1694,1695 en 1699.

De laatste uitgaven beliepen tot 1 030-3-0 zodat er een verlies was van 195-14-0. Die uitgaven werden uiteindelijk goedgekeurd door de schepenen Andries De Boitselier en Gillis Van Onchem, Jan Baptista Robijns, Adriaan Linthout en Steven Meysman en door de drossaard en Gillis Van Mulders en Peter Clauwaert, de schepenen van Asse, op 13 oktober 1711.

Ontfanghen bij mij ondergeteeckent vuijt handen van de weduwe Jan Van den Biesen op rekeninghe van ’t gene sij bij mij affrekeninghe ten achteren is gebleven, 50 guldens.

Actum 17de october 1702

Het proces.

Zoals te verwachten reageerde Petronella De Meersman op het slot van deze laatste rekeningen. Zij verweet Joan Van der Borgt dat hij na het eerste verslag van 31 juli 1698 nog op 2 juni 1704 een tweede verslag indiende, wat volgens haar aantoonde dat zijn eerste conclusies niet klopten. Hij gaf trouwens op 18 november 1704 toe voldaen te wesen in alle zijne prestaties ( van haar overleden man). Zij gaf van haar kant te kennen bereid te zijn met deughdeleijcken eedt te affirmeren dat sij aen den voorschreven aenlegger (Joan Van der Borgt) geene de minste schuld en is bekennende.

Daar de schepenen van Asse geen klaarheid zagen in de zaak die Joan Van der Borgt had aangespannen, richtten ze zich tot de Souvereijnen Raede van Brabant. De advocaten Beauregard en J.B. Van Gelder hadden al op 4 oktober 1710 het advies gegeven om getuigen op te roepen en te ondervragen. De schepenen van Asse besloten de raad van meesters ende geleerden in de rechten op te volgen. Jacobus De Witte, 60 jaar, Franchois Van Onchem, 47 jaar en Dominicus Van den Biesen, 66 jaar, getuigden dat zij in verband met de ingediende rekeningen van Petronella De Meersman winst noch verlies hadden geleden. Zij brachten dus geen nieuwe feiten aan. Het vonnis ontbreekt in de bundel, het enige wat duidelijk werd genoteerd waren de gerechtskosten. Wat begon in 1698 als een klacht over onbetaalde rekeningen, was in 1711 nog niet opgelost. Voor Petronella, die zelf niet kon schrijven en de weduwe was van collecteur Jan Van den Biesen, moeten al die jaren een ware nachtmerrie zijn geweest.

Gillis Beeckman betaalt niet[8].

Paulina Van Heil, een non, had van haar oom Jan Baptist Van Heil, een broer van haar vader, een onbehuijsde hoffstadt met een meirsken daerachter gelegen geërfd. De hofstee was belast met een erfelijke rente van 15 gulden 12 ½ stuivers. Gillis Beeckman had het goed in gebruik. Hij betaalde stipt de rente aan Paulina en na haar dood inde Peter Van der Bruggen, de man van Paulina’s zus het bedrag. Peter stierf in 1710 en toen stopte Gillis Beeckman met de betalingen. Dacht hij te profiteren van een onduidelijke erfeniskwestie? In elk geval pas na drie jaar reageerden de erfgenamen. Zij dienden een klacht in bij de schepenbank van Asse en op 14 mei 1713 werd Gillis op de schepenbank verwacht. De nichten Paulina Van der Bruggen met haar man Cornelis Van den Brande, Philippus Van den Brande, de weduwnaar van Catharina Van der Bruggen en Maria Van Heil, de zus van Paulina, eisten de directe betaling van 46 gulden 17 ½ stuivers achterstallige renten.

Een sluwe Gillis Van Ochem[9].

Op 17 december 1687 verkocht Gillis Van Onchem 1 dagwand land aan Christoffel Van Andenhove voor 22 ponden groot Vlaams[10]. Het perceel lag op het Meirbroeck, paalde aan de Groeneweg en was belast met 2 penningen Lovens[11] aan baron Van Capellen. Al snel rees er een probleem: Niclaas Van der Hasselt had beslag op gelegd op 45 roeden als gevolg van onbetaalde renten. Dat probleem bleef aanslepen tot de erfgenamen van Christoffel, zijn dochter Anna met haar man Jan Peeters en zijn tweede dochter Joanna met haar man Guillam Van den Driessche, na vergeefse pogingen om de zaak in der minne te regelen, tegen Gillis Van Onchem een proces inspanden. Volgens een akte verleden op 16 oktober 1703 kon Gillis 25 roeden aan hen afstaan. De volle 45 roeden kwamen pas in hun handen na een vonnis van de schepenbank van Asse op 13 oktober 1713, 26 jaar na de aankoop!

Testament voor een onwettige dochter[12].

Toen Peter De Nil, zoon van Gillis, sieck van lichaem maar sijn vertsand, memorie ende sinnen noch wel machtich zijn einde voelde naderen, liet hij pastoor Vresius zijn testament opmaken op 29 maart 1714. Hij schonk 150 gulden aan zijn zoon Martinus en 150 gulden aan zijn dochter Geertruide, illegitiem gemaeckt om haar daermede op te brengen. Voor Geertuide een welgekomen erfenis, maar niet naar de zin van Peters weduwe Catharina Van den Houte. Zij weigerde de 150 gulden voor Geertruide te betalen en dreigde ermee ’t selve kind wegh te jaeghen van haer ende alsoo in doelen loopen. Die weigering lokte een reactie uit van pastoor Vresius en de armmeesters Jan Van Vaerenbergh en Guilliam Vermoesen. Nu moesten zij instaan voor het onderhoud van het meisje, wat nadelig was voor de huisarmen van Meldert. Door de schepen bank gedwongen keerde Catharina de geëiste 150 gulden toch uit. Pastoor Vresius stelde voor om 50 gulden te reserveren voor de opvoeding en de resterende 100 gulden te beleggen bij notaris Egidius Crick. Probleem opgelost.

Toch niet, want de pastoor hield het geld voor zich. Het was Geertuides man, Judocus Fieremans, die bij de Raad van Brabant een klacht tegen Vresius indiende en de erfenis opeiste. Op 21 januari 1737 moest de pastoor voor de Raad van Brabant verschijnen. Wie dacht dat een diep beschaamde pastoor het geld kwam brengen, kende de lepe Vresius niet.

Hij had zijn biechtvader, dom Rumoldus Smaes, de gastenpater van de abdij, een getuigenis laten schrijven dat hij in perijckel des doodts was. Toen hij een tweede dagvaarding ontving om op 27 mei voor de Raad te komen, liet hij door notaris Crick een verklaring afgeven dat Geertruide al op 3 juli 1734 de volledige 150 gulden had ontvangen.

Jacobus Vresius, ook Vresins of De Vriese genoemd, was een Mechelaar van geboorte. Op 6 juni 1710 was hij benoemd tot pastoor van Meldert. Hij was een slecht parochieherder: hij hoorde nooit biecht, dronk te veel en had twee kinderen. In 1717 liet hij een nieuwe pastorie bouwen en wentelde de kosten af op de abdij. Hij schreef veel testamenten voor zijn parochianen en was voortdurend in processen verwikkeld. Beda Regaus schreef over hem: Hij was zwaarlijvig en zijn meid nog meer, maar de katten en de honden waren het niet minder. Daarom zegde Zijne Eminentie Kardinaal d’ Alsace: Meldert is een zeer vette pastorie. Hij overleed op 12 december 1746[13].

Meldert in financiële nood in 1714[14].

Op 7 september richtten de regeerders ende gemeijnteaeren van Meldert zich tot den keijser ende coninck in sijnen Souvereijnen Raede van Brabant . De gemeente bevond zich op de rand van het faillissement. Als ze de aangegane leningen, in het totaal voor 10 250 gulden, aan een intrest van 6% moest afbetalen dan zou dat voor het dorp hun totael ruïne betekenen. Die leningen hadden de regeerders aangegaan tijdens de Negenarige Oorlog om de kosten van logementen van soldaten, extra belastingen, opgelegde transporten en rantsoenen voor de Engelse, Hollandse en andere troepen te kunnen betalen. Maar die uitgaven brachten Meldert tot grote armoede. In het schrijven vragen de gemeentebestuurders seer ootmoedelijck dat de Raad van Brabant de intrest van de leningen tot 4% zou verlagen. Als bewijs is er een lijst van de leningen aan toegevoegd:

– aan mijnheer Van Can: 4 000-0-0 aangegaan op 16 april 1685

– aan sieur Van Mechelen: 600-0-0

– aan sieur Van den Brande: 400-0-0

– aan sieur Cassier: 1 200-0-0

– aan jouffr  (onleesbaar): 1 000-0-0

– aan mijnheer De Backer, nu sieur Martinus Robijns: 1 000-0-0

– aan mevrouw De Paepe: 800-0-0

– aan den selve: 600-0-0

– aan jouffr. Smickonen (?): 400-0-0

– aan Peter De Vis: 250-0-0

Summa van de kapitalen: 10 250-0-0

Peter Van Laecken moet zijn de rekening purgeren[15].

Er werden heel wat processen gevoerd tegen de collecteurs, wat laat vermoeden dat er waren die extra inkomsten uit hun opdracht wilden halen. Zo ook Peter Van Laecken, althans volgens de bedesetters was hij ten achteren merckelijcke somme van penninghen over de selve sijne collecte. Zij lieten Egidius Crick op 9 oktober 1714 bij de schepenbank een klacht neerleggen tegen Van Laecken. Die liet zich verdedigen door Christophel Van Coninxloo. Officier Andries De Wandeleer daagde Van Laecken voor de schepenbank op 4 november. Advocaat Crick eiste er namens de bedesetters dat Peter zijn rekeningen zou purgeren, aanzuiveren. Van Coninxloo ging daar niet op in, met als gevolg een nieuwe zitting op 4 december. Vermits Van Laecken noch Van Coninxloo dan opdaagden, veroordeelden de schepenen in gebanne vierschaere Peter tot het betalen van10 gulden 8 ½ stuivers.

Staet der goederen van Jan Van de Putte ende Elisabeth Robijns[16].

Jan Van de Putte was een zoon van Arnold en Antonia De Vleeshouder. Arnold (ook Aert) was molenaar op de Overnellemolen te Essene. Hij werd geboren op 16 november 1628. Volgde Jan zijn vader op als molenaar op de Overnellemolen of was hij molenaar op de Bellemolen? Hij kwam als enige zoon in aanmerking om zijn vader op te volgen op de Overnellemolen vermits zijn broer Guillelmus priester was. Jan (Joannes) was op 17 september 1645 (!), te Meldert getrouwd met Elisabeth Robijns. Zij was te Meldert gedoopt op 9 april 1628 als dochter van Gaspar en Margaretha Van den Bossche. Wanneer Jans vader Arnold sterft, is Joannes 34 jaar en al 17 jaar getrouwd. Daarom vermoeden we dat hij na zijn huwelijk naar de Bellemolen trok en dus de eerste van vele generaties Van de Putte op de Bellemolen was. Met Elisabeth had hij 9 kinderen, allen te Essene geboren:

1) Arnold (Aert), °(= gedoopt) op 11 maart 1647, p: Arnoldus Van de Putte, m: Margaretha Robijns. Hij legde zijn naderschap neer op 8 mei 1700, wat betekent dat hij het recht behield om een verkochte zaak terug te kopen. Of dit iets te maken heeft met de Bellemolen weten we (nog) niet.

2) Guilelmus,° op 29 april 1649, p: dom Guilelmus Van de Putte, m: Joanna De Vleeschouwer.

3) Gaspar, ° op 10 september 1651, p: Gaspar Robijns, m: Maria Wambacq (?), zie verder.

4) Catharina, ° 21 juni 1654, p: Gerard Van der Heyden, m: Catharina Robijs, + te Essene in 1719.

5) Franciscus,° op 5 februari 1657, p: Franciscus Robijns, m: Joanna Van de Putte. Hij werd de stamvader van de familietak Overnellemolen.

6) Joannes, ° op 5 juli 1659, p: Joannes Remens, m: Joanna Linthout.

7) Joanna, ° op 4 september 1661, p : Egidius Van Vaerenbergh, m : Joanna Vereecken.

8) Peter, ° op 30 oktober 1663, p: Petrus Robijns, m: Anna Van de Putte.

9) Elisabeth, ° op 16 november 1664, p: Joannes Fasseel, m: Anna Van de Putte[17].

Bleef Elisabeth na Jans overlijden op 16 augustus 1665 op de Bellemolen? Zij bleef met negen kinderen achter. Het oudste kind, Joannes was 20, het jongste, Joanna pas zes. Zij hertrouwde, na een moeilijke tijd, twee jaar later te Essene op 18 april 1667 met Jacques Van Droogenbroeck, gedoopt te Sint-Martens-Bodegem, overleden te Essene op 19 oktober 1681. Hij werd in de kerk begraven. Jacques (Jacobus) kwam uit een familie van molenaars. Zijn grootvader Peter werd in 1621 molenaar op de watermolen te Sint-Martens-Bodegem, een molen op de Alvennebeek. Zijn zoon Jacobus volgde hem op en diens zoon Jacques werd de tweede man van Elisabeth Robijns en molenaar op de Bellemolen[18]. Met Jacques had Elisabeth twee zonen:

1 Maarten, gedoopt te Essene op 27 februari 1668 en overleden ca 1676;

2 Judocus (Jacques), te Essene geboren op 20 april 1671 en overleden op 22 januari 1687. Zijn dooppeter was Antonius Robijns en Elisabeth Camermans zijn doopmeter.

Haar gezin heeft zeker een aantal moeilijke jaren na de dood van Joannes doorgemaakt. Beda Regaus vermeldt immers dat op 9 februari 1686 den molenbauw (is) ingevallen[19]. Een jaar later stierf haar tweede man, op 22 januari 1687 en pas het jaar daarop in augustus 1688 was de molen herbouwd. Haar zoon Jasper (Gaspar) nam in 1707 de molen over, zij was toen 79 jaar. Zij moet een bijzonder sterke vrouw zijn geweest. Haar dochter Catharina was na het overlijden van haar man Gillis Van den Broecke in de schulden geraakt. Op 3 februari 1710 was ze de abdij 1 586 gulden 12 stuivers schuldig en dat bedrag was in 1716 al opgelopen tot 4 173 gulden 4 ½ stuivers. Elisabeth schoot haar de helft van dat bedrag voor, nl. 2 086 gulden en 12 stuivers als voorschot op haar erfenis[20]. Zij moest nu binnen het jaar die som terugbetalen. De hele verdeling werd op 30 maart 1716 gepresenteerd aan Gillis Van Mulders en Peter Clauwaert, de schepenen van het Land van Asse en griffier Joannes Van Mulders.

Elisabeth overleed te Essene op 29 september 1715. Op 10 maart 1708 en een tweede maal op 10 april 1715 had zij contact opgenomen met notaris Egidius Crick te Asse om na voorgaenden adviese, rijpen raede ende voorsinnighe deliberatie ende taxatie van de goederen diein 5 gelijke parten te verdelen. Op verzoek van de erfgenamen van Jan en Elisabeth stelde notaris Egidius Crick op 7 november 1715 de inventaris en de verdeling van hun goederen voor. De landmaten zijn uitgedrukt in bunder, dagwand en roeden, de bedragen in gulden, stuivers en oorden en mijten.

Peter, de zoon van Gaspar

1- 1d 83 r land gelegen te Asse op het Horeken, waarde: 366 g.

2- 1d 50r gelegen te Ternat op het Groot Avenellievelt, belast met een grondcijns aan de abdij van1/2 stuiver 12 mijten: 260 g en nog 1 d op hetzelfde Avenellievelt gelegen en met een grondcijns aan de abdij van12 mijten: 240 g.

3- een hofstede onder Ternat, groot 3 d, de straat liggende tussen de hofstede en het goed van Franchois Wambacq is eigen goed, de prijs met de bomen en hopstaken: 535 g.

4- 1d 82r land gelegen te Essene op De Capelle, palende aan de voetweg gaande van de Okaaibeek naar de wijk, belast met een grondcijns aan de abdij van 2 stuivers 1 oord 3 mijten: 273 g.

Catharina.

Een partij land met hopveld gelegen te Asse, genoemd Den Bodem, groot 1b 3d, palende aan de middelgracht met de dam aan de overzijde, belast met een grondcijns aan de abdij van 8 gulden 13 stuivers en 14 ½ mijten, met de vruchten daarop: 1 558 g; de bomen: 132 g; de hopstaken: 100 g; het schaarhout: 30 g en de schuur: 80 ; totaal: 1 900.

Franchois.

1- De dam palende aan Den Bodem en de middelgracht, met de bomen en het schaarhout, uitgezonderd 7 getekende bomen: 400 g.

2- De watermolen te Essene, genoemd Den Avenellemolen, groot 1d 55r belast met een grondcijns aan de abdij van 8 gulden 12 mijten: 140 g; met het molenhuis: 1 623; de hopast: 36 en de bomen: 125.

De kinderen van Joanna vertegenwoordigd door de voogd Peter Mannaert voor de helft en Aert voor de andere helft.

1d 58r land gelegen op het Domentveld te Essene belast met een grondcijns aan de abdij van 1 stuiver 1 oord aan de abdij: 316 g.

De kinderen Peter Mannaert.

1- een hofstede, groot 2d 90r, gelegen te Meldert op Doment, palende aan de Grooten Domentschen Dries: 670 g; met het huis: 315 g, de schuur: 106 g; de boem en de opstal 9 g.

2- 1b 10 r land op het Domentveld, palende aan de voetweg naar Essene, belast met een grondcijns aan de abdij van 2 stuivers 1 blank en 1 ½ mijten: 600 g.

Aert.

1- weide gelegen te Hekelgem op het Schepersveldeken, groot 5d 75r, palende aan de paters jezuïeten van Aalst, belast met een grondcijns aan de abdij van 8 gulden 2 stuivers 1 blank: 600 g.

2- 5d 76 r land gelegen te Meldert op het Huisevel, palende aan de cleijnen Domentschen Driesch, belast met een grondcijns aan de abdij van 2 stuivers 1 oor 15 mijten: 1 100; met de bomer daarop: 100.

Het totaal van de vermelde goederen bedraagt 10 179 gulden. Voor elk van de 5 genoemden is dat 2035 gulden 10 stuivers.

Besluit.

Niettegenstaande alle moeilijkheden in haar leven was Elisabeth een welstellende vrouw. Zij bezat 8 bunder 1dagwand 92 roeden aan akkers en weiden, verspreid over de gemeenten Asse, Ternat, Essene en Meldert, een hofstede te Ternat, een te Meldert en de Overnellemolen te Essene. Dat gaat dan alleen over haar erfenis uit haar huwelijk met Jan Van de Putte. Wat Maarten en Judocus, de zonen uit haar huwelijk met Jacques Van Droogenbroek, erfden hebben we nog niet ontdekt.

Nog een collecteur in de problemen[21].

Nog een conflict over de gemeentelijke boekhouding. Het document is onvolledig, maar we kunnen met bijna volledige zekerheid het proces reconstrueren. Op 9 maart 1703 neemt Jan Van der Borght de job van collecteur over van Gillis Van Onchem. Gillis legt de jaarrekeningen, 10 oncostboecken, voor en die worden goedgekeurd. Nadien ontdekt Jan Van der Borgt dat er, volgens hem, nog 2 rekeningen ontbreken en dat er daardoor een tekort is van 93 gulden 1 stuiver. Hij dringt er bij Van Onchem op aan die rekeningen aan te zuiveren. Die ontkent de fraude en, na jaren van ruzie, dient hij in mei 1715 bij de schepenbank van Asse een klacht in tegen Jan Van der Borght. Hij stelt dat Van der Borght, die in 1703 de jaarrekeningen had goedgekeurd, na 12 jaar komt beweren dat er twee rekeningen ontbreken zonder eraan toe te voegen wat boecken, hoe vele ende van wat jaeren precies. Dat vond hij seer impertinent. Hij kon niet geloven dat Van der Borght nog oncostboecken van de vaeghe landen in zijn bezit had. Als hij oncostboecken bezat, dan had hij die quansuis gecollecteerd en kan men hem (Gillis) geene difficultijt maecken. Naar gewoonte volgden er een aantal zittingen met beschuldigingen over en weer tot de zaak op 10 september 1715 zijn beslag kreeg. Gillis Van Onchem betaalde de 93 gulden 1 stuiver aan Jan Van der Borght.

Vandalisme[22].

Vandalisme is van alle tijden. In 1709 of 1710 trokken twee mannen op een late avond door Meldert. Het waren Jan De Smeth en Jan De Man uit Sint-Amands. Aan het huis van Jacobus De Kempeneer namen ze een van de boomstammen die voor zijn woning lagen op en gooiden hem midden op de straat. Aan de brouwerij van Franchois Robijns, toen bewoond door Jan Van Nuffel, wierpen ze alle tonnen omver en op de weg naar Doment (nu Eekhoutstraat) braken ze de voetgangersbrug los en duwden ze in de beek. Het plezier vandalenstreken te kunnen uithalen, kende een keerzijde: er waren getuigen. Steven Van Onchem, 35 jaar had alles gezien en Jan De Mey, 24 jaar, was ook getuige van de eerste twee feiten. Op verzoek van de drossaard legden beiden hun verklaring af op 15 september 1716 bij officier Carel Rogiers.

Perikelen over de erfenis van een begijntje[23].

Op 15 maart 1688 verkocht Gillis Vinck 90 ½ roeden land aan Jan Van Muijsewinckel. Het goed lag op het Pireusveld en paalde aan het Wauwveld, de weduwe Gillis Beeckman, de kinderen Franchois De Vis en de Kerk van Meldert. De koopsom bedroeg 120 gulden plus 3 gulden voor het gelag op de koopdag. In dat perceel was 1/3 van Anna Van Mulders, begijntje te Mechelen. Zij stierf op 29 juli 1681 (zie Rechtszaken te Meldert in de 17de eeuw). Het goed was belast met een grondcijns van 2 ½ stuivers aan de abdij. Volgens de koopakte moest Van Muijsewinckel dat derde part, 40 gulden, pas betalen nadat de erfenis was geregeld die blijkbaar nog niet in orde was, maar dat deed hij niet. De kwestie bleef aanslepen tot Peter Crick, de man van Joanna Maria, Gillis dochter, op 13 juli 1717 bij de schepenbank een proces inspande om de betaling van de 40 gulden te eisen.

Inventaris inboedel betwist[24].

Na het overlijden van Gillis Dooms en zijn vrouw Petronella De Meersman taxeerde Guillam De Nil de inboedel ten sterfhuize met het oog op de verdeling van de erfenis. Gillis en Petronella hadden drie kinderen: Joos, Jan en Marie. Daar Joos al overleden was, kwam zijn erfdeel toe aan zijn kinderen Hendrik en Merten. Een eerste inventaris was klaar op 14 januari 1713, de tweede op 23 januari 1714. Hij presenteerde de twee documenten, in de tekst rekeningen genoemd, aan twee schepenen van het Land van Asse, Van Mulders en Guilliam Fasseel en aan Peter De Mol, Gielis Van Biesen, Adriaan Geeroms, en Hendrik en Merten van Meldert. De twee broers, Hendrik en Merten, voelden zich tekort gedaan en dienden op 23 april 1720 een klacht in tegen Guillam De Nil. Zij hadden meerdere bezwaren:

1 Zij eisten een herziening van de rekeningen waarop ze wettelijk gezien het recht hadden.

2 Zij ontkenden dat Merten bij het opstellen van de tweede rekening aanwezig was en bijgevolg kon hij die rekening niet hebben ondertekend.

3 De Nil stelde op 27 februari ri 1720 voor om hem 17 gulden 9 stuivers te geven, wat totaal onvoldoende was.

4 Hij bracht meerdere rekeningen in die eigenlijk hem ten laste vielen.

Guillam De Nil reageerde bij de schepenbank met een verweer van 58 artikelen waarvan een samenvatting volgt:

1 Dat de aanleggers, de twee broers, tegen hem een proces inspanden, vindt hij quaedtrouwigh.

2 Merten Dooms was wel degelijk aanwezig toen hij de twee rekeningen opstelde.

3 Die rekeningen heeft hij gepresenteerd aan de drossaard en de schepenen van het Land van Asse als oppermomboiren, voogden, van de wezen. Daar de rekeningen zijn goedgekeurd door de voogden, begrijpt hij niet waarom Hendrik en Merten soo nodeloos blijven persisteren ende soo te willen blijven stoot maecken over de verdeling van de erfenis. Er valt over de rekeningen niets meer te zeggen, zeker niet zonder bewijs van fauten ofte erreuren en dat kunnen ze niet aantonen.

4 Als de drossaard en de schepenen met de griffier hun goedkeuring gaven, volstaat dat als erkenning van de correcte afhandeling van de taxatie van de bezittingen.

5 Het gaat niet op dat zij nu de regels willen veranderen. Die moeten voor eeuwigh ende alleteijt eenen vasten voet hebben.

6 Zij beweren dat zij de rekeningen niet hebben ondertekend, maar dat neemt niet weg dat zij blijven een voltrocken werck aen het welcke niet en vermach nochte en canin het minste iets aen gedaen ofte veranderd worden.

7 De andere erfgenamen zijn wel akkoord gegaan.

8 Men kan onmogelijk een verdeling van de inboedel van een sterfhuis opstellen tot ieders appeteijt ende gescitheijt.

9 Hiermee is de onbequeamheijt van de aanleggers voldoende aangetoond.

Op 9 juli 1720 bezorgden Hendrik en Merten de schepenen nog een verweerschrift. Zij stelden vast dat Guillam De Nil erkende dat Merten de tweede rekening niet ondertekende daar hij toen te Leuven was en bijgevolg was er voor Merten geen afrekening. Dat de andere erfgenamen met zijn taxatie akkoord gingen, betekende niet dat zij voor Merten mochten beslissen. Hij had hen geen opdracht gegeven om in zijn naam te oordelen. Volgens de wet moet het consent van iedere belanghebbende gevraagd worden en die moet zijn satisfactie geven. Maar hun belangrijkste bezwaar tegen De Nil was dat zij zijn rekeningen hebben gecontroleerd en, in tegenstelling met wat hij beweerde, was er geen handtekening van de drossaard te vinden is. Die heeft dus de rekeningen niet goedgekeurd en daarom eisen ze een herziening van de taxatie van de bezittingen van hun grootouders.

De erfenis van Peter De Vis.

In De Faluintjes van 2017, nr.3 publiceerden we drie bijdragen over de bekende molenaarsfamilie De Vis van de watermolen te Meldert, nl. Molenaar Jan De Vis (1699 – 1768), Judocus De Vis, bouwheer van de staakmolen te Meldert en Jan Baptist De Vis (1778 – 1843), een schatrijke molenaar. Sindsdien ontdekten we nieuwe gegevens over de molenaarsfamilie. In het R.A. Leuven[25] vonden we de verdeling van de erfenis, zij het nog onvolledig, van Peter De Vis, de vader van Jan. Peter overleed op 15 december 1720. Zijn vrouw Maria De Ridder was al op 2 juli 1715 gestorven. Het gezin telde 9 kinderen:

1- Catharina, getrouwd met Hendrik De Witte op 5 juni 1719.

2- Margarita, getrouwd met Jan De Groot.

3- Elisabeth, getrouwd met Judocus Van der Kelen.

4- Jan, gedoopt te Meldert op 19 januari 1699.

5- Judocus, ° 26 juni 1701.

6- Wilhelmus, ° 31 augustus 1703.

7- Joanna Maria, ° 12 april 1706.

8- Jacquelina.

9- Anna, ° 6 augustus 1710.

Na de dood van hun vader Peter werden op 27 maart 1721 zijn goederen verkaveld. Na rijpen raede ende voorsienige adviese kwamen ze tot een akkoord om de goederen huijsinghe ende boomen van hun overleden ouders in zeven gelijke delen te verdelen. Wilhelmus en Joanna Maria waren dan al overleden. Judocus, Jacquelina en Anna, de minderjarigen, hadden als voogd Hendrik De Witte, de man van hun oudere zus Catharina. De overname van de watermpolen, die Peter in huur had van de abdij, stelde al een eerste probleem: hoeveel is het bedrijf waard? De oudste zoon Jan werd de nieuwe molenaar en hij had al onmiddellijk ruzie met zijn broer en zussen, het leidde zelfs tot een proces.

De moeilijke cavelinghe.

Catharina, Judocus, Jaquelina, Anna, Margarita en Elisabeth spanden op 25 juni 1721 een proces in tegen hun broer Jan. Die zou de watermolen over op 2 september 1721 overnemen en keerde daarvoor aan zijn broer en aan elke zus 148 gulden 19 stuivers uit. Over de overnameprijs die Jan betaalde, waren ze niet tevreden want zij ontdekten dat het huurcontract met de abdij een artikel bevatte dat de nieuwe pachter verplichtte de kosten van de verbeteringen die de afgaande pachter aan de molen had aangebracht te vergoeden. Peter had op zijn kosten een nieuwe hoesmolen ingericht en Jan gebruikte die nu dagelijks.

Bijgevolg moest hij aen ieder der voorschreven erffgenaemen goed doen het taxaet van de wercken van den molen des questie, bij wijlen hunnen vader becosticht met consent van de regeerders van de vermaerde abdije van Afflighem.

Jan wou dat bedrag wel betalen op voorwaarde dat de tegenpartij hem een overeenkomst met de abdij kon voorleggen waarin de monniken beloofden dat op het einde van zijn negenjarig pachtcontract het bedrag van de taxatie hetzelfde zou zijn als dat van 1720. Een onaanvaardbare eis, vuijtspotich ende belacheleijck, want zij hadden de huurovereenkomst met de abdij niet onderhandeld. Bovendien zullen tijdens die negen jaar de roerende delen van de molen door het dagelijks gebruik verslijten en het houtwerk kan rotten zodat de waarde van de molen van jaar tot jaar zal verminderen. Er kan ook een ongeval gebeuren. Dat alles wisten de monniken ook en daarom voorzagen ze uit ordinaire voorsichticheijt op het einde van elk pachtcontract een nieuwe taxatie. Het was dwaas van Jan om aan zijn familie die eis te stellen. Hij kan niet anders dan het bedrag van de taxatie te verhogen met de kosten van de hoesmolen. Daar hij dat niet in der minne wou regelen, spanden ze een proces tegen hem in.

Op 6 augustus 1721 ondertekende Jan een overeenkomst met de abdij. De achterstallige pachten tot het jaar 1720 werden hem kwijtgescholden en de granen die de pachters van het land hadden gehaald, waren hun eigendom in zoverre dat zij voor 1720 de pacht hadden betaald.

Een hofstede voor Elisabeth.

Elisabeth erfde een hofstede van 143 ½ roeden gelegen op Kokerij en grenzend aan de dries, aan de goederen van Affligem, Gillis Van den Wijngaert en Joos Applicoen en geschat op 227 gulden 2 stuivers na aftrek van de lasten. Het bijhorende huis met enkele bomen en gezaagd hout was 205 gulden waard. Elisabeth kreeg nog van haar zus Anna 22 gulden 6 stuivers, een obligatie van 96 gulden en haar aandeel in de watermolen van 148 gulden 19 stuivers. Dat geeft een totaal van 699 gulden 7 stuivers of 1/7de van het totale vermogen van Peter De Vis en Maria De Ridder dat 4 895 gulden 9 stuivers bedroeg.

De handtekeningen van Hendrik De Witte, Jan De Vis, Jan De Groot, Judocus Van der Kelen, Judocus De Vis en Jan De Ridder onder de rekening van Hendrik De Witte.

De erfenis van de wezen.

Hendrik De Witte maakte voor Judocus, Jacquelina en Anna, de minderjarige kinderen de rekening op van hun deel van de ontvangsten en uitgaven bij de verkaveling van de erfenis van hun vader Peter. Hij presenteerde zijn rekeningen aan de drossaard en de schepenen van het Land van Asse, de oppermomboiren, op 1 februari 1724. De bedragen zijn uitgedrukt in gulden, stuivers en groten Brabants.

De ontvangsten.

1- De openbare verkoop van de meubelen op 23 december 1720 bracht voor hen op: 550-7-2.

2- Cash geld in het sterfhuis: 660-14-0

3- Intresten van leningen

° van de weduwe Jacques De Smet van 2 jaar intrest: 10-0-0

° van Adriaan De Meersman van 8 jaar intrest: 15-0-0

°van Elisabeth Verdoodt van 1 jaar intrest: 3-8-3

° van de weduwe Guillam De Vis van 2 jaar intrest: 20-10-0

° van Jan De Coster, collecteur, van 3 jaar intrest: 96-0-0

° van de parochie: 7-10-0

° van Jan Van den Wijngaert van 1 jaar intrest: 3-0-0

° van Peter Van Ighem van 1 jaar intrest: 2-15-0

° van Peter Willems van 1 jaar intrest: 5-16-0

° van Joos Van Nieuwenborgh van 1 jaar intrest: 8-0-0

° van Jan Kindermans van 1 jaar intrest: 15-0-0

° van Elisabeth Verdoodt van 1 jaar intrest: 2-6-1

4- Landpacht.

° van Hendrik Van den Wijngaaert van 1 jaar pacht: 8-0-0

° van Joos Van Onchem van 1 jaar pacht: 10-0-0

° van Joos Vinck van 1 jaar pacht: 6-0-0

° van Franchois Buggenhout van 1 jaar pacht: 3-10-0

5- van Franciscus Heremans voor eenighe sweijsaet ende leijssaet: 2-0-0

6- van Jan De Vis: 4-0-0

De totale ontvangst bedroeg 1 440-0-2, een behoorlijk kapitaal dat 3/7 van de hele erfenis was.

De uitgaven.

1- aan Paschasius Robijns voor vertier van de molenslagers voor de taxatie van de molen: 2-9-0

2- aan Jan Gekeers en Arnaert Boquart voor de taxatie van de molen op 28 december 1720: 6-0-0

3- aan pastoor Jacobus Vresins voor de uitvaart van Peter De Vis: 12-0-0

4- aan Jan Van Nieuwenborgh als achterstal van Peter van de 20ste penning voor 1719 en 1720: 7-8-0

5- aan Peter Crick voor het vertier en voor de hulp in het sterfhuis: 4-4-0

6- aan Guillam Vermoesen, deken van de gilde[26], voor de doodschuld van zijn schoonvader en voor het lidmaatschap: 1-11-10

7- aan Joan Van Mulders, griffier van de schepenbank, voor 7 lotbrieven over het sterfhuis, geleverd op 15 april 1721: 51-9-0

8- aan J. Bloemen voor de onkosten van de schepenen en de vorster van 27 maart 1721: 7-7-0

9- aan Hendrik De Kegel, landmeter, voor zijn opmetingen: 4-0-0

10- aan Joos De Ridder voor het maken van de nieuwe molen in 1721: 20-0-0

11- aan Jan Van Nieuwenborgh voor zijn zorg voor de wezen van 1720 tot 1721: 7-12-0

12- aan Jacobus Van Nuffel volgens de kwitantie van 13 oktober 1721: 93-11-0

13- aan koster Gillis Mertens om aan de wezen les te geven in de winter: 1-4-0

14- aan Hendrik Vinck voor de 20ste penning van 1720: 19-8-0

15- aan Jan De Vis, zijn aandeel in de erfenis: 150-0-0

16- aan Judocus Van der Kelen, de man van Elisabeth, voor haar aandeel in de erfenis: 150-0-0

17- aan Judocus De Vis: 150-0-0

18- aan de vrouw van J. Van der Meersch, ontvanger van de abdij, de rest van de pacht van de watermolen: 150-0-0

19- aan Jan Van Nieuwenborgh, collecteur, voor de oncostboeck van 1719 en 1720: 18-3-2

20- aan J. De Witte voor 1 ½ dagwand land aan het leenhof van de abdij: 12-2-0

21- aan Jan De Coster, collecteur, voor de oncostboek 1720 tot 1721: 18-3-0

22- aan Romanus Govaert volgens de kwitantie: 13-0-0

23- aan Catharina Claessens voor de levering van lijnwaad voor de wezen: 4-14-0

24- aan Jan De Vis voor 1 jaar onderhoud van de wezen: 30-12-0; voor de uitgaven voor Jacquelina en Anna: 6-0-0; en voor de levering van graan, boter, smout, zeep, bier enz. aan het sterfhuis: 8-18-0

25- aan Judocus Van der Kelen voor twee jaar onderhoud van Jacquelina en Anna van 1722 tot 1723: 42-0-0

26- aan Jan De Ridder voor zijn werk in het sterfhuis: 2-0-0

27- aan Adriaan Van Linthout over sijne devoiren de date 23 januari 1724: 3-0-0

28- aan Franciscus Heremans voor diverse leveringen: 3-9-0

29- aan de hoofddrossaard van Asse voor de cleine rechten volgens de akte van 20 mei 1721: 12-1-0

30- aan de wezen volgens de notities van Hendrik De Witte: 62-12-3

31- aan Hendrik De Witte, de rendant, voor zijn devoiren gedaen voor het sterfhuis:

° op 26 december 1720 naar Asse geweest bij Jan Gekeers om de molen te taxeren: 0-10-0

° op 27 januari 1721 de pachtgoederen laten prijzen en de schatters nog 6 eieren gegeven: 0-11-2

° naar Hekelgem geweest voor de landmeter, naar Moorsel voor de timmerman en bij Pauwel Roosemont om het huis te schatten: 0-10-0

° op 13 februari heb ik 1 ½ dag hooi gebonden: 0-19-0

° op 5 juni 1721 bij Franciscus Robijns geweest om de molen te laten afschrijven: 0-5-0

° tweemaal bij Jan Van Nuffel geweest voor de rentebrieven aan de erfgenamen: 0-15-0

32- aan Pauwel Rodemont voor het taxeren van het huis van de rendant: 0-10-0

33- aan de rendant voor de voorschotten die hij betaalde voor Jacquelina en Anna: 9-3-2

34- aan de hoofddrossaard, schepenen, griffier en vorster voor het opstellen van de condities voor de verkoop van de goederen: 16-7-3.

35- aan de rendant voor zijn vergoeding als ordinaris van de 20ste penning: 61-0-0

36- aan de hoofddrossaard, schepenen en griffier voor het aanhoren van de rekeningen: 3-3-0

37- aan de rendant voor het optellen van de rekeningen: 1-10-0

38- voor het laten legaliseren van de rekeningen: 1-10-0

39- voor het opstellen van de rekeningen, voor ieder blad 4 ½ stuivers: 5-12-0

40- aan de rendant om van elk blad een kopie te maken: 3-16-0

Totaal van de uitgaven: 1 179-9-0.

Saldo van ontvangsten en uitgaven: een overschot van 280-11-2. Rendant Hendrik De Witte presenteerde de rekeningen aan de hoofddrossaard, de schepenen Joan Lahoese, Hendrik Louis en Adriaan Van Linthout. Waren ook aanwezig: Jan De Vis, Jan De Groot, de man van Margarita, Judocus Van der Kelen voor zijn vrouw Elisabeth, Judocus De Vis en Jan De Ridder als voogden.

Voorschotten betaald voor Jacquelina en Anna.

° twee paar weijntens: 0-7-2

° een snutdoos gekocht voor Anna: 0-7-0

° op 10 maart voor het lappen van hun schoenen: 0-1-2

° voor een paar kousen en 2 paar sokken: 1-4-0

° op 19 mei 1721 twee voorschoten gekocht: 2-1-1

° op 28 juni 1721 een snutdoeck gegeven mouwen laten maken: 2-9-0

° op 2 augustus 1721 een paar schoenen en gespen voor Anna/ 0-18-0

° op 13 augustus 1721 om de schoenen van Jacquelina te laten lappen: 0-8-0

° op 6 september 1721 voor Jacquelina een witte snutdoeck, een half elle lijnwaert ende het vertrecken van een rocklijf: 1-1-2

° op 4 oktober 1721 2 mutsen gekocht en nog 2 om op beeweg te gaan: 0-15-2

° op 12 oktober 1721 voor de twee meisjes gekocht:1 rocklijf, 2 paar sokken, 1 paar mouwen en haarsnoeren en de kleermaker betaald voor het maken van hun mouwen: 4-5-2

° op 19 oktober gekocht voor Anna: een paar kousen en een lint: 0-7-0

° op 20 december gekocht voor Jacquelina en Anna: 2 slaapleijven, reijsnoeren ende spellen: 6-9-3

° op 3 januari 1722 een paar kousen gekocht voor Jacquelina: 0-9-0

° op 17 januari 1722 een paar sokken en veters gekocht: 0-7-2

° op 31 januari 1722 een paar wanten en een lint gekocht: 0-10-0; 8 ellen lijnwaad en twee paar blokken (klompen): 3-14-0

° op 14 maart 1722 gekocht voor Jacquelina een paar lederen schoenen en voor Anna een paar kousen: 1-8-2

° op 28 maart 1722 voor Anna enige stof om een rockleijf te overtrekken en een paar mouwen gekocht: 1-15-0

° op 1 juni 1722 het schoolgeld aan de koster van Meldert betaald: 0-8-0

° op 10 juni 1722 wat Elisabeth voor de wezen betaalde teruggegeven: 1-11-2

° op 29 augustus voor de wezen gekocht: 2 gestreepte snutdoecken, 2 voorschoten en lint,een paer schoenen en gespen, stoffe om een rockleijf te overtrecken: 3-2-0

° op 3 oktober 1722: gekocht voor de wezen: 2 paar sokken en stof om een rok te lengen: 0-17-2

° op 21 november 1722 aan Elisabeth gegeven wat zij voor de wezen betaalde: 0-10-2

° op 28 november 1722 voor Jacquelina gekocht: een paar kousen, een boek en een halssnoer: 0-13-3

° op 21 december stof gekocht om een rockleijf te overtrekken, een paar mouwen en een paar blouses: 2-5-2

° op 2 januari 1723 een paar kousen voor Anna en een muts voor Jacquelina: 0-15-1

° op 4 april 1723 wat Judocus Van der Kelen voor de wezen betaalde: 1-14-1

° op 22 mei 1723 voor de wezen gekocht: een muts, een paar blokken, lint en een bril: 0-9-0

° op 19 juni 1723 voor de wezen gekocht: een paar kousen en een paar blokken: 1-3-0

° augustus 1723 aan Judocus Van der Kelen wat hij voor de wezen betaalde: 1-4-0

° op 18 september 1723 voor Anna gekocht een paar lederen schoenen en gespen: 1-3-0

° op 11 oktober 1723 voor de wezen gekocht: 2 paar kousen, 2 paar sokken en een paar blokken: 1-6-1

° op 18 december 1723 voor Jacquelina een muts gekocht: 0-6-0

° op 8 januari 1724 voor de wezen twee rockleijven en 2 paar mouwen gekocht: 5-9-0; het voorschot van Elisabeth teruggegeven: 0-14-3.

De naam van Judocus komt op deze lijst niet meer voor. De leeftijdsgrens voor volwassenheid lag toen op 25 jaar en hij was officieel nog een wees, maar wellicht werkte hij al meerdere jaren en beschikte zo over eigen inkomsten.

Voorschotten betaald voor het sterfhuis:

° voor zeep: 0-2-3

° voor zeep en smout: 0-4-1

° voor het vullen van het graf: 0-12-0

° voor een kaars voor de zieke Peter, nadien naar de kerk gedragen: 0-7-1

° voor een stoop bier voor de schatters op 31 januari 1721: 0-2-2

° aan Andries De Meersman gegeven op 3 maart 1721 voor een zegel: 0-4-0

° op 27 maart 1721 het gelag betaald bij Hendrik Louis te Asse: 1-0-0

° aan de griffier: 5-10-2

°op 24 augustus 1721 9 ellen lijnwaad gekocht: 4-14-0

° voor een zegel: 0-4-0

° 26 november 1721: wormkruid en poeder: 0-2-0 en een zegel: 0-4-0

° op 27 december gegeven aan griffier De Witte de achterstal van de cijns van het jaar 1720: 0-6-0

° op 10 juni 1722 aan Marie Janssens gegeven voor de cavelinghe: 0-8-3

° op 12 juli 1722: een zegel: 0-4-0

Besluit.

Peter De Vis was zeker een bemiddeld molenaar. Het hoge bedrag van de openbare verkoop van de meubelen toont dat al aan. Hij kon bovendien tal van leningen geven en land verpachten. Over de erfenis van Catharina en Margaritha vonden we nog geen gegevens. De wezen Jacquelina en Anna konden rekenen op de hulp van de hele familie. Hun aankopen geven een beeld van het dagelijks leven: klompen die snel verslijten, zelden lederen schoenen, mouwen die men apart kon kopen, regelmatig nieuwe mutsen, rocklijven, het geringe bedrag voor de lessen van de koster in de winter Bij de uitgaven valt op hoe elke uitgave, hoe klein ook, zorgvuldig werd bijgehouden.

Problemen voor de weduwe Joos Van den Brande[27].

Op 22 oktober 1720 veroordeelde de schepenbank van Asse de weduwe van Joos Van den Brande tot het betalen van een aantal kosten ten voordele van de parochie van Meldert. Jacobus De Witte had via zijn advocaat Crick dat proces ingespannen. Waarschijnlijk zat zij in geldnood, wat toen vaak het geval was voor weduwen. Daar zij niet kon betalen, werd ze nog voor de schepenbank gedaagd op 26 maart en 22 april 1721. Daar zij niet kwam opdagen, veroordeelden de schepenen haar definitief tot de betaling van 22 gulden 8 stuivers 1 oord aan Jacobus De Witte.

Eenen eijcken opgaende boom gecapt[28].

Op verzoek van Peter De Mol rooide Jacobus Van de Maele een eiken boom. Die stond tussen de hofstede van Peternella Dooms en die van Jan Philips op de Klaarhaag. Peternella was door erfenis van haar ouders in bezit van de hoeve gekomen en ze verhuurde haar aan Louis Van den Bossche. Tegen het kappen van de boom dienden Jan Baptista Ardenois en Jan Mertens een klacht in bij de schepenbank op 25 juni 1721.

Peternella was de weduwe van Carel Ardenois en hertrouwd met Peter De Mol. Op verzoek van De Mol verschenen Gillis Leurans 62 jaar, Jan Plilips 40 jaar, Louis Van den Bossche 45 jaar en Jacobus Van de Maele 30 jaar voor notaris Egidius Crick. Zij waren allen inwoners van de Klaarhaag en getuigden dat de eik al sinds 5 of 6 jaar voor de helft verdroogd stond.

Hij groeide niet meer en het was nodig om hem te kappen. Tijdens het kappen stelde Jacobus vast dat ook de wortels een een kant volledig verdroogd waren. Bij hun getuigenis in de abdij waren Guillam Vermoesen en Gillis Van den Bossche aanwezig.

Jan Baptista Ardenois en Jan Mertens reageerden op het getuigenis door het verzoek in te dienen dat de schepenen ter plaatse kwamen kijken. Dan konden ze zelf vaststellen dat de eik nog niet dood was. Peter Clauwaert, Adriaan Van Linthout, G. Verloes en officier Gommaert Verloes, die optrad als vervanger voor de drossaard, kwamen naar de Klaarhaag op 7 juli 1721 en stelden vast dat vuijt den voorschreven boom jonge scheuten waeren wassende. Toch oordeelden de schepenen Jan La Hoeze, Hendrik Lowies, Hendrik De Bailliu en Adriaan Linthout naer voorgaende advies van meesters schepenen rechtsgeleerde dat de klacht van Ardenois en Mertens ongefondeert ende niet onfancbaer was.

De kinderen Jacobus De Witte in de clinch[29].

Jacobus De Witte, te Strijtem geboren als een van de 5 kinderen van Jan en Margriet Cools trouwde te Meldert op 4 maart 1696 met Barbara Van Mulders. Hij was de broer van Jan, de griffier van de abdij[30]. Te Strijtem was hij meisenier net zoals zijn oudste broer Adriaan. Te Meldert bezat hij een hofstede op het dorp, het Hof ten Bontenacker ofte Cleine Kempinne genoemd. Ze grensde aan de pastorie, de straat, Franciscus Robijns en de Molenvijver. Op 30 september erfde zijn zoon Jacobus de hofstede. Jacobus overleed op 3 mei 1729 en Barbara op 30 september 1723. Met Barbara had hij 5 kinderen, allen te Meldert gedoopt:

1 Jacobus, °16 december 1696

2 Elisabeth Isabella, ° 8 januari 1699

3 Andries, °2 september 1700

4 Maurus, °2 juli 1702

5 Joanna Maria °18 juli 1704

Er zijn nog twee kinderen waarvan we de geboortedatum niet vinden: Hendrik en Franchois. Barbara overleed te Meldert op 30 september 1723 en Jacobus op 3 mei 1729. Het is best mogelijk dat Jacobus een eerste maal was getrouwd en dat hij uit dit huwelijk de twee broers Franciscus en Hendrik had. Jacobus, Isabella en Joanna Maria zaten verwikkeld in een proces dat hun halfbroers Franchois en Hendrik tegen hen hadden ingespannen in verband met de erfenis van de goederen van hun vader en Barbara Van Mulders. Het zag er naar uit dat een uitspraak nog niet voor direct was. Dat bracht voor hen een probleem mee, namelijk dat de vruchten te velde staende als oock het hoijgras in de meersschen soude connen te bederven. Daarom vroeger zij op 3 juli 1725 via hun advocaat Egidius Crick aan de schepenen van Asse, Joannes La Hoese, Hendrik Louis en Guillam Verhasselt om de vruchten en het hooi te mogen oogsten. Zij waren immers de huurders van de velden en de meersen. Van de tegenpartij, hun halfbroers, verwachtten ze een antwoord binnen de drie dagen. Op 6 juli liet Van Mulders, de advocaat van Franciscus en Hendrik, weten dat ze de vruchten en het hooigras mochten oogsten op twee voorwaarden:

1 Schepen Adriaan Van Linthout of zijn afgevaardigde moest eerst een schatting maken van de waarde van de vruchten en het hooi.

2 Zij moesten voldoende borg stellen voor de vruchten en het hooi.

Indien hun condities niet werden aanvaard, dan zouden zij de vruchten en het hooi weghalen.Crick antwoordde op 10 juli dat Jan Baptista Elskens, een inwoner van Meldert, zich als persoon borg stelde. Dat vond Van Mulders onvoldoende omdat hij onversien van middelen was. Niet waar, betoogde Crick, hij is sufficiënt als borge als versien sijnde van gronden ende van erffven. Van Mulders mocht zijn bezit laten taxeren en dan zou hij zien dat de waarde ervan die van de vruchten en het hooi ver overtrof. Maar Van Mulders gaf niet toe. Hij voerde aan dat Jan Baptista als ongetrouwde geen vast adres en geen goederen had vermits hij van zijn vader nog niet erfde. De schepenen besloten de discussies met de opdracht voor Jacobus, Isabella en Joanna Maria om voor een ander onderpand te zorgen.

Op 13 juli hielden de schepenen een extraordinair gerecht. Advocaat Egidius Crick weerlegde er de argumenten van Van Mulders, maar gaf toch een ander onderpand: de goederen die Jacobus, Isabella en Joanna Maria van hun vader hadden geërfd. Hij stelde ook dat de bijkomende kosten voor de extraordinaire zitting ten laste van Franchois en Hendrik waren. Uiteindelijk kwam er een akkoord. Van Mulders aanvaardde de borgstelling, maar eiste wel dat die binnen de 24 u zou gebeuren. Op die eis liep het weer fout. Op 16 juli stelde Van Mulders vast dat er geen borg was. Crick beloofde wel .aan de schepenen om  binnen de 24 u de gepresenteerde goederen te hypothekeren en aan hen voor te leggen. Daar gingen de schepenen niet op in. Ze wilden het advies van de advocaten van de Soevereine Raad van Brabant inwinnen. Die oordeelden dat eerst het lopende proces moest uitgesproken worden alvorens  een vonnis te vellen in deze zaak en dat eerst de kosten van het lopende proces met de vele zittingen moesten betaald worden. Dat betekende voor elke partij 560 gulden 19 ½ stuivers en 2 oorden.

Na het advies van de rechtsgeleerden werden Franciscus en Hendrik in het ongelijk gesteld. Franciscus legde zich niet neer bij die uitspraak en wendde zich tot de wethouders van Brussel. Die richtten een schrijven naar hun Eersame geminde vrienden van wegens Franchois De Witte.

Zij vroegen de schepenen van het Land van Asse om binnen de 14 dagen het dossier aan hen te overhandigen. Ze wilden ook weten of de schepenen bij hun uitspraak bleven.

Op 27 mei 1727 nodigden de schepenen Joannes La Hoese en Hendrik Louis, die blijkbaar geen oplossing voor het conflict zagen, de beide partijen uit om op 6 juni 1727 om 8 u. ten huijse van den heer advocaet Goijvaerts om aldaer over alle hunne geschillen te worden vergeleken. Wat dat overleg opleverde, weten we niet[31].

Nog een collecteur in opspraak[32].

Op 25 september 1725 dienden de bedesetters van Meldert via hun advocaat Egidius Crick bij de schepenbank een klacht in tegen hun collecteur Jan De Coster. Hij zou een tekort op zijn rekening hebben van 381 gulden 1 stuiver 1 oord. Dorpsofficier Hendrik Van Onchem bezorgde De Coster 3 dagvaardingen, maar hij noch zijn advocaat Van Mulders lieten zich op de zittingen zien. De kwestie bleef aanslepen tot 12 maart 1726. Jan De Coster betaalde nog 100 gulden, toch veroordeelden de schepenen Joannes (La) Hoese, Hendrik Louis en Adriaan Van Linthout, na raadpleging van schepenen rechtsgeleerden hem tot de betaling van het ontbrekende bedrag plus de gerechtskosten, samen 414 gulden 6 stuivers 1blank.

’T sal wesen om ’t mijne ofte sijn leven[33].

Op 23 september 1726 ondervroegen de schepenen Guillam Verhasselt en Adriaan Linthout op verzoek van de hoofddrossaard Jan De Bruyn. Deze jongeman, 19 jaar, was geboortig van Aalst maar woonde bij Laureijs Spinoije te Moorsel. Volgens zijn verklaring was Laureijs op 14 september naar Meldert gegaan om zijn klaverenveld op de Bevenhouten te bekijken.

Hij trof er twee kinderen aan die naar het huis van Jan Philips liepen. Voor Laureijs was dat feit voldoende als bewijs dat ze zijn klaveren kwamen stelen. Toen Jan De Bruyn korte tijd daarop met de paarden van Laureijs door de straat van Philips reed, riep die hem toe: gij donder, sout gij noch wel eens derven segghen dat sijne kinderen uwe claveren gestolen hebben. Hij wou ook weten waar Laureijs was, wat De Bruyn niet wist. Daarop beet Philips hem toe dat hij morghen wesende sondagh te commen naer de ierste misse tot Moorsel ende sal wesen om ’t mijn ofte sijn leven gedaen sijn.

Dat Philips zijn bedreiging meende, vernemen we uit het getuigenis van Peter Beeckman bij dezelfde schepenen. Peter, 23 jaar, woonde bij zijn moeder Catharina Vinck op de Klaarhaag. Op 15 september, zo verklaarde hij, was hij in het huis van Peter De Mol. Omstreeks 7 u. ’s avonds riep Jan Philips hem naar buiten en vertrouwde hem toe dat hij Laureijs Spinoije drie of vier kappen met een ames had gegeven. Peter verweet hem dat hij eenen miserabelen mensch was en Philips antwoordde dat het hem leedt te wesen.

Was Hendrik Jacobs een tuitelaar[34]?

De hop, ooit het groene goud genoemd, heeft in de loop der geschiedenis welvaart gebracht in onze streek. Maar als er een product is waar men veel geld mee kan verdienen dan zijn bedriegers niet ver uit de buurt, zeker met een teelt zoals de hop die zeer onderhevig is aan misoogsten. Zei men van de hop niet dat ze de kwekers laat zeven jaar in druk, het jaar daarop schenkt zij hem driedubbel geluk. Wanneer de oogst zwaar tegenviel dan hadden sommige hopboeren en handelaars wel eens de neiging om door toevoeging van allerlei poeders en droge bladeren hun opbrengst te vergroten, al was het maar om uit de kosten te geraken. Daarmee brachten die tuitelaars de goede faam van onze hop in gevaar. Om dat tegen te gaan werden er voortdurend pogingen ondernomen om hun schadelijk werk onmogelijk te maken.

Op verzoek van de burgemeester en de schepenen van Aalst vaardigde het landsbestuur in 1613 een ordonnantie uit in een poging om het vervalsen van de hop tegen te gaan.

Daarmee had de Koopmansnering van Aalst de volledige controle over de hophandel uit de streek. Alleen gekeurde en met hun merk geijkte hop mocht als Aalsterse hop verkocht worden. Op die manier wou men waarborgen dat de Aalsterse hop geëstimeert de beste van de ghene herwaarts over wassende zou blijven[35]. Toch ging het vervalsen nog door. In 1625 vaardigde aartshertogin Isabella een nieuwe ordonnantie uit waarin ze andermaal verbood dat de hop vervalscht ende ghecorrumpeert werd omdat de goede faam van de hop t’onsen grooten proffijte ende van onse ondersaeten gebracht heeft. De hophandelaars moesten nu al hun hop naar de stadswaag brengen om ze te laten keuren en alle vervalste hop moest op de markten publiekelijk verbrand worden.

Een ordonnantie van Karel VI uit 1719 beschrijft nog eens de vervalsingen met kruys ende andere groote gewrongen blaederen van de hoppe, ook met poeders de welke sij daervan ende van andere blaederen ende kruyden komen te maeken, met gekapte rankskens ende andere ondeugdelijke mengelingen mitsgaeders dat de belle-hoppe wordt geplukt met lange stelen, takkeringhen ende kleine blaederkens, ende ook gemengelt met de voorseyde poeders, ende somwijlen met sant ende andersins beswaert met besproeyinge van water, waerdoor de selve hoppen ende bellen van onse Nederlanden … niet alleen aldaer en zoude verloren hebben hare weerde, grootachtinghe ende debit, maer ook de koopers en gebruykers van dien in dese landen zouden bedrogen worden in het gewicht[36].

De klacht van Jan De Coster bij de schepenbank van Assetegen Hendrik Jacobs deed ons denken aan de tuitelaars. In februari 1726 kocht Jan de hop van Hendrik Jacobs aan 3 stuivers 1 blank het pond. Maar als hij de hopbellen wou zakken, in een baal persen, bemerkte hij dat het niet dezelfde hop was die hij had gekocht. Hij had bovendien een bijkomend probleem: hij had al 20 gulden als voorschot betaald. Om zijn klacht te ondersteunen liet hij 5 getuigen dagvaarden.

Michiel Vermoesen, 37 jaar, verklaarde op 13 december 1727 aan de schepenen Joannes La Hoese en hendrik Louies dat hij in het voorjaar van 1726 naar het huis van Hendrik Jacobs was gegaan met de bedoeling zijn hop te kopen. Maar Jan De Coster was hem voor geweest en had die hop al gekocht. Korte tijd later keerde hij met De Coster terug van Brussel en die vroeg hem om de hop bij Jacobs eens te gaan bekijken om na te gaan of het nog altijd dezelfde hop was. Op dat verzoek is hij niet ingegaan.

De tweede getuigen, Michiel Van Ransbeeck, 35 jaar, was in februari als houtzager aan het werk bij Jan De Coster. Die vertelde hem dat hij een probleem had. De hop die hij bij Jacobs had gekocht moest hij de volgende dag zakken. En dat kon hij niet omdat hij in Brussel moest zijn. Joos Van Ransbeeck, 33 jaar, die ook bij De Coster hout zaagde, bevestigde de verklaring van Michiel.

Jan Kieckens, 28 jaar en afkomstig van Asse, kreeg van Jan De Coster de opdracht om een baal leeg te maken en met die zak de hop bij Jacobs te halen. Hij voegde eraan toe dat hem dochte als dat de hoppe niet meer en was gelijck als in den tijt dat hij selve hoppe hadde gekocht.

De gewezen meid van Hendrik Jacobs, de 28-jarige Anna Maria De Maerschalck uit Opwijk, was op de zondag voor Vastenavond in het huis van Jan De Coster samen met Hendrik Jacobs. Hendrik zei toen dat hij geld nodig had en De Coster stelde voor om 20 gulden als voorschop op de gekochte hop te geven.

Was Hendrik Jacobs een tuitelaar? Het is mogelijk dat hij betere hop presenteerde bij de verkoop en later minderwaardige hopbellen eraan toevoegde. Dat was een veel voorkomende praktijk maar vermits het vonnis ontbreekt, kennen we de waarheid niet.

Eenighe eijtsels gestolen[37].

In het najaar van 1727 liet Gillis Van Zeebroeck het kanthout aan zijn hofstede kappen om er eijtsels (bussels) van te maken. Maar op een nacht waren er 30 verdwenen. Op zijn verzoek verrichtte schepen Verhasselt, met de hulp van twee burgers en van officier Van Onchem, een aantal huiszoekingen. Op het erf van Jan Baptist Monsieur uit Baardegem troffen ze 10 van de gestolen eijtsels aan. Een diefstal die expresselijck verboden is bij sijne majesteijts placcaaerten van 13 december 1721. Het 9de artikel ervan bepaalde dat de gene die eenigh groen hout hoedaenigh het sij sonder consent ende wille van den eijgenaer ofte bevel daervan hebbende, gehouwen, gecapt ofte wegh gedraegehen sullen vier mael soo veel betaelen alst voorschreven gecapt ofte wegh gedraeghen hout sal weert sijn. Ende sullen dan er boven noch betaelen tot behoeff van den heere die gewoonelijck kennen ende crencken.

Het gevolg was dat Jan Baptist Monsieur door officier Van Onchem voor de schepenbank werd gedaagd op 20 januari 1728. Monsieur kwam echter niet opdagen en ook niet op 27 januari en 3 februari. Op 9 maart 1728 velde hoofddrossaard Jacobus Josephus Jacobs zijn vonnis. Van het bedrag, viermaal de geschatte waarde, kreeg Van Zeebroeck 1/3, een ander 1/3 ging naar de schatkist en 1/3 aan de drossaard die daarmee alle vergoedingen voor zijn helpers en andere kosten moest betalen.

Hij heeft sich vermeten sijn mes te trecken[38].

Op 4 november 1731 omtrent 10 u. kwam Guilliam Van Handenhove met zijn schoonvader naar het huis van Francis Robijns. De hoogmis was nog bezig toen zij met elkaar begonnen te ruziën gemengelt met vloeken ende blasphemiën en uiteindelijk gingen ze elkaar te lijf. Francis zag zich genoodzaakt ze uit zijn huis te zetten. Maar aan de kerk bleven de kemphanen verder vechten tot schandaal van iedereen. Hun ruzie duurde voort tot 2 u. wanneer Van Handenhove soo vermetel was sijn mes te trecken ende sijn schoonvaeder daermede heeft gequest met vleeschelijcke quetsuren waervan hij geheel was bebloet. Officier Hendrik Van Onchem diende nog diezelfde dag een klacht in tegen Guilliam want dergelijke feiten zijn in een land van rechten niet gepermitteerd. De hoofddrossaard dagvaardde Van Handenhove op 13 november. Voor zijn woest optreden kreeg hij een amende van 4 gulden voor de blasphemiën en een tweede boete van 24 gulden voor de messteken.

Rekening ten sterfhuize van Pauwel Beeckman en Catharina Vinck.

Op 22 januari 1732 presenteerde Gillis Beeckman, zoon van Pauwel en Catharina zijn rekening van de ontvangsten en uitgaven na het overlijden van zijn ouders aan de hoofddrossaard en de schepenen van het Land van Asse.

De ontvangsten bedroegen 843 gulden 14 stuivers en kwamen voort van de verkochte meubelen. De uitgaven had hij zorgvuldig bijgehouden:

-voor het maken van de kavelbrieven voor de kinderen 34 gulden-4 stuivers-0 oorden.

-betaald aan de collecteur Peter De Clerck de 20ste penning voor 1731 en voor de oncostboeck van 1729 en 1730, samen: 23-4-0.

-aan Jan De Witte de cijns aan de abdij: 18-0-0; en de cijns voor land gelegen te Baardegem: 9-3-0.

-aan de kerkmeester Peeter Pesteels voor de begrafenis van zijn moeder: 6-0-0.

-landpacht aan Pauwel Smet: 8-15-0.

-aan Jacobus Meert voor de Sint-Gudulameester: 8-10-0.

-aan Catharina De Keghel voor haar werk in 1730: 16-8-0

-aan pastoor J.B. Verhoeven voor 3 jaren cijns op een ½ dagwand: 0-9-0.

-aan Egidius Crick voor zijn debvoiren voor het sterfhuis: 23-12-0.

-aan J.B. Beeckman voor de oogst van 1720: 5-8-0.

-aan Jan Hooft voor de settinghen van Baardegem: 6-6-0; als collecteur: 19-13-0.

-aan de hoofddrossaard, schepenen, griffier en vorster voor hun rechten bij de verkoop van de meubelen: 36-14-3; voor het nazicht van de rekeningen en het maken van kopies: 11-2-9.

-aan de meid: 1-5-0.

-aan de rendant voor zijn 3 paarden en veulen: 9-9-0.

-aan de rendant zijn deel van de winst: 24-0-0.

-aan Jan Baptist Beeckman, Peter Beeckman zijn broers en aan hemzelf, hun deel van de erfenis van juffrouw Josina Moens, begijntje te Dendermonde: elk 36-0-0.

Totale uitgaven: 376-4-3.

Bleef over: 467-0-1.

Bij de presentatie van de rekening waren aanwezig, behalve de drossaard ook de schepenen Hendrik Charles De Voghel, Gillis Van Ginderachter en Philips Van Humbeke. Ook Jan Baptist, Peter en Gillis Beeckman, Mariman Goeman, de man van Joanna Maria Beeckman en Jan Frans Van den Bossche, de zoon van Catharina Vinck waren getuigen.

Vreemdelingen moeten betalen[39].

De pastoor, de armmeester en de regeerders van Meldert waren in 1732 van oordeel dat vreemdelingen die zich in Meldert kwamen vestigen een borgtocht  moesten betalen voor het geval zij een beroep zouden doen op de H. Geesttafel. Deze maatregel doet denken aan de ordonnantie van de meier en de schepenen van het Land van Asse uit 1646. Toen kregen arme gezinnen het verbod om zich in het Land van Asse te komen vestigen. Wie dat toch deed en geen bestaansmiddelen had, moest binnen de drie dagen vertrekken.

De ingezetenen mochten alleen met toestemming van de meier woningen verhuren aan de vremdelinghen en dat slechts na betaling van een borgtocht[40].

Franciscus De Baetselier en Gillis Willems verhuisden van Hekelgem naar Meldert en kregen prompt te horen dat zij afgesetene ende vremdelinge van dese prochie van Meldert waren en dus een borgtocht moesten betalen. Dat was niet in overeenstemming met de geciteerde ordonnantie want Hekelgem behoorde ook tot het Land van Asse. De pastoor, de armmeester en de regeerders van Meldert lieten niettemin advocaat Crick op 13 mei 1732 bij de schepenbank een klacht indienen tegen De Baetselier en Willems omdat zij de borgtocht van 300 gulden tot ontlasting van de tafel van de tafel van de Heijlighen Geest nog niet hadden betaald. Officier Hendrik Van Onchem daagde beiden voor de schepenen, maar noch op 17 juni, 8 juli en 15 juli daagden ze op.

Daarop veroordeelden de schepenen hen op 12 november in gebanne vierschare tot de betaling van 313 gulden en 5 stuivers.

Lening niet terugbetaald[41].

Franchois De Pauw, zoon van Gllis, ging op 12 oktober 1716 een lening aan van 50 gulden aan 6,25% bij Jacobus Van Ransbeeck en Josina Van Nieuwenborgh. Notaris Egidius Crick stelde de akte op met als getuigen Jan Louis en Jan De Mol. Franchois moest de 50 gulden binnen de drie jaar terugbetalen. In 1732 waren Jacobus, Josina en Franchois overleden en dan bleek dat de lening niet was afgekort en dat er zelfs geen intrest was betaald. Andries Van Ransbeeck, aangesteld als voogd voor de kinderen van Jacobus en Josina, diende op 23 december 1732 een klacht in tegen Jan Van Houwe die inmiddels met de weduwe van Franchois De Pauw was getrouwd. Hij eiste de 50 gulden terug en ook de intrest voor de periode van 12 oktober 1717 tot 12 oktober 1732, nog eens 50 gulden.

Verdronken in het waschwater.

In de morgen van 30 juni 1734, omstreeks 8 u. wou Barbara Van Muijsewinckel, de 22-jarige dochter van Jan en Catharina Van Ransbeeck, wat linnengoed laten bleken aan de Waschbeek in de wijk Parijs. Ook Catharina Thomaes, de vrouw van bezembinder Jan Kindermans, had dezelfde gedachte. Toen ze aan de beek kwam, ontdekte ze tot haar ontsteltenis het lichaam van Barbara in de beek. Philip Clement hoorde haar “Jezus’ lippen “ roepen en zag haar handenwringend aan de beek staan. Samen trokken ze het levenloze lichaam zo goed als mogelijk uit de gracht. Barbara’s vader, op de hoogte gebracht van het voorval, verwittigde de dorpsofficier Hendrik Van Onchem. Die gaf aan Jan De Boitselier, Jacobus Van Onchem en Gillis Willems de opdracht bij het lijk te blijven zodat niemand er sijne handen kon steken terwijl hij te Asse de hoofddrossaard verwittigde. Die stuurde dokter Van Innis en de schepenen Peter Verlinden en Jacobus Meert ter plekke voor een aenschouw. Zij kwamen tot de conclusie dat Barbara was verdronken.

Een dubbelproces: de beek omgelegd en een wilg gekapt[42].

In 1732 besloot Pauwel Van Malderen de beek die midden door zijn bos aan Het Boonhof liep om te leiden naar de rand van zijn perceel. De brug over de beek verlegde hij tot op het veld van de Kerk van Meldert. Op de grens met dat veld plantte hij bomen. Dat was niet naar de zin van de pastoor Vresius, al berucht omwille van de vele processen die hij inspande, en de kerkmeesters. Zij waren van oordeel dat Van Malderen het recht niet had om de bedding van de beek te verleggen. Bovendien vonden ze dat Van Malderen wat van hun grond had ingenomen. Daarom steunden ze Anthoon Beeckman, hun pachter van het veld, toen die een wilg rooide, het hout wegvoerde en zo’n halve roede omspitte voor eigen gebruik.

Na twee jaar gekibbel over de kwestie diende Van Malderen een klacht in bij de schepenbank te Asse. Hij eiste het wilgenhout op. Maar ook Anthoon Beeckman spande het gerecht in. Eerst richtte hij zich tot de schepenbank van de abdij. Die was van oordeel dat Pauwel die beek niet had mogen verleggen zonder hun toestemming vermits zij het toezicht op de beken hadden. Gesteund door die uitspraak dienden de pastoor en de kerkmeesters een klacht in bij de Raad van Brabant. Zij namen daarvoor advocaat Crick onder de arm. Wat volgde was een juridisch steekspel tussen Crick en De Maré, de advocaat van Van Malderen, gedurende heel het jaar 1736. Zij twistten over de vraag of de beide klachten, die van Van Malderen tegen Beeckman en die van de pastoor en de kerkmeesters tegen Van Malderen, al of niet samen konden behandeld worden om kosten te sparen wat de schepenen van Asse niet zagen zitten. Was het vonnis van de Affligemse schepenbank aanvaardbaar voor de schepenbank van Asse of niet en zo meer. Het enige concrete resultaat uit die procedureslag was dat beide partijen de helft van de 66 gulden gerechtskosten moesten betalen.

Jacobus De Witte blijft in gebreke[43].

Jacobus De Witte en zijn vrouw Barbara Van Mulders leenden op 26 februari 1716 250 gulden aan 4,25% van de Swerte Susters, genoempt Bethleemen te Aalst. Het bedrag was bedoeld voor Joanna De Valck, geestelijke dochter te Aalst. Tot 1738 betaalde Jacobus de helft van de geleende som terug. Toen in 1739 geen afbetaling volgde, schakelde de overste, zuster Joanna De Brauwere, advocaat Egidius Crick in om Jacobus te praemen tot betaling van het reterende bedrag.Was jacobus daar niet toe in staat? Het was Andries Robijns, zijn schoonbroer die de 125 gulden en de verschuldigde intrest voor hem betaalde op 29 juni 1739.

Herder Jan Dhaens gaat in de fout[44].

Op Pasen van het 1738 trok Jan Dhaens, de schaapherder van boer Van Linthout van het Hof te Putte, met zijn kudde erop uit. Stond er nog niet genoeg gras in de weiden, nam hij het niet zo nauw met de eigendomsrechten of hoopte hij dat er op zo’n feestdag niemand in de velden zou lopen? Hij trok met zijn kudde door de weide van Guilliam Fasseel en verder door het bos van Marie Gabriëls, de 89-jarige weduwe van Gillis Van Ransbeke. Drie kinderen, Susanna Van Ransbeke, Marie Heyvaert en Barbara De Valck, waren bloemen aan het plukken toen hij met de schapen uit het bos kwam. Daar de schapen heel wat schade hadden aangericht in de weide en in het bos, dienden de eigenaars een klacht in tegen Jan Dhaens bij de hoofddrossaard Joannes Emmanuel Loovens. Die nam de overtreding ernstig en spande een proces in tegen de herder. Daarvoor steunde hij op het verslag van de dorpsofficier Jacobus Verloes en raadpleegde hij uitgebreid de bestaande wetgeving ter zake. Vermits dergelijke vaak voorkwamen op afgelegen of weinig bezochte plaatsen had de overheid bij uijterste sorgvuldiheijt verscheide placcaerten ende ordonnanties uitgevaardigd om te beletten dat de goede lieden schade zouden hebben aan hun velden en bossen.

-Het placcaert ende eeuwigh edict van 7 december 1737 bepaalde dat eigenaars of pachters die dieren op hun land aantroffen, die mochten vangen en opsluiten op voorwaarde dat een getuige op eed hun verklaring bevestigde. Justitie zal dan de schade vaststellen en de eigenaar van de dieren een boete opleggen.

– Het plakkaat van 11 januari 1548 hield in dat, als er geen getuigen zijn, de eigenaar of pachter de dieren mocht op stal zetten en de schade vaststellen. De dorpsofficier zal dan op zijn eed geloofd worden als hij de schadeclaim bevestigt. Zijn verslag is een suffisante preuve.

– Het plakkaat van 19 november 1605 handelde over getuigenissen van kinderen. Als zij eenigh verstandt hebben is hun getuigenis aanvaardbaar als de meisjes 12 jaar zijn en de jongens 14.

Voor zijn verdediging haalde Jan Dhaens het grove geschut boven en schuwde persoonlijke aanvallen niet. Hij reageerde op 17 februari 1739.

– Aan de klacht van Marie Gabriëls mag men geen geloof hechten. Haar man, Gillis Van Ransbeke werd geweigerd als dorpsofficier en als vorster omwille van zijn gebrek aan goede deught en zij draagt de slechte reputatie van haar man mee. Bovendien is zij al 89 jaar en aan zo’n oude vrouw hoeft men geen vergoeding meer te geven.

– Guilliam Fasseel diende alleen maar een klacht in om geld te krijgen, want hij heeft niet gezien dat de schapen op zijn weide liepen.

-Wat de verklaring van de drie kinderen aangaat, zij zijn meer bequam tot kinderspel als wel tot soo eenen serieusen act. Zij zijn nog geen 13 jaar en Susanna en Marie zijn de kleindochters van Marie Gabriëls. Hun getuigenis verdient niet meer aandacht dan het gekakel van kippen.

– Dat Jacobus Verloes verklaarde dat hij bereid was tot een minnelijke schikking is totaal onwaar. De officier stelde alleen maar een verslag op omwille van de vergoeding.

Met een tekst van 74 artikels weerlegde hoofddrossaard Loovens de argumenten van de schaapherder:

– Hij citeerde nog eens de verschillende plakkaten om de illegale handelswijze van Dhaens aan te tonen.

– De reputatie van haar man mag geen invloed hebben op het getuigenis van Marie Gabriëls en ook niet haar leeftijd, want daarover is er in de rechtspraak niets te vinden.

– Guilliam Fasseel heeft de schapen niet op zijn weide zien lopen, maar vond wel hun sporen die naar het bos van Marie leidden.

– Aan de bekwaamheid van de kinderen om te getuigen mag men niet twijfelen vermits ze ouder zijn dan 12 jaar.

– Dat Dhaens de schepenen die de zaak kwamen onderzoeken, blameerde is ongehoord en de beschuldiging dat officier Verloes alleen om de vergoeding een rapport opstelde is laster. Een officier ofte dienaer van justitie moet wesen luijden van eere om tot dien staet te comen en sij staen buiten enighe verdenking.

De drossaard besluit dat er geen twijfels bestaan over de schuld van Jan Dhaens en bijgevolg moet hij een amende krijgen.

Op 20 oktober 1739 beslisten de schepenen Van den Bossche, La Heese en Voghel beide partijen te dagvaarden om tot een vonnis te komen.

Oorlogsleningen van Meldert 1745 –  1749[45].

Om de kosten van de opgelegde karweien en van de refraichissementen van de troupen en de opgelegde belastingen tijdens de Franse invallen vanaf 1745 te kunnen betalen ging de gemeente meerdere leningen aan. Maar eerst geven we een overzicht van publique lasten van de overheid van 1746 tot 1749:

– 9 maal de 20ste penning: 4 123-6-0.

– voor de inkwartieringen: 10 426-2-1.

– foerage: 5 609-10-2.

– belastingen op hoofd, ploeg, schouw: 2 042-12-0.

– een bede van: 582.

Het totaal van de lasten beliep 22.784 gulden 10 stuivers 3 oorden. De prochie ging daarvoor de volgende leningen aan:

In 1745.

– een lening van 3 400 gulden aan 3,75% aan de weduwe van Francis Meert van Aalst;

– 1 000 g van het Godshuis Pacheco aan 3,50%;

– 1 200 g van de huisarmen van Meldert aan 3,75%;

– 1 200 g van sieur Cuijmans van Aalst aan 5% op datum van 7 september 1745

– 1 000 g van mijnheer Robijns van Brussel, nu de armen van Meldert aan 4%;

– 700 g  van Hendrik Michiels van Mazenzele aan 4%;

Van de geleende bedragen is op 4 en 13 januari 1746 460-2-0 betaald aan drossaard Loovens.

In 1746.

– 453 g van de armen van Meldert en van de kapelanie van Sint-Rochus aan 4%;

– 50 g van Jan De Vis aan 4%;

In 1748.

-1 000 g van Hendrik t’ Sas aan 4% op 13 januari;

Met het geleende geld werd een lening van Coordemans van 2 000 g en de lening van 700 g van Hendrik Michiels terugbetaald.

– 2 000 g van Guilliam Goossens van Mazenzele aan 4% op 3 september 1748 waarmee 1 858-8-0, dit is de helft van de 20ste penningen van 1748, aan de Staten van Brabant werd betaald op 3 september 1748 en 480-3-0 g aan drossaard Loovens als eerste bijdrage voor de foerage van de gekantonneerde troepen op 11 augustus 1748;

– 1 000 g van Hendrik Michiels van Mazenzele aan 4%;

Met dit geld werd op 3 september 1748 686-13-2 g betaald aan De Maré en 480-3-0 g aan drossaard Loovens, de tweede bijdrage voor de foerage van de gekantonneerde troepen;

200 g van de armen van Meldert aan 4% en werd betaald aan Savigny van het regiment van Belfort op 2 november 1748.

In 1749.

-1 500 g van Isabella Meert op 14 januari daarvan werd 1 470 g aan drossaard Loovens gegeven op 15 januari, 57-16-0 g aan Dillen Clercq voor het verzenden van brieven, 8-16-0 g aan notaris Eeman voor zijn devoiren en 197-3-0 g aan Hendrik Van Zeebroek op 26 februari 1749.

Totaal van de aangegane leningen: 6 203 g.

Soldaat Adriaan De Kegel zwaar in de fout.

Op zondag 24 maart 1758 geraakte Adriaan De Kegel in gesprek met drie ruiters in het huis van Joos De Wolf in de Klaarhaag. Er werd behoorlijk gedronken zodanig dat Adriaan droncken ende buijten verstand geraakte, wat de drie soldaten doorhadden en misbruik maakten van zijn toestand. Ze zetten hem, vuijt jooldije, op een van hun paarden en een van hen reed met Adriaan naar het huis van Peter Mesquin waar de 15-jarige Adriana Vergillis alleen thuis was. Adriaan eiste van haar een vat haver en een pot bier. Adriana weigerde omdat haar meester niet thuis was. Bier wou ze wel tappen, maar niet buiten. De twee mannen moesten dan maar afstappen en in het huis komen. Toen dreigde Adriaan dat hij met zijn pistool zou schieten als ze geen vat haver gaf. Omdat Adriana niet toegaf, schoot Adriaan in de richting van het huis. Daar was op dat ogenblik Cathelijne Marissens, de dochter van Jan aan het spelen. De kogel trof haar boven de knie en ging dwars door haar been. Op het huilen van het kind verschool Adriaan zich achter het andere paard en vertrok dan samen met de soldaat naar het huis van Adriaan Van den Wijngaerde.

Op verzoek van de hoofdmeier Charles Ignatius Crabeels ondervroeg de vorster in aanwezigheid van Aert Robijns en Gillis Breem Adriana en zij bevestigde dat verloop van de gebeurtenissen. Adriaan De kegel ontkende de feiten niet. Hij trok het pistool dat aan het zadel hing. Hij wou de maerte eens bang maken door haar met het pistool te bedreigen. Hij dacht dat het niet was geladen. Had hij geweten dat er een kogel in zat dan had hij liever sijn selven doodgeschoten als een onnoosel kind waarmee hij nooit gramschap had. Tot slot smeekte hij de hoofdmeier om een soo cleijnen amende als het mogelijck is.

De rekeningen van 1762[46]

Collecteur Joseph Van Malderen presenteerde op 20 juni 1764 zijn Rekeninge bewijs ende reliqua aan de substituut hoofddrossaard J. Van Malderen Loovens, de bedesetters en andere Meldertenaren die daartoe bij kerkgebod waren geconvoceerd: C. Van Vaerenbergh, Adriaan Verbeiren, P. Beeckman en Peter De Kegel. Die rekeningen dragen nog duidelijk de sporen van de Franse bezetting van 1745 tot 1748. Heel wat leningen die toen waren aangegaan om de oorlogskosten te dekken, moesten nog gedeeltelijk worden afbetaald. Met een ontvangst van 2293 gulden 3 oorden volgens het subsidieboek betaalde hij het volgende ten comptoire der heeren Staeten van Brabant:

– Driemaal de 20ste penning voor 1762 en nog eens ¾ van een 20ste penning als buitengewone steun tot onderhoud van het Hof van hertog Karel van Lorreinen en Baar, de gouverneur-generaal van de Nederlanden: 348 gulden en 9 stuivers (348-9-0).

-1/4 van een 20ste penning als deel van een lening van 600 000 gulden aangegaan door de Staten van Brabant voor een termijn van tien jaar tot coelinghe van der meest dringende schulden geduerende den tijdt der occupatie der Fransche trouppen: 116-3-0.

-1/2 van de 20ste penning op ieder bunder land, weiden, vijvers, bossen, molens, neringen en woningen toegestaan aan de gouverneur-generaal volgens een ordonnantie van de Staten van Brabant: 239-0-0.

– drie 20ste penningen voor het jaar 1762: 467-6-0.

– drie 20ste penningen ook voor 1762: 412-16-0.

– idem: 160-0-0.

– idem: 353-14-0.

– enkele kleine uitgaven ter ondersteuning van de armen: 12-17-3.

– het loon van de rendant: voor het innen van het subsidieboek: 111-4-3; voor het maken van het subsidieboek: 10-0-0; voor het opstellen van de rekeningen: 4-12-0; voor een kopie van de rekeningen: 2-6-0;

-aan de bedesetters: 6-0-0;

-aan de substituut voor het aanhoren van de rekeningen: 6-0-0;

-voor zegels en andere: 10-16-4.

Na aftrek van de uitgaven bleef er nog 34 gulden 1oord in de kassa van Meldert.

Was Guilliam Cordeman te hebberig[47]?

In heel wat gezinnen ontstonden er moeilijkheden wanneer een van de ouders vroegtijdig overleed en de overblijvende partner een (noodgedwongen) tweede huwelijk aanging. Welke erfenis kwam de kinderen uit het eerste huwelijk toe?

Ook in de welstellende familie Robijns rezen deze moeilijkheden na het overlijden van Anna Françoise Robijns, dochter van Franciscus en Jacqueline De Witte.

Franciscus Robijns en Jacqueline De Witte woonden in een hofstede naast de kerk van Meldert.(zie illustratie). Franciscus, geboren te Meldert op 17 januari 1666, was meier van Affligem. Hij trouwde te Meldert met Jacqueline (Jacoba) De Witte op 22 juli 1709. Zij was te Meldert geboren ca 1680. Franciscus stierf te Meldert op 17 november 1757 en Jacqueline op 3 oktober 1783. In hun gezin kwamen er 11 kinderen waaronder Jacobus die op de ouderlijke hoeve bleef wonen er een azijnbrouwerij uitbaatte, Judocus die griffier werd van het laathof van de H. Geest, kerkmeester en voogd van de kinderen van zijn zus Anna Francisca en Anna Francisca.

De hoeve en brouwerij van de familie Robijns rechts van de kerk. Kaartboek van Meldert, detail van de 5de kaart.

 Anna Francisca, geboren te Meldert op 11 mei 1729, trouwde op 22 oktober 1748 met Guillam Cordemans. Zij werden de ouders van Marie Françoise die trouwde met Jan Baptist De Meyer; Jacqueline die trouwde met Peter Beeckman en Joanna, die de vrouw werd van Paschasius De Witte. In 1747 verkregen Franciscus en Jacqueline  een tweede hoeve, groot dagwand en 60 roeden, en te Meldert gelegen. In 1753 lieten zij de hoeve voor 500 gulden na aan hun dochter, maar Anna Francisca stierf nog datzelfde jaar op 23 oktober 1753. Na haar overlijden erfden haar twee kinderen de hofstede. Maar Guilliam hertrouwde met Françoise Carnoy en voor zijn overlijden was hij soo onbedacht van de hoeve aan zijn tweede vrouwte willen overlaten. Dat was zonder de weduwe van Franciscus en Judocus Robijns, de voogd van de kinderen, gerekend. Zij spanden bij de schepenbank van Asse een proces in tegen Françoise Carnoy om haar te verplichten de hoeve promptelijkck te laeten varen met alle de baten ende proffijten genoten ende te genieten ten minstens t’ sedert den sterfdagh van wijlen Cordeman.

Een complexe erfenis[48].

Wanneer in een huwelijk een van de partners vroegtijdig stierf, dan stond de overblijvende partner vaak voor een enorm probleem. Was de man dood, dan kon de vrouw meestal niet alleen voor het nodige inkomen zorgen voor haar en de kinderen. Bleef de man alleen achter, dan had hij dringend iemand nodig om voor de kinderen te zorgen terwijl hij aan het werk was. Kwamen er nog kinderen bij, dan ontstonden er vaak spanningen als het over de verdeling van de erfenis ging. De erfenis van Ingel (Ingelbertus) Vermoesen is daar een voorbeeld van.

Engel was de zoon van Guillelmus en Elisabeth Robijns van Hekelgem. Hij werd te Hekelgem gedoopt voor 1700. Hij had een oudere broer, Guillelmus, te Hekelgem gedoopt op 15 april 1678. Engel trouwde driemaal.

I- Op 16 juni 1720 trouwde hij met Andrea Verbeke. Hun dochter Elisabeth werd te Meldert gedoopt op 24 maart 1721. Andrea overleed te Meldert op 9 april 1721. Elisabeth, trouwde met Jan Hoemans en met hem had zij twee kinderen: Anna Maria en Elisabeth. Na de dood van Jan Hoemans hertrouwde zij met Andrisijne Verbeken.

II- Nog hetzelfde jaar, op 10 september, trouwde Engel met Maria Mannaert. Zij werd te Meldert gedoopt op 4 augustus 1700 en overleed er op 22 april 1733. Zij was de dochter van Petrus en Joanna Van de Putte. In hun gezin werden 5 kinderen te Meldert geboren:

– Peter, ° 5 juni 1724, overleden te Meldert op 10 januari 1789. Hij trouwde te Meldert op 2 december 1758 met Anna Maria Dubois.

– Guillam, ° 28 april 1726.

– Jacqueline, ° 6 oktober 1728, trouwde met Anthoen Van Molhem.

– Joanna Maria, ° 11 april 1732, trouwde met Judocus Amerijckx te Asse op 26 juli 1760.

III- Na de dood van Maria Mannaert trouwde Ingel op 9 juli 1733 te Meldert met Maria Laus (Lauwers). Er werden nog twee kinderen te Meldert geboren:

– Catharina, ° 12 juli 1734.

– Henricus, ° 13 april 1740.

IV- Na het overlijden van Ingel hertrouwde Maria Laus te Meldert op 24 juni 1758 met Francis De Keijser. Hun dochter Angelina was nog minderjarig toen haar moeder overleed.

Als gevolg van vier huwelijken was de erfenis een heel ingewikkelde zaak geworden. Het ging om de perceel land van 1 d 18 r waarop vroeger een huis stond en een perceel land van 72 r op Het Labues (Doment) dat een erfenis was van Maria Laus. Twee groepen stonden eerst tegenover elkaar. De kinderen uit het eerste en tweede huwelijk van Engel, Elisabeth met haar tweede man Andrisijne Verbeken, Peter, Guillam, Jacqueline en Joanna Maria stonden tegenover Francis De Keijser, Adriaan De Coster, Guillam Goossens en Jan Mannaert. Waren Adriaan, Guillam en Jan de echtgenoten van kinderen van Maria Laus uit een vorig huwelijk? Dat konden we niet achterhalen. In haar testament van 1776 had Maria Laus beslist dat Francis hem content (moest houden) met de tochte die hem is gelaten bij … sijne huijsvrouwe. Uiteindelijk konden de twee partijen tot een akkoord komen dat zij op 23 april 1766 aan notaris Van Itterbeke uit Asse overhandigden.

Het dagwand kwam voor de helft toe aan de 5 kinderen uit zijn eerste en tweede huwelijk en voor de andere helft plus de 72 roeden aan Angelina, Adriaan De Coster, Guillam Goossens en Jan Mannaert.

Hoe ingewikkeld ook, ze zijn eruit geraakt want tot een proces is het niet gekomen.

Nog een betwiste erfenis[49].

Guillam De Nil trouwde te Moorsel op 17 juli 1703 te Moorsel met Maria Doomst. Zij stierf voor 1743 en hij hertrouwde met Elisabeth Van de Velde met wie hij een zoon had, namelijk Peter. Op 24 maart 1742 verkocht Guillam De Nil, sieck te bedde liggend”  zijn meubelen, huisraad,  paarden, koeien, runderen, kalveren, wagen, ploeg, eg, hout, hooi, stro, gedorste en ongedorste of nog op het veld staande granen aan zijn zoon Gillis en diens tweede vrouw Catharina Van Cauwenberghe. Guillams tweede vrouw, Elisabeth Van de Velde, was bij de verkoop aanwezig. Gillis nam ook al wat zijn vader pachtte van de abdij of van particulieren over. Notaris Van Itterbeke uit Asse stelde de akte op.

Gillis had twee dagen eerder al de helft van zijn hofstede met huis, schuur, stallingen en andere edificiën, groot 1 dagwand, op De Klaarhaag gelegen, gekocht. De andere helft van de hofstede ging naar de erfgenamen van Elisabeth Van de Velde, maar Guillam behield er de tocht. De hofstede paalde aan de straat, Judocus Van Brempt en Gillis Van Nieuwenborgh en was belast met een stuiver en 1/3 cappuijns per jaar aan de abdij. Guillam en Elisabeth hadden de hoeve gekocht van Elisabeth Maurissens, de weduwe van Gillis Van Mulders op 23 januari 1713[50]. Op 21 november 1735 kochten ze ook 82 roeden op het Swintersveldt, grenzend aan de Lijbeek, van Clara Dooms, dochter van Gillis en Petronella De Meersman[51] met de volgende condities. Hij moest Guillam en zijn nicht Maria De Meersman, dochter van Joannes en Clara Van Langenhove, onderhouden van cost ende dranck, leynen ende coulle ende allen ’t gene hunne lijve noodigh hebben sal, soo in siekte als gesontheijdt naer staet hun leven geduerende ende overleden hunnen lichaemen treffelijck doen begraeven. Guillam heeft bovendien recht op 7 stuivers drinkgeld per week en na zijn dood krijgen zijn broers en zussen en hun kinderen 3 gulden. Aan Maria De meersman moet hij jaarlijks voor haar dienst nog 3 gulden geven en als ze niet bij hem blijft wonen dan krijgt ze 25 gulden. Als laatste voorwaarde moest Gillis ook alle schulden betalen.

Gillis die in 1753 overleed was eerst getrouwd met Maria De Witte. Zij hadden een zoon: Peter. Na haar dood hertrouwde Gillis met Catharina Van Cauwenberghe in Meldert en met haar had hij twee zonen[52]. Na de dood van Catharina trouwde Gillis voor de derde maal, nu met Petronella Buggenhout op 16 april 1647. Zij kregen nog 4 kinderen die te Meldert werden gedoopt[53]. Na de dood van Catharina Van Cauwenbergh besliste Egidius om zijn goederen, de halve hoeve in De Klaarhaag en de 85 roeden op het Swintersveld over te laten aan zijn nog twee levende zonen Peter en Hendrik. Zijn derde vrouw, Petronella bleef echter op de hoeve wonen. In 1766 eisten de twee halfbroers niet alleen die goederen op, ze wilden ook een vergoeding voor het vruchtgebruik en voor de meerdere bomen die zij had laten kappen. Petronella, inmiddels te Meldert hertrouwd met Francis Van Ieghem op 25 november 1765, weigerde de hoeve te verlaten. Voor Peter en Hendrik bleef er niets anders over dan een rechtszaak aan te spannen tegen Francis Van Ieghem en Petronella Van Buggenhout.

De familie Van der Schueren te Meldert[54].

In het dossier van een proces uit 1776 voor de schepenbank van Asse tussen Jan Baptist De Baetselier, de pastoor van Kobbegem, en Peter Vercammen van Meldert over niet betaalde intresten vonden we een akte over de verkoop van een hofstede verleden voor notaris Jan Baptist Van der Schueren uit Meldert. Wie was die Jan Baptist? Is hij dezelfde persoon als de Jan Baptist Van der Schueren, de burgemeester van Meldert tijdens de Franse overheersing? Vragen die interessant genoeg waren voor een speurtocht naar de familie Van der Schueren te Meldert.

Alexander.

De eerste Van der Schueren te Meldert was Alexander, te Hekelgem gedoopt op 30 januari 1723, als zoon van Michael en Petronella Clauwaert. In dat gezin waren er 10 kinderen. Alexander werd als derde kind in het geboorteregister ingeschreven na Maria Anna (° 26/10/1721) en zijn tweelingbroer Job[55].

Alexandertrouwde te Meldert op 1 december 1742 met Jacoba De Baetselier, de dochter van Guilliam, meier van de abdij, en Adriana De Witte. Zij was te Meldert gedoopt op 17 maart 1710 en overleed er op 11 juli 1762. In hun gezin kwamen er 5 kinderen:

– Jan Baptist, ° 25 maart 1745

– Petronella, ° 23 november 1746

– Jacobus, ° 7 februari 1749, overleden op 7 februari 1749.

– Anna Francisca, ° 20 juni 1753, overleden op 3 juni 1794.

– Joanna Maria, ° 14 oktober 1756, trouwde op 9 oktober 1778 met Petrus Robijns en overleed op 18 november 1788.

Volgens het kaartboek van Meldert van 1727 bezaten Guilliam en Adriana een hoeve van 2 dagwand en 40 roeden op Nievel die ze gekocht hadden van Maria Ransbeke, de weduwe van Jan Gerstman[56]. Voorts hadden ze nog land op het Huijselveld van 1 d 4 r, op de Huizekens van 1 d 89 r, bos in het Hulsbos van 47 r en op Den Houtstock van 97 r. Ze huurden land op de Molenkouter van 7 b 1 d 66 r, op het Molenveldeken van 1 b 2 d 3 r, op het Querrelsveld van 47 r en weiden in De Faluintjes van 1 d 11 r en op het Stevensveld van 1 b 69 r. Guilliam stierf op 31 maart 1730 en geleidelijk nam Alexander het land over van zijn overleden schoonvader.

Op 21 mei 1742 kocht Adriana De Witte, de weduwe van Guilliam De Baetselier de hoeve van hun buur Jan Baptist Mattens en zijn vrouw Anna Robijns die er voor 2/3 eigenaar van waren en van Jacqueline Robijns, de zus van Anna, en haar man Arnoult Verleijsen die het overige 1/3 in bezit hadden[57]. Het was een hofstede met huijse ende stalle daerop staende, groot 2 daghwanden 25 roeden. De hoeve paalde aan de Nieveldries, aan de weduwe Guilliam De Baetselier en aan Jan Willems, Joos Arijs, Guilliam Jacobs en Jan De Ridder. De koopsom bedroeg 980 gulden te verhogen met 300 gulden als afbetaling van een lening aan de schepenbank van Affligem. Het is die hoeve die Alexander en Jacoba betrokken na hun huwelijk op 1 december 1742.

Zijn eerste jaren al zelfstandige boer begonnen nochtans dramatisch. Joos Robijns, een boer van Nievel, noteerde in zijn memorieboek: het jaer 1744 heeft het leger ghelegen op den Molencauter recht over de poort van d’ abdije van Affligem, te weten het volck van de koninginne van Hongarijen, de hollanders, de engelsche en de hannoversche, te samen sterck negentigh duysent mannen ende hebben daer gelegen 13 dagen in bloyen van het coren, ende de hollanders hebben op den 2den Sinxendagh op Noeven  (= Nievel) gheplundert ses huysen omdieswille dat eenen van hun volck in de clerageby naer doodt was gheslagen wiens huysen sijn gheweest Pauwels Gregoir, Jan Gekeer, Alexander Van der Schuren, Jan De Ridder, Joos Arijs ende Jan Willems borgemeester… ende als dan iser eene sterfte ghekomen onder de beesten van daer dat het in alle steden verboden is geene rienders ofte kalvers te slachten omdat de menschen jonge beesten souden ophouden, soo dat hier tot Nievel eenen grooten toeloop is tot den H. Rochus, die ons tot noch toe van die sterfte heeft bewaert[58].

Dat Alexander toch goed boerde blijkt uit de beden die de inwoners van Meldert in 1763 moesten betalen. Die belastingen werden geïnd op labeurlanden, weijden en bosschen aan 1 gulden 7 stuivers per bunder. De stockbosschen waren vrij van lasten. Met 13 bunder 2 dagwand 89 roeden in gebruik was hij een van de grootste boeren van Meldert[59]. In 1748 was Alexander bedesetter en ging hij met de andere bedesetters een lening aan van 2 000 gulden bij Guilliam Goossens en nog een van 1 000 gulden bij Hendrik Michiels, beiden uit Mazenzele.

Alexander stierf op 6 mei 1766

Jan Baptist.

De oudste zoon, Jan Baptist, trouwde op 15 juli 1777 met Joanne Catharina Clauwaert, de dochter van Joannes Baptist en Anna Catharina Pensionaris. Hun kinderen waren:

– Joanna Maria, ° 30 oktober 1778.

– Maria Anna, ° 30 oktober 1779.

– Anna Catharina, ° 4 januari 1782.

– Petronella, ° 7 januari 1784.

– Franciscus, ° 1 augustus 1786.

– Dorothea, ° 1 augustus 1786.

– Rochus, 0 5 oktober 1788.

Als oudste zoon nam Jan Baptist de hoeve van zijn overleden vader over. Maar onze eerste kennismaking met Jan Baptist was een voor hem dramatische ervaring.

Jan Baptist geturbeert door differente slaeghen[60].

Op 3 augustus 1768 liet hoofddrossaard Emanuel Loovens een onderzoek instellen naar een aanval op Jan Baptist Van der Schueren in de herberg van Jan Gekeer op Nievel. Als slachtoffer werd Jan Baptist het eerst verhoord.

Jan Baptist Van der Schueren was toen naar hij verklaarde 23 of 24 jaar. Op zondag 31 juli 1768 was hij met Jan De Koninck, een steenkapper van de abdij, naar de herberg van Jan Gekeer op Nievel gegaan. Daar trof hij Jacobus Robijns, de zoon van Frans, Francis Beeckman, de zoon van Peter, Jan Baptist Gerstman, de zoon van Arnold, Judocus Gerstman, Jan De Vis, Melchior Van der Maelen, Antoon De Ridder, Gillis Van de Perre en Judocus Robijns, ook een zoon van Frans. Onmiddellijk beet Jacobus Robijns hem toe: houssa hoe durfde hier nogh in mijne presentie te komen. Jan Baptist ging op die uitdaging niet in en begon te kaarten met De Koninck tot ongeveer zes uur. Toen werd plotseling de stoel onder hem weggeslagen en kreeg hij een slag op de rechterkant van zijn hoofd. Hij was door die slag zo bedwelmd dat hij niet meer weet of hij op de grond viel of dat enkele mensen hem naar de achtervloer van de herberg hebben gedragen. Daar werd hij eerst vastgehouden door Jan Baptist Gerstman en dan op de vloer gegooid terwijl Jacobus Robijns en anderen,die hij niet kende, hem aanvielen. Jacobus stampte met beide voeten op zijn benen en vroeg hem: wie heeft mij gesteeken in mijn handt? Daarop antwoordde Jan Baptist niet want hij was geheel geturbeert. Robijns bleef met zijn vuisten op zijn hoofd slaan tot iemand van het gezelschap zei: hij heeft genoegh, laet hem liggen. Als die groep was vertrokken, is Jan Gekeer bij hem gekomen, hielp hem overeind en bracht hem naar zijn houtkot en deed de deur op slot.

Daarmee kwam er nog geen einde aan zijn miserie want enige tijd later kwam de bende terug. Aan de stem herkende hij Judocus Gerstman. De mannen sloegen en stampten op de deur en riepen: doet maer open, hij heeft niet genoegh gehad. Omdat hij vreesde dar ze hem zouden doodslaan, vluchtte hij langs de rijckels van het voorschreven houtkot tot op het scherwerck. Daar bleef hij zitten tot hij de stem van de pastoor van Meldert hoorde. Toen hij naar beneden kwam, hoorde hij Jacobus Robijns tot de pastoor zeggen: ick hebbe den stoel met mijn eighen handen van onder sijn gat getrocken een dat hij een pot op zijn hoofd in stukken heeft geslagen.

Gevraagd naar zijn kwetsuren, verklaarde Jan Baptist dat hij nog steeds bedlegerig is en wonden heeft op zijn schouders, borst, rug, been en in de hals. Dagelijks wordt hij gecureert door de chirurgijn Savena en die kan een beter oordeel geven over zijn toestand.

Jacobus Robijns, de hoofdverdachte,werd te Meldert gedoopt op 22 maart 1723 als zoon van Franciscus en Jacqueline De Witte. Hij bleef in het ouderlijk huis, naast de kerk van Meldert, wonen en werd er azijnbrouwer en overleed te Merchtem. Hij trouwde met Catherine Goossens, geboren te Lennik, op 14 februari 1794. Zij waren getuigen bij het huwelijk van hun neef en nicht Peter Goossens en Marie Françoise Goetvinck. Bij die gelegenheid schonken hen hun hofstede als bruischat. Zijzelf trokken zich terug te Merchtem[61].

De verhoren.

Het voorval in de herberg werd door de schepenbank ernstig genomen. De schepenen Jacobus Van Innis, J.B. Van Grasdorf en Franciscus Van den Bossche ondervroegen achtereenvolgens Melchior Van der Maele, Jan Gekeer, Petronella Van der Biesen, Gillis Van de Perre, Antoen De Ridder, Jacobus De Leeuw, Jan De Vis, Jan Baptist Van de Velde, Johannes De Koninck, weduwe Pauwel Gregoir, Joannes Franciscus Meert en Petrus Savena.

Als eerste kwam Melchior Van der Maelen aan de beurt. Gedaagd door de officier Hendrik Jacobs verklaarde hij dat hij die zondag 31 juli 1768 naar de herberg van Jan Gekeer ging om eenen pot bier te drincken. Hij was in het gezelschap van Jacobus De Leeuw, Joseph De Nil, Judocus Verleijsen en Benedictus De Baetselier.In de herberg zaten Jacobus Robijns, Judocus en Jan Baptist Gerstman, Francis en Jan Francis Beeckman. Hij heeft ook Jan Baptist Van der Schueren met de steenkapper zien binnen komen. Staande in de deuropening zag hij ook Judocus Robijns binnen komen. Die vroeg om hem een pot bier te tappen. Daar hij vreesde dat die op ruzie uit was, is hij vertrokken, maar bleef nog enige tijd op de Nieveldries wachten. Hij hoorde groot geschreeuw, ramier ende getier. De steenhouwer van Affligem kwam met een bebloed hoofd naar buiten en daarop is hij naar zijn huis gegaan.

Jan Gekeer, brouwer en herbergier op de Nieveldries, legde de eed af bij Joannes Van Stichel en getuigde dat Jacobus Robijns, Francis Beeckman en Judocus Gerstman in zijn herberg waren toen Jan Baptist Van der Schueren en N. De Koninck binnen kwamen. Tussen 6 en 7 u., zou Van der Schueren door Jacobus Robijns zijn aangerand. Dat heeft hij horen zeggen want hij was naar zijn hopveld gegaan. Toen hij thuis kwam, zag hij Jan Baptist Van der Schueren op de voorvloer liggen. Hij hielp hem recht en leidde hem naar zijn houtstal en sloot de deur. Hij bleef voor de deur staan. Jacobus Robijns en Judocus Gerstman kwamen op hem af en eisten dat hij de deur zou openen, zeggende: hij heeft noch geen slaegen genoegh gehadt. Hij antwoordde dat hij de sleutel niet had. Robijns toonde hem zijn hand en zei: siet hoe dat ick gequetst ben, laet mij in huijs om mijn handt te vermaecken. Gekeer ontweek de vraag door te zeggen dat hijgeen Franse brandewijn in huis had. Robijns en Gerstman vertrokken en hij bleef nog voor het houtkot staan tot hij de pastoor hoorde. Met de pastoor ging hij naar zijn huis waar Van der Schueren hen tegemoet kwam. De pastoor[62] vergezelde Jan Baptist dan tot aan zijn huis.

Petronella Van den Biesen, de vrouw van Gekeer voegde eraan toe dat ook Adriaan Van Dam en Gillis Van de Perre in de herberg waren toen Jan Baptist Van der Schueren en De Koninck binnen kwamen. Omstreeks 6 uur is Francis Beeckman naar buiten gegaan om Judocus Robijns, Peter Hereman en Jan Francis Beeckman te halen. Toen die binnen kwamen, trok Jacobus Robijns de stoel van onder Van der Schueren die op de grond viel. Jan Baptist en Judocus Gerstman, Guilliam en Judocus Goetvinck en Jan Francis Beeckman trokken Van der Schueren bij zijn haar naar de voorvloer. N. De Konick lag ook op de vloer nabij de watersteen aan de kelderdeur. Een persoon, die op hem lag en hem sloeg, trachtte ze tevergeefs weg te trekken. Zij zag dat De Koninck een hoofdwonde had die hevig bloedde. Zij is dan naar Van der Schueren gegaan en haar man zei haar dat, zonder zijn hulp, de aanvallers Van der Schueren wel doodgeslagen hadden. Toen de aanvallers de pastoor naar de herberg zagen komen, zijn ze vertrokken.

Gillis Van de Perre. Noemt dezelfde namen, maar voegt toch nieuwe elementen toe. Hij heeft gezien dat, toen Jan Baptist Van der Schueren op de grond lag, Jacobus Robijns zolang met een pot op zijn rug sloeg tot die in stukken brak. Judocus Gerstman deed hetzelfde met een stok. Judocus Goetvinck had een ijzeren brandelaer uit de schouw genomen om daarmee te slaan, maar de vrouw van de herbergier kon hem afnemen. Een van de acht aanvallers had een ijzeren priem, een voet lang, in zijn hand, maar hij heeft niet gezien dat hij daarmee heeft gestoken. Dan heeft die bende Jan Baptist naar de achtervloer getrokken, de vrouw sloot de keukendeur en hij weet niet wat er voorts is gebeurd.

Op 5 augustus zetten de schepenen hun verhoor voort. Schoenmaker Antoen De Ridder, 23 jaar,was als eerste aan de beurt. Hij was die zondag ook in de herberg en daar hij ruzie verwachtte, verliet hij de herberg voor de aanslag op Jan Baptist. Hij was net buiten toen hij Jan De Koninck met bebloed hoofd  uit de herberg zag komen. Daar hij eenigh gerucht hoorde, stak hij zijn hoofd door het keukenvenster en zag hoe enige personen Van der Schueren vasthielden en anderen hem sloegen. Dan bemerkte hij dat Jacobus Robijns en François Beeckman naar buiten komen met bloed aan hun handen. Toen de pastoor er was, hoorde hij Jacobus Robijns tegen de pastoor zeggen dat hij de stoel van onder Van der Schueren had getrokken en dat hij hem daarna al suckelende ende met moijte naar zijn huis zag gaan.

Jacobus De Leeuw, wasgeboortig van Meldert, 24 of 25 jaar en blokschoenmaker. Volgens hem waren Jan De Vis, Laureijs Clauwaert en Jan Gerstman ook in de herberg. Hij hoorde dat Jacobus Robijns aan Guilliam De Nil vragen of hij naar Meldert wou gaan om enkele mensen te halen. De Nil antwoordde: ist om vrolijck te sijn, ick sal se gaen roepen, maer ist om rusie te maeken, ick en sal het niet doen. Francis Beeckman vertrok dan naar Meldert en kwam terug met Judocus Robijns, Peter Hereman, Jan Francis Beeckman en Judocus en Guilliam Goetvinck. Zonder enige aanleiding is dan de groep van Jacobus Robijns naar de keuken gegaan, ze grepen Van der Schueren vast en sleurden hem naar de achtervloer en daar hebben ze hem buijten sijn selven geslaegen tot de baas hem in zijn houtkot verschool. Die bende heeft hem ook vastgepakt zonder hem te slaan, behalve Francis Beeckman die hem met een stok sloeg en Judocus Robijns die met zijn ijzeren schop wou slaan, maar hij kon de schop uit zijn handen trekken. Beeckman verweet hem: houssa gij moet oock hebben gelijck de anderen, gij sijt oock van de selve compagnie. Uiteindelijk is hij uit de herberg geraakt. Jacobus verklaarde nog dat hij later vernam dat Van der Schueren soo veel als doodt geslaegen was.

Jan De Vis, inwoner van Meldert, 34 jaar en timmerman, somt dezelfde namen op van de personendie in de herberg waren. Hij zag hoe Francis Beeckman een eijsere vierschuppe  nam, die onder sijnen casack stak en dat was het teken voor Jacobus en Judocus Robijns en hun vrienden om Jan Baptist Van der Schueren en Jan De Koninck, die zaten te kaarten, aan te vallen. Voor hij uit de keuken vluchtte, zag hij nog dat Francis Beeckman iemand een stamp met de schop gaf.

Jan Baptist Van de Velde, geboortig van Meldert, 22 of 23 jaar en paardenknecht bij Van der Schueren, had net een pint gedronken in de herberg van Jan Gekeer toen hij een groot lawaai hoorde dat uit de keuken kwam. Hij zag hoe Jacobus Robijns zijn meester met zijn vuisten in het gezicht sloeg en dat Judocus Gerstman een elzen knuppel, anderhalve voet lang, in zijn handen had. Guilliam Goetvinck riep Jacobus Robijns toe: om Godswille coben, com slaeght hem doodt. Hij wou zijn meester bijstaan, maar een van de aanranders zei hem: gij en hebt u maer weg te maeken van hier oft wij sullen u van ’t selve geven. Hij ging dan weg en later zag hij zijn meester met de pastoor afkomen en hij is achter zijn meester naar huis gegaan.

Op 6 augustus kwam Jan De Koninck nog getuigen. Hij was een 23 jarige steenkapper afkomstig van Steenokkerzeel. Hij werkte al 15 of 16 maanden in de abdij. Die zondag zat hij met Jan Baptist te kaarten. Nadat Jacobus Robijns de stoel van Jan Baptist had weggetrokken, haalde Jacobus zo hard naar hem uit dat hij op de grond viel. Hij kreeg nog meerdere slagen op zijn borst en zijn armen. Kruipend op handen en voeten geraakte hij buiten waar iemand hem vroeg waar Jan Baptist Van der Schueren was. Sekerlijck doodt, antwoordde hij en met de vrouw van Jan Van Houwe is hij naar haar huis gegaan waar zij het bloed van zijn wonden heeft afgewassen. Daarna vertrok hij naar zijn logement in het huis van de weduwe van Pauwel Gregoir. Gevraagd naar zijn toestand, antwoordde Jan dat hij nog steeds niet kan werken en dat hij dagelijks wordt verzorgd door chirurgijn Savena. Chirurgijn Boterdael van Aalst en dokter Meert onderzochten hem nog twee dagen geleden. Zij zullen meer uitleg over zijn wonden kunnen geven.

De verzorging van de kwetsuren.

Op 10 oktober dienden Jan Baptist en Jan bij de schepenbank de kosten in van hun verzorging. Voor de dagelijkse verzorging van 4 tot 12 augustus rekenden P.B. Boterdael en P.J. Meert 39 gulden 4 stuivers voor beiden. Chirurgijn Savena had voor Van der Schueren een aparte rekening:

– 31 visites (driemaal daags) van 31 juli tot 11 augustus: 10-17-0.

– 2 laetinge (aderlatingen)[63]: 0-14-0.

– 4 consultaties met Boterdael en Meert: 2-16-0.

– olium rosarum[64]:1-1-0.

– emplastrum[65] de betonic: 1-1-0.

– spirtus vini[66]: 1-1-0.

– emplastrum sanctallinum: 2-3-0.

Als gevolg van zijn verwondingen gaf Jan Baptist nog uit:

– voor 4 potten bruin bier en mondkost: 4-19-3.

– aan medicijnen: 1-19-0.

Totaal: 6-8-3.

Chirurgijn Savena bezorgde Jan De Koninck ook een rekening:

– 31 visites (driemaal daags): 10-17-0.

– 2 laetinge: 0-14-0.

– onleesbaar: 1-1-0.

– idem: 1-1-0.

– 4 consultaties met Boterdael en Meert: 2-16-0.

Totaal: 15-15-0.

Aan medicijnen gaf Jan nog uit: 4-15-2.

De weduwe van Pauwel Gregoir verzorgde Jan gedurende 13 dagen volgens ordonnantie van doctoor ende chirurgijn en gaf hem alles wat hij nodig had:

– 17 potten zoete melk, botermelk en weije: 1-6-2.

– voor wijn, suiker, witbrood, eieren, rijst: 1-14-0.

– eens naar Aalst geweest bij de dokter: 0-4-0.

– voor een vrouw die Jan 9 dagen heeft bijgestaan: 3-12-2.

– 5 potten bier, vuur en licht: 0-14-0.

Jan Baptist Van der Schueren en Jan De Koninck lagen van 31 juli tot 13 augustus te bed en konden hun werk als pachter en steenhouwer niet doen. Voor die gelden schade en voor de geleden pijnen rekenen zij op een tegemoetkoming door de drossaard te bepalen.

De chirurgijnen getuigen.

Op 6 februari 1769 ondervroegen de schepenen de chirurgijns en de dokter. Joannes Franciscus Meert, licentiaat in de medicijnen, 44 jaar en Aalstenaar, getuigde samen met chirurgijn Boterdael, 40 jaar en eveneens van Aalst. Op 4 augustus 1768 werden zij naar het huis van Jan Baptist Van der Schueren geroepen wegens grote hoofdpijn en draaiingen. De omstaanders verklaarden dar zijn pijnen het gevolg waren van de vele slagen die hij enige dagen tevoren had gekregen. Hun onderzoek leidde tot de volgende vaststellingen:

– de musculus temporalis[67] van de rechterkant was gezwollen;

– het rechterooglid was blauw-bruin;

– nadat zijn hoofdhaar was afgeknipt vonden ze geen wonde;

– op zijn hoofd enige kruiden gelegd en de volgende dag waren de zwelling en de pijnen verdwenen.

– geen koorts, alleen een gespannen pols, wat verdween na een aderlating;

– Jan Baptist klaagde ook over pijn aan weerszijden het epigastrum[68] en aan de ribben die rood en gezwollen waren, een verzachtende cayaplasma nam de zwelling en de pijnen weg;

– een confusie op het onderste van de zijde van zijn links been was van weinig belang.

In het huis van Van der Schueren kwam ook Jan De Koninck om hem te laten onderzoeken. Hij had koorts, een wonde aan zijn hoofd en had nog regelmatig last van koorts en huiveringen. Na onderzoek stelden zij vast dat hij een langwerpige droge wonde op het voorhoofd had.

Dan was Petrus Savena aan de beurt. Hij woonde in Hekelgem en was geadmitteerd chirurgijn in het college medicum van Brussel. Op 31 juli 1768 werd hij naar het huis van de weduwe De Vis op de Nieveldries geroepen om Jan Baptist Van der Schueren te verzorgen. Hij had differente confusiën eschymo[69] op het hoofd, armen en benen. Vervolgens verzorgde hij hem driemaal daags tot de 11de augustus en nog eenmaal daags tot de 31ste augustus. Gedurende 6 à 7 dagen heeft Jan Baptist koorts gehad en tweemaal diende hij een aderlating toe. In hetzelfde huis was ook Jan De Koninck die een hoofdwonde had. Hij wou hem een aderlating geven, dat weigerde De Koninck vier dagen lang. Maar hij kreeg koorts en op bevel van dokter Meert en chirurgijn Boterdael gaf hij hem tweemaal een aderlating. Hij bleef De Koninck verzorgen tot de 31ste augustus.

Het proces.

Op 4 oktober 1768 hielden de schepenen Joannes Baptista Van Grasdorf, Petrus Jacobus Van Innis en Franciscus Van der Schueren hun eerste zitting. De Maré, de advocaat van hoofddrossaard Loovens, die optrad als aanlegger, formuleerde  de klacht tegen de boers Jacobus en Judocus Robijns, Jan Franciscus en Franciscus Beeckman, de zonen van Peter, Judocus en Guilliam Goetvinck, de zonen van Jan, Jan Baptist en Judocus Geerstman, de zonen van Arnoldi en Peter Herremans. Na het relaas van de aanval, de slagen en de verzorging vraagt hij dat de chirurgijns en de dokter als eersten betaald worden voor hun diensten en dat de slachtoffers om hunne pijne ende smerte als oock over de schaede van hun verleth behoorlijk vergoed worden. De negen aangeklaagden hebben met voorbedachte raad Jan Baptist aangevallen om een pretense injurie aen Judocus Robijns gedaen te vreken. Hij vraagt de schepenen dat zij de gedaagden, elk afzonderlijk, dusdanige straf en boete zullen opleggen zoals voorzien door de plakkaten van zijne majesteit. Hij hoopt dat daarna de vrede onder de buren zal hersteld zijn. Van Itterbeke, de advocaat van de negen, wil een kopie van het dossier.

Er volgden nog zittingen op 11, 18 en 25 oktober, 8 en 22 november,17 en 31januari, 14, 21 en 28 februari en 7 maart. Van Itterbeke kwam telkens met nieuwe opmerkingen en eisen: over het bedrag van het werkverlet, over de vergoeding voor geleden pijn, over het verschil tussen wat de drossaard besliste en wat de griffier voorlegde …

Dat deed De Maré besluiten om het advies te vragen van rechtsgeleerden wat dan weer discussies uitlokte over wie die kosten moest betalen. Uiteindelijk komen ze op 14 maart overeen om elk de helft van die kosten en van de extra zittingen te betalen. Het geverbaliseerde bedrag werd ook aanvaard.

De notaris[70].

Op heden den 12de 10ber 1774 compareerde voor mij onderschreven openbaar notaris geadmitteerd in haere Majesteijts Souverijnen Raede van Brabant binnen de parochie van Meldert residerende … Quod attestor Jan Baptist Van der Schueren notaris.

Tot nu toe hebben we slechts die akte van 1774 in ons archief als een getuige van het werk als notaris van Jan Baptist. De akte was als bewijsstuk toegevoegd aan het dossier van een proces in 1776 tussen Jan Baptist De Baetselier, pastoor van Kobbegem en Peter Vercammen en zijn vrouw Joanna Beeckmans. Jan Baptist Van der Schueren trad in dat proces op als de advocaat van de pastoor. Ook bij Beda Regaus[71], proost en historicus van de abdij Affligem vinden we een verwijzing naar notaris Van Der Schueren in het jaar 1791[72].

De boer.

In 1781 kocht Jan Baptist 2 900 stenen van de steenoven die was opgezet voor de nieuwbouw van de Sint-Petronellakapel. Hoewel hij niet betrokken was bij de bouw, in tegenstelling tot de meeste voornaamste boeren van Meldert, kocht hij toch een deel van het overschot van de steenoven. Als pachter deed Jan Baptist goede zaken want in 1783 had hij al 6 bunder van de 11 die zijn vader Alexander in pacht had, in eigendom.

In 1796 na de afschaffing van de abdij liet de Franse overheid alle abdijgoederen inventariseren met het oog op de verkoop. Uit dat dossier blijkt dat Jan Baptist samen met Jean Meganck van de abdij 10 b 3 d 80 r land en weide pachtte voor 200 g.

° 6 b 3 d (8 ha 48 a 81 ca) landbouwgrond gelegen op De Molenkouter.

° 5 d (1 ha 57 a 19 ca) landbouwgrond gelegen op De Molenkouter.

° 3 d (94 a 31 ca ( weide gelegen op De Molenkouter.

° 5 d (1 ha 57 a 15 ca) weide gelegen op De Molenkouter.

° 3 d 56 r (1 ha 7 a 61 ca) landbouwgrond gelegen te Moorsel grenzend aan het bos op De Geer.

De jaarlijkse opbrengst werd door commissarissen geschat op 663 fr. en de verkoopprijs op 24 270 fr. 40 hoogstammige bomen, geschat op 120 fr. inbegrepen.

Jan Baptist was toen achterstallig met de pacht: 74 gulden voor 1794 en 100 g voor 1795[73].

De kapitein van de volontairen.

In 1789 vonden er in meerdere steden schermutselingen plaats tegen het Oostenrijks bewind. De patriotten slaagden er zelfs in Brussel in te nemen en het Oostenrijks leger trok zich naar Luxemburg terug om er zich te hergroeperen. Een Nationaal Comité hield op 18 december zijn triomfantelijke intrede en op 11 juni 1790 riepen de Staten-Generaal de onafhankelijkheid uit van de Verenigde Belgische Staten met Van der Noot als staatshoofd. In Brussel werden allerlei manifestaties georganiseerd. Wegens een dreigende inval van de het Oostenrijks leger vaardigden op 3 juli de drij staeten van Brabant een circulaire uit die op 18 juli op de kerkdeur van Meldert werd geafficheerd en waarin de gemeenten verplicht werden een compagnie vrijwilligers samen te stellen tot behoudenisse ende verdediging van ’s Nederlandts vrijheijdt. Als gevolg van die oproep kwamen op 24 juli 1790 op initiatief van drossaard J.D. Gheude te Meldert samen: Peter Clauwaert, de vertegenwoordiger van de drossaard, pastoor Goetgebuer, J. Van Vaerenbergh, Romanus Van den Abbeele, F. Beeckman en Joannes Uijttersprot. Zij kozen als kapitein van de op te richten compagnie Jan Baptist omwille van zijn goedheid, eerlijk gedrag en bekwaamheid op conditie dat hij zich in alles gedraagt zoals een goede en getrouwe kapitein[74]. Jan Baptist slaagde erin 27 vrijwilligers te verzamelen waaronder bekende namen als Jacobus Robijns, Benedictus Van Nieuwenborgh en Judocus Goeman. Adriaan Van Nuffel werd aangesteld als luitenant. Op 1 september vertrokken de vrijwilligers naar Asse. In Asse werden de compagnieën uit het Land van Asse samengevoegd en op 3 september vertrokken ze over Brussel en Leuven naar Tienen. Op 8 september marcheerden ze richting Namen. Nabij Neuville kwamen ze op 22 september tegenover de vijand te staan. Enthousiaste, maar onervaren vrijwilligers geleid door onbekwame bevelhebbers stonden tegenover een gedrild leger. Een zware nederlaag was voorspelbaar en een wanordelijke aftocht volgde. De abdij, die de opstand had gesteund met een gift van 2 352 gulden voor 6 stukken veldgeschut, werd beboet met de inkwartiering van 1 000 soldaten tot 1 januari[75].

De burgemeester.

Met het decreet van van het Comité de Salut Public van 31 augustus 1795 (14 fructidor an III) werden de vorstendommen in de Nederlanden verdeeld in 9 departementen. Elk departement bestond uit arrondissementen en die waren ingedeeld in kantons. De kantons werden gevormd door gemeenten (municipaliteiten). Een municipale raad bestuurde de kantonmunicipaliteit en bestond uit een commissaris als vertegenwoordiger van de overheid en in elke gemeente kwam er een municipale agent en een adjunct. De municipale agent stond in voor het invullen van de registers van de burgerlijke stand. Meldert maakte del uit van het kanton Lebbeke. De benoemden moesten de eed van trouw aan de reubliek en haat aan het koningschap in handen van de commissaris afleggen. Voor veel mensen was dat een moeilijke opdracht omwille  van de gehate eed en omdat ze een lijst moesten opstellen van de burgers die in aanmerking kwamen voor de gedwongen lening die de overheid had uitgeschreven. Maar velen durfden de aanstelling niet weigeren. Het was een onbezoldigd mandaat voor twee jaar en om gekozen te worden moesten de kandidaten aan enkele voorwaarden voldoen zoals ouder dan 21 jaar zijn, kunnen lezen en schrijven en over voldoende middelen beschikken om belastingen te kunnen betalen. In Meldert werd Judocus Goeman de municipale agent, voor de functie van adjunct vond men geen kandidaat.

Voor de tweede verkiezing voor de gemeenteraad vond de Franse overheid in Meldert geen kandidaten om de municipaliteit samen te stellen. In december 1799 schafte het Consulaat de kantonmunicipaliteiten af. Elke gemeente met een vertegenwoordiging in de kantonmunicipaliteit krijgt een eigen burgemeester. De burgemeester en zijn adjunct werden voortaan voor 5 jaar benoemd en de leden van de gemeenteraad voor 10 jaar.

Van 1807 tot 1812 ondertekende Jan Baptist als burgemeester alle akten in de registers van de burgerlijke stand. Zijn jongste zoon Rochus Benedictus tekende vaak in de registers als getuige. Jan Baptist spande zich als burgemeester in voor het behoud van de Rochting, een 17 ha groot gebied ten oosten van de Affligemse abdijgebouwen dat in opdracht van de Franse overheid naar Hekelgem werd overgeheveld. Het conflict met Hekelgem, dat maar al te graag dat vruchtbare gebied annexeerde, duurde tot 1812. In dat jaar kon de burgemeester niet anders dan de beslissing van de hogere overheid aanvaarden en in december 1812 wandelde hij met de burgemeesters van Hekelgem, Moorsel, Baardegem, Mazenzele, Asse en Essene in het gezelschap van een door de Franse overheid aangestelde géomêtre langs de nieuwe grenzen tussen hun gemeenten met de bedoeling ze te verkennen en er hun goedkeuring aan te geven door het proces-verbaal van de opmetingen te ondertekenen[76].

De Nieveldries. Links de kapel van Sint-Rochus en rechtover de hoeve Van der Schueren (nr. 136), hogerop de hoeve van Guilliam De Baetselier (later hoeve Van Cauwelaert). Bron kaartboek Meldert 1727.

De kinderen van Jan Baptist.

– Joanna Maria, ° 30 oktober 1778, trouwde op 2 februari 1802 met Antonius De Boeck, 32 jaar uit Etterbeek. Hun dochter Maria Anna, geboren te Etterbeek trouwde met Guillelmus Goossens uit Etterbeek. Maria Anna overleed te Meldert op 3 september 1889.

– Maria Anna, ° 30 oktober 1779.

– Anna Catharina, ° 4 januari 1782, trouwde met Jan Baptist Van Brempt, brandewijnstoker uit Meldert op 7 januari 1810. Anna Catharina overleed op 28 april 1823.  Hun kinderen:

° Jan Baptist, ° 24 april 1811.

° Adriana Henriëtta, ° op 10 maart 1812.

° Joseph Ludovicus, ° op 13 juni 1814, hij trouwde met Maria Ludovica Van den Driessche op 30 augustus 1845, was burgemeester van Meldert van 1870 tot 1878 en overleed op 25 april 1879.

° Maria Jacquelina, ° op 10 januari 1817 en overleed op 14 januari 1817.

° Maria Anna, ° op 5 juni 1819.

° Dorothea, ° op 20 januari 1822 en overleed op 24 november 1851.

– Petronella, ° 7 januari 1784.

– Franciscus, ° 1 augustus 1786, overleden op 14 april 1789.

– Dorothea, ° 1 augustus 1786, trouwde op 14 juni 1818 met Judocus Bocqué, een zaakwaarnemer van 39 jaar  uit Scheldewindeke.

– Rochus, ° 5 oktober 1788, overleed in 1830.

Besluit.

Alexander en Jan Baptist Van der Schueren behoorden tot de grootste boeren in Meldert, maar het is vooral Jan Baptist die als notaris, als kapitein van de volontairen en als burgemeester deel uitmaakte van de kleine schare van notabelen in Meldert. Na Alexander en Jan Baptist verdween de naam Van der Schueren te Meldert. Alexander had twee zonen, Jan Baptist en Jacobus die overleed op de dag van zijn geboorte. Jan Baptist had twee zonen. Franciscus overleed op 3-jarige leeftijd en Rochus stierf ongehuwd zodat met het overlijden van de dochters de naam Van der Schueren te Meldert niet meer voorkwam.

Pauwel Vermoesen wil zijn geld[77].

Voor de schepenen van het Land van Asse, Petrus Van den Bossche en Joannes Baptista De Nil, verscheen op 2 juni 1772 meester De Maré als advocaat van Pauwel Vermoesen. Die had voor een bedrag van 30 gulden 3 stuivers en 2 oorden hopbellen verkocht aan Jan Baptist De Pauw uit Hekelgem. Omdat De pauw niet onmiddellijk kon betalen, gaf hij op 13 mei 1772 een obligatie met de belofte het verschuldigde bedrag binnen de 14 dagen te vereffenen. Maar hij kwam zijn belofte niet na en Pauwel schakelde De Maré in als zijn advocaat. Nadat De Pauw op de eerste dagvaarding niet reageerde, vroeg De Maré op 2 juni om de meubelen van De Pauw in beslag te mogen nemen. De schepenen gingen in op dat verzoek. Ze daagden nog tweemaal de wanbetaler voor hun schepenbank, namelijk op 16 en 23 juni, maar die gaf ook dan verstek. Daarop vroegen de schepenen advies aan de advocaten geadmitteerd bij de Souvereine Raad van Brabant. Die rechtsgeleerden stelden op 28 juni de schepenen van Asse voor om De Pauw te verplichten onmiddellijk zijn schulden aan Vermoesen, verhoogd met intrest en gerechtskosten, te vereffenen.

Zover kwam het echter niet, want De Pauw, beseffend dat hij geen weg meer op kon, had ondertussen alles al betaald.

Desen seghel dint tot de medegaende obligatie verleden door Jan Baptist de pauw aen pauwel Vermoesen van de somme van dertigh guldens drij stuijvers twee oorden over coop van hoppe wesende van der dathe derthien maij seventhien hondert twee en t’seventigh.

Meldert wil zijn driesen verkopen[78].

Op vraag van de bedesetters van Meldert kwamen Cornelis Van den Houte en Joseph Van Malderen, bedesetters van Baardegem 5 driesen beplant met bomen taxeren. Het gemeentebestuur wou die verkopen omdat ze te weinig opbrachten. Men kon er immers alleen het vee laten grazen. Bovendien was Meldert opgecropt van volck en zo’n 300 inwoners moeste ongehuwd blijven bij gebrek aan woningen. Van 1719 tot 1772 was het aantal inwoners gestegen van 707 tot 1050[79]. Op 13 oktober 1772 overhandigden de Baardegemse bedesetters het resultaat van hun taxatie aan hun Meldertse collega’s. De bedragen zijn uitgedrukt in gulden, stuivers en oorden.

Den Grooten Domenschen Driesch: de grond 2 g 10 st de roede, de bomen 974 g;

– Den Kleynen Domenschen Driesch: de grond 3 g de roede, de bomen 272 g;

– Den Nieveldriesch: de grond 3 g de roede, de bomen 2 760 g;

Den Cockerijedriesch:de grond 2 g 15 st de roede, geen bomen;

Den Sinte Petronellabergh: de grond 1 g de roede, de bomen 1 800 g.

Met deze taxatie richtten de bedesetters zich op 26 november 1772 tot  Joannes Dominicus Gheude, griffier van het Land van Asse, met het verzoek om van de Souverijnen Raad van Brabant of van de heer fiscael de vergunning te bekomen om de 5 driesen te verkopen. Zij verwezen hierbij naar een plakkaat van haere Majsteijt dat de gem

eenten toeliet om heijden ende vage inculte gronden te verkopen. Daar het de bedesetters Van den Houte en Carel Geeroms niet duidelijk was of de 5 driesen wel degelijk de eigendom van de gemeente was, voegden ze een uitgebreid schrijven toe aan hun verzoek om de ingewikkelde situatie van de dreven toe te lichten.

Vooreerst verwezen ze naar artikel 23 van het plakkaat dat bepaalde dat de opbrengst van de verkoop van de gronden en de bomen voor ¼ aan de heer toekomt en voor ¾ aan de gemeente. Dat betekende dat de abdij Affligem ¼ zou krijgen en de rest was voor de gemeentekas. Want al in 1227 bezat Meldert het recht van de pasturagie. In mei van dat jaar schonk de hertog van Brabant, Hendrik I (1190 – 1235) alle weiden en verlaten plaatsen gelegen tussen de abdijkerk en de kerk van Asse aan de abdij maar onder bepaalde voorwaarden. Aan die schenkingen mocht niets worden veranderd. De weiden mochten niet tot akkers omgeploegd worden, er mochten geen hagen, grachten of bermen aangebracht worden zodat het vee van Meldert er kon grazen. Die beperkingen leidden in de 17de eeuw tot een proces tussen de abdij en de markies van

 Asse dat 30 jaar aansleepte en eindigde met een overeenkomst in 1664.

De bedesetters vroegen de griffier ook uitdrukkelijk dat de heere fiscael zou bevestigen dat Meldert wel degelijk de driesen mocht verkopen. Zij meenden dat het hun recht was. Als de abdij de gronden en de bomen zou verkopen, betekende dat een groot verlies voor de gemeente. De abdij had trouwens de opgelegde voorwaarden geschonden door in 1635 de Rochting in cultuur te brengen, er grachten aan te leggen en het geheel te omringen met hagen. De Rochting ligt noordoost van de abdijgebouwen en is 11 bunder 2 dagwand en 17 roeden groot[80]. Voor die tijd had de abdij maar 3 bunder in gebruik zoals blijkt uit de Caert Figuratief van Affligem van 1635. De abdij had daarenboven eenige huijskens en hopastenop die gemene gronden laten bouwen en inde er de cijns. Ze liet ook toe dat particulieren er wilgen of andere bomen plantten. De bedesetters wilden ook weten of het gemeentebestuur die asten mocht verkopen, waarvan dan ¼ de eigenaar toekwam.

De bedesetters benadrukten nog dat de inwoners meer landbouwgronden nodig hadden. In Meldert was er van de totale oppervlakte 220 bunder bos en 12 bunder vijver en slechts 306 bunder was niet van de abdij. Met 900 communicanten waren er ook te weinig huizen. Als laatste argumenten stelden de bedesetters dat de gemeente belast was met een schuld van 7 000 gulden en met de verkoop van de driesen kon die schuld worden afgelost.

Pastoor Johannes Franciscus Goetgebuer verhoogde de druk op de heere fiscael door in een brief te wijzen op het gevaar dat men de huidige toestand van de driesen zou laten bestaan. Hij wou ook weten of het nuttig of nodig was om een van de bedesetters naar Brussel te sturen om daar hun zaak te bepleiten.

Mijnheer greffier.

Ick hebbe desen ingesloten geschreven als aen u toegesonden om desen eerst laeten te sien aen onsen advocaet en als hij het goet oordeelt, dat U. E. gaen saude bij den Fiscael bij u hebbende de transactie van de abdije met den marquis en ook de nieuwe caert der driesschen (xx en om den Fiscael desen ingesloten te laeten lesen), en waer het saecken den Fiscael van sinschen te sijn dees driesschen nogh driesschen te laeten, saud hem connen segghen dat d’abdije al was het hun verboden eenige boomen op dees driessche te planten sij evenwel naer verloop van jaeren dit sauden doen: gelijk sij nu gedaen hebben boven ’t verbodt van den hertog van Brabant hunnen gever en tegen hun eijge transactie. Gelieft ons te laeten weten wat antwoort U. E. sal gehad hebben van den Fiscael en oft er imant van de bedesetters oft ick moet naer Brussel comen. … blijve met respect en genegenthijt.

Mijnheer U. E. ootmoedigen dienaer J. F. Goetgebuer pastor van Meldert.

Ferrariskaarten +/- 1777.

Den Grooten Domenschen Driesch en Den Kleynen Domenschen Driesch.

Den Nieveldriesch.

Den Cockerijedriesch.

Den Sinte Petronellabergh.

Ruzie over de borgstelling[81].

Officier van het Land van Asse, Judocus Verloes, hield ten huize van de weduwe Jan Baptist Bastaert op 7 oktober 1774 een openbare verkoping van bomen en schaarhout uit het bos van Assenaar Thomas Van Laecken. Judocus De Pauw[82] uit Meldert kocht er schaarhout en eiken voor een totaal van 9 gulden. Als borg stelde hij de persoon van Jacobus Sterckx uit Asse-ter-Heide en de verkoper ging daarmee akkoord. Maar nadien kwam De Pauw terug op zijn gegeven woord. Hij wilde een andere borg stellen. Thomas Van Laecken wou dat hij zich aan de afspraak hield, want hij wist dat Sterckx al zijn betalingen nakwam. Het is mogelijk dat er een conflict was gerezen tussen De Pauw en Jacobus Sterckx en wou die niet meer als borg fungeren. Zo ontstond er een patstelling: De Pauw betaalde niet omdat Van Laecken het niet eens was met de wijziging in de borgstelling en volgens Van Laecken kon De Pauw niet betalen en wou hij de aankoop opzeggen. Maar Van Laecken had het geld van de verkoop dringend nodig en daarom wendde hij zich op 31 maart 1775 tot de schepenbank met het verzoek De Pauw te verplichten promptelijck de koopsom, verhoogd met de geleden schade en intrest te betalen.

In de volgende maanden vlogen de beschuldigingen over en weer. De Pauw ontkende dat hij de koop had opgezegd. Hij wachtte nog steeds op een antwoord van Van Laecken over de borgstelling. Waarop die, omdat De Pauw niet betaalde, zelf was begonnen met het hout te kappen en de bomen te rooien tot officier Verloes op vraag van De Pauw hem verbood nog aan het hout voort te werken. Door het verbod zag Van Laecken zich genoodzaakt zijn hopstaken te gebruiken als brandhout voor zijn huis. Hij kon ook het resterende hout niet meer wegvoeren. De Pauw had van pachters de toelating gekregen om tot half maart 1775 met het hout over hun velden te rijden. Op 27 juni richtte De Pauw zich nog eens tot de schepenbank. Hij bevestigde dat hij zich aan de overeenkomst met Van Laecken hield, maar dat die geen akkoord wou over een andere borgstelling. Hij was zelfs bij de verkoper geweest om over de schade te praten die hij had geleden door het uitstel van betaling. Die had hem naar zijn advocaat De Maré verwezen. Met hem kwam De Pauw overeen dat hij 5 gulden als schadeloosstelling zou geven. In een laatste reactie ontkende Van Laecken dat er een akkoord was over schadevergoeding want hij had meer schade geleden. Hij moest nu een andere weg kopen om het hout, waarvan maar 1/3 meer overbleef, weg te voeren.

Een valse akte[83].

1774. Kermismaadag van de parochie Essene. In de herberg van Henricus De Clerck op Den Grooten Domentschen Driesch gaat het er vrolijk aan toe. De herbergier had gezorgd voor eenen speleman zodat daar in een kamer lustigh wiert gedanst, soo van getrouwde als ongetrouwde van beijde sexen als oock aldaer op de gemelde camer wiert gedroncken wijn ende bier. Doment was tot laat in de 19de eeuw een geïsoleerd gehucht. Het lag en ligt nog op de gemeenten Essene, Hekelgem en Meldert. De afstand tot de parochiekerken van Essene en Hekelgem was bijzonder groot zodat de meeste bewoners zich meer verbonden voelden met de parochie van Meldert, maar daarbuiten regelden ze hun zaken onder elkaar en hadden ze hun eigen kermis. Zo kwam het ook dat in de herberg van Henricus De Clerck zowel mensen van Essene, Hekelgem als Meldert aanwezig waren.

Deze aanklacht bij de schepenbank van Asse werd ingediend door Gillis Verbeiren en zijn moeder Joanna Maria Christiaens[84]. Gillis was domesticq ten huizevan Henricus De Clerck waar hij ook inwoonde. Op die bewuste kermismaandag bracht hij bier en wijn naar de kamer van de dansers. Onder de kermisvierders bevond zich ook Jan Baptist Bruijninckx[85]. Die was volgens Gillis in een heftige woordenwisseling verwikkeld met Jacobus De Clerck, broer van de herbergier. Op een bepaald ogenblik begonnen ze zelfs te vechten tot Henricus de twee kon scheiden. Enige tijd later ontstond er in heel de herberg opschudding omdat Bruijninckx rondliep met een hoofdwonde die hevig bloedde. Men zei dat Jacobus De Clerck zijn tegenstander met een glas op zijn voorhoofd had geslagen.

De drossaard van het Land van Asse onderzocht de feiten in 1774 en 1775.Toen duidelijk werd dat er een rechtszaak zou volgen, kreeg Gillis het bezoek van zijn meester Henricus die vergezeld was van zijn broer Jacobus, Andries Van den Brande die men Casteur noemde en van Cornelis Van den Houte, een pachter die op de Domentse Dries woonde. Ze praatten zolang op hem in dat hij aanvaardde te verklaren dat hij de pintslagh aan Bruijninckx had toegediend. Door dronckenschap en met de belofte van hem drie gulden te geven en de consumpties te betalen, gaf hij zijn woord. In november 1775 ging hij met Andries Van den Brande naar Asse bij Philippus Arents, brood maecker, en daar noteerde diens zoon als notaris de verklaring van Gillis. In de paastijd van 1776 kreeg Gillis daerover remors van consciëntie. Hij biechtte de hele zaak op aan zijn biechtvader en die wou hem geen absolutie van zijn zonden geven tot hij de drossaard op de hoogte had gebracht van de valse verklaring. Met zijn voogd en schepen J.B. De Nil zocht hij advocaat J.B. De Maré op. De advocaat raadde hem aan Jacobus De Clerck te vragen of hij de valse verklaringen wilde laten annuleren en Gillis zou hem de drie gulden teruggeven. Jacobus weigerde echter hem te ontvangen waardoor voor Gillis alleen nog den wech van rechten overbleef om zijn geweten te sussen.

De erfenis van smid Peter Carlé[86].

Nog voor zijn huwelijk met Joanna Maria De Bruecker op 2 mei 1775 kocht Peter Carlé, een smid, 10 roeden land voor 100 gulden uit een partij van 1 dagwand waarop hij een huis liet bouwen. De aankoop werd door griffier B. E. De Witte ingeschreven in het register van de goedenisse van de abdij op 15 juli 1776. Het betrof een akte verleden door notaris Jan Baptist Van der Schueren. Hendrik Van Zeebroeck trad op als gevolmachtigde van Isabella Willems. Deze bejaarde jonge dochter had het perceel geërfd van haar ouders, Jan en Maria Van den Broeck[87]. Peter Emmanuel Schoon, Franciscus Van Linthout en Martinus Wambacq, de schepenen waren de getuigen.

Met zijn vrouw Joanna Maria De Bruecker had Peter drie kinderen[88]. Ze kochten op 9 oktober 1779 een hofstede van 80 roeden. Na het overlijden van Peter hertrouwde Joanna Maria te Meldert op 13 november 1784 met Albert Van der Meulen. Na haar dood erfden Peter en Theresia de twee hofsteden. Maar twee jaar later had hun stiefvader Albert de twee boerderijen nog steeds in zijn bezit. Daarom spanden hun grootvader Peter Carlé en hun voogd Joannes Baptista De Bruecker een proces in tegen Albert Van der Meulen ook Vermeulen). Om hun zaak te bekrachtigen voegden ze bij hun klacht twee bewijsstukken toe.

1- De akte van 2 mei 1775 van de aankoop van de 10 roeden. Het perceel was belast met een grondcijns aan de abdij en een rente aan Joanna Maria De Baetselier, begijn te Brussel. De verkoopster, Isabella Willems, beloofde binnen de 8 dagen het perceel vrij van rente te maken.

2- De akte van de aankoop van de hofstede van 80 roeden voor 685 gulden 13 stuivers. Die hoeve paalde aan Gillis Robijns, de weduwe Francis Robijns de erfgename, Judo Van Onchem en Peter Carlé. De eerste koper was Jacobus De Clerck en na een hoger bod wees notaris Van der schueren de hoeve toe aan peter Carlé. Griffier De Witte registreerde de akte voor de schepenbank van Affligem op 19 juni 1780 met als getuigen Franciscus Van Linthout en Martinus Wambacq.

De erfenis van Michael De Vis[89].

Michael De Vis[90] had met zijn eerste vrouw, Catharina Beel, een dochter Elisabeth[91]. Na haar dood, overleden te Meldert op 9 augustus 1727, hertrouwde Michael te Meldert op 30 oktober 1727 met Elisabeth Mergan. Zij kregen vier kinderen[92] en de zaken liepen goed want Michael en Elisabeth konden drie percelen grond aankopen. Op 11 oktober 1728 kochten ze 1 dagwand land en bos op Het Schoon Manneken. Vier jaar later, op 16 juni 1732 konden ze nog een perceel van 1 d bijkopen. Het sloot aan bij hun eerste aankoop. Ten slotte verwierven ze nog uit hetzelfde domein 1 d en 2 r op 12 mei 1753.

Met de dood van Elisabeth Mergan op 10 januari 1759 erfde Michael, als langstlevende, de helft van al hun goederen. Maar na zijn overlijden te Meldert op 17 augustus 1776, ontstonden de problemen. Elisabeth, zijn dochter uit zijn eerste huwelijk en gesteund door haar man Judocus Clauwaert, eiste als mede-erfgenaam 1/5de op van de helft van het eerste dagwand en 1/5de van de andere aankopen. Zij wilden dat kinderen soo van eersten als tweeden bedde gelijke delen kregen. Vier kinderen uit het tweede huwelijk waren daartoe niet bereid. Bijgevolg richtten Judocus en Elisabeth zich tot de schepenbank en daagden Joanna De Vis en haar man Adriaan Gillis, Catharina De Vis en haar man Judocus Peeters, Judocus De Vis en Joannes Kindermans, de weduwnaar van Anna Maria De Vis en voogd van hun minderjarige kinderen voor de rechtbank. Als bewijs legden ze de drie aankoopakten voor.

1- De koop van 11 oktober 1728. Het dagwand land en bos kochten ze van Jan Van Muijsewinckel voor 105 gulden. Het paalde aan het gasthof straetken en aan de Cappelleken straete. Griffier J. De Witte van het laathof van de abdij verleed de akte. Adriaan De Witte, Andries De Baetselier en meester Judocus Godefroij, erflaten en meier Guillam De Baetselier waren de getuigen.

2- De koop van 9 juni 1732. Notaris Eg. Crick verleed de akte. De koopsom bedroeg 75 gulden. Griffier J. De Witte registreerde de aankoop in de goedenisse van de abdij. Nu traden Judocus Godefroij, Joos ’t Sas en Martinus Linthout als getuigen op.

3- Het derde perceel kochten Michael en Elisabeth van Elisabeth De Vis en haar man Jan De Mey voor 157 gulden 10 stuivers. Hendrik Van Zeebroeck en Peter Van de Bosch getuigden, notaris J.F. Gillis stelde de akte op.

Verplaatste Paschier Vertongen de grenspalen[93]?

In 1769 kochten Judocus Van den Steen[94] uit Meldert en Francis De Vis uit Hekelgem elk een veld gelegen op het Querrelsveld[95] van Martinus Van Vaerenbergh[96] en zijn vrouw Anna Maria De Witte. Het deel van Francis was 1 d 50 roeden groot, dat van Judocus 118 ½ roeden. Het perceel van Judocus paalde aan Francis De Vis, Peter Wambacq, Hendrik Poels en Gillis Van Roy. De scheiding tussen het veld van De Vis en dat van Van den Steen was een rechte lijn in het verlengde van de scheiding van hun erven en werd gemarkeerd door twee paalsteneen. De aankoop werd genoteerd in het register van de goedenisse van de abdij op 24 april 1769. Na de dood van Francis De Vis werd Paschier Vertongen[97], man van Petronella De Vis, de nieuwe eigenaar en toen begonnen de moeilijkheden. Judocus stelde vast dat een van de grenspalen met Paschier Vertongen verdwenen was en hij meende dat zijn veld was verkleind. Hij vermoedde dat Paschier die had weggenomen om zijn veld te vergroten om zo meer vruchten te kunnen oogsten. Na heel wat discussies en nieuwe opmetingen zonder resultaat, diende hij bij de schepenbank een klacht in tegen Paschier Vertonge