Hendrik Van Laecken schuldig bevonden (1762).

Op 30 maart 1762 werd Hendrik Van Laecken[1] in effigie[2] (zie voetnoot) veroordeeld met eene strope aen den hals aen eene galge ten hoogsten van den daege te woeden gehangen ten exemple.

Wat had Hendrik gedaan om de zwaarste straf te krijgen?

Op 14 mei 1761 had Hendrik Van Laecken de zoon van Gillis Lensens naar Catherina Heijvaert gestuurd met het verzoek om onmiddellijk naar zijn huis te komen. Hij dacht dat zijn vrouw stervende was. Toen Catharina bij het bed van zijn vrouw, Catharina Vermoesen, kwam, vermoedde ze dat haar vriendin al dood was. Dat zei ze tegen de onderpastoor en de koster die er al waren om haar te berechten want er liep bloed uit haar rechteroor en ze had een blauw oog. Tijdens haar tweede ondervraging door de schepenen op 26 oktober voegde ze er nog aan toe dat ze Van Laecken had horen zeggen: ze zullen wel zeggen dat ik mijn vrouw heb doodgeslagen. Catharina legde die getuigenis voor de schepenen af op 19 mei.

Cornelis Van den Bergen was de tweede getuige die door de schepenen werd verhoord. Hij woonde in een aanleunend huis en had die nacht van 14 mei keijvagie, dreigementen en slagen gehoord in het huis van Hendrik. Hij is naar Hendrik, zijn oom, gestapt en zag dat Catharina op haar rug op de grond lag. Hendrik trachtte haar recht te krijgen. Toen hij dacht dat er weer vrede was, keerde hij naar zijn huis terug. Hij lag al in bed toen hij Catharina Jezus Maria hoorde roepen. Wat later riep zijn oom hem, hij ging naar binnen en zag Catharina op de grond zitten en Hendrik hield zijn armen om haar heen. Het leek hem dat Catharina tot bewustzijn kwam en hij ging zijn vrouw halen om Catharina te helpen. Zijn vrouw kwam hem meermaals zeggen dat Catharina stervende was en ten slotte dat ze dood was. Cornelis voegde later aan zijn getuigenis nog toe dat het gerucht ging dat Hendrik zijn vrouw had doodgeslagen.

Franchois Lansons, ook een buurman van Hendrik, ging toen hij geroep hoorde,  naar het huis van Hendrik. Hij zag Catharina op een stoel zitten met schuim op haar mond. Hij vroeg Hendrik of de pastoor al verwittigd was, waarop Hendrik hem vroeg om dat te doen. Hij liep naar de pastorie en keerde terug met de onderpastoor en de koster. Bij aankomst zagen ze dat Catharina al dood was. De koster wees iedereen erop dat er bloed uit haar rechteroor kwam. Hendrik antwoordde dat ze uit bed was gevallen. Franchois vertelde aan de schepenen nog dat Catharina bijna dagelijks werd geslagen.

Gillis Lensens, gewekt door het tumult, was naar het huis van Hendrik gegaan en zag zijn vrouw op een pailliasse liggen. Zij was stervende. Hij liep de pastoor tegemoet en vroeg hem zich te haasten want er was perijckel van sterven. Als ze toekwamen, was Catharina al overleden en koster Jan Baptist Resteau merkte op dat ze bloedde. Jezus Maria, riep Van Laecken, ze zullen zeggen dat ik haar doodgeslagen heb. De onderpastoor vroeg hem waarom de mensen dat zouden zeggen, maar hij antwoordde niet.

Joanna Maria De Smedt, vrouw van Cornelis Van den Berghe, werd op 20 mei verhoord. Zij bevestigde dat er in de nacht van 13 mei deftige woorden waren tussen Hendrik en Catharina. Zij hoorde Catharina lamenteren over de slagen die ze kreeg. Joanna vroeg haar man Cornelis om toch eens te gaan kijken. Toen hij terug was, zei hij dat Catharina op de grond lag. Hendrik gaf als uitleg dat ze dempich hadden gegeten. Joanna was er niet gerust in en bleef nog een tijdje op terwijl haar man ging slapen. Even later herbegon de ruzie. Zij hoorde Hendrik schreeuwen gij sult van mijne handen noch sterven, alwaert dat de galge daer gerecht waere. Joanna liep onmiddellijk naar het huis en trachtte Hendrik te kalmeren. Dat lukte niet en ze ging slapen. Het laatste wat ze hoorde, was een harde slag. Niet lang daarna kwam Hendrik hen roepen. Zijn vrouw had iets gekregen, zei hij. Eerst ging haar man en hij zag dat Catharina naar adem snakte en riep Joanna om te komen helpen. Zij zag toen het blauwe oog en het bloed aan haar rechteroor.

Joanna Van de Perre, vrouw van Francis Lanson,  hoorde bijna dagelijks ruzie en slagen en had dikwijls compassie met de vrouw. Die nacht van 13 op 14 mei was de ruzie heel heftig en de slagen waren onverdraegelijck. Voor haar man was dat geen nieuws, het is dagelijks brood, zei hij. Rond drie uur kwam Hendrik hen roepen omdat zijn vrouw wilde sterven. Ze volgden hem tot bij Catharina die op een stoel zat en nauwelijks nog ademde. Ze nam haar in haar armen. Catharina Heijvaert merkte het bloed op en Hendrik antwoordde handenwrijvend ze sullen noch seggen dat ick haer dood geslagen hebbe. Niemand durfde te antwoorden.

Koster Jan Baptist Resteau kwam samen met de onderpastoor in het huis. De onderpastoor gaf haar de absolutie en vroeg hem haar gezicht eens nader te bekijken. Hij zag het bloed en de blauwe plekken en vroeg wat er met haar was gebeurd. Hendrik zei dat ze uit bed was gevallen. Voor Jan Baptist was het duidelijk: Catharina was vermoord en hij stelde voor om de aartsbisschop de toelating te vragen voor een lijkschouwing. Die lijkschouwing

had plaats op 23 mei en werd uitgevoerd door dokter Petrus Van Innes en chirurgijn Savena. Hun besluit was dat Catharina was gestorven aan de gevolgen van een zware slag op haar hoofd met een stok of een ander voorwerp. Ondertussen had drossaard Joannes Loovens de schepenen gevraagd om Hendrik Van Laecken te arresteren, maar die was al gevlucht. Op 2 juni gaf hij het bevel om zijn roerende goederen in beslag te nemen en de onroerende te verhuren. Gezien de zware misdaad door Hendrik begaan, werd het dossier overgemaakt aan de hoofddrossaard te Brussel die het advies van de Raad van Brabant vroeg. Dat kwam er op 13 februari 1762: dood door ophanging. De volgende schepenen ondertekenden op 30 maart het doodvonnis: P. Nulant, N. Van Heqinbeke, M. Van Vaerenbergh, G. Plas, P. Van Den Bossche, P. De Bidou, C. Van Den Houte, J. B. Van De Velde, Guilliam Goossens en Verstappen.

Henricus Van Laecken, trouwde op maandag 11 juli 1740 in Hekelgem met Catharina Vermoesen, 36 jaar oud. Zij is gedoopt op zaterdag 13 oktober 1703 in Hekelgem en overleed op donderdag 14 mei 1761 in Hekelgem, 57 jaar oud. Zij hadden een zoon Petrus, gedoopt op vrijdag 9 april 1745 in Hekelgem. Petrus overleed in 1747 in Hekelgem, 2 jaar oud.

Edmond Schoon en Ben Vermoesen.


[1] R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 693.

[2] In effigie: Hendrik was voortvluchtig en in zijn plaats werd een beeld, dat hem moest voorstellen, opgehangen.

Kind onder gevallen boom te Essene – 1738.


Een dramatisch ongeval op 28 mei 1738 beroerde heel Essene. Een vierjarig meisje was op ongelukkige wijze terechtgekomen onder een omgehakte boom. Frans en Guille Van de Putte waren al een hele dag zonder problemen bezig met het omhakken van bomen. Maar ’s avonds liep het mis. Gertrudis[1], het vierjarig dochtertje van Joannes De Ridder[2] en Maria Stevens, kwam onder een vallende Joannes De Ridder en Maria Stevens en was op slag dood. Op het geroep en gehuil kwamen heel wat buren toesnellen, maar niemand had het ongeval zien gebeuren. Toch werden in opdracht van de hoofdrossaard Joannes Emanuel Loovens een aantal mensen ondervraagd en werd een lijkschouwing verricht. Zij kwamen tot de conclusie dat Van Innis licentiaet in de medicijnen ende expert in de chirurgie

Acte van aenschouw gehouden.

Op 29 mei 1738 begeleide officier Carel Rogiers de schepenen Anthoon De Voghel en Petrus Wambacq, vergezeld van Van Innis, licentiaat in de medicijnen en expert in de chirurgie en chirurgijn Petrus Le Touche naar het huis van Jan Wouters. Ze onderzochten het lijkje en stelden vast dat een been drie- tot viermaal was gebroken en dat het hoofd was verpletterd. De dokter en de chirurgijn deden vervolgens de lijkschouwing en kwamen tot de conclusie dat geheel het herssebecken gepletterd ende gemorselt was oock het os pubis (schaambeen)  ende het os femoris (dijbeen)  het gene moet geschied sijn door eenigh swaer gewichte als bij exempel eenen balck, boom, ofte ander diergelijcke materiael waerop de dood ipso facto gevolght is.

Verhoor van getuigen.

Op 7 juni 1738 ondervroegen de schepenen Jan Meert en Anthoon De Voghel  enkele getuigen van een dramatisch voorval. Ridders Truijcke, het 4-jarig dochtertje van Joannes De Ridder en Maria Stevens was op 28 mei onder een vallende boom terechtgekomen en was op slag dood. De eerste opgeroepen getuige was Josina Raspoet, vrouw van Jan Stevens, 40 jaar.  Op 28 mei 1738 was zij ’s morgens naar haar land gegaan op Den Bocht  op het gehucht Hauwijk om er gras te halen (voerderije) voor haar beesten. Zij zag dat Frans en Guillam Van De Putte bezig waren met bomen te kappen aan de hopstal op Hauwijk. Toen zij na de middag nog bezig was met gras te snijden, hoorde zij een geroep en lammentatie op de plaats waar zij Frans en Guillam Van De Putte ’s morgens had gezien. Wat er werd geroepen, kon zij niet verstaan, maar het kind van Carel Van Belle zei haar dat Ridders Truijcke,  het kind van Jan De Ridder, door een omgehakte boom was  gedood. Zij liep naar de plaats en zag het kind op de grond liggen. Iemand zei haar dat het kind onder een boom was terecht gekomen. Meer kon zij over het voorval niet zeggen.

De tweede getuige was Catharina Van Neervelt,  vrouw van Jan Van Nieuwenborgh, oud omtrent 50 jaar. Ze had op 28 mei, voor de middag, van in haar hofstede gezien dat Franciscus ende Guillam Van De Putte,  kinderen Franciscus, bomen kapten aan de hopstal tegen de hofstede van Andries De Cort op Hauweijk. Omtrent 7 u. hoorde ze een geroep van  kinderen. Jan Stevens en Carel Van Belle vertelden dat het kind van Jan De Ridder dood was. Daarop is zij ter plaatse gegaan en zag ze het kind dood ter aarde liggen naast een boom. Die boom was op het kind gevallen, zei men.

Jan Van Nieuwenborgh[3], 47 jaar, zag vanuit het raam van zijn huis op 28 mei ’s morgens Frans ende Guillam Van De Putte bomen kappen aan een hopstal tegen het huis van Andries De Cort op Hauwijk. Na de middag hoorde hij dat ze nog aan het werk waren. Rond zes uur kwam zijn vrouw hem zeggen dat het kind van Jan De Ridder dood was. Hij ging onmiddellijk naar de hopstal. Het kind  lag daar met een boom dwars over haar buik en over de straat. Het kind was gekwetst aan het hoofd en haar buik was geplet. Guille Van De Putte zat op een boom nabij de hoplochting van Andries De Cort. Hij hoorde hem zeggen ons heer straft soo wel buiten als binnen ende mijn bloed is geheel geel geworden maer ick ben nu suijver genesen. Franciscus Van De Putte stond waar het kind op lag. Jan Van Nieuwenborgh ging dan Jan De Ridder, de vader van het kind verwittigen. Toen hij terug kwam, lag het kind op haar rug.

Jan Stevens, schoonbroer van Jan De Ridder, omtrent de 50 jaar, passeerde die dag  voor de noen voorbij het huis van Andries De Cort op Hauwijk. Guille en Franciscus Van De Putte[4] waren bezig met bomen te kappen aan de opstal. Wanneer hij ’s avonds naar huis kwam, hoorde hij onderweg een geroep waaruit hij kon opmaken dat er een ongeval moest gebeurd zijn. Thuis gekomen vernam hij van het zoontje van Jan De Ridder, dat zijn zus Truiken dood was door een omgevallen boom. Hij is direct naar de hopstal gegaan waar hij het kind heeft zien liggen. Een van de zonen van Franciscus Van de Putte zuchtte jae wie can dat goed doenn.

Het vonnis.

Op 6 december 1740 begon het proces van de hoofddrossaard tegen Franciscus en Guillelmus Van de Putte. Het eindigde op 14 maart 1740 met de vrijspraak van de twee broers door de schepenen Joannes Baptista Lahoese, Gillis Meert en Backer in de gebanne vierschaere. Het vonnis was onderteken door P. Robijns


[1] Gertrudis De Ridder, dochter van Joannes en Maria Stevens, gedoopt op woensdag 6 januari 1734 in Essene en overleden op woensdag 28 mei 1738 in Essene, 4 jaar oud.

[2] Joannes De Ridder, gedoopt op zaterdag 18 april 1693 in Essene, overleden op dinsdag 10 februari 1761 in Essene, 67 jaar oud. Hij trouwde, 26 jaar oud, op donderdag 27 april 1719 in Essene met Maria Stevens, 24 jaar oud. Zij is gedoopt op donderdag 21 april 1695 in Essene en is overleden op zondag 24 februari 1771 in Essene, 75 jaar oud.

[3] Joannes Van Nieuwenborgh, gedoopt omstreeks 1691 en overleden op zaterdag 31 januari 1739 in Essene, ongeveer 48 jaar oud. Hij trouwde, ongeveer 19 jaar oud, op zondag 5 januari 1710 in Meldert met Catharina Van Neervelt, ongeveer 22 jaar oud. Zij is gedoopt omstreeks 1688 en is overleden op vrijdag 11 mei 1759 in Essene, ongeveer 71 jaar oud.

[4] François Van De Putte, zoon van Joannes en Elisabeth Robijns. Hij is gedoopt op maandag 5 februari 1657 in Essene en is overleden op dinsdag 3 november 1739 in Essene 82 jaar oud. Hij  huwde met Joanna Van Den Broeck. Zij is gedoopt in 1673 in Hekelgem en is overleden op vrijdag 10 maart 1741 in Essene, 68 jaar oud. Kinderen van François en Joanna te Essene gedoopt:

1 Elisabeth, gedoopt op maandag 5 maart 1703, trouwde met Peeter Bruininckx

2 Catharina, gedoopt op woensdag 3 september 1704, is overleden op maandag 15 februari 1779 in Teralfene, 74 jaar oud. Zij trouwde met Judocus Van Neyghen. Hij is gedoopt op woensdag 27 augustus 1704 in Teralfene en is overleden op woensdag 3 oktober 1781 in Essene, 77 jaar oud.

3 Arnold,  is gedoopt op zondag 14 november 1706 en is overleden op zondag 12 september 1723 in Essene, 16 jaar oud.

4 Jacoba, gedoopt op vrijdag 20 april 1708 en is overleden op maandag 23 december 1782 in O.-L.-V.-Lombeek, 74 jaar oud. Jacoba trouwde, 34 jaar oud, op zaterdag 19 januari 1743 in Essene met Simon Geerts. Simon is overleden op zaterdag 30 januari 1751 in O.-L.-V.- Lombeek.

5 Joannes Baptist, is gedoopt op zondag 9 augustus 1711 in Essene. Hij is overleden op woensdag 22 augustus 1764 in Essene, 53 jaar oud.

6 François,. gedoopt op maandag 26 april 1717 in Essene en is overleden op dinsdag 4 januari 1774 in Essene, 56 jaar oud. Hij trouwde, 31 jaar oud, op dinsdag 5 november 1748 in Essene met Barbara Verbeiren, 25 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 7 februari 1723 in Essene en is overleden op woensdag 15 april 1801 in Essene, 78 jaar oud. Een tweeling op dezelfde dag geboren als Franciscus.

7 Guillelmus, gedoopt op maandag 26 april 1717 in Essene en is overleden op zaterdag 23 april 1785 in Teralfene, 67 jaar oud.

[1] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 653.

Hekelgem verkoopt gemeenteschool (1872)

Op 4 april 1872 besliste de gemeenteraad om het oude schoolgebouw te verkopen. Na de goedkeuring door de provincieraad nam het schepencollege met burgemeester Adolf De Witte en de schepenen Joseph Plas en Karel Louis De Vis contact op met notaris Alphonsus Delwart van Asse. Het ging om een gebouw met bijgebouwen gelegen op Boekhout, sectie D, nrs. 50c en 51c. Het terrein was 5 a 10 ca groot en grensde west aan de Molenstraat, oost aan Jan Baptist Van den Hove, zuid aan Ferdinand De Smedt en noord aan de Brusselbaan.

De school stond op de hoek van de Brusselbaan en het Molenstraatje

De gemeente had de grond gekocht van Maria Cornelia De Smedt, de vrouw van Jan Baptist Van Houdenhove op 24 maart 1850. De koper kon over het gebouw beschikken zodra de nieuwe schoolgebouwen (achter het voormalig gemeentehuis) in gebruik werden genomen en dat ten laatste op 1 januari 1873. Hij moest 10% van de koopsom uiterlijk drie dagen na de toewijzing betalen en de rest binnen de maand in de handen van vertegenwoordigers van de gemeente in het kantoor van de notaris. Deed hij dat niet, dan kwam er een intrest van 5% bij.

De openbare verkoop had plaats in het café van Pierre Callebaut. Er waren twee koopdagen. De eerste ging door op 25 oktober 1872.  Constantin De Cort bood 3 600 fr. Op de tweede koopdag op 4 november was er een tweede kandidaatkoper, Jan Baptist Callebaut, cabaretier uit Erembodegem. Twaalf maal boden ze tegen elkaar op en verhoogden zo de prijs tot 5 020 fr., het laatste bod van De Cort. Die verklaarde nadien dat hij had gehandeld in opdracht van zijn broer Egidius die in de Zuidstraat nr. 6 te Brussel woonde.

De strijd om de Peelinckvijvers.

Veronderstel eens dat je ouders net zijn gestorven en je broers en zussen vragen je om de erfenis te regelen. Omdat een broer en zijn vrouw ook al dood zijn, verkoop je direct een groot perceel van je ouders. Zo kun je de kinderen van je overleden broer snel hulp bieden. Maar dan blijkt dat je ouders schulden hebben, veel schulden en met de erfenis kom je niet toe om de schulden te betalen. Je verneemt ook dat sommige van de erfgenamen zich tegen de verkoop verzetten. Een schoonbroer denkt: pakken wat kan en haalt een aantal bomen weg van de verkochte grond en besluit daarna om de erfenis te weigeren. Het wordt voor jou een kluwen van problemen want de koper van een groot perceel weigert nu om de helft van de koopsom te betalen vermits de bomen zijn verdwenen. Om uit de moeilijkheden te geraken zie je maar een oplossing: je trekt naar de rechtbank en daarmee begin je een jurdische strijd die heel lang kan duren.

Wat hierboven werd beschreven, overkwam Gillis De Witte, een zoon van Jan en Catharina Van den Eekhout. Hij was griffier van de baronnie van Wemmel en Bodegem en advocaat bij de Raad van Brabant. Om de situatie goed te kunnen begrijpen, schetsen we eerst een beeld van de familie De Witte van Essene.

De familie De Witte te Essene.

De eerste naam De Witte in Essene vinden we in 1574.

I Egidius De Witte, zoon van Jan, trouwde met Barbara Van Vaerenbergh, dochter van Gerard, boer op het Hof te Belle. Hij nam in 1573 de Bellemolen van zijn schoonvader Gerard Van Vaerenbergh over. In 1576 pachtte hij ook het Hof te Belle van de abdij. Gillis was kerkmeester in Essene in 1572, buitenpoorter van Aalst en meisenier van Grimbergen in 1574. Voor hij zich op de Bellemolen vestigde, was hij molenaar op de IJzerbeekmolen te Asse. In 1598 pachtte hij van de abdij 95 b of 118, 75 ha. Gillis overleed te Essene voor 1612, Barbara na 1612. Van zijn broer Jan stammen de griffiers van de abdij af[1]. Kinderen van Egidius en Barbara:

1 Gerard, meisenier in 1607, brouwer te Essene wellicht vader van:

 Catharina, trouwde met Dierick Struelens, brouwer

Josijne, trouwde op 30 augustus 1614 met Michiel Wambacq

2 Marie, trouwde met  Carel De Coninck, cit. 1612

3 Kathelijne, trouwde met Joos Van Ruijssevelt, cit. in 1612 en 1619, hertrouwde met Jan Camerman

4 Anna, trouwde metPeter Van der Beke, 1619

5 Barbara, + voor 1619, trouwde met Jacques Van der Hulst, griffier van Opwijk

6 Adriana, trouwde met Peter Van den Eeckhout, cit. in 1619

7Joannes, trouwde metCatharina Van den Eeckhout, cit. in 1619, zie II

8 Gillis, vermoord in 1594 door Peter Meert.

II Joannes (Jan) De Witte, werd gedoopt omstreeks 1590. Hij trouwde, ongeveer 24 jaar oud, op dinsdag 25 november 1614 in Essene met Catharina Van den Eeckhout, ongeveer 15 jaar oud. Zij is gedoopt omstreeks 1599. Kinderen van Joannes en Catharina te Essene gedoopt:

1 François gedoopt op maandag 17 oktober 1616

2 Gerardus, gedoopt op 17 oktober 1616

3 Arnoldus (Arnoult), gedoopt op woensdag 12 september 1618, griffier van Bodegem, overleden voor 1663. Hij trouwde met Joanna Marie Buvet, overleden na 1669. Een dochter was Joanna Maria en een zoon heette Engelbertus. Egidius (Gillis) was voogd over de kinderen.

4 Anna, gedoopt op 12 mei 1620, trouwde met Joos Meert te Essene

5 Barbara, gedoopt op maandag 21 november 1622 en overleden in 1651 in Essene, 29 jaar

6 Egidius, zie III

7 Maria, gedoopt op maandag 20 november 1628. Maria trouwde, 18 jaar oud, op dinsdag 15 oktober 1647 in Essene met Lucas Geerstman, zoon van Judocus en Gertrudis Van Langenhove. Hij was weduwnaar van Anna Van Vaerenbergh (ovl. vóór 1647), met wie hij trouwde op zaterdag 26 mei 1646 in Essene.

8 Jan, gedoopt op 3 mei 1631, notaris te Essene

9  Franciscus, gedoopt op 9 december 1637

10 Joanna, gedoopt op 21 januari 1642.

Op 4 mei 1652 verkochten Jan De Witte en Catharina Van den Eeckhout sekere hoffstadt metten huijse, nast, hopstaecken, boomen ende andere edefitiën daerop staende alsoo de selve gestaen ende gelegen is in de prochie van Esschene gemeijnelijck geheeten “Den Boonhoff”, groot 4 ½ d, palend aan de goederen van Geerard Van Vaerenberghe, De Peelinckvijvers, de goederen van mijnheer Steenlant en aan de straat, met een grondcijns aan het Godshuis van Affligem. Alle de bomen, houtwas, en andere edifitiën waren in de koop begrepen. De koper was hun zoon Arnoult en zijn vrouw Joanna Maria Buvet en de koopprijs bedroeg 2 461 g 7 ½ st. De koop hield ook in dat aan Arnoult, als oudste (in leven zijnde) zoon na hun dood de vijvers genoemd het Hoff ter Heijden” en de “Carloije Vijver, zouden toekomen. Nu worden ze samen genoemd de Pelinkvijver, groot omtrent 10 d, palend aan de voorschreven hofstad. Als compensatie voor de andere 6 nog levende kinderen stelden Jan en Catharina hun testament op waarin ze bepaalden dat uiterlijk drie maanden na hun dood ieder 360 g zou ontvangen van Arnoult en zijn vrouw.

Na de dood van Jan en Catharina ontstond er een conflict met de kinderen van Arnoult enerzijds en Franchois, Joos Meert, de man Anna De Witte en Lucas Geerstman, de vader en voogd van zijn kinderen anderzijds. Volgens de akte van 4 mei 1652 moest Arnoult na de dood van zijn ouders 360 g aan elk van zijn broers en zussen. Maar Arnoult en zijn vrouw waren inmiddels ook overleden en hun kinderen betaalden niet. Op 15 september 1671 dienden Gillis, Jan en Franchois De Witte, Joos Meert, Anna De Witte en Catharina Geerstman een klacht in tegen de kinderen bij de schepenbank van Asse.

Fricx kaart van 1712: de Pelinkvijvers aan de Essenbeek.

Een grote hoeve

Op 17 maart 1668, na het overlijden van Catharina Van den Eeckhout maakte Joos Van Langenhove, een gezworen landmeter, een staat op hun de onroerende goederen:

1. Een land, gelegen op Den Moorter, groot 52 r, belast met een cijns

2. Een d gelegen op hetzelfde veld, cijnsgrond, 100 r

3. Een veld van 80 r, gelegen op hetzelfde veld, cijnsgrond, 80 r

4. Een veld gelegen op Den Foijst, groot 1 d, cijnsgrond, 100 r.

5. Op hetzelfde veld een perceel van 68 r cijnsgrond

6. Op hetzelfde veld 1 d 32 r, cijnsgrond

7. Een land gelegen op het Rommelveldt, groot 5 d 10 r

8. Een land op hetzelfde veld, groot 1 d 27 r, cijnsgrond

9. Een half b land gelegen op Den Montil, cijnsgrond

10. Een land gelegen op t Gulden Bunder, groot 2 d 50 r

11. Een land gelegen op ‘t zelfde veld, groot 1 d

12. Een land op ‘t zelfde veld, groot 1 d 68 r

13. Een onbehuisde hofstede genoemd Ten Biesen, groot 1 d 40 ½ r, cijnsgrond

14. Een land gelegen in Teralfene, groot 180 r

15. Een blok land gelegen in Sint-Kathelijne-Lombeek, groot met de maten van Essene 1 d 80 r

16. Den Quaeden Bruggen Lochtinck, groot 1 d 91 r, cijnsgrond

17. Een partij van het eussel waar het huis op staat, groot 1 b, cijnsgrond

18. Een ander partij in de Vijvereussel, groot 3 d 74 r, cijnsgrond

19. Nog een partij in dezelfde Vijvereussel, groot 6 d 74 r, cijnsgrond

20. Op Den Esschenen Elsch zowel land als wijde, groot 9 d 19 r.

Totaal 11 bunder 3 d 45 ½ r.

III Egidius, gedoopt op donderdag 5 februari 1626 en overleed voor 1671, griffier van Bodegem, Wemmel,  Kraainem en elders. Hij trouwde met Joanna Servranckx en hertrouwde na haar dood met Catharina Van IJsendijcke, dochter van Gaspar en Catharina de Villers. Catharina overleed voor 1706. Uit het eerste huwelijk werden twee kinderen geboren:

1 Maria Clara, trouwde met Jan de Fraie, haakmeester in het Zoniënwoud

2 Catharina Maria, trouwde met Frans Van Gindertaelen, lic. Rechten, schepen van Brussel, overleden voor 1713

Egidius wil de goedenisse doen.

Op 7 november 1671 compareerden voor notaris David De Smet meester Gillis De Witte,  Jan en Franchois De Witte, Joos Meert en zijn vrouw Anna De Witte als efrgenamen van hun ouders Jan en Catharina. Onder solemnelen eed verklaarden zij van geen andere effecten of schulden van het sterfhuis van wijlen hun ouders weet hebben dan wat in de onderstaande lijst was opgenomen. Uitzondering is gemaakt voor De Peerlinck Vijvers.

Gillis betaalde een aantal rekeningen en schulden van zijn ouders:

– Aan de heer Raad De Dongelberghe, viscomte de Sillebeke 379 g 3 st voor een lening die Joos Meert en zijn vrouw op 5 januari 1669 hadden aangegaan. De rente bedroeg 18 g 15 st en was  de voorbije 4 vier jaar niet betaald. 

– Aan de broederschap en de confrerie van het H. Sacrament in de parochiekerk van Sint- Niklaas te Brussel de som van 612 g 10 st voor een lening met een rente van 25 g die zijn vader Jan De Witte bij diens ouders had aangegaan op 25 februari 1645. De akte was verleden door notaris Arnoult De Witte.

– 75 g aan Joanna van Sinnicq, begijntje te Brusse,l voor een erfelijke rente van 18 g 15 st  waarvan de laatste 4 jaar de rente niet werd betaald.

– Aan de weduwe van wijlen Jaecques de Dongelberghe, visverkoper 12 g.

– Gillis betaalde nog 587 g 9 st voor niet gespecificeerde leningen en renten.

– Aan notaris De Smeth 85 g 7 ½ st.

Totaal van de betalingen: 1751 g  9 ½ st. Deze som moet verminderd worden met het bedrag dat pastoor Van Lint voor de Pelinkvijver betaalde.

– Een erfelijke rente van 50 g van een lening van 800 g. De akte van de lening werd verleden door de schepenbank van Affligem op 31 augustus 1665. Vijf jaar achterstallige rente met een korting van 33 g 8 st, blijft: 216 g  10 ½ st..

– Nog een erfelijke rente van 12 g 10 st van een lening van 200 g. De akte  werd verleden door de schepenen van Affligem eveneens op 31 augustus 1665. De rente werd al 9 jaar niet meer betaald, bleef te vergoeden: 112 g.

– Een derde erfelijke rente van 28 g 2 ½ st. De akte van de lening van 450 g dateert van 31 augustus 1665. De rente was al 8 jaar niet meer betaald, bleef over 225 g.

– Een andere erfelijke rente van 31 g 5 st van een lening van 500 g van 23 februari 1665. De achterstallige rente bedraagt 218 g 15 st.

– Gillis De Witte betaalde voor de goedenisse ende constitutiebrieve van die lening 9 g 6 st. – – Catharina Van Eeckhout ging zelf een lening aan van 450 g met een erfelijke rente van 28 g 2 ½ st. De akte van de lening opgesteld door de wethouders van Brussel op 15 december 1668 en werd belast met een onderpand op 5 d en 10 r land gelegen op het  Trommelvelt. De rente was al 4 jaar verlopen, het achterstal bedroeg 112 g 10 st.

– Een andere rente van 12 g 10 st komt van een lening van 200 g die Catharina aanging op van 16 april 1665. Noataris David De Smeth stelde de akte op. De achterstallige rente bedroeg 87 g  10 st.

Totaal van de schulden: 3582 g  2 ½ st.

– De kosten van de begrafenis: 831 g 12  1/2 st.

– Nog te betalen aan de timmerman en anderen: 167 g 6 ½ st..

 Totaal van alle schulden: 9154 g 0 St.

Gillis had nog met een ander probleem te kampen. Zijn schoonbroer Lucas Geerstman en zijn vrouw Maria hadden op 16 januari 1665 bij hem een lening van 120 g aangegaan met een jaarlijkse rente van 7 g 10 st. Als pand stelden ze hun eigen goederen voor en de toekomstige erfenis van Maria’s ouders, Jan De Witte en Catharina Van den Eeckhout, en van zijn eigen ouders Joos en Geertrui Van Langenhove. Maar Lucas maakte die belofte van de waarborg niet waar en Gillis trok naar de schepenbank met de vraag Lucas te verplichten om effectief voor de nodige waarborg te zorgen of om de lening, vermeerderd met de onbetaalde renten, terug te geven. Op 10 april 1674 veroordeelden de schepenen Lucas tot de verplichte waarborg of de teruggave van de lening en tot de betaling van de helft van de gerechtskosten. Maar er gebeurde niets en op 11 maart 1681 werd Lucas nog eens veroordeeld.

Lucas Geerstman, was een zoon van Judocus uit Meldert en Gertrudis Van Langenhove uit Baardegem. Zijn naam vonden we niet terug in de geboorteregisters van Baardegem, Meldert of Essene. Hij trouwde op 26 mei 1646 met Anna Van Vaerenbergh uit Essene. Anna overleed voor 1647 en Lucas  hertrouwde op dinsdag 15 oktober 1647 in Essene met Maria De Witte, Zij is gedoopt op maandag 20 november 1628 in Essene. Kinderen van Lucas en Maria in Essene gedoopt:

1- Catharina, gedoopt op maandag 16 november 1648

2- Adriana, gedoopt op woensdag 29 november 1651

3- Joanna, gedoopt op maandag 1 oktober 1657

4- Anna, gedoopt op maandag 8 augustus 1667.

Verkoop van de goederen van Jan De Witte en Catharina Van den Eeckhout.

Gesteund door zijn broers Jan en Franchois verkocht Gillis de goederen. Een eerste deel werd te Brussel verkocht. De eerste zitdag werd gehouden met de heere op des amptmans camere gestaen binnen deser stadt Brussel op vrijdag 26 februari 1672  Er werd niet geboden. De tweede zitdag op vrijdag 11 maart verliep zoals de eerste. Op de derde zitdag op 26 maart kwam een bod van  2 600 g. De vierde en laatste  zitdag op 8 april  verliep tumultueus. Er werd voortdurend geboden. Pas na het uitgaan van de vierde kaars werd de koop toegewezen aan David De Smeth die verklaarde dat hij optrad als koper voor een derde persoon. Het ging om 5 percelen.

– Twee d land gelegen op Den Montille palend aan sieur Charles Van Slachmolen, de  huisarmen van Essene, het Rode Klooster en Jan De Witte.

– Een stuk land van 75 r op Den Moortere, palend aan Jan De Maij, de huisarmen van Essene, het Godshuis van Affligem en de voetweg.

– Eén d gelegen op hetzelfde veld, palend aan Affligem, jonker Jan Besar, Guilliam Coppens  de voetweg naar Belle.

– Een huis met schuur, stallen, en andere edifitiën met weiden en dammen, geheten Den Conckel en Het vijvereusel,” groot omtrent 3 b.

– Een andere hofstede met ast, groot ½ b, palend aan de goeden van (onleesbaar), de kerklochting en de straat.

– Een andere lochting gelegen de woning, groot omtrent 1 ½ d, De Quaijbruggen Lochtinck genoemd, palend aan Jan De Witte en de straat.

– 5 d 10 r land met de vruchten erop, palend aan Het Ruijnincxveldeken, de straat, Steenland, de erfgenamen van Hendrick Wellens, het  Godshuis van Affligem en de erfgenamen van Franchois Wambacq.

Het was Gillis die de 5 percelen kocht, in het totaal 5 b 3 d 9 ½ r  voor 3 275 g. Hij diende echter nog de cijns, meestal met achterstel, te betalen. Aan de abdij 168 g 15 st, aan een heer Norderwijck voor Het Vijvereusel 49 g 10 st, aan de heer van Asse voor De Quadebruggen 13 g 15st. De verkoop bracht uiteindelijk 2 994 g 13 ½ st op.

Een tweede verkoop had te Essene plaats. De eerste zitdag werd gehouden op 5 april 1672 in aanwezigheid van vorster Hendrick Van Innichoven en de schepenen Joos Van Ginderachter, Guilliam ’t Kint, Gillis Breem, Merten Robijns en Nicolaes Meert. De tweede zitdag had plaats op 20 april 1672 ten overstaan van vorster Hendrick Van Innichoven en de schepenen Jan Van Der Slachmolen en Merten Robijns. De derde zitdag volgde op 2 mei 1672 met vorster Carel Steppe en de schepenen Jan Van Der Slachmolen en Nicolaes Meert. Waren ook aanwezig meester Gillis De Witte, Jan en Franchois De Witte, Joos Meert, man van Anna De Witte en meester David De Smeth. De vierde en laatste zitdag op 17 mei 1672 met de drossaard Crabeels en de schepenen Joos Van Ginderachter, Jan Van Der Slachmolen, Gillis Breem, Peeter Mortgat en Nicolaes Meert ten overstaan van meester Gillis De Witte, Jan en Franchois De Witte en meester David De Smeth als verkopers en griffier Van Mulders. De verkoop omvatte:

1. Een perceel gelegen op Den Moirte”, groot 80 r, palend aan Franchois Van Varenberghe,  de erfgenamen Wellens, mijnheer Besar en Adriaen Van Den Wijngaert, met een cijns aan de abdij, voor 80 g. Koper: Gillis De Witte.

2. Eén d gelegen op Den Foost, palend aan de straat, Joos Meert, Gillis De Ridder en de huisarmen van Essene;  met een grondcijns aan de abdij. Koper meester Michiel Wambacq voor 78 g.

3. Een stuk land op hetzelfde veld, groot 68 r, palend aan de erfgenamen Dondelbergh, Het Heijcken, mijnheer Besar, en meester Michiel Wambacq, met cijns aan de abdij,. Koper:  meester Michiel Wambacq voor 70 g.

4. Een stuk land, 1 d 32 r, gelegen op hetzelfde veld, palend aan Het Heijcken, het Godshuis van Affligem, Michiel Wambacq  en de erfgenamen Dondelbergh, met cijns aan Godshuis. Koper: meester Michiel Wambacq voor 120 g.

5. Een perceel van 1 d 27 r, gelegen op het  Rommelvelt, palend aan de erfgenamen Geeraert Camerman, Jan De Meij en Peter Van Langenhove, met cijns aan het Godshuis. Koper: meester Gillis De Witte voor 120 g.

6. Een half bunder gelegen op Den Montille, palend aan de straat, mijnheer Besar en Adriaen De Ridder, met dezelfde grondcijns aan ’t Godshuis. Koper: meester Michiel Wambacq voor 210 g

7. Een land, groot 3 d 50 r, gelegen op Het Gulden Bunder,  palend aan mijnheer Besar en de erfgenamen Bertel De Hertoge. Koper: meester Michiel Wambacq voor 460 g.

8. Eén d gelegen op hetzelfde veld, palend aan de erfgenamen Lucas Wambacq, mijnheer Besar, de erfgenamen Hendrick Wellens en Jan Coppens. Koper: meester Michiel Wambacq voor 110 g.

9. Een veld, groot 1 d en 80 r, gelegen in Teralfene, palend aan de erfgenamen Geeraert Eeckhout, Guilliam Gijsens en de abdij Affligem. Koper: meester Gillis De Witte voor 100 g.

10. Een perceel van 1 d 80 r, liggend rondom sijne heijmen in Sint- Kathelijne- Lombeek,  genoemd Den Esschene Winckel,  zonder de ast, palend aan de erfgenamen Andries Timmermans, Martinus Wambacq, de straat en Mertten Van Blijenbergh. Koper: meester Gillis De Witte voor 160 g.

11. Een stuk land, groot 2 b 1 d 19 r, gelegen op Den Esschene Elsch, palend aan de erfgenamen Franchois Van Hemelrijcx, Franchois De Bailliuw, Jaspar Camermans en  Michiel Cornelis, met grondcijns aan de abdij. Is nog in huur bij Adriaen Van Varenbergh  tot Sint-Andriesmis 1674. Daarvan zal de koper genieten 40 g per jaar. Koper: meester Gillis De Witte voor  850 g.

De verkoop van de Pelinkvijver.

De verkoop van Den Peerlinck Vijver bestond uit een weide, een elsbroek en de vijver, groot omtrent 10 d, palend aan De Montil, mijnheer Steenlant, Den Boonhof en de weduwe Gillis De Ridder. Het was deels een leenroerig goed onder het leenhof van de  heerlijkheid tot Asse en deels van de Souvereijnen Leenhove van Brabant[2]. De koper kon in het bezit van het goed komen met Kerstmis 1672. De huur die met Kerstmis werd betaald was nog voor de verkopers zoals dat ook het geval was met de vis van de vijvers. De eerste zitdag werd gehouden op 11 oktober 1672 ten overstaan van de drossaard Crabeels en de schepenen Guilliam ’t Kint, Jan Van Der Slachmolen, Peeter Moortgat, Steven Van Mulders, Michiel Cornelis, en Peter De Meersman. De tweede zitdag volgde op 25 oktober 1672 met  de vorster die de drossaard verving en de schepenen meester Guilliam ’t Kint, Jan Van Der Slachmolen, Peeter De Meersman en Michiel Cornelis. De derde en laatste zitdag viel op 8 november 1672. Waren aanwezig: vorster Hendrick Van Innichoven, de schepenen Guilliam ’t Kint, Michiel Cornelis, en Hendrick Van Onchem. Voor de verkopers tekenden meester Gillis De Witte, Jan en Franchois De Witte en Anna De Witte, de vrouw van Joos Meert. De koper was meester Gillis De Witte voor 1455 – 0 – 0.

Op  22 december 1672 boden Gillis De Witte en Mattheus Van Lint zich bij de griffie van het markizaat en de  vrijheid van het Land van Asse aan. Gillis verklaarde dat hij de koop van De Perelinck Vijvers had gedaan voor Matheus Van Lint, pastoor van de parochie van Essene die de koop aanvaardde. Op 5 januari 1673 gaven Gillis, Franchois en Jan als vertegenwoordigers van alle erfgenamen, hun advocaat David De Smet de opdracht om de verkoop te laten registreren door de Souvereijnen Leenhove van Brabant ende voor stadthouderen ende leenmannen van den leenhove van Assche samen met pastoor Mattheus Van Lint. De verkopen brachten de som op van 2709 g 7 ½ st. Maar notaris David De Smeth had 2794 g 15 st uitgegeven waardoor er een tekort was van 85 g 7 ½ st.

Op 6 januari 1673 schreef Gillis aan pastoor Van Lint[3] dat de verkoop van de Pelinkvijver volledig geregeld was en hij verzocht hem om de koopsom te betalen omdat hij het geld nodig had om de schulden van zijn ouders te betalen. Op 10 januari volgde een tweede brief. Had Van Lint vernomen dat sommige leden van de familie verzet boden tegen de verkoop van de Pelinkvijver? Gillis verzekert hem dat er van enig verzet geen sprake meer is.

Maar dat was duidelijk gelogen. Op 20 januari 1673 liet Joanna Maria, dochter van Arnoldus (Arnoult) en Joanna Maria Buvet (ook Binnet) bij notaris David De Smeth registreren dat zij afzag van haar erfenis van haar grootouders Jan De Witte en Catharina Van den Eeckhout. Zij werd gevolgd door haar broer Engelbertus, griffier van de heerlijkheden Kraainem, St.-Lambrechts- en St.-Pieters-Woluwe. Hij liet bij dezelfde notaris nog registreren dat hij afzag van zijn recht op de Peelinckvijvers. Gillis, die het geld zo snel mogelijk in handen wil hebben, reageerde op die tegenslag met een reeks brieven aan de pastoor. Diens antwoorden ontbreken in het dossier:

9 februari. Gillis wijst Van Lint erop dat, als hij voor 21 februari het resterend bedrag van de koopsom niet heeft voldaan, hij de rente waarmee het goed is belast, moet betalen. Hij verzoekt hem om, als iemand komt vragen of hij alles al heeft betaald, daarop positief te antwoorden.

18 februari. Gillis antwoordt op een brief van de pastoor die nog eenich achterdenken heeft over de verkoop. Mijn broers en ik, schrijft Gillis, hebben als afgevaardigden van de familie notaris De Smeth de opdracht tot de verkoop gegeven en dat volstond. Hij geeft zelfs zijn goederen in Essene gelegen als waarborg en hij nodigt de pastoor uit om met Pasen aanwezig te zijn als hij de schuldeisers vergoedt. Dan kan hij vaststellen dat er van al het geld niets aan hem toekomt. Gillis drukt ook zijn verwondering uit over het feit dat niemand van de paters hem over deze kwestie kwam spreken. Behoorde Van Lint tot een of andere orde?

-7 april. Een antwoord op de brief van Van Lint van 28 maart waarin hij liet verstaan Gillis niet te vertrouwen. Gillis bevestigt zijn voornemen om al zijn goederen in Essene gelegen als waarborg te geven en voegde er nog aan toe dat de lieden van het leenhof van Brabant eerdaags zullen komen en dat de vele kosten hiervan voor de pastoor zijn.

– 14 april. Gillis is verontwaardigd omdat Van Lint geen antwoorden geeft. Hij nodigt hem uit om de volgende maandag samen met hem voor de schepenen van de abdij te verschijnen om de waarborg te regelen zodat er een einde kan komen aan hun affaire.

– 2 mei. Gillis wil nog dezelfde week zijn geld en wijst er nog eens op dat de lieden van het leenhof van Brabant zullen komen wat grote onkosten meebrengt.

Op 2 juni liet Catharina Geerstman, dochter van Lucas en van wijlen Marie De Witte, notaris David De Smeth weten dat ook zij afzag van de erfenis van haar grootouders. Op 27 juni deed meesterEngelbert De Witte, griffier van de heerlijkheden van Kraainem,, Sint- Lambrechts- en Sint- Pieters-Woluwe, zoon van wijlen meester Arnoult De Witte en Johanna Maria Buvet, dezelfde aangifte.

In de clinch met pastoor Van Lint.

Gillis reageerde met een schrijven van 4 juli 1673 aan de wethouders van het markizaat en de vrijheid van Asse. Het sterfhuis van zijn ouders, Jan en Catharina, is belast met veel schulden en daarom heeft hij hun goederen, met toestemming van de wethouders verkocht. Een tweede reden was om de wezen van zijn zus Maria De Witte, getrouwd met Lucas Geerstman, te helpen. Het betrof Den Peerlinckvijvers, groot 10 d. De koper was Mattheus Van Lint, pastoor van Essene. Maar Joos Meert, man van zijn zus Anna, verzette zich tegen de verkoop omdat er meer schulden waren dan de verkoop kon opbrengen. Om dezelfde reden had ook Lucas Geerstman zich tegen de verkoop verzet, hoewel hij eerst akkoord ging. Zijn dochter Catharina Geerstman volhardde na de dood van haar vader in het verzet. Gillis verzocht daarom de schepenen om hem de procuratie te geven om de erfenis voort af te handelen. Enkele dagen later diende hij een klacht in tegen de pastoor omdat hij nog 700 g van de koopsom moest betalen.

In een uitgebreid verweer erkende Van Lint de aankoop van de Pelinkvijver. Bij die aankoop was bepaald dat de verkoper en de koper elkaar binnen de 14 dagen moesten voldoen. Gillis moest hem de vereiste akte bezorgen en hij zou betalen. Maar Gillis kon hem die akte niet bezorgen en hij betaalde slechts een deel van de koopsom. Hij twijfelt  eraan of Gillis wel het recht had om het goed te verkopen. Zo was Catharina, de dochter van Lucas Geerstman en  Maria De Witte, nog geen 28 maar slechts 25 jaar en dan mocht er niets van haar erfenis  worden verkocht zonder 4 getuigen en dat is niet gebeurd. Bovendien bleven de vrouw van zijn broer Franchois en de meid van zijn broer Jan gras maaien op de Pelinkvijver zodat het goed zich niet meer in de originele toestand bevond.

In een replycke van 168 artikels herhaalde Gillis al zijn argumenten en weerlegde hij alle opmerkingen van Van Lint. De kern van zijn betoog was dat hij wel degelijk de procuratie had om de goedenisse van zijn ouders te doen en als Van Lint de volle koopsom betaalt, dan zal hij ook de wettelijke documenten krijgen.

De weerstand van de familie tegen het optreden van Gillis in de erfenis breidde uit. Op 5 augustus ondertekenden Joos Meert en Anna De Witte een document waarin ze stelden dat ze nooit aan Gillis de opdracht hadden gegeven om hun part in de erfenis van de Pelinkvijver en het daaraan gelegen leenroerig goed van het leenhof van Brabant en van  heer tot Asse te verkopen. Zij verzetten zich tegen die verkoop en hadden er de voorkeur aan gegeven dat er andere goeden van hun ouders werden verkocht om de schulden te betalen. Zij ontkennen dat de pastoor van Essene hen zou hebben aangezet om enige bomen of ander hout op de Peirlinck Vijvers of de dammen te kappen. Ze deden dat uit eigen wil om met de  opbrengst de weduwe de la Mars, die was opgelicht door hun ouders, te betalen. Ook om hen uit de nood te helpen want anders moesten ze leven van de tafel van de H. Geest tot groot schandaal van de familie. 

In zijn schrijven van 29 augustus stelt Gillis dat Van Lint een leugenaar is. Hij wil dat de pastoor een verklaring ondertekent dat hij te goeder trouw handelt en dat hij onder eed ontkent dat hij familieleden heeft aangezet om op het verkochte goed bomen te kappen of gras te maaien.

Het laatste document dateert van 5 oktober 1673. Van Lint bevestigt daarin zijn goede trouw en ontkent dat hij heeft aangezet om de bomen te kappen of het gras te maaien. Hij kondigt  aan dat hij zijn aankoop aan anderen wil overlaten op voorwaarde dat hij zijn geld met intrest terug krijgt.

Epiloog.

Op 8 juni 1739 werden de Pelinkvijvers opnieuw afgepaald in aanwezigheid van Joannes Emmanuel Loovens, hoofddrossaard van het Land en Markizaat van Asse, Petrus Van Den Bossche, Gillis Meert, en Joannes Baptista Lahoese, schepenen. Het document was ondertekend door Petrus Van Den Bossche, Gillis Meert, en Joannes Baptista Lahoese. De afpaling gebeurde op verzoek van de paters Live Vrouwenbroeders van het clooster Ter Muijlen. Er werden een aantal houten en stenen palen geplaatst op de scheiding met andere eigenaars:

– Op de scheiding met het goed van N. Van Steenlant. Als de beek die langs de berm op het goed van Van Steenlant loopt, wordt geruimd dan moet de aarde op het goed van Van Steenlant worden gestort. Van Steenlant merkte op dat de paters teveel van zijn grond innamen. Hun bomen moeten binnen het jaar worden verwijderd.


[1] B. VERMOESEN, Een rijke geschiedenis, in: De kracht van water de Bellemolen, 2020, 16.

[2] Een leenhof was bevoegd voor de registratie van transacties en de regeling van conflicten over ‘leengoederen’. Het ging dan meestal om onroerend goed (gronden, kastelen), maar ook om rechten die tot inkomsten konden leiden, zoals tollen, jacht- en visrechten, verplichtingen van jaarlijkse leveringen… Die leengoederen waren in het feodale systeem in de loop der eeuwen ‘in leen gegeven’ door een ‘leenheer’ (meestal de vorst) aan ‘leenmannen’. Een leenman was wel de eigenaar van het leengoed en kon het verkopen of doorgeven aan zijn erfgenamen, maar bij die transacties moest de nieuwe leenman een belasting betalen aan de leenheer (in dit geval de vorst), en ‘leenhulde’ doen. Traditioneel ging dit gepaard met een ceremonie waarin de leenman blootshoofds zijn handen in die van de leenheer legde en een eed van trouw aflegde. Maar zeker vanaf het midden van de 18e eeuw was dit voornamelijk een administratieve handeling. In een leenhof werden die transacties en leenhulden geregistreerd.  Het Leenhof van Brabant was tijdens het ancien regime het hoogste ‘registratiekantoor’ en de hoogste rechtbank van het hertogdom Brabant en de Landen van Overmaas voor zogenaamde ‘leengoederen’. Het Leenhof was ook bevoegd voor rechtszaken over deze leengoederen (ook al gebeurde dit in de loop van de 17e en 18e eeuw steeds vaker door de Raad van Brabant). Het Leenhof was tevens een beroepsrechtbank voor alle lagere leenhoven in het hertogdom Brabant. Bron:Wikipedia.

[3] Mattheus Van Lint was al pastoor te Essene in 1641. In een van zijn brieven spreekt Gillis hem aan als “Eerwaarde Pater”.

Het verhaal van “De Valk”.

De naam van de hoeve De Valck is nauw verbonden met de familie Schoon die de hofstede ruim twee eeuwen bewoonde. Ze bevindt zich in de Langestraat nr. 207 te Hekelgem. Aan de straatkant is er niets meer van de oude geschiedenis te zien want die gevel vernieuwd. Aan de achterkant evenwel zijn er nog gevels opgetrokken met oude Spaanse baksteen en oude, met zandsteen omlijste vensters waarvan sommige zijn dichtgemetseld (zie foto). In het huis bevinden zich nog twee gewelfde kelders, in een ervan is een waterput. In het begin van de jaren 50 van vorige eeuw waren er nog drie oude Vlaamse schouwen in zandsteen en een brede statige trap met een mooie leuning. Dr. Jozef Wijns, toen conservator van Bokrijk, kocht er twee schouwen. Hij vertelt daarover in zijn boek “Het verhaal van ons huis”.

Achtergevel van De Valck. Foto Edmond Schoon.

Toen Jozef Wijns eens met dom Reinerius Podevijn van de abdij op stap was, trok een voorname woning in de Dorpsstraat (nu Langestraat) zijn aandacht. De ankers van de gevel boven de poort vormden het jaartal 1650. Nieuwsgierig als hij was, opende hij de poort en zag er naast het voeder voor de koeien dikke eiken prachtig gedraaide trapbaluster liggen. Hij vermoedde dat er nog meer prachtige dingen te vinden waren en liet dom Reinerius de inwoners beloven niets weg te doen tot zijn terugkomst. Daar het hele binnenhuis was uitgebroken en vernieuwd, kwam dr. Wijns nog meerdere keren terug. Hij kon er vier balusters, koper, tin, moortjes, een mortier en nog wat klein gerief en vooral twee witstenen schouwen kopen. De schouwen plaatste hij in een kamer en de keuken van zijn nieuw huis. Dr. Wijns bestempelde ze als “voorname” stukken waaraan ooit de schepenen van de abdij en misschien ook de abt als bezoekers hebben plaats genomen.

Over de geschiedenis van deze merkwaardige hoeve en haar bewoners gaat deze bijdrage.

Een later schrijven van Dr. Weijns als dank.

Jan Van Nuffel.

De oudste vermelding van De Valk vinden we in een akte van 27 juli 1679. Jan Van Nuffel, de rentmeester van de abdij, kocht toen voor 1 500 g een gemetst huijs ende hoffstede mette mauterije, schuren, stallen, ast en andere edificiën daerop staende, soo ende gelijck ’t selve gestaen ende gelegen is onder de prochie van Hekelgem bij het clooster van Affligem mitsgaders den meersch daeraen gelegen ende tot dijen den hoplochtinck achter insgelijck gelegen, tsamen groot een bunder twee dachwanden LXIX roeden (2 ha 10 a 32 ca), palende voor tegen tsheeren straete, ter tweedere sijn selffs goet ende d’ erffgenaemen Lemmens, ter derdere Guilliam Cornelis ende Jan Verhoeven, ter vierdere in twee sijden Affligem goet, ter vijffdere Lucas Crick ende de weduwe Janssens, alleenlijck belast metten heerlijcken grontchijns daerop uijtgaende aen den Godtshuijse van Affligem ende eenen pot wijn aen de kercke van Hekelgem.

De verkopers waren de kanunniken van de O.-L.-Vrouwkathedraal te Antwerpen: Carolus Joannes De Sourneau, aartsdiaken; Pauwels Van Halmale, aartspriester en officiaal; Carolus Comperus en Anthonius Hoeffslach. Zij waren de provisors van een fundatie voor 12 arme priesters en het geld van de verkoop, 1500 g, was bestemd voor het onderhoud van die priesters. Drie jaar eerder had Ambrosius Capello (1597 – 1676), bisschop van Antwerpen, op 24 maart 1675 die fundatie gesticht. De stichtingsakte werd verleden door notaris Guilielmo De Hase. Volgens de Affligemse schepenen Adriaan Van Nuffel en Jan De Witte was de hofstede door haar goede ligging en deuchtsaemheijt 7 000 g waard. Jan Van Nuffel betaalde voor de hofstede die bekend werd onder de naam “De Valck”. De eerste 6 opeenvolgende jaren moest hij jaarlijks 93 g 15 st betalen en daarna 52 g 10 st wat overeenkwam met een rente van 3,5%. Wanneer de rente uiterlijk 2 maanden na de betaaldag niet was vereffend, konden de provisors comen ende slaen handt aen de voorschreven panden.

Jan Van Nuffel was een zoon van Adriaan en Jacoba Robijns. Adriaan was afkomstig van Wieze en werd bos- en rentmeester en ook schepen van de abdij. Hij trouwde met Jacoba op 31 oktober 1625 in de Sint-Kathelijnekerk te Brussel. Zij hadden vier kinderen te Hekelgem gedoopt[1]:

1 Franciscus, gedoopt op 12 augustus 1630. Hij trad in 1652 te Affligem in 1652 en kreeg als kloosternaam Vedastus. In 1659 werd hij priester gewijd. Dom Vedastus was een briljant latinist en bracht het tot prior, novicemeester en proost. Te Brussel kopieerde hij de charters van de abdij die in het aartsbisschoppelijk paleis werden bewaard.

2 Joannes, gedoopt op 18 maart 1633. Joannes werd zoals zijn vader bosmeester. Hij was ook griffier, stadhouder en ontvanger van het leenhof en ontvanger van het kwartier Mechelen. Hij trouwde met Ursula Van Aken en woonde eerst op het dorp te Meldert. Na zijn dood ontdekte men een tekort op zijn rekeningen en de abdij sloeg zijn goederen aan. Was dat een gevolg van de aankoop van De Valck?

3 Martinus, gedoopt op 21 januari 1635. Hij legde op 5 mei 1658 de geloften af in de cisterciënzerabdij Sint-Bernard-aan-de- Schelde.

4 Judocus trouwde te Hekelgem op 18 november 1675 met Catharina Robijns, geboren te Meldert op 21 juni 1646. Het gezin woonde te Meldert. Judocus overleed op 8 februari 1763 en werd in de kerk van Meldert begraven.

Jacobus De Witte.

Jacobus De Witte, griffier van de abdij, verwierf De Valck op 17 februari 1708. Eigenlijk kocht zijn schoonvader, Michiel Clauwaert, die de hoogsten en lesten verdierdere metten vuijtganck van de berrerder keersse is gebleven, de volledige hofstede voor zijn schoonzoon Jacobus en zijn dochter Joanna Maria. De Affligemse meier Guilliam De Baetselier stelde de akte op in aanwezigheid van de schepenen Peter Van Langenhove en Andries De Witte. De grondcijns bedroeg toen 5 g 5 st ½ mijt, 26 ½ hennen en een kapoen voor de abdij en een pot wijn voor de Kerk van Hekelgem. Na het overlijden van Jacobus werd op 3 november 1751 de inventaris van het sterfhuis opgemaakt. De Valck werd dan als volgt beschreven: sekere hofstede mette steenen huijse, mouterije met de weijde, hof, bogaert ende block, groot int geheel 6 dagwanden 69 roeden, vercreghen bij decrete tegens de proviseurs der fondatie van Capello volgens brieve gepasseert voor schepenen van Afflighem in dathe 17de september 1708.

Jacobus trouwde te Hekelgem op 19 januari 1707 met Joanna Maria Clauwaert, dochter van Michiel en Anna Buggenhout. Voor dat huwelijk kreeg het paar dispensatie wegens bloedverwantschap in de vierde graad. Jacobus overleed in De Valck op 8 mei 1750 en zijn vrouw op 31 december 1751. Ze kregen 9 kinderen, te Hekelgem gedoopt:

1 Adriana, gedoopt op 22 oktober 1707, religieuze in Ten Rozen.

2 Joannes Baptist, gedoopt op 11 oktober 1708. Zijn dooppeter was zijn oom E.H. Jan De Witte. Hij overleed te Hekelgem op 20 november 1785. Hij trouwde met Theresia Meert  te Hekelgem op 20 mei 1747. Hij volgde zijn vader op als griffier van Affligem. Hun zoon Benedictus Emmanuel werd de laatste griffier van de abdij. Het is in zijn huis, ’t Griffiershof, dat de laatste proost Beda Regaus onderdak vond na de verdrijving van de monniken door de Franse overheid.

3 Jacobus, gedoopt op 26 augustus 1710.

4 Anna Maria, gedoopt op 4 juni 1712, trouwde met Martinus Van Vaerenbergh.

5 Benedictus, gedoopt op 21 maart 1714, zijn dooppeter was dom Odo De Craecker, proost van de abdij en zijn doopmeter domna Gertrudis Vinck, abdis. Hij werd priester gewijd ca 1739. Onderpastoor te Asse tot 30 juli 1787.

6 Joanna Petronella, gedoopt op 8 maart 1716, trouwde te Hekelgem op 23 oktober 1751 met Petrus Emmanuel Schoon. Voor de trouw verkreeg het paar dispensatie voor de drie roepen. Pastoor De Cuyper deed de huwelijksviering in de kapel van het Magdalenaklooster te Brussel. Joanna overleed te Hekelgem op 19 november 1787, Petrus op 22 augustus 1778. Hun zoon Benedictus trouwde met Van Lierde Anna Francisca.

7 Bernardus Hiëronymus, gedoopt op 26 januari 1718 door dom Hiëronymus De Wolf, syndicus van de abdij.

8 Maria Theresia, gedoopt op 2 mei 1719.

9 Anna Catharina, gedoopt op 19 augustus 1723.

Jacobus was een welvarend man. Hij kon zijn bezittingen aan onroerende goederen, landbouwgrond, bos, hopveld en 2 hofsteden uitbreiden tot ca 11 ha. Hij stond voor een bedrag van 4 092 gulden leningen toe aan 14 verschillende personen. De lange lijst van de verkoop van zijn roerende goederen op 19 januari 1752 toont ook zijn welstand. Opvallend daarin een staande horloge, 12 Spaanse lederen stoelen en twee schilderijen. Zijn volledige eigendom was een slordige 32 000 gulden waard, of 800 maal het gemiddelde jaarloon van een knecht van de abdij.

Als een van de weinige paardenboeren te Hekelgem, hij had twee paarden, voerde hij bepaalde taken in opdracht van de gemeente uit. Zo leverde hij hooi aan de geallieerden te Vilvoorde in 1745 en ontving daarvoor 17 g 10 st en nog eens 16 g 13 st voor wagen- vrachten, levering van brood en pottagie en voor het logement van huzaren.

De grafsteen van Jacobus ligt naast de kerk van Hekelgem, achter het monument. Hetzelfde familiewapen komt voor op een schilderij in het Brussels Museum voor Oude Kunst. Het is een XVde eeuws Brugs retabel met als schenker Jan De Witte.

Petrus Emmanuel Schoon.

Petrus Emmanuel Schoon, gedoopt te Hekelgem op 25 december 1712 trouwde op 23 oktober 1751 met Joanna Petronella De Witte in het Magdalenaklooster te Brussel. Petrus was de zoon van Cornelius en Judoca Pauwels. Joanna Petronella werd te Hekelgem gedoopt op 8 maart 1716 als dochter van Jacobus en Joanna Maria Clauwaert. Petrus overleed te Hekelgem op 22 augustus 1778 en Joanna op 19 november 1787. Zij hadden een zoon: Benedictus, gedoopt op 26 augustus 1752.

Na de verdeling van de nalatenschap van Jacobus De Witte volgde op 17 februari 1752 een ruil van de kavel van Joanna, de vrouw van Petrus Schoon met de kavel van Anna Maria, de vrouw van Martinus Van Vaerenbergh. Daarmee kwam De Valck in het bezit van Petrus en Joanna. De hofstede De Valck omvatte toen:

1 Een stenen huis, schuur, stallen, waterput en edificiën, groot 33 a 32,4 ca, belast met een grondcijns aan de abdij, waarde 5 660 g 19 ¾ st,  bomen en houtwas geschat op 62 g. Er is geen sprake meer van een mouterij.

 2 Een meers van 86 a 14 ca, belast met een grondcijns aan de abdij, met een geschatte waarde van 1429 g 11 ¼ st, bomen en houtwas voor 190 g 14 st.

3 Het Blok, palende aan de straat en de voetweg, 90 a 85 ca, belast met een grondcijns aan de abdij, 860 g 18 st, bomen en houtwas 114 g 2 st.

4 Een hopveld, palend aan de straat en aan voorgaande, belast met een grondcijns aan de abdij, 475 g7 ¼ st, bomen en houtwas 37 g 3 st.

De hele kavel was 8 830 g 15 st 1 o waard.

In 1752 wordt Petrus vermeld als livreiknecht van de proost van de abdij en kreeg daarvoor als vergoeding 45 gulden. Na zijn huwelijk werd hij schepen van de schepenbank van Affligem en bedesetter van Hekelgem, maar die aanstelling ging niet van een leien dakje. Beda Regaus schreef daarover[2]:

Af en toe hebben sommigen staande gehouden dat onze schepenen niet de functie van bedesetter moeten of kunnen op zich nemen; dienaangaande gebeurde in het jaar 1768 dat de officier van Asse, gezonden door de drossaard op 4 februari bij onze proost kwam om hem te vragen of hij er zich tegen zou verzetten indien Petrus Schoon, onze schepen, als bedesetter zou aangesteld worden (hij had de geheime opdracht in geval dat er verzet zou rijzen af te zien van het gevraagde) aan wie de proost antwoordt dat hij er zich tegen zou verzetten daar beide functies niet voldoende met elkaar te verzoenen zijn, maar weinige dagen later komt Petrus Schoon naar de proost die eerst geweigerd had opdat hij erin zou toestemmen, waarin de proost na overweging en na de raad van anderen te hebben ingewonnen toestemde.

Petrus en Joanna boerden goed want op 2 mei 1769 kochten ze een perceel op de Molenkouter, groot 1 d 7 r voor 440 g 6 st. De verkopers waren Anna Maria De Witte, zus van Joanna en haar man Martinus Van Vaerenbergh. Het land was en deel van de erfenis van de ouders, Jacobus De Witte en Joanna Maria Clauwaert. Jan De Witte, de griffier van de abdij stelde, in afwezigheid van meier Hendrik T’Sas de akte op. Louis Van den Bossche en Hendrik Van Zeebroeck tekenden als schepenen.

In 1771 ontving Petrus 10 g 2 st 2 o over sijne gedaene devoiren als bedesetter deser parochie.

Een akte verleden door notaris M. Van Itterbeke op 20 juli 1767 ging over de verkoop van een hofstede met huijse, schuere, stallinghen ende alle andere edificiën, groot een dagwant drijenseventigh roeden geleghen onder prochie van Hekelgem, gemenelijck genoemt Den Valck. Jan Baptist De Smedt kocht die hoeve van Maria Anna Crick. Merkwaardig is dat het niet over de hoeve van Petrus Schoon ging want de hofstede grensde aan de Langestraat en de Nieuwstraat (nu Boekhoutstraat) en dus praktisch rechtover de “oude” Valck lag. Een vergissing? Had de benaming “De Valck” te maken met het beroep van valkenaar, de beambte belast met de zorg over de voor de jacht afgerichte valken?[3] Een weinig waarschijnlijke hypothese. De omliggende bossen waren in het bezit van de abdij en of ze een valkenaar in dienst had en over jachtpartijen met valken is (tot hiertoe) niets geweten. Een andere mogelijke verklaring is dat De Valck een uithangbord was van een herberg. Veel benamingen van uithangborden hadden diernamen zoals De Wolf, De Beer enz. en verwezen naar het aldaar beoefende beroep. Vermits er een mouterij was, kan er ook een herberg geweest zijn. Verhuisde die naar de overkant wanneer de mouterij stopte? De ligging voor een herberg was ideaal. De Langestraat was in de late middeleeuwen en tot de aanleg van de huidige steenweg in 1704 een belangrijkere verbindingsweg tussen Aalst en Brussel dan de oude heerbaan. Er waren niet alleen talrijke passanten er was ook een bonte bedrijvigheid aan de Voorpoort van de abdij, wat verderop gelegen. Op hoogdagen, bij processies, bedevaarten, begrafenissen van monniken, tijdens de broodbedelingen aan de Voorpoort liep er heel wat volk heen en weer.

Benedictus Schoon.

Als enige zoon van Petrus en Joanna De Witte erfde Benedictus de hoeve De Valck. Hij trouwde met Anna Francisca Van Lierde te Hekelgem op 11 juli 1780. Zij was de dochter van de welstellende molenaar Josephus Van Lierde en Joanna Catharina De Kegel en werd te Hekelgem gedoopt op 7 mei 1756. Benedictus overleed op 19 maart 1808 en Anna Francisca op 13 september 1797. In het gezin werden 12 kinderen geboren en te Hekelgem gedoopt:

1- Joanna Maria, gedoopt op 3 mei 1781, trouwde te Hekelgem met Benedictus Vertonghen op 26 oktober 1807, overleden te Hekelgem op 13 april 1831.

2- Benedictus, gedoopt op 20 oktober 1782, overleden op 28 december 1854

3- Joannes Franciscus, gedoopt op 3 januari 1784, zie verder.

4- Joanna Benedicta, gedoopt op 20 oktober 1785, trouwde te Hekelgem op 18 februari 1835 met Joannes Bosmans en overleed te Moorsel op 26 februari 1852.

5- Joannes Baptist, gedoopt op 28 februari 1787, trouwde te Hekelgem 21 november 1850 met Rosalia Cobbaert, geboren te Denderleeuw en overleed te Hekelgem op 31 juli 1856.

6- Petrus Joannes, gedoopt op 7 juni 1788, overleed te Hekelgem op 7 juni 1788.

7- Joannes Hubertus, gedoopt op 3 november 1789, trouwde te Hekelgem op 29 mei 1822 met Judoca Carolina Plas en overleed aldaar  op 13 februari 1863. Hij hielp op de oude molen bij zijn oom Petrus Van Lierde en zijn tante Carolina Plas. Na de dood van Petrus trouwde Joannes met de weduwe Carolina en ze kregen nog twee kinderen: Amelia en Joanna Schoon. In 1835 werd hij tot schepen verkozen.

8- Catharina Jacoba, gedoopt op 8 juli 1791, trouwde te Hekelgem op 13 mei 1818 Joannes Baptist Vanderbeken uit Erwetegem.

9- Maria Francisca, gedoopt op 16 december 1792 en begraven te Hekelgem op 2 juni 1798.

10- Maria Theresia, gedoopt op 19 april 1794, huwde te Hekelgem op 22 april 1817 met Egidius Clauwaert, te Hekelgem begraven op 25 december 1874.

11- Emmanuel, gedoopt op 7 februari 1796 en overleden te Hekelgem op 25 april 1869.

12- Petronella, gedoopt op 27 augustus 1797 en te Hekelgem overleden op 29 augustus 1798.

Benedictus, hoewel een welstellende boer, werd niet door het leven gespaard. Hij was 45 jaar toen zijn vrouw op 41-jarige leeftijd stierf, twee weken na de geboorte van Petronella. Zijn oudste kind was 16 jaar. Toen Benedictus overleed in 1808 op 55-jarige leeftijd liet hij een gezin achter waarvan een dochter was getrouwd, vier kinderen al waren gestorven en nog zeven in het ouderlijk huis verbleven. Wellicht werden de jongste kinderen in de familie opgevangen Joannes Hubertus die bij zoon oom Petrus Van Lierde verbleef.

Uit het gemeentelijk overlijdensregister:

Benedictus geeft de dood van zijn dochter Petronella aan.

Op 26 november 1779 ontving Benedictus 6 gulden van de schepenbank van Hekelgem als vergoeding voor een transport van drie dagen met twee paarden naar Genappe met de bagagie van hare majesteijts trouppen in de maend van juni lestleden”.

In 1780 vinden we zijn naam terug in een onderzoek van de bedesetters voor het aanstellen van een “rontgast” voor de bewaking van de gewassen te Hekelgem. Hij had toen Hendrik Wambacq als knecht.

 In het Zettingboek van de 20ste penning te Hekelgem van 24 december 1783 werd Hij belast op 8 b 61 r land (10 ha 21 a 81 ca) en betaalde hiervoor 32 g 1st 2 o.

In het register van 1796 van de Franse administratie pachtte hij van de abdij 5 ha 64 a land, het Asserenbos met een oppervlakte van 23 ha 81 a 42 ca en de Cambergvijver die hij waarschijnlijk niet als visvijver gebruikte, maar na de leegloop als natte weide. Het bos pachtte hij voor het onderhout dat in een negenjarige cyclus gehakt werd en verwerkt tot mutsaards voor het stoken van ovens en voor verwarming. Gezien de grootte van het bos zal hij een deel van het onderhout hebben verkocht. De verkoop van de gepachte percelen op 17 januari 1799 te Brussel bracht 2 000 fr. op.

Voor de “Gedwongen Lening” (Emprunt forcée) van de Fransen werd zijn jaarlijks inkomen geschat op 2 650 gulden. Hij werd ingedeeld in rang 12 en diende 900 pond te lenen aan de Franse overheid. Later werd het bedrag teruggebracht tot 600 pond.

Na de uitdrijving van de monniken door de Franse revolutionairen op 11 november 1796 gingen meerdere monniken bij hun schepen Benedictus ontbijten alvorens naar het kasteel Overham te gaan.

Tijdens het neerslaan van  de opstand van baron de Meer aan de abdij op 3 januari 1797 kreeg Pieter Colson, die niet tot de opstandelingen behoorde, een schot in de buik. Hij sleepte zich met veel moeite tot aan De Valck waar hij totaal uitgeput in de schuur neerzonk. Joanna Beneddicta, 12 jaar oud, vond hem daar. Ze meende eerst dat het haar vader was.

Tweemaal ging Benedictus een lening aan. Op 27 oktober 1800 leende hij 400 gulden van Carolus Marckx en Anna Francisca De Troch uit Aalst. Op 28 mei 1796 had hij met zijn vrouw al een lening bij Marckx aangegaan die nu werd afbetaald met een nieuwe lening. Zijn schoonvader Jan Francis Van Lierde, pachter en molder, stelde zich borg. Eenjaar voor zijn dood, op 19 mei 1807, leende hij van Isabelle De Valck, servante te Brussel, 400 gulden. Was dat om het huwelijk van zijn dochter Joanna Maria te bekostigen die op 28 oktober dat jaar zou trouwen? Als pand gaf hij land en bos van 90 a op Het Blok aan de Langestraat gelegen.

Ferrariskaart ca 1770. De Valck is de hofstede in u-vorm aan de Langestraat en rechtover de (huidige) Boekhoutstraat. Achter de gebouwen ligt een groentetuin en rechts een boomgaard. Achter en rechts van De Valck drie vijvers van de abdij.

Joannes Franciscus Schoon.

Na de dood van zijn vader moest Joannes, samen met zijn broer Benedictus de zorg dragen voor de zes andere kinderen en de zaak draaiende houden. Joannes, gedoopt te Hekelgem op 13 januari 1784, overleed er op 10 februari 1869. Hij trouwde een eerste maal te Hekelgem op 24 oktober 1821 met Maria Judoca Schollaert, gedoopt te Welle op 22 december 1785 en overleden te Hekelgem op 12 april 1824. Zij was een dochter van Adrianus en Maria Van der Heyden. Joannes hertrouwde  op 20 oktober 1830 te Hekelgem met Anna Maria Van der Straeten, gedoopt te Essene op 14 februari 1803 en overleden na 1872, dochter van Michael Remigius en Maria Catharina Van Brempt.

Uit het eerste huwelijk werd Maria Joanna te Hekelgem geboren op 14 januari 1823. Zij trouwde te Welle op 25 augustus 1845 met Franciscus Van de Velde.

De kinderen uit het tweede huwelijk te Hekelgem geboren:

1- Joanna Maria, geboren op 28 september 1830 en overleden na 1872.

2- Jan Baptist, geboren 23 oktober 1832, huwde te Hekelgem op 23 april 1872 met Henrica De Wever, geboren te Hekelgem op 11 oktober 1842 en aldaar overleden op 24 september 1876. Zij was de dochter van Jan Baptist en Theresia Verbeiren.

3- Jan Hubert, zie verder.

4- Schoon, levenloze zoon, geboren op 28 augustus 1822.

Het grote landbouwbedrijf van Benedictus werd verkaveld onder de 9 nog levende kinderen van Benedictus. Joannes Franciscus erfde op 24 mei 1818 De Valck. Die hoeve was na de verkaveling nog 33 a 31 ca groot en werd getaxeerd op 2 539 fr. 38 ct., de bomen, houtwas en de mest op 132 fr. 6 ct. Volgens het kadaster van 1833 was hij eigenaar van een huis en land met een oppervlakte van 69 a 30 ca.

Hij was op 1 maart 1813 medestichter van de Koninklijke Harmonie Sinte Cecilia[4]. In juni 1841 verkocht hij een half dagwand gerst aan veldwachter Frans Van Vaerenbergh voor 21 guldens 10 stuivers en een jaar later nog een half dagwand hooi voor 22 guldens[5].

Jan Hubert.

Jan Hubert kocht De Valck op 17 mei 1871, tijdens de tweede openbare verkoopdag in de herberg van Jan Baptist Bellemans. De aankoop omvatte een hofstede met huis, schuur, stallingen en verdere gebouwen, groot 34 a 12 ca, de losbaan ten oosten ervan inbegrepen. De Valck paalde toen noord aan Eugène Reyntjes, oost aan Paulina De Witte, zuid aan de Langestraat of Kloosterstraat en west aan de vrouw van Joannes Baptista Callebaut.

Jan waszoals zijn vader lid van de Koninklijke Harmonie Sinte Cecilia. Maar toen er in 1892 tweedracht ontstond, koos hij voor Petrus Roseleth die de fanfare “De Katholieke Gilde” oprichtte. In 19303 werd hij na de verkiezingen lid van de gemeenteraad.

De Valck op de Poppkaart (ca 1860). De Boekoutstraat ligt niet meer tegenover de hoeve. De gebouwen staan niet meer in u-vorm maar in een vierkant.

Jan Hubert, geboren te Hekelgem op 14 februari 1843 overleed er op 4 april 1930. Hij trouwde te Hekelgem op 30 april 1872 met Catharina Honorina Merckx, geboren te Hekelgem op 30 oktober 1845 en er overleden op 29 mei 1914. Zij was de dochter van Petrus Joannes en Gudula Constantina Vasseur.

Zij kregen 6 kinderen te Hekelgem geboren:

1- Benedictus Robert, geboren op 12 maart en overleden te Hekelgem op 17 februari 1899. Hij was ook lid van de fanfare en van de toneelkring “De Vlaamsche Vrienden”. Daar ze niet over een lokaal beschikten repeteerden ze op een hopkar in De Valck. Na een repetitie begeleidde Robert hun leider Henri Roseleth naar huis. Toen hij via de Boekhoutstraat terugkeerde, werd hij daar aangevallen door een trio van de tegenpartij. Hij overleed een tijd later aan de gevolgen van zijn verwondingen.

2- Johanna Josephina, geboren op 18 augustus 1874 en overleden op 30 december 1964.

3- Theresia, geboren op 25 september 1875 en overleden 17 september 1797.

4- Jan Edmond, zie verder.

5- Jeannete-Emma, geboren op 13 december 1878 en overleden op 6 juli 1953. Jeannette was huishoudster bij de heer D’ Hoe in de Kerkstraat te Hekelgem. Op 22 juni 1953 schreef zij eigenhandig haar testament.

1- Zij wenste een lijkdienst om 10 u. en begraven te worden op de familiegrond van haar ouders met een grafsteen.

2- Kort na haar overlijden moet er een  dienst in de abdijkerk gecelebreerd worden om 9u30 en een gregoriaans dertigste tot lafenis van haar ziel in de abdijkerk.

3- Aan het sterfhuis moet een rouwkapel geplaatst worden en er moeten doodsbrieven worden gedrukt zoals het past bij een lijkdienst van 10 U.

4- Zij schonk aan haar zus Hendrika Frederica, echtgenote van Romain Christiaens, haar huis met andere gebouwen, bebouwde grond, hof, boomgaard en hopgrond, alles gelegen in de Kerkstraat te Hekelgem nr. 30 op conditie van binnen de 6 maanden na haar dood 200 000 fr. te storten in haar nalatenschap.

5- Haar nalatenschap was voor de helft voor haar zus Hendrika en voor de helft voor haar broer Jan Edmond.

Notaris Goossens te Ternat stelde de akte op

6- Amelia, geboren op 28 september 1880 en overleden te Essene op 27 september 1950. Zij trouwde te Hekelgem op 31 augustus 1909 met Henricus Franciscus De Pauw, geboren te Meldert op 13 februari 1886, zoon van August en Francisca Van Nieuwenborgh.

7- Maria Clemencia, geboren op 22 september 1882 en overleden op 17 oktober 1958. Ook Maria stelde een testament op.

1 Zij wou een begrafenis om 10 u. met doodsbrieven en bidprentjes, een dienst om 9 u. in de abdijkerk, 10 jaar lang een gezongen jaargetijde in de kerk van Hekelgem en 5 gezongen missen voor haar broer Robert en haar zus Theresia ook in de kerk van Hekelgem.

2 Zij wou begraven worden op een schone plaats op het kerkhof van Hekelgem. Daarvoor moest grond worden gekocht voor haar en voor “mijne zusters Joanna Dymphna, gewoonlijk genaamd Josephine en voor Maria Severina, gewoonlijk genaamd Severine”.

3 Op het graf wil ze een arduinen grafzerk met haar naam en die van haar zussen.

4 Zij  legateerde aan haar genoemde zussen:

– al haar geld

– het vruchtgebruik van al goederen.

5 Van haar nalatenschap zal de helft naar haar broer Edmond gaan en de andere helft naar haar zus Henriëtte.

8 Henriëtte Frederica, geboren op 13 november 1885 en overleden op 31 oktober 1967. Zij trouwde te Hekelgem met Petrus Romanus Christiaens, geboren te Teralfene op 23 februari 1885 en overleden te Hekelgem op 28 juni 1970.

9 Maria Isabella Severina, geboren op 29 juli 1889 en overleden te Hekelgem op 23 januari 1977.

De drie ongetrouwde dochters, Josephine, Clemence en Severine bleven het huis bewonen. Met de dood van Severine in 1977 eindigt het verhaal van De Valck. De nieuwe eigenaar, tandarts Stassijns liet het huis verbouwen en er bleef alleen nog een woning over. Geen mouterij, herberg of boerderij meer.

De drie zussen Schoon vlnr Henriëtte, Clemence en Severine. Foto  genomen voor WOI.


[1] W. VERLEYEN, Dom Vedastus Van Nuffel (1630 – 1707), Eigen Schoon en De Brabander, 1996, 125 – 127.

[2] B. REGAUS, Directorium Abbatiae Hafflighemensis; R.A. Brussel, 2002, kol. 405. Vertaling van dom Wilfried Verleyen.

[3] F. DE BRABANDERE, Woordenboek van de Familienamen in België en Noord-Frankrijk, Gemeentekrediet, 1993,

[4] E. SCHOON, Een geschiedenis van de familie Schoon, in: Jaarboek Belledaal, 2010, 25; Geschiednis van de Familie Schoon, onuitgegeven artikelenreeks.

[5] B. VERMOESEN, Het cijferboek van Frans Van Vaerenbergh, in: Jaarboek Belledaal, 2005, 81.

Zacharias De Wever, een man van alle markten thuis.

Op het einde van het ancien regime en tijdens de Franse overheersing was Zacharias De Wever een belangrijk man in Hekelgem. Als zakenman en politicus behoorde hij tot de vooraanstaanden in Hekelgem en de moeite waard om hem wat nader toe te lichten. Frans Moortgat beschreef Zacharias als volgt:

Een dorpsfiguur uit het einde van de 18de eeuw die verdient ontrukt te worden aan de vergetelheid is Zacharias De Wever. De rol die hij in het plaatselijk openbaar leven speelde, geeft hem recht op een ereplaats in de geschiedenis van zijn dorp. Zijn grote herberg gelegen op Boekhout aan de steenweg van Brussel naar Gent was tot ver in de omtrek bekend. Wij kennen De Wever als stamvader, oprichter van de herberg De Kaaszak, pachter, brouwer, bareelhouder, bedesetter, schepen van het Land van Asse, municipaal agent en maire van Hekelgem[1].

Zacharias (Segerius)werd teSint-Katharina-Lombeek gedoopt op 8 december 1739 en overleed te Hekelgem op 5 januari 1828. Zacharias was een zoon van Jan Baptist en Maria Van Leeuw[2]. In 1790 werd Zacharias als volgt beschreven: 52 jaar, 6 voet 2 duym lanck (1,70 m) blont roshayer, blauwe ogen[3]. Datzelfde jaar werd Zacharias schepen in de schepenbank van het Land van Asse. Van 1795 tot 1799 was hij vertegenwoordiger voor Hekelgem (agent municipale) in de kantonale gemeenteraad te Asse en nadien werd hij maire te Hekelgem. Hij trouwde een 1ste maal te Hekelgem op 11 augustus 1765 met Anna Van de Perre, gedoopt te Hekelgem op 28 maart 1734 en aldaar overleden op 4 januari 1795. Zij was de dochter van Franciscus en Judoca Vonck. Anna was eerst weduwe van Joannes Baptist De Smedt en daarna van Judocus De Bailliu. Uit het eerste huwelijk van Zacharias:

1. Joanna Catharina, gedoopt te Hekelgem op 13 juli 1765 en te Sint-Katharina-Lombeek overleden op 27 oktober 1852. Zij huwde te Sint-Katharina-Lombeek op 9 januari 1790 met Leonard Van der Mijnsbrugge, gedoopt te Sint-Katharina-Lombeek in 1764 en aldaar overleden op 11 oktober 1836.

2. Maria Anna, gedoopt te Hekelgem op 12 mei 1768 en aldaar overleden op 14 maart 1796. Zij trouwde te Hekelgem op 2 maart 1788 met Guillaume Louies, gedoopt te Hekelgem op 28 december 1745 en aldaar overleden op 16 februari 1807. Hij was de zoon van Franciscus en Joanna Maria De Vis. Hij hertrouwde te Hekelgem op 24 maart 1800 met Anna Maria Heyvaert.

Maria Anna, ziek en bedlegerig, liet op 22 februari 1796 thuis haar testament opstellen door notaris S. F. Gillis. Dat was drie weken voor haar dood. Zij en haar man hadden voor 1 200 gulden schulden en Anna wou dat na haar dood die schulden werden afbetaald. Daartoe gaf zij haar man het recht om haar goederen, die na haar overlijden haar kinderen zouden erven, te verkopen om de schuld at te lossen. Bracht de verkoop meer op dan 1 200 gulden, dan was het resterend bedrag voor haar kinderen.

3. Anna Catharina, gedoopt te Hekelgem op 27 november 1769 en er overleden op 21 maart 1808. Zij huwde te Hekelgem op 3 januari 1791 met Petrus Franciscus Pauwels, gedoopt te Hekelgem op 29 januari 1765, en er overleden op 20 juli 1819.

4. Judocus, gedoopt te Hekelgem op 25 juni 1771 en aldaar overleden op 4 november 1826. Hij huwde te Asse op 9 mei 1799 met Maria Theresia De Smedt, gedoopt te Hekelgem op 17 april 1774 en aldaar overleden op 28 augustus 1814, dochter van Joannes Baptista en Anna Catharina Resteau. Judocus trad net als zijn vader in de politiek en werd gemeenteraadslid. Hij was ook pachter, herbergier, bareelhouder en baatte De Kaaszak uit.

Op 1 september 1790 vertrok hij met de volontairs van Hekelgem naar Tienen in een hopeloze poging om de Oostenrijkers uit het land te jagen. Judocus was kapitein[4]. Op 26 november 1790 ontving hij daarvoor de volgende vergoeding:

Item betaelt aen den onderpastor deser parochie ende aen den gewesen capiteijn der voluntairen, Judocus De Wever, de somme van hondert drij guldens negenthien stuijvers om daermede te voldoen eenige parochianen over hunne devoiren ten dienste deser parochie gedaen, volgens quittantie hiervan ingegeven ten eijnde van vergoedinge wegens de Heeren Staeten ende alhier bij copije annex, dus hier 103 – 19 – 0.

5. NN, levenloos geboren kind, gedoopt te Hekelgem op 8 maart 1773.

6. Gillis (Egidius), gedoopt te Hekelgem op 21 april 1774 en aldaar overleden op 4 december 1847. Gillis werd gemeenteraadslid. Hij trouwde een 1ste maal te Hekelgem op 13 mei 1794 met Petronilla Carolina Pauwels, gedoopt te Hekelgem op 25 juli 1755 en aldaar overleden op 8 april 1796. Hij huwde een 2de maal te Hekelgem op 13 september 1796 met Joanna Maria Droeshoudt, gedoopt te Hekelgem op 19 februari 1773 en aldaar overleden op 9 oktober 1842.

7. Petrus, gedoopt te Hekelgem op 2 april 1778 en aldaar overleden op 5 juni 1855. Hij huwde te Hekelgem op 24 oktober 1804 met Joanna De Ridder, gedoopt te Hekelgem op 3 maart 1787 en aldaar overleden op 24 december 1864, dochter van Henri en Elisabeth Van Vaerenbergh.

Zacharias trouwde een 2de maal te Hekelgem op 7 februari 1807 met Jacqueline Cecile Van De Velde, gedoopt te Hekelgem op 28 mei 1777 en aldaar overleden op 27 juni 1813.

Een gewiekste zakenman.

Zacharias kocht en verkocht gronden steeds met de bedoeling er winst uit te halen.

-1767: Op 30 april 1767 kocht hij een perceel land op de Boekhoutberg van Judocus Meert en Petronella Arijs voor 88 g 5 st. het veld paalde aan het koutergat van de Buiukouter, aan de weduwe Francis Van Vaerenbergh, de kinderen Peter Van Vaerenbergh en de erfgenamen Arnoldus Eeckhout. Het was belast met een grondcijns van 1 blank aan de abdij. Griffier Jan Baptist De Witte stelde de akte op.

Zacharias verkocht op 11 december 1770 het land aan Leonard Lenssens voor 105 g. J. B. De Witte stelde de verkoopakte op.

– 1769; Aankoop van 1 d 66 r op 18 maart. Het perceel lag ook op de Boekhoutberg en paalde aan de straat, Jacobus Roseleth en Peter Clauwaert. Het was belast met 2 kapoenen per jaar aan de markiezin van Asse. De verkopers waren Joos De Smedt en Anna De Valck. De verkoopprijs bedroeg 445 g 5 st 3 o. Na de dood van Zacharias en Anna moest de helft van het perceel gaan naar hun kinderen en de andere helft naar de kinderen van Anna uit haar vorige huwelijken.

– 1770: Aankoop van een meers van juffrouw Joanna Margarita Van Neervelt, de weduwe van Felix Hendrickx voor 1 200 g. De meers van 1 d 28 r lag op het dorp van Hekelgem en  aan de weduwe Gillis Arijs, Jan Verhoeven, Peter Emanuel Schoon en de straat. Het perceel was belast met een grondcijns van 36 st. aan de abdij.

– 1778: Aankoop van 42 r land op 14 september van Judocus Bosteels. Het goed lag op Boekhout en paalde aan de steenweg van Brussel naar Gent, de voetweg, Michiel Stevens en griffier De Witte en was belast met een grondcijns van 1 g aan de abdij en de armen van Hekelgem. Benedictus De Witte stelde de akte op.

– 1784: Van Jan De Bailliu en Josina De Bois, de erfgenamen van Judocus De Bailliu, de tweede man van Anna, kocht Zacharias een stuk land te Asbeek op het Cruijsvelt van 130 r. Het goed paalde aan Jan Baptist De Smedt, de straat van Asse naar Essene, de armen van Essene en Judocus Wellemans en was belast met twee penningen grondcijns aan de abdij. De koopprijs bedroeg 368 g.

– 1785: Op 18 juni aankoop van een bos van 30 ½ r te Asbeek in de Heijkens Broecke van Judocus De Pauw en Marie Anna Booms uit Meldert. De akte werd verleden door notaris S.F. Gillis. De koopprijs bedroeg 117 g. Het bos paalde aan Peter De Pijper, de weduwe Jan De Clerck en de armen van Asse.

– 1785: Op 21 september aankoop van land van 1 d en een hopveld van 83 r van Petrus Franciscus Verwee en Joanna Verhoeven uit Aalst. Benedictus De Witte stelde de akte op. De twee percelen lagen in de Bosstraat te Hekelgem en paalden de Bosstraat, Benedictus Schoon, Jan Baptist De leeuw en Andries Boterbergh. Het land kostte 741 g en het hopveld 582 g. Beide percelen waren belast met een grondcijns van 7 ½ st aan de abdij.

– 1795: Op 10 december kocht Zacharias een onbehuisde hofstede op Boekhout van de kinderen Peter Everaert en Theresia Jans, namelijk Maria, Michael, Christiaan en Thomas. De hofstede paalde aan de steenweg, Maria Everaert, de weduwe Jan Vertongen en de erfgenamen van Jan Baptist De Gheynd. De hofstede was belast met een grondcijns van 2 st 2 o aan de abdij en de koopprijs bedroeg 286 g.

1788: Op 1 september kocht hij een opstal van 3 r 67 ellen van de weduwe Anna Maria Plas.

– 1800: Op 23 september huurde Zacharias de helft van een meers van 3 ha 68 a 95 ca te Liedekerke voor een termijn van 9 jaar en een jaarlijks bedrag van 239,43 fr. De verpachter was Raphaël De Coster.

– 1802: Op 21 april kocht hij tijdens een openbare verkoop van bomen een eik van de erfgenamen Paschasius Vertongen en Petronella De Vis aan hun hofstede in de Langestraat voor 41 g.

– 1822: Op 20 februari kocht nog 98 r op de Buikouter aan de Kwezelsweg van de broers en zussen van zijn tweede vrouw Jacqueline Van de Velde. Notaris De Buck van Aalst stelde de akte op. Op 25 februari nog eens 64 r 50 ellen land op de Buikouter. Notaris E. G. Crick verleed de akte.

Leningen.

Zacharias en Anna gingen enkele belangrijke leningen aan. Was dat om hun grondaankopen te kunnen financieren?

– 1770: Op 22 november leenden Zacharias en Anna 700 g van Justina Cayman, de weduwe van Charles Dirickx. De rente bedroeg 31 g 10 st. Als ze de rente binnen de 3 maanden na de vervaldag betaalden, dan kregen ze een korting van 3 g. Als onderpand gaven ze de pas aangekochte weide.

– 1780: Een lening van 700 g bij Anna Maria Pensionaris, de vrouw van Christiaan Van den Driessche uit Erembodegem. De rente bedroeg 28 g. Griffier Benedictus De Witte stelde de akte op. Een clausule bepaalde dat na de dood van beiden hun kinderen bij de verkaveling van hun goederen 250 g opleg moeten geven aan hun halfbroer en halfzussen als de lening dan nog niet is afbetaald.

Een mislukte aankoop van blauwe steen van de abdij Affligem.

Op 18 augustus 1796, kort voor de Franse bezetter alle abdijgoederen confisqueerde, kocht Zacharias een hoeveelheid blauwe steen van proost Beda Regaus voor 500 g. Waarschijnlijk betrof het stenen die waren aangekocht voor de bouw van de nieuwe abdij volgens de plannen van architect Laurent Dewez. Er was pas 1/4de van de plannen gerealiseerd, maar de bouw was gestopt bij gebrek aan geldmiddelen en de ongunstige politieke situatie. Zacharias had de stenen nog niet weggehaald toen op 11 november 1796 de Fransen de abdij in beslag namen. Op 15 mei 1797 vroeg Zacharias aan de Franse overheid om de bewerkte stenen op het terrein van de (dan voormalige) abdij weg te halen. Hij kon een kwitantie op datum van 18 augustus 1796 voorleggen. Maar de directeur der domeinen beschouwde deze verkoop als nietig, daar ze uitgevoerd was in strijd met het besluit van 22 vendémiaire, jaar 4 (14 oktober 1795). Volgens hem was de verkoop frauduleus daar de abdij deze stenen vermoedelijk aan een hoge prijs had aangekocht om er haar nieuwe gebouwen mee op te trekken en deze verbouwing zou zeker plaatsgevonden hebben. Het is niet mogelijk dat deze zo rijke abdij geld van iemand anders nodig had en ze de stenen daarom zou verkocht hebben. Daarom stelde hij het volgende voor:

Gelet op de petitie van burger Zacharias De Wever, inwoner van Hekelgem, die een toelating wil bekomen om de blauwe stenen aan de voormalige abdij van Affligem weg te halen en die hij gekocht had van de proost van deze abdij op 18 augustus 1796.

– Gelet op de kwitantie van die dag van de vernoemde proost voor een som van 500 gulden.

– Gelet op de opmerkingen van de Directeur van de domeinen.

De Centrale Administratie van het Departement van de Dijle overwegende dat volgens het besluit van de vertegenwoordigers van volk van 22 vendémiaire an 4 (14 oktober 1795) er geen kerkelijke goederen niet meer konden vervreemd worden, en dat als gevolg hiervan alle contracten dienden te gebeuren voor door de staat aangestelde personen en door tussenkomst van de Directeur der domeinen of zijn beambten.

Overwegende dat de verkoop aan de verzoeker uitgevoerd werd in strijd met het vermelde besluit:

De Commissaris van de Directoire Exécutif gehoord, verklaart de verkoop als onbestaande en waardeloos, besluit dat de hierboven vermelde blauwe stenen zullen verkocht worden ten bate van de Republiek.

Dit besluit zal verzonden worden naar de Directie der Domeinen.

Gedaan te Brussel tijdens de zitting van 26 floréal, jaar 5. (15 mei 1797)

Getekend: Girardin en Van Merstraeten.

De herbergier

Als herbergier was Zacharias erin geslaagd om zijn herberg als een soort gemeentehuis te laten functioneren. De vergaderingen van de bedesetters gingen er door en al wat te maken had met gemeentelijke opdrachten en zo profiteerde hij van het vertier. Enkele voorbeelden:

– 18 februari 1770. Vertier van de bedesetters die vergaderden over de 20ste penning: 2-0-0.

– 18 april 1770. Verbruik van de wacht: 2-0-0.

– 22 juni 1770. De rendant van de bedesetters betaalde 4-0-0 voor hun vertier.

– 9 februari 1771.Vergadering van de bedesetters over het regelen van de patrouilles: 2-0-0.

– 28 februari 1771. Vertier van de bedesetters tijdens de beraadslaging over een dagvaarding van de commissarissen De Maré en Conincsloo: 2-0-0.

– Traktatie voor de gilde van Meldert die optrad tijdens de kermis: 8-0-0.

– 11 juni 1771. Regeling van de telling van de inwoners: 4-0-0.

– 24 maart 1772. Vergadering over het indragen van de corporaalschappen: 1-0-0.

– 12 juli 1772. Vergadering van de bedesetters over het aanvaarden van de provoosten: 2-0-0.

– 3 november 1775. De bedesetters vergaderen over het Oncostboeck: 2-0-0.

– 1778. Vertier van de bedesetters tijdens het regelen van de telling van de inwoners: 2-0-0.

Voor het billetteren der waegens ende peerden tot transport der canons en bagagien van hare majesteit: 5-0-0.

In 1771 werd Zacharias zelf bedesetter en kreeg hij een vergoeding voor bepaalde opdrachten.

– Op 28 augustus ging hij naar Asse om er zijn eed af te leggen en ontving daarvoor 1-5-2.

– Op 7 december gaat hij in opdracht van de gemeente een lening aan van 400 g met een rente van 14 g bij Petrus Ceuppens om een eerdere lening van 800 g af te betalen aan de weduwe van Jan Baptist De Witte. Michiel Clauwaert had op 5 september 1709 die lening aangegaan.

Als rendant van de bedesetters ontving hij op 5 juli 1775 in opdracht van de drossaard 23-9-3 voor het opstellen van de rekeningen. Hij betaalde aan zichzelf op 12 juni 1778 – 4-18-0 voor de levering van een nieuwe hoed voor de officier en 11-9-1 voor silvere gallon, litse ende knop voor die hoed.

10 juni 1778. Voor het billetteren van 2 recruteurs van het regiment van Saint-Ignon en logies: 0-14-0.

De Kaaszak.

De Kaaszak was een groot huis met twee verdiepingen, boven 5 vensters en op het gelijkvloers 4 met een deur in het midden. Deur en vensters hadden een arduinen omlijsting. In 1779 had Zacharias de herberg laten verbouwen. We menen dat het gebouw een erfenis was van zijn vrouw Anna Van de Perre. Er was ook een grote boerderij aan de herberg verbonden en de bareel van de steenweg was daar gevestigd. In 1860 baatte zijn kleinzoon Joannes Franciscus De Wever het bedrijf uit. Na de Eerste Wereldoorlog werd alles afgebroken en vervangen door het huidige gebouw. Er was een winkel, een café en een zaal. De naam Kaaszak komt wellicht van het feit dat er meestal een zakje met verse platte kaas hing uit te druipen.

De politicus.

Als bedesetters en ook schepen van het Land van Asse was Zacharias een invloedrijk man en een vertegenwoordiger van het ancien regime. Toch had hij er geen moeite mee om in dienst te gaan van de Franse bezetter. In het voorjaar van 1796 stelde de Franse overheid een municipale raad aan. Joannes Botergergh werd de eerste agent municipale en Henri De Ridder de adjoint. Op 5 april 1797 werd Zacharias met 25 stemmen verkozen tot assesor van de vrederechter Etienne François Gillis[5]. Een week later, op 12 april, volgde zijn verkiezing met 29 stemmen tot agent municipale[6]. In die functie gaf hij de opdracht om de geboorte- en overlijdensregisters te beginnen. Bij de tweede verkiezing voor de gemeenteraad, de assemblée communale op 5 april 1798 behaalde zijn zoon Gillis 6 stemmen en werd L. Van Roy met 11 stemmen de nieuwe voorzitter. Zacharias bleef agent municipale tot 13 mei 1799, dan zat zijn tweejarige ambtstermijn erop. De Kaaszak, zijn hofstede met brouwerij fungeerde dan officieel als eerste gemeentehuis. De Doncker, die Zacharias als burgemeester opvolgde, liet de municipale zetel overbrengen naar het dorpsplein bij Jan Baptist Robijns – ’t Kint waar hij zijn intrek had genomen.

14 januari 1798. Staet van verschotten gedaen door den borger Z. De Wever, agent municipael der gemeijnte van Hekelgem ten dienste der selve gemeijnte.

Betaelt aen den borger P. Arents seven guldens en seven stuijvers in voldoeninge van sijne devoiren gedaen op den 23, 24 en 25ste nivôse dito in het opstellen der acten der gebortenissen en overledene deser gemeijnte, dus 7 – 7 – 0.

Item betaelt aen Joannes de la Fonteijne smidt vijf guldens en vijf stuijvers in voldoeninge van sijne devoiren en leveringe van eene eijsere spille de welcke gestelt is op den thoren deser kercke, dus 5 – 5 – 0.

In 1795 schreef de Franse overheid een gedwongen lening uit. Voor Hekelgem stelde commissaris Spinnael een lijst op het geschatte bezit en van het jaarlijks inkomen. Zacharias staat op de 9de plaats met een geschat fortuin van 6600 pond en een jaarlijks inkomen van 1344 pond.[7] Op de lijst van de te betalen bedragen komt Zacharias in rang 13 bij de burgers die 1000 pond moesten betalen. In rang 15, de hoogste rang, betaalde men 1200 pond. Zacharias werd er als cijnsplichtige beschreven[8].

Op 8 september 1798 (22 fructidor an 6) protesteerden in een schrijven aan de Centrale Administratie van het departement van de Dijle de municipale agenten Zacharias De Wever van Hekelgem, J.B. Schoonjans, van Sint- Katharina-Lombeek, A.J. Van Nieuwenhove, van Essene en J.B. Vanderhasselt, van Zellik tegen de grondbelasting.

Aan de Centrale Administratie van het Departement van de Dijle[9].

In vier gemeenten die deel uitmaken van het kanton Asse, werd voor de gemeentelijke administratie tot op heden het Vlaams gebruikt om berichten te publiceren. De stukken worden nu regelmatig gelijktijdig in het Vlaams en het Frans opgesteld. De voorgaande administraties kwamen tot het besluit om de inning van de grondbelasting, jaar 5 en 6, aan te vechten. Deze inning werd geafficheerd en ingediend in de Franse taal terwijl in de gemeenten Teralfene en Sint-Katharina-Lombeek niemand de Franse taal kent, en te Hekelgem werd er geen affiche gestuurd. Meer nog, de aanbesteding werd gedaan zonder dat de respectievelijke agenten en adjuncten werden geraadpleegd. Tegen de inhoud van het besluit voor de inning van de grondbelasting heeft de genoemde gemeente zijn collecte ingeschreven aan 5 procent terwijl er meerdere werden ingeschreven aan 2,5 procent, waartegen een deel van de burgers van dit kanton hebben geprotesteerd. Daarom nemen de opstellers van dit schrijven, hun toevlucht tot de justitie van deze administratie hopende dat zij de inning ongedaan maken en de gemeentelijke administratie van het kanton Asse een nieuwe aanslag laten vestigen, nadat zij de voorwaarden van de aanslag van de grondbelasting in het Vlaams gepubliceerd heeft.

Getekend: Zacharias De Wever, Jean Baptist Van Der Hasselt, J.B. Schoonjans, Van Nieuwenhove.

Een ingewikkelde regeling met zijn stiefkinderen.

Uit haar eerste huwelijk met Joannes De Smedt had Anna Van de Perre drie kinderen:

1. Suzanna, gedoopt te Hekelgem op 5 oktober 1756, trouwde met Peter Stallaert;

2. Maria, gedoopt te Hekelgem op 23 april 1759, trouwde met Jan Baptist De Bailliu;

3. Joannes Baptist, gedoopt te Hekelgem op 24 november 1761, trouwde met Anna Crols.

Met Judocus De Bailliu had Anna een zoon, Hendrik, gedoopt te Hekelgem op 13 juli 1763, trouwde met Petronella Pauwels..

De regeling betrof de prijs van zijn velden met de verbeteringen die hij had aangebracht, het hout van het bos van 55 r in de Bleregembroeken, de restauratie van De Kaaszak, een behuisde hofstede met brouwerij aan de steenweg van 66 r, de lening van 500 g bij wijlen juffrouw Dirickx met een hypotheek op meerdere goederen en een lening van 700g van Christiaan Van den Driessche. Het compromis omvatte:

1. Zacharias, als erfgenaam van zijn vrouw Anna Van de Perre, zag af van zijn recht op de prijs en de verbeteringen op alle velden en de bomen.

2. Hij maakt geen enkele aanspraak op de kosten die hij maakte voor de restauratie van De Kaaszak.

3. Zacharias neemt de lening van 500 g over en ontlast de onbehuisde hofstede genaamd De Morette, groot 53 r.

4. De afbetaling van de lening van 700 g blijft ten laste van Zacharias.

5. De stiefkinderen zien af van alle aanspraken op:

– Een partij land op Boekhout van 1 d 66 r, gekocht op 18 maart 1769.

– Een weide met bomen en houtwas van 1d 88 r gekocht op 22 november 1770.

– Land te Asbeek van 1 d 30 r.

– Een bos met bomen en houtwas te Asbeek van 30 ½ r.

– Een akker een hopveld in de Bosstraat van 1 d 83 r.

– Een veld op de Fossel, genaamd Het Leenveld, groot 117 r.

– Een veld op De Motte van 25 r.

– De hofstede met gemetste huijse aan de steenweg en de voetweg, 32 r, gekocht van jan Bosteels op 14 september 1778.

– De Kaaszak, een hofstede met brouwerij, 66 r. Joannes De smedt kocht ze van Peter De Donder op 2 december 1755 volgens de akte van Jan Baptist De Witte. De Kaaszak paalde aan de steenwag van Brussel naar Gent, Adriaan Van Itterbeke, de goederen van Affligem, en Francis Verhasselt. Het was belast met een grondcijns aan de abdij. Het bedrijf was een erfenis van Anna Van de Perre.

Dat alles op voorwaarde dat Peter Stallaert en Jan Baptist De Bailliu onmiddellijk elk 400 g ontvingen en binnen de twee jaar nog eens 625 g. Hendrik De Bailliu moest dadelijk 400 g krijgen en binnen het jaar nog 900 g ontvangen. Jan Baptist De Smedt kreeg in volle eigendom nog Het Leenveld, groot 1 d 50 r en 125 g.

Overdracht van zijn woning aan zijn zoon Judocus.

Op 10 april 1795 stelde notaris E.F. Gillis de overdrachtsakte op. Dat is na de dood van Anna Van de Perre. Zacharias, pachter en dienende schepen van het Land van Asse komt met zijn kinderen Joanna Catharina, Maria Anna, Anna Catharina, Gillis en Petrus het volgende overeen.

Judocus neemt de hofstede met gemetste huijse van twee stagiën, schuere, stallingen ende alle andere edificiën daerop staende, groot 42 r over van zijn vader. Zacharias en Anna hadden de grond ervan gekocht op 14 september 1778 en er de gebouwen laten oprichten. Judocus kon er vanaf half maart over beschikken. Na de dood van Zacharias moest hij binnen de drie maanden aan de andere kinderen elk 625 g betalen. Zijn vader had recht op een jaarlijks bedrag van 105 g en zolang hij leefde op het vrij gebruik van drie kamers op het gelijkvloers en vrije doorgang in de keuken en andere plaatsen samen met zijn compagnie. Het huis was nog bewoond door juffrouw Tottenburgh.

Verkaveling van de onroerende goederen.

Op 28 oktober 1824 stelde notaris Jacobus De Deken uit Ternat de verkavelingsakte op. Zacharias onroerende goederen werden verdeeld in 6 kavels.

1. Judocus, pachter en herbergier, bekwam 1/3 van 29 r 41 ellen van het land aan de Kwezelsweg, waarde 312, g 50 cents en het bos op het Groot Leenveld van 34 g 29 c.

2. Joanna Catharina bekwam ook 1/3 van het land aan de Kwezelsweg voor 312, 50 c en de ½ van het bos te Asbeek van 49,71 c.

3. Joannes Pauwels, boer en man van wijlen Anna Catharina, kreeg het laatste derde van het land aan de Kwezelsweg en de andere helft van het bos te Asbeek, 49 g 71 c.

4. Petrus, boer, bekwam de ½ van het land op de Buikouter 330 g 10 c.

5. Gillis, boer, de andere helft, 330 g 10 c.

6. Franciscus Louis, boer en enig kind van wijlen Maria Anna, kreeg het land op de Molenkouter voor 491, 05 c.

De totale waarde van de goederen bedroeg 2 222 g 46 cents zodat het deel van elke erfgenaam een waarde had van 370 g 41 cents.

Het testament van Zacharias.

Een week voor zijn dood, op 29 december 1827, liet Zacharias door notaris Adrianus Franciscus De Lantsheere uit Opwijk zijn testament opstellen. Dat gebeurde in de slaapkamer van zijn vroeger huis waar hij inwoonde bij zijn kleinzoon Joannes De Wever, pachter en herbergier. Omwille van de goede zorgen van zijn kleinzoon liet hij hem na: een hoge horloge met kast, beddengoed, enkele kasten en andere meubelen, cash geld, kleren en lijnwaad en een bos van 7 r 87 ellen in de Steense Meers.


[1] Archief Frans Moortgat in HK Belledaal.

[2] Voorouders Zacharias De Wever.

I. Joos (Judocus) De Wever, gedoopt te Sint-Katharina-Lombeek op 19 september 1663, overleden aldaar op 4 april 1727. Hij huwde te Wambeek op 7 juli 1694 met Maria Seghers, overleden te Wambeek op 20 mei 1744.

Kinderen uit dit huwelijk te Sint-Katharina-Lombeek geboren:

1. Jan Baptist, volgt II.

2. Elisabeth, gedoopt op 22 mei1698.

3. Lenaert, gedoopt op 11 april 1700, hij huwde te Sint-Katharina-Lombeek op 13 juni 1723 met Elisabeth Van Der Heyden.

4 Hendrik, gedoopt op 10 juni 1702.

5. Joanna, gedoopt op 12 september 1706.

II. Jan Baptist De Wever, gedoopt op 23 juni 1695, hij huwde met Maria Van Leeuw, gedoopt te Vlezenbeek.

Kinderen uit dit huwelijk te Sint-Katharina-Lombeek geboren:

1. Zacharias (Segerius).

2. Leonardus, gedoopt op 19 maart 1741.

3. Anna Catharina, gedoopt op 7 november1742.

4. Gabrriël, gedoopt op 21 december 1744, aldaar overleden op 2 februari 1836, hij huwde met Anna Maria Eylenbosch.

5. Peter, gedoopt op 9 december 1746.

6. Jan Baptist, gedoopt op 28 december 1747.

[3] J. OCKELEY, Een paspoortenboek uit 1790, in: Ascania, 1985, 99.

[4] Samen met hem marcheerden P. L. Boelpaep, de onderpastoor van Hekelgem, Franciscus Robyns als 1ste luitenant, Engelbertus Van Nieuwenhove de foerier, J. B. De Schrijver, ook kapitein, Petrus Van De Velde, tamboer, Rochus Verleysen, vleugelman, Joannes Van Ransbeeck, kapitein – Michiel Verveken (of Verbeken), sergeant, Petrus De Laet, François Wambacq, Judocus De Schrijver, Judocus De Meij, Adriaen Vermeiren, Josephus Van De Perre, Adrianus Van Nieuwenborg, Michiel Van De Perre, Emmanuël Van Kreklyom, Hieronimus Valkenier, Jacobus Vanderkelen, Petrus Van Vaerenbergh, major, Petrus Vermeeren, Guillam Van Grimbergen, Jacobus De Vis, Joannes Van De Perre, Joannes De Schrijver, Petrus Van Vaerenbergh, minor, Engelbertus Stenvenijns, Paulus Mergien, Petrus Calson, Joannes B. Godefroy, Petrus Polsterman, Henricus Hellincx, Jacobus Callebaut,Andreas Sterremans, Henricus De Leeuw, Joannes De Smet, Jacobus De Coster, Passchasius Vertongen en Livinus Coppens. Zie de lijst in het Jaarboek H K Belledaal, 1989-90, blz. 3 e.v. en Asse, vroeger en nu, 1989, deel IV, blz. 82.

[5] E. SCHOON, Het bestuur van het kanton Asse tijdens het Directoire, in: Eigen Schoon en De Brabander, jg. 90, nr. 2, 283.

[6] IBIDEM, 290.

[7] E. SCHOON, De gedwongen lening door de Franse overheid, 1795, 5.

[8] IBIDEM, 9. Een cijnsplichtige had cijnsgoederen in zijn bezit. Een cijnsgoed is een geheel van gronden die door een grondheer voor zeer lange tijd – in de regel voor eeuwig – werden afgestaan tegen betaling van een veelal vaste recognitie in geld en/of in natura. De gronden zelf werden door de heer in leen gehouden of waren zijn allodiaal bezit. Bij blijvende wanbetaling kon de heer de goederen inwinnen of ze eventueel verwerven. Beslaglegging in geval van niet-betaling van een cijns was uitgesloten. De grondgebruiker was bezitter van de grond en kon deze verkopen en laten vererven.

[9] Brief opgesteld in het Frans. Vertaling Edmond Schoon.

De familie Resteau te Hekelgem: kerk-en armenmeesters, kosters-schoolmeesters.

De eerste Resteau in Hekelgem was Franciscus. Hijwerd tot koster benoemd op 20 januari 1697, dat was na de dood van Andries Segers. Hij was geboren in 1666 en te Hekelgem getrouwd op 6 september 1696 met Anna Cornelis, te Hekelgem gedoopt op 30 december 1670. Zij kregen 8 kinderen. Na de dood van Anna op 17 oktober 1714 hertrouwde hij met Catharina Van de Voorde en er werden nog 4 kinderen geboren.

1- Joanna, gedoopt op 7 juni 1697.

2- Frans, gedoopt op 28 mei 1699.

3- Anna Catharina, gedoopt op 27 januari 1701.

4- Theresia, gedoopt op 19 oktober 1702.

5- Jan Baptist, gedoopt op 29 juli 1704, zie verder.

6- Catharina Petronella, gedoopt op 8 november 1706.

7- Jan Frans, gedoopt op 6 mei 1709.

8- Frans, gedoopt op 26 maart 1712.

Uit zijn tweede huwelijk:

1- Adriaan, gedoopt op 30 januari 1716.

2- Anna Maria, gedoopt op 7 april 1717.

3- Jacob Benedict, gedoopt op 6 maart 1720.

4- Petrus, gedoopt op 5 mei 1722.

Catharina overleed op 11 maart 1750.

Frans Resteau bouwde in 1704 een huis aan de kerk van Hekelgem. Hij diende als koster onder zes pastoors en begon zijn carrière als koster en onderwijzer onder Martinus Van de Nest die al sinds 1671 pastoor van Hekelgem was. In 1697 stuurde aartsbisschop De Precipiano een brief naar zijn parochies waarin hij van leer trok tegen het verfoeilijk misbruik van die dertele en onbeschaamde samenkomsten van jongmans ende dochters in herbergen. In zijn lessen zal Resteau daar zeker over gesproken hebben. Of het veel resultaat had, valt te betwijfelen want op 21 juli 1700 beval aartsbisschop de pastoors viermaal na elkaar te preken over die verderfelijke ontspanningen, oorzaak van de bestraffing met oorlog. Pastoor Van de Nest overleed in 1709. Antwerpenaar Jan Karel Broeckmans werd op 20 december 1709 de volgende pastoor van Hekelgem. De nieuwe pastoor was begaan met zijn kerk en liet heel wat werken uitvoeren. Er was eindelijk een tijd van vrede aangebroken en er kwam welvaart. In 1712 klaagde Jan Broeckmans erover dat teveel parochianen in de abdijkerk de mis gingen bijwonen omdat de paters niet preekten. Nobert Breugelmans was niet meer dan een naam. Tot pastoor benoemd op 23 oktober 1724 werd hij al op 22 mei 1725 vervangen door Henri Van Mulders. Die overleed op 12 september 1741, zijn zerk staat achter het oologsmonument. Een dag later was Adriaan De Smet al aangeduid als deservitor. Hij was afkomstig van Wemmel en werd te Mechelen priester gewijd op 26 mei 1736. In 1742 volgde een benoeming als administrator te Moorsel. Hij overleed te Erembodegem. De aartsbisschop benoemde Rumoldus De Cuyper tot de volgende pastoor van Hekelgem. Deze Mechelaar, omstreeks 1704 geboren, ontving zijn priesterwijding op 6 maart 1730, zijn aanstelling tot pastoor te Schorisse op 18 juni 1734 en die voor Hekelgem op 11 mei 1742.

Frans Resteau kreeg in 1699 moeilijkheden met Melchior Van den Driessche omdat die ook onderwijs wou geven. Frans bracht de zaak voor de Raad van Brabant en kreeg gelijk. Hij had zich beroepen op een edict van keizer Karel en van Albrecht en Isabella dat het onderwijs toekende aan de parochie en zijn bewering gestaafd met een verklaring van de parochianen dat ze nooit andere schoolmeesters gekend hadden dan de kosters. In 1703 behoorde hij tot de belastingbetalers wat er op wijst dat hij over een behoorlijk inkomen beschikte. Een jaar later aanvaardde hij een cijns van 2 g 8 st op 50 r land en bouwde er een huis op. Maar in de plaats van de cijns te betalen ruilde hij met een ander perceel[1].

Kort voor 1743 was Jasper Cayman met een school begonnen in de buurt van de abdij voor de kinderen uit de omgeving. Die provocatie kon koster Resteau niet dulden en hij protesteerde opnieuw. Als koster had hij alleen het recht een scholastrije te hebben. Maar deze maal kantten zich 19 parochianen, waaronder burgemeester Peter Ceuppens, tegen hem. Ze richtten een verzoekschrift tot Odo De Craecker, proost van de abdij, die als patroon van de Kerk van Hekelgem het begevingsrecht over de kosterij had. Ze vroegen de proost Cayman te laten onderwijzen want koster Resteau was al een oude man, bijna 50 jaar in dienst en vrijwel blind. Bovendien was de afstand tot het dorp zeer groot. Ze wezen ook nog op het dreigend oorlogsgevaar: er is eenen toecommen swaeren oorlogh voorhanden en in dat geval zouden de kinderen levenslanck ongeleerd blijven. Op 8 februari 1743 verwierp de proost hun verzoek want hij achtte het niet opportuun de school te splitsen.

Frans Resteau 1743

Omstreeks 1750 deelde pastoor Rumoldus De Cuyper de inkomsten van de koster mee. Van de armendis kreeg hij 20 g voor het onderricht van de arme kinderen, van de Kerk 15 g 12 st uit fundaties, wat inkomsten uit jaargetijden, eieren in de paastijd, enkele schoven in de oogsttijd, van elk gezin, de armen uitgezonderd, 1 st, plus nog wat toevallige bijdragen. De koster was ook grafdelver – voor een kindergraf ontving hij 2 g 4 st – en klokluider (57). Frans Resteau overleed op 13 juli 1752. Hij was gedurende 56 jaar koster – schoolmeester geweest en vele jaren kerkmeester.

Jan Baptist Resteau volgde zijn vader op als koster en schoolmeester. Hij was het vijfde kind van Frans en Anna Cornelis, te Hekelgem gedoopt dinsdag op 29 juli 1704. Hij trouwde op 22 juni 1732 met Joanna Catharina Van Nieuwenhove, de dochter van Joannes en Adriana Meert. Ze werd te Hekelgem gedoopt op zaterdag 20 januari 1703 en overleed op woensdag 18 oktober 1786. Jan Baptist stierf op woensdag 8 februari 1764. Ze hadden 4 kinderen.

1- Joanna Maria, gedoopt op 16 augustus 1737. Zij overleed op maandag 25 mei 1807. Zij trouwde op zaterdag 30 oktober 1762 in Hekelgem met Michaël Franciscus Crols. Michaël was tot zijn huwelijk organist in de abdijkerk.

2- Francisca, gedoopt op 19 maart 1740, huwelijk met Martinus Robijns.

3- Anna Catharina, gedoopt op 25 augustus 1743, huwelijk met Joannes De Smet.

4 Jan Frans, gedoopt op 31 augustus 1745.

Net als zijn vader was hij een bemiddeld man en dus stond zijn naam ook op de rol van de belastingbetalers onder meer in 1735 (in het totaal 213 namen), 1737, 1745 en 1746 (in het totaal 240 namen). Van 1737 tot 1761 komt zijn naam ook voor op de lijst commerschap, neringhe, brouwerijen ende herbergen. In 1737 waren er 39 neringdoeners, in 1761 was het aantal gestegen tot 59. Jan Baptist, al in 1750 rentmeester van de Kerk en de armendis, hield heel gedetailleerde rekeningen bij. In 1756 bijvoorbeeld noteerde hij stipt de verhuur van een wit baarkleed voor de overleden kinderen van Asse, Erembodegem, Essene, Baardegem, Teralfene, Meldert en Moorsel. Volgens de telling van 27 december 1754 woonde Jan Baptist, koster en winkelier, samen met zijn vrouw, 3 kinderen, 1 knecht en een andere knecht voor drie maanden.

Op 10 februari 1733 kochten Jan Baptist en Joanna Catharina een huis naast het kerkhof: secker huijs met een hofstede gelegen binnen de prochie van Heckelghem bij het kerckhoff paelende in drij seijden aen de straeten, ende dat voor ende omme de  somme van vier hondert guldens courant gelt. Er waren twee voorwaarden gesteld. De verkoper mocht nog zijn toog uit de winkel halen en drie boompjes achter het huis afkappen. De tweede conditie was dat de koper elk jaar vijf stuivers aan de Kerk of aan de armen van Hekelgem moest geven. Diezelfde dag kochten ze van Adriaan Vonck ook  een perceel land van 101 ½ roede op de Hekelgemkouter gelegen. Het echtpaar bleef hun bezit uitbreiden en op 26 november 1742 kochten ze een hoplochting van Jan Van Vaerenbergh en Peter Vertongen voor de som van 4 g 5 st de roede of een totaal van 212 g waarvan 2/3 voor Jan Van Vaerenbergh en 1/3 voor Peter Vertongen. De koper moest wel een rente ten laste nemen van 80 g aan Adriana De Witte. Het hopveld lag op de Paterslochting nabij de kerk van Hekelgem en paalde aan zijn hofstede. Op 20 mei 1748 stonden ze een lening toe van 350 g aan de bejaerde jonge dochter Catharina Van Onchem. De rente bedroeg 4% en dus betaalde Catharina elk jaar 14 g intrest. Als pand gaf zij een perceel land van 1 d 10 r gelegen op Den Vlieghuijt en palende aan de Kleindries te Doment in Essene, 1d 74 r land en broek met houtwas en bomen, gelegen op het Domentveld te Essene en een lening van 100 g aan Diericx uit Aalst. 15 jaar later konden Jan Baptist en Catharina nog twee percelen op de Hekelgemkouter bijkopen. 53 roeden kochten ze van Joannes Bernardus Bruno en zijn vrouw Catharina Ledegen uit Aalst voor 218 g en 52 r land van Jan Eeman voor 140 g.

Bedesetter.

Op 15 maart 1748 betaalde A. Daens, de collecteur 41 g 5 st aan Jan Baptist omdat hij sijne devoiren gedaen (heeft) ten dienste van de prochie van Hekelgem ten teijde als hij bedesetter heeft gheweest ten teijde der jaere van den 15de juli 1744 tot juli 1746[2]. Het overzicht geeft een duidelijk beeld van de last die de inval van de Fransen met zich meebracht.

– 15 juli 1744. Voor zijn reis naar Asse om er de eed als bedesetter af te leggen: 1-5-2.

– 21 en 23 oktober 1744. Tweemaal naar Brussel geweest om de vergoeding te regelen van het logement van Hollanders: 2-0-0.

– Zonder datum. Naar Brussel het geld gehaald voor het jaar 1740: 1-0-0.

– Tweemaal naar Brussel voor de leveringen aan het leger dat in Hekelgem kampeerde: 2-0-0.

– Tweemaal de heer Van den Broeck opgezocht om een vergoeding te bekomen voor de schade door het leger aangericht: 2-0-0.

– Met collecteur Jan Baptist De Witte naar Brussel geweest om het geld van de leveringen te halen: 1-0-0.

– Naar Brussel bij de heer Van den Broeck geweest met klachten over het gedrag van de huzaren: 1-0-0.

– Tijdens de troebelen naar Wemmel geweest bij de markies met een rekening en daarna daarmee naar Opdorp bij de graaf de chelles (vermoedelijk Jean Moreau de Séchelles) en daar moeten overnachten: 2-0-0.

– Augustus 1745. Bij mijnheer Van den Broeck geweest om te weten of wij aan de Fransen mogen leveren zoveel wij kunnen: 1-0-0.

– Met de resolutie van de contributie naar Brussel[3] geweest: 1-0-0.

– Juli 1746. Naar Brussel geweest om het geld van de wagenvrachten van 1744: 1-0-0.

– Nog naar Brussel geweest met Jan Droeshout met de lijst van het restant van het huis van de koningin: 1-0-0.

– Naar Asse geweest met klachten over de huzaren: 0-10-0.

– Naar Asse geweest voor het onderzoek naar het restant van het hooi:0-10-0.

– Naar Asse geweest met de opleg voor het hooi: 0-10-0.

– Naar het kasteel van Steenhuffel geweest bij de kapitein van de vrije compagnie van Waldeck en daar een gids moeten vragen om een order naar Brussel te dragen en hem 10 st betaald, dus voor mijn vergoeding: 1-0-0.

– Tweemaal naar Aalst geweest om geld op te halen: 1-0-0.

– Nog tweemaal naar Aalst geweest met wagens: 1-0-0.

– Nog tweemaal naar Aalst geweest bij mijnheer Dierick, eens om 500 g af te geven en eens om het hooi te betalen: 1-0-0.

– Tweemaal naar Steenhuffel geweest, eens met 63 man, elk met een sister[4] graan, en de tweede maal met lege wagens: 1-0-0.

– Nog eens naar Steenhuffel met lege wagens: 1-0-0.

– Tweemaal naar Aalst geweest met de partizaan Baumanoir (?): 1-0-0.

– Naar Brussel geweest met de generale lasten van wagens der coningine bij den griffier van Assche: 1-0-0.

– Naar Asse geweest om 13 diverse zaken te regelen: 6-10-0.

– Voor alle extraordinaire devoiren gedaen voor de prochie als oock in ’t clooster van Affligem in den troubel in de maent van augustus 1745 als oock in den teijt van de coninginne om waegens, peerden, pioniers en leveranties te besorgen, soo en brenge alhier gene daghure maer alleen saldo juste mijn vertair: 7-0-0.

– Op 2 mei ontving Jan Baptist van de rendant 6 g 8 st voor het vertier van de arbeiders die de nieuwe klok ophaalden en nog 1 g 4 st voor twee flessen wijn.

Rekeninge ende bewijs bij desen is doende Jan Baptista resteau Coster, over den ontfanck van out was van de leycken.

In de clinch met de drossaard[5].

In 1739 geraakte Jan Baptist als armenmeester van Hekelgem in een conflict gewikkeld met Joannes Emanuel Loovens, de drossaard van het Land van Asse. Oorzaak van de ruzie: wie betaalt voor het onderhoud van een vondeling. Het ging om een kind van Theresia Michiels. Zij was te Hekelgem geboren, maar door haar ooms opgevoed te Asse en te Meldert. Zij was een tijd samen met Jan Timmermans te Asse met wie ze een kind had. Ze verkwistten er al haar goederen tot ze landlopers werden. Haar kind werd onderhouden door de armenmeesters van Asse. Ze kreeg een tweede kind te Hekelgem en vertrok er zonder dat de armenmeesters Hendrik Dauwe en Jan Baptist wisten wat ze met dat kind had gedaan. Mogelijks was het de vondeling die men in Asse had aangetroffen. De drossaard wou nu dat de armenmeesters van Hekelgem zouden instaan voor het onderhoud van dat kind. Die weigerden. Ze verwonderden zich over het feit dat men te Asse had toegelaten dat Theresia er ondeughdeleijck met Jan Timmermans leefde. De pastoor en de armenmeesters hadden zich nooit met Theresia bemoeid, alleen de drossaard. Die spande een proces in tegen de armenmeesters van Hekelgem omwille van hun weigering. Dauwe en Resteau wezen de drossaard erop dat het de rentmeester is die bij ordonnantie van de pastoor beslist wie steun van de armenmeesters krijgt en bijgevolg kunnen zij niet voor de schepenbank worden gedaagd.

In zijn antwoord wees de drossaard erop dat het een christelijke plicht is om onmondige ende verlaete arme kinderen te besorgen den nooddrufft tot hunner substantie. Dat de pastoor het alleenrecht bezat om te bepalen wie steun van de H. Geesttafel kreeg, was in strijd met de wetten van het Land van Asse. Die hooghen moet sal in duighen vallen, betoogde de drossaard en de armenmeesters moeten volgens hun eed de distributeurs zijn van de goederen van de H. Geesttafel want zij zijn de voogden. De drossaard verwees zelfs naar de synode van Mechelen van 1609 die bepaalde dat de eerste plicht van de armenmeesters was zorg te dragen voor de weduwen, wezen, oude mensen en hen door bijstand te helpen. Op de dag van het Laatste Oordeel zullen zij daar verantwoording moeten voor afleggen. De drossaard besloot dat het kind in Hekelgem was geboren en dat het daar moet onderhouden worden. Hij vroeg de schepenen van het Land van Asse om de twee armenmeesters te verplichten voor het kind te zorgen. Twee maanden later, in december 1739, vroegen de schepenen aan Dauwe en Jan Baptist om duidelijker uit te leggen waarom zij de zorg voor de vondeling weigerden.

Na het overlijden van Jan Baptist nam zijn vrouw zijn werk als rendant van de kerkmeesters over.

Joanna Maria Resteau, de oudste dochter, werd ook rentmeester van de Kerk en zette zo de familietraditie voort. Zij trouwde te Hekelgem met Michiel Franciscus Crols op 30 oktober 1762. Haar man volgde haar vader op als koster, schoolmeester en rentmeester van de kercke en de armen van de prochie Hekelgem[6]. Michiel Crolswas eerst organist geweest in de abdij waar hij Andreas Rombouts in 1752 was opgevolgd. Voordien was hij te Leuven in de leer geweest bij klokkengieter – organist A.D. Van den Gheyn zodat hij niet alleen het orgel maar ook de beiaard kon bespelen en die zelfs bijstellen wat hem een extra van 21 g opleverde. Na zijn huwelijk in 1762 met Joanna Maria kreeg hij in de abdij de bons omdat de organisten ongetrouwd moesten zijn[7]. Hij werd dan koster – schoolmeester maar overleed al op 1 december 1771. Zij kregen twee kinderen:

1- Anna Maria, gedoopt op 14 augustus 1763, trouwde met Jan Baptist De Smedt.

2- Rumoldus, gedoopt op 14 juli 1766.

Op 28 november 1767 kochten Michiel en Joanna de hofstede van Frans Resteau van haar zus Anna Catharina en haar man Jan Baptist De Smedt. Die hadden het huis verkregen als erfdeel van haar ouders. De koop werd als volgt beschreven:

Ierst eenen hofstede metten steenen huijse, schuere, stallingen ende alle andere edificiën daerop staende, groot dertigh roeden salvo justo gelegen onder Hekelgem ontrent de kercke aldaer…; item ende alnoch eenen boomgaert metten houtwasch ende boomen daerop staende gelegen ter plaetse voorschreven rontsom in sijne heijmen, groot 94 roeden. Het huis was belast met een cijns van 5 st aan de armen van Hekelgem en de boomgaard met een grondcijns aan de abdij. De koopsom bedroeg 1600 g en daarvan betaalden Michiel en Joanna 1000 g en de resterende som van 600 g leende ze van de verkopers tegen een rente van 3 g. Indien de kopers drie jaren achterstallig waren met de rente, dan hadden de verkopers het recht om de hoeve openbaar te verkopen[8].

Jan Baptist De Smedt en Maria Anna Resteau hadden op 20 juli 1767 de hoeve De Valck gekocht gelegen op de hoek van de Langestraat en de Nieuwstraat (nu Boekhoutstraat).

Na de dood van Michiel nam Joanna zijn taak als rentmeester over en ondertekende de rekeningen met weduwe van wijlen Michel Crols. Zij werd Sissenwanne genoemd, waarschijnlijk omdat zij in het grootouders huis woonde (Franciscus + Joanna = Sissen + Wanne). Haar dood betekende het einde van de belangrijke inbreng van de familie Resteau gedurende 111 jaar in het parochiaal leven van Hekelgem.


[1] B. REGAUS, Bona et Jura Monasterii Haffligemensis, in: Fontes Affligemenses met inleiding van J. Ockeley, 1975, p. 48.

[2] Parochiearchief Hekelgem.

[3] Op 13 juli overviel een Franse legerafdeling de abdij die vol vluchtelingen was. Na het vertrek van de Fransen kwam een regiment Saksen dat twee maanden bleef en veel schade aanrichtte.

[4] Sister: inhoudsmaat voor graan, ca 49 l.

[5] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4217.

[6] Kerkrekening 1765 – 1766

[7] BEDA REGAUS, Directorium, 195.

[8] RA Leuven, Goedenisse van de schepenbank van de abdij Affligem, nr. 35.

Processen Essene voor de schepenbank van Asse tijdens de 18de eeuw.

1701. De 22ste penning voor Essene[1].

Als gevolg van een besluit van de Heeren Staten7 maart 1701 moest Essene voor het setboeck 956 g bijdragen. Om dat bedrag bij elkaar te krijgen, belastten de bedesetters Jan Van Vaerenbergh, Lucas Bruijlant, Daniel Camerman en Anthoon Taelemans elk bunder land, weide, bos, vijvers, de molens, huizen, neringen en ambachten met 2 g. Het overzicht van de belastingen geeft een goed beeld van de sociale toestand in Essene aan het begin van de 18de eeuw. De bedragen zijn uitgedrukt in gulden – stuivers – en oorden.

1. de pastoor 6 – 11 – 0.

2. de eerw. paters van Termuilen 5 – 0 – 0.

3. Peeter? Wambacq 45 – 12 – 1/2, huisgeld 10 – 0, tienden 18 – 0 – 0, lichte tienden 0 – 4 – 1/2, de nering 2 – 10 – 0.

4. Bertel Camermans 42 – 18 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0, tienden 1 – 3 – 0.

5. Jan De Jonge 5 – 7 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

6. Hendrick Van Vaerenbergh 0 – 7 – 0.

7. Franciscus? Wambacq 1 – 19 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0, vrije tienden vrije 0 – 16 – 1/2.

8. Jaspar Van Vaerenbergh 1 – 5 – 0.

9. Guillam Van Vaerenbergh 2 – 7 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

10. Anna Van Vaerenbergh 0 – 16 – 1/2.

11. Lucas Bruijlant 55 – 10 – 0, vrije tienden 3 – 16 – 3/4, huisgeld 0 – 10 – 0.

12. Jan Camerman 2 – 9 – 0, de nering 1 – 10 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

13. De weduwe Jan Rogiers 5 – 10 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

14. Nicolaes Meert 42 – 0 – 0, vrije tienden 0 – 10 – 3/4, huisgeld 0 – 10 – 0.

15. Josijen De ? 7 – 13 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0, vrije tienden 0 – 1 – 1/4.

16. Franciscus Van Der Slachmuelen? 4 – 3 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

17. Jacobus Van Inelgem? 22 – 16 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

18. Nicolaes Daumans 1 – 0 – 0, voor Peeter Cornelis 0 – 9 – 1/2, voor de armen 0 – 10 – 0,  de nering 2 – 0 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

19. Baltesar De Bus 7 – 18 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

20. Gillis De Bus 4 – 5 – 0, de nering 2 – 10 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

21. Franciscus? Verberen 1 – 10 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

22. Franciscus? Carlee 1 – 10 – 3/4, huisgeld 0 – 10 – 0.

23. Peeter Van Den Wijngaert 1 – 8 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

24. Peeter Wilms 3 – 16 – 1/4, huisgeld 0 – 10 – 0.

25. Jacobus De Mey 34 – 12 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0, vrije tienden 1 – 3 – 0.

26. Arnout De Smeth 30 – 14 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0, vrije tienden 0 – 4 – 1/2.

27. Jan Van Neervelt 8 – 2 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0, vrije tienden 0 – 4 – 1/2.

28. Weduwe Andries Van Der Straeten 24 – 16 – 1/2, nering 3 – 0 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

29. Merten Wambacq 7 – 2 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

30. Hendrick De Ridder 0 – 7 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

31. Nicolaes Stevens 4 – 2 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

32. De weduwe Melchior Van Den Driessche 3 – 18 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

33. Jan Van Den Broeck 1 – 7 – 1/4, huisgeld 0 – 10 – 0.

34. Peeter Van Den Bossche 2 – 7 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

35. Louis Taeleman 4 – 19 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

36. Geerard Tiron 0 – 10 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

37. Daneel Camerman 3 – 5 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0, vrije tienden 0 – 3 – 1/4, nering 1 – 4 – 0.

38. Franciscus? De Geijnt 1 – 0 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

39. Aert Schellinck 2 – 0 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

40. Gillis De Jonge 0 – 11 – 0, voor Jan Van Den Broeck 0 – 10 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

41. Joos Verberen 0 – 15 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

42. Lucas Jacop 2 – 1 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

43. Joos Van Den Bossche 1 – 11 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

44. Peeter Goosens 42 – 7 – 0, vrije tienden 1 – 19 – 3/4, huisgeld 0 – 10 – 0.

Auwijck.

1. Joos De Gijnt 2 – 1 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

2. De weduwe van Jaecques Van Droogenboeck voor de molen op Avernelle 3 – 15 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

3. Michiel De Cort 4 – 16 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

4. Merten Raese 2 – 9 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0, voor Hendrick De Ridder 1 – 0 – 0.

5. Geerard Van Neervelt 1 – 4 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

6. Weduwe Cornelis De Weese 1 – 8 – 1/4, huisgeld 0 – 10 – 0.

7. Nicolaes Siemons 1 – 11 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

8. Daniel Van Brachem 0 – 12 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

9. Weduwe Hendrick Sterx – 0 – 7 – 0.

10. Jan stevens – 3 – 12 – 0, dezelfde voor de vrije tienden 0 – 3 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

Het landt van Luijck.

1. Gillis Van De Gucht 5 – 15 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

2. Anthoon Taeleman 5 – 11 – 1/4, huisgeld 0 – 10 – 0.

3. Joos de Loose 0 – 12 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

4. Laureijs Arijs 3 – 10 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

5. Merten Pauwels 2 – 16 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

6. Franciscus Rogge 1 – 11 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

7. Jan Steppe 0 – 3 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

8. Weduwe van Carel Pauwels 1 – 2 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

9. Weduwe van Merten Vicerooy 0 – 19 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

10. Michiel Van Den Houte 1 – 19 – 3/4, huisgeld 0 – 10 – 0.

11. Geerard Caemerman 3 – 3 – 0, voor Joos Verberen 0 – 7 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

12. Gillis Coppens 2 – 4 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

13. Weduwe van Michiel Van Cauwenbergh 1 – 12 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

14. Jan De Clerck 2 – 12 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

15. Weduwe Joos De Messemaeker 2 – 15 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

16. Jan De Soeter 1 – 1 – 0.

17. Michiel Lelie 1 – 15 – 1/2, voor Jan Van Den Broeck 0 – 13 – 3/4, huisgeld 0 – 10 – 0.

18. Gillis Van Den Abeele 1 – 17 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

19. Michiel De Jonge 1 – 17 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

Belle.

1. De weduwe Jacques Van Droogenbroeck 48 – 8 – 0, de molen 24 – 0 – 0, de vrije tienden  1 – 18 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

2. Jan De Smeth 1 – 0 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

3. Laurijs Van Mensbrugge 4 – 0 – 0, zijn nering 0 – 18 – 0.

4. Joos Van Der Elst 6 – 16 – 0, vrije tienden 0 – 7 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

5. Jacobus Van Der Elst 6 – 16 – 0, vrije tienden 0 – 7 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

6. Peeter Van Den Steen 0 – 5 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

7. Gillis De Smeth 61 – 15 – 1/4, voor Andries De Vogel 4 – 0 – 0, voor Franciscus Carlee 1 – 0 – 0, vrije tienden 3 – 2 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

8. Peeter Verberen 4 – 2 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

9. Jan Pauwels 0 – 15 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

10. Jan Van Vaerenbergh 58 – 4 – 0, voor de weduwe Jan De Mey 0 – 19 – 1/2, vrije tienden 2 – 4 – 3/4, huisgeld 0 – 10 – 0.

11. Merten Van Den Abbeele 1 – 15 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

12. Weduwe Andries Van Rooyde 2 – 3 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

13. Jan De Mey voor Jan Van Den Broeck 0 – 15 – 1/2.

14. Guillam Van Vaerenbergh 8 – 15 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0, vrije tienden 0 – 2 – 1/2.

15. Peeter De Baetselier 3 – 14 – 1/2, vrije tienden 0 – 2 – 1/4, huisgeld 0 – 10 – 0.

16. De weduwe Jan De Mey nu 1 – 10 – 3/4.

Doment.

1. De weduwe Gillis Van Onsem 7 – 2 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

2. Laureijs De Moere 9 – 17 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

3. Jacques Vermatten 3 – 0 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

4. Hendrick De Smeth 1 – 12 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

5. Gillis Van Den Wijngaert 3 – 19 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0, nering 0 – 10 – 0.

6. Peeter Van Ransbeeck 1 – 5 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

7. Geerard Schoeman 1 – 15 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

8. Adriaen Van Den Abbeele 1 – 11 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

9. Matheus De Cort 1 – 2 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

10. Gillis Van Neervelt 1 – 11 – 1/2, huisgeld 0 – 10 – 0.

11. Aert De Mey 2 – 9 – 0, huisgeld 0 – 10 – 0.

12. Joos Van ?? 0 – 15 – 0.

(S)uijt Landt?

1. Huijbrecht Van Zanten 2 – 0 – 0.

2. De weduwe Foriany 0 – 7 – 0.

3. Lemenardus Simasse 0 – 11 – 1/2.

4. Alexander Grandony 0 – 18 – 0.

5. De erfgenamen Parijs, nu Jan Van Neervelt 0 – 15 – 0.

6. De erfgenamen Van Bellingen 0 – 10 – 0.

7. De kanunnik Besart 3 – 15 – 0.

8. De huisarmen van Hekelgem 0 – 10 – 0.

9. De huisarmen van Essene 0 – 10 – 0.

10. Mijnheer Kempeneer 5 – 10 – 0.

11. Monsieur ’T Kint tot Aast 1 – 2 – 1/2.

12. Joos Van Den Houte 4 – 16 – 0, vrije tienden 0 – 6 – 0.

13. Peeter Mannaert 4 – 17 – 1/2.

14. Jan Van Vaerenbergh tot Doment 5 – 6 – 1/4.

15. Gillis Van Nieuwenborgh 1 – 10 – 0.

16. Gillis Van De Velde 1 – 19 – 1/2.

17. De heer markies van Asse 5 – 17 – 0.

18. De weduwe Steven Van Mulders 6 – 7 – 0.

19. Het gasthuis van Asse 0 – 13 – 0.

20. Franciscus Van Den Driessche 3 – 0 – 0.

21. Joos Plas 0 – 15 – 0.

22. Peeter De Smeth voor 1 jaar 1 – 0 – 0.

23. Ingel De Pijper, nu Jan Van Vaerenbergh 0 – 10 – 0.

24. Hendrick De Bailliu 3 – 7 – 0.

25. Andries De Vog(h)el 27 – 1 – 0, vrije tienden 1 – 19 – 1/4.

26. Gillis De Klerck 28 – 11 – 1/2, vrije tienden 1 – 19 – 1/4.

27. Steven Van Mulders en Peeter Plas 5 – 5 – 0.

28. Jan Meert 0 – 15 – 0.

29. Merten Sernooi 7 – 9 – 1/2.

30. De weduwe Gillis Van Der Borcht 7 – 13 – 0, vrije tienden 0 – 6 – 0.

31. De weduwe Gillis De Smeth 0 – 12 – 0.

32. Merten Leemans 12 – 11 – 0, vrije tiende  0 – 4 – 1/4.

33. De meier van Erembodegem 1 – 3 – 1/2.

34. Het Godtshuijs van Affligem 59 – 15 – 1/2.

35. De bosmeester 18 – 0 – 0.

36. Joos Eeman 3 – 0 – 0

37. Peeter Vonck 0 – 15 – 0.

38. Jan Schoon 0 – 18 – 0.

39. Philips Frans 5 – 0 – 0.

40. Michiel Clauwert 0 – 15 – 0, en voor de helft van Den Belle Koijemeers 8 – 13 – 0.

41. Andries Sophie voor de wederhelft 8 – 13 – 0.

42. Merten Van Den Driessche 0 – 10 – 1/4.

43. Michiel Cornelis 1 – 17 – 0.

44. Peeter De Mey 0 – 10 – 0.

45. Jan Van Nieuwenborgh 1 – 4 – 0.

46. Gillam Janssens 0 – 9 – 1/2.

47. De meier des Godtshuijs van Affligem 38 – 2 – 1/2, vrije tienden 2 – 4 – 1/2.

48. Peeter Seghers 1 – 5 – 0.

49. Peeter Cornelis 0 – 14 – 0.

50. Michiel Vermoesen 2 – 9 – 0.

51. De erfgenamen Gillis De Bailliu 0 – 10 – 0.

52. De erfgenamen Franciscus Wambacq 1 – 19 –  1/2.

53. Sieur ? De Coninck 1 – 16 – 0.

54. Sieur Anthoon ?? 4 – 10 – 0.

55. Joos De Clerck voor twee derden van de tienden op Doment 2 – 10 – 0.

56. De heer pastoor van Meldert voor een derde van de voorschreven tienden op Doment 1 – 5 – 0.

57. Jan De Vis 0 10 – 0.

58. Jan Verberen 0 – 10 – 0.

59. Adriaen Carpentier 3 – 2 – 3/4.

60. Marie De Paepe 0 – 19 – 1/2.

Aldus gedaen, geresolveerd, geset ende gepoint op 13de maart 1701 door Jan Van Vaerenbergh, Lucas Bruijlant, Daneel Camerman en Anthoon Taeleman bedesetters der parochie van Essene. Quod attestor Gillis De Smeth 1701.

Besluit.

De bedesetters deelden Essene in 5 wijken in: Dorp (naam niet vermeld), Auwijck, Land van Luijck, Belle en Doment.

In 1701 werden 161 personen belast voor hun bezittingen in Essene waarvan er 60 niet in Essene woonden. We mogen veronderstellen dat er 101 gezinnen waren. Daarvan betaalden er 85 huisgeld en 40 moesten meer dan 5 gulden bijdragen. 17 inwoners waren welstellend en 5 onder hen betaalden voor anderen. Van 6 wordt vermeld dat ze een nering hadden.

1701. Twee percelen onterecht verkocht[2]?

Op 21 juni 1701 behandelden de schepenen een klacht van Hendrick De Mesmaecker van Sint-Martens-Bodegem tegen Peeter Wambacq. Via zijn vrouw was Hendrick in het bezit gekomen van twee percelen waarvan nu bleek dat Peeter Wambacq en zijn mede-erfgenamen van Michiel Wambacq die ten onrechte had verkocht. Dat was althans de mening van Hendrick. Volgens Peeter Wambacq waren de percelen belast met een erfelijke rente van 18 g 15 st en was in 1694 die rente al meerdere jaren niet betaald. Met toestemming van de schepenbank had hij de stukken openbaar verkocht. Hendrick betwistte de erfelijke rente en hij vroeg de schepenen dat Peeter Wambacq aan hen de nodige bewijzen zou voorleggen. De schepenen gingen in op zijn verzoek.

1703. Handelde Gillis Van den Wijngaerde te voorbarig[3]?

Gillis Van den Wijngaerde liet als collecteur twee koeien van Sebastiaan Van Aelter in beslag nemen. Hij bracht ze naar de stal van Peeter Goosens en verkocht ze. Volgens Jan De Clercq en de andere bedesetters trad Gillis geheel eigenmachtig en zonder hun akkoord op. Gillis  diende daarop een klacht in tegen de andere bedesetters.

Gillis kreeg ook nog een conflict met Nicolaes Kieckens van Hekelgem. Die verzocht de schepenen om hem vrij te stellen van het omstellingsboek gezien van grote nood. De schepenen gingen in op het verzoek op 27 mei 1703.

1705. Peeter Wambacq moet toch betalen[4].

In 1702 diende Peeter Wambacq een klacht in tegen Joanna ’t Sas, de weduwe van Gillis De Smeth, en haar overleden zoon Peeter, collecteur van Essene. Wambacq ging niet akkoord met de hem opgelegde sommen die hij voor 1700 tot 1702 moest betalen, namelijk  21 g 5 ½ st, 4 g 3 st 1 o en 4 g 9 st 1 o. Daarop diende Joanna een klacht in tegen Peeter Wambacq. De schepenen vroegen het advies van de Raad van Brabant en die verwierp de argumenten die meester Adriani voor Peeter Wambacq had ingediend.

1705. Verpachten van vaege gronden[5].

Met toestemming van de schepenen wilden de bedesetters enkele ongecultiveerde onroerende goederen verpachten om de opgelegde penningen aan de Staten van Brabant te kunnen betalen. Als voorwaarden stelden ze dat het om een termijn van drie jaar ging, dat de huurder geen verbeteringen of schade door legers aangericht, mag aanrekenen op het einde van zijn pacht en de vruchten die na half oogst nog op de velden staan, moet hij aankopen. Het ging om de volgende goederen:

– een hofstede toebehorend aan de weduwe Franciscus Charles, groot 1 d 13 r, toegewezen aan Franciscus Slachmolen voor 6 – 0 – 0. Borg Guilliam Van Varenbergh.

– een hofstede gelegen op de Groote Capelle, groot 85 r, toegewezen aan Daniel Camermans voor 1 – 11 – 0. Borg ? Camermans.

– een land groot 3 d 50 r op het Trommelvelt,  toegewezen aan ? Camermans voor 2 – 0 – 0. Borg Daniel Camermans.

– nog een veld groot 83 r gelegen op Den Belderdael op den Exterenbergh”, toegewezen aan Lucas Bruijlants, onkostenvrij voor 0 – 15 – 0.

– nog een veld groot 1 d op Den Meuter, toegewezen aan Jan De Clerck voor 0 – 10 – 0.

– een veld groot ontrent 1 d toebehorend aan Jan De Meije op het Trommelvelt toegewezen aan Jan Camermans voor 2 – 8 – 0. Borg Carel Rogiers.

Verhuurd op 20 april 1704 ter presentie van Guilliam Van Varenbergh, Bartholomeus Camermans, Jacobus Van Der Elst en Franciscus Van Der Put,  bedesetters en Gillis De Smeth, Jan Camermans en andere gementenaren.

1704. Lijst van de paarden te Essene[6].

Op 22  oktober 1704 werden de paarden te Essene geteld. Alleen de grotere boeren hadden 1 of meer paarden die ze ook gebruikten om bij de kleine boeren het zware veldwerk te doen zoals ploegen, de oogst binnen halen enz.:

– Francis Wambacq: een zwarte ruin oud 3 jaar.

– ? Camermans een zwarte ruin oud 6 jaar, een bruine merrie oud 8 jaar, een zwarte ruin oud 13 jaer, nog een rode merrie oud 10 jaar: 4 paarden.

– Peeter Wamback een grijze ruin oud 10 jaar, een rode ruin oud 20 jaer, een rode ruin 13 jaar, een bruine merrie oud 7 jaar: 4 paarden.

– Niclaes Meert een vosse ruin oud 19 jaar, item een rode blesmerrie oud 10 jaar: 2 paarden.

– Judocus Van Vaerenbergh een bruine ruin oud 3 jaar, een zwarte merrie oud 5 jaar: 2 paarden.

– Jacobus De Mey een kleine rode ruin oud 3 jaar, een bruine blinde merrie oud 13 jaar: 2 paarden.

– Art De Smeth een bruine merrie oud 9 jaar, een zwart-bruine ruin oud 3 jaar: 2 paarden.

– Andries Van Der Straeten een grijze hengst oud 10 jaar, een zwarte merrie oud 10 jaar,  een zwarte merrie oud 5 jaar: 3 paarden.

– De weduwe Jacobus Van Droogenbroeck een bruine ruijn van 3 jaar met een bles op het hoofd, een zwarte ruin met een ster op het hoofd oud 9 jaar, een zwarte merrie oud 5 jaar, een grijze ruin oud 16 jaar, nog een zwarte merrie van 18 jaar met een ster op het hoofd: 5 paarden.

– Gillis De Smeth een zwarte hengst oud 13 jaar, een zwarte ruin van 10 jaar, nog een vosse ruin van 3 jaar, nog een zwarte ruin van 3 jaar, nog een vosse merrie van vijf jaar: 5 paarden.

– Jan Van Vaerenbergh een zwarte merrie oud 10 jaar, nog een zwarte merrie van 9 jaar,  een zwarte ruin van 3 jaar, een zwarte merrie van 3 jaar: 4 paarden.

– Peeter Goossens een rode hengst oud 8 jaar, nog een bonte merrie van 3 jaar: 2 paarden.

– Judocus Van Onchem een bleszwarte ruin oud 15 jaar: 1 paard.

– Jacobus Van Der Elst een zwarte merrie van 16 jaar, nog een grijze merrie van 14 jaar: 2 paarden.

Totaal 43 paarden.

1705. Lijst van de goederen die paalden aan of gebruikt werden voor de nieuwen casseijewegh[7].

De goederen worden aangegeven in bunder – dagwand – roeden.

– Andries De Vogel op de Nieuwenboschcauter: 0 – 0 – 29.

– idem land met wit koren: 0 – 0 – 32.

– idem haver: 0 – 0 – 33

– idem tarwe op ’hetzelfde veld: 0 – 1 – 14.

– idem op hetzelfde veld tarwe:  0 – 0 – 53 1/2.

– idem op hetzelfde veld tarwe: 0 – 0 – 30.

– idem op Den Nieuwenboschcauter: 0 – 0 – 6.

Totaal voor Andries De Vogel[8]: 0 – 2 – 97 1/2.

-Gillis De Clerck op dezelfde Nieuwenboschcauter: 0 – 0 – 82.

– idem klavere:  0 – 0 – 54

– idem braakland: – 0 – 0 – 40.

– idem gerst: 0 – 0 – 40.

– idem haver: 0 – 0 – 43.

Totaal voor Gillis De Clerck :0 – 3 – 1.

– Joos Van Den Houte op dezelfde Nieuwenboschcauter tarwe: 0 – 0 – 44.

– Het Godtshuijs van Afflighem op Den Meirtelinckbosch en de vijverdam samen: 0 – 0 – 69.

Totaal voor de parochie van Essene: 1 – 3 – 11 1/2.

Actum 10de januari anno 1705. Qquod attestor als gezworen landmeter Joos De Deken.

1706. Begijn Joanna Maria Wambacq eist betaling van verkocht hout[9].

Jan Stevens kocht voor 8 g hout van Joanna Maria Wambacq, begijn in het Groot Begijnhof te Brussel. Op 1 november 1705 liet zij haar advocaat Crick een klacht indienen bij de schepenen tegen Jan Stevens. Die was duidelijk niet zinnens te betalen of kon het niet want hij noch zijn advocaat Adriani verschenen na de drie dagvaardingen voor de schepenen. Op 20 januari veroordeelden de schepenen hem tot de betaling van 18 g 1 st waarvan 8 g voor het begijntje.

1708. Nicolaes Meert tegen de Kerk van Essene[10].

Op 8 januari 1688 ontving Nicolaes Meert 100 g van Carel Steppe, de rentmeester van de Kerk. Francis Van Slachmolen stelde de akte op in tegenwoordigheid van pastoor Martinus Polspoel en Gillis De Bus, de armenmeester. Jan Van den Mael van Teralfene stelde zich borg. Volgens de akte moest Nicolaes de geleende som hetzelfde jaar met Bamis teruggeven, maar dat deed hij niet. Het geschil geraakte niet opgelost tot de schepenen Nicolaes op 2 mei 1708 veroordeelden tot betaling van de geleende som en de proceskosten.

1710. Van wie was de hofstede[11]?

In 1682 kwam Gerard Van Vaerenbergh in het bezit van een hofstede  met huis, groot 140 r, gelegen in Essene op Den Biesendriessche, palend aan de straat, meester Gillis De Witte en de erfgenamen Wellens. Gerard kocht de hoeve niet, hij moest jaarlijks de grondcijns van 29 st 1 pleck aan de abdij betalen, een rente van 12 g aan de paters jezuïeten van Leuven en 2 g aan de Kerk van Essene. Gerard was getrouwd met Elisabeth Verhoeven en zij hadden drie kinderen:

1. Anna, gedoopt te Essene op 26 november 1681.

2. Joannes, gedoopt teEssene op 2 oktober 1685.

3. Petrus, gedoopt te Essene op 9 februari 1687.

Gerard stierf op donderdag 4 maart 1688 en zijn vrouw Elisabeth overleed op vrijdag 6 februari 1693. Zij was na de dood van haar man hertrouwd met Joannes De Loose. Hun kleine kinderen konden onmogelijk op de hoeve blijven wonen. Hun voogd, Nicolaes Stevens en de familileden Jan Verhoeven, Gerard Verhoeven en Adriaan De Ridder verkregen op 17 augustus 1694 van de drossaard en de schepenen van Asse de toestemming om de hofstede over te dragen aan Anthoon Taelman en Elisabeth Steppe. Antonius trouwde op dinsdag 25 november 1692 in Essene met Elisabeth Steppe, 29 jaar oud. Zij is gedoopt op maandag 28 mei 1663 in Essene en overleed op zaterdag 3 maart 1736 in Essene, 72 jaar oud. Antonius overleed op vrijdag 6 juni 1710 in Essene. De akte van de overdracht werd opgesteld door meier Gillis Robijns en de schepenen Peeter Geerstman, Nicolaes Meert en Guilliam De Baetselier van de Affligemse schepenbank op 24 december 1796. Ook hier werd geen koopsom betaald, maar moesten Antonius en Elisabeth de grondcijns en de renten overnemen.

In 1710 betwistte Peeter, de jongste zoon van Gerard, de wettelijkheid van de overdracht van de hofstede aan Anthoon Taelman. Hij stelde dat de hoeve aan hem toekwam als erfenis van zijn ouders. Hij argumenteerde dat de hofstede meer waard was dan wat er voor als lasten werd betaald. Bovendien was de overdracht gebeurd zonder kerkgebod en zonder een openbare aanbesteding. De personen die er verantwoordelijk voor waren, behoorden allen tot de familie van Elisabeth Verhoeven. Van de kant van zijn vader was daar niemand bij betrokken geweest. De weduwe van de inmiddels overleden Antonius, Elisabeth Steppe betoogde dat de overdracht was gebeurd met de goedkeuring van de drossaard en de schepenen. Zij hadden ook al een nieuw huis op de site gebouwd.

De schepenen van Asse stonden voor een aartsmoeilijke opdracht. Zij moesten bepalen wie de wettelijke eigenaar van de hofstede was. Hun vonnis ontbreekt echter in het document.

1717. Brief aan de aartsbisschop[12].

In een schrijven aan aartsbisschop Thomas d’ Alsace, tevens de 35ste abt van Affligem, vroegen de bedesetters van Essene de toelating om een stuk land te verkopen. Het ging om een perceel van 2 d 8 r op het Trommelveld dat paalde aan de goederen van de raadsheer Caloma, Peeter Van den Weijenbergh, de weduwe Steelant en de weduwe Peeter Wambacq. Het was belast met een jaargetijde van 4 g voor de zielenrust van de niet bij naam genoemde fondateur. Het geld moest aan de pastoor worden overhandigd die het ook mocht gebruiken om de koster te vergoeden en voor de kerk.

De erfgenamen van de fondateur hadden al 25 of 30 jaar de grond niet meer gebruikt. Het gevolg was dat de lasten niet werden betaald en het jaargetijde niet gecelebreerd. De officier had al meerdere pogingen ondernomen om een huurder te vinden, maar door de slechte ligging was dat niet gelukt. Daarom wilden ze nu het perceel verkopen. Op 11 mei 1717 antwoordde de aartsbisschop dat hij het advies van de pastoor wou vernemen. Die ging akkoord met de verkoop en op 24 juni volgde de toestemming. Na meerdere biedingen van Peeter De Ridder en Jan Leemans kon Franchois Wambacq op 28 juni 1717 het perceel kopen.

1720. Stiekem hout kappen[13].

In augustus 1719 was Judocus De Bailliu bezig met onkruid te wieden op de Pillewijweide toen hij hoorde dat er in het bos van raadsheer Caloma iemand hout aan het kappen was. Hij

ging kijken en zag dat Geeraert Verbeeren[14] schaarhout van 5 jaar hout afkapte. Hij beval Geeraert om onmiddellijk te stoppen want zijn vader was de boswachter. Meteen riep hij zijn broer om hem te helpen om Geeraert naar de hoofddrossaard te leiden. Die maakte zich snel uit de voeten en Judocus bracht de hoofddrossaard op de hoogte van het gebeuren. Op 6 februari 1720 legde hij zijn getuigenis af bij schepen Clauwaert.

1720. Hofstede 15 r te groot[15].

De weduwe van Nicolaes Dauman had van haar vader Joos Van Vaerenbergh de hofstede Den Creckelen Driessche geërfd. De hoeve paalde aan haar eigen goederen, aan Lucas Geerstman, de straat en Adriaen De Ridder. Zij was 1 ½ d groot. In 1720 liet zij door de gezworen landmeter Joos De Deken haar hoeve en die van haar buur, de weduwe Van Hendrick De Ridder, opnieuw opmeten. Wat bleek? Haar hofstede telde nu 15 r minder en die van de buurvrouw 15 r meer. Zij richtte zich tot de schepenen met de vraag de weduwe van Hendrick De Ridder te verplichten tot teruggave van de 15 r.

1722. De paardensmid kwam zijn verbintenissen niet na[16].

Op 11 februari 1708 leende Steven Raes, meester paardensmid uit Asbeek, 50 g aan een rente van 6,25% met de belofte om het bedrag binnen de drie jaar terug te geven. De leengevers waren Adriaen Van Damme en Petronella Lenoir. Als pand stelde hij al zijn bezittingen ter beschikking. In 1722 bleek dat Steven zich aan geen enkele overeenkomst had gehouden. Hij werd op 19 september 1722 door de schepenen veroordeeld tot directe inlossing van het geleende bedrag en de betaling van de proceskosten.

1727. Vechtpartij bij Jacobus De Bus[17].

Op 26 juni 1727 ondervroegen schepen J. La Hoese en de poorters Gommaert Verloes en Peeter Ledeghen in opdracht van de hoofddrossaard enkele getuigen van de vechtpartij van 24 juni in en aan de herberg van Jacobus De Bus. De 30-jarige Peeter Bruijlant kwam als eerste aan de beurt. Toen hij die dag omstreeks 8 u. ’s avonds bij Jacobus De Bus binnen ging, hoorde hij heel wat tumult dat uit de keuken kwam. Hij zag daar heel wat volk: Jacobus De Bus, Hendrick Camermans, Peeter Wambacq, Adriaen Vermeiren, Judocus Van Varenbergh, Steven De Bus, Arnoult De Smet en Aert Wauters. Peeter Wambacq, zoon van Arnout, en Steven De Bus bloedden uit hun mond en neus. Een woedende en vloekende Hendrick Camermans hoorde hij tegen Adriaen Vermeiren zeggen: Adriaen gij hond, ick sal u hebben, ist vandaegh niet soos al het morgen ofte overmorgen sijn, gij moet evenwel van mijne handen sterve. Peeter Bruijlant begreep dat er werd gevochten en ging naar een andere kamer. Later vernam hij dat de vrouw en de zoon van Carel Steppe op straat met Peeter Wambacq waren slaags geraakt.

Franciscus Van Varenbergh, zoon van Guillelmus en Elisabeth Van Den Abbeele, 24 jaar, verklaarde dat hij op die 24ste juni in de keuken van Jacobus De Bus Hendrick Camermans, Peeter Wambacq, Steven De Bus, Adriaen Vermeiren, Jacobus De Bus zelf en nog  anderen zag staan. Steven De Bus bloedde uit zijn mond. Hij vroeg hem: Steven wat hebt gij dat gij soo bloedt. Steven antwoordde: sij commen mij daer stommelincx te slaen. Onmiddellijk greep hij Peeter Wambacq vast en sloeg hem met zijn vuist. Peeter verweerde zich en het draaide uit op een zware vechtpartij. Franciscus trachtte Camermans te kalmeren en waarschuwde hem dat de jonge mannen hem wel blauw konden slaan. Camermans antwoordde al schreeuwend en vloekend: ick en geve om hun niet nochte en hebbe met hun niet van doen. Daaropging hij de straat op gevolgd door Wambacq die met de vrouw en de zoon van  Carel Steppe begon te vechten. Ze sloegen zo hard op elkaar dat er bloed vloeide. Franciscus is dan maar vertrokken.

Jacobus De Bus, omtrent 28 jaar, hoorde die avond in zijn keuken Hendrick Camermans vragen: wie heeft hier mijne vrouwe vuijtgestooten? Niemand antwoordde en Camermans viel uit tegen Adriaen Vermeiren gij blixem off gij donder, gij hebt het gedaen. Hij haalde meteen uit naar Vermeiren die op de grond viel. Peeter Wambacq trok Vermeiren weg van Camermans, maar die hield niet op. Ze bleven vechten. Toen Wambacq nog eens tussenbeide wou komen, weerhield Steven De Bus hem met het gevolg dat Wambacq zich tegen De Bus keerde en er een nieuwe hevige vechtpartij ontstond. Jacobus kon ze na korte tijd uit elkaar halen. Camermans echter wist van geen ophouden en riep Steven De Bus om naar buiten te komen. Die zou dat gedaan hebben, maar Jacobus en zijn moeder konden dat beletten. Het vervolg van Jacobus getuigenis is onleesbaar.

Adriaen Vermeiren, zoon van Jan, 25 jaar, en Steven De Bus[18], zoon van Balthazar, oud omtrent 24 jaar, zaten die avond bij Jacobus De Bus wat bier te drinken. Zij bevestigden de verklaring van Jacobus De Bus

Catharina De Mol, devrouwvan Jacobus De Bus, oud omtrent 27 jaar, verklaarde dat zij die avond alles heeft gezien wat er bij haar thuis is voorgevallen en waarvan haar man al een juiste verklaring heeft afgelegd.

Peeter Slaghmolder, omtrent 32 jaar,  stond op 24 juni om 8 u ’s avonds op straat aan de gevel van het huis van Pauwel De Meersman samen met Peeter Wambacq. Carel Steppe met zijn vrouw en hun zoon kwamen tot bij Peeter Wambacq. Zij kregen ruzie en Carel Steppe sloeg Wambacq in zo hard in zijn gezicht dat hij veel bloed verloor. Wambacq trachtte zich te verweren, maar de vrouw en de zoon van Carel Steppe begonnen ook  te slaan en met zijn haar te trekken, wat de naderbij gekomen Peeter Stevens, zoon van  Peeters, ook deed. Korte tijd later stopte het vechten. Guillielmus Van Varenbergh,  57 jaar, legde zezelfde getuigenis af.

Jan Rogiers, zoon van Cornelis, oud omrent 37 jaar, was bij Jacobus De Bus met onder andere Adriaen Vermeiren en Hendrick Camermans die tegen Vermeiren zei: Dit is den donder die ick hebben moet. Waerom hebdij mijne vrouwe vuijt den huijse gestooten?  Onmiddellijk vielen ze elkaar aan waarop Jan snel vertrok.

Arnoult De Smet, omtrent 56 jaar, was ook die avond in een kamer van Jacobus De Bus. In de keuken was er gekrakeel en het geluid van vechtenden. Hij is in de kamer blijven zitten tot het gevecht ten einde was. Toen hij dan in de keuken kwam, zag hij dat Steven De Bus en Peeter Wambacq bloed in hun gezicht en op hun jassen hadden. Hij vroeg  aan De Bus: wel jonghen wat hebt gij gedaen dat gij soo bebloed sijt? De Bus antwoordde dat ze hem flink hadden aangepakt. Arnoult is dan weggegaan.

1728. Over een gestolen bijenkorf[19].

De hoofddrossaard van het Land van Asse vroeg de schepenen Joannes Van den Bossche en Martinus Linthout een onderzoek in te stellen naar een gestolen bijenkorf. Op 27 juni ondervroegen de schepenen enkele getuigen.

Peeter Camermans, zoon van Jan en 27 jaar, vertelde de schepenen dat in de nacht van 12 juni 1728 een van zijn drie bijenkorven was gestolen. Op 20 juni vertrouwde Gillis De Valck hem toe dat hij wist waar zijn gestolen korf was terecht gekomen. Hij was zelfs bereid hem te tonen waar ze stond. Met officier Jan Rogiers en Jan Van den Bossche, zoon van Peeter en Gillis ging Peeter Camermans naar het huis van Hendrick Van Droogenbroeck in Ter Linden, een gehucht van Asse. Daar zag Peeter zijn korf staan. Hij sprak Hendrick Van Droogenbroeck daarover aan en die antwoordde hem, zij het na eerste weigeringen, dat Judocus Verbeiren, de zoon van Jan, hem op 11 juni aanbood hem een korf te brengen voor 2 g 16 st. Die korf, zo zei jij, was van zijn vader en stond bij Peeter Camermans die nog twee andere korven had. Hendrick ging akkoord om 2 g 8 st te betalen. Daarmee was Judocus erg opgezet want daarmee had hij een tweelinck gevangen. Hij had een korf en dat was buiten weten van zijn vader. Peeter Camermans ontkende ten stelligste dat de korf van Judocus vader was. Enkele dagen later kwam de vader van Judocus aan Peeter vragen wat hij van plan was in verband met de diefstel. Peeter antwoordde dat de zaak in handen van het gerecht was. Op 21 juni was er in het huis van Carel Rogiers een vergadering met  Hendrick Louis, Guillam Van den Houte en Jan De proest. Toen Peeter daar passeerde, stelde Hendrick Louis hem voor hem een pattacon te geven in ruil voor het stoppen van de vervolging. Peeter weigerde. Voor hem was het duidelijk: wie de korf had gestolen, moest ze ook terug brengen.

Jan Van Den Bossche,  werkman en kossaard, zoon van  Peeter, oud omtrent 47 jaar,  verklaarde dat hij op de 20 juni bij Peeter Camermans was  toen Gillis De Valck toekwam en zei dat hij wist waar zijn gestolen bijenkorf was en dat hij bereid was om te tonen waar ze stond. Met Gillis De Valck en Carel Rogiers ging Peeter naar het huis van Van Droogenbroeck in Ter Linden te Asse. Daar gekomen vonden ze de korf die Jan voor Peeter had gemaakt. Van Droogenbroeck vertelde dat al op 11 juni Judocus Verbeiren hem een bijenkast wou bezorgen voor  2 g 16 st. Ze stond bij Peeter Camerman, was eigenlijk de helft van een grotere korf van zijn vader die hij in twee had gesplitst. Toen Judocus met de korf  kwam, woog die geen 30 pond zoals hij beweerde en Hendrick bood hem 2 g 8 st. Judocus aanvaardde het bod.  Peeter Camermans wist dat Jan Verbeiren  al meerdere jaren geen bijen meer had.

Gillis De Valck, zoon vanHendrick, kossaard, geboortig van Asse en wonend in Ter Linden, oud omtrent de 40 jaar, werkte op 21 juni met Judocus Verbeiren en anderen in dienst van sieur Innis op zijn goed gelegen onder Asse. Aan Judocus Verbeiren vroeg hij of het waar was wat men vertelde, namelijk dat hij een bijenkorf van Peeter Wambacq had gestolen. Judocus antwoordde dat hij de biienkorf aan Van Droogenbroeck had geleverd.

Gillis Van Stichel, zoon van Christoffel, geboortig en inwoner van Asse in het gehucht Koutertaverent, oud omtrent 30 jaar, was op 12 juni bij Hendrick Van Droogenbroeck ‘s morgens tussen  vijf en zes uur. Daar zag hij Judocus Verbeiren die er een korf met biien bracht. De korf stak in een zak en woog niet zo zwaar als hij beweerde. Van Droogenbroeck zei dat hij de bijenkorf aan zijn zoon had verkocht.

Op 12 juli zetten de schepenen Joannes Van den Bossche en peeter Verleijsen de ondervraging van getuigen voort met Peeter Cammermans. Hij was een zoon van Jan en latten capper van beroep. Hij vertelde de schepenen dat hij de bijenkorf herkende aan de letters die hij in een clijn houte spaenten had gesneden: P.C.M. De lat stak vooraan in de korf en hij toonde die aan de griffier Robijns en de schepenen.

Op 7 september kwam de laatste getuige aan het woord bij de schepenen Joannes Van den Bossche, Linthout, Voghel en Van Humbeeck. Carel Rogiers, officier van het Land van Asse, geboortig van Essene, oud omtrent 50 jaarwerd op 20 1728 geroepen door Peeter Camermans om met hem naar zijn huis te gaan. Daar zat Gillis De Valck die verklaarde dat hij wist waar de gestolen bijenkorf was en dat hij hen naar die plaats zou leiden. Samen met Camermans, Gillis De Valck en Jan Van Den Bossche, zoon van  Peeter, gingen ze naar het  huis van Hendrick Van Droogenbroeck in het gehucht Ter Linden. In een hal zag Camermans zijn bijenkorf staan. Als bewijs trok hij een spaander uit de korf waarop zijn naam stond. Dan gingen ze naar het huis van Van Droogenbroeck. Op de vraag waar hij die korf had gehaald, antwoordde Hendrick van Judocus Verbeiren die de korf had gebracht. Al op 11 juni had hij hem al een bijenkorf van 30 pond beloofd voor de som van 2 g 16 st. Judocus Verbeiren had hem ook verteld dat de bijenkorf in de hal van Peeter Camermans stond met nog 2 andere. Hij zou de zwaarste nemen. Toen Judocus met de korf met bijen aan zijn deur stond, wou hij geen 2 g 16 st geven omdat ze geen 30 pond woog. Uiteindelijk kwamen ze overeen dat Van Droogenbroeck 2 g 8 st zou betalen. Judocus voegde er nog aan toe dat het een korf van zijn vader was die hij bij Camermans had gezet buiten weten van zijn vader en hij verbood hem daarover iets aan zijn vader te zeggen.

1734. Peeter Wambacq beledigt de tiendensteker[20].

Op 7 juli 1733 tussen 7 en 8 u. ’s morgens was Carel Rogiers als tiendensteker aan het werk op een veld van Peeter Wambacq[21] nabij het huis van Anthoon De Bois. Peeter Wambacq daagde plots op en woedend riep hij Carel toe: gij mordiuschen voleur hoe heb gij daer mijn graen verthient. Carel Jan De Bois, zoon van Anthoon en Petronella Rogiers keken verbaasd toe. Carel antwoordde: hebbe ick u graen qualijck verthient doet u clachten tot Assche bij mijne overheijt, Hij herinnerde Peeter eraan dat hij ook tiendensteker was geweest.  Omwille van de belediging diende Carel een klacht in tegen Peeter Wambacq op 18 augustus1733.

Hoofddrossaard Joannes Emanuel Loovens verzocht de schepen Joannes Van den Bossche en Jan Van Assche om de getuigen van het voorval te ondervragen. Dat gebeurde op 16 februari 1734. Carel Rogiers, officier van Essene, 56 jaar, herhaalde wat hij al in zijn klacht had vermeld. Peeternella Rogiers, vrouw van Jacobus Bijs, omtrent 44 jaar, kon de woordenwisseling tussen Peeter Wambacq en Carel Rogiers  herhalen. Jan De Bois, 16 jaar, zei dat hij de twee mannen had horen kijven zonder precies te weten wat ze hebben gezegd.

1734. Vandalisme in een hopveld[22].

Daniël Camermans, zoon van Michiel, 19 jaar, dienstbode bij pachter Jan Plas te Hekelgem, was op de avond van 22 augustus 1734 in de herberg van Peeter Camermans toen Carel Van Belle binnenkwam en Peeter waarschuwde dat er enkele mannen bezig waren de hopstaken van zijn hopveld in stukken te breken. Peeter vertrok onmiddellijk gevolgd door Daniël. Aan een van de mannen vroeg Peeter waarom ze zijn staken vernielden. Die ontkende ook maar een staak te hebben gebroken. Hij stelde dezelfde vraag aan een tweede persoon en greep die bij zijn hals en sloeg hem met zijn vuist in het gezicht. Daniël kende die twee mannen niet, wel de derde, namelijk Jacobus Van Belle, dienstbode bij de weduwe Van der Heijden in Sint-Katharina-Lombeek Toen sloeg een van de drie met een stok zo hard op zijn hoofd dat hij bewusteloos op de grond viel. Bij bewustzijn gekomen ging hij terug naar de herberg van Peeter Camermans. Die verklaring legde Daniël af bij de schepenen Peeter Verleijsen en Jacobus Meert op 26 augustus 1734. Die onderzochten het vandalisme op vraag van hoofddrossaard Loovens.

Als tweede getuige verscheen Peeter Franciscus Le Touche,  meester chirurgijn uit Ternat.  Hij werd op  22 augustus 1734  ‘s nachts tussen twaalf en één uur door twee mannen naar het huis van  de gekwetste Peeter Camermans geroepen.  Hij stelde bij Peeter een vleeswonde vast boven het linkeroog dat maar na drie dagen weer open ging. Hij had ook een bloeduitstorting aan de rechterelleboog. Die rechterarm kon Peeter vijf dagen niet gebruiken. Op zijn rug had hij ook vier of vijf bloeduitstortingen en hij was geheel blauw geslagen.

Carel Van Belle, geboortig van Sint-Katharina-Lombeek en inwoner van Essene, een kossaaard van omtrent 35 jaar, was op 22 augustus 1734 in het huis van Peeter Camerman  en vernam er dat in zijn hoplochting enige personen de hopstaken vernielden. Hij vertelde dat direct aan Peeter uit eene gebuersaemheijt en opdat hij niet meer schade zou leiden. Camermans vertrok naar zijn hopveld hij is hem gevolgd. Ze stonden enige tijd te luisteren om te horen waar de vandalen waren toen hij Jacobus Van Belle en Laureijs De Wever, zoon van Jan, dienstbode bij Jan Cranom in Ternat zag toekomen. Er ontstond over de gebroken staken een discussie tussen Peeter Camerman en Jasper Van Der Slaghmolen die ontaardde in een handgemeen. De drie mannen sloegen met hun stokken. Carel, die vreesde dat het tot een vechten zou komen, had zich eerder al verstopt, maar hij hoorde de slagen tot waar hij stond. Na het gevecht ging hij naar het huis van Peeter Camerman en zag dat hij boven zijn ogen geheel blauw was. Hij is dan naar huis gegaan.

Jacobus Bijs, inwoner van Essene en geboortig van Asse, een kossaard van 35 jaar, was  op 22 augustus 1734 in de hoplochting van Merten Schellinckx rechtover het hopveld van Peeter Camerman.  Vandaar hoorde hij dat Peeter Camermans in zijn hoplochting werd geslagen. Een persoon hoorde hij roepen slaet hem doodt en daarna hij heeft genoech, houdt op. Hij is nog in het huis van Camermans geweest toen de chirurgijn meester Peeter Franciscus Le Touche de wonden verzorgde.

Peeter Camerman,  gekwetst te bed liggend, omtrent de 34 à 35 jaar, verklaarde  dat op 22 augustus Carel Van Belle omtrent 9 a 10 u. ’s avonds hem kwam zeggen dat er enige personen bezig waren zijn hopstaken te breken. Hij is naar zijn hopveld gegaan waar hij  Laureijs De Wever, Jaspar Van Der Slaghmolen en Jacobus Van Belle tegenkwam. Hij vroeg aan Laureijs De Wever waarom hij zjn hopstaken brack. De Wever ontkende en zo ontstond er ruzie en stootte hij Laureijs De Wever in de straat omver. Daarop vielen Jaspar Van Der Slaghmolen en Jacobus Van Belle hem met hun stokken aan. Ze sloegen zo hard dat hij op de grond viel en nog een van de drie hoorde roepen slaet hem doodt. Hij was  zo gekwetst  dat zij hem  naar huis moesten helpen.

In 1716 diende chirurgijn Peeter Franciscus Le Touche bij de schepenbank een klacht in tegen Peeter Camermans omdat hij, twee jaar na de feiten, nog 16 g moest betalen voor de verzorging van zijn wonden. Peeter werd driemaal gedagvaard, maar reageerde niet. De schepenen veroordeelden hem op 29 januari tot betaling van de 16 g en de proceskosten, in het totaal 29 g ½ st.

Meer informatie ontbreekt.

Daniël Camerman, zoon van Michael en Clara Hamerycks, gedoopt op zaterdag 21 december 1715 in Essene.

Jacobus Van Belle, gedoopt omstreeks 1708 in Sint-Katharina-Lombeek en overleden op maandag 23 oktober 1780, ongeveer 72 jaar oud. Hij trouwde, ongeveer 30 jaar oud, op maandag 6 oktober 1738 in Asse met Anna De Nil, 26 jaar oud. Zij is gedoopt op donderdag 18 februari 1712 in Asse en overleed op vrijdag 11 november 1768 in Asse, 56 jaar oud.

1739. Ruzie over een grensscheiding[28].

Nadat Jan Van de Velde de haag tussen zijn erf en dat van zijn buur, Martinus Van Vaerenbergh, had gerooid, trok Martinus een gebouw op dat pal op de scheiding stond. Dat althans naar de mening van Martinus. Zoals toen nog gebruikelijk was, stonden de gebouwen van de buren niet aan elkaar, maar was er een kleine tussenruimte die als goot functioneerde. Martinus had een afhellend dak langs de kant van Jan en zijn eigendom ging volgens de costume tot waar de regen op de grond viel. Jan dacht daar anders over en beschuldigde Martinus ervan dat hij een muur van het gebouw op zijn grond had gezet. Hij diende ook een klacht in bij de schepenbank. Om aan de ruzie een einde te maken, vroeg Martinus de schepenen om de zaak te komen onderzoeken. Die vonden op 3 juni 1739 tussen de gebouwen van beiden aan de bakoven van Martinus een grenssteen. Van het midden van de steen trokken de schepenen een rechte lijn en zo bleek dat de nieuwbouw van Martinus volledig op zijn grond stond. Op 26 mei 1739 verzocht Martinus de schepenen om de klacht van Jan als ongefundeerd te behandelen en hem te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

Jan reageerde direct en vroeg Peeter De Boitselier, zoon van Michiel en Catharina Vermoesen, oud 77 jaar, en Carel Van Belle, zoon van Peeter en Josina De Pape, 41 jaar, om bij notaris E. Crick een verklaring af te leggen. Zij getuigden dat ze 1735 Jan hielpen met het rooien van de oude haag en het aanplanten van een nieuwe.  Martinus ging akkoord met de plaats van de nieuwe haag. Van de kant van Martinus hebben ze nog een berm gemaakt.

Jan Van de Velde diende op 9 september 1739 een verweer in bij de schepenbank.  In 1735 rooide hij de oude haag en groef een gracht om een nieuwe haag te planten. In het midden van de gracht spande hij een draad en op die plaats zou de nieuwe haag komen. Dan riep hij Martinus en vroeg hem of hij akkoord ging met de plaats van de haag. Die bekeek de situatie, verplaatste de draad wat en zei dat hij akkoord was. Jan plantte zijn haag drie voeten van de scheiding met Martinus. Die haag staat er nog. Aan zijn kant legde Martinus een berm aan tot tegen de haag en dus 3 voeten op grond van Jan. Tijdens het bezoek van de schepenen beloofde Martinus om aan zijn nieuwbouw een goot te hangen opdat de afloop van het dak niet op grond van Jan zou vallen. Die nieuwbouw springt 4 voeten vooruit ten opzicht van Martinus’ andere gebouwen en komt tot 2 voeten van het midden van de haag. Het gebouw staat volgens Jan 1 voet op zijn grond. Hij vraagt de schepenen Martinus te verplichten de muur af te breken.

Op 13 oktober weerlegde Jan een repliek van Martinus die echter in het dossier ontbreekt. De grenssteen aan de bakoven van Martinus grenst niet aan zijn eigendom, wel aan die van Carel Rogiers. Die steen kan dus niet dienen om de grens tussen hen te bepalen. Trouwens er was aan de andere kant geen tweede grenssteen te vinden. Tussen het huis van Martinus en zijn huis staan al sinds mensenheugenis vlierstruiken. Die staan in het verlengde van de haag en zijn ook zijn eigendom.

1740. Inbraak in de kerk[29].

Op 27 februari 1740 liet pastoor J. Wauters de drossaard weten dat er in zijn kerk was ingebroken. Hij noteerde wat er was gestolen:

– 4 altaardweilen.

– een zilveren remonstans.

– 4 zilveren heilige vaten.

– 4 alben.

– 4 amicten (vierkanten linnen doek die de priester (vroeger) dragen over hals en schouder onder de albe)

– 7 overrocken.

– 1 of 2 cingels (cingulum, witte gordel om de albe)

– de braak ( een soort sierketting bestaande uit zilveren plaatjes, gedragen door de koning van de schuttersgilde)

1741. Peter Van de Putte verdronken in de Bellebeek[30].

Peter Van de Putte, geboren in 1686, nam in 1716 de Bellemolen van zijn vader Jasper over. Dat was een belangrijke periode in zijn leven. Hij was het jaar daarvoor met Maria Pepersack getrouwd en hij begon in 1717 een memorieboek met de eerste kwijting van zijn pacht van de molen van het verlopen jaar aan J. Van den Meersche, de ontvanger van de abdij. Voor de molen en het bijhorend land, samen 12 bunder (15 ha) betaalde hij, volgens het memorieboek, 611 gulden: Ontfanghen by my onderschreven van pieter van de putte de somme van hondert guldens op Reck van synen pacht van de molens tot belle ende synen landt pacht verschenen te kersmisse seventhien hondert sesthiene. Actum 26 Juny 1717 (get.) J. van de meersche. De memorieboeken van Peter werden door zijn nakomelingen voortgezet. Het eerste memorieboek meet 20 op 16 cm en telt 71 beschreven bladzijden. Het bevat de kwitanties van hoofdzakelijk pachtbetalingen. Het tweede boek is het interessantste. Het meet 15 op 9,5 cm en telt 33 beschreven bladzijden. Peter, Philip, Jan Baptist en Eugeen Gustaaf noteerden daarin ter memorie belangrijke gebeurtenissen uit hun leven: hun huwelijk, de geboorte van hun kinderen, overlijdens, maar ook aan- en verkopen, leningen en zo meer. Nauwgezet noteerde Peter de betalingen van zijn pacht aan de abdij, maar ook zaken die betrekking hadden op zijn bedrijf. Zoals de levering van 206 steen lyschooi aan Judocus Van Conttryen voor een bedrag van 156 gulden 13 stuivers op 3 december 1737. Bijzonder interessant zijn de aantekeningen over zijn gezin. Peter en Maria hadden 12 kinderen in Essene gedoopt:

1- Adriana, gedoopt op donderdag 8 april 1717. Bij de doop van Adriana waren de volgende getuigen aanwezig: Philippe Pepersack (ovl. ±1755) en Adriana De Schoenmaecker (1650-1728). Adriana is overleden in 1718 in Essene, 1 jaar oud.

2- Catharina, gedoopt op 12 april 1718, peter Guilelmus Heremans, meter Catharina Van den Borre, overleden te Essene in 1728.

3- Adriana, gedoopt op 22 september 1719, peter Jacobus Pepersack, meter Adriana De Schoenmaecker, overleden te Essene in 1730.

4- Elisabeth Philippina, gedoopt op 27 mei 1722, peter Philippus Pepersack, meter Elisabeth Meulenbeeck, huwelijk met Judocus Asscherix. Hij is gedoopt omstreeks 1712 in Denderleeuw en is overleden op vrijdag 24 december 1790 in Denderleeuw, ongeveer 78 jaar oud.

5- Philippus, gedoopt op 21 januari 1724, peter Philippus Pepersack, meter Josina Van den Beurre. Hij werdbegraven op de Kalvarieberg aan de kerk van Essene. Philippus trouwde, 46 jaar oud, op dinsdag 20 februari 1770 in Welle met Barbara Eeman, 29 jaar oud. Zij is een dochter van Judocus en Joanna Roelants. Barbara is gedoopt in 1741 in Welle en overleed op woensdag 22 oktober 1806 in Essene, 65 jaar oud.

6- Petrus, gedoopt op 21 januari 1724, peter Petrus Pepersack, meter Francisca Van den Broeck, overleden te Essene in 1751.

7- Arnoldus, gedoopt op 15 februari 1726, peter Arnoldus Van de Putte, meter Anna Pepersack. Trad in bij de dominicanen te Vilvoorde als fr. Benedictus. Zijn broer Philip noteerde in het memorieboek: Dit dient voor memorie als dat mijn broeder pater Benedictus Van de Putte is overleden den elfsten junij 1760 in den houderdom van vier en dertigh jaeren bij de Eerwerdighe paters predikheeren tot vilvoorden

8- Joannes, gedoopt op donderdag 28 augustus 1727. Bij de doop van Joannes waren de volgende getuigen aanwezig: Catharina Van Wayenbergh en Jacobus Pepersack (geb. 1693).

9- Barbara, gedoopt op donderdag 8 december 1729. Bij de doop van Barbara waren de volgende getuigen aanwezig: Barbara Paridaens en Philippe Van Neckel. Barbara is overleden in 1801 in Essene, 72 jaar oud. Zij trouwde, 24 jaar oud, op dinsdag 19 februari 1754 in Essene met Jacobus De Bus, 23 jaar oud. Hij is gedoopt op woensdag 5 juli 1730 in Essene en is overleden op maandag 21 oktober 1754 in Essene, 24 jaar oud. Barbara hertrouwde, 25 jaar oud, op dinsdag 20 mei 1755 in Essene met Judocus Plas, 27 jaar oud.

Hij is een zoon van Joannes en Elisabeth Goosens. Hij is gedoopt op woensdag 19 november 1727 in Hekelgem. Judocus is overleden op dinsdag 5 september 1815 in Essene, 87 jaar oud.

10- Anna Maria. Zij is gedoopt op zaterdag 13 oktober 1731, peter Bartholomeus Van den Borre, meter Anna Catharina Van den Borre, overleden te Essene in 1742.

11- Joanna Maria Berlindis, gedoopt op zondag 18 januari 1733. Bij de doop van Joanna waren de volgende getuigen aanwezig: Joannes De Saeger en Joanna Maria Berlindis De Naeyer (ovl. 1775).Joanna trouwde met Guillelmus Bastaerts.

12- Catharina, gedoopt op maandag 20 december 1734, peter Martinus Linthout, meter Catharina Van de Borre. Catharina overleed op woensdag 25 december 1816 in Asse, 82 jaar oud. Ingetreden als kloosterlinge bij de Zwartzusters te Asse als novice in 1764, geloften als zuster Augustine op 29 januari 1766.

 Peter deed blijkbaar goede zaken als molenaar. Op 28 november 1724 kocht hij eene behuijsde hoffstede, groot 1 dagwand 63 roeden en gelegen te Essene. De hofstede was belast met een rente van 15 gulden aan de begijntjes ’t Kint . Peter overleed op 22 april 1741. Zijn zoon Philip noteerde in het memorieboek dat zijn vader is verongeluckt ende verdronken in de beke ontrent eenen boogscheut van syn huys. Hij was pas 55 jaar en werd voor het St.-Jansaltaar in de kerk van Essene begraven. Maria Pepersack overleed op 23 januari 1746 en werd naast haar man begraven. Na de verdrinkingsdood van Peter verzocht Joannes Emmanuel Loovens, de hoofddrossaard van het Land en Markiezaat van Asse, Carolus Van Innes, doctor, meester licentiaat in de medicijnen, en chirurgijn Van Everbroeck om het lichaam van Peter te onderzoeken. Arnoult Van Stichel, de vorster, en de schepenen van Asse, Anthoon De Voghel en Peter Wambacq waren ook aanwezig zijn bij de lijkschouwing. Op 23 april 1741 gingen ze naar Essene om: het voorschreven lichaem behoorelijck gevisiteert ende ons verclaert daervan niet anders te connen oordeelen als dat het lichaem door de abondantie van water was opgevoelt ende dat daerdoor de doodt gecauseert was sonder eenighe ander contusiën ( van contusion – kneuzingen) accident ofte voorval te connen ontdecken. Desen seghel dient tot acte van aenschouw gedaen over het doodts lichaem van Peeter Van de Putte, mulder van de Bellemolen binnen de prochie van Esschene lande van Assche.

1742. Ruzie om de erfenis van pastoor Joannes Wauters[31].

Na de dood van pastoor Joannes Wauters op 21 oktober 1741 ontstond er ruzie tussen zijn zus Theresia Wauters, begijn in het Groot Begijnhof te Mechelen, en Joanna Hoijlaerts, zijn halfzus en huishoudster, over de erfenis. Pastoor Wauters had zijn zus beloofd om haar jaarlijks  50 g te betalen zoals blijkt uit een akte verleden voor notaris A. Vermeulen van 9 juli 1732. Dat bedrag had ze nodig om in het begijnhof te kunnen intreden en er te verblijven. Als pand gaf hij een half bunder land, genoemd Het Hinderen Velt” gelegen te Assent, nu een deelgemeente van Bekkevoort,  een veld van 1 dagwand, ook gelegen te Assent, een broek, groot 1 dagwand, gelegen te Haacht in Het Cluijsenbroeck

In zijn testament bepaalde pastoor Joannes dat hij in het koor van de kerk wou begraven worden met een uitvaart naar zijn stand. Op zijn graf wou hij een zerk van 30 g met de vermelding van dag, maand en jaar van zijn overlijden. Na zijn overlijden moesten 200 gelezen missen gecelebreerd worden. De eerste 100 missen om te voldoen aan zijn verplichtingen en de andere 100 tot lafenis van zijn ziel. Aan de huisarmen van Essene legateerde hij 25 g die op de dag van zijn uitvaart aan de armen worden gegeven opdat zij voor zijn ziel zouden bidden. Op de dag van zijn overlijden moet er jaarlijks en voor eeuwig in de kerk van Essene voor zijn zielenheil een gezongen jaargetijde met profundis en miserere gecelebreerd worden. Daar voor zal de pastoor 20 st krijgen, de koster 10 st en het surplus is voor de kerk. Het geld daarvoor komt van 1 d 18 r land gelegen te Essene op De Moortel, palend aan de straat, de raadsheer Coloma, de pastorie van Lennik en Guillam Van Varenbergh, belast met een grondcijns aan Affligem en met een rente van 4 g van een onkwijtbare rente van 100 g aan de kerk van Essene. Pastoor Wauters kocht het land van de erfgenamen van wijlen de heer Jacobus Cornelis, in zijn leven pastoor van Sint-Stevens-Woluwe.

Al zijn patrimoniale goederen zijn onder Elisabeth, Martinus, Marie en Theresia Wauters, zijn broer en zussen te verdelen. Het dagwand en achtthien roeden land mogen ze niet verkopen tenzij ze de waarde ervan aan de kerk geven. Al zijn resterende roerende goederen schenkt hij aan Joanna Hoijlaerts, zijn halfzus, om daarmee zijn schulden te betalen en 150 g aan Martinus Wauters te restitueren. Joanna Hoijlaerts nomineerde hij als zijn enige en universele erfgename mobilair met vol recht van institutie.  Het testament werd opgesteld in de pastorie met als getuigen pater Placidus a Sancto Francisco, broeder van Onze Lieve Vrouw en Jan Van De Velde, koster van Essene. 

Op 1 februari 1742 ging notaris Martinus Van Itterbeke in opdracht van Theresia bij Joanna Hoijlaerts met de vraag of ze, als erfgename van de roerende goederen, bereid was de 450 g achterstal en de jaarlijkse 50 g te betalen. Daar Joanna afwezig was, keerde de notaris later terug en las hij de akte van 9 juli 1732 voor en vroeg haar of ze bereid was daaraan te voldoen. Joanna antwoordde: al dat ick schuldich ben sal ick betaelen, ick sal dat voorder insien. Dat antwoord interpreteerde de notaris als een weigering. Op 13 februari 1742 diende Theresia een klacht in bij de schepenbank tegen Joanna Hoijlaerts.

1746. Oorlog en armoe troef.

Met de dood van Lodewijk XIV op 1 september 1715 kwam er een einde aan de onophoudelijke oorlogen die hij in de Zuidelijke Nederlanden uitvocht. Gedurende enkele decennia heerste er vrede en geleidelijk verbeterden de levensomstandigheden van de mensen. Maar vanaf 1740 herbegon de miserie met de dood van Karel VI, de Oostenrijkse keizer. Behalve het oorlogsgeweld was er ook een textielcrisis waren er ook moeilijkheden in de landbouw zodat een kwart tot de helft van de Vlaamse bevolking zonder inkomen was en op bedelen was aangewezen[32]

Op 20 oktober 1740 besteeg zijn dochter Maria Theresia de Oostenrijkse troon en werd keizerin van het Habsburgse Oostenrijk. Een aantal Europese mogendheden accepteerden niet dat een vrouw de troon besteegen maakten zelf aanspraken op de troon. Een nieuwe oorlog was begonnen: Oostenrijkse Successieoorlog. Nadat Maria Theresia de troon besteeg, bezette Frankrijk de Zuidelijke Nederlanden, toen Oostenrijks gebied, en legde de bevolking zware oorlogslasten op. Geldnood dwong uiteindelijk de oorlogvoerenden landen tot de Vrede van Aken in 1748.

Voor wat er in die periode gebeurde, laten we ’t best een tijdgenoot aan het woord: Joos Robijns van Nievel (Meldert). In zijn “Waerachtige gheschiedenisse t’ sedert het jaer 1740=1741=1742=1743 en 1744”[33] beschrijft hij de opeenvolgende gebeurtenissen.

“In het jaer 1740 heeft het begost te vrisen op drijkoningenavont ende het heeft gevrosen tot in de Mey sonder ophouden soo dater verschijde menschen hunne terve ende kooren hebben omgereden, want meestendeels alles vervrosen was, oock mede de klavers, soo datter een groot ghebreck onder de koyen ende peirden was, ende het koren golt 38 stuyvers het vat, de terve 6 à 7 en veirtigh stuyvers het vat, den boeckwey 30 stuyvers, den geirst 19 à 20 stuyvers het vat, de blauwe erweten 42 stuyvers het vat, soo dat het een miserabel jaer is gheweest, van kaoude en heeft maer twee graden verschil gheweest nu oft in het jaer negen.

In het jaer 1741 is het beginnen te beteren, dan kocht men de terve voor 30 stuyvers het vat, het coren drij à 24 st. het vat ende soo alles naer raete.

In het jaer 1743 kocht men de terve voor 19 à 20 stuyvers, het coren 13 à 14 stuyvers, ende dan is het leger  de tweede ryse ghetrocken naer den reyn , tegen de fransche, maer hebben daer van beyde seyden weynigh uytgherecht ende het jaer 1744 heeft het leger ghelegen op den Molencauter recht over de poort van d’ Abdye van Affligem, te weten het volck van de koninginne van Hongaryen, de hollanders, de engelsche ende hannoversche te samen sterck negentigh duysent mannen en hebben daer geelegen 13 dagen in bloyen van het coren, ende de hollanders hebben op den 2e Sinxendagh op Nievel gheplundert ses huysen omdieswille dat eenen van hun volck, in de Clerage by naer was doodt gheslagen wiens huysen sijn gheweest Pauwels Gregoir, Jan Gekeer, Alexander Van der Schuren, Jan De Ridder, Joos Arys ende Jan Willems borgemeester ende sijn voorts ghetrocken naer den kant van Audenaerde ende soo voorts tot op den franschen boom, alwaer sij alles verwoest hebben huysen ende kastelen ende sijn daer totaliter met de oost door ghegaen, soo dat sommige peirden tot aen de knien in de terve stonden, de aren een weinigh afghesneeden, ende met de reste stroeyden sij hun peirden, ende sijn dan in 8ber hier voor bij naer garnisoen ghetrocken sonder malcanderen te attakeren ende als dan en sijn de granen niet opgeslagen, ende als dan isser eene sterffte ghekomen van daer het leger is opgebroken, onder de koyen, dat het in alle steden verboden is, geene runders ofte kalvers te slachten omdat de menschen jonge beesten zouden ophouden, soo dat het hier tot Nievel eenen grooten toeloop is tot den H. Rochus, die ons noch toe van die sterffte heeft bewaert.

Ende in het selve jaer 1744, isser in den uijtcomen hier ghesien 6 à 7 weken lanck, eene sterre met eenen langen steirt ’t savondts opcommende in den westen ende ’t smorgens in den oosten verteirende.

In den jaere 1745 syn de ghealieerden vergeirt op den uytkomen van Brussel ende syn van daer te velde ghetrocken ende hebben den 11e meye, aen de fransche slagh ghelevert den welcken ons ghealieerden hebben verlooren met groot verlies van volck ende canon, ende de franschen hadden Doornick belegert om welcken slagh, sij gheen volck van het belegh en hebben ghenomen, want de franschen en waren maer 20 duysent mannen sterck, ende ons volck wel 100 duysent, welcke slagh is gheschiet bij St.-Antoon ter syden Doornick op de slinke syde.

Den 13 Julie is er eene bataille gheschiet tot Melle, tusschen Aelst ende Gent, alwaer onse ghealieerde de selve hebben verloren, ende als dan sijn de fransche ghecomen in Aelst, ende in d’ Abe van Affligem heerster gedurende 6 à 7 weken 28 hondert ghelegen de welcke wij hebben moeten onderhouden van alles, ende de groote armé is ghetrocken voor Dendermonde, het welck gau is overgehgaen ende syn dan gaen camperen langs de Schelde alwaer sij hebben ghelegen ontrent de dry weken, ende sijn alsdan weder ghekeert naer Aelst over den Dender alwaer sy hebben ghelegen tot de 14e 8ber ende syn alsdan ghetrocken naer un garnisoen, ende op St. Rochusdagh is alhier over den Driessche ghepasseert den Coninck van vranckeryck met sijne sone den dolphyn met gheheel sijne swiet naer d’ Abdye, ende sijn alhier wederghekeert naer Aelst, ende in het begin van 8ber is weder die sieckte begost onder de beesten in Meldert beginnende in de Clerage …

In den 1746 syn de Fransche voor Brussel ghecommen in het arste van den winter ende hebben Brussel gheblockeert ende hebben de selve stadt op drij à 4 weken met capitulatie verovert ende het garnisoen krysghevangen ghemaeckt ende syn dan weder ghekeert te weten de Fransche nzer garnisoen ende eenige duysent syn ghetrocken naer Antwerpen ende hebben de selve stadt oock verovert ende op den uytcommen als al het volck afquam hebben sy voorts alle steden van Brabant verovert, besonders Maastricht ende nu en dan hebben sy in den somer malcanderen een soo weinigh ghecarremitiseert tot de maent  7ber ende in 8ber hebben sy aen de Mase eenen bloedigen slagh gheslaghen de welcke de Fransche hebben ghewonnen, ende dan heeft men van onse ghealieerden niet meer horen seggen, ende als dan syn de Fransche ghecommen naer hun garnisoen ende wij syn in Meldert beleydt gheweest met ontrent 40 mannen, ende hier soo gheel het lant van Assche, ende de sieckte onder koyenbeesten heeft in het lant van Assche meer toeghenomen als het jaer 1745 ende is  noch durende in Meldert desen 15 9ber, maer, den H. Rochus heeft ons hier op Nievel tot noch toe bewaert.

Godt sij ghelooft.

In 1745 werd Essene belast met een constributie aen de croone van Vranckrijck in specie van hoij ende haver. Essene kon de geëiste hoeveelheid niet leveren en moest, op pene van militaire executie, 1 404 g 1 st betalen op 24 september 1745. Dat bedrag werd voorgeschoten door 4 inwoners van Essene. Er bleef nog een hoeveelheid hooi te leveren en in afwachting van de levering werden Peeter Wambacq, zoon van Peeter en Jan Meert, zoon van François, inwoner van Asse gevangen genomen op 1 maart 1746. Ze werden met een wagen naar Asse gevoerd en vandaar met een escorte naar Brussel getransporteerd en ondergebracht in de herberg Het Keijsers Hoff in de Bisschopstraat. Op 4 maart kwamen ze vrij door een akkoord van het bestuur van het Land van Asse met de Franse overheid. Het Land van Asse moest 3 420 g betalen waarvan 380 g 10 st door Essene en dat binnen de 5 dagen. Omdat men op zo’n korte tijd die 2 bedragen, in het totaal 1 784 g 11 st, niet kon ophalen, besloten de bedesetters en voorname inwoners van Essene op 5 maart om een lening van 1 600 g aan te gaan. Dat gebeurde ten huize van Jacobus De Bus met Jan Van De Putte, G. Van Santen, Jan Van Den Mijnsbrugghe, M. Linthout, Adriaen Van Varenbergh, J. Meert zoon van Jacobus, P. S. Muijlders, Jan Smet zoon van Jacobus, Jan Verbeiren zoon van Joos, Gillis De Meij, J. V. A. B., Michiel De Meije, Petrus Van Den Wijngaerde, Edius De Vos, Jan Van Den Bosch, Egidius Steppe, Petrus De Man, Guilliam Van Den Bossche, Carolus Steppe zoon van Jan, Michaelis De Batselier, Judocus Kestens, Nicolaus Lelije, Egidius De Mersman, Egidius Verbeiren, Jan Van Vaerenberghe, Jan Van Den Neucken, Hendricus Stijlemans, Marie Wamback, P. Van De Putte, Peeter De Weese in naam van zijn moeder, Alexander Van Den Biesen, in naam van zijn, Carel Taelemans, Franciscus Van Den Bossche, Gillis Van Den Hardt, Lucas Stevens, Anthoon Van Couwenbergh in naam van zijn moeder, Judocus De Smedt, Henderick De Pauw, Jan Wauters, Henderick De Rouwe in van zijn vader, Jan Verbeken, Pauwel De Meersman, Anthoon Du Bois, Carel Steppe, Adriaen De Houwer, Judocus Van Den Velde, Guilliam De Meij, Jan De Ridder, Hendrick Van Varenbergh, Jan De Ridder zoon van Jan, Jan De Bout, Franciscus Pauwels, Hendrick Camermans, P. Van Der Slachmolen, P. De Voghel, Henderick De Wedewijn, Ludovicus Rogiers, Josephus Van Der Borght, Peeter Van Cauwenberghe, Jacobus De Bus 1746, J. Meert, Judocus Verbeeren, Jan Wambacq, Stefaus De Bus, Peeter Camermans,  Peeter Wambacq zoon van Peeter. Ondertekend door Carel Rogiers 1746.

1746. Schepenen beboet[34].

De hoofdofficieren van de 8 kwartieren van Brussel dienden op 6 augustus een klacht in tegen de schepenen Martinus Linthout, Peeter Wambacq en Guillam Van Santen. Zij zouden het bevel van de Raad van Brabant om wagens te leveren ten dienst van de keizerin genegeerd hebben. Zij verzochten de schepenbank om hen een boete van 10 pattacons[35] op te leggen. De gedaagden reageerden op 6 september. Zij vonden de aanklacht te vaag en vroegen verduidelijking want hun wagens waren van 22 tot 31 augustus in dienst voor transport van brood naar het leger. Advocaat De Maré, die optrad namens de hoofdorossaard, verwiep hun vraag en wees erop dat Linthout, Wambacq en Van Santen als voornaamste pachters van Essene gemakkelijk twee wagens konden leveren op 22 augustus voor het vervoer van meel naar Leuven. Zij zorgden slechts voor één wagen wat een dubbele kost voor de commissarissen betekende. Hij bleef bij de eis van een boete van 10 pattacons. In de loop van september en oktober liet hij de drie pachters driemaal voor de schenbank dagen, maar ze negeerden de dagvaarding. Op 17 februari 1747 eiste hij dat de schepenen een vonnis zouden vellen, maar zij zonden het dossier naar de Raad van Brabant voor advies.

1754. Peeter Wambacq brak een brug af[36].

In deze zaak trad advocaat De Maré nogmaals op voor de hoofddrossaard. Op 19 maart 1754 beschuldigde hij Peeter Wambacq[37], zoon van Aert, ervan dat hij een brug op de hoek van zijn hofstede op Den Boonhof had afgebroken. Die brug werd door meerdere Essenaren gebruikt. De Maré vroeg de schepenen om Peeter te verplichten de brug te herstellen in de vroegere staat en hem een boete op te leggen. Advocaat Van Itterbeke, die Peeter verdedigde, ontkende de feiten en vroeg dat Peeter de gelegenheid zou krijgen om bij de schepenen zijn uitleg te doen. Op 26 juni 1754 kon Peeter voor de schepenen verschijnen. De uitspraak volgde op 8 juni. Peeter en Judocus De Smeth moesten samen de brug aan Peeters hofstede herstellen.

1756. Lening niet terugbetaald[38].

Op 23 november 1730 leenden Franciscus Verbeken en Elisabeth Van den Steen 100 g van zijn zus Elisabeth Verbeken. Zij beloofden het bedrag binnen het jaar terug te geven en gaven als pand hun hofstede met huis te Asbeek. Franciscus overleed op13 februari 1731 en dat is waarschijnlijk de reden waarom de lening niet werd afbetaald. Zijn vrouw Elisabeth stierf op 1 april 1748. Hun kinderen Gillis, Franciscus, Maria, Anna en Andreas kwamen overeen dat Maria en haar man Hendrick Floru de hoeve te Asbeek konden overnemen als ze de andere erfgenamen elk 130 g gaven boven de last van renten en de cijns. Na de dood van Elisabeth Verbeken in 1756 stelden haar erfgenamen vast dat de lening nog niet was vereffend en dat er een achterstallige rente van twee jaar was. Zij eisten de onmiddellijke betaling. Hendrick ging ervan uit dat zijn schoonbroers en schoonzus het vijfde part van de schuld zou betalen, maar die weigerden zodat Hendrick en Maria zich uiteindelijk tot de schepenen om de betaling af te dwingen.

Parenteel van JOANNES VERBEKEN (VERBEECKEN)

I. JOANNES VERBEKEN (VERBEECKEN), gedoopt omstreeks 1616, † 1648, hij huwde te ASSE op 9 februari 1638 met MARGARETHA ACKERMAN, gedoopt te ASSE op 28 december 1616, † aldaar vóór 1676.

Uit dit huwelijk:

1. JOANNA VERBEKEN (VERBEECKEN), gedoopt te ASSE op 1 november 1637, zij huwde te ASSE op 9 augustus 1665 met HENRICUS MOYESOON.

2. ANDREAS, volgt II.

3. ADRIANA VERBEKEN (VERBEECKEN), gedoopt te ASSE op 5 juli 1643.

4. BARBARA VERBEKEN (VERBEECKEN), gedoopt te ASSE op 6 augustus 1645.

5. JOANNES VERBEKEN (VERBEECKEN), gedoopt te ASSE op 27 mei 1648, † aldaar op 11 april 1692, hij huwde een 1ste maal te ASSE op 3 juli 1672 met CATHARINA HUYSSEGOEM, gedoopt omstreeks 1642, † te ASSE op 19 september 1677; hij huwde een 2de maal te ASSE op 9 januari 1678 met PETRONELLA VAN BELLE, gedoopt omstreeks 1654, † te ASSE op 14 januari 1690.

II. ANDREAS VERBEKEN (VERBEECK), gedoopt te ASSE op 23 januari 1640, † aldaar op 1 december 1691, hij huwde te ASSE op 7 november 1662 met CATHARINA DE REEDER, gedoopt te ASSE op 11 november 1643, † aldaar op 21 september 1724, dochter van FRANCISCUS DE RIDDER en MARGARETA SMIT.

Uit dit huwelijk:

1. FRANCISCUS, volgt IIIa.

2. FRANCISCUS, volgt IIIb.

3. MARIA VERBEKEN (VERBEECK), gedoopt te ASSE op 19 oktober 1665, † aldaar op 16 februari 1708, zij huwde te ASSE op 20 mei 1687 met JUDOCUS DE NIL, gedoopt omstreeks 1660, † te ASSE op 4 november 1729.

4. CATHARINA VERBEKEN (VERBEECK), gedoopt te ASSE op 20 september 1668.

5. EGIDIUS VERBEKEN (VERBEECK), gedoopt te ASSE op 12 mei 1670, † aldaar op 15 februari 1672.

6. ELISABETH VERBEKEN (VERBEECK), gedoopt te ASSE op 12 februari 1673, † aldaar op 31 mei 1756.

7. JUDOCA VERBEKEN (VERBEECK), gedoopt te ASSE op 17 maart 1676, † aldaar op 18 augustus 1677.

8. ANNA MARIA VERBEKEN (VERBEECK), gedoopt te ASSE op 24 juni 1679.

9. JOANNA VERBEKEN (VERBEECK), gedoopt te ASSE op 6 oktober 1682, † aldaar op 18 juli 1742.

10. THOMAS VERBEKEN (VERBEECK), gedoopt te ASSE op 21 maart 1685, † aldaar op 29 april 1753, hij huwde een 1ste maal te ASSE op 30 oktober 1718 met ANNA DE SMEDT, gedoopt omstreeks 1693, † te ASSE op 21 november 1733; hij huwde een 2de maal te ASSE op 2 juni 1734 met PETRONELLA LAUENS, gedoopt omstreeks 1700, † te ASSE op 17 maart 1739; hij huwde een 3de maal te ASSE op 9 oktober 1746 met MARIA VERHERSTRAETEN, † te ASSE op 2 november 1776.

IIIa. FRANCISCUS VERBEKEN (VAN DER BEECKEN), gedoopt te ASSE op 10 januari 1663, † aldaar op 15 februari 1731, hij huwde te ASSE op 6 mei 1690 met ELISABETH VAN DER STEEN, gedoopt te ASSE op 10 augustus 1664.

Uit dit huwelijk:

1. EGIDIUS VERBEKEN (VAN DER BEECKEN), gedoopt te ASSE op 12 december 1691.

2. FRANCISCUS, volgt IV.

3. BARBARA VERBEKEN (VAN DER BEECKEN), gedoopt te ASSE omstreeks 1698, † aldaar op 16 januari 1700.

4. MARIA VERBEKEN (VAN DER BEECKEN), gedoopt te ASSE op 24 april 1701, zij huwde te ASSE in 1731 met HENRICUS FLORU, † te ASSE op 27 februari 1759.

5. ANNA VERBEKEN (VAN DER BEECKEN), gedoopt te ASSE op 20 januari 1704, † aldaar op 27 oktober 1770.

6. ANDREAS VERBEKEN (VAN DER BEECKEN), gedoopt te ASSE op 1 juli 1706, † aldaar op 9 augustus 1748, hij huwde te ASSE op 9 juni 1741 met ANNA MARIA DE SMEDT.

IV. FRANCISCUS VERBEKEN (VERBEECKEN), gedoopt te ASSE op 18 maart 1695, † aldaar op 2 januari 1767, hij huwde een 1ste maal te ASSE op 6 juni 1723 met PETRONELLA VAN SCHUERBEECK, † te ASSE op 12 april 1745; hij huwde een 2de maal te ASSE op 24 november 1745 met CLARA DE VISCH.

V. JUDOCUS VERBEKEN, gedoopt te ASSE op 2 mei 1759, hij huwde te ASSE op 1 augustus 1784 met ANNA MARIA SEUTIN, gedoopt te GAASBEEK op 14 september 1755, † te ASSE op 15 juni 1818.

IIIb. FRANCISCUS VERBEKEN, gedoopt te ASSE op 10 januari 1663, † aldaar op 15 februari 1731, hij huwde te ASSE op 6 mei 1690 met ELISABETH VAN DEN STEEN, gedoopt te ASSE omstreeks1664, † aldaar op 1 april 1748.

Uit dit huwelijk:

1. EGIDIUS VERBEKEN, gedoopt te ASSE op 12 december 1691.

2. FRANCISCUS VERBEKEN, gedoopt te ASSE op 18 maart 1695.

3. MARIA VERBEKEN, gedoopt te ASSE op 24 april 1701, † aldaar op 28 mei 1761, zij huwde te ASSE op 6 mei 1731 met HENRICUS FLORU(E), † te ASSE op 27 februari 1759.

4. ANNA VERBEKEN, gedoopt te ASSE op 20 januari 1704, zij huwde met PETRUS DE SMEDT.

5. ANDREAS VERBEKEN, gedoopt te ASSE op 1 juli 1706.

1761. Elisabeth wil begijn worden[39].

Om toegelaten te worden in het Groot Begijnhof te Brussel moesten de kandidaat-begijnen over een zeker inkomen beschikken. Daar Elisabeth Van Wayenbergh dat verlangen koesterde, liet haar moeder Maria Wambacq, weduwe van Peeter Van Wayenbegh door advocaat Henrico Segers een assurantiebrief opstellen waardoor haar dochter jaarlijks 70 g zou ontvangen zolang ze in het begijnhof bleef. Dat bedrag werd bezet op volgende onroerende goederen:

1. 2 d land palend aan de straat, N… de Fabrica(?), en Michel Cornelis.

2. 1 d 50 r op het Trommelveld, palend aan juffrouw Wambacq, Peeter Van Wayenbergh en raadsheer Coloma.

3. 1 d land op het Trommelveld, palend aan de erfgenamen Gillis De Witte, de erfgenamen Marie De Paepe of jonker Jan Bezar, de erfgenamen Peeter Cornelis en Balthazar De Bus.

4. 2 d 8 r land op het Trommelveld, palend aan sieur Steenlant, de heer Coloma en de weduwe Peeter Wambacq.

De percelen kwamen voort uit de nalatenschap van Franciscus Wambacq en Joanna Van Vaerenbergh, haar ouders. De schepenbank van Asse stond garant voor de betaling.

1762. Een hoeve voor pastoor Petrus De Swert.

Op 3 juni 1762 kocht pastoor De Swert van Dominicus De Bie de hoeve Den Conckel en een deel van Het Vijverheussel, groot 1 b. en palend aan de straat, aan Balten (Bathazar) De Bus en Adriaen De Houwer. Het goed was onbelast en was een erfenis van Maria De Bie, begijn in het Groot Begijnhof te Brussel, zus van Dominicus. De opebare verkoop had plaats te Asse in de herberg Den Engel van Adriaen Fieremans. voor de 10324 g. De pastoor zou jaarlijks een erfelijke rente van 52 g betalen tot het hele bedrag was afgekort. Als pand gaf De Swert de gekochte hoeve. Na zijn overlijden op 14 december 1771 betaalden zijn erfgenamen op 1 mei 1772 het resterend bedrag van 13540 g 2 st.

14 december 1771 is overleden de eerwaarde heer Petrus De Swert, pastoor van onze parochie voorzien van de laatste sacramenten en begraven op het kerkhof op de (plaats) calvarieberg.

Zie ook “De erfenis van pastoor De Swert”, in H K Belledaal, Herontdekt.

1765. Peeter Van Nieuwenborgh heeft een nijnriese tonghe[40].

Op 22 juli 1765 ging schoenmaker Gillis Steppe naar de herberg van brouwer B. Meert waar ondere andere ook Peeter Van Nieuwenborgh was. Die wandelde even naar buiten om te watriseren en toen hij weer in de keuken was, beet hij Gillis toe: gij dief, gij thiendendief, vind ick u hier? Een geschrokken Gillis antwoordde: waerom seght gij dat, sijt gij sat, ick en ben niet sat. Waarop Peeter dan zei: omdat gij eenen dief sijdt, jae eenen thiendendief en hij voegde er nog andere beledigingen aan toe. Dergelijke beledigingen kon Gillis niet aanvaarden vermits hij een ambachtsman is die door alleen door een goede naam zijn kost kan verdienen. Met zijn beschuldigingen bracht Van Nieuwenborgh hem schade toe en daarom diende hij een klacht in bij de schepenen. Hou wou dat Peeter zijn woorden terug nam en erkende dat hij een eerlijk man was. Bij weigering vroeg hij de schepenen hem een boete op te leggen van 100 pond ten voordele van de kerk van Essene.

Op 26 augustus riepen de schepenen Jan Baptista Meert, een pachter en brouwer van 37 à 38 jaar, Peeter Camermans, 45 jaar die bij Hendrick Fieremans te Asse-ter-Heide woonde op om te getuigen. Zij bevestigden wat Gillis in zijn klacht had meegedeeld.

1772.Strijd om Den Schockaert[41].

Op 14 juli 1772 spande Jacobus (of Judocus?) Van Heijmbeke, inwoner van tot Sint-Katharina- Lombeek, een proces in bij de schepenbank tegen Matthijs Baes en Catharina De Pauw, zijn schoonouders. Hij eiste dat zij de behuisde hofstede Den Schockaert zouden ontruimen. Hij erfde de hoeve na de dood van zijn ouders Jan Van Heijmbeke en Catharina Vijvermans. Die hadden de hoeve gekocht op 28 april 1749 van Guillam Van Santen en Elisabeth De Smeth. Op 1 april 1750 hadden zij 3 d 72 r land van Anna Francoise Van der Straeten, genoemd Het Vijverheussel,  palend aan de straat, aan Joseph Van Der Borght en Jan Van Den Broeck, Pauwel De Meerschman en sieur Dominicus De Bie en Jan Wambacq geruild met 2 d land gelegen op ’t Hooreken genoemd Den Schockaert. Het eussel was belast met een grondcijns aan Affligem en een rente van 250 g aan Marie Catharina Verspecht,  begijn te Aalst. Het land op ’t Hooreken paalde aan Anthoon De Cort, het koutergat van het veld, Hendrick De Rauw en Jan De Mesmaecker en Josina Stevens. Het was belast met een grondcijns aan Affligem, met een kleine grondcijns aan de kerk of huisarmen van Essene, met twee viertelen rogge aan ’t Godshuis van Asse

Na de dood van Catharina Vijverman hertrouwde Jan Van Heijmbeke met Catharina De Rauw[42], weduwe van Guillam Verbeiren. Op 12 februari 1765 lieten ze door een notaris hun mondelinge overeenkomst die ze voor hun huwelijk hadden aangegaan in een akte vastleggen. Het betrof Judocus Van Heijmbeke, de zoon uit het eerste huwelijk van Jan. Als Jan als eerste zou overlijden dan verplichtte Catharina zich ertoe om Judocus naar school te laten gaan om te leren lezen en schrijven, hem te voorzien van eten  en drank en al wat hij nodig heeft in ziekte en gezondheid tot de leeftijd van 24 jaar. Judocus zelf is verplicht haar behulpzaam te zijn en respect te betonen zoals een kind aan zijn moeder verplicht is. Als Judocus trouwde, een andere levensweg koos of de leeftijd van 28 jaar bereikte dan had hij recht op de helft van het alaam van het timmermansambacht. Catharina De Rauw behield  het vruchtgebruik van de hofstede tot Judocus 24 werd, maar was wel verplicht de hoeve te onderhouden en de cijns en de renten te betalen.

Op 14 juli 1762 liet Guillaum Van den Bossche, de rentmeester van de kerk en de huisarmen van Essene weten dat de cijns van twee viertelen koren uitgaande van de hofstede van Jan Van Heijmbeke na 1761 niet meer werd vereffend. De overste van het gasthuis van Asse verklaarde dat dezelfde cijns uitgaande van de hofstede van Jan Van Heijmbeke na 1763 niet meer werd betaald.

Op heden den XII° februari seventhien hondert vijffentsestich comparerende voor mij ondergeschreven als openbaer notaris geadmitteerd bij den Souverijnen Raede van Brabant binnen de Vrijheijt van Assche residerende ende in de presentie van de getuijgen ondergenoemt Jan Van Heijmbeke ende Catharina De Rauw gehuijsschen ende innegestenen der prochie van Esschene, den selven Jan Van Heijmbeke te voorens weduwenaer was van wijlen Catharina Vijvermans ende de selve Catharina De Rauw weduwe was van Guillam Verbeiren, welcke comparanten (voor  

1779. Vechtpartij op Doment[43].

Het is al sedert lang geweten: de molens van het gerecht malen langzaam. Een eerder lichte vechtpartij in een herberg op Doment kreeg pas 5 jaar later haar beslag.

De feiten.

Op maandag 29 augustus 1774 keerde Domentenaar Jacobus De Cleck ’s avonds terug van de kermis in Essene. Voor hij naar huis ging, stapte nog eens de herberg van zijn broer Hendrick op Doment binnen. In de herberg op Den Grooten Domentschen Driesch ging het er vrolijk aan toe. De herbergier had gezorgd voor eenen speleman zodat daar in een kamer lustigh wiert gedanst, soo van getrouwde als ongetrouwde van beijde sexen als oock aldaer op de gemelde camer wiert gedroncken wijn ende bier. Doment was tot laat in de 19de eeuw een geïsoleerd gehucht. Het lag en ligt nog op de gemeenten Essene, Hekelgem en Meldert. De afstand tot de parochiekerken van Essene en Hekelgem was bijzonder groot zodat de meeste bewoners zich meer verbonden voelden met de parochie van Meldert, maar daarbuiten regelden ze hun zaken onder elkaar en hadden ze hun eigen kermis. Zo kwam het ook dat in de herberg van Henricus De Clerck zowel mensen van Essene, Hekelgem als Meldert aanwezig waren. Jacobus zag er een kennis van hem, namelijk Jan Baptist Bruyninckx in het gezelschap van Peeter Goeman, pachter en bedesetter van Meldert. Al snel ontstond er ruzie tussen hen. Jacobus verweet Jan Baptist dat hij eenen deugeniet ende eenen hondsfot was. Jacobus greep Jan Baptist vast en begon hem te slaan zonder dat Jan Baptist zich verweerde. Herbergier Hendrick mengde zich in het gevecht en zij vielen op de grond. Op een bepaald moment greep Jacobus een bierglas en sloeg ermee op het hoofd van zijn tegenstander. Uit een grote wonde vloeide veel bloed en enige tijd later ontstond er daarover in heel de herberg opschudding. Men zei dat Jacobus De Clerck zijn tegenstander met een glas op zijn voorhoofd had geslagen. Gillis Verbeiren, domesticq ten huizevan Henricus De Clerck waar hij ook inwoonde, bracht hij bier en wijn naar de kamer van de dansers toen hij de vechtpartij zag. Hij vreesde dat Jacobus en zijn broer Jan Baptist zouden doodslaan. Omdat hij vreesde dat Jacobus en zijn broer Jan Baptist zouden doodslaan, trachtte hij de vechtenden te scheiden met de hulp van zijn vriend Peeter De Leeuw. Hij kon Jan Baptist naar de keuken brengen, waste er zijn wonde uit met jenever en verbond ze met cladtpapier. Nadien dienden Gillis Verbeiren en zijn moeder Joanna Maria Christiaens een klacht in bij de drossaard van het Land van Asse.  

Het onderzoek.

Drossaard Gheude onderzocht de feiten in 1774 en 1775. Op 23 mei 1775 deelde hij aan de schepenen de resultaten mee van zijn onderzoek (in zijn verslag duidt hij zichzelf aan als aanlegger en Jacobus De Clerck als gedaagde). J. Vonck uit Baardegem trad op als zijn advocaat:

1- Jan Baptist Bruijninckx diende een klacht in tegen Jacobus De Clerck omdat hij op 29  augustus 1774 ten huize van Hendrick De Clercq, herbergier op Doment, door hem werd geslagen nadat tussen hen een geschil was ontstaan.

2- De aanlegger heeft aan Bruijninckx gevraagd of hij het tot een proces wou laten komen en of hij de kosten daarvan wel kon betalen.

3- Gedaagde Jacobus beweerde dat Jan Baptist aan de drossaard een som geld heeft gegeven, wat niet waar is.

4- Het bewijs daarvan dat Jacobus toonde en dat was ondertekend door Jan Baptist, is vals.

5- Dat de aanlegger op zaterdag voor beloken Pasen op bezoek is geweest bij de getuigen die in deze zaak werden gedagvaard, is niet correct.

6- Hij is wel bij Gillis Verbeiren geweest in het gezelschap van officier Mannaert.

7- Hij heeft de getuigen gevraagd zich aan hun woord te houden.

8- Enkele getuigen wilden weten wat hij daarmee bedoelde en hij heeft hen geantwoord:  gij hebt gij gesien dat Jacobus De Clercq J. B. Bruijninckx heeft geslaegen.

9- Op zijn vraag of zij gezien hadden dat Jacobus de genaamde Bruijninckx op 29 augustus 1774 ten huize van Hendrick De Clercq had geslagen, zegden ze, op enkele getuigen zoals  Jan Baptist Bruijninckx na, neen.

10- En op de vraag of zij hebben gezien dat het Jan Baptist Bruijninckx was die met het bierglas had geslagen, konden ze niet antwoorden.

11- De aanlegger heeft wel ten huize van Gillis Van Den Houte, herbergier, bier gedronken met Peeter De Leeuw, maar dat was nog voor hij De Leeuw als getuige in de zaak betrokken was.

12- Die verzekerde de drossaard dat hij niet gezien heeft dat Judocus Bruijninckx heeft geslagen. Zelfs na aandringen bleef Peeter beweren dat hij niets had gezien.

13- De aanlegger heeft wel bij Francis Van Herom in Hekelgem met Peeter en Benedictus Van Nieuwenborg enige potten Lovens bier gedronken. Dat was nog voor hij hen als getuige heeft opgeroepen.

14- Ook van hen wou hij weten wat ze die avond hadden gezien, maar ze gaven hem geen informatie.

Een valse getuigenis.

Toen duidelijk werd dat er een rechtszaak zou volgen, kreeg Gillis op 8 april 1776 het bezoek van zijn herbergier Hendrick De Clerk die vergezeld was van zijn broer Jacobus, Andries Van den Brande die men Casteur noemde en van Cornelis Van den Houte, een pachter die op de Domentse Dries woonde. Ze praatten zolang op hem in dat hij aanvaardde te verklaren dat hij de pintslagh aan Bruijninckx had toegediend. Door dronckenschap en met de belofte van hem drie gulden te geven en de consumpties te betalen, gaf hij zijn woord. In november 1775 ging hij met Andries Van den Brande naar Asse bij Philippus Arents, brood maecker, en daar noteerde diens zoon als notaris de verklaring van Gillis. In de paastijd van 1776 kreeg Gillis daerover remors van consciëntie. Hij biechtte de hele zaak op aan zijn biechtvader en die wou hem geen absolutie van zijn zonden geven tot hij de drossaard op de hoogte had gebracht van de valse verklaring. Met zijn voogd en schepen J.B. De Nil zocht hij advocaat J.B. De Maré op. Die raadde hem aan Jacobus De Clerck te vragen de valse verklaringen te laten annuleren en aan Gillis de drie gulden terug te geven. Jacobus weigerde echter hem te ontvangen waardoor voor Gillis alleen nog den wech van rechten overbleef om zijn geweten te sussen.

Den ondergeschreven vorster des Landts van Assche relateert ten versoecke van den heer Joannes Dominicus Gheude drossaert van den selven lande met behoorelijk relaes op segel gedaegt te hebben van op den 16de juli 1777 den procureur Arents als dienende Jacobus De Clerck tegens op heden ten negen uren voor noen ten huijse van den heere schepenen rechtsgeleerde Gambier binnen de stad Brussel om aldaer te comen sien doen de responderinge bij partije versocht, dienende dese voor contre relaes, actum 18de juli 1777. ? Van Stichel, 1777.

 Om tot een oplossing van het geschil te komen, vroegen de schepenen een advies aan de Raad van Brabant. Dat advies kwam toe op 9 april 1777 en hield in dat Jacobus De Clerck 25 pattacons moest betalen. De schepenen J.B. De Nil, P. Van den Bossche en J. Van Lierde velden dat vonnis op 22 april 1777

Een nieuwe getuigen.

Jacobus De Clerck ontdekte een nieuwe getuige en ging tegen het vonnis in beroep bij de Raad van Brabant. Op 25 september 1778 legde Jacobus Claijmans, fuselier in het regiment van generaal graaf de Clairfay in de compagnie van kapitein De Ribauxcour, 22 of 23 jaar, de volgende verklaring af. Hij was op maandag 29 augustus in de herberg van Hendrick De Clercq (nu met cq geschreven). Toen hij met een pot bier in de keuken stond, hoorde en zag hij dat er in de kamer een geschil was gerezen tussen Jacobus De Clercq en Jan Baptist Bruijninckx. Hij kende beide mannen en zag dat  Jacobus Jan Baptist vastgreep en hem op de grond wierp. Bruijninckx riep: hond wil ick u nu slaegen, waerop De Clercq antwoordde: doet dat gij wilt. Bruijninckx liet dan De Clercq los. Die stond recht en dan zag hij dat de pint die De Clercq tevoren onder zijn arm hield in stukken op de grond lag. De twee kemphanen bleven nog wat twisten. Jan Baptist verweet Jacobus dat hij kleren droeg die nog niet betaald waren. Meerdere aanwezigen kantten zich dan tegen Bruijninckx. Hendrick De Clercq en Jan Baptist De Witte begonnen hem zelfs te slaan en de soldaat wilde uit de kamer weg want hij vreesde dat er nog meer zou gevochten worden. Hij nam Jacobus De Clercq bij zijn jas en zei hem: alhong Peeter compt met mij, laet dat passeren. Daarop verliet De Clercq de kamer langs de koeienstal en de fuselier keerde terug naar de keuken. Enige tijd later kwam Jacobus De Clercq ook in de keuken, ging op tafel zitten en samen dronken ze nog een pint. Jacobus zei tot zijn broer Hendrick: broeder laet den man gaen. Dan kwam een gekwetste Bruijninckx de keuken binnen en Peeter De Leeuw vroeg hem: broer wie heeft u dat gegeven? waarop Bruijninckx antwoordde: ick en weet het niet, en voegde eraan toe: ben ick gebeten, ick sal mij gebeten houden.

Het vonnis.

De advocaten van de Raad van Brabant gaven op 3 december 1778 hun advies aan de schepenen van Asse. Op 19 januari 1779 spraken J. B. De Nil, P. Van Den Bossche en J. Van Lierde het vonnis uit. Jacobus De Clercq werd veroordeeld tot een boete van 6 g en tot het betalen van ¾ van de proceskosten en ¼ van de kosten van het beroep.

Jan Baptist Bruijninckx trouwde te Meldert op 20 november 1764 met Joanna Maria Vermoesen. Ze kregen 6 kinderen:

1 Carolina, gedoopt op 12 augustus 1765.

2 Jan Franciscus, gedoopt op 9 februaei 1767.

3 Maria Francisca, gedoopt op 20 november 1769.

5 Jan Baptist, gedoopt op 28 november 1778.

6 Paulus, gedoopt op 26 augustus 1779.

De familie Jan Verbeiren-Joanna Maria Christiaens woonde op de Kleindries te Meldert. Ze waren te Essene getrouwd op 23 juli 1740 en hadden 7 kinderen:

1 Petrus, gedoopt op 1 april 1748.

2 Gerardus, gedoopt op 2 april 1750.

3 Joanna, gedoopt op 1 november 1752.

4 Egidius, gedoopt op 25 augustus 1754.

5 Jan Baptist, gedoopt op 30 april 1757.

6 Wilhelmus, gedoopt op 11 januari 1760.

7 Martinus, gedoopt op 22 oktober 1762.

1784. De Staten rekenden teveel aan[44].

In 1784 kwamen de regeerders van Essene tot de constatatie dat de Staten van Brabant hen teveel publieke lasten aanrekenden. Bij de aanleg van de steenweg van Brussel naar Aalst had Essene 1 b 2 d 63 ½ r land afgestaan, maar de Staten rekenden voor de 20ste penning nog altijd 1 b 2 d 36 r aan. De regeerders gaven in 1784 aan landmeter Guillelmus De Deken de opdracht om de betreffende percelen nog eens op te meten. Zij stuurden een brief met een caerte figurative naar de Staten en vroegen de terugbetaling van de teveel geïnde imposten en wezen er in hun schrijven op dat sedert de incorporatie van die percelen die geen vruchten meer opbrachten, wel onterechte voordelen voor de Staten. Op 16 november kwam het antwoord van de Staten. Zij betaalden 160 g 17 st 6 penningen voor de gedurende 39 jaar onterecht geïnde belastingen. De regeerders van Essene, Peter Van Brempt, Michiel Wambacq, Joannes Van der Mijnsbrugghe en Peeter Josephus Rollier, duidden op 16 december 1784 Joannes Dominicus Gheude aan als hun afgevaardigde om de som in ontvangst te nemen.

1786. Geschil met de meierij[45].

De bestturders van Essene vonden in 1786 dat de meierij van Asse hen 16 g 1 st teveel aanrekende. De meierij antwoordde dat het verschil te wijten was aan de bijdrage van de pastoor die slechts 22 g 1 st betaalde. Hij had een inkomen van 347 g 12 st 1 o en betaalde voor de 20ste penning 47 g 12 st 1o. De goederen van de pastorie waren vrij van belastingen, maar de pastoor pachtte 2 b van de heer Van Meerbeek en moest daarvoor 2 g 7 st betalen. Voorts 9 g 10 st voor de ¾ van de 20ste penning waarvan niemand is vrijgesteld, 1 g 1 st 3 o voor 2 b behorend tot de pastorie en 9 st voor de pastorie. De pastoor was vrijgesteld van de bijdrage voor de patrouilles, de tienden, de impostboeck en de oncostboeck.

1787. De regeerders van Essene tegen collecteur  Judo Verbeiren[46].

Op 31juli 1787 richtten Michiel Wambacq, J. Van Der Mijnsbrugge, H. Bastaerts, Henrick De Clerck, regeerders van Essene en J. D. Gheude drossaard, een schrijven aan de griffier van het Land van Asse. Zij vroegen de terugbetaling van teveel betaalde lasten aan de Staten van Brabant.

1. Ontvangen door de rentmeester van de Staten op 30 december 1784 in voldoening van de 20ste penningen voor de geïncorporeerde grond in de nieuwe steenweg van de Staten gedurende 29 jaar:  221 – 7 – 2.

2. Door de Staten ontvangen op de 21 april 1786 voor de logementen in 1785 voor de recruteurs van sijne majesteijts regimenten: 15 – 8 – 2.

3 Door de rentmeester ontvangen op 7 september 1786 voor de levering van wagens en paarden op 5 en 6 januari 1786 door ordonnantie van de hoofdmeier van 4 januari 1786 voor  transport van bagage van Brussel naar Aalst van de dragonders van het regiment d’Arbergh:  90 – 0 – 0.

Totaal: 326 – 16 – 0, een bedrag dat de griffier van het Land van Asse aan Essene moest betalen. Er was echter een probleem met collecteur Judo Verbeiren. Die was failliet en had van de rekening van de collecteboeken van 1779 en 1778, een bedrag van 524 g 3 st 3 o slechts 171 g 9 st 2 o betaald zodat zijn schuld nog 352 g 14 st 1 o bedroeg. De bedesetters van Asse hadden voortdurend aan die van Essene gevraagd om hun schuld in te lossen, wat Judo Verbeiren niet kon en ze beslisten dan om het bedrag zelf voor te schieten. Op 29 augustus 1787 ondertekenden J. D. J. Gheude griffier en J. D. Gheude drossaard, J. B. De Nil, G. Van Humbeeck, Judocus Wellemans, Hendrick Vermeiren, Jan Taelemans, G. Verdoodt, J. Cosse, J. F. Cortvrindt het ontvangstbewijs. Diezelfde dag gaven Anna Marie Ledegen, weduwe van de collecteur Judocus Verbeiren en zijn erfgename, samen met Jan Carbonel, haar tegenwoordige man, het verschuldigde bedrag aan de regeerders en de bedesetters van Asse. Daar Essene dat geld niet direct nodig had, verzochten de collecteurs de griffier om de som in bewaring te houden of ze door de gemeente Asse te laten gebruiken

1787. Cornelis De Witte betaalde het bier niet[47].

Op 28 augustus 1787 werd Cornelis De Witte veroordeeld door de schepenen Joannes Baptist De Nil en Petrus Judocus Van Roij tot betaling van 197 g 4 st. Cornelis had het bier dat pachter en brouwer Henricus Bastaerts hem had geleverd niet betaald. Henricus riep de hulp in van de schepenen en Cornelis werd op 12 juni, 3 juli en 10 juli voor de schepenbank gedaagd, maar daagde niet op met het gevolg dat hij zowel zijn schuld als de proceskosten moest betalen.

Henricus Bastaerts trouwde op 31 augustus 1773 met Maria Joanna De Voghel. Volgens een akte van notaris Van Itterbeke van 15 september 1773 rustte er een eeuwigdurende rente op het pachthof met de steenen huyse, schuere, stallingen, brouwerije en stokerije en edificiën daerop staende, geleghen onder de gemeente van Esschene aen de kercke. Die hoeve  en brouwerij waren in de 17de eeuw in handen van Geert De Witte die ze in 1623 verkocht aan Steven Meert, schepen van Asse. In de 18de eeuw kwam ze in het bezit van de familie Bastaert. Zie: R. Mertens,Geschiedenis van Essene, 134.

1794. Guilliam Verbeiren gecalengiert[48].

Op 19 november 1793 diende drossaard Joannes Dominicus Gheude een klacht in tegen Guillam Verbeiren, zoon van Judocus, omdat zijn paard op zondag 27 oktober ’s morgens tussen drie en vier uur op het klaverenveld vanJacobus De Ridder op Het Horeken stond te grazen. De officier Peeter Camermans, vergezeld van enkele getuigen, kon het paard naar de herberg van François Amerijckx leiden en het met een koord aan de keukenvenster vastbinden. Guilliam Verbeiren vond het daar, sneed de koord door en gaf zijn paard twee of drie stokslagen. Het verschrikte dier sprong weg en liep naar zijn stal aan het huis van Guilliam te Asbeek. Daar kwam ook de officier toe en vroeg aan Guilliam of dat zijn paard was. Guilliam bevestigde dat wat hem een amende opleverde daer alsoo dusdaenige feijtelijckheden niet en mogen worden getollereert ende andere ten exemple behooren te worden gestraft. De drossaard vroeg de schepenen om Guilliam te beboeten voor zijn gedrag, de schade aan het klaverenveld te vergoeden en de kosten van het proces te dragen.

De reactie van Guilliam kwam er op 14 januari 1794. Hij vindt de aanklacht totaal overtrokken, niet de moeite waard om ervan te spreken. Bovendien is het ongeloofwaardig dat de officier op een nacht in de maand oktober zijn zwart paard in de klaveren van Jacobus De Ridder kon zien staan. Hij ontkent dat zijn paard in de klaverenweide heeft gestaan. De klacht is dus ongefundeerd. Het hele voorjaar en de zomer van 1794 sleepte het proces zich voort omdat Guilliam bleef ontkennnen en telkens nieuwe uitvluchten verzon. Tweemaal diende zijn advocaat een verzoek in bij de schepenen  voor een verlenging van het proces. Op 2 september 1794 eiste de drossaard uiteindelijk de veroordeling van Guilliam De Ridder.


[1] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr.6684.

[2] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 3665.

[3] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 3120 en 178.

[4] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nrs. 178 en 179.

[5] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 3732.

[6] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 6682.

[7] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 6688.

[8] Andreas De Voghel, zoon van Jacobus en Anna Steenmetsers werd gedoopt omstreeks 1637 en is overleden op woensdag 29 december 1728 in Asse, 91 jaar oud. Hij trouwde, 33 jaar oud, op zondag 3 augustus 1670 in Brussel in de Sint-Niklaaskerk met Maria Adriana Van Der Eecken, 30 jaar oud. Andreas hertrouwde, 42 jaar oud, op zaterdag 2 december 1679 in Moorsel met Maria Vander Meersche, ongeveer 30 jaar oud. Zij is gedoopt omstreeks 1649 en is overleden op dinsdag 28 april 1739 in Asse, ongeveer 90 jaar oud. Andreas was schepen te Asse en pachtte van de abdij Affligem in Asse-Ter-Heide De Keyserinne.

[9] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 178.

[10] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 179.

[11] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3801.

[12] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 7399.

[13] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 308.

[14] Gerardus Verbeeren is gedoopt omstreeks 1685 en is overleden op zondag 24 februari 1760 in Essene, ongeveer 75 jaar oud. Hij trouwde, ongeveer 24 jaar oud, op dinsdag 21 mei 1709 in Essene met Maria Rogiers. Zij is overleden op zaterdag 14 oktober 1713 in Essene. Gerardus hertrouwde, ongeveer 28 jaar oud, op zondag 12 november 1713 in Essene met Elisabeth Van Den Biesen, ongeveer 28 jaar oud. Zij is gedoopt omstreeks 1685 en is overleden op woensdag 1 april 1722 in Essene, ongeveer 37 jaar oud. Gerardus trouwde voor de derde maal, ongeveer 48 jaar oud, op maandag 21 december 1733 in Essene met Petronella Camermans. Zij is overleden op woensdag 24 april 1748 in Essene.

[15] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 3952.

[16] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 179.

[17] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 321.

[18] Stephanus De Bus, zoon van Balthasar en Joanna Van Cauwenbergh, gedoopt op zaterdag 17 februari 1703 in Essene. Hij is overleden op dinsdag 9 maart 1784 in Essene, 81 jaar oud. Stephanus trouwde, 34 jaar oud, op woensdag 14 augustus 1737 in Essene met Cecilia Rogiers, 24 jaar oud. Zij is gedoopt op vrijdag 23 december 1712 in Essene en is overleden op zaterdag 12 juli 1783 in Essene, 70 jaar oud.

[19] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 321.

[20] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 642.

[21] Petrus Wambacq, zoon van Arnoldus en Joanna De Smet, werd gedoopt op maandag 26 oktober 1693 in Hekelgem. En overleed op donderdag 26 oktober 1775 in Essene, 82 jaar oud. Hij trouwde, 29 jaar oud, op zondag 9 mei 1723 in Essene met Catharina Willems. Zij overleed op donderdag 10 maart 1768 in Essene

[22] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 328.

[23] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 653.

[24] Gertrudis De Ridder, dochter van Joannes en Maria Stevens, gedoopt op woensdag 6 januari 1734 in Essene en overleden op woensdag 28 mei 1738 in Essene, 4 jaar oud.

[25] Joannes De Ridder, gedoopt op zaterdag 18 april 1693 in Essene, overleden op dinsdag 10 februari 1761 in Essene, 67 jaar oud. Hij trouwde, 26 jaar oud, op donderdag 27 april 1719 in Essene met Maria Stevens, 24 jaar oud. Zij is gedoopt op donderdag 21 april 1695 in Essene en is overleden op zondag 24 februari 1771 in Essene, 75 jaar oud.

[26] Joannes Van Nieuwenborgh, gedoopt omstreeks 1691 en overleden op zaterdag 31 januari 1739 in Essene, ongeveer 48 jaar oud. Hij trouwde, ongeveer 19 jaar oud, op zondag 5 januari 1710 in Meldert met Catharina Van Neervelt, ongeveer 22 jaar oud. Zij is gedoopt omstreeks 1688 en is overleden op vrijdag 11 mei 1759 in Essene, ongeveer 71 jaar oud.

[27] François Van De Putte, zoon van Joannes en Elisabeth Robijns. Hij is gedoopt op maandag 5 februari 1657 in Essene en is overleden op dinsdag 3 november 1739 in Essene 82 jaar oud. Hij  huwde met Joanna Van Den Broeck. Zij is gedoopt in 1673 in Hekelgem en is overleden op vrijdag 10 maart 1741 in Essene, 68 jaar oud. Kinderen van François en Joanna te Essene gedoopt:

1 Elisabeth, gedoopt op maandag 5 maart 1703, trouwde met Peeter Bruininckx

2 Catharina, gedoopt op woensdag 3 september 1704, is overleden op maandag 15 februari 1779 in Teralfene, 74 jaar oud. Zij trouwde met Judocus Van Neyghen. Hij is gedoopt op woensdag 27 augustus 1704 in Teralfene en is overleden op woensdag 3 oktober 1781 in Essene, 77 jaar oud.

3 Arnold,  is gedoopt op zondag 14 november 1706 en is overleden op zondag 12 september 1723 in Essene, 16 jaar oud.

4 Jacoba, gedoopt op vrijdag 20 april 1708 en is overleden op maandag 23 december 1782 in O.-L.-V.-Lombeek, 74 jaar oud. Jacoba trouwde, 34 jaar oud, op zaterdag 19 januari 1743 in Essene met Simon Geerts. Simon is overleden op zaterdag 30 januari 1751 in O.-L.-V.- Lombeek.

5 Joannes Baptist, is gedoopt op zondag 9 augustus 1711 in Essene. Hij is overleden op woensdag 22 augustus 1764 in Essene, 53 jaar oud.

6 François,. gedoopt op maandag 26 april 1717 in Essene en is overleden op dinsdag 4 januari 1774 in Essene, 56 jaar oud. Hij trouwde, 31 jaar oud, op dinsdag 5 november 1748 in Essene met Barbara Verbeiren, 25 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 7 februari 1723 in Essene en is overleden op woensdag 15 april 1801 in Essene, 78 jaar oud. Een tweeling op dezelfde dag geboren als Franciscus.

7 Guillelmus, gedoopt op maandag 26 april 1717 in Essene en is overleden op zaterdag 23 april 1785 in Teralfene, 67 jaar oud.

[28] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4218.

[29] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 341.

[30] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr.342.

[31] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 4252.

[32] BRT- Open School. Geschiedenis van de kleine man, 1979, 97.

[33] H. ROSELETH, Eigen Schoon en De Brabander, 1931, 231.

[34] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 677.

[35] De patagon (pattacon), is een munt die in de Lage Landen in 1612 werd geïntroduceerd onder het bewind van de aartshertogen Albrecht en Isabella (1598-1621). Naast een nieuwe reeks goudmunten, gebaseerd op de soeverein, verscheen ook een reeks zilvermunten. Deze reeks zilveren munten kreeg al spoedig de benaming “patagon” waarbij 1 patagon een waarde had van 48 stuivers.

[36] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 4300.

[37] Petrus Wambacq, zoon van Arnoldus en Joanna De Smet, gedoopt op maandag 26 oktober 1693 in Hekelgem, overleed op donderdag 26 oktober 1775 in Essene, 82 jaar oud. Hij trouwde, 29 jaar oud, op zondag 9 mei 1723 in Essene met Catharina Willems, overleden op donderdag 10 maart 1768 in Essene.

[38] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 4310.

[39] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 4720.

[40] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 4344.

[41] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4363

[42] Catharina De Rauwe, gedoopt op vrijdag 25 september 1733 in Essene en overleden op woensdag 8 juni 1808 in Essene, 74 jaar oud. Zij trouwde, 26 jaar oud, op zaterdag 26 juli 1760 in Essene met Guillelmus Verbeiren, overleden op zondag 11 november 1764 in Essene.

[43] R.A. Leuven, schepenbank van Affligem, nr. 703.

[44] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 6693.

[45] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr.6692.

[46]

[47] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 178.

[48] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 721.

Processen Essene voor de schepenbank van Asse tijdens de 17de eeuw.

1542. Verkoop van land[1].

Op 2 september 1542 kochten Jan De Nul en zijn vrouw Cathelijne Jacobs 1 1/2d land gelegen op ’t Doreken van Jan Gillisjans, zoon van Joannes. Het perceel paalde aan de goederen van Gillis Kints, de H. Geest van Asse en de abdij. De schepenen ende meier Janne Van Leefdale stelden de akte op.

1557. Inventaris ten sterfhuize van Gillis Gillisjans[2].

Op 8 augustus 1557 werd op verzoek van Janne De Hagelere, Willem Van der Slachmeulen en Jan Gillisjans de inventaris opgesteld van de goederen van het overleden echtpaar Gillis Gillisjans, alias Van Pullewouwe en Geertruide Van der Slachmeulen. De verzoekers waren de voogden van de kinderen van Gillis en Geertruide.

Gillis was omstreeks 1515 geboren als zoon van Robbrecht en Margriete Moyesoens en overleed in 1565. Hij trouwde, minstens 27 jaar oud, na 1542 met Geertruide Van der Slagmolen, de weduwe van Jacob Geerts, overleden voor 1542.

Gillis bezat goederen te Heylborre en op ‘t Doreken te Asse en was volgens de gasthuisrekeningen pachter van o. a. het Gasthuis van Asse. Zo betaalde hij een vierteel rogge op 20 roeden land gelegen op het Vorduyn. Na hem betaalde Jan Geerts deze pacht. In de S.G. 215 van Asse vinden we in een “vidimus” voor Gysbrecht Gillisjans – ca. 1604 – de bespreking van een akte uit 1541 die handelt over een hofstede te Heylborre onder Asse gelegen ten behoeve van Jacob Geerts en Geertruide Van der Slagmolen. Waarschijnlijk is dit het Hof te Heylborre  van 1/2 bunder dat in 1606 wordt vermeld bij Gysbrecht.

Inventaris van de haeffelijke goede gebleven achter wijlen Gielis Gielisjans alias Van Pullewouwe ende Gheertruijdt Van Der Slachmeulen sijne wettige huijsvrouwe ende gesellinne…..

Deze inventaris is onvolledig omdat een deel van de lijst onleesbaar is.

  • Acht grote en kleine ketels
  • twee melkakers.
  • drie pannen.
  • drie ijzeren pannen.
  • een melkemmer met ??
  • elf tinnen schotels
  • drie kandelaars.
  • een schotelvat met schotels.
  • een botervat.
  • een houwmes en wanten.
  • drie stenen kannen.
  • koe- emmers.
  • een vaatspoelvat.
  • een tinnen boterschotel.
  • een manszetelstoel.
  • een rondeel.
  • twee vrouwenstoelen.
  • twee schoppen.
  • een lichtvat.
  • een zoutvat.
  • een boterteil en een hanger.
  • een ijzeren hamer.
  • een schapraai.

In de kamer

  • een ronde tafel.
  • twee kommen.
  • twee cutsen met twee bedden en twee dekens.
  • een wit seele.
  • een vrouwenhuik.
  • een rode deken.
  • een vrouwentabbaart.
  • een rood wollen hemd.

De beesten.

  • vijf koeien en drie vaarzen.
  • twee kalveren.
  • drie paarden en een veulen.
  • zesenveertig schapen.
  • een ploeg.
  • twee eggen.
  • een voorderboom.
  • twee karren.
  • vier garelen.

Hoewel onvolledig, toch geeft de lijst belangrijke informatie, zeker wat de beesten betreft. Dat Gillis drie paarden bezat, betekent dat hij een van de weinige welstellende paardenboeren was. Ook het grote aantal schapen in vergelijking met het aantal koeien valt op.

1572. Een schenking voor de Kerk.

Joos Van Doolaeghe, zoon van Jan, en zijn vrouw Geertrui Van der Beken schonken op 13 januari 1572 een jaarlijkse erfelijke rente van twee rijnsgulden aan de kerk van Essene, te betalen op het feest van O.-L.-Vrouw-Lichtmis. Als onderpand gaven ze een hofstede met huis en ander toebehoren, gelegen te Essene en palende aan Jan De Nil, Franchois Van Vaerenbergh en de straat. De hofstede was belast met een grondcijns van 1 penning en 13 st voor Gillis Buggenhout, pastoor van Asse. In het geval dat de rente niet werd betaald kon kerkmeester Gillis De Witte de hoeve in beslag nemen tot alle schulden waren vergoed.

De akte werd verleden voor Vrouwe Kathelijne van Brandenborch, weduwe van Jan Cotereau, baanderheer van Ghete en heer van de poort en vrijheid van en tot Asse, rentmeester Hendrik Van Langenhove en de schepenen Jan Van Thille en Hendrik Schokaert die de akte opstelden.

Wij schepenen Vrouwe Kathelijne van Brandenborch achtergelaten weduwe van wijlen heere Janne Coutereau in zijn leven geweest hebbende baenderheere van Gheete, heere van ? ende heere van de poort ende vrijheijt van ende tot Assche in haere heerlicheijt ende bancke van Assche aldaer, saluijt met kennissen der waerheijt doen condt dat op den dach van heden, datum van desen …

1573. De weduwe Gillis Wambacq eist de correcte uitvoering van een testament[3].

Na de dood van Jan Van der Doolaeghe en zijn vrouw Geertruide Van der Beken kwamen de schoonzoons Mattheus Boterbergh en Lauwereijs Van Cauwenberghe met Joos Van der Doolaeghe en de kinderen van Peter Van der Doolaeghe overeen dat de hofstede met huis van de ouders onder Mattheus en Lauwereijs werd verdeeld en dat alle kosten die nog zouden volgen ten laste kwamen van Joos. De mud koren zouden ze samen regelen. Bij die overeenkomst waren Pauwels Van Neervelde en Joos Cuppens aanwezig en samen met Joos Van der Doolaeghe ondertekenden ze het compromis.

Wat een mooie minnelijke schikking leek, leidde later tot een ernstig conflict met de weduwe van Gillis Wambacq. Joos had als uitvoerder van het testament van zijn ouders wat teveel aan zichzelf gedacht:

– Hij had de lening verzwegen die ze bij Gillis Wambacq hadden aangegaan.

– Hij betaalde de kinderen van zijn broer Peter de 7 g 2st 1 bl niet en ook niet de 20 st aan Hansken Van Laere waarop ze recht hadden.

– Uit de rekeningen bleek dat hij 23 g 10 st 1 bl meer had ontvangen dan uitgegeven.

De weduwe van Gillis Wambacq spande uiteindelijk een proces tegen hem in dat eind 1573 nog niet was beslecht.

1581. Een paard in beslag genomen[4].

In de herfst van 1581 ging Seger Mensschaerts met enkele buren naar de paardenmarkt in Eksaarde en kocht er twee jonge merries voor 14 ponden Vlaams. Met de paarden en de buren keerde hij terug naar Affligem, zijn woonplaats. Met de paarden bewerkte hij zijn velden tot de 26ste oktober 1581. Toen kwam de preter van Essene, Peter De Cuyper, tot bij hem, klom op een paard en reed er mee weg tot bij Peter Van Langenhove, de vorster van de schepenbank van Asse. Waarom de preter het paard in beslag nam, begreep Seger niet. Hij had de paarden betaald en had bij niemand schulden. Daarom spande hij op 8 november 1581 een proces in tegen Peter De Cuyper.

Preter: toezichter, de dorpsofficier?

Vorster: Een vorster (ook: dorpsdienaar) was tijdens het feodale tijdperk een functionaris in het dorpsbestuur die onder meer de functie had van deurwaarder. De term was vooral in zwang in het Hertogdom Brabant. De vorster moest dagvaardingen bezorgen namens de schepenbank. Ook las de vorster vaak de besluiten van autoriteiten, zoals van de hertog of de hoogschout, en had aldus de functie van gerechtsbode. Vaak was de vorster tevens een soort ordebewaarder en assistent van de schout. De functie van vorster stond dan ook in aanzien. Na de opheffing van het feodale stelsel werd een deel van de functies van de vorster overgenomen door de veldwachter (garde champêtre). Bron: Wikipedia.

1597. Schenking van een rente[5].

Andries De Weghe en Barbara Vercleren schonken op 21 februari 1597 een jaarlijkse erfelijke rente van 30 st aan Willem Van der Slachmeulen. Die rente was hun bij kavel toegewezen na de dood van Catelijn Gillisjans. Zij  was omstreeks 1510 geboren als dochter van Jan Gillisjans (alias van Pullewouwe) en Catelijne van de Nuevelle. Catelijne is overleden vóór 1587, ten hoogste 77 jaar oud. Zij trouwde met Peter Eggericx, zoon van Merten. Na zijn dood hertrouwde ze met Peter Jacobs. Die liet bij de schepenen van Asse zijn testament opstellen.

De akte van de rente werd opgesteld door de schepenbank van Asse met Vrouwe Catarina van Brandenborch, weduwe van Jan Cotereau, meier Gillis Van langenhove, Jan Vercleren en Jan Van Wijngaerde. Als onderpand gaven ze het bos genoemd Den Berckerenbos, groot 1 ½ d 36 r, gelegen te Essene en palende aan den Cleine Esschenen ?, het goed van Meert en de straat.

Jan de Cotereau huwde een eerste maal bij contract van 16 juni 1528 met Marie d’Argenteau, vrouwe van Staye. Zij was dochter van Jan d’Argenteau, heer van Ochain, Vignée, Avenne, hoofdschout van Mehagne, grootbaljuw van Condroz en burgemeester van Luik in 1491 en van diens eerste vrouw Marie de Roxhelée de Perilleux. Zij was sinds l januari 1519 weduwe van Jan de Berlaymont, heer van Gesves en Hautepenne, grootbaljuw van Haspengouw. Volgens manuscript 17035 in de Kon. biblioteek: Toparchae Ascani liet Jan voor zijn overleden echtgenote een mausoleum oprichten dat bij het bombardement van de kerk door markies de Boufflers in januari 1684 werd beschadigd. Cornelius van Gestel in zijn Historiae archiepiscopatus Mechliniensis, dl. II, p. 151, noteerde er het grafschrift van: Suae amantissimae Conjugi Mariae d’Argenteau, Clari Equitis Joannis d’Argenteau, Dochen et Winnen Domini filiae, Clarus Eques Joannes Coutereau Baro Jaceanus de Widou et in Asca Dominus poni jussit. Obiit 12 Octobris anno 1555.

Markiezin Marie de Cotereau liet in 1639 door beeldhouwer Theodoor Janssen uit Brussel dit grafmonument aanpassen. Deze moest “daerinne brengende dry figueren van avendersteen der hooghde van dry voeten ende een halff…”. Deze drie figuren betroffen Jan met zijn twee vrouwen.

Begin 1556 hertrouwde Jan de Cotereau met Catherina de Brandenbourg, geheten Boulan, dochter van Theodoor de Brandenbourg en van Catherina van Liedekerke. Zij was voordien hofdame van Maria van Hongarije en kanunnikes te Andenne geweest. In zijn huwelijkscontract bepaalde Jan de Cotereau dat het vruchtgebruik van de heerlijkheid Relegem aan zijn vrouw kwam (verhef 2.5.1556). Catherina de Brandenbourg was 59 jaar weduwe toen zij stierf op 12 januari 1621. Op haar grafmonument las men: Cy repose noble et genereuse Dame Catharine Maronne de Brandenbourg, Dame de Gentinnes et de Steynockersele, vesve de feu mess

ire Jean de Coutereau, Chevalier, Baron de Jauche, Seigneur d’Assche, Wydou, Stayne. En son vivant Lieutenant des fiefs de sa Majesté Catholique en Brabant, ayant vescu en sa viduité LIX ans, trespassa le XII de janvier MDCXXI, agée de LXXXV ans. Priez Dieu pour son ame.

Een glasraam in het hoogkoor van de Sint-Martinuskerk in Asse herinnert aan de devotie van Jan de Cotereau en Catherina de Brandenbourg voor het H. Sacrament. Catharina liet het plaatsen, wellicht op aandringen van landdeken Calenus, pastoor te Asse van 1609 tot 1621.

Na het overlijden van haar man kocht Catherina de Brandenbourg op 4 december 1577 van prins Charles de Lannoy Steenokkerzeel (verhef 10.12.1577) en het kasteel te Ham (verhef 23.12.1585). Hummelgem werd in 1605 verkocht aan markies d’Havré.

Catelijne Gillisjans is geboren omstreeks 1510, dochter van Jan (alias van Pullewouwe) en Catelijne van de Nuevelle. Zij overleed vóór 1587, ten hoogste 77 jaar oud. Catelijne trouwde met Peter Eggericx, zoon van Merten. Zij hertrouwde met Peter Jacobs.  Peter liet de schepenen van Asse in 1574 een testament opmaken (S.G. 214 p. 381 v. gedeeltelijk overgenomen):

Indien Catelijne Gillisjans voor Peeter Jacobs sterft, dan krijgt Barbara Eggericx: al de huisraad, een hofstede op de Krekelendries,  1,5 d elsbroek den Berkenbosch, 0,5 d op den Moirter, 0,5 d op den Grovaert, 0,5 d op den Eksterenberg, 30 stuivers erfelijk bepand op goederen van Metten van Houte.

Indien Catelijne Gillisjans na Peeter Jacobs sterft, dan krijgt Henneken Jacobs: 18 g, een hofstede van 1,5 d aan de Quadebrugge gelegen, 1,5 d Berkenbosch te Pullewouwe,  Essene, 0,5 d land op ’t Doreken, 0,5 d land op de Moirter te Essene, drie vierendelen land op de Grote Essene Elst te Asse, 5 g op de goederen van Anna Buevers, 20 stuivers op de goederen van Joos Veldekens.

1611. Straffe uitspraken brengen Jan De Coninck in de problemen[6].

Op 11 november 1611 onderzocht vorster Guillam Van Langenhove in de herberg van Niclaes Van Grimbergen of Jan De Coninck de Raad van Brabant had beledigd. De Coninck was pachter geweest van de impost, de belastingen, en was in de problemen gekomen door een tekort. Zelf vertelde hij echter dat hij winst had gemaakt. De nieuwe pachter van de belastingen, Joos Van der Borcht, was van het tekort op de hoogte en daagde in de herberg Jan uit door te zeggen dat hij op zijn succes wel mocht trakteren met een stoop bier. Die reageerde geërgerd. Het waren allemaal leugens, beweerde hij en alle de heeren in den Raede van Brabant sijn schelmen, filten ende loerendraeiers. Met die uitspraak bezorgde hij zichzelf een proces.

Vorster Van Langenhove ondervroeg eerst de 54 jarige waard, Niclaes Van Grimbergen. Hij bevestigde dat De Coninck op 11 november in zijn herberg was en zich kwaad had gemaakt omdat men hem vroeg eens te trakteren op zijn winst. Jeroon Van Vaerenbergh en Jan Van Grimbergen, de zoon van de waard, verklaarden dat De Coninck wel degelijk de heren van de Raad van Brabant schelmen, filten en loerendraeiers had genoemd. Jeroon had hem de raad gegeven beter op zijn woorden te letten. Ook de 63-jarige Joos Mijlieff was die avond in de herberg. Hij hoorde Joos Van Der Borcht zeggen dat hij een kopie bezat van het vonnis van de Raad van Brabant voor het tekort op Jans rekening. Jan De Coninck herhaalde zijn beledigingen aan het adres van de Raad waarop Jeroon Van Varenberghe antwoordde dat hij die woorden niet soude willen off derven segghen om al ’t gene ick in de wereld hebbe,  Linthout voegde eraan toe dat Jan zich beter zou accorderen met Van Der Borcht. De Coninck sneerde dat ze ook schelmen waren ende gijlieden soeckt mij alle gelijck op te eten. Voor de vorster volstond de ondervraging van de getuigen om de schepenen een klacht tegen De Coninck te laten indienen.

1612. Filips Van Vaerenbergh klaagt Barbara De Wever aan[7].

Filips leverde aan Barbara De Wever, de weduwe van Michiel Wambacq 2 ½ viertelen tarwe voor 2 g en 4 lammeren aan 20 st per dier. Daarvan betaalde Barbara ¾ van het bedrag. Zij leende aan Filips een viertel haver en heeft zij nog de varkens tienden van 9 jaar tegoed. Barbara was dan ook ontstemd dat Van Vaerenbergh bij de schepenbank van Asse een klacht tegen haar indiende omdat zij de viertelen tarwe nog niet had betaald. Zij vroeg de schepenen de klacht te verwerpen en hem te verplichten zijn achterstal te betalen met vermindering van de 2 g voor de tarwe.

Michiel Wambacq, zoon van Gielis en Joanna Verleysen, werd gedoopt omstreeks 1555 in Essene en overleed vóór 1612 in Essene, 62 jaar oud. Hij trouwde, 33 jaar oud, in 1588 in Essene met Barbara De Wever, 32 jaar oud. Zij was gedoopt in 1556 in Essene. Michiel was pachter op het Hof ter Borcht dat oorspronkelijk verbonden was aan de burcht van Essene in het centrum van het dorp. Dat was een leengoed van de heren van Asse.

1615. Wie sloeg Hendrik Jacobs[8]?

Op 1 september 1615 diende timmerman Hendrik Jacobs bij de schepenbank van Asse een klacht in tegen Franchois Wambacq. Die zou hem sekere doodelijcke wonde aan zijn arm hebben toegebracht met een stok. Als gevolg van die slag heeft hij veel kosten gehad en die wou hij nu door de dader laten vergoeden:

1. De meester chirurgijn die de wonde verzorgde, rekende hem 12 g aan.

2. Gedurende 18 dagen kon hij niet werken en bovendien had hij extra voedsel en drank nodig opdat de wonde niet zou ontsteken en genezen. Dat kostte hem 22 g.

Hij vroeg de schepenen om Franchois Wambacq te veroordelen tot betaling van de 34 g. In zijn verweer verklaarde Franchois dat Jacobs geen enkele getuigen zou vinden die zijn beschuldigingen konden staven vermits hij Jacobs met geen mes of ander scherp voorwerp had verwond. Met zijn stok, die nauwelijks een vinger dik is, kon hij zo’n wonde niet veroorzaken. Die wonde is aan de onderkant van de arm en kan dus niet van een stokslag zijn. Het staat wel vast dat Jacobs voordien had gevochten met Thielman Jacobs in het huis van Nicolaas Van Grimbergen. Hij kwam nadien uit zijn huis gelopen met een mes en zijn vrouw riep och herry wat wilt ghij met dat mes maecken. Hij was die avond dronken of heeft hij zichzelf wel verwond en weet hij niet meer waar hij de wonde heeft opgelopen. Daarom trachtte hij de schuld in zijn schoenen te schuiven.

1615. Barbara De Wever voelt zich zwaar beledigd[9].

Op een avond in augustus 1615 zat Barbara De Wever, de weduwe van Michiel Wambacq[10], op de dorpel van haar voordeur. Toen Hendrik Jacobs er voorbij kwam, begon hij haar uit te schelden voor hoere, caroigne (een feeks) , duivelinne en dat sij niet weert en was dat sij die aerde soude beterden. Hij was beter in zijn schoen dan zij in heel haar lijf omdat zij met de duivelen daarom verzocht ze de schepenen van het Land van Asse om Hendrik Jacobs te verplichten om op een genechtedag, een dag waarop er veel volk in Asse was omdat er een rechtszitting plaats had, op blote voeten, blootshoofds met een kaars van tenminste 5 pond in zijn handen en vergezeld van 2 officieren om publiekelijk God, justitie en haar om vergiffenis te vragen, zijn spijt te betuigen en te beloven die woorden nooit meer uit te spreken. De kaars moest hij naar de kerk dragen en ze daar laten opbranden. Barbara vroeg ook hem een boete op te leggen van 300 g waarvan 1/3 voor de heer was en 2/3 voor de schepenen.

In zijn verweer stelde Hendrik Jacobs dat Barbara een loopje nam met de waarheid en al de beschuldigingen had overgoten met sope. De waarheid was dat Barbara hem, zijn moeder en zijn vrouw aan zijn huis is komen onverdraegelijck tempteren en beledigen omdat hij Michiel Wambacq had geholpen om 5 eiken uit het bos Schepeneusel te laden om ze naar zijn huis aan de Krekelendries te voeren. Daarom verweet ze hem een houtdief te zijn en van zijn moeder zei ze dat ze in het kasteel van Gaasbeek had gestolen en van zijn vrouw dat ze een tuindievegge was. Omwille van al deze beschuldigingen wou ze dat de schepenen Barbara veroordeelden tot dezelfde straf die ze van hem eiste, maar met een boete van slechts 100 g waarvan de helft voor de armen was bestemd en de andere helft voor de kerk van Essene.

Ghesien bij de wethouderen der poort ende vrijheijt van Assche het proces voor hun gehouden ende hangende onbeslist tusschen de weduwe wijlen Machiel Wambacq aenleggersse ende gereconveniëerde ter eenre ende Hendrick Jacops gedaeghde ende reconveniënt ter andere zeijden ende op al geleth ter manissen des stadthouders des meijers soo hebben de voorschreven wethouderen gewesen ende verclaert, wijsen ende verclaren dat ’t voorschreven proces nochtertijt niet en is in staete om diffinitievelijck beslist te worden zonder ierst ende vooral informatie genomen te worden op de feijten bij partijen geallegeert, admitteren daeromme de selve daerop ten thoone ende de saecke nader geïnstrueert hij voorts recht gedaen te worden naer behooren, de costen staende ten diffinitiven. Aldus gedaen ende vuijtgesprocken op den achtsten novembris anno XVI° ende zesthiene. J. Van Der Heijden.

Barbara ontkende natuurlijk die beschuldigingen en vroeg om getuigen te verhoren. Dat gebeurde op 12 oktober 1616 door de schepenen Jan ’T Sas en Hendrik Van Ginderachter. Gijsbrecht Van de Vijver, 22 jaar, getuigde dat hij Hendrik Jacobs tegen Barbara hoorde zeggen dat ze een tovernares en een duivelin was die omgang had met de duivel. Elisabeth Roms, de weduwe van Huijbrecht Willmes, 50 jaar, vertelde dat Jacobs had gezegd ick sal u noch alsoo cleijn maecken als out meel dat gemalen was ende ghij sijt niet weert dat u den dach beschijnt. Adriaan Van den Broeck, een handwerker van 75 jaar, hoorde Jacobs roepen dat Barbara een caroigne was met de duivel als haar meester. Peter Van Wichele, Gerard Pauwels[11], de brouwer van 33 jaar, Hans De Vrient en Gillis Roms[12] getuigden in dezelfde zin.

Op 8 november 1616 beslisten de schepenen dat er meer informatie nodig om een vonnis te kunnen vellen. Wellicht was het hen ook opgevallen dat alle getuigen ten voordele van Barbara De Wever spraken.

1615. Michiel Wambacq[13] gaat woest tekeer[14].

De overmeier van Asse, Guillamme Timmer van Tsevel, daagde Michiel Wambacq voor de schepenbank voor meerdere gewelddaden. Op Allerzielen 1615 ging hij in de herberg van de dorpsofficier Joos Van der Borcht nogal woest tekeer tegen Gijsbrecht Van den Vijver. Hij sloeg hem met zijn vuisten, wierp hem onder zijn voeten en trok zijn mes om hem te steken. Maar Van der Borcht en anderen die in de herberg waren, konden het mes uit zijn handen nemen. Michiel was echter nog niet gekalmeerd en greep naar een  bierpot om die naar Gijsbrecht te gooien. Dat konden de anderen ook beletten.

De overmeier klaagde Michiel Wambacq nog voor een tweede zaak aan. In de herberg van Nicolaas Van Grimbergen lag, enkele weken eerder, de dronken kuiper Merten Cuijper te slapen. Hij berokkende niemand last en toch sloeg Michiel hem op zijn hoofd waardoor hij een paar open wonden had. Daarna stampte hij de keukendeur van de herberg stuk. De schepenen Hendrik Van Ginderachter en Hendrik De Clerck beslisten op 31 maart 1616 om meerdere getuigen te ondervragen.

Nicolaas Van Grimbergen verklaarde dat Michiel, die in zijn keuken wat bier zat te drinken, de slapende Merten wou buiten gooien, wat Nicolaas hem belette. Geërgerd sloeg hij dan Merten op zijn hoofd en stampte de keukendeur in. Merten moest zijn open wonden door chirurgijn Philips De Vos uit Asse laten verzorgen.

Gijsbrecht Van den Vijver, een handwerker van 21 jaar, was een van de herbergklanten. Terwijl Michiel Wambacq buiten sijn water was maeckende sprak hij met hem. Onverwachts sloeg Michiel hem op zijn hoofd en ging naar de voorvloer en greep daar naar een schop om hem te slaan. Maar hij stortte zich op Michiel en gooide hem op de vloer. Op het tumult kwamen andere klanten naar de voorvloer en trokken hen uit elkaar. In de keuken gekomen greep Michiel een stenen quaertpot van de regghebanck en sloeg die op hem stuk.

Joos Van der Borcht, 40 jaar, hielp Michiel en Gijbrecht uit elkaar halen en zag dat Michiel een bloot mes in zijn hand had. Hij kon het afnemen en als dorpsofficier verbaliseerde hij Michiel. Die bleef razend en in de keuken greep hij de quaertpot en sloeg die op het hoofd van Gijsbrecht in stukken.

Anna De Reuze, de 33-jarige vrouw van Joos, voegde er nog aan toe dat Michiel, nadat hij de pot had stukgeslagen, nog het rooster uit de schouw wou nemen, wat Joos kon verhinderen.

1615. Jan Wambacq in de problemen[15].

Waarom Jan Wambacq[16] Gerard De Witte[17] bleef verwijten dat hij een dief was, wordt in het document niet verklaard. In elk geval, hij herhaalde dat zo dikwijls dat zelfs zijn moeder hem vroeg dat niet meer te zeggen. Gerard diende op 10 november 1615 een klacht in bij de schepenbank. Hij wou dat Jan werd veroordeeld om met een brandende kaars van 3 pond in zijn handen, blootshoofds en in een leijnen kleed op een genechtedag God en hem om vergiffenis te vragen. De kaars moest hij naar de kerk van Asse dragen en ze voor het altaar van het Heilig Kruis laten opbranden. Hij vroeg ook om Jan een boete op te leggen van 100 g waarvan de helft voor de H. Geesttafel van Essene was bestemd en de andere helft voor de Kerk van Essene;

Jan Wambach ontkende die beschuldiging en toch vroegen de schepenen dat hij zich voor hen zou komen verantwoorden.

1619. Michiel Wambacq leverde de wissen niet[18].

Michiel Wambacq verkocht 30 wissen eikenhout aan Jan Boone met de belofte die te Brussel te leveren voor Sint-Jansmis (24 juni) 1619 voor 37 g 10 st. Jan Boone moest van het bedrag 33 g aan Michiels moeder betalen omdat hij haar nog dat bedrag schuldig was voor de levering van graan. Het resterend bedrag zou Boone bij de levering geven. Maar Michiel leverde de wissen niet zodat voor Boone alleen nog de weg van het gerecht over. Op 19 november 1619 diende hij een klacht in.

Ick Machiel Wambacq woonende te Esschene bekenne vercocht te hebben aen Jan Boone coopman van graen woonende te Brussel dertich wissen eijckenhout te Brussel gelevert ’t sijnen huijse tusschen ende voor Sint Jansmisse toecommende zesthien hondert negenthiene vollevert voor de somme van sevenendertich thien stuijvers met conditie dat Jan Boone moet betalen aen sijne moeder de somme van drijendertich rinsguldens ses stuijvers d’welck den voornoemde Wambacq haer schuldich is voor levering van graen ende de resterende somme van vier rinsguldens vier stuijvers sal de voornoemde Boone betaelen te volle levering van de selve hout. In kennisse der waerheijt zoo hebbe ick Machiel Wambacq mijn hanteecken hieronder gestelt desen sessentwintichsten januari XVI° negenthiene.

Michiel[19] kwam nog een tweede maal in de problemen. Samen met Joos Manlieff pachtte hij een meers van sieur Hannibal Boselli[20] in Den Langenmeers aen de Avenellebeke te Lombeek. De pachtprijs bedroeg 60 g, of 30 g voor elk. Joos betaalde stipt zijn pacht, maar Michiel niet. Omdat Hannibal Boselli Joos voor de rechter daagde om de andere helft van de pacht te betalen, richtte Joos zich tot de schepenbank van Asse om Michiel te dwingen zijn deel toch te betalen.

Het gehucht Steenvoorde verwijst naar de stenen brug of voorde van de Romeinse baan, net zoals de Steenbrugstraat verwijst naar de stenen brug over de Wambeek. De huidige Steenvoordestraat liep naar Essene (een oude nederzetting van voor en tijdens de Romeinse periode). Net voorbij de plaats waar het kasteel van Steenvoorde zou worden opgericht vond men fibula die zouden verwijzen naar een Romeinse begraafplaats (rode cirkel op de Ferrariskaart hierboven.

Michiel Wambach wachtte nog een derde dagvaarding[21] in 1624. In 1618 had hij van Cornelia Van den Casteele voor 6 jaar 3 b land gepacht, gelegen op De Foist en Den Hoijenbergh genoemd. De pachtsom bedroeg 12 sisters[22] rogge. Michiel betaalde de laatste twee jaar van de termijn niet en was zo 8 mudden 3 sisters rogge of 19 g 10 ½ st schuldig in 1624. Voor Cornelia was de maat vol en zij richtte zich tot de schepenbank om de betaling te eisen.

1619. Peter Moernay veroordeeld wegens blasfemie[23].

Tijdens de eucharistievieringen van de kerstdagen van 16?? veroorzaakte Peter Moernay heel wat opschudding in de kerk van Essene. Hij uitte zijn ongenoegen over de kerk en de pastoor in zulke bewoordingen dat hij door de overmeier werd aangeklaagd wegens blasfemie:

– Op Kerstmis vroeg hij aan de gelovigen die van de communiebank terugkeerden naar hun plaats of ze voor hem iets wilden meebrengen.

– Op tweede kerstdag vroeg hij zich af wat de mensen die te communie gingen wat steken sij daer in hun backhuijs, wat hulpt hun dat, vele beters staecken zij een stuijvers brood in hun backhuijs.

Zijn commentaar over de pastoor luidde: ick en weet niet wat sijlieden van papen wilt seggen, wijs mij eenen paep, ick wijse u een duijvel want wat sijn die papen anders als duijvels.

– Van zichzelf vond hij dat hij beter kon preken dan de pastoor van Essene, want die had het altijd over geven.

– Over de pastoor van Essene was hij ook niet te spreken. Die was zo dik omdat hij driemaal van de wijn dronk en die van Ternat maar tweemaal.

De hoofdmeier van Asse werd op de hoogte gebracht van de uitspraken van Moernay en kloeg hem aan voor blasfemie.

Om de beschuldigingen te weerleggen wees Peter erop dat hij door zijn ouders als een oprechte katholiek was opgevoed. Als 60-jarige heeft hij nog altijd een goede naam. Hij gaat elke zondag en op feestdagen naar de mis en ontvangt de sacramenten. Hij is zeker geen geus en het kan niet anders dan dat de beschuldigingen vals zijn. Trouwens de mensen die hem aanklaagden zijn zelf dieven en tovenaars en bijgevolg is de klacht tegen hem niet ontvankelijk.

Omdat overmeier Guille Tymer was overleden, antwoordde zijn weduwe in zijn plaats. Peter Moernay heeft helemaal geen goede naam. Hij leidt een ongeregeld leven en is al door de baljuw van Gaasbeek gevangen genomen en opgesloten in de gevangenis van het kasteel. Hij kreeg er een boete van 30 g. Peter tracht dan aan een veroordeling te ontkomen door er op te wijzen dat hij een inwoner van Ternat is en onder de jurisdictie van de heer van Kruikenburg valt. Maar zijn wangedrag had plaats in Essene en hij had vroeger in Essene gewoond en de schepenen willen daarom eerst zich informeren bij de Raad van Brabant. Op 24 mei kwamen ze tot de conclusie dat de schepenbank van Asse de zaak kan behandelen en dat de proceskosten voor hem zijn.

1620. Vechtpartij na een kaatswedstrijd[24].

Arnoult Adriani, overmeier van het Land van Asse, ondervroeg op 26 augustus 1620 in de herberg van Joos Moijesoen enkele betrokkenen van een vechtpartij. Na een kaatswedstrijd waarin Joos De Jonge en Michiel Van Vaerenbergh[25] het opnamen tegen Peter Mijlieff en Joos De Ceulenere was er onder de spelers een discussie ontstaan over de vraag wie de winnaar was want die moest allen trakteren. De ruzie liep snel uit op een vechtpartij. De eerste ondervraagde was de 33-jarige herbergier en brouwer Joos Moijesoen. Hij had gezien dat Joos De Jonge een vuistslag gaf aan Peter Mijlieff en dat Geert Van Vaerenbergh zich in het gevecht mengde. Meer kon hij niet vertellen want hij was naar zijn kelderkamer gevlucht om zich daar te verstoppen tot het vechten gedaan was.

De 23-jarige Joos De Jonge die bij Jan De Witte woonde, herinnerde zich dat zij afgesproken hadden dat de verliezers die avond hun consumpties zouden betalen. Peter Mijlieff en Joos De Ceulenere verloren en wilden niet trakteren. Daarop was hij met Peter Mijlieff beginnen te vechten. Daar hielden ze al snel mee op, gingen samen een pint drinken en verlieten dan de herberg met Lambrecht Linthout en Gillis Van Vaerenbergh. Toen ze aan het huis van Wambacq waren gekomen, haalde Joos Van Vaerenbergh hen in, sloeg met zijn clauwstock naar hen en liep dan weg, achternagezeten door Peter Mijlieff. Aan het wagenhuis van Pauwels Van Vaerenbergh dook Joos Van Vaerenbergh weer op om met Lambrecht Linthout en Gillis Van Vaerenberg te vechten. Toen hij met Peter Mijlieff Lambrecht en Gillis wou helpen, ging Joos Van Vaerenbergh lopen.

De ongehuwde Lambrecht Linthout, 31 jaar, dacht dat Peter Mijlieff het gevecht was begonnen door De Jonge een slag met zijn stok te geven. Na een kort gevecht dronken ze een biertje, maar Peter bleef klagen dat men hem had geslagen: swaeger, ick hebbe daer soo gesmeten geweest. Joos Van Vaerenbergh wou weten wie er had geslagen en vertrok dan zonder een woord te zeggen. Toen Lambrecht en zijn vrienden aan het huis van Wambacq kwamen, werden ze aangevallen door Gillis Van Vaerenbergh en Peter Mijlieff met hun stokken. Zij liepen weg om stokken te zoeken en zagen hun aanvallers weer aan de schuur van Pauwels Van Vaerenbergh en nu waren het de aanvallers die zich uit de voeten maakten.

1623. Strijd om de (later genoemd) Bastaertshoeve[26].

De hoeve en brouwerij nabij de kerk van Essene, vanaf de 18de eeuw Bestaertshoeve genoemd, kent een lange geschiedenis. Het oudste document ervan dat wij vonden dateert van 1604. Op 20 december van dat jaar leenden Nicolaas Carite en zijn vrouw Josijne De Vleminck aan Peter Cools, zoon van Lauwereijs een bedrag met een jaarlijkse rente van 33 carolusgulden[27]. Als onderpand gaf hij:

1. De hoeve die hij recent had gekocht als laatste bieder voor 99 jaar van de Kerk van Essene. De aartsbisschop van Mechelen en tevens abt van Affligem, Hovius, had samen met de kerk- en armenmeesters van Essene daartoe de toestemming gegeven. De hofstede met huis, brouwerij met ketels, kuipen, bakken en ander materiaal en de plaetsputte (vijver) lag aan het kerkhof en paalde aan de straat. Het goed was belast met 4 g aan de Kerk van Essene.

2. Ook 1 d meers aan Den Vitsbocht en palend aan de goederen van de weduwe Willem Van der Slachmeulen en aan de straat.

3. 1 d en ? r palend aan de Cleijne Meers, de goederen van de erfgenamen Guillaume Snellincq, de meers genoemd Marie Casens en eigendom van de abdij.

Indien Peter Cools de rente niet tijdig betaalt, kan Nicolaas Carite de goederen van het onderpand in bezit nemen tot de schulden zijn afgelost. De akte werd opgesteld door meier Janne Mertens en de schepen Adriaan Schockaert van het Land van Asse. Die gronden vielen deels onder de jurisdictie van het Land van Asse en deels onder de abdij.

Verhuurd.

Op 16 januari 1614 richtte Nicolaas Carite een schrijven naar de aartshertogen Albrecht en Isabella. Hij had al 9 jaar de rente niet ontvangen en hij zat in de gevangenis van Aalst omwille van schulden. Hij vroeg de toestemming om de goederen van het onderpand te mogen verhuren. Het antwoord van de aartshertogen kwam toe op 15 maart 1614. Na raadpleging van de schepenen van Asse geven ze Nicolaas de toestemming om de goederen te verhuren. De huur van het deel onder Asse gelegen mocht tot 30 g 12 st 2 pl gaan, het deel onder Affligem tot 29 g. Ook voor de cijns was er een achtstal van 5 jaar. Carite kreeg ook een vergunning om alles openbaar te verkopen.

Op 18 maart verpachtte Nicolaas Carite het hele bedrijf aan Gerard Pauwels[28], zijn vrouw Joanne De Bonte en zijn moeder Martijne Cammaerts onder de volgende voorwaarden:

1. De brouwerij werd verhuurd voor een termijn van 3 jaar.

2. Als de huurder de brouwerij onderverhuurt aan de hoogste bieder, dat gaat van elk opbod 20 st naar Pauwels en 1/3 naar de eigenaar.

3. De huurder moet elk jaar de grondcijns betalen.

4. De huurder aanvaardt de brouwketel,de kuipen, bakken en ander brouwalaam  en moet ze in goede staat behouden.

5. De huurder moet het huis onderhouden en de kosten ervan zelf dragen.

6. Voor de jaarlijkse pacht zal de huurder voldoende onderpand geven.

7. Betaalt de huurder de pacht niet, dan kan de verhuurder de brouwerij voor een termijn van 3 jaar aan anderen verhuren met dezelfde condities.

 J. Van der Borcht trad op als vervanger van meier J. Mertens. Het pachtcontract werd opgesteld door Schockaert, Robijns en Meert, de schepenen van Affligem.

Verkocht.

Op 17 december 1614 verkocht Nicolaas Carite aan Gerard De Witte[29] de hoffstadt metten huijse, brouwerije ende andere edificiën daerop staende, vijvere ende coollochtene daeraen gelegen gelijck de selve gestaen ende gelegen is in de prochie van Esschene bij de kercke, aldaer commende rondsomme tegen des heeren strate. Als nieuwe eigenaar vroeg hij herhaaldelijk aan Gerard Pauwelsom de hoeve te ontruimen, maar die weigerde. Op 31 januari 1615 gingen de schepenen Nicolaas Meert en H. Van Ginderachter samen met de dorpsofficier van Essene, J. Van der Borcht, op zijn verzoek bemiddelen bij Gerard Pauwels. Martijne Cammaerts, Gerards moeder, deelde kordaat mee dat ze voor de rest van haar leven op de hofstede zou blijven en Gerard en zijn vrouw Joanna zegden dat ze niet zinnens waren om de eis van De Witte peijsselijck off vredelijck in te willigen. Daarop liet Gerard De Witte zijn advocaat Slachmeulen een klacht tegen de verkoper Carite indienen bij de schepenbank van Asse. Hij had er moeten voor zorgen dat de hoeve en de brouwerij al in februari waren overgedragen aan de Affligemse schepenen. Hij eiste bovendien een vergoeding voor de voor hem verloren maanden. Daarmee was Gerard De Witte een procedure begonnen die nog jaren zou aanslepen.

Het proces.

Nicolaas Carite reageerde via zijn advocaat Adriani met een verzoekschrift bij de aartshertogen Albrecht en Isabella op 20 juni 1615. Het was niet aan hem om de bewoners van de hofstede te doen verhuizen vermits De Witte de nieuwe eigenaar was. De aartshertogen oordeelden dat de verkoop plaats had nadat Pauwels het pachtcontract had getekend en dus dat de huur voorging op de koop. Ze maakten de zaak aan de Raad van Brabant die op zijn beurt de zaak naar de schepenbank van Asse doorschoof.

Die Eertshertogen.

Lieve ende beminde wij seijnden U hierinne besloten die supplicatie in onsen Raede van Brabant overgegeven bij off van wegen Niclaes Charite, ordonnerende ende bevelende U wel ernstelijck bij desen dat ghij den suject nopende den versuecke daerbij gedaen versiet gelijck ghij naer gelegentheijt van de saecke in goede equiteijt ende justicie sult bevinden te behooren U heden daertoe authoriserende midts desen ende des en laet niet want ons alsoo gelieft, lieve ende beminde Godt die Heere sij met U. geschreven binnen onser stadt van Brussele den XX° juni 1615. Cools loco Piermans.

Advocaat Adriani diende direct een verweerschrift in bij de schepenen van Asse. Hij betoogde dat Gerard de Witte zelf de problemen veroorzaakte omdat hij de volledige koopsom nog niet had betaald en door zijn verzet tegen de keuze van Carite om de akte te laten verlijden door de schepenbank van Affligem. Carite wou de akte laten verlijden door de Affligemse schepenen omdat op een deel van de goederen de grondcijns aan de abdij toekwam.

In zijn antwoord verklaarde Gerard De Witte dat hij weigerde het volledige bedrag te betalen zolang Pauwels op de hoeve woonde. Het was de plicht van de verkoper om ervoor te zorgen dat het verkochte goed vrij was. Bovendien was er ondertussen al veel schade aangericht aan de gebouwen en de cijns aan Affligem betrof alleen de vijver. Heel de maand juli volgde de ene beschuldiging de andere op. Blijkbaar besloot de schepenbank om getuigen te ondervragen, maar daarvan is in het dossier niets te vinden. Een laatste document dateert van 1619 en daarin betwijfelde Gerard De Witte of bepaalde getuigen wel de waarheid spraken. Het hele proces, begonnen in 1615, eindigde in 1623 wanneer Gerard de hofstede verkocht aan Steven Meert voor een jaarlijkse erfelijke rente van 60 g. De schepenbank van Asse met meier Guilliam Van Langenhove, Urbaan De Maeyer, de rentmeester van Overzenne en de schepenen Schockaert en De Cleck stelden de akte op.

1642. Een erfenis voor weeskinderen[30].

Voor Arnoult Adriani, rentmeester van het Land van Asse, en de schepenen Peter Van Mulders en Jan Schoonjans verschenen op 24 maart 1642 Peter, Nicolaes en Joos Van Couwenberghe[31] als voogden van Johanna en Marie, de kinderen van hun overleden zus Margriete en haar man Gielis Aeckelijs. Het betrof het deel van de erfenis van de grootouders van de kinderen, Joannes Van Couwenberghe en Catharina Van de Mueter. Johanna en Marie erfden een hofstede van 75 r die paalde aan de hofstede van Joos Van Couwenberghe, aan Laureijs Van Grimbergen, aan De Moorter en aan de straat.

1644. Michiel Camermans[32] betaalde zijn pacht niet[33].

Op 1636 had Michiel Camermans het Groot Broek in erfpacht genomen van het klooster van Groenendaal voor 8 sisters en 3 veertelen of 175 g 15 st. Hij betaalde voor de termijn van 8 jaar 22 g zodat hij nog 153 g 15 st schuld had. De procurator daagde hem op 20 juni 1644 voor de schepenbank om hem te later veroordelen tot betaling van zijn schulden.

De voormalige Priorij Groenendaal ligt in het Zoniënwoud bij de plaats Groenendaal op grondgebied Hoeilaart, zo’n 10 km ten zuidoosten van Brussel. Ze had een grote uitstraling onder haar eerste prior Jan van Ruusbroec en stond later dicht bij de Habsburgse jagersvorsten. Tegen de late 18e eeuw had de site zijn glans verloren. Het “nutteloze klooster” verscheen op de lijst van instellingen die keizer Jozef II in 1784 met een pennentrek ophief. De kerk en aanhorigheden werden op drie jaar tijd verkocht en grotendeels gesloopt (1787). Tijdens de Brabantse Omwenteling liet men het klooster herleven (1790), maar de komst van de Fransen betekende het definitieve einde (1796). Zelfs de relieken van Ruusbroec, die na de afbraak naar Brussel waren overgebracht, gingen verloren. Er zijn nog enkele merkwaardige overblijfselen.

Zicht op Groenendaal, Wenceslaus Hollar, 1647.

1652. Hendrik Van den Wijngaerde betaalde de maaltijden niet[34].

Van 12 december 1652 tot 9 januari 1653 verbleef Hendrik Van den Wijngaerde in het huis van Martinus Wambacq te Antwerpen. Voor elke maaltijd rekende Martinus hem 6 st aan, wat in het totaal tot 18 g opliep. Hendrik vertrok zonder te betalen en Martinus zag zich genoodzaakt den wech van rechte inne te gaen en Hendrik voor de schepenbank te dagen.

1652. Nicolaas Meert vergat de rente te betalen[35].

Op 22 maart 1632 verkochten Adriaan De Smet en zijn vrouw Marie Mertens de Peerput, een vijver te Essene, aan Nicolaas Van Grimbergen en Maijken Van Huijneghem voor een rente van 10 g. De vijver paalde aan de straat, aan het goed van Van Grimbergen en aan een opstal en was belast met een grondcijns aan Asse. Als pand gaf Van Grimbergen de net verkregen vijver en een weide op de Uwijck, palend aan de straat, aan Charles Van der Slachmolen en aan de erfgenamen van Jans Ranspoel, belast met een grondcijns en een rente van 4 g 10 st aan Van der Slachmolen. De akte werd ondertekend door de schepenen Joos Van langenhove en Nicolaas Van der Hasselt.

In 1652 was de vijver veranderd in een hopveld en was Nicolaas Meert[36] de eigenaar. Hij had echter de rente al 10 jaar niet betaald zodat Jan De Smet, zoon van Adriaan, tegen hem een proces inspande.

1652. Koster Gillis De Ridder[37] in de problemen[38].

Voor verscheidene processen deed koster Gillis een beroep op Charles Van der Slachmolen als advocaat. Dat was zowel voor hem als voor de erfgenamen van Jan Camerman en Cathelijne De Witte, zijn schoonouders. Maar hij kon of wou de advocaat niet betalen tot die op 23 april 1652 Gillis voor de schepenbank daagde en hem de volgende rekening voorlegde:

– Voor het proces tegen de vrouw van Jan De Witte: 19 g 4 ½ st.

– Voor het proces tegen Barbara De Witte, dochter van Jan: 22 g 14 ½ st.

– Voor het proces tegen Jan Van Overstraeten tegen Peter Schoep: 3 g.

– Voor het proces tegen de weduwe van Jasper Verhoeven.

Totaal van de schulden: 46 g 2st.

1652. Huur van een weefgetouw[39].

Joos De Jonge huurde van timmerman Mattijs Van den Bossche een weefgetouw voor 4 g per jaar. De laatste drie ontving hij echter geen huurgeld en hij stapte naar de schepenbank om Joos te dwingen het achterstal van 13 g te betalen.

1656. Verkochte hop niet betaald[40].

Nicolaas Van den Cruyce uit Bollebeek kocht van Hendrik Vranckx[41] 1070 pond hop aan 25 g per 100. Na aftrek van het gewicht van de zakken bedroeg 1027 pond met een verkoopprijs van 261 g 15 st. Nicolaas betaalde slechts 219 g en om aan het resterend bedrag van 42 g 15 st te geraken bleef er voor Hendrik maar een mogelijkheid over: een proces inspannen tegen Nicolaas.

1657. Handelde notaris Martinus Wambacq correct bij de afhandeling van de erfenis Marie De Witte?

De afhandeling van de erfenis van Jan Camerman en zijn vrouw Cathelijne De Witte leidde tot een ruzie in de familie en tot een nog grotere vete met notaris Martinus Wambacq met als gevolg een reeks processen van 1656 tot 1663. Wie zijn de acteurs in dit drama?

Het gezin Camerman-De Witte.

Joannes Camerman (ook Camermans), gedoopt omstreeks 1570 en overleed na 1637, minstens 67 jaar oud. Hij trouwde met Catharina De Witte, een dochter van Gillis De Witte en Barbara Van Vaerenbergh, gedoopt omstreeks 1570. Joannes (Jan) was poorter van Asse. In het gezin werden 11 kinderen geboren die te Essene werden gedoopt:

1.Ingel, meisenier te Essene.

2. Maria, overleden voor 1638, trouwde met Franchois Verhoeven, overleden op 23 oktober 1616.

3. Anthoen, meisenier te Grimbergen, cit. 1633.

4. Geeraert, trouwde te Essene op 19 november 1621 met Elisabeth De Meye.

5. Jenneken, overleden voor 1671, trouwde met Jan Van Overstraeten van het Hof te Latem te Sint-Martens-Lennik, nadien Hof te Hobosch te merchtem..

6. Cathelijne, trouwde te Essene met Gerardus Linthout, zoon van Adriaan, op 17 november 1624. Zij woonden op het Hof te Brempt in 1657.Gerard hertrouwde met Beatrijs Van Pissote,de weduwe van Gillis De Weghnaere, burgemeester van Denderleeuw.

7. Elisabeth, gedoopt in april 1606 trouwde met Gillis De Ridder te Essene op 4 oktober 1637.

8. Jan, overleden voor 1638, trouwde met Elisabeth De Roye.

9. Anne, gedoopt op 28 april 1608, trouwde met Gillis De Waegenaere en hertrouwde met Nicolaes Buggenhout uit Asse.

10. Gillis, gedoopt op 21 november 1610, trouwde te Essene op 22 mei 1639 met Anne Van den Abbeele.

11. Michiel, gedoopt op 1 september 1613, trouwde met Elisabeth De Valck.

Opmerking: Catharina was in eerste of tweede huwelijk getrouwd met Joos Van Ruijssevelt (cit. 1621)[42]

De rekeningen van Geeraerdt Linthout[43].

Geeraedt Linthout[44], weduwnaar van Cathelijne Camermans, betaalde alle rekeningen na het overlijden van Marie De Witte in 1648 en stelde een lijst op van de inkomsten en presenteerde die aan Martinus Wambacq, griffier van Affligem, als procuratiehouder van de kinderen van Franchois Verhoeven, Michiel Camerman en Gillis De Ridder. De rekeningen werden ondertekend op 11 januari 1655 door M. Wambacq.

Opmerking. In de processtukken is er alleen sprake van Marie De Witte. Zij was een zus van Gillis. Zij was meisenier te Borchtlombeek  (cit. 1574) en poorter van Aalst (cit. 1586). Zij trouwde met Hendrik De Coster en hertrouwde met Jan Cools. Zij stierf kinderloos wat verklaart waarom de kinderen van haar broer Gillis erfgenamen waren[45].

Ontvangsten van het sterfhuis van Marie De Witte, 1648.

– van Niclaes De Groot een jaar rente op 4 juni 1648: 12 – 0 – 0.

– van Jan Goossens de helft van 2 jaar rente voor 1649 en 1650: 12 – 0 – 0.

hun part van de kaveling van Den Diesborremeersch verkocht:  45 – 0 – 0.

– van Guillam De Keijser voor de huur van een meers gelegen te Liedekerke: 18 – 7 – 0.

– van Adriaen De Schrijver voor de huur van dezelfde meers 2 jaar geleden: 16 – 0 – 0.

– verkocht aan Jan De Roover een partij land, groot 72 1/2 roeden, gelegen te Borchgrave Lombeke, het is ¼ van 2 d 90 r: 94 – 11 – 1/2.

– een partij land verkocht aan Nicolaes Staeckman, groot 1 d, gelegen op D’ Opperbochou: 200 g  waarvan de rente 12 g 10 st bedroeg en daarvoor een lening aanging van 200 g.

– een rente gekocht van 6 g tot last van Niclaes De Groot voor de lening 94 – 0 – 0.

– ontvangen van bomen staande in de Borghgrave Lombeke ende Strijthem: 18 – 17 – 0.

– ontvangen van de weduwe Jan De Waghenere voor de huur van land gelegen op D’ Opperbockhout: 18 – 0 – 0.

– ontvangen van de weduwe Jan Goossens 8 g 2 st van een verlopen van rente van 1 p pond groot Brabants: 8 – 2 – 0.

– ontvangen van Adriaen De Schrijver voor een jaar meerspacht van 1652: 8 – 0 – 0.

– van Gillis De Ridder over de huur van een meers gelegen te Liedekerke 16 g 16 – 0 – 0.

Het totaal van de ontvangsten bedraagt 359 – 3 – 0.

De uitgaven.

– aan Gillis De Ridder op rekening van het furnissement[46]in de zaak Verhoeven: 6 – 0 – 0.

– aan den griffier van de Caemer van Uccle voor de helft van het rapport waarvan de andere helft is betaald door Gillis De Ridder in de zaak Verhoeven: 17 – 19 – 0.

– aan Michiel Camerman: 9 – 0 – 0.

– aan Geerardt Camerman op 15 september 1649 voor het rapport in het proces tegen de weduwe Anthoon Camerman: 24 – 15 – 0.

– voor een parcquementen brieff aan den griffier Wambacq: 4 – 4 – 0.

– aan de procureur Robijns 14 g om daarmee advocaat Langhriet te betalen voor het opstellen van de duplycke in de zaak van Geerardt en Michiel Camermans tegen Jan De Grave: 14 – 0 – 0.

– aan advocaat Langriet voor zijn antwoord aan Jan De Mets: 9 – 0 – 0.

– aan advocaat Christijne de helft van 2 g 10 st, de andere helft is betaald door Merten Wambacq in de zaak tegen Gabriels.

– aan de griffier Adriani in de zaak tegen Michiel Camermans: 2 – 10 – 0.

– aan advocaat Horenbeke voor zijn verzoekschrift 2 g 8 st  en 6 st voor zijn presentatie aan de schepenen van Affligem.

– aan Gillis De Ridder: 25 g voor procureur Slachmolen, 10 g voor de zaak van de erfgenamen De Mets, 15 g voor de zaak tegen Jan De Mets en 1 g 12 ½ st.

– aan Martinus Wambacq voor het opstellen van een antwoord  aan Franchois Verhoeven en Gillis De Ridder cum suis[47]: 3 – 15 – 0.

– aan advocaat Horenbeke voor het opstellen van de replycke tegen Franchois Verhoeven en de zijnen: 19 – 16 – 0.

– aan de advocaat voor het vertier bij hem: 5 – 8 – 0.

– aan de la Mars 9 g  9st wettelijke kosten: 13 – 9 – 0.

– aan advocaat Van Horenbeke in de zaak van Franchois Verhoeven:  11 – 6 – 1/2.

– aan F. Wambacq voor furnissement ene wettelijke kosten in de zaak tussen hem en zijn  consoorten tegen de kinderen van Franchois Verhoeven: 46 – 15 – 0.

– aan den procureur Robijns voor het proces tegen Franchois Verhoeven: 18 – 1/2 – 0.

– aan meester Moors voor het visiteren van den processe van Verhoeven:  9 – 16 – 0.

– aan meester De Bisschop voor het proces tussen Verhoeven en de erfgenamen Camermans voor de schepenen van Affligem: 18 – 0 – 0.

– aan Gillis De Ridder 4 g 17 st voor de griffier van Asse in de zaak tegen de weduwe Jan De Mets: 4 – 17 – 0.

– aan Adriani voor zijn rechten in het debat van restitutie van de helft van de kosten  tussen de erfgenamen Camermans en De Grove: 2 – 19 – 0.

– aan procureur Slachmolen voor zijn werk voor Jan De Grove tegen de erfgenamen van Jan Camermans: 9 – 0 – 0.

– aan F. Francq: 1-1 – 0.

– aan F. Wambacq voor de kosten in de zaak van de kinderen van Franchois Verhoeven tegen Gillis De Ridder: 5 – 12 – 0.

– aan Peeter Pauwels: 4 – 9 – 0.

– aan N. Van De Perre voor de kopieën  voor de hoofdbank van Ukkel vanwege Franchois Verhoeven en zijn kinderen tegen Gillis De Ridder en de zijnen: 2 – 3 – 0.

– aan Guillam Cortvrindt voor de schepenen en de griffier voor documenten voor de erfgenamen van Anthoon De Wit: 0 – 17 – 0.

– aan meester Bisschop voor Franchois Verhoeven: 9 – 0 – 0.

– aan advocaat Moors voor het opstellen van een replycke in het proces van Gillis De Ridder en consoorten tegen Franchois Verhoeven: 7 – 7 – 0.

– aan Michiel Steppe voor de kosten  gedaan in het sterfhuis van Jan Camermans op verzoek van Franchois Verhoeven: 1 – 11 – 0.

– aan de la Mars voor de kosten van het proces tegen de erfgenamen van Franchois Verhoeven: 1 – 9 – 0.

– aan procureur Slachmolen voor diverse kosten: 12 – 0 – 0.

– aan Steven voor het vertier in zijn huis gedaan door Geerardt Linthout en Gillis De Ridder: 9 – 0 – 0.

– aan de la Mars voor zijn bijdrage in het proces tussen de kinderen van Franchois Verhoeven en Gillis De Ridder: 54 – 0 – 0.

– aan procureur Slachmolen: 2 – 0 – 0.

– aan meester De Bisschop voor het opstellen van drie procuraties: 4 – 10 – 0.

– aan Gillis Camermans voor zijn aandeel in de rente van zes gulden: 7 – 2 – 1/2.

– aan Martinus Wambacq voor de kinderen van Franchois Verhoeven en van Gillis De Ridder voor hun part van Den Disborre Meersch gelegen in Borchgrave Lombeke,  gekocht door Philips Van Den Eeckhout voor 45 g: 12 – 17 – 0.

– aan de rendant voor  twee jaar rente van 12 g 10 st 1 blank: 25 – 0 – 0.

– voor een hesp geschonken aan procureur Robijns: 2 – 0 – 0.

–  aan drie daghementen: 0 – 7 – 1/2.

– voor het opmaken van de rekening: 6 – 0 – 0.

Uit de lijsten van de ontvangsten kunnen we vaststellen dat de familie Camerman-De Witte bemiddeld waren. Maar uit de uitgaven leiden we af dat er bijzonder veel onenigheid was tussen de kinderen. Op de lijst staan niet minder dan 31 betalingen aan advocaten en proceskosten voor een bedrag van 366 g 17 ½ st. waardoor de totale uitgaven opliepen tot  500 – 15 – ¼. Vermits de totale ontvangsten slechts 359 g 3 st bedroegen was meer uitgegeven dan ontvangen, namelijk 140 g 12 st 1/4.

Daar er nog 6 bijkomende uitgaven waren, stelde Geeraerdt Linthout op 1 februari 1657 een nieuwe lijst op die werd ondertekend door de overmeier Charles Van Der Slachmolen, de schepenen Joos Van Ghinderachter en Aert Robijns, Geerard Linthout, Franchois Verhoeven en Michiel Camermans en hun procuratiehouder meester Martinus Wambacq, Hendrick Aerts, man van de dochter van Anna Camermans.

– op 14 oktober 1655 betaalde Linthout nog aan procureur Robijns: 8 – 17 – 0.

– aan Peeter Pauwels ende Merten Carnoije: 4 – 0 – 0.

– aan de deurwaarders Van Schelle en Gillis Timmermans: 5 – 0 – 0.

– aan de griffier voor  elk blad van de rekening: 2 – 8 – 0.

– voor de auditie van deze rekening: 6 – 6 – 0.

– voor het narekenen door de schepenen: 1 – 11 – 0.

Dat bracht het totale tekort op 168 g 14 st ¼. De erfgenamen moesten dus betalen in de plaats van te ontvangen en dat leidde dan weer tot processen.

De rekening van Gillis De Ridder.

Als man van Elisabeth Camermans stelde Gillis samen met Geeraerdt Linthout een inventaris op van ontvangsten en uitgaven van het sterfhuis van Maria De Witte in 1651.

Ontvangsten.

– ontvangen uit handen van Lieven Van Der Eecken de huur van een meers gelegen aan De Steenenbrugge: 29 – 10 – 0.

– aangaande de resterende huur van die meers, daarover heeft de rendant geen informatie  behalve dat er een som in zijn vorige rekening is vermeld van Merten Wambacq.

– van Marie Walckiers waardin in Den Wispeleer 12 g en van Guillam De Keijser 6 g voor achterstallige huur van goederen gelegen onder Borchgrave Lombeke: 18 – 0 – 0.

– aangaande de resterende huur en de verkochte goederen,  daarvan  Geerardt Linthout dat  in zijn rekeninge gebracht.

Totaal van de ontvangsten: 47 g 10 st.

Uitgaven.

– aan Charles Van Der Slachmolen junior: 23 – 13 – 0.

– aan officier Verbist van de Kamer van Ukkel voor een aanmaning voor Gillis De Ridder en Geert Camerman: 3 – 10 – 0.

– aan griffier van de hoofdbank van Ukkel: 17 – 19 – 0.

– aan procureur de la Mars voor het proces tegen de erfgenamen Franchois Van Der Hoeven: 53 – 19 – 0.

– aan de schepenen van Borchgrave Lombeke voor het instellen van de zaak tegen Philips Van De Eeckhoute: 1 – 2 – 1/2.

– aan deurwaarders Van Schel en Timmermans voor hun werk op verzoek van de erfgenamen Verhoeven: 2 – 10 – 0.

– aan Anthoon Carlier voor zijn kosten en vertier van de officieren in opdracht van meester Charles Van Der Slachmolen: 26 – 0 – 0.

– aan advocaat Horenbeke voor het maken van de sustineringhe tegen de erfgenamen Verhoeven: 4 – 19 – 0.

– aan Peeter Pauwels voor zijn werk voor de erfgenamen: 12 – 0 – 0.

– aan Martinus Wambacq: 8 – 1 – 0.

– aan procureur Daniels: 2 – 17 – 0.

– aan advocaat Horenbeke en aan de procureur en griffier Franco en de procureur Robijns te samen: 4 – 1 – 0.

– aan Peeter Pauwels: 2 – 2 – 0.

– aan griffier Van De Perre: 7 – 12 – 1/2.

– aan griffier Wambacq voor het overdragen van het proces: 5 – 0 – 0.

– aan procureur Franco voor een request: 0 – 12 – 0.

– aan de officier van de kamer van Ukkel: 7 – 4 – 0.

– aan Peeter Pauwels en Merten Carnoije: 6 – 6 – 0.

– aan meester Martinus Wambacq voor enkele kopieën:18 – 0 – 0.

– aan advocaat Horenbeke voor het verweerschrift in het proces tegen de erfgenamen Franchois Verhoeven: 2 – 2 – 0.

– aan procureur Kints voor het communiceren van een relievement aan griffier Wambacq:  2 – 2 – 0.

– aan de wethouders van Affligem voor het advoye[48] en de procuratie gegeven aan procureur de la Mars in het proces tegen de erfgenamen Franchois Verhoeven: 0 – 15 – 0.

-voor Gillis om de processen te volgen, per dag met vertier: 12 – 0 – 0.

– aan Peeter Pauwels en Guillam Van Den Driessche beide officieren van Affligem voor de kosten gedaan op verzoek van  de erfgenamen Franchois Verhoeven: 4 – 13 – 0.

– Gillis betaalde aan meester Franchois Wambacq 6 g bovenop de 12 g die Geerardt Linthout heeft betaald voor de kosten van de Raad van Brabant tussen de erfgenamen en de kinderen Franchois Verhoeven: 6 – 0 – 0.

– aan meester Charles Van Der Slachmolen: 4 – 0 – 0.

– aan meester Charles Van Der Slachmolen voor zijn optreden tegen de erfgenamen Jan De Mets: 1 – 12 – 1/2.

– voor het opstellen van de rekening, voor elk blad 4 st: 2 – 10 – 0.

– voor de kopij zal de rendant aan de griffier betalen voor elk blad 3 st: 1 – 10 – 0.

Het totaal van de uitgaven bedroeg 237 g 7 ½ st en de ontvangsten 47 g 10 st. De rendant had een tekort van 189 g 17 ½ st. Gillis presenteerde zijn rekening op 1 februari 1657 aan overmeier Charles Van Der Slachmolen, aan de schepenen Joos Van Ghinderachter en Aert Robijns en net zoals de  rekening van Geerardt Linthout ondertekend door griffier Van Mulders.

De rekening van Jan Van Overstraeten.

Jan Van Overstraeten betaalde op 14 juli 1656 de som van 52 g en 10 st aan de schepenen van Affligem in de zaak tussen Gillis De Ridder, Geeraert Linthout, Jan Van Overstraeten en de zijnen, aanleggers tegen de kinderen Franchois Verhoeven, gedaagden. F. Wambacq ondertekende het document. Er stond nog bijgeschreven: op 23 september 1656 betaalde  Jan Van Overstraten aan mij, ondergetekende in naam van Merten, mijn zoon 13 g 9 st.

F. Wambacq 1656.

De rekening van Martinus Wambacq.

Martinus Wambacq stelde in 1657 ten behoeve van de meier en de schepenen van het Land van Asse een lijst op van de voorschotten die hij betaalde voor de kinderen van Franchois Verhoeven[49] en Michiel Camerman in het proces tegen Jan De Grove en consoorten dat gevoerd werd voor de schepenen van Asse en de schepenen van Brussel.

– aan griffier Adriani: 10 – 4 – 0.

– aan overmeier Charles Van Der Slachmolen: 12 – 0 – 0.

– aan procureur Robijns: 22 – 17 – 0.

– aan de overmeier het vijfde deel van de kosten van het proces van Jan De Grove contra Camermans: 14 – 0 – 0.

– aan Michiel Steppe voor de dagvaarding met zijn assistent in de zaak van Jan De Grove contra Camermans: 5 – 0 – 0 en nog eens 5 – 16 – 0 op vraag van de erfgenamen Jan Camermans ten voordele van Charles Van der Slachmolen junior.

– aan procureur Slachmolen junior voor het proces van Jan De Grove: 18 – 0 – 0.

– aan procureur De Bisschop: 17 – 0 – 0.

– aan Charles de la Mars: 17 – 19 – 2 plecken.

– aan de deurwaarder Van Schelle ten huize van Steven Meert: 5 – 0 – 0.

– aan advocaat Christijnen: 10 – 0.

– aan procureur Robijns voor het proces Camermans: 11 – 7 – 0.

– aan secretaris Gaillard van de Raad van Brabant: 7 – 4 – 0.

– aan dezelfde: 2 – 12 – 0.

– aan de deurwaarder voor de sommatie[50] van Camermans: 5 – 12 – 0.

– aan Wambacq de rest van de kosten ten laste van Gillis De Ridder en de zijnen: 25 – 0 – 0.

– voor de rendant: 172 – 0 – 1.

Totaal van de rekening Wambacq: 142 g 11 st 2 pl. Deze rekening werd gepresenteerd op 1 februari 1657 aan overmeier Charles Van Der Slachmolen, de schepenen Jan Van Ghinderachter en Aert Robijns, Gillis en Geerart Camermans, Geerardt Linthout, weduwnaar van Cathelijne Camermans, meester Martinus Wambacq als procuratiehouder voor Franchois Verhoeven, Michiel Camermans en Hendrick Aerts, man van Anna Camermans. Gillis en Michiel Camermans, Franchois Verhoeven en Hendrick Aerts protesteren tegen deze kosten omdat zij geen procuratie hebben gegeven om een proces in te spannen en de kosten die daaruit volgen.

Het proces Van Overstraeten – Wambacq[51]

Jan Van Overstraeten[52] spande op 9 oktober 1657 een proces in tegen notaris Martinus Wambacq. Volgens hem is Martinus Wambacq hem nog geld schuldig. Wat zijn de feiten?

Op 17 oktober 1656 bekende Jan Van Overstraeten bij notaris de la Mars dat hij aan notaris Martinus Wambacq  nog 70 g moest betalen en nog eens 103 g 15 st 1 o als vijfde part van 519 g 6 st 1 plek, zijn honorarium voor het proces tegen de kinderen Verhoeven. Van Overstraeten beloofde Wambacq te voldoen binnen de vier maanden. Op 13 april 1657, na een vermaning, betaalde hij 24 g en bleven er nog 79 g 8 st 1 o te voldoen wat Van Overstraeten ontkende. Omdat de notaris die betaling of een borgstelling bleef eisen, richtte Jan zich tot de schepenbank om de eis van Wambacq als niet ontvangbaar te verklaren. Volgens Van Overstraeten had Martinus Wambacq het geëiste geld al genomen tijdens het proces met de erfgenamen van Franchois Verhoeven. Martinus was dan griffier bij notaris De Bisschop.

Op 6 november diende Martinus Wambacq een antwoord in op de beweringen van Van Overstraeten. Nadat hij Van Overstraeten op 17 april 1656 sommeerde tot betaling heeft hij 28 g  6 st betaald en daarvan heeft hij het bewijs bijgehouden. Andere betalingen zijn er niet geweest.

Op 20 november reageerde Van Overstraeten op het antwoord van Wambacq. Hij heeft samen met zijn consoorten, samen 5 leden, een proces ingespannen voor de schepenbank van Affligem tegen de kinderen van Franchois Verhoeven. De kosten daarvan bedroegen niet 519 g 6st 1 plek, maar slechts 344 g. Zijn aandeel in de kosten was 68 g. Hij betaalde daarvan op 24 juli 1656 de som van 52 g 10 st en van dat bedrag heeft hij een kwitantie en volgens de kwitantie van 23 september 1656 betaalde hij aan Martinus’ vader 13 g 9 st. wat een totaal geeft van 66 g min 1 st. en daarmee was de schuld van Jan op 1 of 2 g na afbetaald. Maar Martinus, een slecht persoon landtsman van sijnen stiel bleef beweren dat de kosten 519 g 6 st 1 plek beliepen. Dat had tot gevolg dat hij op 27 oktober 1656 voor notaris de la Mars het contract heeft ondertekend alsof de twee betalingen van 52 g 10 st en 13 g 9 st nog moesten gevalideerd worden. Met dat contract kon Wambacq hem voor alle banken laten dagvaarden om de betaling te eisen. Zo komt het dat hij nog eens 24 g betaalde, dus 22 of 23 g teveel en die moet Wambacq restitueren en daarvoor heeft hij zich tot de schepenbank gewend. 

In zijn reactie vroeg Martinus dat de schepenen notaris De Bisschop zouden verzoeken om zijn kosten bekend te maken en hij herinnerde eraan dat Jan heeft bekend dat hij en de zijnen 519 g 6 st 1 plek schuldig waren en dat hij daarin het vijfde part had als erfgenaam van Jan Camerman en van Cathelijne De Witte.

Van Overstraeten ontkende dat de schuld van de erfenis is samengesteld uit de rekeningen van Gerard Linthout, Gillis De Ridder en Martinus Wambacq. Alleen de gezamenlijke rekening van Gerard en Gillis en die van notaris Wambacq komen in aanmerking want tussen de erfgenamen is pas op 1 februari 1657 een rekening gesloten en dat is 1 jaar en 4 maanden na 17 oktober 1656 waar hij bij notaris de la Mars het contract met Wambacq afsloot. Het bedrag van Gerards rekening mocht hij niet aanrekenen, maar na valse beloften en grote druk op Gerard en Gillis heeft de notaris in mei 1658 met eigen hand die rekening naar hem overgeschreven en geantidateerd met anderhalf jaar. Met diergelijcke trecken kon de notaris hem, maer sijnde een slechts eenvoudich huijsman ende geen greffier off practisijn, die obligatie van 103 g 15 st op 17 oktober 1656 opdringen. Vermits Jan zijn part in de kosten van het proces van de kinderen Verhoeven aan Wambacq al had betaald, zelfs teveel had betaald, is het toch voor de schepenen duidelijk dat notaris Wambacq onbehoorlijk heeft gehandeld en dat de zaak in handen van het officie fiscael moet komen.

Als reactie vroeg Martinus Wambacq aan de schepenbank om getuigen te verhoren. Het verhoor had plaats te Essene op 27 april 1660. Gillis Breem als schepen en Jan De Cuijper als griffier ondervroegen advocaat Slachmolen die Wambacq vertegenwoordigde en advocaat De Bisschop trad op voor Jan Van Overstraeten

Geerardt Linthout pachter en inwoner van Essene, 72 jaar, verklaarde dat hij door zijn eerste vrouw een van de vijf erfgenamen was van Jan Camermans. Maar een van de erfgenamen ging niet akkoord met de rekening van de inkomsten en uitgaven met het gevolg dat zij die rekening hebben gepresenteerd aan de meier en de schepenen van Asse ten huize van Nicolaes Meert op 1 februari 1657. Daar was Jan Van Overstraeten niet bij, wel zijn vrouw en twee zonen. Hij heeft toen samen met Gillis De Ridder aan Martinus Wambacq de volmacht gegeven om hun zaak te behandelen. De vrouw en de zonen Van Overstraeten hebben toen geen bewaar gemaakt tegen de betaling van het vijfde part van de erfenis. Geeraerdt was een jaar later wel aanwezig in het huis van meester Franchois Wambacq waar Van Overstraeten de obligatie voor notaris de la Mars heeft getekend zoals ook hij die heeft getekend. Zijn rekening is nooit opgenomen geweest in die obligatie. Daarna hebben Van Overstraeten en Martinus Wambacq meerdere glazen bier gedronken.

Gillis De Ridder[53] koster ende schoolmeester van Essene, 44 jaar, bevestigde dat hij zijn vijfde part aan Martinus betaalde en dat een van de erfgenamen niet akkoord ging met het slot van de rekeningen. Daarop werd besloten de schepenen te vragen de rekeningen te controleren, wat gebeurde ten huize van Nicolaes Meert. Aan Martinus Wambacq deelde hij het slot van hun rekening mee  zonder hem de opdracht te geven die te controleren. Voorts weet hij niet meer hoeveel hij en Geeraerdt hebben ontvangen voor het opstellen van de rekeningen.

Op 12 juli 1661 beslisten de schepenen Joos Van Ginderachter en Slachmolen het advies te vragen van de Raad van Brabant. Dat oordeel kwam er op 9 september 1661.

De Raad rekende zorgvuldig alles na en maakte een overzicht van de processen in deze complexe erfenis.

1. Het proces dat Gillis De Ridder, Geeraerdt Linthout en Michiel Camerman inspanden tegen de erfgenamen van Franchois Verhoeven voor de schepenen van Affligem. Op 16 juni werden de kosten getaxeerd op 324 g 2st.

2. De kosten van het beroep op de kamer van Ukkel getaxeerd op 23 september 1652 op 61 g 1 st 2 pl.

De totale kosten beliepen 385 g 3 st 2 pl. en daarvan moest worden afgetrokken:

– 48 g 16 st, een bedrag dat tweemaal werd aangerekend;

– 46 g 15 st die Geeraerdt aan de vader van Martinus had betaald;

– 29 g door Linthout aan advocaat De Bisschop betaald.

Het bedrag van de korting was 124 g 11 ½ st en er bleef nog 260 g 11 ½ st 2 pl te betalen zodat iedere erfgenaam 52 g 2 st 1 o moest bijdragen. Dat bedrag heeft Martinus Wambacq van Jan Van Overstraeten gekregen op 14 juli 1656, drie maanden voordat hij met dreigementen Van Overstraeten en Geeraerdt Linthout een obligatie deed tekenen van 103 g 15 st. Bijgevolg ontving notaris Wambacq ontving nog 13 g 9 st op 23 september en 24 g 6st 1 bl van Gillis Van Neervelt, samen 38 g 3 st 1 bl en heeft hij Van Overstraeten bedrogen. Te kwader trouw heeft hij de controle van de rekening van Geeraerdt en Gillis aangerekend en geantidateerd met anderhalf jaar. Daarom moet volgens de Raad van Brabant de notaris de tegenpartij schadeloos stellen door 38 g 3 st 1 bl te betalen.

Op 25 oktober 1661 reageerde Martinus Wambacq op het advies van de Raad van Brabant. Het contract bij notaris de la Mars is door zijn opponent getekend met kennis van de inhoud. Hij wil ook dat Van Overtsraeten alle schriftelijke documenten nog eens voorlegt en dat hij zijn domicilie in het Land van Asse moet nemen. Van Overstraeten woonde in Sint-Martens-Lennik.

Het vonnis.

Pas op 1 oktober 1663 volgde het definitief advies van de advocaten van de Raad van Brabant aan de schepenen van Asse. Zij verklaren dat notaris Wambacq quaelijck ende onbehoorelijcke heeft gehandeld en 38 g 3 st aan Van Overstraeten moet betalen en de proceskosten.

1657. De hoofdmeier tegen Franchois en Michiel Wambacq, schepenen en griffier van de abdij Affligem: inpalmen van de openbare weg (holle weg) bij de uitbating van een steengroeve.

Zie: Liet Franchois Wambacq zandstenen poelen in de Eksterenbergstraat ?

IN DE SCHADUW VAN AFFLIGEM – Bijdragen aan de regionale geschiedenis – Ben Vermoesen & Edmond Schoon (video.blog)

E-1658. Waren de kareelstenen al betaald[54]?

Peter van der Borcht en Cattelijne De Mey gingen in 1644 een lening aan bij Peter Van Mulders en Elisabeth Wambacq. De rente bedroeg 25 g. In de loop van de maand november van 1652 leverde  Peter Van Mulders 4 200 kareelstenen aan Peter Van der Borcht. Na het overlijden van Peter geraakte zijn vrouw Cattelijne in financiële problemen. Ze moest niet alleen de rente betalen, maar ook nog een deel van de kareelstenen. Al twee jaar kon ze de rente niet betalen. Toch slaagde ze erin om op een bepaald moment in 1652 36 g aan Elisabeth Wambacq geven. 25 g waren bedoeld als rente en 11 g voor de kareelstenen. Maar Elisabeth besliste er anders over. De 36 g waren volgens haar de betaling voor de kareelstenen en ze eiste nog 25 g voor de rente.  Ze wou, steeds volgens Cattelijne, voor de 36 g geen kwitantie geven. Ze is dan weenende ende crytende naar huis gelopen. Ze stond nu voor 50 g in de schuld bij Elisabeth en die richtte zich tot de schepenbank om de 50 g op te eisen. Om een schandaal te vermijden, leende Cattelijne de 50 g bij haar neef Joos De Raedt.

In 1658 eiste de tweede man van Elisabeth Wambacq, Hendrik Vranckx nog 25 g op als laatste betaling voor de stenen. Cattelijne stelde vast dat op de factuur die Hendrik bij de schepenbank had neergelegd geen datum van levering stond. Bijgevolg kon Hendrik niet bewijzen dat Peter Van Mulders ooit kareelstenen aan haar had geleverd. Een zwak argument want Hendrik verlaarde dat er voor het nieuwe huis van Cattelijne kareelstenen waren gebruikt, wat meerdere mensen konden getuigen. Cattelijne verwonderde er zich in haar reactie over dat Hendrik Vranckx pas na 6 jaar een datum van de levering kon voorleggen. Bovendien zou Peter Van Mulders tijdens zijn leven zeker de betaling hebben geëist en geen 6 jaar hebben gewacht. Het is gewoon op aansporen van zijn vrouw, die graag geld ziet, dat Hendrik geld kwam eisen. De rekening die hij voorlegde, vermeldde trouwens geen prijs per 1 000 stenen en evenmin het bedrag en de datum van wat al was betaald. Cattelijne had wel een kwitantie van 8 g 12 st die haar zoon Michiel Van der Borcht op 15 mei 1654 had betaald en ze verwees ook naar een plakkaat van keizer Karel uit 1540 dat bepaalde dat alle waren die aan slijtage onderhevig waren, binnen de twee jaar na levering moesten betaald zijn en stenen waren, volgens haar ook onderhevig aan slijtage. Kwam de schuldenaar te overlijden, dan mocht de schuldeiser het achterstal binnen de twee jaar van de erfgenamen opeisen. Dat was allemaal niet gebeurd en Cattelijne besloot haar argumentatie met te stellen dat Elisabeth zomaar op den wilden boff  25 g kwam eisen.

E-1658. Straatschenderij en moedwilligheden[55].

Op woensdag 24 juli (jaartal ontbreekt) ondervroegen de schepenen Aert Robijns en Michiel De Bisschop op last van hoofdmeier Joannes Charles Crabeels enkele getuigen van een straatschenderij.

Als eerste kwam Joos Timmermans, een 19-jarige inwoner van Sint-Katharina-Lombeek aan de beurt. Hij had op woensdagnacht omtrent half een zijn paard ingespannen om op vraag van Merten De Paepe, een brouwer uit de Steenstraat te Ternat, mergel te gaan halen  in de steengroeve aan de Exterenberg. Op weg met Joos De Paepe, zoon van Michiel,  werden ze aan het huis van pachter Jan De Meije tegengehouden door Guillam Verbeiren, de knecht van Jan De Meije, en een persoon die hij niet kende. Die twee mannen wilden weten waar ze naartoe reden. Joos antwoordde dat ze op wandel waren en ze mochten door. Nadat hun wagens met mergel geladen waren, keerden ze terug, maar aan het huis van Jan De Meije stonden opnieuw twee mannen onder een eik. Een van hen greep zijn paard vast. Joos riep hem toe dat hij niet mocht slaan want dat hij hem kende. Hij kon verder rijden, zijn compagnon echter sloegen ze met hun stokken op zijn rug, trokken hem van de wagen, sleurden hem naar de mesthoop en een groot deel van de mergel stootten ze van de wagen.

Hendrik De Meersman, de 18-jarige zoon van Cornelis, woonde bij zijn schoonvader Merten De Paepe. Op diens verzoek was hij die woensdagnacht ook vertrokken om mergel te halen. Jacques Taelman volgde hem met zijn door paarden bespannen wagen. Aan het huis van Jan De Meije en Lucas Geerstman gekomen, zag hij de geladen wagen van de knecht van Peter Van der Heyden staan.Twee mannen hadden het berd, een houten zij- of achterplank, van de wagen getrokken zodat een deel van de lading op de grond viel. De knecht plaatste het berd terug, schepte de mergel op en vertrok samen met Hendrik Van Pissote. Zelf ging hij zijn wagen laden en op de terugweg hielde dezelfde twee mannen hem tegen en sloegen hem en zijn paard met hun stokken. Zijn paard hield er een wonde op zijn rug aan over. Van Hendrik Van Pissote vernam hij later dat een van de mannen Guillam Verbeiren was, de knecht van Jan De Meije.

De 64-jarige molenaar Gillis Parmentier was ook op de vraag van Merten De Paepe ingegaan om mergel te gaan halen. Aan het huis van Jan De Meije zag hij de wagens van Peter Van der Heyden en Hendrik Pissote staan. Hendrik Van Pissote, die altijd het laatste woord wou hebben, hoorde hij zeggen: Guillam, waarom doe je dat, het is de wagen van Merten De Paepe. Gillis is dan naar de steenpoel gereden en terwijl hij aan het laden was, kwam daar de wagen van Jan Maes toe, zonder voerman en met slechts drie wielen. Hij is de voerman en het wiel gaan zoeken. Het wiel vond hij aan het huis van Jan De Meije en de knecht van Jan Maes, Jacques Taelman, lag in de gracht. Die was voor de twee boeven gaan lopen toen ze met hun stokken begonnen te slaan.

Carel De Bont, zoon van Carel, 36 jaar en afkomstig van Sint-Katharina-Lombeek, was met de knecht van Joos Troch en met Jan Van Gucht, de zoon van Joos, op weg met drie wagens om mergel te halen. Aan het huis van Jan De Meije hoorde hij roepen, tappe sur. frappe sur en hij zag hoe twee mannen met hun stokken Jan Van Gucht sloegen. Ze spoorden hun paarden aan en konden ontkomen.

De 31-jarige Jacques Taelman was de laatste die werd ondervraagd. Hij hoorde Hendrik Van Pissote tijdens de schermutselingen aan het huis van Jan De Meije zeggen: Guillam, wat manieren sijn dat, gij soudt beter op uw bedde gaan liggen slapen als ons hier affronten. Op de terugweg vond hij een jonge man in een gracht en tegelijk kwamen twee mannen op hem toegelopen die riepen: avans merblu, tappe sur. Hij vroeg hen waarom ze sloegen en voegde eraan toe dat Merten De Paepe een goede huisvader was en dat hij nooit aan iemand van Essene kwaad had gedaan. Toen trokken ze een berd van de wagen en sloegen op zijn paard. Dat schrok en stormde weg.

Zinloos geweld en vandalisme zijn blijkbaar van alle tijden.

E-1659 – 1661. Lucas Wambacq gaat zwaar in de fout[56].

Lucas Wambacq, pachter en brouwer te Essene, was een zoon van Franciscus en Catharina Troch. Franciscus werd omstreeks 1580 te Essene gedoopt als zoon van Michiel en Barbara De Wever. Hij overleed op donderdag 30 juni 1661 te Essene, ongeveer 81 jaar oud. Hij trouwde in 1613 te Essene met Catharina Troch, de dochter van Jan en Cathelijne Plas. Cathelijne werd gedoopt omstreeks 1587. Zij hadden 9 kinderen te Essene gedoopt.

1. Barbara, gedoopt op zondag 3 augustus 1614 en overleden op vrijdag 2 augustus 1652 in Hekelgem, 37 jaar oud.

2. Elisabeth, gedoopt op donderdag 21 januari 1616, en overleden op vrijdag 7 december 1674 in Asse, 58 jaar oud. Zij trouwde met Peter Van Mulders, griffier te Asse. Hij werd in 1608 te Asse gedoopt en overleed in 1660, 52 jaar oud.

3. Michiel, gedoopt op dinsdag 17 oktober 1617 en overleden op zondag 22 1690 in Essene, 73 jaar oud. Michiel was de eerste bewoner van Het Ankerhof en meier van de schepenbank van de abdij. Zie ook Jaarboek Belledaal, 2008, 213.

4. Martinus, gedoopt op zaterdag 19 oktober 1619 en overleden op woensdag 6 februari 1675, 55 jaar oud. Hij was notaris te Essene en griffier van de abdij.

5. Catharina, gedoopt op zondag 12 december 1621 en overleden op zaterdag 15 maart 1681 te Asse, 59 jaar oud.

6. Anna, gedoopt op woensdag 7 februari 1624 en overleden voor 1625.

7. Anna, gedoopt op zaterdag 22 maart 1625.

8. Lucas, gedoopt op donderdag 14 juni 1629 en overleden op 10 september 1670 in Essene, 41 jaar oud.

9. Joanna, gedoopt op woensdag 13 januari 1638.

Lucas was vermoedelijk de laatste pachter van het Hof ter Borcht. Deze grote hoeve was oorspronkelijk verbonden aan de burcht van Essene. Ze bevond zich in het centrum van het dorp, ten zuiden van de kerk en behoorde in de 12de en 13de eeuw toe aan de ridders van Essene. In het begin van de 16de eeuw nam de familie Wambacq het bedrijf over. Achtereenvolgens waren Jan, Michiel, Grelis, Michiel en Franchois er de uitbaters. Franchois, de vader van Lucas, was griffer van de schepenbank van de abdij. Hij kocht op 30 juni 1661 het Hof te Belle van de abdij voor 900 gulden.

Het gezin van Lucas Wambacq.

Lucas trouwde een eerste maal met Cathelijne Bruijaert op 4 juli 1649 met wie hij vijf kinderen had die te Essene werden gedoopt:

1. Catharine, gedoopt op 26 april 1650

2. Adriana, gedoopt op 12 december 1651

3. Joanna, gedoopt op 28 december 1653

4. Franciscus, gedoopt op 10 augustus 1655

5. Michael, gedoopt op 29 mei 1657.

 Na de dood van Cathelijne in 1657 hertrouwde hij met Anna Van de Putte op 19 juli 1657. Zij was een  dochter van Aert, gedoopt te Essene op 16 november 1629. Anna overleed in 1662. Met zijn tweede vrouw had Lucas nog vier kinderen:

1. Arnold, gedoopt op 17 juni 1658

2. Guillelmus, gedoopt op 5 april 1660

3. Martinus, gedoopt op 14 augustus 1662, overleden in 1720

4. Joannes, gedoopt op 6 januari 1665.

Processen.

Een verzwegen grondcijns

In de procestukken van de schepenbank treffen we Lucas Wambacq aan in 1655. Hij had dat jaar 48 r land gekocht van Adriaan Schockaert. Het perceel lag op Het Doreken en paalde aan Jan Van den Abeele, zijn eigen goed, de weduwe Michiel Van Vaerenbergh en de Vijvermeers. De grond was belast met een grondcijns. Adriaan verzweeg bij de verkoop aan Lucas dat hij op 5 november 1650 het land als pand had gegeven voor een erfelijke rente van 25 g aan sieur Matthias Van der Jeught en zijn vrouw Joanna Catharina Mertens. Die eiste aan de nieuwe eigenaar de betaling van de rente wat aanleiding gaf voor het proces dat Lucas inspande tegen Adriaan want hij wou dat Adriaan hem de 25 g rente betaalde of dat hij ervoor zorgde dat het goed van de rente werd ontlast.

In de clinch met de collecteurs

1659 was een anno horriblis voor Lucas Wambacq. Op korte tijd geraakte hij driemaal in de problemen, eerst tweemaal met de collecteurs van Asse en een derde maal met de hoofdmeier.

Met de collecteurs betwisste Lucas zijn aandeel in de belastingen. Volgens Steven Meert bedroeg het aaandeel van Lucas in de rationsboeck van de Vrijheid van Asse 6 g 18 st 1 bl. Lucas betaalde slechts 4 g en bleef zo nog 2 g 18 st 1 bl schuldig. Omdat Steven Meert het geld bleef opeisen, daagde Lucas hem voor de schepenbank.

Met collecteur Michiel De Bisschop kreeg hij het aan de stok over zijn bezittingen in Asse. In 1657 belastten de bedesetters van Asse hem voor 34 st voor drie percelen die Lucas bezat in Asse, namelijk een partij land van 1 d 75 r, een van 6 d 30 r en een perceel van 1 b 1 d 70 r. Lucas ging daarmee niet akkoord en hij maakte twee bezwaren. Voor de eerste twee percelen betwisste hij de opgegeven grootte en hij liet gezworen landmeter Joos Van Langenhove de percelen opmeten. Die kwam tot de vaststelling dat ze samen een oppervlakte hadden van niet meer dan  2 b 6 r. Wat het veld van 1 b 1 d 70 r betrof, dat was niet van hem, maar van zijn broer Michiel. In de plaats van 36 st betaalde hij 20 st, wat hem een dagvaarding voor de schepenbank van Michiel De Bisschop opleverde. Tijdens het proces bleek dat Lucas tot 1657 peijselijck ende vredelijck de 36 st betaalde en dus kreeg hij ongelijk.

Zware beschuldigingen

Op 27 december 1658, de derde kerstdag, zaten enkele mannen in de keuken van de koster en schoolmeester Gillis De Ridder[57] gebrande wijn te drinken. Een van hen, Lucas Wambacq, was er duidelijk op uit om ruzie te zoeken met Hendrik Van Hersele, de knecht van molenaar Aert Van de Putte. Hendrik had diens hond bij zich en Lucas begon het dier te slaan terwijl hij Hendrik verweet een dief te zijn. Op een bepaald moment vlogen ze elkaar in de haren en stampend en slaand vielen ze op de grond. Enkele aanwezigen konden de vechters uit elkaar halen, maar de woede van Lucas was nog niet over. Hij trok zijn mes en viel Hendrik weer aan. Dat werd een noodlottig gevecht dat voor beiden dramatisch afliep. Hendrik kreeg een messteek in de buik en overleed de volgende morgen aan die verwonding. Het bebloede mes van Lucas werd later onder de keukentafel gevonden.

Op 22 februari begonnen schepen Joos Van Ginderachter en griffier Van Mulders met het verhoor van de getuigen die door dorpsofficier Michiel Steppe waren gedagvaard.

Gillis De Ridder, de 42-jarige herbergier, koster en schoolmeester, kwam als eerste aan de beurt. Hij verklaarde dat op 27 december enkele mannen in zijn keuken brandewijn dronken. Onder hen Lucas Wambacq die Hendrik Van Hersele, de knecht van Aert Van de Putte[58], molenaar op de Avennemolen, aan het pesten was. Hij sloeg de hond. Op de vraag van Hendrik waarom hij zijn hond sloeg, antwoordde Lucas: wel gij hondsot ick mach hem soo wel slaen als gij off beter en meteen vloog hij op Hendrik af. Hij trok hem bij zijn haar. Met de hulp van Carel De Nagel kon Gillis hen uit elkaar halen. Even later stortte Lucas zich weer op Hendrik en hij hoorde Hendrik roepen: mijnen buijck, ende heere ick ben gequetst. Een van Gillis’ dochers vond onder de tafel het mes van Lucas Wambacq. Hij zag dat Hendrik een grote wonde had in zijn buik. De volgende dag is hij gestorven.

Peter Schoep, een pachter van 57 jaar, was een van de mannen in de keuken. Hij zag het getreiter van Lucas en het gevecht. Toen Hendrik riep dat hij gekwetst was, hoorde hij Lucas zeggen: dicken dieff hebdij het noch niet genoech, ick salt u genoech geven. Hendrik had een grote wonde en onder de keukentafel lag een bebloed mes.

Franchois Van Vaaerenberhe, zoon van Adriaan, 24 jaar, verklaarde dat na veel gekrakeel Lucas Wambacq en Hendrik Van Hersele begonnen te vechten. Op een bepaald ogenblik stond Hendrik recht en hij hield zich aan hem vast met een hand op zijn bebloede buik. Hendrik strompelde naar buiten, liep tot aan de school en viel daar omver en bleef liggen.

Franchois Stevens, zoon van Joos, 24 jaar, vermeldde dat er ook vrouwen in de keuken van Gillis zaten. Nadat Lucas de jonde Hendrik lange tijd had getergd, ontstond er tot tweemaal toe een gevecht. Nadat ze een eerste keer uit elkaar waren gehaald, zat Lucas aan de schouw met een mes in zijn handen dat hij onder zijn instacorps trachtte te verbergen. Als het gevecht herbegon, vielen beiden tegen de tafel. Franchois zag toen de wonde in de buik van Hendrik.

Carel De Nagel, 37 jaar, bracht nieuwe informatie aan. Hij stond op het kerkhof als Lucas Wambacq hem zei: ick wiste wel dat ick dien dicken dieff hier soude vinden, alwas het huijs van Nicolaes Meert gepasseerd nochtans wiste ick wel dat hij het gebranden wijnhuijs niet en soude voorbij gaen. Even later ging hij ook naar binnen, maar als het vechten begon, vertrok hij. Toen hij weer in de keuken kwam, zag hij dat Lucas met een mes in zijn handen Hendrik aanviel. Voor hij de keuken opnieuw verliet, hoorde hij Hendrik nog zeggen dat hij gekwetst was. Carel Rogiers, zoon van Joos en een 25-jarige radenmaker, legde dezelfde getuigenis af als Carel De Nagel.

Op 10 maart 1659 nam Jan Van den Slachmolen de taak over van Joos Van Ginderachter. Hij ondervroeg Jenneken De Ridder, de 20-jarige dochter van Gillis. Zij zag de vechters op de grond vallen. Hendrik stond op, met zijn handen op zijn buik, zei hij: mijnen buijck, ick moet liggen. Hij ging evenwel naar buiten en zakte aan de school van haar vader ineen. Hij bleef er liggen.

Op13 maart was schepen Joos Van Ginderachter weer present voor de ondervraging van Elisabeth Camermans, de vrouw van herbergier Gillis. Zij kwam van haar winkel de keuken binnen en zag dat Lucas met een mes in zijn handen Hendrik aanviel. Zij zag de wonde in de buik van Hendrik die naar buiten ging. Aan de school viel hij en bleef liggen. Hij werd naar binnen gedragen en bleef er tot de volgende morgen liggen. Omstreeks 8 u. is hij gestorven. Een van haar dochters vond een half uur later het bebloede mes van Lucas onder de keukentafel. Zij heeft het aan de schepenen overhandigd.

Was het goud te hoog geschat?

Op 19 januari 1657 kocht Lucas het erfdeel dat Gillis Coppens van zijn vader Abraham had verkregen voor 575 g. Hij betaalde daarvan 525 g en later nog eens 10 g zodat hij nog 40 g schuldig bleef. Omdat Gillis niet in der minne aan zijn geld geraakte, wendde hij zich tot de schepenbank. In zijn verweer betoogde Lucas Wambacq dat het goud van de erfenis te hoog was geschat en zeker geen 25 g waard was. Gillis erkende dat en ging akkoord met 10 g die Lucas betaalde. Zo resste er nog 25 g die hij van Lacas via de schepenen eiste.

Ruzie met Adriaan Van Vaerenbergh.

Als kind zou Adriaan Van Vaerebergh poedermate van sekeren bandelier, door een soldaat achtergelaten in zijn vaders huis,  hebben afgetrokken. Dat voorvan vertelede hij eens aan Lucas Wambacq. Jaren later, in 1661, verweet Lucas tijdens een caféruzie Adriaan dat hij een dief was. Omdat meerdere personen daarbij aanwezig waren, nam Adriaan het verwijt zeer ernstig en hij stapte op 28 november 1661 naar de schepenen met de eis om Lucas Wambacq te veroordelen om op een gerechtsdag te verschijnen tussen twee officieren, gekleed in een linnen gewaad en met een brandende kaars in zijn handen. Hij moest God en hem om vergiffenis vragen en getuigen dat Adriaan een man van eer en deugd was  met een goede faam. Hij vroeg ook een boete van 300 g bestemd voor de huisarmen van Essene. Tegelijk richtte hij zich tot de Raad van Brabant met het verzoek om Lucas Wambacq binnen de acht dagen voor de rechtbank te dagen. Dat verzoek werd ingewilligd en overgemeekt aan de schepenen van Asse op 2 december 1661.

Lucas Wambacq antwoordde op 17 december en hij ontkende de beschuldiging. Hij had Adriaan zeker geen dief genoemd en hij somde zelf een aantal beschuldigingen aan het adres van Adriaan op:

– Eigenlijk had hij Adriaan wel een dief genoemd, maar hij had wat gedronken en bijna onmiddellijk verklaarde hij ick segge niet dat gij een dieff sijt.

– In de herberg van Adriaan hoorde hij dat die allerlei dingen opnoemen die zijn broer Martinus als jonge man zou hebben uitgespookt.

– Bij een andere gelegenheid maakte Adriaan bij hem thuis ruzie met zijn broer Franchois, Jaspar Camerman en Jan De Meije. Op een bepaald moment werd er met stokken geslagen en zelfs met een roer geschoten. Adriaan trok de kaars uit de handen van zijn vrouw en gaf haar zo’n schop dat ze op de water steen viel. Hij en Jaspar Camerman zijn dan naar buiten gevlucht.

– Omdat Adriaan nog een aanzielijks som aan zijn broer Martinus moest betalen, spande hij uit wraak een proces tegen hem in.

Lucas vroeg de schepenen om de klacht van Adriaan Van vaerenbergh als niet ontvankelijk te beoordelen.

Uiteraard ontkende Adriaan wat Lucas tegen hem inbracht. En ja, hij had woorden gehad met Martinus Wambacq, maar op het einde hebben ze als vrienden een pint gedronken. Hij bleef bij zijn eis.

De nalatenschap van Lucas Wambacq.

Voor de meier van de abdij verschenen op 5 april 1672 Adriaan Van der Sraeten en zijn vrouw Cathelijne Wambacq als voogden voor drie minderjarige kinderen uit zijn eerste huwelijk en Michiel Wambacq en Peter segers als voogden van de kinderen met zijn tweede vrouw. De goederen van Lucas als langstlevende werden in twee gelijke delen verdeeld, behalve wat vooraf al ten deele was gevallen aan de kinderen uit het eerste huwelijk de opbrengst van verkochte goederen in de parochie van Bever in Henegouwen.

1. Een hofstede met weiland en hout, een vloghe, varkenshokken, grote schuur, paarden- en koeienstal, groot 240 r, palend aan de vijvereusel, en de goederen van Peter De Bus, getaxeerd op 1466 g.

2. Een meers met bomen palend aan de Varensstraat, aan Affligem, de markies van Asse en Nicolaas Fasseel, getaxeerd op 181 g.

3. Een perceel van 90 r gelegen op Den Grenaert, palend aan de voetweg van Aalst naar Ternat, Carel De Nagel, Michiel Wambacq, het Rodeklooster en Peter De Bus, getaxeerd op 266 g 5 st.

4. Een perceel van 3 d 75 r op Het Doreken, palend aan de Vijvermeers, Jan De Paepe en Jasper Camerman, getaxeerd op 750 g.

5. Een rente van 30 st van een kapitaal van 24 g van Guillam De Brackel uit Wambeke.

6. Een hofstede met hopstaken van 50 r, palend aan de straat, Jan Van Vaerenbergh, de erfgenamen Jan Raspoet en Jasper Camerman, getaxeerd op 168 g.

7. Een veld gelegen op het Doreken, 1 d 38 r, palend aan Bartolomeus De hertoghe, de armen van Asse, wijlen meester Joos Van der Heyden en Michiel Wambacq, getaxeerd op 310 g 10 st.

8. Een perceel gelegen op De Montil, 1 d 20 r, palend aan de Pelinkvijver, jonker Francis Van Steenlandt, de erfgenamen Jan Coppens en de erfgenamen Jan De Witte, getaxeerd op 342 g.

9. Een hofstede met een nieuw huis aan de Krekelendries, 1 d 25 r, palend aan de straat, Den Boonhof en Gillis Van den Broeck, getaxeerd op 663 g 10 st.

De kinderen op zijn eerste huwelijk erfden:

1. De hofstede met weiland en hout, een vloghe, varkenshokken, grote schuur, paarden- en koeienstal, groot 240 r,

2. Een veld op Den Moorter, 90 r, palend aan de Belleweg, de erfgenamen Gerard Linthout, de heer Besar en de erfgenamen Van der Meulen, getaxeerd op 180 g.

3. Het Langeveld met bomen, 220 r, palend aan de Berenbremt, Marie T’ Kint, de weduwe van Jacques Van Bossuyt, Franchois De Bailliu en Guillam T’Kint met een last van 25 g aan het godshuis Ter Histen in het begijn hof van Brussel, getaxeerd op 222 g 5 st.

4. Land op Het Doreken, 2 d 10 r, palend aan GillisVan den Broeck, Jan Longin, de groeneweg en Jan De Paepe, getaxeerd op 420 g.

5. Een hofstede genoemd Den Schockaert, 175 r, palend aan de straat, Jan De Smet en Adriaan De Ridder met een last van 2 viertelen rocx voor het gasthuis van Asse, 2 viertelen rocx aan de armen van Asse.

6. Deel van een rente van 502 g 8 st van Jan Matthijs met een rente van 2 g 7 st.

7. Land op De Moorter, 71 ½ r, palend aan het goed van Affligem en Frachois De Bailliu, getaxeerd op 187 g 14 st 1b.

8. Een perceel van 1 d 22 r, palend aan de Boonhof en de erfgenamen van sieur Hendrik Wellens, getaxeerd op 229 g 10 st.

Deze akte werd verleden door de schepenen Joos Van Ginderachter, Guillam T’ KInt, Peter Moortgat en Nicolaas Meert, schepenen van het markizaat en vrijheid van Asse in aanwezigheid van Charles Ignatius Crabeels, drossaard en Carel Steppe, dorpsofficier.

Een vergelijking met de inventaris van de nalatenschap breng alleen maar verwarring want er komen nieuwe percelen voor met andere oppervlaktes en andere aangelanden. Een mogelijke verklaring is dat bepaalde percelen werd verdeeld of dat ze uit de erfenis van Cathelijne Breijaert voortkwamen.

1660. Michiel Wambacq beschuldigt griffier Gillis Van Mulders[59].

Een ongewoon proces: Volgens griffier Gillis Van Mulders was Michiel Wambacq[60] nalatig in de betaling voor akten, handtekeningen en kopieën enz. aan de schepenbank van Asse. Na herhaald aan dringen kwam er verrassende wending in de zaak. Michiel trok zelf naar de schepenbank en diende een klacht in tegen Gillis. Die legde de schepenen een gedetailleerde rekening voor waaruit bleek dat het in het totaal omeen schuld van 95 g 12 ¼  st  ging. Na 26 augustus bleef daarvan nog 59 g 6 ½ st over.

1661. Wie moet betalen voor het kind van Adriaan Linthout[61]?

Op 18 november 1659 kwamen Gerard Linthout en zijn zoon Adriaan met Joos Taelemans overeen om Gerard, het kind van Adriaan bij zijn eerste vrouw, te nouriceren ende te alimenteren voor 46 g per jaar. Die overeenkomst gebeurde in de herberg De Valck van brouwerJan Hellincx te Ternat. Maar anderhalf jaar later, op het feest van Hemelvaart had Joos slechts enkele betalingen gekregen:

– van Gerard 7 g;

– van Cathelijne Van der Smissen 23 g

– van gerard een stuk hout van 4 g 5 st waarvan hij voor 5 st koussen voor de kleine Gerard moest kopen;

– toen hij het kind bij Gerard bracht, gaf die hem 4 g 16 st

– in Den Hert te Asse betaalde Gerard hem 4 g 12 st

–  met Pinksteren kreeg hij 6 g

–  nog enkele kleine betalingen zodat er nog een tekort was van 14 g 8 st.

Meer wou Gerard niet geven en Joos trok in 1662 naar de schepenbank.

In zijn antwoord op de beschuldigingen stelde Gerad Linthout dat een vader niet aansprakelijk is voor de schulden van zijn kinderen. Hij ontkende ook dat hij de overeenkomst met Joos sloot. Wel heeft hij omwille van de goede naam van zijn zoon 17 g betaald, wat niet betekende dat hij de schuldenaar is. Dat gold ook voor Cathelijne Van der Smissen. Tot slot voegde hij er nog aan toe dat Adriaan hertrouwd was en in Mechelen woonde.

Cathelijne Wellemans, de weduwe van Joos Taelemans, weerlegde Gerards stelling dat hij geen contract had afgesloten met Joos. Hij had het zelf geregeld dat Joos het geld kon ontvangen in Den Hulstboom te Brussel en het was een feit dat Gerard meerdere betalingen heeft gedaan.

Het proces sleepte zich voort. We zijn al in 1663 als Barbara Van Pissote reageerde op de het verweer van Cathelijne Wellemans. Zij is de weduwe van Gerard Linthout en zij gaf toe dat haar man betrokken was bij de uitbesteding. Maar het ging om het kind van Adriaan en die heeft in meerdere brieven bevestigd dat hij verantwoordelijk was voor de overdracht aan Joos Taelemans. Die breiven bewijzen dat Gerard niet kan opdraaien voor de schulden die Adriaan nog had bij Cathelijne.

Op den X° marty XVI° vierentsestich comparerende voor mij notaris ende getuijgen naergenoemt Adriaen Linthout woonachtich binnen dese stadt Mechelen heeft ten versoecke van wegen Geerart Linthout verclaert ende geattesteerd onder eede in handen mijns notaris gepresteerd warachtich te wesen dat hij sijn kindt bij hem behouden van sijne eerste huijsvrouwe selffs heeft bestaijdt aen Joos Taelmans des geleden den XVIII° november in den jaere XVI° negenenvijftich ende dat in de herberg “Den Valck” binnen den dorpe van Ternat ende daerop alsdoen betaelt te hebben het gelach ende des anderen daeghs voor eenen goidtspenninck gegeven te hebben twelff stuijvers sonder dat den voorschreven requirant hem dies heeft bemoijt, constituerende voorts den voornoemde comparant………… om ’t selve voor alle heeren, hoven, ende wetten daer ’t versocht off van noode wesen sal te vernieuwen mitsgaders den voorschreven eedt in sijns comparants ziele te presteren promittens et obligans prout in forma.

Actum tot Mechelen present Peeter Van ? ende Jan Ladou getuijgen, de minute es bij den comparant onderteeckent met mij notaris.

1661. Franciscus Wambacq in de clinch met de hoofdmeier[62].

In 1661 vaardige Andreas Creusen, aartsbisschop en tevens abt van Affligem, een ordonnantie uit die bepaalde  dat voortaan de rekeningen van de kerkmeester en die van de huisarmenmeester van Essene elk jaar omstreeks Pasen aan de pastoor en aan gekwalificeerde inwoners van Essene moesten gepresenteerd worden. Franchois Wambacq[63], griffier van de Affligemse schepenbank, kreeg de taak die te controleren. Een tweede voorschrift handelde over de kosten van reparaties aan de kerk. Die rekeningen moesten aan dezelfde personen worden voorgelegd, maar niet meer aan de hoofdmeier en de schepenen van Asse.

Volgens die instructies van de aartsbisschop wilden de kerkmeester Jan De Meije en huisarmenmeester Gillis De Baetselier op 11 april hun rekeningen presenteren ten huize van brouwer Nicolaas Meert aan de pastoor en anderen. Geheel onverwacht verscheen ook de hoofdmeier met de schepen Aert Robijns[64] in de keuken van Nicolaas Meert. Franchois Wambacq vroeg direct aan de hoofdmeier wat hij kwam doen. We kennen het kerkgebod en komen luisteren naar de presentatie van de rekeningen, was het antwoord van de hoofdmeier. Er ontstond dan een heftige woordenwisseling tussen Franchois en de hoofdmeier. Aert Robijns legde op verzoek van schepen Jan Van der Slachmolen daarover een getuigenis af. De ruzie verliep als volgt:

-Franchois: wij en kennen u niet, gij sult se niet hooren, wij hebben den bruijt van u.

-Hoofdmeier: wij sullen se hooren… gij hebt gesien ende gij weet wel de ordonnantie tot uwen laste gestelt op onse requeste bij den Raede van Brabant, obedieert de selve. De hoofdmeier had tegen de beslissing van de aartsbisschop een klacht ingediend bij de Raad van Brabant.

Franchois: de Raede van Brabant, ick lache daermede ende ick hebbe de bruijt van u ……. ende gijlieden en sult de rekeningen niet hooren, gij en hebt er niet te doen.

Daarop verlieten de hoofdmeier en Aert Robijns de keuken en gingen een kamer binnen om te overleggen, maar de anderen volgden hen. De hoofdmeier vroeg hen de kamer te verlaten, wat ze ook deden behalve Franchois Wambacq. Die ging pas weg toen de vorster, Michiel Steppe, hem dreigde naar buiten te sleuren. Ondertussen knorde hij wat bruijt hij nu dien schoonen joncker, ick hebbe noch alsulcken jonckers gesien. De hoofdmeier en Aert Robijns verlieten pas in de namiddag Essene, maar rekeningen hadden ze gezien of gehoord.

In juni ontstond er opnieuw ruzie tussen de hoofdmeier en Franchois Wambacq. Michiel Steppe had in opdracht van de pastoor de lammeren vertiend. Franchois gaf aan dat hij 50 lammeren had en volgens de pastoor waren dat er vier te weinig. De pastoor diende een klacht in en Michiel Steppe befgaf zich op 11 juni naar het huis van Franchois. Daar wachtte hem een koele ontvangst. Wat bruijt mij dien paep dat hij hier waere, ick soude hem met mijnen stock op sijn kop bruijen, en Franchois Wambacq vervolgde: Merten ende Martinus (zijn zonen) gaet wacht het daer gij den paep vindt ende slaet daerop, ick sal u affdragen al watter van compt. Maar zijn zonen antwoordden hem dat hij soude swijgen ende want redelijck is.

Comparerende voor de schepenen der Vrijheijt ende Lande van Assche Michiel Steppe officier der prochie van Esschene oudt LXIIII° jaeren heeft vercleert ende gecertificeerd soo hij doet bij desen soo ten versuecke van heere hoochmeijer des Landts als den heere pastoor der voorschreven prochie van Esschene dat hij donderdachs voor Sinxen lestleden is geweest ten huijse van meester Franchois Wambacq woonende in de voorschreven prochie alwaer tusschen hem comparant ende den voorschreven Wambacq eenige woorden sijn geresen nopende het verthienden van de lammerthiende die welcke hij comparant eenighe dagen te voren hadde gedaen ten versuecke van voorschreven heere pastoor van de lammeren des voornoemde Wambacq ende alsoo den attestant was seggende dat den voornoemde heere pastoor dochte dat de voorschreven thiendinghe niet behoordelijcken was gedaen vuijt dien hij voor seker was houdende dat den voorschreven Wambacq meer lammeren was hebbende als ten voorschijn int thienden wierden gebrocht als maer ten voorschijn gebrocht geweest sijnde vijftich lammeren behalvens vier lammeren die die welcke Wambacq niet en heeft willen laeten thienden, soo heeft den voornoemde Wambacq daerop geseght met dese off iegelijcke woorden onder geschreven, wat brijt mij dien paep dat hij hier waere, ick soude hem met mijnen stock op sijn kop bruijen, seggende voorts den voorschreven meester Franchois Wambacq, Merten, ende Martinus Wambacq sijnen sone, gaet wacht het daer gij den paep vindt ende slaet daerop, ick sal u affdragen al watter van compt, daerop sijnen sone Merten seijde dat hij soude swijgen ende want redelijck is etha.

Actum 9de juni 1661 present Jans Slachmolen schepen, bij mij Machiel Steppe.

1661. Joos De Valck reed door het erwtenveld van de pastoor[65].

Op 9 juni 1661 gingen meier Charles Crabeels en schepen Joos Van Ginderachter op verzoek van pastoor Mattheus Van Lintnaar het veld Den Moorter. De pastoor had een klacht ingediend tegen Joos De Valck, de knecht van Franchois Wambacq, omdat hij met zijn mestwagen herhaaldelijk door het erwtenveld van de pastoor had gereden. Bovendien had hij nog meer schade aangericht door over het korenveld van Adriaan Van Vaerenbergh en het erwtenveld van Nicolaas Meert te rijden. De drie percelen lagen langs de weg van achter het huis van Jan De Meije naar de Exterenberg. Toen de meier en de schepen daar aankwamen, betrapten ze Joos De Valck door nog eens over die velden te rijden. Aan de meier zei Joos dat zijn meester Franchois hem had opgedragen om zo naar zijn akker te rijden. Ze stelden ook vast dat de voetweg voldoende breed was om er met zijn kar door te rijden en dat hij, om het vlasveld van Michiel Wambacq, zoon van Franchois, te vermijden  over hetkorenveld van Adriaan Van Vaerenbergh en het erwtenveld van Nicolaas Meert reed. De schade voor de pastoor schatten ze op een tienling erwten en voor Adriaan op 12 st.

1662. Martinus Wambacq beledigt Adriaan Van Vaerenbergh[66].

Van dit proces is alleen het verweer van Adriaan Van Vaerenbergh tegen zijn aanklager Martinus Wambacq bewaard gebleven.

Adriaan Van Vaerenberg, pachter en bedesetter van Essene had blijkbaar verwacht  dat Martinus Wambacq, griffier van de abdij, zou weigeren de bedeboecken van de parochie ter beschikking te stellen van de bedesetters. Daarom was hij met alle bedesetters, de officier en de voornaamste pachters van Essene naar de weduwe van Franchois Wambacq gegaan om die boeken op te eisen. Franchois was collecteur geweest en had in die functie de boeken in zijn bezit gehad en die waren bij zijn weduwe gebleven als erfgename van haar in 1661 overleden man. De bedesetters wilden die bedeboeken  omdat de opmeting van de parochiegoederen daarin was opgenomen. Aan de hand daarvan konden ze het bezit van elke pachter bepalen en dus ook zijn aandeel in de beden.

Maar Martinus, de zoon van Franchois en ook griffier van de abdij, had de vraag van de bedesetters verwacht. Hij refuseerde sonder eenich het minste fondament  de gevraagde documenten te overhandigen, ook al was de vraag niet aan hem, maar aan zijn moeder gesteld. Adriaan ging met zijn groep naar het huis van brouwer Nicolaas Meert om te overleggen. Toen Martinus er ook verscheen, richtte Adriaan zich tot hem en zei dat zijn moeder verplicht was de opmeting te geven omdat de parochie die had betaald. Martinus antwoordde, zonder te beseffen dat Adriaan de vertegenwoordiger  van de parochie was, dat hij een leugenaar was: ghij lieghter bij Godt aen ende voorts ghij sijt eenen waersegger. Voor Adriaan was de griffier te ver gegaan. Dat hij publiekelijk in soo eene treffelijcke vergaederinghe beledigd werd, eiste een reactie want dat zou niemand accepteren. Volgens een oud gebruik en spreekwoord is een uitspraak als ghij lieghter aen eenen slach weerdich want het was een vernedering voor alle schepenen en bedesetters en hij sloeg Martinus in het gezicht. Daarmee was voor Adriaan het conflict beslecht, maar niet zo voor Martinus. Hij greep zijn pistool en trakteerde hen op een scheut saet. Het schot met hagel verwondde meerdere aanwezigen. Sommigen hadden tot  25 kwetsuren ende saijkens in hun lijf. De littekens zijn nog altijd te zien. Anderen hebben nog altijd hagel in hun lichaam, wat te zien is aan een verdikking van de huid.

Martinus heeft met zijn schot veel pijn en smart veroorzaakt en dat hij dan nog het lef had om Adriaan bij de schepenbank aan te klagen was voor hem ongefondeerd ende niet ontfanckbaer. Dat hij zich bovendien beriep op zijn functie als griffier van de abdij en zijn positie als notaris bij de Raad van Brabant, op de voorname positie van zijn vader en de veele rijkelijcke middelen die hij had om zijn daad vrij te pleiten, zijn dwaese discourssen en hebben niets met de zaak te maken. Net zo min als het verwijt dat hij een slechte pachter was die niet eens twee paarden had.  Wie het meeste stouffen, hebben het minste bij te setten. Zijn status en rijkdom permitteren hem niet om anderen valselijk te beschuldigen. Dat hij beweert dat het schot per ongeluk is afgegaan, is omdat hij  de kosten van de chirurgijnen voor de verzorging van de wonden wil ontlopen. Adriaan verzocht via zijn advocaat Theodorus Van Paeffenrode, de schepenbank dan ook om Martinus te veroordelen tot betaling van 200 gulden als vergoeding voor de kosten en de geleden pijnen en smarten.

1663. Gerard Linthout[67] eist geld van Merten De Waegenere[68].

In 1662 verwachtte Gerard Linthout, pachter te Belle, meerdere betalingen van brouwer Merten De Waegenere uit Sint-Katharina-Lombeek: 36 g voor landpacht, 14 g pacht voor een hopveld en 6 g van een erfelijke rente. De totale schuld van De Waegenere bedroeg 92 g en omdat minnelijcke vermaeninghen niet hielpen richtte hij zich tot de schepenbank.

Op 23 januari 1663 stemden beiden in met een bemiddeling door vier schepen, twee voor elke partij. Ze verbonden zich ertoe in te stemmen met het oordeel van de schepen. Merten De waegenere aanvaardde het voorstel om 2/3 van de proceskosten  van 12 g 18 st 1 blank 12 mijten te betalen. Maar daarmee waren de problemen nog niet opgelost want op 15 januari 1664 verscheen Gerard Linthout voor notaris Jan De Nil. Hij overhandigde de notaris zijn dossier van het proces tegen Merten De Waegenere en verlaarde onder eed dat hij in dezen is procedeerende ter goeder trouwen met vaste hope ende meijninghe van ten definitieve te triompheren. Hij bevestigde  dat hij meubelen en goederen bezat die tienmaal meer waard waren dan de mogelijke kosten van een proces. Van de tegenpartij verwachtte hij dat zijn advocaat ook alle elementen aan de schepenen zou overhandigen. Hoe het verder verliep is onduidelijk omdat er ook stukken in het dossier zitten van een ander proces, namelijk over de verdeling van de erfenis van Gerard Linthout. Het laatste gegeven is dat Merten op 29 september 1664 een verklaring ondertekende waarin hij erkende dat hij van Gerard 6 g had ontvangen.

1663. Was Pauwel Stevens een oplichter[69]?

Als gevolg van meerdere klachten verzocht de drossaard van de Vrijheid van Asse de schepenen Jan Van der Slachmolen en Peter Moortgat een onderzoek te voeren naar de activiteiten van Pauwel Stevens. Op 20 november 1663 ondervroegen de schepenen 3 getuigen. Peter Symons, 45 jaar, was op 15 oktober 1663 in het huis van Jan Mattens te Avenelle samen met Mattens’ vrouw, Adriaan Stevens en Pauwel Stevens. Pauwel beschuldigde hem ervan dat hij zijn 2 koeien en een rund op de klaverweide van Lucas Wambacq had laten grazen en hij eiste 3 g 12 st schadevergoeding. Peter betaalde de som maar liet Pauwel wel een document als bewijs ondertekenen. Pauwel wilde meer en verwittigde de luitenant warranier (de boswachter?) over de schade met het gevolg  dat Peter voor het consistorie van den hove (gerechtshof van boswachters) werd gedaagd waar hij nog eens 3 g moest betalen plus 15 st voor de dagvaarding en 2 g voor een tweede warranier. Peter kon nog meer vertellen over de wandaden van Pauwel Stevens:

– Van Joos Steppe en Franchois Ophalvens vernam hij dat Pauwel ’s nachts de paarden van Lucas Wambacq op Het Doreken had gedreven en daarna van Lucas een schadevergoeding eiste.

– Hetzelfde deed hij met de paarden van Peter Schoup.

– Anthonijne, een oude waelinne had hij eens geslagen en hij bedreigde haar met meer slagen als ze iets over het voorval zou verklappen.

– De rok van Joos Vincks vrouw scheurde hij eens helemaal open en Peter zag de vrouw met de rok in haar handen naar de dorpsofficier Michiel Steppe lopen.

Martin Linthout, 28 jaar, herinnerde zich dat in 1661, kort na de kermis, Pauwel Stevens[70] hem kwam zeggen dat zijn koeien in de weide van Peter Symonsen die van Jan De Witte aan de Sluis hadden gegrazen. Martin ontkende, maar Pauwel bleef volhouden dat hij de koeien in de weides had gezien. Uiteindelijk kwamen ze tot een akkoord. Martin zou 9 g betalen. Later bekende Pauwel aan Peter Symons en Jan De Clercq dat hij had gelogen en als ze daarover zouden zwijgen, kregen ze elk een vat erwten. Martin kende nog meer voorbeelden van oplichterij:

– Vorige oogst haalde hij op klaarlichte dag de tiendenschoven van zijn graan weg.

– Zijn jongere broer beschuldigde hij ervan in Den Jongen Bosch te hebben gelopen. Zijn vader betaalde daarvoor 9 schellingen aan Lucas Wambacq.

– In 1662 kwam Pauwel hem dagvaarden voor het Consistorie van het Hof om enige kosten te voldoen. Hij kreeg daarvoor 8 dagen de tijd, maar de volgende dag eiste hij al 2 g 8 st.

Met Joos De Clercq, een 37-jarige kleermaker, deed Pauwel zijn voor hem succesvolle truc nog eens over. Kort voor Allerheiligen kwam hij met Adriaan Van Vaerenbergh hem meedelen dat zijn 2 koeien en een rund in de weide van Adriaan stonden te grazen en hij eiste een schadevergoeding van 3 g. Zijn vrouw gaf hem 6 st en beloofde binnen de 3 dagen de rest te voldoen. Dat gebeurde niet en Pauwel verwittigde de warrantmeester die hem dagvaardde. Joos verwittigde de koster die Pauwel ontbood, wat voor Joos alleen nadelige gevolgen had want die vroeg nu 6 g. Na enige discussie was hij toch tevreden met 3 g.

1663. Jan Geerstman in de schulden[71].

Joannes Ivain[72], schepen van stad Aalst leverde aan brouwer Jan Geerstman mout en gerst voor een bedrag van 201 g 8 st. Een jaar na de levering had Jan nog niets betaald en de schepen trok naar de schepenbank van Asse om langs gerechtelijke weg aan zijn geld te geraken. Een datum werd niet vermeld.

1664. Stal Jaspar Boom kalk uit de kerk[73]?

Elisabeth Camerman, de vrouw van koster Gillis De Riddere[74], beschuldigde metselaar Jaspar Boom[75] ervan kalk uit de kerk te hebben gestolen. Met wat hij had meegenomen witte hij het huis van Gerard Van Ophoven en dat van Joos Rogiers. Jaspar tilde zwaar aan de beschuldiging omdat hij vooral in de streek werkte en voortaan zou niemand hem nog willen vertrouwen en werk geven. Met zijn aanklacht wou hij bekomen dat Elisabeth haar verontschuldigingen aanbood en verklaren dat hij een man van eer was. Weigerde ze aan zijn eisen te voldoen, dan vroeg hij de schepenen om Elisabeth te verbieden hem nog te blameren en haar te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

1665. Adriaan Schockaert beledigde Adriaan Linthout[76].

Volgens Adriaan Linthout[77] had Adriaan Schockaert  hem enorm beledigd en bleef hij hem nog dagelijks blameren wat zijn reputatie van een man van eer te zijn schaadde. Hij liet zijn advocaat Van der Slachmolen een bede richten tot de Raad van Brabant om de schepenen van Asse te ordonneren Adriaan voor hun schepenbank te dagen. De Raad ging in op zijn verzoek op 17 juli 1665.

Bij den Coninck.

Lieve ende beminde.

Wij senden hierinne gesloten de supplicatie gepresenteerd in onsen Raede geordonneerd in Brabant bij off van wegen Adriaen Linthout ingesetene der prochie van Esschene ende mits de redenen daerinne begrepen ordonneren ende bevelen bij desen dat gij de saecke daerinne geruert voor U doet ende laet bedingen de tridio ad tridium off met alsulcke andere off peremptoite termijnen als gij naer gelegentheijt der selver ende in goede institie sult vinden te behooren oock niettegenstaende eenige vacantiën van des te doen en sijt niet in gebreke want ons alsoo gelieft.

Lieve ende beminde onse Heere Godt sij met U.

Geschreven in onse stadt van Brussele den 17de juli 1665. Goyens.

1666. Vechtpartij bij brouwer Hendrik Van der Slachmolen[78].

Op 15 mei 1666 ontstond er in de herberg van Hendrik Van der Slachmolen te Krokegem een ruzie tussen Hendrik Vranckx[79], zijn vrouw Elisabeth Wambacq[80] en Hendrik De Raedt en Gillis De Bailliu. Ze zaten samen aan een tafel met Lucas Dooms en de schepen Jan Van der Slachmolen en discussieerden over het kopen en verkopen van de hofstede van Lucas Dooms. Ze hadden allen al heel wat gedronken en na het vertrek van schepen Jan Van der Slachmolen ontaardde de discussie in een felle ruzie. Elisabeth sloeg met haar hand naar Hendrik De Raedt en zei lachend dat het om te jocken was. Een verontwaardigde  De Raedt reageerde met wat wilt ghij mij, ghij hebt mij te voren noch eens geaffronteerd, ick sal u een glas naer u hooft werpen. Gillis De Bailliu, de schoonzoon van Elisabeth vroeg Hendrik De Raedt waarom hij een glas naar zijn schoonmoeder gooide en vroeg hem om naar buiten te gaan om het daar uit te vechten. Hij gaf zijn mes aan Michiel De Bisschop en vroeg dat ook Hendrik dat zou doen en dat ze alleen met de vuisten zouden vechten. Nog voor ze buiten waren, stortte De Raedt zich op Gillis en het regende langs beide kanten van de vuistslagen. Hendrik Vrancken kwam De Bailliu ter hulp en trok Hendrik De Raedt met zijn haar weg van De Bailliu. Vorster Van Innichoven en Michiel De Bisschop konden de vechtenden scheiden. Hendrik De Raedt bloedde uit zijn neus, maar hij ging toch met De Bailliu een pint drinken. Even later ging de groep uit elkaar.

Toen Michiel De Bisschop, Hendrik Vranckx en anderen aan de linde kwamen waar ook de griffiers van Asse stonden met meester Joos Van der Weerden, Jan Van Laethem en zijn vrouw Anna ’t Sas met hun zoon Zeger en Gillis De Bailliu herbegon de ruzie. Zeger en Gillis gingen elkaar te lijf. De ouders van Zeger mengden zich in het gevecht en Jan Van Laethem wou met een groene mutsaertstock op het hoofd van Vranckx slaan wat Michiel nog kon beletten. Een woedende Hendrik Vranckx trok zijn wambuis uit en riep dat het nu pas voor goed was begonnen. Hij schoot op Jan Van Laethem toe terwijl Elisabeth Wambacq Anna ’t Sas aanviel, maar van Zeger een hevige vuistslag op de neus kreeg en hevig begon te bloeden. Michiel De Bisschop besefte dat de toestand hopeloos werd en repte zich om de waard Hendrik Van der Slachmolen te gaan halen en samen konden ze de vechtenden scheiden. Anna ‘t Sas zei nog dat zij Elisabeth Wambacq soude den hals breken off de tuijten afftrecken waer dat sij haer soude tegen commen alwaert op den kerckwech.

De drossaard van de Vrijheid van Asse liet een onderzoek instellen naar de vechtpartijen. De schepenen Joos Van Ginderachter, Peter Moortgat en Jan Van der Slachmolen ondervroegen op 29 mei een aantal getuigen. Advocaat Michiel De Bisschop, 43 jaar, kwam als eerste aan de beurt. Hij bracht een heel uitgebreid verslag in tegenstelling tot Hendrik Van Innichoven, de 40-jarige vorster die getuigde dat hij alleen de eerste vechtpartij had gezien. Hendrik Van der Slachmolen en Joos Van Ginderachter vertelden de gebeurtenissen van de tweede vechtpartij.

1668. Ruzie voor een assignatie[85].

Collecteur Gillis Dauman had nog een tegoed van 13 g 9 st van Jaspar Camermans. Om zijn schuld te kunnen betalen, gaf Jaspar een assignatie van 12 g 9 st ten laste van Martinus Wambacq en zo bleef hij nog 20 st schuldig en die kon hij bij de volgende afrekening bijbetalen. Maar Gillis Dauman[86] aanvaardde slechts onder voorbehoud de assignatie en zoals hij vermoedde, betaalde Martinus de som niet uit met een fikse ruzie tussen Dauman en Camermans tot gevolg want voor hem was aan de rekening voldaan. Omdat er geen oplossing kwam, wendde Dauman zich tot de schepenbank om de 13 g 9 st te eisen. Hij voegde er bij zijn klacht nog aan toe dat er geen kwitantie was voor het geld van de assignatie en dat volgens de plakkaten een assignatie niet als betaalmiddel mocht worden gebruikt.

1668. Gillis Dauman heeft last met de leningen[87].

Op 10 januari 1668 leende Lucas Geerstman 100 g met een intrest van 6,25 % van kleermaker Jan Lemmens uit Merchtem. De akte werd opgesteld door notaris Jan Schoonjans. Voor die lening kon hij geen pand geven, maar zodra zijn moeder was overleden zou hij voldoende pang geven. Zijn moeder stierf, maar van een pand was er geen sprake. Hij liet ook een nieuw pak maken dat hij een jaar later nog niet had betaald. Hij stond dan voor 120 g 19 st 1 o in het krijt. Kleermaker Jan had meer dan voldoende redenen om bij de schepenen een klacht in te dienen om zo aan zijn geld te geraken of om Lucas te verplichten een pand te geven.

Gillis De Ridder[88] leende bij Gillis Dauman 30 patacons[89] of 72 g. Als afkorting van de lening gaf De Ridder een koe, wat volgens Dauman niet voldoende was en ook nu diende hij een klacht in.

1668. Jan Geerstman in de schulden[90].

Op 21 augustus 1666 leende brouwer Jan Geerstman[91] 400 g met een jaarlijkse rente van 25 g van Barbara Van Ginderdeuren, de weduwe van Leonart Van Lille. Als pand gaf hij een block lants gelegen te Vilvoorde in borcht genoempt “Het Middel Molenblock, groot twee bunder en belast met eenighe penningen Lovens volgens de verklaring onder eed vanGeertruijt Van Langenhove, Jans moeder. Vier jaar later had zijn weduwe nog geen enkele rente betaald en was de schuld opgelopen tot 100 g. Barbara trok naar de schepenbank

1669. Pacht niet betaald[92].

Adriaan De Keuleneer pachtte van Jacques Van der Goten een meers te Belle voor 22 g. Het laatste jaar van de pachtermijn betaalde hij echter te weinig, wat hem een proces opleverde.

1671. Franchois Van Vaerenbergh ruziet met de kinderen Lucas Wambacq[93].

Cathelijne De Troch[94], de moeder van Lucas Wambacq, verpachtte op 1 februari 1667 1/2 bunder meers, Den Molenbeemt genoemd, voor een termijn van drie jaar aan Merten Linthout. Daar er nog een achterstallige rente van 12 g 10 st was, bedroeg de totale pacht 74 g 5 st. Na de dood van Cathelijne verpachtte Lucas Wambacq op 15 juli 1670 de meers voor 7 jaar aan Franchois Van Vaerenbergh, zoon van Pauwels. Volgens de overeenkomst zou Franchois de niet betaalde pacht van Merten Linthout van 74 g 5 st overnemen en nog 13 g 5 st opleggen. Lucas dacht een kans te zien om dat achterstal tweemaal binnen te halen door van Merten Linthout de betaling van zijn pacht te blijven eisen. Na zijn dood eisten de erfgenamen dat Franchois de jaarlijkse pacht van 12 g 10 st zou betalen en ontkenden dat hun vader een overeenkomst met Franchois had gesloten vermits die het achterstal bij Merten Linthout opeiste. Zij richtten een schrijven naar de Raad van Brabant om toelating te vragen de meers, nog in huur bij Franchois te verkopen. Als reden gaven ze op dat Van Vaerenbergh geen pacht betaalde.

Wij onderschreven als vooghden ende momboirs van de kinderen Lucas Wambacq[95] geven midts desen volcommen last ende procuratie aen den procureur Bisschop om te vervolgen alsulcken proces als wij in de voorschreven qualiteijt genootsaeckt sijn te sustineren als executanten ende gedaeghde op ende tegen Franchois Van Varenberghe opponent ende aenlegger voor schepenen der vrijheijt ende marquisaet van Assche nopende een rente van XII rinsguldens X stuijvers tsiaers vuijtgaende op “Den Molenbempt” advoyerende voorts alle ’t gene hij alreede daerinne heeft gedaen ende noch sal doene, gelovende etha, verbindende etha.

Actum desen XIIII° mei 1671. M. Wambacq 1671 – Andries Van Der Straeten.

Franchois reageerde met een klacht bij de schepenbank. Hij vroeg de schepenen de verkoop van de meers te verbieden omdat hij, op de 13 g 5 st na de volledige pacht had betaald. Op 27 december oordeelden de schepenen dat ze nog geen vonnis konden vellen.

1670. Hendrik Vranckx komt belofte niet na[96].

Toen Hendrik Vranckx[97] en Elisabeth Wambacq wilden trouwen, sloten ze bij notaris De Bisschop op 16 mei 1657 een huwelijksovereenkomst af dat inhield dat Hendrik, in het geval hij Elisabeth zou overleven, hij aan de kinderen uit haar huwelijk met Peter Van Mulders[98], elk 400 g zou geven als ze trouwden. In het geval een v

an de kinderen voortijdig overleed, zou hij 200 g aan de andere kinderen geven en 200 g tegen intrest uitzetten en daarvan elk kind zijn part geven als het trouwde. Bij gelegenheid van zijn huwelijk met Catharina Vertonghen eiste Peter de 400 g op en zijn deel in het bedrag van zijn overleden broer Gillis. Hendrik reageerde niet en Peter kon niet anders dan bij de schepenbank de betaling te eisen.

1672. Adriaan Van Vaerenbergh en de Pelinkvijver[99].

Op vraag van Catharina Eeckhout, de moeder van Franchois De Witte[100], maakte Adriaan Van Vaerenbergh de Pelinkvijver, die hij van haar pachtte, schoon. Toen Catharina overleed had hij zijn arbeidsloon nog niet ontvangen en hij vroeg aan haar zoon Franchois om zijn loon uit te betalen. Die beriep zich op een plakkaat uit 1540, vernieuwd in 1650, dat bepaalde dat een vergoeding voor geleverde arbeid binnen de twee jaar moet worden uitbetaald. Nadien was het geld niet meer opeisbaar. Adriaan hoopte dat de schepenbank Franchois zou verplichten hem uit te betalen, maar die vroeg de schepenen om zijn eis als niet ontvankelijk te verklaren.

1674. Martinus Wambacq eist betaling van pacht[105].

Op 12 april gingen Michiel en Pauwel De Corte en hun moeder een lening aan bij Martinus Wambacq met een rente van 31 g 5 st. De lening werd bepand met twee hofsteden De eerste hofstede met huis, groot 3 d en gelegen in de Tuwijk. De hofstede paalde aan de goederen van de erfgenamen Philips Schoemans, de straat, Jacques Wichele en de kapel en was belast met een grondcijns aan de abdij. De tweede hofstede met huis, groot ½ b paalde met twee zijden aan de straat, Franciscus Van Lierde en de Weidemeers. De hofstede was belast met een grondcijns aan de markiezin van Asse.

Omdat de rente niet werd betaald vroeg Martinus Wambacq toen het tekort was opgelopen tot 136 g aan de schepenbank de toelating om de panden in bezit te nemen en te houden tot voldoening van de schulden vermits hij het verschuldigde bedrag al had voorgeschoten aan de weduwe van meester Charles de la Mars, de oorspronkelijke leengever. Zelf had hij al  een hoeveelheid mest en hopstaken laten weghalen. Hij vroeg ook de toelating om de tweede hofstede te verkopen, ook al zou de opbrengst onvoldoende zijn om de schuld af te lossen

1675. Nicolaas Meert[106] in de problemen[107].

De kinderen en erfgenamen van sieur Jacques Van Dongelberghe, keurmeester van Brussel  eisten 250 g van Nicolaas Meert. Die had op 20 december 1671 een lening van 800 g met een erfelijke rente van 50 g aangegaan bij de de keurmeester en zijn vrouw Margarite De Ridder. Als pand gaf Meert een hofstede met stenen huis, 1 d 9 r groot, gelegen nabij de kerk. In 1675 was de achterstand van de rente al opgelopen tot 250 g en bovendien leverde Nicolaas niet de afgesproken sisteren tarwe en koren voor de pacht van 2 percelen. De erfgenamen dienden een klacht in om de betaling van 250 g en de levering van tarwe en koren te eisen.

1675. Jan Kieckens tot over zijn oren in de schulden[108].

Franchois De Middeler, ontvanger van de abdij, spande een proces in tegen Jan Kieckens, de weduwnaar van de weduwe van Martinus Wambacq. Jan was aan den spijcker van de abdij, de graanschuur, 175 g schuldig. Meer informatie konden we uit het beschadigd document niet halen.

Een tweede proces dat hem bedreigde kwam van de erfgenamen van Jan Van Bellingen. Gillis De Ridder en Elisabeth Wambacq wilden bij Catharina De Troch, de weduwe van Franchois Wambacq, een lening aangaan van 1700 g met als onderpand al hun goederen. Om zeker te zijn die niet waren belast, vroeg ze haar zoon Martinus, griffier van de schepenbank van de abdij, een certificaat op te stellen van de staat van de goederen. Marinus bezorgde haar dat certificaat op 13 juni 1665 zonder te vermelden dat de goederen belast waren met een rente van 11 g 11 st 1 o ten behoeve van Catharina De Troch. Catharina verleende de lening en de akte werd door de schepenbank van de abdij opgesteld op 4 augustus 1665. Toen de erfgenamen van Jan Van Bellingen het goed kochten, kwam het bedrog met de verzwegen rente van 11 g 11 st 1 o aan het licht en steeg de koopprijs met de onbetaalde rentes. Michiel Wambacq, broer van Martinus, bracht de toenmalige griffier Jan Van Nuffel daarvan op de hoogte, maar die liet de erfgenamen weten dat zij de verzwegen rente moesten betalen. Tegen die beslissing spanden de erfgenamen een proces in bij de Affligemse schepenbank met de vraag om Jan Kieckens als erfgenaam  via zijn vrouw het resterend bedrag te doen betalen.

1676. Ingel Huijge weigert te betalen[109].

Jacques De Coster[110] kocht in mei 1676 van Ingel Huijge een hofstede aan de Kleindries op Doment voor 598 g vermeerderd met de rente waarmee de hofstede was belast aan vier verschillende personen:

1. aan de erfgenamen van Gillis Van Ginderachter 13 g 10 st.

2. aan Joanna Barbara Huenaerts 10 g.

3. aan de weduwe Antoon De Witte 9 g 7 st.

4. aan rentmeester Van Nuffel 6 g.

Het totale bedrag van de aankoop steeg daardoor tot 614 g of 25 g boven het budget van Jacques. Maar hij mocht nog rekenen op een tegemoetkoming van 25 g, namelijk het bedrag van de renten die Ingel had ontvangen in de periode tussen de verkoopdag en de vervaldag. Ingel weigerde te betalen met als gevolg dat Jacques tegen hem een proces inspande om die 25 g op te eisen.

1676. Jan Van Vaerenbergh, pachter van de impost in de problemen[111].

Jan Van Vaerenbergh pachtte de impost van de Staten van Brabant van de vier speciën van consumptie van Meldert vanaf mei 1675. Hij liet de inning echter over aan Adriaan Van den Wijngaert die naliet de opbrengst aan rentmeester Van de Velde te overhandigen en zo een schuld naliet van 47 g 5 st. Het gevolg was dat de rentmeester Jan Van Vaerenbergh liet dagvaarden. Jan betaalde de som en daagde op zijn beurt Van den Wijngaert voor de schepenbank om hem te verplichten promptelijck de 47 g 5 st te betalen.

1677. De bedesetters van Essene in de clinch met die van Baardegem[112].

De bedesetters van Baardegem bekenden op 12 maart 1677 aan de bedesetters van Essene dat ze hen 78 g schuldig waren door de verplichte levering van een paard ten dienste van zijne Majesteit. Ze beloofden de som te betalen op 24 maart. Op 16 november 1677 hadden de bedesetters van Essene nog niets ontvangen en ze dienden een klacht in bij de schepenbank.

1678. De drossaard van Asse tegen de weduwe Catharina Wambacq[113].

Op 1 juli 1678 ging de vorster van Asse met de schepenen van Asse Jan Van der Slachmolen en Charles Van Langenhove en de officieren Guillam Meert en Gillis Van den Broecke naar Catharina Wambacq[114], de weduwe van Franchois De Bailliu om het geld op te eisen van wat zij schuldig was aan sauvegarde geld. De vorster vroeg haar of ze wilde betalen of een pand aanwijzen. Catharina weigerde en zei dat ze niets schuldig was waarop de vorster de twee officieren de opdracht gaf een koe uit de stal te halen. Dat lukte niet want Catharina ging in de deuropening van de stal staan en liet niemand binnen. De vorster, die toch trachtte binnen te geraken, duwde ze ruw weg en haar zoon Franchois[115] greep een stok en dreigde ermee om de vorster op zijn kop te slaan. De schepenen beslisten dan dat het probleem niet met slaan was op te lossen, wel met recht en ze vertrokken. Catharina volgde hen roepend dat ze opeters en oplichters waren ende fraij schepenen waren van haer gat. Dat konden de schepenen niet laten passeren en ze lichtten de drossaard in die Catharina Wambacq voor de schepenbank daagde.

1679. Martinus Wambacq bracht zijn erfgenamen in de problemen[116].

Martinus Wambacq leende op 2 augustus 1662 bij Charles de la Mars 350 g bovenop een eerdere lening van 100 pattacons. De rente van de nieuwe lening bedroeg 6,25%. Hij zou de 350 g met Bamis volledig terugbetalen of voor voldoende borgstelling zorgen. Hij betaalde niet, maar stelde zich persoonlijk met al zijn goederen borg evenals zijn schoonbroer François De Bailliu. Anna Vranckx, zijn weduwe en inmiddels hertrouwd met Jan Kieckens, betaalde 6 jaar lang de renten niet met het gevolg dat de weduwe van Charles de la Mars hen in 1679 voor de schepenbank daagde om de volledige betaling te eisen. Catharina Wambacq, de weduwe van François De Bailliu, daagde dan op haar beurt Jan Kieckers voor de schepenen want zij wou niet opdraaien voor de helft van de onbetaalde renten.

Franciscus De Bailliu, zoon van Franciscus en Catharina Van Den Bossche. Hij is gedoopt op donderdag 3 oktober 1613 in Asse en is overleden op zaterdag 3 oktober 1676 in Asse, 63 jaar oud. Hij trouwde, 25 jaar oud, op donderdag 14 oktober 1638 in Essene met Catharina Wambacq, 16 jaar oud. Zij is een dochter van Franciscus en Catharina De Troch. Zij is gedoopt op zondag 12 december 1621 in Essene en is overleden op zaterdag 15 maart 1681 in Asse, 59 jaar oud.

Anna Vranckx, dochter van Henricus en Anna Rodomont, is overleden op donderdag 24 december 1676 in Essene vermoedelijk bij de bevalling van een tweeling, Arnoldus en Judocus op 24 december 1676. Begraven in de kerk van Essene. Zij trouwde op vrijdag 9 juli 1655 in Asse met Martinus Wambacq, 35 jaar oud. Hij is een zoon van Franciscus en Catharina De Troch. Hij is gedoopt op zaterdag 19 oktober 1619 in Essene. Martinus is overleden, 55 jaar oud. Hij is begraven op woensdag 6 februari 1675 te Essene en werd begraven in de kerk van Essene. Notaris te Essene, Griffier van de abdij Affligem. Anna her- trouwde op zondag 12 januari 1676 in Essene met Joannes Kieckens.

1679. Jan De Meije moet 126 g achterstal betalen[117].

Op 10 september 1629 kocht Jan De Meije sr 1 d land gelegen op Den Esschenen Elst, voor een rente van 6 g. Hetland paalde aan Den Torffput, het goed van de H. Geest, dat van de abdij en dat van jonker Besart. De verkoper was de vader van jonker Joan Van der Heyden, heer van Waesmont in Merchtem en Steenhuffel. In 1679 constateerde Catharina Van Dormael, de weduwe van Joan Van der Heyden dat de rente al 24 jaar niet was betaald. Ze diende bij de schepenen een klacht in tegen Jan De Meije jr en eiste van hem de 126 g achterstallige rente.

1680. Lucas Wambacq zadelde zijn erfgenamen op met onbetaalde renten[118].

Jan Day en Maria Van der Hofstadt leenden aan Lucas Wambacq[119] en Anna Van de Putte 200 g aan 6,25% of 12 g 10 st per jaar. Notaris Hendrik De Coster  stelde op 12 mei 1661 de akte op. Lucas en Anna lieten na om, zoals afgesproken, binnen het jaar voor voldoende borg te zorgen waarop Maria Van der Hofstadt, intussen weduwe geworden, de schepenen verzocht om de erfgenamen van Lucas te dagen en hen te verplichten de borgstelling in orde te brengen en bovendien de achterstallige renten te betalen. Bij de schepenen erkenden de erfgenamen dat ze jaarlijks 12 g 10 st moesten betalen en nog eens 31 g 5 st van een vroegere lening. Maar hun voogd had op 11 juni 1667 de 2 leningen, samen 700 g, terugbetaald en later nog de achterstallige renten. Die kwitanties konden ze niet voorleggen daar ze door oorlogsomstandigheden verloren waren gegaan. Zij stelden voor dat Maria Van der Hofstadt haar manuaal aan de schepenen zou voorleggen want de betalingen waren zeker genoteerd.

Dat manuaal toonde aan dat de erfgenamen haar nog 163 g 1 ½ st schuldig waren en toch kwam er geen schot in de zaak. Maria richtte zich tenslotte tot de Raad van Brabant en die oordeelde op 29 maart 1680 dat er onvoldoende elementen waren om tot een vonnis te komen en vorderde bijkomend onderzoek.

Extract vuijt sekeren lanckwerpigen hantboeck ter greffie van Assche geconsigneerd bij jouffvrouwe Marie Van Der Hoffstadt in den welcken staet als volght:

Den XV° december 1659 getelt aen de huijsvrouwe van Lucas Wambacq de somme van V hondert guldens waraff eersten jaer vallen sal den XV° december 1660 sestich is jaer XXXI gulden en V stuijvers het is gepasseerd voor Carel De Carron notaris.

Noch streck ick op den selven XII guldens X stuijvers jaer waeraff eerste jaer vallen dal den XII° dach van mei 1662 gepasseerd voor Hendrick De Cuijper notaris in de …..straet.

Kenne ontfangen te hebben van Lucas Wambacq de somme van XXXI guldens en V stuijvers ende dat van een jaer rente verschenen den XV° december het jaer 1660. LX.

1681. Rekeningen van de inkomsten en uitgaven voor de kinderen van wijlen Lucas Wambacq[120].

Na de dood van Lucas Wambacq in 1670 stelden Andries Van der Straeten, man van Cathelijne Wambacq, en Michiel Wambacq de rekeningen op van de inkomsten en uitgaven voor de kinderen van Lucas.

De rekening van Andries Van der Straeten

Ontvangsten.

– 349 – 0 – 0 van de verkoop van de Molenbeem”.

– nog 17 – 9 – 0 van de verkoop.

Uitgaven.

– betaald voor de verhuring van het pand, te weten: het vonnis, het kerkgebod, proclamatie, zitdag, het maken van de condities: 10 – 10 – 1/2.

– voor het depecheren van het octrooi heeft de rendant moeten betalen aan de secretaris Loijens: 16 – 4 – 0.

– Franchois Van Varenberge diende als bezitter en propriëtaris van het pand een klacht in tegen de verkoop. De kosten voor de griffier bedroegen:  17 – 12 – 1/2.

– voor de uitspraak van het vonnis: 1 – 4 – 0.

– voor ’t dictum: 0 – 12 – 0.

– aan de griffier voor het tweede furnissement: 4 – 5 – 1/2.

– voor hun procureur Bisschop: 25 – 0 – 0.

– afbetaling van de lening op het pand: 200 – 0 – 0.

– de verlopen van rente tot 17de augustus 1669: 87 – 10 – 0.

– de rente van 17 augustus 1670, 1671 en 1672: 37 – 10 – 0.

– voor het opmaken van de rekening: 1 – 4 – 1 blanc.

– voor de auditie: 3 – 3 – 0.

– voor een kopie van de rekening aan de griffier: 0 – 15 – 1/3.

– voor de procureur: 0 – 6 – 0.

– aan de kosten tijdens de verkoop: 18 – 18 – 0.

Laatste deel ontbreekt.

Michiel Wambacq trad ook op als rendant voor de drossaard en de schepenen van het Land en markiezaat van Asse.

Ontvangsten.

– een partij wortelen verkocht aan Andries Van Stichele: 2 – 8 – 0.

– nog een partij aan Van Stichele: 2 – 18 – 0.

– een derde partij aan Adriaen De Ridder: 3 – 0 – 0.

– de vierde partij aan Peeter Symons: 3 – 0 – 0.

– de vijfde partij aan Franchois Van Varenbergh, zoon van Adriaenn: 3 – 0 – 0.

– de zesde partij aan Adriaen De Ceuleneir: 2 – 16 – 0.

– de zevende partij aan Jan Verbeiren: 3 – 8 – 0.

– de achtste partij aan Steven Jacops: 3 – 7 – 0.

– in de tweede taille, de eerste partij aan Franchois Stevens: 1 – 10 – 0.

– de tweede partij is gebleven aan Franchois De Witte: 2 – 10 – 0.

– de derde partij aan Franchois Van Varenbergh: 2 – 10 – 0.

– de vierde partij aan Pauwel Robijns: 2 – 12 – 0.

– de vijfde partij aan de zelfde Robijns: 3 – 3 – 0.

– de zesde partij aan Adriaen De Ceuleneir: 3 – 0 – 0.

– de zevende partij aan Michiel Wambacq: 3 – 13 – 0.

– de achtste partij aan Franchois Van Den Driessche: 3 – 7 – 0.

– in de derde taille, d’eerste partij aan Jan Boon: 1 – 7 – 0.

– de tweede partij aan de weduwe Joos Van Varenbergh: 1 – 10 – 0.

– de derde partij aan Jan De Loose: 1 – 14 – 0.

– de vierde partij aan Adriaen Van Den Wijngaert: 1 – 5 – 0.

– de vijfde partij aan Hendrick De Bruecker: 2 – 4 – 0.

– de zesde partij aan Adriaen Van Den Wijngaert: 2 – 9 – 0.

Summa = 56 – 11 – 0.

– renten ontvangen van Jan Blommaert waarvan de laatste betaling gebeurde in 1971: 35 – 13 – 0.

– van Andries Van Der Straeten voor vijf sister en half tarwe à twee guldens en zestien stuijvers het sister, verkocht op 12 juni 1671 in Brussel: 15 – 18 – 0.

– van Andries Van Der Straeten voor acht sister tarwe crinsen, het sister à vierendertig stuivers: 13 – 12 – 0.

– van Hendrick Stijleman voor zeven stukken koren, het stuk à zes vaten, het vat à twaalf stuivers en half op 10 juli 1671: 26 – 5 – 0.

– van Stijleman 12 augustus 1671 voor vier stukken koren à 12 1/2 het vat: 15 – 0 – 0.

– van Michiel De Jonge voor 25 vaten koren waarvan het laatste op 14 september 1671 het vat à 12 1/2 stuivers: 15 – 12 – 1/2.

– van Adriaen De Ceuleneir op 16 augustus 1671 voor 4 vaten koren, het vat à twaalf stuivers en half : 2 – 10 – 0.

– van Peeter Couck op 4 augustus 1671 voor een vat koren, het vat à twaalf stuivers en half:  0 – 12 – 1/2.

– van Pauwel Rogge over vijftien vaten koren à veertien stuivers het vat, laatste betaling op 19 april 1671: 10 – 10 – 0.

– van Peeter Abbeele voor vijf vaten koren, het vat à 0 – 13 – ½: 3 – 7 – 1/2.

– van Joos Steppe voor achtienen half vaten koren à dertien stuivers het vat en negentien vaten à veertien stuijvers het vat is samen: 25 – 6 – 1/2.

– van Jan Verdoodt voor elf vaten koren à dertien stuivers het vat en acht en half vaten à dertien stuivers het vat, samen: 13 – 4 – 1/2.

– van Jan De …… voor staken die hij heeft gehad van de erfgenamen Lucas Wambacq: 8 – 11 – 0.

– Wambacq kocht een mijd quaet hoije voor tien guldens op 20 januari 1671 van de van Lucas Wambacq: 10 – 0 – 0.

Summa van de ontvangsten = 252 – 3 – 1/2.

Uitgegeven aan gedorste granen en andere.

– betaald op acht februari 1671 Joos Steppe en Jan Verdoodt voor 141 vaten gerst à 1 st 1 o het vat, 34 vaten tarwe en 84 vaten rogge, het vat à 1 1/2 st, samen: 17 – 13 – 1/4.

– op 8 februari 1671 aan Joos Steppe en Jan Verdoodt voor het dorsen van 227 vaten haver, het vat à 1 st 1 o: 12 – 18 – 3/4.

– op 1 maart 1671 aan dezelfden voor het dorsen van 101 vaten tarwe à 1 ½ st het vat komt op 7 g 11 ½ st en nog 15 vaten haver à 1 st 1 o het vat komt samen: 8 – 10 – 1/4.

– op 22 maart 1671 aan dezelfden voor het dorsen van 120 vaten tarwe en 103 vaten koren en 22 vaten terwe crappen, samen: 18 – 7 – 1/2.

– op 11 april 1671 aan Joos Steppe en Jan Verdoodt voor het  dorsen van 50 vaten koren en werk van elk vier dagen en 3 kwart à 8 st per  dag, komt op:  7 – 11 – 0.

– op 7 mei 1671 aan dezelfden voor het dorsen van 120 vaten koren en 19 dagen werk à 9 st per dag komt op: 17 – 11 – 0.

– op 21 mei 1671 aan dezelfden voor het dorsen van 134 vaten koren en nog 13 dagen werk9 st per dag, samen: 10 – 12 – 0.

– op 31 mei 1671 aan Joos Steppe en Jan Verdoodt elk 13 ½ daguren à 9 st per dag komt op 12 g en 3 st en nog gedorst  130 vaten  koren à 1 ½ st het vat, hiervan door Andries Van Der Straeten betaald aan Jan Verdoodt 9 g 10 st 1 b en aan Joos Steppe 6 g 2 st 1 b, dus voor Michiel Wambacq: 6 – 4 – 1/2.

– op 19 april 1671 aan Michiel De Corte voor het dorsen van 43 ½ vaten koren en tarwe à 1  ½ st het vat, komt op 3 g 5 st 1 o. Ook nog 25 vaten koren en 2 ½ daguren à 8 st per dag, nog  83 ½ gedorste vaten koren en 1 ½ dag werk komt op 6 g 17 st 1 o en alles samen: 13 g,  hiervan door Andries Van Der Straeten betaald aan Michiel De Corte 3 g 19 st, dus voor Michiel Wambacq: 9 – 1 – 0.

– op 30  april 1671 aan Peeter Van Den Bossche voor het dorsen van 62 vaten en 3 vierlingen koren à 1 ½ st het vat en tien vaten haver, het vat à 1 st 1 o. Op dezelfde dag hout gekapt à 8 st per dag en 14 daguren in de kost à 5 st per dag komt op 9 g 4 st. Ontvangen ten huize van Lucas Wambacq 5 g 10 st het vat, blijft voor Michiel Wambacq: 2 – 6 – 1/2.

– op 30 april 1671 aan Pauwel Rogge van hout te kappen in het Grietenbrouck 3  dagen, op Den Hoijenbergh 7 ½ dagen, in het bos op het Belderdael 1 dag, samen 11 ½  dagen à 9 st per dag; in de Warande staken gekapt en 900 mutsaarts gebonden à tien st het honderd. Op Den Hoijenbergh 1010 mutsaartsgebonden, bedraagt al samen: 15 g 1 b en hiervan door Andries Van Der Straeten betaald aan Rogge 2 g 18 st 1 b, blijft voor Michiel Wambacq: 12 – 2 – 0.

– aan Peeter Van Den Abbeele voor 7 ½ daguren hout kappen op Den Hoijenbergh en 1 dag in het bos op Belderdael samen 8 ½ dagen à 9 st per dag en 1302 twee hopen mutsaarts gebonden op Den Hoijenbergh samen 10 g 11 ½ st. Hiervan 6 g betaald door Andries Van Der Straeten, blijft voor Michiel Wambacq: 4 – 11 – 1/2.

– op 27 december 1670 aan Adriaen Eeman om 2 dagen staken gekapt te hebben in het Grietenbrouck:  0 – 18 – 0.

– op 27 december 1670 aan Peeter Van Neijghem om staken te kappen in het Grietenbrouck:  2 – 8 – 0.

– aan Hendrick Stijleman aan vertier toen zij gedaan hadden met hout te kappen in het Grietenbrouck  12 st

– aan Jan Van Varenbergh voor de erfgenamen Lucas Wambacq van wat zij ten achteren stonden in een setboek van 1669: 57 – 15 – 0.

– aan de heer drossaard, schepenen en griffier voor de eed van de voogden op 16 september 1670: 1 – 2 – 1/2.

– aan de procureur De Raedt voor een passeringe op 18 september 1670: 0 – 15 – 0.

– gegeven aan de kinderen Lucas Wambacq op 27 september 1670 toen zij een luitenant en vier ruiters moesten logeren: 6 – 0 – 0.

– te Brussel op 31 oktober 1670 voor een vet rund voor de uitvaart van de voorschreven Wambacq,  daarvan de helft genoten: 15 – 13 – ?.

– voor het publiceren van negen biljetten en om die te bestellen: 1 – 16 – 0.

– gegeven aan Joanna Wambacq 10 g om een knecht te betalen die daar gewoond had en met hun vader zijn rekening had gemaakt op 30 november 1670: 10 – 0 – 0.

– aan Jan Verdoodt en Joos Van Den Wijngaert voor winterkuilen van 2300 kuilen hop à 8 st het honderd: 9 – 8 – 0.

– wat de erfgenamen ten achter zijn aan Michiel Wambacq van Sint-Jansmis1669:16 – 10.

– wat de erfgenamen nog  ten achter zijn aan den voorschreven Wambacq van de Kerstmisbede 1969: 72 – 8 – 0.

– de erfgenamen zijn nog ten achter aan de voorschreven Wambacq van Sint-Jansmis 1670:  105 – 10 – 0.

– de erfgenamen zijn nog ten achter aan de voorschreven Wambacq in de Kerstmisbede 1670: 63 – 16 – 0.

– aan Catharina Vlemincx voor een verlopen rente: 20 – 0 – 0.

– gegeven aan Joanna, Franchois, Michiel en Arnault Wambacq toen hun zuster Catharina Wambacq getrouwd is (22 januari 1671) 27 g, en aan Joanna Wambacq 10 g en 8 st,  samen: 37 – 8 – 0.

– aan Guillam Van Brachene: 1 – 0 – 0.

– voor de XXste penning: 7 – 0 – 0.

– aan de werklieden van de rendant voor het maken van snoeihout: 3 – 10 – 0.

– de cijnzen toebehorende ’t Godshuis van Affligem vermeld in het boek van Essene artikel 87, 130, 140, 174, 204, 206, 300, 302, 314, 355, 436 en in het lange aelmoesen boeck artikel 53 welke cijnzen bedragen tot 1675 7 – 11 – 0.

– aan de erfgenamen van Catharina Vlemincx voor het verloop van een rente van 1675: 94.

– Lucas Wambacq heeft een ton klein bier gekregen op 28 oktober 1668: 1 – 0 – 0.

– voor de auditie betaald aan de lieutenant-drossaard,  schepenen en griffier: 2 – 2 – 0.

– voor het opstellen van deze rekening: 2 – 2 – 0.

– voor de kopij: 1 – 7 – 0.

Summa van de gehele uitgaven = 668 – 9 – 1bl – 9 mijten.

De ontvangsten bedroegen 252 – 3 – 1/2. Er is dus meer uitgegeven als ontvangen de som van 416 – 6 – 1 – 9 mijten.

De rekening werd gepresenteerd op de negende februari 1677 in presentie van vorster Van Innichoven die de drossaard vertegenwoordigde en de schepenen Jan Van Der Slachmolen, meester Steven Van Mulders, en Michiel Cornelis en Andries Van Der Straeten, Franchois en Michiel Wambacq kinderen wijlen Lucas en mij griffier quod attestor Van Mulders.

Ontvangsten van Andries Van Der Straeten van de goederen en het inkomen der kinderen van wijlen Lucas Wambacq.

Verhuurde goederen.

-ontvangen van Jacques Van Droogenbroeck 15 – 12 – 0 voor 3 jaar huur van 68 r meers gelegen op te Essene voor de jaren 1675, 76 ende 77

– van Carel De Nagel 17 – 2 – 0 voor 3 jaar huur van Den Gronaert

– van Andries Van Der Straeten 55 – 10 – 0 voor 3 jaar pacht van een stuk land gelegen onder Essene op het Dooreken, groot 375 r: 55 – 10 – 0.

– van Andries Van Der Straeten 13 – 4 – 0 voor 3 jaar huur van een hofstede groot 50 roeden gelegen te Essene verschenen het leste jaar als voren, dus hier 13 – 4 – 0.

– van dezelfde ontvangen voor 3 jaar pacht 16 – 4 – 0 pacht van 138 r land gelegen op het Doreken onder Essene: 16 – 4 – 0.

– van Adriaen Van Den Wijngaert voor 3 jaar pacht van een stuk land gelegen onder Essene op Den Montille, groot 180 r: 18 – 0 – 0.

– van Nicolaes Symons voor 3 jaar huur van 83 r land onder Essene op De Cappelle: 12 – 9 .- voor een hofstede gelegen aan Den Krekelendriesch, groot 125 r voor 3 jaar: 1 – 7 – 0.

– voor 3 jaar pacht van een meers gelegen onder Ternat, groot 4 d 56 r: 164 – 8 – 0.

– voor een meers gelegen groot 200 r, De Slockersmeersch”, is verhuurd geweest aan Michiel Van De Cruijce waarvan de rendant geen ontvangst heeft gehad omdat de  meers wettelijk met de brandende keersse is verkocht aan meester Michiel Wambacq zo dat de huur moet ontvangen worden van Wambacq en daarvan geen ontvangst gehad.

– van de weduwe Jan Camermans voor 25 morch wishout tegen 13 st ’t honderd: 17 – 6 – 1/2.

– voor ontvangst van 609 mutsaarts in  Den Avernellemeersch onder Ternat van meester Michiel Wambacq aan hem verkocht à 2 g 8 st ’t hondert: 14 – 12 – 0.

– van mutsaarts en wishout van de hofstede waar de rendant woonde: van Nicolaes Stevens op 19 maart 1680 7 – 0 – 0; van een partij spaanders, mutsaarts en wishout op 19 maart 1680  10 – 0 – 0; van Lucas Geertsmans voor een partij spaanders, mutsaarts en wishout op 19 maart 1681 7 – 0 – 0.

Summa van de ontvangsten 378 – 18 – 1/2. Er is dus meer uitgegeven dan ontvangen 432 – 17 – 1/2

Uitgaven .

– wat in zijn huis is verteerd bij het verhuren van de goederen op 16 april 1677 : 1 – 8 ..

– betaald aan de griffier voor de kopie van de condities: 4 – 4 – 0.

– aan Adriaen Van Den Abbeele en Peeter Van Ransbeke voor het zagen van plank en zolderribben en voor uitwinden van enige bomen afgemeten bij meester Michiel Wambacq:  19 – 11 – 0.

– aan Nicolaes Stevens twee stuivers nagels aan het huis van de kinderen: 0 – 2 – 0.

– aan Passchier de nagelman voor nagels tot reparatie van het: 4 -16 – 0.

– aan Peeter De Busse voor vier voeder sulsteen, ieder voeder à 20 stuivers: 4 – 0 – 0.

– op 22 september 1680 dezelfde steen gehaald: 3 – 0 – 0.

– 23 september 1680 een halve dag klei en vitsroeden gehaald: 1 – 10 – 0.

– 24 september 1680 een halve dag klei gehaald: 1 – 10 – 0.

-27 september 1680 twee schotels nagels, ieder schotel à 14 stuivers: 1 – 8 – 0.

– 28 september 1680 geleverd 5 bundels latten, ieder bundel à 12 stuivers: 3 – 0 – 0.

– 4 oktober 1680 een halve dag klei gehaald: 1 – 10 – 0.

– dezelfde dag goed gedaan aan de officier van de heer markies van Asse voor 13 bundels roeden: 3 – 7 – 0.

– de laatste dag van oktober 1680 goedgedaen voor een schotel nagels: 0 – 14 – 0.

– 6 november 1680 een halve dag klei gehaald: 1 – 10 – 0.

– 8 november 1680 2 Brusselse vaten kalk gekocht, ieder vat à 11 stuivers: 1 – 2 – 0.

– 11 november 1680 een dag klei gehaald: 2 – 8 – 0.

– 13 november 1680 een halve dag klei gehaald: 1 – 10 – 0.

– 14 november 1680 een dag kareelsteen gehaald met 3 paarden: 3 – 0 – 0.

– 15 en 16 november 1680 een dag steen gehaald: 3 – 0 – 0.

– 20 november 1680 een dag steen, klei en zavel gehaald: 3 – 0 – 0.

– 23 november 1680 een halve dag klei gehaald: 1 – 10 – 0.

– 27 november 1680 een schotel nagels: 0 – 14 – 0.

– dezelfde dag een vat en half kalk gekocht: 1 – 6 – 1/2.

goedgedaen aan Carel De Nagel voor vier bundels latten ieder bundel à 12 stuivers: 2 – 8 .

– aan Pauwel Rogge en zijn zoon voor verdiende arbeid bij hen gedaan: plakken, klei laden, metser dienen, vitsrooien kappen, spaanders binnen dragen, de timmerman helpen, ieder voor 15 dagen à 10 stuivers per dag: 15 – 0 – 0.

– geleverd 40 bundels stro: 1 – 0 – 0.

– aan Franchois Van Varenberg voor 11 dagen en half de metser en de dekkers te dienen à 8 stuivers per dag: 4 – 14 – 0.

– aan Lauwereijs Arijs en Jan Van Neervelt ieder voor een dag te dekken à 14 stuivers per dag en een pot bier, en nog geleverd 135 gelaije à 2 gulden per 100: 3 – 5 – 0; en alsnog voor een dag dezelfde dekkers te dienen met wissen te halen, 10 stuivers, samen gerekend  op dn laatste februari 1681: 5 – 6 – 0.

 aan de hofmeester van Affligem 28 g en dat voor 100 kareelsteen 3 januari 1681: 28 – 0.

– aan Jan De Leeuw metser voor 14 dagen te metsen aan een schouw en een huis te sullen en een borrebancq te maken à 18 stuivers daags: 12 – 12 – 0.

Den ondergeschreven bekent ontfangen te hebben vuijt handen van Andries Van Der Straeten de somme van twelf rinsguldens en twelff stuijvers ende dat voor vierthien differente daghueren à achthien stuijvers daeghs in d’metsen aen het niet huijs van de minderjaerige kinderen van Lucas Wambacq, te weten in d’maecken van een andere schouw, t’sullen, borrebanck te maecken als andersints. T’oirconden hebbe ick het selve onderteeckent desen derden meert 1681. Jan De Leeuw.

goedgedaen aan Joos Steppe en Jan Verdoodt ieder voor een dag te vitsen en plakken en een halve dag vitsroeden gehaald, samen 2 dagen en half à 8 stuivers daags: 1 – 0 – 0.

– de 27 maart 1681 een halve dag klei gehaald: 1 – 10 – 0.

– 28 maart 1681 200 nagels gekocht: 0 – 7 – 1/2.

– 3 jaar pacht waarvan maar ontfangen 2 jaar en het derde is kwijtgescholden: 108 – 19 – 0.

goedgedaen aan Lucas Geerstmans en Nicolaes Stevens voor het kappen en vermaken van het hout in Den Avernellemeersch: 7 – 0 – 0.

– voor de andere: 3 – 3 – 0.

– voor het opstellen van deze rekening: 1 – 16 – 0.

– voor de kopie van  deze rekening: 1 – 16 – 0.

Summa van de gehele uitgaven 495 – 13 – 1 blcq.

De gehele ontvangst beloopt 378 – 18 – 1/2.

Er is meer heeft uitgegeven als ontvangen 116 – 15 – 1.

Aldus gehoord en gesloten op de laatste dag van maart 1681 ten overstaan van Jan ’T Sas en Franchois, schepenen, meester Michiel Wambacq en Peeter Segers voogden, meester Franchois Wambacq en Lucas Aert en mij griffier quod attestor Van Mulders.

1682. Gestolen hop[121].

Gillis De Jonghe[122] huurde een huis van de erfgenamen van Lucas Wambacq, maar liet na om voor voldoende borg te zorgen. Als reactie daagden de erfgenamen Gillis voor de schepenbank en lieten zijn hop plukken, drogen en naar de zolder van Adries Van der Staeten overbrengen.Gillis diende op zijn beurt daarvoor een klacht in bij de schepenen en verklaarde dat hij bereid was om het gehuurde huis te verlaten op het einde van het jaar. Ook wou hij dat de schepenen zijn hop lieten taxeren. Als het bedrag lager was dan zijn verschuldigde huishuur was hij bereid het verschil bij te passen.

1682. Andries Van der Straeten[123] in de problemen als tiendenpachter[124].

Andries Van der Straeten was van 1670 tot 1679 de tiendenpachter van de abdij voor Essene. Met Jasper Camermans kwam hij overeen dat die maar 2/3 van de verplichte tienden zou betalen zolang het rentmeester Cocquille niet zou opvallen. Maar het liep anders. Rentmeester De Middeleer eiste de volledige betaling van de tienden voor de periode van 1674 tot 1679. Andries wentelde die eis af op Jasper en daagde hem voor de schepenbank. Op 19 juni 1682 kon Andries aan rentmeester Cocquille 52 g 10 st betalen als afkorting van de openstaande schuld. Jasper verdedigde zich door erop te wijzen dat het Andries was die voorstelde slechts 2/3 van de tienden te betalen en dat hij altijd een goede samenwerking met de abdij had. Dat bleek ook toen Ambrosius Van Lierde[125], de hofmeester van de abdij, hem op 25 oktober 1682 aanstelde als de nieuwe tiendenpachter. De Raad van Brabant, die van oordeel was dat het de tiendenpachter Andries was die het correcte bedrag aan de rentmeester moest betalen, veroordeelde Andries Van der Straeten op 23 september 1683 tot betaling van de helft van de proceskosten.

1684. Jan Kieckens betaalde de merrie niet[126].

Jan Kieckens[127] kocht van Merten Leemans, een pachter van Asbeek, een merrie maar betaalde de 33 g niet. Leemans kon niet anders dan de schepenen inschakelen om aan zijn geld te geraken.

1685. Drie processen voor Gillis Van den Wijngaerde[128].

Gillis Van den Wijngaerde, zoon van Adriaen, bezorgde de mensen die voor hem borg stonden heel wat moeilijkheden, maar moest uiteindelijk zelf opdraaien voor zijn onfair gedrag.

Jan Meert uit Brussel had zich borg gesteld voor Gillis als pachter van de impost voor het tweede halfjaar van 1683 voor de gemeenten Hekelgem en Meldert. Het ging om behoorlijke bedragen: 187 g voor Hekelgem en 181 g voor Meldert. Eind 1683 verstreek de pachttermijn en Jan Meert ging ervan uit dat zijn borgstelling was opgeheven. Groot was zijn verontwaardiging toen rentmeester Van de Velde van de Staten hem sommeerde tot betaling van de twee bedragen, samen 368 g. Hij dagvaardde op 24 oktober 1684 Gillis Van den Wijngaerde voor de schepenbank met het verzoek dat de schepenen Gillis zouden veroordelen tot ontlasting van de borgstelling. Gillis negeerde de drie dagvaardingen met het gevolg dat De advocaat van Jan Meert de goederen van Gillis liet verkopen op 5 maart 1685. De verkoop bracht 54 g 6 st op. Er waren ook voor 36 g 17 ½ st kosten zodat er amper 17 g 9 st over bleef. De Raad van Brabant oordeelde op 1 oktober 1685 dat Jan Meert ook de hofstede van Gillis mocht verkopen.

Het tweede proces tegen Gillis Van den Wijngaerde kwam van Gillis Wijnants, officier van Hekelgem. Die had zich voor 140 g 16 st borg gesteld voor Gillis en hij werd ook door rentmeester Van de Velde verplicht om dat bedrag te betalen. Zoals Jan Meert richtte Gillis Wijnants zich tot de schepenbank van Asse en de geschiedenis herhaalde zich: drie dagvaardingen van de schepenen en Gillis Van den Wijngaerde liet zich niet zien. Omdat Van den Wijgaerde die som niet kon betalen, werd zijn tarwe verkocht. Er bleef echter nog een schuld over van 42 g.

Samen met Jan De Loose pachtte Gillis Van den Wijngaerde het subsidieboeck van Essene. Zij moesten aan de Staten van Brabant 528 g 1 ½ st betalen zoals bleek uit de rekening opgesteld op 5 juli 1684 in aanwezigheid van Jan De Meije en Carel Steppe. Gillis betaalde de Staten maar bleef nog 70 g 19 st schuldig. Jan nam het niet dat Gillis, na meerdere aanmaningen, het resterend bedrag niet betaalde en hij richtte zich tot de schepenbank om Gillis daartoe te verplichten.

1682. Gillis De Smedt rekende teveel aan[129].

Gillis De Smedt collecteerde voor de 20ste penning in 1682 en rekende Franchois Van Onchem 21 st teveel aan. Dat bedrag is gelijk aan een goed daguur voor een werkman. Franchois slaagde er niet in zijn geld terug te krijgen en dus bleef er maar een oplossing: de schepenbank inschakelen.

1686. Rente onterecht opgeëist[130]?

De erfgenamen van Margriete De Ridder, weduwe van Jacques Van Dongelberge, vertegenwoordigd door Jacobus Van den Bossche, eisten voor de schepenbank 80 g van Joos Van den Bossche. Die 80 g kwamen voort van een rente van 4 g, maar was gedurende 20 jaar niet betaald. Joos Van den Bossche had een lening met een rente van 4 g aangegaan bij de aankoop op 3 september 1663 van zijn hoeve Den Ruijninck. Het hing om een hofstede met huis en andere edificiën daarop staande,  groot 3 d, gelegen in Essene en genoemd “Den Ruijninck”, palend noordoost de goederen van Peeter Van Driessche, zuidoost aan de goederen van de erfgenamen van wijlen Hendrick Willems, zuidwest Jasper Van Varenberge en met de vierde zijde noordwest aan de heirbaan lopende van Brussel naar Aelst. De hofstede was belast met een heerlijke grondcijns aan n Affligem van twee rinsgulden per jaar.

In zijn verweer betoogde Joos Van den Bossche dat er bij de aankoop geen sprake was van een rente van 4 g en hij vroeg de aanleggers van het proces om hem voorts niet meer te komen molesteren ende quellen. Hij en zijn vrouw Jacqueline Van den Abeele hadden de hofstede verkregen van Peeter Pauwels. De akte werd opgesteld door de Affligemse meier Michiel Wambacq en ondertekend door de schepenen Melchior Van den Driessche, Erasmus De Merchie en Nicolaes Robijns.

1689. Jan Stevens koopt een hofstede[131].

Op 20 april 1680 kocht Jan Stevens een deel van een behuisde hofstede te Steenhuffel. Een dag later kwam hij met Joos Van Linthout uit Merchtem overeen om zijn deel van de hofstede over te kopen voor 156 g 10 st met de belofte hem het geld binnen de 14 dagen te overhandigen. Dat deed Jan niet en Joos dat niet connende verdraegen daagde Jan voor de schepenbank om zijn geld te eisen.

1689. Jasper Camerman kan zijn belastingen niet betalen[132].

In 1689 geraakte Jasper Camerman[133] in zware financiële problemen. Hij kon zijn belastingen niet volledig betalen. Peeter Wambacq[134], ontvanger van de beden, taxeerde hem als pachter voor het subsidieboek voor 28 st voor ieder bunder en als brouwer, samen voor 66 g 10 st 1 b. Hij betaalde daarvan in meerdere schijven 52 g 1 st. Voor het bedenboek voor 1687 en 1688 werd hij belast aan 30 st per bunder, voor elk schaap ½ st en voor elke koe 6 st, samen 66 g 12 st 1 b. Daarvan betaalde Jasper 35 g en bleef hij 31 g 12 st 1 b schuldig. 1689 was een duur jaar. Voor het bedenboek moesten de Essenaren per bunder 3 g 6 st betalen, 5 st per koe en ½ st per schaap. Voor Jasper kwam dat neer op een belasting van 140 g 18 1/2 st. Jasper kon niets betalen. Voor het subsidieboek kwam zijn bijdrage op 93 g 16 ½ st en daarvan kon hij 50 g betalen en bleef hij voor 43 g 6 ½ st in het rood staan. Zijn totale belastingschuld bedroeg in 1689 niet minder dan 235 g 7 ½  st. Geen wonder dat Peeter Wambacq hem voor de schepenbank daagde.

1689. Peeter Wambacq[135].

Peeter Wambacq werd door Franse soldaten gevangen genomen en opgesloten in de gevangenis van Doornik. Nadat hij al langen tijd zat opgesloten, vroegen de bedesetters van Essene aan Franchois De Geijnt om Peeters plaats in te nemen voor een vergoeding van 6 ½ st per dag. Na 409 dagen kwam Franchois op vrije voeten en had hij recht op 130 g. Voor zijn edelmoedige daad mocht hij niet rekenen op enige dankbaarheid want de bedesetters dachten niet aan de uitbetaling zoals was afgesproken. Franchois kon niet anders dan de schepenbank inschakelen om aan zijn geld te geraken.

Het is jammer dat de datum ontbreekt, maar we kunnen veronderstellen dat het oppakken van Peeter te maken had met niet tijdig betaalde oorlogslasten, opgelegd door de Franse bezetters. In september 1689 waren er Franse legerbendes in onze streek. Op 19 september bezette een bende de abdij en namen proost Vedastus Van Nuffel gevangen omdat de geheven belasting nog niet was betaald. Dom Romanus was de dag voordien met 240 g naar hun kamp in Doornik gezonden, maar hij kwam terug met de mededeling dat er voor 26 september 2 000 g moest worden betaald anders zou men de abdij in brand steken. De abdij kon slechts 1 000 g betalen en dan was onvoldoende, want op 25 september kwam het bericht dat de Fransen de abdij, Hekelgem en Essene in brand zouden steken[136]. Op 7 juli 1691 was Essene weer het slachtoffer van oorlogsgeweld en in 1695 staken Fransen Het Ankerhof in brand.

1691. Meester Jan Van Vaerenbergh tegen Peeter Wambacq[137].

Daar de erfgenamen van Jan Camermans de pacht van hun deel van ’t Grootbroek, 3 bunders groot en te Essene gelegen, niet konden betalen, beslisten de stadhouder en de leenmannen van de abdij Affligem om het goed aan Jan Van Vaerenbergh te verpachten. Als pand gaf Jan 1 ½ d land te Asse gelegen en eigendom van het klooster van Groenendaal dat ook het wederdeel van ’t Grootbroek bezat. Dat deel had Jan ook kunnen pachten. Wanneer Peeter Wambacq als collecteur Van Vaerenberghs deel voor de bedenboek kwam opeisen, weigerde hij te betalen omdat hij beweerde dat hij zijn bijdrage aan Groenendaal had betaald en hij diende in 1691 een klacht in tegen Peeter Wambacq. Die kon aan de hand van uittreksels van het bedenboek uit 1677, 1681 en 1684 aantonen dat het land altijd al door de bedesetters was belast.

1694. Balthazar De Bus weigert te betalen[138].

Om de kosten van wagens en pioniers ten dienste van de keizer te betalen werd Essene belast met 6 g per bunder wat een totaal gaf van 639 g 18 ½ st. Collecteur Balthazar De Bus vond het bedrag teveel of onrechtvaardig, in elk geval Essene zat opgescheept met een achterstallige betaling van 639 g 18 ½ st. Om moeilijkheden met de overheid te vermijden spande Peeter Wambacq namens de bedesetters een proces in tegen Balthazar. Hij wou dat de schepenen hem dwongen de beden te betalen.

Een voorbeeld van de lasten: de weduwe Michiel Wambacq moest 444 g 13 ½ st betalen.

Michiel Wambacq, zoon van Franciscus en Catharina De Troch werd gedoopt op dinsdag 17 oktober 1617 in Essene en overleed op zondag 22 oktober 1690 in Essene, 73 jaar oud. Hij trouwde, 30 jaar oud, op zondag 17 november 1647 in Buizingen met Joanna De Bast, 18 jaar oud. Zij is gedoopt op donderdag 4 oktober 1629 in Buizingen en is overleden op woensdag 2 januari 1692 in Essene, 62 jaar oud. Meier van de schepenbank van de abdij Affligem. Het huisgezin Michiel Wambacq-de Bast bewoonde te Essene, bij de kerk, “Het Ankerhof”. Bisschop Malderus kwam dikwijls zijn verlofdagen doorbrengen bij zijn nicht op het Ankerhof, alwaar hij zijn eigen boekenkamer bezat. Het Ankerhof werd platgebrand door het Franse leger van Villeroy (1695) en heropgebouwd in 1702. ( Villeroy , generaal van Louis XIV, heeft eveneens de grote markt van Brussel platgeschoten. Zie ook jaarboek Belledaal 2008 blz. 213.

1695. Jan Baptist Van Pede eist zijn deel[139].

Na de dood van Joanna De Bast, weduwe van Michiel Wambacq en moeder van Peeter, op 2 januari 1692, kon aan de 7 erfgenamen 200 g 16 st worden uitgedeeld of voor ieder 30 g 8 st. Voor Jan Baptist Van Pede duurde het te lang voor hij zijn deel kreeg en hij diende op 26 april 1695 tegen Peeter een klacht in. Op 29 december 1695 schreef Peeter een brief aan Jan Baptist waarin hij uitlegde waarom hij niet kon betalen:

Esschene 29 Xber 1695.

Mijnheer Van Pede,

Het is mij leedt dat ick op gisteren off heden niet en hebbe konnen besorgen eene goede somme geld, hebbe gedaen alle mogelijcke debvoiren om geld geld te bekommen, jae, hebbe gisteren expresselijck naer Aelst geweest bij iemand die mij heeft hout gecocht met gereed geld ende vermeijden aldaer te ontfanghen 7 pond groot maer daer commende heeft hij mij uijtgestelt den dagh van geld te haelen tot morgen ende acht dagen ’t selve gehaelt hebbende sal U. E. ’t selve sonder faute als dan brenghen oversulcx hopende dat U. E. tot als dan sal patiëntie hebben want daer en is geen geld te bekommen van de gene die mij schuldigh sijn soo dat ick moet alles betaelen van mijn geld ’t gene ick ontfanghen moet van mijn vercocht goed ende dat van een ander het welcke hard is hierop betrouwende blijve.

P. Wambacq.

1695. Lucas Bruylants betaalt geen pacht[140].

Op 6 juni 1690 pachtte Lucas Bruylants van Peeter Van der Haren, official op het wijncomptoir te Antwerpen, een zaailand gelegen op de Foost voor 6 jaar. De pacht bedroeg 12 g. In 1695 had Lucas nog geen cent betaald en dat leverde hem een proces op bij de schepenbank. Hij moest dadelijk de 60 g schuld betalen.

1697. Peeter Wambacq betaalt lening niet terug[141].

Op 9 januari 1697 leende Nicolaes Daumans 50 g aan Christina Van Campenhout zoals blijkt uit onderstaande brief:

Ick onderschreven Christina Van Campenhout huijsvrouwe van Peeter Wambacq in de tegenwoordicheijt van mijnheer Tijs pastoor van Esschene bekenne bij dese wel ende eerlijck ontfangen te hebben vuijt de handen van Nicolaes Daumans ingesetene van Esschene de somme van vijftich rinsguldens eens, belovende deses omme wederomme te geven tusschen den tijd van een halff jaer van datum deser ende dat met den interest van dien tegen sesse guldens het hondert ende off het gebeurde dat Niclaes Daumans dese vijftich guldens eerder hadde van doen bij exempel binnen vier off vijff maenden soos al ick onderschreven hem dese somme weder geven met den interest van ’t volle halff jaer mits drij off vier weken te vooren vermaent sijnde ende om dit alles wel ende vast soude sijn soo verbinde ick hiertoe mijne hoffstede daer den selven Nicolaes is op woonende genaemt “Den ?” gestaen binnen Esschene ende in teecken der waerheijt hebbe dit met mijn eijgen hanteecken onderteeckent.

Actum den negensten januari sesthien hondert ende sevenentnegentichende was onderteeckent Christina Van Campenhout ende ter sijden S. Tijs pastoor in Esschene 1697.

Dat was een mooie overeenkomst, maar wanneer Nicolaes zijn terug wou, reageerde Peeter niet en bleef hem alleen de rechtbank over om aan zijn geld te geraken.

Stephanus Thijs was pastoor in Essene tot 1700.

1698. Cathelijne Wambacq in conflict met de bedesetters[142].

Cathelijne Wambacq, de weduwe van Andries Van der Straeten[143], beweerde dat ze het hele dorp vertegenwoordigde in het verzet tegen de kosten van logementen en vertier van soldaten. Op 3 april 1698 kwam zij met de bedesetters Nicolaes Meert, Gillis en met Jan Van Varenberch, Aert Van De Putte, Jacobus De Meije, Michiel De Cort, Aert De Smeth en Jan Steppe overeen dat Essene 454 g 16 ½ st zou betalen. Zij maakte zelf voor 168 g 4 ½ st kosten die ze tevergeefs van de bedesetters wou recupereren. Alleen een klacht bij de schepenbank kon haar helpen om aan haar geld te geraken.


[1] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 8070.

[2] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 5146.

[3] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 823.

[4] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 858.

[5] R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 1083. R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 8098.

[6] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1083.

[7] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1092.

[8] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1191.

[9] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1185.

[10] Michiel Wambacq, zoon van Gillis en Joanna Verleysen is gedoopt omstreeks 1555 in Essene. Hij is overleden vóór 1612 in Essene, ten hoogste 57 jaar oud. Michiel trouwde in Essene met Barbara De Wever. Zij is gedoopt omstreeks 1556 in Essene.

[11] Gerardus Pauwels trouwde op dinsdag 23 juni 1609 in Essene met Joanna De Bonte.

[12] Egidius Roms trouwde op zondag 21 september 1614 in Essene met Margareta  Willems.

[13] Michiel Wambacq, zoon van Michiel en Barbara De Weverj is gedoopt omstreeks 1585 in Essene. Hij trouwde, ongeveer 29 jaar oud, op zaterdag 30 augustus 1614 in Essene met Josine De Witte. Josine is overleden op donderdag 16 december 1655 in Essene.

[14] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 396.

[15] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 1182.

[16] Joannes Wambacq, zoon van Michiel en Barbara De Wever. Hij is gedoopt omstreeks 1587 in Essene. Hij trouwde, 33 jaar oud, op zondag 28 juni 1620 in Essene met Joanna Camermans, nadat zij in Essene in ondertrouw zijn gegaan.

[17] Gerard De Witte, zoon van Gillis en Barbara Van Vaerenbergh, trouwde op donderdag 11 juni 1620 in Essene met Elisabetha Ooms.

[18] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1290.

[19] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1300.

[20] Inventaris van het archief van de Raad van Brabant. Processen van de adel. 1511-1650.

Schulden en uitvoering van het testament van Hannibal Boselli, heer van Steenvoorden (onder Ternat). Proces voor schepenen van Brussel. 1638-1639.

[21] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1407.

[22] Mud: inhoudsmaat, 1 mud = 6 sister (ook sester) = 6 zakken = 24 veertelen.

[23] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 389.

[24] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 207.

[25] Michael Van Vaerenbergh trouwde op zondag 1 oktober 1623 in Essene met Anna De Mey.

[26] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1207.

[27] Een carolusgulden of karolusgulden is een oude munt die ten tijde van keizer Karel V werd geslagen en naar hem is genoemd. De carolusgulden bestond zowel in een gouden uitvoering (Carolus d’or) als een zilveren (Carolus d’argent). De gouden carolusgulden werd voor het eerst in 1517 geslagen, de zilveren in 1543. Beide vertegenwoordigden bij de invoering van de zilveren carolusgulden dezelfde waarde. Deze bedroeg 20 stuivers. Onder Karels opvolger koning Filips II is de aanmunting van deze guldens niet meer voortgezet. De term karolusgulden als aanduiding voor een rekeneenheid bedrag van 20 stuiver, weldra kortweg gulden genoemd, heeft echter nog lang nadien als gediend, totdat de Republiek der Nederlanden vanaf 1688 fysieke zilveren guldens is gaan slaan. Bron: Wikipedia.

[28] Gerardus Pauwels, zoon van NN Pauwels en Martijne Cammaerts. trouwde op dinsdag 23 juni 1609 in Essene met Joanna De Bonte. Kinderen van Gerard en Joanna in Essene gedoopt:

1- Egidius, gedoopt op dinsdag 13 juli 1610.

2- Catharina, gedoopt op zondag 22 juli 1612.

3- Elisabeth, gedoopt in 1615.

4- Joannes, gedoopt op donderdag 20 mei 1621.

[29] Gerard De Witte (ook Geeraert) was de zoon van Gillis, molenaar op de IJzerbeekmolen te Asse en daarna op de Bellemolen en boer op het Hof ter Belle, meisenier en kerkmeester te Essene in 1573, poorter van Aalst, overleden voor 1612. Hij trouwde met Barbara Van Vaerenbergh, dochter van Geeraert, boer op het Hof te Belle, overleden na 1612. Gerard, meisenier in 1607, was brouwer en wellicht vader van:

1. Catharina, trouwde met Dierick Struelens, brouwer.

2. Marie, trouwde met Carel De Coninck.

3. Kathelijne, trouwde met Joos Van Ruijsevelt

4. Anna, Trouwde met Peter Van der Beke

5.Barbara, trouwde met Jacques Van der Hulst, griffier te Opwijk

6. Adriana, trouwde met Peter Van den Eeckhout.

7. Jan, trouwde met Catharina Van den Eeckhout

8. Gillis, vermoord door Peter Meert.

L. LINDEMANS, Aanvullingen bij de Genealogie Evenepoel, in: ESDB, 1990, 78.

[30] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 8123.

[31] Joannes Van Cauwenberghe trouwde met Catharina Van Den Mueter. Zij hadden 9 kinderen:

1- Peter.

2- Nicolaes.

3- Margriete, zij trouwde met Gielis Aeckelijs. Zij hadden twee kinderen: Johanna en Marie.

4- Judocus, gedoopt op woensdag 24 juni 1609 in Essene. Hij trouwde, 23 jaar oud, op zondag 26 september 1632 in Essene met Francisca Droesselere, 26 jaar oud. Zij is gedoopt op vrijdag 16 december 1605 in Essene. Zij hadden vier kinderen te Essene gedoopt: Catharina, gedoopt op zondag 27 april 1636; Michael, gedoopt op zondag 6 februari 1639; Judocus, gedoopt op vrijdag 15 november 1641; Elisabeth, gedoopt op vrijdag 15 november 1641.

5- Franciscus, levenloos geboren zoon, gedoopt op woensdag 18 november 1643.

6- Anna, levenloos geboren dochter, gedoopt op woensdag 18 november 1643.

7- Franciscus, gedoopt op woensdag 4 oktober 1645.

8- Anna, gedoopt op maandag 20 januari 1648.

9- Petrus, gedoopt op donderdag 17 november 1650.

[32] Michael Camermans, zoon van Joannes en Catharina De Witte, werd gedoopt op vrijdag 11 oktober 1613 in Essene. Hij trouwde, 30 jaar oud, op maandag 9 november 1643 in Essene met Elisabeth De Valck.

[33] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 1889.

[34] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2160.

[35] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2092.

[36] Nicolaas Meert, gedoopt in 1635 in Essene overleed op zondag 10 februari 1709 in Essene, 74 jaar oud. Hij trouwde, 23 jaar oud, op maandag 2 september 1658 in Baardegem met Clara Van Langenhove, 20 jaar oud. Zij is een dochter van Joannes en Barbara Van den Broeck. Zij is gedoopt op woensdag 3 maart 1638 in Baardegem. Clara overleed op zaterdag 16 mei 1676 in Essene, 38 jaar oud. Nicolaas hertrouwde, 41 jaar oud, op zondag 20 september 1676 in Sint-Aands met Clara De Keersmaecker 32 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 11 september 1644 in Sint- Amands. Zij overleed op vrijdag 12 april 1720 in Essene, 75 jaar oud.

[37] Egidius De Riddere is overleden op maandag 16 mei 1672 in Essene. Hij trouwde op zondag 4 oktober 1637 in Essene met Elisabeth Camerman, 31 jaar oud. Zij is een dochter van Joannes en Catharina De Witte. Zij is gedoopt op zaterdag 1 april 1606 in Essene. Zij is overleden op dinsdag 28 juli 1676 in Essene, 70 jaar oud.

[38] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2079.

[39] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2083.

[40] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2198.

[41] Hendrick Vranckx, zoon van Henricus en Anna Rodomont is gedoopt op maandag 13 april 1626 in Asse en overleden op donderdag 1 april 1677 in Essene, 50 jaar oud. Hij trouwde, 35 jaar oud, in 1661 in Essene met Elisabeth Wambacq, 45 jaar oud. Zij is een dochter van Franciscus en Catharina De Troch. Zij is gedoopt op donderdag 21 januari 1616 in Essene en is overleden op dinsdag 7 december 1677 in Asse, 61 jaar oud. Zij was weduwe van Peter Gabriël Van Mulders (1608-1660), met wie zij trouwde in 1635.

[42] L. LINDEMANS, Genealogische schets: Camerman(s), in: Ascania, 1992, 133 – 136.

[43] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2213.

[44] Gerardus Linthout, gedoopt omstreeks 1590 en is overleden op woensdag 20 augustus 1664 in Essene, ongeveer 74 jaar oud. Hij trouwde, ongeveer 34 jaar oud, op zondag 17 november 1624 in Essene met Catharina Camerman.

Kinderen van Gerardus en Catharina in Essene gedoopt:

1 Joanna, gedoopt op woensdag 7 januari 1626.

2 Adrianus, gedoopt op zaterdag 26 december 1626.

3 Joanna, gedoopt op dinsdag 1 mei 1629.

4 Joannes, gedoopt omstreeks 1632 en overleden in 1680, ongeveer 48 jaar oud.

5 Petrus, gedoopt op donderdag 3 juli 1636 en overleden in 1653 in Essene, 17 jaar oud.

6 Franciscus, gedoopt op dinsdag 10 mei 1639.

[45] J. LINDEMANS, Aanvullingen bij de Genealogie Evenepoel, in: ESDB, 1990, 74 – 77.

[46] Furnissement: het totaal van de dagvaardingen

[47] Cum suis: en de zijnen.

[48] Advoye: goedkeuring.

[49] Franciscus Verhoeven, gedoopt omstreeks 1590 en overleden omstreeks 1660, ongeveer 70 jaar oud. Hij trouwde, ongeveer 26 jaar oud, op zondag 23 oktober 1616 in Essene met Maria Camermans, minstens 17 jaar oud. Zij was een dochter van Joannes en Catharina De Witte, gedoopt vóór 1599 in Essene. Zij is overleden op zaterdag 2 januari 1638 in Hekelgem, minstens 39 jaar oud.

Kinderen van Franciscus en Maria in Hekelgem gedoopt:

1 Elisabeth, gedoopt op donderdag 5 mei 1622 en overleden op donderdag 14 oktober 1683 in Hekelgem, 61 jaar oud. Zij trouwde, 23 jaar oud, op maandag 21 augustus 1645 in Hekelgem met Martinus Carnoy, 25 jaar oud. Hij is gedoopt op donderdag 9 januari 1620 in Hekelgem. Martinus is overleden op dinsdag 6 augustus 1680 in Hekelgem, 60 jaar oud.

2 Francisca, gedoopt op dinsdag 28 november 1628 en is overleden op vrijdag 15 maart 1697 in Hekelgem, 68 jaar oud. Zij trouwde, 25 jaar oud, op zaterdag 17 oktober 1654 in Hekelgem met Joannes Pensionaris, 25 jaar oud. Hij is gedoopt op zondag 11 februari 1629 in Hekelgem en is overleden op zaterdag 16 mei 1671 in Hekelgem, 42 jaar oud.

3 Maria, gedoopt op woensdag 26 juli 1634 en overleden op woensdag 26 april 1713 in Hekelgem, 78 jaar oud. Zij trouwde met Michael Mertens, gedoopt omstreeks 1635 en overleden op dinsdag 4 oktober 1695 in Hekelgem, ongeveer 60 jaar oud.

[50] Sommatie: laatste aanmaning.

[51] Martinus Wambacq, zoon van Franciscus en Catharina De Troch is gedoopt op zaterdag 19 oktober 1619 in Essene. Hij overleed, 55 jaar oud en werd begraven in de kerk van Essene op woensdag 6 februari 1675 te Essene. Hij was notaris te Essene en griffier van de abdij Affligem. Martinus trouwde, 35 jaar oud, op vrijdag 9 juli 1655 in Asse met Anna Vranckx, de dochter van Henricus en Anna Rodomont. Anna overleed op donderdag 24 december 1676 in Essene,  vermoedelijk bij de bevalling van een tweeling, Arnoldus en Judocus op 24 december 1676. Begraven in de kerk van Essene. Zij hertrouwde op zondag 12 januari 1676 in Essene met Joannes Kieckens.

[52] Joannes Van Overstraeten, werd gedoopt omstreeks 1597 in Sint-Martens-Lennik. Hij overleed in 1664 in Merchtem, ongeveer 67 jaar oud. Joannes trouwde, ongeveer 25 jaar oud, op dinsdag 10 mei 1622 in Essene met Janna Camermans, minstens 22 jaar oud. Zij is een dochter van Joannes Camermans en Catharina De Witte. Zij is gedoopt vóór 1600 in Essene en overleed op woensdag 24 juni 1671 in Merchtem, minstens 71 jaar oud.

[53] Egidius De Ridder, gedoopt omstreeks 1610 in Ternat overleed op maandag 16 mei 1672 in Essene, ongeveer 62 jaar oud. Hij was koster en schoolmeester van Essene en werd in de kerk begraven. Hij trouwde, ongeveer 27 jaar oud, op zondag 4 oktober 1637 in Essene met Elisabeth Camerman, 26 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 10 juli 1611 in Malderen overleed op dinsdag 28 juli 1676 in Essene, 65 jaar oud.

[54] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2249.

[55] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 248.

[56] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nrs. 2238, 2247, 2250 en 515.

[57] Egidius De Ridder is overleden op maandag 16 mei 1672 in Essene. Hij trouwde op zondag 4 oktober 1637 in Essene met Elisabeth Camerman, 31 jaar oud. Zij is gedoopt op zaterdag 1 april 1606 in Essene. Zij is overleden op dinsdag 28 juli 1676 in Essene, 70 jaar oud.

[58] Arnold Van de Putte, zoon van Arnold sr en Joanna Geyle. Hij is gedoopt omstreeks 1595 en overleden op woensdag 20 december 1662 in Essene, ongeveer 67 jaar oud. Arnold trouwde met Antonia De Vleeschouwere, overleden na 1645.

[59] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2636.

[60] Michaël Wambacq, zoon van Franciscus en Catharina De Ttoch, werd gedoopt op dinsdag 17 oktober 1617 in Essene. Michaël is overleden op zondag 22 oktober 1690 in Essene, 73 jaar oud. Hij trouwde, 30 jaar oud, op zondag 17 november 1647 in Buizingen met Joanna De Bast, 18 jaar oud. Zij is een dochter van Petrus en Ludovica Louisa De Greve. Zij is gedoopt op donderdag 4 oktober 1629 in Buizingen en overleed op woensdag 2 januari 1692 in Essene, 62 jaar oud.

[61] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr.2272.

[62] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 260.

[63] Franciscus Wambacq, geboren omstreeks 1580 in Essene, zoon van Michiel en Barbara De Wever. Hij overleed op donderdag 30 juni 1661 in Essene, ongeveer 81 jaar oud en  werd in de kerk begraven. Hij kocht in 1638 het hof te Belle van de abdij: “15 juni heeft den aertsbiscop Boonen het Pachthof van Belle onder palenslagh vercoght aan Franciscus Wambacq voor gl 9000 ende daer waeren 24 booghen op de conditie staen in probis”. Hij was ook griffier van de schepenbank van de abdij Affligem. Zie jaarboek Belledaal 2008 blz. 211.

[64] Arnoldus Robijns, zoon van Martinus (Merten) en Elisabeth Wauters is gedoopt op woensdag 1 mei 1619 in Hekelgem. Hij trouwde, 23 jaar oud, op dinsdag 7 oktober 1642 in Hekelgem met Anna Van Den Broeck, 15 jaar oud. Zij is gedoopt op dinsdag 19 januari 1627 in Hekelgem.

[65] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr.264.

[66] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2300.

[67] Gerard Linthout huwde op zondag 17 november 1624 in Essene met Catharina Camerman. Kinderen van Gerardus en Catharina te Essene gedoopt:

1-Joanna, gedoopt op woensdag 7 januari 1626

2- Adrianus, gedoopt op zaterdag 26 december 1626

3- Joanna, gedoopt op dinsdag 1 mei 1629

4- Petrus, gedoopt op donderdag 3 juli 1636 en overleden in 1653 in Essene, 17 jaar oud.

5- Franciscus, gedoopt op dinsdag 10 mei 1639.

[68] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2334.

[69] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 272.

[70] Paulus Stevens is overleden op dinsdag 21 juli 1671 in Essene. Hij trouwde op zaterdag 21 juni 1653 in Essene met Maria De Raet, overleden op maandag 1 februari 1694 in Essene.

[71] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2340.

[72] Uit het “boeck van de guldebroeders ende Gulde Susters van dat Broerscap van der heiliger Maghet Kathelijne van Aelst”: Joannes Ivain et Adrianus de Cuyper koningh – 14.2.1657. Het Land van Aalst, 1987, 4-5, blz. 196.

[73] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2338.

[74] Egidius De Ridder, gedoopt omstreeks 1610 in Ternat overleed op maandag 16 mei 1672 in Essene, ongeveer 62 jaar oud. Hij was koster in Essene en werd in de kerk begraven. Egidius trouwde, ongeveer 27 jaar oud, op zondag 4 oktober 1637 in Essene met Elisabeth Camerman, 26 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 10 juli 1611 in Malderen en overleed op dinsdag 28 juli 1676 in Essene, 65 jaar oud.

[75] Gaspar Boom trouwde op zaterdag 9 juli 1661 in Essene met Josina De Ceuster.

[76] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2372.

[77] Adrianus Linthout, zoon van Gerardus en Catharina Camerman, werd gedoopt op zaterdag 26 december 1626 in Essene.

[78] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 548.

[79] Hendrik Vranckx, zoon van Hendrik en Anna Rodomont, is gedoopt op maandag 13 april 1626 in Asse. Hij is overleden op donderdag 1 april 1677 in Essene, 50 jaar oud. Hendrik trouwde, 35 jaar oud, in 1661 in Essene met Elisabeth Wambacq, 45 jaar oud.

[80] Elisabeth Wambacq, dochter van Franciscus en Catharina De Troch, is gedoopt op donderdag 21 januari 1616 in Essene. Zij is overleden op dinsdag 7 december 1677 in Asse, 61 jaar oud. Elisabeth trouwde, 19 jaar oud, in 1635 met Peter Gabriël Van Mulders, 27 jaar oud. Hij is gedoopt in 1608 in Asse en overleed in 1660 in Asse, 52 jaar oud. Hij was weduwnaar van Kathelijne Van den Bossche (1590-1635), met wie hij trouwde op zaterdag 26 oktober 1624 in Asse. Peter was griffier van Asse.

Elisabeth hertrouwde, 45 jaar oud, in 1661 in Essene met Hendrik Vranckx, 35 jaar oud.

[81] Jacques Van Droogenbroeck, zoon van Judocus en Catharina Van De Waeter,j is gedoopt in Sint-Martens-Bodegem. Hij is overleden op zondag 19 oktober 1681 in Essene en werd en in de kerk begraven. Jacques trouwde op maandag 18 april 1667 in Essene met Elisabeth Robijns, 39 jaar oud, dochter van Gaspar en Margaretha Van Den Bossche. Zij is gedoopt op zondag 9 april 1628 in Meldert. Elisabeth is overleden op zondag 29 september 1715 in Essene, 87 jaar oud. Zij trouwde, 17 jaar oud, op zondag 17 september 1645 in Meldert met Joannes Van de Putte, 16 jaar oud. Hij is een zoon van Arnold Jr. en van Antonia  De Vleeschouwere. Hij is gedoopt op donderdag 16 november 1628 in Essene. Bij de doop van Joannes waren de volgende getuigen aanwezig: Arnold Van De Putte en Margaretha Van Den Bossche, geboren in 1582 op de Overnellemolen. Joannes is overleden op zondag 16 augustus 1665 in Essene, 36 jaar oud. Hij was molenaar op de Bellemolen 1651. Elisabeth hertrouwde, 39 jaar oud, op maandag 18 april 1667 in Essene met Jacques Van Droogenbroeck.

[82] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2410.

[83] B. VERMOESEN, Een rijke geschiedenis in: De kracht van water, de Bellemolen te Essene, 2020, 20.

[84] In 1667 was een Frans leger de Zuidelijke Nederlanden binnengevallen. Een allegaartje van Spanjaarden, Walen en Duitsers tracht de veroveringstocht te stoppen, maar op 12 september 1667 viel Aalst in Franse handen.

[85] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2415.

[86] Egidius Daman, gedoopt op maandag 12 mei 1642 in Essene, overleed op woensdag 28 april 1723 in Essene, 80 jaar oud. Hij trouwde, 20 jaar oud, op maandag 6 november 1662 in Essene met Joanna De Ridder, 24 jaar oud. Zij is een dochter van Egidius en Elisabeth Camerman. Zij is gedoopt op zondag 29 augustus 1638 in Essene.

[87] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2441.

[88] Egidius De Ridder, gedoopt omstreeks 1610 in Ternat, overleed op maandag 16 mei 1672 in Essene, ongeveer 62 jaar oud. Hij was koster en werd in de kerk begraven. Egidius trouwde, ongeveer 27 jaar oud, op zondag 4 oktober 1637 in Essene met Elisabeth Camerman, 26 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 10 juli 1611 in Malderen.  Zij is overleden op dinsdag 28 juli 1676 in Essene, 65 jaar oud.

[89] Patagon = De patagon, pat(t)acon of Albertusdaalder is een munt die in de Lage Landen in 1612 werd geïntroduceerd onder het bewind van de aartshertogen Albrecht en Isabella (1598-1621) en werd voor het laatst geslagen in 1711 onder de Spaanse troonpretendent Karel III (1703-1711) in Antwerpen. Patagon – Wikipedia.

[90] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2496.

[91] Joannes Geerstman, zoon van Judocus en Gertrudis Van Langenhove, gedoopt op maandag 2 januari 1634 in Meldert, trouwde met Elisabeth Van Ginderachter. Zij is een dochter van Gillis en Catharina Plas. Zij trouwde voor of later met Jan Van Onsem.

[92] R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2438.

[93] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2503.

[94] Catharina De Troch, dochter van Jan en Cathelijne T’Sas,  gedoopt omstreeks 1587. Zij trouwde, ongeveer 26 jaar oud, op dinsdag 3 september 1613 in Asse met Franciscus, ongeveer 33 jaar oud. Hij is geboren omstreeks 1580 in Essene, zoon van Michiel en Barbara De Wever. Hij overleed op donderdag 30 juni 1661 in Essene, ongeveer 81 jaar oud en werd in de kerk bergraven.

[95] Lucas Wambacq, zoon van Franciscus en Catharina De Troch, gedoopt op donderdag 14 juni 1629 in Essene, overleed op woensdag 10 september 1670 in Essene, 41 jaar oud. Hij trouwde, 20 jaar oud, op zondag 4 juli 1649 in Essene met Catharina Breijnaers, ongeveer 29 jaar oud. Zij is gedoopt omstreeks 1620. Catharina is overleden op donderdag 17 mei 1657 in Essene, ongeveer 37 jaar oud.

Lucas hertrouwde, 28 jaar oud, op donderdag 19 juli 1657 in Essene met Anna Van de Putte, 30 jaar oud. Zij is een dochter van Arnold Jr  en Antonia De Vleschouwere. Zij is gedoopt op vrijdag 9 juli 1627 in Essene. Anna is overleden vóór 1670, ten hoogste 43 jaar oud.

Kinderen van Lucas en Catharina te Essene gedoopt:

1 Catharina, gedoopt op donderdag 28 april 1650

2 Adriana, gedoopt op dinsdag 12 december 1651. Zij is overleden vóór 1675 in Essene, ten hoogste 24 jaar oud.

3 Joanna, gedoopt op zondag 28 december 1653

4 Franciscus, gedoopt op dinsdag 10 augustus 1655

5 Michael,  gedoopt op dinsdag 29 mei 1657

Kinderen van Lucas en Anna gedoopt in Essene:

1 Aroldus, gedoopt op maandag 17 juni 1658

2 Guillelmus, gedoopt op maandag 5 april 1660 .

3 Martinus, gedoopt op maandag 14 augustus 1662. Martinus is overleden op donderdag 4 juli 1720 in Essene, 57 jaar oud.

4 Joannes, gedoopt op dinsdag 6 januari 1665

[96] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2222.

[97] Hendrik Vranckx, zoon van Henricus en Anna Rodomont, is gedoopt op maandag 13 april 1626 in Asse en overleed op donderdag 1 april 1677 in Essene, 50 jaar oud. 

Henricus Vranckx trouwde op zondag 8 juni 1625 in Asse met Anna Rodomont. Zij overleed op woensdag 16 mei 1668 in Asse. Hun dochter Anna overleed op donderdag 24 december 1676 in Essene vermoedelijk overleden bij de bevalling van een tweeling Arnoldus en Judocus op 24 december 1676. Zij werd in de kerk begraven. Anna trouwde op vrijdag 9 juli 1655 in Asse met Martinus Wambacq, 35 jaar oud. Hij was een zoon van Franciscus en Catharina De Troch, gedoopt op zaterdag 19 oktober 1619 in Essene. Martinus overleed, 55 jaar oud. Hij is begraven op woensdag 6 februari 1675 te Essene. Anna hertrouwde op zondag 12 januari 1676 in Essene met Joannes Kieckens.

[98] Peter Van Mulders, zoon van Peter Gabriël en Elisabeth Wambacq, gedoopt op donderdag 15 juli 1649 in Asse, overleed op dinsdag 8 april 1692 in Asse, 42 jaar oud. Hij trouwde met Catharina Vertonghen. Zij is gedoopt omstreeks 1642 en is overleden op vrijdag 19 september 1692 in Asse, ongeveer 50 jaar oud.

[99] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2547.

[100] Franciscus De Witte, trouwde op zaterdag 14 april 1668 in Essene met Adriana Van Vaerenbergh, nadat zij op maandag 2 april 1668 in Essene in ondertrouw zijn gegaan.

[101] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2563

[102] B. VERMOESEN, Een rijke geschiedenis, in: De kracht van water de Bellemolen, 2020, 16.

[103] Een leenhof was bevoegd voor de registratie van transacties en de regeling van conflicten over ‘leengoederen’. Het ging dan meestal om onroerend goed (gronden, kastelen), maar ook om rechten die tot inkomsten konden leiden, zoals tollen, jacht- en visrechten, verplichtingen van jaarlijkse leveringen… Die leengoederen waren in het feodale systeem in de loop der eeuwen ‘in leen gegeven’ door een ‘leenheer’ (meestal de vorst) aan ‘leenmannen’. Een leenman was wel de eigenaar van het leengoed en kon het verkopen of doorgeven aan zijn erfgenamen, maar bij die transacties moest de nieuwe leenman een belasting betalen aan de leenheer (in dit geval de vorst), en ‘leenhulde’ doen. Traditioneel ging dit gepaard met een ceremonie waarin de leenman blootshoofds zijn handen in die van de leenheer legde en een eed van trouw aflegde. Maar zeker vanaf het midden van de 18e eeuw was dit voornamelijk een administratieve handeling. In een leenhof werden die transacties en leenhulden geregistreerd.  Het Leenhof van Brabant was tijdens het ancien regime het hoogste ‘registratiekantoor’ en de hoogste rechtbank van het hertogdom Brabant en de Landen van Overmaas voor zogenaamde ‘leengoederen’. Het Leenhof was ook bevoegd voor rechtszaken over deze leengoederen (ook al gebeurde dit in de loop van de 17e en 18e eeuw steeds vaker door de Raad van Brabant). Het Leenhof was tevens een beroepsrechtbank voor alle lagere leenhoven in het hertogdom Brabant. Bron:Wikipedia.

[104] Mattheus Van Lint was al pastoor te Essene in 1641. In een van zijn brieven spreekt Gillis hem aan als “Eerwaarde Pater”.

[105] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2593.

[106] Nicolaes Meert, zoon van Stephanus en Clara Geerstman, gedoopt in 1635 in Essene. Hij is overleden op zondag 10 februari 1709 in Essene, 74 jaar oud. Nicolaes trouwde, 23 jaar oud, op maandag 2 september 1658 in Baardegem  metClara Van Langenhove, 20 jaar oud. Zij is een dochter van Joannes en Barbara Van den Broeck. Zij is gedoopt op woensdag 3 maart 1638 in Baardegem. Clara is overleden op zaterdag 16 mei 1676 in Essene, 38 jaar oud. Zij hertrouwde, 41 jaar oud, op zondag 20 september 1676 in Sint-Amands met Clara De keersmaecker, 32 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 11 september 1644 in Sint-Amands en is overleden op vrijdag 12 april 1720 in Essene, 75 jaar oud.

[107] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2677.

[108] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2684.

[109] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2725.

[110] Jacobus De Coster trouwde op donderdag 26 januari 1673 met Joanna De Baetselier.

[111] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2697.

[112] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2753.

[113] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 563.

[114] Catharina Wambacq, dochter van Franciscus en Catharina De Troch, gedoopt op zondag 12 december 1621 in Essene, overleed op zaterdag 15 maart 1681 in Asse, 59 jaar oud. Zij trouwde, 16 jaar oud, op donderdag 14 oktober 1638 in Essene met Franciscus De Bailliu, 25 jaar oud. Hij is een zoon van Franciscus en Catharina Van Den Bossche, gedoopt op donderdag 3 oktober 1613 in Asse. Franciscus overleed op zaterdag 3 oktober 1676 in Asse, 63 jaar oud.

[115] Franciscus De Bailliu, zoon van Franciscus en Catharina Wambacq, gedoopt op zondag 7 juli 1652 in Asse, overleed op donderdag 20 mei 1728 in Wemmel, 75 jaar oud. Hij trouwde, 28 jaar oud, op dinsdag 10 september 1680 in Wemmel met Maria Colliers, 28 jaar oud. Zij is gedoopt op donderdag 14 december 1651 in Wemmel en is overleden op zaterdag 3 september 1729 in Wemmel, 77 jaar oud.

[116] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2846.

[117] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2834.

[118] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2842.

[119] Lucas Wambacq, zoon van Franciscus en Catharina De Troch, is gedoopt op donderdag 14 juni 1629 in Essene en is overleden op woensdag 10 september 1670 in Essene, 41 jaar oud. Hij trouwde, 20 jaar oud, op zondag 4 juli 1649 in Essene met Catharina Breijnaers, ongeveer 29 jaar oud. Zij is gedoopt omstreeks 1620 en is overleden op donderdag 17 mei 1657 in Essene, ongeveer 37 jaar oud. Lucas hertrouwde, 28 jaar oud, op donderdag 19 juli 1657 in Essene met Anna Van De Putte, 30 jaar oud. Zij is een dochter van Arnold JR en Antonia De Vleeschouwere. Zij is gedoopt op vrijdag 9 juli 1627 in Essene en is overleden vóór 1670, ten hoogste 43 jaar oud.

Kinderen van Lucas en Catharina te Essene gedoopt:

1 Catharina, gedoopt op donderdag 28 april 1650 en is overleden na 1698, minstens 48 jaar oud. Zij trouwde, 20 jaar oud, op donderdag 22 januari 1671 in Essene met Andreas Van Der Straeten, 24 jaar oud. Hij is een zoon van Hendrick en Catharina Van Den Daele. Hij is gedoopt op maandag 12 maart 1646 in Asse en is overleden op donderdag 20 februari 1698 in Essene, 51 jaar oud.

2 Adriana, is gedoopt op dinsdag 12 december 1651 en is overleden vóór 1675 in Essene, ten hoogste 24 jaar oud.

3 Joanna, gedoopt op zondag 28 december 1653

4 Franciscus, gedoopt op dinsdag 10 augustus 1655

5 Michael, gedoopt op dinsdag 29 mei 1657

Kinderen van Lucas en Anna:

1 Arnoldus, gedoopt op maandag 17 juni 1658 en is overleden op zondag 11 april 1694 in Hekelgem, 35 jaar oud. Hij trouwde, 24 jaar oud, op zondag 30 mei 1683 in Hekelgem met Joanna De Smet, 19jaar oud.

2 Guillelmus, gedoopt op maandag 5 april 1660.

3 Martinus, gedoopt op maandag 14 augustus 1662 en is overleden op donderdag 4 juli 1720 in Essene, 57 jaar oud.

4 Joanna Maria, gedoopt op dinsdag 6 januari 1665, begijn in het begijnhof van Brussel.

[120] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4903.

[121] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2974.

[122] Egidius De Jonghe trouwde op maandag 28 april 1681 in Essene met Anna Van Vaerenbergh overleden op donderdag 13 juli 1702 in Essene.

[123] Andreas Van Der Straeten, zoon van Hendrick en Catharina Van Den Daele, werd gedoopt op maandag 12 maart 1646 in Asse. Hij overleed op donderdag 20 februari 1698 in Essene, 51 jaar oud.: Hij werd in de kerk van Essene begraven. Andreas trouwde, 24 jaar oud, op donderdag 22 januari 1671 in Essene met Catherina Wambacq, 20 jaar oud. Bij het kerkelijk huwelijk van Catharina en Andreas waren de volgende getuigen aanwezig: Egidius De Ridder en Petrus De Smedt Zij is een dochter van Lucas en Catharina Breijnaers. Zij is gedoopt op donderdag 28 april 1650 in Essene. Bij de doop van Catharina waren de volgende getuigen aanwezig: Arnoldus Kotmans en Catharina Troch. Zij is overleden na 1698, minstens 48 jaar oud.

[124] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2902.

[125] Ambrosius Van Lierde was afkomstig van Aaigem en legde zijn geloften af op 18 oktober 1644 en ontving de priesterwijding op 25 mei 1652. Hij zou de auteur zijn van Historia Affligeniensis. In 1665 werd hij econoom en graanmeester. Op 16 juli 1670 werd hij tot eerste syndicus gekozen. In 1672 liet hij  nieuwe steengroeven uitbaten in Meldert en Asbeek-Asse om de sluis Slijkens te Oostende te vernieuwen. Hij overleed in de abdij op 21 november 1695.

[126] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3050.

[127] Joannes Kieckens trouwde in Essene met Anna Vranckx, 32 jaar oud. Zij is een dochter van Henricus en Anna Rodomont. Zij is gedoopt op zondag 1 februari 1643 in Asse en is overleden vóór 1680, ten hoogste 37 jaar oud. Zij was weduwe van Martinus Wambacq (1619-1675), met wie zij trouwde op vrijdag 9 juli 1655 in Asse.

[128] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3084, 3085 en 3074.

[129] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3077.

[130] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3121.

[131] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3148.

[132] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3192.

[133] Gaspar Camermans trouwde op donderdag 1 mei 1670 in Essene met Maria Van Der Elst.

[134] Petrus Wambacq, zoon van Michiel en Joanna De Bast werd gedoopt op woensdag 25 maart 1654 in Essene. Hij overleed op maandag 2 oktober 1713 in Essene, 59 jaar oud. Peeter studeerde aan de Latijnse school te Vilvoorde en nam het bedrijf van zijn vader over. Hij trouwde, 40 jaar oud, op vrijdag 11 juni 1694 in Essene met Ernestina Van Campenhout, minstens 14 jaar oud. Zij is gedoopt vóór 1680 en is overleden op donderdag 18 maart 1751 in Essene, minstens 71 jaar oud.

[135] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3218.

[136] Affligemensia, 1947, Abdij Affligem, nrs. 6-7-8.

[137] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3242.

[138] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3335.

[139] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3375.

[140] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3371.

[141] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3401.

[142] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3412.

[143] Andreas Van Der Straeten, zoon van Hendrick en Catharina Van Den Daele is gedoopt op maandag 12 maart 1646 in Asse. Hij is overleden op donderdag 20 februari 1698 in Essene, 51 jaar oud en werd begraven in de kerk van Essene. Hij trouwde, 24 jaar oud, op donderdag 22 januari 1671 in Essene met Catharina Wambacq, 20 jaar oud. Bij het kerkelijk huwelijk van Catharina en Andreas waren de volgende getuigen aanwezig: Egidius De Ridder en Petrus De Smedt. Zij is een dochter van Lucas Wambacq en Catharina Breijnaers Zij is gedoopt op donderdag 28 april 1650 in Essene. Bij de doop van Catharina waren de volgende getuigen aanwezig: Arnoldus Kotmans en Catharina Troch. Catharina is overleden na 1698, minstens 48 jaar oud.

Het Bourgoins Cruijs.

Deze afspanning aan een weg van Brussel naar Aalst op de Boekhoutberg te Hekelgem dankte zijn naam aan een Frans officier. In 1692 trad er een pauze in na de vele gevechten tussen het Franse leger en de geallieerden in 1691 waarbij in onze streken veel schade werd aangericht. In de abdij en elders in Hekegem gingen Franse soldaten van de legerafdeling van generaal graaf Marchin (of Mastin?) in winterkwartier. Onder de officieren was er marquis Jean Baptiste Roseleth[1]. De naam Roseleth komt van Rossel, een bijnaam voor een roodharige. De oudste vermelding dateert van 1365[2]. In onze streken treft men die naam voor de eerste maal aan in een register van de Broederschap van O.- L.- Vrouw van Lebbeke. In de XVde eeuw liet de hertogin van Bourgondië zich als lid inschrijven van deze Broederschap met twaalf van haar edellieden waarvan er vijf de naam Roselet droegen. Blijkbaar stond de familie Roselet in hoog aanzien bij de hertog van Bourgondië[3]. Met Jean Baptiste begint de geschiedenis van Het Bougondisch Kruis.

Jean Baptiste.

We kunnen veronderstellen dat Jean Baptiste Roseleth, om de tijd door te brengen, op verkenning ging en de herberg van Peter Goetvinck en Catharina Carnoy op de Boekhoutberg bezocht. Hij moet er meer dan eens zijn geweest nadat hij er kennis had gemaakt met de dochter Anna. Voor haar verliet hij het leger. Het paar trouwde op 13 april 1693 en Jean Baptiste nam de herberg van zijn schoonouders over en gaf haar de naam Het Burgoins Cruys[4]. Was die naam een verwijzing naar zijn streek van herkomst?In het gezin werden zeven kinderen geboren die in Hekelgem werden gedoopt.

1- Anna Maria, gedoopt op 20 mei 1694, zij trouwde in 1727 met Andries Van den Broeck en ging in Meldert wonen

2- Joannes, gedoopt op 17 maart 1696

3- Elisabeth, gedoopt op 13 juni 1698, overleden in 1713

4- Joannes Simon, gedoopt op 11 februari 1701, overleden in 1729, hij trouwde met Catharina Van Lier. Hun zoon Philippus Joannes gedoopt op 8 september 1729 overleed ongehuwd in 1768. Joannes Simon hertrouwde na de dood van Catharina Van Lier met Catharina Goudtswilders. Zij hadden twee meisjes, Elisabeth en Joanna die kinderloos stierven.

5- Petronella, gedoopt op 22 mei 1703, trouwde met Livinus Van der Stuijft.

6- Jacobus, gedoopt op 16 juni 1707, trouwde met Christina Herbosch en overleed op 8 mei 1769.

7- Lambertus, gedoopt op 3 maart 1709.

Van 1704 tot 1706 werd de steenweg Brussel – Gent aangelegd, een brede gekasseide weg die van Asse tot het begin van Boekhout een ander tracé volgde dan de oude zandweg, nu Oude Baan genoemd. Op Boekhout liep de nieuwe weg voor hun deur, wat voor herbergier Jean Baptiste een enorme meevaller was . Eens de steenweg in gebruik was, breidde hun zaak snel uit. In 1715 was er al een standplaats van al de post- en reizigerskoetsen van de geregelde dienst tussen Gent en Brussel. De verzendingen voor Hekelgem, Meldert en andere omliggende gemeenten kwamen in Het Burgoins Cruys toe.

Het werd een druk bezochte afspanning. Dat is onder meer te merken aan de betalingen van de bedesetters voor de consumpties en logementen van de provoost[5], militairen en andere gezagsdragers waarvoor de gemeente moest opdraaien. Boekhout, met onder meer de afspanning De Kaaszak van Zacharias De Wever, was toen het drukke centrum van Hekelgem. Enkele voorbeelden:

– De bedesetters betalen Jean Baptiste 3 g 4 st (in gulden-stuivers en oorden) voor het vertier van de provoost en anderen in officiële dienst. Jean Baptiste tekende met een kruis daar hij verclaert neijt te connen schrijven.

– 6 augustus 1724: voor het vertier van de provoost-generaal met een wagen gevangenen: 6-10-0.

– 4 december 1728: voor het vertier van de compagnie van de provoost: 3-3-0.

– 31 januari 1726: vertier van de provoost en partijen: 7-0-0.

– 22 juni 1727: voor het vertier van de provoost 2-18-0 en voor het logement van twee ruiters te voet: 0-24-0.

Op 24 februari 1711 verwierf Jean Baptiste het poorterschap van het Land van Asse. De schepenen Peter Clauwaert, Jan Mattens en Peter De Kegel bevestigden in een akte dat Jean Baptiste Roseleth by ons is gemaeckt ende geworden poiter der voorschr. Vryheyt van Assche, hebbende tot dyen eynde gedaen den behoorlycken eedt in alle solemniteyten daertoe gerequireert ende heeft voorts alles gelooft te doen ’t gene een goed ende gertouwe poirter schuldig end ebehoorden te doen[6].

Van zijn toenemende welvaart getuigt de aankoop van een partij land op de hoek van de steenweg en de nieuwe straete (Boekhoutstraat). Op 24 mei 1726 kocht hij twee percelen land, een van 2 d 58 r en een van 175 r, op de Boekhoutberg voor 21 g. Hij kocht ze van de edele ende hoogh geborene vrouwe, vrouwe Joanna Charlotte marquise der poirt Vrijheijt ende Lande van Assche. De percelen paalden aan de Molenbaan en waren belast met een grondcijns aan de markiezin van 10 g[7]. Het eerste stuk land schonk Anna Goetvinck na het overlijden van haar man op 14 juni 1738 aan haar zoon Jacobus. De schenking uijt haeren vrijen eijghen ende liberen wille onbedwongen noch verleijt van iemand deed zij voor zijn trouwe dienst. Jacobus moest wel 5 g grondcijns aan de markies van Asse betalen. Op 8 juni 1741 verkocht Anna Goetvinck een hofstede aan Jan Baeck en zijn vrouw Geertruide De Ridder. De hoeve met huis en een ½ d hopveld lag op de hoek van de steenweg en de Nieuwstraat (nu Boekhoutstraat). De hofstede was belast met een grondcijns van 12 st voor de Kerk van Meldert en van 6 st voor de Kerk van Hekelgem. Wanneer Jean Baptiste en Anna die hofstede kochten, hebben we nog niet ontdekt.

In 1726 spande Jean Baptiste een proces in tegen Andries Cornelis omdat die zijn schulden niet betaalde. In zijn klacht bij de schepenbank somde hij ze op:

-geleend geld en consumpties in zijn huis: 3-10-0.

-levering van 3 vaten haver aan 18 st het vat: 2-14-0.

-geleend op 28 februari 1712: 10-16-0.

-voorschot gegeven voor de aankoop van hout in de Pileweijde Broecken: 8-7-0.

-lening en vertier op 18 april 1719: 12-12-0.

-voor Cornelis aan Gommaert Verloes betaald: 2-16-0.

De totale schuld bedroeg 40-15-0.

Andries Cornelis werd voor de eerste maal voor de schepenbank gedaagd door de Hekelgemse officier Peter Ledegen op 12 november 1726, maar hij daagde niet op. Ook na de tweede dagvaarding verscheen Cornelis niet op de zitting van de schepenbank. Op 6 mei 1724 veroordeelden de schepenen Andries Cornelis tot de betaling van 49- 6 1/2 st waarvan 8-11-2 voor de schepenbank.

   Het Bourgondisch Kruis op de poppkaart., ca 1860. A (Aalst) – B (Brussel) is de Brusselbaan. De inkleuring is van J. Gravez

Een overval aan Het Bourgoins Cruijs[8].

In 1712 stelde de “provoost-generaal der Nederlanden” een onderzoek in naar een overval op een postkoets van de reguliere verbinding van Brussel naar Gent op de Boekhoutberg.

Een passagier, Carolina de Miranda, legde over die gebeurtenis een uitvoerige verklaring af. Hierna volgt er een samenvatting van.

Zij was de vrouw van Carel Chimaines, een koopman van stoffen uit Brussel. Op 20 november was ze uit Gent vertrokken met de ordinairisse koetse die gevoerd werd door een zekere Arnou. Eens buiten Aalst bemerkte ze dat een jongen, gecleedt gelijck een treffelijck borgerskindt voor de postkoets was komen lopen. Ter hoogte van de galg op de Boekhoutberg kwam er een man, gecleedt op sijn boers, die Arnou een bepaald teken gaf. Daarop kwamen 9 of 10 gewapende mannen naar de postkoets en onderzochten ze en ook de papieren van de reizigers. De leider van de bende was omtrent 24 jaar. Hij droeg een zwarte jas en rode broek, twee anderen waren in het rood gekleed. De overvallers dwongen drie mannen uit te stappen en gingen met hen het bos in. Carolina zag ze daarna niet meer terug. Tijdens die overval stond Arnou, veel familiariteijt getoont hebbende, met een overvaller te praten. Carolina had in Gent een pak rijsselsche stoffe gekocht ter waarde van 200 tot 300 gulden, bestemd voor religieuzen. Een van de mannen opende het pak en riep de anderen: Siet het is allemaal wit voor de vrouwen ofte begijnen, maar lieten de stoffen ongemoeid.De postkoets reed dan voort tot een herberg op die slinckse kant, waer uijt hanght, soo sij vermeijnt, het bougons cruijs. Arnou ging de herberg binnen en bleef er langer dan een kwartier spreken met enkele van de overvallers. Uiteindelijk reden ze voort en toen ze aan een bos kwamen, begon Arnou trager te rijden en met zijn zweep te slaan, constant links en rechts kijkend. Eens het bos voorbij joeg hij de paarden op. Aan de Corijnsberg (Zellik) kwamen twee ruiters naast de koets rijden. Een van hen zei tegen Carolina dat ze geen schrik moest hebben, ze waren brave lieden. Ze merkte wel op dat ze onder elkaar Frans spraken of plat Brussels. Die namiddag zag ze in de nieuwe straete, (de Nieuwstraat) een man uit een café komen en ze herkende hem als een van de drie reizigers die uit de postkoets waren gehaald. Zijn hoofd was verbonden met een servet. Hij vertelde dat de overvallers een seker jargon ofte onbekende taele spraken. Later vernam ze nog dat op diezelfde 20ste november de postkoets die van Brussel naar Aalst reed ook was overvallen.

Jacobus.

Na de dood van Jean Baptiste op 14 juni 1738 deed zijn weduwe Anna Goetvinck op 3 februari 1739 afstand van de nalatenschap van haar man door een gift tussen levenden ten voordele van haar nog levende kinderen Anna Maria en haar man Andries Van den Broeck; Petronella en haar man Livinus Van der Struijff; Catharina Goutswilders, weduwe van Simon en haar tweede man Michiel Willems voor de kinderen van de overleden zoon Simon en tenslotte Jacobus. Twee jaar later verwierf Jacobus door uitkoop van zijn zussen Het Bourgoins Cruijs. De afspanning werd in de akte als volgt beschreven:

Sekere afspanningge metten huijse, camers, stallen ende alle andere edificiën daerop staende geleghen onder de prochie van Hekelghem gemeineleijck genoemt Het Burgoins Cruijs, groot 125 roeden, paelende ter I ° den steenwegh loopende van Aelst naer Brussel, ter II°Jan Droeshout, ter III° Andries Van Ghete, ende ter IIII° Engel Carnoije, belast aen ’t Godtshuijs van Afflighem met drij guldens drij stuivers grondcheijns ende aen de kercke ofte Armen van Hekelghem met sesthien stuivers s’ jaers ende aen sieur N. Boterdael met eene rente van twee hondert guldens wisselgeld capitael ende aen den heere canoninck capitein met eene rente van hondert guldens capitael sonder meer. Jacobus moest wel zijn moeder onderhouden van cost ende drank, lijnen ende wolle ende alle ’t gene haeren lijve nodigh hebben sal soo in siekte als gesontheijd. Na haar overlijden moest hij zorgen voor een uitvaart naar haar staat en al haar schulden betalen.

Jacobus trouwde met Christina Herbosch en ze kregen twee kinderen:

1- Judoca Theresia, gedoopt op 20 januari 1741

2- Franciscus, gedoopt op 19 juli 1742, huwelijk met Maria Droeshoudt.

Op 20 mei 1741 gingen Jacobus en zijn vrouw Christina een lening van 1 000 g aan bij Isabelle Maria De Man – Lodyck uit Brussel met een rente van 4%. Als zij de rente binnen de 6 weken na de vervaldag betaalden, kregen ze een korting van 0,5 %. Hun herberg en 5 d land op de Boekhoutberg gaven ze als pand.

Volgens de telling van 27 december 1754 hadden Jacobus en zijn vrouw een kind van 11 jaar (Franciscus), 1 meid en een logé, Philip Roseleth.

Het Bougoins Cruijs bleef onder Jacobus een populaire herberg waar ook de bedesetters vergaderden. Enkele voorbeelden:

– 19 februari 1759: comsumpties van de bedesetters die de rekeningen controleerden: 3-18-0.

– 20 juni 1759: vertier van de bedesetters: 4-0-0.

Christina overleed op 3 oktober 1773, Jacobus was al op 8 mei 1769 gestorven.

Een bourgondisch kruis

Frans.

Frans (Franciscus) trouwde op 7 februari 1770 met Maria Anna Droeshout, een dochter van Joannes en Barbara Van Vaerenbergh, pachters van Ten Bos. Zij was te Hekelgem geboren op 21 december 1742. Franciscus en Maria kregen 8 kinderen.

1- Petrus Frans, gedoopt op 30 maart 1771 en overleden op 21 april 1784, 13 jaar oud.

2- Jan Baptist, gedoopt op 23 juli 1773, hij trouwde met Anna Maria Boterbergh op 5 juni 1795. Zij overleed op 16 mei 1797 en Joannes Baptist hertrouwde met Petronilla De Nil 20 augustus 1806. Hij werd brouwer op Het Hoeksken.

3- Maria, gedoopt op 29 juni 1775 en overleden op 12 januari  1855.

4- Petrus Josephus, gedoopt op 28 januari 1777 en overleden op 16 oktober 1851.

5- Theresia, gedoopt op 24 augustus 1779, overleden op 20 juni 1854.

6- Jacobus, gedoopt op 3 mei 1781, overleden in 1788

7 Philippe, gedoopt op 16 november 1782, overleden in 1782.

8- Cecilia, gedoopt op 20 november 1783, trouwde met Joannes Clauwaert.

Maria Droeshout stierf op 18 september 1784. Hun jongste kind was nog geen jaar oud en Frans hertrouwde met Maria Elisabeth Fieremans, te Asse gedoopt op 27 november 1746 en te Hekelgem overleden op 1 februari 1822. Op 23 juli 1771 kochten Frans en Maria een perceel land van 89 ¼ roeden op de Buikouter van Francis Baeck uit Wemmel voor 400 g. Het was belast met een grondcijns van 1 st aan de abdij. In 1777 werden de gebouwen herbouwd en de afspanning vergroot met kamers en nieuwe stallingen[9], een bewijs dat de zaken goed bleven gaan. De bedesetters hielden nog altijd hun vergaderingen in hun afspanning. Enkele voorbeelden.

– 13 december 1771: de rendant betaalde aan Frans  het vertier van de bedesetters die vergaderden over de oncostboeck en de bedeboeck: 4-0-0.

– 6 oktober 1783: vergadering gemeentebestuur, vertier: 0-10-0.

– 15 december 1783: de bedesetters bespreken bij een glas bier een brief van de gedeputeerde van de Staten van Brabant: 0-5-0.

– 29 januari 1787: een soldaat van het regiment Clerfayt logeert er: 0-2-0.

Frans overleed op 25 mei 1786, 44 jaar oud.

Tussen de kinderen uit het eerste huwelijk en hun stiefmoeder Maria Fieremans boterde het niet. Oorzaak van de twist was de erfenis van Frans die de kinderen zich toe-eigenden.

Maria hertrouwde na de dood van Frans met Francis De Wolf. Zij diende op 2 september 1788 een klacht in tegen de kinderen want zij beriep zich op de Costumen van Ukkel om de goederen op de Boekhoutberg op te eisen. Joannes Vonck trad op als voogd voor Jan, Maria, Joseph, Theresia, Jacobus en Cecilia. De schepenen van Asse beslisten dat beide partijen zich bij de rechtsgeleerde Du Mont, Vierwindenberg te Brussel moesten aanmelden op 29 augustus 1788. Als gevolg daarvan moesten de kinderen, na een proces van 5 jaar, op 28 januari 1794 2 d 58 r land op de Boekhoutberg aan hun stiefmoeder afstaan[10]. De kinderen waren tijdens de moeilijkheden met hun stiefmoeder opgevangen door hun voogd Jan Baptist Vonck en zijn vrouw Joanna Catharina Droeshout. Maria Fieremans en haar tweede man, Francis De Wolf woonden zes jaar in Het Bourgoins Cruijs[11]. De kinderen Petrus Joseph, Maria, Theresia en Cecilia namen samen met hun tante Catharina Droeshout (moeie) in 1799 weer bezit van Het Bourgoins Kruijs (spelling van 1799). Cecilia trouwde op 7 juni 1820 met Jan Baptist Clauwaert. De kinderen ze waren niet in staat de herberg te runnen en besloten de zaak te verhuren. Op 14 maart 1799 (24ste ventôse an VII) stelde notaris Philippe Van Itterbeke de akte van verhuur op. Adriaan Frans Van Nieuwenhove uit Essene trad op als voogd voor de minderjarige Theresia en haar zus Cecilia. Jan Baptist, geboren in 1773 was meerderjarig en hij verdedigde ook de belangen van zijn zus Maria en zijn broer Petrus Joseph. De afspanning, nu 190 r groot, werd voor drie jaar verhuurd aan Gerard De Vos uit Hekelgem voor 67 g per jaar. Hij moest daarvoor het huis onderhouden van gelaesen, het binnen zijn termijn witten en de strodaken van de stal en de schuur herstellen. De belasting op deuren en vensters viel ook te zijnen laste.

Op 20 maart 1802 volgde de verdeling van de erfenis van Frans en Maria Anna Droeshout. Voor notaris Joannes Hubertus Boumans verschenen Jan Baptist, Maria, Petrus Joseph, Maria Theresia en Adriaan Van Nieuwenhove als voogd van de minderjarige Cecilia. De hele erfenis bedroeg 7 882 g 10 st en werd in 5 gelijke parten verdeeld zodat aan ieder kind 1 576 g 10 st toekwam. Jan Baptist verwierf 38 are land met de bomen en de haag op Erembodegem gelegen en Den Bijsenbier genoemd; een tweede perceel van 5 a eveneens op Den Bijsenbier gelegen en het Sint-Amandsbos te Erembogem, groot 28 a. Hij zag af van alle aanspraken op de roerende goederen. Maria, Petrus Joseph Maria Theresia en Cecilia hadden al besloten om de rest van de erfenis in hun gemeenschap te houden. Dat deel van de erfenis omvatte:

1 Het Bourgons Cruijs, een hofstede met gemetsten huijse, schuere, stalling ende alle andere edificiën daerop staende, groot 39 a (1 d 25 r.

2 Een veld van31 a op de Boekoutberg en palend aan de straat.

3 Een perceel op de Buikouter van 32 a en palend aan de weg.

4 Een tweede perceel op de Buikouter van 32 a, naast het vorige veld gelegen.

5 Een bos met bomen en houtwas, Den Eenenbergh genoemd, groot 24 a.

De afspanning was nog belast met een lening van 1 000 g die ten laste van de vier samenwonenden viel.

Maria, Petrus en Theresia lieten op 10 maart 1836 hun testament opstellen door notaris Josephus Hamerijckx te Asse. Ze wilden begraven worden met een uitvaartdienst van tweede klasse. Na de begrafenis moest er voor 40 fr. Brood uitgedeeld worden aan de armen die de uitvaart bijwoonden. Voor hun zielenrust vroegen ze 75 gezongen en 200 gelezen missen en 24 gezongen missen voor de zielenrust van hun ouders en 20 voor hun oom Jan Baptist Vonck en Joanna Catharina Droeshout, hun moije. Zij lieten hun bezittingen na, elk voor de helft aan de overlevenden, Petrus aan Maria en Theresia, Theresia aan Petrus en Maria en Maria aan Petrus en Theresia.

Petrus Joseph, landbouwer en aubergist, overleed 1851. Op 24 maart 1840 had hij bij een openbare verkoop uit de nalatenschap van Jan Joseph Droeshout een aantal bomen gekocht: twee populieren voor 47 fr., zes canada’s 139 fr.

Maria, landbouwersse aubergiste, Maria overleed als laatste op 12 januari 1855. De verdeling van haar erfenis volgde op 9 februari 1855. Voor notaris Josephus Angelus Crick verschenen Cecilia en haar man Jan Baptist Clauwaert, landbouwers te Hekelgem en Jan Frans, enig kind van wijlen Jan Baptist en Anna Maria Boterbergh, landbouwer te Hekelgem.

– Jan Frans erfde Het Bourggondisch Kruijs, groot 76 a 39 ca, sectie A, nrs. 920, 921, 922 en een deel van 923.

– een perceel land van 53 a 43 ca gelegen op Den Hulstbosch, sectie A, nr. 750.

Cecilia kreeg een veld van 53 a 43 ca, palend aan voorgaand perceel dat Jan Frans in bezit kreeg, sectie A, nr. 750.

– een partij land van 33 a 30 ca op Het Roggebrood gelegen, palend aan Jan Egied Van Lierde, sectie A, nr. 808.

– een perceel van 30 a 30 ca op de Boekhoutberg, sectie D, nr.31.

– een veld van 37 a 10 ca op de Buikouter, sectie D, nr. 285.

– weide en bos van 31 a 34 ca, gelegen op De Plek, sectie D, nrs. 546 en 547

– een bos van 15 a 80 ca gelegen op Ten Bos in Erembodegem, sectie A, nr. 2351, genoemd Den Ijzeren Man.

– een bos van 19 a 50 ca in Erembofegem, sectie A, nr. 2325, genoemd Den Rottenbosch.

een eeuwigdurende rente van 14, 51 fr. Van een kapitaal van 423, 28 fr. Die ze samen met Jan Frans had toegestaan aan Jan Baptist Herzeel en zijn vrouw Isabella Van Nieuwenborgh volgens de akte gepasseerd voor notaris Van der Schueren te Meldert op 24 april 1775. Als pand gaven de ontleners hun hofstede van 16 a 80 ca, gelegen in het gehucht Mazits, sectie A, nrs. 637 en 638.

Maria had de goederen in Hekelgem gelegen verkregen samen met haar broer Petrus Josephus en haar zus Maria Theresia door verkaveling op 1 juni 1820[12] en de twee bossen in Erembodegem door aankoop op 24 maart 1840[13].

Den Calcoenschen Haen op de poppkaart aan de Langestraat, ca 1860. De inkleuring is van J. Gravez. met de aanduiding van de brouwerij.

Jan Frans.

Jan Frans (Joannes Franciscus) was het enig kind van Joannes Baptista en Anna Maria Boterbergh, geboren in 3 april 1796. Zijn moeder was in 1770 in Erembodegem geboren. Zijn ouders hadden een huis aan de Langestraat. Hij trouwde met Maria Theresia De Smedt, dochter van Jan Baptist en Anna Maria Crols op 23 juli 1818. Zij was te Hekelgem geboren op 16 februari 1798 en overleed er op 27 mei 1836. Jan Frans bleef bij zijn moeder inwonen en zorgde er voor de brouwerij. Zij kregen negen kinderen:

1- Jan Baptist, geboren op 14 december 1818, trouwde met Maria Bruyninckx en vestigde zich te Meldert.

2- Maria Joanna Petronilla, geboren op 28 maart 1820, trouwde met Isidoor Van Vaerenbergh. Zij gingen in Erembodegem wonen.

3- Maria Ludovica, geboren op 17 juli 1822, trouwde met Elias Verbeecken en het paar woonde in het Coomanshof te Bleregem.

4- Petrus Joseph, geboren op 22 mei 1824, trouwde met Amelia Schoon op 11 juli 1855. Zij was te Hekelgem geboren op 7 april 1824 en er overleden op 31 januari 1891. Zij was de dochter van Jan Hubert en Carolina Judoca Plas. Zij woonden eerst in een hofstede op het Hoeksken en na 6 jaar verhuisden ze naar het Oud-Molenhuis op de Boekhoutberg.

5- Maria Theresia, geboren op 14 december 1826 en overleden op 7 september 1829.

6- Cecilia, geboren op 12 december 1828.

7- Jan August, geboren op 6 februari 1831, trouwde met Maria Prudentia De Schrijver.

8- Maria Theresia, geboren op 13 april 1833 en overleden op 19 februari 1839.

9- Maria Josepha, geboren op 11 augustus 1834. Zij trouwde met Camiel Coppens uit Meise.

De inboedel van Het Bourgondisch Kruis werd op 14 maart 1855 verkocht. Cecilia en Jan Frans kochten de meeste meubelen. Nadat hij eigenaar was geworden van Het Bourgondisch Kruis vestigde Jan Frans zich daar met zijn nog drie ongetrouwde kinderen, Jan August, Cecilia en Maria Josepha. In 1835 was hij lid van de gemeenteraad geworden en in 1836 volgde zijn aanstelling tot schepen onder burgemeester Jan Bosteels samen met zijn medeschepen Jan Hubert Schoon. Vanaf 1851 was Benedicts Emmanuel De Vis de burgemeester en Jan Frans bleef schepen tot hij in 1861 ontslag nam. Zijn naam komt ook voor op de lijst van de leden van de Koninklijke Harmonie Ste-Cecilia van Hekelgem van 1850. Volgens de poppkaart van 1860 was hij geen herbergier meer en dat betekende ook het einde van Het Bourgondisch Kruis. Met de aanstelling van Jozef De Doncker in 1810 en de verhuizing van de gemeentediensten naar het dorpsplein aan de kerk, was Boekhout niet meer het centrum van het dorpsleven. Jan Frans overleed op16 februari 1865.

Cecilia, het vijfde kind van Jan Frans en Anna Maria Boterberg, bleef met haar zus Maria Theresia in het Bourgondisch Kruis wonen. In 1866 trouwde ze met Karel Strens, de koster van Hekelgem. Jan August trouwde met Maria Prudentia De Schrijver en ging in het oud huis van de familie Roseleth op Het Hoeksken wonen. Het jongste kind, Maria Josepha was na kaveling met Cecilia op 30 augustus 1869 alleen eigenares van Het Bourgondisch Kruis geworden. De afspanning had toen een geschatte waarde van 11 200 fr. Zij trouwde op 26 juni 1872 met Camiel Coppens uit Meise. De stallen en de andere gebouwen werden afgebroken, alleen nog het woonhuis en een deel van de schuur bleven over. Maria Josepha stierf op 22 december 1896. Zij hadden drie kinderen:

1- Pertus Frans, geboren op 11 maart 1873, trouwde met Maria Joanna De Wilde uit Teralfene. Zij kregen 9 kinderen.

2- Petrus Joseph, geboren op 10 januari 1875, trouwde te Hekelgem met Maria De Backer. Zij kregen 2 kinderen.

3- August Placied, geboren op 19 december 1876. Hij trouwde te Hekelgem met Maria Leontina Scheerlinckx.

Hun kinderen verdeelden de nalatenschap. Het huis werd in twee gedeeld. Petrus Joseph Coppens bekwam de keuken, het washuis, twee kamers en de helft van de hofstede, Petrus Frans kreeg de rest van de hofstede en verbouwde de grote poort tot een huis en daarmee eindigde de geschiedenis van Het Bourgondisch Kruis. Nu is er niets meer van te zien.


[1] Gref. Scab. Arrond. De Bruxelles, reg. no 8897, blad 206, art. 807.

[2] F. DE BRABANDERE, Woordenboek van de familienamen in België en Noord-frankrijk, Gemeentekrediet, 1993, 1205.

[3] H. ROSELETH, Geslachtboom der Familie Roseleth, in: J. GRAVEZ, Stamboom van de familie Roseleth, 2003, dl II, 6.

[4] Het Burgoins Cruys of Bourgondisch Kruis is in de heraldiek een schuingeplaatst kruis van twee knoestige stokken, soms laurierstokken genoemd, vaak eindigend in breed uitlopend omkrullend loofwerk. Het lijkt enigszins op het Andreaskruis, dat uit twee gladde balken bestaat. Andreaskruis en Bourgondisch kruis worden vaak met elkaar verward. De hertogen van Bourgondië voerden in hun vaandels een rood, groot-uitgeschulpt schuin kruis.

[5] Provoost: gezaghebber in een gevangenis of de (onder)officier belast met de handhaving van de orde en de tucht in een kazerne of garnizoensplaats. Ook gerechtelijk ambtenaar, te vergelijken met een schout of baljuw.

[6] H. Roseleth, Idem, 7.

[7] R.A. Leuven, notariaat Egidius Crick, notaris te Asse van 1703 tot 1741, nr. 9.

[8] C. THEYS, Een renconter met de postkoets van Gent op Brussel, in: ESDB, 1952, 40 – 43.

[9] J. GRAVEZ,  Stamboom van de familie Roseleth te Hekelgem, deel 2, 2003.

[10] Akte gepasseerd voor notaris Boumans, Asse, 22 februari 1802.

[11] H.ROSELETH, Idem, 11.

[12] Akte van notaris De lantsheere te Opwijk.

[13] Akte van notaris Hamerijckx te Asse.