Criminaliteit in het Land van Asse; De strijd van de drossaard tegen de vagebonden.

Van de verhoren van misdadigers die de drossaard van het Land van Asse vanaf de 16de eeuw naar de drossaard van het hertogdom Brabant zond om ze in de Hallepoort te Brussel op te sluiten voor verder onderzoek, hebben we er een aantal bewerkt. Na een ‘examinatie’ werden getuigen opgeroepen om in hun dorp te worden ondervraagd over wat ze van de misdaad konden vertellen. Die verhoren zijn interessant want ze geven ons een beeld van het dagelijks leven tot op het einde van het ancien régime.

Het opvallendste zijn de vele bedelaars die van het ene dorp naar het andere gingen en aan elk huis aanklopten. Het waren vooral mannen die ‘om Gods wille’ hulp kwamen vragen. Ze waren echter niet geïnteresseerd in het stuk brood dat de meeste mensen hun aanboden. Ze hadden liever geld of iets dat ze konden verkopen. De meeste bedelaars waren kleine criminelen die het niet konden laten her en der wat mee te pikken. Een openstaande deur van een leeg huis, wasgoed dat in de tuin te bleken lag of te drogen hing, was snel meegenomen. Als vrouwen bedelden, was het omdat ze weduwe waren of een man hadden die niet naar hen omkeek. De verloren zonen, mannen van twaalf stielen en dertien ongelukken begingen grovere misdaden. Als ze werk hadden, hielden ze dat niet lang vol en ze zochten naar opportuniteiten om een grote slag te slaan: een koe of een paard stelen om die op een markt te verkopen. Een tweede opvallend feit is de grote sociale controle. Elke vreemdeling werd in het oog gehouden. Drankmisbruik, vaak bij gelegenheid van een kermis, leidde zonder grondige redenen tot vechtpartijen die wel eens fataal afliepen.

De verhoren geven ons ook een idee hoe de mensen woonden. Geeraert Christiaens, een kleine boer, had een huis met vier kamers: de voorvloer, de keuken, de slaapkamer en de koeienstal. In de slaapkamer stond een bed, geen kleerkast wel een grote en een kleine kist voor het linnen en de kleren en een vleeskuip naast een hoop aardappelen. Ook in huis droegen de mensen klompen.

Van elke getuige werd het beroep vermeld en zo vernemen we nog iets over verdwenen ambachten: de smoutslager die in een smoutmolen olie uit zaad sloeg, de handelaar in tabak en snuif, de strodekker en de lattenkapper.

De straffen die de vagebonden te wachten stond gingen van geseling soms met de vermelding tot bloedens toe, verbanning uit het hertogdom en ophanging.

1564 – Doodslag in Hekelgem op Jacob Versmessen[1],

Philips bij der gratie Goids koninck van Castilliën, Leon, Arragon, Navarre, Naples, Sicilliën, Majiorke ……… Ertshertoge van Oistenrijcke, hertoge van Bourgonignen, Lotrijck, Brabant, Limborch, Luxelbourch, Geldre ende van Milanen, grave van Vlaenderen, van Arthois ……… Doen te weten allen jegewoordigen ende toecomenden dat wij ontfaen hebben de oitmoedige supplicatie van Merten Van Den Berghe lantman inhoudende hoe dat op den vijffentwintichsten dach van september in den jaere vijftien hondert ende vierenzestich des morgens wijlen Jacop Versmessen tusschen seven ende acht uren heeft geseeght dat hij dien dach eenen op zijn vleesch soude steken oft dat een ander hem soude doen, waeromme des voirs. Versmessen huijsvrouwe groot misbaer maecte ende weende…

Landarbeider Merten Van den Berghe doodde tijdens een gevecht op 25 september 1564 Jacop Versmessen. Die dag zei Jacop Versmessen ’s morgens tussen zeven en acht uur dat hij iemand ‘op zijn vleesch soude steken’ of dat een ander dat bij hem zou doen. Daarop maakte zijn vrouw groot misbaar en begon ze te wenen. Later op de dag ging Jacop naar de herberg Sint-Michiel waar in een andere kamer Merten Van den Berghe, Jan De Greve en Machielen Verleijsen zaten. Jan maakte er ruzie met Merten en verweet hem dat hij een ‘pluijmstrijckere een vlasboecker’ was. Jacop hoorde dat en zei dat het allemaal waar was en dat hij Jan wilde gaan helpen. De vrouwen smeekten hem om te blijven zitten, maar hij wilde niet luisteren en ging naar de andere kamer. Hij snauwde Merten toe dat hij een ‘ondercruijpere en vlaijbackere ’was, trok hem bij zijn haren en beet een stuk van zijn neus. Merten bloedde, trok zich los en stak Jacop tweemaal met zijn hopsteker. Die strompelde van de keukendeur naar de tafel en viel achterover. Hij slaakte nog enkele zuchten en stierf.

Merten werd gearresteerd, maar de vrouwen en meisjes, ook die van het slachtoffer, getuigden in zijn voordeel. Hij diende bij de Raad van Brabant een gratieverzoek in wat Philips als hertog van Brabant inwilligde ter ere van de ‘gebenedijde passie ende bitter doot die Godt smaecte aen den houte des cruijcen’ voor de verlossing van de mensheid.Daarmee werd Merten in zijn goede naam hersteld en verkreeg hij zijn goederen terug. Over de begane misdaad moest voor eeuwig worden gezwegen en hij mocht op geen enkele manier hinder ondervinden van de doodslag. Merten diende wel de kosten van het gerecht binnen de zes maanden te betalen op straf van verlies van de gratie. De Raad van Brabant zoul de kosten bepalen. Philips ondertekende de gratie te Brussel op Goede Vrijdag in april van 1565.

Asse 1619. Bestal de waardin van “De Valck” haar logees?[2].

Tegen Elisabeth De Vos, de waardin van De Valck te Asse, spande de procureur-generaal een proces in wegens de beroving van twee logees in haar herberg. De eerste beroving gebeurde op zes november 1618. Philips Van der Linden, een handelaar in zijden lakens, had in De Valck een kamer geboekt. Terwijl hij lag te slapen voelde hij dat iemand de zijden kousen van onder zijn hoofdkussen wou trekken. Hij greep de persoon bij de arm en zag dat het de meid van de herberg was. Op zijn vraag wat zij kwam doen, antwoordde zij dat haar meesteres ziek was en een hoofdkussen nodig had. De volgende dag stelde hij vast dat uit zijn reistas twee paar zijden ‘basen’ waren verdwenen. Hij keerde naar Asse terug en in de kerk zag hij dat de waard van De Valck zijden ‘basen’ aan zijn benen droeg. Uit respect voor de goddelijke dienst wou hij geen rumoer maken, maar hij diende later in zijn woonplaats Duinkerke een klacht in tegen Elisabeth De Vos, de waardin van De Valck.

Inden naeme Godts amen, kennelijck sij alle de ghenen dat op heden den zesden dach der maent van november ….. jaer van der geboirte ons Heren Jhesu Christy duijsent zesse hondert ende achthiene voor mij Reijnier Van Den Perre openbaer notaris bij authoriteijt van den eerthertogh van Oistenrijck, hertoghe van Bourgoignen etha…………….. totter exercitie van ’t zelve officie geadmitteert ende geapprobeert nu ter tijd residerende bij deser stadt van Duijnkercke ende in de presentie van de getuijgen naergenoempt is gecompareerd in propren persoone d’eerbaere jonckvrouwe Josijnke Meeze weduwe was van Philips Van Der Linden…

De klacht van Jacques Van den Walle.

Peeter Lepillet, geboren te Belle in West-Vlaanderen, 30 jaar, dienaar van sieur Jacques Van Den Walle, verklaarde dat hij drie weken geleden met Van der Walle uit Brussel was vertrokken om naar Gent te reizen. Buiten de Vlaamse poort ontmoetten zij Wencel Bertel, een hoogduitser die ‘chercher’ was van sieur Van der Walle in het kantoor van de ‘licenten’ in Vlaanderen. Die bracht brieven voor Van der Walle en nadat die ze gelezen had, deelde hij mee dat hij voor zaken naar huis moest. Daar Wencel te moe was om naar Gent door te reizen, besloten ze om in Asse te overnachten. Ze logeerden in De Valck bij Elisabeth De Vos, de weduwe van brouwer Melchior De Pelckenaer. De waardin bracht hen naar een grote kamer waar ze hun bagage achterlieten om samen aan tafel te gaan voor een avondmaal en enkele glazen wijn. Toen Van de Walle naar bed wou, legde Peeter zijn kleren op een bank achter het bed, trok de deur in het slot en ging naar de kamer waar ook de chercher en twee oude mannen sliepen. De volgende morgen kwam de knecht van de herberg hem om 5 uur wekken omdat ze vroeg wilden vertrekken. Hij gaf hem enkele brieven, een paar handschoenen en een zakdoek die, zoals de knecht zei, in de reistas van Van de Walle zaten en die voor zijn kamerdeur lagen. Peeter veronderstelde dat zijn meester nog uit zijn kamer was geweest en hij wou zijn meester wekken. Tot zijn verbazing stond de kamerdeur half open en de kleren die hij op de reistas op de bank had gelegd waren weg. Daar de waardin, die nog in bed lag, van niets wist, is Peeter met Wencel overal gaan zoeken en in het hopveld achter het huis vonden ze de reistas, maar het horloge dat eraan vasthing, was weg. Ze bleven zoeken en Wencel zag op de weg naar Brussel een oude man die de reiskoffer van Van De Walle op zijn schouders droeg. Hij had die koffer achter een haag gevonden, verklaarde hij en nu was hij op weg om die terug te brengen want hij was een dienaar van de meier. In de reistas zaten alleen nog de documenten van zijn meester. Omdat ze haast hadden om te vertrekken, hebben ze de oude man laten gaan.

Informatie begonst te nemen bij mij Raedt ende procureur generael van Brabant binnen de stadt van Brussel den 20ste november ende volgende andere dagen anno 1618 ende dat op de gelegentheijt geschiedenissen ende toecomste van de beroovinghe van de heer Jacques Van Den Walle ontfanger generael hunder hooch. Recht van de licenten in West-Vlaenderen geschiedt in “Den Valck” tot Assche als hiernaer volght:

De beschuldigingen. (15 mei 1619)

1. Elisabeth De Vos is al minstens 10 jaar de waardin van De Valck. Na de dood van haar man bleef zij de herberg openhouden met de hulp van haar meesterknecht Toussain De Baudou en andere huisgenoten. Gasten te voet of te paard  konden er logeren.

2. In de plaats van de passanten goed te accommoderen en hun bagage zorgvuldig te bewaren zoals het hoort, hebben zij en haar meesterknecht misbruik gemaakt van hun situatie om de gasten te benadelen zoals nog wordt aangetoond.

3. Sieur Philips Van der Linden, koper van zijden lakens uit Duinkerke, logeerde een nacht in De Valck toen haar man Melchior De Pleckeaer nog leefde. Terwijl hij in bed lag nadat hij de deur had gesloten, kwam de meid binnen en trok handig twee paar zijden kousen van onder zijn hoofdkussen en wou nog zijn koffer onderzoeken maar Van der Linden werd wakker, greep haar hand en zei: “Wat maect ghij hier aen mijn hoofdeinde?” Zij antwoordde dat haar meesteres ziek was en dat zij een hoofdkussen zocht.

4. Het kan niet dat de gedaagde, die een bemeubelde afspanning heeft, een hoofdkussen van reizigers moet stelen. De meid deed het zeker op aandringen van Melchior of van zijn vrouw Elisabeth.

5. De volgende dag reed Van der Linden naar Brussel en stelde daar vast dat zijn zijden kousen gestolen waren. Hij keerde terug naar Asse en in de kerk zag hij Melchior die zijn zijden kousen droeg. Maar omwille van het respect voor de dienst van God wou hij geen rumoer maken. Daarmee is zo klaar als het licht van de zon de kwade trouw van de herbergiers is aangetoond.

6. De herbergierster en haar meesterknecht worden nog van gelijkaardige misdaden beschuldigd. Die worden nu onderzocht.

7. In oktober 1618 logeerde sieur Jacques Van de Walle, ontvanger van het westkwartier van Vlaanderen met zijn knecht Peeter en een zekere Wencel in de herberg. Na het eten ging hij slapen en zijn knecht sloot de deur met een springslot, maar ’s nachts werden zijn kleren weggenomen. ‘s Morgens bracht de meesterknecht hem enkele documenten, een paar schoenen en een zakdoek die hem toebehoorden. De knecht had die voor zijn kamerdeur gevonden.

8. De knecht van Van de Walle vond de kamerdeur van zijn meester ’s morgens open, maar hij meende dat die ’s nachts was opgestaan.

9. Ze confronteerden er de waardin mee en die meende dat dieven ‘geconterfeijte’ sleutels van haar kamers hadden..

10. Van De Walle was beroofd geweest van:

  • van een kolder[3] van amber met XXIIII Spaanse gouden knopen van VII rijnsgulden x stuivers het stuk, samen 250 – 0 – 0.
  • een andere kolder met 30 gouden knopen: 100 – 0 – 0.
  • een horologie in Asse gemaak: 80 – 0 – 0.
  • Twee pend’orvilles ? 48 – 0 – 0.
  • een zwarte mantel: 24 – 0 – 0.
  • een mantel van de knecht: 12 – 0 – 0.
  • een hangerken: 28 – 0 – 0.
  • twee poignaerden[4]: 25 – 0 – 0.
  • een geborduurd zilveren hangsel: 16 – 0 – 0.
  • een zwarte riem: 1 – 10 – 0.
  • een paar zwarte fluwele boexems? 30 – 0 – 0.
  • twee sattijnen wambuizen: 40 – 0 – 0.
  • een paar zwarte zijden ‘basen’ met kousenbanden: 12 – 0 – 0.
  • vijf hemden: 25 – 0 – 0.
  • vier ellen breed passement: 3 – 0 – 0.
  • een kleerhanger van de knecht:– 3 – 0 – 0.
  • twee paar messen: 1 – 16 – 0.
  • een ‘vrijver’: 1 – 10 – 0.
  • een paar schoenen: 1 – 5 – 0.
  • twee paar witte kousen: 2 – 10 – 0.
  • twee slaapmutsen: 3 – 0 – 0.

Samen = 687 – 11 – 0.

11. Aan de vensters noch aan de deur waren sporen van inbraak en de broek van Van de Walle werd in een bijgebouw van de herberg gevonden. Men vond ook de kaars die de voorgaande avond op de kamer werd gebruikt en waarvan de waardin geen verklaring kon geven.

Het verweer van Elisabeth De Vos door haar advocaat Ketsers. (19 juni 1619)

1. Elisabeth bevestigde dat ze al acht jaar waardin is in De Valck en dat er regelmatig volk te voet of te paard logeert. Haar man overleed zes weken nadat ze in De Valck kwamen wonen. Haar knecht is al die tijd bij haar gebleven.

2. Ze ontkende echter dat zij zich in hun nering misdadig hebben gedragen.

3. Philips Van der Linde, een man die zij niet kende, heeft nooit bij hen gelogeerd. Haar ‘maerte’ heeft dan ook geen twee paar zijden kousen van onder zijn hoofdkussen getrokken en zij heeft haar dat zeker niet opgedragen.

4. Het is niet geloofwaardig dat Van der Linde ’s anderendaags naar Asse terugkeerde en in de kerk zag dat haar man zijn zijden kousen droegen dat hij haar man daarover niet heeft aangesproken of tegen hem een klacht heeft ingediend.

5. Haar man heeft nooit zijden kousen gehad. Dat kan iedereen bevestigen.

6. De dag, de maand of het jaar van deze feiten werd niet vermeld.

7. Er werd niet vermeld wanneer de feiten plaats vonden.

8. Tegen haar en haar knecht zijn er nooit klachten geweest Zij hebben zich altijd eerlijk en getrouw gedragen zoals blijkt uit de attestatie van de heer landdeken van Aalst,van de pastoor van Asse en anderen. 

9. Elisabeth erkende dat Jacques Van den Walle in oktober 1618 met zijn knecht Peeter bij haar te paard is toegekomen, er heeft gegeten en gedronken en een kamer heeft gehuurd. Een uur later kwam een andere knecht te voet met een reistas die in de kamer van Van de Walle werd gedragen. Ze werd niet bij haar in bewaring gegeven.

10. Elisabeth ontkende dat iemand van haar personeel in de kamer van Van den Walle is geweest. Die was immers gesloten met een springslot Dat de kleren waren gestolen, heeft zij pas vernomen nadat de knecht in de kamer van zijn meester was geweest.

11. Haar knecht Toussaint heeft zoals afgesproken Peeter om vijf uur gewekt en dan heeft hij aan de achterdeur enkele papieren, twee handschoenen en nog wat andere dingen gevonden. Al die dingen gaf hij aan Peeter.

12. De sleutel van de kamer is niet in het slot blijven steken. Die bleef heel de tijd in de keuken.

13. De twee knechten van Van den Walle sliepen in een kamertje naast de keuken..

14. Zij heeft nooit beweerd dat de dieven ‘gecontrefeijte sleutels’ sleutels hadden.

15. Haar knecht en haar meid zijn eerlijke en trouwe lieden.

16. Van den Walle heeft onmiddellijk de dorpsofficier ontboden en twee of drie personen uitgestuurd om zijn zaken te zoeken. Een van hen vond zijn reistas tussen de hopkuilen.

17. Aan Van den Walle gaf Elisabeth de raad om bij ambachtslieden zijn spullen te gaan zoeken, wat hij niet heeft gedaan.

18. Toen Van den Walle zijn gelag van vier gulden tien stuivers moest betalen, bekende hij niet genoeg geld te hebben. Hij heeft dan van zijn knechten geld geleend.

19. Daarmee heeft zij voldoende aangetoond dat niemand van haar huis iets heeft gestolen. Als dat zo was dan zouden ze de reistas en de broek niet meer gevonden hebben.

Het verdere verloop van het proces en het vonnis ontbreken.

1638 – Asse. Zwendel met koeien [5].

Charles Van (der) Slachmolen, de overmeier van Asse ontdekte een zwendel met koeien toen sieur Robert Wiers een klacht indiende tegen Hans Van der Borght. Op 2 januari 1634 kocht Sieur Robert Wiers twee koeien, een donker grijze en een roodbonte, voor 6 ponden groten Vlaams[6] van Hans Van der Borght. Wiers gaf de koeien in huur aan verkoper Van der Borght voor 10 rijnsgulden[7] per jaar op conditie dat hij de koeien kon teruggeven voor hetzelfde bedrag en de huur. Op 20 januari kocht Robert Wiers nog een zwarte koe van Van der Borght voor 3 p met dezelfde conditie. Ook die koe gaf hij in huur. Wiers had een systeem bedacht dat gelijkt op het afsluiten van een lening. De koper leent een bedrag bij de verkoper en betaalt een jaarlijkse rente (de 5 g). In deze gevallen geeft de koper wel het geld aan de verkoper, maar het kapitaal (de waarde van de koeien) blijft in handen van de verkoper De koper kan die koeien terugeisen samen met de verstreken rente.

Ick onderschreven kenne in huer te hebben van Robert Wiers een koe van  coelleur root en dat voor vijff guldens t jaers en dat te mogen te comen naer staet van tijt die huer te betaelen. Actum in der maenden den 3 Januari anno 1635 present michael van hoegaerden Joos de Coninck

Van der Borght sprak de vrienden van Wiers aan om hun koeien aan Wiers te verkopen. Met succes zoals hieronder blijkt.

  1. Op 1 en 5 juni 1634 gekocht van Adriaen Vermatten 3 koeien voor 3 p. Volgens een contract van 3 maart 1636 ontving Van der Borght de koopsom.
  2. Van Jan Van den Bossche op 4 maart 1635 2 zwarte koeien voor 6 p en op 31 mei een rund voor 3 p. Hans Van der Borght ontving de koopsom.
  3. Van Laureijs De Wolff kocht Wiers 2 koeien voor 6 op 27 september 1635. Van der Borght zou de huur betalen.
  4. Van Servaes Moijensoen in 1636 een koe voor 13 g en 2,5 g een half jaar ingehouden, de rest werd verteerd in het huis van Wiers
  5. Van Guillaume Van Ransbeke omtrent Bamis 1635 een koe voor 15 g en de resterende 3 g werden in het huis van Wiers verteerd. Met Kerstmis ging het over 6 g in de plaats van 9 voor een halve koe, de rest werd ook verteerd bij Wiers.
  6. Van Jan Feijn in 1636 2 koeien voor 36 g.
  7. Van Merten Van Den Biesen in 1635 2 koeien voor 36 g.
  8. Van Pieter Van Den Biesen in 1636 2 koeien voor 36 g. Pieter kreeg zijn geld terug.
  9. Van Marguerite Rinschaert,  vrouw van Joos Vercleeren, in 1634 3 koeien voor 54 g.
  10. Van Hans Pensionaris, 2 koeien voor 36 g.
  11. Van Gillis Gabriels, een jaar geleden een koe voor 18 g.
  12. Van Merten De Mol, 2 koeien voor 36 g waarvan hij voor anderhalve koe met intrest heeft gerestitueerd.
  13. Van Gillis Smet, 2 koeien voor 36 g die hij heeft betaald.
  14. Van Jan Van Den Waetere, 2 koeien voor 36 g.
  15. Ivan Christiaen Moijensoen, 2 koeien voor 36 g waarvan Wiers wist dat hij die niet had.
  16. Pieter De (onleesbaar) 2 koeien voor 36 g, 18 g voor 2 koeien met intrest betaald.
  17. Van de vrouw van Guillam Loerman, 27 g voor anderhalve koe.
  18. Van Merten Verhaeghen uit Asbeek, aantal koeien en bedrag niet vermeld.
  19. Van Marguerite Rinschaert, vrouw van Joos Vercleeren in 1634 3 koeien voor 24 g. Zij heeft het bedrag ontvangen.
  20. Van Hans Pensionaris, 2 koeien voor 36 g..
  21. Van Gillis Gabriels in 1637 een koe voor 18 g.

Enige tijd later wou Robert Wiers eens zien hoe zijn koeien het stelden, maar bij Van der Borght vond hij zijn beesten niet, wel die van andere personen. Het werd hem duidelijk dat Van der Borght hem had bedrogen. Omdat die weigerde hem het geld van de gekochte dieren met de huur terug te geven, diende hij een klacht in met de bedoeling dat Van der Borght zou veroordeeld worden voor bedrieglijke handel en dat hij zou verplicht worden om hem 30 ponden groten Vlaams  en  een huurgeld van 50 rijnsgulden te restitueren.

Nieuwe feiten.

Overmeier Charles Van Den Slachmolen bracht ten nadele van Robert Wiers nieuwe feiten aan. Wiers zou aan de hierna genoemde personen geld hebben geleend voor de koeien zoals bleek uit volgend document dat hij hen liet ondertekenen:

Ick onderschreven kenne in huere te hebben van Robert Wiers een, twee, drij oft meer coijen van coleur wit, swert, grauw etha ende dat voor elcke der selver coijen vijff rinsguldens t’sjaers ende die te moghen lossen naer rate van tijde die huere te betaelen’. Michiel Van Hoegaerden, de makelaar van Wiers, en Peeter Verhasselt, klerk van de griffier van Asse, stelden de akte op. Die personen waren:

  1. Pieter Coppens voor 3 koeien getekend op 29 september 1635. Hij betaalde daarna Joos De Coninck ondertekende 2 obligaties op 22 januari 1635 voor 4 koeien.
  2.  Hoegaerts (Hoehaerden) voor 2 koeien. Wiers legde zelf het document aan de schepenen voor.
  3. Die geschreven obligaties zijn vals. In de realiteit was er geen huur omdat er geen voorgaande verkoop of levering van koeien was.
  4. Wiers gaf in Dendermonde het geld zonder de koeien te zien.
  5. Als er een koe zou sterven dan is die ten laste van Wiers en het huurgeld voor de huurders..
  6. De koeien zijn alleen een pand voor de 18 rijnsgulden.
  7. Het totaal aantal verkochte koeien waarvan de overmeier kennis had, was 35 voor een totaal bedrag van 730 g en een intrest 175 g. Daarin is het bedrag van 30 p niet begrepen die Wiers betaalde aan Jan Van Der Borght, Lauren De Wolff, Jan Van Den Bossche en Adriaen Vermatten wat neerkwam op een koopsom voor 10 koeien.
  8. Wiers beweerde dat de in huur gegeven koeien werkelijk waren verkocht. Als dat zo is, dan is de intrest ‘eene puere woeckerije’ en is er geen verschil tussen Wiers en de lombarden behalve dat de lombarden de panden aanvaarden en Wiers liet de panden in de handen van degenen die hij geld leende. De lombarden namen 20% rente en Wiers 30% vermits hij van elke koe 5 g trok.
  9. Wiers beweerde dat de overmeier hem met advies heeft bijgestaan, wat een grove leugen is.
  10. Door de koeien bij de verkoper te laten, liep hij geen enkel risico. Hij hoefde alleen de contracten te bewaren.

Besluit.

Uit dit onvolledig document kunnen we toch enkele conclusies trekken. Robert Wiers koopt koeien, maar heeft er geen werk aan en toch heeft hij een rendement: de jaarlijkse rente die volgens de overmeier een woekerwinst is. Bovendien betaalde Wiers niet altijd het volledige bedrag. Daar de koper de koeien kan terugvragen, is er feitelijk geen verkoop geweest, geen overhandiging van het goed en een sluwe verkoper kan daar handig gebruik van maken. Wanneer Wiers naar zijn koeien ging kijken bij Van der Borght waren ze er niet meer.

1639 – Messteek te Asse[8].

Charles Van Slachmolen, overmeier van het Land van Asse en meier van Asse stond in 1639 voor de moeilijke opdracht uit te zoeken wie Philips De Plecker een messteek had gegeven.

Op de derde kerstdag van 1639 zaten Philips De Plecker van Walfergem en Lanceloot T’Sas in de herberg van Jans Van den Zijpe in Waarbeek. Lanceloot overtuigde Philips om met hem een weddenschap aan te gaan. Wie met de ploeg en paarden de beste rechte voor kon rijden won een ton bier.. Rond zeven uur vertrokken beiden en een kwartier later keerde Lanceloot terug. Hij had, zei hij, wat in een hooimijt geslapen en wilde nog wat drinken. Hij dronk nog wat brandewijn en vertrok. Diezelfde avond ging Philips De Plecker het huis van Gillis Michiels in Walfergem binnen en vroeg hem om naar zijn wonde te kijken. Schaapherder Andries Van der Straten kwam ook binnen en tot hem riep Philips “ghij hebt het mij gedaen”.Daarop is Philips naar buiten gegaan. Volgens een eerste onderzoek van de overmeier zou Lanceloot Philips hebben gevolgd  tot aan ‘Den Borrevael’ en hem daar een slag op de rug hebben gegeven. Philips viel op de grond en toen hij opstond, gaf Lanceloot hem met zijn mes een steek in zijn schouder zeggend “houtter dat voor” Een verbaasde Philips antwoordde: ’och cammerade wat hebbe ick u misdaen’ waarop Lanceloot zich uit de voeten maakte en naar de herberg van Jan Van den Zijpe terugkeerde. Aan Jans vrouw vertelde hij dat hij wat in een hooimeid had geslapen. Hij dronk er nog wat brandewijn en ging weg.

Getuigen spreken.

Op 6 januari 1639 bevestigde Philips De Plecker, inwoner van Asse, dat hij op de derde kerstdag in de herberg van Jan Van Den Zijpe, in de wandeling scheper genoemd, met Lanceloot T’ Sas, een knecht van Peeter Vercleeren, bier had gedronken en dat Lanceloot hem uitdaagde om een weddenschap aan te gaan voor een ton bier ‘om te rechts aen te schieten met ploech ende peerden’. Philips ging akkoord op voorwaarde dat hij een halve stap mocht afwijken. Toen hij de herberg verliet, is Lanceloot hem gevolgd. Op Den Borrevael stond hij plots naast hem en hij gaf hem een slag zodat hij op de grond viel en toen hij opstond kreeg hij een steek in zijn schouder met een mes. Hij zag nog dat, toen Lanceloot ging lopen, hij zijn ‘wambas’ omgekeerd aan had. Hij heeft zijn wonde laten verzorgen door meester Jacques Van Moer.

Op 11 januari 1639 was het de beurt aan Anna Vercauter, vrouw van Jans Van Den Sijpe, 46 jaar. Zij vertelde dat Philips en Lanceloot in hun herberg waren op die derde kerstdag en er een weddenschap aangingen. Rond 7 uur zijn beiden vertrokken en ze hoorde dat ze elkaar een goede nacht wensten. Een kwartier later was Lanceloot er terug en zij vroeg hem of hij Philips naar huis had begeleid. Lanceloot antwoordde dat hij achter de hooimeid had gelegen. Dan dronk hij nog voor 6 stuivers brandewijn.

Het verweer van Lanceloot T’ Sas.

De advocaat van Lanceloot, Adriani, diende bij overmeier Charles Van Slaghmolen op 12 januari 1639 een verweerschrift in. Lanceloot ontkende ten stelligste dat hij Philips heeft verwond vermits hij met hem nooit enig ‘cracqueel oft questie’ heeft gehad. Lanceloot was een jonge man van eer die met niemand problemen had of iemand heet gekwetst. Hij heeft bij Gillis Michiels de schaapherder Andries Van Der Straten als dader aangeduid met de woorden: Ghij hebt het mij gedaen” en is dan naar buiten gegaan. Het is dus een groot onrecht om Lanceloot van die daad te beschuldigen, zeker drie weken na de feiten. Zijn werkgever lijdt ook een groot verlies door zijn afwezigheid en de advocaat stelde daarom voor om hem vrij te laten mits een borgsom van 100 gulden.

Lanceloot voegde er nog aan toe dat hij met Philips van de herberg tot aan de mesthoop is meegegaan. Ze hebben daar elkaar goede nacht gewenst en hij is gaan liggen omdat hij moest overgeven. Nadien ging hij terug naar de herberg, dronk er brandewijn en is er blijven slapen.

Verzoek van Lanceloot aan de Raad van Brabant.

Ondertussen had de advocaat van Lanceloot een verzoek tot de Raad van Brabant gericht waarin hij beweerde dat zijn cliënt onschuldig was. De overmeier kreeg de opdracht om de zaak grondig te onderzoeken:

Bij den Coninck,

Lieve ende beminde Wij seijnden u hierinne besloten de supplicatie overgegeven ende gepresenteert in onsen Raede geordonneert in Brabant bij off van weghen Lancelot ’t Sas ende midts de redenen daerinne geruert ordonneren u ende bevelen wel ernstelijck bij dese dat ghij den voorgenoemden suppliant versie topt versueck gedaen bij den dispositive der voors. requeste soo ende gelijck ghij naer de gelegentheijt van de saecke in goede justitie sult bevinden te behooren daer toe Wij u authoriseren bij desen ende van des te doen en sijt niet in gebreke want ons alzoo gelieft. Gegeven binnen onse Stadt van Brussele den 7de februari 1639. Loyens.

Bij notaris Robijns legde Gillis Michiels, een pachter van Asse en 48 of 49 jaar, de volgende getuigenis af op verzoek van Lanceloot T’ Sas. Op de derde kerstdag kwam Philips De Plecker in zijn huis zeggend dat hij gekwetst was. Gillis trok zijn ‘wambas’ uit en zag een wonde aan zijn schouder. Op de vraag wie hem hag gekwetst antwoordde Philips dat op Den Borrevael op de voetweg aan de doornen iemand hem heeft gestoken zonder te weten wie het was

Het antwoord van overmeier Charles Van Slachmolen.

De overmeier verantwoordde de arrestatie van Lanceloot T’ Sas met als argument dat zijn arrestatie belette dat hij zou vluchten. Lanceloot was dronken en hij wou beletten dat de weddenschap doorging omdat hij niet wou verliezen. De aanval op De Plecker gebeurde op een weg waar ’s avonds niemand komt en Lanceloot wist dat hij die weg zou nemen.

De reactie van Lanceloot T’ Sas.

Op 19 februari somde de advocaat van Lanceloot al zijn argumenten nog eens op:

1. De overmeier heeft maar een aanklacht: Philips en Lanceloot hebben samen gedronken en een weddingschap aangegaan en daaruit is de ruzie ontstaan..

2. Maar samen drinken is een teken van vriendschap en de twee mannen zijn die avond vriendschappelijk uit elkaar gegaan.

3. Lanceloot is een man van eer en heel zachtmoedig die met niemand problemen heeft.

4. Philips heeft eerst een andere dader aangeduid en op de dag van de ‘Onnozele  Kinderen’ zei hij dat hij niet wist wie de dader was.

5. Hij werd eerst geslagen met een stok zodat zijn hoed afviel en toen hij die wou oprapen, werd hij gestoken. Daaruit kan men afleiden dat de dader iemand was die van De Plecker al eens een ‘offensie’[9] had gekregen.

6. Als samen drinken leidt tot misdaden waarom heeft de overmeier dan de waard, zijn vrouw, knechten en meiden niet in ’t cot gesteecken’.

7. De overmeier handelde op eigen initiatief en had geen opdracht van de schepenen.

8. Lanceloot ontkent dat hij Philips heeft gevolgd nadat ze uit de herberg kwamen en ook dat hij zijn wambas heeft binnenste buiten gekeerd.

9. Een kwetsuur wordt met een boete bestraft en niet met gevangenschap. Lanceloot werd ook vastgebonden en gekneveld alsof hij ‘den meeste straetscheijnder hadde geweest van de wereld’.

10.Door de pijn van zijn vastgebonden handen kon hij enige tijd niet werken.

11. De overmeier kan ook niet bewijzen dat er een ruzie was tussen Philips en Lanceloot.

12. Lanceloot had geen enkele reden om te vluchten vermits hij mogelijks alleen een boete kon krijgen.

Nieuw verhoor van getuigen op 7 maart 1639.

Voorafgaand aan het verhoor was er een discussie of Philips De Plecker nog eens moest ondervraagd worden. Overmeier Van Slaghmolen verzette zich daartegen omdat hij partijdig zou zijn. De schepenen drongen erop aan en haalden hun slag thuis.

Philips De Plecker, de 48-jarige brouwer van Asse, herhaalde dat hij met Lanceloot T’ Sas en Michiel Vercleren in de herberg van Jan Van den Sijpe bier heeft gedronken en dat er onenigheid ontstond over een weddenschap over het ‘aanschieten van eenige voren’. Vercleren heeft toen nog tegen Lanceloot gezegd ‘en doet dat niet ick kenne desen man wel, hij can seer wel labeuren’. Lanceloot drong er bij Philips op aan om met hem brandewijn te drinken tot de herbergier en zijn vrouw hem vroegen om Philips gerust te laten, wat hem niet erg aanstond. Daarop betaalde hij zijn consumpties en wou vertrekken, maar de waardin vroeg om op een kussen te blijven slapen want ‘gij mocht metten nacht een ongeluck crijgen’. Philips antwoordde: “Wie soude mij misdoen die geen quade en soeckt en sal geen vinden”. Hij vertrok en Lanseloot ging met hem mee tot buiten waar ze elkaar goede nacht wensten. Dan beschrijft Philips nog eens de aanval op Den Borrevael aan het land van Peeter De Roo. Nu voegde hij eraan toe dat hij in zijn linker schouder werd gestoken tot tegen de strot. Hij kende zijn aanvaller en zei: “Och cammerade waerom doet gij mij dat, wat hebbe ick u misdaen”. De aanvaller antwoordde niet en vluchtte weg in de richting van de herberg. In de woning van Gillis Michiels verklaarde hij dat de herder van Driessens hem had verwond. Achteraf zei hij dat hij opzettelijk een andere persoon had genoemd omdat Lanceloot zou vluchten als hij zijn naam noemde.

Michiel Vercleren, een vrijgezel van omtrent 30 jaar en inwoner van Asse, was ook in de herberg. Hij was behoorlijk dronken, maar weet nog dat Lanceloot bij hem aan zijn bed kwam nadat iedereen was gaan slapen en een kommetje brandewijn opdronk.

Op 17 maart verscheen Anna Vercauter, gedaagd door vorster Guillam Van Langenhove, voor schepen Henrick Van der Slachmolen en meester Jan Van (der) Slachmolen. Zij verklaarde nu dat Philips De Plecker in beschonken toestand in hun herberg toekwam op de derde kerstnacht. Lanceloot ’T Sas en Michiel Vercleeren zaten er al. Samen bleven ze bier drinken en twisten over een weddenschap en Lanceloot bestelde nog een stooter[10] brandwijn die hij samen met De Plecker opdronk. Toen ze vertrokken hoorde Anna Lanceloot nog zeggen: “Wel Philips gaede gij soo door”, en Philips antwoordde: “Jae, goeden nacht mijnen soen ick moet naer huijs” en Lanceloot besloot met: “Goeden nacht Philips, Godt beware u”. Een kwartier later was Lanceloot terug met als verklaring dat hij wat aan de mijt had gelegen en hij bestelde nog brandewijn en ging ermee naar het bed van Michiel Vercleeren.

Op 19 maart 1639 was pachter Gillis Michiels, 49 jaar en eveneens gedaagd door vorster Guillam Van Langenhove, aan de beurt. Hij had een- of tweemaal met Lanceloot iets gedronken, maar kende hem feitelijk niet. Hij vertelde dan dat Philips bij hem was komen aankloppen en zijn wonde liet zien. Als dader duidde hij schaapherder Andries Van der Straeten aan, maar als zowel Gillis Michiels als zijn vrouw zeiden dat de herder tot ’s avonds bij zijn schapen was in de weide naast hun huis, dan rwas de reactie van Philips dat hij het eigenlijk niet wist. Dat zei hij nog eens toen meester Jacques Van Moer op 28 december zijn wonde verzorgde.

Anthoon Van Elewijck, een pachter van Asse, omtrent 50 jaar, bezocht op 28 december Philips De Plecker en die verklaarde toen dat hij niet wist wie hem had gestoken

Verhoor op 22 maart.

Lambrecht Stoote, geboren in Nederweert, een jonge man van 25 jaar, schaapherder van Andries Van Der Straten wou op de derde kerstdag samen met Guillaum Michiels, paardenknecht van Van der Straeten, bij biertapper Laureijs wat gaan drinken. Aan het huis van Gillis Michiels zagen ze dat Philips De Plecker stond te roepen dat hij gekwetst was en dat hij vroeg om binnen te mogen komen. Op de vraag wat hem was overkomen, antwoordde hij dat hij in het veld was gekwetst geworden en hij vroeg wie de twee mannen waren. Lambrecht zei dat hij de schaapherder Driessens was, waarop Philips reageerde met de woorden “dien eerst die mij gedaaen (heeft)”.

Guillaume Michiels, 21 jaar en paardenknecht bij Andries Van Der Straten, legde dezelfde getuigenis af als Lambrecht Stoote en voegde er nog aan toe dat Lambrecht de hele avond bij hem was en dat hij Philips, die duidelijk dronken was, niet had aangevallen.

Volgens Jan Geerstman, pachter van Mollem, omtrent 33 jaar,  is de gevangene Lanceloot T’ Sas een man van eer die met niemand last heeft.

Jaecques De Smet, ook een pachter van Mollem, had T’ Sas gedurende 4 jaar als paardenknecht en hij heeft nooit klachten gehad.

Anna Vercauter, vrouw van Jan Van Den Sijpe, kende Lanceloot al vele jaren als een man van eer en hij kwam regelmatig in hun herberg zonder dat hij last veroorzaakte

Verzoek van overmeier Van Slachmolen bij de Raad van Brabant

Op 7 juni antwoordde de Raad van Brabant op een verzoekschrift van de overmeier. Van Slachmolen had daarin de argumenten uiteengezet die hadden geleid tot de arrestatie van lanceloot T’ Sas

Philips bij der gratiën Godts Coninck van Castilliën, van Leon, Van Arragon, van beijden Sicilliën, van Jherusalem, van Portugaele etha. Eertshertoge van Oistenrijck, hertoge van Bourgoigniën, van Lothrijck, van Brabant etha. Onse lieve ende beminde die wethouderen van Assche saluijt…

In het antwoord beveelt de Raad om binnen de 14 dagen alle gegevens van het proces naar de raad door te sturen.

Designatie[11] voor Lanceloot T’Sas.

Op 20 augustus 1639 deden de schepenen P. Van Mulders en J. Schoonejans de volgende vaststellingen:

  1. Het huis van Thomas De Plecker in Waarbeek waarin Jan Van den Sijpe woont.
  2. De afstand van het ‘valveken’ aan Den Borrevael en het genoemde huis is 277 passen.
  3. De afstand tussen het valveken en de doornenstruik is 419 passen.
  4. De afstand tussen de verste en de dichtste doornenstruik is 68 passen.
  5. De hooimijt waarin Lanceloot bleef slapen, staat er niet meer.

Lanceloot ’T Sas houdt zijn onschuld staande.

Op 20 augustus bracht overmeier Charles Van Slachmolen kuiper Adriaen De Cubbere als nieuwe getuige aan en op 31 augustus diende hij een veranderde verklaring in die inhield dat Philips De Pleckere op de bewuste avond te Mollem bij Steven Van de Velde verbleef tot zonsondergang en dat hij dan pas naar de herberg van Jan Van de Sijpe, een half uur ver, ging. De advocaat van Lanceloot reageerde op de nieuwe getuigenis van de overmeier op 15 oktober. Volgens een ordonnantie van de Raad van Brabant mag men slechts eenmaal nieuwe feiten aanbrengen in een lopend proces en dat had de overmeier al gedaan want hij heeft de verklaring van De Cubbere gewijzigd na 11 degen. Bijgevolg verzet hij zich tegen dat getuigenis dat overigens tegen zijn eerder ingenomen standpunt ingaat. Als De Pleckere in volledige duisternis naar de herberg ging, dan kon hij zijn aanrander niet herkennen. Dus is de aanklacht van de overmeier vals.

‘Aen mijn heere den cancellier’

Op 13 februari 1640 zonden de schepenen van Asse een brief aan de kanselier met informatie diendende ‘ter leeringe voor wethouderen van Brussel’. Zij hadden kennis gekregen van, weliswaar tegenstrijdige, feiten die de Raad konden helpen in het proces. Van Lanceloot T’ Sas zegden ze dat hij een ongeregeld leven leidde met tal van diefstallen en van Adriani, de advocaat van T’Sas, vernamen ze dat de overmeier in drie processen van 2 oktober 1640 drie mannen ten onrechte van doodslag had beschuldigd. Abraham Van der Haselt, Jan De Meerschman en Jan Aelbrechts waren door de overmeier gearresteerd voor ‘dubiën ende swaericheden’ en beschuldigd van doodslag. Zij werden vrijgesproken. 

Besluit.

Uit dit onvolledig dossier, het vonnis ontbreekt, kunnen we opmaken dat een overmeier wel degelijk over bewezen argumenten moest beschikken om iemand aan te klagen. Anderzijds stellen we vast dat hij nogal gemakkelijk iemand opsloot en maandenlang gevangen hield met als reden te voorkomen dat de verdachte zou vluchten.

1646 – Gewelddadige overval op een koets[12].

In de jaren 40 van de 17de eeuw heerste er ellende en banditisme in de Nederlanden. Al decennia was er oorlog tussen de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden. De Verenigde Provinciën van het noorden werden gesteund door Frankrijk en de Zuidelijke Nederlanden waren in handen van de Spanjaarden. De bevolking van de streken waar de oorlog woedde, werd gedwongen voorraad en proviand aan de oorlogvoerenden af te staan. De Spanjaarden stelden alsmaar meer eisen om hun oorlogsinspanningen vol te houden en de Hollanders plunderden de dorpen die weigerden hun deel bij te dragen. Kwam daar nog bij dat bendes huurlingen door het land trokken. Geruïneerde boeren sloten zich bij straatrovers aan. Om het gevaar het hoofd te bieden, werden overal milities opgericht[13].

In die ellendige omstandigheden denken de mensen eerst aan eigen overlevingskansen. Dat blijkt uit de ordonnantie van de meier en de schepenen van de Vrijheid en het Land van Asse van 24 april 1646. De ordonnantie verbood arme gezinnen om zich in het Land van Asse te komen vestigen. Volgens hen kwamen vele ‘vuijtlanders ende vrempdelingen hunne vervoorderen met hunne vrouwen ende kinderen commen nederslaenende hunne wooningen nemen binnen de voorschreven Lande van Assche op hope van te genieten de aemoesen soo van het Goidthuijs van Affligem als van andere taeffelen van den Heiligen Geest’. De armentafels van de parochies in het Land van Assche dienden, volgens hen, voor de eigen armen te zorgen. Zij stelden nu vast dat die vreemdelingen met ‘persuasiën, jae oock dreijgement’ de pastoors en de armenmeesters dwongen om hun aalmoezen en proviand te geven en dit ten nadele van de eigen arme inwoners. Aan deze ‘abusen ende onbehoorlijke extortiën’ wilden zij met de ordonnantie een einde stellen.

Dat de ordonnantie in 1646 werd uitgevaardigd was het gevolg van de enorme toename van het aantal armen. De armoede werd daarenboven nog in de hand gewerkt door de groei van het handelskapitalisme dat gepaard ging met een prijsevolutie die de proletarisering van grote lagen van de bevolking tot gevolg had. De godsdienstoorlogen van de 16de eeuw eisten ook hun tol en nog in de lente 1645 vielen de Fransen en de Hollanders Vlaanderen binnen en in minder dan twee maanden was het hele gebied onderworpen. Vooral de Fransen stalen veel vee[14].

Iedereen te wapen.

In 1646 vaardigde de overheid de ordonnantie uit dat iedereen zich moest voorzien van wapens en munitie om in tijd van nood zich te kunnen verdedigen tegen de vijand. Dat bleek meer dan nodig want de troepen van de hertog van Lotharingen trokken plunderend door het land. De hertog was in feite in dienst van de Spanjaarden, maar hij zocht de confrontatie met de Fransen niet op. Overmeier Van Slachmolen stuurde op 26 september 1636 een bericht daarover naar de bedesetters van het Land van Asse:

‘Lieve ende beminde.

Alsoo sijne Majesteijt opt advies dat hij heeft van het voornemen dwelck onse vijanden souden mogen hebben om int lant te commen heeft geresolveerd ’t selve te beletten bij alle mogelijcke middelen selver oock door het volck van ten platten lande boven het oorloghs volck dwelck sijne majesteijt bij de hand is hebbende soo schrijven Wij in dese tegenwoordige u ordonnerende van sijne majesteijts wegen te besorgen dat alle het volck van uwe prochie terstont sullen hebben te nemen de wapenen ende hun gereed te houden om met het ierste gebiedt te trecken ende marcheren in sulcken getal ende naer sulcken plaetse als hun bevolen sal worden tegen onse vijanden ende tot bescherming van desen lande lieve ende beminde onse heere Godt sij met u, geschreven in Assche den XXVI° september 1646 ende was onderteeckent C. V. Slachmolen.

Ter sijden stont aldus: desen te publiceren den sondage[15]’:

Het gevolg was dat velen gewapend rond liepen. Toen op een dag in Essene de noodklok luidde, gaven een aantal mannen gehoor aan de oproep en trokken naar Denderwindeke[16] en Neigem waar ze moesten verzamelen om te verhinderen dat het leger van de hertog van Lotharingen, dat zich in Zandbergen bevond, verder zou oprukken. Onder hen waren Jan De Man, Jan De Meije, Carel De Nagel, de herder van de weduwe van Adriaen Van Vaerenberghe, Merten Wamback, Gaspar Camerman, Steven De Raedt, de zoon van de weduwe Franchois Linthout, Gillis Stevens en Ingel Verhoeven, knecht van Niclaes Buggenhout. In Denderwindeke zagen ze hun dorpsgenoot Gillis Camerman[17] die een koffer naar een huis droeg. Enkele mannen hadden de koets van kolonel Montauban, die door het dorp Neigem reed, aangevallen en geplunderd. Ze namen alles mee en maakten ruzie over de verdeling. Toen de Essenaren daar aankwamen, hoorden ze een van de mannen ‘buit, buit’ roepen. Ze gingen er naar toe en Gillis Camerman stelde voor om de koffer naar een leegstaand huis te brengen om daar alles te verdelen. Gillis nam de kist op zijn schouder en ging het huis binnen. Daar ontstond een felle discussie en Gillis gaf door een raam een kettinkje, een ring, twee zilveren lepels, wat naaizijde en kristal aan Jan De Meije. Die verdeelde de buit verder. De ketting; de lepels en de ring gaf hij aan Carel De Nagel en Merten Wambacq en hield de naaizijde en het kristal voor zich.

De aanklacht.

Het verdere verloop is onduidelijk. We komen wel te weten dat Jan De Meie, Jan De Man en Gillis Camerman werden aangehouden en in de gevangenis opgesloten. Tegen hen spande de overmeier van het Land van Asse, Charles Van (der) Slachmolen, een proces in want volgens hem ging het om diefstal. De koets kwam uit Brussel, waar geen vijanden waren, er was een wapenschild met twee gevouwen handen op aangebracht en er zaten alleen twee juffrouwen in. Volgens hem ging het niet op een aanval op de vijand, wel om roverij. Na de diefstal had de overmeier een kerkgebod laten afkondigen dat het gestolen goed moest worden teruggebracht. De meesten gingen daar niet op in om begrijpelijke redenen, maar ze werden later toch betrapt op het bezit van een of meerdere gestolen voorwerpen. Volgens de overmeier hadden de gevangenen de koffer bij hem moeten brengen want aan het wapenschild op de koets konden ze weten dat die niet van de vijand was.

De verhoren.

Jan De Meije, Jan De Man en Gillis Camerman verdedigden zich door te verwijzen naar de mobilisatie en naar de strooptochten van de soldaten van de hertog van Lotharingen. Jan De Meije voerde voor zijn verdediging aan dat een koffer stelen van de vijand geen misdaad is. Bovendien heeft hij de koffer nooit aangeraakt en hij heeft er zeker niets uitgehaald. Hij is bereid de namen te noemen van de mannen die bij hem waren, hoewel de aanklager die beter kent dan hij. De ketting, de ring en de twee lepels die aan hem waren gegeven, heeft hij gerestitueerd. Het glas had Camerman hem gegeven om het te bewaren. Gaspar Camerman[18], die pas in 1648 werd verhoord, ontkende dat hij bij de verdeling van de buit aanwezig was

Gillis Camermans mocht na advies van ‘geleerde ende meesters in de rechten’ van de schepenen van het Land van Asse op 19 februari 1647 samen met Jan De Meije worden vrijgelaten na afleggen van  een eed. Voor zijn verdediging voerde Gillis aan dat de koets al was verdwenen toen hij en Jan De Meije op terugweg van het verzamelpunt omtrent Zottegem mannen met een koffer ruzie zagen maken. Het ging er zo erg aan toe dat ze elkaar wel konden vermoorden. Dat de koffer uit een koets was gestolen, wisten ze niet want ze hoorden alleen maar “buit, buit” roepen en daardoor dachten ze dat die op de vijand was veroverd. Om een bloedvergieten te voorkomen stelde Gillis voor om de koffer naar een leegstaand huis te dragen en daar de buit gelijk te verdelen. Zo verhinderde hij dat er slachtoffers vielen en er nog meer weduwen en wezen bijkwamen. Zijn voorstel werd aanvaard en hij droeg de koffer naar het huis. Hij was er nog altijd van overtuigd dat de koffer van de vijand was want hij dacht aan de brief van Van Slachmolen van 26 november 1646 gericht aan alle mannen van Essene. Op bevel van de koning moesten ze, als de vijand zou aanvallen, zich direct bewapenen en naar een plaats gaan die hen werd aangeduid. Wanneer dan de noodklok werd geluid, vertrok Gillis met zijn compagnon Jan De Meije en andere Essenaren. Zij vernamen dat de Fransen hen van de ene kant bedreigden en de Hollanders van de andere kant. Die hadden het Land van Waas bezet. De soldaten van de hertog van Lotharngen, nochtans in dienst van de Spanjaarden, deden niets anders dan ’strroopen, rooven, schoffieren ende spoliëren’. Zij gedroegen zich als echte vijanden en hadden al zo’n 50 mensen gedood. Gillis en Jan dachten dat die mannen tijdens een strooptocht de koffer hadden buitgemaakt. Het voorstel van de overmeier om de koffer naar hem te brengen, vond Gillis ‘ridicuul’. De overvallers zouden hem nooit hebben laten vertrekken en die koets had hij nooit gezien. In het huis waren alleen de gedeputeerden van 11 parochies en samen besloten ze de koffer open te breken en de inhoud te verdelen omdat het volgens hen toch ging om ‘rechtelijcken buit’. Toen blies een van hen de kaars uit en werd er gegrabbeld en gegraaid om zoveel mogelijk buit in handen te krijgen. Volgens de beschuldiging zou er 10 000 gulden en een gouden kettingen in de koffer hebben gezeten, wat schromelijk was overdreven. Wat aan Essene was toegewezen was met ‘andere cleijne vodderije van luttel importantie’. De ketting had Wambacq al terug gegeven.en Carel De Nagel de lepels. De rest was aan de zoon van de griffier Wambacq gegeven zoals in de vergadering van Asse was overeengekomen en dat alles zes weken voor het kerkgebod van restitutie was bekend gemaakt.

De overmeier wil een veroordeling.

Op 13 februari 1647 lichtte de overmeier de schepenen Van Mulders, ’T Sas en Van de Velde van het Land van Asse nog eens in over de stand van het onderzoek nadat hij Jan De Meije had ondervraagd.

Den derthiensten februari XVI° sevenenveertich present Van Mulders, ’T Sas ende Van Den Velde schepenen. Den overmeijer van ende tot Assche nomine officii apprehendant ende aenlegger teghen Jan De Meije gevangene.Slachmolen voor den apprehendant dient redenen van apprehentie ende conclusie met sesse stucken daeraen gehecht versueckende dat die geapprehendeerde daer teghen antwoord pede ligato per …….. credit vel non alias etha.

Den voors. gevangene in persoon …

Hij herhaalde hoe Jan De Meije samen met Gillis Camerman, Carel De Nagel,  Merten Wamback, Jaspar Camerman, Steven De Raedt, den sone van de weduwe Franchois Linthout, Gillis Stevens, Ingel Verhoeven knecht van Niclaes Buggenhout waren opgetrokken om de soldaten van de hertog van Lotharingen te beletten de Dender over te steken, hoe ze getuige waren van een twist over een gestolen koffer en hoe ze bij de verdeling van de inhoud betrokken waren.

Op 21 mei 1647 diende Van Slachmolen nieuwe bezwaren in bij de schepenen van het Land van Asse tegen Jan De Meije.

1. Jan bevond zich niet ver van de plaats waar de koets werd aangevallen en dus wist hij dat het om de hertog van Lotharingen ging.

2. Hij weet niet wie ‘buit, buit’ heeft geroepen en weet ook niet om welke vijand het ging. Er was immers geen vijand want die moest de Dender nog oversteken. Om met een koets vol met lijnwaad en kostelijkheden die oversteek te doen is waaghalzerij.

3. Hij heeft van Gillis Camaermans een deel van de koffer ontvangen en daarom is hij even schuldig als Camermans. Wie een gestolen kalf houdt, is even schuldig als wie het vilt.

4. De overmeier gelooft niet dat De Meije al voor het kerkgebod het gestolen goed aan de zoon van griffier Wambacq of Carel De Nagel had gegeven. Die zouden het dan terug gegeven hebben.

5. Hij heeft stukken uit de koffer gehaald en dat maakt hem schuldig.

6. Een ‘prangh dieff’ wordt net zo goed opgehangen als degene die het goed had gestolen.

7. De Meije wist dat de koets van Brussel kwam met de dochters van de hertog en de koffer is er moedwillig uit gestolen en Gillis Camermans had niet het recht om de goederen te verdelen.

8. Dat De Meije het goed alleen maar bewaarde om het aan de eigenaars terug te geven, is een leugen want eerst beweerde hij dat het ging om een rechtvaardige buit.

9. Toen het kerkgebod was afgekondigd om het gestolene terug te brengen, heeft hij niet gereageerd. Beweren dat hij het aan de zoon van de griffier had gegeven is ‘maer geweest een blommeken om dese saecke te coloreren’.

10. Het gaat hier om diefstal van een koffer die is afgenomen van twee vrouwen die van Brussel kwamen waar geen vijanden wonen en tegen wie die mannen niet moesten vechten.

Een smeekbede.

Op 19 juni 1648 schreef Lovens in naam van Jan De Meije en Gillis Camermans een brief naar de kanselier van Brabant. Zij zochten steun bij de Raad van Brabant voor hun aanslepend proces.

Aen mijne E. Heere de cancellier.

Verthoonen reverentelijck Jan De Maije ende Gillis Camermans  hoe dat van wegen zijne Co. Majesteijt in den jaere 1646 alomme ten platten lande is gedaen publiecque geboth dat een ieder soude schuldich wesen sich te versien van behoirelijcke wapenen ende munitie van oirloge om in tijde van nood aen te nemen die defensie tegens den vijand nu ist soo dat eenigen tijt daernaer die troupen van sijne hoocheijt den hertoge van Lothrijck ordre hadden

te marcheren dan en hebben …

Zij betoogden dat zij het gebod om de wapens op te nemen om hun land te verdedigen hadden opgevolgd samen met duizenden ‘huijslieden’ van Brabant. Zij hadden gehoord over de branden en plunderingen, over de ‘vaderloose ende moederloose weesen’ die ronddoolden en in deze ‘confusie ende alteratie’ is het gebeurd dat in Neigem in het Land van Wedergrate  een karos  van kolonel Montauban passeerde en werd geplunderd. Maar zij waren daar niet bij. Meubelen en andere goederen werden door de overvallers verdeeld. Ook zij kregen wat van ‘clein import’ en dat was vergeleken met de ‘swaricheden ende gewelt’ die zij hadden doorstaan. Later kwam er een bericht dat al het gestolen goed naar de heer van Montauban moest worden gebracht, wat zij niet hebben geweten en daarom vroegen ze kwijtschelding van hun straf.

Het conflict van Jan De Meije en Gillis Camermans met Gaspar Camermans.

Nadat Gaspar Camermans ontkende dat hij bij de verdeling van de buit betrokken was, ontstond er een conflict met Jan De Meije en Gillis Camermans. Volgens hen was Gaspar wel in het huis, heeft er enkele meubelen meegenomen en heeft die later verkocht. Hij heeft er zelfs zijn hoed achtergelaten. Gaspar stelde dat hij niemand wilde beschuldigen, maar het staat vast dat De Meije en Gillis Camermans in het huis zijn geweest en gestolen goederen meenamen naar hun huis en die bleven houden ook nadat een ordonnantie daarover was bekend gemaakt. Dat is de officier van Asse te weten gekomen. Hij is ook onder het bevel van zijn officier naar Neigem gegaan waar de beroving is gebeurd zoals veel treffelijke personen, wat niet betekent dat zij schuldig zijn. De Meije en Gillis Camermans daarentegen hebben moeten bekennen dat zij goederen uit de geroofde koffers hebben genomen en er zelfs hebben uitgedeeld. Hij heeft geen enkel gestolen goed gehad en zeker ook niet verkocht. Hij was wel in de buurt, maar omdat hij vermoeid was, had hij niet ver van het huis in een weide of een boomgaard wat liggen slapen. Toen hij wakker werd, was zijn muts weg en bij navraag vernam hij dat meerdere personen van zijn kwartier naar een huis waren gegaan. Hij ging er naartoe, maar alleen de eigenaar was er nog die zei dat die mannen zijn laken en deken hadden meegenomen.

Lucas Wamback[19], pachter te Essene, 23 jaar verklaarde op 23 december 1649 dat hij bij Gaspar Camermans was samen met nog andere mannen van Essene en dat ze samen naar het huis zijn gegaan. Daar waren nog mannen bezig het ijzerwerk van de koets af te breken. Gaspar is even naar binnen gegaan en is samen met hen vertrokken.

Besluit.

Hoewel het dossier onvolledig is, toch biedt het interessant materiaal. Legers, of ze nu van de vriend of de vijand waren, brachten altijd ellende. De troepen van de hertog van Lotharingen zijn er een goed voorbeeld van. Ter hulp geroepen door de Spaanse overheid, trekken ze liever plunderend door het land dan de vijand, in dit geval de Fransen, te bevechten. Het enig middel van verweer was de mobilisatie van de bevolking. Het is best mogelijk dat de jonge mannen van Essene, zoals zoveel anderen, gezwind optrokken om die bende plunderaars tegen te houden aan de Dender. Belust op avontuur waren de dagen van wachten in de omgeving van de Dender zeker ontgoochelend. Tot er een koets verscheen, een gemakkelijke prooi en eindelijk buit om te verdelen. In die verwarde tijd vroegen ze zich niet af of het om een karos van vriend of vijand was. Als er dan nadien een onderzoek kwam naar de gestolen goederen en de verplichting tot teruggave zullen er weinigen bereid zijn geweest zich als mededader te laten kennen. Enkele ongelukkigen die betrapt waren op het bezit ervan, moesten dan boeten voor hun onbezonnen gedrag.

Over de derde gevangene, Jan De Man, werd er in dit document niets vermeld.

Mazenzele, 1653, Peeter T’ Sas beschuldigd van overspel met Marie Van Grimbergen,

In het begin van de vijftiger jaren van de 17de eeuw stond Mazenzele in rep en roer. De vraag die toen iedereen bezig hield, was of Peeter T’ Sas met de 17 of 18-jarige Marie Van Grimbergen in het korenveld van Peeter Van den Driessche was geweest op vastenavond en op Sint-Jansmis van 1650. Na een veroordeling door het Geestelijk Hof van Mechelen[20] wegens overspel omdat hij ten huize van Marie De Clercq met haar dochter Tanneken Merschmans had geslapen – waarvan in deze documenten niets is gevonden – werd Peeter T’ Sas door de overmeier van het Land van Asse in 1650 opnieuw gearresteerd. Ook Marie Van Grimbergen werd aangeklaagd wegens haar zedeloos gedrag. Het proces werd eerst gevoerd voor de schepenbank van Asse [21] waarna Peeter T Sas in beroep ging bij de Raad van Brabant waar hij met nieuw feiten voor de dag kwam.

Charles Van den Slachmolen, overmeier van het land van Asse tegen Peeter T’ Sas, gearresteerde en gedaagde voor buitenechtelijke relaties.

Op 2 augustus verklaarde de overmeier waarom hij Peeter T’ Sas arresteerde.

1- Geen enkele persoon mag enige frequentatie met andere vrouwen of jonge dochters onderhouden en die nog minder ‘vleeschelijck bekennen’ zonder daarvoor gecorrigeerd en gestraft te worden.

2- De gearresteerde heeft in 1649 overnacht in Mazenzele op drie of vier boogscheuten van zijn woning in het huis van Marie De Clercq, weduwe van Hendrick De Meersman. Daar verbleef Anneken De Meersman, dochter van Marie De Clercq, waar hij met Marie en haar moeder ‘vleeschelijck conversatie’ had en dat tot groot schandaal van heel de wereld en waarvoor hij werd gestraft door de aartsbisschop van Mechelen op 30 januari en 23 maart 1649

3- De vrouw van de gearresteerde stelde vast dat haar man niet thuis was komen slapen en  besefte dat hij in het huis van Marie De Clercq was. Zij was ‘s morgens vroeg met een stok naar het huis van Marie gegaan om haar man daar te betrappen.

4. Zij klopte op de deur, Marie deed open en belette dat de vrouw van de gearresteerde naar boven kon gaan.

5. Dan sloeg de vrouw Marie op haar hoofd en in haar hals.

6. Kort daarop kwam Peeter naar beneden en vluchtte weg.

7. De gearresteerde frequenteerde diverse huizen in Mazenzele, onder andere het huis van de weduwe van Guillam De Valck, verkoopster van brandewijn en ‘vette waerije’ . Hij dronk er meermaals brandewijn.

8. Daar heeft hij een jong meisje, Marie Van Grimbergen, verleid door haar brandewijn te doen drinken terwijl de weduwe ziek te bed lag. Als zij niet wou drinken, goot hij de brandewijn in haar hals.

9. De avond voor vastenavond kon hij Marie op de grond doen liggen en met schone beloften drong hij haar zijn wil op.

10. Daarna kwam hij nog naar het huis om met Marie ‘vleesschelijck te converseren’.

11. Hij heeft onder andere getracht Marie in het koren te duwen op de weg waar zij moest passeren, maar omdat er andere personen bij waren, liet hij haar gaan.

12. Op Sint-Jansdag[22]  laatstleden kwam Peeter na de noen bij Joos De Valck te Mazenzele waar hij brandewijn en bier dronk en met Marie vertrok naar het korenveld, ‘Peeter Van den Driesschens Veldeken’ genoemd waar zij gemeenschap hadden.

13. In het koren was de plaats te zien waar zij hadden gelegen.

14. Korte tijd daarna hebben de jonge mannen van Mazenzele  met veel getier de trommel geslagen en op die plaats in het koren een meiboom geplant met een brief daaraan en dat tot groot schandaal in de gemeente.

15. Zo’n schandaleus gedrag is niet toelaatbaar in een goed land en moet gecorrigeerd en bestraft worden.

16. Daarom heeft de overmeier hem gearresteerd en gedaagd om zijn conclusie te aanhoren. Peeter T’ Sas heeft zich onbehoorlijk gedragen door op zon- en feestdagen brandewijn te gaan drinken en te blijven slapen in herbergen en verdachte huizen waar hij ‘vleesschelijcke conversatie’ had. Daarvoor zal hij gestraft worden volgens de plakkaten en rechten.

Het proces: de argumenten vanovermeier Charles Van Den Slachmolen (20 september 1650)

De advocaat van Peeter T’ Sas, De Bisschop, protesteerde op 9 augustus 1650 tegen de arrestatie van zijn cliënt. Volgens hem had de overmeier Peeter moeten dagvaarden. Van den Slachmolen stelde dat hij Peeter T’ Sas liet arresteren uit voorzorg en uit verplichting van zijn eed want personen die kwade zaken hebben gedaan, nemen vaak hun toevlucht tot uitvluchten of vluchten weg. Hij weerlegde ook de stelling van de advocaat dat door de arrestatie het dossier aan de plaatselijke autoriteiten werd onttrokken. Hij beloofde ook dat de gevangene niet werd vastgebonden zolang het proces liep. Het laatste bezwaar van de advocaat tegen de arrestatie was dat Peeter een militiair was, maar hij kon niet aantonen dat Peeter in de ‘boecken van sijne majesteit’ was ingeschreven. Hij bezat ook geen rapier [23].

Het verweer van Peeter T’Sas

Peeter had zich voorheen verzet zich tegen de beschuldiging door de officiaal van het Geestelijk Hof van Mechelen als zou hij ‘eenige pretense luxure’[24] leven hebben geleid. Meerdere getuigen verklaarden dat hij na zijn gevangenschap in 1649 een treffelijke en eerlijke burgers was die zich inzette voor zijn gezin en goed was voor zijn personeel. Aan zijn kinderen gaf hij las. Zijn vrienden en kennissen waren allemaal mensen van aanzien. Hij ontkende dat hij Marie tot lichtvaardige handelingen had aangezet. Voor hij haar kende, had zij al een relatie met een jonge man. Marie is van slechte afkomst en haar ouders zijn arme mensen die gebrek leiden. Haar vader is een houthakker van de barones van Asse, maar ook een grote dronkaard. Marie is erop uit om van hem geld te krijgen. Het laatste argument van Peeter was dat de overmeier die Peeter had gearresteerd, ook de rentmeester van de barones was die het loon van Gillis betaalde en dat hij daarom niet onpartijdig was.

De aanklacht van Marie

De advocaat van Marie zei dat zij, voor Peeter T’ Sas haar tot ‘vleeschelijcke conversatie’ had verleid zij een ‘een onnoosel jonck meijsken’ van 17 of 18 jaar was die bij haar tante woonde. Die zou nooit aanvaard hebben dat zij zich niet correct zou gedragen. Hij ontkende ten stelligste dat Marie het voor geld had gedaan, ook al leefden haar ouders in armoede. Als bewijs van het schandaleus leven van Peeter haalde de advocaat de vonnissen aan van het Geestelijk Hof van 30 januari en maart 1649 en de vermaningen van de geestelijkheid. Die vermaningen heeft hij in de wind geslagen en hij zette zijn schandaleus leven voort. Na zijn vrijlating kwam hij dagelijks bij Barbara, de weduwe van Guillam De Valck, brandewijn drinken en trachtte hij Marie dronken te voeren. Omtrent vastenavond  van 1650 was hij laat bij de weduwe toegekomen. Barbara lag ziek in bed en haar kinderen waren al gaan slapen. Marie liet hij brandewijn drinken tot ze enigszins verheugd was. Hij beloofde haar geld te geven en dan heeft hij haar aangerand en dat deed zich nog enkele malen voor. Men kan dus niet beweren dat hij na zijn vrijlating zich voortreffelijk heeft gedragen.

De advocaat ontkende dat de ouders van Marie arme mensen waren die gebrek leden. Het zijn lieden met een goede naam die zoals vele anderen hun kost verdienen met arbeid.

Verhoor te Asse op 13 juni 1651, present de schepenen Peeter Van Mulders en Joos De Greve.

Op verzoek van de overmeier werden de volgende getuigen verhoord. Voor Peeter T’ Sas was zijn advocaat Bisschop aanwezig.

Joos De Nil, 51 jaar, inwoner van Mazenzele, was op Sint-Jansdag in het huis van Joos De Valck en zag er Peeter T’ Sas bier drinken met Marie Van Grimbergen. Hij weet echter niet meer of ze samen of apart zijn wegegaan. Hij is daaarna ook vertrokken naar Peeter Van de Velde om er zijn zaken te regelen. Bij zijn terugkeer zag hij Marie uit het korenveld van Peeter Driesschens komen. Op zijn vraag wat zij daar deed, antwoordde Marie dat zij naar de molen was geweest.

Anna De Valck, vrouw van Peeter Van Den Driessche, ouder dan 50 jaar, ging met een emmer water halen op Peeter Van Den Driessches Veldeken toen zij Marie tegenkwam die haar zei dat ze naar de molen ging. Toen zij voor de tweede keer water ging halen, hoorde zij een gerucht in het koren waarna Marie uit het koren kwam en op de weg zag zij Peeter T’ Sas staan. Of zij beiden in het koren waren geweest, weet zij niet. Wanneer het koren werd gepikt, zag zij een plaats waar iemand op de grond had gelegen. De jonge mannen van Mazenzele zijn de volgende dag met een trommel naar het korenveld getrokken om er een meiboom te planten, maar haar man verbood het omdat zij het koren zouden vertrappelen. Zij plantten dan de meiboom op de hoek van het veld en hingen er een brief aan. De meiboom heeft zij uitgetrokken en de brief wierp zij op de grond.

Vervolg van het verhoor op 10 juli 1651, present schepen Joos De Greve en griffier Adriani.

Gillis Van Grimbergen, 50 jaar, handwerker van Asse en vader van Marie, zei dat zijn dochter

aan hem en haar moeder na Sint-Jansdag meermaals heeft verteld dat Peeter T’ Sas haar tot gemeenschap heeft verleid ten huize van de weduwe van Guillam De Valck. Hij kwam er brandewijn drinken en hij drong er bij haar op aan om mee te drinken en als zij weigerde, goot hij de drank in haar hals. Hij had eerst saffraan in de brandewijn gedaan en haar kraag was helemaal geel. Met de belofte van ‘schinckcagiën’ kreeg hij haar zo ver dat ze op de zondag voor vastenavond hem ter wille was wanneer de weduwe ziek te bed lag. Over het voorval in het koren weet hij niets.

Joos De Valck, 50 jaar, handwerker van Mazenzele, gedaagd door Jan Gijsels, officier van Mazenzele, zag Peeter T’ Sas meermaals bij de weduwe van Gillis De Valck, maar hij weet niet of hij er brandewijn dronk. Op die zondag moest een van zijn kinderen voor Peeter en Marie bier halen. Nadat ze gedronken hadden, vertrok Marie als eerste.

Joos De Nil, 19 jaar, zag Peeter vaak in het huis van de weduwe van Guillam De Valck om brandewijn en ‘vettewarije’ te verkopen. Op Sint-Jan Baptistdag stond hij aan het muurtje van de lochting van zijn ouders en zag een vrouw langs de voor van het korenveld kruipen, Zij droeg een rood kleedje en kort daarna zag hij aan het korenveld een man staan waarvan hij dacht dat het Peeter T’ Sas was. Hij besloot zijn getuigenis met het verhaal over de meiboomplanting.

Daniel De Valck, 20 jaar, vertelde hetzelfde verhaal als Joos De Nil.

Vervolg van de verhoren op 11 juli 1651 door de schepen Peeter Van Mulders en Joos De Greve en griffier Adriani.

Marie De Hertoge, omtrent 57 jaar, vrouw van Gillis Van Grimbergen, verklaarde dat haar dochter Marie haar zei dat Peeter T’ Sas haar dwong brandewijn te drinken en als zij weigerde dan goot hij brandewijn met saffraan in haar nek. Hij wou met haar naar bed gaan en dat heeft zij dikwijls geweigerd zeggend dat “sij alle maenden moeste t’onsen heere gaen”. Hij antwoordde :”Ick moet oijck wel alle maenden t’onsen heere gaen, wat is daeraen gelegen, ick hebbe de andere wel gecontendeert, ick sal u oijck wel contenderen”. Met veel geloften heeft hij haar dan zover gekregen dat zij toegaf.

Vervolg van het verhoor op 24 juli 1651 door schepen Joos De Greve en griffier Adriani.

Marrie Van Grimbergen, 18 of 19 jaar, meid in Den Conick van Spaignen te Koekelberg, verklaarde dat Peeter T’Sas naar veel herbergen ging om er brandewijn te drinken en te schenken. Nadat hij uit de gevangenis was ontslagen [25] kwam hij weer bij haar tante brandewijn drinken en hij zette haar aan om mee te drinken. Dat gebeurde ook op vastenavond 1650. Nadat de weduwe en haar kinderen naar bed waren, moest zij hem brandewijn schenken. Zij stond nog in de winkel toen Peeter bij haar kwam en hij trachtte haar over de toog te trekken, wat niet lukte. Zij ging dan naar de keuken en hij volgde haar. Hij wou dat ze met hem meedronk. Gillis, de knecht van Peeter, kwam binnen, maar na een tijd viel hij in slaap en dan nam Peeter haar mee naar de voorvloer waar een hoop rapen lag. Hij wierp haar daarop en na meerdere kwelligen heeft hij met haar ‘vleesschelijck geconverseerd’. Omdat ze pijn had, wou ze roepen, maar hij zei: “Ingevalle ghij roept ick sal u den hals affsnijden”. Nadien beloofde hij haar een pistool te geven. Nog tweemaal had zij met hem gemeenschap. Eens toen zij naar de kerk van Baardegem ging en zij bij de kapel van Onze-Lieve-Vrouw-Lindeken was, leidde hij haar naar een graanveld en daarna gebeurde het nog eens in een korenveld.

Eens was zij klaveren gaan halen en Peeter kwam bij haar, trok de bundel klaveren van haar hoofd en wou met haar in het korenveld gaan. Een jonge man, die voor haar ging, draaide zich om en zo ontsnapte zij. Op Sint-Jansdag was zij met de dochter van Joos De Valck naar haar huis gegaan om er verkleedje te spelen. Met Joos en zijn kinderen heeft zij enkele glazen bier gedronken. Zij bleef er ongeveer een uur en op weg naar huis vond zij Peeter aan het korenveld. Hij beloofde haar een pattacon [26] te geven en hij leidde haar in het koren en deed ‘sijne wille’ met haar. Enkele mensen hebben dat gezien want jonge mannen van Mazenzele hebben korte tijd daarne een meiboom aan het korenveld geplant. Toen haar tante dat vernam, moest zij haar huis verlaten. Ze ging bij haar vader wonen, maar wanneer hij vernam wat er in het korenveld was gebeurd, dreigde hij haar te doorschieten en dan heeft zij alles aan hem bekend.

Op 27 juli 1651 kwam als laatste Abraham Van Damme aan de beurt. Deze 18 jarige, kleermaker van Mazenzele, herhaalde de al gekende feiten en bracht geen nieuwe informatie aan.

Reacties van Peeter T’Sas en de overmeier na de verhoren .

Het proces bleef aanslepen met antwoorden, replicque, duplicque en reprochen . We hebben de lange lijsten met argumenten en tegenargumenten hier kort samengevat. 

Peeter T’ Sas stelde dat hij inderdaad bij de weduwe van Guillam De Valck kwam om brandewijn drinken, wat niet verboden is. Hij ontkende nadrukkelijk dat hij daar Marie Van Grimbergen heeft verleid, dat hij met haar gemeenschap had op vastenavond en dat hij met haar in het korenveld is geweest. De meiboomplanting van de jonge mannen van Mazenzele was een ‘onnooselheijd’ die met hem niets te maken had.

Peeter stelde dat het alleen bewezen is dat hij met Anneken Meerschman heeft geslapen. Met Marie Van Grimbergen heeft hij alleen brandewijn gedronken. Hij vond het ook onaanvaardbaar dat de overmeier voortdurend naar de zaak van Anneken Meerschman verwees. Dar porces was afgesloten en men kan niet iemand tweemaal straffen voor dezelfde feiten. De beschuldiging dat hij op zon- en feestdagen in de herbergen met jonge meisjes brandewijn dronk, is zeer ‘abusievelijck’ Hij kan bewijzen dat hij de goddelijke diensten als de besten bijwoonde.

Volgens de overmeier is de gearresteerde Peeter T’ Sas onbetrouwbaar zoals blijkt uit het feit dat hij beweerde dat hij een militair was. Hij is bovendien frivool als hij de beschuldigingen, ook die van het Geestelijk Hof,  onnozel noemt. Nu doet hij zich voor als een heilige, maar het betaamt niet dat een gehuwd man die ‘suspect is en in vorige tijden alnoch van ‘sulcke feminine ofte venericque sieckte sieck is geweest sal gaen in den brandewijn met jonge meijskens’.Kort na zijn vrijlating door het Geestelijk Hof liep hij al heel Mazenzele af om te zien wie hij tot zijn wil zou krijgen.

Uitspraak van de schepenen van de Vrijheid en het Land van Asse

Na advies van geleerden en meesters in de rechten verklaarden de schepenen op 31 decemver 1651 het verzoek van de overmeier in de zaak van peeter T’Sas als niet ontvankelijk.

Nieuwe feiten

Op 10 april 1652 bracht overmeier Van den Slachmolen nieuwe feiten aan.

1. De gearresteerde Peeter T’ Sas heeft ‘vleeschelijcke conversatie’ gehouden met Anna De Meerschman en haar moeder Marie De Clerck en anderen tot groot schandaal van heel de wereld en waarvoor het werd gestraft door de aartsbisschop van Mechelen 30 januari en 23 maart 1649.

2. Voor zijn vrijlating moest hij zich borg stellen voor 5000 rijnsgulden dat hij Anneken De Mmeerschman niet meer zou bezoeken omdat ze inmiddels was getrouwd.

3. In maart 1650 was Anneken bij haar moeder Marie De Clerck gekomen en de gearresteerde is er bij Anneken komen slapen hoewel hij maar twee boogscheuten van zijn woning was..

4. Zijn vrouw is de volgende morgen vroeg met een stok naar het huis van Marie De Clerck gegaan, klopte er op de deur en vroeg aan Marie die de deur opende: ”Ghij oude coppellersse waer is mijnen man”? Marie loochende dat haar man daar was .De vrouw wou naar boven gaan, maar Marie was haar voor en sloot de kamerdeur. De vrouw werd ‘grammoedigh’ en er ontstond een gevecht waarbij Marie op de grond viel.Peeter kwam uit de kamer, trok zijn vrouw weg van Marie en vluchtte het huis uit.

5. De gearresteerde wist de overmeier te misleiden met de opmerking dat er een geval van litispendentie [27] was met het Geestelijk Hof. De overmeier wendde zich tot de griffier van het Hof om het vonnis in te kijken. Hij vernam dat er nog geen conclusie was genomen en de procureur toonde hem de akte van desisteringhe [28] waardoor er voor hem geen beletsel meer was op Peeter te vervolgen.

Reactie van Peeter T’Sas

Hij haalde de getuigenissen onderuit.

1. De verwijten van de overmeier zijn crimineel. Zijn argumenten hadden zo klaar moeten zijn als het licht van de middagzon, maar dat zijn ze niet.

2. Zo weet hij niet of Marie Peeter had uitgenodigd om bier te drinken op Sint-Jansdag of omgekeerd. Het enige wat de overmeier zijn arrestant kon verwijten, was dat hij Marie uit het huis heeft zien vertrekken en dat hij Peeter op de weg heeft zien staan. Is dat een crimineel feit?

3. Men kan om allerlei redenen in een korenveld gaan: uit natuurlijke nood, om een bloempje te plukken of om onkruid te wieden en dergelijke.

4. Het gaat pas om een misdaad als iemand hen beiden bezig had gezien.

5. De overmeier heeft tot versterking van zijn argumenten verklaard dat hij heeft horen zeggen dat er in het koren een plaats waar iemand had gelegen en dat de jeugd van Mazenzele er een meiboom heeft geplant. Hij weet niet wie die ligplaats heeft gemaakt en daardoor is zijn argument waardeloos.

6. Het bewijs van Anna De Valck is al even waardeloos. Zij heeft een gerucht in het koren gehoord, maar weet niet wie dat gerucht maakte.

7. Gillis Van Grimbergen is geen onpartijdige getuige door zijn vaderliefde. Hij verzwijgt wat zijn dochter met andere mannen heeft gedaan. Zij is de bron van al wat in Asse en Mazenzele valselijk wordt gezegd. Haar vader had beter gezwegen in de plaats van haar nog meer oneer aan te doen.

8. Ook Joos De Valck heeft alleen maar getuigenissen van horen zeggen.

9. Joos De Nil heeft twee personen uit het koren zien komen, maar kende die personen niet.

10. Daniël De Valck verklaarde dat Peeter en Marie samen gedronken hebben en niet dat zij samen ooit ‘onbehoorlijck met malcanderen souden hebben geconverseerd’.

11. Wat Peeter de vader van Marie verwijt, geldt ook voor Marie De Hertoghe, de moeder van Marie. Zij is besmet met haat tegen Peeter en vol van moederlijke affetie voor haar dochter.

12. Marie Van Grimbergren maakte haar ‘eijgen vuijlicheijt’ openbaar. Zij had beter gezwegen want nimand kon een bewijs leveren dat zij met Peeter had geslapen.

13. De overmeier heeft door de arrestatie zijn goede naam aangetast en dat door de klachten van iemand die al lang met ‘hoererije’ bezig is.

14. Marie kan de avond waarop Peeter haar zou aangerand hebben niet exact aanduiden. Zij spreekt van omtrent vastenavond, haar ouders verklaarden dat het de zondag voor vastenavond was en de overmeier beweerde dat het de avond voor vastenavond was.. Als zij ‘merckelijcke peijnen’ had toen haar maagdelijkheid geweld werd aangedaan dan zou ze nog exact weten welke avond dat was. Peeter besluit daaruit dat zij al meer aan de dans is geweest.

15.  Als Marie zo’n pijn heeft geleden, waarom heeft zij dan niet geroepen?

16. Met haar verklaringen heeft Marie zichzelf van lichtvaardigheid en onkuisheid beticht en daarvoor werd zij niet gesanctioneerd.

17. Volgens haar heeft Peeter haar zijn wil willen opdringen op een bundel klaveren in een korenveld en dat is niet gebeurd omdat een jongen hen had gezien. Dat betekent dat, als de jongen daar niet was, dat zij bereid was te zondigen.

18. De jury moet oordelen of een vrouw die zo ongedwongen haar schanduleus leven uitstrooit,

haar evennaaste geloofwaardig kan beschuldigen.

19. Zij wil de overmeier met strafbare leugens dienstig zijn

20. Abraham Van Damme heeft geen eed afgelegd en zijn getuigenis is dus nietig ook al omdat wat hij getuigde, weet van horen zeggen.

21. Geen enkele getuigen heeft de feiten gezien. Er is alleen de klacht van een lichtzinnige dochter die de eer van een eerlijk man heeft aangetast.

Naar de Raad van Brabant

Vermits Peeter bij de schepenen van het Land van Asse, naar zijn mening, geen gehoor vond, richtte hij zich tot de Raad van Brabvant. Die oordeelde op 24 mei 1653 dat de schepenen binnen de 14 dagen alle verklareingen met nieuwe feiten zouden verifiëren. Zie onderstaande brief.

“Philips bijder gratiën Godts coninjck van Castilliën, Leon, van Arragon etca. Eerstshertoge van Oistenrijck, hertoge van Lotrijck, van Brabant etca. Onse lieve ende beminde die schepenen der vrijheijt ende lande van Assche saluijt Wij hebben ontfangen die supplicatie van Peeter t’Sas inhoudende hoe dat hij suppliant voors. proces soude moeten sustineren tegen den overmeijer aldaer inne soo verre soude sijn geprocedeert dat hij suppliant heeft gedient van reprochen tegen den thoon des voors. overmeijers welcke hij heeft geposeert diversche peremptoire feijten dienende tot sijnder absolutie maer want hij beducht dat hij daerop niet en sal worden geadmitteert ten thoone soo badt hij ons oijtmoedelijck om onse opene brieven van relievement precis daertoe dienende waeromme soo eest dat Wij desen aengesien u ontbieden ende bevelen daertoe committerende bij desen dat die voors. partijen off hunne procureurs voor u in rechte geroepen sijnde Wij alsdan inden gevalle als boven admitteert ende ontfanght den voors. suppliant den welcken Wij bij u geadmitteert ende ontfangen willen hebben om alnoch binnen vierthien toecommende daeghen die voors. ende andere feijten te mogen dienen bij nieuwe feijten ende de selve daernaer te verificeren partije geheel in haere contrarie feijten ende defensie den staet van de saecke niettegenstaende waeraff midtsgaeders van alle andere negligentiën ende versuimptheden bij den voors. suppliant off van sijnen twegen daerinne eenichsints gecommitteert Wij den selven in den gevalle als boven hebben gereleveert ende releveren  vuijt onse sonderlinghe gratie bij desen mits betaelende die costen van retardatiën bij soo verre nochtans alsdaer eenighe sijn t’uwer taxatie ende moderatie want ons alsoo gelieft. Ghegeven binnen deser onser stadt Brussel den vierentwintichsten mei XVI° drijenvijftich.

Bij den Coninck in sijnen Raede: Defren.”

Dat was niet naar de zin van de overmeier. In een brief aan de kanselier stelde hij dat de tegenpartij het proces alleen maar liet aanslepen en dat na alle getuigenissen en reacties van beide partijen een vonnis kon volgen. Hij stelde de Raad voor om de tijd voor het indienen van nieuwe feiten te beperken tot tweemaal drie dagen. Het gevolg van de interventie van de Raad was dat er nieuwe verhoren plaatsvonden. Wat het resultaat daarvan was, weten we niet want het vonnis ontbreekt.

Verhoor op 14 juni 1653 voor de overmeier door schepen Joos De Greve en griffier Adriani

Jan Van Der Slachmolen, 41 jaar, schepen tot Asse en brouwer, getuigde dat Peeter T’ Sas na zijn gevangenis zich altijd eerlijk en degelijk heeft gedragen. Zijn vrienden en kennissen zijn van de treffelijkste mensen van de parochie. Van Gillis Van Grimbergen [29] en zijn vrouw wist hij dat het arme mensen zijn. Gillis is een grote dronkaard die zich soms zo bedrinkt dat hij buiten zijn verstand is. Hij werkte als houtkapper voor de barones van Asse.

Jan Meert, 68 jaar, bospreter [30] van de barones van Asse, legde dezelfde getuigenis af als Jan Van der Slachmolen.

Michiel De Nil, 39 jaar, beenhouwer te Mazenzele, wist dat Marie Van Grimbergen, de dochter van Gillis, bekend was voor haar ‘oneerlijcke handel met jonghmans’ al voordat T’ Sas uit de gevangenis was ontslagen.

Meester Joos De Ridder, chirurgijn, 21 jaar, had vernomen dat Marie, toen de gedaagde T’ Sas nog in de gevangenis zat, bij een jonge man uit de buurt van de weduwe van Guillam De Valck woonde.

Joos De Nil, een arbeider uit Mazenzele, 53 jaar, volgens hem woonde Marie bij de weduwe De Valck en was zij zeer lichtvaardig. Met de gedaagde heeft zij vaak gesproken in herbergen en elders, en altijd was hij eerlijk en degelijk.

Jan De Nil, kleine wever van Mazenzele, 26 jaar, vertelde dat Marie, voor zij de gedaagde kende, al met andere mannen te doen had en van Jan De Ridder weet hij dat die met Marie Marie ‘vleeschelijcke conversatie hadde gehouden’ waarvoor hij door anderen dikwijls werd bespot. Peeter T’ Sas daarentegen was na zijn ontslag de treffelijkste van de buurt voor zijn gezin en de dienstboden. Hij onderwees zijn kinderen.

Peeter Van Den Driessche, een arbeider van 58 jaar uit Mazenzele, legde dezelfde verklaring af als Jan De Nil.

Vervolg van de verhoren op 9 juli 1653

Adriaen Van De Velde, 64 jaar, een arbeider uit Asse, Cornelis Van De Velde, 66 jaar, ook een arbeider uit Asse en Guillam Van De Velde, 70 jaar, kenden Gillis en zijn vrouw Marie De Hertoghe die in hun buurt woonde. Het zijn eervolle lieden, maar Gillis is verslaafd aan drank en tabak waarvoor hij veel geld nodig heeft.

Vervolg op 6 augustus 1653

De advocaat van Peeter T’Sas, Bisschop, verzette zich tegen een verhoor van de weduwe van Guillam De Valck, van haar broer Steven De Valck en van haar kinderen omwille van de verwantschap met Marie. Maar Slachmolen betoogde dat zij mensen zijn met een goede naam. Zij kenden Marie het beste en zullen zeker hun zielenzaligheid in gedachten houden en de waarheid spreken. Barbara De Hertoge, 60 jaar, weduwe van wijlen Guillam De Valck, verklaarde dat Marie, de dochter van haar zus, in 1650 bij haar heeft gewoond. Van Marie werd toen verteld dat zij met Peeter T’Sas in het koren was geweest. Zij heeft haar dan uit haar huis gezet. Dat Marie met Jan De Ridder, die bij haar zoon werkte, te doen had, weet zij niet. Van Gillis en zijn vrouw getuigde ze dat het hardwerkende mensen zijn.

Steven De Valck, 30 jaar, een kleermaker uit Mazenzele, bevestigde dat zijn moeder Marie uit haar huis heeft gezet toen bekend werd dat zij met Peeter T’ Sas in het koren van Peeter Van den Driessche was geweest. Van een relatie van Marie met Jan De Ridder en van een drankverslaving van Gillis Van Grimbergen weet hij niets. Zijn broer Daniel De Valck, 22 jaar en bakker te Mazenzele, zei hetzelfde evenals Van Damme, de 21-jarige  knecht van Steven De Valck. Hendrick De Valck, zoon van Guillam, 32 jaar en biertapper te Mazenzele, voegde nog een interessante anekdote aan het getuigenis van zijn voorgangers toe. Toen in Mazenzele het gerucht de ronde deed dat Peeter T’ Sas met Marie in het korenveld was geweest, gingen enkele jonge mannen met een trommel een meiboom uit het Kravaalbos halen en plantten die op een veld en hingen er een brief aan met een verklarende tekst.

1659 – Wie schoot Peeter Cortvrint dood[31]?

3 november, de feestdag van Sint-Hubertus patroon van de jagers, is een kermis dag in Asse-Terheide. Dat was in 1659 ook het geval en de jonge en oudere jeugd uit heel de omgeving trok naar de kermis. Naar goede gewoonte bezochten ze de herbergen waar een speelman, een muzikant, zorgde voor vermaak en plezier. Ook naar een – weliswaar minder goede gewoonte – werd er veel gedronken. Een verkeerd woord of gebaar leidde al snel tot ruzie en vechtpartijen waar soms zwaar gewonden vielen, zeker als er bij waren met een mes of zelfs met een pistool op zak. Dat was ook het geval op 3 november 1659 waar een Teralfenaar met een Assenaar een ruzie had die uitliep op een gevecht waar anderen de vechters ter hulp kwamen. De gemoederen geraakten zo opgehitst dat er op elkaar werd geschoten en ditmaal met een dodelijke afloop.

De hoofdmeier van het Land van Asse stelde onmiddellijk een onderzoek in. De schepenen ondervroegen 14 getuigen, maar de waarheid achterhalen, namelijk wie loste het dodelijke schot, was geen eenvoudige zaak. Het was immers nacht en meerderen hadden een geweer bij. Dit dossier is onvolledig, het vonnis ontbreekt, al kunnen we vermoeden dat de dader niet werd gevonden.

Register der overlijdens te Essene 1659.

Is gedood door moordenaars op 3 november (1659) Petrus (De) Curtvrindt in het bos gewoonlijk genoemd “Den Nieuwenbosch” begraven op het kerkhof.

Informatie preparatoir op verzoek van de hoofdmeier van het Land van Asse en meijer tot Asse op 6 november 1659 door de schepenen Gillis Breem en Joos Van Ginderachter

Op 3 november 1659 brak er een gevecht uit in de herberg van Lieven Van (Der) Eecken  pachter en inwoner van de Vrijheijt van Asse, omtrent 53 jaar. Hij getuigde dat op die dag, Sint-Hubertusdag, kort na de middag Aert, Carel, Jan en Joos Eeckhout, Peeter Cortvrint, Peeter van Den Broeck, Peeter Linthout, Peeter De Brauw, Adriaen Eeman, Adriaen Van Langenhove en Jan Van Der Borcht, allen inwoners van Teralfene bij hem op de kelderkamer waren gekomen om er bier te drinken. Het ging er vrolijk aan toe. Rond 8 uur kwam Adriaen De Sager  toe die ook naar de kelderkamer ging, maar korte tijd daarna in de nederkamer verscheen omdat, naar hij zei, die van Teralfene hem hadden geslagen. Lieven vreesde voor ruzie en vroeg Adriaen De Sager om te zwijgen.

Wat later daagden Hendrick Van Den Bossche en Gillis Fasseel met Peeter De Brauw in de nederkamer op. Peeter De Brauw vroeg aan Hendrick Van den Bossche waar zijn pattacons  waren. Ze begonnen te vechten, maar de groep van Teralfene schoot De Brauw ter hulp. Hendrick Van den Bossche kreeg een flink pak slagen en dan wendden ze zich tot Gillis Fasseel die hen toeriep: “Waeromme slaet gijlieden mij daer ick u niet misdaen en hebbe”? Uiteindelijk konden beiden het huis uitvluchten. Om hun woede te botvieren sloegen de Teralfenaars ook Aert Van Den Bossche de Jonge, een jonge man uit Sint-Ulriks-Kapelle en de zoon van Lieven. Dan keerden de Teralfenaars terug naar de kelderkamer en bleven er drinken.

Hendrick Van Den Bossche en Gillis Fasseel keerden echter terug met een voor Lieven onbekende man. Van den Bossche riep: ”Waer sijn nu die van Ter Alphen”? Die van Teralfene sprongen op de voorvloer en het gevecht herbegon. Carel Eeckhout kreeg van Van den Bossche een slag met een stok op zijn rug en liep naar buiten. Hij werd gevolgd door De Brauw en Van den Bossche. Een van Teralfene gaf vuur aan Van den Bossche, maar zijn geweer ging niet af. Daarop liep hij met Gillis Fasseel naar de keuken wat Lievens dochter kon verhinderen door snel de keukendeur te sluiten. De twee trachtten de deur te forceren en Van den Bossche loste zelfs een schot op de deur. Herbergier Lieven vreesde voor meer kwaad en liet hen in de nederkamer en sloot de deur. Na enige tijd vroeg hij de Teralfenaars wat zij wilden. Tot zijn ontzetting richtten ze drie geweerlopen op hem en vroegen van welk volk hij was. Lieven antwoordde: “Wat wilt gij doen? Wilt gij ons allemael vermoorden?” Zij antwoordden: “U niet”. Met zijn schoonzoon Joos Robijns  en zijn dochters bleef hij in de keukendeur staan. Met geweld geraakten de Teralfenaars binnen en wilden dan naar de nederkamer gaan waar Van den Bossche en anderen opgesloten waren. Lieven en zijn dochters konden hen overtuigen om naar de kelderkamer terug te keren. Ondertussen vertrokken de anderen uit de nederkamer, maar enkele mannen van Teralfene zijn hen gevolgd tot achter het huis. Lieven sloot snel de voordeur. Die mannen keerden echter terug en omdat ze op de deur bleven kloppen liet hij hen binnen. Zij riepen de anderen op om met hen weg te gaan. Aert Eeckhout en Adriaen Van Langenhove zijn blijven slapen en zijn ’s morgens, zonder dat Lieven hen heeft gezien, vertrokken.

’s Anderendaags vernam Lieven dat Peeter Cortvrint in Den Nieuwenbosch, niet ver van zijn huis, op de weg naar Teralfene dood werd aangetroffen. Hij vernam ook dat Jacques Van Tasselt en Joos Brussels en anderen van Teralfene tot aan Den Nieuwenbosch zijn gegaan.

Tot slot zei hij dat de mannen van Teralfene in zijn huis veel ‘insolentiën  ende moedwillicheden’ hebben bedreven en dat Peeter Cortvrint in zijn keuken een pot kapot heet gelsagen.

Gillis Eyckeman, een jonge man van Sint-Ulriks-Kapelle, 26 jaar, speelde op de derde november op de kelderkamer voor de mannen die daar waren, waaronder Aert Eeckhout. Hun namen werden opgeschreven en aan de waardin gegeven om het gelag te betalen. Tot twee of drie keer toe zag hij de mannen van Teralfene van de kelderkamer naar de achtervloer en de keuken lopen en hij hoorde hen vechten. Hij heeft hen ook zien schieten naar de deur waarvan een schoot door de deur is gegaan en een ander schot trof  de onderdorpel. Hij heeft ook vernomen dat die van Teralfene naar buiten zijn gegaan en dat achter hen de voordeur werd gesloten. Zij keerden terug en omtrent 11 of 12 uur zijn ze samen vertrokken behalve Aert Eeckhout en Adriaen Van Langenhove die zijn blijven slapen. De volgende dag om 9 uur hoorde hij dat men Peeter Cortvrint dood had gevonden in Den Nieuwenbosch.

Joos Robijns, pachter inwoner van Meldert, omtrent 30 jaar, somde op welke Teralfenaren er op de kelderkamer waren: de broers Aert en Carel Eeckhout, Jan Eeckhout, Joos Eeckhout, Peeter Linthout, Adriaen Van Langenhove, Peeter Van Den Broecke, Adriaen Eeman, Hendrick De Reuse, Peeter De Brauw, Jan Van Der Borcht en Peeter Cortvrient. In het huis waren Joos Meert, Carel Rogiers en enkele andere personen. In de nederkamer zaten Hendrick Van Den Bossche, Gillis Fasseel en nog anderen. Hendrick Van Den Bossche daagde die van Teralfene uit om met vijf tegen vijf te ‘hutsen’ voor zeven pattacons  Van Den Bossche, Aert Eeckhout en zijn broer Carel, Peeter De Brauw en Gillis Fasseel gingen naar de nederkamer. Al vlug ontaardde het spel in een vechtpartij waarbij anderen van Teralfene zich aansloten. Aert Van den Bossche werd hard geslagen waarop Joos Robijns erin slaagde de vechters te scheiden. De mannen van Teralfene gingen terug naar de kelderkamer en de waard sloot snel de keukendeur. Joos merkte op dat Hendrick Van den Bossche op de achtervloer hard met een stok op Carel Eeckhout sloeg. 

Dat die van Teralfene met hun roers hebben geschoten vernam hij pas de volgende dag. Van der Eecken had na het schot op de voordeur de keukendeur geopend en vroeg aan de Teralfenaars of zij zich niet schaamden om zo’n krakeel te maken. Enige tijd later vertrokken de meeste bezoekers behalve Aert Eeckhout, Jan De ? en Adriaen Van Langenhove die bleven slapen. ’s Anderendaags hoorde hij van Jan De Witte dat die ’s nachts had horen schreeuwen en dat men Peeter Cortvrint nabij Den Nieuwenbosch dood had aangetroffen.

Joanna Van Ginderachter, vrouw van Jan Meert, brouwer te Asse-Terheide, 55 jaar, had haar blad met de namen van de betalers van het gelag aan de commissarissen gegeven. Het waren de namen van de mannen die in haar herberg op de kelderkamer bij de speelman waren: Peeter Mannaert, Laureijs Robijns, Michiel Geeroms, Andries Boeghman, Joos Brussels, Jan Knecht, Peeter Van Den Dries, Jan Vermoesen, Jaecques Goeman, Franchois Smeth, Peeter Smeth, Louis Fasseel, Peeter Van Der Slachmolen, Jaecques Van Tasselt, Merten Clerens, Pauwel De Bruker, Peeter een knecht van het Hof te Putte, Gillis De Greve en een knecht van de abdij. De meesten zijn er tot ongeveer 11 uur blijven drinken. Omtrent die tijd kwamen Gillis Fasseel en Hendrickx’ zoon bij haar dochter op de voorvloer en vroegen een pint bier. Ze vertelden haar dat ze bij Lieven Van der Eecken  door mannen van Teralfene waren geslagen en dat ze nu teruggingen om de anderen te helpen. Toen haar dochter met de pinten kwam, waren de twee al vertrokken. In haar huis bleven toen nog Peeter Mannaert, Laureijs Robijns, Michiel Geeroms, Gillis De Buijst met nog enkelen die ze niet kende en op het bed lagen te slapen. De volgende morgen vertelde Jacques Van Tasselt, de kok van Affligem, haar dat hij en zijn vrienden die van Teralfene tot aan de vijvers van Koudenberg hadden verjaagd.

Marie Meert, dochter van Jan Meert, 22 jaar, verklaarde dat op Sint-Hubertuskermis 

Hendrick Van den Bossche uit De Valck te Asse en Gillis Fasseel bij hen aanklopten en om een pot bier vroegen. Toen zij met de potten kwam, waren de twee verdwenen met nog Jacques Van Tasselt en anderen die in de herberg van haar vader zaten. Jacques keerde later terug en zei dat hij in de herberg van Lieven Van der Eecken door mannen van Teralfene zwaar was geslagen. Later op de avond was er veel krakeel in de buurt van de Cocxheide, niet zo ver van haar huis. Daarop zijn Van Tasselt, Joos Brussels en anderen naar buiten gelopen. In de kamer blevenzitten Peeter Mannaert, Laureijs Robijns, Michiel Geeroms, Gillis De Buijst, Merten Clerens en nog enkelen. Zo’n uur later kwam Brussels terug en zei dat er dat ze de mannen van Teralfene van bij Van der Eecken tot aan Koudenberg hadden verjaagd.

Gillis Meert, zoon van Jan, 24 jaar, herinnerde zich dat Jaecques Van Tasselt, Louis Fasseel, Joos Brussels en anderen tot ongeveer tien uur in zijn vaders herberg zaten bij de speelman tot Hendrick Van den Bossche en Gillis Fasseel kwamen zeggen dat ze bij Lieven Van der Eecken lelijk waren toegetakeld. Van Tasselt is met hen meegegaan, bleef enige tijd weg en zei bij zijn terugkeer dat ook hij was geslagen. Van den Bossche zou bij Lieven hebben gevraagd waar de Teralfenaars waren want er was nu volk genoeg om hen aan te pakken. Maar onmiddellijk kwamen die van Teralfene en gooiden hem op de grond, sloegen hem tot hij naar de keuken kon vluchten. Later hoorden ze lawaai op de Cocxheide. De volgende morgen vertelde Van Tasselt dat ze de Teralfenaars tot in Den Nieuwenbos hadden gejaagd en dat er daar vijf of zesmaal werd geschoten.

Peeter Meert, zoon van Jan, 23 jaar, weet van zijn zus dat Gillis Fasseel en de zoon van De Valck (Hendrick Van den Bossche) de mannen die in de herberg waren om hulp kwamen vragen. De volgende morgen zei Jacques Van Tasselt hem dat hij ‘oock in de bataille hadde geweest’ tot in Den Nieuwenbos en dat die van Teralfene daar hebben geschoten en dan wegliepen gelijk hazen.

Vervolg van de verhoren op 7 november 1659 door Van Ginderachter.

Peeter George, 24 jaar, paardenknecht bij Van Ginderachter, pachter te Krokegem, was met Anthoen Van Laethem op de kermisdag in de herberg van Jan Van Waijenberge tot omstreeks 12 uur. Op weg naar huis hoorden zij aan het huis van Jacop Looman geroep alsof er werd gevochten bij Jan Meert en iemand die riep: “Schiet bij Godt, staet bij Godt “ en dergelijke. Hij hoorde meerdere schoten van ‘roers’ of pistolen. Zij gingen kijken wat er gaande was en aan het hopveld achter het huis van Jan Meert ontmoetten zij Pauwel De Bruker, knecht in De Valck en nog vijf andere personen. Die dachten dat zij van Teralfene waren, maar toen ze Van Laethem herkenden, vroegen ze: “sa laet ons die van Teralphene aengaen off aentasten gelijck sij ons hebben gedaen”. Samen net Anthoen volgde hij die mannen tot op de Cocxheide waar 21 mannen van Asse stonden. Iemand hoorde een van de Teralfenaars zeggen dat ze naar Den Nieuwenbos gingen. Heel de groep Assenaars liep door de velden van de Neerheide om de Teralfenaars de weg af te snijden. Die waren hen echter voor. Een Assenaar riep: “Sa ghij hout sotte waer sijt ghij nu compter nu vuijt, wij sijn nu volck genoech comter vuijt”.Het antwoord was: “Sa allons”.en er klonken drie schoten zonder dat Peeter wist wie naar wie had geschoten. De Assenaaren wilden het bos omsingelen, maar troffen geen Teralfenaars meer aan en gingen dan maar naar huis. Van de personen die naar Den Nieuwenbos gingen, kende hij alleen Anthoen Van Lathem, Joos Brussel, Jaecques Van Tasselt, Pauwel De Bruker en de zoon van De Valck.

Vervolg van de verhoren op 8 november 1659 door de schepenen Slachmolen, Joos Van Ginderachter en Gillis Breem.

Ingel De Buijst, pachter van Asse, omtrent 34 jaar,  was met zijn schoonbroers Merk en Peeter Coppens, Jan Coppens, zoon van Joos zoon van Joos en Matthijs De Doncker, allemaal van Sint-Ulriks-Kapelle, in de keuken van Lieven Van der Eecken. Op de kelderkamer zaten mannen van Teralfene die daar ‘vele insolentiën ende moedwillicheden’ bedreven. Hij zag hoe ze Aert Van den Bossche sloegen en ook hij kreeg enkele klappen zonder dat hij hen enige aanstoot had gegeven. Hij besloot om samen met zijn schoonbroers weg te gaan. In het straatje naar Asse werden ze gevolgd door Teralfenaars die hen toeriepen dat ze moesten stoppen.en naar hen schoten. Ingel en zijn vrienden renden in verschillende richtingen. Enige tijd later kwamen ze weer samen en op hun beurt de Teralfenaars te achtervolgen tot aan Den Nieuwenbos, maar van hun belagers was er niemand te zien.

Marie Kieckens, vrouw van Lieven Van Der Eecken, 56 jaar, herinnerde zich dat op die kermismaandag Peeter Cortvrint in de keuken kwam bij Jan De Witte, zoon van Jan. Samen dronken ze acht of negen glazen bier tot Cortvrint een pot in stukken sloeg en naar de kelderkamer terugkeerde. Korte tijd later stond hij weer in de keuken en zei dat De Witte evenveel bier moest drinken als hij. Toen de andere Teralfenaars ook in de keuken kwamen, ontstond er een gevecht en er werd zelfs geschoten. Geeraert Eeckhout van Belle (Essene) zag ze met Hendrick Van den Bossche worstelen. Later kwam Geeraert met een stok binnen op zoek naar Teralfenaars. Die kwamen direct aangelopen en sloegen met de kolf van hun geweren. Marie kreeg schrik en verstopte zich in de bottelarij. Dan hoorde ze de mannen van Sint-Ulriks-Kapelle naar buiten gaan al schietend met hun geweren. Terug in haar huis stonden 12 of 13 mannen op haar te wachten. Marie stelde voor dat zij voor hen ‘pallas’ zou maken, maar ze wilden vertrekken. Pas de volgende dag vernam ze dat Peeter Cortvrint was doodgeschoten.

Jan Van Buggenhout, paardenknecht bij Peeter Van Den Driessche, omtrent 28 jaar, zat in de herberg van Jan Meert toen Hendrick Van den Bossche binnenkwam en Jacques Van Tasselt aansprak. Die stelde voor om te gaan zien wat de Teralfenaars bij Lieven Van der Eecken wilden en hij vertrok met Van den Bossche en Gillis Fasseel. Jan ging met hen mee naar de herberg. Toen ze naar binnen gingen, bliezen de Teralfenaars het licht uit, sloten de voordeur en sloegen hen met hun geweren. Jan was zo hard gewond dat hij de volgende dag niet kon werken. Uiteindelijk konden ze naar de keuken en de nederkamer ontkomen. Toen ze de Teralfenaars in de kelderkamer hoorden dansen en springen, zijn ze naar de herberg van Jan Meert gegaan en hij is er de hele nacht blijven slapen naast Gillis De Buijst en een ‘cremer’ uit Aalst. Jacques Van Tasselt heeft hij niet meer gezien .’s Anderendaags hoorde hij dat een van de Teralfenaars, Peeter Cortvrint was doodgeschoten.

Petronella Van Der Eecken, omtrent 25 jaar, zag dat Peeter De Brauw  uit Teralfene met  Hendrick Van Den Bossche ruzie had over ‘hoetsen’. De Brauw riep: “Sa bij Godt langht u seven pattacons op” waarop Van den Bossche antwoordde: “Langht gij u seven pattacons op” en het gevecht begon. Aert en Carel Eeckhout schoten Peeter De Brauw te hulp. Carel Eeckhout sloeg Aert Van Den Bossche de Jonge met zijn vuisten en schopte op zijn hart. Uiteindelijk gingen Aert en Carel Eeckhout naar de kelderkamer en Gillis Fasseel en Hendrick Van Den Bossche bleven nog wat met Petronella in de keuken en vertrokken. Later kwam Hendrick Van Den Bossche weer met Jaecques Van Tasselt, Jan Van Buggenhout en de zoon van Gillis De Greve. Toen op zijn geroep vijf Teralfenaars in de voorvloer kwamen, vluchtte Van den Bossche naar de keuken en Petronella sloot onmiddellijk de deur. De Teralfenaars bonkten op de deur en losten enkele schoten. Haar vader opende dan de deur en vroeg aan de belagers of zij hen wilden ombrengen. Carel Eeckhout antwoordde: “Sa bij Godt, wij willen sien wat volck gij in uwe keuken heb”. In de keuken was er niemand meer daar ondertussen de mannen van de keuken naar de nederkamer waren gegaan en de Teralfenaars keerden naar de kelderkamer terug.

Toen iedereen was vertrokken, hoorde zij nog schoten en kort daarna klopten de Teralfenaars op de voordeur. Zij wilden  Adriaen Van Langenhove, Peeter Linthout en nog een Teralfenaar, die op de kelderkamer lagen te slapen, meenemen. Haar moeder stelde voor dat zij voor hen ‘paillas’ zou maken omdat zij vreesde voor nog meer gevechten. Maar de Teralfenaars betaalden hun gelag en gingen naar huis.

Gillis Fasseel , zoon van Nicolaes, 24 jaar, zat met Guilliam Van Mulders, zoon van Gillis in de herberg van Lieven Van Der Eecken. Het was al avond toen Hendrick Van Den Bossche en Peeter De Brauw in de nederkamer kwamen, ruzie maakten over zeven pattacons en begonnen te vechten. Aert Eeckhout en andere Teralfenaars stormden binnen om De Brauw te helpen. Ze sloegen ook Gillis tot hij en Hendrick Van den Bossche konden wegvluchten tot bij Jan Meert. Daar vertelde hij dat mannen van Teralfene hem hard hadden geslagen. Hij keerde daarop terug naar Lieven Van der Eecken, maar durfde door het gekrakeel niet naar binnen gaan en hij verstopte zich in het wagenhuis tot het stil werd. Dan heeft hij zijn gelag betaald en is met Van den Bossche vertrokken. Onderweg werden ze achternagezeten door de Teralfenaars en er werd zelfs op hen geschoten. Hij kreeg een slag op zijn knie waardoor hij Hendrick niet kon volgen. Hij slaagde erin om zich in een rapenveld te verbergen waar hij  in slaap viel. Toen hij wakker werd, ging hij naar huis.

Peeter De Brauw, knecht bij Geerart Eeckhout , brouwer te Hekelgem in Den Vogelen Sanck, omtrent 29 jaar, was met Jan Eeckhout, zoon van Michiels, Aert en Carel Eeckhout, zonen van zijn meester Geeraert, Adriaen Eeman, Peeter Van Den Broecke, Peeter Cortvrint, Adriaen Van Langenhove, Hendrick De Reuse, Joos Eeckhout, zoon van Jan, Peeter Linthout en Jan Van Der Beurcht ten huize van Lieven Van Der Eecken op de kelderkamer waar ze plezier hebben gehad tot diep in de nacht. Op zeker ogenblik kwam een man binnen en zette zijn buks achter de deur. Carel Eeckhout stoote hem naar buitenen sloot de deur. Daarop heeft Peeter de waardin geroepen, het gelag betaald en wou met Aert Eeckhout vertrekken, maar die bleef met Geert Eeckhout wijn drinken in de keuken. Daar sprak Hendrick Van den Bossche hem aan. Hij wou met Carel Eeckhout ‘hoetsen’ voor pattacons. Er ontstond een discussie die uitliep op een gevecht. Hij heeft Carel geholpen door Hendrick te schoppen, een andere persoon die hem niets misdaan had, sloeg hij met zijn ‘busse’. Toen het kalmer werd, gingen ze terug naar de kelderkamer en bleven er tot iemand hen riep. Hij liep naar de voorvloer en kreeg er een slag op zijn hart waarna de aanvallers naar binnen gingen. De waard sloot onmiddellijk de deur. Enkele van zijn vrienden beukten met de kolf van hun geweer op de deur en hij hoorde twee of drie schoten zonder te weten wie er heeft geschoten. Omdat ze niemand in de keuken vonden, gingen ze naar buiten en achtervolgden die van Asse. Aan het veld gekomen werd er weer geschoten, zowel door die van Asse als door iemand van zijn vrienden.

Daarna keerden ze terug naar de herberg waar de waardin hen vroeg om daar te blijven wat ze weigerden. Toen ze aan Den Nieuwenbos kwamen aan een ‘stichel’ riep iemand dat ze moesten blijven staan. Ze vluchtten het bos in en hij hoorde nog een schot.

1698 – Asse, onderzoek naar de moordaanslag op Margriet Beijs[32].

Op 24 januari 1698 ondervroeg drossaard Huberus Mortgat van het Land van Asse samen met Laureijs De Greve twee getuigen van de moordaanslag op Margriet Beijs. De jonge vrouw werkte als meid bij Geertruyde Verhasselt, weduwe van Jan Van der Straeten. Op dinsdag 14 januari 1698 werd zij neergeschoten en overleed enkele dagen later aan haar verwondingen. Carel Van Der Herten, omtrent 27 jaar, inwonend knecht bij Geertuyde[33] te Bollebeek kwam als eerste aan bod. Op die 14de januari was hij ’s morgens de paarden aan het roskammen toen hij een geweerschot hoorde afkomstig van het huis. Hij liep meteen naar de keuken en zag daar Margriet Beijs op de grond liggen. Zij ‘lamenteerde sterk’ en werd geholpen door Geertruyde. Hij keerde terug naar de paardenstal. Omtrent 8 of 9 uur ging hij naar de keuken en zijn meesteres vroeg hem om naar Merchtem eens te gaan zien waar de barbiers bleven. Net buiten de deur zag hij Niclaes Van der Straeten[34], de zoon van Geertruyde, met een barbier toekomen. Wat later kwam Niclaes handenwringend bij hem in de stal en zei dat hen een ongeluk was overkomen en dat hij nooit had gedacht dat ze zoiets zouden meemaken. Op de vraag van Carel wat er was gebeurd, antwoordde Niclaes dat hij met zijn geweer bij het vuur stond om het naar een slotenmaker in Asse te dragen en dat er een schot afging. Carel heeft Niclaes nadien nog tweemaal gezien en op donderdag was hij vertrokken.

Joos Breys, 31 jaar, inwoner van Bollebeek en tweede man van de weduwe van Jan Van Der Straeten, verklaarde dat hij op 14 januari met zijn vrouw nog in bed lag toen hij een schot hoorde en de meid in de keuken hoorde schreeuwen. Aan het bloed zag hij dat ze gekwetst was. Twee barbiers van Merchtem hebben getracht de wonde te verzorgen, maar negen dagen later overleed Margriet. In de keuken was er niemand anders en zijn meid heeft hem niet verteld wie er op haar had geschoten.

Op 26 januari ging drossaard Mortgat met de schepenen Hendrick Van Den Bossche en Michiel Bruijlant en met de chirurgijns Jan Guarracq en Niclaes Kindermans naar de kerk van Bollebeek. Twee dagen voordien was Margriet er begraven. Zij lieten de kist openmaken voor een lijkschouwing. Die wees uit dat de jonge vrouw in de rug was geschoten en dat de wonde te genezen was, maar die was  ontstoken met de dood tot gevolg.

Meer gegevens over de moordaanslag vonden we niet. We kunnen uit de schaarse informatie besluiten dat de vermoedelijke dader, Niclaes Van der Staeten, een paar dagen na het fatale schot wegvluchtte. De misdaad bereikte de drossaard pas dagen later zodat het slachtoffer al was begraven toen hij zijn onderzoek begon. Niclaes keerde waarschijnlijk een twintigtal jaren later terug.

1711 – Gillis De Greve, van sergeant tot beruchte overvaller[35].

Balthazar Van Horicx[36], zoon van Peeter, omtrent 20 jaar, geboren in Baardegem, was knecht bij molenaar Peeter Maes te Aalst. Op 25 augustus 1711 was hij op weg van Aalst naar Meldert om er bij de smid enkele hamers te laten scherpen. In de Aalsterse Dreef, die door de bossen van de abdij Affligem loopt, werd hij aan de brug van de Kruisdreef (waarschijnlijk de Kluisdreef) door twee personen die uit het bos kwamen, tegengehouden. De eerste was Gilles De Greve (De Greeff), een lange man met een pruik op zijn hoofd die sergeant Gille werd genoemd. De tweede, een 40-jarige man, droeg een linnen zak .Ze bedreigden Balthazar met een mes, grepen hem vast  en stootten hem het bos in. Na een kwartier kwamen ze bij een groep van 14 personen waarvan de helft met een zwart gemaakt gezicht. Ze hadden allemaal een geweer bij zich en dreigden hem te vermoorden. Ze trokken zijn kleren uit, een sloeg met de kolf van zijn geweer een nagel in een boom, een ander legde een strop rond zijn hals alsof ze hem wilde ophangen en anderen doorzochten zijn kleren. Ze vonden slechts een penning, gaven zijn kleren terug en lieten hem lopen.

De volgende dag op 26 augustus verhaalde Balthazar bij de schepenen van Aalst, Albert De Bie, Charles Balthazar De ? en Jan Baptist De Neve wat hem de dag ervoor was overkomen. Hij benadrukte dat sommigen van de bende met hun bajonet zijn keel wilden afsnijden, anderen wilden hem neerschieten en nog anderen wilden hem laten gaan. Volgens sommigen was hij een molenaar of een korendief. Na ruim een half uur kreeg hij zijn kleren terug en lieten ze hem vrij. Balthazar spoedde zich naar de herberg van Peeter Vonck en vertelde daar wat hem was overkomen. Drie uur later was hij thuis. Aan de schepenen zei hij nog dat hij Gillis De Greve al meermaals had zien passeren aan de berg van de molen. Balthasar Van Hoorik. ondertekende het document.

Poging tot diefstal bij Jacobus De Witte[37].

Op de dag na Sint Elooi[38] in 1710 stond Gillis De Greve aan de hoeve van Jacobus De Witte nabij de kerk van Meldert op de loer. Zijn 14-jarige zoon had dat bemerkt en liep er naartoe, maar zag hem niet meer. Op het dorpsplein was hij ook niet en de jongen keerde naar de hoeve terug. Daar zag hij dat uit de deur van de ‘voederije’ van de paardenstal Gillis De Greve naar buiten kwam met de beste broek van de paardenknecht. De zoon greep het pak vast en riep: “Ghij dieff, wat doet gij hier, men sullen u eens gaen vanghen”. Daarop gaf Gillis de zak af die de zoon naar het huis bracht en de achtervolging inzette al roepend: “den dieff, den dieff”. Op het lawaai kwamen de zoon van de koster met zijn geweer en Aert Verdoot naar buiten. Ze liepen De Greve achterna tot in het bos waar Aert naar hem schoot. Op het geroep en getier kwamen enkele mannen uit de Klaarhaag toegelopen, maar ze stopten hun achtervolging.

Jan Marissens, inwoner van Meldert zag in de winter die Gillis De Greve aan een kamervenster van Jan Van den Biesen, zoon van Dominicus, met een lange stok linnen uit de kamer halen.

‘Examinatie gedaen op de Steenpoorte den 18de 9ber 1711’.

Gillis De Greve werd voor ondervraging naar de Steenpoort in Brussel gebracht waar hij op 18 november 1711 werd verhoord. Uit het verslag komen we meer te weten over de oud-militair. Gillis, geboortig van Buizingen[39] bij Halle, in de 50 jaar, had al twee jaar geen woning meer. Hij trok bedelend rond, meestal in het Land van Waas en het Gentse. Hij was sergeant geweest in het regiment van baron de Capré en was na het beleg van Bergen[40] wegens zijn leeftijd ontslagen. Half oktober werd hij in Molenbeek gearresteerd omdat hij bedelde. Uit de gestelde vragen vernemen we dat hij van een hele lijst van misdaden werd beschuldigd:

– de aanranding in het Affligembos.

– diefstal van twee zakken boekweit[41] aan de Kluiskapel.

– aanranding van een meisje met een bussel klaveren op haar hoofd.

– samen met een kompaan een man gedwongen te hebben hen naar het bos op de Putberg te volgen op 6 september 1711.

– poging tot diefstal in de hoeve van Jacobus De Witte.

– diefstal in het kasteel van Bijgaarden.

– aanranding van een vrouw op de weg naar Merchtem.

– diefstal van een stuk leder op de Boekhoutberg.

– diefstal in Stalle.

Al deze feiten ontkende Gillis. Voor enkele andere feiten had hij een verklaring:

– De bruine ‘casacq’[42] en de ‘lijnvaete keel’ die hij bij Marie Ardijns, vrouw van Peeter Van Erne in Aalst bracht, had hij in Gent op de Oude Markt voor vijf schellingen gekocht. De keel had hij van een voering van een oude soldaten kazak voorzien. De kazak die hij dan droeg, had hij in Antwerpen gekocht aan een kraam op de Oude Markt voor een pattacon.

– De broek die hij bij een kleermaker in Herdersem aanbood, had hij in Antwerpen gekocht maar ze was hem te klein.

– Over twee zakken met pistolen die hij in Dendermonde had getoond, zegt hij dat hij nooit zakken met pistolen heeft gehad.

Verhoor van getuigen te Dendermonde op 25 november 1711.

Catharina Arijs, 47 jaar, weduwe van Guillam Coremans van Erembodegem, vertelde haar ondervragers dat in augustus haar dochter bij de koeien de wacht hield en op een morgen kwam ze haar zeggen dat er in de boekweitweide een pak lag met daarin tinnen schotels. Zij vroeg haar zoon het pak te gaan halen, maar hij weigerde uit schrik dat het van de ‘swaervaegers’ was die toen veel in de streek rondtrokken. De volgende dag waarschuwde haar dochter haar dar er twee mannen in de boekweitweide waren. Zij is er onmiddellijk naartoe gelopen en zag al van ver dat de mannen elk een zak droegen en naar de Bredestraat gingen. Een van hen was Gillis De Greve die ze vroeger al had gezien en herkende aan zijn bruine kazak en zijn pruik. De volgende dag toonde haar dochter aan haar broer de plaats het pakje lag. Ze namen het mee naar huis waar de broer het in het stro heeft verborgen. 14 dagen later bracht zij de stadhouder van Aalst op de hoogte en opende dan de zak waarin ze zeven tinnen borden, 20 servetten, een lang tafelkleed en een schouwmantel bedrukt met dieren zaten. Daar Catharina had gehoord dat er te Aalst tinnen borden waren gestolen, bracht zij het tin naar Andries Van den Bosch te Aalst en die ontbood tingieter ‘Den Caeter’. Die herkende zijn werk en hij herinnerde zich nog de koper wiens naam zij al was vergeten.

Elisabeth De Ridder, dochter van Gillis, 18 jaar, meid bij de weduwe Adriaen De Ridder te Hekelgem,getuigde dat zij op een zaterdagavond eind augustus of begin september voor haar meesteres klaveren had gesneden op het Quereldsveld. Op de steenweg van Brussel naar Aalst werd zij vastgegrepen door vier onbekende mannen waarvan er een heel groot was en grijs haar had. Hij vroeg of zij de meid van Jan Louis was en of zij een zilveren hoofdijzer droeg en een zilveren agnus dei[43] aan haar hals had. Toen zij ontkennend antwoordde, gooide een van hen haar bussel klaveren weg, trok haar wit mutsje van haar hoofd en scheurde het in stukken. Omdat hij geen hoofdijzer vond, trok hij zijn mes en sneed de veters van haar keurslijf van onder tot boven open terwijl hij zijn hand op haar mond hield zodat ze niet kon schreeuwen. Hij vond geen agnus dei en vroeg haar om geld. In haar zak vond hij 14 oorden, tastte haar verder af en vond geen geld meer. Toen een wagen naderde, liet de man liet haar los met de dreiging dat hij haar keel zou afsnijden als ze over het voorval iets zou zeggen. Van haar meesteres hoorde ze dat Gillis De Greve die avond aan een venster van haar huis stond te luisteren. Zij herinnerde zich ook dat de meid van Jan Louis een zilveren hoofdijzer en een zilveren agnus dei droeg. Die meid had haar verteld dat Gillis De Greve haar had gewaarschuwd die sieraden niet te dragen omdat er veel ‘swaertvegers’ in het land rondliepen. Zij had hem geantwoord dat ze niet ver van huis om een bussel klaveren ging. Zij woonde op een boogscheut van Elisabeth.

Francis Mesmaecker, omtrent 24 jaar, knecht bij smid Jan Mertens, kende Gillis De Greve al 10 jaar omdat hij in het dorp woonde en er een winkel had. Later vernam hij dat Gillis verdacht werd van diefstallen bij Jacobus en Andries De Witte te Meldert. Dat Gillis de meid van de weduwe van Adriaen De Ridder in de herberg De Sterre heeft bestolen, had hij ook gehoord. Gillis zag hij enige dagen later aan de poort van de abdij Affligem.

Vervolg van het verhoor op 26 en 28 december 1711.

Catharina Mertens, omtrent 21 jaar die nog bij haar moeder woonde, kwam op een avond Elisabeth De Ridder tegen die haar zei: “Ick en sal tot morgen niet leven mijn bloed is gelijck geront”.Dan vertelde ze wat haar was overkomen. De volgende morgen hoorde ze van de vrouw van de smid dat hun knecht Gillis De Greve aan de herberg van Godefroid had gezien.

Henricus Van Eijck, omtrent 56 jaar, meier te Stalle[44], keerde tijdens de oogst van 1710 samen met zijn knecht Jan De Boeck naar huis. Even later kwam Jan De Boeck met de knechten Jan De Beir en een Mathieu hem vertellen dat hun kleren waren gestolen uit de stal waarin zij sliepen. Jan De Boeck ging onmiddellijk naar Dendermonde bij een oude klerenkoper om hem te vragen als er kleren werden aangeboden die voor hem te bewaren. Enige dagen later vernam Henricus Van Eijck dat er in de herberg ‘Den Claverendans’ in de Beenhouwersstraat gestolen kleren lagen. Hij ging er naartoe en trof er Gillis De Greve aan met de hoed, de linnen kazak, de bruine mantel en de kousen van zijn knechten. Toen De Greve hem zag, zei hij: “Maeckt mij niet beschaempt ick sal uwe dingen wedergeven”. Ze zijn dan samen naar een bovenkamer gegaan en Gillis trok de kleren uit en gaf ze aan Henricus. Jan De Boeck kwam ook op de kamer en wou van Gillis weten waar de rest van het gestolen goed was. Die had al twee broeken aan een oude klerenkoper verkocht. Jan De Boeck zocht die op en eiste dat hij de broeken zou geven. De klerenkoper weigerde, maar door een tussenkomst van de burgemeester moest hij ze toch aan De Boeck geven. Henricus voegde nog aan zijn getuigenis toe dat hij Gillis De Greve al heel lang kende omdat hij in Stalle nog sauvegarde was geweest en dat er nog familie van Gillis in Stalle en Ukkel woonde.

Confrontatie in de Steenpoort op 28 november 1711.

Toen Liesbeth De Ridder, de meid van de weduwe van Adriaen De Ridder uit de herberg De Sterre te Hekelgem, werd gevraagd of zij Gillis herkende als een van de vier mannen die haar op een zaterdagavond hadden aangerand, antwoordde zij bevestigend. Het was ook Gillis die haar keurslijf opensneed. Gillis ontkende alles.

Aan Balthazar Van Horick, inwoner van Aalst, werd gevraagd of hij Jan De Villet kende die hem in de Aalsterse Dreef met een mes in zijn hand dwong mee in het bos te gaan. Hij herkende Jan De Villet niet maar wel Gillis De Greve als een van de overvallers.

Nadere examinatie in de Steenpoort op 17 december 1711.

Gaspar Gijsels, 31 jaar, inwoner van Wemmel, gareelmaker, kwam rond het feest van Sint-Jan (24 juni) terug van Aalst waar hij voor acht gulden en drie stuivers leder had gekocht voor zijn winkel. Aan de Boekhoutberg te Hekelgem kwamen twee personen uit het bos met een pistool in de hand die hem dwongen mee naar het bos te gaan. Daar wachtten drie anderen hen op waarvan er twee een geweer droegen. Een van hen was Gillis De Greve. Die mannen trokken zijn jas uit, fouilleerden hem en namen zijn geld, drie of vier stuivers, en zijn tas met het leder af. Gaspar toonde hen zijn attestatie[45] van Asse, maar die scheurde een van hen stuk terwijl de anderen het leder uit zijn tas haalden, hem met hun geweer enkele harde stoten gaven en hem lieten gaan. Gillis De Greve snauwde Gaspar nog toe dat hij zijn zak had uitgeschud omdat Gaspar dat bij hem ook had gedaan te Asse in de herberg Het Wolfke. Daar zat wat brood en een zakpistool in. Gaspar kende Gillis omdat ze samen hadden gediend in het regiment van Jacob Pasteur. Gaspar ging direct naar de herberg Het Bourgoings Cruijswaar hij vertelde wat hem was overkomen. Op weg naar huis ontmoette hij een soldatenvrouw die zei dat ze door de gangsters was beroofd van haar korf en schort. Maar ze had wel zijn tas bij zich die ze aan de rand van het bos had gevonden. Gevraagd of hij andere personen kende, antwoordde Gaspar dat hij alleen de naam Coets had gehoord.

Gillis werd nog ondervraagd over zijn bezoek aan Marie Douwers, brandewijnverkoopster te Aalst, op de dag dat Balthazar Van Horix, de knecht van molenaar Peeter Maes, in de Aalsterse Dreef werd aangevallen. Gillis hield vol dat hij de hele dag in het huis van Marie was geweest.

Confrontatie in de Steenpoort op 28 december 1711 tussen Gillis De Greve enerzijds en Henricus Van Eijck en Jan De Boeck anderzijds.

Henricus bevestigde dat de persoon die voor hem stond de kleren die bij hem waren gestolen aanhad en Jan De Boeck herhaalde dat hij met Gillis naar een klerenverkoper was geweest wat Gillis allemaal ontkende.

De aanklacht.

1. In de oogstmaand van 1710 werd hij te Brussel gevat met gestolen kleren.

2. De gevangene bekende na negen uur ‘torture’ dat hijte Brusselin een herberg was geweest gekleed met een lijnwaden keel, een rosse jas en een paar kousen die hij te Stalle had gestolen in een paardenstal met nog twee pattacons[46] die in een broekzak staken.

3. Hij heeft die kleren verkocht of laten verkopen.

4. Hij heeft het leder van Gaspar Gijsels gestolen nadat zijn complicen hem naar het bos op de Boekhoutberg hadden gebracht.

5. Gillis weigerdee namen te noemen van zijn complicen en beweerde dat het Fransen zijn die hij pas op de Boekhoutberg had ontmoet. Hij kwam van de Lakenpoort waar hij 14 dagen in de gevangenis had gezeten.

6. Op 25 augustus had hij in de Aalsterse Dreef met een mes in de hand Bathazar Van Horix gedwongen in het bos te gaan ter hoogte van de brug in de Kluisdreef.

7. Rond dezelfde tijd had hij nabij Het Querelsveld op de steenweg van Aalst naar Brussel met enkele medeplichtigen een meisje met een bussel klaveren aangerand.

8. Hij weigerde de namen van zijn medeplichtigen te noemen.

9. In Asse had hij een zak met een pistool.

            .

Feijten van belastinghe voor het officie van den heere drossaerdt van Brabant tegens Gillis De Greve gevangene van ’t selve officie.

Den 31ste Xber 1711.

Gesien bij ons Norbert Van Assche heere van Over ende Neerhespen Goetsenhove &a. drossaerdt des Lants ende hertoghdomme van Brabant.

Wij hebben den voornoempden gevangene gecondemneert te worden geappliceert ter scherper examinatie om &a.

Aldus gedaen ende gepronunceert binnen dese stadt Brussel den 31ste Xber 1711.

Na de ‘scherper examinatie’ op 31 december 1711 werd Gillis om 3.30 u. gefolterd. Om 4 u. vroeg men hem of hij wilde drinken, wat hij weigerde. Om 4.30 u. begon hij te lamenteren en een kwartier later nog meer. Om 5.30 u. kreeg de scherprechter de opdracht Gillis opnieuw te binden en hij onderging de tortuur zonder klagen. Men bood hem een kroes met wijn aan, maar hij spuwde de drank uit en bleef zwijgend zitten tot 6.30 u. toen hij zei: “Dat hij soo onnoosel is als een kind die vuijt sijn moeders lichaem eerst geboren is”. Om 7 u. vroeg hij herhaaldelijk om hem te laten sterven. Men antwoordde hem dat hij eerst de waarheid moest zeggen. .”Ik heb de waarheid gezegd”, antwoordde hij, “en als ik moet bekennen, dan zal ik morgen de bekentenis herroepen’. Om half acht kreunde hij: “Ick en cant niet meer verdraegen, doet mij sterven”. Dat bleef hij herhalen tot ongeveer negen uur en dan bekende hij de kleren te hebben gestolen. Om middernacht adviseerde de dokter om de geseling te stoppen.

Op 2 januari 1712 werd Gillis opnieuw geconfronteerd met zijn ondervragers. Ook nu bleef hij de feiten ontkennen. Hij voegde er wel aan toe dat hij met zo’n 30 mannen uit Brussel naar Liedekerke was gekomen en dat die groep hem vroeg mee te gaan naar Affligem waar ze een persoon hebben gefouilleerd en zijn geld hebben afgenomen. Hij hoorde iemand zeggen “Donné cela icy cela est bon pour boire du brandevin”. Daarna heeft hij de groep verlaten en is naar Brussel gegaan waar hij werd gearresteerd omdat hij voor Du Molin  gids speelde. Een François Boulangier, gids van de commandant van de stad heeft hem vrijgelaten. Een derde verhoor op 12 januari 1712 leidde tot een nieuwe marteling die hetzelfde verloop kende als die op 31 december. Kort na zevenen oordeelde de dokter dat Gillis de pijn niet langer kon verdragen en werd de pijniging gestopt zonder dat een bekentenis werd afgelegd.

Brief van de drossaard aan de Raad van Brabant.

Eersamen,

Mits men mij op desen instant compt adverteren dat Gillis De Greve op maendagh oft vuijtterlijck op woensdagh staet geëxecuteerd te worden soo dient desen om U. E. volgens gelofte te laeten weeten ende daerinne te voorsien, ick en can daer niet in doen als te maecken dat men die sententie tot op woensdagh sal prologueren oft misschien langer daerom en mocht niet een ure verliesen van over te comen ende te wercken in den raede van staet bij requeste om den rechter te voorcomen dan en geloove niet dat hij sal moeten sterven mits sijne ontkentenisse op de torture maer sal gestaen met eene geesselinghe ende brandmerck ende een eeuwich bannissement vuijt Nederland op pene van de galg blijve.

Onder stont geaffectioneerden onderteeckent Mortgat. Brussel 16 januari 1712.

Uit bovenstaand document van 16 januari 1712 van de hoofddrossaard Mortgat van Brabant aan de Raad van Brabant blijkt dat hij zich verzette tegen de executie van Gillis De Greve. Op 29 februari 1712 viel het definitieve vonnis. Gillis zal op het schavot worden gebracht om hem daar tot bloedens toe te geselen, te brandmerken en voor eeuwig uit het land te verbannen.

1728 – Essene, Egyptenaren in de schuur van Linthout[47]?

Boer Martinus Linthout[48]zal wel erg geschrokken zijn toen hij ’s morgens vroeg op 14 september 1728 in zijn schuur een man, twee vrouwen, een meisje en een kind aantrof die een taal spraken waarvan hij niets begreep tenzij de woorden ‘halla halla’. Hij dacht dat het de Egyptenaren waren die met nog anderen enige tijd geleden op zijn boerderij waren gekomen. Zij hadden toen een ‘kindsdoeck’ (een luier’) gestolen en een man trachtte ’s avonds bij zijn vrouw in huis te komen om bier te hebben. Er deden al allerlei geruchten de ronde over een bende Egytenaren (zigeuners) die de streek onveilig maakten en daarom verwittigde hij de boerenwacht die de groep arresteerde en naar de hoofdrossard bracht die de gevangenen door de officieren van het Land van Asse  naar de gevangenis van de Steenpoort te Brussel brachten. De provoost-generaal der Nederlanden liet de zaak onderzoeken waaruit bleek dat de groep niet deel uitmaakte van een bende Egytenaren en dat het ook niet zeker was dat zij bij de bende waren die eerder op de boerderij van Martinus Linthout was geweest. Op 17 september volgde dan het verhoor van de gevangenen.

Examinatie gehouden in de Steenpoort op 17 september 1728.

De aangehouden man bleek Philip Janssens te zijn, 33 of 34 jaar, een soldatenkind geboren in Gelderland. Hij diende eerst in het Spaans regiment van baron de Cappé en daarna sloot hij zich aan bij de Saksische troepen die hij verliet wanneer de Hollanders de stad Douai[49] bezetten. Sindsdien verdiende hij zijn kost met de verkoop van kruiden en van tabak die hij in Normandië verkocht en somtijds ook met bedelen. Hij was geen lid van de bende van de Egyptenaren, maar zijn vader was een geboren Spanjaard. Hij trok altijd rond met zijn vrouw en kinderen. Waarom de boerenwacht hem, zijn vrouw, kinderen en een andere vrouw arresteerden, weet hij niet want ze waren slechts een nacht in die schuur. Zo’n zeven of acht jaar geleden was hij al eens in contact gekomen met justitie. Dat was in Dieppe[50] waar hij tabak verkocht wat verboden was. Hij werd toen gebrandmerkt op zijn rug. Het enige bezit van Philip was een ‘eijsere palletteken’ om plaaster te maken.

Zijn vrouw Aldegonde Barbara Hendricxsche, geboren te Asbroek nabij Duinkerke was omtrent 25 jaar. Zij en haar man waren dakloos en zij vertelde aan haar ondervragers dat haar man medicijnen verkocht en dat zij soms bedelde. Zij dacht dat de boeren hen gevangen namen omdat ze hen Egyptenaren noemden. Zij hebben Egypte nooit gezien en net als haar man was zij een soldatenkind. De andere vrouw was al 14 dagen bij hen. Ook zij was in Dieppe gebrandmerkt op haar rechter schouder omdat ze zout en tabak verkocht.

Magdalena Wouters, 18 jaar, geboortig van Sint-Gillis in het Land van Waas, was ook een soldatenkind zoals ook haar ouders en grootouders. Drie weken geleden was ze uit Arras, waar haar vader in garnizoen lag, vertrokken om in de polders van Catzand[51] te gaan werken. Zij is er ziek geworden en was op weg naar Onze-Lieve-Vrouw van Halle. Tijdens haar tocht ontmoette ze Philip Janssens en zijn gezin. Zij was nu al twee weken bij hen en verdiende haar kost met bedelen.In de zomer ging ze in Catzand werken en in de winter verdiende ze haar kost met naaien. Zij is nog nooit in contact gekomen met justitie en was niet op de hoogte dat ze niet mocht bedelen. Als enig bezit had ze een stenen theepot die ze in Sluis had gekocht en een korf met een katoenen en een linnen zak.

Marie Therese, 12 jaar, was de dochter van Philips Janssens wiens vrouw haar stiefmoeder is. Zij is in Frankrijk geboren zoals ook het kleine kind. Marie Thérèse vertelde alleen dat de boeren hen Egyptenaren bleven noemen.

Het vonnis.

Joannes Baptista Aurelius Van Walhorn, genoemd Deckher, provoost-generaal van de Nederlanden en van het Hof van Zijne Majesteit, veroordeelde op 13 oktober 1728 de gevangenen omwille van hun minachting van de plakkaten, om op het platte land te hebben gebedeld en wegens vermoedelijk lid te zijn van de bende van de Egyptenaren tot eeuwige verbanning uit de Nederlanden en tot confiscatie van hun goederen. Ze moesten binnen de drie dagen het land verlaten en Philip kreeg voor zijn gezin als reisgeld vier schellingen en Magdalena twee schellingen.

1734 – Doodslag van Peter (Van) Buggenhout uit Opwijk, Mazenzele[52].

Kermis te Mazenzele. De kermis waseen hoogtepunt in het ontspanningsleven van de mensen. Er werd gefeest, gegeten en gedronken en maar al te vaak ook geruzied.Soms liep een discussie uit op een gevecht, eventueel met fatale afloop. En dat is exact wat er in Mazenzele in 1734 gebeurde. Een groep bezoekers uit Opwijk was er op uit om wat ambras te maken, maar het eindigde met een doodslag. Al de volgende dag begon het onderzoek naar de dader. Een lastige opdracht want het was niet duidelijk wie de fatale slag had gegeven.

Informatie preparatoir gehouden binnen de prochie van Maesensele Lande van Assche ten versoecke van den heere hooftdrossaert des lants voors. nomine officii coram den vorster, Hendrick Charles De Voghel ende Philippus Van Humbeke schepenen van den voors. lande desen 23ste augustus 1734.

Verhoor te Mazenzele op verzoek van de hoofdddrossaard door de vorster en de schepenen Hendrick Charles De Voghel en Philippus Van Humbeke op 23 augustus 1734. Officier Andries De Deken zorgde voor de dagvaarding en de vorster nam de eed af.

Laurijs Raes, zoon van wijlen Michiel, inwoner van Mazenzele, 47 of 48 jaar, verklaarde dat hij op 22 augustus 1734 omstreeks 6 uur op de Dries meerdere mannen met stokken zag vechten tot er een dood op de grond viel. Een priester diende hem het H. Oliesel toe. Wie de dodelijke slagen toebracht, weet hij niet. Voordien had Jan gezien dat Guillaume Van Wemmel een stok had en dat een vrouw die wou afnemen. De vechters waren na het voorval niet meer te zien.

Pauwel De Boeck van Baardegem, zoon van Jan en knecht bij Jan Plas in Mazenzele, 32 of 33 jaar, was op 22 augustus tussen 6 en 7 uur bij Laurijs Van Huijgenghem. Op de Dries stonden 12 tot 15 mannen gewapend met stokken waarvan hij er maar enkele kende, namelijk Guillaume Van Wemmel en Van Ginderachter, de zoon van Van Ginderachter van Mollem.

Een van de groep, Peeter Buggenhout[53] van Opwijk, kreeg zodanig veel slagen dat hij dood neerviel. Hij bloedde uit zijn mond, neus en een oor. De omstaanders liepen dadelijk naar de pastoor van Mazenzele en een pater karmeliet, die bij de pastoor verbleef, kwam direct naar het slachtoffer kijken. Hij gaf de opdracht om hem het H. Oliesel toe te dienen.

Philippus Van Elsen[54], inwoner van Mazenzele, zoon van Jan, 22 of 23 jaar en molenaar bij zijn vader, was eerst in de herberg van Guillam Plas en ging dan naar de Dries waar hij een groep mannen zag staan gewapend met stokken. Hij kende er niemand van. Een van hen lag op de grond met zijn hoofd op een bussel stro. Hij bloedde aan zijn oor. Een pater kwam toegelopen om zijn biecht te horen en later kwam de pastoor om het H. Oliesel toe te dienen.

Vervolg van het verhoor op 25 augustus 1734 door de schepenen Joannes Van Den Bossche, Hendrick Charles De Voghel, Gillis Meert, Peeter Verleijsen en Philips Van Humbeke

Hendrick Vermeiren, zoon van Peeters, geboortig van Mazenzele, 37 of 38 jaar, ging met zijn vrienden naar de herberg van Laureijs Van Huijneghem  toen een groep mannen, waarvan hij niemand kende, de herberg verlieten. Ze namen hopstaken en tuinstaken mee waarmee ze hem bedreigden zodat hij moest vluchten tot bij een groepje andere mensen. Die mannen sloegen naar al wie in hun buurt kwam en zo ontstond er een gevecht van 12 tot 15 personen. Later vernam hij dat een persoon van Opwijk gewond was en dat die naar Opwijk werd gedragen.

Peeter Moerenhout, zoon van Franciscus, inwoner van de Vrijheid van Asse, 22 jaar,was met zijn vrienden in de herberg Het Gulden Huijs van Guill. Plas[55]. Het waren Guill. Amerijcx, zoon van Peeters uit Koutertaverent, Gillis De (onleesbaar) paardenknecht bij Jan Baptista Van Der Hasselt, pachter op het Hof te Bollebeke in Mollem, Joos, de knecht van paardensmid Jan De Greve te Asse, Hendrick Van Huijneghem, zoon van Guilliam. Er kwamen 14 of 15 mannen van Opwijk binnen waarvan hij Alexander kende, die knecht was geweest bij Jan Saijens te Dendermonde. Omdat die bende veel krakeel maakte, gingen ze naar het huis van Guillam Van Huijneghem. Daar zagen ze meerdere personen met daarbij Guille Van Wemmel uit Vrijleghem. Rond zes uur zag hij op de Dries Guille Van Wemmel met iemand uit Opwijk vechten. Guilles vrouw kwam hem helpen en sloeg de andere man met een stok. Da! ws voor de jonge mannen van Opwijk die voorheen in Het Gulden Huijs waren, de aanleiding om Van Wemmel aan te vallen. Enkele mannen van Mollem, die in herberg van Van Huijneghem zaten, grepen naar staken en stokken en vielen de Opwijkenaars aan. Die kregen versterking van andere Opwijkenaars zodat er 11 of 12 mannen aan het vechten waren. De getuige zag dat Opwijkenaar Peeter Buggenhout meerdere slagen op zijn hoofd kreeg en in een beek viel. Het vechten hield op en de Opwijkenaars wilden Peeter helpen opstaan, maar hij gaf geen teken van leven. Een karmeliet kwam toegelopen en daarna de pastoor van Mazenzele om hem het H. Oliesel toe te dienen. Iemand bracht een bussel stro en de getuige legde Peeters hoofd daarop en vertrok .naar het huis van Guill. Plas. Later keerde hij terug en vond het lijk in de brouwerij nabij de herberg van Van Huijneghem. Hij heeft het met een deken toegedekt.

Vervolg van het verhoor op 1 september 1734 door de schepenen Joannes Van Den Bossche en Peeter Verleijsen, dagvaarding door Jan Pissaer van Asse.

Guill. Amerijcx, zoon van Peeter, geboortig van Asse, 24 jaar, ging op zondag 22 augustus met Cornelis Van de Perre, zoon van Peeter, naar Mazenzele. In de herberg van Guillam Plas dronk hij bier met Peeter Moerenhout, Joos Timmermans, knecht van Jan De Greve, en Gillis De Mol, knecht van Jan Baptista Van Der Hasselt, pachter op het Hof te Bollebeek. Daar waren meerdere mannen van Opwijk, Mollem en Mazenzele en van die groep kende hij alleen Geeraert Wauters van Mazenzele en Gillis de zoon van Peeter De Nil. De mannen van Opwijk zochten ruzie en daarom vertrok hij met Gillis De Mol naar Laureijs Van Huijneghem waar hij mannen van Mazenzele en Mollem aantrof. Het waren Peeter Moerenhout, Joos Timmermans, Guillam Van Wemmel, Hendrick Verhasselt, zoon van Guillam met zijn twee zusters van Baardegem, Carel Van Ginderachter, zoon van Gillis, Jan Stercx, zoon van Steven, Joos Goeman, Judocus De Pauw, officier van Mollem, Andries Dekens, officier van Mazenzele en Jan De Valck. Rond 6 uur zag hij dat er op de Dries enkele personen aan het vechten waren. Ze sloegen naar elkaar met stokken.  Carel Van Ginderachter, zoon van Gillis, wou zich met het gevecht gaan moeien, maar de getuige zei hem: Sijt stil, hout u weijse. Daer is rusie genoech”.Carel luisterde niet en mengde zich in de vechtpartij. Onder de vechters zag hij ook Jan Van Huijneghem, de zoon van Laureijs. Een kwartier lang duurde het slaan tot Peeter Buggenhout op de grond viel. Met Joos Timmermans keerde hij naar huis terug.

Guilliam Plas, herbergier in Het Gulden Huijs, 57 jaar, verklaarde dat het op zondag 22 augustus kermis was in Mazenzele. Er waren zeker 100 personen in zijn herberg waarvan 15 mannen van Opwijk waaronder herbergier Jacobus Mannaert, Alexander Wauters, zoon van Joos en Adriaen Verhertbrugghen, zoon van Guilliams van De Sterre. Jan Decken van Mazenzele en Gillis Esselijns en Geeraert Wauters van Asse waren er ook. Hij zag Geeraert Wauters, zoon van Joos, uit de kelderkamer komen en bij Gillis Esselijns in de keuken gaan zitten. Die van Opwijk hem hadden geslagen. Dat gebeurde even later ook met Jan De Deken en Joos Verdoodt van Opwijk bracht hem zijn hoed en vertelde aan Guillam Plas dat die van Opwijk De Deken hadden kunnen doodslaan. Uit voorzorg bracht Guillam De Deken naar zijn zolder en daarmee was de ruzie voorbij tot omstreeks 6 uur de groep van Opwijk zijn herberg verliet en er op de Dries met stokken werd gevochten. Joos Verdoodt was in zijn herberg gebleven en hij zei dat Gillis De Smet een van de ‘cloeckste’ vechters was. Korte tijd later lagen er twee mannen op de grond. Guillam ging kijken en vernam dat een van hen Peeter Buggenhout was. Die gaf geen teken van leven meer. De pastoor diende hem het H. Oliesel toe en liet het lijk naar de brouwerij brengen. Om middernacht kwamen zijn ouders met de chirurgijn en werd het lijk in een deken naar Opwijk gedragen. Guillams broer Joos stak nog het stro waarop Peeter Buggenhout had gelegen in brand.

Gillis De Mol, zoon van Anthoon, geboortig van Asse, knecht bij Jan Baptista Van Der Hasselt, 22 jaar, was die zondag in de herberg van Guillam Plas waar hij op de kelderkamer enkele potten bier dronk met Guilliam Amerijcx, Peeter Moerenhout en Joos timmermans. Rond halfdrie kwamen mannen uit Opwijk de kamer in en verweten hen dat ze bedelaars waren. Gillis vermoedde dat de Opwijkenaars ruzie zochten en met Guillam Amerijckx vertrok hij naar de herberg van Laureijs Van Huineghem waar veel volk was zoals Guill. Dobbeleer, Joos Verdoodt met zijn zoon Anthoon, Carel Van Ginderachter zoon van Gillis, Peeter Van Elewijck, Jan De Valck en Joos Goeman, allen inwoners van Mollem. Het was er heel gemoedelijk tot ze omstreeks 6 uur op de Dries zagen vechten. 12 tot 13 mannen sloegen met stokken naar elkaar. Hij herkende er enkele van de groep. Carel Van Ginderachter zag hij met Peeter Buggenhout van Opwijk vechten. Carel kreeg een slag in zijn nek en ging weg. Guilliam De Dobbeleer verliet ook de vechters met een stok in zijn hand en Jan Van Huineghem liep telkens heen en weer van de vechters naar de toeschouwers. Na een half uur is hij zelf met Guilliam Amerijckx en Joos Timmermans vertrokken.

Judocus Adriani[56], armenmeester te Asse, ouder dan 50 jaar, was met zijn schoonbroer Hendrick Vermeeren, Van den Bossche en De Paepe gaan wandelen te Mazenzele. Aan de Dries gekomen zagen ze een vechtpartij. Hij kende niemand van de mannen en vrouwen en hoorde alleen iemand ‘Viva Brabant’ roepen. In de herberg van Guillam Plas vertelde iemand dat die van Mollem iemand hadden doodgeslagen.

Laureijs Van Huijneghem, herbergier te Mazenzele, omtrent 80 jaar, vertelde dat er op Mazenzele kermis veel volk onbekend in zijn herberg was. Hij herkende wel mensen van Mollem zoals Guillam Van Wemmel met zijn vrouw Cathlijn, Joos Verdoodt met zijn vrouw, Carel Van Ginderachter, Joos Goeman en zijn vrouw. Rond 6 uur zijn allemaal vertrokken. Toen hij op de Dries mensen zag vechten, heeft hij zijn deur gesloten.

Geeraert Wauters[57], zoon van Joos,  geboortig van Mazenzele en paardenknecht bij Jan Plas was met Gillis De Backer, zoon van Cornelis uit Asbeek, Adriaen Van Bellingen, zoon van  Adriaen, Philippus Van Elsen, zoon van Jansen Peeter De Nil, zoon van Gillisnaar de kermis van Mazenzele gegaan. In de herberg van Guillam Plas waren Adriaen Van Bellingen en Philippus Van Elsen aan het dansen toen enkele mannen van Opwijk hen zegden dat ze moesten stoppen. Er ontstond enige discussie en Geeraert zei hen: “Wat slechtigheijt, waerom en laet gij die persoonen hun drij dansen niet dansen gelijck de manier is”. Een Opwijkenaar greep hem vast en duwde hem de kamer uit. Hij is dan naar de herberg van Laureijs gegaan. Rond 6 uur kwamen uit het huis van Guillam Plas een deel van de mannen hij er op de zolderkamer had gezien aangelopen met stokken en ze mengden zich in het gevecht dat even daarvoor was begonnen met personen van Mollem. Er werd hard geslagen en een van hen viel op de grond. Later vernam hij dat Guillam De Dobbeleer en Guillam Van Wemmel die persoon hadden doodgeslagen. Geeraert was dan onmiddellijk naar zijn thuis gegaan.

Vervolg van het verhoor op 2 september 1734 door de schepenen Joannes Van Den Bossche, Hendrick Charles De Voghel en Gillis Meert.

Barbara Plas[58], vrouw van Lauwerijs Van Huijnegem, 61 jaar, zag dat Joos Verdoodt en zijn vrouw ruzie hadden over wie het gelag moest betalen. Rond 6 uur hoorde ze vertellen dat er op de Dries iemand was doodgeslagen. Later, omstreeks 12 uur kwam chirurgijn Maroten van Opwijk bij haar met Peeter Meert die bij de weduwe Guillam Fasseel woont en een Smet die bij meester Geraert Geroms van Baardegem werkt. Ze gingen in de brouwerij waar de moeder en de zuster van bij het lijk zaten. Zonder met iemand te spreken is ze naar haar huis teruggekeerd.

Het vonnis (1735[59]

Na advies van de luitenant hoogbaljuw en van het Leen van de stad en het Land van Dendermonde velde de hoofddrossaard van Asse zijn vonnis dat hij degelijk argumenteerde.

Uit de ingewonnen informatie bleek dat een groep Opwijkenaars naar de kermis van Mazenzele was gekomen en dat ze in de herberg van Guilliam Plas tot tweemaal toe mensen die dansten uit de herberg hebben gejaagd. Dezelfde Opwijkenaars hadden enige dagen vroeger hetzelfde gedaan in Merchtem. Daaruit kon men besluiten dat het hun intentie was om ruzie te stoken. Omstreeks 6 uur ontstond er op de Dries  een gevecht waarvan men niet kon achterhalen hoe dat was ontstaan. Het scheen dat iemand van Merchtem beledigingen naar de Opwijkenaars riep. Daarop zijn 5 of 6 mannen naar iedereen die in hun buurt kwam beginnen te slaan. Een tweede bende Opwijkenaars voegde zich bij de eerste zodat er uiteindelijk zo’n 20 personen gewapend met stokken aan het vechten waren. Op een bepaald moment viel Peeter Buggenhout dood op de grond. Zijn lijk werd ’s nachts naar Opwijk gebracht waardoor mogelijke informatie verloren ging. Wie de dodelijke slag gaf, heeft men niet kunnen ontdekken, maar de namen van Guilliam De Dobbeleer en Carel Van Ginderachter werden het meest genoemd als mogelijke daders. Zij werden opgepakt, maar bij nader onderzoek bleek dat er een gevecht was van twee bendes en dat Van Ginderachter onder de voeten lag van de eerste bende Opwijkenaars en dat de doodslag voorviel bij de tweede bende. Guilliam De Dobbeleer was wel in de tweede bende volgens wat de mensen zegden heeft hij de doodslag gegeven. Maar dat is nog geen vast bewijs. Volgens de plakkkaten kan hij alleen gestraft worden voor zijn aanwezigheid bij de vechtpartij. De groep van Opwijk is wel verantwoordelijk voor de het gevecht en de Brabanders (Mazenzele en Mollem) hebben zich verdedigd. De hoofdrossaard besloot dat de Opwijkenaars de kosten van het proces moesten betalen.

1740 – Asse, veroordeling van twee dieven[60].

Op 23 augustus 1740 veroordeelden ‘in gebanne vierschaere’ ten overstaan van Joannes Emmanuel Loovens, hoofdrossaard van het Land van Asse, de schepenen van Asse Petrus Van Den Bossche, Gillis Meert, J. B. Lahoese, J. B. Van Der Hasselt, Bailliu, Voghel, en Eg. Van Mulders, Jan Van Assche, J. B. De Cock, J. B. Van Damme, Peeter Beeckman en Zeghers Esselens, schepenen tot Asse, met griffier P. Robijns.de criminelen Daniël De Smeth en Cornelis Lippens. Zij zaten in de gevangenis van de Steenpoort te Brussel en moesten ‘op het hooghste van den daeghe’ op het schavot van Asse worden gebracht om er publiekelijk te worden gegeseld tot bloedens toe. Daniël De Smeth zou daarenboven worden gebrandmerkt en voor eeuwig verbannen uit  het hertogdom Brabant volgens de permissie van de Raad van Brabant van 22 augustus 1740. Cornelis Lippens werd voor 10 jaar verbannen uit het Land van Asse.

De misdaden.

Na de verhoren die duurden van 8 juni tot 8 augustus 1740 oordeelden de schepenen dat Daniël De Smeth en Cornelis Lippens schuldig waren aan de volgende misdaden:

– Diefstal van enkele kippen en beschadiging van het kippenhok en een ijzeren roede bij de pastoor van Asse omtrent de maand april van 1740.

– Diefstal en mishandeling van een rund in de nacht van 7 op 8 juni uit de stal van Gillis Beeckman van het gehucht Ten Berg.

– Diefstal van tarwe samen met andere complicen  in mei laatstleden op de zolder van Cornelis De Pauw te Asbeek waar ze een gat in het pannendak maakten. Daarna brachten ze de tarwe naar het huis van een van de daders waar ze de buit onder vijf verdeelden zodat ieder drie viertelen had.

Diefstallen die  Daniël De Smeth alleen pleegde:

– Twee viertelen ‘blauwe’ erwten bij Jasper De Keijser van Asse toen hij daar als paardenknecht werkte.

– Een paar zilveren gespen van de schoenen van Gillis Esselijns die als paardenknecht werkte bij Marie Anna Van Mulders rechtover het huis van Jasper De Keijser.

– Een houten kist, 6 of 7 jaar geleden, en een mes 8 jaar geleden bij Franchois Wellemans in Asbeek  die hij bij zijn zuster, waar hij toen inwoonde, had verstopt.

– 5 jaar geleden een haak uit de hoplochting van Jan Van Ransbeke.

– Een schop uit het huis van Hendrick Mergan die was geleend van Gillis De Mol.

– Een kruiwagen van Jan Lelon met Pinksteren en van Jan Van Vaerenbergh in mei vier bijenkorven met de bijen die op het Hof t’ Eeckhout te Asse stonden.

Cornelis Lippens stal drie of vier jaar geleden in de herfst met een andere persoon in de Waag te Asse een hopbaal van 150 pond en de hop verdeelden ze onder elkaar.

1762 – Gillis Van Troost kon het stelen niet laten[61].

De drossaard van Brabant Joannes Baptista Josephus Christianus, graaf Van Der Stegen, van Bousval ende Bourdeaux, heer van Labaillerie veroordeelde op 17 februari 1761 te Brussel de 14-jarige Gillis Van Troost voor diefstal aan de hand van de informatie die de Weth van Humbeeck[62] hem ter beschikking had gesteld, wat zijn officie door ondervraging was te weten gekomen en na het advies van zijn Raad van Assesors.

Gillis had in het gezelschap van twee schelmen op 22 december 1760 ingebroken in een boerenwoning in Humbeek. Tussen twee en drie uur, toen de mensen buitenshuis waren, was hij met een van zijn kompanen via de schuur op de hooizolder geraakt. Daar maakte hij in de lemen muur een gat en kwam zo op de zolder van het huis en met een ladder geraakte hij in de slaapkamer. Daar nam hij een broek en twee ‘juppons’ van grove bombazijn[63] die hij direct aantrok. In de broekzak vond hij 32 stuivers en in het stro van de slaapzakken twee geldbeurzen met ongeveer 77 gulden. Van dat geld heeft hij niet kunnen genieten omdat zijn kompanen het geld meenamen en met hem afspraken waar hij op 24 december in Hombeek zijn deel kon krijgen. Op weg naar de afgesproken plaats werd hij aangehouden, verraden door de gestolen broek die hij nog altijd droeg.

Gillis werd veroordeeld tot om ‘door de handen van den scherprechter te worden gegeesselt om aen den gevangene eene gedenckenisse te laeten van sigh over sijn misdaet te beteren ende hem in toecomende te houden van quaede geseltschappen met order van sigh instantelijck naer sijne relaxatie te begeven bij sijne moeder ende verbodt van in toecomende te loopen ten platten lande ’t zij alleen ofte in geseltschap.

Nieuwe misdaden.

Verhoor te Brussel op10 maart 1762.

Jan Baptist Michiels, 33 à 34 jaar, herbergier en landsman in Mazenzele verklaarde dat hij de speelman Henderick Bernard goed kende. Hij dacht dat hij afkomstig was van het Land van Aalst en was na de kermis van Mazenzele in zijn herberg een pint komen drinken in het gezelschap van een jongen van 16 à 17 jaar. Henderick heeft hem toen naar buiten geroepen en gevraagd of hij een kroon kon wisselen. Hij had aan de jongen zijn viool verkocht voor vier schellingen, maar hij kon de jongen geen wisselgeld geven. Bernard riep de jongen naar buiten en die opende een linnen beursje waaruit hij een Franse kroon nam. Terwijl Jan Baptist de kroon wisselde, bemerkte hij dat er in het beursje nog andere grote munten zaten. Dezelfde dag ging Jan Baptist naar een andere herberg waar Pauwel Van Buijten hem vroeg welke munten hij met de jonge man had gewisseld. Vorige maandag had men in zijn huis geld gestolen en daar waren oude kronen bij. Of Gillis en Henderick de dieven waren, wist hij niet, maar die twee waren de volgende nacht bij Jan Van Huijnegem gaan slapen en die had gezien dat zij meerdere kronen hadden. Hij had aan Henderick nog gevraagd of er met schooien zoveel geld te verdienen was. Die antwoordde dat het geld van de jongen was die zijn huis had verkocht. Jan Baptist voegde aan zijn verklaring nog toe dat die jongen, toen ze in zijn herberg waren, de muts van een meisje aftrok. Een speelman gaf de jongen een stamp met zijn arm waarop die een mes trok.

Jan Van Den Berge, 45 jaar, landarbeider van Baardegem, was er tiendensteker. Op donderdag na de Mazenzeelse kermis ging hij tussen drie en vier uur voorbij het huis van de weduwe Peeter Willems. Daar zag hij een jonge kerel met een linnen jupon lopen die, toen hij hem bemerkte, tegen de gevel bleef staan, zijn hoed afnam en zijn haar begon te kammen. Later vernam hij dat men in het huis van de weduwe had ingebroken.

Jan Baptist Michiels en Jan Van den Berge werden vervolgens geconfronteerd met Gillis Van Troost. Gillis zei dat hij alleen Jan Baptist kende omdat hij hem in zijn herberg te Mazenzele had gezien, wat Jan Baptist bevestigde. Jan was niet zeker dat Gillis de kerel was die hij aan het huis van de weuwe Peeter Willems had gezien. Die had toen een gestreepte broek aan die links was gelapt.

Uittreksel uit het geboorteregister van de parochiale kerk van Wolverthem.

29 januari 1747 is gedoopt Egidius Van Troost wettige zoon van Joannes en Maria Van Den Brande – doopheffers – peter Egidius Jacobs en meter Catharina De Valck.

Hermannus Servaes pastor te Wolverthem. dat: 18 maart 1762.

Verhoor te Londerzeel op 16 en 18 maart 1762.

Joseph Durien, 49 jaar, soldaat in de compagnie van justitie en patrouillant te Londerzeel, had op de derde kerstdag te Tisselt[64] Gillis Van Troost achtervolgd, gearresteerd en naar Brussel gebracht om hem in de Hallepoort op te sluiten. Terug te Londerzeel ging hij inlichtingen vragen over diefstallen die Gillis mogelijks had begaan:

– Hij zou te Wolvertem in het gehucht Nerom[65] een hemd en een stuk linnen hebben gestolen..

– Te Rossem[66] bij Jan Baptist Van Den Bosch stal hij een boek met zilveren sloten, een zilveren snuifdoos, een rode en een gekleurde zakdoek. De snuifdoos bood hij te Steenhuffel te koop aan in aanwezigheid van schoenmaker Guilliam Van Malder.

– Bij pachter De Haen te Lippelo zou hij een paar zilveren gespen hebben gestolen. Daar vond hij in de kamer een sikkel.

– Tijdens de kermis van Buggenhout zou hij in het huis van Joseph Van Schoor een patrijs,een paar zilveren knopen, een zilveren medaille, een broodmes, 14 à 15 ellen lint, een paar kousenbanden en twee stuivers hebben meegenomen.

– Via de lemen muur brak hij in het huis van Peeter Verschuere in Den Vijversplas te Liezele[67] in waar hij werd betrapt toen de bewoners van het lof terugkwamen.

Peeter Huijsmans, omtrent 40 jaar, geboortig van Wolvertem die nu in het gehucht Boskant woonde, kwam op zondag na Sint-Elooi rond elf uur van de mis thuis en zag dat er iemand in zijn huis was geweest terwijl alle deuren waren gesloten. Zijn kast stond open en alles was overhoop gehaald. Zijn hemd en een stuk lijnwaad van zeven à acht ellen was weg. Die vond hij in zijn stal terug en zag er ook een paar klompen en een paar wollen handschoenen liggen die niet van hem waren. Hij vermoedde dat die van de inbreker waren en dat hij ze had laten liggen toen hij moest vluchten. Hij was waarschijnlijk via de staldeur, die gemakkelijk open ging, en dan via de zolder in het huis geraakt. De volgende dag vernam hij dat een zekere Gillis Van Troost te Sloosen[68] zonder klompen aan zijn voeten was toegekomen en er aan de mensen om een paar nieuwe vroeg want, beweerde hij, zijn oude waren gebroken.

Vervolg van het verhoor te Rossem.

Jan Baptist Van Den Bosch, 32 jaar, handwerker te Rossem, kwam samen met zijn vrouw op 8 september 1761 thuis en zag dat de kist in de slaapkmer open was en dat een zilveren snuifdoos, een kerkboek met twee zilveren sloten en vier zilveren hoeken, twee gekleurde zakdoeken en een rode gebloemde schort ontbraken. Er was nergens een spoor van inbraak en dus vermoedde hij dat de dief of dieven door een raam waren gekropen of dat ze zijn vrouw hadden bespied en gezien dat ze bij hun vertrek de sleutel boven de staldeur had gelegd. Later vernam hij dat Gillis Van Troost zijn snuifdoos te Steenhuffel bij Geeraert Mertens te koop had aangeboden voor vier schellingen. Die dacht dat ze gestolen was en weigerde ze te kopen, maar zijn vrouw kocht een van zijn zakdoeken voor 12 stuivers. De andere zakdoek kreeg hij terug van een meisje uit Londerzeel aan wie Gillis die had gegeven. Van het kerkboek en het schort had hij niets meer vernomen.

Beestenkoopman Geeraert Mertens, omtrent 49 jaar, geboortig en wonend te Steenuffel, vertelde van het bezoek van Gillis en de aankoop van de zakdoek. Over de sniufdoos zei hij dat hij die had gekocht voor 5 schillingen van een arbeider in de polder waar hij had gewerkt. Geeraert was verwonderd dat hij voor de doos maar 5 schellingen vroeg terwijl ze zeker een pistool waard was. Dat deed hem vermoeden dat ze was gestolen. Op dat ogenblik kwam Guilliam Van Meulder binnen die zei dat er veel provoosten afkwamen. Gillis vluchtte direct weg in de richting van Buggenhout. Acht dagen later kwam Jan Baptist Van den Bergh bij hem die hem vertelde over de gestolen sniufdoos en de zakdoeken. Hij betaalde de 12 stuivers aan zijn vrouw en kreeg de zakdoek terug.

Verhoor te  Malderen op 19 maart in de voormiddag.

Anna Lemmens, 31 jaar, vrouw van wever Joseph Van Schoor van de Boeksheide in  Malderen, ging met haar man op de eerste zondag van september 1761 naar de mis te Buggenhout. Omtrent 12 uur waren ze terug en ze zagen dat er een gat was gemaakt in de lemen muur van de koeienstal. Het gat was groot genoeg om een man door te laten. In de keuken bemerkten ze dat hun kist open stond en dat er meerdere voorwerpen ontbraken: 2 of 4 zilveren knopen, een verzilverde medaille, 14 à 15 ellen wit lint, een paar lederen  kousenbanden, een paar ‘calemande’ mouwen, een das en een broodmes. Een maand later zag ze op een zondag aan de kerk van Malderen een meisje die haar mouwen droeg. Het meisje vertelde haar dat haar moeder die had gekocht van Gillis die op Nerom woonde. In die periode was er ook ingebroken bij de zus van haar man Anna Van Schoor.

Na de middag ging het verhoor te Lippelo door en kwam Elisabeth De Decker als eerste aan de beurt. Zij was 51 à 52 jaar oud en de vrouw van pachter Guilliam De Haen van Lippelo. Kort na Allerheiligen ging zij zo rond 3 uur naar haar veld zonder de deur te sluiten. Een kwartier later kwam ze terug en vond op haar kamer de kast open en het linnen en de papieren die er lagen, waren dooreen gehaald. Ook de kist stond open, maar daar was niets weg behalve een paar zilveren gespen van haar schoenen. Ernaast lag een sikkel die zij niet kende. Van een Judocus vernam ze dat hij op die dag een magere bleke jongen van 15 of 16 jaar uit hun huis had zien komen.

Peeter Verschueren, 63 jaar, arbeider van Liezele die in De Vijverplas woonde, was op zondag voor Allerheiligen met zijn vrouw naar het lof geweest en zag bij zijn thuiskomst een jonge magere kerel uit hun huis komen. Dat vond hij verdacht en hij ging in zijn huis kijken of er iets was gebeurd. Op de zolder boven de koeienstal was er een gat gemaakt in de lemen muur, groot genoeg om een man door te laten. Met een ladder van de zolder kon de inbreker in het huis komen. Er was echter niets gestolen. Wellicht had de dief de tijd niet gehad om iets mee te nemen.

Vervolg van het verhoor te Bornem op 23 juni 1762.

Philippus Jan Segers, 43 jaar, een arbeider van Bornem,verklaarde dat, toen zijn vrouw op Allerheiligen naar de kerk wou gaan en haar kist in de kleine kamer opende, bemerkte dat haar zilveren hoofdijzer van vier gulden, haar rode zakdoek en een witte geborduurde zakdoek daaruit gestolen waren en in de keuken waren vorken, twee paar nieuwe sokken  en negen oorden verdwenen. ’s Anderendaags vernam Philippus op ‘De Cleijne Eijde’ dat een jongen van Wolvertem bij Joseph (onleesbaar) een stuk van het zilveren hoofdijzer en een rode zakdoek had laten liggen met de mededeling dat hij die aan de rand van het bos had gevonden. Joseph gaf hem de twee zaken terug. De andere gestolen goederen vond hij ook terug. Ze waren allemaal door een jongen verkocht: op Branst[69] bij Peeter (onleesbaar) de witte geborduurde zakdoek, bij La Motte een paar  sokken en enkele vorken, het andere paar sokken bij de weduwe Van der Doodt en nog vijf stalen vorken bij een zekere Blommaert. Het overblijvende stuk van het zilveren hoofdijzer vond hij in Wintham[70] aan de dijk. Telkens zei de jongen dat hij die voorwerpen had gekocht om ze te verkopen. Philippus vermoede dat de diefstal op vrijdagnamiddag was gebeurd toen zij aan het werk waren.

Vervolg van het verhoor te Asse op 25 juni 1762.

De weduwe van Peeter Willems, Marie Moysom, omtrent 80 jaar, had een boerderijtje te Baardegem. Zij verklaarde datzij op 20 augustus, de donderdag na Mazenzele kermis, na de middag haar huis sloot en op het veld ging werken. Tussen vijf en zes uur kwam ze thuis en zag dat de voordeur open stond. In haar kamer vond ze een stoel onder een gat in de zoldering. Zij besefte dat er was ingebroken en ontdekte dat het geld onder haar kist weg was, ook het geld in de broek van haar knecht Martinus Kempeneer en twee of drie schellingen die op het schap in de keuken lagen, waren verdwenen. Toen de knecht thuis kwam, zag hij dat er op zolder een gat was in de lemen muur tussen de schuur en het huis. De dief moet zo in het huis zijn geraakt. Later hoorde ze van de buren dat zij een een onbekende magere kerel aan haar huis hadden zien staan.

Pauwel Van Buijten, 51 of 52 jaar, een metselaar van Krokegem,was op 17 augustus op bezoek geweest bij zijn schoonbroer en ontdekte toen hij met zijn vrouw en kinderen ’s avonds terugkeerde dat de kist in hun slaapkamer open stond en alles was dooreen gehaald. Al hun geld, zo’n 20 gulden in Franse kronen, was weg. Met zijn zoon doorzocht hij het huis en zag dat er een gat was in het strooiendak van de stal en in de lemen muur van de zolder waardoor de inbreker op de zolder van slaapkamer kon komen en via de trap in de slaapkamer. Door op de mutsaaards te kruipen die tegen de stalmuur lagen, kon de dief op het dak klimmen. De volgende woensdag vertelde Jan Baptist Michiels van de herberg ‘Het Canon’ te Mazenzele hem het relaas van de speelman Henderick Bernard en de jongen die een Franse kroon wisselde. Die jongen was op maandag nog bij hem een stuk brood komen bedelen.

Jan Van Huijneghem, 64 jaar, een pachter van Mazenzele getuigde dat op 18 augustus 1761 Henderick Bernard met een vrouw en een jongen van 15 of 16 jaar bij hem hebben gelogeerd. De jongen droeg een linnen juppon en een groene broek. Bernard zei hem dat zijn broer de jongen had aangenomen om hem te leren viool te spelen. Zij vroegen een pot melk die de jongen betaalde en tegelijk een groot muntstuk liet vallen. Volgens Bernard had de jongen veel geld omdat zijn ouders waren gestorven en hij hun huisje had verkocht. De volgende morgen waren ze vertrokken. Later vernam Jan dat de jongen overal zijn geld had getoond.

Dominicus Moerenhoudt, 36 jaar, herbergier van ‘De Clock’ te Mazenzele had op 18 augustus ook het bezoek gehad van speelman Henderick Bernard met een vrouw en de jongen. Ze dronken twee potten wit bier en dan vroeg de jongen om een stuk tarwebrood en boter wat de herbergier niet in huis had. Ze vertrokken, maar keerden dezelfde avond terug om nog wat bier te drinken dat ze betaalden. Dominicus kon echter niet zeggen met welke munten.

Vervolg van het verhoor te Zemst op 8 juli 1762.

Jan De Ron, 50 jaar, arbeider van het gehucht Zemst ten Bos, kreeg op dinsdag voor de Gulden Mis[71] het bezoek van Gillis. Hij vroeg een stuk brood en vroeg of hij geen knecht nodig had. Diezelfde avond stond hij weer aan zijn deur om logies te vragen. Hij liet hem bij zijn zoon boven de koeienstal slapen. De volgende morgen bleef hij lang slapen en verteok daarna. ’s Avonds ontdekte zijn zoon dat zijn bombazijnen rok, grauwe broek en linnen juppon verdwenen waren. Jan ging ’s anderendaags naar Wolvertem om de jongen te zoeken, maar vond hem niet. De pastoor zei hem dat Gillis een schelm was. Op vrijdag ging Jan voor zaken naar Brussel en hij ontmoette Gillis op de Vlaamse Steenweg met de gestolen broek, rok en camisool[72] aan. Jan sprak hem daarover aan en eiste het gestolen goed terug. Gillis gaf hem zijn kleren terug en ging zonder broek de stad uit.

Marie Lauwers, 50 jaar, vrouw van arbeider Cornelis Van Valck van Zemst, ging met haar man naar het werk en ze  lieten hun deur open omdat een van de kinderen thuis was. Maar het kind ging later ook naar het veld zonder de deur te sluiten. Toen ze ’s avonds thuis kwamen, zagen ze dat er gestolen was. Een bruine ‘jaspen’ rok, een bruin ‘lassée’ corset, vijf manshemden, een paar lakens, linnen, drie gekleurde zakdoeken, een paar zilveren kousenbandgespen en twee juppons. Later heeft ze vernomen dat een deel van het gestolen goed te Brussel op de Oude Markt werd verkocht. Zij kende Gillis Van Troost omdat hij meermaals aan haar deur was geweest om brood te vragen, ook nog na de diefstal. Haar kinderen zeiden toen dat die jongen hun huis had bespied. Hij zat op een bussel bremt en keek door een van de vensters. Haar man ging naar buiten en de jongen vroeg weer om een stuk brood.

Examinatie in de Hallepoort op 18 juni 1762.

Als antwoord op de vragen verklaarde Gillis dat hij bedelt en dat het de tweede maal is dat hij in de Hallepoort gevangen zit. De eerste maal was hij te Humbeek opgepakt bij zijn derde  inbraak in een huis. Als straf werd hij door de scherprechter gegeseld. Hij is dan naar zijn moeder teruggekeerd in Nerom waar hij acht dagen heeft verbleven. Hij vond werk bij boer Laureijs Tambuyser. Toen de familie naar de kerk was, drong hij het huis binnen en via de graanzolder kon hij in een slaapkamer. Uit een openstaande kist nam hij 11 schellingen en een ‘plaquet’.Dat was op bevel van zijn moeder, beweerde hij. Hij trok naar Holland en werkte er vijf weken in de polders, keerde terug en doolde in zijn eentje van het ene naar het andere dorp. Tegen beter weten in bleef Gillis volhouden dat hij de diefstal in Humbeek samen met twee anderen had gedaan, namelijk met Anthoon Van Oost en Henderick Van Aken. Het was Anthoon Van Oost die in de huizen ging, Henderick Van Aken bleef in het bos en hij zat aan het gat in de lemen muur..

Gillis ontkende de diefstallen met uitzondering die te Mazenzele. Hij was toen in een huis geraakt langs een strooien dak en stal er geld om de viool te kunnen kopen. Voor zaken die hij te koop aanbood, had hij een simpele verklaring: hij had ze gevonden of van een kind gekocht. De speelman Henderick Bernard ontmoette hij in een huis in Baardegem. Ze dronken samen een paar pinten die hij betaalde met gebedeld brood en ze zijn maar twee dagen samen gebleven.Tot slot gaf Gillis nog toe dat hij vijf dagen op het kasteel van  Imde[73] gevangen had gezeten na de diefstal van de 11 schellingen en het plaquet.

Aenschouwen der plaetsen’ te Baardegem en Mazenzele.

Te Baardegem op 24 juni 1762 in het huis van de weduwe van Peeter Willems. Het huis

staat links van de weg van Aalst naar Mechelen op een kwartier van de kerk. De voordeur staat in het midden van het huis. De schuur, die vol stro lag, staat rechts van het huis en de poort sluit niet. Een lemen muur scheidt het huis van de schuur en daarin had de dief een gat gemaakt. In het huis staat de trap links van de voordeur met de keukendeur die men opent met klink. Rechtover de keukendeur bevindt zich de kamerdeur met de schouw en het schap links van de schouw. Het bed staat rechts en de kist links van het venbster. Het plafond is laag. Als men uit het huis komt, staat de stal links en daarachter loopt een voetweg naar de grote baan.

Het huis van  van Pauwel van Buijten te Mazenzele ligt achter de weg van Merchtem naar Dendermonde. De boomgaard ligt voor het huis en de stal ligt op het einde van het huis. Op de hoek van de stal was het gat in het strooien dak gemaakt en daarna in de lemen muur tussen de stal en het huis. Een trap leidt naar de slaapkamer waar het bed tegen de vensters staat en daartegen de kist. De staldeur die in de keuken uitkomt, is afgesloten met een stok.

‘Naerdere examinatie’ in de Hallepoort op 22 juli 1762.

De eerste vragen gingen over de vrouw die  bij Henderick Bernard was. Gillis noemde haar Marie, een Brusselse vrouw van ongeveer 30 jaar. Hij zag haar voor het eerst in een herberg te Mazenzele met Henderick Bernard. Ze zijn dan in Mazenzele in een schuur gaan slapen en Marie vertrok de volgende morgen. Henderick is nog een nacht in Baardegem bij hem gebleven en is de volgende morgen ook wegegaan en hij heeft hem niet meer gezien.

Gillis erkent dat hij eerst in Humbeek een huis heeft helpen bestelen, acht dagen later stal hij samen met Anton Van Oost ende Henderick Van Aken bij Laureijs Van den Brant in het gehucht ‘De Dwaesheijd’. Hij is daar niet in het huis geweest. De volgende inbraak was bij Laureijs Tambuijser in Nerom waar hij via de schuurdeur naar binnen kon. De diefstal in Mazenzele geeft hij toe en hij legde uit hoe hij tewerk ging. Zijn volgende diefstallen, die te Wolvertem en Vlassenbroek geeft hij toe, maar ontkent in Lippelo; Malderen en Liezele ooit gestolen te hebben. In Rossem brak hij in toen de bewoners boekwei aan het dorsen waren. Van al de getuigen die werden verhoord zegt Gillis dat hij alleen Joseph Durien, Peeter Huijsmans en Jan De Ron kent.

De aanklacht, 10 augustus 1762.

  1. Gillis werd gearresteerd in Humbeek op 24 december 1760. Hij bekent
  2. Hij bzat toen enkele effecten die hij had gestolen. Hij bekent.
  3. Hij had na inbraak een som van 67 gulden. Hij bekent..
  4.  De inbraak te Humbeek acht dagen vroeger bekent hij ook.
  5. Op 17 februari 1761 werd hij in de Hallepoort gegeseld en daarna naar huis gestuurd. Gillis bekent.
  6. Hij bekent de diefstallen te Rossem op 8 september 1760, te Zemst en te Ramsdonk in twee huizen op 16 en 17 december 1760.
  7. Gillis bekent de diefstal op 7 september in Malderen, en later in de maand in Zemst, Tisselt, Wolvertem, Vlassenbroek, Bornem, Baardegem, Liezele, Lippelo.

Het vonnis,

‘M’Her Joannes Baptista Josephus Christianus graaf Van Der Stegen van Bousval en Bourdeaux, ettc grote drossaard der provincie en hertoghdom van Brabant, gezien de informatie, examinatie en de personele antwoorden van de gevangene Gillis Van Den Troost condemneren wij hem om op het hoogste van de dag gebracht te worden op de Nedermarkt van deze stad en aldaar aan een galg met de koord te worden gestraft tot de dood volgt. Zijn lijk zal worden geëxposeerd ter plaatse als exempel voor anderen. Zijn goederen worden geconfisceerd ten behoeve van Hare Majesteit maar verminderd met de gerechtskosten’.

Aldus gedaen ende gevonnist binnen Brussel den 2de september 1762’.

1770 – Louis Van der Poorten van smoutslager tot dief[74].

Op 12 juli 1770 werd de 35 of 36-jarige Louis Van der Poorten te Asse gearresteerd en naar de Hallepoort in Brussel gevoerd. Daar werd hij op 26 juli ondervraagd. Hij verklaarde dat hij toen hij negen of tien jaar was, hij zijn geboortedorp Lembeek heeft verlaten om in Brussel bij zijn zus Theresia en haar man Jan Goosens te gaan wonen. Zijn hadden buiten de Anderlechtse Poort de herberg ‘Het Schaepshooft’. Daar verbleef hij ongeveer tien jaar en is dan naar Brussel gaan werken als smoutslager bij de heren Wouters en Van Damme. Na twee jaar verliet hij Brussel om in Aalst in ‘Den Smoutmolen’[75] bij Backers zes à zeven maanden te werken. Van Aalst trok hij naar Zandbergen[76] waar hij in een smoutmolen ongeveer negen maanden bij de heer Bailliu werkte. In Geraardsbergen werkte hij twee maanden bij Toms aan de molen om die in orde te brengen. Sedert februari had hij geen werk meer. Hij was niet getrouwd en hij bedelde in de streek van Halle en Lembeek en was zinnens om in het Aalsterse werk te gaan zoeken.

Op 12 juli werd hij in Asse gearresteerd omdat hij in een huis had ingebroken en er een rok, een ‘corselé’ en een hemd had gestolen. Hij had gemerkt dat er niemand thuis was en was langs de staldeur, die open stond, binnen gekomen. Toen hij werd achtervolgd, gooide hij alles weg. Gevraagd naar zijn andere inbraken, bekende hij in Halle bij een zekere De Neijer in ‘De Stroope’ drie of vier zakdoeken en enige kindervodden, die op een haag te drogen hingen, gestolen te hebben. Hij heeft die aan de eigenaars teruggegeven omdat ze hem op heterdaad hadden betrapt. Drie weken geleden stal hij in het huis van pachter Van Cutsem in Buizingen drie tinnen schotels en drie paar kousen. Ook daar stonden de deuren open terwijl er niemand thuis was. De schotels verkocht hij aan een oude klerenkoper nabij de waag in Brussel voor 11 ½ schellingen en de kousen op de Oude Markt voor 30 stuivers. Bij de schoenmaker van ‘De Jaeger’ op de steenweg van Halle aan ‘Het Neghen Manneken’ nam hij een stuk leer van twee voeten op één en een hoed mee. Hij verkocht het leer in Sint-Ulriks-Kapelle aan een schoenmaker voor drie plakketten en de hoed had hij nog op zijn hoofd bij zijn arrestatie. Tenslotte bekende hij nog een kerkboek met een zilveren slot gestolen te hebben bij smoutslager Van Der Perren aan de Anderlechtse Steenweg waar hij toen als knecht inwoonde. Hij verkocht het boek aan een zilversmid nabij ‘De Drije Goddinnen’ voor tien schellingen.

Meer heeft hij niet gestolen, beweerde hij, en het was de eerste maal dat hij in handen viel van het gerecht.

Verhoor van getuigen te Asse op 28 juli 1770.

Judocus De Wedewijn[77], 66 jaar, geboortig van Asse en kossaard te Asse-Terheide, verklaarde dat hij op 12 juli tussen zes en zeven uur ’s avonds terugkeerde van de molen van Asse en dat zijn zus Magdaleen hem vertelde dat hij was bestolen. Zij had de dief achtervolgd en hij had het gestolen goed, een rosse rok, een corsele en een vuil manshemd dat in de kamer zijn kamer hing, aan haar gegeven. De dief was een man die uit hun huis kwam door de staldeur en door de buren was aangehouden. Waarschijnlijk was hij door dezelfde deur binnen geraakt.

De 28-jarige dochter van Judocus, Joanna Maria De Wedewijn[78] die bij hem inwoonde, vertelde dat toen zij op die 12de juli van het veld kwam met een zak kruiden voor de koeien een lange struise man over hun mestkuil zag lopen. Haar ‘moeije’ Magdalena zei haar dat die man in hun huis was geweest en langs de staldeur naar buiten kwam. Zij is onmiddellijk gaan zien of er niets weg was en in haar slaapkamer was haar rok, haar ‘cosele’ en een manshemd die er tegen de muur hingen, weg waren. Ze liep naar buiten en schreeuwde dat die man een dief was. Peeter De Ridder achtervolgde de dief en kon hem aanhouden en het gestolen goed afnemen. In hun huis was er niets gebroken. Zij vermoedde dat de man via de staldeur was binnen geraakt. Die sluit met een houten klink en die men van buiten met een touw kan openen

Magdalena De Wedewijn[79], 75 jaar, geboortig van Asse, vrouw van Martinus Nieulant, een kossaard van Asse-Terheide, ging op 12 juli tussen zes en zeven uur ’s avonds voorbij het huis van haar broer Judocus en zag een vreemde lange man uit het huis komen en de deur sluiten. Hij droeg een pak op zijn schouders. Zij vond dat verdacht en vroeg die man wel zeven of acht keer wat hij daar was gaan doen. Hij antwoordde dat hij met de eigenaar wat gedronken had. Zij riep op haar broer en op zijn dochter Maria Joanna, maar er antwoordde niemand. Toen kwam de dochter thuis met een zak eten voor de koeien. Zij vertelde haar  dat die man in hun huis was geweest, dat hij lijnwaad bij zich had en dat zij moest gaan kijken of er niets gestolen was. Zij kwam snel naar buiten en riep dat haar rok weg was. Peeter De Ridder, de buurjongen zette daarop de achtervolging in en kon de man aanhouden en het gestolen goed afnemen en aan Jenne Marie geven. Magdalena heeft nog gezien dat de wacht met de dief naar Asse vertrok.

Peeter De Ridder, 18 jaar, geboortig van Asse-Terheide, woonde nog bij zijn vader. Hij was in de hop aan het werk toen hij Magdalena hoorde zeggen dat de man die in de richting van Aalst ging in het huis van Judocus had gestolen. Hij is hem direct achterna gelopen en die vreemde man gaf hem de rok, een corsele en een vuil hemd en vroeg om hem te laten gaan. Hij is bij de man gebleven tot de wacht er was.

Verhoor te IJzeringen[80] op 30 juli 1770.

Maria Anna De Cuijper, 50 jaar, weduwe van Joannes Van Cutsem[81] pachters in IJzeringen, verklaarde dat er drie weken geleden in de namiddag terwijl er niemand thuis was drie tinnen schotels getekend met de letters J. V. C. van het schap in de keuken zijn gestolen als ook een paar witte en twee paar zwarte kousen van haar zoon. De dief is waarschijnlijk

via de openstaande voordeur naar binnen is gegaan. Zij denkt dat het dezelfde persoon is die enige dagen later in ‘De Stroppen’ bij De Neijer heeft ingebroken omdat haar dochter Maria Anna die man in de namiddag nabij hun huis heeft gezien.

Verhoor te Sint-Pieters-Leeuw op 30 juli 1770.

Maria Catharina De Neijer, 23 jaar, geboortig van Buizingen en vrouw van Jan Baptist Van Cutsem, pachter en smoutslager in het gehucht De Stroppe[82]” in Sint-Pieters- Leeuw, getuigde dat drie weken geleden een lange man, gekleed in een lijnwaden casack’omstreeks twee à drie uur uit hun hof enkele kinderdoeken, zeven gekleurde zakdoeken, een ammelaken[83] en een servet die op de kolen te drogen lagen had meegenomen. Haar meid Catharina Mastings had hem betrapt. Zij heeft hem zelf tegengehouden en hij gaf haar alles terug. Zij heeft hem dan braaf geslagen.

Jan Baptist Van Cutsem, 23 jaar, geboortig van IJzeringen, pachter en smoutslager te  Sint-Pieters-Leeuw, vernam van zijn vrouw en meid dat er in hun hof was gestolen. De dief moest door een opening in de haag in de tuin zijn geraakt en was langs hetzelfde gat naar buiten gekropen en zo naar het koren gevlucht. Hij heeft hem achtervolgd en na zo’n driehonderd meter heeft hij hem braaf met de steel van een riek geslagen en het gestolen goed afgenomen. De dief is daarna weggelopen, maar van zijn knecht vernam hij dat de dief Louis heette en een smoutslager van Lembeek was.

Francis Fonteijn, 36 jaar, geboortig van Sint-Pieters-Leeuw, herbergier en schoenmaker van ‘Den Jaeger’ op de steenweg naar Halle, verklaarde dat er op 11 juli een stuk leder van  twee voeten lang met een gewicht van twee ponden en half uit zijn kamer was verdwenen. Hij verdacht eerst zijn knecht Jan Puttesij,en hij joeg de jongen weg. Maar die was zelf zijn hoed kwijt die hij op de Oude Markt voor vijf schellingen had gekocht. In die tijd had Louis Smoutslaeger van Lembeek twee nachten op zijn zolder geslapen en hij was vertrokken zonder zijn vertier te betalen. Om naar de zolder te gaan, moest Louisj langs de kamer passeren waar het leder lag.

Het vonnis

De Raden assesseurs veroordeelden Louis Van der Poorten op 13 augustus 1770 omwille van zijn minachting voor de koninklijke plakkaten, het vagebonderen, het bedelen en vooral voor de vele diefstallen om publiekelijk tot bloedens toe gegeseld te worden verbanden hem voor eeuwig uit het hertogdom van Brabant. Hij werd op ‘Het ter Eijden Veldt’ gegeseld op 31 augustus.

1772 – Was Jan Van der Meeren een moordenaar[84]?

Verhoor te Asse door de schepenen van het Land van Asse op 5 april 1772.

De schepenen Petrus Van Den Bossche, J. B. De Nil ondervroegen in opdracht van drossaard J.D. Gheude de 37-jarige Jan Van der Meiren (ook Van der Meeren geschreven) die op 5 april 1772 te Bollebeek werd betrapt bij inbraak in een huis. Uit zijn antwoorden komen we te weten dat hij van Strombeek afkomstig was en een katholiek is. Hij had geen werk en trachtte zijn kost te winnen door ‘alomme om te gaen ende te vraegen om Godts wille’. Hij was wel tien jaar soldaat geweest in het regiment van Saxengota tot augustus 1771. Hij verbleef dan enige dagen in het huis van zijn stiefvader te Wemmel en werkte daarna drie maanden als handarbeider in de herberg ‘Den Procureur’ bij Van Der Elst in Jette. Hij werd er ontslagen omdat hij te lang bezig was zijn voeten te wassen. Hij kon nog acht dagen bij pachter Timmermans in Ganshoren werken en vond dan geen job meer en is ‘alomme ten platten lande sijn brood geweest te hebben vraegen ofte bedelen om Godts wille’. Al drie maanden kon hij bij Peeter Bessems in Bollebeek logeren en overdag bedelde hij. Zijn  kleren, een paar kousen, een linnen broek, ‘camtesse’ en twee of drie hemden zijn bij Peeter Bessems en bij Jos Crommen Helleboogh in Mollem ligt zijn ransel, zijn wandelstok en nog wat bagage. Op de vraag of hij bedreigingen uitte als iemand niets wou geven, was zijn antwoord ‘gaet naer den blixem wilde gij niet geven’. Bij zijn arrestatie had hij een schelling, twee plaketten, twee munten van 10 oorden, 16 stuivers en een blauwe katoenen zakdoek die hij van Timmermans vrouw had gekocht op zak.

.

Verhoor te Mollem op 5 april 1772.

De schepenen Petrus Van Den Bossche, Joannes Baptista De Nil en Joannes Franciscus Plas.en drossaard J.D. Gheude ondervroegen op 5 april Geeraert Christiaens over de moord op zijn vrouw Anna Maria Van Molhem de dag voordien. Geeraert, geboortig van Essene en nu inwoner van Mollem, was een kossaard van 50 jaar. Na de noen was hij op zijn veld op de Middelhoeve gaan werken terwijl zijn vrouw, gezond en wel in huis was gebleven. Rond zeven uur keerde hij terug naar huis en vond in de keuken nabij de watersteen zijn vrouw op de grond. Zij was geheel bebloed, vertoonde meerdere wonden en gaf geen teken van leven meer. Hij nam haar in zijn armen, droeg haar naar de voorvloer en riep zijn buren om hulp. Judocus en Gillis Van Ginderachter van het pachthof ‘Den Sleijput’, hun zus Anna  en smid Gillis De Pauw kwamen toegelopen. Met Judocus zette hij het lichaam van zijn vrouw op een stoel en Anna Van Ginderachter waste het bloed aan de watersteen weg. Na enige tijd is Geeraert samen met Anna, Judocus en Gillis De Pauw in het huis gaan zien of er niets gestolen was. Ze zagen dat zijn kist open stond en een som van 14 of 15 gulden was verdwenen en ook de trouwring van zijn vrouw, een andere gouden ring en een kerkboek met zilveren sloten waren weg. Het doosje waarin de gestolen voorwerpen lagen, stond open op de vleeskuip achter de kist. Het bed en de strozak lagen omgekeerd op de ‘appelkoetse’, de lakens, het deken en het hoofdkussen lagen op de grond en het linnen was doorelkaar gesmeten.

Geeraert merkte ook dat er bloed aan zijn broek was die op een kleine kist lag. Waarschijnlijk heeft de dief die doorzocht op zoek naar geld. Het linnen in de kist was overhoop gehaald en op een brief die daar bij lag, was er ook bloed. Op het ijzer en de steel van zijn bijl zat er bloed en Geeraert vermoedde dat de dief zijn vrouw met het bijl vermoordde. In de keuken vond hij nog een eiken stok, 14 à 15 duimen lang en twee duimen dik

Hij heeft geen idee wie de dader kon zijn, maar Louis Schoonjans had omstreeks zes uur een vreemde man bij hem zien binnengaan. Tenslotte wilden de schepenen weten of hij en zijn vrouw soms ruzie hadden met de buren. Geeraert ontkende dat ten stelligste.

‘Acte van aenschouw’.

Op 5 april gingen de schepenen op verzoek van drossaard Gheude de plaats delict bekijken. Zij vonden er het bebloede lijk van Anna Marie Van Molhem op de vloer van de keuken. Ze lieten het lichaam naar de ‘kokene’ brengen om het daar op een stoel te leggen. Dan gaven ze aan meester chirurgijn Van der Meeren, geadmitteerd bij het collegium medicum van Brussel en inwoner van Asse, de lijkschouwing te verrichten. De chirurgijn vond vijf wonden waarvan er drie dodelijk waren: een in de hals waardoor een ader werd doorgesneden, een tweede op het voorhoofd die tot de grote hersens was gepenetreerd en de derde op het achterhoofd met schade aan de kleine hersens. Het onderste kaakbeen was gebroken  en de onderste lip was ook beschadigd. Van der Meeren was van oordeel dat de vrouw was gestorven als gevolg van harde slagen met een met een scherp voorwerp.

Examinatie in de Hallepoort op 18 april 1772.

Jan Van Der Meeren legde uit dat hij op 5 april te Bollebeek was gearresteerd omdat hij er in de huizen ging om te bedelen. Hij vroeg er alleen een aalmoes. De mannen die hem hebben aangehouden beweerden dat hij iemand had doodgeslagen en dat ze hem ook zouden doden. Over een moord weet hij alleen wat een knecht van de brouwerij ‘Den Cleercam’ achter de molen van Bollebeek hem vertelde, namelijk dat er in Mollem een vrouw was vermoord.

Verhoor te Asse op 22 april 1772.

Geeraert Christiaens werd te Asse opnieuw ondervraagd. Hij verklaarde dat zijn vrouw op de dag van de moord een blauwe rok droeg, een gestreept blauw corset en een trekmuts op haar hoofd en ‘holleblocken’ aan de voeten. Op de watersteen naast de schouw stond een botervat, de kolenbak rechtover de schouw stond rechts van de deur. Tussen de kolenbak en de deur lag het bijl naast een houwmes waarop geen bloed te zien was. Op de muur waar het bijl gewoonlijk stond, waren er bloedspatten. In hun slaapkamer stond de kist voor het bed en een vleeskuip ernaast. Of de kist gesloten was, weet hij niet en hij heeft ook niet gezien dat ze was opengebroken. Hun bed stond tegen de muur van de koeienstal rechtover het venster waaronder aardappelen lagen. De kleine kist stond rechtover het voeteneinde van het bed tegen de muur van de keuken.

Hun huis in het dorp van Mollem komt van achter tegen de Brusselstraat en staat links als je van Brussegem naar Asse gaat. Het huis heeft vier kamers, de vloer, de keuken, de slaapkamer en de koeienstal, die dooreen lopen en waarvan de deuren sluiten met een houten klink. Alleen de voordeur heeft een slot. Toen hij thuis kwam, stond de voordeur open

Hij heeft nog drie buren. Zijn buur Guillam Van Hove woont op een boogscheut, Joos De Baerdemaecker op twee boogscheuten en Van Elewijck op een half uur gaans.

De maandag na de moord vond hij de gouden strikring van zijn vrouw en het kerkboek in een mandje in de grote kist. De trouwring heeft hij niet gevonden.

Geeraert verklaarde voorts dat hij voor de moord tweemaal een vreemde man heeft gezien en dat hij hem telkens een stuk brood heeft gegeven. Het was een lange man in een linnen ‘juppon’ met een haverzak op de rug. Men heeft hem verteld dat hij op 5 april werd aangehouden in Bollebeek. Die man vertelde hem dat hij bij Bessems in Bollebeek verbleef.

Tot slot voegde Geeraerts aan zijn getuigenis nog toe dat zijn schoonvader Judo Van Molhem in augustus of september laatsleden was gestorven en dat hij van de erfenis nog niets heeft gekregen. Twee maanden geleden heeft hij zijn schoonbroer Peeter Fieremanss uit Asse voor die erfenis voor de rechter gedaagd, maar hij gelooft niet dat die iets met de moord te maken heeft.

Gielis Van Ginderachter, 70 jaar, een pachter van Mollem, had op de dag van de moord  Anna Maria omstreeks vijf uur nog gezien toen zij aan de mesthoop de kippen te eten gaf. Rond zeven uur hoorde hij Geeraert om hulp roepen en met zijn broer Judocus, zijn zus Anna en de smid zijn ze in het huis gegaan en troffen er Anna Maria dood aan op de watersteen. Judocus en Geeraert hebben haar op een stoel gezet. In de keuken zag hij naast de kolen een bebloed bijl liggen. Die namiddag had hij tot half zes in zijn tuin gespit en was dan in zijn huisje zich gaan warmen zonder iemand gezien te hebben. Over Geeraert vertelde hij dat hij goed met zijn vrouw overeenkwam en dat hij nooit heeft gemerkt dat zij ruzie hadden.

Franciscus Van Meiren, 32 jaar, geboortig van Brussel en meester chirurgijn in de Vrijheid van Asse, herhaalde zijn getuigenis van 5 april.

Judocus Van Ginderachter, 57 jaar, geboortig van Mollem en pachter aldaar, kwam kwart voor zes met zijn paarden terug van het veld. Rond zeven uur hoorde hij zijn buurman Geeraert roepen: “mijnen lieven cameraet wie heeft sulcx gedaen”. Hij liep het huis binnen en trof daar Geeraert aan met zijn vrouw in zijn armen. Wat hij voorts vertelde, kwam overeen met het getuigeis van zijn broer.

Anna Van Ginderachter, 63 jaar, ook in Mollem geboren, werkte met haar twee broers op de boerderij. Zij was op 4 april in de keuken bezig en ging af en toe naar de boomgaard om naar hun ziek paard te kijken. Zij bracht geen nieuwe gegevens aan behalve dat ook zij aan een bedelaar brood had geven en dat die man de zondag na de moord aan de kerk van Mollem zat te bedelen.

Gielis De Pauw, een 60-jarige smid van Mollem was in de namiddag van 4 april in het huis van Gielis en Judocus Van Ginderachter om een ziek paard een drank te geven toen hij  Geeraert van in zijn huis om hulp hoorde roepen. Hij is met Gielis en Judocus meegegaan naar het huis van Geeraert.en dan beschrijft hij wat hij daar aantrof, wat overeen komt met wat de andere getuigen reeds verklaarden. Hij voegd er nog aan toe dat hij een zekere Gielis Bal verdacht, een man met kwade faam die mensen overviel en al in Aalst in de gevangenis had gezeten.

Francis Ceuppens, 29 jaar, geboortig van Mollem, een ‘lattecapper’ van Mollem, was op 4 april heel de namiddag op zijn veld naast dat van Geeraert die er ook aan het werk was. Ze zijn samen rond zeven uur naar huis vertrokken.

Judocus Huijghe, 40 jaar, geboortig van Mollem zag op 4 april Geeraert en Francis rond zeven uur voorbij zijn veld gaan. Kort daarop hoorde hij schreeuwen en lamenteren zonder er eigenlijk acht op te slaan en pas de vplgende dag hoorde hij dat Anna Maria was vermoord.. 

Anna Marie Van Der Veken, 36 à 37 jaar, geboortig van Merchtem en inwoonster van het gehucht Sleewagen, was de vrouw van Jan Baptist De Boeck, een kossaard van Merchtem en bekende dat zij Gielis Bal, afkomstig van Baasrode[85], kende. Zij zag hem al enkele jaren bedelen en op de dag van de moord kwam hij haar even na de noen twee stukken brood te koop aanbieden die ze voor twee stuivers kocht. Van Henderick Dobbeleers, zoon van  Francis, vernam ze dat Gielis Bal pachter Jan Baptist Van Hamme van Merchtem zou aangerand hebben. Hij had de pachter bij de keel gegrepen en eiste geld. Jan Baptist gaf hem acht schellingen.

Jaspar Helpers, 56 jaar, geboortig van Merchtem was de boswachter van baron Termeeren. Hij woonde in het gehucht Sleewagen en had op 4 april Gielis Bal tussen twee à drie uur naar het huis van Jan Baptist De Boeck zien gaan. Hij droeg een wit linnen ‘juppon’ met een zak op zijn rug. 

Louis Schoonjans, 67 jaar, geboortig van Brussel, schoenmaker van Mollem, droeg op zaterdag 4 april een paar schoenen naar Judo Van Ginderachter. Op een kleine boogscheut van het huis van Geeraert Christiaens zag hij een man van de mesthoop van Guiliam Van Hove rechtover het hof van Geeraert Christiaens komen en langs de voetweg naar het huis van Christiaens gaan. Of hij naar binnen is gegaan, dat heeft hij niet gezien. Het was toen ongeveer kwart na zes. De dag voordien, tussen elf en twaalf uur was een vreemde persoon in zijn huis gekomen. Dat was niet de gevangene want die is kaal en veel groter dan die bedelaar met zwart haar. Hij droeg een valies op zijn rug en vroeg een stuk brood, wat Louis weigerde.

Vervolg van de verhoren te Asse op 24 april.

Elisabeth Couvent, 26 jaar, geboortig van Mollem en thans meid bij pachter Henderick Van Ginderachter, werkte op de bewuste dag samen met Petronella, de dochter van de pachter, op het veld ‘Den Dooman’ gelegen op een kwartier van het huis van Geeraert Christiaens. ’s Namiddags zag zij een lange man met een ‘casack’ aan en zwart haar. Het was niet Gielis Bal. Hij kwam uit de richting van het huis van Christiaens en hij liep zo hard hij kon naar de Weijenberg. In zijn rechterhand had hij een stok van zo’n vier voeten lang. Dat was omtrent half vijf. 

Petronella Van Ginderachter, 15 jaar, geboortig van Mollem en dochter van pachter Hendrick, legde dezelfde verklaring af als Elisabeth Couvent.

Jan De Swaen, oud 40 jaar, geboortig van Brussel en kossaard te Mollem, zag op 4 april rond vijf uur een man uit de bijvang van Christiaens komen die hij eerder al had gezien. Hij was ongeveer zes voeten lang, 25 à 30 jaar oud en had een afhangende hoed op zijn hoofd. Hij droeg sneeuwwitte ‘waggen’ en schoenen. een wit ‘veol cleedt’ gelijk bombazijn of linnen, en een bleekblauwe ‘juppon’. In zijn hand had hij een stok ter dikte van een vinger. Toen die man hem passeerde, trok hij zijn hoed voor zijn ogen om niet herkend te worden. Hij verliet de weg en liep over het veld ‘Den Winckel’. Jan voegde er nog aan toe dat die man niet Gielis Bal was en dat hij hem zeker nog kon herkennen.

Joos De Baerdemaecker, een 80-jaarige kossaard van Mollem, zag toen hij op zijn veld tegen de Merchtemse Baan werkte, kort na vijf een man uit de richting van Mollem komen lopen. Hij droeg een witte ‘jupon’ en sloeg de weg in tussen Mazenzele en Opwijk.

Jan Baptist Tassenoy, 16 jaar en geboortig van Merchtem, woonde als knecht bij pachter Henderick Van Ginderachter. Hij was op 4 april op het veld van zijn meester aan het eggen toen hij rond vijf uur een man zag lopen van het veld ‘De Middelhoeve’ naar het veld ‘Den Winckel’ en zo verder over de velden recht door de bossen naar het gehucht Weijenberg. Die man zag altijd om.

Adriaen Van Den Broeck; een kind van acht jaar dat getuigde dat hij op een avond een man uit de bijvang van Geeraert Christiaens zag komen en naar Jan De Swaen lopen. Hij trok zijn hoed voor zijn gezicht en liep over ‘De Middelhoeve’ naar ‘Den Winckel’ , kroop door twee hagen en liep dan zo hard hij kon naar ‘Den Weijenberg’ en verder over de Merchtemse Baan en het bos ‘De Palmbroecken’. De jongen voegde er nog aan toe dat die man altijd omkeek, zwart haar had, een rosse zak op zijn rug droeg en witte ‘waggen’ en schoenen aan had. Diezelfde man was bij hen thuis nog komen bedelen en zijn moeder had hem een stuk brood gegeven.

Gielis Jacobs, 24 jaar, pachter en brouwer in de ‘Neercamme’ te Brussegem verklaarde dat op 4 april in de voormiddag een lange kale man met een rosse valies op zijn rug was komen bedelen. Het was de man die bij Peeter Bessems te Bollebeek logeerde. Hij heeft hem niets willen geven. Later vernam hij van Catharina Van Cutsem, de meid van pachter Peeter De Ridder, dat die man ook bij hen was komen bededelen, maar de vrouw van Peeter zei dat er niets te geven was. Daarop sprong die man in het huis schreeuwend dat hij haar zou dwingen iets te geven. De vrouw vluchtte, roepend op hun knecht, het huis uit en die heeft met slagen de bedelaar verjaagd. Diezelfde dag nog kwam kort na de noen Gielis Bal bij hem graan of geld vragen, wat hij weigerde, maar toen die een stuk brood kreeg, ging hij weg..

Joannes Mannaert, de 13 of 14-jarige zoon van de officier van Mollem, zag op Passiezondag voor de vroegmis op het kerkhof van Bollebeek de man staan die zijn vader in de namiddag heeft aangehouden. Enkele jongens zeiden: “Jan, uwen casack is bebloed, hebbe gij gisteren die moord begaen?” De man begon te lachen en ging de kerk binnen. Joannes had ook gezien dat zijn zak rode vlekken had.

Vervolg van het verhoor te Asse op 25 april.

Joannes Baptista Borremans, 37 jaar, herbergier en pachter te Mollem, getuigde dat op 4 april tijdens het middageten een grote struise man in hun huis kwam die zei dat hij Bal van ‘Den Ouden Bril’ was die koren of tarwe vroeg. Joannes Baptista weigerde dat, maar wou hem wel een boterham geven, wat Bal dan weigerde. Bal zei nog dat, als Joannes Baptista naar ‘Den Ouden Bril’ kwam, hij zou helpen de zakken te dragen, want wie hem hielp zou hij ook helpen.

Bij de 58-jarige pachter Andreas De Greve van Mollem had hetzelfde voorval plaats als bij Joannes Baptista Borremans. Gielis Bal kwam er op de middag van 4 april om koren of tarwe vragen, wat Andreas ook weigerde. Zijn vrouw wou hem wel ‘eenen cant’ geven, maar dat interesseerde hem niet en hij is kwaad vertrokken.

Francis De Valck, 27 jaar, geboortig van Merchtem en thans knecht bij Andreas De Greve  vertelde hetzelfde als zijn baas. Wel voegde hij er aan toe dat hij op 5 april te Asse de man zag die was aangehouden en die had hij nog nooit gezien. Zijn ‘meestersse’ wist dat die ook op 4 april was komen bedelen.

Gielis Verhasselt, 37 à 38 jaar, afkomstig van Mazenzele en inwoner van Weijenbergh was handarbeider en handelaar in tabak en snuif. Hij was de avond van de moord zo rond zes uur langs de voetweg tot bij Joos De Baerdemaecker gegaan en had alleen de strodekker Jan De Vilder ontmoet.

Bij Cornelia De Vogel[86], de 54-jarige vrouw van Henricus Fiereman, pachter en brouwer van Asse-Terheide, was ook een lange man met een pokdalig gezicht en een kale kop komen bedelen. Hij had een rosse lederen valies bij zich. Zij wou hem niets geven waarop de bedelaar haar toeriep: “Ick sal u haest eenen Godt helpen geven want ick sal u huijs affbranden”. De donderdag voor de moord was hij er weer en toen heeft zij hem een ‘cant’ gegeven en hij is dan vertrokken zonder iets te zeggen.

Vervolg van het verhoor te Asse op 29 april.

Jan De Vilder, omtrent 60 jaar, de strodekker van Mollem, die op een ‘bolleworp’  van Geeraert Christiaens woonde, ontmoette op 4 april rond half zeven op zo’n 60 stappen van het huis van Geeraert een onbekende man die hem groette en zijn weg richting het huis van Joos De Baerdemaecker vervolgde.

Peeter Fieremans, omtrent 40 jaar, geboortig van Mollem en kossaard kon zijn ondervragers alleen vertellen dat hij op 4 april niet uit zijn huis was geweest omdat hij met een kwaad been in bed leg.

Maria Anna Biart, omtrent 60 jaar, geboortig van Wemmel en vrouw van Peeter Bessems, hophandelaar te Bollebeek, gaf toe dat Jan Vermeeren al meerdere nachten in hun huis logeerde. Op 4 april is hij rond zeven uur bij hen toegekomen. Die dag was haar man met een vracht hop naar de Kempen vertrokken. Op 5 april gaf de vrouw van Helleborgh de valies van de gevangene aan haar man en die overhandigde ze aan de officier van Asse.

Het vonnis.

Joannes Baptista Josephus Christianus, graaf Van Der Stegen van Bousval en van Bourdeaux, sprak als drossaard van het hertoghdom Brabant het vonnis uit op 16 juni 1772. Jan Van der Meeren werd voor eeuwig verbannen uit het hertogdom en moest binnen de dertig dagen na zijn vrijlating het hertogdom verlaten hebben.

1773 – Guillelmus Hannick kon het stelen niet laten[87].

Op 21 november 1773 zond J.D. Gheude, de drossaard van Asse, twee van zijn ‘rontgangers’ de in Asse aangehouden Guillelmus Josephus Hannick naar de gevangenis in de Hallepoort te Brussel voor verhoor door de drossaard van Brabant, Joannes Baptista Josephus Christianus graaf Van Der Stegen van Bousval en van Bourdeaux. Bij zijn arrestatie op 20 november 1773 in het huis van notaris De Kock te Asse verklaarde Guillelmus dat hij in Gent woonde. Hij weigerde zijn paspoort te tonen en riep de drossaard toe dat hij op hem ‘schete’ en dat hij een ‘honsfot deugniet’ was. De vorster wou hem fouilleren, maar dat belette hij. Toch slaagde de vorster er met de hulp in om hem te onderzoeken en ze vonden een heleboel voorwerpen die volgens hen zeker gestolen waren:

– Een laken waarvan hij eerst zei dat het een hemd was. Het laken was op een hoek getekend met n° 10 en de letter P.

– Een ‘blout pocelijne kantoene kinderobeken’ dat nog nat was en naar zeep rook. Het was waarschijnlijk van de ‘bleek’ gestolen. Volgens Guillelmus was het kleedje van zijn eigen kind dat bij zijn vrouw Maria Roelandt in Gent woonde. Hij had het in een rivier buiten de Vlaamse Poort zelf gewassen. De luitenant-amman van de stad Brussel had hem dat gegeven bij zijn ontslag uit de Hallepoort. Daarbij kwam aan het licht dat hij op 19 november uit Brussel ‘en haere cuijpe’ was verbannen.

– Een blauwe zakdoek

– Een zwart zijden lap in de vorm van een collé.

– Een zwarte kous die waarschijnlijk gestolen was want hij had er maar een.

– Een Vlaams kerkboek waarin een stuk van een kaart stak met daarop het woord ‘vergif’.

Hij had dat stuk kaart snel onder de tafel geworpen, maar men had het toch gezien en op de vraag waar het vergif was, antwoordde hij dat er geen vergif is. Hij had dat kaartje gekregen van een medegevangene in de Hallepoort en Vergif was zijn naam, wat natuurlijk niemand geloofde omdat het niet vuil was.

Examinatie in de Hallepoort op 26 november 1773.

Guillelmus Hannick veranderde tijdens zijn ondervraging zijn eerdere verklaringen aan de drossaard van Asse. Hij zegt nu dat hij 38 jaar is en geboortig van Gent. Hij is een kleermaker zonder vaste verblijfplaats. Op 19 november werd hij door de wethouders van Gent (hij vergist zich, moet Brussel zijn) uit de gevangenis ontslagen met het bevel de stad te verlaten en met de dreiging van zwaardere straffen. Hij is dan via de Vlaamse Steenweg vertrokken. De voorwerpen die hij bij zich had, vond hij de volgende dag in een zakdoek aan de fortificaties tussen Halle en de Anderlechtse Poort. In Asse legde hij andere verklaringen af omdat hij toen dronken was en niet goed wist wat hij zei. Dat hij de voorwerpen gestolen heeft, ontkent hij ten stelligste. Voor het weggooien van het stukje kaart, heeft hij een eenvoudige uitleg: het was gewoon uit zijn zak gevallen en hij had het op de Vlaamse Steenweg gevonden. Op 19 november werd hij in Asse in een herberg opgepakt door de vorster omwille van enkele ‘insollentiën’[88].

Verhoor van getuigen te Berchem op 1 december 1773.

Joanna Theresia Branckaer, was 45 jaar, geboortig van Edingen en vrouw van Judocus Peeters. Zij woonde te Berchem waar ze haar herberg ‘De Maeght van Gendt’  aan de Vlaamse Steenweg had. Zij getuigde dat op zaterdag 20 november laatstleden al de kinderkleren had gewassen en op de haag te drogen had gehangen. Wanneer ze een kwartier later ging kijken, zag ze dat het katoenen kinderkleedje en een blauwe zakdoek weg waren. Om die te stelen, moest men door de haag kruipen of door een open plaats om niet gezien te worden. Tot slot voegde zij er nog aan toe dat ze van de dochter van zekere Verjetbrugge vernomen had dat een man haar een kleed te koop had aangeboden. Het hing aan een stok en was nat. Ze wou het niet kopen daar ze dacht dat het gestolen was. Zij herkende het kleed en de zakdoek en wees de ondervragers er op dat op het kleed nog een vlek zat waar haar kind had overgegeven. Zij kreeg haar gestolen goed terug.

Catharina Borremans, 22 jaar, was afkomstig van Molenbeek en woonde op de Gentse Steenweg bij haar schoonvader Geeraert Verjetbrugge. Zij getuigde dat veertien dagen geleden een kleine man haar huis passeerde en haar een kinderkleedje wou verkopen. Vermits ze het niet nodig had, ging ze op het voorstel niet in. De man voegde er nog aan toe dat de vrouw van ‘Den Moriaen’ er 17 ½ wou voor geven en dat hij zes weken in de gevangenis had gezeten. De volgende zondag sprak zij in ‘De Maeght van Gendt’ met een vrouw die haar vertelde dat ze was bestolen geweest van een kleedje en een zakdoek.

Judocus Peeters, 30 jaar, geboortig van Berg bij Kampenhout, was herbergier in ‘De Maeght van Gendt’. Hij legde dezelfde verklaring af als zijn vrouw Joanna Brancaer. Hij kon aan de beschrijving van de vermoedelijke dief nog een detail toevoegen: hij droeg een ‘perucke’.

Het vonnis.

Guillelmus Hannick had al een behoorlijk gevuld strafblad:

– Er was het hangende proces met de luitenant-amman van Brussel.

– Een vonnis van de schepenen van Gent voor twee diefstallen met gevangenisstraf tot gevolg. In het huis van een kuiper had hij ‘eene saeje salie ende eenen dessel’ ontvreemd en in de sacristie van de paters miniemen een hoed met een gouden gallon die hij verkocht voor negen gulden en negen stuivers. Op de Oude markt nam hij een ijzeren rooster mee. De schepenen verbanden hem voor vijf jaar uit de stad.

– De verbanning uit de stad Brussel eveneens voor vijf jaar wegens diefstallen op 19 november.

– De diefstal op 19 november nadat hij pas uit de gevangenis van Brussel was ontslagen.

– De beledigingen van de vorster van Asse bij zijn arrestaties.

Op 22 januari1774 werd Guillelmus veroordeeld tot publieke geseling tot bloedens toe en tot een eeuwige verbanning uit het hertogdom Brabant.

1775 – Josina Bernard, een bijzondere dievegge te Asse [89]

Op verzoek van drossaard Joannes Dominicus Gheude werd op 7 december 1775 een onderzoek ingesteld naar de diefstallen van Josina Bernard.

Op 9 december 1775 verscheen Judocus Josephus De Witte kleermaker, 30 jaar voor de schepenen J. J. De Witte en J. De Smedt van het Land van Asse.[90] Hij getuigde dat hij op 7 december tussen 6 en 7 uur ’s avonds hij zijn zoontje in bed wou stoppen Toen hij het deken wegtrok zag hij tot zijn verwondering een mes liggen. Hij vroeg aan zijn vrouw Maria Anna Van Nijverseel of zij een mes in het bed had gelegd. Van in de keuken antwoorde zij dat zij niet van een mes wist Judocus zag dat het een opengaand mes dat zij niet in huis hadden. Het viel hem ook op dat een zijplank van het bed op de vloer lag. Hij wou de plank oprapen en zag dat zijn jas onder het bed lag. Hij greep naar de jas en voelde iets zachts zodat hij dacht dat er een kat of een hond lag. Toen hij met het licht scheen, meende hij een grote hond te zien. Hij riep zijn knecht Charles Gabriel dat hij met twee stokken moest komen omdat er een grote hond onder het bed lag. Maar dan ontdekten ze dat het een grote vrouw was die daar lag en die zonder een woord te spreken niet van onder het bed wou komen. Woedend begon Judocus het bed af te trekken terwijl hij voelde dat de vrouw met haar hand zijn been streelde en zei: “Meester, meester, zwijg, ik ben het”. Hij herkende de stem. Het was Josina Bernard een jonge dochter van Asse die tot twee jaar geleden zijn meid was. Judocus vroeg zijn knecht om Michiel Van Cauwenberg en Jan Biesemans, zijn buren als getuigen erbij te halen. Bij het horen van die namen kroop Josina onmiddellijk van onder het bed en trachtte weg te vluchten, maar Judocus sloot de kamerdeur tot de buren er waren. Dan vroeg hij zijn knecht om de rontgast van de compagnie van de drossaard te halen. Die kwam om 8 uur toe samen met Guillam Mannaert. Zij fouilleerden Josina en vonden de beurs van zijn vrouw met 24 stuivers drie oorden en een rode halsdoek met witte en blauwe strepen die in de kist in de andere kamer lagen. Josina bekende de diefstal en op de vraag waarom ze een mes had, antwoordde ze dat haar vader haar had willen slaan en dat ze met het mes zijn huis was ontvlucht. Nadat Mannaert en Joannes Col met Josina waren vertrokken ontdekte Maria Anna dat er nog meer uit haar kist was verdwenen: haar kerkboek beslagen met zilver, twee hemden van Judocus, twee katoenen schorten en een witte halsdoek. Dat alles met het mes waarin een zwaard was gegraveerd, werd door de rontgast in beslag genomen en aan de griffier ter bewaring gegeven.

Dezelfde dag werd ook de kleermakersknecht Charles Joseph Gabriël geboortig van Rebecq, 18 jaar, die bij Judocus inwoonde. Hij hoorde die zevende december vanuit het kinderkamertje Judocus roepen dat hij met twee stokken moest komen om een grote hond die onder het bed lag te verjagen. Maar in het schijnsel van het licht zagen ze dat er een vrouw lag die zijn baas aansprak met Josina Op bevel van zijn meester is hij eerst Michiel Van Cauwenbergh en Jan Biesemans gaan roepen om te getuigen van de inbraak en nadien Joannes Crol, de rontgast van de drossaard die Guillam Mannaert meebracht. Die fouilleerden Josina en vonden de al genoemde voorwerpen. Josina bekende de diefstal. Nadat ze door de rontgast was weggeleid, vonden zijn meester en hij onder het bed nog andere gestolen voorwerpen: een kerkboek, twee hemden, twee katoenen schorten en een witte halsdoek.

Maria Anna Van Nijverseel, vrouw van Judocus, geboortig van Asse, 24 jaar kwam die dag omstreeks 5u30 thuis van haar kruidenveld. Nadat ze met haar man en de knecht had samen gezeten, bracht haar man hun zoontje naar de kinderkamer Zij hoorde hem vragen of zij een mes op het bed had laten liggen waarop ze ontkennend antwoordde. De rest van haar getuigenis kwam overeen met wat haar man en hun knecht hadden verklaard. De volgende morgen ontbood de rontgast haar en toonde haar de gestolen voorwerpen die ze allemaal erkende als uit haar kist gestolen behalve het mes. Ze voegde er nog aan toe dat Josina twee jaar geleden twee maanden bij haar had ingewoond.

Michiel Van Cauwenberg, huisman en slachter, geboren te Essene, 52 jaar, getuigde dat de knecht van Judocus hem vroeg mee te komen naar het huis van zijn meester. Die vertelde hem dat er een deugniet onder het kinderbed had gelegen. Hij zag dat het Josina was, de dochter van Jan Bernard, ingezetene van de Vrijheid van Asse. Hij stelde Judocus voor haar naar de drossaard te brengen, waarop Josina begon te tieren. Zij vroeg hen om haar en haar familie die schande niet aan te doen en zij bood haar verontschuldigingen aan. Maar Judocus besloot om de rontgast en Guillam Mannaert, dienaar van het Land van Asse, erbij te halen.

Die vonden de al vermelde gestolen voorwerpen op haar buik. Over het mes verklaarde Josina nog dat zij thuis bezig was rapen te schillen en dat haar vader haar wou slaan en dat ze dan met het mes was gevlucht.

Jan Biesemans, huisman, 55 jaar, vertelde aan de schepenen wat Michiel Van Cauwenbergh al had getuigd.

Joannes Baptista Col, rontgast van de compagnie van de drossaard, omtrent 36 jaar, geboren te Leuven, verklaarde dat de knecht van De Witte hem omstreeks half zeven vroeg naar het huis van zijn meester te komen. Daar vertelde Judocus wat hem over het mes op het bed en wat hij onder het kinderbed had gevonden. Samen met Guillam Mannaert fouilleerde hij Josina en zij vonden de beurs van de huisvrouw, en de halsdoek. Josina bekende de diefstal uit de kisten voegde eraan toe dat de sleutel op de kist stak. Samen met Mannaert bracht hij Josina bij de drossaard die besliste haar aan te houden. Die nacht stelde Joannes Baptista vast dat Josina nog een schort onder haar rok had. Zij bekende dat die ook uit de kist kwamen met nog een kerkboek, een halsdoek, twee hemden

Gecontinueerd op 10 december.

Cornelia Bastaerts vrouw van Joannes Baptista De Keijser, beenhouwer in de Vrijheid van Asse, geboren in de Vrijheid, 30 jaar.[91] Zij verscheen voor de schepenen Petrus Van Den Bossche en B. De Nil. en getuigde over de diefstal bij Gillis Smedt, zoon van Gillis, pachter van de Vrijheid en inwoner van Krokegem zo’n 14 à 15 maanden geleden door Josina Bernard. Zij woonde toen daar  en hoorde op een morgen haar oom aan zijn vrouw en aan haar vragen of zij het geld uit zijn broek die ’s nachts aan zijn bed hing, hadden genomen, wat zij ontkenden. De vrouw werd achterdochtig en ging overal zoeken en ontdekte dat ook haar gouden kruis dat in de slaapkamer op tafel lag, was verdwenen. Er moest die nacht iemand in het huis zijn geweest want uit de keukenkast was brood en kaas weggenomen en in de kamer van de meiden had iemand op het bed gelegen. Gillis ging de volgende dag de diefstal aangeven terwijl Cornelia alleen thuis bleef. Zij zat op de trede naar de meidenkamer en tot haar verwondering zag ze iets als een grote hond onder het bed liggen Ineens kwam er een mens tevoorschijn die zei: “Cornelia gij en moet niet verschrickt sijn, ik ben ik het”. Het was Josina Bernard die direct achtervolgd door Cornelia en onder het lopen zag ze dat. Josina de beurs van de vrouw in het midden van de keuken wierp. Cornelia riep op metselaar Pauwel Van Buijten[92] en op Gillis Verdoodt. Ze gingen naar de keuken en zij toonde hen de beurs, opende die en vond het gouden kruis en vier of vijf gulden Van Gillis De Smedt vernam ze dat Josina enige tijd hun meid was geweest en dat ze toen een stuk van nieuw lijnwaad had gesneden.

Egidius De Smedt, zoon van Egidius, pachter in de Vrijheid van Asse, 52 jaar, getuigde over de diefstal in zijn huis zo’n 14 à 15 maanden geleden.[93] Nadat Josina een paar maanden hun meid was, hebben zij haar uit hun huis gejaagd op verdenking van diefstal van enige ellen grauw lijnwaad dat met een mes van een groter deel was afgesneden. Hun zeven jarig zoontje had dat gezien. Josina bekende aan de vorsters dat ze met het lijnwaad een schort wou maken. Nadat Josina weg was, stelde zijn vrouw vast dat zij ‘eenige ommelaekens en servetten’ kwijt was. 14 maanden later ontdekte Egidius op een morgen dat al zijn geld uit zijn broek, die hij op zijn bed had gehangen, verdwenen was. Met zijn vrouw en zijn nicht doorzochten ze hun huis en constateerden dat ook hun gouden kruis dat zijn vrouw de vorige avond op de tafel in hun slaapkamer had gelegd, weg was. Zij bleven zoeken en zagen in de keuken dat er brood en kaas was gestolen en in de kamer van de meid dat er iemand op het bed had gelegen. Gillis ging met zijn vrouw naar Mollem om er een mis te laten opdragen om hun gestolen waren terug te krijgen. Thuis gekomen meldde hun nicht Carolina dat ze de gestolen goederen had gevonden en dat ze Josina onder het bed in de meidenkamer had aangetroffen. Later vond Gillis’ vrouw nog twee pakken lijnwaad onder het bed.

Catharina Pieters, vrouw van Gillis De Smedt, geboren te Lebbeke, 35 of 36 jaar, legde dezelfde verklaring als haar man af.

Joannes Jacobus Van Stichel, 44 jaar  en geboren in de Vrijheid, was de geauthoriseerde vorster van het Land van Asse.[94] Hij verklaarde dat Josina een volledige bekentenis aflegde voor de twee diefstallen.

Verhoor van Josina Bernard op 10 december door de schepenen Petrus Van Den Bossche, J. B. De Nil, J. F. Plas, en J. De Smedt op verzoek van drossaard Joannes Dominicus Gheude.

Het lange verhoor hebben we kort samengevat.

Josina, 19 jaar, was een dochter van Joannes en Cecilia Van der Veken.en was in de Vrijheid geboren waar haar ouders nog woonden. Zij was katholiek. Een jaar geleden woonde ze als meid bij Gillis De Smedt op Krokegem en heeft er toen een stuk grauw lijnwaad gestolen. Later keerde ze naar het pachthof terug. Het was rond drie uur in de namiddag en ze ging direct naar de kamer waar zij als meid had geslapen. Ze heeft er op het bed gelegen tot ze ’s nachts opstond, naar de slaapkamer van Gillis ging en uit diens broek geld haalde, van de tafel nam ze een gouden kruis en een beurs van de vrouw van Gillis. Ze keerde terug naar de meidenkamer tot ze daar door Cornelia werd ontdekt en zij wegliep. De volgende nacht sliep zij in het wagenhuis van Jan Amerijx, de zoon van Hendrickx. Bij kleermaker Josephus De Witte was ze rond drie uur naar binnen gegaan omdat ze zag dat de deur open stond. Ze ging naar de kamer waar ze als meid nog had geslapen. Zittend op het bed schilde ze een paar rapen tot ze hoorde dat de bewoners thuis kwamen. Haastig dook ze onder het bed, het mes op het bed latend. Haar verdere verklaringen kwamen overeen met wat Gillis al had getuigd.

Josina werd opgesloten in de Hallepoort te Brussel.

Het vonnis.

In gebannen vierschaar te Asse op 19 februari 1776 spraken de schepenen van het Land van Asse Petrus Van Den Bossche, Joannes Baptista De Nil, Joannes Franciscus Plas, Guillam Goossens, Jan Baptista Van Linthout, Josephus Van Lierde en Peeter Van Langenhove en de schepenen van de Heerlijkheid tot Asse volgend vonnis uit. Ze veroordeelden Josina Bernard om op ‘ten hooghsten van den dagh’  naar Asse gebracht te worden om daar op de gewone executieplaats op een schavot aan een staak gebonden met scherpe roeden te worden gegeseld tot bloedens toe en voorts tot een ballingschap van tien achtereenvolgende jaren uit het Land van Asse.

Josina Bernard weer in het land.

De feiten.

Peeter De Mulder[95], pachter van de Vrijheid, van Asse, 55 jaar, keerde op de morgen van 1 augustus 1780 om acht uur van zijn weide naar huis terug. Hij zag dat de voordeur van zijn huis nog gesloten was omdat zijn vrouw nog op het veld aan het werk was. Hij ging naar de paardenstal om zijn dieren te voederen, wat zo’n half uur duurde. Dan zag hij zijn vrouw door de hoplochting komen met enkele hemden in haar handen al roepend: “Jezus Maria Jozef, wij zijn bestolen”. Zij had de hemden tussen de erwten in hun tuin gevonden. Zij gingen het huis binnen en in de slaapkamer zagen ze dat de kleerkast omver lag en dat er hemden en andere kleren op de vloer verspreid lagen. Peeter riep zijn zoon Adriaen en Fernandus Meert en die ontdekten dat achter de kleerkast er een groot gat was in de lemen wand. Hun kist was ook opengebroken en twee of drie rokken, een ‘korslijf ofte corsele’, een warte zijden ‘faille’, zeven of acht pond garen, omtrent anderhalve steen gehekeld vlas en enkele hemden ontbraken. Daarbij ook klein vrouwengoed zoals trekmutsen, kappen ondergoed zakdoeken en andere.

Judocus Claes; een buur, suggereerde dat Josina Bernard de dief kon zijn. Toen hij van het pachthof De Koewijde te Bollebeek kwam, zag hij haar met een groot pak op haar hoofd. Met Judocus Claes zette zijn vrouw de achtervolging in. In Zellik vonden zij Josina omtrent de omtrent Sint-Corijnskapel. Zij had de gestolen goederen nog bij zich. Zij namen haar het groot pak af en deden haar, met twee mannen die op het geroep waren afgekomen, twee rokken uitdoen. In het pak vonden ze een stuk spek, 5 à 6 pond smout, enkele tinnen lepels en enkele lakens. Dat alles was eigendom van Peeter en zijn vrouw.

Wettelijke ‘aenschouwinge’ in de woning in de Prieelstraat.

Op 4 augustus 1780 bezochten schepen Petrus Van Den Bossche en griffier J. B. De Nil in opdracht van drossaard J.D. Gheude  de woning van Peeter De Mulder om de schade van de inbraak vast te stellen. Op de eerste verdieping zagen zij de opening in de wand van de slaapkamer langs de kant van de runderstal. De opening was twee op anderhalve voet groot.

Voor het gat stond de kleerkast zonder slot. Het oog van de klepel van de kist was gebroken.

Verhoor te Asse op 4 augustus door de schepenen Van den Bossche en De Nil.

Peeter De Mulder, vertelde de feiten zoals ze hierboven werden vermeld. Hij voegde eraan toe dat Josina twee of drie dagen eerder in zijn huis had helpen boteren en dat hij nadien twee tinnen borden kwijt was.

Joanna Timmermans, vrouw van Peeter De Mulder geboortig van Sint-Katherina-Lombeek, omtrent 43 jaar, zag op de eerste augustus in de groentetuin een gestreept ‘hammelaeken’, twee lakens, enkele hemden en zeven of acht tinnen lepels liggen. Zij nam alles mee naar huis om aan haar man te tonen. Samen gingen ze naar binnen en in hun slaapkamer zagen ze de inbraak en beschreef ze die zoals haar man al had gedaan. Daarop ging ze met Judocus Claes aan meerdere mensen vragen of ze geen vrouw hadden gezien met een groot pak op haar hoofd. In de Kruisstraat nabij de Sinte-Corijnskappel te Zellik hadden twee mannen, die bezig waren met graan te pikken, haar gezien. Twee boogscheuten verder troffen ze Josina die al een van de rokken van Joanna droeg. Joanna vloog Josina aan en trok de rok van haar af en scheurde haar tas en haar bezittingen kwamen tevoorschijn. Josina begon te wenen en smeekte haar om niets over de diefstal te vertellen. Maar Joanna nam haar mee tot waar de twee pikkers aan het werk waren om in aanwezigheid van getuigen het grote pak te openen. Dan bleek dat Josina nog meer had gestolen: haar ‘coeslijf’ en nog wat zakdoeken. Josina smeekte om zelf haar eigen dingen uit het pak te mogen halen. Joanna weiger en haalde er nog een zakdoek en een ‘trekmutse’ uit. De zakdoek scheurde ze in stukken en de muts hield ze voor zichzelf.

Joanna keerde dan met Judocus terug en doorzocht haar kist op de slaapkamer. Ze vond nog haar gouden ring, maar het geld, twee halve en een hele Franse kroon, was weg. Onmiddellijk vertrok ze met Ferdinand Meert te paard naar Brussel want ze veronderstelde dat Josina naar Brussel was gegaan. In de Groenstraat nabij de Oude Markt ontmoetten ze soldaat Peeter De Vos die met hen naar de Oude Varkensmarkt ging. In een afspanning vonden ze Josina, maar zij loochende dat ze het geld had. Omtrent acht uur verlieten ze de afspanning en tot Koekelberg ging Josina met hen mee, verder wou ze niet. Aan de schepenen somde Joanna nog eens op wat Josina had meegenomen: acht en een half pond garen, twee paar lakens, een deel gehekeld vlas, een kerkboek, een’ coeslijf’, drie ‘ammelaekens’, twee hemden, een ‘treckmutse’, een stuk vlees in een zakdoek gebonden wat smout, twee blauwe schorten, enkele tinnen lepels en een blauw fluwijn.

Judocus Claes geboortig van Sint Martens Lennik en nu wonend in de Prieelstraat, 54 jaar Ferdinandus Meert van de Koensborrestraat, geboortig van Moorsel, 24 jaar, legden dezelfde verklaringen als boven.

Vervolg van de verhoren op 5 augustus 1780.

Marianna Zeebroeck[96], vrouw van Carel Van De Velde, kossaard, 60 jaar, was drie weken geleden bezig zaad te sijden voor Joannes Dominicus Leijens van het Muurveld, toen haar man haar kwam vragen waarom zij de koeienstal had opengelaten Dat had ze niet gedaan en geschrokken riep ze: “Jesus Maria wij sijn wederom bestolen ende dat heeft dien vossen blixem gedaen”. Daarmee bedoelde ze Josian Bernard. Ze liep onmiddellijk naar huis en stelde de inbraak vast. Zij vond haar ‘calamanden’ rok, een keurslijf, drie schorten, drie zakdoeken, een zilveren ‘solideije’, een deel garen en een rok van haar dochter niet meer. Haar dochter, haar zoon Peeter en Jan De Kempeneer, zoon van Judo, zetten de achtervolging op Josina in. Aan de Vijverbeek op het tarweveld van Louis Van Mulders troffen ze Josina aan met het gestolen goed dat ze haar afnamen. Marianna meende Josina een slag te geven wat Josina’s vader, die ondertussen was toegekomen, haar belette

Anna Van De Velde, dochter van Carel en Marianna Zeebroeck, 20 jaar, was op 28 juni bezig gras te snijden in het bos van sieur Petrus De Bidou aan de Lange Huijsselbergh toen haar vader haar kwam vragen waarom zij de koeienstal had open gelaten. Dat had zij niet gedaan en haar vader vertrok. Rond negen uur kwam ze met een bussel gras thuis net als haar moeder die het huis binnen ging. Ze hoorde haar roepen dat ze bestolen waren. Haar broer Peeter meende dat Josina Bernard de dief was want zij had de dag ervoor heel de namiddag onder de perelaar gezeten. Met haar broer, haar vader, Jan Baptist De Kempeneer en Josina’s vader gingen ze Josina zoeken. Aan ‘Den Bleijtbergh’, de weide van sieur Van Grasdorf, zagen ze de broer van Josina die hun vertelde dat Josina daar was gepasseerd met een pak in haar schoot. Zij had hem een oord gegeven om niet te verraden dat zij daar was geweest. Anna beloofde hem ook een oordje en hij verklapte haar schuilplaats: het tarweveld van Lammeken. Josina zat daar met haar rok over haar hoofd. Anna trok de rok weg en zag de gestolen goederen in haar schoot liggenen dat zij al van hun kleren had aangetrokken. Het ging om: een gebloemd calamande keurslijf, een blauwe zakdoek, een Oost-Indische rode zakdoek, een gebloemde calamande rok, een bundel garen van vier pond, een Brusselse stoffen rok en een witte schort.

Anna zag dat Josina haar zwarte ketting droeg en haar zilveren solodije lag naast haar. Ze wilde haar slaan, maar haar vader zei dat hij wijs genoeg was om zijn dochter te kastijden. Thuis gekomen stelde Anna vast dat ze nog een blauwe schort en een witte halsdoek miste. Ze liep naar het huis van Jan Bernard en ontmoette daar Peeternelle, de zus van Josina, aan wie ze vertelde dat haar zus nog gestolen goed van haar had. Peeternelle vroeg haar zus waar zij de dingen had verborgen. “In den pattaten put”, was het antwoord. Met haar gestolen kleren kon Anna terug naar huis.

Jan De Kempeneer, zoon van Judo, geboren in de Vrijheid, 24 jaar, kwam met een bundel klaveren thuis en hoorde van de buurvrouw dat zij bestolen was. Zij vroeg hem om mee te gaan de dief te zoeken. Zij vonden Josina aan de Vijverbeek op het veld van Ludovicus Van Mulders. Jan beschreef dan de gestolen goederen zoals Anna dat al gedaan. Hij vond ook een beeldje en het glas van een solodije dat Josina niet wilde afstaan, maar haar vader zei aan Anna dat hij haar daarvoor zou betalen.

Op zeven augustus 1780 beval drossaard J.D.J. Gheude de schepenen Josina te arresteren en over te brengen naar de Hallepoort te Brussel omwille van meerdere diefstallen en voor het feit dat ze haar verbanning voor tien jaar uit het Land van Asse had overtreden.

Het vonnis.

Op 21 januari veroordeelden de schepenen Petro Van Den Bossche, Joannes Baptista De Nil en Joannes Baptista Van Linthout Josina Bernard om gecolloqueerd te worden in het provinciaal correctiehuis van Vilvoorde voor 25 jaar, condemneerden haar ook tot betaling van de gerechtskosten die bestonden uit de vergoedingen voor de verhoren en voor het transport voor een tot aan bedrag van 221 gulden 2 stuivers 2 oorden.

Kopie van het certificaat van de  directeur van het detentiehuis van Vilvoorde.

“Ik ondergeschreven directeur van het Brabants Beterhuis verklaar en certificeer dat op heden aan mij is ter hand gesteld door de heer drossaerdt van Asse als daartoe gecommitteerd van wegen de Wet aldaar de genoemde Josina Bernard oud 26 jaar vijf voeten 1 1/2 duimen hoog, het voorhoofd smal, de oogen blauw, de neus plat, de mond groot, de kin puntachtig, het gezicht rond, het haar blond, geboortig van Asse, van professie spinster de welke aenvaard zijnde geworden ingevolge de sententie aan mij behandigd heb ik doen leiden in het slot van het beterhuijs onder numero 76.

Gedaan in het Brabants Beterhuijs de tweeëntwintigste januari 1781 Was ondertekend Van Buggenhoudt directeur”.

Besluit.

Josina was een heel aparte dievegge door haar inbraakmethode. In de namiddag ging ze naar de plaats waar ze wou inbreken. Als er niemand te zien was, ging ze het huis binnen en verborg zich onder een bed. ’s Nachts, terwijl iedereen sliep, sloeg ze haar slag en kroop weer onder het bed om te slapen met de bedoeling om overdag, als het huis verlaten was, weg te gaan. Na haar terugkeer vijf jaar later veranderde ze van tactiek. Ze hield zich een namiddag op in de buurt van het huis waar ze wou inbreken en ontdekte zo wanneer ze ’t best haar slag kon slaan. Een tweede opmerkelijk feit: ze bekende direct alles.

1776 – Josephus De Winter van huis weggelopen[97].

Op 1 oktober 1776 zond de drossaard van Asse, J.D. Gheude, zijn ‘rontgasten’ Joannes Col en Thomas Jacques de in Asse opgepakte Josephus De Winter naar de Hallepoort te Brussel om hem ter beschikking van de drossaard van Brabant te stellen graaf Van der Stegen. Joannes Col had Josephus gearresteerd omdat hij vermoedde dat hij aan ‘vagabonderije’ deed vermits hij iets onder zijn jas verborgen hield. Volgens Josephus was het een hemd, maar toen de rontgast het van onder zijn jas trok, bleek het een laken te zijn. Zijn moeder had het hem meegegeven om er hemden uit te maken. Joannes Col geloofde hem niet en wou weten waar hij de vorige nacht had geslapen. De naam van het dorp kon hij niet noemen, het was ergens tussen Aalst en Gent. Dat maakte hem nog meer verdacht. Hij had immers geen paspoort bij en verklaarde dat hij een muzikant was van Brugge was en naar Brussel ging om aan een meester muzikant een boodschap af te geven. Voor de drossaard van Asse was de verwarde uitleg voldoende om hem voor verdere ondervraging naar de Hallepoort te zenden.

Verhoor in de Hallepoort op 14 oktober 1776.

Tijdens de ondervraging verklaarde Josephus dat hij 17 jaar was en in Parijs was geboren. Zijn ouders waren Franciscus en Marie, de familienaam van zijn moeder kende hij niet. Zijn vader was kleermaker en hij was muzikant. Zo’n vier weken geleden was hij van huis weggelopen omdat hij een straf van zijn vader vreesde. Hij had zonder de toestemming van zijn ouders een nieuw paar schoenen laten maken. Sindsdien verbleef hij op het platteland en in Gent. Daar leefde hij van een kroon die hij van een kleerkoper had gekregen in ruil voor zijn blauw kleed en vest. Hij was zinnens van naar Brussel te trekken, maar wou nu liever naar zijn ouders terugkeren. Voor het laken dat hij onder zijn jas droeg, gaf hij nu een andere verklaring. Hij had het thuis uit de vuile was gehaald en dat zijn moeder hem dat had meegegeven om er hemden van te maken, heeft hij nooit gezegd. Hij werd volgens hem aangehouden in omdat hij geen paspoort had en er bedelde. 

Op vraag van de Raad van Brabant van 15 oktober om bijkomende informatie over Josephus De Winter antwoordden de burgemeester, de schepenen en de raad van Brugge op 18 oktober 1776. Josephus was geboortig van Parijs waar zijn vader toen woonde en verbleef nu te Brugge. Hij was inderdaad van huis weggelopen uit schrik voor een straf van zijn vader nadat hij een kleine misdaad had begaan. Zij verzochten de Raad om, als hij geen andere misdaden had begaan, hem naar zijn ouders in Brugge terug te sturen. Voor hen was het onmogelijk om hem in Brussel te gaan halen. Ze zijn er zeker van dat hij, na zijn kennismaking met de gevangeis, hij maar al te graag naar huis wil en zijn ouders zullen hem met liefde ontvangen.

Ook van de kerkmeester van Brugge ontving de Raad een attest over Josephus. Op 19 oktober 1776 schreef hij dat Josephus misdienaar was geweest in de kerk van Sint-Anna te Brugge.

Het vonnis.

De Raad besliste om Josephus vrij te laten. Het besluit heeft als datum 1 oktober 1776 en dat is een vergissing want het verhoor had pas plaats op 14 oktober en op 15 oktober vroeg ze nog informatie aan het stadsbestuur van Brugge. 1 november lijkt waarschijnlijker.

Wij hebben geordonneerd dat den voors. gevangene sal worden gerelaxeerd.

Aldus gedaen ende gevonnist binnen Brussel den 1ste october 1776.

1776 – Vagabondersse uit het hertogdom gezet[98].

Op 24 april betrapte de vorster van Asse een vrouw op de zolder van notaris De Kock[99]. Ze lag in een bed achter de schouw te slapen. De vrouw, Isabella Theresia Megré, beweerde afkomstig te zijn van Sint-Winnoksbergen.[100] Ze kwam van Bordeaux en zou tot 27 december  1775 in een Parijse gevangenis hebben gezeten. Ze was op de zolder gekropen om een slaapplaats te hebben. De drossaard van Asse, J.D. Gheude, liet haar door zijn rondgastende volgende dag naar de drossaard van Brabant brengen.

Het antwoord van de drossaard volgde op 9 mei 1776 Drossaard Joannes Baptista Josephus Christianus, graaf Van Der Stegen van Bousval oordeelde dat ze als ‘vagabondersse ende bedelaeresse’ de plakkaten van de koning had overtreden, maar verleende haar toch in naam van de koning gratie en beval haar om binnen de drie dagen na haar vrijlating het hertogdom te verlaten.

De brief was ondertekend door griffier Van Boom en J. F. Dument,

1779 – Antonius Meijnhard, kampioen van de kerkdiefstallen[101].

Antonius Meijnhard werd in de nacht van 11 op 12 augustus 1779 aangehouden in de kerk van Merchtem door de meier van die Vrijheid. Hij was met een door hem gemaakte ladder van hopstaken door een hoekraam naar binnen gekropen, had met zijn kambeitel de koffer en twee offerblokken opengebroken en al het geld, 11 gulden en 10 stuivers een oord, eruit gehaald en wou een communiekleed en een groen altaarkleed meenemen. Hij werd naar Brussel gevoerd en in de gevangenis van de Hallepoort opgesloten. Anthonius bleek een echte kerkdiefstallen kampioen te zijn. Hij ging altijd op dezelfde manier te werk. Waar hij wou inbreken, knutselde hij met stokken of hopstaken een ladder in elkaar zette die tegen de kerkmuur, klom erop tot aan een venster en sloeg de ruit in. Zo kon hij het raam openen, naar binnen springen en met een kambeitel de koffer van de kerk- en armenmeesters en de offerblokken openbreken om het geld eruit te halen. Al wat hij dan nog kon meenemen, koperen of tinnen borden, antependia, altaarkleden enz. nam hij mee.

Antonius verzamelde zo een indrukwekkende lijst van de kerkdiefstallen sinds hij zijn geboortedorp Borkel[102] in Westfalen (volgens de assessoren) had verlaten: Sint-Gillis, Elsene, Etterbeek, Watermaal, Bosvoorde, Terhulpen, Tervuren, Overijse, Waver, Zaventem, Perk bij Elewijt, Kampenhout, Heverlee bij Leuven, Lubeek, Elingen, Dilbeek, Sint-Martens-Lennik, Sint-Martens-Bodegem, Vlezenbeek, Gaasbeek, Schepdaal, Sint-Geertruide, Pede, Strijtem, Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek, Borchtlombeek, Pamel, Meerbeke bij Ninove, Nijgem, Pollarde, Lieferingen, Okegem, Liedekerke, Windeke, Zandbergen, Onkerzele, Ninove, Aspelaar, Erembodegem, Hofstade, Nieuwerkerken, Erondeghem, Laken, Strombeek, Overheembeek, Haren, Diegem, Humbeek, Bijgem, Kapelle-op-den-Bos, Londerzeel, Steenuffel, Merchtem, Buggenhout, Lebbeke, Moorsel, Teralfene, Asse, Sint-Ulrks-Kppelle, Ternat, Hekelgem, Sint-Ktharina-Lombeek, Essene, Meldert, Baardegem, Opwijk, Brussegem, Ossel, Relegem, Sint-Agatha-Berchem, Zemst, Walem, Waarloos, Boom en nog andere plaatsen.

Op 5 oktober 1778 begonnen de assessoren van de drossaard van Brabant met het verhoor ven de getuigen. Wij beperken ons tot de bestolen kerken van de omliggende dorpen van Affligem. Na de vaststelling van de diefstal, wellicht door de drossaard of de dorpsofficier, waarvan we de originele tekst hebben overgenomen, maar met aanpassing van de spelling, volgt het verhoor van getuigen.

Diefstal te Asse.

Vaststellingen.

‘Ons getransporteerd hebbende in de voors. kerk hebben wij gezien dat de venster langs waar dat de dief of dieven zijn binnen en uitgegaan, is de eerste staande in de hoge koor op de slinkse kant van de kerk inkomende / dat de zelve binnen en buiten omtrent de viertien voeten (~3,8612 m) is staande van de grond / dat onder de voors. venster van binnen de deur staat van de sacristie wel dak van buiten onder de voors. venster is komende en staat salvo justo elf voeten (~3,0338 m) van de grond.

Dat het de eerste portiek van onder de voors. venster is geweest die men heeft uitgebroken ’t welk salvo justo in zijn vierkant twee voeten groot is / dat het gestoelte[103] van de kerk- en de armenmeester zijn staande rechtover het altaar van het Heilig Kruis nevens het portaal / in  welk gestoelte wij bemerkt hebben te zijn drie kasten de gene ieder zijn gesloten met een slot en de valdeur / dat het altaar van het Heilig Kruis is staande in het koor op de rechter hand / en de degene van Onze-Lieve-Vrouw op de slinkse hand /  en dat de altaren van Sint-Sebastianus en van de Heilige Geest zijn staande in de grote beuk op wederzijde van de grote pilaren.

Verhoor te Asse op 5 oktober 1778.

Petrus De Keijser, 45 à 46 jaar, inwoner van Asse waar hij een winkel heeft, was 14 jaar koster in Asse tot twee jaar geleden. Toen hij nog koster was, werd er in de kerk op korte tijd tweemaal ingebroken, de laatste maal in de nacht van 2 op 3 februari acht of negen jaar geleden. Telkens kwam de dief de kerk in langs het eerste onderste raam boven de deur van de sacristie. Het raam is wel viertien voeten (~3,8612 m) hoog en hij weet niet hoe de dief langs daar naar binnen en naar buiten is geraakt. De eerste maal waren de kasten van de kerk- en armenmeesters opengebroken en het geld was eruit gehaald. De tweede maal was de ‘frignie’ van het kleed van Onze-Lieve-Vrouw dat van grof goud was, de grove kanten van de antependia van de twee altaren van Sint-Sebastianus en de Heiligen Geest die langs de kant van de grote beuk staan, de twee altaarkleden van het Heilig Kruis en van Onze-Lieve- Vrouw, een gordijn van lijnwaad uit een kast die ook werd opengebroken en waarop nog de tekens van een ijzeren beitelzijn te zien. Hij heeft geen idee wie de dader was.

Peeter Van As, 38 jaar, onderkoster van Asse, weet van de eerste diefstal niets af en zijn getuigenis van de tweede diefstal komt overeen met wat Petrus De Keijser zei. .

Adriaen Van Es, 44 jaar, geboortig van Oetingen, een wever op de weg naar Aalst in Asse, weet nog dat 8 à 9 jaar geleden zijn ladder van 12 treden, die achter zijn huis onder een afdak hing, aan de kerk onder een venster stond. Hij heeft het feit bij de vorser van Asse gemeld en kreeg zijn ladder terug.

.

Diefstal te Hekelgem.

Vaststellingen.

Aanschouw der kerk van Hekelgem nopende de inbraken daar gedaan in nacht van 29 op 30 oktober 1776. Ons in de voors. kerk getransporteerd hebbende / hebben wij gezien dat het venster langs waar men ons heeft gezegd dat de dief of dieven in en uit de kerk zijn gekomen / is staande de laatste op een na in het koor van Sint-Michiel / dat gelegen is op de rechter kant van de kerkinkom / en staat van de grond zowel van binnen als van buiten omtrent acht voeten / dat het raam dat men heeft uitgebroken van de voors. venster de grootte is hebbende van omtrent de twee vierkanten voeten / tegens welke van buiten staan twee ijzeren roeden / welke raam de onderste is naar de kant van Sint-Michielsaltaar / en dat er van binnen onder de voors. venster is staande een knielbank hebbende de hoogte van omtrent drie voeten.

Gesien dat het gestoelte van de kerkmeester gelegen is rechtover het altaar van Sint-Michiel tegen een pilaar / en dat de kast van ‘t zelfde is sluitende met een valdeur aan de welke wij bemerkt hebben enige inprintingen.

Aldus gedaen ende bevonden desen 7de octobris 1778’.

Verhoor te Hekelgem op 7 oktober 1778.

Antonius Cappuijns[104] 30 jaar, geboortig van Peutie, koster en schoolmeester te Hekelgem, verklaarde dat hij koster werd daags voor Allerheiligen in 1776. Toen heeft hij horen zeggen dat de kerk was bestolen in de nacht van de vorige dag. Daardoor kent hij de juiste omstandigheden niet. Hij weet wel dat gedeeltelijk de gouden ‘gallonnen’ van het antependium van het hoogaltaar dat op de feestdagen van Onze-Lieve-Vrouw wordt gebruikt, was gestolen.

Guilielmus De Smet[105], 36 jaar, pachter en kerkmeester, weet dat men in de nacht van 29 op 30 oktober 1776 in de kerk heeft ingebroken en dat omtrent drie gulden uit de schaal van de kerkmeester die in het gestoelte lag rechtover het altaar van Sint-Michiel en dat een stuk gouden gallon van een el van het antependium van het hoogaltaar dat in een openstaande kast rechtover het Sint-Michielsaltaar lag gestolen zijn. Daarna beschrijft hij hoe de dief of dieven hebben ingebroken en dat is dezelfde uitleg als die van het verslag.

Diefstal te Baardegem.

Vaststellingen.

‘Aanschouw der kerk van Baardegem nopende de inbraken daar gedaan in de nacht van 16 op 17 augustus 1776. Ons in de voors. kerk getransporteerd hebbende / heeft men ons het venster aangewezen waarlangs de dieven de eerste maal hebben ingebroken / dat was het laatste venster op de slinkse kant van de kerk nevens het koor van Onze-Lieve-Vrouw / ter hoogte van de grond binnenwaarts de kerk zes voeten en buiten de kerk zeven voeten / hebben ook bemerkt dat in de kerk onder dit venster is staande een knielbank met een hoogte van drie voeten / voorders heeft men ons ook aangewezen het venster langswaar men de tweede maal in de kerk is gekomen / en wij hebben gezien dat het  de tweede venster op de rechterkant van de kerk was nevens de vunte[106] / de gelazen (ramen) zijn sedert de eerste begane diefte hermaakt en daertegen langs binnen gesteld dubbele ijzeren traliën / wij hebben ook gezien dat het gestoelte van de kerk- en de kapelmeester is staande tegen de laaste pilaar op de rechterkant rechtover het koor / in welk gestoelte zijn twee schapprijen sluitende met valdeuren / achter welk gestoelte is staande de preekstoel / dat de kist waarin de antependia gesloten waren / is staande rechtover het altaar van Sint-Joseph welkers koor is staande op de rechterkant van de kerk.

Eindigend gezien dat er in het hoogkoor van weerskanten zijn staande gestoelten met lessenaar /en dat er in degenen op de slinken kant is staande een schapprij sluitende met een slot.

Verhoor te Baardegem op 8 oktober 1778.

De eerste getuige was Guilielmus De Ridder, 36 jaar, geboortig van Meldert en nu koster te Baardegem. Op 16 augustus 1776 ging hij ’s morgens vroeg de kerk openen en zag dat de kroon van de ijzeren kandelaar, die tegen het altaar van Sint-Jozef stond, rechts in de kerk, was verdwenen. In de koorbanken van de kerk- en armenmeesters, die tegen de laatste pilaar achter de preekstoel staan, waren de twee kisten die met valdeuren sluiten, opengebroken. Hij vermoedde dat er ongeveer 30 gulden in kleine speciën verdwenen waren. Dat deed hem beseffen dat de kerk was bestolen. Ook de kast van het koor rechtover het altaar van Sint-Jozef, waarin de antependia lagen, was opengebroken. 

Het onderste raam van het derde venster van de Onze-Lieve-Vrouwbeuk was weggenomen. Het staat op een hoogte van omtrent zes voeten in de kerk (~1,6548 m) en van buiten omtrent zeven voeten. Het vierkantig raam van anderhalve voet (~0,4137) lag buiten onder het venster en de twee tralies waren er uitgebroken. Hoe de dief in de kerk is geraakt, weet hij niet, maar in de kerk stond onder het raam een bank van drie voeten hoog (~0,8274 m).

Guilielmus De Ridder herinnerde zich ook dat hij eens op een vroege morgen in de kerk kwam en dat er weer was ingebroken. Het tweede venster van de Sint-Jozefbeuk aan de doopvont was uitgebroken. Het vond het raam buiten samen met de twee tralies. De dief was met een hopstaak in de kerk geklommen en was buiten geraakt door op een bank te staan. Hij had dezelfde kasten geopend en het geld uit twee schalen, zo’n zeven à acht gulden, meegenomen. Van een antependium  had hij een ‘vals gouden gallon ofte frignie’ afgesneden. De altaarkleden van de drie altaren waren verdwenen. Hij weet niet wie de dader was, wel vernam hij vaan Peeter De Vrindt dat er van zijn hopveld achter het huis van de koster een hopstaak gestolen was en dat hij er de voetstappen van twee personen had gezien.

Peeter De Vrindt, omtrent 50 jaar, geboortig van Moorsel en herbergier rechtover de kerk, verklaarde dat er op 14 maanden tweemaal in de kerk was ingebroken. De tweede maal na Allerheiligen 1777. Hij vertelde dan over de twee gebroken ramen en wat er was getolen, wat overeen kwam met de getuigenis van Guillelmus De Ridder. Over de hopstaak vermeldde hij dat die in twee was gebroken en dat het tweede stuk aan de wal van de pastorie lag.

Diefstal te Meldert.

Vaststellingen.

‘Aanschouw der kerk van Meldert gedaan op dezelfde dag.

Ons begeven hebbende in de voors. kerk heeft men ons aangewezen het koor van Sint-Anna / degene gelegen is op de rechterkant de kerk inkomend / in welke koor twee vensters zijn ter hoogte van de grond in en buiten acht voeten (~2,2064 m) hebbende / ieder acht portieken ter groote van anderhalve voet (~0,4137 m) viercantigh / dat het koorgestoelte is staande tegen de pilaar op wederzijde van de middenbeuk / waarin wij in elk gezien hebben een schapprij sluijtend met een valdeur.

Voorders heeft men ons aangewezen een kast de welke is staande nevens het altaar van Onze-Lieve-Vrouw in haar koor / gelegen op de slinkerkant der kerk / welke kast is sluitend met een deur en nevens welk slot aan het hout nog tekens of inprintingen te zien zijn van braak.

Eindigend hebben wij gezien dat de gracht waarin de gemaakte ladder van elzenstokken is bevonden geweest / salvo justo een boogscheut van de kerk naar de kant van de steenweg leidende van Asse naer Aalst’.

Verhoor te Meldert op 8 oktober 1778.

Peeter Robijns[107], 32 jaar geboortig van Meldert en er koster, ging op 27 februari 1777 ’s morgens vroeg naar de kerk om voor de vroegmis te luiden. Hij zag dat de kasten van de twee koorbanken langs weerszijden van de middenbeuk opengebroken waren en dat er omtrent 13 à 14 schellingen waren gestolen. Ook de kast in het koor van Onze-Lieve-Vrouw, links in de kerk, was leeg. Daarin lag ‘den geheelen ommeloop van den hemel die aldaer in was hangende wesende van rood fluweel gebordeert met gouden gallonnen ende sijne frigniën’. Hij schatte de waarde ervan op honderd gulden. Voorts waren ‘den witten servetten dweijl’ van het hoogaltaar, het altaarkleed van Sint-Anna met de zilveren ampullen en het schaaltje die op het altaar stonden, gestolen.

De dief of de dieven hadden het onderste raam van het tweede venster van de Sint-Annabeuk, met een grootte van anderhalve voet (~0,4137 m), uitgebroken. Het venster zit op een hoogte van omtrent acht voeten (~2,2064 m) van den grond. Zij zijn in de kerk geraakt met een ladder die zij maakten van elzenstokken. Die ladder lag in een gracht op een boogscheut van de kerk. Diezelfde nacht heeft iemand een man op het kerkhof gezien.

Peeter Van Uffel[108], 37 jaar, pachter en kerkmeester, vernam op 27 februari 1777 van kinderen die van de catechismus kwamen dat er in de kerk was ingebroken. Hij is gaan kijken en zag dar het geld uit zijn schaal weg was en die van de armenmeester was ook leeg Daar lag zeven of acht stuivers in. Van de pastoor vernam hij wat er nog allemaal was gestolen.

Diefstal te Moorsel.

Vaststellingen.

‘Aanschouw op 24 oktober 1778 der kerk van Moorsel nopende de diefstallen in bedreven binnen de nacht in de maand november 1775 en 1777.

Ons in de kerk bevindend, hebben wij bevonden dat de eerste venster komend op de slinkerhand van het hoogkoor de kerk inkomend / van binnen en van buiten gelegen is van de grond omtrent negen voeten (~2, 4822 m) / onder de welke van binnen staat een bank van omtrent de drie voeten (~0,8174 m) hoog / dat de tweede venster komend in de beuk van Sint-Antonius gelegen op de rechterkant / is staande van de grond binnen en buiten zes voeten (~1,6548 m) / onder de welke ook is staande een zitbank ter hoogte van omtrent de drie voeten (~0,8274) / dat de onderste ramen der voors. vensters de grootte hebben van omtrent de twee voeten (~0,5516 m) vierkantig / dat het beeld van Onze-Lieve-Vrouw gelegen is rechtover het altaar van Sint-Gudula / dat staat in het koor van Onze-Lieve- Vrouw dat komt op de slinkerkant de kerk inkomend / dat de schapprij van de zelfde is sluitend met een valdeur en dat de twee koorbanken van kerk- en de armmeester zijn staande tegen de twee eerste pilaren van weerskanten van de kerk / welke schapprijen ook zijn sluitende met valdeuren de welke wij allemaal hebben geschonden bevonden / ’t gene zo het ons dunkt moet gedaan zijn met een ijzeren kambeitel.

Verhoor te Moorsel op 24 oktober 1778.

Philippus Collier[109], 56 à 57 jaar geboortig van Moorsel en officier, verklaart nog te weten dat op een nacht in november 1775 in de kerk was ingebroken. Hij beschrijft de sporen van de inbraak zoals die in de vaststellingen waren genoteerd. Uit de kisten was toen zo’ n 30 gulden gestolen. Er was een tweede diefstal in november 1777. Toen was ook al het geld weg, maar er lag minder in de vorige keer. Er was echter meer gestolen: het altaarkleed en het communiekleed van rood laken. De dieven braken nu in door het tweede venster in de beuk van Sint-Antonius op de rechterkant van de kerk dat zich bevindt op een hoogte van zes voeten (~1,6548 m) en waaronder binnen een bank staat van drie voeten (~0,8274) hoog. Buiten vond men een elzenstok van twee voeten (~0,5516 m) lang.

Het verhoor Adrianus Cobbaert, 23 à 24 jaren geboortig van Hofstade, knecht bij de landdeken, bracht geen nieuwe elementen aan.

Diefstal in Teralfene.

Vaststellingen.

‘Aanschouw der kerk ons begeven hebbende op pinkstermaandag 1778 in de kerk van Teralfene, hebben wij bemerkt dat het venster langswaar men in de kerk is gekomen / is gelegen op de rechterkant van het koor staande van den grond / zo binnen als buiten zes voeten hoog / welke ramen zo wij gezien hebben de grootte van anderhalve vierkante voet / onder welke venster in de kerk in de muur is gemaakt een cappelleken / staande van de grond omtrent vier voeten / dat het gestoelte van kerk- en armmeesters is gelegen op de slinkenkant van het hoogkoor inkomend / aan het welk twee schapprijen zijn / aan een der welke wij nog gezien hebben enig inprintingen / en dat er … waren afgebroken / eindigend hebben wij gezien dat het altaar van Onze-Lieve-Vrouw is staande op de slinkenkant van de kerk in een zijde van het koor’.

Verhoor te Teralfene op 25 oktober 1778.

Toen Jan Baptist Verelst, 53 jaar, geboortig van Erembodegem en koster te Teralfene, op maandagmorgen na Heilige Drievuldigheidszondag 1777 naar de kerk ging om het morgenlicht te luiden, zag hij dat iemand de gouden ‘frigne’ van het antependium van het hoogaltaar had willen wegnemen. Maar er was wel gestolen: het kleed  van dat altaar en een koperen lepeltje van het wierookvat dat op de trap van het altaar stond. Twee kistjes van de koorbank links waren opengebroken, uit een schaal was omtrent 20 gulden weg, een andere kist was met een kambeitel opengewrongen, de schroeven waren te zien. De dief of dieven zijn in de kerk geraakt met de hulp van een ladder van hopstaken die ze zelf hadden gemaakt. Het vierkantig raam rechts van het koor dat op een hoogte staat van zes voeten (~1,6548 m). en de tralies waren uitgebroken.

Er was ook een tweede diefstal geweest. Dat was in de nacht van 17 op 18 oktober 1777. Dan was de dief weg met het altaarkleed van Onze-Lieve-Vrouw, een zilveren hartje van het kindje Jezus en een tinnen bord. De kistjes van hde koorbank waren opengebroken, maar nu lag er minder geld in. De dief of dieven zijn op dezelfde manier in de kerk gekomen als voorgaande maal.

Joannes Asselman, 41 jaar, geboortig van Teralfene en gewezen kerkmeester, weet nog dat er in 1777 tweemaal in de kerk was ingebroken. Beide keren heeft men de kastje van de koorbank opengebroken en de eerste keer er 13 à 14 gulden heeft uitgehaald en de tweede keer omtrent drie gulden. De rest van zijn getuigenis komt overeen met de vaststellingen en met wat Jan Baptist aan zijn ondervragers vertelde.

Diefstal te Essene.

Verhoor te Essene op 26 oktober 1778 vanPetrus Joannes Van De Velde.

Petrus, 40 jaar, geboortig van Essene en er koster, getuigde dat tien jaar geleden in het begin of op het einde van de winter het onderste raam op de rechterkant van de kerk naast de doopvont was uitgebroken. De dief kon echter niet in de kerk omdat niemand door de tralies kon kruipen. Het venster stond ook op een hoogte van negen voeten (~2,4822 m).

Diefstal te Liedekerke.

Verhoor te Liedekerke op 26 oktober 1778.

Judocus Van Varenberg, 64 jaar, geboortig van Liedekerke en er koster, meende dat het zes jaar geleden was dat hij op een Goede Vrijdag in de kerk kwam en zag dat de twee kistjes van de koorbanken naast het altaar van Sint-Joris waren opengebroken en dat het geld, zo’n 1 of 2 pistolen, weg was. Hij vermoedde dat de dief zich in de kerk had laten opsluiten en door de deur was weggegaan want die stond open.

Negen à tien dagen voor Pinksteren kwam hij ’s morgens in de kerk en zag dat het communiekleed en het altaarkleed van Onze-Lieve-Vrouw weg waren. Uit een kistje was 24 gulden gestolen . De dief of dieven zijn langs  het venster van het gravenkoor rechts in de kerk. Het onderste vierkantig raam van twee voeten (~0,5516 m) en de tralies waren uitgebroken; Hoe ze aan de raam op acht à neghen voeten (~2,2064 à 2,4822 m) zijn geraakt, weet hij niet.

Henricus Van Der Maelen, 43 à 44 jaar, geboortig van Liedekerke, kerkmeester, hoorde van de koster dat de kerk zes jaar geleden was bestolen, maar hij weet daar niets over.

Van de diefstal op het einde van mei in 1778 legt hij dezelfde getuigenis af als Judocus.

Diefstal te Erembodegem.

Vaststellingen.

‘Aanschouw der kerk van Erembodegem ten opzichte van de diefstallen gedaan in de nacht van 7 op 8 juli 1777 en in de nacht van 27 op 28 maart 1778./ Ons in de kerk begeven hebbend / hebben wij bevonden dat het gestoelte der kerk- en armmeesters staat op de rechterkant van het portaal in welk twee kisten zijn / degene zijn sluitend met ijzeren sloten / en gezien enige tekens aan de deuren die volgens alle waarschijnlijkheid zijn gedaan geweest met een ijzeren kambijtel / dat het koor van Onze-Lieve-Vrouw staat op de linkerkant de kerk inkomend / dat er een kistje is staande nevens het portaal op dezelfde kant dienend voor de antependia te bewaren / die is sluitend met een ijzeren slot / dat de venster die is komend tegen het koor van Onze-Lieve-Vrouw de vierde is de kerk inkomend / en de staat van de grond binnen en buiten omtrent de viertien voeten / onder dewelke van binnen is staande een biechtstoel / dat de onderste ramen de grootte hebben van omtrent de twee voeten in hun vierkant / tegen dewelke van buiten vastgemaakt zijn twee ijzeren roeden.

Aldus gedaan en bevonden dezen 27ste 9ber 1778’.

Verhoor te Erembodegem op 27 november 1778.

Josephus Eeckhout, omtrent 24 à 25 jaar, geboortig  van Gent en koster te Erembodegem, verklaarde dat hij op 8 juli van 1777 ‘s morgens omtrent acht uur in de kerk kwam en zag dat de twee kastjes van het gestoelte van de kerk- en armenmeester, rechts van het portaal waren opengebroken en dat het geld uit de schalen, ongeveer negen gulden, weg was. De katoenen sloop van de troon van Onze-Lieve-Vrouw op de rechterkant van het altaar was gestolen en de kast links in de kerk waarin de antependia lagen was opengebroken. Maar er ontbrak niets. Hij weet niet waarmee er is ingebroken, maar in het gestoelte vond hij twee spieën. De dief of dieven zijn in de kerk geraakt langs het vierde venster tegen het koor van Onze-Lieve-Vrouw dat op een hoogte staat van omtrent veertien voeten (~3,8612 m). In de kerk staat daar een biechtstoel. Het onderste vierkantig raam van twee voeten (~0,5516 m) was uitgenomen en de tralies waren afgebroken. Die lagen op het kerkhof. Buiten vonden ze nog twee hopstaken die werden gebruikt om tot aan het raam te komen.

In de kerk werd ook op 27 op 28 maart 1778 ingebroken. De dief was op dezelfde wijze in de kerk geraakt. Toen werd het zwarte lijnwaden kleed van de troon van Onze-Lieve-Vrouw, de gouden galonnen van het antependium van het hoofdaltaar gestolen. De kastjes van het gestoelte waren opengebroken met de ijzeren pin van de kandelaar van het altaar van Sint-Anna en een som van 17 guldens was eruit genomen. Van Sint-Anna was de ijzeren kroon weg

Jan Baptist Verleijsen, omtrent 40 jaar, geboortig van Erembodegem en armenmeester, meent dat in de nacht van zeven op acht juli 1777 in de kerk werd ingebroken. Aan de vierde venster tegen het koor van Onze-Lieve-Vrouw vond men twee hopstaken van 14 voeten lang en het venster staat op een hoogte van 14 voeten. Het vierkantig raam is anderhalve voet groot. De dief of dieven zijn daar naar binnen gekropen en In de kerk kwamen ze op een  biechtstoel terecht. De twee kastjes van het gestoelte rechts waren opengebroken en acht à negen gulden waren gestolen. De kast met de antependia, links van de kerkdeur, was open, maar er ontbrak niets. Het doek van de troon van Onze-Lieve-Vrouw was ook weg.

In de nacht van 27 op 28 maart 1778 was er weer een inbraak. Volgens Jan Baptist was er toen 16 à 17 gulden weg. Zijn verdere getuigenis komt overeen met wat de koster al getuigde.

De veroordeling.

De president van Joannes Baptista Josephus Christianus, graaf Van Der Stegen van Bousval en van Bourdeaux enz. drossaard van het hertogdom Brabant las de beschuldiging voor.

“Wij hebben de gevangene zijn eigen bekentenissen en andere voorgelezen van sedert jaren gevagebondeerd te hebben in Brabant, Vlaanderen, Henegouwen als elders, maar ook van sedert die tijd menigvuldige diefstallen met inbraak bedreven te hebben in kerken en daarvan geleefd te hebben. In het begin van de jaren 1770 brak hij ’s nachts in de kerk van Sint-Joos-ten Node in. Met een zelf gemaakte ladder van stokken geraakte hij tot aan een ruit aan de rechterkant van het koor en sloeg die stuk. Hij ontvreemde er het communiekleed en het geld uit het comptoir van de kerkmeesters dat hij openbrak met een ijzeren kambijtel. In de winter van 1776 brak hij ’s nachts op dezelfde manier in dezelfde kerk in en stal het geld van de offerblok. In 1770 geraakte hij op dezelfde manier in de kerk van Asse binnen, brak het comptoir van de kerk- en armenmeesters open nam het geld, het kleed van O.-L.-Vrouw, de kanten antipendia  van twee altaren, het kleed van de altaren en een gordijn van blauw lijnwaad uit een kast die hij ook had opengebroken met een ijzeren kambeitel. Hij paste dezelfde werkwijze toe bij latere diefstellen.

– Binnen de acht dagen van 1770 en 1776 bestal hij de kerken van Strijtem en Dilbeek en verdween met een grote som geld en een katoenen altaarkleed.

– In de nacht van de 14de ene 15de juni 1771 en van 1774 stal hij 24 gulden uit drie schalen in de kerk van Windeke

– In 1771 en 1777 stal hij in de kerk van Elingen negen of tien gulden uit de kassa van de kerk- en armenmeesters en het geld uit de offerblokken.

– In 1772 en 1775 stal hij in de kerk van Sint-Katharina-Lombeek tweemaal 14 à15 gulden en het gouden gallon van de processiehemel.

– In 1772 en 1776 tweemaal ingebroken in de kerken van Gaasbeek en Sint-Ulriks-Kapelle en ontvreemdde er al het geld en het tinnen bord van de ampullen en enkele gouden (onleesbaar).

-In 1773 en 1776 waren de kerken van Pamel, Elsene en Borchtlombeek aan de beurt. In Elsene vond hij in 1773 20 tot 30 gulden, de altaarkleden, tinnen en koperen borden.

– In 1774, 1776 en 1777 brak hij tweemaal in de kerken van Watermaal, Waver, Pollaarde en Buggenhout in. Hij stal er het geld van de offerblokken en de altaarkleden.

– In 1775, 1776, 1777 en 1778 tweemaal ingebroken in Sint-Gilis, Moorsel, Teralfene, Vlezenmbeek, Baardeghem, Sint-Agatha-Berchem, Sint-Martens-Bodegem, Overijse, Hekelgem, Opwijk, Strombeek, Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek, Groot-Bijgaarden, Kobbegem, Nijgem, Meerbeke bij Ninove, Schepdaal, Sint-Martens-Lennik, Ternat, Bijgem, Overheembeek, Walem, Okegem, Kappelle-op-den-Bos, Zaventem, Heverlee bij Leuven, Liefferinge, Meldert, Diegem, Haren, Etterbeek, Erembodegem, Tervuren, Waarloos, Sint-Geertruide-Pede, Humbeek, Terhulpen, Ossel, Zemst, Liedekerke en Erondegem

De gevangene bekende voorts nog op dezelfde manier ingebroken te hebben in andere kerken van Brabant, in Wichelen en Schellebelle in het Land van Dendermonde, boven Gend, omtrent Oudenaarde, Geraardsbergen in het Land van Aalst en het Land van Waas’. 

Het vonnis

Antonius Meijnhard werd veroordeeld om op ‘het hooghsten van den daeghe’ op de Nedermarkt van Brussel aan een galg met koorden gestraft te worden tot de dood volgt. Zijn lijk zal worden geëxponeerd ter plaatse als afschrikkingsvoorbeeld. Als zijn goederen werden geconfisqueerd ten profijte van hare majesteit nadat de kosten van justitie daarvan zijn afgetrokken.

Aldus gedaan en gevonnist in Brussel op 5 januari 1779. Aan de gevangene bekend gemaakt op 7 januari  in de Hallepoort om twee uur. Antonius werd geëxecuteerd de volgende dag.


[1] R.A. Vorst, Inventaris van het archief van de Raad van Brabant. Dossiers van de procureur-generaal (1390), 1461-1794, Toegang: I 93, nr. 3057.

[2] R. A. Vorst, Raad van Brabant. Procesdossiers van de procureur-generaal., Code van de inventaris: I 93, nr. 2574.

[3] Kolder = Kledingstuk: Vroeger was een kolder een lederen vest zonder mouwen dat tot de knie reikte en diende om klappen van slagwapens op te vangen. Een maliënkolder is een specifiek type kolder.

[4] Poignaerd = Een ponjaard is een smalle dolk die vooral in de late middeleeuwen werd gebruikt. Vaak had het lemmet van dit wapen een driehoekige diameter. De dolk was bijzonder geschikt om te stoten. De term stamt uit de 16e eeuw, van het Franse poignard.

[5] RA Vorst, Raad van Brabant, Processen particulieren, 2de reeks, toegang I 100 nr. 8662.

[6] Ponden groten Vlaams = 20 schellingen = 240 penningen, afgekort tot p.

[7] Rijnsgulden: afgekort tot g = gulden.

[8] RA Vorst, Raad van Brabant. Procesdossiers: processen van particulieren, 2de reeks. toegang I 100 nr. 7704.

[9] offensie = Offenderen = Let op: Spelling van 1858 beleedigen, krenken, aanstoot geven. offensie, beleediging. offensief, aanvallend; offensive alliantie, aanvallend…

[10] Stooter = vroeger Ned. munt, 2 1/2 stuiver — 12 1/2 cent.

[11] Designatie: aanwijzingen, vaststellingen.

[12]  R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 3027.

[13] Kroniek van België, Standaard Uitgeverij Antwerpen, 1991, 390.

[14] H. SOLY, Economische ontwikkeling en sociale politiek in Europa, in: Tijdschrift voor Geschiedenis, 88, 1975, p. 585 – 586.

[15] R. A. Vorst, Inventaris van het archief van de Raad van Brabant. Procesdossiers van particulieren bewaard door de procureur-generaal 1452 – 1794, toegang I 96 nr. 4257.

[16] Denderwindeke is een dorp in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen en een deelgemeente van Ninove.

[17] EGIDIUS CAMERMANS, zoon van JOANNES CAMERMANS en CATHARINA DE WITTE. Hij is gedoopt op zondag 21 november 1610 in ESSENE. EGIDIUS trouwde, 28 jaar oud, op zondag 22 mei 1639 in ESSENE met ANNA VAN DEN ABEELE.

[18] GASPAR CAMERMANS, zoon van GERARDUS CAMERMANS en ELISABETH DE MEY. Hij is gedoopt op vrijdag 2 juni 1623 in ESSENE. GASPAR trouwde, 23 jaar oud, op zondag 12 mei 1647 in ESSENE met ANNA LINTHOUT

[19] LUCAS WAMBACQ, zoon van FRANCISCUS WAMBACQ en CATHARINA DE TROCH. Hij is gedoopt op maandag 14 juni 1627 in ESSENE. LUCAS is overleden op woensdag 10 september 1670 in ESSENE, 43 jaar oud. LUCAS:

(1) trouwde, 22 jaar oud, op zondag 4 juli 1649 in ESSENE met CATHARINA BREIJNAERS, ongeveer 29 jaar oud. Zij is gedoopt omstreeks 1620. CATHARINA is overleden op donderdag 17 mei 1657 in ESSENE, ongeveer 37 jaar oud.

(2) trouwde, 30 jaar oud, op donderdag 19 juli 1657 in ESSENE met ANNA VAN DE PUTTE, 30 jaar oud. Zij is een dochter van ARNOLD JR VAN DE PUTTE en ANTONIA DE VLEESCHOUWERE. Zij is gedoopt op vrijdag 9 juli 1627 in ESSENE. ANNA is overleden vóór 1670, ten hoogste 43 jaar oud.

[20] Het geestelijke van het Hof van Mechelen heeft betrekking op de rol van de kerkelijke leiders van het aartsbisdom Mechelen en hun functie aan het hof, zoals die van aartsbisschop Jacobus Boonen, die ook geestelijk raadsheer was bij de Grote Raad. De term omvat ook de geestelijke invloed van het Hof van Savoye, het paleis van Margaretha van Oostenrijk, dat een centrum werd van politieke en culturele macht, inclusief religieuze hervormingen en discussies rond het jansenisme. Wikipedia.

[21] Raad van Brabant. Procesdossiers: processen van particulieren, 2de reeks. Code van de inventaris: 100, nr. 10289.

[22] Sint-Jansdag is een christelijke feestdag op 24 juni ter herdenking van de geboorte van Johannes de Doper. De dag wordt ook wel het midzomerfeest genoemd, omdat het samenvalt met de zomerzonnewende, de langste dag van het jaar. Traditioneel werden er op de vooravond, Sint-Jansavond (23 juni), grote vuren ontstoken en werden er volksfeesten gevierd.

[23] Sint-Jansdag is een christelijke feestdag op 24 juni ter herdenking van de geboorte van Johannes de Doper. De dag wordt ook wel het midzomerfeest genoemd, omdat het samenvalt met de zomerzonnewende, de langste dag van het jaar. Traditioneel werden er op de vooravond, Sint-Jansavond (23 juni), grote vuren ontstoken en werden er volksfeesten gevierd.

[24] Luxure; Luxuria is het Latijnse woord voor wellust, een van de zeven hoofdzonden. Het kan verwijzen naar de deugd onkuisheid,

[25] Na zijn veroordeling door het Geestelijk Hof van Mechelen wegens overspel.

[26] De patagon, pat(t)acon of Albertusdaalder is een munt die in de Lage Landen in 1612 werd geïntroduceerd onder het bewind van de aartshertogen Albrecht en Isabella (1598-1621) en werd voor het laatst geslagen in 1711 onder de Spaanse troonpretendent Karel III (1703-1711) in Antwerpen.

[27]   Litispendentie is een Latijnse term die verwijst naar een lopend geschil dat al bij een andere rechter in behandeling is. Het betekent letterlijk dat er al een rechtszaak ‘hangende’ is. Het concept is belangrijk om te voorkomen dat er tegenstrijdige beslissingen worden genomen en om te voorkomen dat er onnodig veel rechtszaken worden gevoerd.Wikipedia.

[28] Desistering” is een verouderde term die “afstand doen van” of “ophouden met” betekent. Het woord werd in de 17e eeuw gebruikt in notariële akten om aan te geven dat iemand afstand deed van een recht of bezit.Wikipedia.

[29]   GILLIS VAN GRIMBERGEN. GILLIS trouwde in 1628 in ASSE met MARIA DE HERTOGH. Zij is een dochter van JAN DE HERTOGH en CATLIJNE DE PLECKER

[30]   Boswachter

[31] R. A. Leuven, Schepenbanken van Asse, Code van de inventaris: 94, nr.519.

[32] RA Vorst, Inventaris van het archief van de Raad van Brabant. Officie Fiscaal Supplement, 1483- 1794, Toegang: I 94, nr.653.

[33] JAN VAN DER STRAETEN. Hij is gedoopt op dinsdag 18 oktober 1644 in ASSE. JAN is overleden op maandag 21 januari 1697 in BOLLEBEEK, 52 jaar oud. JAN trouwde, 27 jaar oud, op zondag 10 juli 1672 in KOBBEGEM met GEERTRUYDE VERHASSELT, 21 jaar oud. Zij is gedoopt op maandag 6 maart 1651 in KOBBEGEM. GEERTRUYDE is overleden op dinsdag 1 oktober 1726 in BOLLEBEEK, 75 jaar oud. Zij trouwde later op donderdag 7 november 1697 in BOLLEBEEK met JUDOCUS BREYS.

Kinderen van JAN en GEERTRUYDE:

1 CATAHRINA VAN DER STRAETEN. Zij is gedoopt op maandag 15 mei 1673 in BOLLEBEEK.

2 ELISABETH VAN DER STRAETEN. Zij is gedoopt op zaterdag 9 juni 1674 in BOLLEBEEK.

3 NICOLAES VAN DER STRAETEN. Hij is gedoopt op zaterdag 3 april 1677 in BOLLEBEEK.

4 STEPHANUS VAN DER STRAETEN. Hij is gedoopt op vrijdag 25 augustus 1679 in BOLLEBEEK. STEPHANUS is overleden op dinsdag 21 mei 1754 in ASSE, 74 jaar oud.

5 MARIA ANNA VAN DER STRAETEN. Zij is gedoopt op zondag 1 maart 1682 in BOLLEBEEK.

[34] NICOLAES VAN DER STRAETEN, zoon van JAN VAN DER STRAETEN en GEERTRUYDE VERHASSELT. Hij is gedoopt op zaterdag 3 april 1677 in BOLLEBEEK. NICOLAES is overleden op donderdag 30 april 1739 in BOLLEBEEK, 62 jaar oud.

Notitie bij NICOLAES: Meisenier op 08 02 1698.

NICOLAES trouwde, 41 jaar oud, op donderdag 20 oktober 1718 in BOLLEBEEK met PETRONELLA CUPPENS. PETRONELLA is overleden op zaterdag 30 november 1743 in BOLLEBEEK.

[35] Inventaris van het archief van de drossaard van Brabant en van de provoost-generaal van het Hof en van de Nederlanden, toegang: I 6, nr. 67.

[36] BALTHASAR VAN HORICK, zoon van PETRUS VAN HORICK en MARIA MEERT. Hij is gedoopt op dinsdag 20 juni 1690 in BAARDEGEM.

[37] Jacobus werd te Meldert gedoopt in 1682 en overleed op 68-jarige leeftijd op vrijdag 8 mei 1750 te Hekelgem. Hij trouwde te Hekelgem met Joanna Maria Clauwaert op 19 januari 1707 te Hekelgem. Hij was landbouwer en in opvolging van zijn vader griffier en opperrentmeester grapharius van de schepenbank van de abdij. Bijna een maand na hun huwelijk verwierven ze de brouwerij De Valck in de Langestraat te Hekelgem. Jacobus en Joanna hadden negen kinderen.

[38] De feestdag van Sint-Elooi, een belangrijke patroonheilige voor onder meer smeden, ruiters en metaalbewerkers, wordt op twee dagen gevierd: op 1 december (de “koude Elooi”) en de eerste zondag na 24 juni (de “warme Elooi”). Deze traditie vindt plaats in het teken van de vroegere gilden en beroepsverenigingen, waarbij de patroonheilige centraal staat in feesten, optochten en zegeningen, zoals paardenommegangen. Bron Wikipedia.

[39] Buizingen is een dorp in de Belgische provincie Vlaams-Brabant en een deelgemeente van Halle. Het ligt ongeveer 15 km ten zuidwesten van Brussel. Buizingen was een zelfstandige gemeente tot aan de gemeentelijke herindeling van 1977

[40] Bergen was bezet de Franse troepen en werd belegerd door de geallieerden, een coalitie van Engelse en Nerderlandse mimitiaren. De Fransen capituleerden op 20 oktober 1709.

[41] Boekweit is een glutenvrije, pseudograan-achtige plant uit de duizendknoopfamilie, geen graansoort, die wereldwijd wordt gebruikt voor zijn voedzame, driehoekige korrels. Het wordt veelzijdig toegepast in hartige pannenkoeken (galettes), brood, koekjes en ontbijtgranen, en is een uitstekende plantaardige bron van eiwitten en vezels. Bron: Wikipedia.

[42] Casacq: kazak: Het woord “kazak” kan meerdere betekenissen hebben: het kan verwijzen naar een jas, een lange bloes, of een handgeknoopt tapijt met geometrische patronen. Daarnaast kan het woord ook duiden op een lid van het Kazachse volk of naar een persoon afkomstig uit Kazachstan. Ook kan het verwijzen naar een ouderwetse schooltas. Bron: Wikipedia.

[43] Een “zilveren Agnus Dei” verwijst naar een medaillon of klein object van zilver, dat de afbeelding van het “Lam Gods” (Agnus Dei in het Latijn) toont. Dit object heeft een religieuze betekenis binnen het christendom, vaak geassocieerd met bescherming en devotie.

[44] “Stalle” verwijst naar een wijk in Ukkel (Brussel), de gelijknamige tram- en bushalte, en het station Ukkel-Stalle, allemaal gelegen in het westen van Ukkel, België. De wijk en de halte zijn bekend vanwege de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Noodkapel en zijn strategische ligging nabij de grens met Vorst.Bron: Wikipedia.

[45] Een attestatie is in het Nederlands een schriftelijk bewijs of getuigschrift dat een bewering, feit of gebeurtenis bevestigt, versterkt of wettigt. Het woord kan specifiek verwijzen naar een verklaring dat iemand in leven is (een attestatie de vita) of een attestatie bij kerkelijk vertrek, maar wordt ook breder gebruikt als een algemene term voor een bewijs of verklaring. Bron: Wikipedia.

[46] De patagon, pat(t)acon of Albertusdaalder is een munt die in de Lage Landen in 1612 werd geïntroduceerd onder het bewind van de aartshertogen Albrecht en Isabella (1598-1621) en werd voor het laatst geslagen in 1711 onder de Spaanse troonpretendent Karel III (1703-1711) in Antwerpen.

Naast een nieuwe reeks goudmunten, gebaseerd op de soeverein, verscheen ook een reeks zilvermunten. Deze reeks zilveren munten kreeg al spoedig de benaming “patagon” waarbij 1 patagon een waarde had van 48 stuivers.

[47] R. A. Vorst. Archief van de drossaard van Brabant en van de provoost-generaal van het Hof en van de Nederlanden. Code van de inventaris: I 6, nr. 263.

[48] MARTINUS LINTHOUT, zoon van GERARDUS LINTHOUT en PETRONELLA LE NOIR. Hij is gedoopt op maandag 20 maart 1690 in ESSENE. MARTINUS is overleden op vrijdag 7 april 1747 in ESSENE, 57 jaar oud. Notitie bij MARTINUS: Meijer van Affligem. MARTINUS trouwde, 20 jaar oud, op woensdag 11 februari 1711 in ESSENE met ISABELLA THERESIA DE BAILIU, 23 jaar oud. Zij is een dochter van HENRICUS DE BAILIU en ANNA VAN DEN WIJNGAERDE. Zij is gedoopt op donderdag 25 december 1687 in ASSE.

[49] Douai: In het Nederlands Dowaai is een stad in het Franse Noorderdepartement, zo’n 50 km ten zuiden van Kortrijk. De stad Douai ligt aan de rand van de Scarperivier en heeft talrijke erfenissen van haar rijk historisch verleden bewaard: het stadhuis met het belfort in gotische stijl, de collegiale Saint-Pierrekerk, de Notre-Damekerk, de poort van Valenciennes, het Dauphinherenhuis met uitzicht op het Wapenplein en de gevel van het Justitiepaleis, weerspiegeld in het water van de Scarpe..

[50] Dieppe is een stad en gemeente het Franse departement Seine-Maritime (regio Normandië). De gemeente telt 28.599 inwoners. Dieppe ligt aan de monding van de Arques in het Kanaal.

[51] Cadzand is een dorp, gelegen in het uiterste westen van de Nederlandse provincie Zeeland. In 2023 telde het in de regio Zeeuws-Vlaanderen gelegen dorp 695 inwoners. Sinds 2003 is Cadzand een deel van de gemeente Sluis. Tot Cadzand behoort ook Cadzand-Bad.

[52] R. A. Leuven, Schepenbanken van Asse, Code van de inventaris: 94, nr. 332.

[53] PETRUS VAN BUGGENHOUT, zoon van JOANNES VAN BUGGENHOUT en JOANNA MARIA DE SMEDT. Hij is gedoopt op dinsdag 16 november 1706 in OPWIJK. PETRUS is overleden op zondag 29 augustus 1734 in OPWIJK, 27 jaar oud.

[54] PHILIPPUS VAN ELSEN, zoon van JOANNES VAN ELSEN en CATHARINA MESKENS. Hij is gedoopt op vrijdag 14 april 1713 in MAZENZELE. PHILIPPUS is overleden op zondag 19 maart 1786 in MAZENZELE, 72 jaar oud. PHILIPPUS trouwde, 38 jaar oud, op dinsdag 14 december 1751 in SINT-MARTENS-LENNIK met MARIA CORNELIA BASTAERTS, 22 jaar oud. Zij is gedoopt op vrijdag 12 augustus 1729 in SINT-MARTENS-LENNIK. MARIA is overleden op vrijdag 15 juli 1785 in MAZENZELE, 55 jaar oud.

[55] GUILLAM PLAS, zoon van MARTINUS PLAS(CH) en ELISABETH DE CLERCK. Hij is gedoopt omstreeks 1577 in MAZENZELE. GUILLAM is overleden op zondag 9 november 1659 in BAARDEGEM, ongeveer 84 jaar oud. Notitie bij GUILLAM: Meisenier – erflaat van ten Roosen.

GUILLAM trouwde, ongeveer 50 jaar oud, op dinsdag 29 juli 1625 in MERCHTEM met ANNA T’SAS. ANNA is overleden op donderdag 25 juli 1658 in MAZENZELE.

[56] JUDOCUS ADRIANI. Hij is gedoopt omstreeks 1683 in ASSE. JUDOCUS is overleden op donderdag 9 maart 1758 in ASSE, ongeveer 75 jaar oud. JUDOCUS: (1) trouwde, ongeveer 28 jaar oud, op woensdag 8 juli 1711 in ASSE met MARIA DE KEYSER, 25 jaar oud. Zij is gedoopt op vrijdag 30 november 1685 in ASSE. MARIA is overleden op dinsdag 20 februari 1725 in ASSE, 39 jaar oud. (2) trouwde, ongeveer 42 jaar oud, op donderdag 16 augustus 1725 in MAZENZELE met CATHARINA VERMEEREN, 26 jaar oud. Zij is gedoopt op zaterdag 10 januari 1699 in MAZENZELE. CATHARINA is overleden op donderdag 5 maart 1761 in ASSE, 62 jaar oud.

[57] GERARDUS WAUTERS, zoon van JUDOCUS WAUTERS en CATHARINA VAN HERWEGEN. Hij is gedoopt op zondag 3 april 1712 in MAZENZELE. GERARDUS is overleden op donderdag 29 maart 1759, 46 jaar oud.

[58] BARBARA PLAS, dochter van ADRIANUS PLAS en ELISABETH DE SMET. Zij is gedoopt op zondag 19 mei 1675 in MAZENZELE. BARBARA is overleden op zaterdag 28 oktober 1741, 66 jaar oud. BARBARA trouwde, 25 jaar oud, op zaterdag 5 februari 1701 in MAZENZELE met LAURENTIUS VAN HUYNEGHEM, 33 jaar oud. Hij is gedoopt op donderdag 2 februari 1668 in ASSE. LAURENTIUS is overleden op vrijdag 3 november 1741 in ASSE, 73 jaar oud.

[59] R. A. Leuven, Schepenbanken van Asse, Code van de inventaris: 94, nr. 335.

[60] R. A. Vorst, Archief van de drossaard van Brabant en van de provoost-generaal van het Hof en van de Nederlanden, toegang I 6, nr. 98.

[61] R. A. Vorst, Archief van de drossaard van Brabant en van de provoost-generaal van het Hof en van de Nederlanden, toegang I 6, nr. 133.

[62] Humbeek (dialect: Hummek of Ummek) is een dorp in de Belgische provincie Vlaams-Brabant en een deelgemeente van Grimbergen. De patroonheilige van Humbeek is Sint-Rumoldus. https://nl.wikipedia.org/wiki/Humbeek

[63] Bombazijn of bombasijde is een sterke geweven textielstof in kruiskeperbinding (twill). In België noemt men het fustein. Oorspronkelijk had de stof een schering (ketting) van zijde en een inslag van kamgaren, die gesponnen werd uit lange wol. De zijden ketting is vervangen door een kunstzijde die rayon of viscose wordt genoemd. Daarnaast werd bombazijn vervaardigd met een linnen schering en een inslag van ongetwijnde katoen.[1] Deze bombazijn werd voor beddegoed, voor werkkleding en voor onderkleding gebruikt. Als bombazijn vervaardigd werd met een glad oppervlak en links geruwd was, noemde men het moles Bron: Wikipedia

[64] Tisselt is een dorp in de Belgische provincie Antwerpen en een deelgemeente van Willebroek. Tisselt was een zelfstandige gemeente tot aan de gemeentelijke herindeling van 1977. https://nl.wikipedia.org/wiki/Tisselt

[65] Nerom is een gehucht van Wolvertem, dat nu deel uitmaakt van de gemeente Meise. Het is gelegen in de buurt van de kruising van de Patatestraat en de Neromstraat. De naam Nerom is afgeleid van “Nederheim”, wat “laag gelegen woning” betekent.

[66] Rossem is een landelijk dorp in de provincie Vlaams-Brabant. Het ligt in Wolvertem, een deelgemeente van Meise. Rossem ligt zo’n drie kilometer ten noordwesten van het centrum van Wolvertem.

[67] De Vijverplas in Liezele, ook bekend als de vijver van het Park Fort Liezele, is een recreatiedomein met een wandelpad langs de rand van de vijver. Er is een blotevoetenpad van 700 meter langs de vijver en je kunt er ook vissen mits je een visverlof hebt, waarbij de wetgeving op de riviervisserij van toepassing is. Het gebied is vrij toegankelijk voor wandelaars en honden zijn toegestaan, mits aangelijnd.

[68] Wolvertem telt naast de dorpskern nog vier dorpen: Meuzegem, Rossem, Imde en Westrode. Nerom en Slozen zijn twee gehuchten zonder kerk.

[69] Branst is een dorp in de Antwerpse gemeente Bornem. Het dorpje ligt aan de Schelde en is vooral bekend om zijn mooie wandelroutes langs deze rivier.

[70] Wintam is een gehucht in de Belgische provincie Antwerpen. Het behoort tot de Bornemse deelgemeente Hingene. De naam Wintam is afkomstig van Wind Ham en rond 1900 schreef men nog Wintham.

[71] Mis op quatertemper-woensdag na de derde zondag van de Advent waarvan de liturgie begint met Rorate coeli desuper (Dauwt hemelen de Rechtvaardige), opgedragen aan het Maria-altaar met een overvloed aan brandende kaarsen; aan deze mis werd bijzondere kracht en ‘gouden’ zegen toegeschreven, vanwege het gedenken van Maria’s blijde verwachting. Bron: Wikipedia.

[72] Een kamisool is een kledingstuk dat oorspronkelijk een mannenvest was, vaak met mouwen, en later een nauwsluitend damesonderlijfje werd. Het kan ook verwijzen naar een soortgelijk damesonderkledingstuk, zoals een borstrok. In de 17e eeuw was het een mannenvest, vaak van katoen of bombazijn, en aan het einde van de 19e eeuw werd het een damesonderlijfje van katoen, wol of flanel.

[73] Imde is een klein dorp in de provincie Vlaams-Brabant. Het ligt in Wolvertem, een deelgemeente van Meise. Imde ligt zo’n 2,5 kilometer ten noorden van het dorpscentrum van Wolvertem. De patroonheilige van het dorp is Sint-Quintinus. https://nl.wikipedia.org/wiki/Imde.

[74] R. A. Vorst, Archief van de drossaard van Brabant en van de provoost-generaal van het Hof en van de Nederlanden, toegang I 6, nr. 153.

[75] Smoutmolen = Smoutmolens sloegen olie uit rapen, kool- of sloorzaad of zelfs uit beukennootjes. De olie werd voor allerhande doeleinden gebruikt in de keuken, o.a. voor smoutebollen, om karwielen en ander draaiend gerief te smeren, ook bij verlichting en zelfs om verf te maken, dit laatste vooral met lijnzaadolie.

[76] Zandbergen is een dorp in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen en een deelgemeente van de stad Geraardsbergen, het was een zelfstandige gemeente tot aan de gemeentelijke herindeling van 1977.

[77] JUDOCUS DE WEDEWYN. Hij is gedoopt op zondag 4 november 1703 in ASSE. JUDOCUS is overleden op donderdag 25 november 1779 in ASSE, 76 jaar oud. JUDOCUS trouwde, 30 jaar oud, op zondag 18 juli 1734 in ESSENE met JUDOCA SNEPPE, ongeveer 27 jaar oud. Zij is gedoopt omstreeks 1707. JUDOCA is overleden op vrijdag 23 februari 1770 in ASSE, ongeveer 63 jaar oud.

[78] JOANNA MARIA DE WEDEWYN, dochter van JUDOCUS DE WEDEWYN en JUDOCA SNEPPE. Zij is gedoopt op maandag 30 juli 1742 in ASSE. JOANNA trouwde, 28 jaar oud, op zondag 26 augustus 1770 in ASSE met GUILLIELMUS DE RIDDER, 54 jaar oud. Hij is een zoon van EGIDIUS DE RIDDER en JOANNA VAN HIGEM. Hij is gedoopt op maandag 20 januari 1716 in ASSE. GUILLIELMUS is overleden op woensdag 17 februari 1796 in ASSE, 80 jaar oud. Hij trouwde voorheen vóór 1745 met CATHARINA VAN DEN ABEELE. Hij trouwde voorheen op dinsdag 17 juli 1759 in ASSE met ELISABETH VANDENBRIL.

[79] JOANNA MARIA DE WEDEWYN, dochter van JUDOCUS DE WEDEWYN en JUDOCA SNEPPE. Zij is gedoopt op maandag 30 juli 1742 in ASSE. JOANNA trouwde, 28 jaar oud, op zondag 26 augustus 1770 in ASSE met GUILLIELMUS DE RIDDER, 54 jaar oud. Hij is een zoon van EGIDIUS DE RIDDER en JOANNA VAN HIGEM. Hij is gedoopt op maandag 20 januari 1716 in ASSE. GUILLIELMUS is overleden op woensdag 17 februari 1796 in ASSE, 80 jaar oud. Hij trouwde voorheen vóór 1745 met CATHARINA VAN DEN ABEELE. Hij trouwde voorheen op dinsdag 17 juli 1759 in ASSE met ELISABETH VANDENBRIL.

[80] Eizingen is een plaats in de Belgische provincie Vlaams-Brabant. Het ligt in Buizingen, een deelgemeente van de stad Halle. Eizingen ligt zo’n halve kilometer ten noordoosten van het oude centrum van Buizingen.

[81] JOANNES BAPTISTA VAN CUTSEM. Hij is gedoopt op maandag 5 september 1701 in SINT PIETERS LEEUW. JOANNES is overleden op maandag 29 mei 1769 in BUIZINGEN, 67 jaar oud. JOANNES:

(1) trouwde, 32 jaar oud, op zaterdag 28 november 1733 in SINT PIETERS LEEUW met JULIANA BORREMANS. JULIANA is overleden op zaterdag 5 december 1739 in BUIZINGEN.

(2) trouwde, 39 jaar oud, op vrijdag 21 juli 1741 in DWORP met MARIA ANNA DE CUYPER, 21 jaar oud. Zij is gedoopt op vrijdag 8 december 1719 in DWORP. MARIA is overleden op woensdag 17 juli 1782 in EIZINGEN, 62 jaar oud.

[82] Stroppen behoorde vroeger tot Sint-Pieters-Leeuw. Een grondgebiedswissel tussen Halle en Sint-Pieters-Leeuw bracht daar pas in 1927 verandering in. Het gehucht ‘Strop’ wordt al in 1777 vermeld op de bekende Ferraris-landkaart. Op oude kaarten vinden we op die plaats ook de vermelding ‘Galgenveld’ terug. Kortom, Stroppen was vroeger de plek waar de galg stond. Wie ter dood veroordeeld werd door middel van ophanging, werd dus naar Stroppen gebracht.

[83] Een ammelaken of amelaken is een verouderd woord door tafellaken.

[84] R. A. Vorst, Archief van de drossaard van Brabant en van de provoost-generaal van het Hof en van de Nederlanden, toegang I 6, nr. 159.

[85] Baasrode is een dorp in de Belgische provincie Oost-Vlaanderen en een deelgemeente van de stad Dendermonde, het was een zelfstandige gemeente tot aan de gemeentelijke herindeling van 1977.

[86] CORNELIA DE VOGHEL, dochter van HENRICUS DE VOGHEL en ADRIANA DE CLERCK. Zij is gedoopt op dinsdag 3 mei 1718 in ASSE. CORNELIA is overleden op donderdag 2 september 1790 in ASSE, 72 jaar oud. CORNELIA trouwde, 24 jaar oud, op donderdag 12 juli 1742 in ASSE met HENDRIK FIEREMANS, 29 jaar oud. Hij is gedoopt op zondag 22 januari 1713 in ASSE. HENDRIK is overleden op dinsdag 6 juli 1802 in ASSE, 89 jaar oud.

[87] R. A. Vorst, Archief van de drossaard van Brabant en van de provoost-generaal van het Hof en van de Nederlanden, toegang I 6, nr. 169.

[88] Insollentiën: onbeschaamdheden.

[89] R. A. Leuven, Schepenbanken van Asse, Code van de inventaris: 94, nr. 701.

[90] JUDOCUS JOSEPHUS DE WITTE. Hij is gedoopt op donderdag 14 mei 1744 in ASSE. JUDOCUS is overleden op donderdag 15 maart 1821 in ASSE, 76 jaar oud. Hij trouwde, 25 jaar oud, op dinsdag 23 januari 1770 in ASSE met MARIA ANNA VAN NIJVERZEEL, 19 jaar oud. Zij is gedoopt op zaterdag 13 juni 1750 in ASSE. MARIA is overleden op zaterdag 7 augustus 1790 in ASSE, 40 jaar oud

[91] CORNELIA BASTAERTS, dochter van CORNELIUS  en JEANNE MARIE DE SMEDT. Zij is gedoopt op maandag 3 oktober 1746 in ASSE. CORNELIA is overleden op maandag 7 augustus 1809 in ASSE, 62 jaar oud. Zij trouwde, 28 jaar oud, op maandag 3 juli 1775 in ASSE met JEAN BAPTISTE DE KEYSER, 29 jaar oud. Hij is gedoopt in 1746 in ASSE. JEAN is overleden op zaterdag 1 januari 1814 in ASSE, 68 jaar oud. Hij was  Herbergier en cabartier.

[92] PAULUS VAN BUYTEN. Hij is gedoopt op donderdag 5 juli 1708 in MAZENZELE. PAULUS is overleden op maandag 7 juli 1783 in ASSE, 75 jaar oud. Hij trouwde, 28 jaar oud, op zondag 14 oktober 1736 in MAZENZELE met CATHARINA DE NIL, minstens 20 jaar oud. Zij is gedoopt vóór 1716 in MAZENZELE. CATHARINA is overleden op vrijdag 17 januari 1794 in ASSE, minstens 78 jaar oud.

[93] EGIDIUS DE SMEDT. Hij is gedoopt op dinsdag 9 juni 1722 in ASSE. EGIDIUS is overleden op dinsdag 22 augustus 1809 in ASSE, 87 jaar oud. Hij trouwde, 43 jaar oud, op maandag 1 juli 1765 in ASSE met CATHARINA PIETERS, 24 jaar oud. Zij is gedoopt op woensdag 17 mei 1741 in LEBBEKE. CATHARINA is overleden op woensdag 17 juli 1816 in ASSE, 75 jaar oud.

[94] JOANNES JACOBUS VAN STICHEL, zoon van ARNOLDUS en MARIA PHILIPPA VAN MULDERS. Hij is gedoopt op maandag 24 september 1731 in ASSE. JOANNES is overleden op woensdag 26 februari 1783 in ASSE, 51 jaar oud.

[95]   PETRUS DE MULDER, gedoopt op zondag 29 april 1725 in ASSE en er overleden op woensdag 7 december 1791 in ASSE, 66 jaar oud. PETRUS:

(1) trouwde, 39 jaar oud, op dinsdag 26 juni 1764 in ASSE met MARIA ANNA VAN BELLINGHEN, ongeveer 28 jaar oud. Zij is gedoopt omstreeks 1736 en overleden op zaterdag 2 februari 1771 in ASSE, ongeveer 35 jaar oud.

(2) trouwde, 46 jaar oud, op dinsdag 4 februari 1772 in SINT-KATHARINA LOMBEEK met JOANNA TIMMERMANS, ongeveer 35 jaar oud. Zij is gedoopt omstreeks 1737 in SINT KATHARINA LOMBEEK.

Kinderen van PETRUS en MARIA:

1 ADRIANUS DE MULDER, gedoopt op maandag 20 mei 1765 in ASSE.

2 ANNA MARIA DE MULDER, gedoopt op donderdag 1 oktober 1767 in ASSE.

[96] MARIA ANNA ZEEBROECK, gedoopt op dinsdag 20 juli 1728 in MERCHTEM. Zij trouwde, 20 jaar oud, op zondag 11 mei 1749 in ASSE met CAROLUS VAN DE VELDE.

[97] R. A. Vorst, Archief van de drossaard van Brabant en van de provoost-generaal van het Hof en van de Nederlanden, toegang I 6, nr. 178.

[98] R. A. Vorst, Archief van de drossaard van Brabant en van de provoost-generaal van het Hof en van de Nederlanden, toegang I 6, nr. 178.

[99] Notaris Egidius De Kock, Asse en Brussel, periode 1771-1778.

[100] Sint-Winoksbergen of Bergen is een vestingstadje en kantonhoofdplaats in het noorden van Frankrijk en maakt deel uit van het arrondissement Duinkerke in het Noorderdepartement.

[101] R. A. Vorst, Archief van de drossaard van Brabant en van de provoost-generaal van het Hof en van de Nederlanden, toegang I 6, nr. 186.

[102] Borkel is een dorp in de Nederlandse provincie Noord-Brabant. Het dorp had in 2007 575 inwoners. Borkel ligt ten westen van Schaft waarmee het lang de gemeente Borkel en Schaft heeft gevormd. Deze ging later deel uitmaken van de gemeente Valkenswaard. Wikipedia.

[103] Gestoelte : de koorbanken

[104] ANTOINE CAPPUYNS, zoon van GUILIELMUS CAPPUYNS en BARBARA DE CRE. Hij is gedoopt op zaterdag 9 juli 1746 in PEUTIE. ANTOINE is overleden op vrijdag 17 januari 1812 in HEKELGEM, 65 jaar oud. ANTOINE trouwde, 34 jaar oud, op dinsdag 3 oktober 1780 in SINT KATHARINA LOMBEEK met JOANNA JUDOCA SCHOONJANS, 24 jaar oud. Zij is gedoopt op donderdag 23 september 1756 in SINT KATHARINA LOMBEEK. JOANNA is overleden op woensdag 4 juli 1827 in HEKELGEM, 70 jaar oud.

[105] GUILIELMUS DE SMEDT, zoon van EGIDIUS DE SMET en JOANNA VAN DER JEUGHT. Hij is gedoopt op zaterdag 26 november 1740 in HEKELGEM. GUILIELMUS is overleden op vrijdag 22 december 1826 in HEKELGEM, 86 jaar oud. GUILIELMUS trouwde met ANNA MARIA STALLAERT. ANNA is overleden op donderdag 8 mei 1828 in HEKELGEM.

[106] Vunte; doopvont.

[107] PETRUS ROBIJNS, zoon van ANDRIES JOZEF ROBIJNS en CATHARINA MEERT. Hij is gedoopt op vrijdag 8 april 1746 in MELDERT. PETRUS is overleden op zondag 23 maart 1788 in MELDERT, 41 jaar oud. PETRUS trouwde, 32 jaar oud, op donderdag 10 september 1778 in MELDERT met ANNA MARIA VAN DER SCHUEREN. ANNA is overleden op dinsdag 18 november 1788 in MELDERT. Zij is begraven op woensdag 19 november 1788 te MELDERT.

[108] PETRUS VAN NUFFEL, zoon van PAULUS VAN NUFFEL en CATHARINA VAN GERWEN. Hij is gedoopt op dinsdag 8 november 1740 in MELDERT. PETRUS is overleden op zaterdag 21 oktober 1809 in MELDERT, 68 jaar oud. PETRUS trouwde, 31 jaar oud, op zondag 21 juni 1772 in MELDERT met JOANNA MARIA VAN ZEEBROECK, 26 jaar oud. Zij is een dochter van HENRICUS VAN ZEEBROECK en ELISABETH BRIJS. Zij is gedoopt op donderdag 31 maart 1746 in MELDERT. JOANNA is overleden op maandag 27 juli 1789 in MELDERT, 43 jaar oud.

[109] PHILIPPUS COLLIER, zoon van GERARDUS COLLIER en ANNA MERCKX. Hij is gedoopt op woensdag 13 april 1712 in Moorsel. PHILIPPUS is overleden op vrijdag 24 oktober 1794 in Moorsel, 82 jaar oud. PHILIPPUS trouwde, 50 jaar oud, op zondag 13 februari 1763 in Moorsel met MARIA ANNA VAN DEN BOSSCHE, 30 jaar oud. Zij is gedoopt op woensdag 9 april 1732 in Moorsel. MARIA is overleden op maandag 28 maart 1796 in Moorsel, 63 jaar oud.

Hekelgem, hoofd- en beestengeld 1747.

1 – Inleiding.

Het hoofd- en beestgeld dat men hief te Hekelgem in 1747 kunnen we beschouwen als een onroerende voorheffing en personenbelasting samen, gecombineerd met een belasting op het vee. Onroerend waren de “hartsteden” of vuurhaarden en de “nasten of hasten”, eesten voor het drogen van de geteelde hop. De personenbelasting inde men in functie van de samenstelling van het gezin en de ouderdom van de gezinsleden. De bedragen zijn uitgedrukt in gulden en stuivers. Bij allen die belasting betaalden werd ook de belasting op “Thé” in rekening gebracht. Daar het voor ieder om hetzelfde bedrag ging werd dit niet in de lijst die volgt opgenomen.

Het kohier werd op 13 en 14 oktober 1747 afgesloten. Naderhand stelde men echter vast, dat ze hier en daar enkele belastingplichtigen vergeten waren of onvolledig belast hadden. Om dit recht te zetten, stelde men op 29 november 1747 een tweede lijst samen. (punt 4)

De lijst der “arme mensen” (punt 5) bevat op enkele uitzonderingen na geen vrouwen en geen kinderen. Vermoedelijk vond men het niet nodig deze personen te vermelden, men kon er toch geen belasting op heffen. Daardoor is het niet mogelijk aan de hand van deze lijsten, een volledig beeld te krijgen van de totale populatie te Hekelgem.

De originele schrijfwijze werd soms behouden, voor de leken in deze materie, enkele verduidelijkingen:

–           Een meijsen = een meid.

–           Een cnecht = een knecht.

–           Een koije = koe,

–           Een rent = vaars, een jonge koe van ca. 2–3 jaar oud (die dus hoogstens één keer gekalfd heeft). Vóór het afkalven spreekt men van een dragende of drachtige vaars, daarna van een melkvaars.

–           Een calf = kalf, een jonge koe die aan haar bestaan als vaars nog moet beginnen.

–           Een vercken = varken.

–           Een hartstede = stookplaats voorzien van een schouw. De welgestelde gezinnen hadden meer dan een hartstede. Hun stookplaatsen waren soms monumentale open haarden.

–           Een nast of hast = een eest voor het drogen van de geteelde hop.

De personen opgenomen in de drie lijsten werden alfabetisch op hun achternaam gerangschikt.

Dat er een hele waslijst arme mensen (zie 5) opgetekend werden te Hekelgem, in het jaar 1747, was gedeeltelijk het gevolg van de oorlog die gevoerd werd tijdens de voorgaande jaren en die beslecht werd met de Slag van Lafelt op 2 juli 1747. De strijdende partijen waren enerzijds het Franse leger van Lodewijk XV en anderzijds de verenigde troepen van Engeland, Oostenrijk en de Republiek der Verenigde Provinciën. Het was grootste veldslag die Limburg ooit kende. Het aantal doden en gewonden is niet exact bekend en varieert volgens de bronnen.

Algemeen wordt aangenomen dat de Fransen, die de veldslag wonnen, ca. 10 000 soldaten verloren en de geallieerden hun manschappen met ruim 6 000 zagen uitdunnen. Tekenend voor deze periode zijn de aantekeningen die door Joos Robyns, die woonde op Nievel, gemaakt werden in zijn memorieboek:

–           ‘In het jaar 1744 heeft het leger ghelegen op den molencauter recht over de poort van d’ Abdye van Affligem, te weten het volck van de koninginne van Hongaryen, de Hollanders, de engelsche en de Hannoversche te samen sterk negentigh duysent mannen ende hebben daer gelegen 13 dagen in bloyen van het coren, ende de Hollanders hebben op den 2de sinxendagh op Nievel gheplindert ses huysen omdieswille dat eenen van hun volck, in de Clerage by naer was doodt gheslagen wiens huysen syn gheweest Pauwels Gregoir, Jan Gekeer, Alexander Van der Schuren, Jan De Ridder, Joos Arys, ende Jan Willems borgemeester .

–           13 juli 1745, Den 13 juli is er eene bataille gheschiet tot Melle, tusschen Aelst en Gent, alwaer onse ghealieerde de selve hebben verlooren,  ende als dan syn de fransche ghecomen in Aelst, ende in d’ Abdye van Affligem heester gedurende 6 à 7 weken 28 hondert ghelegen de welcke wij hebben moeten onderhouden van alles, ende de grote armé is ghetrocken voor Dendermonde, het welck gau is overghegaen ende syn dan gaen camperen langs de Schelde, alwaer sij hebben ghelegen ontrent drij weken .

–           12 augustus 1745. Er werd een kleine veldslag geleverd in de nabijheid van het dorp van Asse tussen de Fransen en de bondgenoten, zonder veel schade aan de huizen.

–           Augustus 1745. Ende op St. Rochusdagh is alhier over den driessche ghepasseert den Coninck van Vranckeryck met sijne sone den dolphyn met gheheel sijne swiet naer d’ Abdye, ende syn alhier wedergekeert naer Aelst .

–           Tijdens de oorlogswinter van 1745-46 had de omgeving weer te lijden onder het verblijf van de Franse soldaten. Zij verstookten op een nacht, 29 januari, volgens de archieven, 2000 mutsaarden’.

2 – Statistiek.

In Hekelgem werden er 231 haarden belast. De beter gesitueerden hadden er meer dan één. De belasting op de haarden der armen, 5 stuivers, werd betaald door de eigenaar van het onderkomen.

Er werd belasting geheven op het hoofd van 195 mannen, 115 vrouwen en 74 kinderen. Samen 384 personen.

Verder telde het dorp:

–           19 knechten.

–           8 meiden.

–           45 paarden.

–           7 veulens.

–           188 koeien.

–           48 vaarzen.

–           20 kalveren.

–           32 varkens.

–           21 eesten voor het drogen der hop.

–           15 landbouwers konden beschikken over 1/3 deel van een ploeg, deze 15 gebruikten dus gemeenschappelijk 5 ploegen.

–           8 landbouwers hadden 1/2 ploeg.

–           1 landbouwer had zelfs 1 1/2 ploeg. Het betrof hier, Gillis Plas van de blackmeersch hoeve.

–           28 vrouwen werden als weduwe vermeld.

–           3 bakovens werden speciaal vermeld, zij dienden om de mensen zonder oven toe te laten hun brood te bakken.

–           79 gezinnen werden als “arm” omschreven. Op een totaal van 223 was dat 35% die ondersteunt werden door de Tafel van den Heilige Geest ook de “armendis” genoemd, nu zou men spreken van het O.C.M.W.

3 – Lijst der welgestelden.

Alsoo die Drossaert, officieren, schepenen ende Greffier der prochie van Hekelgem, lande van Assche, hun belast van den bij uijtsondingh brief van den Heere Van Velde, Rentmeester Generael der Heeren Staeten van Brabant in ’t quartier van Brussel, ingevolghe het reglement der Heeren Staeten van Brabant, aengaende de capitatie mede der peerden, koijen, schaepen ett° ende der hartsteden soo sijn de selve geeffectueert binnen de voors. prochie den 27 en 28 – 8ber 1747 en is als volght:

De belastingen waren als volgt bepaald: voor man en vrouw 2 gulden weergegeven als 2-0-0, een meid of knecht 2-0-0, een kind boven de 14 jaar 0-0-0 of 1-0-0, een paard 2-0-0, een veulen 1-0-0,  een koe 1-12-0, een rund 0-16-0, een kalf 0-12-0, een varken 0-10-0, een haard 0-10-0, een oven 0-10-0 en een ast 0-10-0.

1. Eerst de heer pastoor met de pastorie volgens overdracht, 300 gulden, een knecht, een meid, een varken, een hof en vier haardsteden: 24-16-0.

2. De weduwe Gillis Arijs met een kind boven de 14 jaar, een koe, een haard:7-2-0.

3. Michiel Crick met twee kinderen boven de 14 jaar, een koe, een haard: 7 – 2

4. Jan De Bailliu met zijn vrouw, twee kinders boven de 14 jaar, een half ploeg. twee paarden, drie koeien,  een rund,  een kalf,  een ast, een hartstede: 24 – 1.

5.  De weduwe Andries De Bast met een dochter,  een half ploeg,  twee paarden: 9 – 0.

6.  Peeter Ceuppens met zijn vrouw, een  brouwerij, een kind boven de 14 jaar, een derde van een ploeg, twee paarden, drie koeien,  een varken, twee hartsteden en een ast: 33 – 12.

7. Peeter Clauwaert met zijn vrouw en een herberg, een kind boven de 14 jaar,  een derde van een ploeg, een paard,  een veulen, Drie koeien,  een rund,  een kalf,  drie haardsteden: 25 – 14.

8. Andries Daens inwonend bij de weduwe Hendrik Vasseur: 3 – 0.

9. Hendrik Dauwe met zijn vrouw, gareelmaker, twee kinderen boven de 14 jaar,  twee koeien, een bakhoven,  een haardstede: 12 – 4.

10. Jan De Boeck met zijn vrouw, twee koeien, een haardstede: 9 – 14

11. Peeter De Clerck met twee kinderen boven de 14 jaar, twee koeien, een haardstede: 8 – 14.

12. Andries De Coninck met zijn vrouw, een kind boven de zeven jaar, twee koeien, een haard: 10 – 14.

13. Peeter De Donder met zijn vrouw, een haard: 6 – 10.

14. Adriaen De Jonghe met zijn vrouw, een koe, een haard: 8 – 2.

15. De weduwe Gillis De Keghel, een kind boven de 14 jaar, een knecht, een meid, twee koeien, een rund, een varken, twee haarden: 15 – 6.

16. De weduwe Joos De Keghel, twee kinderen boven de 14 jaar, twee koeien, twee runderen, een varken, een ast, een haard: 11 – 2.

17. Peeter De Keghel met zijn vrouw, een kind boven de 14 jaar, twee koeien, een ast, een haard: 11 – 4.

18. Peeter De Paepe met zijn vrouw, twee kinderen boven de 14 jaar, een koe, een haard: 10 – 2.

19. J. B. De Ridder met zijn vrouw, een koe, een haard: 8 – 2.

20. Frans De Schrijver met zijn vrouw, een knecht, een derde van een ploeg, twee paarden, drie koeien, een rund, een varken, een ast, een haard: 19 – 18.

21. P. De Schrijver met zijn vrouw, een koe, een varken, een haard: 8 – 8.

22. J. B. De Smedt met zijn vrouw, een half ploeg, twee knechten, twee paarden, zeven koeien, een rund, een kalf, een varken, een haard, een ast: 26 – 2.

23. Joos De Smet met zijn vrouw, een koe, een rund, een haard: 8 – 18.

24. Frans De Vis, kleine timmerman met zijn vrouw, een kind boven de 14 jaar, een koe, een varken, een haard:11 – 8.

25. De weduwe P. De Vis, een kind boven de 14 jaar, twee koeien, een haard: 7 – 14.

26. Pauwel De Vos met zijn vrouw, een kind boven de 14 jaar; een koe, een rund, een haard: 9 – 18.

27. De R° J. De Witte, griffier van Affligem met zijn vrouw, een dochter boven de 14 jaar, twee knechten, een half ploeg, twee paarden, drie koeien, een rund: 34 – 12.

28. Jan Baptist De Witte met zijn vrouw bij Jan Meert: 6 – 0.

29. Jan Diericx met zijn vrouw, een half ploeg, een knecht, een meid, twee paarden, vier koeien, een rund, een kalf, een varken, een ast, twee haarden: 26 – 12.

30. Jan Droeshout met zijn vrouw, herberg, een kind boven de 14 jaar, een boven de 7 jaar, een derde van een ploeg, twee paarden, twee koeien, een rund, een varken, een ast, een haard:     25 – 6.

31. P. Droeshout met twee kinders boven de 14 jaar, een derde van een ploeg, twee paarden, drie koeien, een varken, een haard, een bakoven: 15 – 2.

32. Philips Druwé met zijn vrouw, een kind boven de 14 jaar, een koe, een kalf, een haard: 14.

33. De weduwe Laureijs Everaert, een zoon met zijn vrouw, een koe, een varken, een haard: 11 – 8.

34. J. B. Gerstman, een meid, een koe, een haard: 8 – 2.

35. De weduwe Guille Godefroije, twee kinders boven de 14 jaar, een koe, een varken, een haard: 7 – 8.

36. Laureijs Leemans met zijn vrouw, herberg, een koe, een haard: 10 – 2.

37. Gillis Lensens met zijn vrouw en zijn moeder, een koe, een haard: 11 – 2.

38. Peeter Mahieu met zijn vrouw, een koe, een haard: 8 – 2.

39. Peeter Marchal met zijn vrouw, een haard: 6 – 10.

40. Christaen Mattens met zijn vrouw, een koe, een haard: 8 – 2.

41. Frans Mattens met zijn vrouw, twee kinders boven de 14 jaar, een koe, een varken, een haard: 10 – 8.

42. De weduwe Jan Mattens; een kind boven de 14 jaar, een koe, een bakoven, een haard: 6 – 12.

43. Frans Meert met zijn vrouw, herberg,  een half ploeg, twee paarden, een veulen, drie  koeien, een rund, een varken, twee haarden: 23 – 18.

44. Jacobus Meert met zijn vrouw, een koe, een haard: 8 – 2.

45. Jan Meert met een kind boven de 14 jaar, brouwerij, een knecht, een derde van een ploeg, twee paarden, drie veulens, vier koeien, een rund, een varken, twee haarden, een ast: 39 – 0.

46. Frans Mertens met zijn vrouw, een koe, een haard: 8 – 2.

47. Judocus Pauwels met zijn vrouw, twee kinderen boven de 14 jar, moeten genomen worden als huisknechten, een derde van een ploeg, een paard, een veulen, twee koeie, een rund, een kalf, een ast, een haard. Nota: dat de koeien op Vlaanderen betalen, maar  al de ….. van pachters op Brabant, moeten in Brabant betalen: 20 – 12.

48. Gillis Plas met zijn vrouw,  twee kinderen boven de 14 jaar, twee knechten, een meid, een half ploeg, vier paarden, neghen koeien, vier runderen, twee kalveren, twee varkens, twee haarden, een ast: 54 – 18.

49. De weduwe Joos Plas met twee kinderen boven de 14 jaar, een koe, een rund, een haard: 7 – 18.

50. M. Frans Resteau met zijn vrouw, koster, een koe, een haard: 10 – 2.

51. J. B. Resteau met zijn vrouw, herberg, een koe, een haard, een ast: 14 – 12.

52. Jacqueline Ringoet, een derde van een ploeg, een paard, twee koeien, een kalf, twee haarden: 9 – 16.

53. De weduwe Jan Roelant, een haard:     3 – 10.

54. Judocus Roggeman met zijn vrouw, een kind boven de 7 jaar, een derde van een ploeg, twee paarden, een koe, een rund, een haard: 13 – 18.

55. Jacobus Roseleth met zijn vrouw, herberg, een koe, twee haarden: 14 – 12.

56. Cornelis Schoon met zijn vrouw, twee kinderen boven de 14 jaar, een derde van een ploeg, twee paarden, een veulen, drie koeien, een rund, een varken, een ast, een haard: 3 – 18.

57. Michiel Schoonjans met zijn vrouw, een koe, een haard: 8 – 2.

58. Peeter Slaghmulder met zijn vrouw wonend bij Hendrik Wambacq: 6 – 0.

59. Gillis Smet met zijn vrouw, herberg, twee kinderen boven de 14 jaar; een derde van een ploeg, een paard, drie koeien, een rund, een varken, een ast, een haard: 25 – 18.

60. Joos Stevenheijdens met zijn vrouw, een rund, een haard: 7 – 6.

61. Carel Stevens met zijn vrouw, een kind boven de 14 jaar, een koe, een haard: 9 – 2.

62. Martinus Taveniers, kleermaker met zijn vrouw, een kind boven de zeven jaar, een haard: 6 – 10.

63. Geeraert Van Biesen, herberg met zijn vrouw, een knecht, een meid, twee koeien, een kalf, twee haarden: 16 – 16.

64. Hendrik Van Brempt met zijn vrouw, een kind boven de 14 jaar, twee koeien, een haard: 6 – 14.

65. Frans Van (de) Perre met zijn vrouw, een kind boven de 14 jaar, een koe, een haard: 9 – 2.

66. Jan Van (de) Perre met zijn vrouw, een koe, een haard: 8 – 2.

67. J. B. Van (de) Velde met zijn vrouw, twee koeien, een kalf, een ast, een haard: 10 – 16.

68. Michiel Van (de) Velde met zijn vrouw, een koe, een varken, een ast, een haard: 8 – 18.

69. Gillis Van (de) Wijngaerde, een haard: 3 – 10.

70. De weduwe P. Van (de) Wijngaerde, een kind boven de 14 jaar, een koe, een varken, een haard: 6 – 8.

72. Frans Van (Den) Bossche met zijn vrouw; een zoon; twee koeien, een rund, een haard; 11 – 10.

72. Michiel Van (Den) Bossche met zijn vrouw, een koe, een kalf: 6 – 4.

73. P. Van (Den) Driessche met zijn vrouw, een kind boven de 7 jaar, twee koeien, twee haarden: 11 – 4.

74. Gillis Van Den Wijngaerde met zijn vrouw, een kind boven de 14 jaar, twee koeien, een rund, een haard: 11 – 10.

75. Michiel Van Der Schueren met zijn vrouw, twee kinders boven de 14 jaar, een knecht, een half ploeg, twee paarden, vijf koeien, een rund, een kalf, een varken, een ast, een haard: 28 – 14.

76. Joanna Van Eeckhout, een haard: 3 – 10.

77. And. Van Geite met zijn vrouw, een kind boven de 14 jaar, twee koeien, een rund, een haard: 11 – 10.

78. Hendrik Van Laecken met zijn vrouw, een haard: 6 – 10.

79. Francis Van Langenhove met zijn vrouw, brouwerij en herberg, een kind boven de 14 jaar, een derde van een ploeg, een knecht, een meid, twee paarden, drie koeien, een rund, een varken, twee haarden: 39 – 18.

80. Cornelis Van Lier(de, molenaar renderend vrij tweehonderd gulden zonder de reparatie, twee kinderen boven de 14 jaar, een huisbediende, twee koeien, een kalf, een varken, een ast, twee haarden: 31 – 12.

81. Cornelis Van Nieuwenborgh met zijn vrouw, een koe, een rund, een varken, een haard: 9 – 4.

82. Jan Van Nieuwenborgh met zijn vrouw, een koe, een kalf, een haard: 8 – 14.

83. Jan Baptist Van Nieuwenhove, wagenmaker, een koe, een rund, een varken, een haard: 11 – 4.

84. Jan Baptist Van Ransbeke met zijn vrouw, een koe, een haard: 8 – 2.

85. Geeraert Van Varenbergh met zijn vrouw, een kind boven de 14 jaar, twee koeien, een haard: 10 – 14.

86. Jan Van Varenbergh, zoon van Frans met zijn vrouw, een koe, een haard: 8 – 2.

87. De weduwe Hendrik Vasseur, herberg, een kind boven de 14 jaar, een koe, een rund, twee haarden: 23 – 2.

88. David Verbeken met zijn vrouw, een kind, een half ploeg, een knecht, drie paarden, vijf koeien, twee kalveren, twee varkens, een haard, een ast: 27 – 16.

89. Hendrik Verdoodt met zijn vrouw, een koe, een varken, een haard: 8 – 8.

90. De weduwe Engel Verhoeven, een kind boven de 14 jaar, een koe, een haard: 6 – 2.

91. Aert Verleijsen met zijn vrouw, twee kinderen boven de 14 jaar, een koe, een rund, een haard: 10 – 18.

92. Andries Verleijsen met zijn vrouw, een kind boven de 14 jaar, een koe, een haard: 9 – 2.

93. Gillis Verleijsen met zijn vrouw, een koe, een haard: 8 – 2.

94. Hendrik Verleijsen met zijn zuster, twee koeien, een haard: 9 – 14.

95. Jan Verleijsen, twee kinders boven de 14 jaar, een koe, een haard: 7 – 2.

96.Jan Verleijsen zoon van Michiel, een kind boven de 14 jaar, een koe, een haard: 6 – 2.

97. P. Verleijsen met zijn vrouw, een koe, een haard: 8 – 2.

98. Thomas Verleijsen, een meid, een koe, een haard: 8 – 2.

99. Jan Vonck met zijn vrouw, twee kinders boven de 14 jaar, een derde van een ploeg, een paard, een koe, een haard: 14 – 2.

100. Joannes Vonck met zijn vrouw en zijn zuster, brouwerij en herberg, een huisbediende, een derde van een ploeg, twee paarden, twee koeien, een kalf, een varken, een ast, twee haarden: 35 – 12.

101. Peeter Vonck met zijn vrouw, twee kinders boven de 14 jaar, een koe, een varken, een haard: 10 – 8.

102. Frans Wambacq met zijn vrouw, een koe, een haard: 8 – 2.

103.Hendrik Wambacq, een koe, een rund, een haard: 5 – 18.

104. P. Wambacq met zijn vrouw, een koe, een ast, een hard: 8 – 12.

Aldus gedaen, gevaceert, en opgegeven door die voors. persoonen op den 13 en 14 oktober 1747, ondert.: P. Gheude, Jan Baptist Van De Perre, loco van den Heere hooftgreffier ende J. B. Van De Velde. Accordat cum sue originali, P. Gheude.

Nota: Een deel van de schouwen van de armen werd niet betaald, behalve vijf stuivers voor iedere schouw dat de eigenaar moet betalen. In het geval enige personen, beesten  of andere zaken zouden verzwegen zijn dan zal men vanwege de Staten van Brabant commissarissen zenden om die op de lijst te zetten en een boete van 10 pattecons doen betalen.

4 – Lijst van de beesten van de armen (zie ook punt 5 arme mensen)

Peeter Arijs een rund: 0 – 16.

De weduwe P. Carnoy een koe: 1 – 12.

Andries De Baetselier een koe: 1 – 12.

Jan De Clerck een rund: 0 – 16.

Jan De Clerck zoon van Jan een rund 0 – 16.

Laureijs De Cort een koe: 1 – 12.

De weduwe Joos De Coster een rund: 0 – 16.

De weduwe Geeraert De Kegel een kind boven de 14 jaar, een koe, twee haarden: 6 – 10.

Frans De Nil een rund: 0 – 16.

Philippus De Nil met zijn vrouw, zijn herberg, een haard: 8 – 10.

Hendrik De Raedt wagenmaker met zijn vrouw, een knecht, een koe, een haard: 16 – 2.

Jacobus De Raedt een koe: 1 – 12.

Laureijs De Ridder een koe: 1 – 12.

Peeter De Ridder met zijn vrouw, een kind boven de 14 jaar, een koe, een kalf: 8 – 14.

Frans De Vis zoon van Jan een koe: 1 – 12.

Peeter De Vis, met zijn vrouw een koe, een haard: 10 – 2.

Frans De Witte, met zijn vrouw met een kind boven de 7 jaar, een derde van een ploeg, een paard, twee koeien, een rund, een kalf, een haard: 14 – 2.

Carel Everaert een koe: 1 – 12.

Thomas Gregoir, paardensmid, een koe, een knecht, twee haarden: 14 – 12.

De weduwe Hendrik Ledeghen een koe: 1 – 12.

Frans Louies met zijn vrouw een koe, een haard: 8 – 2.

Jan Mertens een rund: 0 – 16.

Jan Baptist Moens een rund: 0 – 16.

Jan Baptist Peireman een rund: 0 – 16.

Jan Pensionaris een koe: 1 – 12.

P. Pensionaris een koe: 1 – 12.

P. Van (de) Perre een rund: 0 – 16.

De weduwe Hendrick Van (De) Velde een rund: 0 – 16.

Jan Baptist Van (Den) Bossche een rund:  0 – 16.

Jan Van (Der) Jeught een koe: 1 – 12.

P. Van (Der) Jeught een koe: 1 – 12.

Jan Van Itterbeke een rund: 0 – 16.

Gillis Van Nieuwenborgh een koe: 1 – 12.

Jan Van Nieuwenborgh een koe: 1 – 12.

Joos Van Nieuwenborgh een koe:1 – 12.

Peeter Van Oncem een koe: 1 – 12.

Jan Van Varenbergh een rund: 0 – 16.

Jacobus Verdoodt een koe: 1 – 12.

Jan Verleijsen zoon van Frans een koe: 1 – 12.

Martinus Verleijsen een koe: 1 – 12.

Aldus naerder overgegeven desen 29 november 1747.

Onderteeckent: Peeter Mattens & J. B. Van De Velde.

5 – Lijst van de armen van de parochie van Hekelgem onderhouden door de Tafel van de Heilige Geest. Ze bezitten alleen een haard en betalen 5 stuivers.

Peeter Arijs, Jan Bank, Anthon Beeckman, Andries Boterbergh, Engel Carnoy, Laureijs Clauwaert, P. Clauwaert zoon van Jan, Jaspar Cooman, Gillis Cromphout, Andries De Baetselier, Frans De Batselier, Michiel De Bisschop, Peeter De Brauwer, Jan De Clerck, P. De Clerck zoon van Jan, Laureijs De Cort, Michiel De Donder, Jan Bapist De Gheijnt, Jacobus De Kegel, Marie De Kegel, weduwe, Andries De Leeuw, Gillis De Leeuw, Frans De Mesmaecker, Geert De Mey, De Meij, Frans De Nil met Anna Camermans zijn vrouw, Frans De Nil met Judoca De Vis zijn vrouw, Adriane De Pauw, Jacobus De Raedt, De Ridder, Adr. De Roock, Josyna De Roock, Gillis De Ruddere, Martinus De Ruddere, Jan Baptist De Schrijver met Anna De Vis, zijn vrouw, Jan Baptist De Schrijver zoon van Jan, Adrian De Smet, Jan De Valck, Anna De Vis, Frans De Vis zoon van Jan, Joannes De Vis, Peeter De Vis zoon van Aert, Peeter D’Haen, Jan Everaert zoon van Laureijs, Carel Everaert, Jacobus Favrier, Mattheijs Jacob, Jaquelina Janssens, weduwe Joos De Coster, Michiel Janssens, P. Ledeghen, Jan Leemans, Jan Baptiste Matthens, Jan Mertens, Jan Baptiste Moens, Joos Nilandt, Joanna Pauwels, weduwe Michiel Gunts, Jan Baptist Peireman, Jan Pensionaris, P. Pensionaris, Niclaes Raes, Judo Scheirelincx, Guilliam Stevenijens, Jacobus Utsebaut, Philippus Van Campen, Aert Van (De) Perre, Judocus Van (De) Perre, Gillis Van (De) Perre, Jacobus Van (De) Perre, Michiel Vande Perre, P. Vande Perre, Anna Van (De) Velde, De weduwe Hendrick Van (De) Velde, Thomas Van (De) Wijngaerde, Andries Van (Den) Berghe, Carina Van (Den) Berghe, Michiel Van (Den) Berghe, Anna Van (Den) Bossche, Elisabeth Van (Den) Bossche, weduwe P. Verthongen, Jan Baptist Van (Den) Bossche, Anna Van (Den) Driessche, weduwe Frans Arijs, Jan Vanden Heijnde, Niclaes Van (der) Elst, Geert Van (Der) Juight, Jan Vander Juight, Peeter Van (Der) Steen, Jan Van Itterbeke, Gillis Van Nieuwenborgh, Frans Van Nieuwenborgh, Joos Van Nieuwenborgh met zijn dochter getrouwd met Jan Mertens, Peeter Van Nieuwenborgh, Peeter Van Onsem, Niclaes Van Ransbeeck, Joos Van Ransbeke, Jan Van Varenbergh, Frans Van Varenbergh zoon van Guilliam, Frans Van Varenbergh  zoon van Peeter, Marie Van Varenbergh, weduwe Hendrik De Kegel, Jacobus Verdoodt, Judo Verhoeven, Elisabeth Verleijsen, weduwe Hendrik Ledegen, Jan Verleijsen, zoon van Frans, Martinus Verleijsen, P. Verleijsen, Andries Vos, Martyna Wellekens, weduwe P. Carnoij,.

Totaal: 28 – 5.

Ita testamur. R. De Cuijper, pastor in Hekelgem, Jan Baptist Resteau.

Aan Baptista Van De Perre, officier deser parochie van Hekelgem.

6 – De pastorie van Hekelgem.

De pastoor van Hekelgem heeft volgens de cohieren van 1686 en het akkoord van 1 oktober 1708 met de Staten van Brabant vrijstelling te hebben in de subsidie van dit jaar 1747 wegens minder inkomsten dan driehonderd gulden. Ook zijn woning met vijf haarden is vrijgesteld. Hij heeft twee bedienden, te weten een knecht en een meid die getaxeerd zijn, ieder op twee gulden. Hij heeft een varken tot consumptie van zijn huisgezin dat ook is vrijgesteld.

Van het “thé” geld belast op de consumptie voor zijn huisgezin is hij ook vrijgesteld.

Essene de haardtelling van 1747.

Na de dood van de Franse koning Lodewijk XIV kende onze streek eindelijk vrede, maar vanaf 1740 kwam er weer een moeilijke tijd aan. Het begon met de strenge winter van 1740. Het vroor toen van Driekoningen onafgebroken tot mei. Tarwe, koren en klaveren waren door de vorst bedorven en werden ondergeploegd met een tekort aan voedsel voor mensen en dieren tot gevolg. Er brak ook een sterfte onder de dieren uit. In 1744 vielen Franse legers de Zuidelijke Nederlanden binnen. Maria Theresia was Oostenrijkse keizerin geworden en Frankrijk verzette zich daartegen en eiste onze gebieden op. Geallieerde eenheden, Hongaarse, Hollandse, Engelse en Hannoverse soldaten, zo’n 90 000 in aantal kampeerden in de zomer gedurende 13 dagen op de Molenkouter voor de abdij Affligem.  Plunderingen en vernielingen van de oogst in de wijde omtrek waren het gevolg. En alsof die miserie nog niet genoeg was, brak er opnieuw een sterfte onder het vee uit. De overheid verbood om runderen en kalveren te slachten om te vermijden dat de veestapel zou verdwijnen. In augustus 1745 trok het Franse leger door Baardegem en bezette het Aalst en de abdij waar 2 800 soldaten gedurende zes à zeven weken verbleven op kosten van de omliggende gemeenten. 1746 was een volgend rampjaar met een nog grotere sterfte onder het vee. In 1748 kwam er met de Vrede van Aken een einde aan het oorlogsgeweld

Alsoo die drossaert, officier, schepenen en greffier der prochie van Esschene hun belast vinden bij uijtsendinghe brief van den heere Van De Velde rentmeester generael der heeren Staeten van Brabant int quartier van Brussel der Heeren Staeten Van Brabant aengaende het reglement der capitatie[1], soo hebben de ondergeschreven de selve geëffectueerd binnen de voorschreven prochie op 28 en 29 7ber 1747 en is als volght[2]:

Opmerking: ‘thee’ is een belasting op thee en drank ingevoerd in 1747.

1. De pastoor (15-0-0) met een meid (2-0-0), twee schouwen (1-0-0) en thee, totaal : 20-0-0

2. Peeter De Smedt met zijn vrouw (4-0-0), een varken (0-6-0) en thee (2-0-0), totaal 6-16-0

3. Michiel De Meij met zijn vrouw (4-0-0), een kind boven de 7 jaar, een rund (0-16-0), een varken (0-10-0) een schouw (0-10-0) en thee (3-0-0), totaal 8-12-0.

4. Charles De Meij met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een schouw (2-0-0)), thee (2-0-0), totaal 8-2-0.

5 Joos Keskens met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een schouw (0-10-0) en thee (3-0-0), totaal 8-14-0.

6. Nicolaes Schellincx met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een schouw (0-10-0) en thee  (2-0-0), totaal 8-2-0.

7. Judocus De Sraedt? met zijn vrouw (4-0-0), een knecht (2-0-0), een meid (2-0-0), een halve ploeg (3-0-0), twee paarden (4-0-0), drie koeien (4-16-0), een kalf (0-12-0), een varken (0-6-0), totaal 20-14-0

8. Jan Lannoije met zijn vrouw (4-0-0), een kind boven de 14 jaar (2-0-0), een koe (1-12-0), een rund (0-16-0), een varken (0-10-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 13-4-0.

9. Peeter Wambacq, zoon van Aert met zijn vrouw (4-0-0 + 2-0-0), een kind boven de 7 jaar (0-0-0), twee koeien (3-4-0), een kalf (0-10-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 16-6-0.

10. Weduwe Steven Van Der Straeten en drie kinderen boven de veertien jaar (6-0-0), een knecht (2-0-0), een meid (2-0-0), een ploeg (6-0-0), drie paarden (6-0-0), een veulen (1-0-0), zes koeien (9-12-0), twee runderen (1-12-0), twee kalveren (1-4-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0) een bakoven (0-10-0), thee (6-0-0), totaal 42-14-0.

11. Hendrick Camermans met zijn vrouw (4-0-0), een meid (2-0-0), een koe (2-0-0), een rund (0-12-0), een kalf (0-12-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 12-10-0.

12. Michiel Camermans zoon van Michiel met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (4 – 0 – 0) totaal 8-8-0.

13. Michiel Camermans zoon van Michiel met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (2 – 0 – 0,) totaal 8-8-0.

14. Jan De Ridder zoon van Henric met zijn vrouw (4-0-0), een kind boven de 14 jaar (0-0-0), een koe (1-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (3-0-0), totaal 9-8-0.

15. Jan De Cort met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-8-0.

16. Anthoon De Cort die bij Jan De Cort woont (2-0-0), thee (1-0-0), totaal 3-0-0.

17. Anthoon De Cort met zijn vrouw (2-0-0), een koe (1-12-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-2-0.

18. Peeter De Vogel met zijn vrouw (4-0-0), twee knechten (4-0-0), een meid (2-0-0), een ploeg (6-0-0), drie paarden (6-0-0), een veulen (1-0-0), zeven koeien (11-4-0), twee runderen (1-12-0), twee kalveren (1-4-0), een varken (0-6-0), twee haarden (1-0-0), een bakoven (0-10-0), thee (3-0-0), totaal 41-16-0.

19. Louis Rogiers met zijn vrouw (4-0-0), bakker (2-0-0), een koe (1-12-0), een haard (0-10-0), een bakoven (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 10-12-0.

21. Peeter Slachmuijlder met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-2-0.

22. Peeter Van Den Abbeele met zijn vrouw (4-0-0), een kind boven de 7 jaar (0-0-0), een koe (1-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (4 – 0 – 0), totaal 9-8-0.

23. Peeter Van Den Abbeele met zijn vrouw (4-0-0), een kind boven de 7 jaar (0-0-0), een koe (1-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (4 – 0 – 0), totaal 9-8-0.

24. Peeter Van Den Abbeele met zijn vrouw (4-0-0), een kind boven de 7 jaar (0-0-0), een koe (1-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (3 – 0 – 0), totaal 9-8-0.

25. Peeter Boom met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een varken (0-6-0), een schouw (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 9-0-0.

26. Gillis Verbeiren met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-14-0.

27. Peeter Wambacq , zoon van Peeter,  brouwer (16-0-0), met zijn vrouw (2-0-0), een ploeg (0-0-0)), twee paarden (4-0-0), een veulen (1-0-0), acht koeien (12-16-0), twee runderen (1-12-0), twee kalveren (1-4-0), twee varkens (0-12-0), twee knechten (4-0-0), een meid (2-0-0), twee schouwen (0-10-0), een bakoven (0-10-0), thee (5-0-0), totaal 51-14-0.

28. De weduwe van Peeter Wambacq die bij haar zoon woont (2-0-0), thee (2 – 0 – 0), totaal 4-0-0.

29. Gillis Verbeiren met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-14-0.

30. Jan Van Heijmbeke met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-2-0.

31. Jan De Bont met zijn vrouw (4-0-0), een kind boven de 14 jaar (0-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (3-0-0), totaal 10-0-0.

32. De weduwe sieur Martinus Linthout in zijn leven meier van Affligem (6-0-0), drie kinderen boven de 14 jaar (6-0-0), drie knechten (6-0-0), een meid (2-0-0), een ploeg en half (9-0-0), vier paarden (8-0-0), twee veulens (2-0-0), elf koeien (17-12-0), vier runderen (3-4-0), vier kalveren (2-8-0), drie varkens (0-18-0), twee haarden (1-0-0), een oven  (0-10-0), thee(8-0-0), totaal 66-12-0.

33. Adriaen Van Varenbergh met zijn vrouw (4-0-0), twee koeien (3-4-0), een kalf (0-12-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 10-6-0.

34. Peeter Van Varenbergh met een meid (4-0-0), een koe (1-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-8-0.

35. Jan De Mesmaecker, zoon van Jan, met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een rund (0-16-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-18-0.

36. Peeter Van Weijenbergh met twee kinderen boven de 14 jaar (4-0-0), een knecht (2-0-0), een ploeg (6-0-0), twee paarden (4-0-0), zes koeien (9-12-0), drie runderen (2-4-0), een kalf (0-12-0), een varken (0-6-0), twee haarden (1-0-0), een bakoven (0-10-0), thee (4-0-0), totaal 34-4-0.

37. Jan (Van) Varenbergh (2-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (1-0-0), totaal 6-0-0.

38. Andries Verbeken met zijn vrouw (4-0-0), een kind boven de 14 jaar (0-0-0), een koe (1-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (3-0-0), totaal 9-8-0.

39. Gillis De Clercq met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-8-0.

40. Gillis Beijs met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 9-0-0.

41. Jan Van Niewenborg met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-8-0.

42. De kinderen wijlen ? Van De Putte met een graan- en stampmolen renderend vijfhonderd gulden (32-0-0), drie kinderen boven de 14 jaar (4-0-0), een knecht (2-0-0), een half ploeg (0-0-0), twee paarden (4-0-0), zes koeien (9-12-0), twee runderen (1-12-0), een kalf (0-12-0), twee varkens (0-12-0), twee haarden en een oven (1-10-0), thee (4-0-0), totaal 59-18-0.

43. Gillis Verhoeven en Judocus Areijs, twee knechten van Affligem (4-0-0), twee haarden (1-0-0), een bakoven (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 7-10-0.

44. Jan Van De Putte een molen, de allerminste, met zijn vrouw (10-0-0), een knecht (2-0-0), een meid (2-0-0), twee koeien (2-0-0), een kalf (0-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), een oven (0-10-0), thee (4-0-0), totaal 10 – 0 – 0.

45. Peeter De Meij, kleine herbergier met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 10-2-0.

46. Jan Van Den Broeck met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0-), totaal 8-14-0.

47. Lucas Stevens met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een schouw (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-14-0.

48. Lucas Stevens met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een kalf ((0-12-0), een schouw (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-14-0.

49. Joseph  Van Der Borcht, kleine herbergier met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0) een schouw (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 10-2-0.

50. Joseph Van Der Borcht, kleine herbergier met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een schouw (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 10-2-0.

51. J. B. Van (De) Velde, koster met zijn vrouw (4-0-0), een kind boven de zeven jaar (0-0-0), een haard (0-10-0), thee (3-0-0), totaal 9-10-0.

52. Jacobus Meert met een brouwerij, stokerij en herberg met zijn vrouw (18-0-0), twee kinderen boven de 14 jaar (4-0-0), een knecht (2-0-0), een half ploeg (0-0-0), twee paarden (4-0-0), vijf koeien (8-0-0), twee runderen (1-12-0), een kalf (0-12-0), een varken (0-6-0-), twee haarden (1-0-0), een ast (0-10-0), thee (5-0-0), totaal 46-0-0.

56. De weduwe Livinus Dauwman, koster (2-0-0), een kind boven de 14 jaar (0-0-0), een schouw (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 4-10-0.

57. Jan De Mesmaecker (2-0-0), een schouw  (0-10-0), thee (1-0-0), totaal 3-10-0.

58. Hendrick Van Varenbergh met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-14-0.

59. Jan Van Brempt paardensmid met zijn vrouw (4-0-0), een knecht (2-0-0), een koe (1-12-0), een haard (0-10-0), thee (3-0-0), totaal 8 – 0 – 0.

60. Guillielmus Van Santen met zijn vrouw (4-0-0), een kind boven de 14 jaar (2-0-0), twee knechten (4-0-0), een meid (2-0-0), een ploeg (6-0-0), drie paarden (6-0-0), een veulen (1-0-0), twaalf koeien (19-4-0), drie runderen 2-4-0), vier kalveren (2-8-0), twee varkens (0-12-0), twee haarden (1-0-0), een bakoven (0-10-0), thee (8-0-0), totaal 56-18-0.

61. Weduwe Geeraert Van Varenbergh (2-0-0), twee kinderen boven de 14 jaar, een werkt thuis (2-0-0), een koe (1-12-0), een rund (0-16-0), een kalf (0-12-0), een haard (0-10-0), thee (3-0-0), totaal 10-10-0.

62. Hendrick De Pauw smid met zijn vrouw (10-0-0), een kind boven de 14 jaar (0-0-0), een koe (1-12-0), twee haardsteden (1-0-0), thee (3-0-0), totaal 15-12-0.

63. Peeter Van Den Winckel met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-14-0.

64. Anthoon Van Cauwenberg met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een varken (0-6-0), een schouw (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-8-0.

65. Martinus Van Varenberg met zijn vrouw (4-0-0), een knecht (2-0-0), een meid (2-0-0), een half ploeg (3-0-0), twee paarden (4-0-0), vier koeien (6-8-0), twee runderen (1-12-0), twee kalveren (1-4-0), een varken (0-6-0), twee haarden (1-0-0), thee (4-0-0), totaal 27-10-0.

66. Weduwenaar Franciscus Van Der Slachmolen, radenmaker (8-0-0), drie kinderen boven de 14 jaar (6-0-0), twee koeien (3-4-0), een kalf (0-12-0), een varken (0-6-0), twee haarden (1-0-0), thee (4-0-0), totaal 23-2-0.

67. Steven De Bus met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0),  totaal 8-2-0.

68. Carel Rogiers met zijn vrouw (4-0-0), twee kinderen boven de 14 jaar (0-0-0), een koe (1-12-0), een rund (0-16-0), een haard (0-10-0), een ast (0-10-0), thee (4 – 0 – 0), totaal 11-8-0.

69. Jan De Clercq met zijn vrouw (2-0-0), twee kinderen boven de 14 jaar die thuis werken (4-0-0), een half ploeg (3-0-0), een paard (2-0-0), een veulen (1-0-0), vijf koeien (8-0-0), twee runderen (1-12-0), een kalf (0-12-0), een varken (0-6-0), twee haarden (1-0-0), een bakoven (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 28-0-0.

70. Jan De Smedt, zoon van Jacques met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een schouw (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-14-0.

71. Peeter Van De Velde met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een schouw (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-2-0.

72. Jan De Meij, heel kleine brouwerij en herberg (16-0-0), met zijn vrouw (2-0-0), een kind boven de 14 jaar (2-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), twee haarden (1-0-0), thee (3-0-0),  totaal 26 –4 – 0.

73. Jacobus Poels met zijn vrouw (4-0-0), een rund (0-16-0), een schouw (0-10-0), thee (2-0-0),  totaal 7-6-0.

74. Geeraert Van Brempt met zijn vrouw (4-0-0),  een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een schouw (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-14-0.

75. Jan Wambacq met zijn vrouw (2-0-0), een knecht (2-0-0), een half ploeg (3-0-0), twee paarden (4-0-0), twee koeien (3-4-0), twee runderen (1-12-0), twee kalveren (1-4-0), twee haarden (1-0-0), thee (2 – 0 – 0), totaal 21-0-0.

76. Gillis Van Varenbergh met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), twee haarden (1-0-0), thee (2-0-0), totaal  8-12-0.

77. Hendrick Wedewijn met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), twee haarden (1-0-0), thee (2-0-0), totaal 9-4-0.

78. Peeter Van Den Berghe met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een schouw (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-14-0.

79. Guilliam Van Den Bossche met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een schouw (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-14-0.

80. Jacobus De Bus, kleine brouwerij en herberg (16-0-0), met zijn vrouw (2-0-0), twee kinderen boven de 14 jaar (4-0-0), een knecht (2-0-0), een half ploeg (0-0-0), twee paarden (4-0-0), twee koeien (3-4-0), twee runderen (1-12-0), een kalf (0-12-0), een haard (0-6-0), een oven (0-10-0), thee (5-0-0), totaal 40-4-0.

81. Pauwel De Meerschman met zijn vrouw (4-0-0), drie kinderen boven de 14 jaar (0-0-0), twee koeien (3-14-0), een rund (0-16-0), een kalf (0-12-0), een haard (0-10-0), thee (5-0-0), totaal 14-2-0.

82. Gillis De Cort met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een rund (0-016-0), twee kalveren (1-4-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 10-2-0.

83. Jacobus Meert den jongen met zijn vrouw (2-0-0), een meid (2-0-0), een half ploeg (3-0-0), een paard (2-0-0), een veulen (1-0-0), drie koeien (4-16-0), een rund (0-16-0), een varken (0-6-0), twee haarden (1-0-0), een oven (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 20-8-0.

84. Gillis Steppe met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-2-0.

85. Joseph Van Der Mijnsbrugge met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 9-0-0.

 86. Peeter Van Cauwenbergh (2-0-0), een kind boven de 14 jaar (2-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 9-0-0.

87. Carel Taelemans met zijn vrouw (2-0-0), een knecht (2-0-0), een half ploeg (3-0-0), een paard (2-0-0), vier koeien (6-8-0), een rund (0-16-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (3-0-0), totaal 20-0-0.

88. Judocus Vinck met zijn vrouw die bij Taelemans wonen (4-0-0), thee (2-0-0), totaal 6-0-0.

89. Carel Steppe, zoon van Carel met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (4-0-0), totaal 9-0-0.

90. Judocus Van De Velde met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een rund (0-16-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-18-0.

91. Adriaen D’Houwer (2-0-0), thee (1 – 0 – 0), totaal .3-0-0.

92. Gillis Van Den Houte met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een varken (0-6-0), een  haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-8-0.

93. Carel Steppe, zoon van Jan met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-2-0.

94. Gillis De Meersman met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 9-0-0.

95. Jan Van Der Mijnsbrugge met zijn vrouw (4-0-0), twee kinderen boven de 14 jaar (0-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (4-0-0), totaal 11-0-0.

96. Nicolaes Camermans met zijn vrouw (4-0-0), een koe (1-12-0), een rund (0-16-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 9-4-0.

97. Guilliam Van Den Abbeele met zijn vrouw (4-0-0), twee kinderen boven de 14 jaar (0-0-0), een koe (1-12-0), een kalf (0-12-0), een varken (0-6-0), een haard (0-10-0), thee (4-0-0), totaal 11-0-0.

98. Michiel Wouters met zijn vrouw (4-0-0); een kalf (0-12-0), een haard (0-10-0), thee (2-0-0), totaal 8-14-0.

De lijst werd opgesteld op 28 en 29 september 1747 en ondertekend door P. Gheude, Carel Rogiers loco drossaard, Peeter Slachmuijlder.

Liest van 64 huisarmen van Essene.

Jan De Smet, Michael De Meije, Peeter Van Den Bossche jongeman, Adriaen Van Den Bossche, Jan Van Den Driessche, Adriaen Van Den Abeele, de weduwe Joos Kestiaens,  0.

Jan Verbeiren, Franciscus Nevens, Geeraert Verbeiren, Joos Verbeiren, udocus Breijnaerts,

Peeter Camerman filius Michiels, de weduwe Niclaes Van Der Elst, Henrick Amerijcx, Peeter Merckx, Judocus Fieremans, Martinus Leli, Andries Buelens, Guilliam Verbeiren, Jan Van Den Bossche, de weduwe Steven Unsum, Jacobus De Troch, Joos De Wever, Judocus Buggenhout, Peeter Stevens, Michiel De Baetselier, Karel Merckx, Peeter Merckx, Henderick Steijlemans, Gillis Verbeecken, Guilliam De Meije, Paulus Van De Meersch, Franciscus Pauwels, Gillis De Bolle, Niclaes Boogaerts , J. B. Van Den Neucker, Peeter De Man, Niclaes Leli, Gillis Leli, Steven Van Schuerbeeck, Franciscus Van Den Bossche, Steven Van Der Elst, Michiel Camerman, de weduwe Franciscus De Weese, Jan De Ridder filius Jans, Andries ??, Martinus Hellinckx, Daniel Tiron, Geeraert Sterckx, Jan Van Neervelt, Jan Leli, 0.

Guilliam Boom, Jan Verbeiren, Niclaes Stevens, Anthoon De Meersman, Peeter Leli, Jan Wauters, Passchier Van Den Bossche, de weduwe Peeter De Keuster, Peeter Camerman filius Jans, Henderick De Rauwe, Guilliam Stevens.

Dat meeste de dienstboden van Essene zijn kinderen van de personen uit de bovenstaande lijst. Zij hebben een klein inkomen en bij een tegenslag of ziekte moeten ze worden ondersteund door de Tafel van de H. Geest,  tenminste als ze enige tijd zijn getrouwd of steun krijgen aan de poort van Affligem. De Tafel van de H. Geest heeft te weinig middelen  om alle de armen te ondersteunen met nodige sommen die ze dikwijls wel nodig hebben.

Deze lijst werd op 5 november 1747 ondertekend door De Swert pastoor van tot Essene, Jan De Clerck, P. Van Cauwenbergh armenmeester en Carel Rogiers, officier.

Totaal van de belastingen: 1309 – 19 – 0. Vermindering voor de kosten van Gillis Verbeiren, getaxeerd 8 – 14 – 0.

Totaal = 1301 – 5 – 0.

Voor de schouwe van de armen betalen de eigenaars 5 stuivers.

Indien enige dienstboden volgens het reglement toch verplicht worden door de  commissarissen van de Heren Staten van Brabant om alle verzwegen personen en beesten in de lijst van de haardtelling op te nemen, dan zullen de commissarissen hen taxeren  en hen een amende van 10 pattacons geven.

Lijst der beesten van de arme mensen van Essene.

De weduwe Steven Van Onsem                   een rund                     0 – 16 – 0.

Joos De Wever                                              een rund                     0 – 16 – 0.

Judocus Buggenhout                                     een rund                     0 – 16 – 0.

Peeter Stevens                                              een rund                     0 – 16 – 0.

Michiel De Boitselier                                      een rund                     0 – 16 – 0.

Franciscus Pauwels                                      een rund                     0 – 16 – 0.

Peeter De Man                                              een koe                       1 – 12 – 0.

Jan De Ridder sone Jan                                een rund                     0 – 16 – 0.

Guilliam Boom                                               een koe                       1 – 12 – 0.

Niclaes Stevens                                             een rund                     0 – 16 – 0.

Totaal                                                                                               8 – 16 – 0.

Opgesteld op 5 december 1747 en ondertekend door Jan Wambacq en Jan Van Der Mijnsbrugge.

Besluit.

De lijst telt 89 gezinnen en nog eens 64 armen. Er werden slechts enkele beroepen aangeduid:

-bakker: 1

-brouwer: 4

-herbergier:2

–molenaar: 2

-pachter: 11

-paardensmid: 1

-radennmaker: 1

-smid.

In tegenstelling tot Hekelgem is er hier geen vermelding van pachter of boer. Maar  de herbergiers, de paardensmid, de smid, debrouwers en de molenaars bewerkten ook het land. De ploeg was bijzonder belangrijk voor de boeren. Ze was ook duur want meerdere boeren deelden er een met een of twee collega’s. Het meest opvallende aan dit kohier is dat 64 peronen in armoede leefden en ondersteuning nodig hadden. De opeenvolgende oorlogen hadden daar zeker schuld aan. Essene was voor de grote boeren wel een welvarende gemeente. Er werkte 19 knechten en 12 meiden. Het aantal koeien (inclusief de runderen en kalveren) bedroeg 257?, het aantal paarden 44 er er waren 43 varkens. Essene bleef blijkbaar gespaard van de sterfte onder het vee in 1741 en 1744.


[1] Capitatie = Hoofdgeld of capitatie (Frans: capitation) was een belasting die in meerdere landen werd geheven. Dit gebeurde voor het eerst, zij het tijdelijk, door de Europese vorsten om de Kruistochten te bekostigen.

[2] R.A. Vorst, Staten van Brabant. Kartons, toegang: T 25, nr. 398/13.

Volkstelling te Hekelgem in 1755.

Volgens het plakkaat[1] van keizerin Maria Theresia van 27 december 1754 moest er in Hekelgem een volkstelling worden gehouden. Dat gebeurde op 9 en 10 januari 1755. De telling is een interessant document omdat het niet alleen de gezinssamenstelling weergeeft maar ook het beroep van de man. Helaas zijn de laatste bladzijden onleesbaar.

1. De pastoor (Rumoldus De Cuyper) met zijn onderpastoor, 1 knecht, 1 meid.

2. De abdij van Affligem met de proost, de subprior, de hofmeester, de gasten pater, de syndicus, de koster, de lector en nog 22 monniken.

18 domestiquen de pachterije doende in de abdij.

3. Laureijs Leemans bakker in de abdij en winkelier met zijn vrouw en twee kinderen, een van 21 en een van 19 jaar.

4. De weduwe Carel Arijs werkt in het klooster, een kind van 15 jaar.

5. Jan Baeck, smid, met zijn huisvrouw en een kind van 9 jaar.

6. Jacobus Bellemans, broodmaecker en winkelier met zijn vrouw en een kind van 1 1/2 dag oud.

7. Jan Baptist Bellemans, kuijper en winkelier met zijn vrouw en twee kinderen, een van 2 1/2 en  van 1 jaar, een knecht en een meid.

8. Jan Boon, werkman, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn huisvrouw en 3 kinderen, een van 6, een van 4 en een van 1 jaar.

9. Peter Bosteels, pachter met zijn huisvrouw en 3 kinderen, een van 6, een van 3 en een van 12 maanden, 2 knechten, 1 meid.

10. Franciscus Callebaut, knecht in de abdij, met zijn vrouw en een kind van 2 jaar.

11. Gillis Cammaert, kleermakersknecht met zijn vrouw en een kind van 1 1/2 jaar.

12. Engel Carnoij, leeft van de Tafel van den H. Geest met 2 kinderen, een van 16 en een van 10 jaar.

13. Weduwe Peeter Carnoije, clijne cossaert[2] en een zoon van 31 jaar.

14. Jan Baptist Clauwaert, herbergier met zijn vrouw een kind van 1 1/2 jaar.

15. Laureijs Clauwaert, kossaard, met zijn vrouw en een kind van 20 jaar, leeft in armoede.

16. Peter Clauwaert, herbergier, brouwer en pachter, met zijn vrouw met 7 kinderen, een van 28, een van 23, een van 20, een van 17,een van 15, een van 11 en een van 10 jaar.

17. Peter Clauwaert, zoon van Jan, met zijn vrouw, leeft van aalmoezen.

18. Peter Ceuppens, pachter, brouwer en herbergier, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 20 en een  van 16 jaar, en een meid.

19. Hendrick Dauwe, gareelmaker en schoenmaker, met zijn vrouw en een kind van 22 jaar, een knecht en een meid.

20. Jan De Bailliu, pachter, met zijn vrouw, met  zonen, een van 24, een van 22, een van 20 en 1 een van 16 jaar, 1 dochter van 19 jaar en een meid.

21. Michiel De Bisschop, kossaard, met zijn vrouw  en 3 kinderen, een van 26, een van 20 en van 8 jaar, leeft van de Tafel van de H. Geest.

22. Weduwe Andries De Boitselier, kossaard, met huwbare dochters, een van 27 en een van 22 jaar.

23. Francis De Boitselier, kossaard, leeft in armoede van de Tafel van de H. Geest met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 14, een van 10 en een van 3 jaar.

24. Peter De Clercq, zoon van Jan, kossaard, met zijn huisvrouw en een dochter van 27 jaar.

25. Weduwe Peter De Clercq, zoon van Michiel, kossaard, 2 kinderen, een van 39 en een van  20 jaar, met een werkman.

26. Jan De Cort met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 19, een van 17 en een van 12 jaar.

27. Laureijs De Cort, kleine kossaardmet zijn huisvrouw en 4 kinderen, een van 8, een van 6, een van 2 en een van 1 jaar.

28. Joos De Coster, kossaard, leeft van de Tafel van de H. Geest met zoon van 29 en dochter 23 jaar.

29. Gillis Cromphout, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 10 jaar.

30. Guilliam De Donder, herbergier en kossaard, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn huisvrouw en 2 kinderen, een van 25 en een van 17 jaar.

31. Peter De Donder, kleine kossaard, met zijn huisvrouw met 3 kinderen, een van 12, een van 9 en een van 7 jaar.

32. Jan Baptist De Gendt, smid, met zijn huisvrouw en 5 kinderen, een van 11, een van 8, een van 7, een van 4 en een van 8 maanden, 1 knecht.

33. Peter De Gols, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 1 1/2 jaar.

34. Weduwe Geeraert De Kegel, kossaard, een zoon van 20 jaar, 2 dochters van 18 en 14 jaar.

35. Weduwe Gillis De Kegel, kossaard, met 2 kinderen, een van 25, is  onnoosel, een van 22 jaar, 1 knecht, 1 meid.

36. Weduwe Joos De Kegel, kossaard, 1 knecht, 1 meid.

37. Peter De Kegel, kossaard, weduwnaar met 3 kinderen, een van 30, een van 25, een van 20 jaar.

38. Geeraert De Meij, werkman, met zijn huisvrouw, gaan naar Essene wonen, met 2 kinderen, een  van 8 en een van 5 jaar.

39. Pauwel De Meersman, werkman in het klooster, met zijn  vrouw en een kind van 3 jaar.

40. Peter De Meij, kossaard, leeft van de Tafel van den H. Geest, met zijn vrouw en 2 kinderen, een en een van 2 jaar.

41. Francis De Mesmaecker, kleine kossaard, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 27 en een van 14 jaar, leeft in armoede.

42. Francis De Nil, met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 8, een van 5 en een van 3 jaar, grote armoede, leeft van de Tafel van de H. Geest.

43. Philips De Nil, met zijn vrouw en een kind van 5 jaar.

44. Jan Baptist De Pape, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 2 jaar.

45. Weduwe Hendrick De Raedt, met een knecht, raedemaecker en 3 dochters van 19, 17, en 15 jaar.

46. Jacobus De Raedt, kleine kossaard, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 4 en een van 6 dagen.

47. Judocus De Ridder, wever, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 12 en een van 7 jaar.

48. Martinus De Ridder, werkman, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 12 en een van 9 jaar.

49. Peter De Ridder, kossaard, met zijn vrouw, een zoon van 17 en twee dochters van 20 en 17 jaar.

50. Weduwe Francis De Schrijver, pachtersse met 3 kinderen, een van 19, een van 15 en een van 11 jaar, 1 knecht, 1 meid.

51. Jan De Schrijver, kossaard, met zijn huisvrouw, 3 kinderen, een van 4, een van 3 en een van 1 jaar, 1 meid en de vader van zijn vrouw, Geert Van Varenbergh, een oude mens.

52. Gillis De Smedt, pachter en herbergier, met zijn vrouw, met 3 kinderen, een van 23, een van 21 en een van 17 jaar, 2 knechten en J. Verleijsen aldaar uit armoede gehouden.

53. Jan Baptist De Smedt, pachter met zijn vrouw, 2 knechten, een meid.

54. Joos De Smedt, kleine kossaard, met zijn huisvrouw zonder kinderen.

55. Marinus De Smedt, pachterken, met zijn vrouw en een kind van 3 jaar, een knecht.

56. Francis De Vis, kossaard en werkman, met zijn vrouw en 4 kinderen, een van 16, een van 12, een van 7 en een van 1 jaar.

57. Francis De Vis, zoon van Aert, weduwnaar, kleine kossaard en timmermansknecht, met twee kinderen, een van 22 en een van 11 jaar.

58. Jan De Vis, kleine kossaard, met zijn vrouw.

59. Weduwe Peter DeVis, kossaard, met 3 kinderen, een van 40, een van 36 en een van 30 jaar.

60. Peter De Vis, weduwnaar, timmerman, met twee kinderen, een van 32, ziek en een van 31 jaar.

61. Peter De Vis, zoon van Jan, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 2 1/2 jaar. 62. Eene cranckzinnige vrouwspersoon leeft van de Tafel van den H. Geest.

63. Andries De Vos, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 1 jaar.

64. Franciscus De Witte, kossaard, met zijn vrouw.

65. Sieur Jan Baptist De Witte, griffier van Affligem met zijn huisvrouw en 4 kinderen, een van 6, van 5, een van 4 en een van 3 jaar, 2 knechten, 1 meid.

66. Jan Droeshout, kleine pachter, met zijn huisvrouw en 6 kinderen, een van 24, een van 20, een van 18, een van 16, een van 13 en een van 11 jaar, 1 knecht.

67. Peter Droeshout, kleine pachter en herbergier, weduwnaar met 5 kinderen, een van 30, een van 28, een van 26, een van 20 en een van 18 jaar.

68. Philips Druwé, kleermacker in het klooster, met zijn vrouw en met een meid.

69. Peter Everaert, kossaard, met zijn huisvrouw en een kind van 1 jaar.

70. Christiaen Galemaert, pachter, met zijn huisvrouw en 4 kinderen, een zoon van 20, een zoon van 11 en een zoon van 7 jaar, 1 dochter van 12 jaar, een meid en een knecht.

71. Guilliam Goddefroy, kossaard, met 2 kinderen, een van 24 en een van 20 jaar.

72. Peter Guns, werkman met zijn vrouw.

73. Matthijs Jacobs, kleine kossaard, met zijn huisvrouw en een kind van 14 jaar en een ander kind van den armen.

74. Michiel Janssens, krankzinnige oude man, leeft van aalmoezen.

75. Gaspar Koijman, tiendensteker, met zijn vrouw en een kind van 4 jaar.

76. Jan Leemans, kleermaker, met zijn huisvrouw, zonder kinderen.

77. Francis Louis, blockschoenvercooper, met zijn vrouw en een kind van 9 jaar.

78. Christiaen Mattens,  kleine kossaard, met zijn vrouw.

79. Francis Mattens, kossaard, weduwnaar, met zijn zoon van 30 jaar.

80. Weduwe Jan Mattens, kleine kossaard, met een zoon van 40 jaar.

81. Jan Baptist Mattens, kossaard, leeft van de Tafel van den H. Geest, met zijn huisvrouw en 2 kinderen, een van 25 en een van 20 jaar.

82. Peter Mattens, kossaard en winkelier, met zijn vrouw, een meid.

83. Francis Meert, pachter en herbergier, met zijn huisvrouw met 6 kinderen, een van 21, een van 20, een van 14, een van 6, een van 5 en een van 3 jaar.

84. Jan Meert, kleine pachter, weduwnaar, met een zoon van 30 jaar, 2 knechten, 1 meid.

85. Francis Mertens, kossaard, met zijn huisvrouw en 2 kinderen, een van 11 en een van 2 1/2 jaar.

86. Jan Mertens, zoon van  Peter, werkman, met zijn vrouw en een kind van 9 jaar.

87. Jan Moens, kleine kossaard, met zijn huisvrouw.

88. Joos Nieulant, kossaard, met zijn vrouw met 2 kinderen, een van 8 en een van 15 jaar.

89. Weduwe Judocus Pauwels, kleine pachter, met 4 kinderen, een van 30, een van 26, een van 25 en een van 23 jaar.

90. Joannes Pauwels, pachter, met zijn huisvrouw zonder kinderen, 2 knechten, 1 meid.

91. Peter Pensionaris, kleine kossaard, met zijn vrouw en een kind van 13 jaar.

92. Jan Baptist Pereman, kleine kossaard, met zijn vrouw, een zoon, gebreckelijck onnoosel niet connende gaen, oud 22 jaar.

93. Gillis Plas, pachter met zijn huisvrouw, 4 zonen, een van 36, een van 24, een van 22 en een van 19 jaar, een dochter van 15 jaar, 3 knechten, 2 meiden.

94. Hendrick Poels, kossaard, met zijn huisvrouw.

95. De erfgenamen Nicolaas Raes, zoon van 25 jaar, lijnwever, een dochter van 19 jaar.

96. Meester Joannes Baptista Resteau, koster en winkelier, met zijn huisvrouw, 3 kinderen, een van 17, een van 13 en een van 11 jaar, 1 knecht, een andere voor drie maanden.

97. Judocus Roggeman grote kossaard, met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 18, een van 10 en een van 6 jaar, een zieke dochter aldaar gelogeerd uit liefde,  leeft van aalmoezen.

98. Jacobus Roseleth, herbergier, met zijn huisvrouw, een kind van 11 jaar, 1 meid, Philip Roseleth logeert er.

99. Judocus Scheirlinck, werkman, leeft ten dele van de Tafel van de H. Geest met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 5, een van 4 en een van 1 jaar.

100. Carel Schellincx, werkman met zijn vrouw.

101. Cornelis Schoon, pachter, met zijn huisvrouw met 2 kinderen, een van 34 en een van 30 jaar, 1 knecht.

102. Peter Schoon, kleine pachter, met zijn vrouw, een kind van 2 jaar, een knecht en een meid.

103. Benedictus Schoonjans, kossaard, met zijn vrouw en een kind van 4 maanden.

104. Caerel Steven, kossaard, met zijn huisvrouw en een zoon van 35 jaar.

105. Gillis Van Cauter, smid, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 3 en een van 4 dagen, een knecht.

106. Hendrick Van Brempt, kossaard, met zijn vrouw, een vrouw met een kind aldaar logerende als vreemdelingen.

107. Jacobus Van De Perre, kossaard, met zijn huisvrouw en 2 kinderen, een van 5 en een van 2 jaar.

108. De kinderen Jan Van De Perre, Peter Van De Perre oud 46 jaar, Elisabeth Van De Perre 50 jaar

109. Weduwe Hendrick Van De Velde, kossaard, met een zoon van 35 jaar.

110. Jan Baptist Van De Velde, kossaard, met zijn huisvrouw met 3 kinderen, een van 17, een van 12,  onnoosel, en een van 2 jaar, 1 knecht, 1 meid.

111. Jan Baptist Van De Velde, kossaard en werkman, met zijn huisvrouw en een kind oud 2 jaar.

112. Michiel Van De Velde, kossaard, met zijn huisvrouw met twee kinderen, een van 7 en een   van 3 jaar, een knecht bij hem woont, Jan Van De Velde.

113. Geeraert Van Den Biesen, herbergier, met zijn huisvrouw zonder kinderen, 1 meid bij hem inwonend.

114. Francis Van Den Bossche, kossaard, met zijn vrouw en een meid.

115. Michiel Van Den Bossche, kossaard, met zijn huisvrouw, zonder kinderen.

116. Jan Van Den Broeck, kossaard, met zijn vrouw en 3 kinderen, een van 12, een van 9 en een van 6 jaar.

117. Peter Van Den Driessche, kossaard, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 16 en een van 9 jaar.

118. Jan Van Den Eijnd, strodekker,  met zijn huisvrouw een kind van 20 jaar.

 119. Gillis Van Den Weijngaert, kossaard, weduwnaar, 3 kinderen, een van 20, een van 18 en een van 9 jaar.

120. Niclaes Van Der Elst, blockschoenmaecker, met zijn vrouw en een kind van 11 jaar.

121. Jan Van Der Jeught, kossaard, met zijn vrouw en een zoon van 29 jaar en een dochter van 26 jaar.

122. Geeraert Van Der Jeught, is blind, leeft van de Tafel van den H. Geest, met zijn vrouw, armoede.

123. Michiel Van Der Schueren, pachter, met zijn huisvrouw en 2, een van 21 van 18 jaar, een knecht, een meid.

124. Andries Van Geite, kleine kossaard, met zijn vrouw, 3 kinderen, een zoon van 17 geraakt, een van 9 en een van 20 jaar.

125. Jaspar Van Impen, werkman, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn vrouw en een kind van 9 maanden.

126. Jan Van Itterbeke, kossaard, met zijn huisvrouw, een zoon van 25 jaar.

127. Francis Van Langenhove, kleine pachter en herbergier, met zijn huisvrouw met een kind van 7 jaar, drie knechten, een meid.

128. Joseph Van Lierde, molenaar, met zijn huisvrouw met 4 kinderen, een van 6, een van 4,

een van 2 en een van 3 maanden, 1 knecht, 1 meid, zijn vader Cornelis Van Lierde woont er ook.

129. Francis Van Nieuwenborgh, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn vrouw en twee kinderen, een van 10 en een van 8 jaar.

130. Jan Baptist Van Nieuwenhove,  raedemaecker met zijn vrouw zonder kinderen.

131. Jacobus Van Ockeleijen, leeft van de Tafel van den H. Geest met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 14 en een van 6 jaar.

132. Peter Van Onsem, kossaard, met zijn vrouw en een kind van omtrent 8 jaar.

133. Weduwe Joos Van Ransbeke,  werkster met haar dochter van 26 jaar, armoede.

134. Weduwe Nicolaes Van Ransbeke, met een zoon timmermansknecht, oud 24 jaar.

135. Jan Van Varenbergh, kossaard, met zijn huisvrouw, met 3 kinderen, een van 17, een van 13 en een van 8 jaar.

136. Jan Van Varenbergh, zoon van Jan, beenhouwer, met zijn vrouw  en twee kinderen, een van 10 en een van 8 jaar.

137. Hendrick Verdoodt, grote kossaard, met zijn vrouw, met 4 kinderen, een van 17, een van 16, een van 8 en een van 6 jaar, en Henricus Van Ransbeke, aldaar aanbesteed leeft van de Tafel van den H. Geest.

138. Jacques Verdoodt,  werkman, met zijn vrouw en een kind van 17 jaar.

139. Aert Verleijsen, kossaard, met zijn vrouw, een zoon van 28 en een dochter van 31 jaar.

140. Jan Verleijsen, zoon van Michiel, weduwnaar, kleine kossaard, met twee kinderen, een van 35 en een van 23 jaar.

141. Peter Verleijsen, kleine kossaard, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 8 en een van 6 jaar.

Aldus gedaen, gestelt en opgenomen den 9de en 10de januari 1755 coram de ondergeteeckende bedesetteren, Andries De Coninck en Francis Van Langenhove.

Besluit.

De gemeente telde meer dan de hier besproken 141 huishoudens. Daar de laatste bladzijden onleesbaar zijn, vernemen we niets over de families Vermoesen, Vonck, Wambacq en anderen. Toch kunnen we een aantal algemene besluiten trekken.

Het meest opvallende aan de telling is dat de vrouwen niet bij naam worden genoemd. Ze zijn de (huis)vrouw of de weduwe van hun man. Op het gebied van gelijke rechten hadden ze nog een lange weg af te leggen. Een tweede opmerkelijke punt is de grote armoede. De Oostenrijkse Successieoorlog (1740-1748), een oorlog waarin Frankrijk, Pruisen en Spanje tegen de nieuwe Maria Theresia van Oostenrijk en haar bondgenoten vochten, was toch al enkele jaren afgelopen, maar de schade door troepen was enorm. Op 13 juli 1745 waren 2 800 Franse soldaten de abdij binnen gevallen. Ze bleven er zes weken en de omliggende gemeenten moesten instaan voor hun onderhoud. Ze plunderden meerdere huizen en eisten werklieden op voor verdedigingswerken. Dat deden ook de keizerlijke troepen en zeven jaar na de vredesonderhandelingen waren de rampzalige gevolgen van de oorlogen nog merkbaar. Elf gezinnen genoten steun van de H. Geesttafel en twee anderen leefden in armoede. Er waren 11 weduwes en 5 weduwnaars

Van al de gezinnen kennen we de beroepsactiviteit. 82 van de 141 gezinnen hadden een boerderij. De tellers maakten daarbij een onderscheid tussen de pachters, de grote boeren,  en de cossaerts en de cleine cossaerts. De pachers die met 20 waren hadden meestel knechten en meiden in dienst. Vijftiengezinnen hadden 1 knecht, vier gezinnen 2 en 2 gezinnen hadden zelfs 3 knechten in dienst. In twintig gezinnen was er 1 meid, in twee gezinnen waren er 2. Opvallend: in de abdij werkten 18 knechten en 5 die niet in de abdij verbleven. De 42 cossaerts kleine boeren bewerkten minder dan 5 ha en de cleijne cossaerts moesten het stellen met minder dan 1 ha. Sommigen hadden nog andere inkomsten als winkelier, herbergier enz.

Een overzicht van de verschillende beroepen:

Bakker: 2.

Brouwer: 2.

Gareelmaker: 1.

Herbergier: 10.

Kleermaker: 3.

Knecht: 14.

Kuiper:1.

Molenaar: 1.

Radenmaker: 2.

Schoenmaker: 2.

Smid: 3.

Strodekker: 1.

Tiendensteker: 1.

Timmerman: 1.

Verkoper: 1.

Wever: 2.

Winkelier: 4.


[1] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 5752.

[2] Cossaert: keuterboer, met een bedrijf kleiner dan 1 ha.

Verkoop van gronden te Hekelgem, 1755.

Priester Rupertus Henricus Josephus Beijdaels[1] was beneficiant van de eerste fundatie van het H. Sacrament in de collegiale kerk van de HH. Michaël en Gudula te Brussel. Op 11 en 12 oktober had hij door landmeter Carolus Everaert de bezittingen van die beneficie te Hekelgem laten opmeten. Het ging om 12 b 30 r (15 ha 18 a 43 ca) land en meersen verdeeld over 13 percelen. Het was zijn bedoeling die te laten verkopen en daarvoor vroeg hij de toestemming aan de deken en de kanunniken van de kerk en aan de Raad Fiscaal van Brabant. De verkoop had plaats op 1 mei 1755 en werd geleid door notaris De Heuck.

  • De 1ste koop, A, een erf met een huis,  groot 1 d, ging naar Christiaen Galmaert voor 366 – 3 – 0.
  • De 2de koop, B, een partij land, groot 5 d 3 r, werd ook gekocht door Christiaen Galmaert voor 1391 – 2 – 0..
  • De 3de koop, C, een partij land, groot 3 d 6 r werd gekocht door J. B. De Witte voor 790 – 4 – 0.
  • De 4de koop,  D, 2 d 81 r land ging naar J. B. Resteau voor 585 – 0 – 0 – 0.
  • De 5de koop, E, een weide van 3 d 90 r werd gekocht door Francis Meert voor 643 – 4 – 0.
  • De 6de koop, F, een weide van 3 d 28 r was ook voor Francis Meert[2] voor 422 – 11 – 0.
  • De 7de koop, G, een partij land van 2 d 72 r was voor notaris Van Itterbeke voor 591 – 3 – 0.
  • De 8ste koop, H, een land van 1 b 2 d 48 r ging naar Peeter Bosteels voor 823 – 9 – 0.
  • De 9de koop, I, een land van 1 d 10 r voor sieur J. B. De Witte voor 126 – 11 – 0.
  • De 10de koop, K, een land van 1 b12 d was voor Gilis Plas voor 1105 – 6 – 0.
  • De 11de koop, L, deels land en deels bos van 1 b 2 d 28 r werd gekocht door Christaen Galmaert voor 756 – 16 – 0.

Van de 12de en de 13de koop vonden we de koper niet, wel het bedrag van de verkoop.

     –      De 12de koop, M, gelegen op de Keukenshaeghe, 1 b 1 d 78 r voor 1011 – 6 – 0.

     –      De 13de koop, N, gelegen op de Molenkouter, 1 d 96 r voor 399 – 3 – 0.

De verkoop bracht de som op van 9011 – 18 – 0.

Voor de verkoop en de administratieve kosten die eraan vooraf gingen rekende de notaris 81 – 9 – 0. aan.

De verkoop was het gevolg van een plakkaat van 15 september 1753 van keizerin Maria Theresia dat de verkoop beval van geamortiseerde goederen[3]. Die goederen waren in 1436 in het bezit gekomen toen de fundatie van het H. sacrament werd gesticht en waarvan men niet meer wist of die geamortiseerd waren  of dat het een schenking van de kerk van Sint-Gudula was. Volgens een verklaring van 2 april 1754 aan de procureur-generaal bestonden de goederen te Hekelgem uit:

–           een perceel land van 7 ½ b palend aan de goederen van de abdij van Affligem;

–           een perceel land van 4 b palend aan de vijvers van de abdij, de meersen van     dezelfde abdij en de straat.

–           een perceel land van een half b gelegen op ‘Den Meulencauter’, palend aan de goederen van Andries De Wever ene met drie zijden aan de goederen van de abdij.

Alle percelen zijn verpacht aan Franciscus Meert en Christaen Gallemaert voor de som van 137 gulden 10 stuivers.

Legende van de kaart: onderaan de kerk van Hekelgem, rechts van de percelen de straat naar Teralfene en de weg links naar boven is de Kasteelstraat.

Vroegere pachters.

Op 18 maart 1701 werden de 12 b verpacht door de eerw. heer Jacobus De Wael, priester en rentmeester van het Godshuis van Hertoginnedal bij Oudergem aan Martinus en François Cornelis voor een termijn van negen jaar. Voorheen hadden de ouders van de nieuwe pachters de 12 b al in huur gehad. De pachtprijs bedroeg 150 gulden . Notaris Wafelaert stelde de akte op.

De condities bepaalden dat de pachters:

1- Alle lasten op de drie percelen moesten betalen.

2- Het land behoorlijk moesten bemesten.

3- De laatste twee jaren de percelen niet meer mochten bezaaien.

4- De percelen niet mochten onderverhuren.

5- De pacht moet op uiterlijk zes weken na de vervaldag betaald zijn. Nadien vervalt het huurcontract.

6- Als borg stellen de huurders al hun mobiel en immobiele goederen.

Op 6 juni 1711 verpachte Rupertus Beijdaels, toen kapelaan van de kerk van Sint-Michiel en Gudula, de helft van de 12 b land, weide en ‘broeckagie’ aan François Cornelis voor 11 gulden het bunder. François hernieuwde daarmee het vorige contract. De pachtvoorwaarden vermeldden als extra verplichting de kanten van de percelen te beplanten met poten van wilgen, abelen of populieren.

Op 22 januari 1723 werd Francis Goessens de volgende pachter.

Op heden den 22ste januari 1723 verhuert aen den eersamen Francis Goessens ingeseten van Hekelghem de ses bunderen lants voor de somme van twelf guldens courant geld t’sjaers volgens de conditie van huere hier boven vermeld ende geaccepteerd ende dat voor 9 jaeren innegegaen te Sint Andriesmisse 1722. Francis Goessens, Beijdaels 1723. present getuijghen Peeter Verleijsen 1723, Peeter Ledeghen.

Op 8 augustus 1731 nam Marie Elisabeth De Keijser in naam van haar man het contract voor 9 jaar over.

Op 13 februari 1736 verhuurde Rupertus Beijdaels 1 d ‘Het Broeck’ genoemd aan David Verbeijcken (Verbeeck) en Anne Maria Vanden Broeck voor 8 g 10 st voor een termijn van 40 jaar. De nieuwe pachters hadden wel de verplichting om binnen de zes jaar op het perceel een ‘loffelijck getimmerd huijs van ses gebonden beneffens stallinge ende schuere’ te bouwen. In het geval de huur werd opgezegd zullen het huis en de andere gebouwen getaxeerd worden. Alle bomen en struiken die zich op het land bevinden, moeten er blijven staan zonder dat er een vergoeding wordt betaald. De opzeg moet drie maanden voor de vervaldag gebeuren.

Op verzoek van David Verbeken heeft landmeter Everaert uit Hekelgem nog twee percelen opgemeten. Het eerste perceel was zijn hofstede, ‘Het Block’ genoemd en gelegen aan de straat van de ‘Baeijecauter’ met een oppervlakte van 780 r. Het tweede perceel lag op Geukenshage en paalde aan het goed van Franciscus Cornelis. Het had de grootte van 189 r.

Op 9 oktober 1754 pachtte Franciscus Meert van Hekelgem de zes bunder land voor 16 g per bunder voor een termijn van drie jaar. Christiaen Galmaert pachtte op dezelfde dag 5 b 3 d voor het zelfde bedrag per bunder en voor dezelfde termijn.


[1] RA Vorst, Inventaire des archives anciennes de l’église de Saint-Michel et Gudule à Bruxelles vol. 1. Toegang I 13 nr.6078.

[2] FRANCISCUS MEERT, zoon van JOANNES MEERT en CATHARINA SEGHERS. Hij is gedoopt op dinsdag 5 februari 1709 in HEKELGEM. FRANCISCUS is overleden op zondag 31 december 1786 in HEKELGEM, 77 jaar oud. FRANCISCUS trouwde, 37 jaar oud, op zaterdag 4 juni 1746 in HEKELGEM met MARIA ELISABETH DE KEYSER. MARIA is overleden op donderdag 5 maart 1767 in HEKELGEM. Zij is weduwe van FRANCISCUS CORNELIS (ovl. 1746), met wie zij trouwde op zondag 20 mei 1731 in HEKELGEM.

[3] Overdracht van goederen aan kerk of kerkelijke stichting (in de dode hand brengen).

Hekelgem 1656, ontdook Adriaen Van Nuffel de belastingen op zijn wijn[1]?


Elk landsbestuur heeft geld nodig en tracht door belastingen op wat ook maar mogelijk is aan het nodige geld te geraken. Dat was in de 17de eeuw niet anders. Op alle dranken, bier en wijn, er moest er tol worden betaald. Voor wijn gebeurde dat bij de invoer in het hertogdom Brabant. Om het geld te innen stelde de Raad van Brabant een ‘impostpachter’ aan die volgens de ordonnantie van 1601 en 1643 moest optreden (zie bijlage 1). Die was ook bevoegd om niet aangegeven wijnen op te sporen door huiszoekingen te verrichten ten ‘huijse van de brouwers, tappers, wijntaveniers ende andere hun met wijn ende bier generende als oock van de Goitshuijsen, groote heeren ende andere particuliere persoonen. In 1656 liep het echter mis toen de impostpachter bij Adriaen Van Nuffel (zie bijlage 2) zijn kelder wou controleren. Het kwam tot een bitsig proces.

Charles Van den Driessche was op 12 juni 1656 aangesteld door de Raad van Brabant als pachter van de wijnimpost voor het Land van Asse voor de periode van 1 juni tot 30 november. Op 13 november bood hij zich samen met dorpsofficier Guillam Jacobs van Hekelgem aan bij Adriaen Van Nuffel in zijn huis nabij de abdij. Hij wou zijn kelder doorzoeken op niet aangegeven vaten wijn. Adriaen echter weigerde hem binnen te laten met de woorden: “Ghijlieden en sijt niet goed genoech om in mijnen kelder te gaen”. Het kwam tot een proces en beide partijen zochten steun. Volgens Adriaen moest de controleur vergezeld zijn van twee schepenen of twee poorters als hij een huiszoeking deed bij een poorter. Dat stond in een ‘seker viercant boecxken gebonden met een couverture van franchijn off parcquement op welcke couverture staet geschreven aldus: Dit es den chartere van Assche welcke previlegiën sijn gedateert den VI° juli duijsent drij hondert tsestich ende negene’. Blijkbaar werd die ondonnantie al lang niet meer toegepast en volstond de aanwezigheid van een deurwaarder of officier.

Item soe wie poorter es t’Assche dat niemant en sal op hem tuijghen hij en sij poirter t’Assche, item men en salne niet panden dan met schepenen ocht met poorteren.

Geëxtraheert vuijt de previligiën der vrijheijt van Assche staende geschreven …

Maar volgens Guillam Jacobs officier van Hekelgem, Anthoen Van Ransbeke officier van Meldert, Franchois Van Ransbeke meier en officier van Mollem en Bollebeek, Andries De Cleen van Asse, Leonard Van den Velde officier van Walfergem en Peeter Van Den Bossche officier van Asse-Terheide en allen officieren van de overmeiers van de Vrijheid en het Land van Asse volstond de aanwezigheid van een deurwaarder of dorpsofficier. Zij verwezen naar de instructies van de Staten van Brabant over de impost van wijn en bier van 1601 en van 1643 en dat ze altijd al hebben geweten dat de impostpachter bij het zoeken naar niet aangegeven wijnen vergezeld was van een deurwaarder of officier van de gemeente.

Had Adriaen Van Nuffel gelijk?

Volgens de meier en de schepenen van de Vrijheid en Land van Asse had Adriaen het recht aan zijn kant. Zij attesteerden op 9 januari 1657 dat niemand bij een poorter een huiszoeking mag doen tenzij vergezeld van twee schepenen of twee poorters conform de privilegiën van Asse. De verklaring was ondertekend door Van Mulders. De schepenen van de abdij Affligem getuigden op 15 januari dat zij nooit gehoord hadden van ordonnanties van de Staten van Brabant over de impost van de wijnen en dat Adriaen Van Nuffel een man van eer is en dat hij nooit ruzie met een impostmeester heeft gehad. Melchior Van Den Driessche, 66 jaar en Guillam De Batselier, 68 jaar ondertekenden de verklaring. Andries De Wever, koster van Hekelgem en Guillam Jacobs spraken zich uit in dezelfde zin op 15 januari en dat in tegenspraak met de eerdere verklaring van de dorpsofficier.

Het verweer van Charles Van den Driessche.

Charles reageerde via zijn advocaat Slachmulder op 18 januari 1657. Wat Van Nuffel beweerde zijn ‘al opgesochte droomen ende versnede speculaties’. Wat de ouderen beweren, dat de impostmeester met twee schepenen huiszoekingen verrichtte, is onwaar, het gebeurde altijd met assistentie van een deurwaarder of van een officier. Trouwens met de schepenen als getuige zou er veel misbruik zijn want de schepenen kennen niet alle inwoners van het Land van Asse en sommige dorpen hebben zelfs geen schepen en zo zouden de ‘moeffelaers ende contraventeurs’ de tijd hebben om hun ‘moeffelerijen’ te verstoppen. Sommige schepen zijn zelf wijnverkopers. De impostpachters zouden tot hun grote schade het ontdoken goed niet kunnen opsporen. Vermits hij als impostpachter zijn werk niet kon doen, vroeg hij dat aan Van Nuffel een boete werd opgelegd van 200 gulden carolus zoals voorzien in de plakkaten van 1601 en 1643. Het is de dorpsofficier die binnen het jaar de boete moet innen en zijn advocaat voegde er de volgende kopie aan toe:

Dat de voorschreven penen sullen bij de voorschreven collecteurs off pachters moeten geheijst worden binnen tsiaers voor de raeden auditeurs ende wethouderen respective hier vooren geroert de welcke (sommerlijck gebleken van den intentie des pachters) den beclaeghde sullen condemneren om de voorschreven penen te namptiseren daeraff den officier van der plaetse d’executie sal doen sonder eenich faveur off vertreck op pene dat van de selve penen off boeten te mogen verhaelt worden op de voors. raeden auditeurs, wethouderen off officier des in gebreke respectivelijck zijnde.

Aldus geëxtraheert vuijt seker gedruckt off instructie gemaeckt bij haere hoogheden op ’t stuck van het collecteren van den impost der heeren Staeten van Brabant in dathe …… 1601 waerinne onder andere staet ’t gene voors. is ende naer voorgaende collatie is desen extracte daermede bevonden concorderende quod attestor.

De opmerking van Van Nuffel dat Van den Driessche maar een gewone huisman is die de wetten niet verstaat, slaat nergens op zoals blijkt uit het exploot van deurwaarder Meremans die toch iemand is die zijn rechten kent.

‘Replicque‘ van Adriaen Van Nuffel.

Op 29 januari 1657 liet Van Nuffel weten dat Van den Driessche nog altijd niet heeft aangetoond dat hij gemachtigd was om de controle op de wijn te doen zodat hem niets te verwijten viel. Bovendien is hij poorter van het Land van Asse en volgens het privilige van hertog Wenceslaus van 1369 mogen bij de poorters van Asse alleen huiszoekingen worden gedaan in het bijzijn van twee schepenen of poorters van dezelfde Vrijheid van Asse. Dat is zo gebeurd zolang de mensen zich kunnen herinneren. Van het bestaan van plakkaten weet hij naar zijn beste vermogen niets af. Die plakkaten en nog andere zijn immers nooit in het Land van Asse gepubliceerd en zolang dat niet is gebeurd, zijn ze ook niet van kracht. Bijgevolg mocht de impostpachter geen huiszoeking doen als hij geen schepenen of poorters als getuigen had. In Brussel doet de impostpachter zijn controle altijd in het bijzijn van de amman of zijn luitenant en twee schepenen. Van Nuffel liet nog opmerken dat hij geen herberg heeft en geen wijnverkoper of biertapper is en dat hij Van den Driessche alleen de opmerking heeft gemaakt dat hij voor de huiszoeking twee schepenen moest meebrengen. Hij beweerde ook dat hij geen wijn in zijn kelder had. Tenslotte voegde hij eraan toe dat hij een goed, eerlijk en vreedzaam persoon is die nooit met imposteurs, collecteurs of pachters problemen heeft gehad. Als bewijs voegde Adriaen er nog een attest van de gezworen ‘affschrijvere ten comptoire van de wijnen’ van Brussel aan toe.

Den ondergeschreven gesworene affschrijvere ten comptoire van de wijnen deser stadt verclaeren voor de gerechtighe waerheijt mits desen dat soo wanneer eenighe pachters van den accijse der selver wijnen hebbende presumptie van fraude op eenighe borgers ofte ingesetenen der selver stadt hunne huijsen niet en vermogen te visiteren sonder assistentie ofte bijwesen van den heere amptman ofte sijnen lieutenant met twee heeren schepenen gelijck die voors. pachters hun daernaer oock sijn regulerende ende ’t selve die ondergeschreven hebben sien practiserende. Oirconden ettha. Aldus gedaen binnen deser stadt Brussele den negenthiensten januari XVI° sevenenvijftich. De Bonte.

Getuigen spreken.

Gillis Van Nijversele, impostmeester van de Staten van Brabant op de impost van de bieren, granen en vlees voor de Vrijheid van Asse, verklaarde op 4 februari 1657 dat de impostmeesters altijd geassisteerd werden door de officier van de parochie zonder schepenen. Jacques Van Cattenberghe, schoolmeester, 41 jaar en gewezen collecteur en substituut van sieur Anthoen Crabbe, pachter en impostmeester van de wijnen voor het Land van Asse zei op dezelfde dag dat hij zelf had meegemaakt dat bij huisbezoeken bij de pastoor van Asse, bij Van Den Driessche, Van Innichoven, de vorster van Asse, Adriaen Van Der Snick, Jan Van Der Slachmolen en anderen de impostpachter vergezeld was van de meier of de officier van de gemeente. De overmeier Slants van Asse en meier tot Asse verklaarde op 5 februari 1657 op verzoek van Carel Van Den Driessche dat hij met sieur Anthoen Crabbe, toen impostmeester van de wijnen, en met deurwaarder Meermans in herbergen en in de pastorie huiszoekingen deed zonder aanwezigheid van schepenen.

‘Naerdere replicque’ van Adriaen Van Nuffel.

Een antwoord van Adriaen kon na de getuigenissen tegen hem niet wachten. Op 20 april reageerde zijn advocaat met een lang verweerschrift waarin hij alle argumenten van de tegenpartij opsomde en weerlegde. Hij benadrukte dat Van den Driessches stelling dat de plakkaten van 1601 en 1643 in het Land van Asse niet werden bekend gemaakt, niet heeft tegengesproken en bijgevolg bleven de ‘costuijmen’ van toepassing. Het verslag van deurwaarder Meermans toonde aan dat hij niet werd bestraft, alleen gesommeerd op verzoek van Van den Driessche om de 200 gulden te betalen. Adriaen weerlegde dan de verklaringen van de getuigen. Wat de overmeier vertelde ‘niet en can prevaleren tegens de voors. schabinale ende andere certificaties’ want een overmeier heeft minder aanzien dan een schepen. De twee andere getuigen zijn zelf collecteur geweest en willen hun eigen daden rechtvaardigen. Trouwens Jacques Van Callenberch had alleen maar herbergiers aan de steenweg van Asse en officier Jacobs had zijn getuigenis gewijzigd op verzoek van de impostpachter en dus niet meer geloofwaardig. Die beschuldiging vroeg om een antwoord van Guillam Jacobs. Op 18 mei liet hij weten dat hij 58 jaar was en al 25 jaar officier van Hekelgem. Charles Van den Driessche had hem verzocht om zes weken vooraf het kerkgebod[1] te doen van de controle van de wijnen en op 13 november 1656 boden de impostpachter en hij zich aan bij Adriaen Van Nuffel. Die dag had hij Van Nuffel een boete gegevenvolgens de instructies voor de impost van de wijnen omdat Van Nuffel weigerde zijn kelder te openen. Later vernam hij nog dat Van Nuffel wijn bij zijn werklieden had verstopt.

‘Versueck’ van Charles Van den Driessche.

Als reactie op de ‘Naedere replique’ van Van Nuffel eiste Charles op 25 mei dat hij de ‘eed de calumnia[2] zou afleggen, wat Adriaen op 12 juni deed in het bijzijn van zijn advocaat Arnoult De Witte, griffier van Kraainem. en dat hij zijn domicilie te Brussel zou vestigen.

Nieuwe getuigenis van Guillam Jacobs.

De schepenen van Asse dagvaardden Guillam Jacobs om op 28 december 1657 voor hen te verschijnen. Hij herhaalde dat Adriaen Van Nuffel weigerde hem en de impostpachter in de kelder toe te laten. Adriaen wou schepen Aert Robijns gaan halen, maar die was niet thuis. Guillam bevestigde dat Charles niet corrypt was en geen geld van Adriaen had ontvangen,  maar ook dat hij de instructies van de Staten van Brabant betreffende de impost van de wijnen van 1601 en 1643 nooit heeft bekendgemaakt.

Laatste verweer van Charles Van den Driessche.

Op 26 september 1657 maakte de impostpachter de balans op van alle argumenten van Van Nuffel en zijn tegenargumenten:

  1. Als twee schepenen de impostpachter moeten vergezellen dat is de pachter de slaaf van de schepenen omdat in de buitenparochies een schepen moeilijk te vinden is en een fraudeur zal gemakkelijk weten dat de schepen op komst is.
  2. Uit de verklaringen van de overmeier, sieur Anthoen Crabbe en van meester Jacques Cattenbergh en van andere personen blijkt dat zij geen schepen nodig hadden voor een huiszoeking.
  3. De plakkaten van 1601 en 1643 zijn wel degelijk bekengemaakt. De rekeningen van de overmeiers bewijzen dat en ook een brief van de amman van 4 april 1643.
  4. Het privilege van hertog Wenceslaus ‘item soo wie poorter is te Assche dat niemandt op hen sal tuijghen hij en sij poorter te Assche. Item en sal men niet panden dan met schepenen off poorters’ houden niet in dat de pachter schepenen nodig heeft voor een huiszoeking.
  5. Als de pachter op zondag een huiszoeking bij een herbergier verricht, dan mag hij de volgende dag die opnieuw verrichten.Vindt hij meer wijn dan voorheen dan wodrt de herbergier beboet en wordt de geconfisqeerde wijn uit de kelder gehaald.
  6. De verwijzing naar de stad Brussel doet hier niet terzake want ook daar mag de huiszoeking zonder schepenen gebeuren..
  7. Over de laatste verklaring van Guillam Jacobs zegt hij dat Adriaen de officier dronken had gemaakt en hem 2 rijnsgulden en zeven stuivers in een papier gewikkeld in zijn zak had gestoken. Die verklaring was trouwens door zijn zoon geschreven en Guillam had, bevangen door de drank die getuigenis ondertekend.
  8. De besproken plakkaten zijn wel degelijk in het Land van Asse bekendgemaakt en artikel vier bepaalde dat een pachter of collecteur altijd een huiszoeking mag doen ook in huizen van grote heren. Bij weigering riskeren ze een boete van 200 gulden.
  9. De zoon van Adriaen, Joannes, is bosmeester van de abdij en woont nog bij zijn vader. Van hem is gekend dat hij zoveel wijn vertiert als in een herberg en dat hij wijn bij anderen verbergt.

Het laatste woord voor Adriaen Van Nuffel.

In zijn laatste reactie van 16 oktober klaagde Adriaen de beledigingen van zijn zoon aan en beschuldigde hij Charles Van den Driessche ervan met opzet een lang en duur proces te willen voeren. Op zijn verzoek getuigden in december 1657 Michiel Steppe, officier van Essene, de gewezen overmeier Slants en de vorster van Asse dat ze de ordonnanties van de Staten van Brabant van 1601 en 1643 die hen recent zijn getoond nooit eerder hadden gezien.

Besluit.

Hoewel het document onvolledig is, onder meer het vonnis ontbreekt, kunnen we ervan uitgaan dat beide partijen voor een deel gelijk hadden. Het is best mogelijk dat de instructies van de Staten van Brabant niet overal duidelijk gecommuniceerd werden en dat de oude gebruiken in voege bleven. Anderzijds mogen we Adriaen niet onderschatten. Hij was een dorpsnotabele, trouwde met een dochter van een even notabele familie en was rent- en bosmeester van de abdij en schepen van Affligem. Van hem mag je verwachten dat hij goed op de hoogte was van de wetten en geplogenheden. Wou hij misbruik maken van zijn status door de impostpachter te manipuleren en de dorpsofficier om te kopen? Het vonnis had ons dat kunnen vertellen.

Bijlage 1: ‘Extract naerdere declaratie van sijne koninghlijcke maiesteijt’.

Om aan het nodige geld te geraken ‘totte betaelinghe van het volck van oorloghe’ en om de inning van de belastingen op de wijnen correct te laten verlopen vaardigden de drie Staten van Brabant de volgende instructies uit, eerst in 1601 en daarna met toevoegingen in 1643:

  1. De belastingen op elk aam op de Rijnse, Franse, Bourgondische, Spaanse en inlandse wijnen, uitgezonderd de brandewijn bedraagt 8 gulden.
  2. Op wijnazijn: 8 gulden.
  3. Bij het transport van wijn, te land of op het water, wordt vaak de tol ontdoken. Daarom moeten alle schippers en karrenvoerders bij de invoer in het hertogdom Brabant op alle aangeduide plaatsen de hoeveelheid wijn aangeven en de plaats van bestemming met de naam en toenaam van de koper. Zij ontvangen dan een certificaat. Als zij daarin bedrog plegen, zullen hun schepen, karren en paarden in beslag worden genomen.
  4. Wanneer de wijn wordt geleverd, geven zij het attest af aan de balie van de impost van de wijnen of aan de pachter van de impost.
  5.  Om alle fraude te voorkomen, moeten zij de wijn leveren op de op het certificaat vermelde plaatsen.
  6. Verkoopt de schipper of de voerman onderweg wijn, dan moet hij op die plaats aan de impostpachter of de collecteur daarvan een attest vragen met de vermelding van de naam en de toenaam van de koper en van de hoeveelheid wijn.
  7. De koper zal de impost betalen.
  8. Voor de doorverkoop buiten zijn residentie of buiten Brabant, zal de verkoper een attest van de balie of van de impostpachter vragen met de vermelding van de naam en toenaam en de plaats van de nieuwe koper. Bij gebrek daaraan volgt een boete van 100 gulden per aam.
  9. Daarenboven moeten de verkopers de wijn aan de ‘commisen’ presenteren om geproefd te worden op straf van verbeurdverklaring van de wijn en de schepen of de karren en paarden.
  10. Binnen de 14 dagen zal de verkoper aan de pachter of collecteur van de verkoopplaats een certificaat van de geleverde wijnen bezorgen op straf van een dubbele impost.
  11. Wanneer een schipper of voerman water of iets anders vervoert in de plaats van de vermelde wijn, worden ze bovenop de al aangehaalde inbeslagnames voor de eerste overtredeing ‘geschavotteert’ als dief en voor de tweede overtreding zwaarder  gestraft.
  12. Voor kopers, griffier en facteurs van wijnen is het verboden om wijn in kruikren, potten, flessen of in andere kleine hoeveelheden te verkopen in of buiten hun huis op straf van verbeurdverklaring van de wijn, een boete van 200 gulden en een schorsing van hun bedrijf voor een half jaar.
  13. Alle koper van wijn moeten een eed van trouw aan de instructies zweren. Bij overtreding worden zij publikelijk geschavoteerd en voor altijd uit het hertogdom verbannen. Wie een fraudeur aanbrengt, ontvangt als zijn verklaring terecht is een vergoeding van 100 gulden

Aldus gedaen in den Raede van Brabant den XXI° februari 1643 geparapheert ……. ende onderteeckent Van Ghindertaelen.

Bijlage 2: de familie Van Nuffel.

Adriaen of Andries Van Nuffel was afkomstig van Wieze. Hij was een zoon van Joos en werd omstreeks 1600 geboren. Hij trouwde ongeveer 25 jaar oud op vrijdag 31 oktober 1625 in Brussel in de Sint-Kathelijnekerk met Jacqueline Robijns, ongeveer 20 jaar oud. Zij was een kleindochter van Merten Robijns, schepen van Affligem en van het Land van Asse en van Elisabeth Wauters. Zij pachtten in 1630 het Sint-Hubrechtshof met brouwerij in de Domentstraat te Hekelgem. Andriaen werd rent- en bosmeester van de abdij en ook schepen van Affligem. Kinderen:

1.Franciscus, gedoopt te Hekelgem op 12 augustus 1630. Franciscus werd in 1652 monnik te Affligem en kreeg als kloosternaam Vedastus. Het kloosterleven was toen vrij streng met de metten om 2 u. ’s nachts en vleesderving. Driemaal per week mocht men na het middagmaal met elkaar praten en voor lichte overtredingen volgden zware straffen zoals het vasten op water en brood en het eten op de vloer van de refter. Op 20 november 1659 werd hij tot priester gewijd. Dom Vedastus maakte snel carrière. In 1671 werd hij subprior, in 1675 prior en in 1679 novicemeester en pommarius. In 1683 kreeg hij de opdracht de charters te kopiëren die aartsbisschop de monniken had ontnomen. Op 5 september 1685 werd hij verkozen tot proost van de abdij. Vanaf 1689 werd de abdij geteisterd door de oorlog van Lodewijk XIV. Dom Vedastus beleefde een moeilijke tijd en in 1689 vroeg hij zijn ontslag als prior.en trok zich terug in de priorij van Bornem. Hij overleed op 22 juli 1707.

2. Johannes,

gedoopt te Hekelgem op vrijdag 18 maart 1633. Hij werd griffier van de abdij, rentmeester en stadhouder van de bossen van Affligem (citaat in 1633 en 1667) en notaris van Affligem tot 1690. Hij woonde te Meldert op het dorp. Hij trouwde Ursula Van Aken en samen kregen ze vier kinderen: Johannes Franciscus, Maria Theresia, Jozef en Johanna Maria. Johannes liet bij zijn dood op 29 augustus 1686 een tekort in zijn rekeningen na zodat zijn goederen door de abdij werden aangeslagen.

Extract vuijtten testamente van dheer Joannes Van Nuffel stadthouder, rentmeester ende greffier des Godtshuijs van Affligem ende jouf. Ursula Van Aken sijne huijsvrouwe voor mij notaris ende sekere getuijgen gepasseerd op den twintichsten augustus XVI° ende sessentachentich in het welck ondere andere staet het naervolgende:

Item laten ende maecken in aelmoessen aen den huijsarmen van Meldert ende Hekelgem elck ter helft de somme van hondert guldens eens die hun terstont naer de dood van den ierst afflijvigen sullen moeten betaelt worden.

Ende ingevalle alle beijde hunne voorschreven kinderen commen te sterven sonder lichamelijck hoir off hoirs achter te laten soos al het een derde deel der voorschreven resterende goederen ende renten toecommen ende versterven aen ende op den huijsarmen van Hekelgem ende Meldert oock elck voor de helft.

Naer voorgaende collatie is desen extracte mette originele minute van den voornoemde testamente onder mij berustende bevonden te concorderen quod attestor. M. De Bisschop notaris’.

R.A. Leuven, parochie Hekelgem, toegang 620, nr. 282.

3. Marinus, gedoopt te Hekelgem op 21 januari 1635, werd op 7 januari 1655 ingeschreven als student van de pedagogie De Burcht te Leuven. Hij legde op 5 mei 1658 zijn geloften af in de cisterciëncerabdij Sint-Bernard-aan-de-Schelde en werd er tot priester gewijd op 3 juni 1662. Hij was er achtereenvolgens sub prior, econoom en prior. Martinus overleed op 8 september 1709.

4. Judocus, trouwde te Hekelgem op 18 november 1675 met Catharina Robijns, geboren te Meldert op 12 juni 1646. Volgens de haardtelling van Meldert van 1693 woonde hij er met zijn vrouw en vier kinderen en een meid. Hij overleed op 8 februari 1703 en werd in de kerk begraven.

Bronnen: W. Verleyen, Dom Vedastus Van Nuffel (1630-1717), Eigen Schoon en De Brabander, LXXIX, 1996, 125-164. De Faluintjes jg. 21 nr. 2, 2008, Ben Vermoesen, Jan De Witte, Anna Robijns en kinderen, een merkwaardige familie te Meldert, blz. 195.


[1] Kerkgebod:bekendmaking van een aanstaande gebeurtenis in de kerk of aan het kerkportaal.

[2] “Eed van calumnia” is een juridische term die verwijst naar een eed die werd afgelegd door een aanklager om te bevestigen dat hij te goeder trouw een aanklacht indiende en niet uit kwaadwilligheid of laster. Het is een eed waarbij de aanklager zweert dat hij niet vals beschuldigt en dat hij gelooft dat de beschuldigingen waar zijn. De term “calumnia” zelf betekent “laster” of “valse beschuldiging”. In het Nederlands kan het ook vertaald worden als “eed van smaad”. 

[1] RA Vorst, Raad van Brabant, Processen particulieren, 2de reeks, toegang I 100 nr. 7627.

Het denombrement van de Vrijheid van Asse in 1686.

Stellen dat de staat inkomsten nodig heeft en graag weet wat er zoal opbrengst oplevert, is een open deur intrappen. Daarom organiseerde gelijk welke overheid op regelmatige basis tellingen van de inwoners, van de huizen en ook zoals met dit dénombrement van de bewerkte gronden, weiden, bossen en vijvers en wat het jaarlijks rendement kon zijn. Zo’n telling leverde een schat aan informatie op om de belastingen daarop te kunnen instellen. De telling van 1686  geeft voor het Land van Asse een beeld van de verdeling van de gronden in akkers, weiden, bossen en vijvers en de opbrengst ervan en ook van het aantal molens en brouwerijen per gemeente.

Dénombrement général de la province de Brabant en 1686[1]. Quartier de Bruxelles, tome 2.

Gebruikte afkortingen: b= bunder, d= dagwand, r= roede, 1 r = 20 voet; g = gulden, st = stuivers, o = oorden; 25-11-2 = 25 gulden 11 stuivers en 2 oorden.

De meierij van Asse.

De Vrijheid van Asse heeft een grootte van 2123 b 2 d 8 r en bestaat uit:

– 1306 b akkers met een jaarlijkse opbrengst volgens de pachten van 15 g 5 st per b, totaal 19916 – 10 – 0.

– 656 b weiden met een jaarlijkse opbrengst volgens de pachten van 14 g 10 st, totaal 9512 – 0 – 0.

– 161 b 2 d 8 r bossen met een jaarlijkse opbrengst volgens declaratie en ‘rijp’ onderzoek van 12 g, totaal 1938 – 4 – 3/4.

– De universele tienden brengen jaarlijks volgens rijp onderzoek 2545 – 0 – 0 op.

– Er zijn drie watermolens en twee windmolens waarvan de gezamenlijke jaarlijkse opbrengst  740 – 0 – 0 bedraagt.

– Asse heeft een ‘gasthuis’ voor arme zieken.

– De pastorie is getaxeerd op 12 – 0 – 0 aan huur per jaar.

– Er is geen huis van de heer.

– Er zijn 7 brouwerijen, 17 herbergen en 18 huizen van neringdoeners die samen na onderzoek zijn getaxeerd op 664 – 0 – 0.

– Asse telt 169 woningen van kossaarden die samen voor de huur getaxeerd zijn op 676 – 0 – 0.

Totaal = 36 003 – 14 – 3/4.

Baardegem.

Baerdegem heeft een oppervlakte van 473 b bestaande uit:

– 220 b akkers met een jaarlijkse opbrengst volgens de pachten van 15 g per b, totaal 3300 – 0 – 0.

– 103 b weiden met een jaarlijkse opbrengst volgens de pachten van 15 g per b, totaal 1545 – 0 – 0.

I- 150 b bossen met een jaarlijkse opbrengst volgens declaratie en ‘rijp’ onderzoek van 5 g per b, totaal 750 – 0 – 0.

– De universele tienden brengen jaarlijks volgens rijp onderzoek 686 – 0 – 0 op.

Er zijn 2 windmolens die jaarlijks na rijp onderzoek en rechtvaardige taxatie 240 – 0 – 0 opbrengen.

De woning van de pastoor is getaxeerd op 12 g per jaar.

Er is geen huis van de heer.

Baardegem heeft 2 brouwerijen end 2 herbergen die na onderzoek samen getaxeerd werden op een jaarlijkse opbrengst van 36 – 0 – 0.

Er zijn 20 woningen van kossaarden die samen 80 – 0 – 0 opbrengen..

Totaal = 6649 – 0 – 0.

Mollem – Bollebeek.

Mollem- Bollebeek heeft een oppervlakte van 472 b bestaande uit:

– 409 b akkers met een jaarlijkse opbrengst volgens de pachten van 15 g 5 st per b, totaal  6237 – 5 – 0.

– 50 b weiden met een jaarlijkse opbrengst volgens de pachten van 15 g 5 st per b, totaal 762 – 10 – 0.

– 12 b bossen met een jaarlijkse opbrengst volgens declaratie en ‘rijp’ onderzoek van 12 g per b, totaal 144 – 0 – 0.

– 1 vijver van 1 b getaxeerd op 10 – 0 – 0.

– De universele tienden brengen jaarlijks volgens rijp onderzoek 600 – 0 – 0 op.

– Er zijn 2 watermolens beide per jaar 200 – 0 – 0 opbrengen.

– Er is geen pastorie.

– De pastorie werd getaxeerd op 12 – 0 – 0.-)

– Er zijn 2 brouwerijen en 5 herbergen, 5 winkels die getaxeerd op een jaarlijkse opbrengst van 70 – 0 – 0.

– Er zijn 36 woningen van kossaarden die à 4 g samen 144 – 0 – 0 opbrengen.

Totaal = 8179 – 15 – 0.

Mazenzele.

Mazenzele heeft een oppervlakte van 171 b waarvan:

– 90 b akkers met een jaarlijkse opbrengst volgens de pachten van 15 g per b, totaal 1350 – 0 – 0.

– 22 b weiden met een jaarlijkse opbrengst volgens de pachten van 15 g per b, totaal 330 – 0 – 0.

– 59 b bossen met een jaarlijkse opbrengst volgens declaratie en rijp onderzoek van 12 g per b, totaal  708 – 0 – 0.

De universele tienden renderen jaarlijks  240 – 0 – 0.

Mazenzele bezit een windmolen met een rendement van 150 – 0 – 0.

De pastorie is getaxeerd op 12 – 0 – 0.

De heer heeft er geen woning.

– is een brouwerij en 3 herbergen, geen winkelier die getaxeerd zijn op 49 – 0 – 0.

– Mazenzele telt 34 woningen van kossaarden die à rato van 4 g jaarlijks 136 – 0 – 0 opbrengen..

Totaal = 2975 – 0 – 0.

Hekelgem.

Hekelgem is 556 b groot waarvan:

– 129 b akkers met een jaarlijkse opbrengst volgens de pachten van 15 g p b, totaal 1935 – 0 – 0.

– 25 b bossen met een jaarlijkse opbrengst volgens declaratie en rijp onderzoek van 10 g per b, totaal 250 – 0 – 0.

— geamortiseerde goederen waaronder begrepen 148 b weiden die getaxeerd zijn op 15 g per jaar, totaal 2220 – 0 – 0.

– 14 b leengoederen die getaxeerd zijn op 15 g per b, totaal 210 – 0 – 0.

– 6 b vijvers die na rijp onderzoek en taxatie per b een jaarlijks rendement geven van 15 g, totaal  90 – 0 – 0.

– 191 b cijnsgoederen waaronder enkele weiden die na taxatie een jaarlijks rendement geven van  4 g, totaal  100 – 0 – 0.

– De universele tienden brengen na rijp onderzoek en taxatie jaarlijks 900 – 0 – 0 op.

– Hekelgem heeft een windmolen die jaarlijks 240 – 0 – 0 rendeert.

De pastorie werd geschat op 12 – 0 – 0.

Het klooster van Affligem, groot 28 b, werd getaxeerd op een jaarlijks rendement van 270 – 0 – 0.

– De heer heeft hier geen huis.

– Het corpus van het klooster van Affligem is getaxeerd op 60 – 0 – 0.

– 2 brouwerijen en 10 herbergen en winkels samen getaxeerd op 84 – 0 – 0.

– 76 huizen van kossaards zijn getaxeerd op 4 g, totaal  304 – 0 – 0.

Totaal = 9540 – 0 – 0.

Meldert.

Meldert is 583 b groot waarvan:

– 306 b akkers met een jaarlijkse opbrengst volgens de pachten van 15 g 10 st per b, totaal  4743 – 0 – 0.

– 75 b weiden met een jaarlijkse opbrengst volgens de pachten van 15 g 10 st per b, totaal  1162 – 0 – 0.

– 202 b bossen met een jaarlijkse opbrengst volgens declaratie en rijp onderzoek van 12 g per b, totaal 2424 – 0 – 0.

– De tienden, daarin begrepen de vrije tienden van Affligem, renderen jaarlijks 725 – 0 – 0.

– Een watermolen rendeert jaarlijks  200 – 0 – 0.

– De woning van de pastoor werd getaxeerd op 12 – 0 – 0.

–  De heer heefter geen huis.

– Meldert heeft 3 brouwerijen met herbergen, 4 aparte herbergen, 2 winkeliers die getaxeerd zijn op 100 – 0 – 0.

–  Er zijn 66 kossaardhuizen samen getaxeerd op 264 g.

Totaal = 9630 – 0 – 0.

Essene.

Essene is 547 b groot waarvan: .

– 449 b akkers met een jaarlijkse opbrengst volgens de pachten van 14 g 10 st per b, totaal 6510 – 10 – 0.

– 30 b weiden met een jaarlijkse opbrengst volgens de pachten van 16 g per b, totaal 480 – 0 – 0.

– 24 b bossen met een jaarlijkse opbrengst volgens declaratie en rijp onderzoek van 10 g per b, totaal 240 – 0 – 0.

– 20 b vijvers die na rijp onderzoek en taxatie per b een jaarlijks rendement geven van 14 g, totaal 280 – 0 – 0.

– 24 b gemeenschappelijk bezit die na rijp onderzoek en taxatie per b een jaarlijks rendement geven van 16 g, totaal 384 – 0 – 0.

– De tienden brengen na rijp onderzoek en taxatie jaarlijks 860 – 0 – 0 g op.

– Essene heeft 2 watermolens met een rendement van 565 – 0 – 0.

– De woning van de pastoor werd getaxeerd op – 12 – 0 – 0.

– De heer heeft er geen woning.

– Essene heeft 4 brouwerijen, 2 herbergen, 6 winkeliers en 8 neringdoeners die uit het cohier  getaxeerd zijn op 160 – 0 – 0.

– Er 55 kossaardwoningen die getaxeerd zijn uit het cohier à 4 g elk, totaal 220 – 0 – 0.

Totaal = 9711 – 10 – 0.


[1] RA Vorst, Inventaris van het archief van het Officie-Fiscaal van Brabant. Delen, toegang A 193 nr. 319.

Paulus Van Malderen in conflict met de bedesetters van Meldert[1].


In 1748 geraakte Paulus Van Malderen in conflict met de bedesetters van Meldert. De ruzie ging over wie de kosten moest vergoeden voor de tweede sauvegardebrief die de bedesetters in Aalst lieten halen als bescherming voor de bevolking van het dorp tegen het willekeurig optreden van de Franse soldaten in de zomer van 1745. Volgens de bedesetters moest de gemeente voor de kosten opdraaien en had collecteur Paulus Van Malderen teveel aangerekend. Volgens Paulus moesten alle dorpsbewoners betalen. Drie jaar later kwam het tot een proces tussen beide partijen. Tijdens het proces werden op verzoek van Paulus een aantal getuigen opgeroepen. Hun verklaringen volgen hieronder. Vooreerst schetsen we een beeld van de miserie die de mensen van Meldert overviel met de inval van de Fransen tijdens de Successieoorlog.

De rampzalige zomer van 1745.

In augustus en september 1745 plunderden Franse soldaten Meldert en eisten ze de levering van allerlei goederen. De bedesetters H. Van Zeebroeck, Jan Willems, J. De Witte, J.L. Van Brempt. Stelden op 7 oktober 1745 een lijst op van de opeisingen en de verplichte taken.

– Op 13 juli waren 2 800 Franse soldaten de abdij binnen gevallen. Ze bleven er zes weken en Meldert moest mee instaan voor hun onderhoud.

– Een commando van de kolonel Grassin van omtrent 300 man infanterie met enige officieren te paard verteerden op drie en vier augustus voor 116 gulden en 4 stuivers waarvan een gedeeltelijke kwitantie.

– Op 16 september consumeerde een commando infanterie van het regiment met grijze kleren en purperen omslagen op hun mouwen: brood, boter, vlees, bier, wijn en andere voor 54 gulden en 4 stuivers, waarvan kwitantie.

– Op 19 september eiste een commando van omtrent 100 mannen van verscheidene regimenten, waaronder enigen van het regiment van Piëmont, bier, brood, boter, vlees en specerijen voor 36 gulden en 6 stuivers.

– Op 25 september geleverd aan een commando van ’t zelfde volk brood, kippen en andere voor 6 gulden 1 stuiver.

– In de maand augustus werden voor 36 werkdagen transporten gedaan met wagens waaronder een transport van 5 dagen met 4 paarden, een van 4 dagen met 3 paarden en een van 27 dagen met twee paarden en dat voor 164 gulden.

– Voorts nog meerdere opdrachten te voet en te paard naar Lippelo, Aalst en Affligem, in het totaal voor 82 dagen waarvan 68 met een paard en 16 te voet. De reis te paard zijn gerekend aan 3 gulden per dag en die te voet aan 1 gulden, samen 236 gulden.

– Tijdens de maand augustus werden 257 pioniers geleverd voor Lebbeke en Affligem aan 1 gulden voor iedere pionier maakt 257 gulden.

Totaal: 869-15-0.

De bedesetters stelden ook een lijst op van de plunderingen op 12 en 13 augustus:

‘Forcelijck ende reguereuselijck hebben zij uit de huizen en stallingen gesleurd’: allerlei meubels, kleren, lijnwaad, koper, tin, bier, boter, vlees, brood en andere, koeien, varkens en andere. Uit de schuren haalden ze vruchten en hooi. De schade beliep tot 3 184 gulden.

Op 26 mei 1746 klaagde pastoor F. Goetgebuer over de armoede in zijn parochie en het jaar daarop is de nood zo hoog dat de bedesetters, regeerders, ingezetenen en gegoeiden van Meldert aan Franciscus Beeckman en Peter van Ighem de opdracht gaven om een lening van 6 000 gulden aan te gaan tegen de intrest die ze konden bekomen. Daarmee wilden ze verscheidene particulieren terugbetalen die in 1745, 1746 en 1747 de kosten van de dagelijkse leveringen voor de gelegerde troepen voorgeschoten hadden. Hun opdracht hield ook in dat ze aan Staten van Brabant de toestemming voor die lening vroegen. Was getekend op 2 augustus 1748. Tekenden: J. De Witte, Franciscus Beeckman, Peter Van Ighem, Alexander VanderSchueren, A. De Coster, Guillam Vermoesen, Pauwel Van Malder.

Thoon Paulus Van Maldere(n) ingesetene ende gewesen collecteur der lastboecken der prochie van Meldert suppliant – de actuele bedesetters ende regeerders der selve prochie rescribenten.

Verhoor van de getuigen op 4 oktober 1748.

Jacobus De Wit(te), gewezen bedesetter van Meldert, 52 jaar, verklaarde dat hij in 1745 met Paulus Van Malderen naar het kwartier van de graaf van Saksen te Aalst ging om een tweede ‘sauvegardebrief[1] te halen voor de kerk en voor de inwoners van Meldert die zich met hun waardevolste bezittingen in de kerk hadden verschanst. De vrijgeleide van de eerste sauvegardebrief was immers al verstreken. Ze hebben die dag de brief niet gekregen. De volgende dag voelde hij zich niet goed en gaf hij Pauwel samen met de dorpsofficier de opdracht om nog eens naar Aalst te gaan en er te trachten de brief te krijgen, wat hen gelukte. Paulus betaalde daarvoor als collecteur van Meldert 15 dukaten[2] en enkele stuivers.. Jacobus was toen bedesetter.

Jacquelina De Witte, vrouw van herbergier Francis Robijns, 58 jaar, vertelde dat, toen de Franse troepen in 1745 in Aalst kwamen, er in het dorp een sauvegarde te voet logeerde tot zijn tijd verstreken was. Eind augustus vergaderden bij haar thuis de bedesetters

Hendrick Van Zeebroeck, en Judocus Van Brempt die aan Paulus de opdracht gaven in Aalst een tweede sauvegardebrief te halen. Omdat Paulus geen geld had, leende zij hem 13 dukaten die hij haar later teruggaf. De sauvegarde bleef nog een maand in haar huis om de kerk en de mensen die er zich schuil hielden te beveiligen.

Judocus Van Brempt,  47 jaar, herinnert zich dat dorpen zoals Mazenzele, Baardegem, Hekelgem en andere in 1745 omwille van de nabijheid van het Franse leger een tweede sauvegardebrief gekregen hebben die hun door de ‘heeren staeten’ was toegezonden. Voor Meldert is de collecteur Paulus Van Malderen die naar Aalst gaan halen. Dankzij die brief bleven de bezittingen van de mensen in de kerk en de kerkornamenten gespaard van diefstal en vernieling. Later beweerden enkele bedesetters dat de kosten voor de tweede sauvegardebrief verspild geld was daar al de kosten voor de sauvegardesoldaat ten laste van de gemeente waren.

Hendrick Van Zeebroeck, 40 jaar, pachter tot Meldert, wist nog dat in 1745 meerdere parochies een tweede sauvegardebrief gingen halen bij de graaf van Saxen te Aalst, vooral die parochies die het meeste gevaar voor plundering liepen zoals Hekelgem, Baardegem en Essene. Eind augustus 1745 gaf hij samen met Jacobus De Witte en Judocus Van Brempt aan Paulus Van Malderen de opdracht om ook voor een tweede sauvegardebrief te zorgen. Als collecteur diende hij voor de betaling te zorgen. Bedesetter Van Brempt heeft nog voorgesteld om een lijst te maken van de inwoners die bescherming in de kerk hadden gezocht en dan door hen de tweede brief te laten betalen, wat niet werd aanvaard. Uiteindelijk stelden ze aan Paulus een vergoeding van 15 dukaten voor die hij niet heeft aanvaard. Hij bracht 18 dukaten in rekening.

Hendrick Jacobs, 53 jaar, officier van Meldert, getuigde dat hij in 1745, toen de Franse troepen in Aalst lagen, van meerdere personen van Mazenzele vernam dat zij voor hun parochie een tweede sauvegardebrief hadden en dat andere dorpen dat ook hadden gedaan. Hij was er bij toen de bedesetters aan Paulus Van Malderen de opdracht gaven een tweede brief te gaan halen De vrouw van Francis Robijns gaf hem 13 dukaten mee..

Adrianus Gislain, 33 jaar, woonde in 1745 in Meldert en zat in de herberg van Robijns toen de bedesetters aan Paulus vroegen om een tweede sauvergardebrief te halen. Hij hoorde ook dat Van Brempt voorstelde de kosten ervan  door de mensen in de kerk te laten betalen.

Verhoor te Meldert op 25 november 1748.

In naam van de bedesetters verzocht hun advocaat Van der Straeten dat de commissarissen Anthonius Beeckmans en Peeter De Keghel zouden ondervragen.

Peeter De Keghel, een 51-jarige kossaard en wever die in de Klaarhaag woonde, beweerde dat Paulus de tweede brief heeft gehaald om zijn eigen huis te beschermen vermits hij maar ‘een bolleworp’ van de kerk woonde. Voor de eerste sauvegardebrief hadden de mensen van het dorp betaald. Op vraag van zijn buren ging hij naar de herberg ‘Het Begijnhof’ waar de sauvegarde was gelogeerd. Hij vroeg om zijn hulp omdat de troepen van Vlaanderen langs zijn gehucht door Meldert trokken om naar Brabant te gaan. Francis Robijns, de herbergier verzette zich daartegen omdat de sauvergarde het dorp moest beschermen. Het gevolg was dat de soldaten het hooi van Francis Beeckman uit de schuur haalden en meenamen terwijl de sauvegarde op het dorp bleef.

Anthonius Beeckman, een kossaard van het gehucht Parijs en geboren in Moorsel, 60 jaar, deelde dezelfde mening, namelijk dat de tweede sauvegardebrief werd gehaald om het dorp te beschermen en dat de afgelegen inwoners er geen hulp van kregen. Hij had zelf gezien dat burgemeester Jacobus De Witte de sauvegarde had opgewacht en naar zijn huis had gebracht. Toen hijzelf last kreeg van de troepen, is hij naar het dorp geweest om hulp te vragen, wat hem werd geweigerd. Maar zijn schoonzoon sprak de sauvegarde zelf aan en die kwam met hem mee.

Vervolg van het verhoor op 10 december 1748.

Francis Robijns,  meesterbrouwer en herbergier, omtrent 65 jaar, was niet thuis toen zijn vrouw aan Paulus Van Malderen 13 ducaten leende voor de sauvegardebrief. Wie die opdracht gaf, weet hij niet. De bedesetters Van Zeebroeck en Van Brempt en enkele Meldertenaren waren op dat ogenblik in zijn herberg.

Jacobus De Witte, pachter van Affligem, 52 jaar, kon niet zeggen of de Staten van Brabant aan de bedesetters in 1745 de opdracht gaven om een tweede sauvegardebrief te halen. Hij vernam wel dat de andere bedesetters beslisten dat de dorpsbewoners de kosten zouden betalen en dat de gemeente zou bijdragen in de daguren en de ‘mondcost’ wat ook is gebeurd.

Hendrick Van Zeebroeck, omtrent 40 jaar, pachter te Meldert, had niet om een tweede brief verzocht want hij woonde een kwartier gaans van het dorp. Zijn verdere verklaring kwam overeen met het getuigenis van Jacobus De Witte. Dat Paulus zou gezegd hebben dat hij voor de tweede brief vier gulden wilde betalen, heeft hij niet horen zeggen en evenmin dat Jacquelina De Witte, de vrouw van Robijns ook bereid was haar part te betalen.

Jan Willems, omtrent 50 jaar, pachter te Meldert, herinnerde zich niets meer van een tweede sauvegardebrief in 1745 toen hij bedesetter was.

Judocus Van Brempt, voor de tweede maal verhoord en nu boswachter van de abdij Affligem genoemd, verklaarde dat niemand van de bedesetters de tweede brief heeft geweigerd. Hij woonde in de Klaarhaag, op een half uur van het dorp en daar waren al enkele beesten gestolen. De sauvegarde van zijn gehucht kon niet op tegen de menigte en zond zijn knecht naar het dorp om de sauvegarde daar te gaan halen, maar hij was niet gekomen. Judocus is dan zelf naar het dorp getrokken en bracht de sauvegarde mee. Hij kon echter niet zeggen of dat gebeurde tijdens de eerste of de tweede brief. Voor de tweede brief was overeengekomen dat de dorpsbewoners de kosten zouden betalen. Hij stelde daarvoor een lijst op om ieders bijdrage te bepalen en gaf die aan Paulus die bereid was vier gulden te geven. Het plan is niet doorgegaan..

Jacquelina De Witte, herhaalde dat ze Paulus geld leende om de tweede sauvegardebrief te halen en dat met toestemming van de bedesetters en op kosten van de gemeente.

Elisabeth Nicolai,  vrouw van Franciscus S’heeren, ‘scheepmaecker’, omtrent 42 jaar, woonde 10 jaar als meid bij de pastoor[3]. Zij stond erbij toen Judocus Van Brempt aan de pastoor kwam vragen om bij te dragen in de kosten van de tweede sauvergardebrief. De pastoor weigerde omdat de sauvegarde die bij Robijns verbleef vaak bij hem bier liet halen als dat van Robijns hem niet aanstond. Hij kwam bij hem ook eten.

Besluit.

De verhoren maken ons duidelijk dat ook in moeilijke en gevaarlijke situaties de mensen in de eerste plaats aan eigen behoud denken.


[1] Sauvegardebrief: “Sauvegarde” is een Frans woord dat in het Nederlands verschillende betekenissen kan hebben, afhankelijk van de context. Het kan “bescherming”, “beveiliging”, “behoud” of “back-up” betekenen. In historische context verwijst het vaak naar een beschermbrief of vrijwaring die werd verleend aan personen of plaatsen om ze te beschermen tegen geweld of plundering. Bron: Wikipedia.

[2] De dukaat (van het Italiaans: ducato) is een gouden munt, die oorspronkelijk afkomstig was uit de Republiek Venetië. De dukaat verscheen daar voor het eerst in 1284, ten tijde van de doge Giovanni Dandolo en zou tot in de 18e eeuw in ongewijzigde vorm gebruikt worden. In navolging van de Venetiaanse dukaat werd de munt ook elders in Europa geslagen, waaronder de Duitse en Oostenrijkse staten en Hongarije, waarbij hetzelfde gewicht en goudgehalte werd gebruikt.

[3] Pastoor Vresins overleed op 12 december 1746 in de leeftijd van 70 jaar.

[1] R.A. Vorst, Inventaris van het archief van de Raad van Brabant. Deel 2: archief van de secretariaten, Toegang: I 19, nr. 9414.

Asse, drossaard Joannes Dominicus Gheude moet de rekeningen voorleggen.

In 1780[1] dienden de ‘gegoeijde ende gemeijntenaeren’, de belangrijkste burgers van Asse een klacht in tegen ‘regeerders’ van Asse, namelijk de drossaard Joannes Dominicus Gheude, Joannes Dominicus Josephus Gheude, griffier, Jan Baptiste De Nil en de weduwe van Petrus Van Den Bossche,  schepenen van Asse. De drossaard en de schepenen hadden al meerdere jaren de rekeningen van de parochie niet meer ter controle voorgelegd. Nochtans waren ze volgens het plakkaat van 13 september 1687 daartoe verplicht. In 1780 was het voor de vooraanstaanden van Asse duidelijk dat de regeerders zaken in rekening brachten waarop ze geen recht hadden. De belangrijkste burgers hadden tevergeefs verzocht om die rekeningen te kunnen inkijken .en uiteindelijk dienden ze bij de Raad van Brabant een klacht in tegen de drossaard en de schepenen. Het duurde tot 18 mei 1785 voor het Hof besliste dat de vooraanstaanden de rekeningen mochten examineren .en op 4 december kwam het verdict dat de regeerders van Asse alle documenten niet alleen moesten voorleggen, maar ook de onterecht geïnde sommen met intrest moesten terugbetalen. Het bepaalde ook welke vergoeding de drossaard, de griffier en de schepen kregen voor hun ambtelijke taken:

  1. Voor betalingen van renten en schulden mag de drossaard geen vergoeding aanrekenen.
  2. Voor het verspreiden van plakkaten en ordonnanties krijgt de drossaard 12 stuivers waarvan hij de vorster en de griffier een deel geeft.
  3. Geen vergoeding voor het ‘billetteren’ van soldaten tenzij ze met meer dan 25 zijn en voor het opvorderen van karren, wagens en paarden ten dienste van het land. Zijn ze daarmee meer dan een halve dag bezig dan is er een vergoeding van 3 gulden 3 stuivers, d.w.z. 1 gulden 1 stuiver voor de drossaard,de  griffier en de schepen.
  4.  Geen vergoeding voor toezicht op straatwerken, het ruimen van poelen en dergelijke.
  5. Drossaard en griffier mogen niet meer dan 12 stuivers per uur aanrekenen voor ambtelijke opdrachten. Voor opdrachten buiten het Land van Asse 3 gulden 10 stuivers per dag en voor die binnen het Land van Asse 2 gulden 2 stuivers.
  6. Voor ieder geschreven blad zullen ze 3 stuivers ontvangen.

Op 12 december 1790 besliste de Raad nog dat de drossaard 1 215 gulden moest restitueren aan Asse, de griffier 883 gulden, de schepen De Nil 230 gulden en de weduwe Van den Bossche 70 gulden. De regeerders betaalden 2/3 van de proceskosten, Asse 1/3.

Die gegoeijde ende gemeijntenaeren van Assche geteeckent hebbende de procuratie supplianten – Joannes Dominicus Gheude drossaerd, Joannes Dominicus Josephus Gheude greffier, Jan Baptiste De Nil ende de weduwe van Petrus Van Den Bossche schepenen van het selve Assche rescribenten .


[1] RA Vorst, inventaris van het archief van de Raad van Brabant: Deel 1: Archief van de griffies, toegang I 18 nr. 1098, blz. 32, nr. 18.

Josephus Gerardus Gheude in de clinch met de kinderen Philippe Plas.

Josephus Gheude[1] was na de dood van Philippe Plas met diens weduwe Maria Anna Lauwers getrouwd. Maria was gedoopt op zaterdag 15 augustus 1705 in Sint-Ulriks-Kapelle en overleed er op vrijdag 12 september 1760, 55 jaar oud. Zij trouwde, 18 jaar oud, op woensdag 5 juli 1724 in Sint-Ulriks-Kapelle met Philippus Plas, 60 jaar oud. Hij is gedoopt op dinsdag 6 mei 1664 in Sint-Martens-Bodegem. Philippus overleed op dinsdag 4 februari 1749 in Sint-Ulriks-Kapelle, 84 jaar oud. Maria hertrouwde, 44 jaar oud, op dinsdag 3 maart 1750 in Sint-Ulriks-Kapelle met Josephus Gheude.

Kinderen van Maria en Philippus gedoopt in Sint-Ulriks-Kapelle:

1Elisabeth, gedoopt op woensdag 27 juni 1725, overleden vóór 1732, ten hoogste 7 jaar oud.

2- Gertrudis, gedoopt op donderdag 2 januari 1727, overleden op woensdag 16 mei 1810 in Sint-Martens-Lennik, 83 jaar oud. Zij trouwde, 27 jaar oud, op zaterdag 4 mei 1754 in Sint-Ulriks-Kapelle met Antonius Van Eertbrugge.

3- Jacona Catharina, gedoopt op zaterdag 26 februari 1729, begijn in het Grootbegijnhof te Brussel.

4- Maria Catharina, gedoopt op donderdag 23 november 1730, overleden op zondag 30 november 1788 in Mollem, 58 jaar oud. Zij is begraven op dinsdag 2 december 1788 te Mollem.Maria trouwde, 30 jaar oud, op donderdag 27 november 1760 in Sint-Ulriks-Kapelle met Joannes Baptist Van den Houte, 25 jaar oud. Hij is een zoon van Judocus en Maria Anna Van Verre. Hij is gedoopt op maandag 27 december 1734 in Buggenhout en is overleden in Mollem.

5- Elisabeth, gedoopt op zaterdag 27 december 17.

6- Petrus Josephus, gedoopt op zondag 21 november 1734,overleden op zaterdag 4 december 1802 in Sint-Ulriks-Kapelle, 68 jaar oud.

7- Franciscus Josephus, gedoopt op vrijdag 16 november 1736, overleden na 1790, minstens 54 jaar oud. Hij  trouwde, 25 jaar oud, op maandag 16 november 1761 in Sint-Ulriks-Kapelle met Joanna Catharina Hannaert, 27 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 5 september 1734 in Sint-Ulriks-Kapelle.

8- Antonius, gedoopt op woensdag 18 juni 1738, trouwde, 27 jaar oud, op vrijdag 28 februari 1766 in Ternat met Maria Anna Segers.

9- Maria Clara, gedoopt op zaterdag 5 maart 1740.

10-  Anna Maria Antonia, gedoopt op donderdag 28 februari 1743.

10- Anna Maria Antonia, gedoopt op donderdag 28 februari 1743.

11- Judocus, gedoopt op woensdag 1 november 1747.

Kind van Maria en Josephus: Catherine,  gedoopt op dinsdag 15 december 1750 in Sint-Ulriks-Kapelle.

Toen Maria Anna in 1760 overleed waren er van haar eerste man acht kinderen nog in leven: Maria, Jacquelina, Gertrudis vrouw van Anthoen Vereertbruggen, Peeter, Franciscus Josephus, Maria Catharina, vrouw van Jan Baptista Van Houten, en Clara. In het huwelijkscontract  van Josephus en Maria verleden voor notaris Boogaerts op 26 juli 1759 was bepaald dat, in het geval dat Maria eerst zou sterven, Joannes aan ieder kind op 20-jarige leeftijd of in ‘geapprobeerden staet’[2] een dot[3] zou geven van 1000 gulden te bekomen van haar patrimoniale goederen. Maria overleed en Joannes maakte geen aanstalten om de dot uit te betalen en dat was niet naar de zin van de kinderen Plas. Vooral Jacquelina, het begijntje, bezorgde in naam van haar broers en zussen, Josephus heel wat kopzorgen. Dat leidde tot een proces bij de Raad van Brabant omdat de kinderen Plas in verschillende jurisdicties woonden. Het begon in 1762 en duurde tot 1779.

Josephus verdedigde zich tegen de aanklacht dat hij de 1000 gulden dot niet betaalde met te verwijzen naar het feit dat zijn tegenstanders, nadat ze een smid hadden gevraagd zijn koffer open te breken, al zijn penningen en documenten hadden gestolen en zijn inkomsten uit de verpachte goederen waarvan hij het vruchtgebruik hadden ze voor zich hadden gehouden. Het ging om vijf partijen land samen drie bunder achtendertig roeden verdeeld als volgt: drie dagwand negentien roeden boekweit[4] op de kouter ‘Den Volbroeck’, drie dagwand zeventien roeden op dezelfde kouter, bemest en bezaaid met sloorplanten, een dagwand en twee roeden op dezelfde kouter, bemest, twee dagwand op ‘Het Molenveld’ bezaaid met klaveren, drie dagwand op ‘Het Schuervelt’ bezaaid met klaveren en nog een half bunder in de parochie van Sint-Martens-Bodeghem bezaaid geweest met kruid of rapen. Hij verzocht het Hof om de gedaagden (de kinderen Plas) te verplichten zijn geld en documenten terug te geven en van Jacquelina eiste hij een staande klok terug. Josephus Gheude, in de verslagen impetrant genoemd, vermeldde ook dat de gedaagden nieuwe huurders hadden gezocht en voor de mest en de planten niets betaalden. Hij verzocht de Raad om alle gedaagden te verplichten ‘promptelijck’ hem te ontlasten van de parochiale verplichtingen, hem te vergoeden voor de prijzij en de tegenpartij te veroordelen tot betaling van de intrest en de kosten van het proces.

Ondertussen hadden Franciscus en Jan Baptist Van Houte, man van Maria Catharina, tegen Gheude een klacht ingediend om hun dot te bekomen. Om die 1000 gulden aan de acht kinderen te kunnen betalen hadden Joannes en Maria behalve de patrimoniale goederen ook een lening aangegaan van 3000 gulden bij N. Baclé. op conditie dat ze binnen de 10 jaar de lening zouden afbetalen. Josephus Gheude gaf als borg al hun erfelijke goederen. De gedaagden vroegen de Raad dat Josephus de 3000 gulden zou afbetalen om zo de goederen die ze van hun moeder hadden geërfd te ontlasten. Na de dood van Maria was hij gestopt met de betaling van de rente en van 1760 tot 1771 had begijn Jacquelina die rente betaald. Dat was opgelopen tot een bedrag van 1530 gulden. Zij eiste nu dat Gheude die som aan haar zou geven verhoogd met de intrest. Het Hof besliste op negen december 1771 dat de impetrant (= Gheude) de 3000 gulden aan N. Baclé moest betalen. Die ging daarmee niet akkoord. Hij wou dat de 3000 gulden aan de gedaagden werden gegeven zoals bepaald in de transactie van 26 juli 1759.

Op 12 juli 1772 legde Jacquelina voor de Raad de volgende verklaringen af:

  1. In de koffer van haar schoonvader vond ze geen andere documenten dan die ze heeft voorgelegd. Ze heeft een akten of andere documenten verbrand of verscheurd.
  2. Ze is bereid de staande klok aan Joannes te geven als hij de kosten die ze aan de horlogemaker gaf voor het herstellen van de klok vergoedt.
  3. Ze is bereid de lasten op de gronden die ze van haar vader heeft geërfd en die ze sedert 1761 heeft betaald aan Gheude kwijt te schelden.
  4. De belastingen op het perceel met de sloorplanten zijn voor Gheude. Maar als teken van goede wil zal zij die kosten op haar nemen.

In zijn reactie stelde de Josephus dat hij aan Jacquelina alle intresten die zij aan N. Baclé betaalde, zal geven. Hij ziet ook af van het vruchtgebruik van de patrimoniale goederen zodat de gedaagden die gronden onder elkaar kunnen verdelen. Zijn voorstel werd aanvaard op voorwaarde dat ze de intrest van de hun toegewezen goederen krijgen.

Op 27 mei 1776 kreeg het proces een nieuwe wending. De Raad oordeelde dat beide partijen bepaalde documenten achterhielden en dat ze eindelijk alle gegevens waarover ze beschikten aan de rechters moesten voorleggen. Josephus en Jacquelina werden verplicht om 1/4 van de gerechtskosten te betalen.

In 1777 daagde nog een nieuw probleem op. Om hofmeesteres van het begijnhof te kunnen worden, hadden de ouders van Jacquelina een lening aangegaan van 1000 gulden op 6 april 1748 bij de parochie van Sint-Ulriks-Kapelle. Die lening was nog niet afgekort, althans volgens Gheude. En hij eiste die 1000 gulden op. Het Hof verklaarde de eis van Gheude onontvankelijk en verzocht Jacquelina om binnen de 14 dagen te bewijzen dat zij die som had terugbetaald. Zij had, nog volgens Gheude, alle meubels van haar schoonvader openbaar verkocht om meesteres op het begijnhof te kunnen blijven. Die verkoop had de som van 1333 gulden opgebracht. Gheude eiste nu dat bedrag terug vermeerderd met de intresten. Dat hij afzag van het vruchtgebruik van de patrimoniale goederen samen met de 11 pistolen[5] die hij haar had gegeven, beschouwde hij als haar dot. De juwelen, kleren, contant geld en meerdere voorwerpen die ze van haar moeder had geërfd beschouwde Gheude ook als zijn eigendom.

De uiteindelijke beslissing viel op 16 april 1779. Gheude staakte zijn verzet en trok zijn eisen in. Hij zal de 3000 gulden moeten betalen.


[1] RA Vorst, inventaris van het archief van de Raad van Brabant: Deel 1: Archief van de griffies, toegang I 18 nr. 1072, blz. 160.

[2] Als meerderjarig beschouwd.

[3] Voor kloosterlingen ook bruidsschat genoemd.

[4] Boekweit: plant die veel magnesium, fosfer en kalium bevat.

[5] Pistool, of double écu d’or, benaming voor de dubbele Spaanse escudo of dubloen en voor de Franse louis d’or (een dubbele kroon met een gewicht van oorspronkelijk 6,69 g). De naam is ontleend aan het Italiaanse piastola, het verkleinwoord van piastra (piaster). Hij werd ook aangemunt te Bouillon door Willem Robert van der Marck (1574-1588) en opvolgers en te Orange door Philips Willem (1584-1618), Maurits (1618-1625), Frederik Hendrik (1625-1647) en Willem II van Oranje (1647-1650). De halve pistool is de pistolet, de dubbele pistool is de quadrupel .Wikipedia.