Rechtszaken te Hekelgem in de 17de eeuw.

Rechtszaken te Hekelgem in de 17de eeuw.

Met de publicatie van de processen van Hekelgemnaren voor de schepenbank van het Land van Asse wilden we een beeld schetsen van het leven in Hekelgem in de 17de eeuw. Hoe gingen de mensen toen met elkaar om? Met welke problemen kampten ze? De processtukken vertellen ons over vechtpartijen, achterstallige huur, erfeniskwesties, het onvermogen, vooral van weduwen, om leningen terug te betalen, het verbreken van een gegeven woord enz. Het was interessant om na te gaan welke argumenten en tegenargumenten aanklager en beschuldigde aanbrachten. Bij het overlopen van de lijst van de processen valt het op dat vaak dezelfde namen voorkomen. Dat waren dan mensen die het zich konden veroorloven om een proces te voeren, want ook toen duurde een proces meestal meerdere jaren. De aandachtige lezer zal opmerken dat in de meeste gevallen er geen vonnis is. Dat is te verklaren door het ontbreken van de vonnissen bij de processtukken. Maar voor ons vormde dat geen probleem, zo wordt niemand veroordeeld of beoordeeld. We hadden enkel de bedoeling de sluier van het 17de -eeuwse Hekelgem even op te lichten.

Hekelgem in het Land van Asse

Vermits deze bundel een reeks processen uit de 17de eeuw bevat die voor de schepenbank van het Land van Asse werden gevoerd, is het voor een goed begrip nodig om de bestuurlijke situatie van Meldert uiteen te zetten zoals die was tijdens het ancien regime. Meldert behoorde tot het Land van Asse. Die entiteit omvatte het dorp Asse met de gehuchten Asbeek, Ter Heide, Krokegem, Koutertaverent en Walfergem en de buitenparochies Baardegem, Essene, Hekelgem, Mazenzele, Meldert en Mollem. Aan het hoofd stond een meier die vanaf de 17de eeuw ook overmeier of drossaard werd genoemd. Hij trad op als vertegenwoordiger van de hertog van Brabant en had uitgebreide bevoegdheden. Hij beëdigde de zeven schepenen, de vorsters en de bedesetters. De daders van zware misdrijven waarop een lichamelijke straf stond, moest hij overdragen aan de amman van Brussel. Maar het vonnis, executie door ophanging, onthoofding of levend verbranden, of verminking door radbraken of brandmerken, moest hij zelf uitvoeren. De stoffelijke resten van de veroordeelden werden als afschrikking tentoongesteld, bijvoorbeeld op de Boekthoutberg te Hekelgem. Ook de lagere justitie, waarbij goederen werden behandeld in de laatbanken, zoals de laatbank van de abdij Affligem, ontsnapten aan zijn gezag. De gedupeerden daarvan konden wel in beroep gaan bij de schepenbank van Asse die door de meier werd voorgezeten. De meier was vooral als gerechtsofficier actief. Hij behandelde met de schepenen zaken met boeten en lichtere straffen. Ze zetelden in vierschaar in een zaal van het gasthuis van Asse. Voor Meldert en de andere buitenparochies ging de helft van de boeten naar de hertog, de andere helft naar de heer tot Asse. Enkele meiers uit de 17de eeuw waren Christoffel Van Wijnantshoven, Gillis Van Langenhove, Lucas Van Langenhove en Arnold Adriani (tot 1633). Adriani was nadien griffier van 1633 tot 1656. Hij trad ook op als notaris[1].

De eerste schepenbanken zouden ontstaan zijn in de tijd van Karel de Grote. Ze waren verbonden aan het hof van de vorst en beschikten over reële macht. De schepenen stonden hoog in aanzien. Aanvankelijk bestonden ze alleen in de steden, na 1200 ook op het platteland. De taken van de schepenbank waren uitgebreider dan die van de huidige burgemeester en schepenen. Het was een college van zeven leden, aanvankelijk aangesteld door de hertog, later door de heer. Ze werden gekozen uit de notabelen en waren min of meer de notarissen van hun tijd. Ze maakten contracten op, deden openbare verkopen, hypotheekacties van goederen, beheerden de financiën van de gemeenschap, zorgden voor de bescherming van weduwen en wezen en spraken recht in burgerlijke en criminele zaken. Vanaf de 17de eeuw werd voor een verkoop meestal een beroep gedaan op een notaris. De akte moest dan wel nog naar de schepenbank voor het wettelijk passeren en het zegelen van het document. De schepenbank had immers een eigen zegel en maakte met haar zegel het document officieel. De meier werd in de schepenbank bijgestaan door een ondermeier of vorster. Die werd aangeduid voor drie jaar. Voor zijn aanstelling moest hij een borgsom betalen. Het was zijn taak te helpen bij arrestaties, veroordeelden op te sluiten en te bewaken in de vrunte en de kettingen en de boeien te bewaren. Op dorpsniveau was de meier vertegenwoordigd door een dorpsofficier en een collecteur, ook rendant genoemd, die de belastingen inde die de bedezetters over alle belastingplichtigen verdeeld hadden[2]. De officier moest de bevelen van de meier en de schepenen uitvoeren, toezicht houden op de jacht, op de bomen van de heer en op de bevolking.

Een proces voor de schepenbank

Een zaak voor de schepenbank brengen, kon men door een verzoekschrift in te dienen. De indiener of eiser werd de suppliant genoemd. Gebeurde het op een andere manier dan heette de eiser aenlegger en de verweerder gedaeghde. De beide partijen hadden het recht om een procureur aan te stellen om hun zaak voor de schepenbank te verdedigen, wat nu advocaten doen. De procureurs boden hun eisen en verweer schriftelijk aan waarna de zaak op de rolle kwam voor kennisneming door de schepenen. Op deze schrifturen volgden een replique, een duplique, persisteringhe enz. Daar kon dan weer een antwoorde met verclaeren ende conclusie volgen. Tenslotte hielden de procureurs hun pleidooien. Na veel getrek en geduw volgde het vonnis.

De griffiers werden per geschreven bladzijde betaald, wat de soms ellenlange uitweidingen en herhalingen verklaart die in veel documenten voorkomen. De drossaard of de dorpsofficier hadden ook het recht iemand rechtstreeks voor de schepenbank te dagen. Zij traden dan op als openbaar aanklager.

1582. Aandeel in de bedeboeck niet betaald.

Op 13 oktober 1582 vroeg bedesetter Rombout Van den Driessche, in naam van de inwoners Hekelgem, aan de meier en de schepenen van het Land van Asse de toelating om op te treden tegen alle personen  die hun deel in de bedebouck niet hadden betaald. Met het akkoord van de schepenen kon hij van alle gebreckelijcke persoonen beslag leggen op hun goederen tot hun schuld was vereffend en de wettelijke kosten waren betaald.

1603. Aaankoop gronden.

Gillis Vermoesen en zijn vrouw Anna Ridders kochten op 18 maart 1603 de helft van een behuisde hofstede te Hekelgem gelegen, groot 1 d en grenzend aan Hans Van den Wijngaerde, Merten Verleysen, Jan De Greve en de straat. Ook de helft van 75 r land dat paalde aan de straat, Joos Van Neerveldt, Peeter Verleysen en aan wijlen Merten Verleysen. De derde koop was een perceel van 1 d 25 r land op Het Rot gelegen tegen het Hulstbos en de Lemmekens Haag en de goederen van Henricx De Greve. De akte werd verleden door de meier Gielis Van Langenhove en door de schepenen van vrouwe Catarina van Brandenborch, achtergelaten weduwe van de heer Jans Coutereaux, de heer van Asse en de schepenen Peeter De Clerck en Henrick Van Ginderachter.

1603. Aankoop grond.

Jan de Baetselier en zijn vrouw Anna Verlenssen kochten op 27 mei 1603 van Gielis Van den Meeter, zoon van Henricx, 1 d land op de Morette, palend aan de goederen van de abdij, aan hun land en aan Jans Van den Houte. Op de zitting van de schepenbank waren Guillam Van Langenhove, vorster en stadhouder van meier Gielis Van Langenhove, Peeter De Clerck en Aert Robijns aanwezig. De twee laatsten ondertekenden de akte.

1604. Zomaar een woonhuijsken afgebroken[3].

Henrich Van den Houte had het lef om een huisje dat op de grond stond van Jan Lambrechts aan de Vierwechscheede af te breken zonder toestemming van de eigenaar en zonder enige vergoeding. Jan Lambrechts richtte zich op 6 juli 1604 tot de schepenbank met de eis dat Van den Houte het huis zou heropbouwen in alsulcke staete ende weerde als ’t selve heeft geweest.

1612. geleverde tonnen bier niet betaald[4].

De erfgenamen van wijlen Adriaen De Mesmaecker spanden op 20 maart 1612 een proces in tegen Laureijs Van Steenberghen. Adriaen was brouwer en had ook een taverne in Ham, gelegen in de meierij Merchtem. Hij had meerdere vaten bier geleverd voor 10 g aan Laureijs Van Steenberghen toen die in Wolvertem woonde. Laureijs, ondertussen verhuisd naar Hekelgem, dacht zich aan zijn schuld aan de overleden brouwer te kunnen onttrekken en betaalde niet, maar de erfgenamen van spanden bij de schepenbank van Asse een proces tegen hem in om de betaling van de 10 g te eisen.

1612. Rachen De Merchie wou teveel profiteren[5].

Bedesetter Rachen De Merchie verpachtte in 1612 de impost van de consumptie, de accijnzen op consumptiegoederen, aan zichzelf en bespaarde daarmee 50 g voor de gemeente, althans volgens zijn verklaring. Maar na de inning had hij een tekort van 14 g en om dat bedrag weg te werken verhoogde De Merchie de belasting op bier van 2 st per vat tot 10 st. Brouwer Jan Michiels weigerde te betalen, wat tot een fikse ruzie met De Merchie leidde. Die betichtte Michiels ervan dat hij klein bier verkocht als dubbel of sterk bier. Een grove belediging voor de brouwer die bovendien schadelijk was voor zijn zaak. Zelf achtte hij zich een man van eer en van goeden naem ende fame int ’t stuck van sijnen handel. Hij verweet De Merchie een dief te zijn en dat was de waarheid want iedereen, ook zijn eigen moeder, noemde De Merchie den rijken dief. Die uitspraak dreef de bedesetter ertoe om de brouwer een flinke mep te verkopen, over een bank te sleuren en zijn kraag te scheuren. Als reactie richtte Michiels zich tot de schepenbank en verzocht de schepenen De Merchie een boete op te leggen van 400 g. De helft was bestemd voor de armen en de andere helft voor hemzelf. Aan de schepenen om een rechtvaardig oordeel te vellen!

Joannes Michiels overleed op woensdag 19 juni 1613 in Hekelgem. Hij was met Maria Galiaerts getrouwd die op zaterdag 16 mei 1615 overleed in Hekelgem.

Erasmus De Merchie, zoon van Erasmus en Anna Van den Berghe, werd in Hekelgem gedoopt in 1575. Hij trouwde met Amelberga Verroten voor 1604, dochter van Jacobus.

1613. De koopsom vergeten[6].

Adriaen Verleysen verkocht 1 b beemt tegen de Weijmeersch Eussel aan Machiel Verleysen. Wat er gebeurde nadat de koop gesloten was, weten we niet. Waarschijnlijk werd er op de succesvolle verkoop eens goed gedronken, maar het feit is dat Machiel zich nadien niet meer wist hoeveel hij voor het beemt moest betalen. De schepenbank vroeg hij op 23 april 1613 om Adriaen onder eed te laten verklaren voor hoeveel hij die bunder had verkocht.

In der saecken geport voor de wethouderen der poort ende vrijheijt van Assche tusschen Adriaen Verleijsen arrestant ende aenlegger ter eenre ende Machiel Verleijsen gearresteerde ende gedaeghde ter andere zijden, versocht den voorschreven arrestant ende aenlegger dat den voorschreven gearresteerde ende gedaeghde soude vercleren onder eed den justen prijs van seker bunder bempts gelegen tot Hekelghem tegen “Den Weijmeersch Eussel” bij hem vercocht aen Machiels.

1618. Een oog uitgestoken[7].

In 1618 viel Pinksteren op 3 juni en de eerste zondag erna, op 20 juni was het Hekelgemkermis. Lieven De Nil trok die dag met enkele vrienden naar het huis van Jenneken Sridders, de weduwe van Guillam De Mesmaecker waar er enkele jonge mannen van Teralfene waren. Lieven stond bekend als een persoon van seer ongebonden roeckeloos ende quade leven. Hij had met zijn vrienden al flink wat gedronken bij Ghielmus Stoop. Aan het huis gekomen,  begonnen ze met stenen naar de vensters te gooien en met stokken op de deur te kloppen al roepend dat de mannen die bij Jenneken waren naar buiten moesten komen. De reden van hun querelle was een jonge dochter die d’een partije d’ander wilde afhandich maecken. Toen Jenneken vreesde dat ze de deur stuk zouden slaan, maakte ze die open. Meteen kreeg ze zo’n slag in haar oog dat ze er voor de rest van haar leven blind was. De overmeier van Asse, Arnoult Adriani en meier Lucas Van Langenhove daagden op 23 april 1613 Lieven De Nil voor de schepenbank en vroegen de dader een boete op te leggen van 50 g.

Guillelmus De Mesmaecker, overleden op zaterdag 10 decmeber 1616, was in Hekelgem getrouwd met Joanna Sridders op zondag 7 oktober 1607. Zij hadden 3 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1) Philippus, gedoopt op zondag 29 juni 1608, overleden te Hekelgem op dinsdag 5 juli 1667. Hij trouwde te Hekelgem met Maria Laus.

2) Petrus, gedoopt op donderdag 27 augustus 1609 en te Hekelgem getrouwd op zondag 28 september 1636 met Sdeckers, 31 jaar, gedoopt te Hekelgem op woensdag 13 juli 1605 en er overleden op zondag 19 december 1677.

3) Anna, gedoopt op zaterdag 24 november 1612.

Een van de complicen van Lieven De Nil was Adriaen De Costere. Die was bij de schepenbank al bekend voor een vechtpartij op 22 maart. Met zijn vrienden was hij toen ten huize van Peeter Van den Wijngaert te Meldert. Daar waren ook enkele mannen van Mazenzele. Toen die groep vertrok, ging Adriaen met zijn vrienden hen achterna en ze begonnen hen uit te dagen met verwijten als ghij besssemmaeckers en andere beledigingen. De Mazenzelenaars antwoordden dat ze niet wilden vechten, maar dat was voor De Costere een aansporing om te schoppen en te slaan met klippels en stukken van hopstaken die ze in het hopveld van Jan Vergillis vonden. De Mazenzelenaars werden zwaar gekwetst en er vloeide veel bloed. Een van hen verkeerde zelfs in levensgevaar. Voor Adriaen De Costere vroegen de meiers een amende van 10 ponden groten Vlaams.

Adrianus De Costere trouwde met Catharina Verbeesselt. Zij hadden 4 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1) Joannes, gedoopt op zondag 6 maart 1622 en overleden te Hekelgem in 1637, 15 jaar oud.

2) Martinus, gedoopt op dinsdag 1 april 1625 en in Hekelgem overleden in 1693, 68 jaar.

3) Christoffer, gedoopt op 10 september 1628.

4) Maria, gedoopt op zondag 21 maart 1632 en te Hekelgem overleden in 1667, 35 jaar.

R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 410.

1621. Doodslag na caféruzie[8].

Op 22 januari 1621 onderzocht overmeier Arnoult Adriani de dood van Gijsbrecht De Backere. Als eerste ondervroeg hij Michiel De Backere, de 32-jarige broer van het slachtoffer en kareelbakker. Die verklaarde dat op 10 januari Gijsbrecht, Steven en Adriaen De Hondt, Hendrick Henricx, Joos Van Ghete en Gillis Mercx in zijn huis bier hadden gedronken. Op een bepaald moment ontstond er ruzie en Adriaen De Hondt begon zelfs met een stok op Hendrick Henricx te slaan. Michiel zag het gevaar en raadde zijn broer aan om te vertrekken. Daarop zijn Gijsbrecht en Hendrick de deur uitgegaan, maar even later kwamen ze terug met Cornelis Bettens die ze onderweg hadden ontmoet. Steven en Adriaen De Hondt, Gillis mercx en Joos Van Ghete betaalden hun gelag en verlieten de herberg, kort daarna gevolgd door de anderen. Michiel wou achter hen de deur sluiten en hij hoorde Steven De Hondt roepen: Gij moordenaars van Brabant, wij zullen u nog vermoorden. Daarop gaf hij zijn broer Gijsbrecht, Hendrick en Cornelis de raad om langs de achterdeur te verdwijnen, wat ze ook deden. Maar even later ontstond er geroep en getier. Hij opende de voordeur en hoorde zijn broer zeggen: compt mij niet naerder als mijnen stock lanck en es en neven nadien: aij mij, ick hebbe genoch. Michiel rende naar buiten en zag zijn broer op de grond liggen zonder een teken van leven. Naast hem stonden Adriaen met een mes in zijn hand, Steven De Hondt, Joos Van Ghete en Gillis Mercx. Michiel zette de achtervolging in op Adriaen De Hondt en aan de Kluiskouter dwong hij hem met zijn stok op de knieën. Adriaen smeekte om sijns lijfs genaede en Michiel keerde terug naar de plaats waar zijn broer lag. Die werd met de hulp van buren en van De Kegel naar zijn huis gedragen en toen ze zagen hoe zwaar Gijsbrecht was verwond, brachten ze hem naar het huis van chirurgijn Merten Breems. Daar overleed hij op 12 januari. Hij had drie steekwonden, twee in zijn schouder en een in zijn dij. Van de aanwezigen bij het gevecht vernam Michiel dat Adriaen de messteken had toegediend.

De tweede ondervraagde was Cornelis Bettens, de bospreter van Immerzeel, 35 jaar. Hij was op 10 januari aan Het Steenken Gijsbrecht en Hendrick tegengekomen en zij nodigden hem uit om bij Michiel een pint te drinken. In het café zaten Steven en Adriaen De Hondt, Gillis Mercx en Joos Van Ghete die kort daarna vertrokken. Als zij ook naar buiten gingen, hoorde hij Adriaen roepen: Ghij sacramentele Brabanders, wat wilt gijlieden seggen?. Hij zag ook dat Steven een mes in zijn handen had. Hij kon nog net antwoorden dat hij Steven niets wilde misdoen toen hij een steek in de duim van zijn rechterhand voelde en tegelijk zag hij dat Adriaen op de rug van Gijsbrecht zat, hem tweemaal stak en dan wegliep. Met de hulp van buren hebben ze Gijsbrecht naar het huis van Michiel gedragen, hebben hem ontkleed en zagen twee dodelijke wonden in zijn rug. Ze besloten Gijsbrecht naar meester chirurgijn Merten Breems te dragen. Twee dagen later is hij daar gestorven.

Meester Merten Breems, 26 jaar,  en inwoner van Hekelgem, beschreef de wonden. De eerste messteek was in het midden van de rug, de tweede in de nier. Beide waren dodelijk. Er was nog een derde messteek op het schouderblad. Gijsbrecht overleed twee dagen later in zijn huis.

1624. Een brouwketel tweemaal verkocht[9].

Op 18 maart 1624 verkocht Steven Verpaelt een brouwketel van zijn brouwerij Lijsens Stede, gelegen aan de straat van de abdij naar de kerk van Hekelgem, aan Thielman Jacops. In de verkoop waren ook begrepen een ton, twee halve tonnen, een vierdeelvat, twee stortvaten en de steen waarop de brouwketel stond. Steven Verpaelt mocht de ketel nog tot eind februari 1625 gebruiken. Getuigen van de verkoop waren Merten Van den Houte, Lieven Derijcke en Gielis De Coster. In afwachting van de levering liet Thielman door Merten Combien een lokaal bouwen voor zijn nieuwe brouwerij. Maar Verpaelt verkocht ondertussen het brouwalaam aan een ander. In zijn klacht bij de schepenbank eiste Thielman een schadevergoeding van 32 g 3 st, te weten 23 g voor het bouwen van een brouwerij, de 5 g loon voor de metselaar en 3 g 10 st voor verloren consumpties.

Thielman Jacops was gehuwd met Anna De Bruyn. Ze hadden 8 kinderen.

1627. Joos Van den Abbeele betaalde de pacht niet[10].

Na de dood van Adriaen Van den Guchte werd zijn huis met bijhorend land, palend aan ’t Klein Fosselbos van Geert De Corte, het Guchtveld en aan de straat, verhuurd aan Joos Van den Abbeele voor 27 g. In 1627 was Joos al twee achter met zijn pacht. Een tussenkomst van Carel De Greve, de voogd van de kinderen van Adriaen, leverde geen resultaat op en hij wendde zich tenslotte tot de schepenbank om de betaling te bekomen.

1637. Een schenking aan de pastorie[11].

Op 9 februari 1637 schonken Erasmus De Merchie en zijn vrouw Amelberghe Verooten een onbehuisde hofstede, groot 2 d 26 r aan pastoor Jan Bernaerts van Hekelgem. Het goed lag aan de Kerkweg, aan de eigendommen van Jan Van Beringhen en aan het kerkgoed. De akte werd verleden door Charles de la Mars, meier van de abdij en was mee ondertekend door de schepenen Joos Van Neerveldt, Joos Van Langenhove, Merten Robijns, Melchior Van den Driessche, Gillis Van Ginderachter en Adriaan Van Vaerenberge.

1637. Zelfmoord het het Asserenbos[12].

In het Asserenbos werd het lijk gevonden van een onbekende man. Hij had zich met een touw opgehangen aan een berkenboom. De officier van de meier van het Land van Asse stelde een onderzoek in en kwam te weten dat de onbekende man in de herberg Den Hulstbosch op 25 april een pot bier had gedronken. Niemand van de aanwezigen had aan hem iets ongewoons gezien. Hij was niet dronken of krankzinnig. Gillis Van Langenhove, stadhouder van Asse, en Carel Van Enichoven, de vorster van Asse, besloten het lijk op een slede naar de Boekhoutberg te voeren en het daar op te hangen aan een vorcke oft micke ter exempel.

Verboden te werken tijdens de vespers[13]!

Jan De Smet, bijgenaamd Soetenpas, bestond het om op zondag tijdens de vespers met een kar volgeladen met graan tot bij Jan Heyvaert te rijden om daar het graan te lossen. Daar het verboden was om tijdens den goddelijcken dienst eenige graenen te vervoeren legde Guillaum Jacops, de dorpsofficier, hem een boete op van 60 realen en het verbod om het Land van Asse te verlaten. Toch vertrok Jan De Smet naar zijn woning in Aalst. Charles Van der Slachmolen liet hem daarop voor de schepenbank dagen. Of De Smet inging op de dagvaarding weten we niet.

1652. Molenaar Lieven Eloot betaalde de pacht niet[14].

Lieven Eloijt (Eloot) pachtte van Jan Zayman een molen te Hekelgem, maar verzuimde al twee jaar om zijn pacht te betalen en stond voor 32 g in het rood. Ja Zayman vond dat hij al te lang geduld had geoefend  en richtte zich tot de schepenbank  om de betaling van de 32 g te eisen.

Lieven Eloot was getrouwd met Petronella Broecquaert en had een dochter, Joanna, gedoopt op dinsdag 25 maart 1653 in Hekelgem.

1635. Onbetaalde landpacht[15].

Jan De Brauwe huurde land van de H. Geest, maar van 1651 tot 1654 betaalde hij zijn pacht niet. Adriaen Van Nuffel, rentmeester van de Kerk en van de H. Geest, eiste voor de schepenbank op 28 september 1655 van Jan De Brauwe de betaling van 16 g.

1657. Rente niet betaald[16].

Steven De Smedt en zijn vrouw Margriete Pauwels bezaten een hofstede met huis, groot 27 r, gelegen op het dorp en palend aan Barbara De Raedt, de weduwe van Machiel Crick, aan de erfgenamen van Anthoon Maes den Ouden en aan de straat. Deze hoeve was eerst in het bezit van Joos De Roock en Cathelijne Van der Meren en was belast met een rente van 25 g. In 1650, op 21 februari, verschenen Steven De Smedt en zijn vrouw voor de schepenbank van de abdij en gaven als pand voor de aankoop van die hofstede een andere met huis, groot 28 r en grenzend aan de eerste hofstede. In 1655 bleek dat het echtpaar De Smedt-Pauwels van 1648 tot 1655 die rente niet had betaald, wat hen met een schuld opzadelde van 120 g. Voor Gillis De Raedt uit Brussel een voldoende reden om naar het gerecht te stappen. Steven ontving een dagvaarding op 2 februari 1657 van de schepenbank en schreef prompt een brief naar de schepenen waarin hij verklaarde dat zijn vrouw ziek was en hij niet op de dagvaarding kon ingaan. Hij vroeg een uitstel van 10 dagen. Hij kreeg 5 dagen respijt.

Stephanus De Smedt touwde op dinsdag 4 september 1635 te Hekelgem met Margreta Pauwels, 25 jaar. Zij was op woensdag 12 mei 1610 in Hekelgem geboren.

Aen mijn heeren die schepenen des Lants van Assche.

Verthoont met reverentie Steven De Smeth als dat hij alhier voor U. E. moet sustineren proces tegen Gillis De Raedt daerinne soo verre is geprocedeerd dat hem suppliant staet te presteren sekeren eed die oock mede moet gepresteerd worden bij sijne huijsvrouwe van alsoo de selve sijne huijsvrouwe is sieckelijck, soo is haer onmogelijck geweest alhier te compareren midts welcken sij dat ……….. geen recht en geeft, soo bid die suppliant van eene prolongé van thien dagen pro anni termine, dwelck doende ettha.

1657. Zich borg stellen houdt risico’s in[17].

Andries Seminck uit Erembodegem kocht schaarhout in het Hertegembos te Sint-Katharina-Lombeek. Met Adriaen Van Rampelberch, brouwer op Boekhout, had hij afgesproken dat die zich als borgsteller zou opgeven op conditie dat Andries hem daarvan kosteloos en schadeloos zou ontheffen. Die trok zich van het akkoord niets aan en, wat voor de brouwer erger was, hij betaalde de koopsom niet. Het gevolg was dat de verkopers, het wachten beu, Adriaen Rampelberch herinnerden aan zijn borgstelling en van hem de koopsom eisten. Adriaen zag zich genoodzaakt dorpsofficier Guillam Jacops aan te spreken om Andries te dwingen  zijn belofte na te komen. Die toonde zich inschikkelijk en beloofde binnen de 8 dagen een schriftelijke verklaring die Adriaen onthief als borgsteller te ondertekenen. Maar een week later, op 13 maart, was die verklaring er nog niet en Adriaen stapte naar de schepenbank met de eis dat Andries zijn belofte zou nakomen.

Adrianus Van Rampelberch trouwde op dinsdag 8 januari 1647 te Hekelgem met Maria Verhoeven. Zij overleed te Hekelgem op dinsdag 8 november 1667. Hij hertrouwde op woensdag 15 augustus 1668 te Hekelgem met Joanna Sonck.

1657. Jongen verdronken in de abdijvijver[18].

Op 23 juni 1657 gingen Adriaen De Vadt, 12 jaar, en zijn broer Peter, 10 jaar, met hun vriend Guillam De Jaeger, 12 jaar, zwemmen in de abdijvijver gelegen tegen het Roeiveld. Op een bepaald moment kwam Adriaen in een diepte terecht. Hij voelde geen grond meer onder zijn voeten en verdronk. Peter en Guillam zagen van op de kant dat Adriaen dreigde onder te gaan en om hulp riep en uiteindelijk niet meer boven kwam. Guillam verwittigde de vader van Adriaen en Peter die onmiddellijk in het water sprong en het dode lichaam naar de oever bracht. Hij liep dan naar de dorpsofficier Guillam Jacops die op zijn beurt de schepenen van Asse op de hoogte bracht van het dramatisch gebeuren. Jan Buggenhout, Lauwereijs De grove, Guillam Jacops en Jan De Coster ondertekenden de overlijdensakte.

Op heden desen 23ste junius 1657, soo heeft den sone van Lucas De Vadt genoempt Adriaen De Vadt oudt sijnde twelf jaeren is gaen leeren swemmen met sijnen broeder Peeter De Vadt oudt sijnde tien jaren met noch den sone van Lieven De Jaeger bij naeme Gilliam De Jaeger oudt sijnde twelf jaren in den vijver toebehoiren het Godtshuijs van Afflighem gelegen tegen het ’t Roeijvelt in de prochie van Hekelghem ende heeft hem aldaer omcleet ende is alsoo in het waeter gegaen ende is geraect in een diepe ?? daer hij geenen grondt gevonden en heeft ende is alsoo verdroncken ende de voorschreven jongens sijnde op den kandt van den vijver siddende, siende dat den voorschreven Adriaen De Vadt ten gronde gesonken is ende heeft geroepen om helpe dwelc sij niet doen en consten, den sone van Lieven De Jaeger is gecomen om adverteren als den vader van overleden ende is derrewaerts haestelijck gaen loopen in den vijver hem soekende ende heeft den selven gevonden doot onder het waeter ende heeft den overleden gebrocht aen den kandt van den vijver ende heeft d’advertenssie gedaen aen den officier Gillam Jacobs ende heeft gesonden om twee schepenen van Assche ende is alsoo behoirlijc geviseteert present Jan Bugenhout ende Lauwereijs De Greve, Gillam Jacobs ende Jan De Coster officieren, datum als boven.

1658. Verplichte patrouilles[19].

Omdat er dagelijks moeilijkheden waren met vagebonden en rondtrekkende militairen werd er in de parochies van het Land van Asse gepatrouilleerd. Een noodzakelijk kwaad waarmee niet iedereen was opgezet. Sommigen weigerden hun beurt te doen. De overmeier en de schepenen besloten dan om in elke parochie een sergeant aan te stellen die de wacht- en patrouillediensten moest organiseren en er toezicht op houden. Weigeraars kon hij verplichten hun taak uit te voeren. Voor elke wacht- en patrouillebeurt ontving hij 3 g, de helft was voor hem en de andere helft voor de korporaal en zijn mannen. In Hekelgem werd Philips Jacops de sergeant.

1659. De bedesetters van Essene boos op Hekelgem[20].

Bij de verdeling van de generale repartitie van de onkostboec van het Land van Asse gehouden op 8 en 9 januari en 4 april 1659 zou Hekelgem 349 g 13 st 1 bl ontvangen. Mollem moest daarvan 304 g 9 ½ st bijdragen en Essene 45 g 10 st. Maar de bedesetters van Essene vroegen een korting van 50 g omdat zij een huurling ten laste hadden. De bedesetters van Hekelgem gingen daar niet mee akkoord zolang Essene daarvan geen behoorlijk bewijs kon voorleggen.

R.A. Leuven, toegang 94, nr. 2255.

1664. Lorrewagen met bier gestolen.

Guilliam Camu zal nog lang gedacht hebben aan de dag van 15 maart 1664. Die dag was hij met zijn zoon Michiel met een lorrewagen bij brouwer Franchois Vermoesen klein bier gaan halen. Zij lieten de volgeladen wagen op de steenweg staan en gingen bij Franchois vier of vijf potten bier drinken. Ondertussen hadden enkele mannen van Aalst de wagen opgemerkt en gingen ermee vandoor. Raphael Dedemaecker, een jonge kerel, had de diefstal gezien en hij verwittigde Guillam en Michiel. Die zetten onmiddellijk de achtervolging in samen met Gilleken de slager. Op de Boekhoutberg hoorden ze van mannen uit Essene dat er bij de dieven een Jan De Witte was, een Camermans en een De Jonghe. Toen de dieven hen opmerkten, stormden ze op hen af en onze gedupeerden vluchtten weg en konden ontkomen, behalve Guillam die gevallen was. Met hun stokken sloegen de dieven op hem los. Op zijn vraag waarom ze hem sloegen, antwoordden ze dat hij hen voor dieven had uitgemaakt. Uiteindelijk kon hij ontsnappen voor een van hen met zijn mes wou steken.

1665. Een gestolen vet rund[21].

Op 1 september 1664 om 14 u. braken Dierick Baris en Jan De Donder de stal open van Joanna de Herville, weduwe van jonkheer Cupis de Camar, en gingen aan de haal met een vet rund van ruim twee jaar. Zij verkochten het aan  Peeter vonck voor 15 g 10 st. De bestolen weduwe vroeg aan Aert De Pauw en anderen om het rund op te sporen. Zij vonden het bij Peeter Vonck die het onder een afdak had verscholen. Na aandringen van De Pauw gaf Vonck toe dat hij het rund had gekocht en dat hij dus niet verplicht was het terug te geven. De Pauw argumenteerde dat het rund wel 36 g waard was en dat hij kon veronderstellen dat het een gestolen dier was. Volgens de wet was de koper van gestolen goed even schuldig als de dief en daarom trachtte Joanna de Herville Peeter Vonck ervan te overtuigen om het dier terug te geven of haar 36 g te betalen. Peeter Vonck ging niet op haar voorstel in en er bleef voor de weduwe niets anders over dat tegen Peeter een klacht in te dienen bij de schepenbank. Op 11 september 1668 kwamen de schepenen Slachmolen, Moortgat en Meert tot het besluit dat het recht van antwoord op de beschuldiging in het dossier ontbrak en dat ze bijgevolg nog geen vonnis konden vellen.

1668. Inventaris ten sterfhuize van pastoor Joannes Baptista Bernaerts te Hekelgem, 1628 – 1666.

https://www.belledaal.be/inventaris-ten-sterfhuize-van-pastoor-joannes-baptista-bernaerts-te-hekelgem.html

1670. Geen vergoeding voor oorlogsschade.

Op 13 en 14 augustus 1667 logeerden 30 regimenten ruiters onder het bevel van de graaf van Marche en de prins de Ligne te Hekelgem. Dat kostte de parochie naar eigen zeggen vele duizenden en de bedesetters deden dan ook een beroep op de andere parochies van het Land van Asse opdat elk zijn deel van de kosten zou dragen. Dat vroegen ze ook voor de zes meegenomen paarden in 1668 door het Franse leger. De bedesetters steunden zich voor hun aanvraag op een resolutie die bepaalde dat alle persoonlijke lasten door logementen van soldaten, rantsoenen, transporten met wagens, leveringen van pioniers en dergelijke die binnen het Land van Asse een of meerdere parochies ten laste vielen, door alle inwoners moesten worden gedragen. De zes andere parochies, Asse, Baardegem, Essene, Mazenzele, Meldert en Mollem, waren echter niet bereid hun deel van de kosten te dragen. Zij beriepen zich op de resolutie van 1654 die inhield dat de solidariteit alleen speelde na een order van de koning, d.w.z. een door de hertog of de gouverneur ondertekend order, en niet op bevel van een generaal of kolonel. Bovendien moest de aanvraag tot smaldeelinghe het juiste aantal officieren en soldaten vermelden, samen met de kosten zodat de andere parochies die gegevens konden verifiëren. De bedesetters van Hekelgem hadden zo’n lijst niet voorgelegd want de Hekelgemnaren waren tijdens de bezetting van de ruiters massaal met hun meubels en dieren naar de abdij of naar de omliggende gemeenten gevlucht. Daardoor gingen de ruiters in Asse, Essene, Teralfene, Erembodegem, Moorsel en Meldert fourageren. Met andere woorden de bedesetters vroegen de andere parochies te betalen voor kosten die ze zelf niet hadden gemaakt. Dat vonden die eenen seer ongoddelijcken wech ook omdat de boeren voor de schade aan hun vruchten  al vermindering van pacht zouden krijgen.

1671. Had Peter Van den Wijngaert met een concubine?[22]

In 1671 stelde drossaard Crabeels een onderzoek in naar Peter Van de Wijngaert en zijn derde vrouw Marie De Kempenere. Allerlei geruchten deden de ronde over het plotse overlijden van Peters tweede vrouw Cathelijne De Buver en de voortijdige geboorte van het kind van zijn meid Marie. Wat was er gebeurd?

De drie huwelijken van Peter.

Peter Van den Wijngaert overleed te Hekelgem op dinsdag 3 augustus 1677. Hij was voor 1667 te Hekelgem getrouwd met Catharina Bonamis. Zij overleed op woensdag 30 november 1667. Zij hadden samen drie kinderen. Van Antoon kennen we de datum van zijn doopsel: zaterdag 1 februari 1659 in Hekelgem. Na de dood van Catharina leefde Peter seer familierlijck gelijck man en vrouw van den huijse met zijn meid Marie De Kempenere tot 11 februari 1670, de dag waarop Peter hertrouwde met Cathelijne (ook Catharina genoemd) De Buver te Ternat. Zij was gedoopt op zaterdag 2 maart 1630 te Sint-Katharina-Lombeek. Marie bleef als huishoudster bij Peter wonen. Kort na haar trouw klaagde Cathelijne bij haar broers dat Peter haar onder druk zette om al haar goederen aan hem over te maken. Cathelijne was een weduwe en had zowel van haar eerste man als van haar moeder geërfd. Ze overleed al na drie maanden huwelijk in de nacht van 27 op 28 mei. De plotse dood wekte achterdocht en de mensen herinnerden zich dat Cathelijne meermaals geklaagd had over Peter. Hij zag zijn meid liever dan haar. Voor Marie sneed hij tijdens het eten kaas af, maar niet voor haar. Als zij ging slapen bleef hij tot 12 of 1 u. nog met Marie op en dat was niet, zo had Cathelijne verteld, om een paternoster te lezen. Als ze eens vriendelijk met haar man sprak dan reageerde Marie jaloers. Maar ook Peter was jaloers. Eens toen de kleermaker van de abdij haar opzocht, bleef hij de hele avond bij hen zitten. Op een dag ontaardde die gespannen toestand in een gevecht. Peter en zijn zoon Antoon waren naar Meldert gegaan om er te werken. Het kwam tot een gevecht tussen Cathelijne en Marie. Die sloeg met een bierpot zo hard op het hoofd van Cathelijne dat de pot in stukken vloog. Wanneer Peter thuis kwam, vond hij zijn vrouw in bed. Op zijn vraag wat haar scheelde, antwoordde ze dat het een wonder was dat ze nog leefde na die slag op haar hoofd. Enkele dagen later was Cathelijne dood, naar alle apparentie als gevolg van de slag op haar hoofd. Peter zelf vertelde dat aan anderen en hij toonde zelfs een pot gelijk aan die waarmee Marie geslagen had. Op 19 oktober trouwde Peter met Marie die in verwachting was en op 18 december 1670 werd haar zoon Adriaen geboren. Het was volgens de vroedvrouw een kloek, fris en voldragen kind. De volgende dag werd Adriaen te Hekelgem gedoopt als zoon van Peter en Marie, maar twee dagen later was het kind dood.

De mensen uit de buurt hadden al snel door dat er tussen het huwelijk en de geboorte maar zes maanden waren en bijgevolg had de conceptie plaats nog tijdens het huwelijk van Peter met Cathelijne. Er was dus sprake van overspel en had het schielijk overlijden van Cathelijne te maken met het feit dat Marie in verwachting was? Hadden Peter en Marie Cathelijne van kant gemaakt om zo hunne boosheijt ende vuijlicheijt te bedecken? Wie drossaard Crabeels van de feiten op de hoogte bracht, weten we niet. Die liet Peter en Marie dagvaarden om het te straffen conform de plakkaten van Zijn Majesteit.

Het antwoord van Peter en Marie.

Peter ontkende dat hij met Marie naar bed was geweest en als men uit het feit dat een meid inwoont bij een weduwnaar besluit dat er criminele feiten worden gepleegd, dan kan een weduwnaar nooit een meid hebben of een weduwe een knecht. Hij geeft wel toe dat Cathelijne jaloers was omdat Marie al voor hun huwelijk bij hem inwoonde. Maar hij had een goed huwelijk, want uit pure liefde maakte Cathelijne al haar goederen aan hem over, met uitsluiting van haar broers. Die hebben tevergeefs nog getracht die erfenis aan te vechten.

Jaarlijks zijn er mannen of vrouwen die kort na hun huwelijk sterven zonder dat er een crimineel feit mee gemoeid is of enige verdenking rust op de weduwnaar en de meid of de weduwe en de knecht. Zijn vrouw Cathelijne stierf nadat ze zeven dagen ziek te bed had gelegen als gevolg van een accident aan haar rechterarm. De pastoor[23] heeft dat ook vastgesteld en hij was van oordeel dat het om de contagieuse sieckte (de pest) ging. Dat was ook de mening van chirurgijn meester Philips Van Ghete. Die bezocht Cathelijne acht dagen voor haar dood in het gezelschap van officier Gillis Wijnant en de schepenen Gillis Breem en Merten Robijns. Andere verwondingen hebben ze niet vastgesteld.

Peter vroeg zich in zijn antwoord ook af waarom de drossaard maanden wachtte om tegen hem een proces in te spannen als hij Peter ervan verdacht zijn vrouw te hebben omgebracht. Hij weerlegt dan een aantal aantijgingen:

– Wat haar broers beweren, namelijk dat hij zijn meid liever zag dan zijn vrouw, is onjuist.

– Hij was niet zo welstellend dat hij zijn meid koffie kon geven.

– Het is best mogelijk dat hij nog op bleef als Cathelijne ging slapen. Het is immers niet raadzaam dat de meester nog op blijft als de dienstboden blijven zitten. Al was het maar om de kelder te bewaken.

– De pastoor en de chirurgijn hebben aangetoond dat zijn vrouw niet gestorven is door een slag op haar hoofd.

– Het is waar dat hij vrijers van Marie wegzond omdat het tijd was om te slapen.

– Hij is bereid onder eed te verklaren dat hij met Marie niet heeft geslapen zolang Cathelijne leefde. Dat is wel gebeurd na haar dood en dat was dan ook waarom hij met haar is getrouwd op 9 oktober.

– Marie is op 18 december bevallen van een onvoldragen zoon van zes maanden oud. Het was een miskraam als gevolg van een stamp in haar buik van een rund.

– De aanklagers kunnen niet besluiten dat hij de vader was. In de schole der medicijnen leert men dat een kind van zes en een halve maand levensvatbaar is en nog enkele dagen kan leven.

– Als hij met Marie een verhouding had,  dan was er zeker vroeger al een kind geweest.

– Als men niet kan zeggen wanneer de conceptie plaats had, kan er ook geen sprake zijn van overspel.

– Als het kind niet van hem was, dan zou hij zeker niet met Marie zijn getrouwd.

Getuigen aan het woord.

Gillis De Buver, 49 jaar en zijn broer Jacques, 46 jaar, legden op 2 januari 1671 bij de drossaard een verklaring af. Peter was een weduwnaar met drie kinderen toen hij met Cathelijne trouwde. Zij was bemiddeld door de erfenis van haar eerste man en die van haar moeder. Toen Peter meubels van Cathelijne kwam halen, vertelde hun zus dat Peter haar onder druk zette om al haar goederen aan hem af te staan. Tijdens de begrafenis vertrouwde een vrouw hen het voorval met de bierpot toe. Toen ze Peter daarover aanspraken,toonde hij hen een gelijkaardige pot. Het was een stenen bierpot met een tinnen band. Op de vraag waarom Peter hen niet had verwittigd dat Cathelijne ziek was, antwoordde hij dat ze dat niet wou.

Op 22 april 1671 ondervroeg de drossaard in het huis van Peter Cornelis met Van Mulders als griffier enkele getuigen.

Anna Van den Houte, een 44-jarige vroedvrouw had Marie geholpen bij de geboorte. Voor haar was het kind een jongen cloecke sone. Zij zag bij Marie geen wonde of letsel, wel vertelde ze dat haeren metten haar gestoten had.

Martinus Van den Nest, de pastoor van Hekelgem, had Cathelijne voor haar dood nog gezien. Zij klaagde toen over keelpijn en was van oordeel dat het om de contagieuse sieckte ging. Chirurgijn Van Ghete zocht hem na het overlijden op en bevestigde dat Cathelijne aan de pest was bezweken.

Philips Van Ghete, 42 jaar, bezocht Cathelijne zes of zeven dagen voor haar dood en zag toen een teecken van de contagieuse sieckte onder haar rechterarm. Na haar dood onderzocht hij het lijk in aanwezigheid van Gillis Wijnants, Gillis Breems en Merten Robijns. Hij vond geen nadere kwetsuren dan het accident onder haar rechterarm.

Gillijne De Kempenere, 26 jaar, vrouw van Laureijs Van Gijseghem en zus van Marie, had van anderen vernomen dat Marie was bevallen in de nacht van donderdag op vrijdag en dat het kindje op zondag was begraven.

Cathelijne Van Neerveldt, dochter van Gillis Van Neerveldt, 18 jaar,  was in de stal koeien aan het melken toen Marie in de stal kwam. Plotseling hoorde ze haar luid roepen dat ze van een rund een stamp in haar buik had gekregen. Dat gebeurde een paar dagen voor haar bevalling.

Deductie van de drossaard.

Na de ondervragingen stelde drossaard Crabeels zijn bevindingen op ten behoeve van de schepenen:

– Nog voor zijn huwelijk leefden Peter en Marie samen als man en vrouw. Wie het huis van Peter bezocht stelde dat vast. Het gaf een groot schandaal, zeker als na het huwelijk met Cathelijne De Buver Marie bij Peter bleef wonen.

– Marie haatte Cathelijne zodanig dat ze haar meermaals deed krijten ende kermen.

Voor haar dood werd Cathelijne op haar hoofd geslagen met een bierpot. Peter koos in die ruzie de kant van Marie.

– Hij bleef ’s avonds met haar laat op.

– Als hij met wagen en paarden naar Aalst reed, vergezelde Marie hem als was ze zijn vrouw. Cathelijne moest thuis blijven.

– Getuigen zagen ook dat Marie bij hem achter op het paard zat en Cathelijne moest te voet gaan.

– Tijdens het eten gaf hij kaas aan Marie, niet aan zijn vrouw.

– Peter was jaloers als jonge mannen als mogelijke vrijers voor Marie kwamen.

– Cathelijne herhaalde vaak dat Peter Marie liever zag dan haar en dat hij wou dat ze haar meubels aan hem overmaakte.

– Het is bijzonder verdacht dat Marie haar testament op 27 mei ondertekende terwijl ze die nacht al was overleden.

– Ze had toen een blauwe vlek op haar rechterarm waarvan chirurgijn Van Ghete beweerde dat het een pestvlek was. Ook pastoor Van den Nest verklaarde dat ze pest had, maar hij zei dat ze een vlek onder haar keel had. Die tegenspraak was voor de drossaard het bewijs dat beide getuigen ten voordele van Peter spraken.

– Merten Robijns, die de chirurg vergezelde, was ervan overtuigd dat de blauwe vlek op haar rechterarm het gevolg was van een slag. De chirurgijn had er al een pleisters opgelegd.

– Wat voor de drossaard de verklaringen over de pest ongeloofwaardig maakten, was dat er geen andere besmettingen waren. Ook niet bij degenen die bij het lijk waren geweest.

– Als het toch pest was, dan mocht de pastoor haar niet hebben begraven in aanwezigheid van publiek.

– Nog een ongeloofwaardige verklaring van Peter was dat Cathelijne haar testament had gedicteerd aan een vreemde notaris en twee onbekende getuigen. Als het testament toch te voorschijn kwam, bleek dat het was verleden door notaris Martinus Wambacq met 27 mei als datum. Nicoaes Vranckx en François De Pelsmaecker waren de getuigen.

Ten slotte was er de kwestie van de boreling, een voldragen kind volgens de vroedvrouw. Peter ontkende eerst dat het zijn kind was, maar bij het doopsel zei hij dat hij de vader was.

De drossaard besloot dat door het concubinaat tijdens Peters tweede huwelijk, de nulliteijt van zijn derde huwelijk volgde.

Besluit.

Daar het vonnis ontbreekt, weten we niet of er een veroordeling volgde. Als er een straf volgde, kan het geen zware veroordeling zijn geweest daar Peter en Marie  in 1672 een dochter kregen en nadien volgden nog vier kinderen.

Kinderen van Petrus en Maria:

1- Adrianus,gedoopt op vrijdag 19 december 1670 in Hekelgem.  Adrianus is overleden op zondag 21 december 1670 in Hekelgem, 2 dagen oud.

2- Catharina, gedoopt op vrijdag 22 april 1672 in Hekelgem.

3- Jacobus, gedoopt op woensdag 18 oktober 1673 in Hekelgem. Jacobus is overleden in 1724 in Hekelgem, 51 jaar oud.

4- Jan Baptist, gedoopt op vrijdag 19 april 1675 in Hekelgem.

5- Franciscus, gedoopt op donderdag 16 juli 1676 in Hekelgem.

6- Jan Baptist, gedoopt op donderdag 1 juli 1677 in Hekelgem.

1671. De kinderen Eeckhout in de clich met hun stiefmoeder[24].

Gerard Eeckhout, zoon van Gerard en Anna Engels, werd op zondag 20 mei 1601 te Teralfene gedoopt. Hij trouwde op zondag 4 juni 1623 te Teralfene met Anna Cortvrint en  overleed op maandag 27 januari 1670 in Teralfene. Zij hadden 10 kinderen:

1 Egidius, gedoopt te Teralfene op maandag 17 juni 1624, overleden in 1648 in Teralfene, 24 jaar oud.

2 Anna, gedoopt te Teralfene op woensdag 14 oktober 1626

3 Maria, gedoopt op zondag 24 september 1628 in Hekelgem. Maria is overleden op dinsdag 13 januari 1688 in Hekelgem, 59 jaar oud. Zij trouwde, 23 jaar oud, op zaterdag 21 oktober 1651 in Hekelgem met Merten Robijns, 25 jaar oud. Hij is een zoon van Martinus (Merten) Robijns en Elisabeth Wauters. Hij is gedoopt op maandag 2 maart 1626 in Hekelgem en overleed op zondag 31 december 1679 in Hekelgem, 53 jaar oud. Hij was pachter op het Sint-Huibrechthof te Hekelgem.

4 Anna, gedoopt op zondag 26 januari 1631 in Hekelgem.

5 Arnold, gedoopt op donderdag 31 maart 1633 in Hekelgem. Arnold is overleden in 1667 in Hekelgem, 34 jaar oud.

6 Catharina, gedoopt op zondag 6 januari 1636 in Hekelgem.

7 Carolus, gedoopt op zondag 17 januari 1638 in Teralfene.

8 Maria Magdalena, gedoopt op donderdag 4 oktober 1640 in Hekelgem.

9 Margareta, gedoopt op donderdag 9 juli 1643 in Hekelgem.

10 Joannes, gedoopt op dinsdag 5 september 1645 in Hekelgem.

Gerard hertrouwde, 65 jaar oud, op donderdag 26 augustus 1666 in Teralfene met Judoca Coolens.

Kinderen van Gerard en Anna:

1 Andreas, gedoopt op donderdag 13 mei 1666 in Hekelgem.

2 Gerard, gedoopt op woensdag 7 maart 1668 in Teralfene.

3 Joanna, gedoopt op woensdag 4 juni 1670 in Teralfene en overleden in 1677 in Teralfene, 7 jaar oud.

Na de dood van Gerard regelden de schepenen van Affligem de erfenis van zijn kinderen met Anna Cortvrint. De akte werd ondertekend door Martinus Wambacq, de rentmeester van de abdij. Maar Judoca weigerde de meubels en onroerende goederen af te staan. Zij betwistte de bevoegdheid van de Affligemse schepenbank omdat die de stukken niet had overgemaakt aan de schepenbank van Asse. Alleen die velden waarop de abdij cijnsrecht had wou ze aan de stiefkinderen afstaan. Het ging om 0,5 bunder land op de Buikouter en 1 d 18 r land op het Fosselveldeken. Gerard bezat nog 5 d 23 r op het Pesterveld die hij in 1650 van de abdij had gekocht.

Na een klacht van de kinderen bij de schepenbank raadpleegden Jan Van der Slachmolen, Joos Van Ginderachter en griffier Van Mulders enkele inwoners van Hekelgem. Guillam ’t Kint, 47 jaar, bevestigde dat de eigen goederen onder Asse gelegen door de schepenbank van het Land van Asse geërfd moesten worden en niet door een andere schepenbank. Procureur Jan Schoonjans trad hem daarin bij. Op 15 juli 1672 ging de raadpleging voort. Schepen Michiel Cornelis ondervroeg Peter Arijs, een 67-jarige handwerker en Peter De Meie, 58 jaar en handwerker, zij dachten dat Gerard het perceel op het Fosselveldeken gekocht had van Andries Sterck. Bijgevolg hadden de erfgenamen er geen recht op.

1674. Jan Stock weigerde huur te betalen.

Jan Stock woonde in een huis van pastoor Joannes Bernaerts en dacht na zijn overlijden te ontsnappen aan de huur. Meester Jan Schoonjans ontdekte de achterstallige huur tijdens een controle van de rekeningen in het sterfhuis. Na een klacht bij de schepenen daagde officier Gillis Wijnants Jan voor de schepenbank. Het vonnis van 16 januari hield in dat hij de huur vermeerderd met 2 g 14 st gerechtskosten moest betalen.

1678. Collecteur Andries Segers eist stipte betaling[25].

Op 3 september 1678 diende Andries Segers als collecteur een klacht in tegen Franchois Robijns, pachter, brouwer en biertapper. Hij eiste de onmiddellijke betaling van 155 g 18 st waarvan de helft zijn contributie was en de andere helft een bede en andere dorpslasten. Franchois reageerde met een schrijven aan de schepenen waarin hij opmerkte dat hij zelf van de bedesetters nog 750 g tegoed had. Het ging om vertier en logementen van diverse gasten op vraag van de bedesetters en 80 g voor het ter beschikking stellen van zijn paard aan de gemeente. Hij stelde de bedesetters voor om de 150 g 18 st af te trekken van de 750 g waarop hij nog recht had en de schepenen verzocht hij om de bedesetters te verplichten die som promptelijck  te doen betalen.

Franciscus Robijns, zoon van Arnoldus en Anna Van den Broeck, gedoopt op woensdag 2 januari 1647 in Hekelgem overleed op zaterdag 5 februari 1689 in Hekelgem, 42 jaar oud.

1679. Als de bedestters moeten betalen[26]!

Volgens de oncostboeck moesten de bedesetters aan Gillis Vermoesen, brouwer en biertappper, 279 g 17 st betalen als vergoeding voor logementen en ravitaillering van soldaten in 1677 en nog 90 g voor de logementen op 15 november 1677 en 189 g 17 st op 19 oktober 1678. Daar de betaling uitbleef, liet Gillis advocaat Bisschop op 28 februari 1679 klacht neerleggen bij de schepenbank tegen de bedesetters Franchois Mattens, Gillis De Decker, Guiullam Cornelis en Joos Van den Bossche.

Egidius trouwde op zaterdag 19 februari 1661 in Hekelgem met Catharina Uytendenolie. Catharina  overleed op zaterdag 2 juli 1678 in Hekelgem. Kinderen van Egidius en Catharina in Hekelgem gedoopt:

1 Petronella, gedoopt op donderdag 28 juni 1663, overleden in 1730 in Hekelgem, 67 jaar oud.

2 Joannes, gedoopt op maandag 28 december 1665.

3 Adrianus, gedoopt op donderdag 8 maart 1668, overleden in 1726 in Hekelgem, 58 jaar oud.

4 Franciscus, gedoopt op maandag 18 mei 1671..

5 Judoca, gedoopt op zaterdag 8 juli 1673 en overleden in 1744 in Hekelgem, 71 jaar oud.

6 Elisabeth, gedoopt op vrijdag 29 maart 1675 en overleden in 1751 in Hekelgem, 76 jaar oud.

1679. Wie moest na Peter Linthouts dood de pacht betalen[27]?

Op Kerstmis 1671 sloot Peter Linthout met dom Ambrosius Van Lierde een contract af voor de huur van land op de Bellekouter voor een termijn van 9 jaar. Na zijn overlijden in 1977 vroeg zijn weduwe aan dom Ambrosius om het contract te verbreken. Die ging akkoord en verpachtte het land in 1679 aan Jacques Van Droogenbroeck. Jan Mattens, de collectuer van Hekelgem, stelde in 1679 vast dat de beden en de settingen op dat land voor 1677 en 1678 niet waren betaald. Hij richtte zich tot Jan Van Vaerenbergh, de curator van het sterfhuis van Peter Linthout. Die liet weten dat hij zich tot dom Ambrosius, de administrator van de abdij, moest wenden. De monnik verklaarde dat het verpachtte land geamortiseerd (kerkelijk goed) goed was en dus vrij van lasten. Mattens vroeg dan aan de wethouders van Asse hoe hij aan zijn geld kon geraken. Die lieten weten dat hij dat aan de eigenaar moest vragen. Dom Ambrosius liet Franciscus De Middeleer, de rentmeester van de abdij, in zijn plaats antwoorden. De weduwe van Peter Linthout moet de beden en settingen betalen vermits zij  toen nog de gronden in bezit had en de vruchten kon oogsten. Hij voegde er nog aan toe dat Peter en zijn vrouw genoechsaem sijn voorsien geweest van goederen ende andere effecten om die achterstallen te kunnen betalen. Hij kan het bedrag nog verhalen op 1/4de van de opbrengst van de verkoop van het hooghuis te Belle aan meier Wambacq. De vraag om de bomen op het perceel te mogen verkopen wijst De Middeleer van de hand als ongefundeerd. Tenslotte merkte de rentmeester nog op dat het door de negligentie van Mattens is dat hij zijn geld nog niet heeft.

Joannes Mattens is gedoopt op donderdag 16 mei 1647 in Hekelgem. Hij is overleden op vrijdag 25 november 1695 in Hekelgem, 48 jaar oud. Joannes trouwde, 24 jaar oud, op maandag 16 november 1671 in MeldertT met Elisabeth De Valck, 19 jaar oud. Zij is gedoopt op dinsdag 19 december 1651 in Meldert en is overleden op zondag 13 november 1695 in Hekelgem, 43 jaar oud.

Kinderen van Joannes en Elisabeth te Hekelgem gedoopt:

1 Anna is gedoopt op maandag 19 december 1672.

2 Catharina is gedoopt op donderdag 8 oktober 1676..

3 Barbara is gedoopt op dinsdag 4 februari 1681en is overleden op zondag 28 april 1765 in Hekelgem, 84 jaar oud. Barbara trouwde, 29 jaar oud, op zondag 22 juni 1710 in Hekelgem met Leonardus Linsens, 27 jaar oud. Hij is een zoon van Egidius en Maria De Gent. Hij is gedoopt op dinsdag 26 januari 1683 in Hekelgem. Leonardus is overleden op zondag 10 mei 1733 in Hekelgem, 50 jaar oud.

4 Maria is gedoopt op maandag 6 november 1684.

5 Petrus is gedoopt op dinsdag 3 juni 1687.

6 Judocus is gedoopt op zaterdag 29 april 1690.

7 Joannes is gedoopt op donderdag 19 november 1693.

Ambrosius Van Lierde was afkomstig van Aaigem ontving in de abdij de priesterwijding op 25 mei 1652. Hij is de auteur van Historia Affligeniensis en verbleef te Neerwaver en te Bornem. Hij stond bekend om zijn moeilijk karakter. Vanaf 1664 verbleef hij in de abdij en werd er econoom en graanmeester en in 1669 werd hij de eerste syndicus van de abdij. Op 15 februari 1672 sloot hij een overeenkomst met de Raad van Financiën voor het uitbaten van nieuwe steengroeven te Meldert en te Asbeek-Asse. Hij overleed op 21 november 1695.

1679. Peter Van Rampelbergh heeft alleen nog een botervat en een viggen[28].

Op 10 april 1679 verhuurde de rentmeester Franchois De Middeleer land en meers aan Michiel Van Nieuwenhove dat voorheen gepacht was door Peter Van Rampelbergh voor de som van 15 pond groot. De termijn was de gebruikelijke periode van 9 jaar. Op 12 augustus 1679 liet collectuer Jan Mattens de schepenen van Asse weten dat volgens zijn bedenboek Peter Van Rampelbergh nog 37 g 10 st in het rood stond. Van de percelen die Peter nog in pacht had gehad, waren er twee bezaaid met haver, samen 5 d en die zou hij willen verkopen om zo aan zijn geld te komen. Op verzoek van Mattens gingen op 21 augustus Gillis Wijnants en Michiel Cornelis naar het huis van Peter. Zij vonder er alleeneen botervat, een quade vlieghe ende een viggen, ten hoochsten weert sijnde eenen pattacon. Van Rampelbergh was dus totaal niet in staat zijn schulden te betalen. Van de schepenen vernam Mattens dat hij twee mogelijkheden had om het geld te innen: de bezitter van het goed kon betalen of de vruchten op het veld verkopen want de wet schrijft voor dat de bezitter van het goed op de betaaldag van de beden die moet betalen.

R. A. Leuven, Schepenbank van Asse nr. 2822.

1679 – Een proces over schoolgeld[29].

Zie – https://indeschaduwvanaffligem.video.blog/2020/11/24/bloemlezing-van-documenten-behelzende-de-abdij-affligem-beslecht-door-de-schepenbank-van-asse/

1681. De erfgenamen van pastoor Bernaerts betalen niet[30].

In 1680 riepen de bedesetters van Hekelgem de hulp in van de schepenen van het Land van Asse omdat de erfgenamen van pastoor Joannes Bernaerts weigerden de contributie van 18 g 11/2 st voor de jaren 1677 tot 1680 te betalen. Een mogelijke verklaring was dat de erfgenamen erop rekenden dat de verkoop van een huis van de pastoor voldoende was om alle schulden te vergoeden. Dat was niet het geval, integendeel er was een tekort van 3 g 11 st.

1681. Kinderen Philippus Van Gete in de clinch met stiefmoeder[31].

https://www.belledaal.be/kinderen-philippus-van-ghete-in-de-clinch-met-stiefmoeder.html

1683. Carel Van Camp wordt de nieuwe boer[32].

Van jonker Franciscus Du Mont pachtte Carel Van Camp op 22 september 1682 seeckeren steenen huijse mette schuere, stallingen ende andere edificiën daerop staende, mette landen, weijden en alle andere goederen voor een bedrag van 100 g,10 viertelen tarwe en 10 viertelen gerst. Het graan moest ten huize van  de verhuurder geleverd worden ten laatste 60 dagen na de vervaldag. De afgaande huurder was Peter Van den Wijngaert en voor de overname van de granen en de dieren moest Van Camp hem 950 g betalen. Notaris J. De Witte stelde de akte op.

1684. Gerard Lambrechts mag er niet in[33].

Op 14 juni 1683 kocht Gerard Lambrechts een hofstede van Andries Segers die optrad als gevolmachtigde voor zijn broer Guillam. De akte werd opgesteld door de schepenbank van Affligem en was ondertekend door J. Van Nuffel. Volgens de akte mocht Lambrechts op Kerstmis 1683 de hoeve in bezit nemen. Maar de toenmalige bewoner, Adriaan Schoon, weigerde te vertrekken. Op 1 maart 1684 overhandigde dorpsofficier Gillis Wijnants een schrijven van Andries Segers, voogd van Guillam, aan Adriaan Schoon. Andries verbood Adriaan om de velden te bewerken en gebood hem het huis te ontruimen. Hij legde ook beslag op het weefgetouw en nam zoveel hopstaken mee tot de waarde van 20 g, een bedrag dat gelijk was aan de achterstallige huur. DE zaak bleef aanslepen want pas op 22 augustus werd Adriaan Schoon voor de rechtbank gedaagd.

1684. Koster Andries Segers wist nergens van[34].

Jan Dooms uit Opwijk stierf ongehuwd en zijn erfenis werd op 5 februari 1659 vereffend door de meier en schepenen van de Vrijheid van Merchtem. Onder de erfgenamen waren Franchois Van Halen, een pachter uit Opwijk, en zijn vrouw Joanna Dooms. Een andere erfgenaam was Cornelis Segers. Bij de verdeling moest Cornelis 6 g 5 st opleggen aan François Van Halen en Joanna Dooms. Die rente was bezet op een hofstede metten huijse, stallingen ende boomen daerop staende gelegen onder de prochie van Hekelgem voor het cloister van Affligem.

In 1684 is de situatie helemaal veranderd. Door overlijdens is die erfenis op de jongere generaties overgegaan. Cathelijne Van Halen, vrouw van Peter De Hauwer en dochter van François erfde via haar moeder Joanna Dooms, een zus van de overleden Jan Dooms. Na de dood van Cathelijne werd haar man  Peter de erfgenaam van de rente van 6 g 5st.. Maar wat blijkt: al zeven jaar is die rente niet maar betaald. De vraag was: wie erfde van Cornelis Segers en moest de rente betalen. Peter De Hauwer diende een klacht in bij de schepenen van Asse tegen koster en schoolmeester van Hekelgem Andries Segers, zoon van Cornelis. De sluwe koster reageerde niet want hij was geen zoon maar een kleinzoon van Cornelis. Uiteindelijk ontdekte notaris Gillis Van Halen de ware toedracht. Toch bleef er nog een ernstig probleem. Peter De Hauwer had de akte van 1659 niet meer door de lanckheijt van tijde ende menich schuldige oorlogen, troubelen ende vluchtelingen was de akte verloren gegaan. Toch oordeelden de schepenen van Asse op 12 april 1684 dat koster Andries binnen de acht dagen moest antwoorden op de klacht.

respectieve comparanten ende getuijgen neffens mij notaris onderteeckent, quod attestor ende was onderteeckent M D Bisschop notaris G Vanhatle notaris 1683.

1684. Jan De Vis wil niet tweemaal betalen[35].

Op 4 mei 1684 ondertekende bedesetter Joos Pauwels een betalingsbewijs van 24 g voor Jan De Vis, zoon van Franchois, molenaar op Boekhout. Dat was op de dag dat De Vis de collecteur Peter De kegel voor de schepenen van Asse had gedaagd omdat De Kegel hem de eerste schijf van 20 g van de beden en achterstel van renten en obligaties, in het totaal 40 g 12 ½ st., wou doen betalen zonder rekening te houden met zijn voorschot aan Joos Pauwels. Jan De Vis stelde vast dat hij in sijne eenvoudighe onnooselheijt al 3 g 13 st 1 bl teveel had gegeven. Er bleven nog ruim 16 g te betalen, maar De Kegel had voor de tweede schijf nog geen opdracht tot betaling gegeven. Van de schepenen verwachtte Jan dat ze De kegel zouden verplichten om van zijn bijdrage de 24 g af te trekken.

Ick onderschreven kenne ontfangen te hebben vuijt handen van Jan De Vis filius Franchois de somme van vierentwintich guldens in twee off drije keeren ende sal hem valideren op Peeter De Kegels boecken. Actum desen vierden meije XVI° vierentachentich ende is onderteekent Joos Pauwels 1684. Accordeert met sijn origineel in dathe ende geteekent als voren quod attestor De Raedt notaris 1684.

1684. De bedesetters van Meldert komen hun belofte niet na[36].

Op 31 juli 1684 leverden de parochies van Hekelgem en Meldert fouragie aan het leger van kolonel Du Bie te Aalst. Beide parochies ontvingen daarvoor dezelfde vergoeding. Maar Hekelgem had meer geleverd dan Meldert en vroeg aan Meldert een tegemoetkoming. Na onderhandelingen tussen Franchois Robijns en Joos Pauwels voor Hekelgem en Guillam De Clerck en Jan Robijns voor Meldert kwamen de bedesetters tot een akkoord: Meldert zou 20 g aan Hekelgem geven. Maar de betaling bleef uit en verliesende hunne patiëntie trokken de bedesetters van Hekelgem naar de rechtbank om de onmiddellijke betaling te eisen.

1684. Ruzie over de koopsom[37].

Op 11 oktober 1684 verkochten Peter De Boodt en zijn vrouw Anna Manghé seker paert van een huijsinghe gestaen en gelegen tegen den grond van de weduwe Franchois Walckiers en nog 16 r gelegen langs dezelfde grond van de weduwe. De koper was Hendrik De Kegel, zoon van Joos. De koopsom bedroeg 12 ponden groot en voor zijn palmslagh kreeg De Kegel 3 g. Er waren wel enkele voorwaarden aan de koop verbonden:

1) Tot de drie sondaghsche kerckgeboden kon men nog opbieden.

2) Elk opbod moest minstens 20 st bedragen.

3) Van elk bod ging 2/3 naar de verkoper en 1/3 naar de koper.

4) Wie meer biedt, betaalt 4 st voor een traktatie.

Nog dezelfde dag begon het bieden. Jan Van Brempt, Ingel Carnoy, Jan Bogaert, Gillis Wijnant en Gerard Verhoeven verhoogde tot 30 maal de koopsom.  Op 12 oktober deed Andries Segers nog een bod en uiteindelijk haalde Jan De Meije, de zoon van Andreas, als laatste bieder, zijn slag thuis. De prijs was ondertussen met 40 g gestegen. Liet De Meije zich meeslepen in het opbieden? Feit was dat hij de koopsom niet kon betalen en Peter De Boodt zag zich genoodzaakt zich tot de schepenbank van Asse te wenden om aan zijn geld te geraken. Jan De Meije reageerde op 5 juni 1685 met een schrijven van zijn advocaat De Raedt. Die betwistte de koopsom. Volgens hem bedroeg die 20 ponden groot en rekende De Boodt 30 g teveel. Uiteraard ontkende Schoonjans dat er een fout was gemaakt en hij eiste voor zijn cliënt de prompte betaling van de in het totaal al opgelopen bedrag van 112 g.

Schoonjans rescontrerende het geverbaliseerde van De Raedt segt datter geen abus en is te vinden terwijl den coopprijs volgens den contracte beloopt ter somme van 42 guldens ende datter sijn 60 hooghen waervan d’ene derde den aenlegger toecommen bedraegende a eenen gulden de hooghe t’samen ter somme van 40 guldens, concluderende geheijst sonder dat hij aenlegger hem heeft aen te draegen watter soude wesen van het ander derde ofte voordere oncosten waerop den ghedaeghde sijne computatie maeckt sonder dat eene naerdere presentatie genoech is om te ontgaen de condemnatie van costen deser procedure den aenlegger niettemin bereet sijnde voor soo vele hem aengaet te ontfangen de gemelde twee sommen t’samen bedraegende 112 de welcke den gedaegde van eerst aff hadde behooren te betaelen off te namptiseren voorsulcx persisteert hij aenlegger voor de replicque alnoch als voren cum axpensis.

1684. Gerard Lambrechts betaalde niet[38].

Gerard Lambrechts huurde een huis van koster-schoolmeester Andries Segers. Hij liet zijn kinderen bij hem ook les volgen om te leeren lesen ende schrijven aan 5 st per maand. Gerard was evenwel niet in staat om de huishuur en het schoolgeld te betalen. Voor de huishuur stond hij 1 jaar achter en voor het schoolgeld 36 maanden. In het totaal moest hij 41 g 5 st betalen. Een behoorlijke som en Andries aarzelde niet om de schepenbank in te schakelen om Gerard te dwingen zijn verplichtingen na te komen.

1685. Gerard Van den Wijngaert: problemen met de impost[39].

Op 27 februari en op 6 maart 1685 werd Gerard Van den Wijngaert op vraag van Gillis Wijnants opgeroepen om voor de schepenen van Asse te verschijnen. Hij stuurde zijn kat, maar na de derde dagvaarding verscheen hij toch op de schepenbank op 13 maart. De beschuldiging luidde dat hij de halfjaarlijkse belasting van november van 1683 ten bedrage van 140 g 16 st niet had betaald. Op 27 maart 1685 werd hij veroordeeld tot de betaling van het verschuldigde bedrag. In april maande officier Peter De Haegeleer hem nog tweemaal tevergeefs aan om zijn schulden aan te zuiveren. Gillis Wijnants richtte zich tot de Raad van Brabant en kreeg de toelating om de tarwe van Van den Wijnaert, staande op De Vreuckers te Essene, te verkopen. De verkoop van 19 juli 1685 bracht 42 g op. Van dat bedrag ging 4 g 12 ½ st naar de schepenen, 22 g 13 st naar notaris Schoonjans, 13 g naar de griffier en 6 g 8 ¾ st naar de officieren zodat er helemaal niets overbleef voor schuldeiser Wijnants.

1685. Adriaan De Ridder mocht de bomen niet kappen[40].

Op 15 juni 1665 stelde notaris Charles Van der Slachmolen ten huize van Cathelijne Carnoy op Nievel (Meldert) een akte op voor een lening. Peter Goetvinck en zijn vrouw Cathelijne Carnoy leenden 250 g met een jaarlijkse rente van 15 g 15 st bij Anthonius De Steenwinckel, secretaris bij de Raad van Brabant en zijn vrouw Catharina Sophie. Met dat besdrag konden Peter en Cathelijne een hoeve van haar grootouders, Mathijs Van den Abeele en Cathelijne De Coster, overnemen. De hofstede was belast met een grondcijns van 7 st aan de infirmerie van den beggjnhove binnen Brussel. Als pand gaven ze een hofstede van 75 r met de helft van het huis van hogergenoemde hofstede. Beide partijen lagen in de Broekstraat en paalde aan Peter Stevens, Jan Meert, Mathijs Van den Abeele en de straat. In het geval dat de rente niet werd betaald, voorzag de akte dat de leengevers gemachtigd waren om de goederen van Peter en Cathelijne in beslag te nemen of te verkopen tot een bedrag gelijk aan de achterstallige rente.

Dat was het geval in 1685. Peter Goetvinck en zijn vrouw zijn dan overleden en hun erfgenamen hebben al vier jaar de rente niet meer betaald. Franchois Du Mont, heer van Bisen en tweede man van Catharina Sophie, diende op 5 februari 1685 bij de meier en de schepenen van Asse het verzoek in om beide hofsteden te mogen verhuren. Op 19 februari 1685 had, na voorgaand kerkgebod, de zitdag plaats. Franchois vroeg 24 g als pacht, maar niemand bood zich aan. Daarop besloot Du Mont om de twee hofsteden te verkopen. Egidius Lemmens kocht ze op 14 mei 1685 en betaalde 340 g. In die prijs was ook de achterstallige rente begrepen. Nog voor de verkoop had plaats gehad, verkocht Anna Goetvinck, de dochter van Peter en Cathelijne een aantal bomen van de hofsteden aan Adriaan De Ridder. Die kapte de bomen en bracht ze naar zijn huis en dat tot grote woede van kolonel Du Mont. Die diende op 15 mei 1685 bij de schepenbank van Asse een klacht in tegen Adriaan De Ridder. Hij eiste dat die hem zou vergoeden voor het verlies van de bomen en stipte ook aan dat Anna Goetvinck als 19-jarige nog minderjarig was en het recht niet had om te verkopen.

Het proces bleef aanslepen en op 15 september 1688 richtte Du Mont zich tot de Raad van Brabant. Hij was te weten gekomen dat Adriaan De Ridder voor zijn aankoop raad had gevraagd aan Jan De Witte. De griffier van de abdij had hem die aankoop expresselijck ontraden … ende andersints soude commen in groote rusie. Du Mont vroeg de Raad om de schepenen te autoriseren om Jan De Witte daarover te verhoren. Die goedkeuring kwam er  vier dagen later op 19 september. Of de griffier werd ondervraagd, vermeldt het dossier niet. Pas op 5 april 1690 kwamen de schepenen tot een vonnis. De eis van Franchois Du Mont vonden ze ongefondeerd ende niet ontfanckbaar en ze veroordeelden hem tot de betaling van de proceskosten. Daar legde de kolonel zich niet bij neer en hij uitte zijn grieven nog eens voor de schepenen:

1 Adriaan De Ridder had die bomen niet mogen kappen want hij was op de hoogte van de verkoop vermits hij nabij de abdijkerk woont en daar had het kerkgebod plaats.

2 Anna Goetvinck kon niet verkopen want zij was minderjarig.

3 De teruggave van de bomen volstond niet en moest ook intrest worden etaald voor het geleden verlies.

Of de schepenbank hierop is ingegaan, weten we niet.

1685. Jan De Maij betaalde het vertier niet[41].

Op 16 januari 1685 verscheen Elisabeth Van Ghete, weduwe van Franchois Walckiers, voor de schepenbank van Asse. Zij had een klacht ingediend tegen Jan De Maij, zoon van Adriaan. In haar herberg De Kroon nabij de abdij hadden op 11 oktober 1684 Peter De Boodt, Anna Mangé en Hendrik De kegel, zoon van Joos,  een deel van een huis verkocht. De afspraak was dat bij elk opbod een traktatie van 4 st zou volgen en voor de palmslag  een van 3 g. In het totaal had Elisabeth recht op 13 g. Wanneer zij, na herhaald aandringen bij de koper, Jan De Maij, geen gehoor vond en haer patientoe verliesende, wendde ze zich tot de schepenbank. Jan werd op 6 februari 1685 gedagvaard, maar hij kwam niet opdagen. Zijn advocaat, Michiel De Bisschop verzocht om uitstel en toch ging Jan niet in op de dagvaardingen van 8 en 15 mei. Blijkbaar tot ongenoegen van zijn advocaat die de schepenen liet weten dat hij De Maij niet langer verdedigde. Of was het een list om tijd te winnen, want zijn opvolger Hendrik De Raedt vroeg meteen een uitstel van 6 weken en tegelijk protesteerde hij tegen de hoge intrest die Van Ghete vroeg. Op 22 mei 1685 liet de advocaat van Elisabeth, J. Schoonjans  weten dat het achterstal van De Maij al was opgelopen tot 17 g 11 st.

1685. De carrousel van een erfelijke rente[42].

Gerard Eeckhout ging in 1639 bij Hendrik De Bolle, zoon van Jan, uit Aalst een lening aan met een jaarlijkse erfelijke rente van 18 g. Als pand gaf hij een meers van 1 d 25 r. Die rente werd stipt betaald, telkens op 7 februari, tot 1679. Zes jaar later was het achterstal opgelopen tot 108 g. In naam van Hendrik De Bolle diende Jacques D’ Hont een klacht in bij de schepenbank. Gereard Eeckhout was inmiddels al overleden evenals zijn zoon Carl. Zo kwam de schuld terecht bij Daniël Schoonjans die met de weduwe van Carl was getrouwd. Om aan het geld te geraken wenste D’ Hont het pand van 1 d 25 r meers te verkopen en hij vroeg de schepenbank daarvoor de toestemming.

Carolus Eeckhout, zoon van Gerard en Anna Cortvrint, werd gedoopt op zondag 17 januari 1638 in Teralfene. Carolus trouwde, 26 jaar oud, op zondag 1 juni 1664 in Teralfene met Joanna Van Varenbergh. Joanna overleed op woensdag 27 augustus 1642 in Teralfene.

Gerard, zoon van Gerard en Anna Engels werd gedoopt op zondag 20 mei 1601 in Teralfene. Hij overleed op maandag 27 januari 1670 in Teralfene, 68 jaar oud. Hij trouwde, 22 jaar oud, op zondag 4 juni 1623 in Teralfene met Anna Cortvrint en hertouwde, 65 jaar oud, op donderdag 26 augustus 1666 in Teralfene met Judoca Coolens.

1686. Peter Vonck vergat zijn winkelwaren te betalen[43].

Jan De Maij, zoon van Adriaan, leverde een aantal winkelwaren aan Peter Vonck ter waarde van 6 g 1 ½ st. Na meerdere vermaningen had Peter zijn schuld nog niet betaald en zijn patiëntie was op. Hij liet op 30 april 1686 Peter voor de schepenbank dagen in de hoop dat de schepenen Peter promptelijck zouden verplichten te betalen.

Petrus Vonck was de zoon van Petrus en Catharina Verhoeven. Hij werd te Hekelgem gedoopt op dinsdag 26 september 1659 en overleed er op woensdag 12 september 1708. Hij trouwde te Hekelgem op zaterdag 6 februari 1683 met Maria Van den Wijngaert. Zij overleed te Hekelgem op maandag 6 juli 1711.

1686. Jan De Witte en Jan Robijns regelen hun geschil inder minne[44].

Jan De Witte had een proces aangespannen tegen zijn schoonbroer Jan Robijns in verband met de erfenis van zijn ouders Pauwel en Adriana Breynaert. Op 23 december besloten ze het proces stop te zetten en hun zaken in der minne te regelen. Ze kwamen overeen dat Jan Robijns uiterlijk binnen het jaar 173 g 6 st aan De Witte zou betalen en 2/3 van de proceskosten voor zijn rekening zou nemen.

Pauwel Robijns was de zoon van Merten en Elisabeth Wauters. Hij werd te Hekelgem gedoopt in 1615 en overleed te Meldert, 56 jaar oud, en werd op dinsdag 3 februari 1671 begraven. Hij trouwde op woensdag 21 november 1640 te Essene met Adriana Breynaert, ca 22 jaar oud.

1687. Brouwer Peter Cornelis in moeilijkheden[45].

Peter Cornelis, pachter en brouwer, ging een lening aan bij Louis Verbruggen, kanunnik te Antwerpen, met een rente van 12 g 10 st. De lening was bezet op zijn hofstede met huis, brouwkuip en andere edificiën, gelegen tegenover de kerk van Hekelgem. Op juni 1687 bleek dat Cornelis de rente al 6 jaar niet meer had betaald, een achterstal van 75 g. De kanunnik verzocht nu de schepenen Cornelis te verplichten tot onmiddellijke betaling.

Peter Cornelis was dezoon van Joannes en Barbara Wambacq. Hij is gedoopt op woensdag 8 februari 1640 in Hekelgem. Pieter overleed op woensdag 15 december 1700 in Hekelgem, 60 jaar oud. Pieter trouwde met Catharina De Vleeshouder, overleden op woensdag 27 november 1686 in Hekelgem. Hij woonde op het Hof ter Saele. Zie jaarboek Belledaal 2008 blz. 207.

1687. De pastoor weigert te betalen[46].

Op 29 oktober 1687gaven de meest ghegoeijde ende gemeijn ingesetenen der prochie van Hekelgem volcommen macht ende onwederroepeleijck procuratie aan Franchois Robijns, schepen en Peter Van Nieuwenhove, collecteur om pastoor Martinus Van den Nest en andere inwoners die weigerden hun deel te betalen in de Franse contributie van 1683 en 1684 en bepaalde tienden te vervolgen. Die procuratie hield ook de aanstelling in van een advocaat bij de schepenbank van Asse of bij de Raad van Brabant. De pastoor genoot een vrijstelling voor 6 d die door de bedesetters was toegestaan op 23 juli 1683. Die overeenkomst was ondertekend door de pastoor en Guillam Cornelis, Joos Van den Bossche, Joos De Kegel, Michael Cornelis en Carel Everaerts. Uit het bedebouck op datum van 24 januari 1687 bleek nu dat de pastoor belast was met 7 g 15 st en met 31 g voor de tienden. Pastoor Van den Nest was van mening dat hij, omdat zijn inkomen lager was dan 300 g, vrijgesteld was van de tienden en betaalde niet. Op 11 maart 1687 spande Jan Van Brempt, toen collecteur, een proces aan tegen de pastoor. Van den Nest zocht steun bij zijn collega’s van Mollem en Bollebeek en samen schreven ze een brief naar de schepenen om hen op hun rechten te wijzen. Gillis Van Mulder, de griffier van de schepenbank, zond hun brief op 16 juli 1687 naar de Raad van Brabant. Het antwoord van de Raad op 13 november 1687 bevestigde de vrijstelling van de pastoor. Er werd ook een bijkomende verklaring van de Raad in aangekondigd. Maar er kwam geen schot in de zaak en de collecteur dreigde de goederen van de pastoor aan te slaan, wat zeker een schandaal zou veroorzaken. Daarom schreef Van den Nest op 30 januari 1688 Aen den Coninck in sijnen souveramen Rade van Brabant. Hij vroeg ootmoedeleijck biddende om de bedesetters en de collecteur te dagvaarden zodat hij zijn recht op vrijstelling kon aantonen.

Martinus Van den Nest was pastoor van Hekelgem van 5 mei 1671 tot 1709.

1689. Peter Cornelis, aan huis bij de schepenbank[47].

Op 5 mei 1689 ondertekenden Catharina Wambacq,  de weduwe van Franchois Robijns, en Peter Cornelis een overeenkomst. Peter erkende dat hij de parochie 87 g 19 st schuldig was en dat hij dat bedrag onmiddellijk zou betalen. Maar op 5 juli had Catharina nog geen stuiver ontvangen en zij diende bij de schepenbank een klacht in.

Franciscus Robijns was een zoon van Arnoldus en Anna Van den Broeck. Hij is gedoopt op woensdag 2 januari 1647 in Hekelgem. Franciscus overleed op zaterdag 5 februari 1689 in Heklegem, 42 jaar oud. Hij trouwde, 21 jaar oud, op donderdag 23 augustus 1668 in Essene met Catharina Wambacq, 19 jaar oud. Zij is een dochter van Michel en Joanna De Bast.  Zij is gedoopt op dinsdag 17 november 1648 in Essene en overleed op zaterdag 10 november 1703 in Hekelgem, 54 jaar oud.

Peter kwam nog op een andere manier in contact met de schepenbank. Zijn vader Jan had bij chirurgijn Jan Grillaer uit Brussel een lening aangegaan. Na zijn dood  bleef er nog 100 g te betalen, een bedrag dat hij eiste van Franciscus en Peter, de zonen van Jan. Die weigerden, maar de schepenbank gaf de chirurgijn gelijk en voor de broers kwam er nog de proceskosten bij: 28 g 15 st 2 o.

Joos De Handschutter werkte een tijd als knecht bij Peter. Toen hij het bedrijf van Peter verliet had hij nog recht op 22 g. Peter maakte geen aanstalten om hem zijn laatste loon te geven en dat mocht hij aan de schepenbank gaan uitleggen.

Peter De Vis was in 1694 curator  in het sterfhuis van Guillam Van Neervelt. Peter Cornelis kwam hem opzoeken  en vertelde dat Van Neervelt bij hem een lening was aangegaan met een rente van 25 g. De laatste 6 jaar was die rente niet meer betaald en hij wou dat De Vis die achter stal zou betalen. De Vis weigerde omdat hij geen enkel bewijs van die lening had gevonden. Peter Cornelis trok op 3 februari 1694 naar de schepenbank en al op 9 februari kreeg hij een antwoord. De schepenen gaven Peter De Vis gelijk.

1689. De jezuïeten spannen een proces in[48].

Philips De Donder, de man van de weduwe van Carel De Backer, leende bij de jezuïeten van Aalst een bedrag met een erfelijke rente van 18  g. Hij betaald die 18 g de laatste maal op 22 maart 1681. Acht jaar hadden de jezuïetengeduld tot in 1689 de schuld was opgelopen tot 144 g en dan dienden ze een klacht in bij de schepenbank.

1691. Schoolgeld niet betaald[49].

Pastoor Franciscus Cornelis van O.-L.-Vrouw Waver had de kinderen van Gillis De Bailliu kost en inwoon verschaft en hun schoolgeld betaald, alles samen voor een bedrag van 140 g 7 st 1 o. Gillis had al als betaling 5 sisteren tarwe voor 13 g 10 st, 10 viertelen koren voor 4 g 15 st, 100 bussels tarwestro voor 4 g 10 st en 184 pond hop voor 13 g 18 st geleverd. Maar na het overlijden van Gillis betaalde zijn weduwe niets meer van het resterende bedrag van 91 g 14 st. De pastoor vroeg op 15 februari 1690 notaris J. Roux om een akte op te stellen waarin hij zijn broer Peter de volmacht gaf om in zijn naam met welke middelen ook het verschuldigde bedrag te innen.

Egidius De Bailliu was de zoon van Franciscus en Catharina Van den Bossche. Hij werd gedoopt op was zondag 30 april 1623 in Asse en overleed op zondag 14 januari 1691 in Asse, 67 jaar oud. Hij  trouwde, 30 jaar oud, op zaterdag 30 augustus 1653 in Asse met Catharina Van Mulders, 17 jaar oud. Zij is gedoopt op donderdag 15 november 1635 in Mazenzele en overleed op maandag 30 augustus 1694 in Asse, 58 jaar oud.

1694. De bedesetters tegen Michiel De Bisschop[50].

In 1694 verbleven de maître de camp Valensar en zijn klerk met hun eenheid in Erembodegem, Hekelgem en Teralfene. Het aandeel van Teralfene in de kosten van het logement bedroeg 73 g. Michiel De Bisschop weigerde dat aandeel te betalen. De bedesetters van Hekelgem wezen hem erop dat eenen neutralen rechter nopende die materie van repartitie de quota had vastgesteld en dienden klacht in bij de schepenbank. Op 27 september 1694 kreeg Teralfene de rekening gepresenteerd: het moest de 73 g betalen en ook nog eens 17 g proceskosten.

1698. Barabara Van de Velde driemaal voor de schepenbank[51].

Barbara Van de Velde, de weduwe van Adriaan De Ridder, kocht wijn bij Balthasar Rijcx te Gent. De wijnhandelaar bleef echter met een onbetaalde rekening van 56 g zitten. De schepenen verplichtten Barbara de rekening te betalen en de proceskosten van 7 g 12 st 3 o. In 1698 was Barabara vragende partij. Op 1 maart had er in haar huis de verkoop plaats van een huis te Bleregem. Jacobus Van Ransbeeck was er samen met Peter De Vis, Joos Van den Bossche, Joos Van Onchem en Adriaan Van den Abeele en zijn vrouw. Zij dronken er bier, wijn en brandewijn zonder te betalen. Tegen een van hen, Jacobus Van Ransbeeck, diende Barbara een klacht in.

Een jaar later moest Barbara weer voor de schepenbank verschijnen, ditmaal als gedaagde. Jonker Joannes Arnoldus Crabeels had bij haar twee vaten wijn gekocht. Een vat droeg Peter Van den Biesen op 15 december 1698 naar het gasthuis in Asse, de jonker vertrok met het andere. Hij betaalde de 5 g, wat slechts een deel van de rekening was. Barbara eiste van hem als vergoeding de twee vaten terug. Bij de schepenbank kreeg ze evenwel geen gelijk en bovendien moest ze ook de proceskosten betalen.

1699. De parochie blijft in gebreke[52].

In 1688 kreeg gezworen landmeter Peter Van Damme van de bedesetters de opdracht de parochie op te meten en een cohier te maken. De bedesetters, Franchois Robijns, Michiel Cornelis, Jan Verleysen en Jasper Robijns zouden binnen het jaar 165 g met een rente van 10 g 18 st 1 bl betalen voor zijn werk. Als de betaling uitbleef, mocht de landmeter beslag leggen op goede en sufficiënte panden. De bedesetters betaalden een laatste maal op 15 juli 1696 en bouwden zo een schuld op van 21 g 17 ½ st in 1698. Herhaald aandringen op betaling leverde geen resultaat op en Peter Van Damme zag nog een uitweg: een klacht indienen bij de schepenbank.


[1] Ockeley, J., De rechtspleging in het begin van de 17de eeuw in het Land van Asse, in: Recht in geschiedenis, Davidsfonds, Leuven, 2006, 259 – 263.

[2] SCHOON, E., Een genante geldzaak te Meldert in het jaar 1738, in: De Faluintjes, 2015, nr. 4. Rijksarchief Leuven, Schepenbank Land van Asse.

[3] R.A. Leuven, Schepenbank Asse, toegang 94, nr. 951.

[4] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 1103.

[5] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 1117.

[6] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 1139.

[7] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 405.

[8] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang nr. 208.

[9] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1492.

[10] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1565.

[11] R.A. Leuven, parochie Hekelgem, toegang 620, nr. 192.

[12] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 176.

[13] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 536.

[14] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3586.

[15] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 2170.

[16] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 2207.

[17] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 229.

[18] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 234.

[19] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 5.

[20] R.A. Leuven, toegang 94, nr. 2255.

[21] R.A. Leuven, toegang 94, nr. 2349.

[22] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 554.

[23] Martinus Van den Nest was deservitor te Hekelgem van 13 januari 1667 en pastoor van 5 mei 1671 tot 1709.

[24] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse nr. 2523.

[25] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 2773.

[26] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94 nr. 2821.

[27] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse nr. 2822.

[28] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse nr. 2822.

[29] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse nr. 2827.

[30] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang nr. 2899.

[31] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang nr. 2920.

[32] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3009.

[33] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3035.

[34] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3047.

[35] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3063.

[36] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3061.

[37] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3068.

[38] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3160.

[39] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3085.

[40] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3091.

[41] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3144.

[42] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3143.

[43] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3119.

[44] R.A. Leuven, Inventaris van het archief van de parochie Hekelgem, nr.274.

[45] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3140.

[46] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 6980.

[47] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3198, 3285, 3270 en 3329.

[48] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr.3225.

[49] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3258.

[50] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3350.

[51] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 3336, 3414 en 3419.

[52] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3406.

Bloemlezing van documenten behelzende de abdij Affligem beslecht door de schepenbank van Asse.

1536 – Ruzie over hoptienden.

In 1531 diende de abdij een klacht in bij de Raad van Brabant tegen inwoners van Hekelgem en Meldert. Die hadden op het einde van de 15de eeuw op gronden van de abdij die weinig opbrachten hopvelden aangelegd en er nooit tienden voor betaald. Dat was ook zo voor boeren uit Baardegem, Mazenzele en Moorsel. De abdij eiste nu een vergoeding voor 12 ½ patar[1] per dagwand. De boeren hadden zich daartegen verzet omdat het over onontgonnen gronden ging.

Volgens een verordening van Karel de Grote moest iedere persoon elk jaar 10% van zijn opbrengsten aan de kerk afstaan. Het ging vooral om opbrengsten van de graanoogst, de veldvruchten en het vee. Die verplichting kende een ingewikkelde evolutie. De tienden dienden voor het levensonderhoud van de parochiepriesters, voor steun aan de armen en voor het onderhoud van het kerkgebouw. Elk van de drie partijen kreeg 1/3 van de tienden. Grootgrondbezitters, feodale heren, kapittels en abdijen maakten misbruik van die regeling om tienden in te lijven. Er waren grote tienden op graangewassen en kleine op veld- en tuingewassen zoals raapzaad. Vleestienden werden geheven op voortbrengselen van de stal zoals van varkens en lammeren en het neerhof. Vanaf de 12de eeuw ontstonden de novale of nieuwe tienden op opbrengsten van nieuw ontgonnen gronden en op nieuwe gewassen.

Was de hop toen een nieuw gewas? In de 15de eeuw begonnen de brouwers in Brabant hop toe te voegen aan hun brouwsels. Daardoor bekwam hun bier een betere stabiliteit, een enigszins een bittere smaak en een langere bewaartijd. Dat was zo’n belangrijke verbetering dat in de volgende eeuwen de hop in onze streken een enorme groei kende. Grote en middelgrote landbouwbedrijven schakelden in de loop van die eeuw in de regio Aalst-Affligem-Asse over op de hopcultuur. Zelfs binnen de Aalsterse stadswallen werden hopvelden aangelegd.

Op 14 juli 1536 volgde het vonnis. Op elk dagwand hop moest 12 ½ patar worden betaald zoals voor granen en andere vruchten of in natura voor een gelijkwaardig bedrag. Het belang van dit vonnis is dat het aantoont dat er al op het einde van de 15de eeuw in onze gemeente hopvelden waren.

1542 – Verkoop van land op ’t Dorreken[2].

Jan Gillisjans verkocht in 1542 1 ½ dagwand land aan Jans De Nul en zijn vrouw Kathelijnen Jacops. Het perceel was gelegen te Esene op ’t Dorreken en paalde aan de goederen van de abdij, Gillis Kints en de H. Geeste van Asse en was belast met een grondcijns aan de abdij van 9 myten Brabants[3].

Jan Gillisjans, alias van Pullewouwe, geboren ca 1510 en overleden voor 10 februari 1555 trouwde met Catelijn Van der slachmolen, overleden na 1569, dochter van Joos Van der Slachmolen. Zij hadden zes kinderen:

1- Beatrix, trouwde met Jan Van Nijverseele.

2- Elisabeth, trouwde voor 1566 met Adriaan Vander Haegen, de zoon van Aert.

3- Joanna, trouwde met Jan Sceerlinck, alias Thiers.

4- Joosken.

5- Josyne.

6- Maria.

Jan stierf vermoedelijk in 1554. Dat kunnen we besluiten uit volgende vaststellingen:

1- Zijn pacht van 6 viertelen gaat dan over op zijn zwager Willem Van der Slachmolen

2- Er komt een andere pachter op de Overheide[4].

Jan was pachter op het Hof te Asbeek, ook Hof te Montenaken genoemd. Er is een contract gekend van 28 januari 1528. Zijn moeder Margriete Moyesoens gaf hiervoor als pand 6 dagwand beemt. Vermoedelijk bezat het hof hopvelden. Zo verkocht Jan Moyesoens in 1575 7000 pond hop[5]. Later was hij waarschijnlijk pachter op het Hof te Pameymont[6].

1574 – Verkoop van land te Hekelgem[7].

Op 19 september 1574 verkocht Joos Van der Heyden, de zoon van Stevens, 2 percelen land aan Gillis De Raedt, schepen van Affligem. Peter Van Langenhove, meier en de schepenen van de abdij Mertens, Verelst en Neervelt stelden de akte op. Het eerste perceel, gelegen te Hekelgem, paalde aan de voetweg van het bos naar de kerk van Hekelgem, de Buikouterhaag en aan de goederen van de weduwe Hant De Meije. Het tweede veld lag op Het Beijken en grensde aan de goederen van Johanna Van der Heyden, de H. Geest van Hekelgem en de goederen van de abdij.

Handtekening van meier Jan Van Ghinderachtere.

1583 – Gillis Van Onsem wacht op zijn rente[8].

Gillis Van Onsem, zoon van Henric, bezat een hofstede met huis, stallen en andere toebehoorten te Asbeek. Zijn hoeve grensde aan de straat, de goederen van Sinte Lijsbetten uit Brussel en Jan Raspoets. Jan Meert nam de hoeve over voor een erfelijke rente van 9 karolusgulden te betalen op kerstavond vanaf 1583. Van Jan Meert ging de rente over op Janne Veldeken en zijn vrouw Goedele Meert, de dochter van Jan. Daar zij niet betaalden, hadden de erfgenamen van Gillis het recht om de hand te slaan aan de hofstede en andere panden tot volledige betaling van de renten en de gerechtskosten. Aldus beslisten de schepenen van de abdij, Daneels en L. Thielman, op 8 december 1532.

Werd de rente betaald? Het document vermeldt alleen dat op 6 augustus 1548 Janne Danneel en Christine Van Hulle 1/3 van de rente betaalden.

1593 – De kinderen van Geraert Van Vaerenbergh in de problemen[9].

Geraert Van Vaerenbergh had een erfelijke lening aangegaan van 18 gulden bij jonkheer Elias de la Ramourie. Daar hij zijn financiële problemen niet onder controle kreeg, betaalde hij die rente niet. Anna Van Tryst, de vrouw van de jonkheer, wendde zich via haar advocaat Jannen Mertens op 15 september 1584 tot de Raad van Brabant om beslag te mogen leggen op zijn bezittingen tot 54 gulden, namelijk het achterstel van drie jaar. De schepenen van Affligem verleenden hun toestemming om, na kerkgebod, de procedure tot beslagneming te starten. Tegen dit vonnis tekende de advocaat van de kinderen Van Varerenbergh[10], Geraert Van der Slachmolen, tevergeefs beroep aan. Maar het proces bleef aanslepen tot de definitieve uitspraak van de schepenen op 28 mei 1593. Anna Van Tryst kon eindelijk de achterstallige renten recupereren.

Alsoo ende nae dien opten eenenentwintichsten dach der maendt van mei anno vijftien hondert ende negenentachtich voere meijer ende schepenen des Gidtshijs van Affligem gecompareerd waere geweest joncker Elias de la Ramourie als man ende wettich momboir van jouff. Anna Van Tryst executant ten eendere op ende tegen Gielijssen De Witte in houwelijck hebbende Barbele, Joosten De Mets in houwelijck hebbende Anna Van Vaerenbergh ende Marie Van Vaerenbergh jonge dsochter ende suster des voorschreven Barbele ende Anna Van vaerenbergh kinderen wijlen Geeraerts Van Vaerenbergh opponenten ten andere sijden. Aldaer die voorschreven executant bij Jannen Merttens sijnen procureur hadde versocht gehadt adjucatie ende aenwijsinge van de panden in sekeren constitutiebrieff van achttiene rinsguldens erffelijck begrepen ende als die voorschreven jouffrouwe Anna Van Tryst op den XXIII dach der maendt van augustus anno XV ende vijffventachtich hadde vercregen tegen Geeraerd Van Vaerenberghe volgende copije ende autorisatie bij den Raede van Brabant omme die voorschreven belastinge te mogen doene hem sonderlinge gegeven ende verleent.

1595 – Hoe werden de hoeven van de abdij verpacht[11]?

Drie voormalige schepenen en meiers getuigden op 30 januari 1595 dat de pacht van de hofstaden van de abdij altijd in het cijnsboek werd genoteerd onder de rubriek pacht van hofstaden en dat ze werden verpacht ad modum domistadij, alsof het om knechten ging.

De eerste getuige was Gilles Raedt. Hij diende de abdij 25 of 26 jaar als schepen en meer dan 10 jaar als meier. Gillis Van Ginderachter, 66 jaar oud, was 28 jaar schepen en hij

heeft nooit anders geweten dan dat de hoeven gehouden werden als opsetene domistadij. De vierde  getuige, Guillaume Snellinck, was 23 jaar rentmeester van de abdij en heeft van vorige schepenen en meiers van de laatste vijftig jaar nooit anders gehoord dan dat de hofstaden altijd zijn verpacht geweest ad modum domistadij.

De drie getuigen stelden hun verklaring op voor Aert Mottemans te Brussel.

Wellicht gaat het hier om dom Arnoud Motmans, afkomstig van Leuven. Hij legde de geloften af in 1552 en ontving de priesterwijding op 1 april 1557. In 1563 werd hij prior en op 8 januari tot abt gekozen, maar zijn verkiezing werd nooit door de paus bevestigd. Hij was een voortreffelijk bestuurder. In 1580 trok hij zich terug in de priorij Waver. Dom Motmans overleed op 14 juni 1597.

Ick Gillis Raedt als meijer des Godtshuijs van Affligem ende den voorschreven Godtshuijse gedient hebbende van over de vijff off sessentwintich jaeren voir schepenen ende nu van over thien jaeren geleden voir meijere attestere midts desen als dat ick noijt anders en hebbe gehoirt van mijne voorsaeten in officie ende andere ouders (ouderen) van over de vijff ende sessendertich jaeren ende meer als meijers, schepenen ende anderssints gedient hebbende off de goeden ende panden staende int cheijnsboeck des voorschreven Goidtshuijs van Affligem onder de capittelen geïntituleert pacht van hofstaden ende sijn altijt gehouden geweest gelijck die noch……..

1615 – Matthias Hovius berispt Affligem.

Matthias Hovius werd op 25 september 1595 tot aartsbisschop van Mechelen benoemd en tegelijk tot de 29ste abt van Affligem die toen uit amper vier monniken bestond. De abdij lag sinds 1580 in puin en de monniken verbleven sinds 1595 in het Keizershof te Mechelen tot ze in 1605 naar Affligem konden terugkeren om met de wederopbouw van de abdij te beginnen. Aanvankelijk was Hovius de monniken niet goed gezind. Hij wilde de abdij afschaffen om zo over alle inkomsten van Affligem te beschikken voor de uitbouw van zijn aartsbisdom. In zijn laatste jaren echter steunde hij het herstel van de abdij waar hij soms een week lang verbleef. Dat blijkt ook uit zijn ordonnantie van 22 januari 1615 die Beda Regaus in zijn Bona et Jura (kolom 402 e.v.) opnam. Daarin vaardigde hij een aantal maatregelen uit tot verbetering van de werking van de Affligemse schepenbank.

De ordonnantie is gericht aan de meier, griffier en de wethouders van de schepenbank van de abdij met de duidelijke vermelding dat zij zich voertaen sullen schuldich zijn te reguleren.

1- De overmeier Jan Mertens mag niet optreden als advocaat voor de schepenbank.

2- De overmeier moet samen met de schepenen op geregelde tijden de straten en wegen controleren.

3- Alle procedures van de schepenbank en ook de regeling van de onbetaalde cijns worden beslecht door de meier en twee schepenen.

4- Een rechtszitting wordt gehouden door de meier en vier schepenen.

5- De zittingen hebben om de veertien dagen plaats op maandag. Als die dag een feestdag is, verschuift de zitting naar dinsdag.

6- De zittingen gaan door in de abdij in een lokaal door de E.H. Proost aan te duiden.

7- Alle brieven de schepenbank worden gezegeld in aanwezigheid van twee schepenen.

8- De proost zal ook over een sleutel van de comme der registers ende munimenten beschikken.

9- De meier, de griffier en de schepenen zullen in de plaats van 33 gulden 7 stuivers die ze tot nu als zitpenning ontvingen, voortaan mondcost in de abdij hebben zonder een financiële vergoeding.

10- Overmeier Mertens zal aan de schepenbank binnen de veertien dagen een copie autenticq van alle instructies van zijn dienst bezorgen.

11- Griffier Peter Van Ginderachter moet van de akten van de wettelijke verkopingen van de schepenbank en van andere bewijsstukken een kopie bezorgen aan de schepenbank van Asse voor de registratie van de stukken.

Tot heden werden de ordonnanties niet goed onderhouden wat nadelig was voor de abdij. Vanaf nu moeten alle beter hun debvoiren doen, zeker wat betreft de achterstallige cijns. Ik beveel dat Michiel ’t Serbranckx als griffier en Carel Van der Slachmolen als meier Jan Mertens en Peter Van Ginderachter een straf op te leggen. Ik Reker erop dat allen deze onderrichtingen punctuelijck zullen onderhouden.

1616 – Een pachtcontract voor een hoeve te Asbeek[12].

Op 16 december 1616 verhuurde Margriete Moijesoen, de weduwe van wijlen Guillam Snellincq, gewezen rentmeester van de abdij, een stenen huis met galerij en boomgaard in Asbeek aan timmerman Louis Costermans voor 40 gulden. Het contract hield voor de pachter meerdere verplichtingen in.

1 Wanneer de pachter de huur opzegt, moet hij een huurder zoeken die de goedkeuring heeft van de eigenaar.

2 De helft van het fruit in de boomgaard komt aan de verhuurster toe.

3 De dammen tussen de beek en de vijver en die langs de boomgaard moeten elk jaar worden hersteld.

4 Wanneer de verhuurster of iemand die vanwege haar naar Asse komt, dan krijgt zij of die andere persoon logement op de neerkamer tegen de koolhof.

5 De huurder kan geen kosten van reparatie inbrengen  dan alleen degene die noodzakelijk waren en de goedkeuring van de eigenaar hadden.

Zes jaar later, in 1622, kwam het tot een conflict tussen Margriete en Louis. Hij had samen met Peter Verheyden, Ingel van den Driesch en Lambrecht Tielman van haar een aantal bomen gekocht. Daar was een abeel bij die aan de kant van de beek stond die langs de weide achter het pachthof stroomde en zo verder langs de vijver voor het stenen huis. Van Louis verwachtte ze dat hij de abeel boven de grond zou afzagen zodat de zijkant van de beek niet zou instorten. Maar Lois haalde heel de stronk uit de grond om dat hout nog te recupereren en zo liet hij een groot gat achter dat bij de minste vloed nog zou vergroten. Dat getuigde volgens haar van quaden aensien vermits in de pachtovereenkomst stond dat de bomen boven de grond moesten worden afgezaagd. Om verdere schade aan de weide te voorkomen, daagde ze Louis op 7 februari 1623 voor de schepenbank met het verzoek dat de schepenen hem zouden veroordelen om de berm in de oorspronkelijke staat te herstellen.

1619 – De klacht van pachter Andries Van der Straeten[13].

Andries Van der Straeten pachtte in 1610 de Hoeve ter Heyden Bossche in de Vrijheid van Asse van de abdij Affligem. De hoeve was toen, volgens een schrijven van Andries aan de aartsbisschop Hovius,  seer desolaet, onversien van wooninghe, schure of stallingen, dan alleenlyck eenighe hutten staende op micken[14]. De afgaande pachter had de hoeve verwoest, verbrand en het hout verkocht. De aartsbisschop-abt gaf hem de toestemming om een nieuwe schuur te bouwen met het hout dat hij in de bossen van Affligem  mocht kappen.

De aartsbisschop, Matthias Hovius, te Mechelen geboren in 1542 en in 1567 tot priester gewijd, werd op 25 september 1595 tot aartsbisschop van Mechelen benoemd en tegelijk tot de 29ste abt van de abdij Affligem. Dat was een gevolg van de oprichting van het aartsbisdom Mechelen. De abdij werd toen als dotatie toegewezen aan het aartsbisdom. Affligem telde op dat ogenblik amper vier monniken. De abdij lag sinds 1580 in puin en de monniken verbleven vanaf 1595 in het Keizershof te Mechelen tot ze in 1605 naar Affligem konden terugkeren om met de wederopbouw van de abdij te beginnen. Aanvankelijk was Hovius de monniken niet goed gezind. Hij wilde de abdij afschaffen om zo over alle inkomsten van Affligem te beschikken voor de uitbouw van zijn aartsbisdom want hij kampte heel de tijd met financiële moeilijkheden. In de abdij nam een proost, door Hovius aangesteld, het dagelijks bestuur waar. In zijn laatste jaren echter steunde hij het herstel van Affligemj waar hij soms een week lang verbleef.

In 1619 verkreeg Andries een tweede pachtcontract voor een termijn van 9 jaar. Daar de hutten op de hoeve onbewoonbaar waren, mocht hij eenighe nieuwe edificiën oprichten. Van 1612 tot 1613 had hij al een dure schuur gebouwd en in 1620 startte hij met de bouw van een woonhuis, stallingen, een bakhuis en een wagenhuis. Dat werk heeft hem, zo schreef hij, zo kreupel gemaakt dat hij zijn handen en vingers niet meer kon gebruiken. Hij was er zo slecht aan toe dat hij soms twee tot drie maanden bedlegerig was. Daarenboven had hij bij het aanhalen van de bomen en ander materiaal zijn paarden versleten en zijn wagen stuk gevoerd. Zo’n werk zou hij nu niet meer aanvaarden, zelfs niet voor driehonderd pond groten.

Toen hij de brief schreef, had hij al enkele jaren de hoeve verlaten en hij herinnerde de Hoogw. Heer eraan dat hij toestond dat de nieuwe gebouwen werden getaxeerd door een onpartijdige expert om hem voor zijn werk te kunnen vergoeden. De taxatie bedroeg 3 759 gulden en 10 stuivers zonder de wagenvrachten het werk. Daarvan heeft hij slechts 400 gulden ontvangen zodat het resterend bedrag 3 360 gulden 6 stuivers bedraagt en na aftrek van zijn pacht nog 1 186 gulden 6 stuivers zonder de vergoeding voor de vrachten en het werk.

Andries wees er nog op dat in 1610 de beste velden uitgemergeld[15] en uitgeteerd waren en de slechte akkers begroeid met rieten, biezen en doornen. Het was onmogelijk om daarop vruchten te winnen tenzij na zware arbeid en toch verhoogde abt Hovius de pacht. De voorgaande pachter betaalde maar 260 gulden. Hij huurde de hoeve in 1610 voor 380 gulden en in 1619 was de pacht verhoogd tot 420 gulden.

Dom Wilfried beschreef de hoeve als volgt; Ze lag in Walfergem (Asse) en was in 1370 verhuurd voor 23 mudden rogge, 4 mudden gerst, 19 mudden haver en 24 fl. De landerijen lagen te Asse, Essene, Hekelgem en Meldert. Op 9 november 1650 werd de hoeve getaxeerd op 6 990 fl. Hendrik Van der Straeten was dan de pachter. Met het voorhof en bijvang, groentetuin, hoplochting en boomgaard met het blok achter de schuur bedroeg de oppervlakte 2 b 1 dw. In 1787 was de totale oppervlakte van het bedrijf 50 ha 40 a 22 ca[16]. Bij de confiscatie van de abdijgoederen in 1796 noteerden experts in dienst van de Franse overheid dat la cense de Terheydenbosch 40 b 32 r groot was en met de weduwe Gheude als pachter. Zij betaalde jaarlijks 860 gulden en 10 mudden haver. Ze had in 1796 een achterstallige pacht van 430 gulden voor 1795[17].

Het is jammer dat de laatste bladzijde van het document ontbreekt zodat we het antwoord van de abdij niet kennen. Dat de velden er verwaarloosd bijlagen was zeker een gevolg van de godsdienstoorlogen. Bezettingen, opeisingen, muitende Spaanse soldaten en de inquisitie hadden ervoor gezorgd dat veel mensen op de vlucht waren. Op 9 april 1609 werd een Twaalfjarig Bestand ondertekend zodat er eindelijk een periode van vrede aanbrak. De mensen herstelden hun huizen en konden hun akkers weer bewerken. De brief van Andries Van der Straeten typeert de tijd. De boeren brengen hun bedrijf weer in orde en zijn het slachtoffer van de geldhonger van overheid en grote eigenaars die ook hun bezittingen wilden herstellen.

1621 – Adriaan Van Linthout koopt De Putterije[18].

Op 20 december 1621 verkopen Karlen De Coninck en zijn vrouw Marie De Witte de weide De Putterije aan Adriaan Linthout en zijn vrouw Johanna De Vlaminck. De weide grensde aan de straat, de 6 dagwand van Aert Van de Putte en de Asbroek. Het goed was belast met een grondcijns van 9 cappuijnen, een vierlinck of in geld 3 gulden 5 stuivers ½ braspenning aan de abdij te betalen met Kerstmis plus een laatste rente van 18 carolusgulden.

1630 – Landmeter Joos Wouters betaalt niet[19].

Joos Wouters liet de schilder Jan Van Benthem in opdracht van de abdij drie koppen vergulden en zwart stofferen voor 5 gulden en nog eens 2 koppen met dezelfde opdracht voor zijn woonhuis binnen het klooster van Affligem voor 3 gulden. Maar Wouters betaalde de rekening niet, ook niet na het vele en menichvuldige minnelijck debvoiren van de schilder. Hij was zelfs naar Aalst en naar het huis van de schilder gegaan om aan zijn geld te geraken. Dus bleef er voor Van Benthem niets anders over dan inne te trecken den wech van rechte en de schepenen van Asse te vragen Wouters te verplichten de geëiste 8 gulden te betalen[20].

Het zinsdeel “voor zijn woonhuis binnen het klooster” roept nogal wat vragen op die een antwoord vereisen. Joos was een zoon van Andries en Anna Lemmens, een zus van Franchois Lemmens, de bosmeester van de abdij. Joos was meester timmerman en trouwde tweemaal. Eerst met Anna Robijns, dochter van Aert, de pachter op het Hof te Koudenberg te Hekelgem en daarna met Anna Van Mulders. Hij had geen kinderen en woonde te Meldert. Op 14 februari 1623 werd hij door aartsbisschop en abt Jacobus Boonen belast met de restauratie van de abdijkerk die sinds de brand van 1580 in puin lag. Er stonden nog slechts enkele muren overeind. Zijn taak omvatte zowel het timmer- als het metselwerk, de restauratie van de gewelven en de vloeren, de bepleistering en het witten, het herstel en verhogen van de twee torens en de bedaking met leien. De abdij zorgde voor de stenen en het hout. Op 1 september 1625 moest alles klaar zijn[21]. Om dat te realiseren moest Joos wel een beroep doen op bijzonder veel vaklui.

In 1644 maakte hij samen met zijn halfbroer Jan, bosmeester van Affligem, nog plannen voor een reeks verbouwingen van de abdij. De hiervoor vermelde opdracht aan schilder Jan Van Benthem had zeker te maken met zijn opdracht als restaurateur van de abdij. Het woonhuis binnen het klooster was de woning die zijn schoonbroer Franchois had laten bouwen achter de oostvleugel van de abdij toen de monniken nog in het Keizershof in Mechelen verbleven. Na hun terugkeer in 1605 gebruikte ze dat huis als refter en keuken en nadien nog als infirmerie. In 1637 werd het afgebroken. De vraag is dus: woonde Joos ook in dat huis tot 1605 of gaat het om een onjuiste formulering en moet het zijn: het huis binnen het klooster.

1632 – De griffier van de abdij eist betaling van renten[22].

Op 30 juni 1632 wil Peter Van Ginderachter, de griffier van de schepenbank van Affligem, van Peter Verhasselt weten waarom hij zijn vierde deel van een erfelijke rente van 24 gulden niet betaalde. Via zijn advocaat Adriani richtte hij zich tot de schepenbank van Asse. De ¾ van die rente was in handen van Peter Hujoel en zijn erfgenamen.

Dat Peter Verhasselt die 1/4 of 6 gulden moest betalen blijkt uit seker geschrift tusschen den voorschreven Verhasselt ende Peter Van Ginderachter. Dat was het begin van een gerechtelijke procedure die anderhalf jaar zou duren.

Op 30 juli 1633 oordeelden de schepenen van Asse dat de voorgelegde stukken Peter Van Ginderachter toelieten de procedure tegen Peter Verhasselt en Peter Hujoel voort te zetten. Voor Peter Verhasselt was dat een teken dat hij zijn gelijk niet kon halen en hij gaf in consignatie aan Carel Van Innichoven, de vorster van de schepenbank, zijn vierde part van de rente. Peter Hujoel deed hetzelfde voor de overige 3/4den. Maar volgens de schepenen kon men zich alleen ontlasten van eenige quijtbare renten de selve moet affleggen ende quijten in handen van de gene die daertoe sijn gericht, met andere woorden de rente moest aan Peter Van Ginderachter worden betaald. Uiteindelijk, het procederen moe, verzochten zowel Peter Van Ginderachter als Peter Hujoel en zijn familie de schepenen om een vonnis. Na advies van geleerden ende meesters in rechten dat Peter Van Ginderachter voor ¾ van de rente panden van Peter Hujoel en zijn familie mocht aanslaan tot het bedrag van de achterstallige rente. Bovendien werden zij ook veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten.

1634 – De koeien mogen er niet door[23].

1634. Al drie jaar is er te Asbeek een conflict tussen twee pachters. De weduwe van Jan De Valck wil niet dat er door haar straatje koeien naar de weide gedreven worden en zeker niet dar er wagens getrokken door paarden door komen. Voor de pachters op de hoeve van Margriete Moeijsoen, de weduwe van de abdijrentmeester Guillaume Snellinck is dat onaanvaardbaar. Margriete schakelde advocaat Adriani in om haar zaak bij de schepenbank van Asse te bepleiten.

Over welke staat ging het? Het straatje met aan de kant een voetpad is een zijweg van de reijbane loopende van Aelst op Brussel. De huidige steenweg werd pas in 1704 aangelegd. Was die reijbane dande oude Romeinse heirbaan of de oude handelsweg die van de abdij via de Abdijstraat, de Domentseweg en een deel van de Gentsesteenweg aansloot op de oude heirbaan[24]? Uit de context van het document kunnen we afleiden dat het gaat om het straatje op de bijgevoegde kaart links van de splitsing van de hoofdweg met op het einde voorbij de scherpe bocht naar links de aansluiting op de voetweg.

Om zich over de zaak goed te kunnen informeren riepen de schepenen Steven Van Mulders en Thomas De Pleckere op 20 september 1634 vier getuigen op. De eerste getuige was Merten Verhaegen, een 65-jarige arbeider uit Asbeek. Sinds zijn jeugd woonde hij in Asbeek en hij was al dikwijls in het straatje geweest. Hij weet dat tot drie jaar gelden de voetweg werd gebruikt om het vee naar de weiden te leiden, maar zelf heeft hij dat niet gezien en zeker niet dat er waegens, ploegen off eghden  door reden. Trouwens voor veertien jaar lag de ingang van het straatje zo hoog dat het voor wagens, geladen of leeg, niet mogelijk was om er in te rijden. In de straat, aan de kant van het blok De Filleijt” ligt er een bron die men, voor de troublen begonnen langs drie kanten heeft omheind. Hij heeft vaak van het water uit de bron gedronken. Maar tussen de omheinde bron en de beek is er nu zo weinig plaats dat het niet mogelijk is om er met wagens te passeren. Merten verklaarde voorts dat er ook abelen stonden en dat de schuur van de weduwe De Valck langs de kant van het gehucht Ter Beken zo dicht tegen de beek staat dat men met wagens daardoor niet over de stenen brug kan rijden in de richting van De Weijtsbeke of het Bekerveld. Hij is meermaals in die schuur geweest, ook eens toen er een bruiloft was en hij uit nieuwsgierigheid naar bruid en bruidegom ging kijken.

Adriaan Schockaert, 60 jaar en Asbekenaar, vertelde dat zijn vader nog op het pachthof van Snellincq heeft gewerkt en hij is dus dikwijls in de straat geweest. Van zijn vader en ook van Christiaan De Corte hoorde hij dat men tot drie jaar geleden langs de straat dieren naar de weide bracht, wagens reden er niet door. Die van Ter Beken moesten hun varkens laten hoeden met die van Asse en ze mochten hun dieren door de dreef leiden. Hij herinnerde zich ook dat hij elf tot veertien jaar gelden zijn koeien door het straatje naar Het Weijtsbroeck wilde drijven en dat Josijne Van der Borcht, de weduwe van Peter De Valck, en schoonmoeder van de gedaagde weduwe van Jan De Valck hem niet doorliet zodat hij genoodzaakt was om terug te keren. Aan de ingang van de weide van De Valck stond een stichele, een getimmerde overstap, en in de zijkant van de beek was er een gat gevuld met doornen. Zelf was hij jarenlang voerman, maar hij heeft nooit iemand met paarden door de dreef zien rijden en hij heeft wel vijf of zes pachters van het hof van Snellincq gekend.

 Rombout Verhaegen, een 59-jarige arbeider uit Asbeek bevestigde de verklaringen van de getuigen voor hem. Hij herinnerde zich een conflict met Josijne De Valck, kleindochter van Josijne Van der Borcht. Zij verhinderde dat enkele meiden van Adriaan De Waghenere, pachter van het hof van Snellincq, met de koeien door het straatje wilden gaan en dat Josijne de dieren met eene peertse wederomme dede keeren ende gaen van aldaer sij gecommen waeren. Volgens hem stond de stichele dwars over de dreef net aan de ingang van de weide.

Timmerman Ingel Van der Heyden, 66 jaar, was de laatste getuige. Hij woonde al 44 jaar in Asbeek en was 28 jaar lang de tiendensteker voor Adriaan Schockaert en Adriaan De Waghenere. Dat de voetweg werd gebruikt om koeien, paarden, schapen en ander vee door te leiden, weet hij niet. Van Adriaan Schockaert en Christiaan De Corte vernam hij dat het wel het geval was tot drie jaar geleden. Tot slot vertelde hij nog dat, als Den Cluijsberch was bezaaid, het Bekerveld braak lag en omgekeerd.

Na het verhoor van de getuigen eiste Margriete Moeijsoen op 17 oktober dat haar tegenstandster alle schriftelijke bescheeden zou voorleggenwaarop zijzich steunde om de toegang tot het straatje aan anderen te verbieden. Bovendien wilde ze ook dat de weduwe De Valck een borg zou stellen omdat ze een vrouw was van afgaende middelen. Die ontkende ten stelligste dat zij financiële problemen had. Alle inwoners van de Vrijheid, zo stelde ze, weten dat zij is versien van vele schoone gronden, van erffven ende behuijsde hoffsteden die sij voor geene thien duijsent guldens en soude willen acquiteren en bijgevolg hoefde  ze niet voor een borg te zorgen. Op 23 januari 1635 gaven de schepenen haar daarin gelijk. Of ze haar ook gelijk gaven en de boeren met hun koeien door het straatje niet meer mochten passeren, weten we niet.

In 1622 had Margriete al eens een proces ingespannen bij de schepenbank. Timmerman Louis Costermans, de pachter van haar hoeve te Asbeek, had samen met Peter Verheyden, Ingel Van den Driesch en Lambrecht Tielman een aantal van haar bomen gekocht. Daar was een abeel bij die stond aan de kant van de beek die langs de weide achter het pachthof stroomde en zo verder langs de vijver voor het stenen huis. Van Louis verwachtte ze dat hij de abeel boven de grond zou afzagen zodat de zijkant van de beek niet zou instorten. Maar Louis haalde heel de stronk uit de grond om dat hout nog te recupereren en zo liet hij een groot gat achter dat bij de minste vloed nog zou vergroten. Dat getuigde volgens haar van quaden aensien vermits in de verkoopsovereenkomst stond dat de bomen boven de grond moesten worden afgezaagd. Om verdere schade aan de weide te voorkomen, daagde ze Louis op 7 februari 1623 voor de schepenbank met het verzoek dat de schepenen hem zouden veroordelen om de berm in de oorspronkelijke staat te herstellen[25]. In hetzelfde dossier zat ook het pachtcontract van 16 december 1616. Margriete Moijesoen verhuurde een stenen huis met galerij en boomgaard in Asbeek aan Costermans voor 40 gulden. Het contract hield voor de pachter meerdere verplichtingen in.

1 Wanneer de pachter de huur opzegt, moet hij een huurder zoeken die de goedkeuring heeft van de eigenaar.

2 De helft van het fruit in de boomgaard komt aan de verhuurster toe.

3 De dammen tussen de beek en de vijver en die langs de boomgaard moeten elk jaar worden hersteld.

4 Wanneer de verhuurster of iemand die vanwege haar naar Asse komt, dan krijgt zij of die andere persoon logement op de neerkamer tegen de koolhof.

5 De huurder kan geen kosten van reparatie inbrengen dan alleen degene die noodzakelijk waren en de goedkeuring van de eigenaar hadden.

1637 – De kinderen Snellincq verkopen al hun bomen (1637)[26].

Na de dood van hun moeder, Margriete Moijesoen die al weduwe was van de abdijrentmeester Guillaume Snellincq, verkopen haar kinderen alle bomen die op de gronden van hun erfenis stonden. Dat gebeurde onder strikte voorwaarden.

1 De kopers betalen de helft van de koopsom op Sinte Mertensmesse (11 november) en de andere helft op Sinte Andriesmesse (30 november).

2 Wie eerste bod uitbrengt tot tevredenheid van de verkopers, krijgt den palmslach en als er geen opbod komt, heeft hij recht op 24 stuivers.

3 Wie de palmslag heeft, mag voor de anderen tot driemaal toe opbieden. Van elk bod van 24 stuivers is 2/3 voor de verkoper en 1/3 voor de bieder. Nadien mag ieder bieden zoveel hij wil.

4 De laatste bieder bij de vuijtganck van der berrender keerssen off stockslaeghe moet binnen de acht dagen de koopsom betalen ten huize van advocaat Snellincq in Brussel op de hoek van de Nieuwe Ossenmarkt op straf van 10 gulden voor elke koop.

5 De kopers moeten onmiddellijk voldoende borg geven. Als iemand geen borg wil of kan geven, dan zal men de goederen opnieuw verkopen. Is de verkoopsom lager dan bij de eerste verkoop, dan zal de gebreckelijcken cooper het verschil plus de onkosten en de schade moeten vergoeden. Bedraagt de koopsom hoger dan bij de eerste verkoop, dan komt het verschil de verkopers ten goede.

6 De kopers zullen de bomen die op de kanten staan, net boven de grond afzagen. Halen zij de stronken uit de grond, dan moeten ze de putten op hun kosten binnen de veertien dagen vullen. Tegen Sint- Andries moeten alle bomen gekapt en alles opgeruimd zijn. Is dat niet gebeurd, dan worden de bomen geconfisqueerd. De struiken mogen niet beschadigd worden.

7 Het hout wordt weggevoerd langs de wegen die de pachter zal aanduiden.

8 De kopers zullen in handen van de advocaat Snellincq 7,5 stuivers op elke koop betalen voor de registratie van de borgstelling.

9 Om de bomen te ontgraven mogen de putten niet groter zijn dan vier voeten in de ronde.

10 De struiken die de kopers hebben verwijderd om de bomen te kappen, moeten zij herplanten.

Verslag van de verkoop.

Aan het stenen huis.

1 Twee appelaren en een perelaar in de boomgaard, ingesteld door meester Nicolaas Snellincq, geen hoger bod: 6-5-0.

2 Vier appelaars tegen de straat, waarvan een op de grond ligt, ingesteld door meester Snellincq, geen hoger bod: 6-5-0.

3 Een appelaar en een kerselaar tegen de straat lopende naar de dam van de vijver, ingesteld door meester Snellincq, met zesmaal hoger bod: 11-0-0.

4 Aan de vijver twee appelaars en twee elzen, ingesteld door dezelfde advocaat, met zesmaal hoger bod: 4-10-0.

5 In de boomgaard een appelaar, twee kerselaars en een notelaar, ingesteld door Hendrik Van Ginderachter, met driemaal een hoger bod: 6-10-0.

6 Acht pruimelaars, voor de boomgaard, ingesteld door Gillis Verhasselt, met driemaal opbod: 1-17-0.

7 Een beuk, twee appelaars en twee perelaars, ingesteld door Jan Baptist Boonaet, met viermaal een hoger bod: 6-10-0.

8 Aan de bocht voor het huis een notelaar, twee notelaars bij de schuur op de andere boomgaard, ingesteld door de advocaat, met viermaal een hoger bod: 11-10-0.

9 Drie appelaars en een perelaar langs de straat, ingesteld door Guillam Van Langenhove, met driemaal een opbod: 7-5-0.

10 Twee appelaars en twee tronkeiken[27], ingesteld door de advocaat, met viermaal een hoger bod: 8-0-0.

11 Aan de andere straat op het einde van de poel drie wilgen, een els en een tronklinde, ingesteld door Steven De Raedt, met driemaal een opbod: 5-5-0.

12 Aan de andere zijde van de vijver drie wilgen, ingesteld door Arnoult Adriani, met driemaal een hoger bod: 7-0-0.

13 Drie notelaars tegen de vijver en twee olmen aan de straat, ingesteld door Merten De Meester, met driemaal een hoger bod: 13-10-0.

Achter de gaelderije.

1 Tien kerselaars, ingesteld door meester Jan Baptist Boonaet, met driemaal een hoger bod: 2-8-0.

2 Een populier en drie wilgen, ingesteld bij Gillis Van Langenhove, met driemaal een hoger bod: 6-0-0.

3 De berk over de beek, een grote beuk, twee tronkeiken en een opgaande eik, ingesteld bij de advocaat, met achtmaal een hoger bod: 20-0-0.

4 Op de hoofddam aan de brug 21 wilgen, ingesteld door de advocaat, met driemaal een hoger bod: 6-0-0.

5 Vier opgaande wilgen en een tronkwilg aan de bron, ingesteld door Gillis Verhasselt, met driemaal een hoger bod: 13-0-0.

6 Langs de voetweg tussen het bos en de bron drie elzen, een opgaande eik en een tronkeik, ingesteld door Arnoult Adriani, met driemaal een hoger bod: 11-0-0.

7 Op de Putberg vier opgaande espen, ingesteld door Joos Rogiers, met driemaal een hoger bod: 8-10-0.

8 Ook op de Putberg zes espen, ingesteld door Jan Baptist Boonaet, met driemaal een hoger bod: 9-0-0.

9 Idem tegenover de vijver zes espen, ingesteld door advocaat Snellincq, met viermaal een hoger bod: 8-10-0.

10 Idem beneden aan de weg twee espen, twee olmen en een opgaande eik, ingesteld door Carel Van Innichoven, met driemaal een hoger bod: 11-0-0.

Op de Putberg.

1 Int afhangen van den berch een esp, een tronkeik en vier opgaande eiken, ingesteld door de advocaat, met viermaal een hoger bod: 8-0-0.

2 Tegen Het Vilt twee opgaande eiken, een tronkeik en een esp tegen de voetweg, ingesteld door Arnoult Adriani, met driemaal een hoger bod: 9-0-0.

3 Op dezelfde plaats drie espen en een kerselaar, ingesteld door Jan De Troch, met driemaal een hoger bod: 10-0-0.

4 Op De Steenpoel tegen de straat twee opgaande eiken aan malkanderen gewassen als een gaffel, twee opgaande eiken en een tronkes, ingesteld door de advocaat, met zesmaal een hoger bod: 15-10-0.

5 Ook drie tronkeiken, een olm, drie kerselaars, twee opgaande eiken en een esp, ingesteld door Jan Cornelis, met viermaal een hoger bod: 12-0-0.

Tegen ’t Gaetkensblock ende Rotbroeck ende daer binnen.

1 Twee tronkeiken en twee kerselaars, ingesteld door Carel Van Innichoven, met driemaal een hoger bod: 8-10-0.

2 Aldaar ook een tronkels, een kerselaar en twee tronkessen, ingesteld door Carel Van Innichoven, met driemaal een hoger bod: 8-0-0.

Op de Wijtsbeek.

1 Een opgaande kerselaar, een tronkkerselaar, een tronkeik, een els met een gaffel, nog een opgaande els en nog een kerselaar aan de Molenbeek, ingesteld door (onleesbaar), met zesmaal een hoger bod: 9-10-0.

Op Bekerveld

1 Twee tronkeiken, ingesteld door de advocaat, met driemaal een hoger bod: 7-10-0.

Op ledich lant int Bosselken.

1 Een tronkeik, twee kerselaars, een perelaar en een esp die op de grond ligt, ingesteld door François Linthout, met driemaal een hoger bod: 7-0-0.

2 Twee opgaande eiken, een tronkeik, een opgaande es en een tronkes, ingesteld door de advocaat, met zesmaal een hoger bod: 25-0-0.

Derden coop vervolgens int weijken tegen den dreeff.

3 Drie tronkeiken, twee tronkessen, twee kerselaars en twee opgaande essen, ingesteld door Joos Rogiers, met driemaal een hoger bod: 25-10-0.

4 Een opgaande eik en twee tronkeiken, ingesteld door meester Jan Baptist Boonaet, met viermaal een hoger bod: 11-0-0.

5 Tegen ’t Bekerveld nog drie tronkeiken, een kerselaar en een es, ingesteld door Carel Van Innichoven, met driemaal een hoger bod: 18-10-0.

Iersten coop tegen Cleijn ledich landt aen De 3 Dachwanden.

1 Drie tronkeiken zonder een gaffel en een tronkes, ingesteld door de advocaat, met zesmaal een hoger bod: 22-10-0.

2 Vijf tronkeiken en een tronkes, ingesteld bij de advocaat, met viermaal een hoger bod: 15-10-0.

3 Nog vier opgaande essen en twee tronkessen, ingesteld door Carel Van Innichoven, met driemaal een hoger bod: 29-0-0.

Bijzondere koop.

Tussen de vijver en de beek op de dam, beginnend aan de grobbe waar het beekwater in de vijver vloeit tot aan de bron: 59 wilgepoten, ingesteld door Merten De Meester, met driemaal een hoger bod: 3-0-0.

1637 – Wie heeft recht op de cijns van de Merchtemkouter[28]?

Volgens Steven Herrebosch, de ontvanger van de cijns voor de abdij te Merchtem, kwam de cijns van een stuk land op de Merchtemkouter naast de Weijenberghe en tegen het koutergat in de Vrijheid van Merchtem toe aan de abdij. Het ging om 9 viertelen rogs. Hij was in het bezit van dat perceel gekomen op 12 september 1637. Maar Steven Van der Slachmolen, man van Margarite Van Nieuwenhove en voorheen van Peter Verhasselt, eiste van de ontvanger een cijns van 9 gulden per jaar. Zijn voorouders hadden op dat stuk land altijd de cijns geïnd. Van de Schepenbank van Asse verwachtte hij dat Steven Herrebosch zou veroordeeld worden tot betaling van  225 gulden, namelijk zijn achterstel plus kosten.

Had Steven Herrebosch zich onopzettelijk vergist of was het een sluwe zet om aan de cijns te ontkomen? Daar het document onvolledig is, zullen we het antwoord niet te weten komen.

Gedaegde den welcken was getreden in possessie van dien op den twelffsten september sesthien hondert ende sevenendertich getelt in voldoeninghe van sijne achterstel de somme van twee hondert vijffentwintich rinsguldens blijckende bij de autentijcke cpoije van de quittantie hier mede gaende

Hebbende daer vor aen voorschreven voorsaeten des aenleggers ende aen sijn huisvrouwe gegeven de ….

1641 – Gillis betaalt het vet rund niet[29].

Gillis Van Ransbeke kocht, tussen 1641 en 1649, een vet rund van dom Rumoldus Crabbe, de hofmeester van de abdij voor 15 gulden. Maar dom Rumoldus kon int minnelijck egeene betaelinge becommen wat debvoiren tot dien eijnde gedaen. Om aan zijn geld te geraken bleef hem niets anders over dan Gillis door de schepenbank van Asse te laten dagvaarden in de hoop dat de schepenen hem zouden verplichten zijn schulden te betalen.

Rumoldus Crabbe was afkomstig van Brussel en trad in 1627 in. In 1636 was hij pomarius, de verantwoordelijke voor de boomgaard, en vanaf 1641 was hij hofmeester. In 1649 vertrok hij naar de priorij Bornem. Hij kampte voortdurend met hoofdpijn en overleed op 15 juli 1650.

Gillis Van Ransbeke vinden we in die tijd niet in Meldert.

1645 – De boswachter van de abdij blijft in gebreke[30].

Stel je huurt een stuk land en de vruchten die je daarop hebt gezaaid worden vernietigd door een kamperend leger, een storm of overvloedige regens. Moet je dan de pacht betalen? Dat is een eeuwenoude strijdvraag. De verhuurder had natuurlijk gerekend op die inkomsten en de huurder op de opbrengst. Voor beiden een moeilijke zaak. De abdij voorzag in haar pachtcontract voor dergelijk voorval een schadeloosstelling als ze tijdig op de hoogte werd gebracht en de schade kon laten taxeren. Maar niet alle eigenaars waren daartoe bereid zoals onderstaand geval aantoont.

Jan Maurissens, boswachter van de abdij, pachtte in 1645 en 1646 van Guillaume Plas de naerweijde gelegen in Den Rooden Meersch  te Meldert. In 1645 viel er zoveel regen dat de weide bijna heel de tijd onder water stond en hij er geen enkel profijt van had en dus betaalde hij de pacht niet. Dat leverde hem een proces op want Guillaume had een klacht tegen hem ingediend bij de schepenbank van Asse.

In Meldert komt er midden 17de eeuw een familie Marissens voor: Jan en Barbara Fijn. Zij hadden 6 kinderen te Meldert gedoopt:

1- Gertrudis, ° op 17 november 1637.

2- Margareta, ° op 27 november 1639.

3- Judoca, ° op 12 augustus 1641.

4- Jan, ° op9 augustus 1643.

5- Martinus, ° op 19 maart 1646.

6- Catharina, ° op 7 augustus 1649.

Een Guillaume Plas komt dan niet in Meldert voor.

1661 – Is meier de Charles de la Mars een woekeraar?[31]

Charles de la Marche of de la Mars was meier van de abdij Affligem van 1616 tot 1657. Hij was gehuwd met Catharina de la Quadra, overleden in 1635. Zijn pensioen van 75 gulden stopte in 1661. Was hij overleden of was het een strafmaatregel van de abdij omwille van zijn frauduleus gedrag? Zijn slechte reputatie was in elk geval bij de abdij bekend geraakt. Hierbij twee rechtszaken waarbij Charles de la Mars betrokken was.

De zaak Jan De Deken

In 1650 ging Jan De Deken uit Mazenzele een lening aan van 8 ponden Vlaams bij Charles de la Mars, meier van de abdij Affligem. Twee jaar later leende hij nog eens 10 ponden, samen 18 ponden Vlaams of 108 rijnsgulden. Zoals bepaald door de wet, vroeg de meier geen intrest. Keizer Karel had op 29 oktober 1540 een plakkaat uitgevaardigd dat bepaalde dat het alleen aan den goeden coopman geoirloft ende toegelaten was intrest te vragen tot een rente van maximum 8,33%. Aan anderen was het verboden van met geld winst te maken, dat werd beschouwd als woeker. Volgens Jan had de meier hem door groote persuasie, inportun schrijven ende continuele drijgementen zodanig gedwongen ende affgeperst dat hij elk jaar 8 gulden betaalde voor de eerste lening en 12 gulden voor de tweede. In het totaal had hij al 75 gulden betaald in de mening dat hij zo zijn leningen afbetaalde en dat er slechts nog 37 gulden van overbleef. Zijn verontwaardiging was dan ook groot toen hij ontdekte dat volgens De la Mars hij alleen maar de intrest op de lening had betaald. Dat was volledig in tegenstrijd met het plakkaat van de keizer waarin uitdrukkelijk vermeld was dat het is notoir ende wel expressellycken verboden dat men van geleenden gelde egeenen intrest schuldich en is te betaelen noch en vermach heijsschen vele min te doen betaelen. Zijn betalingen waren dus afkortingen van de geleende bedragen. Als de la Mars dat niet aanvaardde was hij eenen waerachtghen woecker, zeker gezien het hoge bedrag dat hij eiste, meer als drije dobbelen intrest.

Maar de meier perste niet alleen Jan De deken af. Ook van andere schamele persoonen woonende alhier onder Assche ende binnen de Lande van Brabant eiste hij zo’n hoge intrest dat hij ze tot de beenen toe is vuijtmergelende ende hun vleesch ende bloed is opetende. Bovendien ontkende hij, ter quaeder trouw sijnde, dat De Deken hem geld had gegeven. Gelukkig had Jan enkele getuigen. Tegenover notaris Michiel De Bisschop verklaarde Jan De Nil, 28 jaar, onder eed dat hij samen met de vrouw van De Deken naar de woning van de meier te Aalst was geweest. Daar aangekomen gaf de vrouw hem een som geld om het voor haar te tellen en aan de meier te geven. Die nam de munten uit zijn handen en zei dat hij het geld zelf wel zou tellen. Hij ging er mee naar zijn comptoirken. De Nil, gezeten op seker banxcken hoorde hem het geld tellen. De Dekens vrouw zei toen dat het 12 gulden was, wat de meier bevestigde met de woorden jae, jae, wij sullen geen abuus hebben. Peter Van den Driessche, 60 jaar, getuigde dat hij met Jan De Deken naar sieur De la Mars was geweest om er 48 gulden te lenen. De meier overhandigde Jan slechts 44 gulden, 4 gulden diende als intrest. Een derde getuige, de 54-jarige Joos De Nil, verklaarde dat hij drie jaar geleden met Jan De Deken meeging naar de meier en dat Jan daar een som geld aan de meier gaf. Hoeveel weet hij niet. Hij hoorde wel dat de meier zei dat Jan nog tijd genoeg had om de lening te betalen. Anna Moyensoen, de weduwe van Adriaan Van den Biesen betaalde voor Jan aan de meier 2 gulden. Erger nog overkwam het de kinderen en erfgenamen van Gillis Van Ransbeke. Hun vader had bij de la Mars een lening aangegaan en volledig terugbetaald. Op de keerzijde van het contract stonden de afbetalingen genoteerd. De la Mars had dat gedeelte van het contract afgesneden, maar men kon nog zien eenighe beenen van de letteren off woord betaelt. De meier ontkende met eenen quaden eed de betalingen. Toch moest hij zijn misstap toegeven aan enkele monniken.

De la Mars beging trouwens meerdere criminele feiten. Als notaris vervalste hij[32] een akte en alleen door tussenkomst van goede vrienden kreeg hij alleen een boete. Hij werd, aldus Jan De Deken alleenelijck gegeeselt in de borse. Het verwonderde Jan dat de overmeier, die toch op de hoogte was van de criminele handel van de meier, hem als advocaat liet optreden. Maar het is zoals men zegt: om liefde van den smeer, leckt de kat den candeleer. Tot slot van zijn verweer drukte De Deken de hoop uit dat de overmeier, nadat hij zijn weerlegging aandachtig heeft gelezen en zich goed heeft geïnformeerd, de la Mars niet zal favoriseren, maar tegen hem sijn swerdt sal trecken ende daerover straffen naer behooren.

Op 17 augustus 1660 kwam het tot een akkoord tussen Charles de la Mars junior, die zijn vader vertegenwoordigde, en Jan De Deken met zijn vrouw Pierijne Moysoene. Omdat er noch vele costen souden hebben connen te gereijsen besloten ze het proces te beëindigen. Voor notaris H. De Raedt en in aanwezigheid van de getuigen Michiel De Baetselier en Servaas Moysoene kwam de volgende overeenkomst tot stand. Jan De Deken zou direct 6 gulden en binnen de 8 dagen 36 gulden aan de la Mars betalen. De 14 gulden die Jan nog schuldig was door de verplichting van een koppel kippen te geven, kwam te vervallen. Omdat de advocaat van De Deken, Slachmolen, zijn extraordinaire debvoiren had gedaan, stelde de notaris voor dat Jan hem eene coppel haesen versch wesende zou geven.

De zaak Joos De Nil[33].

Ook Joos De Nil, eveneens uit Mazenzele en zoon van Machiel, ging bij meier de la Mars een lening aan. Op 6 mei 1659 ontving hij 96 gulden. Die lening bestond uit graan ter waarde van 24 gulden, en een bedrag van 60 gulden dat nog werd aangevulde met 12 gulden. De akte werd verleden door notaris De Bisschop. Van een intrest was bij het opstellen van de akte geen sprake. In de volgende twee jaar betaalde Joos 61 gulden 1 stuiver af zodat hij nog 38 gulden 6 stuivers had af te korten. Tot zijn ergernis ontdekte Joos dat de la Mars de bedragen had veranderd. Er stond nu 62 gulden in de plaats van 60 en 14 gulden en niet 12. Hij had er dus 4 gulden bij gedaan. De Nil, onnoosel sijnde, zwichtte voor de dreigementen van de meier en aanvaardde de verhoging van het bedrag. Ook uit vrees voor bijkomende kosten.

Maar het ergste moest nog komen. Op 21 januari 1661 diende de la Mars bij de schepenbank een klacht in tegen De Nil wegens wanbetaling. Volgens een akte van notaris De Bisschop van 1 oktober 1655 had De Nil bij de meier een lening aangegaan van 210 gulden 10 stuivers met een intrest van 6,25%. Daarvan had hij al 61 gulden 1 stuiver afbetaald en was hij hem nog 150 gulden schuldig. Volgens De Nil zou hij nooit zo’n akte ondertekenen en was het zo klaar als de sonne in den middagh dat de akte vals was.Joos dreigde dat hij naar de Raad van Brabant zou stappen omdat hij de originele akte niet kon tonen en dan zou hij de strooperije int claer brengen. Toenkwam de La Mars met een nieuwe overeenkomst daterend van 1 januari 1659 op de proppen, een obligatie van 150 gulden. Die akte bezorgde hij op 29 maart 1661 aan de schepenbank van Asse. Die overeenkomst was opgesteld door Laureijs Robijns en Gillis Van Buggenhout met Martinus Wambacq, de griffier van de abdij, en de schepen Nicolaas Faseel als getuigen. Joos en Jan De Nil, zijn neef uit Mazenzele, hadden de tekst ondertekend en nog volgens de tekst had Jan De Nil zich borg gesteld voor die lening.

Joos reageerde via zijn neef Jan die het inmiddels tot notaris had gebracht. Hij is hoogst verwonderd dat de la Mars zich niet van zijn kwade trouw heeft bekeerd terwijl hij goed weet dat de 150 gulden hem niet toekomen. Dat hij, noch onnoosel sijnde, die tekst ondertekende is het gevolg van de dreigementen van de meier. Dat was ware schelmenhandel. Het antwoord van de la Mars liet niet op zich wachten. Joos De Nil is van eene quade inborst. Dat hij naar de Raad van Brabant wou gaan is frivool ende vidiculeus. Bovendien is het onbegrijpelijk dat De Nil de akte vals noemt. Zijn neef Jan, zelf notaris en niet onnoosel ofte slecht, zou toch de minste onjuistheid of onrechtvaardigheid hebben bespeurd. Integendeel, hij stelde zich borg. Hij vraagt de schepenen dat zij de stelling van Joos De Nil zouden verwerpen.

In zijn repliek stelt De Nil vast dat de meier de originele akte nog altijd niet heeft getoond en hij weet waarom. Omdat daervuijt het bedroch noch meer sal commen te blijcken. In vergelijking met de tekst van de lening van 96 gulden zal men vaststellen dat de laatste akte met andere hande ende penne geschreven werd. Dat Jan De Nil in 1659 geen bezwaren maakte en de overeenkomst ondertekende, komt door het feit dat hij toen nog onnoosel ende jonck was en zeker nog geen notaris. En hij besluit dat de la Mars een overgroot woeckeraer is den welcken onder de cristene menschen niet en behoort gerekent te worden off te verkeeren.

1661 – Griffier Wambacq in conflict met de hoogmeier van Asse[34].

Andreas Creusen[35], de aartsbisschop van Mechelen, tevens abt van Affligem, ordonneerde in 1661dat de kerk- en armenrekeningen van Essene voortaan elk jaar ontrent Pasen aan de pastoor en de gequalificeerde ingesetenen” moesten voorgelegd worden in aanwezigheid van Franchois Wambacq[36], griffier en schepen Affligem, die de rekeningen mee zou ondertekenen. Hetzelfde gold ook voor de reparaties aan de kerk. Die ordonnantie leidde tot een conflict tussen Wambacq en de hoofdmeier van het Land van Asse. Volgens de hoofdmeier ging dat besluit in tegen de jurisdictie van het Land van Asse, want het kwam hem toe de rekeningen te verifiëren.

Toen kerkmeester Jan De Meije en armenmeester Gillis De Baetselier hun rekeningen aan de pastoor wilden voorleggen in het huis van brouwer Niclaas Meert, verschenen zowel Franchois Wambacq als de hoofdmeier. Wat volgt is het getuigenis dat schepen Jan Van Slachmolen aflegde op 9 mei 1661voor de schepenbank van Asse na klacht van de hoofdmeier tegen Franchois Wambacq.

Het was Franchois Wambacq die de ruzie begon door de hoofdmeier toe te roepen dat hij in het huis niets te zoeken had. Daarop volgde een bitsig gesprek.

Hoofdmeier: Ik kom naar de preek luisteren, want die is bij kerkgebod afgekondigd.

Franchois Wambacq Wij hebben u niet nodig, gij zult de preek niet horen en daarbij wij hebben den bruijt aan u.

Hoofdmeier: Wij zullen ze horen en gij kunt hier wel de zaak in uw voordeel beslissen, maar op mijn verzoek heeft de Raad van Brabant …

Franchois Wambacq: Ik lach daarmee en ik heb den bruijt van uwe redenen ende gijlieden en sult de rekeninge niet hooren, gij en hebt er niet te doen.

Daarop riep de hoofdmeier de schepen Jan Van Slachmolen bij zich en verzocht de anderen de kamer te verlaten, want ze hadden iets te bespreken. Iedereen ging weg behalve Wambacq. Die bleef weigeren te vertrekken tot de hoofdmeier Hendrik Van Innichoven, de vorster van het Land van Asse, verzocht Franchois Wambacq buiten te zetten. Toen die zag dat het de vorster menens was, ging hij al knorrende weg. Kerkmeester Jan De Meije wou waarschijnlijk de gemoederen wat bedaren door te zeggen dat hij nog een uurtje aan zijn rekening moest werken. Maar Wambacq kon het niet laten om nog eens terug te slaan: Ick hebbe de rekening in mijnen sack ende gijlieden en hebt er niet mede te doen, gij sult se niet horen ende wij hebben den bruijt van ulen.

1662 – Martinus Wambacq ruziet met de bedesetters van Essene[37].

Adriaan Van Vaerenberg, pachter en bedesetter van Essene had blijkbaar verwacht dat Martinus Wambacq, griffier van de abdij, zou weigeren de bedeboecken van de parochie ter beschikking te stellen van de bedesetters. Daarom was hij met alle bedesetters, de officier en de voornaamste pachters van Essene naar de weduwe van Franchois Wambacq gegaan om die boeken op te eisen. Franchois was collecteur geweest en had in die functie de boeken in zijn bezit gehad en die waren bij zijn weduwe gebleven als erfgename van haar in 1661 overleden man. De bedesetters wilden die bedeboeken omdat de opmeting van de parochiegoederen daarin was opgenomen. Aan de hand daarvan konden ze het bezit van elke pachter bepalen en dus ook zijn aandeel in de beden.

Maar Martinus, de zoon van Franchois en ook griffier van de abdij, had de vraag van de bedesetters verwacht. Hij refuseerde sonder eenich het minste fondament de gevraagde documenten te overhandigen, ook al was de vraag niet aan hem, maar aan zijn moeder gesteld. Adriaan ging met zijn groep naar het huis van brouwer Nicolaas Meert om te overleggen. Toen Martinus er ook verscheen, richtte Adriaan zich tot hem en zei dat zijn moeder verplicht was de opmeting te geven omdat de parochie die had betaald. Martinus antwoordde, zonder te beseffen dat Adriaan de vertegenwoordiger van de parochie was, dat hij een leugenaar was: ghij lieghter bij Godt aen ende voorts ghij sijt eenen waersegger. Voor Adriaan was de griffier te ver gegaan. Dat hij publiekelijk in soo eene treffelijcke vergaederinghe beledigd werd, eiste een reactie want dat zou niemand accepteren. Volgens een oud gebruik en spreekwoord is een uitspraak als ghij lieghter aen eenen slach weerdich want het was een vernedering voor alle schepenen en bedesetters en hij sloeg Martinus in het gezicht. Daarmee was voor Adriaan het conflict beslecht, maar niet zo voor Martinus. Hij greep zijn pistool en trakteerde hen op een scheut saet. Het schot met hagel verwondde meerdere aanwezigen. Sommigen hadden tot 25 kwetsuren ende saijkens in hun lijf. De littekens zijn nog altijd te zien. Anderen hebben nog altijd hagel in hun lichaam, wat te zien is aan een verdikking van de huid.

Martinus heeft met zijn schot veel pijn en smart veroorzaakt en dat hij dan nog het lef had om Adriaan bij de schepenbank aan te klagen was voor hem ongefondeerd ende niet ontfanckbaer. Dat hij zich bovendien beriep op zijn functie als griffier van de abdij en zijn positie als notaris bij de Raad van Brabant, op de voorname positie van zijn vader en de veele rijkelijcke middelen die hij had om zijn daad vrij te pleiten, zijn dwaese discourssen en hebben niets met de zaak te maken. Net zo min als het verwijt dat hij een slechte pachter was die niet eens twee paarden had. Wie het meeste stouffen, hebben het minste bij te setten. Zijn status en rijkdom permitteren hem niet om anderen valselijk te beschuldigen. Dat hij beweert dat het schot per ongeluk is afgegaan, is omdat hij de kosten van de chirurgijnen voor de verzorging van de wonden wil ontlopen. Adriaan verzocht via zijn advocaat Theodorus Van Paeffenrode, de schepenbank dan ook om Martinus te veroordelen tot betaling van 200 gulden als vergoeding voor de kosten en de geleden pijnen en smarten.

1663 – Problemen voor wever Jan Van Vaereberghe[38].

Jan Van Vaerenberghe uit de Bosstraat te Hekelgem kocht voor 8 rijnsgulden hard stro bij Gillis Pijl, de ontvanger van de stad Aalst. Die leverde het stro op 31 januari 1663 en ontving 2 gulden en daar bleef het bij. Van Vaerenberghe kon zijn schuld niet meer aflossen zodat voor Gillis een proces bij de schepenbank nog de enige mogelijkheid was om nog aan zijn geld te geraken.

1663 – Ruzie over een losweg[39].

Jan ’t Kints, een pachter van Mollem, huurde van de abdij de Martijneweide, 1,5 dagwand groot, te Mollem. Hij had de pacht van zijn vader Aert overgenomen. Net zoals zijn vader sinds 1635 deed, bracht hij ook zijn koeien en andere beesten via een dreef, die langs het goed van de erfgenamen van Joos De Clerck liep, naar zijn weide. Zo’n zogenaamde losweg was de enige toegang tot een bepaald perceel en gaf vaak aanleiding tot discussies zelfs in onze tijd omdat die weg maar de breedte had van een kleine boerenkar en nu wilden zware tractoren met enorme karren dezelfde weg gebruiken.

In de zomer van 1662 ontstond er ruzie tussen Jan ’t Kints en Hendrik Vranckx uit Krokegem, de tweede man van Eisabeth Wambacq. Hendrik Vranckx verbood Jan ’t Kints om die weg nog te gebruiken. Elisabeth had een deel van de Martijneweide geërfd van haar eerste man, Steven van Mulders, de zoon van Rafaël. Steven van Mulders had er nooit bezwaar tegen gehad dat de losweg over zijn deel van de Martijneweide liep. Dat was toen een perceel van 7 dagwand. Maar na Peters dood ruzieden de kinderen van zijn eerste huwelijk met Catharina Van den Bossche met Elisabeth over die erfenis. Uiteindelijk werd het goed onder 7 verdeeld en Elisabeth kreeg alleen het vruchtgebruik over 1,5 dagwand. Ze vond dat ze zich niet kon veroorloven daarvan nog een losweg af te staan. Bovendien beweerde ze dat de koeien van Jan ’t Kints heel wat beschadigingen aanrichtten met als gevolg dat ze er geen profijt van had: zij had in eenen termijn geen half graen. Ze meende ook dat de dreef vroeger op de dam lag tussen de vijver en het goed van Steven Van Mulders en Aert ’t Kint, de vader van Jan, had die verlegd wat haar eerste man had  toegelaten. Om dat verbod kracht bij te zetten, riep ze de hulp in van jonker Servatius Caimo, rentmeester van de abdij. Die schreef de aartsbisschop en abt van Affligem, Jacobus Boonen aan. Hendrik Vranckx en Elisabeth Wambacq huurden te Krokegem 8 bunder weide en meersen van de abdij en ze betaalden stipt de pacht, ook nadat die met 6 rijnsgulden was verhoogd. Elisabeth had zelfs plannen om op haar deel van de Martijneweide een hoeve te bouwen en dat zou de abdij veel meer pacht opbrengen. Uiteindelijk op 29 mei 1663 stelde Elisabeth een compromis voor. Jan ’t Kints kreeg nog vrije toegang tot zijn weide tot het einde van zijn pachtovereenkomst.

1665 – Zware straffen voor illegale houtkap[40].

Een plakkaat uit 1623 legde de straffen vast voor het stelen van hout uit de bossen en specifieerde over welk hout het ging: heesters, dijssels, lanckwagens, peertssen, latreeesen of dachroeden, bessemstocken en tuinstokken.

1- Voor het kappen en weghalen van groen hout: viermaal de waarde van het gestolen hout.

2- Voor het stelen van opgaand hout: 25 rijnsgulden.

Omdat er uit de bossen van de abdij hout was verdwenen, het jaartal ontbreekt, stelde de overmeier van het Land van Asse, Arnouldt Adriani, met twee schepenen een onderzoek in. In het huis van Peter Coppens te Asse-ter-Heide vonden ze het gestolen hout. Peter Coppens bekende dat hij met Aert Van de Perre het hout had gekapt en het naar zijn huis had gevoerd. Hij kreeg een boete van 25 rijnsgulden en daar bovenop nog viermaal de waarde van zijn buit.

1667 – Testament van Anna en Joanna Wambacq[41].

Anna en Joanna, twee begijntjes van het Groot Begijnhof te Brussel, lieten op 9 mei 1667 te Essene door notaris Michiel De Bisschop hun testament opstellen. Zij wilden in de kerk van het begijnhof begraven worden met een eerlijcke vuijtvaert, dat er 30 missen voor hun zielenheil worden opgedragen en dat er na de begrafenis aalmoezen worden uitgedeeld. De langstlevende zal aan elk van hun broers en zussen na de uitvaart 6 gulden geven en alle goederen die de overledene bezat, komen toe aan de langstlevende die daarover naar eigen goeddunken kan beschikken.

Anna en Joanna waren dochters van Franciscus en Catharina Troch. Franciscus werd omstreeks 1580 te Essene gedoopt als zoon van Michiel en Barbara De Wever. Hij overleed op donderdag 30 juni 1661 te Essene, ongeveer 81 jaar oud. Hij trouwde in 1613 te Essene met Catharina Troch, de dochter van Jan en Cathelijne Plas. Cathelijne werd gedoopt omstreeks 1587. Zij hadden 9 kinderen te Essene gedoopt.

1 Barbara, gedoopt op zondag 3 augustus 1614 en overleden op vrijdag 2 augustus 1652 in Hekelgem, 37 jaar oud.

2 Elisabeth, gedoopt op donderdag 21 januari 1616, en overleden op vrijdag 7 december 1674 in Asse, 58 jaar oud. Zij trouwde met Peter Van Mulders, griffier te Asse. Hij werd in 1608 te Asse gedoopt en overleed in 1660, 52 jaar oud.

3 Michiel, gedoopt op dinsdag 17 oktober 1617 en overleden op zondag 22 1690 in Essene, 73 jaar oud. Michiel was de eerste bewoner van Het Ankerhof en meier van de schepenbank van de abdij. Zie ook Jaarboek Belledaal, 2008, 213.

4 Martinus, gedoopt op zaterdag 19 oktober 1619 en overleden op woensdag 6 februari 1675, 55 jaar oud. Hij was notaris te Essene en griffier van de abdij.

5 Catharina, gedoopt op zondag 12 december 1621 en overleden op zaterdag 15 maart 1681 te Asse, 59 jaar oud.

6 Anna, gedoopt op woensdag 7 februari 1624 en overleden voor 1625.

7 Anna, gedoopt op zaterdag 22 maart 1625.

8 Lucas, gedoopt op donderdag 14 juni 1629 en overleden op 10 september 1670 in Essene, 41 jaar oud.

9 Joanna, gedoopt op woensdag 13 januari 1638.

1670 – Eerste schepen Jan Van Langenhove in gebreke[42].

Op 29 augustus 1670 ging Jan Van Langenhove[43] van Baardegem, de eerste schepen van Affligem, een lening aan van 64 ponden grooten Vlems bij Martinus De Cleijne, schoenmaker te Brussel. De jaarlijkse rente bedroeg 24 gulden. Van Langenhove was vergezeld van zijn zonen Joos en Peter en van Nicolaas Meert, de man van zijn dochter Clara. De akte werd opgesteld door Peter en Jan De Meersman en Pauwel Gillisjans, de gezworen erflaters van Affligem onder Baardegem. Als onderpand gaven ze 3 dagwand weide, Den Brauwier genoemd en gelegen te Baardegem; De weide paalde aan de goederen van de abdij en meester Guillam ’t Kint, de erfgenamen Nicolaas Verhasselt en de jezuïeten van Aalst. Ook nog een weide van 2 dagwand en 53 roeden die paalde aan Den Brauwier, de erfgenamen Michiel De Meersman, de jezuïeten van Aalst en de straat. Van 1671 tot 1674 betaalde Jan Van Langenhove slechts 6 gulden per jaar. Zijn schulden waren in 1675 opgelopen tot 54 gulden, plus 8 gulden bijkomende kosten en Martinus De Cleijne, ook Martin Petit genoemd, wendde zich tot de schepenbank van Asse om toch aan zijn geld te geraken.

1673 – Jan Roodemont eigent zich de tiendeschoven toe[44].

Andries De Vogel was in 1673 de pachter van de abdij voor de tienden te Asse-ter-Heide. De gezworen tiendensteker, Jan Van Houw, wou de tiendenschoven die hem toekwamen tekenen en afzonderen van de rest van de oogst. Maar Jan Roodemont, zoon van Aert, hield daar geen rekening mee en op 13 augustus 1673 liet hij alle tarweschoven op Den Heylborrebosch binden en op een hoop samenbrengen. Toen Jan Van Houw die fraude ontdekte, liet hij elke tiendenschoof weghalen, want volgens de plakkaten van de koning mocht niemand een tiendenvrucht uit het veld wegvoeren tenzij met toestemming van de tiendensteker of de tiendenpachter. Hij duidde andere schoven als tienden aan tot grote ergernis van Jan Roodemont. Die tracteerde hem seer qualijck en sloeg hem met zijn gaffel. Jan Van Houw hield er een aantal blauwe plekken aan over. Roodemont volhardde in zijn boosheid en voerde de afgezonderde tiendenschoven weg. Daarop diende Andries De Vogel een klacht in bij de schepenbank van Asse met de eis dat Roodemont de weggevoerde schoven moet terugbrengen.

1673 – Miciel Wambacq aangeklaagd[45].

De kinderen van Pauwel Van Vaerenbergh en Joanna Schockaert, Jan en Joanna met haar man Adriaan Van der Borgt, erfden van hun ouders elk ¼ van een stuk land, genoemd De Biest. Het paalde aan de Rabauwstichel. Maar Michiel Wambacq eigende zich dat deel toe. Na mislukte pogingen om hun erfenis in hun bezit te krijgen, wendden ze zich tot de schepenbank van Asse om hun erfdeel in hun bezit te krijgen en om een vergoeding voor de geleden schade te eisen. Het jaartal ontbreekt.

1673 – De familie De Cort verdrinkt in de schulden[46].

Op 12 april 1660 stelden de schepenen van Affligem, Guillam De Baetselier en Erasmus Merchie, de nalatenschap op van Franchois de Cort. Zijn weduwe Anna Van der Biesen kreeg het vruchtgebruik van twee hofsteden die haar zonen Michiel en Pauwels erfden. Anna beloofde met opgerechte vingeren ten hemelwaarts dat zij de hoeven niet zou opeisen en samen beloofden ze de jaarlijkse rente van 31 gulden 5 stuivers te betalen aan Martinus Wambacq ten behoeve van de weduwe van Charles de la Mars, gewezen meier van Affligem. De eerste hofstede met huis en ast was 3 dagwand groot en was gelegen te Uwijck in Essene. Ze paalde aan Jacques Van Wichele, aan de kapel, aan de erven Philips Schoemans en aan de straat. Het goed was belast met een grondcijns aan de abdij. De andere hofstede, groot ½ bunder, ook in Essene gelegen, paalde aan de straat, aan Franciscus Van Liere en aan de Weijdemeersch en was belast met een grondcijns aan de markiezin van Asse. De twee hofsteden dienden als onderpand voor de lening.

Drie jaar later blijkt dat de rente niet werd betaald en Martinus Wambacq wil overgaan tot inbeslagname van de eerste hofstede tot de achterstallen zijn betaald. Maar dan ontdekt hij dat er, met de hoeve als onderpand, nog meer leningen zijn aangegaan. Er is een rente van 5 gulden aan advocaat Van der Moesen, van 6 gulden aan Hendrik Van Solten en van 10 gulden aan de weduwe van Jacques Van Dongelberge. Daardoor loopt het totale tekort op tot 136 gulden, een bedrag dat Martinus Wambacq al aan de weduwe de la Mars heeft voorgeschoten. Tot zijn ontzetting constateert hij dat de tweede hoeve ook met renten is belast: een onkwijtbare rente van 3 gulden, 18 gulden aan de erfgenamen van advocaat Langereijt, 7 gulden aan procureur Bisschop en 6 gulden 5 stuivers aan de erfgenamen van advocaat Nivors(?). Die renten werden de laatste jaren niet betaald. Om enige druk op de schuldenaars te leggen, liet hij een hoeveelheid mest en hopstaken van de eerste hoeve weghalen. De schulden van de tweede hoeve zijn volgens Wambacq hoger dan de waarde van de hofstede zelf en daarom wil hij dat de familie De Cort eerst alle schulden vergoed en dan pas de hoeve verkoopt. Als hij het doet dan zal hij schade lijden.

1675 – Eerste schepen Jan Van Langenhove nogmaals in gebreke[47].

Op 27 mei 1675 ging Nicolaas Meert uit Essene een lening aan van 123 gulden 13 stuivers 1 oord die meester Michiel Wambacq te zijne laste nam voor de weduwe Parijs. De akte werd verleden door notaris Hendrik De Raedt. Jan Van Langenhove, eerste schepen van Affligem, stelde zich borg voor zijn schoonzoon Nicolaas, de man van zijn dochter Clara. Hij beloofde om het bedrag met de intrest binnen het jaar terug te betalen. Jan De Witte en Jan Mertens waren de getuigen.

Dat Jan Van Langenhove zich borg stelde is merkwaardig daar hij zelf de rente van een lening van 64 ponden groten Vlaams[48] niet kon betalen. Maar ook Nicolaas Meert zat zonder geld en had een groot gezin. Hij was in 1658 getrouwd en in 1675 had hij 8 kinderen waarvan het jongste 2 jaar was[49]. Daar Michiel Wambacq inzag dat  hij van beiden niet en siet te becomen, daagde hij op 12 december 1678 Jan Van Langenhove voor de schepenbank van Asse.

1676 – Een erfenis aanvaarden kan kwalijke gevolgen hebben[50].

Dat ondervond Jan Kieckens de weduwnaar van Anna Vranckx die zelf weduwe was van meester Martinus Wambacq, gewezen griffier van de abdij. Wat was er gebeurd?

Meester Gillis De Ridder en zijn vrouw Elisabeth Camerman wilden bij de moeder van Jan Van Bellingen een lening aangaan. Maar om zeker te zijn dat de ontleners de rente konden betalen, wilde Jans moeder hun financiële positie kennen. Meester Martinus Wambacq[51] kreeg de opdracht om voor haar een staat van hun goederen op te stellen. De griffier voerde zijn opdracht niet correct uit want hij verzweeg dat De Ridder en Camerman zeven maanden eerder al een lening hadden afgesloten met een jaarlijkse rente van 11 gulden 11 stuivers 1 oort bij zijn eigen moeder Catharina De Troch. Het gevolg was dat Jans moeder aan het echtpaar De Ridder een bedrag van 1 700 gulden leende. De akte werd verleden voor de schepenbank van Affligem op 4 augustus 1665.

Toen de rente van die laatste lening niet werd betaald, wilden de erfgenamen van sieur Jan Van Bellingen, die erfgenaam van zijn moeder was geweest, de goederen van De Ridder aanslaan en zo ontdekten ze dat de vroeger aangegane lening nog moest worden afgelost waardoor ze een groot verlies leden. De schuld lag bij Martinus Wambacq die de lening in zijn staat van de goederen niet had vermeld. Een klacht indienen tegen Martinus konden ze niet want die was al overleden zoals ook zijn vrouw Anna Vranckx en zo kwam de klacht bij Jan Kieckens terecht, haar tweede man. Voor de schepenbank van Affligem eisten de erfgenamen van Jan Van Bellingen volledige schadeloosstelling van Jan Kieckens.

Ook Jan Van den Driessche zal wel geschrokken zijn toen hij ontdekte dat zijn erfenis van Franchois Van Hemelrijck belast was met een schuld van 118 rijnsgulden 8 stuivers aan dom Rupertus Beijdaels, de hofmeester van de abdij. Franchois Van Hemelrijck had die lening aangegaan in 1668. Acht jaar later, op 13 december 1676, diende de hofmeester via zijn advocaat Schoonjans een klacht in bij de schepenbank van Asse om Joos Van den Driessche te verplichten het achterstallig bedrag te betalen[52].

1676 – Heeft Adriaan De Ridder oorlogsschade geleden[53]?

Trokken in 1676 en 1677 Hollandse, Duitse, Spaanse en Franse troepen door Hekelgem en vernielde ze daarbij de veldvruchten? Dat beweerde Adriaan De Ridder[54]. Zijn hop, granen en hofkruiden werden gestolen of vernield en als pachter van de abdij rekende hij op vrijstelling van pacht voor vier jaar. Zijn huurcontract met de abdij voorzag immers die vrijstelling in geval van overmacht of hagelschade. Maar Franchois De Middeleer, de rentmeester van de abdij, ging daar niet mee akkoord en weigerde de vrijstelling van pacht. Volgens hem was er in die jaren geen oorlogsschade en moeste Adriaan zijn achterstallige pacht van 33 gulden 13 ½ stuivers wel degelijk betalen. Nadat De Ridder niet was ingegaan op meerdere vermaningen, besloot De Middeleer in 1682 tegen de Ridder een klacht in te dienen bij de schepenbank van Asse.

Als antwoord op de klacht van de rentmeester overhandigde Adriaan aan de schepenen het getuigenis van Dierik De Donder, Peter De Mesmaecker, Joos Van den Bossche en Philips De Donder. Zij verklaarden dat Adriaan sinds 1665 tegenover de kloosterpoort woonde op een erf van de abdij. In 1667 stelden ze vast dat Adriaan al zijn vruchten en zijn hopstaken verloor door het geweld van melitere die kampeerden op de Brabantse kant van Aalst. In 1674 hadden Duitse, Spaanse en Hollandse troepen die van Oudenaarde kwamen ook al zijn vruchten gestolen of vernield. En in 1677 was dat nog eens gebeurd. De hele discussie ging over de vraag of er in 1674, 1676 en 1677 vreemde troepen in de buurt van de abdij waren. Wat leert ons de geschiedenis? In “Geschiedenis der Benedictijner Abdij van Affligem” schreef dom Bernard[55]:

In 1673 had Affligem opnieuw veel van den oorlog te verduren… De monniken ontvingen de armen in hun gasthuis, kleedden er een oneindig getal, bijzonder uit de naburige plaatsen, de huizen door het vuur des oorlogs verteerd, herstelden zij geheel of ten deele, zij bezorgden aan de landbouwers tot zelfs het graan om hunne akkers te bezaaien, verschaften hun peerden en wagens, scholden hunne schulden kwijt … Het klooster was waarlijk met de ondergang bedreigd. Men ziet in de rekeningen wat zij van 1674 tot 1684 aan de landbouwers hadden kwijtgescholden: op het kantoor van Brussel 133 926 gulden, op dat van Aalst 87 593 gulden, op dat van Nijvel 117 692 gulden en op dat van Waver 25 878 gulden… Het kwam zo ver dat Affligem in 1679 een half miljoen schuld had. Daarom verkochten ze veel van hunne goederen, onder andere te Schilde en te Ranst. Dom Bernard vermeldt geen bezetting van de abdij of kampementen in de buurt, maar uit de tekst kunnen we afleiden dat er veel armoede was als gevolg van de rondtrekkende legers met plunderingen en vernielingen tot gevolg.

Als de abdij zoveel mensen hielp waarom dan Adriaan De Ridder niet? In zijn klacht tegen Adriaan stipte De Middeleer aan dat die geen “pertinente specificaties” van zijn schade had meegedeeld. Dat was voor hem het bewijs dat er geen schade was en hij heeft ook geen weet van kampementen van legers in de buurt van Aalst. Voor het verlies van hopstaken kon hij geen tegemoetkoming geven vermits die geen eigendom van de abdij waren. Trouwens, als er gevaar dreigde, kon De Ridder met zijn meubelen en zijn vruchten naar de abdij vluchten zoals zoveel boeren deden. Maar Adriaan was ook nalatig geweest. Hij woonde tegenover de abdij en hij kon dus gemakkelijk iemand van de administratie van de abdij vragen om zijn schade te komen taxeren, wat andere pachters wel hadden gedaan. De pachtovereenkomst voorzag immers in een vrijstelling van pacht als er schade was door overmacht of hagel. Zijn laatste argument om de vrijstelling te weigeren was dat Peter De Mesmaecker, die de helft van de hofstede bewoonde, geen schadevergoeding had aangevraagd.

In zijn duplycke trachtte Adriaan De Ridder de beschuldigingen te weerleggen:

1- Hij heeft voldoende zijn overgroote schaeden aangetoond.

2- Zijn getuigen zullen ook onder eed bij hun verklaringen blijven.

3- In 1667 ging zijn hele hopoogst verloren want als de hop niet aan staken kan groeien, is er geen hop.

4- De Middeleer beweerde dat hij zich tot de abdij moest wenden want in 1667 was hij nog geen rentmeester. Dat argument houdt geen steek. Als dat waar is dan heeft De Middeleer hier geen mond van spreken.

5- Het is wel waar dat in 1676 en 1677 zowel Hollandse, Duitse, Spaanse en Franse troepen aan de abdij zijn gepasseerd en later ook terugkeerden. Of zij nu kampeerden of alleen passeerden, ze hebben zijn oogst vernield en gestolen.

6- Dat hij met zijn meubelen en zijn vruchten naar de abdij had moeten vluchten, kon niet. Ze stonden nog op het veld te rijpen. En om de granen binnen te halen en te dorsen was er geen tijd.

7- Dat de rentmeester beweert dat hij voor vrijstelling van de vier jaar pacht, de juiste bedragen niet kan vinden is onzin. Hij moet maar in de boeken kijken.

8- Op het verwijt dat hij niemand van de kloosterlingen vroeg om de schade te komen vaststellen, antwoordt De Ridder dat de monniken hem en zijn buren kwamen troosten en zij beloofden dat er kwijtschelding van pacht zou volgen. Joos Van den Bossche en andere buren hebben al een vrijstelling van drie jaar gekregen.

9- Dat Peter De Mesmaecker geen aanvraag tot vrijstelling van pacht indiende, komt omdat de rentmeester hem bedreigde en nu hem is stil houdende ende vuijt siet wat hier van dese saecke sal comen, welcken vuijtval hij is verwachtende als wanneer hij sal versoeken gelijck den gedaegde ten desen sal genieten.

10- Hij is tevreden dat hem al een jaar vrijstelling is toegezegd, maar hij rekent erop dat de schepenen hem drie jaar zullen toekennen.

1677 – Vechtpartij in de abdij[56].

Tijdens de invallen van de legers van Lodewijk XIV in de laatste decennia van de 17de eeuw hebben de abdij en de omgeving veel te lijden gehad van plunderingen en opeisingen. In 1677 maakten Franse soldaten die te Ninove kampeerden de streek onveilig. Veel inwoners van de omliggende parochies waren met hun bezittingen naar de abdij gevlucht. Door de dreiging van de militairen en de opeengepakte massa binnen de abdijmuren ontstonden er weldra spanningen en zelfs een vechtpartij.

Een discussie tussen Joos De Craecker en Jan Goeman over het paard van Goeman ontaardde in een waar gevecht. Peter Geerstman kwam Goeman ter hulp en wierp De Craecker onder sijn solen en sloeg hem dapperlijck met vuijsten tot De Craecker eenen grooten clippel kon grijpen en daarmee zo hard op het hoofd van Jan Goeman sloeg dat die 14 dagen in de abdij in bed moest blijven.

Op 19 augustus 1677 legden Jan Van Brempt, 31 jaar, en Peter Van Nieuwenhove, 25 jaar, beiden wagenknechten van de abdij, op verzoek van Jan Goeman bovenstaande verklaring af bij notaris Joannes Schoonjans.

1679 – Een proces over schoolgeld[57].

Verkoopsovereenkomsten en contracten voor de levering van goederen en diensten werden vroeger vaak afgesloten zonder schriftelijk bewijs. Men vertrouwde op het woord van eer, op de naam en de faam van beide partijen. Wanneer de situatie veranderde door tegenslag of sterfgevallen leidde dat dikwijls tot processen omdat de schuldenaars, meestal de weduwe en/of de kinderen, niet in staat waren de aangegane schuld af te betalen of niet op de hoogte waren van de transactie. Wie dan over een schriftelijk bewijs beschikte, stond sterk in zijn schoenen zoals artikel 159 uit de constume ende rechten der stadt Brussel aantoont:

Kooplieden wesende lieden met eere en staende tot goede naem ende faem als sijdelaken coopers, laken vercoopers ende andere van gelijcke qualiteijt, oock wijntaverniers, brouwers ende herbergiers wordt volcommen gelijck gegeven op hunlieder boecken aengaende de actieve schulden ende passieve schulden ende daerop recht gedaen mits de selve boecken bij hunlieden eed confirmerende ende daertoe affirmerende dat de partijen daerin geschreven sijndeugdelijck, rechtveerdich ende onbetaelt.

Onderstaande bijdrage is daar een typisch voorbeeld van. De kinderen van Lucas Wambacq[58] liepen school en woonden een bepaalde tijd in bij koster en schoolmeester Andries De Wever[59] te Hekelgem. Hij kocht ook bomen, varkens, graan en andere goederen bij Lucas met dien verstande dat Andries die kosten zou aftrekken van het schoolgeld. Of Andries die kosten in zijn manuaal noteerde, is niet duidelijk omdat er bladen ontbraken. Na de dood van Lucas (1670) en van Andries (1673) waren de rekeningen nog niet vereffend en de tweede man van zijn weduwe Josine De Meye, Anthoon Antheunis, spande een proces in tegen Andries Van der Straeten, man van Cathelijne Wambacq[60], een dochter van Lucas. Het proces sleepte aan en op 8 maart 1678 beslisten de schepenen dat ze nog niet in staat waren om een vonnis uit te spreken en dat verder onderzoek nodig was.

Op 15 maart 1679 ondervroegen schepen Charles Van Langenhove en griffier Van Mulders ten huize van Michiel Wambacq, broer van Lucas en voogd van zijn kinderen, enkele getuigen. Andries Van der Straeten werd bijgestaan door advocaat De Raedt en Jos De Meije had Schoonjans als advocaat. Haar tweede man, Anthoon Antheunis was dan ook al overleden. Er ontstond al dadelijk een twist omdat Schoonjans zich verzette tegen Michiel Wambacq en Michiel Cornelis als getuigen omwille van hun verwantschap met de kinderen van Lucas. Michiel Wambacq was de oom en Michiel Cornelis de neef van de kinderen. De schepen beslisten dat ze mochten getuigen.

Peter Symons kwam als eerste getuige aan bod. Hij was een 63-jarige arbeider uit Essene. Hij vertelde dat hij zo’n 8 jaar geleden samen met Pauwel Rogge en Joos Steppe schaarhout kapte in een bos in het Grietenbroek dat Lucas pachtte van de abdij. Terwijl ze aan het werk waren, zag hij dat Andries De Wever van Michiel Wambacq eenige latteboomen, zo groot als hopstaken, kocht voor 9 gulden per 100. Hoeveel latteboomen De Wever kocht, weet hij niet en ook niet of hij die achteraf heeft weggehaald.

Pauwel Rogge, 55 jaar en ook afkomstig van Essene, was eveneens bij de verkoop van de latteboomen aanwezig omdat hij de mutsaards samenbond. Volgens hem kocht Andries De Wever er 100 voor 10 gulden. Wat er daarna met dat hout gebeurde, weet hij niet.

Essenaar Michiel Wambacq, meier van de abdij en brouwer, 61 jaar, bevestigde dat hij 200 latteboomen aan de schoolmeester verkocht voor 20 gulden. Die waren eigendom van de kinderen van zijn overleden broer Lucas. Die verkoop hield in dat De Wever de prijs voor de bomen, zou aftrekken van het schoolgeld. De latteboomen werden nadien weggehaald.

Michiel Cornelis, pachter en schepen van de Vrijheid en het Land van Asse, 44 jaar, heeft gehoord dat wijlen Lucas Wambacq aan De Wever varkens en graan had verkocht. Hij was ook op de koopdag in het sterfhuis van Lucas en zag daar dat De Wever een bierboom kocht. Voorts weet hij nog dat Lucas met zijn paarden en wagen twee vrachten bomen naar De Wever heeft gevoerd. Of die daarvoor betaalde, kwam hij niet te weten.

Als reactie op de getuigenissen legde Josine een uittreksel uit het manuaal van haar overleden man voor aan de schepenbank. Daaruit bleek dat de kinderen van Lucas, Francis en Michiel, in haar huis hebben gewoond en er de lessen volgden 24 oktober 1663 tot 25 juni 1664 en van 6 december 1666 tot 8 mei 1667. Cathelijne liep er school van 10 januari tot 12 maart 1666, Michiel en Aert van 14 november 1669 tot 26 juni 1670 en Francis nog eens van 24 november 1669 tot 26 juni 1670. In het manuaal staat ook een eigenhandig geschreven nota van Michiel Wambacq dat het totale schoolgeld 93 gulden bedraagt. Over de leveringen van varkens, mout, graan en andere goederen vond zij niets terug in het manuaal zodat Michiel Wambacq die leveringen niet kon bewijzen. Een tegenzet van Andries Van der Straeten liet niet lang op zich wachten. Het manuaal van Andries is onsienelijck in stucken gescheurt ende daer vuijtgenomen verscheijden blaederen. Hij wou dat Josine het volledige manuaal toonde en dan zou de jury, soo claer als de son, zien dat er bedrog in het spel was. Wat de leveringen van goederen betrof, Lucas verkocht 2 varkens, Francis en Michiel getuigden onder eed op 10 juli 1679 dat er nadien nog 3 varkens zijn geleverd, 2 zakken graan, een brouwsel mout en de 2 vrachten bomen.

Item de kinderen van Lucas Wambacq hebben tot onsen huijse gewoont vier jaeren ende seven maenden tot twintich guldens t’jaers ende ende een jaer over en dweer schoelen gekommen bedraeght al t’samen drijentnegentich guldens mits het tghene dat sij gegheven hebben off wel dat sijn konnen tonnen dat sal hun goede betalin(g) doen.

Anthoon Anthonis kwam op 23 maart 1679 met een voorstel. Hij wou de prijs van enkele geleverde goederen aftrekken van het schoolgeld, maar Andries Van der Straeten vond de lijst van de goederen onvolledig. En zo bleef de zaak op de rol staan en bleven de proceskosten stijgen.

Franchois ende Michiel van den 24ste 8ber 1663 tot den 25ste juli 1664.

Cattelijn Wambacq den xde januari 1666 tot den 12de meert 1666.

Franchois ende Michiel Wambacq den 6de Xber 1666 tot den 8ste meert 1667.

Aert Wambacq den 4de Xber 1668 tot den 16de meye 1669.

Michiel ende Aert Wambacq den 14de 8ber 1669 tot den 21ste juni 1670.

Franchois Wambacq den 24ste 9ber 1669 tot den 26ste juni 1670.

Hierop ontfaen den 13de april 1665 – 12 guldens.

Item van het schoolegaen van de boven geschreven soude bedraeghen de somme van 93 guldens.

1679 – Collecteur Jan Mattens in de problemen[61].

In 1671 ging Peter Linthout een huurcontract aan met de abdij voor twee percelen voor een termijn van 9 jaar. Een van de condities van het contract was dat de beden en andere lasten hem ten laste vielen. De goederen lagen op de Bellekouter te Hekelgem. Na zijn dood in 1677 vroeg zijn weduwe aan dom Ambrosius Van Lierde[62], de syndicus om het pachtcontract te verbreken. Dat gebeurde in 1678 en dom Ambrosius verhuurde dezelfde goederen aan Jacques Van Droogenbroeck vanaf 1679 en met dezelfde voorwaarde. Na het overlijden van Peter Linthout was Jan Van Vaerenbergh als curator van het sterfhuis aangesteld. Toen collecteur Jan Mattens de beden, settingen en andere lasten voor 1677 en 1678 ten bedrage van 35 gulden 12 ½ stuivers kwam opeisen, weigerde Jan Van Vaerenbergh te betalen met als reden dat de huur verlopen was en dat hij zich bijgevolg tot de abdij moest wenden. Dom Ambrosius Van Lierde antwoordde dat de abdijgoederen geamortiseerd[63] waren. Jan Mattens wendde zich dan tot de schepenbank van Asse met een klacht tegen de abdij.

Franciscus De Middeleer, de rentmeester van Affligem, diende dan op 15 augustus 1679 via de advocaat Van Mulders een verweerschrift in. Hij bevestigde dat Peter Linthout de goederen van de abdij op de Bellekouter pachtte vanaf 1671 en voor een termijn van 9 jaar met als voorwaarde dat alle beden, settingen en andere lasten voor zijn rekening waren. Na Peters dood verhuurde de abdij dezelfde goederen aan Jacques Van Droogenbroeck. Bijgevolg vielen de belastingen voor 1677 en 1678 ten laste van de weduwe die, volgens de rentmeester, voldoende middelen bezat om de schulden te betalen. Met de goederen die men in het sterfhuis had verkocht, kon men gemakkelijk alle schulden vereffenen. Indien de collecteur beter zijn debvoiren had gedaan, dan had hij zeker zijn geld gekregen. Bovendien was het hoochhuys te Belle verkocht aan meier Wambacq en de weduwe Linthout had recht op het1/4 deel van de verkoopsom. Van dat bedrag kon hij zijn deel opeisen. De klacht tegen de abdij noemde de rentmeester een frivoliteijt.

1679 – Officier De Hageleer in de duim gebeten[64].

Omtrent Kerstmis 1679 betrapten Ingel Carnoy en Michiel Vermoesen, beiden bospreters van de abdij, Joos Verdoodt en zijn vrouw tijdens het kappen van hout in het Affligembos. Volgens een plakkaat van 1623 was illegaal hout kappen een zware overtreding waarop strenge straffen stonden, tot viermaal de waarde van het gestolen hout. De boswachters wilden een bewijs van de diefstal en namen daarom het schort van de vrouw af. Die wilde dat absoluut vermijden en riep haar man toe om op de twee mannen te schieten. Uiteindelijk liep het voorval nog goed af en gaf het paar de “boschdieverije” toe ten huize van Joos Robijns. Maar kwaad bloed kruit waar het niet gaan kan en op 21 juli 1679 betrapte de dorpsofficier Peter De Hageleer[65] hen tijdens het maaien van gras op de weide van Jan Robijns in De Faluintjes. Om een straf te ontlopen beschuldigde de vrouw Peter ervan hij haar “oneerlijck soude hebben betast ende met haer dienvolgende vleesschelijck te hebben geconverseert”. Die beschuldiging herhaalde Joos ook op 10 augustus op het kerkhof in het bijzijn van meerdere kerkgangers. Dat verwijt leidde tot een vechtpartij waarbij Joos de officier in zijn duim beet. Alsof dat nog niet genoeg was, dook Joos op 13 augustus ’s nachts tussen elf en twaalf uur op voor het huis van De Hageleer al roepend “compter vuijt ghij donder, ghij blixem ende straetschendere, ick sal u den kop klieven” en nog meer “affdragende woorden”. Dat was volgens Peter een daad van pure straatschenderij die verdiende “vuijttersten gestraft te worden andere ten exempele” en daarvoor richtte hij zich tot de schepenbank van Asse.

1682 – Welke tiendenpachter moest betalen[66]?

Volgens een verordening van Karel de Grote moeste iedere persoon elk jaar 10 % van zijn opbrengsten afstaan aan de Kerk. Het ging om opbrengsten van de grond en van de veeteelt. De bedoeling was om de plaatselijke geestelijkheid en de armen van de parochie bestaansmiddelen te geven. De opbrengst ging aanvankelijk voor 1/3 naar de armen, voor 1/3 naar het onderhoud van de kerk en de erediensten en voor 1/3 naar de pastoor. In de loop van de eeuwen kende die verplichting een ingewikkelde evolutie. Zo stond heer Herebert, pastoor van Asse, in 1086 een deel van de tienden van de parochie Asse af aan de pas gestichte abdij Affligem. De inning van de tienden konden verhuurd worden aan een tiendenpachter. In Essene ontstond er een conflict tussen Andries Van der Staeten[67] en Jasper Camermans[68] die de inning van de tienden van Andries had overgenomen.

In 1682 diende Andries Van der Straeten bij de schepenbank van Asse een klacht in tegen Jasper Camermans. In 1670 had Andries het derde deel van de tienden van de abdij in Essene gepacht voor een jaarlijks bedrag van 121 gulden. In 1674 liet hij vuijt pure vriendschap die pacht over aan Jasper Camermans op conditie dat hij de tienden stipt zou betalen zodat Andries geen problemen zou krijgen met de Affligemse rentmeester Cocquille. Maar, zo vermeldde Andries in zijn klacht, Jasper was een slechte betaler. Van 1674 tot 1679 droeg hij de geïnde tienden niet over aan de rentmeester met het gevolg dat die van Andries Van der Straeten de betaling eiste. Hij vroeg de schepenen Jasper te veroordelen tot betaling van de achterstallige tienden zodat hij niet meer sou worden gemolesteerd door Cocquille. Volgens een kwitantie van 29 januari 1682 beschouwde de rentmeester Andries nog altijd als huurder van de tienden voor de periode 1670 tot 1679. Pas op 14 april van dat jaar gaf de advocaat van Jasper, Bisschop, toe dat zijn cliënt inderdaad de pacht had overgenomen.

Voor Andries Van der Straeten betekende deze bevestiging dat hij aan de rentmeester geen verantwoording meer moest afleggen en ook dat de kosten van het proces volledig ten laste van Jasper Camermans vielen vermits hij in gebreke was gebleven. Hij had de acte van decharge vroeger moeten indienen. Voor dit laatste argument steunde hij zich op het Eeuwig Edict van 1611 dat de rechters verplichtte de proceskosten te laten betalen door degene die veroordeeld werd.

Jan Camermans reageerde op de beschuldiging van Van der Straeten. Andries zou vuijt eenen puren haet off revengie een proces tegen hem aangespannen hebben omdat zijn varken van Andries klaveren had gegeten. Andries had hem inderdaad voorgesteld om de tiendenpacht van hem over te nemen, wat hij aanvaardde zonder dat hij daer toe groote liefde was hebbende. Het is evenwel onwaar dat de rentmeester of de monniken van de abdij Andries molesteerden want hij had de selve thiende die binnen sijnen tijt is verschenen seer loffelijck gedraegen ende betaelt. Een brief van de rentmeester toonde dat aan en als illustratie de brief van dom Ambrosius Van Lierde, de syndicus van de abdij, waarin hij meedeelde dat hij op de hoogte was van de pachterswissel voor de tienden en waarin hij ook zijn tevredenheid uitte over Jasper Camermans Die brief pleitte Jasper meteen vrij van Andries’ beschuldiging van wanbetaling.

Er was dus geen enkele reden voor Andries om hem na twee jaar met een proces op kosten te jagen. Op 23 september 1682 besliste de Souvereine Raad van Brabant, om de schepenbank van Asse uit hun onbeslistheid te helpen, dat elke partij de helft van de proceskosten moest betalen.

Den ondergeschreven als administrateur van de temporele goederen des Goidtshuijs van Affligem ………. bij desen dat hij als pachter van het derde paert van de thiende des voorschreven Goidtshuijs van Affligem haer bestreckende onder de prochie van Esschen heeft aenveert jasper Camerman bij overlatinge van Andries Van Der Straten ende dat hij met den rentmeester Concquille metten selven Camerman van het selve overlaten altijt tevreden sijn geweest ende den selven Andries daervan hebben ontslagen volgens ons voorgaende daeraff aen den voornoemde Camerman gegeven.

Actum desen 25ste october 1682 des torconden etha. Fr. Ambrosius Van Lierde relig. v. Affligem.

1687 – De kerkmeesters van Asse in conflict met de abdij[69].

In de jaren tachtig van de 17de eeuw wilden de kerkmeesters van Asse herstellingswerken aan het hoogkoor en de toren van de kerk laten uitvoeren en een tiendklok laten gieten. Een tiendklok of banale klok was een aparte klok ten behoeve van de pachters van de tienden[70]. Zij hadden het recht om een tiende gedeelte te heffen van de oogst en het jonggeboren vee, maar waren anderzijds wel verplicht om aan de plaatselijke gemeenschap een klok ter beschikking te stellen. Deze moest geplaatst worden in de toren en zodanig groot en zwaar zijn, dat de klok over het hele gebied waarover de belasting werd geheven, gehoord kon worden. Daar de abdij sinds 1086 de tienden in de parochie Asse mocht innen, rekenden de kerkmeesters op het klooster om de kosten van de herstellingen en van de klok te betalen. Het kwam tussen de beide partijen niet tot een overeenkomst en de kerkmeesters dienden bij de Raad van Brabant een klacht in tegen de abdij. De schepenbank van Asse bezit de notulen van een zitting van de Raad waar de abdij was vertegenwoordigd door dom Andreas Le Roy[71] en de Kerk van Asse door Jan Crabeels, de zoon van hoofddrossaard Charles Ignatius Crabeels, de schepenen Steven Van Mulders en Charles Van Langenhove en de kerkmeesters Hendrik Van den Bossche en Michiel Bruijlant. Het resultaat van die zitting was dat de abdij 100 patacons[72] zou betalen voor een klok van minimum 3 000 pond die de kerkmeesters konden laten gieten.

1691 – De “kele” van de Damvijver[73].

Met mondelinge toestemming van de hofmeester van de abdij hadden Guillam Cornelis en Lucas Crick eene kele oft wateringhe gemaakt op de hoek van de Affligemse Damvijver[74] aan de hofstede van Hendrik Michiels. Zij hadden met houten planken een toegang tot de vijver gemaakt om zo hun paarden, koeien en andere dieren te laten drinken. Na het overlijden van Guillam en Lucas realiseerde de hofmeester zich dat hun erfgenamen dezelfde kele gebruikten en dat het gevaar bestond dat zij en andere buren die toegang als een oude servitut, een verworven recht, zouden beschouwen zodat de kele er voor altijd moest blijven. Om dat te verhinderen ontboden de meier Gillis Robijns en de schepenen Michiel Cornelis, Andries Seghers en Nicolaas Meert op 17 december 1691 Peter Clauwaert, als erfgenaam van Guillam Cornelis, en Jasper Robijns, als man van de weduwe Lucas Crick, op de Affligemse schepenbank. Zij wilden dat Peter en Jasper een verklaring ondertekenden waarin zij erkenden dat de kele geen oude servitut was. En ook dat ze bereid waren om op verzoek van de hofmeester de toegang tot de Damvijver te verwijderen en de wal in zijn oorspronkelijke staat te herstellen. Beiden ondertekenden gewillichlijck het document.

1695 – De weduwe van rentmeester De Middeleer eist betaling van tantièmes[75].

In de jaren 90 van de 17de eeuw bleven onze streken geteisterd door de voortdurende oorlogen van Lodewijk XIV. Op 11 juli 1690 plunderden Franse soldaten zo’n 50 huizen in Meldert. In september van dat jaar kampeerden 3 vendels aan de poorten van de abdij. Op 13 november arriveerden 400 Franse soldaten aan de abdij. De bevolking sloeg op de vlucht. Eind november kwam een half legioen Fransen in de abdij overwinteren. In 1691 werd er aan de abdij gevochten tussen Fransen en Spanjaarden. Op 7 juli leed Meldert onder een nieuwe golf van brandstichting en plundering. In Hekelgem en 7 andere dorpen staken de Fransen de huizen in brand. Door tussenkomst van de monniken bleven de huizen rond de abdij gespaard. Door de continuele miseriën van zware oorlogsbelastingen, leveringen van paarden en voedsel, door de vele wagendiensten konden de boeren hun pacht niet betalen. Zo leed Baardegem van 1689 tot 1695 voor 231 gulden 16 stuivers oorlogsschade en de Kerk schold in 1690, 1691 en 1693 de pachten deels kwijt[76]. Ook de pachters van de abdij verzochten de proost om kwijtschelding wat hen seer liberaelijck werd toegestaan. Blijkbaar ging de rentmeester Franchois De Middeleer daarmee akkoord. Maar na zijn dood eiste zijn weduwe Anna Van Neucker de tantièmes op waarop haar man recht had als vergoeding voor het innen van de pachten en het schrijven van de kwitanties. In twee gevallen liep de weigering van de boeren om die tantièmes te betalen uit op een proces voor de schepenbank van Asse.

Pauwel Beeckman van Baardegem was door sijn geleden schaeden ende ravagiën niet in staat zijn pachten te betalen. Anna Van Neucker eiste van hem tot het jaar 1693 87 gulden 13 ½ stuivers. Daar er geen andere processtukken zijn, is het best mogelijk dat Pauwel de tantièmes toch betaalde.

Weerstand bood Joos Van den Wijngaert[77], man van Catharina Wambacq, uit Hekelgem. Van hem eiste de weduwe voor de jaren 1684 en van 1689 tot 1693 in het totaal 130 gulden 13 ½ stuivers. Joos, voor de schepenbank gedaagd, argumenteerde dat er bij het reguleren van de kwijtschelding nooit sprake was van betaling van tantièmes aan de rentmeester. Wijlen Ambrosius Van Lierde en Willebrordus Resquens[78] hebben dat niet vermeld. Joos kon zich ook niet voorstellen dat de monniken meer bezorgd zouden zijn voor hun rentmeester dan voor hun eigen. Bovendien had de rentmeester geen werk want hij moest geen pachten innen en geen kwitanties schrijven. De weduwe zou zich beter informeren over de rechten en plichten van haar man. Hij besloot met de opmerking dat de pachters alleen verplichtingen hebben tegenover de abdij.

Zoals te verwachten was reageerde Anna Van Neucker met een uitgebreide weerlegging van de argumenten van haar tegenpartij. Zij wilde met haar replyck Joos Van den Wijngaert vuijt sijnen dolenden droom helpen. Zij beschikte over een akte van kwijtschelding van 31 januari 1695 opgesteld door Robertus Van de Velde[79], de syndicus van de abdij met deze duidelijke vermelding: ter oorsaecke van den lanckdurige oorlog, logementen, fourageringen ende ander verlies is aen de naervolgende pachters quijtgescholden als volght: met daervan betalende den tantième aen joufvrouwe de weduwe van wijlen den heer rentmeester De Middeleer. Heeft zij voor Robertus Van de Velde, die pas in september 1694 uit Neerwaver terugkeerde naar Affligem, verzwegen dat er al een akte van kwijtschelding bestond? De verklaring van Willebrordus Resquens had volgens haar geen enkele waarde want hij was de spijkermeester en hij had zich niet te bemoeien met het werk van de syndicus. Om de zaak nog ingewikkelder te maken ondertekende Catharina Wambacq, de vrouw van Joos, de akte op 10 februari 1695 waarmee ze zich akkoord verklaarde om de tantièmes te betalen.

In zijn duplycke herhaalde Joos dat zowel Ambrosius Van Lierde als Willebrordus Requens de kwijtschelding van de pachten verleenden voor zijn verlies en de weduwe had zich niet te moeien met den redelijcken ende descreten handel tusschen de abdije ende hem. Hij betwistte ook de geldigheid van de akte van Robertus Van de Velde. Hij heeft die akte niet ondertekend. Hij kan lezen en schrijven en het kwam hem toe de overeenkomst te ondertekenen want in de gedrukte costumen van Brussel staat: geene gertauwde vrouwen (geen koopvrouwen wesende) en mogen staende het houwelijck geene beloften doen, hen selve off hare mans te verbinden off eenige schulden te maecken sonder consent ende authorisatie van de selve hare man. Bijgevolg telt alleen de akte van kwijtschelding van Ambrosius Van Lierde en Willebrordus Resquens en daarin is geen sprake van tantièmes. Op het verwijt dat Resquens zich niet te bemoeien had met de kwijtschelding, antwoordde Joos dat het precies zijn taak was om de graanpachters te ontvangen en te helpen.

Het proces bleef aanslepen. Uiteindelijk deden de schepenen van Asse een beroep op de Souvereine Raad van Brabant. In april 1697 was er nog geen uitspraak.

Ick onder geschreven verclare dat aen Joos Van Den Wijngaert pachter der abdije van Afflighem quijtgeschollen sijn, te weten de jaren 1689 voor de helft, 1690, 1691 ende 1692 geheel, 1693 een derde paert ende 1694 twee derde paerten. Aldus gedaen in de abdije van Affligem 29 9ber 1695 ende was onderteeckent fr. Willibrordus risquens spijckermeester van Afflighem.

Collata concordat cum suo originali quod attestor J. Schoonians notaris.

1695 – Jan Van den Brande gecalengierd[80].

Pech voor Jan Van den Brande en Joos Van den Biesen uit Baardegem. Toen ze op 29 december 1695 om 5 u. in het Mustereelbos grondhout kapten ten behoeve van Jan werden ze door Michiel Verherwegen, de bosofficier van de abdij, betrapt. Hij liet de volgende dag de schade taxeren door Peter Gerstman en Jan Van Zeebroeck. Zij bepaalden de schade op 2 gulden 12 stuivers. Verherweghen stelde een pv op, ten exemple van anderen, die hij overmaakte aan de drossaard van het Land van Asse. Die legde hen een boete op voor illegale houtkap van 12 gulden. Jan Van den Brande werd voor de schepenbank gedaagd om beide boetes te betalen.

1696 – Advocaat Judocus De Haen gaat in de fout[81].

Op 17 januari 1696 diende advocaat Judocus De Haen bij de schepenbank van Asse een klacht in tegen Gillis Robijns, de meier van Affligem. Die zou meerdere jaren een rente van 18 gulden, bepand op bepaalde goederen, niet hebben betaald. Het ging om de jaren 1689, 1693, 1694 en 1695. Het moet voor de advocaat bijzonder affrontelijk zijn geweest dat de meier aan de schepenen 5 kwitanties kon voorleggen die aan Jasper Robijns waren verleden. De eerste kwitantie, van 28 november 1689 betrof het jaar 1689, de tweede de jaren 1689 en 1690. Voor 1693 was er een kwijtschelding omwille van de geleden oorlogsschade. 1694 werd voldaan op 24 april 1696 en in 1695 was de rente niet meer in het bezit van Gillis Robijns.

1700 – Was Willebrordus Resquens te voortvarend[82]?

In het voorjaar van 1700 daagde spijkermeester Willebrordus Resquens Cornelis Willems voor de schepenbank van Asse voor een pachtachterstand van 1 806 gulden. Cornelis was de voogd van de kinderen van wijlen Peter Van den Bossche en het was Peter die van de abdij meerdere percelen in huur had. In zijn antwoord van 15 juni 1700 betwistte Cornelis het bedrag van de achterstel omdat er na het overlijden van Peter Van den Bossche geen eindafrekening was gemaakt. Bijgevolg kon de spijkermeester die merckabele somme van penningen niet verantwoorden. Hij vermeldde ook de kwijtschelding niet die de abdij had verleend voor de geleden oorlogsschade en hij verzweeg in zijn klacht ook dat hij de meubelen van de wezen had laten verkopen en wat de opbrengst ervan was. Cornelis verklaarde dat hij steeds bereid was om voor de schepenbank te verschijnen als de spijkermeester een correcte rekening kon voorleggen.

1705 – Jan Schelfout wil zijn geld[83].

In 1705 nam Fanciscus Goossens uit Hekelgem de akkers over die hij van de abdij pachtte. Omdat Schelfout, naar zijn mening, de gronden met vele ende notabele melioratiën ende beternissen had verrijkt, vroeg hij P. Van Nieuwenhove en Jan Verleysen op 28 oktober 1704 de verbeteringen te taxeren. Zij kwamen tot een bedrag van 15 ponden groten Vlaams[84].

Maar Franciscus Goossens was Jan Schelfout nog meer schuldig:

1- Een hoeveelheid hopstaken voor 12 gulden.

2- Om het hout te splijten op 3 dagwand, 3 g.

3- Voor het scheuren van 1 d klaveren, 2 g.

4- Voor de overname van 2 d rapen, 4 g.

In het totaal bedroeg de schuld van Franciscus Goossens 111 gulden. Ondanks meerdere pogingen geraakte Jan Schelfout niet aan zijn geld zodat een klacht bij de schepenbank op 1 oktober 1705 nog de enige mogelijkheid was.

1710 – De erfenis van Jan De Witte en Anna Robijns[85].

Op 15 januari 1710 verscheen Joannes De Witte, onderpastoor van O.- L.-Vrouw Waver samen met zijn zussen en broers voor Philippus Van Innichoven, vorster en stadhouder van drossaard Hubertus Moortgat van het Land van Asse voor de verdeling van de erfenis van hun ouders. Jan was de zoon van Jan, een boer uit Strijtem en Margriet Cools. Hij trouwde te Meldert op 2 december 1675 met Anna Robijns. Hij was griffier van de abdij voor het leenhof en voor de schepenbank. In 1683 werd hij meisenier met zijn broer Adriaan en zijn oom Jan De meij als stravers. Hij overleed ca 1710. Anna Robijns was de dochter van Pauwel en Adrienne Breynaert uit Tollembeek[86].

Zij erfden elk 1031 gulden 15 1 stuivers.

1- Jacqueline was vergezeld van haar man Guillam De Boitselier, meier van Affligem. Zij kreeg Den Bonten Akker met de bomen, groot 265 ½ roeden en palende aan de Molenvijver, en een rente van 200 gulden ten laste van Gillis De Decker uit Hekelgem .

2- Egidius kreeg de weide met de bomen achter de molen, groot 100 r, Den Hoorinck, een onbehuisde hofstede met de bomen, groot 182 ½ r, Het Broek, 30 r en een rente ten laste van Jan De Kegel uit de Klaarhaag van 78 g.

3- Judocus erfde de helft van 408 r op de Molenkouter en palend aan de hofstede van zijn vader en kreeg van Adriana 488 – 13 ¼.

4- Aan Andries kwam de andere helft van de 408 r met de bomen toe en ontving nog 473 – 13 ¼ van Adriana.

5- Jacobus ontving Het Queddelvelt aan de Wallenmeers, groot 271 r en kreeg van Joannes 135 – 17 ½ en van Franciscus 146 – 3.

6- Joannes kreeg Het Swijn met de bomen, gelegen onder Hekelgem en palende aan De Grote Rammelaar en aan De Koeweide, groot 294 r, een hopveld van 109 ½ r met een schuur achter de hofstede Den Rosmarijn. Hij moest aan Jacobus 135 – 17 ½ opleggen.

7- Franciscus erfde Den Rosmarijn, 121 ½ r groot met een steenput, ast, oven en opleggen aan Jacobus 146 – 3.

8- Adriana en haar man Franchois Robijns erfden de ouderlijke hofstede met huis, steenput, ast en oven, de fruitbomen, groot 121 ½ r. Zij betalen Judocus 488 – 13 ¼ en aan Egidius 146 11 ¼.

Alle erfgenamen konden vanaf 1712 over de goederen beschikken.Jan de Witte was zo zorgvuldig geweest om zijn hofstede door timmerman Jan De Vis en metselaar Joos Van den Brande te laten schatten op 30 september 1709.:

-de schuur: 428.

-de vleuge metten aenhanck: 70.

-het bakhuis met de oven: 40.

-de steenput: 180.

-de hopast: 112.

-het huis met de kelders en ander metserije: 1580.

-de steenput aan Den Rosmarijn: 150.

-het huis Den Rosmarijn: 130.

Mijnheer greffier gelieft aen mijnen broeder Franciscus op mijnen cavel te stellen, wesende “Den Rosemarijn” alias “Slappentap” ende mij op den sijnen, het selve accepterende al off ick daer selver present waere, daer vooren verbindende mijnen persoon ende goederen ettha. Actum 22ste januari 1710. E. De Witte.

1771 – De aanstelling van Benedictus Emmanuel De Witte als griffier van de abdij[87].

Op 30 december ondertekende proost Beda Regaus[88] in opdracht van de aartsbisschop Johannes von Franckenberg de aanstelling van Benedictus De Witte als griffier. Wij geven de tekst van de aanstelling in een hertaalde versie.

Wij aartsbisschop aan allen die dit zullen lezen, zaligheid in de Heer.

Wij laten weten dat wij, geïnformeerd over de bekwaamheid en naarstigheid van Benedictus Emmanuel De Witte, hem omwille van zijn goede naam, na het ontslag van zijn vader Joannes Baptista De Witte, hebben aangesteld tot griffier van onze heerlijkheid en (schepen)bank van Affligem voor het Land van Asse, van ons leenhof en onze laatbanken in de kwartieren van Brussel, Merchtem, Buggenhout, Londerzeel en omgeving. Hij zal als griffier alle voorvallen en toebehoren trouw bedienen, namelijk de notulen en de rollen van procedures van de vierschaar en van hoger beroep opstellen, zoals ook de akten van de goederen, onze besluiten of die van onze meiers bekend maken, de vonnissen noteren, opdrachten in verband met de goederen, erfenissen en onterfenissen en wettelijke passeringen[89] registreren. Voor zover wettelijk toegelaten zal hij op verzoek behoorlijke extracten schrijven en alle documenten aangaande onze rechten en plichten bijhouden, onze rechten verdedigen en doen wat hij als een trouwe griffier schuldig is. Hij zal van alle activiteiten binnen zijn griffierschappen voor ons een inventaris maken.

Bekend met de hierboven beschreven plichten en met het gewone salaris zal hij de eed van trouw in onze handen of in die van onze vertegenwoordiger afleggen. Wij bevelen onze officieren, meiers, schepenen, leenmannen en laten aan hem naar reden en recht behulpzaam te zijn. Was ondertekend: Beda Regaus.

1791 – Strijd om de erfenis van Andries Robijns[90].

Andries Robijns bezat een ½ bunder land op Den Boonhof. Na zijn dood werd dit perceel het voorwerp van een strijd onder zijn erfgenamen. Die waren verdeeld in twee kampen: Petronella De Kegel enerzijds en de kinderen uit zijn eerste en tweede huwelijk anderzijds.

Andries Robijns was de zoon van François en Joanna Maria Vinck. Hij was te Meldert gedoopt op donderdag 26 januari 1702. Van 1750 tot 1759 was hij koster en van 1750 tot 1759 Armen- en H. Geestmeester. Hij was de eerste van 6 generaties Robijns die te Meldert koster waren. Andries overleed op vrijdag 29 juli 1791 in de leeftijd van 89 jaar. Hij trouwde een eerste maal, 23 jaar oud, op zondag 23 september 1725 met Joanna Isabella Rosa De Witte, 26 jaar. Egidius Mertens en Jacobus De Witte waren hun getuigen. Joanna was de dochter van Jacobus en Barbara Van Mulders en werd te Meldert gedoopt op donderdag 8 januari 1699. Bij haar doop waren Elisabeth Van Mulders en Joannes De Witte de meter en peter. Joanna overleed op donderdag 26 februari 1733, 34 jaar. Zij kregen twee kinderen:

1 Joanna Maria, gedoopt op donderdag 4 maart 1728. Getuigen waren Joanna Maria De Witte en Petrus Robijns. Zij trouwde op 4 december 1754 met Egidius Franciscus Van Gerwen, 27 jaar, koster te Moorsel. Getuigen waren Andreas Cooreman en Francisca Melis. Egidius was de zoon van Joannes Benedictus Van Gerwen en Maria Brusselmans.

2 Petrus Benedictus, gedoopt op zondag 19 maart 1730. Hij trouwde op 48-jarige leeftijd op donderdag 10 september 1778 met Joanna Maria Van der Schueren, 27 jaar Zij werd te Meldert gedoopt op woensdag 14 oktober 1750 en was de dochter van Alexander en Jacoba De Baetselier. Petrus Benedictus stierf op zondag 23 maart 1788. Zij overleed op dinsdag 18 november 1788, 38 jaar. Hij werd in 1773 aangesteld als koster te Meldert.

Na de dood van Joanna op 26 februari 1733 hertrouwde Andries op woensdag 28 juli 1733 in Mazenzele met Catharina Meert, 27 jaar. Zij was in Mazenzele gedoopt op dinsdag 22 september 1705 en overleed te Meldert op maandag 19 augustus 1753. Zij hadden 6 kinderen:

1 Guillelmus, gedoopt op zondag 18 april 1734.

2 Catharina, gedoopt op maandag 15oktober 1736.

3 Petronella, gedoopt op 13 april 1737.

4 Franciscus, gedoopt op zondag 15 mei 1740.

5 Egidius, gedoopt op zondag 27 mei 1742.

6 Petrus, gedoopt op 8 april 1746.

Met zijn derde vrouw, Petronella De Kegel uit Hekelgem, trouwde Andries in 1756. Zij kregen 5 kinderen:

1 Laurentius, gedoopt op zondag 1 mei 1757, overleden op 12 februari 1762.

2 Anna Plilippina, gedoopt op donderdag 26 oktober 1758, overleden op maandag 6 maart 1769.

3 Alexander, gedoopt op dinsdag 9 september 1760, overleden op dinsdag 30 maart 1762.

4 Isabella, gedoopt op dinsdag 30 januari 1762 en overleden op zaterdag 26 maart 1763.

5 Joanna Catharina, gedoopt op dinsdag 29 juli 1766.

Na de dood van Andries op 29 juli 1791 eiste Petronella het bezit op van een ½ bunder land op Den Boonhof, palende aan de cappelerije van Meldert, Joseph Van Malderen, Peter Beeckman[91] en Den Mutsereel. Volgens haar viel de erfenis onder de costuymen[92] van het Land van Asse waar het als mobilair werd beschouwd en zij de erfgename was van alle mobilair. Maar Petrus Benedictus en twee kinderen van Egidius Van Gerwen en Joanna Maria[93], namelijk Joanna Catharina met haar man J.B. Moreels en Anna Catharina en haar man Petrus Van Nieuwenborgh hadden het land al op 27 maart 1792 bewerkt en de bomen die er op stonden hadden ze openbaar verkocht. Via haar advocaat De Smedt vroeg Petronella de schepenbank van Asse om haar tegenpartij te veroordelen tot de teruggave van het land, de opbrengst van de verkoop van de bomen en de betaling van een schadevergoeding. De gedaagden schakelden advocaat Gillis in. We weten dat de molens van het gerecht langzaam malen, ook toen al, zodat we niet verwonderd moeten zijn dat er twee jaar later, in 1794 nog geen vonnis was.

1793 – Joannes De Cort wou de tiendensteker voor zijn[94].

Andries Van den Bergh, de tiendensteker[95] van de abdij te Hekelgem, ging op 8 augustus 1793 naar de Buikouter om na te gaan of Joannes De Cort, een kossaard[96] van Hekelgem, zijn tarwe al had geoogst. Die bewerkte namelijk een veld waarop de abdij het tiendenrecht had. Joannes had, waarschijnlijk met pik en pikhaak, de tarwe al gepikt en ze in schoven gebonden. Andries schatte de oogst op 14 tot 15 elflingen en keerde de volgende morgen om half vijf terug om te vertienden, het tiende part of 1 elfling[97] op te halen. Onderweg zag hij Joannes De Coster samen met Judocus Van Nieuwenhove, een pachter van Hekelgem. Met paard en kar, waarop zo’n 14 of 15 elflingen lagen, reden zij weg. Daar Andries vermoedde dat er kwaad opzet mee gemoeid was, spoedde hij zich naar het veld van Joannes De Coster waar geen enkele schoof meer lag. Om uit te zoeken waar Judocus Van Nieuwenhove de schoven had gebracht, ging hij tussen 9 en 10 u. naar diens boerderij waar hij te horen kreeg dat de schoven niet van het veld van De Coster kwamen, maar uit de schuur van Gillis Verbeken. Andries wou ook uitleg van De Coster horen, maar trof alleen zijn vrouw thuis. Van haar kreeg hij alleen injurieuse woorden naar zijn hoofd geslingerd. Nog dezelfde dag bracht Andries verslag uit bij Livinus De Wemer, de hofmeester van de abdij. Die sprak op 19 augustus advocaat Stephanus Franciscus Gillis aan om namens de abdij een klacht neer te leggen bij de schepenbank van Asse en, zoals de wet het voorschrijft, als vergoeding het dubbel recht van tienden te eisen en om den baetsught ende besmettelijcken handel des gedaegde in te tomen. J. D. Gheude, de drossaard, voegde er nog een geldboete van 100 pattacons aan toe wegens het niet naleven van de wet.


[1] Patar: oude munt gelijk aan 1 gulden of 20 stuivers.

[2] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 8070.

[3] Een mijt was een kleine middeleeuwse munt. Een stuiver was gelijk aan 72 Brabantse mijten. Er bestond ook een Vlaamse mijt die anderhalve keer zoveel waard was als de Brabantse.

[4] Uit S.G. 1

[5] P. LINDEMANS, Geschiedenis van de Landbouw, dl p, 144.

[6] Ascania, S.g., 754.

[7] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 8109.

[8] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 8061.

[9] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4593.

[10] De kinderen van Geraert Van Vaerenbergh:

1- Barbele getrouwd met Gielyssen De Witte

2- Anna getrouwd met Joosten De Mets

3- Marie

[11] R.A. Leuven, Schepenbank van Affligem, nr. 8013.

[12] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1434.

[13] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 7421.

[14] Gebouwd op gaffelvormige palen.

[15] Al in de middeleeuwen werden de akkers voor graanwinning gemergeld om verzuring te voorkomen. Maar in de 16de eeuw waren de meeste mergellagen uitgeput. Door de dieren op stal te houden beschikten de boeren over stalmest ter vervanging van de mergel.

[16] W. VERLEYEN, De abdijhoeven buiten Affligem, in: Jaarboek Belledaal 1986, 11.

[17] E. SCHOON, De oude abdij Affligem geconfisqueerd, 2017, 40. Onuitgegeven bron.

[18] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.8112.

[19] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2002.

[20] Deze zaak dateert uit de 1ste helft van de 17de eeuw, +/- 1630.

[21] W. VERLEYEN, De familieclan van Franchoys Lemmens (+1637) Bosmeester van Affligem, in: Vlaamse Stam, jg. 33, nr. 10, oktober 1997.

[22] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 7645.

[23] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1693.

[24] J. OCKELEY, Leven onder de Toren, 2014, 10 – 11.

[25] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1434.

[26] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 5189.

[27] Tronk: stam van een boom. Dachwanden

[28] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1801.

[29] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2002.

[30] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2002.

[31] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2205.

[32] W. VERLEYEN, Het leenhof van Affligem, in: Recht in Geschiedenis, red. J. Ockeley, Leuven 2006, 472.

[33] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2294.

[34] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 261

[35] Andreass Creusen, de 31ste abt van Affligem, was doctor in de theologie en was van 1657 tot 1666 abt.

[36] Franchois Wambacq werd omstreeks 1580 in Essene geboren als zoon van Michel en Barbara De Wever. Hij overleed op donderdag 30 juni 1661 en werd in de kerk van Essene begraven. In 1638 kocht hij het Hof te Belle van de abdij: “15 juni heeft den aertsbisschop Boonen het pachthof van Belle onder paelenslagh verkogt aan Franciscus Wambacq voor gl 9000 ende daer waeren 24 hooghen op de conditie staen in probis.

[37] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2300.

[38] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2394.

[39] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2303.

[40] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 538.

[41] R.A. Leuven. Michiel De Bisschop notaris te Asse van 1654 tot 1688.

[42] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2775

[43] Jan Van Langenhove was de zoon van Judocus en Clara Scholasters; Hij werd te Baardegem gedoopt in 1611 en overleed op zondag 23 maart 1681 in Baardegem, 70 jaar oud. Hij was meier van het laathof Goubau te Baardgem en pachter op het Hof te Houtem. Hij trouwde op donderdag 6 oktober 1633 in Opwijk met Barbara Van den Broeck, 27 jaar. Zij werd gedoopt op donderdag 18 mei 1606 in Opwijk en overleed in Baardegem op vrijdag 29 augustus1664, 58 jaar oud.

Nicolaas Meert werd in Essene gedoopt in 1635 en overleed op zondag 10 februari 1709 in Essene, 74 jaar oud. Hij trouwde op maandag 2 september 1658 in Baardegem met Clara Van Langenhove, 20 jaar oud en dochter van Jan en Clara. Zij werd op woensdag 3 maart 1638 in Baardegem gedoopt en overleed op zaterdag 16 mei 1676 in Essene, 38 jaar oud. Nicolaas hertrouwde op 41-jarige leeftijd op zondag 20 september 1676 in Sint-Amands met Clara De Keersmaecker, 32 jaar. Zij werd gedoopt op zondag 11 september 1644 in Sint-Amands. Clara overleed op vrijdag 12 april 1720 in Essene, 75 jaar oud.

Kinderen van Nicolaas en Clara Van Langenhove: te Essene gedoopt:

1- Joannes, gedoopt op dinsdag 28 oktober 1659

2- Petrus, gedoopt op zaterdag 29 januari 1661 en overleden te Essene in 1699, 38 jaar.

3- Barbara, gedoopt op donderdag 19 april 1663

4- Catharina, gedoopt op donderdag 16 oktober 1664, Catharina Van den Broeck was getuige bij de doop.

5- Franciscus, gedoopt op zondag 24 april 1667, Joannes Lemmens was getuige bij de doop.

6- Anna, gedoopt op woensdag 29 januari 1670, Anna Van Langenhove en Egidius Linthout waren getuigen.

7- Judocus, gedoopt op zondag 11 oktober 1671, Catharina Gerstmans en Petrus Van Langenhove waren getuigen.

8- Maria, gedoopt op zondag 1 oktober 1673, Adrianus De Ridder en Maria Pinnock waren getuigen.

Kinderen van Nicolaas en Clara De Keersmaecker te Essene gedoopt:

1- Daniël, gedoopt op dinsdag 26 maart 1680, getuigen waren Maria De Keersmaecker en Daniël Van den Brande.

2- Elisabeth, gedoopt op zondag 29 maart 1682, getuigen waren Elisabeth De Keersmaecker en Petrus Gerstmans.

3- Jacobus Meert, gedoopt op donderdag 6 januari 1684 en overleden te Essene in 1759, 75 jaar oud.

4- Guillelmus, gedoopt op woensdag 3 oktober 1685, getuigen waren Petronella Tossyns en Joannes Van de Mael.

5- Carolus, gedoopt op dinsdag 4 november 1687

[44] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2569.

[45] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2591.

[46] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2593.

[47] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2796.

[48] 1 pond Vlaams groten = 12 ponden parisis = 6 gulden.

[49] Zie 1678 Eerste schepen Jan Van Langenhove in gebreke.

[50] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2664.

[51] Martinus Wambacq was een zoon van Franciscus. Franciscus was in Essene geboren en er overleden in 1661. Hij trouwde met Catharina De Troch. Martinus, geboren in Essene op 19 oktober 1619 overleed in de abdij op 8 februari 1675. Hij was getrouwd met Anna Vrankx en was notaris te Essene en griffier van de abdij.

[52] Idem, nr. 2737.

Dom Rupertus Beijdaels was afkomstig van Brussel. Hij legde in de abdij de geloften af op 28 januari 1657 en ontving de priesterwijding op 18 september 1660. Hij was novicemeester, hofmeester (ook spijkermeester genoemd), gastenmeester, prior en proost. In 1683 werd hij door Franse soldaten met geweld naar Aalst gevoerd omdat hij hen geen 20 koeien had geleverd. Dom Rupertus stierf op 29 augustus 1685.

[53] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2968.

[54] Adriaan De Ridder trouwde op zaterdag 13 juli in Hekelgem met Barbara Van de Velde. Hij overleed in Hekelgem op woensdag 5 maart 1692. Zij hadden zes kinderen te Hekelgem gedoopt.

1 Guillelmus, gedoopt op maandag 2 november 1676.

2 Adriaan, gedoopt op donderdag 3 maart 1678.

3 Angelus, gedoopt op zondag 1 juni 1681 en overleden te Hekelgem in 1703, 22 jaar oud.

4 Laurentius, gedoopt op dinsdag 11 januari 1684 en overleden te Hekelgem in 1743, 59 jaar oud.

5 Jacob, gedoopt op zaterdag 5 oktober 1686 en overleden te Hekelgem in 1720, 34 jaar oud.

6 Petrus, gedoopt op vrijdag 18 november 1689 en overleden te Hekelgem in 1766, 77 jaar oud.

[55] Dom Bernard O.S.B., Geschiedenis der Benedictijner Abdij van Affligem, Gent, A. Siffer, 1890, 273 – 275.

[56] R.A. Leuven, notariaat Joannes Schoonjans te Asse.

[57] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94 nr. 2827.

[58] LUCAS WAMBACQ, zoon van FRANCISCUS WAMBACQ en CATHARINA DE TROCH. Hij is gedoopt op donderdag 14 juni 1629 in ESSENE. LUCAS is overleden op woensdag 10 september 1670 in ESSENE, 41 jaar oud.

[59] ANDREAS DE WEVER, zoon van MERTEN DE WEVER en GEERTRUYDE VAN ROSSEM. Hij is gedoopt omstreeks 1610. ANDREAS is overleden op zaterdag 21 oktober 1673 in HEKELGEM, ongeveer 63 jaar oud. Koster te Hekelgem.

ANDREAS:

(1) trouwde, ongeveer 23 jaar oud, op zondag 19 juni 1633 in HEKELGEM met PETRONELLA DE MERCHIE, 21 jaar oud. Zij is een dochter van ERASMUS DE MERCHIE en AMELBERGA VERROTEN. Zij is gedoopt op donderdag 22 december 1611 in HEKELGEM. PETRONELLA is overleden, 23 jaar oud. Zij is begraven op zondag 11 november 1635 te HEKELGEM.

Notitie bij PETRONELLA: Overleden aan de pest.

(2) trouwde, ongeveer 40 jaar oud, op dinsdag 1 maart 1650 in HEKELGEM met JUDOCA DE MEYE, 26 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 15 oktober 1623 in HEKELGEM. JUDOCA is overleden na 1679, minstens 56 jaar oud. Zij trouwde later na 1673 met ANTHOON ANTHONIS.

[60] CATHERINA WAMBACQ, dochter van LUCAS WAMBACQ en CATHARINA BREIJNAERS. Zij is gedoopt op donderdag 28 april 1650 in ESSENE. CATHERINA trouwde, 20 jaar oud, op donderdag 22 januari 1671 in ESSENE met ANDREAS VAN DER STRAETEN. Hij is een zoon van HENDRICK VAN DER STRAETEN en CATHARINA VAN DEN DAELE. ANDREAS is overleden op donderdag 20 februari 1698 in ESSENE.

[61] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2822.

[62] Ambrosius Van Lierde was afkomstig van Aaigem waar hij in 1623 was geboren. Hij legde de geloften af op 18 oktober 1644 en ontving de priesterwijding op 25 mei 1652. Hij verbleef  in de priorijen van Neerwaver en Bornem. In 1644 keerde hij naar Affligem terug. Hij werd er econoom en graanmeester. In 1670 benoemde men hem tot de eerste syndicus. Op 15 februari 1672 sloot hij een overeenkomst met de Raad van Financiën voor het uitbaten van nieuwe steengroeven te Meldert en te Asbeek om de sluis Slijkens te Oostende te vernieuwen. Hij zou de Historia Affligemense geschreven hebben. Dom Ambrosius was zeer begaafd en bijzonder sluw.

[63] Geamortiseerde goederen: goederen van de dode hand, d.w.z. onroerende goederen die niet vererfd kunnen worden.

[64] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2737.

[65] Peter De Hageleer was getrouwd met Elisabeth Goossens. Zij hadden vier kinderen te Meldert geboren:

1 Anna, gedoopt op 13 januari n1669.

2 Joanna, gedoopt op 14 september 1670.

3 Egidius, gedoopt op 30 september 1672.

4 Judocus, gedoopt op 20 februari 1675.

[66] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2902.

[67] Andreas Van der Straeten was de zoon van Hendrik en Catharina Van den Daele. Hij overleed op donderdag 20 februari 1698 in Essene. Andreas trouwde op donderdag 22 januari 1671 in Essene met Catherina Wambacq. Egidius De Ridder en Petrus De Smedt waren hun getuigen Catharina was de dochter van Lucas en Catharina Breijnaert. Zij kregen vijf kinderen die in Essene werden gedoopt.

1 Michael, gedoopt op zondag 8 november 1671.

2 Joanna, gedoopt op dinsdag 24 januari 1673.

3 Petrus, gedoopt op donderdag 19 april 1674.

4 Joannes, gedoopt op vrijdag 28 februari 1676.

5 Joanna Maria, gedoopt op donderdag 25 mei 1679. Zij trouwde, 28 jaar oud, op zaterdag 10 december 1707 in Essene met Adrianus Ceuppens.

[68] Jasper Camermans was de zoon van Geeraert die op 19 november 1621 te Essene trouwde met Elisabeth de Meije. Jasper, gedoopt op 2 juni 1623 trouwde te Essene op 11 mei 1647 met Anna Van Linthout. Zij overleed op 8 oktober 1669. Jasper hertrouwde te Essene op 1 mei 1670 met Marie Van der Elst. Kinderen uit het eerste huwelijk te Essene gedoopt

1- Gerard, gedoopt op 30 augustus 1648.

2- Jan, gedoopt op 13 maart 1653.

3- Hendrik, gedoopt op 23 juli 1656.

4- Elisabeth, gedoopt op 2 juli 1657.

Uit het tweede huwelijk: Angelus, gedoopt te Essene op 17 maart 1675 en overleden op 7 december 1686.

[69] R.A. Leuven, Schepenbank van Affligem, nr. 7108.

[70] Tienden waren een soort belasting van kerkelijke oorsprong waarvan 1/ 3 bestemd was voor het onderhoud van de kerk en de eredienst .

[71] Andreas Le Roy, een Brusselaar trad in 1663 in de abdij in en ontving de priesterwijding op 23 mei 1671. Hij werd prior in Neerwaver en syndicus in Affligem. Dom Andreas onderscheidde zich door zijn grote lichaamskracht.

[72] De patacon of patagon was een munt uit de Lage Landen die in 1612 werd geïntroduceerd. Deze zilvermunt had een waarde van 48 stuivers. Op de voorzijde staat een gekroond stokkenhuis en de vuurslag van het Gulden Vlies; op de keerzijde het gekroonde Bourgondisch wapen omhangen met de ketting van het Gulden Vlies.

[73] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3332.

[74] De Damvijver lag in de Langestraat en is te zien op de ferrariskaart rechts van het woord Dorp. Helemaal recht de Cleynen Rammeleer. Links van de abdijgebouwen de 5 met elkaar door loden buizen verbonden visvijvers: de Weimeersvijver, de Rietvijver, de Grauwvijver, de Paddevijver en de Ouden vijver.

[75] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3332 en 3374.

[76] W. VERLEYEN, Negen eeuwen Affligem, 49; ID., Meldert 38; J. OCKELEY, Baardegem, 84.

[77] Joos Van den Wijngaert, was de zoon van Arnout en brouwer in Hekelgem.

[78] Ambrosius Van Lierde was afkomstig van Aaigem waar hij in 1623 was geboren. Hij legde de geloften af op 18 oktober 1644 en ontving de priesterwijding op 25 mei 1652. Hij verbleef  in de priorijen van Neerwaver en Bornem. In 1644 keerde hij naar Affligem terug. Hij werd er econoom en graanmeester. In 1670 benoemde men hem tot de eerste syndicus. Op 15 februari 1672 sloot hij een overeenkomst met de Raad van Financiën voor het uitbaten van nieuwe steengroeven te Meldert en te Asbeek om de sluis Slijkens te Oostende te vernieuwen. Hij zou de Historia Affligemense geschreven hebben. Dom Ambrosius was zeer begaafd en bijzonder sluw.

Willibrordus Riquens  was afkomstig van Antwerpen. Hij legde de geloften af op 2 februari 1637 en ontving de priesterwijding op 25 februari 1679. In de abdij vervulde hij meerdere functies: catecheet, sacrista, pomarius, cantor, graanmeester, subprior, ontvanger van de cijnzen en syndicus. Op 15 april 1721 volgde zijn benoeming tot prior te Bornem waar hij ook overleed op 18 december 1724.

[79] Robertus Van de Velde, een Brusselaar, ontving de professie op 12 juni 1677 en de priesterwijding op 19 september 1682. Van 1687 tot 1694 verbleef hij te Neerwaver. Na zijn terugkeer in Affligem werd hij syndicus en in 1708 econoom. Hij was een harde werker die zich met weinig tevreden stelde. In 1716 werd hij prior van Neerwaver. Hij overleed op 28 september 1722.

[80] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 587.

[81] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3387.

[82] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3647.

[83] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3756.

[84] 1 pond groten Vlaams = 6 gulden.

[85] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.5485.

[86] Voor meer informatie over de familie De Witte-Robijns zie B. VERMOESEN, Jan De Witte, Anna Robijns en kinderen: een merkwaardige familie te Meldert, in: De Faluintjes, 2008, nr. 2.

[87] B. REGAUS, Directorium Abbatiae Haffligemensis, Bona et Jura monasterii Haffligemensis, A.R. Brussel, 2002, kolom 396 e.v.

[88] Beda Regaus was de laatste proost van de abdij. Na de uitdrijving van de monniken in 1796 verbleef hij van 1798 tot aan zijn dood  bij zijn griffier Benedictus De Witte.

[89] Wettelijke Passeringen, ook schepenkennissen of schepenboeken genoemd omvatten hoofdzakelijk akten in verband met onroerende goederen (koop en verkoop van huizen, hofsteden, landerijen of bossen, leningen met een onroerend goed als onderpand, schenkingen, …). Af en toe is een huwelijkscontract of een testament opgetekend. De contracten werden neergelegd of ‘gepasseerd’ op de schepenbank en ingeschreven in de schepenregisters.

[90] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4542.

[91] De kinderen van Petrus Benedictus en Joanna Van der Schueren:

1 Felix, gedoopt op 31 januari 1778.

2 Petronella, gedoopt op 31 juli 1779.

3 Franciscus, gedoopt op 18 mei 1781.

4 Victoria, gedoopt op 16 augustus 1786.

[92] Costuymen: het gewoonterecht.

[93] De kinderen van Egidius Van Gerwen, koster te Moorsel, en Joanna Maria Robijns te Moorsel gedoopt:

1 Andreas, gedoopt op 18 oktober 1755.

2 Anna Catharina, gedoopt op 24 januari 1757, trouwde met Petrus Van Nieuwenborgh.

3 Joanna Catharina, gedoopt op 3 december 1758, trouwde met Joannes Baptista Moreels.

4 Joannes, gedoopt op 18 september 1760.

5 Jan Baptist, gedoopt op 27 augustus 1766.

[94] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4541.

[95] Een tiendensteker haalde de tienden op. In dit geval zou Andries over het tarweveld lopen en elke tiende schoof apart leggen of, eens de schoven in elflingen samen stonden, een elfling opgeëist hebben.

[96] Kossaard = keuterboer.

[97] Als het geoogste klaar in schoven was gebonden, zette men de schoven in groepen van 10 (een tienling) of 11 (een elfling) samen om te drogen.

Rechtszaken te Meldert tijdens de 18de eeuw.

Rechtszaken te Meldert tijdens de 18de eeuw.

Jan Pieters geschopt en geslagen[1].

Ten behoeve van de drossaard van het Land van Asse maakte dorpsofficier Franchois Van Onchem volgend verslag van de gebeurtenissen op Het Meirsbroek op 5 februari 1701.

Die dag legde Jan Pieters, 30jaar, een klacht neer wegens slagen en verwondingen. Hij had, toen hij in zijn huis was, twee wagens voorbij horen rijden. Omwille van het kabaal dat de voermannen maakten, ging hij buiten eens kijken en stelde dan vast dat de wagens niet op de weg reden maar door zijn graanveld. Hij zag nog dat een van de wagens, die van  Hendrik Van Ginderachter, kantelde. De andere wagen was van P. Plas uit Krokegem. Het is God die hem vreeckt omdat gij over mijn graen gereden hebt, meende Jan Pieters en hij riep zijn zwager om getuige te zijn van het voorval. Daarop kwam de knecht van P. Plas, Jan De Nil, op hem toegelopen, zeggend: wat heeft dese vagebond hier soo te roepen. Jan Pieters kon hem nog afweren met de dorsvlegel die hij van huis had meegenomen. Omdat Jan om hulp bleef roepen, vroeg Gillis hem of het zijn bedoeling was hun wagens te plunderen en hij sloeg hem met zijn vlegel op zijn rechterschouder terwijl hij zijn compagnons vroeg om met hun degens te komen. Pieters vluchtte weg, achtervolgd door Gillis Van Ginderachter. Al na een paar meter kon Van Ginderachter hem grijpen en vasthouden tot Van Huijnegem en De Nil hem bij zijn haar vastgrepen. Een van hen, Pieters wist niet wie, sloeg hem driemaal zo hard op zijn hoofd dat hij als in onmaght is geweest. Toch kon hij nog weglopen tot Van Huijnegem hem vastgreep. De twee anderen sloegen dan met zijn eigen vlegel op zijn rug, zijn benen en billen. Ondertussen waren andere mensen op het tumult afgekomen en de overvallers lieten Jan Pieters los, behalve Van Huijnegem die hem op de grond gooide. Stampt op zijn hert, stampt op zijn hert, moedigden de twee hem aan. Maar door het geroep van een andere man, Jan Pieters herkende de stem niet, gingen zijn aanvallers eindelijk weg.

Op 10 februari legde Frachois Van Onchem zijn verslag voor aan schepen Hendrik De Bailliu en de poorters Peter Gerstman en Joos De Clercq.

Peter Van de Putte: siet ick slaen den drossaert[2]

Wat bezielde Peter Van de Putte om de dorpsofficier van Meldert, Franchois Van Onchem, vast te grijpen en te slaen? Dat gebeurde in het huis van Jan Lans en in aanwezigheid van meerdere personen. Dat vergrijp bleef natuurlijk niet zonder gevolg, vooral omdat hij uitriep: siet, ick slaen nu den drossaert. Zoiets kon officier Franchois niet negeren en hij lichtte drossaard Hubert Moortgat in. Die vond dusdaenighe feijten intollerabel als strijdende tegen alle recht ende justitie mitsgaeders oock tegen de eere ende reputatie. Hij liet door officier Michiel Jacobs Van de Putte voor de schepenbank dagen op 12 december 1702. Zijn advocaat, Arnolt Adriana, eiste een schadeloosstelling van 5 patacons[3] (= 12 gulden). Maar Van de Putte daagde niet op, en ook niet na de tweede dagvaarding op 18 december. Toen hij na de derde dagvaarding niet verscheen, veroordeelden de schepenen Hendrik De Bailliu en Peter Gerstman hem tot het betalen van een boete van 20 gulden.

De woede van Peter Van de Putte is waarschijnlijk te verklaren door een eerder conflict. In 1697 bezorgde Franchois Van Onchem een dagvaarding. Volgens de collecteur Jan Van der Borght moest hij 78 gulden betalen aan het Melderts gemeentebestuur, een bedrag dat zijn vader, voor zijn overlijden, als collecteur nog zou schuldig zijn. Peter ontkende dat ten stelligste en dat leidde tot een proces dat in 1700 nog niet was opgelost[4].

De kwalijke erfenis van Jan Van der Borght[5].

Waarom Guilliam Van der Borght op 27 april 1650 een lening van 200 gulden met een erfelijke rente van 12 g 10 st aanging bij het klooster van Jericho[6] te Brussel is niet duidelijk. Hij was geen onbemiddelde man want hij kon meerdere partijen land als borg stellen:

-1/2 bunder land gelegen op de Rooskouter te Mollem, een erfenis van zijn moeder Joanna Van de Velde;

-1 bunder land gelegen op Den Bakoven te Asse;

-1 bunder land met huis te Asse-ter-Heide, een erfenis van zijn vader. Het perceel was belast met 10 g 10 st aan de kapelanij van Asse en met 12 g 10 st aan meester Arnoult Adriani.

De akte van de lening werd verleden door notaris Stephanus Van de Velde en door de schepenbank van Asse geregistreerd op 5 november 1650. Tot 1699 betaalde Guilliam en na zijn overlijden zijn zoon Jan stipt de rente op 27 april. Maar van 1700 tot 1707 werd er niets betaald. De schuld was inmiddels opgelopen tot 87 g 10 st. Voor de zusters was nu de maat vol. Pogingen om tot een minnelijke oplossing te komen hadden niets opgeleverd. Jan weigerde te betalen. Gevolg: de zusters richtten zich tot de schepenbank van de edele ende welgeboren vrouwe Marie de Cotereau der poort vrijheijt ende lande van Assche om Jan Van der Borght te verplichten de 87 g 10 st achterstel te betalen.

De weduwe Petronella beschuldigd van fraude[7].

De gemeentelijke boekhouding is een complexe zaak en dat was het zeker in vroeger tijden toen nog veel mensen niet konden lezen of schrijven. Voor de collecteurs, die de inkomsten en uitgaven moesten bijhouden, was het praktisch onmogelijk om voor alle verrichtingen de nodige kwitanties te verzamelen met als resultaat discussies over uitgaven die de collecteurs niet konden staven of niet geregistreerde inkomsten. Dat overkwam de weduwe van collecteur Jan Van den Biesen. Zij werd in 1698 voor de schepenbank van Asse gedaagd door Joan Van der Borght, de opvolger van haar man. Van der Borght eiste van haar 400 gulden, het tekort op de rekeningen die ze indiende bij de bedesetters. Voor een goed begrip volgt eerst een verduidelijking over de gemeentelijke boekhouding.

Een collecteur, soms ook rendant genoemd, zorgde voor de dorpsfinanciën. De inkomsten en uitgaven noteerde hij in oncost-, bede- en subsidieboeken. Hij inde of collecteerde de belastingen die door de bedesetters “geset”, d.w.z. verdeeld werden over alle belastingplichtigen meestal op basis van grondbezit als eigenaar of huurder. Ook molens en neringdoenders werden belast. De dorpsregeerders, de bedesetters en enkele andere vooraanstaanden, bepaalden de aanslag van de belastingen. Zij moesten bij hun benoeming een eed afleggen voor de schepenbank te Asse en ze kregen een vergoeding voor hun verplaatsing. De collecteur legde, meestal om de twee jaar, zijn rekeningen ter goedkeuring voor aan de dorpsregeerders en voor zijn werk werd hij vergoed met een tantième.

Op de rekeningen die Petronella De Meersman na de dood van haar man in 1698 aan de bedesetters Michiel Van de Putte, Jan Goeman, Gillis Van Onchem, Jan Baptista Robijns en Joan Van der Borght voorlegde, gaf zij als inkomsten 7 966 gulden 3 stuivers en 1 oord. Dat hoog bedrag was te wijten aan de verhoging van de grondbelasting van 6 naar 18 gulden per bunder. Daar kwam nog de pacht bij van 172 g 19 st voor 3 jaar van de vaghe goederen verhuurd door de bedesetters zodat de totale inkomsten 8 139 gulden 2 stuivers 2 oorden beliepen. Als vergoeding voor het opmaken van de rekeningen ontving Petronella 29 g 18 st 2 o. Bijgevolg ontving Petronella 8 109 g 4 st meer dan de uitgaven. In een tijd waarin de gemeenten het moeilijk hadden om hun uitgaven in evenwicht te houden met de inkomsten, was het duidelijk dat niet alle betalingen waren ingeschreven. Meteen wou de nieuwe collecteur Joan Van der Borght de rekeningen purgeren en hij kwam al snel tot de conclusie dat hij nog heel wat betalingen moest verrichten:

De achterstallige betalingen

– 1 898-4-2 van 13 november 1698 zonder nadere uitleg;

– 19-10-0 aan Gillis Beeckman  voor sijne specificatie;

– 29-10-0 aan Carel Ardenois voor vertier, goedgekeurd door de bedesetters van 24 oktober 1698; 9 g voor zijn werk met wagen en paard in dienst van sijne majesteijt in april 1698 en 1-16-0 voor de consumptie van de deurwaarder Van Gommeren;

– 21-4-5/8 aan Peter Van de Putte van 14 november 1698;

– 35-15-3 aan Jan Baptista Robijns voor wat hij voor de parochie deed;

– 4 985-14-0 aan afbetalingen voor meerdere personen;

– 126-17-0 die de weduwe of haar man hebben genoten;

– 12-9-0 voor een rente;

– 12-0-0 voor het opmaken van het setboeck;

– 6-0-0 voor de bedesetters die de rekeningen controleerden;

– 1-6-3 van 23 juli 1695;

– 7-15-0 van 23 juli 1695;

– 29-0-0 aan de abdij van Vorst;

De totale uitgaven bedroegen 7 214-15-0. Van de ontvangsten bleef er nog 894-9-0 over. De verbeterde rekeninghe ende reliqua legde de nieuwe collecteur aan de bedesetters ter goedkeuring voor. Maar Van der Borgt ontdekte nog onbetaalde recente rekeningen van:

– 21-6-0 voor Jacobus De Witte voor zijn debvooren voor de prochie;

– 4-8-0 aan Adriaan Linthout als bedesetter;

– 5-0-0 aan deurwaarder Borremans;

– 5-4-0 aan Jan Baptista Robijns;

– 14-10-0 aan Gillis Van Onchem als bedesetter;

– 25-15-0 aan Adriaan De Ridder als gids voor het Franse leger;

– 198-15-0 aan Joan Van der Borgt voor zijn werk met wagen en paarden ten dienst van de Fransen;

– 105-18-2 door de bedesetters gegeven aan Petronella voor de wagenvrachten in 1693 (voor het Franse leger?);

– 8-12-0 als tantième voor de weduwe;

– 66-0-0 voor haar paard dat aan de Fransen was geleverd en door de Spanjaarden in beslag werd genomen;

– 62-0-0 aan mijnheer De Backer voor een jaar rente in maart 1701;

– 511-11-0 van niet te innen bedragen volgens de oncostboecken van 1691, 1695 en 1696, het soldatenboeck van 1699 de bedeboecken van 1694,1695 en 1699.

De laatste uitgaven beliepen tot 1 030-3-0 zodat er een verlies was van 195-14-0. Die uitgaven werden uiteindelijk goedgekeurd door de schepenen Andries De Boitselier en Gillis Van Onchem, Jan Baptista Robijns, Adriaan Linthout en Steven Meysman en door de drossaard en Gillis Van Mulders en Peter Clauwaert, de schepenen van Asse, op 13 oktober 1711.

Ontfanghen bij mij ondergeteeckent vuijt handen van de weduwe Jan Van den Biesen op rekeninghe van ’t gene sij bij mij affrekeninghe ten achteren is gebleven, 50 guldens.

Actum 17de october 1702

Het proces.

Zoals te verwachten reageerde Petronella De Meersman op het slot van deze laatste rekeningen. Zij verweet Joan Van der Borgt dat hij na het eerste verslag van 31 juli 1698 nog op 2 juni 1704 een tweede verslag indiende, wat volgens haar aantoonde dat zijn eerste conclusies niet klopten. Hij gaf trouwens op 18 november 1704 toe voldaen te wesen in alle zijne prestaties ( van haar overleden man). Zij gaf van haar kant te kennen bereid te zijn met deughdeleijcken eedt te affirmeren dat sij aen den voorschreven aenlegger (Joan Van der Borgt) geene de minste schuld en is bekennende.

Daar de schepenen van Asse geen klaarheid zagen in de zaak die Joan Van der Borgt had aangespannen, richtten ze zich tot de Souvereijnen Raede van Brabant. De advocaten Beauregard en J.B. Van Gelder hadden al op 4 oktober 1710 het advies gegeven om getuigen op te roepen en te ondervragen. De schepenen van Asse besloten de raad van meesters ende geleerden in de rechten op te volgen. Jacobus De Witte, 60 jaar, Franchois Van Onchem, 47 jaar en Dominicus Van den Biesen, 66 jaar, getuigden dat zij in verband met de ingediende rekeningen van Petronella De Meersman winst noch verlies hadden geleden. Zij brachten dus geen nieuwe feiten aan. Het vonnis ontbreekt in de bundel, het enige wat duidelijk werd genoteerd waren de gerechtskosten. Wat begon in 1698 als een klacht over onbetaalde rekeningen, was in 1711 nog niet opgelost. Voor Petronella, die zelf niet kon schrijven en de weduwe was van collecteur Jan Van den Biesen, moeten al die jaren een ware nachtmerrie zijn geweest.

Gillis Beeckman betaalt niet[8].

Paulina Van Heil, een non, had van haar oom Jan Baptist Van Heil, een broer van haar vader, een onbehuijsde hoffstadt met een meirsken daerachter gelegen geërfd. De hofstee was belast met een erfelijke rente van 15 gulden 12 ½ stuivers. Gillis Beeckman had het goed in gebruik. Hij betaalde stipt de rente aan Paulina en na haar dood inde Peter Van der Bruggen, de man van Paulina’s zus het bedrag. Peter stierf in 1710 en toen stopte Gillis Beeckman met de betalingen. Dacht hij te profiteren van een onduidelijke erfeniskwestie? In elk geval pas na drie jaar reageerden de erfgenamen. Zij dienden een klacht in bij de schepenbank van Asse en op 14 mei 1713 werd Gillis op de schepenbank verwacht. De nichten Paulina Van der Bruggen met haar man Cornelis Van den Brande, Philippus Van den Brande, de weduwnaar van Catharina Van der Bruggen en Maria Van Heil, de zus van Paulina, eisten de directe betaling van 46 gulden 17 ½ stuivers achterstallige renten.

Een sluwe Gillis Van Ochem[9].

Op 17 december 1687 verkocht Gillis Van Onchem 1 dagwand land aan Christoffel Van Andenhove voor 22 ponden groot Vlaams[10]. Het perceel lag op het Meirbroeck, paalde aan de Groeneweg en was belast met 2 penningen Lovens[11] aan baron Van Capellen. Al snel rees er een probleem: Niclaas Van der Hasselt had beslag op gelegd op 45 roeden als gevolg van onbetaalde renten. Dat probleem bleef aanslepen tot de erfgenamen van Christoffel, zijn dochter Anna met haar man Jan Peeters en zijn tweede dochter Joanna met haar man Guillam Van den Driessche, na vergeefse pogingen om de zaak in der minne te regelen, tegen Gillis Van Onchem een proces inspanden. Volgens een akte verleden op 16 oktober 1703 kon Gillis 25 roeden aan hen afstaan. De volle 45 roeden kwamen pas in hun handen na een vonnis van de schepenbank van Asse op 13 oktober 1713, 26 jaar na de aankoop!

Testament voor een onwettige dochter[12].

Toen Peter De Nil, zoon van Gillis, sieck van lichaem maar sijn vertsand, memorie ende sinnen noch wel machtich zijn einde voelde naderen, liet hij pastoor Vresius zijn testament opmaken op 29 maart 1714. Hij schonk 150 gulden aan zijn zoon Martinus en 150 gulden aan zijn dochter Geertruide, illegitiem gemaeckt om haar daermede op te brengen. Voor Geertuide een welgekomen erfenis, maar niet naar de zin van Peters weduwe Catharina Van den Houte. Zij weigerde de 150 gulden voor Geertruide te betalen en dreigde ermee ’t selve kind wegh te jaeghen van haer ende alsoo in doelen loopen. Die weigering lokte een reactie uit van pastoor Vresius en de armmeesters Jan Van Vaerenbergh en Guilliam Vermoesen. Nu moesten zij instaan voor het onderhoud van het meisje, wat nadelig was voor de huisarmen van Meldert. Door de schepen bank gedwongen keerde Catharina de geëiste 150 gulden toch uit. Pastoor Vresius stelde voor om 50 gulden te reserveren voor de opvoeding en de resterende 100 gulden te beleggen bij notaris Egidius Crick. Probleem opgelost.

Toch niet, want de pastoor hield het geld voor zich. Het was Geertuides man, Judocus Fieremans, die bij de Raad van Brabant een klacht tegen Vresius indiende en de erfenis opeiste. Op 21 januari 1737 moest de pastoor voor de Raad van Brabant verschijnen. Wie dacht dat een diep beschaamde pastoor het geld kwam brengen, kende de lepe Vresius niet.

Hij had zijn biechtvader, dom Rumoldus Smaes, de gastenpater van de abdij, een getuigenis laten schrijven dat hij in perijckel des doodts was. Toen hij een tweede dagvaarding ontving om op 27 mei voor de Raad te komen, liet hij door notaris Crick een verklaring afgeven dat Geertruide al op 3 juli 1734 de volledige 150 gulden had ontvangen.

Jacobus Vresius, ook Vresins of De Vriese genoemd, was een Mechelaar van geboorte. Op 6 juni 1710 was hij benoemd tot pastoor van Meldert. Hij was een slecht parochieherder: hij hoorde nooit biecht, dronk te veel en had twee kinderen. In 1717 liet hij een nieuwe pastorie bouwen en wentelde de kosten af op de abdij. Hij schreef veel testamenten voor zijn parochianen en was voortdurend in processen verwikkeld. Beda Regaus schreef over hem: Hij was zwaarlijvig en zijn meid nog meer, maar de katten en de honden waren het niet minder. Daarom zegde Zijne Eminentie Kardinaal d’ Alsace: Meldert is een zeer vette pastorie. Hij overleed op 12 december 1746[13].

Meldert in financiële nood in 1714[14].

Op 7 september richtten de regeerders ende gemeijnteaeren van Meldert zich tot den keijser ende coninck in sijnen Souvereijnen Raede van Brabant . De gemeente bevond zich op de rand van het faillissement. Als ze de aangegane leningen, in het totaal voor 10 250 gulden, aan een intrest van 6% moest afbetalen dan zou dat voor het dorp hun totael ruïne betekenen. Die leningen hadden de regeerders aangegaan tijdens de Negenarige Oorlog om de kosten van logementen van soldaten, extra belastingen, opgelegde transporten en rantsoenen voor de Engelse, Hollandse en andere troepen te kunnen betalen. Maar die uitgaven brachten Meldert tot grote armoede. In het schrijven vragen de gemeentebestuurders seer ootmoedelijck dat de Raad van Brabant de intrest van de leningen tot 4% zou verlagen. Als bewijs is er een lijst van de leningen aan toegevoegd:

– aan mijnheer Van Can: 4 000-0-0 aangegaan op 16 april 1685

– aan sieur Van Mechelen: 600-0-0

– aan sieur Van den Brande: 400-0-0

– aan sieur Cassier: 1 200-0-0

– aan jouffr  (onleesbaar): 1 000-0-0

– aan mijnheer De Backer, nu sieur Martinus Robijns: 1 000-0-0

– aan mevrouw De Paepe: 800-0-0

– aan den selve: 600-0-0

– aan jouffr. Smickonen (?): 400-0-0

– aan Peter De Vis: 250-0-0

Summa van de kapitalen: 10 250-0-0

Peter Van Laecken moet zijn de rekening purgeren[15].

Er werden heel wat processen gevoerd tegen de collecteurs, wat laat vermoeden dat er waren die extra inkomsten uit hun opdracht wilden halen. Zo ook Peter Van Laecken, althans volgens de bedesetters was hij ten achteren merckelijcke somme van penninghen over de selve sijne collecte. Zij lieten Egidius Crick op 9 oktober 1714 bij de schepenbank een klacht neerleggen tegen Van Laecken. Die liet zich verdedigen door Christophel Van Coninxloo. Officier Andries De Wandeleer daagde Van Laecken voor de schepenbank op 4 november. Advocaat Crick eiste er namens de bedesetters dat Peter zijn rekeningen zou purgeren, aanzuiveren. Van Coninxloo ging daar niet op in, met als gevolg een nieuwe zitting op 4 december. Vermits Van Laecken noch Van Coninxloo dan opdaagden, veroordeelden de schepenen in gebanne vierschaere Peter tot het betalen van10 gulden 8 ½ stuivers.

Staet der goederen van Jan Van de Putte ende Elisabeth Robijns[16].

Jan Van de Putte was een zoon van Arnold en Antonia De Vleeshouder. Arnold (ook Aert) was molenaar op de Overnellemolen te Essene. Hij werd geboren op 16 november 1628. Volgde Jan zijn vader op als molenaar op de Overnellemolen of was hij molenaar op de Bellemolen? Hij kwam als enige zoon in aanmerking om zijn vader op te volgen op de Overnellemolen vermits zijn broer Guillelmus priester was. Jan (Joannes) was op 17 september 1645 (!), te Meldert getrouwd met Elisabeth Robijns. Zij was te Meldert gedoopt op 9 april 1628 als dochter van Gaspar en Margaretha Van den Bossche. Wanneer Jans vader Arnold sterft, is Joannes 34 jaar en al 17 jaar getrouwd. Daarom vermoeden we dat hij na zijn huwelijk naar de Bellemolen trok en dus de eerste van vele generaties Van de Putte op de Bellemolen was. Met Elisabeth had hij 9 kinderen, allen te Essene geboren:

1) Arnold (Aert), °(= gedoopt) op 11 maart 1647, p: Arnoldus Van de Putte, m: Margaretha Robijns. Hij legde zijn naderschap neer op 8 mei 1700, wat betekent dat hij het recht behield om een verkochte zaak terug te kopen. Of dit iets te maken heeft met de Bellemolen weten we (nog) niet.

2) Guilelmus,° op 29 april 1649, p: dom Guilelmus Van de Putte, m: Joanna De Vleeschouwer.

3) Gaspar, ° op 10 september 1651, p: Gaspar Robijns, m: Maria Wambacq (?), zie verder.

4) Catharina, ° 21 juni 1654, p: Gerard Van der Heyden, m: Catharina Robijs, + te Essene in 1719.

5) Franciscus,° op 5 februari 1657, p: Franciscus Robijns, m: Joanna Van de Putte. Hij werd de stamvader van de familietak Overnellemolen.

6) Joannes, ° op 5 juli 1659, p: Joannes Remens, m: Joanna Linthout.

7) Joanna, ° op 4 september 1661, p : Egidius Van Vaerenbergh, m : Joanna Vereecken.

8) Peter, ° op 30 oktober 1663, p: Petrus Robijns, m: Anna Van de Putte.

9) Elisabeth, ° op 16 november 1664, p: Joannes Fasseel, m: Anna Van de Putte[17].

Bleef Elisabeth na Jans overlijden op 16 augustus 1665 op de Bellemolen? Zij bleef met negen kinderen achter. Het oudste kind, Joannes was 20, het jongste, Joanna pas zes. Zij hertrouwde, na een moeilijke tijd, twee jaar later te Essene op 18 april 1667 met Jacques Van Droogenbroeck, gedoopt te Sint-Martens-Bodegem, overleden te Essene op 19 oktober 1681. Hij werd in de kerk begraven. Jacques (Jacobus) kwam uit een familie van molenaars. Zijn grootvader Peter werd in 1621 molenaar op de watermolen te Sint-Martens-Bodegem, een molen op de Alvennebeek. Zijn zoon Jacobus volgde hem op en diens zoon Jacques werd de tweede man van Elisabeth Robijns en molenaar op de Bellemolen[18]. Met Jacques had Elisabeth twee zonen:

1 Maarten, gedoopt te Essene op 27 februari 1668 en overleden ca 1676;

2 Judocus (Jacques), te Essene geboren op 20 april 1671 en overleden op 22 januari 1687. Zijn dooppeter was Antonius Robijns en Elisabeth Camermans zijn doopmeter.

Haar gezin heeft zeker een aantal moeilijke jaren na de dood van Joannes doorgemaakt. Beda Regaus vermeldt immers dat op 9 februari 1686 den molenbauw (is) ingevallen[19]. Een jaar later stierf haar tweede man, op 22 januari 1687 en pas het jaar daarop in augustus 1688 was de molen herbouwd. Haar zoon Jasper (Gaspar) nam in 1707 de molen over, zij was toen 79 jaar. Zij moet een bijzonder sterke vrouw zijn geweest. Haar dochter Catharina was na het overlijden van haar man Gillis Van den Broecke in de schulden geraakt. Op 3 februari 1710 was ze de abdij 1 586 gulden 12 stuivers schuldig en dat bedrag was in 1716 al opgelopen tot 4 173 gulden 4 ½ stuivers. Elisabeth schoot haar de helft van dat bedrag voor, nl. 2 086 gulden en 12 stuivers als voorschot op haar erfenis[20]. Zij moest nu binnen het jaar die som terugbetalen. De hele verdeling werd op 30 maart 1716 gepresenteerd aan Gillis Van Mulders en Peter Clauwaert, de schepenen van het Land van Asse en griffier Joannes Van Mulders.

Elisabeth overleed te Essene op 29 september 1715. Op 10 maart 1708 en een tweede maal op 10 april 1715 had zij contact opgenomen met notaris Egidius Crick te Asse om na voorgaenden adviese, rijpen raede ende voorsinnighe deliberatie ende taxatie van de goederen diein 5 gelijke parten te verdelen. Op verzoek van de erfgenamen van Jan en Elisabeth stelde notaris Egidius Crick op 7 november 1715 de inventaris en de verdeling van hun goederen voor. De landmaten zijn uitgedrukt in bunder, dagwand en roeden, de bedragen in gulden, stuivers en oorden en mijten.

Peter, de zoon van Gaspar

1- 1d 83 r land gelegen te Asse op het Horeken, waarde: 366 g.

2- 1d 50r gelegen te Ternat op het Groot Avenellievelt, belast met een grondcijns aan de abdij van1/2 stuiver 12 mijten: 260 g en nog 1 d op hetzelfde Avenellievelt gelegen en met een grondcijns aan de abdij van12 mijten: 240 g.

3- een hofstede onder Ternat, groot 3 d, de straat liggende tussen de hofstede en het goed van Franchois Wambacq is eigen goed, de prijs met de bomen en hopstaken: 535 g.

4- 1d 82r land gelegen te Essene op De Capelle, palende aan de voetweg gaande van de Okaaibeek naar de wijk, belast met een grondcijns aan de abdij van 2 stuivers 1 oord 3 mijten: 273 g.

Catharina.

Een partij land met hopveld gelegen te Asse, genoemd Den Bodem, groot 1b 3d, palende aan de middelgracht met de dam aan de overzijde, belast met een grondcijns aan de abdij van 8 gulden 13 stuivers en 14 ½ mijten, met de vruchten daarop: 1 558 g; de bomen: 132 g; de hopstaken: 100 g; het schaarhout: 30 g en de schuur: 80 ; totaal: 1 900.

Franchois.

1- De dam palende aan Den Bodem en de middelgracht, met de bomen en het schaarhout, uitgezonderd 7 getekende bomen: 400 g.

2- De watermolen te Essene, genoemd Den Avenellemolen, groot 1d 55r belast met een grondcijns aan de abdij van 8 gulden 12 mijten: 140 g; met het molenhuis: 1 623; de hopast: 36 en de bomen: 125.

De kinderen van Joanna vertegenwoordigd door de voogd Peter Mannaert voor de helft en Aert voor de andere helft.

1d 58r land gelegen op het Domentveld te Essene belast met een grondcijns aan de abdij van 1 stuiver 1 oord aan de abdij: 316 g.

De kinderen Peter Mannaert.

1- een hofstede, groot 2d 90r, gelegen te Meldert op Doment, palende aan de Grooten Domentschen Dries: 670 g; met het huis: 315 g, de schuur: 106 g; de boem en de opstal 9 g.

2- 1b 10 r land op het Domentveld, palende aan de voetweg naar Essene, belast met een grondcijns aan de abdij van 2 stuivers 1 blank en 1 ½ mijten: 600 g.

Aert.

1- weide gelegen te Hekelgem op het Schepersveldeken, groot 5d 75r, palende aan de paters jezuïeten van Aalst, belast met een grondcijns aan de abdij van 8 gulden 2 stuivers 1 blank: 600 g.

2- 5d 76 r land gelegen te Meldert op het Huisevel, palende aan de cleijnen Domentschen Driesch, belast met een grondcijns aan de abdij van 2 stuivers 1 oor 15 mijten: 1 100; met de bomer daarop: 100.

Het totaal van de vermelde goederen bedraagt 10 179 gulden. Voor elk van de 5 genoemden is dat 2035 gulden 10 stuivers.

Besluit.

Niettegenstaande alle moeilijkheden in haar leven was Elisabeth een welstellende vrouw. Zij bezat 8 bunder 1dagwand 92 roeden aan akkers en weiden, verspreid over de gemeenten Asse, Ternat, Essene en Meldert, een hofstede te Ternat, een te Meldert en de Overnellemolen te Essene. Dat gaat dan alleen over haar erfenis uit haar huwelijk met Jan Van de Putte. Wat Maarten en Judocus, de zonen uit haar huwelijk met Jacques Van Droogenbroek, erfden hebben we nog niet ontdekt.

Nog een collecteur in de problemen[21].

Nog een conflict over de gemeentelijke boekhouding. Het document is onvolledig, maar we kunnen met bijna volledige zekerheid het proces reconstrueren. Op 9 maart 1703 neemt Jan Van der Borght de job van collecteur over van Gillis Van Onchem. Gillis legt de jaarrekeningen, 10 oncostboecken, voor en die worden goedgekeurd. Nadien ontdekt Jan Van der Borgt dat er, volgens hem, nog 2 rekeningen ontbreken en dat er daardoor een tekort is van 93 gulden 1 stuiver. Hij dringt er bij Van Onchem op aan die rekeningen aan te zuiveren. Die ontkent de fraude en, na jaren van ruzie, dient hij in mei 1715 bij de schepenbank van Asse een klacht in tegen Jan Van der Borght. Hij stelt dat Van der Borght, die in 1703 de jaarrekeningen had goedgekeurd, na 12 jaar komt beweren dat er twee rekeningen ontbreken zonder eraan toe te voegen wat boecken, hoe vele ende van wat jaeren precies. Dat vond hij seer impertinent. Hij kon niet geloven dat Van der Borght nog oncostboecken van de vaeghe landen in zijn bezit had. Als hij oncostboecken bezat, dan had hij die quansuis gecollecteerd en kan men hem (Gillis) geene difficultijt maecken. Naar gewoonte volgden er een aantal zittingen met beschuldigingen over en weer tot de zaak op 10 september 1715 zijn beslag kreeg. Gillis Van Onchem betaalde de 93 gulden 1 stuiver aan Jan Van der Borght.

Vandalisme[22].

Vandalisme is van alle tijden. In 1709 of 1710 trokken twee mannen op een late avond door Meldert. Het waren Jan De Smeth en Jan De Man uit Sint-Amands. Aan het huis van Jacobus De Kempeneer namen ze een van de boomstammen die voor zijn woning lagen op en gooiden hem midden op de straat. Aan de brouwerij van Franchois Robijns, toen bewoond door Jan Van Nuffel, wierpen ze alle tonnen omver en op de weg naar Doment (nu Eekhoutstraat) braken ze de voetgangersbrug los en duwden ze in de beek. Het plezier vandalenstreken te kunnen uithalen, kende een keerzijde: er waren getuigen. Steven Van Onchem, 35 jaar had alles gezien en Jan De Mey, 24 jaar, was ook getuige van de eerste twee feiten. Op verzoek van de drossaard legden beiden hun verklaring af op 15 september 1716 bij officier Carel Rogiers.

Perikelen over de erfenis van een begijntje[23].

Op 15 maart 1688 verkocht Gillis Vinck 90 ½ roeden land aan Jan Van Muijsewinckel. Het goed lag op het Pireusveld en paalde aan het Wauwveld, de weduwe Gillis Beeckman, de kinderen Franchois De Vis en de Kerk van Meldert. De koopsom bedroeg 120 gulden plus 3 gulden voor het gelag op de koopdag. In dat perceel was 1/3 van Anna Van Mulders, begijntje te Mechelen. Zij stierf op 29 juli 1681 (zie Rechtszaken te Meldert in de 17de eeuw). Het goed was belast met een grondcijns van 2 ½ stuivers aan de abdij. Volgens de koopakte moest Van Muijsewinckel dat derde part, 40 gulden, pas betalen nadat de erfenis was geregeld die blijkbaar nog niet in orde was, maar dat deed hij niet. De kwestie bleef aanslepen tot Peter Crick, de man van Joanna Maria, Gillis dochter, op 13 juli 1717 bij de schepenbank een proces inspande om de betaling van de 40 gulden te eisen.

Inventaris inboedel betwist[24].

Na het overlijden van Gillis Dooms en zijn vrouw Petronella De Meersman taxeerde Guillam De Nil de inboedel ten sterfhuize met het oog op de verdeling van de erfenis. Gillis en Petronella hadden drie kinderen: Joos, Jan en Marie. Daar Joos al overleden was, kwam zijn erfdeel toe aan zijn kinderen Hendrik en Merten. Een eerste inventaris was klaar op 14 januari 1713, de tweede op 23 januari 1714. Hij presenteerde de twee documenten, in de tekst rekeningen genoemd, aan twee schepenen van het Land van Asse, Van Mulders en Guilliam Fasseel en aan Peter De Mol, Gielis Van Biesen, Adriaan Geeroms, en Hendrik en Merten van Meldert. De twee broers, Hendrik en Merten, voelden zich tekort gedaan en dienden op 23 april 1720 een klacht in tegen Guillam De Nil. Zij hadden meerdere bezwaren:

1 Zij eisten een herziening van de rekeningen waarop ze wettelijk gezien het recht hadden.

2 Zij ontkenden dat Merten bij het opstellen van de tweede rekening aanwezig was en bijgevolg kon hij die rekening niet hebben ondertekend.

3 De Nil stelde op 27 februari ri 1720 voor om hem 17 gulden 9 stuivers te geven, wat totaal onvoldoende was.

4 Hij bracht meerdere rekeningen in die eigenlijk hem ten laste vielen.

Guillam De Nil reageerde bij de schepenbank met een verweer van 58 artikelen waarvan een samenvatting volgt:

1 Dat de aanleggers, de twee broers, tegen hem een proces inspanden, vindt hij quaedtrouwigh.

2 Merten Dooms was wel degelijk aanwezig toen hij de twee rekeningen opstelde.

3 Die rekeningen heeft hij gepresenteerd aan de drossaard en de schepenen van het Land van Asse als oppermomboiren, voogden, van de wezen. Daar de rekeningen zijn goedgekeurd door de voogden, begrijpt hij niet waarom Hendrik en Merten soo nodeloos blijven persisteren ende soo te willen blijven stoot maecken over de verdeling van de erfenis. Er valt over de rekeningen niets meer te zeggen, zeker niet zonder bewijs van fauten ofte erreuren en dat kunnen ze niet aantonen.

4 Als de drossaard en de schepenen met de griffier hun goedkeuring gaven, volstaat dat als erkenning van de correcte afhandeling van de taxatie van de bezittingen.

5 Het gaat niet op dat zij nu de regels willen veranderen. Die moeten voor eeuwigh ende alleteijt eenen vasten voet hebben.

6 Zij beweren dat zij de rekeningen niet hebben ondertekend, maar dat neemt niet weg dat zij blijven een voltrocken werck aen het welcke niet en vermach nochte en canin het minste iets aen gedaen ofte veranderd worden.

7 De andere erfgenamen zijn wel akkoord gegaan.

8 Men kan onmogelijk een verdeling van de inboedel van een sterfhuis opstellen tot ieders appeteijt ende gescitheijt.

9 Hiermee is de onbequeamheijt van de aanleggers voldoende aangetoond.

Op 9 juli 1720 bezorgden Hendrik en Merten de schepenen nog een verweerschrift. Zij stelden vast dat Guillam De Nil erkende dat Merten de tweede rekening niet ondertekende daar hij toen te Leuven was en bijgevolg was er voor Merten geen afrekening. Dat de andere erfgenamen met zijn taxatie akkoord gingen, betekende niet dat zij voor Merten mochten beslissen. Hij had hen geen opdracht gegeven om in zijn naam te oordelen. Volgens de wet moet het consent van iedere belanghebbende gevraagd worden en die moet zijn satisfactie geven. Maar hun belangrijkste bezwaar tegen De Nil was dat zij zijn rekeningen hebben gecontroleerd en, in tegenstelling met wat hij beweerde, was er geen handtekening van de drossaard te vinden is. Die heeft dus de rekeningen niet goedgekeurd en daarom eisen ze een herziening van de taxatie van de bezittingen van hun grootouders.

De erfenis van Peter De Vis.

In De Faluintjes van 2017, nr.3 publiceerden we drie bijdragen over de bekende molenaarsfamilie De Vis van de watermolen te Meldert, nl. Molenaar Jan De Vis (1699 – 1768), Judocus De Vis, bouwheer van de staakmolen te Meldert en Jan Baptist De Vis (1778 – 1843), een schatrijke molenaar. Sindsdien ontdekten we nieuwe gegevens over de molenaarsfamilie. In het R.A. Leuven[25] vonden we de verdeling van de erfenis, zij het nog onvolledig, van Peter De Vis, de vader van Jan. Peter overleed op 15 december 1720. Zijn vrouw Maria De Ridder was al op 2 juli 1715 gestorven. Het gezin telde 9 kinderen:

1- Catharina, getrouwd met Hendrik De Witte op 5 juni 1719.

2- Margarita, getrouwd met Jan De Groot.

3- Elisabeth, getrouwd met Judocus Van der Kelen.

4- Jan, gedoopt te Meldert op 19 januari 1699.

5- Judocus, ° 26 juni 1701.

6- Wilhelmus, ° 31 augustus 1703.

7- Joanna Maria, ° 12 april 1706.

8- Jacquelina.

9- Anna, ° 6 augustus 1710.

Na de dood van hun vader Peter werden op 27 maart 1721 zijn goederen verkaveld. Na rijpen raede ende voorsienige adviese kwamen ze tot een akkoord om de goederen huijsinghe ende boomen van hun overleden ouders in zeven gelijke delen te verdelen. Wilhelmus en Joanna Maria waren dan al overleden. Judocus, Jacquelina en Anna, de minderjarigen, hadden als voogd Hendrik De Witte, de man van hun oudere zus Catharina. De overname van de watermpolen, die Peter in huur had van de abdij, stelde al een eerste probleem: hoeveel is het bedrijf waard? De oudste zoon Jan werd de nieuwe molenaar en hij had al onmiddellijk ruzie met zijn broer en zussen, het leidde zelfs tot een proces.

De moeilijke cavelinghe.

Catharina, Judocus, Jaquelina, Anna, Margarita en Elisabeth spanden op 25 juni 1721 een proces in tegen hun broer Jan. Die zou de watermolen over op 2 september 1721 overnemen en keerde daarvoor aan zijn broer en aan elke zus 148 gulden 19 stuivers uit. Over de overnameprijs die Jan betaalde, waren ze niet tevreden want zij ontdekten dat het huurcontract met de abdij een artikel bevatte dat de nieuwe pachter verplichtte de kosten van de verbeteringen die de afgaande pachter aan de molen had aangebracht te vergoeden. Peter had op zijn kosten een nieuwe hoesmolen ingericht en Jan gebruikte die nu dagelijks.

Bijgevolg moest hij aen ieder der voorschreven erffgenaemen goed doen het taxaet van de wercken van den molen des questie, bij wijlen hunnen vader becosticht met consent van de regeerders van de vermaerde abdije van Afflighem.

Jan wou dat bedrag wel betalen op voorwaarde dat de tegenpartij hem een overeenkomst met de abdij kon voorleggen waarin de monniken beloofden dat op het einde van zijn negenjarig pachtcontract het bedrag van de taxatie hetzelfde zou zijn als dat van 1720. Een onaanvaardbare eis, vuijtspotich ende belacheleijck, want zij hadden de huurovereenkomst met de abdij niet onderhandeld. Bovendien zullen tijdens die negen jaar de roerende delen van de molen door het dagelijks gebruik verslijten en het houtwerk kan rotten zodat de waarde van de molen van jaar tot jaar zal verminderen. Er kan ook een ongeval gebeuren. Dat alles wisten de monniken ook en daarom voorzagen ze uit ordinaire voorsichticheijt op het einde van elk pachtcontract een nieuwe taxatie. Het was dwaas van Jan om aan zijn familie die eis te stellen. Hij kan niet anders dan het bedrag van de taxatie te verhogen met de kosten van de hoesmolen. Daar hij dat niet in der minne wou regelen, spanden ze een proces tegen hem in.

Op 6 augustus 1721 ondertekende Jan een overeenkomst met de abdij. De achterstallige pachten tot het jaar 1720 werden hem kwijtgescholden en de granen die de pachters van het land hadden gehaald, waren hun eigendom in zoverre dat zij voor 1720 de pacht hadden betaald.

Een hofstede voor Elisabeth.

Elisabeth erfde een hofstede van 143 ½ roeden gelegen op Kokerij en grenzend aan de dries, aan de goederen van Affligem, Gillis Van den Wijngaert en Joos Applicoen en geschat op 227 gulden 2 stuivers na aftrek van de lasten. Het bijhorende huis met enkele bomen en gezaagd hout was 205 gulden waard. Elisabeth kreeg nog van haar zus Anna 22 gulden 6 stuivers, een obligatie van 96 gulden en haar aandeel in de watermolen van 148 gulden 19 stuivers. Dat geeft een totaal van 699 gulden 7 stuivers of 1/7de van het totale vermogen van Peter De Vis en Maria De Ridder dat 4 895 gulden 9 stuivers bedroeg.

De handtekeningen van Hendrik De Witte, Jan De Vis, Jan De Groot, Judocus Van der Kelen, Judocus De Vis en Jan De Ridder onder de rekening van Hendrik De Witte.

De erfenis van de wezen.

Hendrik De Witte maakte voor Judocus, Jacquelina en Anna, de minderjarige kinderen de rekening op van hun deel van de ontvangsten en uitgaven bij de verkaveling van de erfenis van hun vader Peter. Hij presenteerde zijn rekeningen aan de drossaard en de schepenen van het Land van Asse, de oppermomboiren, op 1 februari 1724. De bedragen zijn uitgedrukt in gulden, stuivers en groten Brabants.

De ontvangsten.

1- De openbare verkoop van de meubelen op 23 december 1720 bracht voor hen op: 550-7-2.

2- Cash geld in het sterfhuis: 660-14-0

3- Intresten van leningen

° van de weduwe Jacques De Smet van 2 jaar intrest: 10-0-0

° van Adriaan De Meersman van 8 jaar intrest: 15-0-0

°van Elisabeth Verdoodt van 1 jaar intrest: 3-8-3

° van de weduwe Guillam De Vis van 2 jaar intrest: 20-10-0

° van Jan De Coster, collecteur, van 3 jaar intrest: 96-0-0

° van de parochie: 7-10-0

° van Jan Van den Wijngaert van 1 jaar intrest: 3-0-0

° van Peter Van Ighem van 1 jaar intrest: 2-15-0

° van Peter Willems van 1 jaar intrest: 5-16-0

° van Joos Van Nieuwenborgh van 1 jaar intrest: 8-0-0

° van Jan Kindermans van 1 jaar intrest: 15-0-0

° van Elisabeth Verdoodt van 1 jaar intrest: 2-6-1

4- Landpacht.

° van Hendrik Van den Wijngaaert van 1 jaar pacht: 8-0-0

° van Joos Van Onchem van 1 jaar pacht: 10-0-0

° van Joos Vinck van 1 jaar pacht: 6-0-0

° van Franchois Buggenhout van 1 jaar pacht: 3-10-0

5- van Franciscus Heremans voor eenighe sweijsaet ende leijssaet: 2-0-0

6- van Jan De Vis: 4-0-0

De totale ontvangst bedroeg 1 440-0-2, een behoorlijk kapitaal dat 3/7 van de hele erfenis was.

De uitgaven.

1- aan Paschasius Robijns voor vertier van de molenslagers voor de taxatie van de molen: 2-9-0

2- aan Jan Gekeers en Arnaert Boquart voor de taxatie van de molen op 28 december 1720: 6-0-0

3- aan pastoor Jacobus Vresins voor de uitvaart van Peter De Vis: 12-0-0

4- aan Jan Van Nieuwenborgh als achterstal van Peter van de 20ste penning voor 1719 en 1720: 7-8-0

5- aan Peter Crick voor het vertier en voor de hulp in het sterfhuis: 4-4-0

6- aan Guillam Vermoesen, deken van de gilde[26], voor de doodschuld van zijn schoonvader en voor het lidmaatschap: 1-11-10

7- aan Joan Van Mulders, griffier van de schepenbank, voor 7 lotbrieven over het sterfhuis, geleverd op 15 april 1721: 51-9-0

8- aan J. Bloemen voor de onkosten van de schepenen en de vorster van 27 maart 1721: 7-7-0

9- aan Hendrik De Kegel, landmeter, voor zijn opmetingen: 4-0-0

10- aan Joos De Ridder voor het maken van de nieuwe molen in 1721: 20-0-0

11- aan Jan Van Nieuwenborgh voor zijn zorg voor de wezen van 1720 tot 1721: 7-12-0

12- aan Jacobus Van Nuffel volgens de kwitantie van 13 oktober 1721: 93-11-0

13- aan koster Gillis Mertens om aan de wezen les te geven in de winter: 1-4-0

14- aan Hendrik Vinck voor de 20ste penning van 1720: 19-8-0

15- aan Jan De Vis, zijn aandeel in de erfenis: 150-0-0

16- aan Judocus Van der Kelen, de man van Elisabeth, voor haar aandeel in de erfenis: 150-0-0

17- aan Judocus De Vis: 150-0-0

18- aan de vrouw van J. Van der Meersch, ontvanger van de abdij, de rest van de pacht van de watermolen: 150-0-0

19- aan Jan Van Nieuwenborgh, collecteur, voor de oncostboeck van 1719 en 1720: 18-3-2

20- aan J. De Witte voor 1 ½ dagwand land aan het leenhof van de abdij: 12-2-0

21- aan Jan De Coster, collecteur, voor de oncostboek 1720 tot 1721: 18-3-0

22- aan Romanus Govaert volgens de kwitantie: 13-0-0

23- aan Catharina Claessens voor de levering van lijnwaad voor de wezen: 4-14-0

24- aan Jan De Vis voor 1 jaar onderhoud van de wezen: 30-12-0; voor de uitgaven voor Jacquelina en Anna: 6-0-0; en voor de levering van graan, boter, smout, zeep, bier enz. aan het sterfhuis: 8-18-0

25- aan Judocus Van der Kelen voor twee jaar onderhoud van Jacquelina en Anna van 1722 tot 1723: 42-0-0

26- aan Jan De Ridder voor zijn werk in het sterfhuis: 2-0-0

27- aan Adriaan Van Linthout over sijne devoiren de date 23 januari 1724: 3-0-0

28- aan Franciscus Heremans voor diverse leveringen: 3-9-0

29- aan de hoofddrossaard van Asse voor de cleine rechten volgens de akte van 20 mei 1721: 12-1-0

30- aan de wezen volgens de notities van Hendrik De Witte: 62-12-3

31- aan Hendrik De Witte, de rendant, voor zijn devoiren gedaen voor het sterfhuis:

° op 26 december 1720 naar Asse geweest bij Jan Gekeers om de molen te taxeren: 0-10-0

° op 27 januari 1721 de pachtgoederen laten prijzen en de schatters nog 6 eieren gegeven: 0-11-2

° naar Hekelgem geweest voor de landmeter, naar Moorsel voor de timmerman en bij Pauwel Roosemont om het huis te schatten: 0-10-0

° op 13 februari heb ik 1 ½ dag hooi gebonden: 0-19-0

° op 5 juni 1721 bij Franciscus Robijns geweest om de molen te laten afschrijven: 0-5-0

° tweemaal bij Jan Van Nuffel geweest voor de rentebrieven aan de erfgenamen: 0-15-0

32- aan Pauwel Rodemont voor het taxeren van het huis van de rendant: 0-10-0

33- aan de rendant voor de voorschotten die hij betaalde voor Jacquelina en Anna: 9-3-2

34- aan de hoofddrossaard, schepenen, griffier en vorster voor het opstellen van de condities voor de verkoop van de goederen: 16-7-3.

35- aan de rendant voor zijn vergoeding als ordinaris van de 20ste penning: 61-0-0

36- aan de hoofddrossaard, schepenen en griffier voor het aanhoren van de rekeningen: 3-3-0

37- aan de rendant voor het optellen van de rekeningen: 1-10-0

38- voor het laten legaliseren van de rekeningen: 1-10-0

39- voor het opstellen van de rekeningen, voor ieder blad 4 ½ stuivers: 5-12-0

40- aan de rendant om van elk blad een kopie te maken: 3-16-0

Totaal van de uitgaven: 1 179-9-0.

Saldo van ontvangsten en uitgaven: een overschot van 280-11-2. Rendant Hendrik De Witte presenteerde de rekeningen aan de hoofddrossaard, de schepenen Joan Lahoese, Hendrik Louis en Adriaan Van Linthout. Waren ook aanwezig: Jan De Vis, Jan De Groot, de man van Margarita, Judocus Van der Kelen voor zijn vrouw Elisabeth, Judocus De Vis en Jan De Ridder als voogden.

Voorschotten betaald voor Jacquelina en Anna.

° twee paar weijntens: 0-7-2

° een snutdoos gekocht voor Anna: 0-7-0

° op 10 maart voor het lappen van hun schoenen: 0-1-2

° voor een paar kousen en 2 paar sokken: 1-4-0

° op 19 mei 1721 twee voorschoten gekocht: 2-1-1

° op 28 juni 1721 een snutdoeck gegeven mouwen laten maken: 2-9-0

° op 2 augustus 1721 een paar schoenen en gespen voor Anna/ 0-18-0

° op 13 augustus 1721 om de schoenen van Jacquelina te laten lappen: 0-8-0

° op 6 september 1721 voor Jacquelina een witte snutdoeck, een half elle lijnwaert ende het vertrecken van een rocklijf: 1-1-2

° op 4 oktober 1721 2 mutsen gekocht en nog 2 om op beeweg te gaan: 0-15-2

° op 12 oktober 1721 voor de twee meisjes gekocht:1 rocklijf, 2 paar sokken, 1 paar mouwen en haarsnoeren en de kleermaker betaald voor het maken van hun mouwen: 4-5-2

° op 19 oktober gekocht voor Anna: een paar kousen en een lint: 0-7-0

° op 20 december gekocht voor Jacquelina en Anna: 2 slaapleijven, reijsnoeren ende spellen: 6-9-3

° op 3 januari 1722 een paar kousen gekocht voor Jacquelina: 0-9-0

° op 17 januari 1722 een paar sokken en veters gekocht: 0-7-2

° op 31 januari 1722 een paar wanten en een lint gekocht: 0-10-0; 8 ellen lijnwaad en twee paar blokken (klompen): 3-14-0

° op 14 maart 1722 gekocht voor Jacquelina een paar lederen schoenen en voor Anna een paar kousen: 1-8-2

° op 28 maart 1722 voor Anna enige stof om een rockleijf te overtrekken en een paar mouwen gekocht: 1-15-0

° op 1 juni 1722 het schoolgeld aan de koster van Meldert betaald: 0-8-0

° op 10 juni 1722 wat Elisabeth voor de wezen betaalde teruggegeven: 1-11-2

° op 29 augustus voor de wezen gekocht: 2 gestreepte snutdoecken, 2 voorschoten en lint,een paer schoenen en gespen, stoffe om een rockleijf te overtrecken: 3-2-0

° op 3 oktober 1722: gekocht voor de wezen: 2 paar sokken en stof om een rok te lengen: 0-17-2

° op 21 november 1722 aan Elisabeth gegeven wat zij voor de wezen betaalde: 0-10-2

° op 28 november 1722 voor Jacquelina gekocht: een paar kousen, een boek en een halssnoer: 0-13-3

° op 21 december stof gekocht om een rockleijf te overtrekken, een paar mouwen en een paar blouses: 2-5-2

° op 2 januari 1723 een paar kousen voor Anna en een muts voor Jacquelina: 0-15-1

° op 4 april 1723 wat Judocus Van der Kelen voor de wezen betaalde: 1-14-1

° op 22 mei 1723 voor de wezen gekocht: een muts, een paar blokken, lint en een bril: 0-9-0

° op 19 juni 1723 voor de wezen gekocht: een paar kousen en een paar blokken: 1-3-0

° augustus 1723 aan Judocus Van der Kelen wat hij voor de wezen betaalde: 1-4-0

° op 18 september 1723 voor Anna gekocht een paar lederen schoenen en gespen: 1-3-0

° op 11 oktober 1723 voor de wezen gekocht: 2 paar kousen, 2 paar sokken en een paar blokken: 1-6-1

° op 18 december 1723 voor Jacquelina een muts gekocht: 0-6-0

° op 8 januari 1724 voor de wezen twee rockleijven en 2 paar mouwen gekocht: 5-9-0; het voorschot van Elisabeth teruggegeven: 0-14-3.

De naam van Judocus komt op deze lijst niet meer voor. De leeftijdsgrens voor volwassenheid lag toen op 25 jaar en hij was officieel nog een wees, maar wellicht werkte hij al meerdere jaren en beschikte zo over eigen inkomsten.

Voorschotten betaald voor het sterfhuis:

° voor zeep: 0-2-3

° voor zeep en smout: 0-4-1

° voor het vullen van het graf: 0-12-0

° voor een kaars voor de zieke Peter, nadien naar de kerk gedragen: 0-7-1

° voor een stoop bier voor de schatters op 31 januari 1721: 0-2-2

° aan Andries De Meersman gegeven op 3 maart 1721 voor een zegel: 0-4-0

° op 27 maart 1721 het gelag betaald bij Hendrik Louis te Asse: 1-0-0

° aan de griffier: 5-10-2

°op 24 augustus 1721 9 ellen lijnwaad gekocht: 4-14-0

° voor een zegel: 0-4-0

° 26 november 1721: wormkruid en poeder: 0-2-0 en een zegel: 0-4-0

° op 27 december gegeven aan griffier De Witte de achterstal van de cijns van het jaar 1720: 0-6-0

° op 10 juni 1722 aan Marie Janssens gegeven voor de cavelinghe: 0-8-3

° op 12 juli 1722: een zegel: 0-4-0

Besluit.

Peter De Vis was zeker een bemiddeld molenaar. Het hoge bedrag van de openbare verkoop van de meubelen toont dat al aan. Hij kon bovendien tal van leningen geven en land verpachten. Over de erfenis van Catharina en Margaritha vonden we nog geen gegevens. De wezen Jacquelina en Anna konden rekenen op de hulp van de hele familie. Hun aankopen geven een beeld van het dagelijks leven: klompen die snel verslijten, zelden lederen schoenen, mouwen die men apart kon kopen, regelmatig nieuwe mutsen, rocklijven, het geringe bedrag voor de lessen van de koster in de winter Bij de uitgaven valt op hoe elke uitgave, hoe klein ook, zorgvuldig werd bijgehouden.

Problemen voor de weduwe Joos Van den Brande[27].

Op 22 oktober 1720 veroordeelde de schepenbank van Asse de weduwe van Joos Van den Brande tot het betalen van een aantal kosten ten voordele van de parochie van Meldert. Jacobus De Witte had via zijn advocaat Crick dat proces ingespannen. Waarschijnlijk zat zij in geldnood, wat toen vaak het geval was voor weduwen. Daar zij niet kon betalen, werd ze nog voor de schepenbank gedaagd op 26 maart en 22 april 1721. Daar zij niet kwam opdagen, veroordeelden de schepenen haar definitief tot de betaling van 22 gulden 8 stuivers 1 oord aan Jacobus De Witte.

Eenen eijcken opgaende boom gecapt[28].

Op verzoek van Peter De Mol rooide Jacobus Van de Maele een eiken boom. Die stond tussen de hofstede van Peternella Dooms en die van Jan Philips op de Klaarhaag. Peternella was door erfenis van haar ouders in bezit van de hoeve gekomen en ze verhuurde haar aan Louis Van den Bossche. Tegen het kappen van de boom dienden Jan Baptista Ardenois en Jan Mertens een klacht in bij de schepenbank op 25 juni 1721.

Peternella was de weduwe van Carel Ardenois en hertrouwd met Peter De Mol. Op verzoek van De Mol verschenen Gillis Leurans 62 jaar, Jan Plilips 40 jaar, Louis Van den Bossche 45 jaar en Jacobus Van de Maele 30 jaar voor notaris Egidius Crick. Zij waren allen inwoners van de Klaarhaag en getuigden dat de eik al sinds 5 of 6 jaar voor de helft verdroogd stond.

Hij groeide niet meer en het was nodig om hem te kappen. Tijdens het kappen stelde Jacobus vast dat ook de wortels een een kant volledig verdroogd waren. Bij hun getuigenis in de abdij waren Guillam Vermoesen en Gillis Van den Bossche aanwezig.

Jan Baptista Ardenois en Jan Mertens reageerden op het getuigenis door het verzoek in te dienen dat de schepenen ter plaatse kwamen kijken. Dan konden ze zelf vaststellen dat de eik nog niet dood was. Peter Clauwaert, Adriaan Van Linthout, G. Verloes en officier Gommaert Verloes, die optrad als vervanger voor de drossaard, kwamen naar de Klaarhaag op 7 juli 1721 en stelden vast dat vuijt den voorschreven boom jonge scheuten waeren wassende. Toch oordeelden de schepenen Jan La Hoeze, Hendrik Lowies, Hendrik De Bailliu en Adriaan Linthout naer voorgaende advies van meesters schepenen rechtsgeleerde dat de klacht van Ardenois en Mertens ongefondeert ende niet onfancbaer was.

De kinderen Jacobus De Witte in de clinch[29].

Jacobus De Witte, te Strijtem geboren als een van de 5 kinderen van Jan en Margriet Cools trouwde te Meldert op 4 maart 1696 met Barbara Van Mulders. Hij was de broer van Jan, de griffier van de abdij[30]. Te Strijtem was hij meisenier net zoals zijn oudste broer Adriaan. Te Meldert bezat hij een hofstede op het dorp, het Hof ten Bontenacker ofte Cleine Kempinne genoemd. Ze grensde aan de pastorie, de straat, Franciscus Robijns en de Molenvijver. Op 30 september erfde zijn zoon Jacobus de hofstede. Jacobus overleed op 3 mei 1729 en Barbara op 30 september 1723. Met Barbara had hij 5 kinderen, allen te Meldert gedoopt:

1 Jacobus, °16 december 1696

2 Elisabeth Isabella, ° 8 januari 1699

3 Andries, °2 september 1700

4 Maurus, °2 juli 1702

5 Joanna Maria °18 juli 1704

Er zijn nog twee kinderen waarvan we de geboortedatum niet vinden: Hendrik en Franchois. Barbara overleed te Meldert op 30 september 1723 en Jacobus op 3 mei 1729. Het is best mogelijk dat Jacobus een eerste maal was getrouwd en dat hij uit dit huwelijk de twee broers Franciscus en Hendrik had. Jacobus, Isabella en Joanna Maria zaten verwikkeld in een proces dat hun halfbroers Franchois en Hendrik tegen hen hadden ingespannen in verband met de erfenis van de goederen van hun vader en Barbara Van Mulders. Het zag er naar uit dat een uitspraak nog niet voor direct was. Dat bracht voor hen een probleem mee, namelijk dat de vruchten te velde staende als oock het hoijgras in de meersschen soude connen te bederven. Daarom vroeger zij op 3 juli 1725 via hun advocaat Egidius Crick aan de schepenen van Asse, Joannes La Hoese, Hendrik Louis en Guillam Verhasselt om de vruchten en het hooi te mogen oogsten. Zij waren immers de huurders van de velden en de meersen. Van de tegenpartij, hun halfbroers, verwachtten ze een antwoord binnen de drie dagen. Op 6 juli liet Van Mulders, de advocaat van Franciscus en Hendrik, weten dat ze de vruchten en het hooigras mochten oogsten op twee voorwaarden:

1 Schepen Adriaan Van Linthout of zijn afgevaardigde moest eerst een schatting maken van de waarde van de vruchten en het hooi.

2 Zij moesten voldoende borg stellen voor de vruchten en het hooi.

Indien hun condities niet werden aanvaard, dan zouden zij de vruchten en het hooi weghalen.Crick antwoordde op 10 juli dat Jan Baptista Elskens, een inwoner van Meldert, zich als persoon borg stelde. Dat vond Van Mulders onvoldoende omdat hij onversien van middelen was. Niet waar, betoogde Crick, hij is sufficiënt als borge als versien sijnde van gronden ende van erffven. Van Mulders mocht zijn bezit laten taxeren en dan zou hij zien dat de waarde ervan die van de vruchten en het hooi ver overtrof. Maar Van Mulders gaf niet toe. Hij voerde aan dat Jan Baptista als ongetrouwde geen vast adres en geen goederen had vermits hij van zijn vader nog niet erfde. De schepenen besloten de discussies met de opdracht voor Jacobus, Isabella en Joanna Maria om voor een ander onderpand te zorgen.

Op 13 juli hielden de schepenen een extraordinair gerecht. Advocaat Egidius Crick weerlegde er de argumenten van Van Mulders, maar gaf toch een ander onderpand: de goederen die Jacobus, Isabella en Joanna Maria van hun vader hadden geërfd. Hij stelde ook dat de bijkomende kosten voor de extraordinaire zitting ten laste van Franchois en Hendrik waren. Uiteindelijk kwam er een akkoord. Van Mulders aanvaardde de borgstelling, maar eiste wel dat die binnen de 24 u zou gebeuren. Op die eis liep het weer fout. Op 16 juli stelde Van Mulders vast dat er geen borg was. Crick beloofde wel .aan de schepenen om  binnen de 24 u de gepresenteerde goederen te hypothekeren en aan hen voor te leggen. Daar gingen de schepenen niet op in. Ze wilden het advies van de advocaten van de Soevereine Raad van Brabant inwinnen. Die oordeelden dat eerst het lopende proces moest uitgesproken worden alvorens  een vonnis te vellen in deze zaak en dat eerst de kosten van het lopende proces met de vele zittingen moesten betaald worden. Dat betekende voor elke partij 560 gulden 19 ½ stuivers en 2 oorden.

Na het advies van de rechtsgeleerden werden Franciscus en Hendrik in het ongelijk gesteld. Franciscus legde zich niet neer bij die uitspraak en wendde zich tot de wethouders van Brussel. Die richtten een schrijven naar hun Eersame geminde vrienden van wegens Franchois De Witte.

Zij vroegen de schepenen van het Land van Asse om binnen de 14 dagen het dossier aan hen te overhandigen. Ze wilden ook weten of de schepenen bij hun uitspraak bleven.

Op 27 mei 1727 nodigden de schepenen Joannes La Hoese en Hendrik Louis, die blijkbaar geen oplossing voor het conflict zagen, de beide partijen uit om op 6 juni 1727 om 8 u. ten huijse van den heer advocaet Goijvaerts om aldaer over alle hunne geschillen te worden vergeleken. Wat dat overleg opleverde, weten we niet[31].

Nog een collecteur in opspraak[32].

Op 25 september 1725 dienden de bedesetters van Meldert via hun advocaat Egidius Crick bij de schepenbank een klacht in tegen hun collecteur Jan De Coster. Hij zou een tekort op zijn rekening hebben van 381 gulden 1 stuiver 1 oord. Dorpsofficier Hendrik Van Onchem bezorgde De Coster 3 dagvaardingen, maar hij noch zijn advocaat Van Mulders lieten zich op de zittingen zien. De kwestie bleef aanslepen tot 12 maart 1726. Jan De Coster betaalde nog 100 gulden, toch veroordeelden de schepenen Joannes (La) Hoese, Hendrik Louis en Adriaan Van Linthout, na raadpleging van schepenen rechtsgeleerden hem tot de betaling van het ontbrekende bedrag plus de gerechtskosten, samen 414 gulden 6 stuivers 1blank.

’T sal wesen om ’t mijne ofte sijn leven[33].

Op 23 september 1726 ondervroegen de schepenen Guillam Verhasselt en Adriaan Linthout op verzoek van de hoofddrossaard Jan De Bruyn. Deze jongeman, 19 jaar, was geboortig van Aalst maar woonde bij Laureijs Spinoije te Moorsel. Volgens zijn verklaring was Laureijs op 14 september naar Meldert gegaan om zijn klaverenveld op de Bevenhouten te bekijken.

Hij trof er twee kinderen aan die naar het huis van Jan Philips liepen. Voor Laureijs was dat feit voldoende als bewijs dat ze zijn klaveren kwamen stelen. Toen Jan De Bruyn korte tijd daarop met de paarden van Laureijs door de straat van Philips reed, riep die hem toe: gij donder, sout gij noch wel eens derven segghen dat sijne kinderen uwe claveren gestolen hebben. Hij wou ook weten waar Laureijs was, wat De Bruyn niet wist. Daarop beet Philips hem toe dat hij morghen wesende sondagh te commen naer de ierste misse tot Moorsel ende sal wesen om ’t mijn ofte sijn leven gedaen sijn.

Dat Philips zijn bedreiging meende, vernemen we uit het getuigenis van Peter Beeckman bij dezelfde schepenen. Peter, 23 jaar, woonde bij zijn moeder Catharina Vinck op de Klaarhaag. Op 15 september, zo verklaarde hij, was hij in het huis van Peter De Mol. Omstreeks 7 u. ’s avonds riep Jan Philips hem naar buiten en vertrouwde hem toe dat hij Laureijs Spinoije drie of vier kappen met een ames had gegeven. Peter verweet hem dat hij eenen miserabelen mensch was en Philips antwoordde dat het hem leedt te wesen.

Was Hendrik Jacobs een tuitelaar[34]?

De hop, ooit het groene goud genoemd, heeft in de loop der geschiedenis welvaart gebracht in onze streek. Maar als er een product is waar men veel geld mee kan verdienen dan zijn bedriegers niet ver uit de buurt, zeker met een teelt zoals de hop die zeer onderhevig is aan misoogsten. Zei men van de hop niet dat ze de kwekers laat zeven jaar in druk, het jaar daarop schenkt zij hem driedubbel geluk. Wanneer de oogst zwaar tegenviel dan hadden sommige hopboeren en handelaars wel eens de neiging om door toevoeging van allerlei poeders en droge bladeren hun opbrengst te vergroten, al was het maar om uit de kosten te geraken. Daarmee brachten die tuitelaars de goede faam van onze hop in gevaar. Om dat tegen te gaan werden er voortdurend pogingen ondernomen om hun schadelijk werk onmogelijk te maken.

Op verzoek van de burgemeester en de schepenen van Aalst vaardigde het landsbestuur in 1613 een ordonnantie uit in een poging om het vervalsen van de hop tegen te gaan.

Daarmee had de Koopmansnering van Aalst de volledige controle over de hophandel uit de streek. Alleen gekeurde en met hun merk geijkte hop mocht als Aalsterse hop verkocht worden. Op die manier wou men waarborgen dat de Aalsterse hop geëstimeert de beste van de ghene herwaarts over wassende zou blijven[35]. Toch ging het vervalsen nog door. In 1625 vaardigde aartshertogin Isabella een nieuwe ordonnantie uit waarin ze andermaal verbood dat de hop vervalscht ende ghecorrumpeert werd omdat de goede faam van de hop t’onsen grooten proffijte ende van onse ondersaeten gebracht heeft. De hophandelaars moesten nu al hun hop naar de stadswaag brengen om ze te laten keuren en alle vervalste hop moest op de markten publiekelijk verbrand worden.

Een ordonnantie van Karel VI uit 1719 beschrijft nog eens de vervalsingen met kruys ende andere groote gewrongen blaederen van de hoppe, ook met poeders de welke sij daervan ende van andere blaederen ende kruyden komen te maeken, met gekapte rankskens ende andere ondeugdelijke mengelingen mitsgaeders dat de belle-hoppe wordt geplukt met lange stelen, takkeringhen ende kleine blaederkens, ende ook gemengelt met de voorseyde poeders, ende somwijlen met sant ende andersins beswaert met besproeyinge van water, waerdoor de selve hoppen ende bellen van onse Nederlanden … niet alleen aldaer en zoude verloren hebben hare weerde, grootachtinghe ende debit, maer ook de koopers en gebruykers van dien in dese landen zouden bedrogen worden in het gewicht[36].

De klacht van Jan De Coster bij de schepenbank van Assetegen Hendrik Jacobs deed ons denken aan de tuitelaars. In februari 1726 kocht Jan de hop van Hendrik Jacobs aan 3 stuivers 1 blank het pond. Maar als hij de hopbellen wou zakken, in een baal persen, bemerkte hij dat het niet dezelfde hop was die hij had gekocht. Hij had bovendien een bijkomend probleem: hij had al 20 gulden als voorschot betaald. Om zijn klacht te ondersteunen liet hij 5 getuigen dagvaarden.

Michiel Vermoesen, 37 jaar, verklaarde op 13 december 1727 aan de schepenen Joannes La Hoese en hendrik Louies dat hij in het voorjaar van 1726 naar het huis van Hendrik Jacobs was gegaan met de bedoeling zijn hop te kopen. Maar Jan De Coster was hem voor geweest en had die hop al gekocht. Korte tijd later keerde hij met De Coster terug van Brussel en die vroeg hem om de hop bij Jacobs eens te gaan bekijken om na te gaan of het nog altijd dezelfde hop was. Op dat verzoek is hij niet ingegaan.

De tweede getuigen, Michiel Van Ransbeeck, 35 jaar, was in februari als houtzager aan het werk bij Jan De Coster. Die vertelde hem dat hij een probleem had. De hop die hij bij Jacobs had gekocht moest hij de volgende dag zakken. En dat kon hij niet omdat hij in Brussel moest zijn. Joos Van Ransbeeck, 33 jaar, die ook bij De Coster hout zaagde, bevestigde de verklaring van Michiel.

Jan Kieckens, 28 jaar en afkomstig van Asse, kreeg van Jan De Coster de opdracht om een baal leeg te maken en met die zak de hop bij Jacobs te halen. Hij voegde eraan toe dat hem dochte als dat de hoppe niet meer en was gelijck als in den tijt dat hij selve hoppe hadde gekocht.

De gewezen meid van Hendrik Jacobs, de 28-jarige Anna Maria De Maerschalck uit Opwijk, was op de zondag voor Vastenavond in het huis van Jan De Coster samen met Hendrik Jacobs. Hendrik zei toen dat hij geld nodig had en De Coster stelde voor om 20 gulden als voorschop op de gekochte hop te geven.

Was Hendrik Jacobs een tuitelaar? Het is mogelijk dat hij betere hop presenteerde bij de verkoop en later minderwaardige hopbellen eraan toevoegde. Dat was een veel voorkomende praktijk maar vermits het vonnis ontbreekt, kennen we de waarheid niet.

Eenighe eijtsels gestolen[37].

In het najaar van 1727 liet Gillis Van Zeebroeck het kanthout aan zijn hofstede kappen om er eijtsels (bussels) van te maken. Maar op een nacht waren er 30 verdwenen. Op zijn verzoek verrichtte schepen Verhasselt, met de hulp van twee burgers en van officier Van Onchem, een aantal huiszoekingen. Op het erf van Jan Baptist Monsieur uit Baardegem troffen ze 10 van de gestolen eijtsels aan. Een diefstal die expresselijck verboden is bij sijne majesteijts placcaaerten van 13 december 1721. Het 9de artikel ervan bepaalde dat de gene die eenigh groen hout hoedaenigh het sij sonder consent ende wille van den eijgenaer ofte bevel daervan hebbende, gehouwen, gecapt ofte wegh gedraegehen sullen vier mael soo veel betaelen alst voorschreven gecapt ofte wegh gedraeghen hout sal weert sijn. Ende sullen dan er boven noch betaelen tot behoeff van den heere die gewoonelijck kennen ende crencken.

Het gevolg was dat Jan Baptist Monsieur door officier Van Onchem voor de schepenbank werd gedaagd op 20 januari 1728. Monsieur kwam echter niet opdagen en ook niet op 27 januari en 3 februari. Op 9 maart 1728 velde hoofddrossaard Jacobus Josephus Jacobs zijn vonnis. Van het bedrag, viermaal de geschatte waarde, kreeg Van Zeebroeck 1/3, een ander 1/3 ging naar de schatkist en 1/3 aan de drossaard die daarmee alle vergoedingen voor zijn helpers en andere kosten moest betalen.

Hij heeft sich vermeten sijn mes te trecken[38].

Op 4 november 1731 omtrent 10 u. kwam Guilliam Van Handenhove met zijn schoonvader naar het huis van Francis Robijns. De hoogmis was nog bezig toen zij met elkaar begonnen te ruziën gemengelt met vloeken ende blasphemiën en uiteindelijk gingen ze elkaar te lijf. Francis zag zich genoodzaakt ze uit zijn huis te zetten. Maar aan de kerk bleven de kemphanen verder vechten tot schandaal van iedereen. Hun ruzie duurde voort tot 2 u. wanneer Van Handenhove soo vermetel was sijn mes te trecken ende sijn schoonvaeder daermede heeft gequest met vleeschelijcke quetsuren waervan hij geheel was bebloet. Officier Hendrik Van Onchem diende nog diezelfde dag een klacht in tegen Guilliam want dergelijke feiten zijn in een land van rechten niet gepermitteerd. De hoofddrossaard dagvaardde Van Handenhove op 13 november. Voor zijn woest optreden kreeg hij een amende van 4 gulden voor de blasphemiën en een tweede boete van 24 gulden voor de messteken.

Rekening ten sterfhuize van Pauwel Beeckman en Catharina Vinck.

Op 22 januari 1732 presenteerde Gillis Beeckman, zoon van Pauwel en Catharina zijn rekening van de ontvangsten en uitgaven na het overlijden van zijn ouders aan de hoofddrossaard en de schepenen van het Land van Asse.

De ontvangsten bedroegen 843 gulden 14 stuivers en kwamen voort van de verkochte meubelen. De uitgaven had hij zorgvuldig bijgehouden:

-voor het maken van de kavelbrieven voor de kinderen 34 gulden-4 stuivers-0 oorden.

-betaald aan de collecteur Peter De Clerck de 20ste penning voor 1731 en voor de oncostboeck van 1729 en 1730, samen: 23-4-0.

-aan Jan De Witte de cijns aan de abdij: 18-0-0; en de cijns voor land gelegen te Baardegem: 9-3-0.

-aan de kerkmeester Peeter Pesteels voor de begrafenis van zijn moeder: 6-0-0.

-landpacht aan Pauwel Smet: 8-15-0.

-aan Jacobus Meert voor de Sint-Gudulameester: 8-10-0.

-aan Catharina De Keghel voor haar werk in 1730: 16-8-0

-aan pastoor J.B. Verhoeven voor 3 jaren cijns op een ½ dagwand: 0-9-0.

-aan Egidius Crick voor zijn debvoiren voor het sterfhuis: 23-12-0.

-aan J.B. Beeckman voor de oogst van 1720: 5-8-0.

-aan Jan Hooft voor de settinghen van Baardegem: 6-6-0; als collecteur: 19-13-0.

-aan de hoofddrossaard, schepenen, griffier en vorster voor hun rechten bij de verkoop van de meubelen: 36-14-3; voor het nazicht van de rekeningen en het maken van kopies: 11-2-9.

-aan de meid: 1-5-0.

-aan de rendant voor zijn 3 paarden en veulen: 9-9-0.

-aan de rendant zijn deel van de winst: 24-0-0.

-aan Jan Baptist Beeckman, Peter Beeckman zijn broers en aan hemzelf, hun deel van de erfenis van juffrouw Josina Moens, begijntje te Dendermonde: elk 36-0-0.

Totale uitgaven: 376-4-3.

Bleef over: 467-0-1.

Bij de presentatie van de rekening waren aanwezig, behalve de drossaard ook de schepenen Hendrik Charles De Voghel, Gillis Van Ginderachter en Philips Van Humbeke. Ook Jan Baptist, Peter en Gillis Beeckman, Mariman Goeman, de man van Joanna Maria Beeckman en Jan Frans Van den Bossche, de zoon van Catharina Vinck waren getuigen.

Vreemdelingen moeten betalen[39].

De pastoor, de armmeester en de regeerders van Meldert waren in 1732 van oordeel dat vreemdelingen die zich in Meldert kwamen vestigen een borgtocht  moesten betalen voor het geval zij een beroep zouden doen op de H. Geesttafel. Deze maatregel doet denken aan de ordonnantie van de meier en de schepenen van het Land van Asse uit 1646. Toen kregen arme gezinnen het verbod om zich in het Land van Asse te komen vestigen. Wie dat toch deed en geen bestaansmiddelen had, moest binnen de drie dagen vertrekken.

De ingezetenen mochten alleen met toestemming van de meier woningen verhuren aan de vremdelinghen en dat slechts na betaling van een borgtocht[40].

Franciscus De Baetselier en Gillis Willems verhuisden van Hekelgem naar Meldert en kregen prompt te horen dat zij afgesetene ende vremdelinge van dese prochie van Meldert waren en dus een borgtocht moesten betalen. Dat was niet in overeenstemming met de geciteerde ordonnantie want Hekelgem behoorde ook tot het Land van Asse. De pastoor, de armmeester en de regeerders van Meldert lieten niettemin advocaat Crick op 13 mei 1732 bij de schepenbank een klacht indienen tegen De Baetselier en Willems omdat zij de borgtocht van 300 gulden tot ontlasting van de tafel van de tafel van de Heijlighen Geest nog niet hadden betaald. Officier Hendrik Van Onchem daagde beiden voor de schepenen, maar noch op 17 juni, 8 juli en 15 juli daagden ze op.

Daarop veroordeelden de schepenen hen op 12 november in gebanne vierschare tot de betaling van 313 gulden en 5 stuivers.

Lening niet terugbetaald[41].

Franchois De Pauw, zoon van Gllis, ging op 12 oktober 1716 een lening aan van 50 gulden aan 6,25% bij Jacobus Van Ransbeeck en Josina Van Nieuwenborgh. Notaris Egidius Crick stelde de akte op met als getuigen Jan Louis en Jan De Mol. Franchois moest de 50 gulden binnen de drie jaar terugbetalen. In 1732 waren Jacobus, Josina en Franchois overleden en dan bleek dat de lening niet was afgekort en dat er zelfs geen intrest was betaald. Andries Van Ransbeeck, aangesteld als voogd voor de kinderen van Jacobus en Josina, diende op 23 december 1732 een klacht in tegen Jan Van Houwe die inmiddels met de weduwe van Franchois De Pauw was getrouwd. Hij eiste de 50 gulden terug en ook de intrest voor de periode van 12 oktober 1717 tot 12 oktober 1732, nog eens 50 gulden.

Verdronken in het waschwater.

In de morgen van 30 juni 1734, omstreeks 8 u. wou Barbara Van Muijsewinckel, de 22-jarige dochter van Jan en Catharina Van Ransbeeck, wat linnengoed laten bleken aan de Waschbeek in de wijk Parijs. Ook Catharina Thomaes, de vrouw van bezembinder Jan Kindermans, had dezelfde gedachte. Toen ze aan de beek kwam, ontdekte ze tot haar ontsteltenis het lichaam van Barbara in de beek. Philip Clement hoorde haar “Jezus’ lippen “ roepen en zag haar handenwringend aan de beek staan. Samen trokken ze het levenloze lichaam zo goed als mogelijk uit de gracht. Barbara’s vader, op de hoogte gebracht van het voorval, verwittigde de dorpsofficier Hendrik Van Onchem. Die gaf aan Jan De Boitselier, Jacobus Van Onchem en Gillis Willems de opdracht bij het lijk te blijven zodat niemand er sijne handen kon steken terwijl hij te Asse de hoofddrossaard verwittigde. Die stuurde dokter Van Innis en de schepenen Peter Verlinden en Jacobus Meert ter plekke voor een aenschouw. Zij kwamen tot de conclusie dat Barbara was verdronken.

Een dubbelproces: de beek omgelegd en een wilg gekapt[42].

In 1732 besloot Pauwel Van Malderen de beek die midden door zijn bos aan Het Boonhof liep om te leiden naar de rand van zijn perceel. De brug over de beek verlegde hij tot op het veld van de Kerk van Meldert. Op de grens met dat veld plantte hij bomen. Dat was niet naar de zin van de pastoor Vresius, al berucht omwille van de vele processen die hij inspande, en de kerkmeesters. Zij waren van oordeel dat Van Malderen het recht niet had om de bedding van de beek te verleggen. Bovendien vonden ze dat Van Malderen wat van hun grond had ingenomen. Daarom steunden ze Anthoon Beeckman, hun pachter van het veld, toen die een wilg rooide, het hout wegvoerde en zo’n halve roede omspitte voor eigen gebruik.

Na twee jaar gekibbel over de kwestie diende Van Malderen een klacht in bij de schepenbank te Asse. Hij eiste het wilgenhout op. Maar ook Anthoon Beeckman spande het gerecht in. Eerst richtte hij zich tot de schepenbank van de abdij. Die was van oordeel dat Pauwel die beek niet had mogen verleggen zonder hun toestemming vermits zij het toezicht op de beken hadden. Gesteund door die uitspraak dienden de pastoor en de kerkmeesters een klacht in bij de Raad van Brabant. Zij namen daarvoor advocaat Crick onder de arm. Wat volgde was een juridisch steekspel tussen Crick en De Maré, de advocaat van Van Malderen, gedurende heel het jaar 1736. Zij twistten over de vraag of de beide klachten, die van Van Malderen tegen Beeckman en die van de pastoor en de kerkmeesters tegen Van Malderen, al of niet samen konden behandeld worden om kosten te sparen wat de schepenen van Asse niet zagen zitten. Was het vonnis van de Affligemse schepenbank aanvaardbaar voor de schepenbank van Asse of niet en zo meer. Het enige concrete resultaat uit die procedureslag was dat beide partijen de helft van de 66 gulden gerechtskosten moesten betalen.

Jacobus De Witte blijft in gebreke[43].

Jacobus De Witte en zijn vrouw Barbara Van Mulders leenden op 26 februari 1716 250 gulden aan 4,25% van de Swerte Susters, genoempt Bethleemen te Aalst. Het bedrag was bedoeld voor Joanna De Valck, geestelijke dochter te Aalst. Tot 1738 betaalde Jacobus de helft van de geleende som terug. Toen in 1739 geen afbetaling volgde, schakelde de overste, zuster Joanna De Brauwere, advocaat Egidius Crick in om Jacobus te praemen tot betaling van het reterende bedrag.Was jacobus daar niet toe in staat? Het was Andries Robijns, zijn schoonbroer die de 125 gulden en de verschuldigde intrest voor hem betaalde op 29 juni 1739.

Herder Jan Dhaens gaat in de fout[44].

Op Pasen van het 1738 trok Jan Dhaens, de schaapherder van boer Van Linthout van het Hof te Putte, met zijn kudde erop uit. Stond er nog niet genoeg gras in de weiden, nam hij het niet zo nauw met de eigendomsrechten of hoopte hij dat er op zo’n feestdag niemand in de velden zou lopen? Hij trok met zijn kudde door de weide van Guilliam Fasseel en verder door het bos van Marie Gabriëls, de 89-jarige weduwe van Gillis Van Ransbeke. Drie kinderen, Susanna Van Ransbeke, Marie Heyvaert en Barbara De Valck, waren bloemen aan het plukken toen hij met de schapen uit het bos kwam. Daar de schapen heel wat schade hadden aangericht in de weide en in het bos, dienden de eigenaars een klacht in tegen Jan Dhaens bij de hoofddrossaard Joannes Emmanuel Loovens. Die nam de overtreding ernstig en spande een proces in tegen de herder. Daarvoor steunde hij op het verslag van de dorpsofficier Jacobus Verloes en raadpleegde hij uitgebreid de bestaande wetgeving ter zake. Vermits dergelijke vaak voorkwamen op afgelegen of weinig bezochte plaatsen had de overheid bij uijterste sorgvuldiheijt verscheide placcaerten ende ordonnanties uitgevaardigd om te beletten dat de goede lieden schade zouden hebben aan hun velden en bossen.

-Het placcaert ende eeuwigh edict van 7 december 1737 bepaalde dat eigenaars of pachters die dieren op hun land aantroffen, die mochten vangen en opsluiten op voorwaarde dat een getuige op eed hun verklaring bevestigde. Justitie zal dan de schade vaststellen en de eigenaar van de dieren een boete opleggen.

– Het plakkaat van 11 januari 1548 hield in dat, als er geen getuigen zijn, de eigenaar of pachter de dieren mocht op stal zetten en de schade vaststellen. De dorpsofficier zal dan op zijn eed geloofd worden als hij de schadeclaim bevestigt. Zijn verslag is een suffisante preuve.

– Het plakkaat van 19 november 1605 handelde over getuigenissen van kinderen. Als zij eenigh verstandt hebben is hun getuigenis aanvaardbaar als de meisjes 12 jaar zijn en de jongens 14.

Voor zijn verdediging haalde Jan Dhaens het grove geschut boven en schuwde persoonlijke aanvallen niet. Hij reageerde op 17 februari 1739.

– Aan de klacht van Marie Gabriëls mag men geen geloof hechten. Haar man, Gillis Van Ransbeke werd geweigerd als dorpsofficier en als vorster omwille van zijn gebrek aan goede deught en zij draagt de slechte reputatie van haar man mee. Bovendien is zij al 89 jaar en aan zo’n oude vrouw hoeft men geen vergoeding meer te geven.

– Guilliam Fasseel diende alleen maar een klacht in om geld te krijgen, want hij heeft niet gezien dat de schapen op zijn weide liepen.

-Wat de verklaring van de drie kinderen aangaat, zij zijn meer bequam tot kinderspel als wel tot soo eenen serieusen act. Zij zijn nog geen 13 jaar en Susanna en Marie zijn de kleindochters van Marie Gabriëls. Hun getuigenis verdient niet meer aandacht dan het gekakel van kippen.

– Dat Jacobus Verloes verklaarde dat hij bereid was tot een minnelijke schikking is totaal onwaar. De officier stelde alleen maar een verslag op omwille van de vergoeding.

Met een tekst van 74 artikels weerlegde hoofddrossaard Loovens de argumenten van de schaapherder:

– Hij citeerde nog eens de verschillende plakkaten om de illegale handelswijze van Dhaens aan te tonen.

– De reputatie van haar man mag geen invloed hebben op het getuigenis van Marie Gabriëls en ook niet haar leeftijd, want daarover is er in de rechtspraak niets te vinden.

– Guilliam Fasseel heeft de schapen niet op zijn weide zien lopen, maar vond wel hun sporen die naar het bos van Marie leidden.

– Aan de bekwaamheid van de kinderen om te getuigen mag men niet twijfelen vermits ze ouder zijn dan 12 jaar.

– Dat Dhaens de schepenen die de zaak kwamen onderzoeken, blameerde is ongehoord en de beschuldiging dat officier Verloes alleen om de vergoeding een rapport opstelde is laster. Een officier ofte dienaer van justitie moet wesen luijden van eere om tot dien staet te comen en sij staen buiten enighe verdenking.

De drossaard besluit dat er geen twijfels bestaan over de schuld van Jan Dhaens en bijgevolg moet hij een amende krijgen.

Op 20 oktober 1739 beslisten de schepenen Van den Bossche, La Heese en Voghel beide partijen te dagvaarden om tot een vonnis te komen.

Oorlogsleningen van Meldert 1745 –  1749[45].

Om de kosten van de opgelegde karweien en van de refraichissementen van de troupen en de opgelegde belastingen tijdens de Franse invallen vanaf 1745 te kunnen betalen ging de gemeente meerdere leningen aan. Maar eerst geven we een overzicht van publique lasten van de overheid van 1746 tot 1749:

– 9 maal de 20ste penning: 4 123-6-0.

– voor de inkwartieringen: 10 426-2-1.

– foerage: 5 609-10-2.

– belastingen op hoofd, ploeg, schouw: 2 042-12-0.

– een bede van: 582.

Het totaal van de lasten beliep 22.784 gulden 10 stuivers 3 oorden. De prochie ging daarvoor de volgende leningen aan:

In 1745.

– een lening van 3 400 gulden aan 3,75% aan de weduwe van Francis Meert van Aalst;

– 1 000 g van het Godshuis Pacheco aan 3,50%;

– 1 200 g van de huisarmen van Meldert aan 3,75%;

– 1 200 g van sieur Cuijmans van Aalst aan 5% op datum van 7 september 1745

– 1 000 g van mijnheer Robijns van Brussel, nu de armen van Meldert aan 4%;

– 700 g  van Hendrik Michiels van Mazenzele aan 4%;

Van de geleende bedragen is op 4 en 13 januari 1746 460-2-0 betaald aan drossaard Loovens.

In 1746.

– 453 g van de armen van Meldert en van de kapelanie van Sint-Rochus aan 4%;

– 50 g van Jan De Vis aan 4%;

In 1748.

-1 000 g van Hendrik t’ Sas aan 4% op 13 januari;

Met het geleende geld werd een lening van Coordemans van 2 000 g en de lening van 700 g van Hendrik Michiels terugbetaald.

– 2 000 g van Guilliam Goossens van Mazenzele aan 4% op 3 september 1748 waarmee 1 858-8-0, dit is de helft van de 20ste penningen van 1748, aan de Staten van Brabant werd betaald op 3 september 1748 en 480-3-0 g aan drossaard Loovens als eerste bijdrage voor de foerage van de gekantonneerde troepen op 11 augustus 1748;

– 1 000 g van Hendrik Michiels van Mazenzele aan 4%;

Met dit geld werd op 3 september 1748 686-13-2 g betaald aan De Maré en 480-3-0 g aan drossaard Loovens, de tweede bijdrage voor de foerage van de gekantonneerde troepen;

200 g van de armen van Meldert aan 4% en werd betaald aan Savigny van het regiment van Belfort op 2 november 1748.

In 1749.

-1 500 g van Isabella Meert op 14 januari daarvan werd 1 470 g aan drossaard Loovens gegeven op 15 januari, 57-16-0 g aan Dillen Clercq voor het verzenden van brieven, 8-16-0 g aan notaris Eeman voor zijn devoiren en 197-3-0 g aan Hendrik Van Zeebroek op 26 februari 1749.

Totaal van de aangegane leningen: 6 203 g.

Soldaat Adriaan De Kegel zwaar in de fout.

Op zondag 24 maart 1758 geraakte Adriaan De Kegel in gesprek met drie ruiters in het huis van Joos De Wolf in de Klaarhaag. Er werd behoorlijk gedronken zodanig dat Adriaan droncken ende buijten verstand geraakte, wat de drie soldaten doorhadden en misbruik maakten van zijn toestand. Ze zetten hem, vuijt jooldije, op een van hun paarden en een van hen reed met Adriaan naar het huis van Peter Mesquin waar de 15-jarige Adriana Vergillis alleen thuis was. Adriaan eiste van haar een vat haver en een pot bier. Adriana weigerde omdat haar meester niet thuis was. Bier wou ze wel tappen, maar niet buiten. De twee mannen moesten dan maar afstappen en in het huis komen. Toen dreigde Adriaan dat hij met zijn pistool zou schieten als ze geen vat haver gaf. Omdat Adriana niet toegaf, schoot Adriaan in de richting van het huis. Daar was op dat ogenblik Cathelijne Marissens, de dochter van Jan aan het spelen. De kogel trof haar boven de knie en ging dwars door haar been. Op het huilen van het kind verschool Adriaan zich achter het andere paard en vertrok dan samen met de soldaat naar het huis van Adriaan Van den Wijngaerde.

Op verzoek van de hoofdmeier Charles Ignatius Crabeels ondervroeg de vorster in aanwezigheid van Aert Robijns en Gillis Breem Adriana en zij bevestigde dat verloop van de gebeurtenissen. Adriaan De kegel ontkende de feiten niet. Hij trok het pistool dat aan het zadel hing. Hij wou de maerte eens bang maken door haar met het pistool te bedreigen. Hij dacht dat het niet was geladen. Had hij geweten dat er een kogel in zat dan had hij liever sijn selven doodgeschoten als een onnoosel kind waarmee hij nooit gramschap had. Tot slot smeekte hij de hoofdmeier om een soo cleijnen amende als het mogelijck is.

De rekeningen van 1762[46]

Collecteur Joseph Van Malderen presenteerde op 20 juni 1764 zijn Rekeninge bewijs ende reliqua aan de substituut hoofddrossaard J. Van Malderen Loovens, de bedesetters en andere Meldertenaren die daartoe bij kerkgebod waren geconvoceerd: C. Van Vaerenbergh, Adriaan Verbeiren, P. Beeckman en Peter De Kegel. Die rekeningen dragen nog duidelijk de sporen van de Franse bezetting van 1745 tot 1748. Heel wat leningen die toen waren aangegaan om de oorlogskosten te dekken, moesten nog gedeeltelijk worden afbetaald. Met een ontvangst van 2293 gulden 3 oorden volgens het subsidieboek betaalde hij het volgende ten comptoire der heeren Staeten van Brabant:

– Driemaal de 20ste penning voor 1762 en nog eens ¾ van een 20ste penning als buitengewone steun tot onderhoud van het Hof van hertog Karel van Lorreinen en Baar, de gouverneur-generaal van de Nederlanden: 348 gulden en 9 stuivers (348-9-0).

-1/4 van een 20ste penning als deel van een lening van 600 000 gulden aangegaan door de Staten van Brabant voor een termijn van tien jaar tot coelinghe van der meest dringende schulden geduerende den tijdt der occupatie der Fransche trouppen: 116-3-0.

-1/2 van de 20ste penning op ieder bunder land, weiden, vijvers, bossen, molens, neringen en woningen toegestaan aan de gouverneur-generaal volgens een ordonnantie van de Staten van Brabant: 239-0-0.

– drie 20ste penningen voor het jaar 1762: 467-6-0.

– drie 20ste penningen ook voor 1762: 412-16-0.

– idem: 160-0-0.

– idem: 353-14-0.

– enkele kleine uitgaven ter ondersteuning van de armen: 12-17-3.

– het loon van de rendant: voor het innen van het subsidieboek: 111-4-3; voor het maken van het subsidieboek: 10-0-0; voor het opstellen van de rekeningen: 4-12-0; voor een kopie van de rekeningen: 2-6-0;

-aan de bedesetters: 6-0-0;

-aan de substituut voor het aanhoren van de rekeningen: 6-0-0;

-voor zegels en andere: 10-16-4.

Na aftrek van de uitgaven bleef er nog 34 gulden 1oord in de kassa van Meldert.

Was Guilliam Cordeman te hebberig[47]?

In heel wat gezinnen ontstonden er moeilijkheden wanneer een van de ouders vroegtijdig overleed en de overblijvende partner een (noodgedwongen) tweede huwelijk aanging. Welke erfenis kwam de kinderen uit het eerste huwelijk toe?

Ook in de welstellende familie Robijns rezen deze moeilijkheden na het overlijden van Anna Françoise Robijns, dochter van Franciscus en Jacqueline De Witte.

Franciscus Robijns en Jacqueline De Witte woonden in een hofstede naast de kerk van Meldert.(zie illustratie). Franciscus, geboren te Meldert op 17 januari 1666, was meier van Affligem. Hij trouwde te Meldert met Jacqueline (Jacoba) De Witte op 22 juli 1709. Zij was te Meldert geboren ca 1680. Franciscus stierf te Meldert op 17 november 1757 en Jacqueline op 3 oktober 1783. In hun gezin kwamen er 11 kinderen waaronder Jacobus die op de ouderlijke hoeve bleef wonen er een azijnbrouwerij uitbaatte, Judocus die griffier werd van het laathof van de H. Geest, kerkmeester en voogd van de kinderen van zijn zus Anna Francisca en Anna Francisca.

De hoeve en brouwerij van de familie Robijns rechts van de kerk. Kaartboek van Meldert, detail van de 5de kaart.

 Anna Francisca, geboren te Meldert op 11 mei 1729, trouwde op 22 oktober 1748 met Guillam Cordemans. Zij werden de ouders van Marie Françoise die trouwde met Jan Baptist De Meyer; Jacqueline die trouwde met Peter Beeckman en Joanna, die de vrouw werd van Paschasius De Witte. In 1747 verkregen Franciscus en Jacqueline  een tweede hoeve, groot dagwand en 60 roeden, en te Meldert gelegen. In 1753 lieten zij de hoeve voor 500 gulden na aan hun dochter, maar Anna Francisca stierf nog datzelfde jaar op 23 oktober 1753. Na haar overlijden erfden haar twee kinderen de hofstede. Maar Guilliam hertrouwde met Françoise Carnoy en voor zijn overlijden was hij soo onbedacht van de hoeve aan zijn tweede vrouwte willen overlaten. Dat was zonder de weduwe van Franciscus en Judocus Robijns, de voogd van de kinderen, gerekend. Zij spanden bij de schepenbank van Asse een proces in tegen Françoise Carnoy om haar te verplichten de hoeve promptelijkck te laeten varen met alle de baten ende proffijten genoten ende te genieten ten minstens t’ sedert den sterfdagh van wijlen Cordeman.

Een complexe erfenis[48].

Wanneer in een huwelijk een van de partners vroegtijdig stierf, dan stond de overblijvende partner vaak voor een enorm probleem. Was de man dood, dan kon de vrouw meestal niet alleen voor het nodige inkomen zorgen voor haar en de kinderen. Bleef de man alleen achter, dan had hij dringend iemand nodig om voor de kinderen te zorgen terwijl hij aan het werk was. Kwamen er nog kinderen bij, dan ontstonden er vaak spanningen als het over de verdeling van de erfenis ging. De erfenis van Ingel (Ingelbertus) Vermoesen is daar een voorbeeld van.

Engel was de zoon van Guillelmus en Elisabeth Robijns van Hekelgem. Hij werd te Hekelgem gedoopt voor 1700. Hij had een oudere broer, Guillelmus, te Hekelgem gedoopt op 15 april 1678. Engel trouwde driemaal.

I- Op 16 juni 1720 trouwde hij met Andrea Verbeke. Hun dochter Elisabeth werd te Meldert gedoopt op 24 maart 1721. Andrea overleed te Meldert op 9 april 1721. Elisabeth, trouwde met Jan Hoemans en met hem had zij twee kinderen: Anna Maria en Elisabeth. Na de dood van Jan Hoemans hertrouwde zij met Andrisijne Verbeken.

II- Nog hetzelfde jaar, op 10 september, trouwde Engel met Maria Mannaert. Zij werd te Meldert gedoopt op 4 augustus 1700 en overleed er op 22 april 1733. Zij was de dochter van Petrus en Joanna Van de Putte. In hun gezin werden 5 kinderen te Meldert geboren:

– Peter, ° 5 juni 1724, overleden te Meldert op 10 januari 1789. Hij trouwde te Meldert op 2 december 1758 met Anna Maria Dubois.

– Guillam, ° 28 april 1726.

– Jacqueline, ° 6 oktober 1728, trouwde met Anthoen Van Molhem.

– Joanna Maria, ° 11 april 1732, trouwde met Judocus Amerijckx te Asse op 26 juli 1760.

III- Na de dood van Maria Mannaert trouwde Ingel op 9 juli 1733 te Meldert met Maria Laus (Lauwers). Er werden nog twee kinderen te Meldert geboren:

– Catharina, ° 12 juli 1734.

– Henricus, ° 13 april 1740.

IV- Na het overlijden van Ingel hertrouwde Maria Laus te Meldert op 24 juni 1758 met Francis De Keijser. Hun dochter Angelina was nog minderjarig toen haar moeder overleed.

Als gevolg van vier huwelijken was de erfenis een heel ingewikkelde zaak geworden. Het ging om de perceel land van 1 d 18 r waarop vroeger een huis stond en een perceel land van 72 r op Het Labues (Doment) dat een erfenis was van Maria Laus. Twee groepen stonden eerst tegenover elkaar. De kinderen uit het eerste en tweede huwelijk van Engel, Elisabeth met haar tweede man Andrisijne Verbeken, Peter, Guillam, Jacqueline en Joanna Maria stonden tegenover Francis De Keijser, Adriaan De Coster, Guillam Goossens en Jan Mannaert. Waren Adriaan, Guillam en Jan de echtgenoten van kinderen van Maria Laus uit een vorig huwelijk? Dat konden we niet achterhalen. In haar testament van 1776 had Maria Laus beslist dat Francis hem content (moest houden) met de tochte die hem is gelaten bij … sijne huijsvrouwe. Uiteindelijk konden de twee partijen tot een akkoord komen dat zij op 23 april 1766 aan notaris Van Itterbeke uit Asse overhandigden.

Het dagwand kwam voor de helft toe aan de 5 kinderen uit zijn eerste en tweede huwelijk en voor de andere helft plus de 72 roeden aan Angelina, Adriaan De Coster, Guillam Goossens en Jan Mannaert.

Hoe ingewikkeld ook, ze zijn eruit geraakt want tot een proces is het niet gekomen.

Nog een betwiste erfenis[49].

Guillam De Nil trouwde te Moorsel op 17 juli 1703 te Moorsel met Maria Doomst. Zij stierf voor 1743 en hij hertrouwde met Elisabeth Van de Velde met wie hij een zoon had, namelijk Peter. Op 24 maart 1742 verkocht Guillam De Nil, sieck te bedde liggend”  zijn meubelen, huisraad,  paarden, koeien, runderen, kalveren, wagen, ploeg, eg, hout, hooi, stro, gedorste en ongedorste of nog op het veld staande granen aan zijn zoon Gillis en diens tweede vrouw Catharina Van Cauwenberghe. Guillams tweede vrouw, Elisabeth Van de Velde, was bij de verkoop aanwezig. Gillis nam ook al wat zijn vader pachtte van de abdij of van particulieren over. Notaris Van Itterbeke uit Asse stelde de akte op.

Gillis had twee dagen eerder al de helft van zijn hofstede met huis, schuur, stallingen en andere edificiën, groot 1 dagwand, op De Klaarhaag gelegen, gekocht. De andere helft van de hofstede ging naar de erfgenamen van Elisabeth Van de Velde, maar Guillam behield er de tocht. De hofstede paalde aan de straat, Judocus Van Brempt en Gillis Van Nieuwenborgh en was belast met een stuiver en 1/3 cappuijns per jaar aan de abdij. Guillam en Elisabeth hadden de hoeve gekocht van Elisabeth Maurissens, de weduwe van Gillis Van Mulders op 23 januari 1713[50]. Op 21 november 1735 kochten ze ook 82 roeden op het Swintersveldt, grenzend aan de Lijbeek, van Clara Dooms, dochter van Gillis en Petronella De Meersman[51] met de volgende condities. Hij moest Guillam en zijn nicht Maria De Meersman, dochter van Joannes en Clara Van Langenhove, onderhouden van cost ende dranck, leynen ende coulle ende allen ’t gene hunne lijve noodigh hebben sal, soo in siekte als gesontheijdt naer staet hun leven geduerende ende overleden hunnen lichaemen treffelijck doen begraeven. Guillam heeft bovendien recht op 7 stuivers drinkgeld per week en na zijn dood krijgen zijn broers en zussen en hun kinderen 3 gulden. Aan Maria De meersman moet hij jaarlijks voor haar dienst nog 3 gulden geven en als ze niet bij hem blijft wonen dan krijgt ze 25 gulden. Als laatste voorwaarde moest Gillis ook alle schulden betalen.

Gillis die in 1753 overleed was eerst getrouwd met Maria De Witte. Zij hadden een zoon: Peter. Na haar dood hertrouwde Gillis met Catharina Van Cauwenberghe in Meldert en met haar had hij twee zonen[52]. Na de dood van Catharina trouwde Gillis voor de derde maal, nu met Petronella Buggenhout op 16 april 1647. Zij kregen nog 4 kinderen die te Meldert werden gedoopt[53]. Na de dood van Catharina Van Cauwenbergh besliste Egidius om zijn goederen, de halve hoeve in De Klaarhaag en de 85 roeden op het Swintersveld over te laten aan zijn nog twee levende zonen Peter en Hendrik. Zijn derde vrouw, Petronella bleef echter op de hoeve wonen. In 1766 eisten de twee halfbroers niet alleen die goederen op, ze wilden ook een vergoeding voor het vruchtgebruik en voor de meerdere bomen die zij had laten kappen. Petronella, inmiddels te Meldert hertrouwd met Francis Van Ieghem op 25 november 1765, weigerde de hoeve te verlaten. Voor Peter en Hendrik bleef er niets anders over dan een rechtszaak aan te spannen tegen Francis Van Ieghem en Petronella Van Buggenhout.

De familie Van der Schueren te Meldert[54].

In het dossier van een proces uit 1776 voor de schepenbank van Asse tussen Jan Baptist De Baetselier, de pastoor van Kobbegem, en Peter Vercammen van Meldert over niet betaalde intresten vonden we een akte over de verkoop van een hofstede verleden voor notaris Jan Baptist Van der Schueren uit Meldert. Wie was die Jan Baptist? Is hij dezelfde persoon als de Jan Baptist Van der Schueren, de burgemeester van Meldert tijdens de Franse overheersing? Vragen die interessant genoeg waren voor een speurtocht naar de familie Van der Schueren te Meldert.

Alexander.

De eerste Van der Schueren te Meldert was Alexander, te Hekelgem gedoopt op 30 januari 1723, als zoon van Michael en Petronella Clauwaert. In dat gezin waren er 10 kinderen. Alexander werd als derde kind in het geboorteregister ingeschreven na Maria Anna (° 26/10/1721) en zijn tweelingbroer Job[55].

Alexandertrouwde te Meldert op 1 december 1742 met Jacoba De Baetselier, de dochter van Guilliam, meier van de abdij, en Adriana De Witte. Zij was te Meldert gedoopt op 17 maart 1710 en overleed er op 11 juli 1762. In hun gezin kwamen er 5 kinderen:

– Jan Baptist, ° 25 maart 1745

– Petronella, ° 23 november 1746

– Jacobus, ° 7 februari 1749, overleden op 7 februari 1749.

– Anna Francisca, ° 20 juni 1753, overleden op 3 juni 1794.

– Joanna Maria, ° 14 oktober 1756, trouwde op 9 oktober 1778 met Petrus Robijns en overleed op 18 november 1788.

Volgens het kaartboek van Meldert van 1727 bezaten Guilliam en Adriana een hoeve van 2 dagwand en 40 roeden op Nievel die ze gekocht hadden van Maria Ransbeke, de weduwe van Jan Gerstman[56]. Voorts hadden ze nog land op het Huijselveld van 1 d 4 r, op de Huizekens van 1 d 89 r, bos in het Hulsbos van 47 r en op Den Houtstock van 97 r. Ze huurden land op de Molenkouter van 7 b 1 d 66 r, op het Molenveldeken van 1 b 2 d 3 r, op het Querrelsveld van 47 r en weiden in De Faluintjes van 1 d 11 r en op het Stevensveld van 1 b 69 r. Guilliam stierf op 31 maart 1730 en geleidelijk nam Alexander het land over van zijn overleden schoonvader.

Op 21 mei 1742 kocht Adriana De Witte, de weduwe van Guilliam De Baetselier de hoeve van hun buur Jan Baptist Mattens en zijn vrouw Anna Robijns die er voor 2/3 eigenaar van waren en van Jacqueline Robijns, de zus van Anna, en haar man Arnoult Verleijsen die het overige 1/3 in bezit hadden[57]. Het was een hofstede met huijse ende stalle daerop staende, groot 2 daghwanden 25 roeden. De hoeve paalde aan de Nieveldries, aan de weduwe Guilliam De Baetselier en aan Jan Willems, Joos Arijs, Guilliam Jacobs en Jan De Ridder. De koopsom bedroeg 980 gulden te verhogen met 300 gulden als afbetaling van een lening aan de schepenbank van Affligem. Het is die hoeve die Alexander en Jacoba betrokken na hun huwelijk op 1 december 1742.

Zijn eerste jaren al zelfstandige boer begonnen nochtans dramatisch. Joos Robijns, een boer van Nievel, noteerde in zijn memorieboek: het jaer 1744 heeft het leger ghelegen op den Molencauter recht over de poort van d’ abdije van Affligem, te weten het volck van de koninginne van Hongarijen, de hollanders, de engelsche en de hannoversche, te samen sterck negentigh duysent mannen ende hebben daer gelegen 13 dagen in bloyen van het coren, ende de hollanders hebben op den 2den Sinxendagh op Noeven  (= Nievel) gheplundert ses huysen omdieswille dat eenen van hun volck in de clerageby naer doodt was gheslagen wiens huysen sijn gheweest Pauwels Gregoir, Jan Gekeer, Alexander Van der Schuren, Jan De Ridder, Joos Arijs ende Jan Willems borgemeester… ende als dan iser eene sterfte ghekomen onder de beesten van daer dat het in alle steden verboden is geene rienders ofte kalvers te slachten omdat de menschen jonge beesten souden ophouden, soo dat hier tot Nievel eenen grooten toeloop is tot den H. Rochus, die ons tot noch toe van die sterfte heeft bewaert[58].

Dat Alexander toch goed boerde blijkt uit de beden die de inwoners van Meldert in 1763 moesten betalen. Die belastingen werden geïnd op labeurlanden, weijden en bosschen aan 1 gulden 7 stuivers per bunder. De stockbosschen waren vrij van lasten. Met 13 bunder 2 dagwand 89 roeden in gebruik was hij een van de grootste boeren van Meldert[59]. In 1748 was Alexander bedesetter en ging hij met de andere bedesetters een lening aan van 2 000 gulden bij Guilliam Goossens en nog een van 1 000 gulden bij Hendrik Michiels, beiden uit Mazenzele.

Alexander stierf op 6 mei 1766

Jan Baptist.

De oudste zoon, Jan Baptist, trouwde op 15 juli 1777 met Joanne Catharina Clauwaert, de dochter van Joannes Baptist en Anna Catharina Pensionaris. Hun kinderen waren:

– Joanna Maria, ° 30 oktober 1778.

– Maria Anna, ° 30 oktober 1779.

– Anna Catharina, ° 4 januari 1782.

– Petronella, ° 7 januari 1784.

– Franciscus, ° 1 augustus 1786.

– Dorothea, ° 1 augustus 1786.

– Rochus, 0 5 oktober 1788.

Als oudste zoon nam Jan Baptist de hoeve van zijn overleden vader over. Maar onze eerste kennismaking met Jan Baptist was een voor hem dramatische ervaring.

Jan Baptist geturbeert door differente slaeghen[60].

Op 3 augustus 1768 liet hoofddrossaard Emanuel Loovens een onderzoek instellen naar een aanval op Jan Baptist Van der Schueren in de herberg van Jan Gekeer op Nievel. Als slachtoffer werd Jan Baptist het eerst verhoord.

Jan Baptist Van der Schueren was toen naar hij verklaarde 23 of 24 jaar. Op zondag 31 juli 1768 was hij met Jan De Koninck, een steenkapper van de abdij, naar de herberg van Jan Gekeer op Nievel gegaan. Daar trof hij Jacobus Robijns, de zoon van Frans, Francis Beeckman, de zoon van Peter, Jan Baptist Gerstman, de zoon van Arnold, Judocus Gerstman, Jan De Vis, Melchior Van der Maelen, Antoon De Ridder, Gillis Van de Perre en Judocus Robijns, ook een zoon van Frans. Onmiddellijk beet Jacobus Robijns hem toe: houssa hoe durfde hier nogh in mijne presentie te komen. Jan Baptist ging op die uitdaging niet in en begon te kaarten met De Koninck tot ongeveer zes uur. Toen werd plotseling de stoel onder hem weggeslagen en kreeg hij een slag op de rechterkant van zijn hoofd. Hij was door die slag zo bedwelmd dat hij niet meer weet of hij op de grond viel of dat enkele mensen hem naar de achtervloer van de herberg hebben gedragen. Daar werd hij eerst vastgehouden door Jan Baptist Gerstman en dan op de vloer gegooid terwijl Jacobus Robijns en anderen,die hij niet kende, hem aanvielen. Jacobus stampte met beide voeten op zijn benen en vroeg hem: wie heeft mij gesteeken in mijn handt? Daarop antwoordde Jan Baptist niet want hij was geheel geturbeert. Robijns bleef met zijn vuisten op zijn hoofd slaan tot iemand van het gezelschap zei: hij heeft genoegh, laet hem liggen. Als die groep was vertrokken, is Jan Gekeer bij hem gekomen, hielp hem overeind en bracht hem naar zijn houtkot en deed de deur op slot.

Daarmee kwam er nog geen einde aan zijn miserie want enige tijd later kwam de bende terug. Aan de stem herkende hij Judocus Gerstman. De mannen sloegen en stampten op de deur en riepen: doet maer open, hij heeft niet genoegh gehad. Omdat hij vreesde dar ze hem zouden doodslaan, vluchtte hij langs de rijckels van het voorschreven houtkot tot op het scherwerck. Daar bleef hij zitten tot hij de stem van de pastoor van Meldert hoorde. Toen hij naar beneden kwam, hoorde hij Jacobus Robijns tot de pastoor zeggen: ick hebbe den stoel met mijn eighen handen van onder sijn gat getrocken een dat hij een pot op zijn hoofd in stukken heeft geslagen.

Gevraagd naar zijn kwetsuren, verklaarde Jan Baptist dat hij nog steeds bedlegerig is en wonden heeft op zijn schouders, borst, rug, been en in de hals. Dagelijks wordt hij gecureert door de chirurgijn Savena en die kan een beter oordeel geven over zijn toestand.

Jacobus Robijns, de hoofdverdachte,werd te Meldert gedoopt op 22 maart 1723 als zoon van Franciscus en Jacqueline De Witte. Hij bleef in het ouderlijk huis, naast de kerk van Meldert, wonen en werd er azijnbrouwer en overleed te Merchtem. Hij trouwde met Catherine Goossens, geboren te Lennik, op 14 februari 1794. Zij waren getuigen bij het huwelijk van hun neef en nicht Peter Goossens en Marie Françoise Goetvinck. Bij die gelegenheid schonken hen hun hofstede als bruischat. Zijzelf trokken zich terug te Merchtem[61].

De verhoren.

Het voorval in de herberg werd door de schepenbank ernstig genomen. De schepenen Jacobus Van Innis, J.B. Van Grasdorf en Franciscus Van den Bossche ondervroegen achtereenvolgens Melchior Van der Maele, Jan Gekeer, Petronella Van der Biesen, Gillis Van de Perre, Antoen De Ridder, Jacobus De Leeuw, Jan De Vis, Jan Baptist Van de Velde, Johannes De Koninck, weduwe Pauwel Gregoir, Joannes Franciscus Meert en Petrus Savena.

Als eerste kwam Melchior Van der Maelen aan de beurt. Gedaagd door de officier Hendrik Jacobs verklaarde hij dat hij die zondag 31 juli 1768 naar de herberg van Jan Gekeer ging om eenen pot bier te drincken. Hij was in het gezelschap van Jacobus De Leeuw, Joseph De Nil, Judocus Verleijsen en Benedictus De Baetselier.In de herberg zaten Jacobus Robijns, Judocus en Jan Baptist Gerstman, Francis en Jan Francis Beeckman. Hij heeft ook Jan Baptist Van der Schueren met de steenkapper zien binnen komen. Staande in de deuropening zag hij ook Judocus Robijns binnen komen. Die vroeg om hem een pot bier te tappen. Daar hij vreesde dat die op ruzie uit was, is hij vertrokken, maar bleef nog enige tijd op de Nieveldries wachten. Hij hoorde groot geschreeuw, ramier ende getier. De steenhouwer van Affligem kwam met een bebloed hoofd naar buiten en daarop is hij naar zijn huis gegaan.

Jan Gekeer, brouwer en herbergier op de Nieveldries, legde de eed af bij Joannes Van Stichel en getuigde dat Jacobus Robijns, Francis Beeckman en Judocus Gerstman in zijn herberg waren toen Jan Baptist Van der Schueren en N. De Koninck binnen kwamen. Tussen 6 en 7 u., zou Van der Schueren door Jacobus Robijns zijn aangerand. Dat heeft hij horen zeggen want hij was naar zijn hopveld gegaan. Toen hij thuis kwam, zag hij Jan Baptist Van der Schueren op de voorvloer liggen. Hij hielp hem recht en leidde hem naar zijn houtstal en sloot de deur. Hij bleef voor de deur staan. Jacobus Robijns en Judocus Gerstman kwamen op hem af en eisten dat hij de deur zou openen, zeggende: hij heeft noch geen slaegen genoegh gehadt. Hij antwoordde dat hij de sleutel niet had. Robijns toonde hem zijn hand en zei: siet hoe dat ick gequetst ben, laet mij in huijs om mijn handt te vermaecken. Gekeer ontweek de vraag door te zeggen dat hijgeen Franse brandewijn in huis had. Robijns en Gerstman vertrokken en hij bleef nog voor het houtkot staan tot hij de pastoor hoorde. Met de pastoor ging hij naar zijn huis waar Van der Schueren hen tegemoet kwam. De pastoor[62] vergezelde Jan Baptist dan tot aan zijn huis.

Petronella Van den Biesen, de vrouw van Gekeer voegde eraan toe dat ook Adriaan Van Dam en Gillis Van de Perre in de herberg waren toen Jan Baptist Van der Schueren en De Koninck binnen kwamen. Omstreeks 6 uur is Francis Beeckman naar buiten gegaan om Judocus Robijns, Peter Hereman en Jan Francis Beeckman te halen. Toen die binnen kwamen, trok Jacobus Robijns de stoel van onder Van der Schueren die op de grond viel. Jan Baptist en Judocus Gerstman, Guilliam en Judocus Goetvinck en Jan Francis Beeckman trokken Van der Schueren bij zijn haar naar de voorvloer. N. De Konick lag ook op de vloer nabij de watersteen aan de kelderdeur. Een persoon, die op hem lag en hem sloeg, trachtte ze tevergeefs weg te trekken. Zij zag dat De Koninck een hoofdwonde had die hevig bloedde. Zij is dan naar Van der Schueren gegaan en haar man zei haar dat, zonder zijn hulp, de aanvallers Van der Schueren wel doodgeslagen hadden. Toen de aanvallers de pastoor naar de herberg zagen komen, zijn ze vertrokken.

Gillis Van de Perre. Noemt dezelfde namen, maar voegt toch nieuwe elementen toe. Hij heeft gezien dat, toen Jan Baptist Van der Schueren op de grond lag, Jacobus Robijns zolang met een pot op zijn rug sloeg tot die in stukken brak. Judocus Gerstman deed hetzelfde met een stok. Judocus Goetvinck had een ijzeren brandelaer uit de schouw genomen om daarmee te slaan, maar de vrouw van de herbergier kon hem afnemen. Een van de acht aanvallers had een ijzeren priem, een voet lang, in zijn hand, maar hij heeft niet gezien dat hij daarmee heeft gestoken. Dan heeft die bende Jan Baptist naar de achtervloer getrokken, de vrouw sloot de keukendeur en hij weet niet wat er voorts is gebeurd.

Op 5 augustus zetten de schepenen hun verhoor voort. Schoenmaker Antoen De Ridder, 23 jaar,was als eerste aan de beurt. Hij was die zondag ook in de herberg en daar hij ruzie verwachtte, verliet hij de herberg voor de aanslag op Jan Baptist. Hij was net buiten toen hij Jan De Koninck met bebloed hoofd  uit de herberg zag komen. Daar hij eenigh gerucht hoorde, stak hij zijn hoofd door het keukenvenster en zag hoe enige personen Van der Schueren vasthielden en anderen hem sloegen. Dan bemerkte hij dat Jacobus Robijns en François Beeckman naar buiten komen met bloed aan hun handen. Toen de pastoor er was, hoorde hij Jacobus Robijns tegen de pastoor zeggen dat hij de stoel van onder Van der Schueren had getrokken en dat hij hem daarna al suckelende ende met moijte naar zijn huis zag gaan.

Jacobus De Leeuw, wasgeboortig van Meldert, 24 of 25 jaar en blokschoenmaker. Volgens hem waren Jan De Vis, Laureijs Clauwaert en Jan Gerstman ook in de herberg. Hij hoorde dat Jacobus Robijns aan Guilliam De Nil vragen of hij naar Meldert wou gaan om enkele mensen te halen. De Nil antwoordde: ist om vrolijck te sijn, ick sal se gaen roepen, maer ist om rusie te maeken, ick en sal het niet doen. Francis Beeckman vertrok dan naar Meldert en kwam terug met Judocus Robijns, Peter Hereman, Jan Francis Beeckman en Judocus en Guilliam Goetvinck. Zonder enige aanleiding is dan de groep van Jacobus Robijns naar de keuken gegaan, ze grepen Van der Schueren vast en sleurden hem naar de achtervloer en daar hebben ze hem buijten sijn selven geslaegen tot de baas hem in zijn houtkot verschool. Die bende heeft hem ook vastgepakt zonder hem te slaan, behalve Francis Beeckman die hem met een stok sloeg en Judocus Robijns die met zijn ijzeren schop wou slaan, maar hij kon de schop uit zijn handen trekken. Beeckman verweet hem: houssa gij moet oock hebben gelijck de anderen, gij sijt oock van de selve compagnie. Uiteindelijk is hij uit de herberg geraakt. Jacobus verklaarde nog dat hij later vernam dat Van der Schueren soo veel als doodt geslaegen was.

Jan De Vis, inwoner van Meldert, 34 jaar en timmerman, somt dezelfde namen op van de personendie in de herberg waren. Hij zag hoe Francis Beeckman een eijsere vierschuppe  nam, die onder sijnen casack stak en dat was het teken voor Jacobus en Judocus Robijns en hun vrienden om Jan Baptist Van der Schueren en Jan De Koninck, die zaten te kaarten, aan te vallen. Voor hij uit de keuken vluchtte, zag hij nog dat Francis Beeckman iemand een stamp met de schop gaf.

Jan Baptist Van de Velde, geboortig van Meldert, 22 of 23 jaar en paardenknecht bij Van der Schueren, had net een pint gedronken in de herberg van Jan Gekeer toen hij een groot lawaai hoorde dat uit de keuken kwam. Hij zag hoe Jacobus Robijns zijn meester met zijn vuisten in het gezicht sloeg en dat Judocus Gerstman een elzen knuppel, anderhalve voet lang, in zijn handen had. Guilliam Goetvinck riep Jacobus Robijns toe: om Godswille coben, com slaeght hem doodt. Hij wou zijn meester bijstaan, maar een van de aanranders zei hem: gij en hebt u maer weg te maeken van hier oft wij sullen u van ’t selve geven. Hij ging dan weg en later zag hij zijn meester met de pastoor afkomen en hij is achter zijn meester naar huis gegaan.

Op 6 augustus kwam Jan De Koninck nog getuigen. Hij was een 23 jarige steenkapper afkomstig van Steenokkerzeel. Hij werkte al 15 of 16 maanden in de abdij. Die zondag zat hij met Jan Baptist te kaarten. Nadat Jacobus Robijns de stoel van Jan Baptist had weggetrokken, haalde Jacobus zo hard naar hem uit dat hij op de grond viel. Hij kreeg nog meerdere slagen op zijn borst en zijn armen. Kruipend op handen en voeten geraakte hij buiten waar iemand hem vroeg waar Jan Baptist Van der Schueren was. Sekerlijck doodt, antwoordde hij en met de vrouw van Jan Van Houwe is hij naar haar huis gegaan waar zij het bloed van zijn wonden heeft afgewassen. Daarna vertrok hij naar zijn logement in het huis van de weduwe van Pauwel Gregoir. Gevraagd naar zijn toestand, antwoordde Jan dat hij nog steeds niet kan werken en dat hij dagelijks wordt verzorgd door chirurgijn Savena. Chirurgijn Boterdael van Aalst en dokter Meert onderzochten hem nog twee dagen geleden. Zij zullen meer uitleg over zijn wonden kunnen geven.

De verzorging van de kwetsuren.

Op 10 oktober dienden Jan Baptist en Jan bij de schepenbank de kosten in van hun verzorging. Voor de dagelijkse verzorging van 4 tot 12 augustus rekenden P.B. Boterdael en P.J. Meert 39 gulden 4 stuivers voor beiden. Chirurgijn Savena had voor Van der Schueren een aparte rekening:

– 31 visites (driemaal daags) van 31 juli tot 11 augustus: 10-17-0.

– 2 laetinge (aderlatingen)[63]: 0-14-0.

– 4 consultaties met Boterdael en Meert: 2-16-0.

– olium rosarum[64]:1-1-0.

– emplastrum[65] de betonic: 1-1-0.

– spirtus vini[66]: 1-1-0.

– emplastrum sanctallinum: 2-3-0.

Als gevolg van zijn verwondingen gaf Jan Baptist nog uit:

– voor 4 potten bruin bier en mondkost: 4-19-3.

– aan medicijnen: 1-19-0.

Totaal: 6-8-3.

Chirurgijn Savena bezorgde Jan De Koninck ook een rekening:

– 31 visites (driemaal daags): 10-17-0.

– 2 laetinge: 0-14-0.

– onleesbaar: 1-1-0.

– idem: 1-1-0.

– 4 consultaties met Boterdael en Meert: 2-16-0.

Totaal: 15-15-0.

Aan medicijnen gaf Jan nog uit: 4-15-2.

De weduwe van Pauwel Gregoir verzorgde Jan gedurende 13 dagen volgens ordonnantie van doctoor ende chirurgijn en gaf hem alles wat hij nodig had:

– 17 potten zoete melk, botermelk en weije: 1-6-2.

– voor wijn, suiker, witbrood, eieren, rijst: 1-14-0.

– eens naar Aalst geweest bij de dokter: 0-4-0.

– voor een vrouw die Jan 9 dagen heeft bijgestaan: 3-12-2.

– 5 potten bier, vuur en licht: 0-14-0.

Jan Baptist Van der Schueren en Jan De Koninck lagen van 31 juli tot 13 augustus te bed en konden hun werk als pachter en steenhouwer niet doen. Voor die gelden schade en voor de geleden pijnen rekenen zij op een tegemoetkoming door de drossaard te bepalen.

De chirurgijnen getuigen.

Op 6 februari 1769 ondervroegen de schepenen de chirurgijns en de dokter. Joannes Franciscus Meert, licentiaat in de medicijnen, 44 jaar en Aalstenaar, getuigde samen met chirurgijn Boterdael, 40 jaar en eveneens van Aalst. Op 4 augustus 1768 werden zij naar het huis van Jan Baptist Van der Schueren geroepen wegens grote hoofdpijn en draaiingen. De omstaanders verklaarden dar zijn pijnen het gevolg waren van de vele slagen die hij enige dagen tevoren had gekregen. Hun onderzoek leidde tot de volgende vaststellingen:

– de musculus temporalis[67] van de rechterkant was gezwollen;

– het rechterooglid was blauw-bruin;

– nadat zijn hoofdhaar was afgeknipt vonden ze geen wonde;

– op zijn hoofd enige kruiden gelegd en de volgende dag waren de zwelling en de pijnen verdwenen.

– geen koorts, alleen een gespannen pols, wat verdween na een aderlating;

– Jan Baptist klaagde ook over pijn aan weerszijden het epigastrum[68] en aan de ribben die rood en gezwollen waren, een verzachtende cayaplasma nam de zwelling en de pijnen weg;

– een confusie op het onderste van de zijde van zijn links been was van weinig belang.

In het huis van Van der Schueren kwam ook Jan De Koninck om hem te laten onderzoeken. Hij had koorts, een wonde aan zijn hoofd en had nog regelmatig last van koorts en huiveringen. Na onderzoek stelden zij vast dat hij een langwerpige droge wonde op het voorhoofd had.

Dan was Petrus Savena aan de beurt. Hij woonde in Hekelgem en was geadmitteerd chirurgijn in het college medicum van Brussel. Op 31 juli 1768 werd hij naar het huis van de weduwe De Vis op de Nieveldries geroepen om Jan Baptist Van der Schueren te verzorgen. Hij had differente confusiën eschymo[69] op het hoofd, armen en benen. Vervolgens verzorgde hij hem driemaal daags tot de 11de augustus en nog eenmaal daags tot de 31ste augustus. Gedurende 6 à 7 dagen heeft Jan Baptist koorts gehad en tweemaal diende hij een aderlating toe. In hetzelfde huis was ook Jan De Koninck die een hoofdwonde had. Hij wou hem een aderlating geven, dat weigerde De Koninck vier dagen lang. Maar hij kreeg koorts en op bevel van dokter Meert en chirurgijn Boterdael gaf hij hem tweemaal een aderlating. Hij bleef De Koninck verzorgen tot de 31ste augustus.

Het proces.

Op 4 oktober 1768 hielden de schepenen Joannes Baptista Van Grasdorf, Petrus Jacobus Van Innis en Franciscus Van der Schueren hun eerste zitting. De Maré, de advocaat van hoofddrossaard Loovens, die optrad als aanlegger, formuleerde  de klacht tegen de boers Jacobus en Judocus Robijns, Jan Franciscus en Franciscus Beeckman, de zonen van Peter, Judocus en Guilliam Goetvinck, de zonen van Jan, Jan Baptist en Judocus Geerstman, de zonen van Arnoldi en Peter Herremans. Na het relaas van de aanval, de slagen en de verzorging vraagt hij dat de chirurgijns en de dokter als eersten betaald worden voor hun diensten en dat de slachtoffers om hunne pijne ende smerte als oock over de schaede van hun verleth behoorlijk vergoed worden. De negen aangeklaagden hebben met voorbedachte raad Jan Baptist aangevallen om een pretense injurie aen Judocus Robijns gedaen te vreken. Hij vraagt de schepenen dat zij de gedaagden, elk afzonderlijk, dusdanige straf en boete zullen opleggen zoals voorzien door de plakkaten van zijne majesteit. Hij hoopt dat daarna de vrede onder de buren zal hersteld zijn. Van Itterbeke, de advocaat van de negen, wil een kopie van het dossier.

Er volgden nog zittingen op 11, 18 en 25 oktober, 8 en 22 november,17 en 31januari, 14, 21 en 28 februari en 7 maart. Van Itterbeke kwam telkens met nieuwe opmerkingen en eisen: over het bedrag van het werkverlet, over de vergoeding voor geleden pijn, over het verschil tussen wat de drossaard besliste en wat de griffier voorlegde …

Dat deed De Maré besluiten om het advies te vragen van rechtsgeleerden wat dan weer discussies uitlokte over wie die kosten moest betalen. Uiteindelijk komen ze op 14 maart overeen om elk de helft van die kosten en van de extra zittingen te betalen. Het geverbaliseerde bedrag werd ook aanvaard.

De notaris[70].

Op heden den 12de 10ber 1774 compareerde voor mij onderschreven openbaar notaris geadmitteerd in haere Majesteijts Souverijnen Raede van Brabant binnen de parochie van Meldert residerende … Quod attestor Jan Baptist Van der Schueren notaris.

Tot nu toe hebben we slechts die akte van 1774 in ons archief als een getuige van het werk als notaris van Jan Baptist. De akte was als bewijsstuk toegevoegd aan het dossier van een proces in 1776 tussen Jan Baptist De Baetselier, pastoor van Kobbegem en Peter Vercammen en zijn vrouw Joanna Beeckmans. Jan Baptist Van der Schueren trad in dat proces op als de advocaat van de pastoor. Ook bij Beda Regaus[71], proost en historicus van de abdij Affligem vinden we een verwijzing naar notaris Van Der Schueren in het jaar 1791[72].

De boer.

In 1781 kocht Jan Baptist 2 900 stenen van de steenoven die was opgezet voor de nieuwbouw van de Sint-Petronellakapel. Hoewel hij niet betrokken was bij de bouw, in tegenstelling tot de meeste voornaamste boeren van Meldert, kocht hij toch een deel van het overschot van de steenoven. Als pachter deed Jan Baptist goede zaken want in 1783 had hij al 6 bunder van de 11 die zijn vader Alexander in pacht had, in eigendom.

In 1796 na de afschaffing van de abdij liet de Franse overheid alle abdijgoederen inventariseren met het oog op de verkoop. Uit dat dossier blijkt dat Jan Baptist samen met Jean Meganck van de abdij 10 b 3 d 80 r land en weide pachtte voor 200 g.

° 6 b 3 d (8 ha 48 a 81 ca) landbouwgrond gelegen op De Molenkouter.

° 5 d (1 ha 57 a 19 ca) landbouwgrond gelegen op De Molenkouter.

° 3 d (94 a 31 ca ( weide gelegen op De Molenkouter.

° 5 d (1 ha 57 a 15 ca) weide gelegen op De Molenkouter.

° 3 d 56 r (1 ha 7 a 61 ca) landbouwgrond gelegen te Moorsel grenzend aan het bos op De Geer.

De jaarlijkse opbrengst werd door commissarissen geschat op 663 fr. en de verkoopprijs op 24 270 fr. 40 hoogstammige bomen, geschat op 120 fr. inbegrepen.

Jan Baptist was toen achterstallig met de pacht: 74 gulden voor 1794 en 100 g voor 1795[73].

De kapitein van de volontairen.

In 1789 vonden er in meerdere steden schermutselingen plaats tegen het Oostenrijks bewind. De patriotten slaagden er zelfs in Brussel in te nemen en het Oostenrijks leger trok zich naar Luxemburg terug om er zich te hergroeperen. Een Nationaal Comité hield op 18 december zijn triomfantelijke intrede en op 11 juni 1790 riepen de Staten-Generaal de onafhankelijkheid uit van de Verenigde Belgische Staten met Van der Noot als staatshoofd. In Brussel werden allerlei manifestaties georganiseerd. Wegens een dreigende inval van de het Oostenrijks leger vaardigden op 3 juli de drij staeten van Brabant een circulaire uit die op 18 juli op de kerkdeur van Meldert werd geafficheerd en waarin de gemeenten verplicht werden een compagnie vrijwilligers samen te stellen tot behoudenisse ende verdediging van ’s Nederlandts vrijheijdt. Als gevolg van die oproep kwamen op 24 juli 1790 op initiatief van drossaard J.D. Gheude te Meldert samen: Peter Clauwaert, de vertegenwoordiger van de drossaard, pastoor Goetgebuer, J. Van Vaerenbergh, Romanus Van den Abbeele, F. Beeckman en Joannes Uijttersprot. Zij kozen als kapitein van de op te richten compagnie Jan Baptist omwille van zijn goedheid, eerlijk gedrag en bekwaamheid op conditie dat hij zich in alles gedraagt zoals een goede en getrouwe kapitein[74]. Jan Baptist slaagde erin 27 vrijwilligers te verzamelen waaronder bekende namen als Jacobus Robijns, Benedictus Van Nieuwenborgh en Judocus Goeman. Adriaan Van Nuffel werd aangesteld als luitenant. Op 1 september vertrokken de vrijwilligers naar Asse. In Asse werden de compagnieën uit het Land van Asse samengevoegd en op 3 september vertrokken ze over Brussel en Leuven naar Tienen. Op 8 september marcheerden ze richting Namen. Nabij Neuville kwamen ze op 22 september tegenover de vijand te staan. Enthousiaste, maar onervaren vrijwilligers geleid door onbekwame bevelhebbers stonden tegenover een gedrild leger. Een zware nederlaag was voorspelbaar en een wanordelijke aftocht volgde. De abdij, die de opstand had gesteund met een gift van 2 352 gulden voor 6 stukken veldgeschut, werd beboet met de inkwartiering van 1 000 soldaten tot 1 januari[75].

De burgemeester.

Met het decreet van van het Comité de Salut Public van 31 augustus 1795 (14 fructidor an III) werden de vorstendommen in de Nederlanden verdeeld in 9 departementen. Elk departement bestond uit arrondissementen en die waren ingedeeld in kantons. De kantons werden gevormd door gemeenten (municipaliteiten). Een municipale raad bestuurde de kantonmunicipaliteit en bestond uit een commissaris als vertegenwoordiger van de overheid en in elke gemeente kwam er een municipale agent en een adjunct. De municipale agent stond in voor het invullen van de registers van de burgerlijke stand. Meldert maakte del uit van het kanton Lebbeke. De benoemden moesten de eed van trouw aan de reubliek en haat aan het koningschap in handen van de commissaris afleggen. Voor veel mensen was dat een moeilijke opdracht omwille  van de gehate eed en omdat ze een lijst moesten opstellen van de burgers die in aanmerking kwamen voor de gedwongen lening die de overheid had uitgeschreven. Maar velen durfden de aanstelling niet weigeren. Het was een onbezoldigd mandaat voor twee jaar en om gekozen te worden moesten de kandidaten aan enkele voorwaarden voldoen zoals ouder dan 21 jaar zijn, kunnen lezen en schrijven en over voldoende middelen beschikken om belastingen te kunnen betalen. In Meldert werd Judocus Goeman de municipale agent, voor de functie van adjunct vond men geen kandidaat.

Voor de tweede verkiezing voor de gemeenteraad vond de Franse overheid in Meldert geen kandidaten om de municipaliteit samen te stellen. In december 1799 schafte het Consulaat de kantonmunicipaliteiten af. Elke gemeente met een vertegenwoordiging in de kantonmunicipaliteit krijgt een eigen burgemeester. De burgemeester en zijn adjunct werden voortaan voor 5 jaar benoemd en de leden van de gemeenteraad voor 10 jaar.

Van 1807 tot 1812 ondertekende Jan Baptist als burgemeester alle akten in de registers van de burgerlijke stand. Zijn jongste zoon Rochus Benedictus tekende vaak in de registers als getuige. Jan Baptist spande zich als burgemeester in voor het behoud van de Rochting, een 17 ha groot gebied ten oosten van de Affligemse abdijgebouwen dat in opdracht van de Franse overheid naar Hekelgem werd overgeheveld. Het conflict met Hekelgem, dat maar al te graag dat vruchtbare gebied annexeerde, duurde tot 1812. In dat jaar kon de burgemeester niet anders dan de beslissing van de hogere overheid aanvaarden en in december 1812 wandelde hij met de burgemeesters van Hekelgem, Moorsel, Baardegem, Mazenzele, Asse en Essene in het gezelschap van een door de Franse overheid aangestelde géomêtre langs de nieuwe grenzen tussen hun gemeenten met de bedoeling ze te verkennen en er hun goedkeuring aan te geven door het proces-verbaal van de opmetingen te ondertekenen[76].

De Nieveldries. Links de kapel van Sint-Rochus en rechtover de hoeve Van der Schueren (nr. 136), hogerop de hoeve van Guilliam De Baetselier (later hoeve Van Cauwelaert). Bron kaartboek Meldert 1727.

De kinderen van Jan Baptist.

– Joanna Maria, ° 30 oktober 1778, trouwde op 2 februari 1802 met Antonius De Boeck, 32 jaar uit Etterbeek. Hun dochter Maria Anna, geboren te Etterbeek trouwde met Guillelmus Goossens uit Etterbeek. Maria Anna overleed te Meldert op 3 september 1889.

– Maria Anna, ° 30 oktober 1779.

– Anna Catharina, ° 4 januari 1782, trouwde met Jan Baptist Van Brempt, brandewijnstoker uit Meldert op 7 januari 1810. Anna Catharina overleed op 28 april 1823.  Hun kinderen:

° Jan Baptist, ° 24 april 1811.

° Adriana Henriëtta, ° op 10 maart 1812.

° Joseph Ludovicus, ° op 13 juni 1814, hij trouwde met Maria Ludovica Van den Driessche op 30 augustus 1845, was burgemeester van Meldert van 1870 tot 1878 en overleed op 25 april 1879.

° Maria Jacquelina, ° op 10 januari 1817 en overleed op 14 januari 1817.

° Maria Anna, ° op 5 juni 1819.

° Dorothea, ° op 20 januari 1822 en overleed op 24 november 1851.

– Petronella, ° 7 januari 1784.

– Franciscus, ° 1 augustus 1786, overleden op 14 april 1789.

– Dorothea, ° 1 augustus 1786, trouwde op 14 juni 1818 met Judocus Bocqué, een zaakwaarnemer van 39 jaar  uit Scheldewindeke.

– Rochus, ° 5 oktober 1788, overleed in 1830.

Besluit.

Alexander en Jan Baptist Van der Schueren behoorden tot de grootste boeren in Meldert, maar het is vooral Jan Baptist die als notaris, als kapitein van de volontairen en als burgemeester deel uitmaakte van de kleine schare van notabelen in Meldert. Na Alexander en Jan Baptist verdween de naam Van der Schueren te Meldert. Alexander had twee zonen, Jan Baptist en Jacobus die overleed op de dag van zijn geboorte. Jan Baptist had twee zonen. Franciscus overleed op 3-jarige leeftijd en Rochus stierf ongehuwd zodat met het overlijden van de dochters de naam Van der Schueren te Meldert niet meer voorkwam.

Pauwel Vermoesen wil zijn geld[77].

Voor de schepenen van het Land van Asse, Petrus Van den Bossche en Joannes Baptista De Nil, verscheen op 2 juni 1772 meester De Maré als advocaat van Pauwel Vermoesen. Die had voor een bedrag van 30 gulden 3 stuivers en 2 oorden hopbellen verkocht aan Jan Baptist De Pauw uit Hekelgem. Omdat De pauw niet onmiddellijk kon betalen, gaf hij op 13 mei 1772 een obligatie met de belofte het verschuldigde bedrag binnen de 14 dagen te vereffenen. Maar hij kwam zijn belofte niet na en Pauwel schakelde De Maré in als zijn advocaat. Nadat De Pauw op de eerste dagvaarding niet reageerde, vroeg De Maré op 2 juni om de meubelen van De Pauw in beslag te mogen nemen. De schepenen gingen in op dat verzoek. Ze daagden nog tweemaal de wanbetaler voor hun schepenbank, namelijk op 16 en 23 juni, maar die gaf ook dan verstek. Daarop vroegen de schepenen advies aan de advocaten geadmitteerd bij de Souvereine Raad van Brabant. Die rechtsgeleerden stelden op 28 juni de schepenen van Asse voor om De Pauw te verplichten onmiddellijk zijn schulden aan Vermoesen, verhoogd met intrest en gerechtskosten, te vereffenen.

Zover kwam het echter niet, want De Pauw, beseffend dat hij geen weg meer op kon, had ondertussen alles al betaald.

Desen seghel dint tot de medegaende obligatie verleden door Jan Baptist de pauw aen pauwel Vermoesen van de somme van dertigh guldens drij stuijvers twee oorden over coop van hoppe wesende van der dathe derthien maij seventhien hondert twee en t’seventigh.

Meldert wil zijn driesen verkopen[78].

Op vraag van de bedesetters van Meldert kwamen Cornelis Van den Houte en Joseph Van Malderen, bedesetters van Baardegem 5 driesen beplant met bomen taxeren. Het gemeentebestuur wou die verkopen omdat ze te weinig opbrachten. Men kon er immers alleen het vee laten grazen. Bovendien was Meldert opgecropt van volck en zo’n 300 inwoners moeste ongehuwd blijven bij gebrek aan woningen. Van 1719 tot 1772 was het aantal inwoners gestegen van 707 tot 1050[79]. Op 13 oktober 1772 overhandigden de Baardegemse bedesetters het resultaat van hun taxatie aan hun Meldertse collega’s. De bedragen zijn uitgedrukt in gulden, stuivers en oorden.

Den Grooten Domenschen Driesch: de grond 2 g 10 st de roede, de bomen 974 g;

– Den Kleynen Domenschen Driesch: de grond 3 g de roede, de bomen 272 g;

– Den Nieveldriesch: de grond 3 g de roede, de bomen 2 760 g;

Den Cockerijedriesch:de grond 2 g 15 st de roede, geen bomen;

Den Sinte Petronellabergh: de grond 1 g de roede, de bomen 1 800 g.

Met deze taxatie richtten de bedesetters zich op 26 november 1772 tot  Joannes Dominicus Gheude, griffier van het Land van Asse, met het verzoek om van de Souverijnen Raad van Brabant of van de heer fiscael de vergunning te bekomen om de 5 driesen te verkopen. Zij verwezen hierbij naar een plakkaat van haere Majsteijt dat de gem

eenten toeliet om heijden ende vage inculte gronden te verkopen. Daar het de bedesetters Van den Houte en Carel Geeroms niet duidelijk was of de 5 driesen wel degelijk de eigendom van de gemeente was, voegden ze een uitgebreid schrijven toe aan hun verzoek om de ingewikkelde situatie van de dreven toe te lichten.

Vooreerst verwezen ze naar artikel 23 van het plakkaat dat bepaalde dat de opbrengst van de verkoop van de gronden en de bomen voor ¼ aan de heer toekomt en voor ¾ aan de gemeente. Dat betekende dat de abdij Affligem ¼ zou krijgen en de rest was voor de gemeentekas. Want al in 1227 bezat Meldert het recht van de pasturagie. In mei van dat jaar schonk de hertog van Brabant, Hendrik I (1190 – 1235) alle weiden en verlaten plaatsen gelegen tussen de abdijkerk en de kerk van Asse aan de abdij maar onder bepaalde voorwaarden. Aan die schenkingen mocht niets worden veranderd. De weiden mochten niet tot akkers omgeploegd worden, er mochten geen hagen, grachten of bermen aangebracht worden zodat het vee van Meldert er kon grazen. Die beperkingen leidden in de 17de eeuw tot een proces tussen de abdij en de markies van

 Asse dat 30 jaar aansleepte en eindigde met een overeenkomst in 1664.

De bedesetters vroegen de griffier ook uitdrukkelijk dat de heere fiscael zou bevestigen dat Meldert wel degelijk de driesen mocht verkopen. Zij meenden dat het hun recht was. Als de abdij de gronden en de bomen zou verkopen, betekende dat een groot verlies voor de gemeente. De abdij had trouwens de opgelegde voorwaarden geschonden door in 1635 de Rochting in cultuur te brengen, er grachten aan te leggen en het geheel te omringen met hagen. De Rochting ligt noordoost van de abdijgebouwen en is 11 bunder 2 dagwand en 17 roeden groot[80]. Voor die tijd had de abdij maar 3 bunder in gebruik zoals blijkt uit de Caert Figuratief van Affligem van 1635. De abdij had daarenboven eenige huijskens en hopastenop die gemene gronden laten bouwen en inde er de cijns. Ze liet ook toe dat particulieren er wilgen of andere bomen plantten. De bedesetters wilden ook weten of het gemeentebestuur die asten mocht verkopen, waarvan dan ¼ de eigenaar toekwam.

De bedesetters benadrukten nog dat de inwoners meer landbouwgronden nodig hadden. In Meldert was er van de totale oppervlakte 220 bunder bos en 12 bunder vijver en slechts 306 bunder was niet van de abdij. Met 900 communicanten waren er ook te weinig huizen. Als laatste argumenten stelden de bedesetters dat de gemeente belast was met een schuld van 7 000 gulden en met de verkoop van de driesen kon die schuld worden afgelost.

Pastoor Johannes Franciscus Goetgebuer verhoogde de druk op de heere fiscael door in een brief te wijzen op het gevaar dat men de huidige toestand van de driesen zou laten bestaan. Hij wou ook weten of het nuttig of nodig was om een van de bedesetters naar Brussel te sturen om daar hun zaak te bepleiten.

Mijnheer greffier.

Ick hebbe desen ingesloten geschreven als aen u toegesonden om desen eerst laeten te sien aen onsen advocaet en als hij het goet oordeelt, dat U. E. gaen saude bij den Fiscael bij u hebbende de transactie van de abdije met den marquis en ook de nieuwe caert der driesschen (xx en om den Fiscael desen ingesloten te laeten lesen), en waer het saecken den Fiscael van sinschen te sijn dees driesschen nogh driesschen te laeten, saud hem connen segghen dat d’abdije al was het hun verboden eenige boomen op dees driessche te planten sij evenwel naer verloop van jaeren dit sauden doen: gelijk sij nu gedaen hebben boven ’t verbodt van den hertog van Brabant hunnen gever en tegen hun eijge transactie. Gelieft ons te laeten weten wat antwoort U. E. sal gehad hebben van den Fiscael en oft er imant van de bedesetters oft ick moet naer Brussel comen. … blijve met respect en genegenthijt.

Mijnheer U. E. ootmoedigen dienaer J. F. Goetgebuer pastor van Meldert.

Ferrariskaarten +/- 1777.

Den Grooten Domenschen Driesch en Den Kleynen Domenschen Driesch.

Den Nieveldriesch.

Den Cockerijedriesch.

Den Sinte Petronellabergh.

Ruzie over de borgstelling[81].

Officier van het Land van Asse, Judocus Verloes, hield ten huize van de weduwe Jan Baptist Bastaert op 7 oktober 1774 een openbare verkoping van bomen en schaarhout uit het bos van Assenaar Thomas Van Laecken. Judocus De Pauw[82] uit Meldert kocht er schaarhout en eiken voor een totaal van 9 gulden. Als borg stelde hij de persoon van Jacobus Sterckx uit Asse-ter-Heide en de verkoper ging daarmee akkoord. Maar nadien kwam De Pauw terug op zijn gegeven woord. Hij wilde een andere borg stellen. Thomas Van Laecken wou dat hij zich aan de afspraak hield, want hij wist dat Sterckx al zijn betalingen nakwam. Het is mogelijk dat er een conflict was gerezen tussen De Pauw en Jacobus Sterckx en wou die niet meer als borg fungeren. Zo ontstond er een patstelling: De Pauw betaalde niet omdat Van Laecken het niet eens was met de wijziging in de borgstelling en volgens Van Laecken kon De Pauw niet betalen en wou hij de aankoop opzeggen. Maar Van Laecken had het geld van de verkoop dringend nodig en daarom wendde hij zich op 31 maart 1775 tot de schepenbank met het verzoek De Pauw te verplichten promptelijck de koopsom, verhoogd met de geleden schade en intrest te betalen.

In de volgende maanden vlogen de beschuldigingen over en weer. De Pauw ontkende dat hij de koop had opgezegd. Hij wachtte nog steeds op een antwoord van Van Laecken over de borgstelling. Waarop die, omdat De Pauw niet betaalde, zelf was begonnen met het hout te kappen en de bomen te rooien tot officier Verloes op vraag van De Pauw hem verbood nog aan het hout voort te werken. Door het verbod zag Van Laecken zich genoodzaakt zijn hopstaken te gebruiken als brandhout voor zijn huis. Hij kon ook het resterende hout niet meer wegvoeren. De Pauw had van pachters de toelating gekregen om tot half maart 1775 met het hout over hun velden te rijden. Op 27 juni richtte De Pauw zich nog eens tot de schepenbank. Hij bevestigde dat hij zich aan de overeenkomst met Van Laecken hield, maar dat die geen akkoord wou over een andere borgstelling. Hij was zelfs bij de verkoper geweest om over de schade te praten die hij had geleden door het uitstel van betaling. Die had hem naar zijn advocaat De Maré verwezen. Met hem kwam De Pauw overeen dat hij 5 gulden als schadeloosstelling zou geven. In een laatste reactie ontkende Van Laecken dat er een akkoord was over schadevergoeding want hij had meer schade geleden. Hij moest nu een andere weg kopen om het hout, waarvan maar 1/3 meer overbleef, weg te voeren.

Een valse akte[83].

1774. Kermismaadag van de parochie Essene. In de herberg van Henricus De Clerck op Den Grooten Domentschen Driesch gaat het er vrolijk aan toe. De herbergier had gezorgd voor eenen speleman zodat daar in een kamer lustigh wiert gedanst, soo van getrouwde als ongetrouwde van beijde sexen als oock aldaer op de gemelde camer wiert gedroncken wijn ende bier. Doment was tot laat in de 19de eeuw een geïsoleerd gehucht. Het lag en ligt nog op de gemeenten Essene, Hekelgem en Meldert. De afstand tot de parochiekerken van Essene en Hekelgem was bijzonder groot zodat de meeste bewoners zich meer verbonden voelden met de parochie van Meldert, maar daarbuiten regelden ze hun zaken onder elkaar en hadden ze hun eigen kermis. Zo kwam het ook dat in de herberg van Henricus De Clerck zowel mensen van Essene, Hekelgem als Meldert aanwezig waren.

Deze aanklacht bij de schepenbank van Asse werd ingediend door Gillis Verbeiren en zijn moeder Joanna Maria Christiaens[84]. Gillis was domesticq ten huizevan Henricus De Clerck waar hij ook inwoonde. Op die bewuste kermismaandag bracht hij bier en wijn naar de kamer van de dansers. Onder de kermisvierders bevond zich ook Jan Baptist Bruijninckx[85]. Die was volgens Gillis in een heftige woordenwisseling verwikkeld met Jacobus De Clerck, broer van de herbergier. Op een bepaald ogenblik begonnen ze zelfs te vechten tot Henricus de twee kon scheiden. Enige tijd later ontstond er in heel de herberg opschudding omdat Bruijninckx rondliep met een hoofdwonde die hevig bloedde. Men zei dat Jacobus De Clerck zijn tegenstander met een glas op zijn voorhoofd had geslagen.

De drossaard van het Land van Asse onderzocht de feiten in 1774 en 1775.Toen duidelijk werd dat er een rechtszaak zou volgen, kreeg Gillis het bezoek van zijn meester Henricus die vergezeld was van zijn broer Jacobus, Andries Van den Brande die men Casteur noemde en van Cornelis Van den Houte, een pachter die op de Domentse Dries woonde. Ze praatten zolang op hem in dat hij aanvaardde te verklaren dat hij de pintslagh aan Bruijninckx had toegediend. Door dronckenschap en met de belofte van hem drie gulden te geven en de consumpties te betalen, gaf hij zijn woord. In november 1775 ging hij met Andries Van den Brande naar Asse bij Philippus Arents, brood maecker, en daar noteerde diens zoon als notaris de verklaring van Gillis. In de paastijd van 1776 kreeg Gillis daerover remors van consciëntie. Hij biechtte de hele zaak op aan zijn biechtvader en die wou hem geen absolutie van zijn zonden geven tot hij de drossaard op de hoogte had gebracht van de valse verklaring. Met zijn voogd en schepen J.B. De Nil zocht hij advocaat J.B. De Maré op. De advocaat raadde hem aan Jacobus De Clerck te vragen of hij de valse verklaringen wilde laten annuleren en Gillis zou hem de drie gulden teruggeven. Jacobus weigerde echter hem te ontvangen waardoor voor Gillis alleen nog den wech van rechten overbleef om zijn geweten te sussen.

De erfenis van smid Peter Carlé[86].

Nog voor zijn huwelijk met Joanna Maria De Bruecker op 2 mei 1775 kocht Peter Carlé, een smid, 10 roeden land voor 100 gulden uit een partij van 1 dagwand waarop hij een huis liet bouwen. De aankoop werd door griffier B. E. De Witte ingeschreven in het register van de goedenisse van de abdij op 15 juli 1776. Het betrof een akte verleden door notaris Jan Baptist Van der Schueren. Hendrik Van Zeebroeck trad op als gevolmachtigde van Isabella Willems. Deze bejaarde jonge dochter had het perceel geërfd van haar ouders, Jan en Maria Van den Broeck[87]. Peter Emmanuel Schoon, Franciscus Van Linthout en Martinus Wambacq, de schepenen waren de getuigen.

Met zijn vrouw Joanna Maria De Bruecker had Peter drie kinderen[88]. Ze kochten op 9 oktober 1779 een hofstede van 80 roeden. Na het overlijden van Peter hertrouwde Joanna Maria te Meldert op 13 november 1784 met Albert Van der Meulen. Na haar dood erfden Peter en Theresia de twee hofsteden. Maar twee jaar later had hun stiefvader Albert de twee boerderijen nog steeds in zijn bezit. Daarom spanden hun grootvader Peter Carlé en hun voogd Joannes Baptista De Bruecker een proces in tegen Albert Van der Meulen ook Vermeulen). Om hun zaak te bekrachtigen voegden ze bij hun klacht twee bewijsstukken toe.

1- De akte van 2 mei 1775 van de aankoop van de 10 roeden. Het perceel was belast met een grondcijns aan de abdij en een rente aan Joanna Maria De Baetselier, begijn te Brussel. De verkoopster, Isabella Willems, beloofde binnen de 8 dagen het perceel vrij van rente te maken.

2- De akte van de aankoop van de hofstede van 80 roeden voor 685 gulden 13 stuivers. Die hoeve paalde aan Gillis Robijns, de weduwe Francis Robijns de erfgename, Judo Van Onchem en Peter Carlé. De eerste koper was Jacobus De Clerck en na een hoger bod wees notaris Van der schueren de hoeve toe aan peter Carlé. Griffier De Witte registreerde de akte voor de schepenbank van Affligem op 19 juni 1780 met als getuigen Franciscus Van Linthout en Martinus Wambacq.

De erfenis van Michael De Vis[89].

Michael De Vis[90] had met zijn eerste vrouw, Catharina Beel, een dochter Elisabeth[91]. Na haar dood, overleden te Meldert op 9 augustus 1727, hertrouwde Michael te Meldert op 30 oktober 1727 met Elisabeth Mergan. Zij kregen vier kinderen[92] en de zaken liepen goed want Michael en Elisabeth konden drie percelen grond aankopen. Op 11 oktober 1728 kochten ze 1 dagwand land en bos op Het Schoon Manneken. Vier jaar later, op 16 juni 1732 konden ze nog een perceel van 1 d bijkopen. Het sloot aan bij hun eerste aankoop. Ten slotte verwierven ze nog uit hetzelfde domein 1 d en 2 r op 12 mei 1753.

Met de dood van Elisabeth Mergan op 10 januari 1759 erfde Michael, als langstlevende, de helft van al hun goederen. Maar na zijn overlijden te Meldert op 17 augustus 1776, ontstonden de problemen. Elisabeth, zijn dochter uit zijn eerste huwelijk en gesteund door haar man Judocus Clauwaert, eiste als mede-erfgenaam 1/5de op van de helft van het eerste dagwand en 1/5de van de andere aankopen. Zij wilden dat kinderen soo van eersten als tweeden bedde gelijke delen kregen. Vier kinderen uit het tweede huwelijk waren daartoe niet bereid. Bijgevolg richtten Judocus en Elisabeth zich tot de schepenbank en daagden Joanna De Vis en haar man Adriaan Gillis, Catharina De Vis en haar man Judocus Peeters, Judocus De Vis en Joannes Kindermans, de weduwnaar van Anna Maria De Vis en voogd van hun minderjarige kinderen voor de rechtbank. Als bewijs legden ze de drie aankoopakten voor.

1- De koop van 11 oktober 1728. Het dagwand land en bos kochten ze van Jan Van Muijsewinckel voor 105 gulden. Het paalde aan het gasthof straetken en aan de Cappelleken straete. Griffier J. De Witte van het laathof van de abdij verleed de akte. Adriaan De Witte, Andries De Baetselier en meester Judocus Godefroij, erflaten en meier Guillam De Baetselier waren de getuigen.

2- De koop van 9 juni 1732. Notaris Eg. Crick verleed de akte. De koopsom bedroeg 75 gulden. Griffier J. De Witte registreerde de aankoop in de goedenisse van de abdij. Nu traden Judocus Godefroij, Joos ’t Sas en Martinus Linthout als getuigen op.

3- Het derde perceel kochten Michael en Elisabeth van Elisabeth De Vis en haar man Jan De Mey voor 157 gulden 10 stuivers. Hendrik Van Zeebroeck en Peter Van de Bosch getuigden, notaris J.F. Gillis stelde de akte op.

Verplaatste Paschier Vertongen de grenspalen[93]?

In 1769 kochten Judocus Van den Steen[94] uit Meldert en Francis De Vis uit Hekelgem elk een veld gelegen op het Querrelsveld[95] van Martinus Van Vaerenbergh[96] en zijn vrouw Anna Maria De Witte. Het deel van Francis was 1 d 50 roeden groot, dat van Judocus 118 ½ roeden. Het perceel van Judocus paalde aan Francis De Vis, Peter Wambacq, Hendrik Poels en Gillis Van Roy. De scheiding tussen het veld van De Vis en dat van Van den Steen was een rechte lijn in het verlengde van de scheiding van hun erven en werd gemarkeerd door twee paalsteneen. De aankoop werd genoteerd in het register van de goedenisse van de abdij op 24 april 1769. Na de dood van Francis De Vis werd Paschier Vertongen[97], man van Petronella De Vis, de nieuwe eigenaar en toen begonnen de moeilijkheden. Judocus stelde vast dat een van de grenspalen met Paschier Vertongen verdwenen was en hij meende dat zijn veld was verkleind. Hij vermoedde dat Paschier die had weggenomen om zijn veld te vergroten om zo meer vruchten te kunnen oogsten. Na heel wat discussies en nieuwe opmetingen zonder resultaat, diende hij bij de schepenbank een klacht in tegen Paschier Vertongen. Hij vroeg de schepenen zijn tegenstander te verplichten om de grenssteen weer op de oude plaats te zetten, een schadevergoeding en proceskosten te betalen.

Zoals te verwachten was, ontkende Paschier via zijn advocaat Gillis de feiten. Hij vond dat de zaak de moeite niet waard was voor een proces. Mensinck, de advocaat van Judocus, zag daarin een maneuver van de tegenpartij om de kosten van een proces te ontlopen en hij overhandigde de schepenen 5 documenten om het gelijk van zijn cliënt te bewijzen.

1- Het getuigeins van Francis De Doncker. Deze gezworen landmeter uit Teralfene had op verzoek van Martinus Van Vaerenbergh, de verkoper, de 2 percelen opgemeten in aanwezigheid van de  Francis De Vis en Judocus Van den Steen. De grootte van de velden waren respectievelijk 1 d 50 r en 118 ½ roeden. Om de scheiding tussen de twee aan te duiden gebruikte hij 2 kasseistenen. Na de dood van De Vis ontstonden er moeilijkheden tussen Paschier Vertongen, zijn schoonzoon, en Judocus Van den Steen. Ze vroegen De Doncker om hun percelen opnieuw op te meten. Hij stelde vast dat een grenssteen tussen hun velden was verdwenen. Wat later, op 20 november 1781, verzocht Paschier hem de velden opnieuw op te meten. Hij stelde vast dat Paschier tot 6 voeten van het veld van Van den Steen had ingenomen.

2- Verslag van J.F. De Coster, gezworen landmeter van Meldert. Op 27 november 1783 kwam hij de scheidingslijn tussen de velden van Vertongen en Van den Steen herstellen. De twee partijen gingen daarmee akkoord.

3- Het getuigenis van Guilelmus De Nil. Deze 33-jarige Hekelgemnaar legde bij notaris De Smedt een verklaring af op verzoek van Judocus Van den Steen. In oktober 1782 was hij naar het huis van Paschier gegaan met een boodschap van zijn vrouw. Zij kon zijn lijnwaad niet wassen. Paschier vertelde toen dat hij weer ruzie had met Van den Steen over de grens tussen hun velden. Guilelmus antwoordde dat het gerucht de ronde deed dat Paschier zelf de grenssteen had weggenomen. Paschier gaf dan toe dat het zijn vrouw was die de steen had verwijderd wat, zei hij, hem niet raakte daar een vrouwmensch toch geen recht en was gevonden.

4-De verklaring van Peter Ledegen. Peter was de zoon van Joannes Baptiste, een van de aangrenzende eigenaars. Hij had eens gezien dat de grenssteen bij het ploegen op het land van Wambacq werd losgereden. Notaris Jan Baptist Van der Schueren noteerde zijn getuigenis.

5- Henricus Poels was in 1769 aanwezig toen De Doncker zijn opmetingen verrichtte. Zowel Francis De Vis als Judocus Van den Steen waren content met het resultaat. Dat veranderde toen Paschier het land van Francis erfde. In 1781 liet Judocus zijn perceel nog eens opmeten, nu door de gezworen landmeter De Coster uit Meldert. Die kwam tot het besluit dat Judocus 3 roeden te weinig had en gaf het bevel de steen te zoeken. 6 voeten ver in het veld van Paschier groef men de steen op. Een nieuwe opmeting tot aan de teruggeplaatste steen  wees uit dat Judocus nu zijn 118 ½ roeden terug had. Zijn verklaring legde hij af bij notaris De Smedt op 26 juni 1783.

Waar is het geld van de collecteurs[98]?

Voorjaar 1784. Heel Meldert staat in rep en roer. Het gerucht doet de ronde dat twee collecteurs, Judocus Verbeiren en Petrus De Pauw, heel wat geld hebben achtergehouden. Verontwaardiging alom. Verdachtmakingen ook. Hoe is dat kunnen gebeuren en wie was daarvan op de hoogte? Wie profiteerde mee? Oude vetes worden afgestoft. Of het er echt zo in de lente van 1784 in Meldert aan toe ging, weten we niet. Maar het ging er alleszins zo heftig aan toe dat de Meldertse vooraanstaanden besloten om allen die op een of ander gebied wat te zeggen hadden voor overleg bijeen te roepen.

8 juli 1784. De gegoeijde ingesetenen ende fructuateurs van Meldert komen samen in de herberg van Adriaan De Coster na kerkgebod[99] en oproepingsbrief geafficheerd aan de kerkdeur op 4 juli. Ze wilden overleggen over het murmuer ofte misnoegen in het dorp over de rekeningen van de collecteurs. Na uitgebreide discussies kwamen de regeerders tot de volgende besluiten.

1 Alle documenten van Judocus Verbeiren en van Peter De Pauw die in de dorpscomme liggen of in de griffie van Asse werden bewaard door de bedesetters te laten onderzoeken op mogelijke fraude. Als dat het geval was, wilden ze eerst trachten tot een minnelijke schikking te komen en als dat niet lukte, zouden ze hen met den rechte praemen.

2 De bedesetters moesten verklaren waarom hun rekeningen niet overeenkwamen met die van de collecteurs.

3 Daar collecteur Judocus Verbeiren niet in staat was om de tekorten op zijn rekeningen van 1778 en 1779 aan te zuiveren, verzochten ze de schepenen van Asse om zijn borgen aan te spreken om het ontbrekende bedrag te betalen.

4 Als de beschuldigingen van fraude aan het adres van Peter De Pauw op waarheid berustten, dan zouden de regeerders eerst het advies van rechtsgeleerden inwinnen en dan de borgen verplichten om het tekort te betalen.

Op 26 april 1786 was de griffier van de schepenbank, zijn naam werd nergens vermeld, klaar met zijn onderzoek en legde hij zijn rapport voor aan de drossaard, de bedesetters, de regeerders en gegoeijde gemeentenaeren die waren samengekomen ten huize van Jacobus Robijns naast het kerkhof. Vooraf was de vergadering met kerkgebod aangekondigd. Jacobus Robijns was zelf ook aanwezig als erfgenaam van zijn vader Franciscus evenals zijn moeder Jacqueline De Witte. Beide ouders hadden zich voor De Pauw borg gesteld. De griffier had na lankduerige recherches in het huis van de overleden procureur De Maré  eene farde papieren (ontdekt) relatief tot de saecke en eenen originelen staet van liquidatie tussen de bedesetters en Peter De Pauw op datum van 20 juli 1757. De inkomsten voor dat jaar bedroegen 1018 gulden 19 stuivers. Die kwamen voort uit het saldo van 1756, uit de ontvangsten van de abdijen Affligem en Vorst en van de oncostboeck. Na aftrek van de lange lijst van uitgaven, een miscalculatie van 17 gulden 3 stuivers inbegrepen, bleek dat De Pauw nog recht had op 8 gulden 9 stuivers 2 oorden. Maar de kosten van het onderzoek, ten laste van de collecteur, bedroegen 59 gulden 7 stuivers 1 oord zodat hij aan de parochie nog 50 gulden 17 stuivers 3 oorden schuldig was.

Tijdens de vergadering legde Jacobus Robijns twee kwitanties voor. De eerste dateerde van 22 juli 1756 en ging over een betaling aan de bedesetters Gillis Beeckman, J. Van Overstraeten, J. De Witte en Michiel Van den Wijngaert van 227 gulden door Franciscus en Judocus Robijns als borgen voor Peter De Pauw. De tweede kwitantie, voor een bedrag van 50 gulden, was van Jacqueline De Witte op datum van 30 november 1757. Bijgevolg had de collecteur nog een schuld van 17 stuivers 3 oorden en die schold men hem kwijt. De griffier stelde nog voor om te onderzoeken of die bedragen wel bij de gemeente waren terecht gekomen, maar daar werd niet op ingegaan. Drie van de vier bedesetters wilden het rapport pas ondertekenen nadat het met kerkgebod ter kennis was gebracht van alle inwoners. De volgende vergadering had dan plaats bij Jacobus Robijns op 11 juli 1787. Toen bleek dat de bedesetters nog over een kwitantie van 50 gulden beschikten, een gift van Jan De Vis. Daarmee werd de zaak van Peter De Pauw afgesloten.

Collecteur Judocus Verbeiren zat in grotere moeilijkheden. Hij had een tekort van 749 gulden 5 stuivers 1 oord. Daarvan had Joseph Van Malder, als borgsteller, 204 gulden 1 stuiver afbetaald op 21 augustus 1785. Er bleef dus nog een schuld van 475 gulden. Peter Clauwaert, de dorpsofficier, nodigde in opdracht van de regeerders de edele Vrouwe Marquise des Landt van Assche en alle gegoeijde inwoners uit op een vergadering in de herberg van Jacobus Robijns op 1 augustus 1787 om 9 u. Tijdens de vergadering werd besloten om de borgen een som van 375 gulden kwijt te schelden. De resterende 100 gulden moest binnen de twee maanden betaald zijn. Schoenmaker Daniël Luypaert had zich tijdens de discussies tevergeefs verzet tegen het voorstel. Waarom men zo mild was voor Judocus Verbeiren werd niet vermeld.

De staakmolen van Judocus De Vis: problemen[100].

In het artikel “Judocus De Vis, bouwheer van de staakmolen”[101] schreven we over de moeilijkheden die Judocus ondervond met Joannes Van den Dale uit Moorsel die voor hem de molen zou bouwen voor 425 gulden plus cost ende dranck voor hem en zijn werklieden. Die begon eraan in april 1787, maar in de zomer stopte hij met de werken omdat, volgens hem, Judocus nog niets had betaald. Volgens het contract afgesloten bij notaris J.D. Gheude moest hij de helft van het bedrag betalen als het cot was gerecht. Judocus betwistte dat en vond dat Van den Daele nog niet aan die voorwaarden voldeed. Judocus haalde op 28 augustus zijn gelijk bij de schepenbank van Asse en hij kreeg de toelating om al het materiaal en ook de gereedschappen van de molenbouwer in veiligheid te brengen bij zijn halfbroer Ferdinand De Vis. Dat deed hij op 28 augustus onder toezicht van Van Stichel, de vorster van de schepenbank. Van den Daele werd met een missive op 28 augustusen een aanplakbrief aan de kerkdeur van Meldert op 2 september voor de schepenbank gedaagd. Tijdens de zitting van 4 september ging Judocus ermee akkoord om de gepresteerde daguren verminderd met de helft van de kosten van de rechtszaak te betalen.

Het artikel eindigde met de bemerking dat Joannes blijkbaar het werk hervatte en de molen afwerkte want andere documenten over mogelijke geschillen waren er niet te vinden. Dat laatste was niet juist. Een recent gevonden Extract uit de rolle gehouden voor de schepenen van 4 september 1787 vermeldt dat Van den Daele akkoord was om hun contract voor de bouw van de molen te ontbinden mits betaling van het bedrag dat op de zitting van 4 september was afgesproken. Judocus moest dus op zoek naar een nieuwe molenbouwer.

Ruzie om de tienden in De Klaarhaag[102].

Op 9 juni 1789 diende advocaat Gillis namens Lambertus Rommens, landsdeken van Moorsel, een klacht in bij de schepenbank van het Land van Asse tegen Peter De Wolf uit Meldert. Wat was er aan de hand?

In 1787 verwierf Peter het recht de tienden te innen in de vijfde wijk van Moorsel, namelijk De Klaarhaag te Meldert voor 102 gulden. 2/3 van het bedrag kwam toe aan de Kerk van Moorsel en moest hij betalen in handen van de kerkmeesters. Het resterende derde was voor de pastoor. De eerste betaling van 51 gulden viel op Allerheiligen 1787 en de tweede betaling met Lichtmis 1788. Het contract was ondertekend door Peter De Wolf enerzijds en anderzijds door baljuw Laurentius Van den Hauwe, burgemeester Laureijs Caudron en de schepenen Pieter Meert, Pieter Bosteels, Joannes Van Hoije en Cornelius Beeckman.

Was er een mislukte oogst of had Peter De Wolf andere problemen? In feite had hij in het voorjaar van 1789 nog geen cent van de tienden betaald zodat landdeken Rommens besloot om tegen hem een klacht neer te leggen bij de schepenbank van Asse om de onmiddellijke betaling te eisen.

Peter De Wolf was de zoon van Leopold en Catharina Van der Elst. Hij werd te Moorsel gedoopt op 12 december 1751 als vierde kind van het gezin.

Lambertus Rommens was afkomstig van Dessel en werd op 14 juni1737 prietser gewijd. Hij was eerst onderpastoor in Lede en werd op 4 juni 1751 benoemd tot pastoor van Moorsel. Hij liet in 1752 een nieuwe pastorie bouwen die nog steeds bestaat. Vanaf 1765 was hij deken van het district Aalst. Met pastoor J. Goetgebeur van Meldert had hij constant ruzie over de tienden in De Klaarhaag.

Hield notaris Van der Schueren geld achter[103]?

Op 17 oktober 1789 leidde notaris Jan Baptist Van der Schueren van Meldert de openbare verkoop van een hofstede en een perceel landbouwgrond van 50 roeden. De hofstede bestond uit een stenen huis ende dependantiën, groot 30 roeden. Het goed paalde  aan De Wolf, Francis De Ridder en de straat. De verkopers waren Peter De Wolf en zijn vrouw Theresia Van der Goten. Guillam Turnhout, een vrijgezel uit Wieze, kocht het goed voor het echtpaar David Verbeken en Anna Maria Verhasselt uit Baardegem. De tweede koop, de 50 roeden land, paalde aan de hofstede, aan Francis De Ridder en aan de straat. Dat was een deel uit een stuk van 80 roeden dat Peter De Wolf en zijn vrouw op 5 oktober 1784 hadden gekocht van Joannes Geeroms, zoon van Karel en Josina Beeckmans. Volgens de akte ontving notaris Van der Schueren uit handen van David Verbeken 701 gulden 8 stuivers voor de hofstede en 327 gulden 12 stuivers voor het veld.

Merkwaardig is dat op 26 januari 1790 Peter De Wolf bij de schepenbank van Asse een klacht indiende tegen David Verbeken omdat hij het geld van de verkoop nog niet had ontvangen. Hield notaris Van der Schueren het geld in eigen zak?

De kaveling van Gillis Nulant[104].

Op 9 december 1781 werden de goederen van het echtpaar Gillis Nulant en Barbara Van Belle verdeeld onder hun kinderen Catharina en Peter. Na onderlinge blinde lotinge ging de eerste kavel naar Peter en de tweede naar zijn zus Catharina en haar man Jan Poels. Peter erfde een hofstede met een opstal op de Kleindries, groot 197 ½ roeden, palende aan Judocus Van den Steen, Cornelis Van den Houte, Jan Baptist Bruyninckx en Francis Temmers. Ook een partij land, groot 85 roeden, palende aan Josephus Van Malder, Peter Robijns, de erfgenamen van Francis Robijns en Jacquelina De Witte en het dorpsplein. Het deel van Catharina bestond uit een hofstede, groot 107 roeden 18 voeten, palende aan voorgaande partij land, de erfgenamen Francis Robijns, de straat en het dorpsplein.

Beide kavels waren belast met een rente van 350 gulden ten voordele van juffrouw Crick. Volgens de verkaveling moest Peter de komende 6 jaar die rente afbetalen. Maar als zijn zus, om welke reden ook, hun hofstede zou verpanden dan moest zij Peter daarvan drie maanden vooraf op de hoogte brengen en viel de afbetaling van de rente aan de pandnemer. In 1790 beleefden Jan en Catharina een moeilijk jaar door het sterven van verscheijde hunnen koeien en zo in den nood sijn gecomen van geld te lichten. Op 26 juli 1790 lieten zij notaris J.B. Van der Schueren aan Peter officieel weten dat zij de hofstede zouden verpanden. Toen bleek dat Peter de rente niet had afbetaald, wendden zij zich tot de schepenbank van Asse om Peter te verplichten zijn verbintenis na te komen zodat de rente niet op hen kon worden verhaald.

Jan Poels was de zoon van Jacobus en Catharina Van Belle. Hij werd te Essene gedoopt op woensdag 1 juli 1744. Hij overleed op zondag 31 december 1820. Bij zijn overlijden woonde hij aan het dorpsplein te Meldert. Hij trouwde, 30 jaar oud, op dinsdag 20 juni 1775 in Meldert met Catharina Nulant, de dochter van Egidius en Barbara Van Belle. Zij overleed voor 1820.

Zij hadden 9 kinderen te Meldert gedoopt:

1 Isabella, gedoopt op 8 juli 1776.

2 Joanna, gedoopt op 25 januari 1778.

3  Henricus, gedoopt op 2 maart 1782.

4  Anna Catharina, gedoopt op 4 februari 1783.

5 Jacobus, gedoopt op 12 maart 1784.

6 Henrica, gedoopt op 23 januari 1786.

7 Joanna, gedoopt op 19 februari 1789

8 Joannes Franciscus, gedoopt op 13 juni 1791.

9 Egidius, gedoopt op 18 september 1794.

Van Peter Nulant is er in de parochieregisters van Meldert geen spoor te vinden, niet bij huwelijken en ook niet bij geboortes.

Dorpsvergadering[105].

Na convocatie bij kerkgebod op de kerkdeur op zondag 10 juli 1791, kwamen op 20 juli de geïnteresseerde deser gemeijnte van Meldert  samen te huize van Jacob Robijns. Die dorpsvergadering kwam er na distincte brieven van de Souvereine Raad van Brabant aan de markiezin van Asse als vrouwe van Meldert en aan de abdijen van Affligem en Vorst als de meest bemiddelden van het dorp. De bedoeling van de vergadering was om een voorstel van de Soevereine Raad goed te keuren. Voor de door Meldert geleverde1072 rantsoenen hooi stelde de Raad voor dat de bedesetters, in hun hoedanigheid van regeerders, voor elke honderd geleverde rantsoenen hooi 17 gulden 10 stuivers zouden betalen. Op Judocus Vermoesen na keurden alle aanwezigen dat voorstel goed. De bedesetters van Meldert en Essene, Godefridus Van Brempt, G. De Witte, Francis Van Brempt, J. Goetvinck, Gillis De Witte, P. Van Biesen, Francis Van Ieghem en Peter De Vis konden met een beter voorstel Judocus overtuigen om het compromis te aanvaarden. De gemeente zou voor elke honderd rantsoenen nog 2 gulden 5 stuivers extra betalen. De kosten voor de levering van het hooi bleven ten laste van de boeren, maar de bedesetters kregen wel een vergoeding voor hun werk.

Francis Van Brempt, Gillis De Witte, Peeter De Vis, P. Van Biesen, drossaard Gheude, J. Van vaerenbergh, J. Uyttersprot en Beeckman ondertekenden het document.

Strijd om de erfenis van Andries Robijns[106].

Andries Robijns bezat een ½ bunder land op Den Boonhof. Na zijn dood werd dit perceel het voorwerp van een strijd onder zijn erfgenamen. Die waren verdeeld in twee kampen: Petronella De Kegel enerzijds en de kinderen uit zijn eerste en tweede huwelijk anderzijds.

Andries Robijns was de zoon van François en Joanna Maria Vinck. Hij was te Meldert gedoopt op donderdag 26 januari 1702. Van 1750 tot 1759 was hij koster en van 1750 tot 1759 Armen- en H. Geestmeester. Hij was de eerste van 6 generaties Robijns die te Meldert koster waren. Andries overleed op vrijdag 29 juli 1791 in de leeftijd van 89 jaar. Hij trouwde een eerste maal, 23 jaar oud, op zondag 23 september 1725 met Joanna Isabella Rosa De Witte, 26 jaar. Egidius Mertens en Jacobus De Witte waren hun getuigen. Joanna was de dochter van Jacobus en Barbara Van Mulders en werd te Meldert gedoopt op donderdag 8 januari 1699. Bij haar doop waren Elisabeth Van Mulders en Joannes De Witte de meter en peter. Joanna overleed op donderdag 26 februari 1733, 34 jaar. Zij kregen twee kinderen:

1 Joanna Maria, gedoopt op donderdag 4 maart 1728. Getuigen waren Joanna Maria De Witte en Petrus Robijns. Zij trouwde op 4 december 1754 met Egidius Franciscus Van Gerwen, 27 jaar, koster te Moorsel. Getuigen waren Andreas Cooreman en Francisca Melis. Egidius was de zoon van Joannes Benedictus Van Gerwen en Maria Brusselmans.

2 Petrus Benedictus, gedoopt op zondag 19 maart 1730. Hij trouwde op 48-jarige leeftijd op donderdag 10 september 1778 met Joanna Maria Van der Schueren, 27 jaar Zij werd te Meldert gedoopt op woensdag 14 oktober 1750 en was de dochter van Alexander en Jacoba De Baetselier. Petrus Benedictus stierf op zondag 23 maart 1788. Zij overleed op dinsdag 18 november 1788, 38 jaar. Hij werd in 1773 aangesteld als koster te Meldert.

Na de dood van Joanna op 26 februari 1733 hertrouwde Andries op woensdag 28 juli 1733 in Mazenzele met Catharina Meert, 27 jaar. Zij was in Mazenzele gedoopt op dinsdag 22 september 1705 en overleed te Meldert op maandag 19 augustus 1753. Zij hadden 6 kinderen:

1 Guillelmus, gedoopt op zondag 18 april 1734.

2 Catharina, gedoopt op maandag 15oktober 1736.

3 Petronella, gedoopt op 13 april 1737.

4 Franciscus, gedoopt op zondag 15 mei 1740.

5 Egidius, gedoopt op zondag 27 mei 1742.

6 Petrus, gedoopt op 8 april 1746.

Met zijn derde vrouw, Petronella De Kegel uit Hekelgem, trouwde Andries in 1756. Zij kregen 5 kinderen:

1 Laurentius, gedoopt op zondag 1 mei 1757, overleden op 12 februari 1762.

2 Anna Plilippina, gedoopt op donderdag 26 oktober 1758, overleden op maandag 6 maart 1769.

3 Alexander, gedoopt op dinsdag 9 september 1760, overleden op dinsdag 30 maart 1762.

4 Isabella, gedoopt op dinsdag 30 januari 1762 en overleden op zaterdag 26 maart 1763.

5 Joanna Catharina, gedoopt op dinsdag 29 juli 1766.

Na de dood van Andries op 29 juli 1791 eiste Petronella het bezit op van een ½ bunder land op Den Boonhof, palende aan de cappelerije van Meldert, Joseph Van Malderen, Peter Beeckman[107] en Den Mutsereel. Volgens haar viel de erfenis onder de costuymen[108] van het Land van Asse waar het als mobilair werd beschouwd en zij de erfgename was van alle mobilair. Maar Petrus Benedictus en twee kinderen van Egidius Van Gerwen en Joanna Maria[109], namelijk Joanna Catharina met haar man J.B. Moreels en Anna Catharina en haar man Petrus Van Nieuwenborgh hadden het land al op 27 maart 1792 bewerkt en de bomen die er op stonden hadden ze openbaar verkocht. Via haar advocaat De Smedt vroeg Petronella de schepenbank van Asse om haar tegenpartij te veroordelen tot de teruggave van het land, de opbrengst van de verkoop van de bomen en de betaling van een schadevergoeding. De gedaagden schakelden advocaat Gillis in. We weten dat de molens van het gerecht langzaam malen, ook toen al, zodat we niet verwonderd moeten zijn dat er twee jaar later, in 1794 nog geen vonnis was.

Proces-verbaal van de volksvergadering van 23 december 1792.

In 1792 verjoegen de Franse revolutionaire legers de Oostenrijkers uit de Zuidelijke Nederlanden. Generaal Dumouriez, opperbevelhebber van het Franse leger, vaardigde op 28 oktober een hoopvol manifest uit gericht tot de inwoners van de pas veroverde gebieden: “Wij zullen spoedig uw grondgebied betreden om u te helpen de vrijheidsboom te planten, zonder ons te mengen in de aangelegenheden van de grondwet die u verkiest. In zoverre u de soevereiniteit aan het volk verleent en weigert om verder door despoten geregeerd te worden, zijn wij uw broeders[110].” De generaal rekende duidelijk op een volksopstand. Na zijn overwinning op 6 november te Jemappes proclameerde Dumouriez: “Het volk is bevrijd van het juk van het Oostenrijkse huis. Het volk is nu de vorst”. De Conventie te Parijs dacht daar duidelijk anders over: geen bevrijding, wel verovering en inmenging. Op 15 december besliste ze dat in de bezette gebieden alle rechten en plichten van het ancien regime werden opgeheven, wat het begin inluidde van een stroom aan dictatoriale hervormingen. In Meldert was men daarvan nog niet op de hoogte en de mensen gingen gewillig in op een vraag van Dumouriez om hun wensen kenbaar te maken.

Op verzoek! van generaal Dumoulier, werd er op 23 december 1792 een volksvergadering gehouden op het Dorpsplein. Daartoe waren de mensen opgeroepen met aanplakbrieven aan de kerk, ergens in de Klaarhaag en aan de abdijpoort omdat daar het volck het meest vergadert sijnde. Na het eindigen des Goddelijcken dienst ende naer het luijden der parochiale klocke begon de vergadering. De mensen stemden eenpaerlijck ende sonder tegenseggen van iemand de volgende artikelen:

1 Dat zij willen leven in hunne Heijlige Roomsche Catholique Religie.

2 Als wettige vertegenwoordigers erkennen en bevestigen zij de drie Staten van Brabant.

3 Zij wensen te leven als een Vrij Volck volgens de wetten en constituties van Brabant. Maar over de uitvoerende macht wensen zij zich nog nader te beramen.

4 Zij wensen ook dat de Raad van Brabant zijn functie voort blijft uitoefenen volgens de oude wetten.

5 Het is hun wens dat de leden van de Staten van Brabant zo haast mogelijk worden samengeroepen.

6 Ten slotte wensen zij dat er een proces-verbaal wordt opgemaakt van wat zij nu in alle vrijheid hebben besloten. Van dat proces moeten kopieën aangeplakt worden waar het nodig is. Van de bedesetters verwachten ze dat die, als regeerders van Meldert en in naam van het volk, het proces-verbaal ondertekenen en dat ze zich zullen verzetten, voor zover dat in hun macht ligt, tegen alles wat ingaat tegen wat ze nu hebben besloten.

Het document werd ondertekend door de bedesetters J. Uijtersprot, P. Van Nuffel, E. De Mey en Peter Franciscus Meert.

De erfenis van Anna Maria Muysewinckel[111].

Na de dood van Anna Maria Muysewinckel op 4 februari 1790, haar eerste man Leonardus Lenssens was al op 26 mei 1779 gestorven, bleef haar tweede man, Antonius De Meester, op de hofstede wonen en dat tot grote ergernis van Jan Baptist Mergan. Hij eiste de erfenis van zijn vrouw Anna Catharina Lenssens en haar minderjarige broer Jan Baptist op. Zij waren de kinderen van Leonardus  en Anna Maria.

Over welke erfenis ging het?

1- Over 2 d 75 r land gelegen te Hekelgem op de Buikouter. Dat perceel had Gillis Lenssens, de vader van Leonardus, volgens de akte van 15 november 1715 voor 362 gulden 4 stuivers gekocht van Aldegonde en Catharina Longin, begijntjes in het Groot-Begijnhof te Brussel. Het stuk paalde aan de weduwe Melchior Carnoye, de Langehaag, de Hekelgemkouter en Joos Eeman en was belast met een grondcijns van 4 deniers per jaar aan de abdij. De akte was opgemaakt door griffier J. De Witte en was ondertekend door Peter Van Langenhove, Michiel Clauwaert, Andries De Baetselier en Hendrik De Bailliu, schepenen van Affligem. Om te bewijzen dat dit land aan Anna Catharina Lenssens toekwam, voegde Jan Baptist Mergan, de aanlegger, er een kopie aan toe uit het cijnsboek van de abdij met als datum 2 december 1715. Daaruit blijkt dat haar grootvader al de grondcijns aan de abdij betaalde en hij dus de eigenaar was.

2- Een partij land gelegen op de Boekhoutberg te Hekelgem door Leonardus Lenssens uit Erembodegem gekocht op 11 december 1770 van Zacharias De Wever en zijn vrouw Anna Van de Perre. Het perceel grensde aan het koutergat van de Buikouter, de weduwe Francis Van Vaerenbergh, de kinderen Peter Van Vaerenbergh en de erfgenamen van Arnoldus Eeckhout en was belast met 1 blank aan de abdij. De akte, opgesteld door de schepenbank van de abdij, was ondertekend door J.B. De Witte, griffier en de schepenen Peter Emmanuel Schoon en Jan Baptist Van de Velde.

3- De helft van een behuisde hofstede. Op 16 juli 1751 kwam bij de verkaveling van de goederen van zijn overleden ouders onder de zeven kinderen na rechtveerdige lote aanGillis Muysewinckel de helft toe van Den Hond, een hofstede van 75 roeden met hopast en bomen, gelegen in het gehucht Parijs. De hoeve paalde aan Jan Willems, Peter De Ruddere, aan de andere helft en aan de straat. Het geheel werd geschat op 325 gulden. Na het scheiren van den oost mocht hij zijn erfenis in bezit nemen. De verdeling van de erfenis vond plaats met als getuigen Hendrik Van Zeebroeck en Francis De Doncker.

4- Een half bunder land gelegen te Baardegem en Den Breninck genoemd. Het perceel paalde aan de straat, Jan Francis Van den Bossche en Jan Van Ounsen, Gillis Muysewinckel en Peter Wauters. Gillis en Peter Muysewinckel kochten het voor 316 gulden van Anna Catharina Goeman, de vrouw van de zieke Ignatius Mergan.

Volgens Antoon De Meester, de gedaagde en tweede man van Anna Maria Muysewinckel, bepaalde zijn huwelijkscontract dat hij de enige erfgenaam was van al haar goederen. Dat ontkende Jan Baptist ten stelligste en hij vond dat Antoon De Meester gansch van den wegh is gedwaelt. De vraag die verder verloop van het proces zou bepalen was: kon De Meester zo’n huwelijkscontract aan de schepenbank voorleggen. Dat het contract ontbreekt in het dossier en dat kan erop wijzen dat het niet bestond of geen invloed had op het verdere verloop van het proces.

Joannes Baptist Mergan was de zoon van Christphorus en Adriana Vermoesen. Hij werd gedoopt op vrijdag 17 juni 1768 in Asse en overleed op zaterdag 25 september 1830 in Asse. Hij trouwde op 28-jarige leeftijd op dinsdag 24 juni 1794 in Meldert met Anna Catharina Lenssens, 19 jaar oud. Zij was een dochter van Leonardus Lenssens en Anna Maria Muysewinckel. Zij werd op maandag 17 april 1775 te Aalst gedoopt en overleed op dinsdag 10 december 1844 in Asse in de leeftijd van 69 jaar. Zij hadden drie kinderen te Asse gedoopt:

1- Adriana, gedoopt op vrijdag 8 mei 1795 en overleden op maandag 13 maart 1837 te Asse. Zij trouwde met Antonius ’T Sas, een zoon van Cornelius en Anna Catharina Plas.

2- Joannes Baptista, geboren op donderdag 29 november 1798 en overleed ook te Asse op woensdag 1 april 1885, 86 jaar oud.

3- Barbara Sophia, geboren op woensdag 19 augustus 1801 en overleed te Asse op vrijdag 20 januari 1865. Zij trouwde te Asse op woensdag 22 jnui 1825 met Andreas Moyson, de zoon van Petrus en Anna Maria Verbeiren.

Anna Maria Muysewinckel is gedoopt te Meldert op donderdag 6 oktober 1757 en overleed op donderdag 4 februari 1790 in Meldert, 32 jaar oud. Zij trouwde, 15 jaar oud, met Leonardus Lenssens te Meldert op dinsdag 3 augustus 1773. Leonardus, gedoopt in Erembodegem, overleed op woensdag 26 mei 1779. Zij hadden twee kinderen:

1 Anna Catharina, gedoopt op maandag 17 april 1775 in Aalst. Zij overleed op dinsdag 10 december 1844 in Asse, 69 jaar oud. Zij trouwde op dinsdag 24 juni 1794 te Meldert met Joannes Baptist Mergan, 26 jaar oud. Hij was de zoon van Christophorus en Adriana Vermoesen. Hij werd gedoopt op vrijdag 17 juni 1768 in Asse. Joannes Batist overleed op zaterdag 25 september 1830 in Asse.

2 Joannes Baptist, gedoopt op woensdag 23 april 1777 in Meldert.

Anna Maria hertrouwde ( 21 jaar) op zondag 18 juli 1779 in Meldert met Jan Antonius De Meester, 30 jaar. Hij werd in Meldert gedoopt op woensdag 23 april 1777. Met hem had zij nog 6 kinderen te Meldert gedoopt:

1- Jacoba, gedoopt op 18 augustus 1780.

2- Egidius, gedoopt op 21 december 1781.

3- Josephus, gedoopt op 6 februari 1783.

4- Andreas, gedoopt op 6 oktober 1785.

5- Andreas, gedoopt op 29 september 1787.

6- Isabella, gedoopt op 19 september 1788.

Na de dood van Anna Maria Muysewinckel hertrouwde Antonius op 42-jarige leeftijd te Meldert op dinsdag 22 februari 1791 met Joanna Walburga De Groot, 19 jaar. Zij werd gedoopt op zaterdag 4 mei 1771 in Meldert en overleed op maandag 30 januari 1826.

Petronella Beeckman eist haar verkochte goederen terug[112].

Judocus Goetvinck kocht op 23 juli 1795 tijdens een openbare verkoping van notaris Stephanus Gillis in de herberg van Pertus Benedictus Van den Bossche te Hekelgem een stuk land en een onbehuisde hofstede.

– De eerste koop was de helft van 50 roeden gelegen op het Nievelveld. Het perceel palende aan Jacobus Goetvinck, de abdij en Joannes De Leeuw en was belast met een grondcijns aan de abdij van 6 stuivers 1 blank. De koopsom bedroeg 166 gulden.

– De onbehuisde hofstede met schuur, groot 63 ½ roeden lag aan de Nieveldries en paalde aan Laureijs Clauwaert en de abdij. De hoeve was ook belast met een kleine grondcijns aan de abdij. De koopsom bedroeg 538 gulden.

In de akte was een merkwaardig artikel opgenomen. De verkoper had het recht om binnen de 14 dagen na betaling van de koopsom de verkochte goederen terug te nemen mits teruggave van de koopsom. Waarschijnlijk tot grote ergernis van Judocus Goetvinck besloot Petronella enkele dagen na de betaling tot restitutie. Zij zocht Joducus op en vroeg hem promptelijck ende sonder uitstel de goederen af te staan. Omdat die niet inging op haar vraag, verzocht ze notaris Gillis om, in het bijzijn van de getuigen E. De Meij en Judocus Vermoesen, het geld van de verkoop aan Judocus terug te geven. Daar Judocus niet reageerde, bezocht op 7 oktober 1795 de notaris hem opnieuw en kreeg er als antwoord dat hij de zaak niet verstond en eerst geleerde mannen wou raadplegen. Het wachten moe, wendde Petronella zich, via haar notaris, tot de schepenbank om Judocus te verplichten tot de gevraagde teruggave.


[1] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, Meldert.

[2] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 178.

[3] De patacon of patagon werd onder aartshertogen Albrecht en Isabella (1598 – 1621) geïntroduceerd in de Lage Landen en bleef in omloop tot het begin van de 18de eeuw. Het is een zilveren munt met een waarde van 48 stuivers.

[4] Zie Edmond SCHOON & Ben VERMOESEN, 1697 Was Michiel Van de Putte nalatig als collecteur?, in: Rechtszaken te Meldert tijden de 17de eeuw, op website:

https://wordpress.com/view/indeschaduwvanaffligem.video.blog.

[5] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3773.

[6] Het klooster van Jericho te Brussel werd gesticht in 1456 door tussenkomst van Filips de Goede en zijn vrouw Isabelle van Portugal. Het werd bekend door de vele handschriften en de honderden preken die ze noteerden. Keizer Jozef II hief het klooster op in 1783.

[7] R A Leuven, schepenbank van Asse nr. 3747.

[8] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3841.

[9] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3840.

[10] Groot Vlaams = een munteenheid tot ca 1795 in gebruik in Vlaanderen, 1 pond = 20 schellingen = 240 groten

[11] Penningen: een algemene benaming voor munten.

[12] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3850.

[13] W. VERLEYEN, Meldert, 181 – 182.

[14] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 6882.

[15] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.3848.

[16] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 4007.

[17] Edmond SCHOON, Persoonskaart van Gaspar Van de Putte.

[18] De watermolens van Bodegem (van de 13e tot de 20e eeuw), in: Bodegem in vroegere tijden, nr. 5, 2016. Een uitgave van de Heemkring BKW.

[19] B. VERMOESEN, De familie Van de Putte en de Bellemolen, in: Jaarboek Belledaal, 2006, 115 – 136.

[20] E. SCHOON,  Persoonskaart van Elisabeth Robijns.

[21] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3867.

[22] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.305.

[23] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3894

[24] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3940.

[25] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3966.en 3961.

[26] De boogschuttersgilde van Sint-Jozef. Peter was deken van 1716 – 1717.

[27] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 180.

[28] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3961.

[29] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 4050.

[30] B. VERMOESEN, Jan De Witte en Anna Robijns, een merkwaardige familie in Meldert, in: De Faluintjes, 2008, nr. 2.

[31] E. SCHOON, Persoonskaart Hendricus De Witte, onuitgegeven bron.

[32] R A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4051.

[33] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 317.

[34]  R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4058 en 4073.

[35] P. LINDEMANS, Geschiedenis van de landbouw in België, Antwerpen 1952, dl II, p. 147.

[36] RAG, Kasselrij Aalst, 444. Citaat in P. Lindemans p. 148 – 149

[37] R.A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 624.

[38] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 637.

[39] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 105.

[40] E. SCHOON, B. VERMOESEN, Eigen armen eerst, in: Eigen Schoon en De Brabander, 2018, 225 – 232.

[41] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4146.

[42] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4172.

[43] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 4224.

[44] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 659.

[45] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nrs. 6885 en 6886.

[46] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 6900.

[47] R A Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4339.

[48] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4370.

[49] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4420.

[50] Gillis Van Mulders en Elisabeth Maurissens (Marissens) trouwden te Meldert op 27 januari 1659. Twee dochters verrijkten hun huwelijk:

1 jacoba, gedoopt op 27 januari 1660.

2 Margareta, gedoopt op 29 september 1665.

[51] Gillis Dooms en Petronella De Meersman hadden 5 kinderen, te Moorsel gedoopt:

1 Judocus, gedoopt op 29 december 1651.

2 Catharina, gedoopt op 28 september 1653.

3 Clara, gedoopt op 12 januari 1655.

4 Petrus, gedoopt op 27 februari 1661.

5 Maria, gedoopt op 16 september 1663.

[52] Wilhelmus, gedoopt te Meldert op 25 augustus 1743 en Henricus, gedoopt te Meldert op 6 januari 1745.

[53] Joanna Catharina, gedoopt op 3 februari 1748, Anna, gedoopt op 18 augustus 1749, Maria Anna, gedoopt op 23 januari 1751 en Egidius, gedoopt op 2 december 1752.

[54] RA Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4393

[55] De andere kinderen van Michael Van der Schueren en Petronella Clauwaert waren:

– Maria Anna, ° 7 augustus 1724

– Joanna Maria Ludovica, ° 21 februari 1726

– Theresia, ° 3 februari 1728

– Joanna, ° 29 januari 1730

– Anna Catharina, ° 11 januari 1732

– Joannes Franciscus, ° 30 februari 1733

– Joannes Baptist, ° 23 juni 1737.

Van de kinderen is alleen Joannes  Franciscus in Hekelgem nog terug te vinden. Hij trouwde met Elisabeth Schelkens  in Hekelgem en kregen twee kinderen: Josephus (12/02/1767) en Joannes Dominicus (26/03/1769)

[56] H. STRIJPENS & A. VAN DE PERRE, De hoeve Van Cauwelaert, in: Jaarboek 2 van De Faluintjes, 219.

[57] E. SCHOON, Persoonskaart van Adriana De Witte, onuitgegeven bron.

[58] H. ROSELETH, Uit oude memorieboeken, in: Eigen Schoon en De Brabander, 1931, 231.

[59] E. SCHOON & B. VERMOESEN, Meldert in 1763: de beden, in:

https://indeschaduwvanaffligem.video.blog/

[60] RA Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 695.

[61] J. OCKELEY, Een oud geslacht uit het Land van Asse. De Familie Robijns, in: Vlaamse Stam, 1966, 212.

[62] Pastoor Johannes Fraciscus Goetgebuer, pastoor te Meldert van 1747 tot 1800.

[63] Tot de 19de eeuw beschouwde men aderlatingen als een middel om ziekte of kwaal te verhelpen.

Men gebruikte daarvoor aderlaatmessen of bloedzuigers

[64] Olium rosarum, olie van de kamillebloem werd gebruikt bij hoofdzweren Olium rosarum, olie van de kamillebloem werd gebruikt bij hoofdzweren

[65] Emplastrum : een verband.

[66] Spiritus vini bekwam men door brandewijn te laten verhitten tot het water verdampt was. Door die spiritus op een poeder te gieten en aan te brengen, kom de kracht en ’t wezen van andere dingen uittrekken.

[67] Musculus temporalis: spier aan de zijkant van het hoofd.

[68] Epigastrum: de regio rond de maag.

[69] Ecchymose: blauwe vlek, kleinvlekkige bloeding in de huid of in een slijmvlies.

[70] Rijksarchief te Gent: Inventaris van de minuten en repertoria van Joannes Baptista Van der Schueren, notaris te Meldert, voor de jaren 1774-1796.

[71] Directorium Abbatiae Hafflighemensis, Bona et Jura monasterii Hafflighemensis, Beda Regaus, A. R. Brussel, 2002, laatste bladzijde.

[72] 1791 is wederom gemoveerd questie over het school houden. Als wanneer Jan Baptist Moreels bij de abdije heeft school gehouden tot interest van de costers van Meldert ende Hekelghem. Soo heeft men een request gemaekt den 24ste januari 1791 onderteeckent van circa 30 persoonen van Hekelghem ende den 25ste januari circa 27 van Meldert bij ’t welcke sij aen den voorseijde Moreels versoeken van school te houden ontrent de abdije op pretext dat de school der costers te verre afgelegen sijn principalijck in den winter om hun kinderen daertoe te senden &a. de copije was onderteeckent van Van Der Schueren notaris tot Meldert ende van E. De Koster notaris van Hekelghem. Nota: de ordinantie van Albertus en Isabella is van 1607.

Dan heeft Jan Baptist Moreels een request gepresenteerd aen den landdeken den 26ste januari om geëxamineerd ende geautoriseerd te worden om school te houden ende wederom 1 februari 1791.

Den deken heeft daerop geantwoord mondelinx dat Jan Baptist Moreels gene qualiteijdt besat om die affaire selfs te ondernemen. Item dat aen geen gemijnte toestaet eenen schoolmeester te benoemen waer tegen Moreels geprotesteerd heeft.

[73] E SCHOON & B.VERMOESEN, De pachters van Meldert, in: Jaarboek 1 van De Faluintjes 2018.

[74] RA Leuven, Schepenbank van Asse, nr. XXXX.

[75] J. SPANHOVE, Voluntairen van Hekelgem 1789 – 1791, in: jaarboek Belledaal 1989 – 90, 2 – 9.

[76] B. VERMOESEN, De strijd om de Rochting, in: De Faluintjes, 2009, nr. 3.

[77] R A Leuven, Schepenbank van Asse, nr.4362.

[78] RA Leuven, Schepenbank van Asse, nrs. 6891 en 7948.

[79] W. VERLEYEN, Meldert, 107.

[80] In 1808 besliste de Franse overheid om heel het gebied van Meldert naar Hekelgem over te hevelen, tot groot ongenoegen van het Melderts gemeentebestuur.

[81] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4388.

[82] JUDOCUS DE PAUW. Hij is gedoopt in 1717 in ASSE. JUDOCUS is overleden op woensdag 5 maart 1800 in MELDERT, 83 jaar oud. JUDOCUS trouwde, 69 jaar oud, op zaterdag 7 januari 1786 in ASSE met MARIA ANNA BOOM, 49 jaar oud. Zij is gedoopt op maandag 30 januari 1736 in ESSENE. MARIA is overleden op zaterdag 20 januari 1798 in MELDERT, 61 jaar oud.

[83] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4405.

[84] De familie Jan Verbeiren-Joanna Maria Christiaens woonde op de Kleindries te Meldert. Ze waren te Essene getrouwd op 23 juli 1740 en hadden 7 kinderen:

1 Petrus, °1 april 1748.

2 Gerardus, ° 2 april 1750.

3 Joanna, ° 1 november 1752.

4 Egidius, ) 25 augustus 1754.

5 Jan Baptist, ° 30 april 1757.

6 Wilhelmus, ° 11 januari 1760.

7 Martinus, ° 22 oktober 1762.

[85] Jan Baptist Bruijninckx trouwde te Meldert op 20 november 1764 met Joanna Maria Vermoesen. Ze kregen 6 kinderen:

1 Carolina, ° 12 augustus 1765

2 Jan Franciscus, ° 9 februaei 1767

3 Maria Francisca, ° 20 november 1769

5 Jan Baptist, ° 28 november 1778

6 Paulus, ° 26 augustus 1779.

[86] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4402

[87] In de parochieregisters vinden we dat Jan Willems en Maria Van den Broeck te Meldert trouwden op 8 maart 1743. Hun enig kind, Barbara (Isabella?) werd te Meldert gedoopt op 21 augustus 1744.

[88] De kinderen van Peter Carlé en Joanna Maria De bruecker werden te Meldert gedoopt:

1 Peter, gedoopt op 24 juli 1779,

2 Theresia, op 19 augustus 1781

3 Catharina op 7 mei 1784.

[89] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4438.

[90] Michael was de zoon van Peter en Barbara Van Buggenhout, gedoopt te Meldert op 3 mei 1696.

[91] Elisabeth De Vis trouwde te Meldert op 2 mei 1751 met Judocus Clauwaert.

[92] Michael trouwde te Meldert op 30 oktober 1727 met Elisabeth Mergan. De kinderen waren:

1 Catharina, gedoopt op 2 november 1730, huwelijk met Judocus Peeters te Meldert op 30 september 1767.

2 Judocus, gedoopt op 1 augustus 1733, huwelijk te Meldert met Anna Maria Van den Hout op 1 juli 1777.

3 Anna Maria, gedoopt op 24 juni 1735, trouwde met Jan Kindermans op 26 juli 1761, kinderen: Anna en Maria.

4 Joannes, gedoopt op 31 augustus 1738.

5 Wilhelmus, gedoopt op 10 april 1739.

6 Peter, gedoopt op 19 november 1741.

7 Joanna Catharina, gedoopt op 5 september 1743, gehuwd met  Adriaan Gillis.

8 Christina, gedoopt op 24 oktober 1746.

[93] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4453.

[94] Judocus Van den Steen was getouwd met Anna De Paep. Zij hadden drie dochters te Meldert gedoopt:

1 Petronella, gedoopt op 13 oktober 1749.

2 Judoca, gedoopt op 28 januari 1752.

3 Joanna Maria, gedoopt op 6 september 1754.

[95] Het Querrelsveld. Querrel = quellen wat opborrelen, opwellen uit de grond  betekent. Het Querrelsveld is een bronnengebied tegen het Nievelsveld gelegen.

[96] Martinus Van Vaerenbergh was de zoon van Judocus en Catharina De Busch, gedoopt in Essene op 13 november 1710 in Essene, hij overleed er op 19 januari 1779. Hij trouwde op 22 juli 1734 in Hekelgem met Joanna Maria De Witte, dochter van Jacobus en Joanna Maria Clauwaert, gedoopt op 4 juni 1712 en er overleden op 12 oktober 1775. Zij hadden 10 kinderen te Essene gedoopt:

1 Joanna Catharina, gedoopt op 21 juni 1735.

2 Joannas Baptist, gedoopt op 23 juni 1737, overleden in 1737, nog geen jaar oud.

3 Maria Theresia, gedoopt op 11 augustus 1738, overleden in 1739.

4 Maria Theresia, gedoopt op 18 september 1740, overleden in 1745.

5 Anna Joanna, gedoopt op 5 juli 1743, overleden in 1745.

6 Joanna Theresia, gedoopt op 2 september 1745, overleden in 1748.

7 Joannes Baptist, gedoopt op 17 januari 1748 en overleden in 1814.

8 Anna Francisca, gedoopt op 5 september 1749.

9 Benedictus, gedoopt op 2 april 1751 en overleden in 1754.

10 Joanna Theresia, gedoopt op 15 december 1753, trouwde op 4 februari 1777 met Joannes Baptist Van Mulders.

[97] Paschier (Paschasius) Vertongen werd te Malderen gedoopt op 26 juli 1736 en overleed te Hekelgem op 24 februari ri 1802. Hij trouwde te Hekelgem met Petronella De Vis op 24 november 1772. Zij was de dochter van Franciscus en Anna Maria De Cort.  Ze werd te Hekelgem gedoopt op 13 juli 1746 en overleed op 20 april 1788, 1 maand na de geboorte van Maria Catharina. Na haar dood hertrouwde Paschasius op 22 oktober 1799 in Asse met Maria Anna Everaert.

 Kinderen te Hekelgem gedoopt:

1 Joannes, gedoopt op 10 september 1773 en overleden te Hekelgem op 19 januari 1849.

2 Amandus, gedoopt op 16 augustus 1775 en overleden te Hekelgem op 17 december 1755. Hij trouwde eerst met Maria Anna Schoon op 20 september 1798, dochter van Jacobus Schoon en Marie-Anna Barbe. Maria Anna werd in Hekelgem gedoopt op 15 juni 1776 en overleed er op 29 juni 1807. Amandus hertrouwde met Maria Theresia Hutsebaut, gedoopt in Aalst in 1784, zij overleed te Hekelgem op 24 maart 1826.

3 Joanna, gedoopt op 12 augustus 1777.

4 Petrus, gedoopt op 14 augustus 1779 en overleden te Hekelgem in 1785.

5 Antonius, gedoopt op 18 december 1781, hij overleed aan de gevolgen van dysenterie in 1783.

6 Benedictus, gedoopt op 21 maart 1786.

7 Maria Catharina, gedoopt te Hekelgem op 28 maart 1788.

[98] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 6888.

[99] Kerkgebod: aankondiging in de kerk gedurende drie  zondagen.

[100] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4493.

[101] E. SCHOON & B. VERMOESEN, Judocus De Vis, bouwheer van de staakmolen, in: De faluintjes, 2017, nr. 3, 335 – 339.

[102] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4513.

[103] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 4521.

[104] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.4518.

[105] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 6888.

[106] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4542.

[107] De kinderen van Petrus Benedictus en Joanna Van der Schueren:

1 Felix, gedoopt op 31 januari 1778.

2 Petronella, gedoopt op 31 juli 1779.

3 Franciscus, gedoopt op 18 mei 1781.

4 Victoria, gedoopt op 16 augustus 1786.

[108] Costuymen: het gewoonterecht.

[109] De kinderen van Egidius Van Gerwen, koster te Moorsel, en Joanna Maria Robijns te Moorsel gedoopt:

1 Andreas, gedoopt op 18 oktober 1755.

2 Anna Catharina, gedoopt op 24 januari 1757, trouwde met Petrus Van Nieuwenborgh.

3 Joanna Catharina, gedoopt op 3 december 1758, trouwde met Joannes Baptista Moreels.

4 Joannes, gedoopt op 18 september 1760.

5 Jan Baptist, gedoopt op 27 augustus 1766.

[110] Kroniek van België, Standaard Uitgeverij, 509.

[111] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4547.

[112] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.4554

Essene 1657 – Liet Franchois Wambacq zandstenen poelen in de Eksterenbergstraat ?

Charles Crabeels, de hoofdmeier van het Land van Asse en meier van Asse, diende op 20 oktober 1657 een klacht in tegen Franchois Wambacq en tegen zijn broer Michiel. Volgens Crabeels hadden de broers op hun land op de Foost, gelegen aan de Eksterenbergstraat, een zandsteenpoel geopend tot in de straat en daarbij de bovenliggende aarde op een hoop gestort die een deel van de weg innam zodat elk verkeer er onmogelijk was. Na een eerste klacht hadden Franchois en Michiel de grond van de straat gehaald, maar dat was voor de overmeier niet voldoende. Hij verweet hen dat ze in de straat stenen hadden gepoeld en er eene groote qualiteijt witten arduinsteen met een waarde van vele honderden guldens hadden uitgehaald en dat zonder enige vergunning. Daardoor was de straat heel smal geworden en bovendien heel gevaarlijk want hun put was zeer diep. Verwijzend naar de plakkaten die bepaalden dat alle straten en wegen te allen tijde berijdbaar moesten zijn, diende hij een nieuwe klacht tegen hen in. Hij eiste dat Franchois en Michiel de straat in de oorspronkelijke staat herstelden en legde hen een boete op van 600 gulden.

Alvorens het verloop van het proces te volgen, komt eerst wat informatie over de broers Wambacq en over de steen-, mergel- en vlasputten waarvan verder sprake is. Opvallend is ook dat de Eksterenbergstraat door meerdere getuigen beschreven wordt als een holle weg en als de straat naar Affligem en Aalst. Was de oude heirbeaan (de Oude Baan) al in zo’n slechte staat dat men liever via de Eksterenberg ging?

De familie Wambacq.

De familie Wambacq is waarschijnlijk afkomstig van Luxemburg. De eerste Wambacqs waren pachters van de grote hoeven van de abdij. In het begin van de 16de eeuw is Jan Wambacq pachter op het Hof ter Borcht gelegen in het centrum van Essene. Hij overleed in 1577. Na hem komen Michiel, Grelis van 1545 tot 1576 en Michiel, getrouwd met Barbara De Wever. Hun zoon Franchois werd ca 1580 te Essene geboren en overleed op donderdag 30 juni 1661 en werd in de kerk begraven. In 1638 kocht hij het Hof te Belle van de abdij: 15 juni heeft den aertsbisschop Boonen (en abt van Affligem) het Pachthof van Belle onder palenslagh vercoght aen Franciscus Wambacq voor gl 900 ende daer waeren 24 hooghen op[1]. Hij was griffier van de schepenbank van de abdij. Hij trouwde met Cathelijne De Troch. Zij hadden 8 kinderen te Essene geboren:

– Barbara, gedoopt op 3 augustus 1614, trouwde met Jan Cornelis, pachter op het Hof ter Sale te Hekelgem

– Elisabeth, ° op 21 januari 1616, x met Peter Van Mulders en nadien met Hendrik Vrancx.

– Michiel, ° op 17 oktober 1617, x met Joanna De Bast, meier van de schepenbank van de abdij, + in 1690 en werd in de kerk begraven. Joanna De Bast hield een memorieboek bij[2] dat Jan Van der Hameyde in Eigen Schoon en De Brabander publiceerde.

– Martinus, ° op 10 december 1619, x met Anna Vrancx, notaris te Essene en griffier van Affligem.

– Anna, ° op 22 februari 1626, begijn op het Groot Begijnhof te Brussel.

– Catharina, ° op 12 december 1621, x met Franchoys De Baillu.

– Lucas, ° op 14 juni 1627, pachter te Essene, x met Catharina Breynaert.

– Joanna, ° op 13 januari 1638, begijn te Brussel.

Michiel werd gedoopt in 1585 en trouwde, 20 jaar oud, op dinsdag 7 oktober 1614 in Essene met Josine De Witte. Hij was schepen van de schepenbank van Affligem. Met Josine had hij 4 kinderen:

– Barbara, ° op 27 september 1615.

– Franchoys, ° op 12 september 1619.

– Elisabeth, ° op 15 december 1620.

–  Geert, ° op 22 maart 1623.

Ferrariskaart 1778 – de steenpoelen moeten zich 130 jaar vroeger bevonden hebben tussen de twee vertakkingen van de straten – Rechts naar Essene kerk en links boven naar den Exterenberg.

De zandsteengroeven[1].

In de teksten is er sprake van “witten arduinsteen”, maar in feite gaat het om zandsteen die hier in de streek te vinden was. Van Hekelgem tot Brussel heeft de abdij Affligem gedurende zeven eeuwen zandstenen gepoeld. De eerste ontginningen gebeurden in het midden van de 12de eeuw te Meldert tussen de wijken Nievel en Doment en aan het Hof te Putte. Later kwamen er groeven bij te Hekelgem, Essene, Asse en Zellik. De zandsteenbanken lagen op een diepte van 6 tot 10 meter, soms twee tot drie lagen boven elkaar. De abdij gebruikte de stenen voor de eigen gebouwen, voor de vele parochiekerken uit de streek waarover ze het patronaat had, voor haar boerderijen en ze verkocht stenen om inkomsten te hebben. Particulieren die eigendom hadden nabij een steengroeve en over het nodige kapitaal beschikten, openden ook een groeve. De zandstenen gebruikten ze voor het hele huis of voor de voeting en voor deur- en raamomlijstingen van hun gebouwen. Om tot aan de zandsteenlaag te komen, groef men de bovenlaag af. Dan maakte men de steenblokken los, haalde ze naar boven en sleepte ze naar de steenkappers, die ze de vereiste vorm gaven en ze merkten met hun steenkappersmerk. De stenen waren nu klaar om met paard en kar naar de bouwplaats of naar de Dender te voeren. In 1293 opende de abdij een groeve op de Foost. Die plaats werd ook Kerkpoel genoemd omdat de steen voor de bouw van de kerk werd gebruikt. In 1664, bij de bouw van de kerktoren, kwam de steen ook uit die poel. Te Essene verwijzen nog enkele plaatsnamen naar de steengroeven: Foost = steengroeve, semelaar: voerman en mogelijks ook Forsijn = hof en land, Montil = berg, Pirresbeloc = beluik waar steen voorhanden is.

Mergel en rootputten.

Tot de 19de eeuw kweekte bijna elke boer vlas, meestal slechts een beperkte hoeveelheid, voor het garen en het lijnzaad. Het roten gebeurde in gegraven putten of rieten en duurde 6 tot 10 dagen. De putten moesten diep genoeg zijn zodat het vlas volledig in het water kwam. Door de vlasstengels in water te zetten, rotte de bast van de stengels, maar die verrotting verspreidde een stank waardoor ze meestal op een afgelegen plaats te vinden waren. “Het vlas uit de rootput halen was het vuilste boerenwerk dat er bestond: een werkman daalde tot aan het middel in het vuile, vette, stinkende water”[2].

Al in de Middeleeuwen werden de akkers voor graanwinning gemergeld om verzuring te voorkomen. Maar in de 16de eeuw waren de meeste mergellagen uitgeput. Door de dieren op stal te houden beschikten de boeren over stalmest ter vervanging van de mergel.

Het antwoord van Franchois en Michiel.

Op 20 december 1657 reageerden de broers via hun advocaat Van der Slachmolen op de beschuldigingen van de hoofdmeier. Zij vinden ook dat alle straten berijdbaar moeten blijven en ontkennen ten stelligste dat zij grond lieten storten op de Eksterenbergstraat en dat zij daar een diepe steenpoel hadden gemaakt om daaruit “arduinsteen” te halen. Om hun beweringen te staven, voegden ze er de getuigenissen aan toe van Guillam Verbeiren, Jacques Pieman en Hendrik Van Hoorebeke, allen inwoners van Essene. Die hebben 14 jaar geleden op het erf van Franchois en tot 4 of 5 voet van de straatberm die beplant is met eiken, olmen, een kerselaar en ander houtwas, een mergerlput gegraven. Op zekere diepte stootten ze op een steenlaag, waarvan ze niet wisten dat daar zandstenen zouden liggen. De stenen lieten ze ongemoeid, want er was al een steengroeve op het erf van Franchois. Ze groeven ook een vlasput op dezelfde afstand van de straat. Die was op die plaats een holle weg en zo smal dat men er met een eg niet door kon en seer onbequaem ende moijelijck om op ende aff te rijden. Charles Van der Slachmolen, toen overmeier van het Land van Asse, poelde wel stenen in de straat voor het bouwen van zijn huis te Asse. Men kan de plaats van de groeve nog zien. Jeroom Raspoet, Nicolaes Martino, Jan Van der Gucht en anderen werkten in die groeve. Ze haalden er zoveel stenen uit als de overmeier nodig had voor zijn huis. Er bleven nog stenen liggen, maar die hebben zij niet weggehaald. Dat de beide broers het deden, hebben ze nooit gezien of gehoord. De straat is nu langs de kant van Wambacq eene bequaeme ende effen straete, zijnde rijdbaer ende ganckbaer, behalve aen de overkant, de kant van Peter Schoep, want die heeft met zijn steengroeve een deel van de straat ingenomen. Nog andere getuigen kwamen de broers met hun verklaring ter hulp:

– Gregorius Doms, een steenkapper uit Meldert, getuigde dat hij met andere steenhouwers voor de overmeier werkte aan de stenen die uit de straat kwamen. Hij werkte ook meerdere jaren als steenkapper voor de broers, maar nooit aan stenen die uit de straat kwamen.

– Jan De Putter uit Erembodegem verklaarde dat hij gedurende zes jaar samen met Michiel De Pauw in de steenpoel van Peter De Bus aan de slag was. Die groeve lag tussen het goed van de kapelanij van Sint-Kwintens-Lennik en het goed van de Wambacqs. Ze verbreedden er de straat zodanig dat een kleine olm op het land van Franchois nu aan de straatkant staat.

– Peter Van Huisseghem beweerde dat hij in 1556 samen met Jan De Putter met stootkarren aarde aanvoerde om de straat berijdbaar te maken.

– François Lippens weet dat hij, Jan De Putter en Aert Piemans een maand voor de aanklacht op het erf van Franchois van de vlasput hebben gezien en dat er nog enkele bundels vlas lagen. Hij heeft ook in de steengroeve van Franchois gewerkt, maar heeft nooit stenen uit de straatput gehaald. Integendeel, hij herstelde met Jan en Aert de straat met grond van de steenpoel op het erf van Franchois. Hij besloot dat, nu hij erover nadacht, de straat deels op grond van Franchois ligt en moet opschuiven naar Peter Schoep toe. Dat zeit hij al aan de overmeier en is dan ook verwonderd dat de meier Crabeels soo lichtveerdelijck ende temerairrelijck een rechtszaak heeft ingespannenen onnodige kosten heeft veroorzaakt. Hij hoopt dat de overmeier de kosten zal betalen.


Ten versuecke van joncker Charles Crabeels hooftmeijer des Lants van Assche hebbe ick onderteeckent vorster desselffs Lants van Assche verboth gedaen soo ick doen midts desen aen Aert Peeman knecht van Michiel Wambacq ende aen Franchois ………. knecht van meester Franchois Wambacq dwelck ick oock hebbe gedaen aen den voorschreven meester Franchois ende Michiel Wambacq in persoone ten eijnde dat sij niet meer en souden voorts wercken int aerde schieten in sekeren steenpoel tegen den affschietenden kant naest de strate beneden “Den Exterenbergh” binnen Esschene bij forme van een steuntsel off weringe tegen het voorder affschieten van de voorschreven strate in den voorschreven steenpoel op pene van tsestich goude keurealen off sulcken amende als daertoe is staende. Actum de tweeden meert XVI° achtenenvijftich toirconden ettha. H. Van Innichoven.

Op 15 januari 1658 liet de overmeier weten dat Franchois en Michiel toch voor de schepenbank moesten verschijnen om onder eed te bevestigen dat hun verweer op waarheid berust en zij te goeder trouw handelden. Zij moesten ook de nodige stukken voorleggen waarop zij hun argumentatie steunden. Ingaand op de eis van Crabeels legden de broers op 22 januari de eed af en verklaarden over geen schriftelijke bewijzen te beschikken.

De zitting van de schepenbank van 22 januari 1658.

De schepenen ondervroegen de getuigen die Franchois en Michiel geciteerd hadden in hun antwoord op de aanklacht. Guillam Verbeiren, Jacques Pieman en Hendrik Van Hoorebeke hielden zich aan hun eerste getuigenis en herhaalden dat zij bij het graven van een mergelput op 5 voet van de straat en op het erf van Franchois zandstenen aantroffen en die lieten liggen. Zij voegden er nog aan toe dat de straat aan het goed van Michiel Wambacq eenen crock ende ronde off gelijck eenen ellenboogh maekt en de officieren van Essene haalden er zand voor de pickers ende maeijers.

Jeroen Raspoet, Nicolaes Martino, Jan Van de Gucht, Jan De Putter, Franchois Lippens en Peter Huijsseghem hadden al op 29 december te Asse een verklaring afgelegd en bleven bij die getuigenis.

Joos Van Langenhove, gezworen landmeter bij de Souvereine Raad van Brabant, sprak op 9 januari 1658. Op verzoek van de broers Wambacq had hij de site bezocht en vastgesteld dat Franchois niet in de straat had gepoeld, maar 2 voet op zijn domein was gebleven.

De gewezen overmeier, P.J. Van der Slachmolen, bekende op 26 januari dat hij de zandstenen voor zijn huis uit een groeve in de Eksterenbergstraat had gehaald.

Brieven aan de kanselier.

Na de voor hem ongunstige getuigenissen schreef M. De Bisschop, de advocaat van Charles Crabeels, een brief naar de kanselier van Brabant met het verzoek om zijn klacht tegen de Franchoys en Michiel Wambacq te mogen aanvullen met nieuwe feiten. De kanselier gaf zijn toestemming op 15 februari. Dat lokte een reactie uit van J. Van der Slachmolen die ook over nieuwe gegevens beschikte. Hij was te weten gekomen dat de vorster van Asse zijn getuigen had verboden om nog verklaringen af te leggen. Daarop reageerde de hoofdmeier met een tweede brief aan de kanselier om diversche pointen ende malfaicten van de tegenpartij bij de processtukken te mogen voegen, waarvoor hij ook de toestemming kreeg.

Aan de officier van Essene, Machiel Steppe, gaf hij op 1 maart de opdracht om Aert Pieman, de knecht van Michiel Wambacq en Franchois Lippens, de knecht van Franchois Wambacq te verbieden verder te werken aan het opvullen van de put in de straat.

Adriaan De Kegel gewraakt.

Tijdens de zitting van de schepenbank op 1 augustus onder het voorzitterschap van loco-meier Van Innichoven delibereerden de schepenen Peter Van Mulders, Joos Van Ginderachter, Jan Van der slachmolen en Guilliam Kints over Adriaan De kegel, een getuige van Crabeels. Zij vonden hem een seer lichtveerdich persoon daar hij diversche kinderen had geprocreerd buiten zijn huwelijk. Hij had hij op vraag van Crabeels in de Eksterenbergstraat opmetingen gedaan die zij niet konden aanvaarden daar hij geen gezworen landmeter was. Bovendien verdachten ze hem dat hij in ruil voor de kwijtschelding van een boete, de overmeier een dienst wou bewijzen. Hun derde bezwaar was dat hij een jonge dochter zwanger had gemaakt. Redenen genoeg vonden ze om zich te verzetten tegen zijn getuigenis.

Het antwoord van Crabeels.

De reactie van de hoofdmeier liet niet lang op zich wachten. Op 11 augustus deelde hij aan de schepenbank zijn nieuwe informatie mee:

– De gedaagden Franchois en Michiel hebben de steenpoel, wel 20 voet diep, laten vullen om de bewijzen te laten verdwijnen.

– Ze lieten ook een gracht graven om te beletten dat het water de grond zou wegspoelen. Trouwens, een deel van de straat was al in de put gespoeld. Ze wilden dat camoufleren door eigen grond aan te voeren.

– Zonder toelating van het gerecht plaatsten ze een grenspaal om de straat een andere bedding te geven. Later hebben ze die weggenomen.

– In de berm staat een kerselaar en enkele oude eiken en daaraan is te zien dat de gedaagden 4 voet van de straatbreedte hebben ingenomen op de plaats van de steenpoel  waaruit zij de grote partij stenen hebben gehaald die nog op het erf van Franchois ligt.

De zitting van 11 augustus 1658.

De schepenen Peter Van Mulders, Joos Van Ginderachter,Jan Van der Slachmolen en Aert Robijns beslisten om Peter De Bus en Peter Schoep niet te laten getuigen omdat zij aan de overkant van de straat een steenpoel hebben en zelf een deel van de straat hebben ingenomen. Zij bevestigden nog dat Adriaan De Kegel als creatuur des aanleggers en lichtveerdich persoon niet mag getuigen. Maar M. De Bisschop, als advocaat van Crabeels, legde toch de getuigenissen voor die de drie op 3 maart hadden afgelegd.

– Peter De Bus, 36 jaar, inwoner van Essene en steenhouwer, heeft gezien dat de gedaagden hun steenpoel tegen de straat door hun werklieden 18 voet lieten ophogen om het instorten van de wanden te voorkomen. Dat gebeurde na de vorstperiode van de voorbije winter en in zo’n slecht weer dat men eenen hond niet en soude vuijtten huijse jaegen. Tijdens het proces legden ze een berm aan om het instromende water af te leiden. Op 2 maart stortte toch een deel in en dat hebben de werklieden opgevuld. Hij weet ook dat de broers met stortkerren mergel hebben weggevoerd en een grote hoeveelheid zandstenen uit de put haalden. De stenen liggen nog op het erf.

– Peter Schoep, 57 jaar, Essenaar en kuiper, herhaalde de woorden van De Bus en voegde eraan toe nabij de hut van de steenkappers de bomen, struiken en hagen gerooid zijn.

– Adriaan De Kegel uit Meldert, 36 jaar, was op 2 maart op vraag van de overmeier naar Eksterenbergstraat gekomen. Hij bevestigde wat de twee vorigen zeiden en verklaarde nog dat hij de straat heeft opgemeten en volgens hem hebben Franchois en Michiel aan het begin van de straat 5 voet ingenomen en hogerop nog 2 voet. Zelf heeft hij nog geholpen om de steenpoel verder op te vullen met grond die van een hoger gelegen veld kwam. Twee jaar geleden liet Franchois een olmen stok plaatsen, dik omtrent een schupsteel, om de straat af te bakenen aan het goed van Michiel. Maar een van diens knechten heeft die omver gereden. Martinus, de zoon van Franchois, verving de stok door een steen die Adriaan op bevel van Michiel heeft weggenomen.

– Gerard Camerman, een 63-jarige pachter van Essene, was gedagvaard door officier Michiel Steppe. Volgens hem kan men door al die werken niet meer zien waar de straat vroeger lag. Franchois Wambacq heeft de oude berm met meerdere bomen verwijderd en een nieuwe berm laten aanleggen. Zijn steenpoel was zeer diep en als er iemand in zou vallen, dan zou hij de hals ende been off anderen deel van sijnen lichaem breken.

Gesien etha, ’t proces voor hun hangende onbeslicht tusschen joncker Charles Ignatius Crabeels hooftmeijer des Landts van Assche ende meijer tot Assche nomine officii aenlegger ter eenre tegen meester Franchois ende Michiel Wambacq gedaeghden te andere sijden soo ende gelijck ’t selve is geïnstrueert tot duplycke inclus volgende den instrumente daeraff sijnde in dorso gequoteerd numero ………. wijsen ende vercleeren dat het voorschreven proces nochtertijt niet en is in staet om diffinitievelijck gedecideerd te worden maer dat ierst ende vooral informatie sal worden genomen op de feijten bij de voorschreven partijen nu geposeert, admitterende de selve daerop ten thoone om ’t selve. Gedaen ende de saecke andermael geïnstrueert sijnde voorts recht gedaen te worden naer behooren. De costen ten diffiniteven reserverende. Aldus gedaen den XXI° meije 1658 present J. Van Der Slachmolen ende Aert Robijns.

De zittingen van 4 en 5 september 1658.

Loco-meier Hendrik Van Innichoven en de schepenen Peter Van Mulders, Jan Van der Slachmolen en Guillam Kints zetten op 4 september de verhoren voort.

-Peter Van Overstraeten was een pachter en landmeter van 65 jaar uit Sint-Martens-Lennik. Op verzoek van de gedaagden, de broers Wambacq, had hij op 4 september  1657 de straat opgemeten met assistentie van Aert Kints en Joos Van Langenhove, beiden gezworen landmeters. De straat was respectievelijk elf voeten (3,03 m), dertien (3,58 m) tien (2,75 m) en twaalf voet (3,30 m) breed[1] en de steenpoel had een oppervlakte van 4 roeden 9 voeten.

Hij stelde ook vast dat de berm nu dichter bij de straat lag dan eertijds.

De volgende dag verhoorden Jan Van der Slachmolen en Peter Van Mulders nog Peter Symoens, Guilliam De Baetselier, Guilliam Coppens en Jan Van Neygen.

– Peter Symons was een 75-jarige inwoner van Wambeke. Hij weet zeker dat Franchois Wambacq nooit in de straat heeft gepoeld. Zijn poel kwam tot 4 of 5 voet van de straat. De straat is altijd al een diepe holle weg geweest. In zijn jonge jaren woonde hij in Essene en reed hij vaak door de straat. Zij was toen zo smal dat hij zich met een eg heeft vastgereden. Hij moest toen van zijn paard komen om de eg los te maken. Op verzoek van Franchois is hij nog eens naar de straat geweest en zag dat ze nu effen en gemakkelijk berijdbaar is en dat Franchois de vlasput weer heeft geopend.

– Guilliam De Baetselier uit Hekelgem is 70 jaar en schepen van de abdij. Hij herhaalde wat Symons zei en voegde eraan toe dat de olm die vroeger in de berm van Franchois stond nu tot tegen de straat komt omdat de weg naar het goed van Franchois is opgeschoven met als gevolg dat de wortels van de bomen in de berm worden bloot gereden. De steenkappershut van Peter De Bus en Peter Schoep staat gedeeltelijk op de straat. Dat de broers Wambacq stenen uit een straatpoel haalden, heeft hij nooit gehoord.

– Guilliam Coppens is 78 jaar en komt uit Essene. Hij was het eens met de voorgaande getuigen. Hij weet dat er vroeger aan de kant van Peter Schoep een gracht lag die nu is opgevuld met grond. Hij heeft ook regarde genomen van een kerselaar en een olm die vroeger in de berm van Franchois stonden en nu verder van de straatkant staan en daarmee spreekt hij de andere getuigen tegen.

– Jan Van Neygen is smid in Essene en 57 jaar. Hij was vroeger paardenknecht bij Franchois en kende de straat goed. Nu is het een goed berijdbare weg, maar vroeger was ze in zo’n slechte staat dat men zich voortdurend vast reed. Hij was er bij toen de eerste steenpoel werd gegraven en die kwam niet tot aan de straat.

De zitting van 7 september 1658.

Advocaat M. De Bisschop protesteerde tegen het verhoor tijdens de voorbije twee zittingen van de schepenbank van getuigen zonder dat hij daarvan tijdig op de hoogte was. Het waren ook getuigen die ofwel vrienden, familie of werklieden waren van de Wambacqs. Er werden nog drie getuigen ondervraagd.

– Essenaar Hendrik Van Hoorebeke, 46 jaar, werkte al 14 jaar in de steenpoel van Franchois en sinds 1654 in de mergelput. Op bevel van Franchois moesten ze met de groeve 4 of 5 voet van de straatkant blijven. Hij heeft ook nog in de vlasput gewerkt.

– Jacques Pierman, 56 jaar en eveneens uit Essene, ontdekte samen met  Guilliam Verbeiren, mergel in de steenpoel. Dat was in 1654. Zandstenen heeft hij aan de straatkant niet gezien en hij noch sijne confrères noijnt en hebben aen de straete getoucheerd en hebben nooit gezien dat Franchois er stenen uit de straat haalde. Tot slot zei hij dat hij nog in het huis van Franchois heeft gewoond.

– Guilliam Verbeiren beklemtoonde dat hun meester hen verbood tot aan de straat te delven.

Besluit.

Deze processtukken zijn bijzonder interessant omdat ze aantonen dat niet alleen de abdij, maar ook particulieren zandsteengroeven hadden. Dat alle getuigen verklaarden dat de put heel diep was, illustreert dat de zandsteenlagen op een diepte van 6 tot 10 m voorkwamen. Dat er nog in de 17de eeuw mergel werd opgegraven om op de velden te voeren is toch eerder uitzonderlijk. Rootputten vond men in onze streek nog tot de eerste decennia van de 20ste eeuw.

De vele getuigen behoorden duidelijk tot een van de twee kampen. Franchois en Michiel Wambacq konden wel rekenen op meer en betrouwbaarder getuigen. Over het feit dat de vorige hoofdmeier in de straat een steengroeve opende om er de stenen voor zijn huis uit te halen, is er geen tegenspraak.

Opmerkelijk is ook dat meerdere getuigen de Eksterenbergstraat aanduiden als de weg naar Aalst en Affligem. Dat geeft aan de deze holle en steile aarden weg een belangrijke verbindingsweg was die men verkoos boven de oude heerbaan.


[1] De Brusselse voet = 0,2758 m.

[1] VERMOESEN, De Zandsteengroeven van de abdij Affligem, Heemkunige Kring Belledaal.

[2] P. LINDEMANS, Geschiedenis van de landbouw in België, dl II, 233.

[1] Fontes Affligemensis, nr. 20. Bona et Jura Monasterii Haffligemensis, ingeleid door Jaak Ockeley, 1975, 26.

[2] JAN VAN DER HAMEYDE (pseudoniem van Jan Lindemans) publiceerde delen van het memorieboek in Eigen Schoon en De Brabander.

Het Hof te Putte te Meldert.

Het Hof te Putte ontstond als een winning op het Kravaal en in de nabijheid van de zandsteengroeven die de abdij al ca 1151 uitbaatte. De oorspronkelijke naam was Hof ter Woestijnen, een naam die verwees naar de verlaten groeven. In 1424 was het een middelgroot bedrijf. In 1637 brandde de hoeve af. Jaspar Breem was er pachter in 1650. Hij had 2 paardenknechten en een schaapherder in dienst. Toen was het hof 61 b 86 r groot. 9 jaar later ging hij een nieuw pachtcontract aan voor 150 gulden, 15 mudden tarwe, 15 mudden rogge en 10 mudden haver. Wellicht heeft de familie Breem de hoeve verlaten wegens financiële problemen. In 1664 gingen Jaspar en zijn tweede vrouw Joanna Van der Borght een lening aan van 600 gulden. In 1679 geraakte Joanna, toen al weduwe, zwaar in moeilijkheden want ze had de lening al 13 jaar niet meer afbetaald.

 De schuur en de stallen werden in 1702 – 1704 vernieuwd, maar op 6 mei 1704 brandden stallingen af[1]. Volgens het Kaartboek van 1727 was Adriaan Van Linthout de pachter. De hoeve met hopvelden en bos was 15 b en 60 r groot. Hij pachtte nog van de abdij op het Blok, het Putbroek, het Travoilleveld, de Terrenberg, de Middelhoek en het Huysbroeck, samen 39 b 34 r. Met zijn eerste vrouw, Anna Meert had Adrianus drie meisjes, Catharina, Maria-Anna en Elisabeth. Hij hertrouwde met Joanna Magnus  en kreeg nog twee kinderen: Catharina en Jacobus. Na zijn dood trouwde Joanna met Hendrik T’ Sas op 18 maart 1739. Zij hadden geen kinderen.


[1] VERLEYEN, Meldert, 119 – 120

Het Hof te Putte in 1727 volgens het Kaartboek van Meldert.

In 1756 vinden we Hendrik T’ Sas als pachter. Op zijn vraag liet de abdij een nieuwe kelder bouwen en volgens de overeenkomst met de abt droeg Hendrik 280 gulden bij in de kosten. Als hij het hof verliet dan moest zijn opvolger die 280 gulden aan hem betalen. Voor de abdij ondertekende dom Fulgentius Biebuijck, de syndicus, het contract. Jan Baptiste Van Linthout volgde Hendrik T’Sas op als pachter en op 28 mei 1760 kreeg T’ Sas de 280 gulden terug. Jan Baptiste trouwde met Catharina De Mesmaecker en samen hadden ze 7 kinderen: Joanna, Henricus, Carolus Jan, Josephus, Jan Baptiste, Petrus en Maria Anna.

Het hof nog altijd als een gesloten hoeve op de Ferrariskaart, ca 1771.

Op 5 september 1796 publiceerde de Franse bezetter het decreet op de afschaffing van de kloosters. Alle abdijbezittingen werden geconfisqueerd en de volgende jaren kwamen experts de waarden van de goederen schatten met het oog op de verkoop. Voor het Hof te Putte gebeurde dat op 20 juni 1800. Jan Baptiste Van Linthout was nog de pachter. Hij had op 9 oktober een nieuwe overeenkomst getekend voor 9 jaar met syndicus dom Hiëronymus Haenen voor 1 892,90 fr. pacht per jaar. Aan het proces-verbaal van de schatting was de opmerking toegevoegd dat op het erf een hopast stond die eigendom was van Van Linthout. In het geval die de hoeve verliet, was de opvolger verplicht hem 280 gulden te betalen. De schatters bepaalden de jaarlijkse opbrengst op 3 447 fr. en de verkoopprijs op 68 940 fr.

Beschrijving van de goederen:

Een hoeve genaamd “Te Putte” bestaande uit een woonhuis gebouwd in steen en bedekt met stro. Het woonhuis heeft zes plaatsen op gelijkvloers, een wasplaats, bakkerij, oven, twee kelders en een zolder in goede staat. Verder op de hoeve vier schaapsstallen in slechte staat, vijf stallen voor de paarden en de koeien in goede staat, twee schuren, een bergplaats, en een groentetuin. Dit alles met 57 bunder twee dagwand 24 roeden (72 ha 38 a 17 ca) land, weide en bos. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

  1. Drie dagwand (94 a 31 ca) landbouwgrond gelegen te Meldert waarop de hoeve zich bevindt, grenzend langs alle zijden aan het land van de hoeve.
  2. Één bunder drie dagwand (2 ha 20 a 6 ca) landbouwgrond gelegen te Meldert op de plaats genaamd “Het Huysblock” grenzend langs alle zijden aan het land van de hoeve.
  3. Één bunder 90 roeden (1 ha 54 a 4 ca) weide gelegen te Meldert en grenzend langs alle zijden aan het land van de hoeve.
  4. Acht bunder drie dagwand 76 roeden (11 ha 24 a 20 ca) weide gelegen te Meldert op de plaats genaamd “Het Putveld” grenzend oost en noord aan aan het land van de hoeve, zuid aan Josse Vermoesen, en west aan burger Verbruggen.
  5. Vijf bunder drie dagwand 6 roeden (7 ha 30 a 92 ca) landbouwgrond en bos gelegen te Meldert en grenzend langs alle zijden aan het land van de hoeve.
  • Vijf bunder 26 roeden (6 ha 36 a 92 ca) bos gelegen te Meldert op de plaats genaamd “Elsbroeck” grenzend langs alle zijden aan het land van de hoeve.
  • Negen bunder twee dagwand 96 roeden (12 ha 24 a 80 ca) landbouwgrond en bos gelegen te Meldert op de plaats genaamd “Het Cravailveld” grenzend langs alle zijden aan het land van de hoeve.
  • Vijf dagwand 25 roeden (1 ha 65 a 5 ca) bos gelegen te Meldert en grenzend langs alle zijden aan het land van de hoeve.
  • Één bunder één dagwand één roede (1 ha 57 a 50 ca) landbouwgrond gelegen te Meldert en grenzend langs alle zijden aan het land van de hoeve.
  1. Vijf dagwand (1 ha 57 a 19 ca) landbouwgrond gelegen te Meldert op de plaats genaamd “Het Starnebergveld” grenzend langs alle zijden aan het land van de hoeve.
  2. Twaalf bunder één dagwand 25 roeden (15 ha 48 a 30 ca) bos gelegen te Meldert op de plaats genaamd “De Putberg” grenzend langs alle zijden aan het land van de hoeve.
  3. Drie bunder drie dagwand 58 roeden (4 ha 89 a 80 ca) landbouwgrond gelegen te Asse op de plaats genaamd “Het Dorpsveld” grenzend oost aan burger De Wit, west aan het land van de hoeve, zuid aan burger De Baerdemaeker, en noord aan burger Jean Mergan.
  4. 57 roeden (17 a 92 ca) weide gelegen te Meldert en grenzend oost en noord aan het land van de hoeve, zuid aan burger F. Vermoesen, en west aan Pierre Goossens.
  5. Één dagwand (31 a 44 ca) landbouwgrond en bos gelegen te Meldert op de plaats genaamd “Het Kleyn Veldeken” grenzend oost en zuid aan burger Stas, west en noord aan het land van de hoeve.
  6. Vijf dagwand 6 roeden (1 ha 59 a 7 ca) weide gelegen te Meldert en grenzend langs alle zijden aan het land van de hoeve.
  7. Zes dagwand (1 ha 88 a 62 ca) weide gelegen te Meldert en grenzend langs alle zijden aan het land van de hoeve.
  8. Één bunder (1 ha 25 a 75 ca) weide gelegen te Meldert en grenzend langs alle zijden aan het land van de hoeve.

Op 30 oktober 1800 kocht  Luc Van Loo uit Gent, alle goederen. Hij was een stroman optrad voor Le Hodey uit Gent en Guillaume De Clercq, Luenekens & Augustin Boel uit Aalst.

Volgens de Popp-kaart van ca 1860 is Julie Declercq uit Antwerpen de eigenares, niet alleen van het huis, nr. 529a; het erf, nr. 528; de tuin, nr. 527; de boomgaard, nr. 530; maar ook van een hopveld, nr. 526; een weide, nr. 535 en land, nrs 524, 525 en 534 rond het hof en verder gelegen nog land en twee percelen bos, samen 16 ha 36 a 80 ca. Het hof is geen gesloten hoeve meer. Bemerk de vijver aan de overkant. Een slenk van een voormalige steengroeve.

In 1940 tekende dom Petrus van Aalst, monnik van Affligem, het Hof te Putte als illustratie bij een artikel over Meldert dat in De Mariagroet verscheen. Het was dan een klassieke boerderij met een mesthoop op de binnenkoer.

Het Hof te Putte in 1978.

Oude pachthoeve (16de-17de eeuw) van de abdij van Affligem. Voorheen waarschijnlijk een gesloten hoeve. Enigszins geïsoleerd gelegen in een bosrijke omgeving. L-vormig complex. Bakstenen gebouwen onder zadeldaken (mechanische pannen). Aarden erf, met tuintje van de straat afgesloten door middel van betonplaten. Boerenhuis in traditionele bak- en zandsteenstijl. Één bouwlaag en zeven traveeën onder afgesnuit zadeldak gesteund op sierlijke houten daklijstbalkjes. Recent houten bord met datering 1637 in achtergevel. Witgekalkte, verankerde gevel op gepikte plint. Overschilderde rechthoekige vensteromlijstingen van zandsteen met kwarthol beloop en duimen (voorheen kruiskozijnen die lichtjes naar onderen toe vergroot zijn) en zandstenen rondboogdeur met kwarthol beloop. Rechtse zijgevel met aandak op schouderstukken, vlechtingen en twee zandstenen venstertjes. Achtergevel met twee getraliede zandstenen venstertjes. Lagere haakse aanbouw van een travee onder zadeldakje; aandak met vlechtingen op schouderstukken en rechthoekig venstertje met latei. Ertegen aangebouwd bakhuis onder zadeldak met aandak en vlechtingen, klein zandstenen venstertje en steekboogdeur. Ten westen twee haakse schuren uit de 18de eeuw (?), ongeveer in elkaars verlengde gebouwd, onder zware dakkappen. Rechthoekige muuropeningen. Linker schuur met zeer hoge rechthoekige poort onder verhoogd dakgedeelte. Rechtse schuur met laadluik. Binnenin: oude woonkamer met zwartmarmeren bevloering. Twee zandstenen schouwen van circa 1630 met geprofileerde dragers[1].

Nu boeren al meerdere generaties van de familie Roggeman op het hof. Sinds 1985 zijn ze ook de eigenaren. Zij maakten van de boerderij een modern bedrijf. De 17de eeuwse zandstenen schoorsteenmantel is in het fraai gerestaureerde huis bewaard gebleven.


[1] Bouwen door de eeuwen heen, 5N1, 174 – 175.


Meldert: van Nedermolen tot Mooie Molen.

Met zijn ezels, beladen met graan, ging Ingelbert naar de watermolen en hij bleef daar helpen met het malen. Als het middag werd, ging hij op een zak zitten en at met de knechten het meegebrachte brood op.

Ingelbert van Clafstert, trad in 1094 in de abdij Affligem in. Dank zij zijn nederige arbeid weten we dat de molen omstreeks 1100 werd opgericht. In het begin waren knechten van de abdij de molenaars, maar in 1317 was hij al verhuurd. De pachter moest het graan malen voor de abdij en de molen op zijn kosten onderhouden, de abdij leverde wel het hout. De beek die de molen van het nodige water voorzag, liep oorspronkelijk in het midden van het terrein waar nu de vijver is. Door een dam te werpen dwars door het moeras ontstond de vijver als waterreservoir voor de molen. De eerste vermelding ervan dateert van 1659 toen een nieuw molenhuis werd gebouwd. In 1667 staken de Fransen de molen in brand. Het oudste nog bestaande gebouw dateert van 1688. Vanaf de 17de eeuw tot 1922 vinden we de familie De Vis als molenaars. In 1797 waren molen en woonhuis nog opgetrokken uit hout en bedekt met stro. Na de nationalisatie verkocht de Franse overheid de molen op 17 februari 1804 aan Philippe Van Hecke uit Gent. In de loop van de volgende decennia kende de molen meerdere eigenaars.

Meer informatie over deze watermolen zie ook o. a.: Molenaar Jan De Vis(ch) 1699 – 1768 door Ben Vermoesen & Edmond Schoon, De Faluintjes jg. 30 nr. 3, 2017 en Familie De Vis door Henri Van Nieuwenborgh, Wett. Depôt: D/2016/11.188/2.

In 1921 – 1922 werd de Nedermolen gedeeltelijk afgebroken en verdween er elke activiteit. Als watermolen kon hij de concurrentie met de mechanische molens niet aan. Maar hij verrees als herberg “De Mooie Molen” in 1937. Tot de jaren vijftig was De Mooie Molen dé ontspanningsplaats van de streek vooral door de vijver. Men kon er zwemmen en varen. Geleidelijk aan echter verloor ook de vijver zijn aantrekkingskracht en vanaf 1994 geraakten molen en vijver in verval. En toch kwam er weer een nieuwe bloeiperiode. De Mooie Molen werd verbouwd tot een prachtig restaurant en aan de vijver zijn er altijd vissers te vinden die in De Goudkarper een hapje en een drankje vinden.

Ferrariskaart_1777
De Molenvijver als ontspanningsoord.
Foto van na W.O. II.

Meldert tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog (1740 – 1748).

1 – Meldert in 1747.

Artikel gepubliceerd in De Faluintjes.

2 – De rampzalige zomer van 1745.

De schepenbank van Asse bewaart twee documenten over verplichte leveringen en plunderingen in augustus en september van 1745[1]. Op 13 juli waren 2 800 Franse soldaten de abdij binnen gevallen. Ze bleven er zes weken en Meldert moest mee instaan voor hun onderhoud. De eerste lijst bevat de refraichissementen die de troepen van sijne alder chtistelijcke Majesteijt in Meldert hebben genoten. De bedragen zijn uitgedrukt in gulden, stuivers en oorden.

Een commando van de kolonel Grassin van omtrent 300 man infanterie met enige officieren te paard verteerden op drie en vier augustus voor 116-4-0 waarvan een gedeeltelijke kwitantie.

– Op 16 september consumeerde een commando infanterie van het regiment met grijze kleren en purperen omslagen op hun mouwen: brood, boter, vlees, bier, wijn en andere voor 54-4-0, waarvan kwitantie.

– Op 19 september eiste een commando van omtrent 100 mannen van verscheidene regimenten, waaronder enigen van het regiment van Piëmont, bier, brood, boter, vlees en specerijen voor 36-6-0.

– Op 25 september geleverd aan een commando van ’t zelfde volk brood, kippen en andere voor 6-1-0.

– In de maand augustus werden voor 36 werkdagen transporten gedaan met wagens waaronder een transport van 5 dagen met 4 paarden, een van 4 dagen met 3 paarden en een van 27 dagen met twee paarden en dat voor 164-0-0.

– Voorts nog meerdere opdrachten te voet en te paard naar Lippelo, Aalst en Affligem, in het totaal voor 82 dagen waarvan 68 met een paard en 16 te voet. De reis te paard zijn gerekend aan 3 gulden per dag en die te voet aan 1 gulden, samen 236-0-0.

– Tijdens de maand augustus werden 257 pioniers geleverd voor Lebbeke en Affligem aan 1 gulden voor iedere pionier maakt 257-0-0.

Totaal: 869-15-0.

Onder de lijst staat de volgende vermelding:

Wij onderschreven bedesetters en ingezetenen van de voorschreven parochie verklaren dat de bovenstaande leveranties ende devoiren in de lijst vermeld, behoorlijk geleverd en geschied zijn en voorzien van enige kwitanties, maar niet van alle en opdat de heren en hoven er volkomen geloof aan zouden hechten, wat nodig is, hebben wij dit ondertekend. Actum Meldert deze zevende oktober 1745 H. Van Zeebroeck, Jan Willems, J. De Witte, J.L. Van Brempt.

De tweede lijst handelt over de plunderingen op 12 en 13 augustus door alweer de troepen van de alder christelijckste Majesteijt. Forcelijck ende reguereuselijck hebben zij uit de huizen en stallingen gesleurd: allerlei meubels, kleren, lijnwaad, koper, tin, bier, boter, vlees, brood en andere, koeien, varkens en andere. Uit de schuren haalden ze vruchten en hooi. De schade beliep tot 3 184 gulden volgens de ingediende lijsten die de bedesetters hebben geverifieerd opdat de heren en hoven er geloof aan zouden hechten. In het teken der waarheid tekenden op zeven oktober 1745.

J. De Witte, J.L. Van Brempt, H.Van Zeebroeck, Joos Van Biesen, Jan Willems, Gillis Beeckman, Francis Beeckman, Carel Geeroms, Gillis Beeckman

3 – De lening van 1748.

Op 26 mei 1746 klaagde pastoor F. Goetgebuer over de armoede in zijn parochie en het jaar daarop is de nood zo hoog dat de bedesetters, regeerders, ingesetenen en gegoeide van Meldert aan Franciscus Beeckman en Peter van Ighem de opdracht gaven om een lening van 6 000 gulden aan te gaan tegen de intrest die ze konden bekomen. Daarmee wilden ze verscheidene particulieren terugbetalen die in 1745, 1746 en 1747 de kosten van de dagelijkse leveringen voor de gelegerde troepen voorgeschoten hadden. Hun opdracht hield ook in dat ze aen de eerwaerde en edele heeren staeten van Brabant de toestemming voor die lening vroegen. Was getekend op 2 augustus 1748. Tekenden: J. De Witte, Franciscus Beeckman, Peter Van Ighem, Alexander VanderSchueren, A. De Coster, Guillam Vermoesen, Pauwel Van Malder.

4 – De toegekende vergoedingen voor 1746.

Op 15, 16, 17 en 18 juli 1749 legden de bedesetters, principaelste gegoeide ende gemeijntenaeren collegiaal de vergoedingen vast voor de door troepen opgelegde prestaties in 1746 voor logementen, pionierdiensten en verplichte reizen te paard of te voet door inwoners van Meldert:

– voor iedere reis te voet of te paard: 5 stuivers per dag.

– voor een pionier: 15 st/dag.

– voor elke begeleiding te paard: 35 st/dag.

– voor iedere begeleiding te voet: 15 st/dag.

– een transport met wagen naar Aalst: 25 st/dag.

– idem naar Affligem: 10 st/dag.

– idem nar Asse: 1g/dag.

De beslissing viel vier jaar na de feiten. Hopelijk volgde de betaling snel.

Edmond SCHOON

Ben VERMOESEN


[1] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 6884.

Meldert: de telling van 1621 .

Meldert: de telling van 1621[i].

In opdracht van de Staten van Brabant en van hunne heerheden” Albrecht en Isabella, werden in de gemeente alle huizen met het aantal haarden, ovens, asten ende andersints zoals ploegen geregistreerd. Was het de bedoeling om na te gaan of de bevolking nog bijkomende lasten kon dragen, dat is niet duidelijk. In elk geval geeft de telling een goed beeld van de sociale toestand in Meldert aan het begin van de 17de eeuw. Geen schouw in huis, maar een rookgat wijst op armoede, twee of drie schouwen daarentegen zijn tekenen van een zekere welstand. Hetzelfde geldt voor het bezit van een ploeg. Zonder ploeg moest de boer zijn akkers zelf omspitten, met een ploeg kon men grotere oppervlakten bewerken. Deze telling kwam er net voor het einde van het Twaalfjarig Bestand.

Het Twaalfjarig Bestand.

In 1566 trok de Beeldenstorm een spoor van vernieling door de Nederlanden. De strijd tussen katholieken en protestanten evolueerde naar een oorlog tussen Spanje en de Noordelijke Nederlanden. De strijd verliep met wisselende kansen en aan het begin van de 17de eeuw waren beide partijen oorlogsmoe en de bevolking was uitgeput. Verwoeste steden, verwilderde velden, vluchtelingen … De Nederlanden boden een armmoedige aanblik. De wapenstilstand, gesloten in 1609, liet de bevolking toe om aan de wederopbouw te werken.

Sinds 1598 regeerden Albrecht en Isabella over de Zuidelijke Nederlanden en hun beleid droeg bij tot een heropleving van het economisch leven. In 1621 echter stierf Albrecht en Isabella bleef kinderloos achter. De Spaanse koning Philips III nam het bestuur weer over en de oorlog herbegon en zou nog tot 1648 duren.

De telling.

De telling werd uitgevoerd door meier Arnouldt Adriani en Steven Van Mulders, schepen van het Land van Asse,en de griffier Van der Heijden op 7 januari 1621. Meldert telde toen104 huizen met zo’n 533 bewoners. In 2 huizen stond er geen schouw, er was alleen een rookgat, 70 huizen hadden 1 schouw, 28 hadden er 2 en bij Franchois Lemmens, Aert Robijns, Jaspar Robijns en Peter Van den Wijngaert stonden er 3. Zes gezinnen leefden van de steun van de armendis. Bij zowat 2/3 van de huizen telde men ook een oven.

 Opvallend is het grote aantal asten, nl. 46, wat betekent dat bijna de helft van de boeren een hopveld had. Dat was zeker het gevolg van de goede kwaliteit van de hop en de toenemende faam van onze hopstreek. In de loop van de 15de eeuw had de hopteelt een snelle uitbreiding gekend in de regio Aalst-Asse. Het aantal hopplanten per veld nam constant toe. De Aalsterse hopmarkt, onder het beheer van de Koopmansnering van St.-Rochus, bewaakte de kwaliteit door de hop die op de markt werd aangeboden te keuren en te ijken met haar merk. Een eerste erkenning van haar verdiensten bereikte de nering toen in 1609 de maten voor het wegen van hop geüniformeerd werden met de afwijkende maten van Antwerpen en Brussel. Vervolgens kenden de aartshertogen Albrecht en Isabella de stad Aalst in 1613 het monopolie van de hophandel toe. Ze verboden dat nog langer hop, op het platteland van Aalst en Asse aangekocht,  buiten het Land van Aalst zou verkocht worden vooraleer ze door gezworen waardeerders op de Aalsterse markt gekeurd en goed bevonden werd. Dat hield de feitelijke erkenning in dat de hop uit het Aalsterse de beste van de Zuidelijke Nederlanden was[ii].

Met de telling van de ploegen, kreeg men een indicatie van de grootte van de boerderijen. 28 boeren hadden er 1, Franchois Breem had er 2 en Jaspar Robijns zelfs 3. Tweemaal drie boeren hadden samen een ploeg. De meeste boeren bewerkten de grond nog met een spade of deden een beroep op een paardenboer met zijn ploeg, waarschijnlijk in ruil voor hulp bij het oogsten.

Edmond SCHOON

Ben VERMOESEN


[i] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 6876.

[ii] B. VERMOESEN, Affligem Hoppeland, p. 8.

De oorlogslasten voor Meldert in 1696.

De Franse koning Lodewijk XIV had, met zijn ambitie om Frankrijk natuurlijke grenzen te geven, zijn veroveringsoorlogen tijdens de Negenjarige Oorlog (1689 – 1697) in de Zuidelijke Nederlanden uitgevochten. Voor onze streken betekende dat extra belastingen, contributies, opeisingen, plunderingen en verwoestingen. In 1696 liet de raadsheer van Financiën Michel Servai een balans opmaken van de oorlogsschade tot 1696. Zijn verslag geeft een beeld van de situatie per dorp op het einde van de vijandelijkheden. Het bevat de verschillende factoren die hebben bijgedragen tot de totale schade die de dorpen hebben geleden tot 1696. De raadsheer maakte geen onderscheid tussen de contributies die de Fransen of de geallieerden hebben geheven, maar wel tussen de rechtstreekse gevolgen van de strijd zoals brandstichting, plundering, logementen, confiscaties, opgelegde karweien enz.[1] Om voor Meldert aan de geëiste bedragen te komen, hadden de bedesetters de inwoners een dubbele belasting opgelegd. De eerste belasting gebeurde volgens gewoonelijcke costume deser lande usantie en de tweede volgens de oppervlakte van de gronden die ze bewerkten. Daarvan volgt een lijst. Maar eerst beschrijven we kort het verloop van de Negenjarige Oorlog (1689 – 1697) in onze regio. Dan volgt een overzicht van de schadeclaims van Baardegem en Meldert, vervolgens een lijst met de hoogste oorlogslasten en tenslotte een selectie uit de lijst van de geleverde karweien van 1692 tot 1696.

De Negenjarige oorlog (1689 – 1697).

Wonen in de schaduw van de beroemde en rijke abdij Affligem bracht voor Meldert veel voordelen. Maar in oorlogstijd was dat een groot nadeel. De troepen, zowel de aanvallende Fransen als onze zogenaamde bevrijders, de Spanjaarden, Nederlanders, Engelsen, Brandenburgers …, wisten heel goed dat de abdij een rijke buit was en kwamen maar al te graag, plunderend en brandstichtend naar Affligem en Meldert deelde mee in de klappen.

Dom Bernard beschreef nogal beeldrijk hoe het leven in die tijd was voor de abdij en het omliggende[2]:

Toen gevoelde Affligem meer dan ooit de ongelukken van der oorlogen; geen dag zonder soldaten; geen morgend zonder vrees; geen avond zonder schrik; nauwelijks mochten wij ons verheugen over het vertrek van éénen soldaat of wij moesten ons bedroeven over de aankomst van velen: hooi en haver hadden wij in overvloed en nogthans weldra was alles verdwenen en men voedde de peerden met gerst en tarwe; voor de soldaten kon men geen bier of wijn genoeg opdienen; het droge hout voor vele jaren, werd op eenige maanden verbrand. Alle rust was voor de monniken verloren, de onbeschoftheid en de woede der soldaten was ons dagelijks brood en het water der bitterheid onze drank; somtijds waren drij of vier benden peerdenvolk en zooveel benden voetvolk met hunne oversten onze medebewooners en iedereen zal gemakkelijk begrijpen hoe spoedig al wat er in het klooster was, verteerd werd. Men haalde geld op, men kocht nieuwe levensmiddelen, maar altijd hetzelfde gebrek.

Daarna volgden  de oorlogsfeiten elkaar snel op[3]:

– Op 19 september 1690 viel een bende Fransen de abdij in en namen de proost gevangen omdat de abdij de oorlogsschatting nog niet had betaald.

– De 25ste arriveerde een nieuwe bende met de opdracht de abdij en Essene en Hekelgem af te branden. Dank zij het moedige optreden van de monniken, beperkten de soldaten zich tot het verbranden van enkele huizen en trokken dan verder om hun opdracht uit te voeren.

– 13 oktober. 400 Franse soldaten komen ’s nachts toe aan de abdij. De bevolking slaat in paniek op de vlucht.

– 29 november. De helft van een Frans legioen komt in de abdij overwinteren. Op 28 december arriveert generaal Du Puis met de andere helft en verandert de abdij in een versterkte vesting.

– 24 maart 1691. Het Franse legioen vertrekt.

– 12 mei. 20 Spaanse ruiters in de abdij.

– 23 mei. Veldheer Mocada komt met 70 ruiters de eerste groep versterken.

– 1 juni. 50 Fransen vallen ’s nachts de abdij aan. Zij breken de deuren open en vertrekken nadat ze voldoende geld kregen.

– 11 juni. Dezelfde bende keert terug. Ze eisen bier en eten en vertrekken dan naar Meldert. Ze komen diezelfde nacht terug om de paarden te stelen.

– Heel de zomer wordt er rond de abdij gevochten tussen Spanjaarden en Fransen. Op 7 juli steken de Fransen Meldert in brand omdat de oorlogsbelasting nog niet was betaald.

– 13 september. Fransen steken in Asse 52 huizen in brand en in Meldert 2 huizen en het Hof te Mutsereel.

– 1695. Na de beschieting van Brussel van 13 tot 15 augustus kwamen enige Franse soldaten naar de abdij en roofden gedurende 2 dagen al wat ze konden wegnemen en staken het verblijf van de aartsbisschop in brand.

– 4 mei 1696. Graaf Noyailles vestigt zich in de abtwoning.  Gevolg: het gebouw brandt af.

De verhalende bronnen over de oorlog leren ons dat niet alleen de abdij, maar ook de omliggende dorpen Asse, Baardegem, Essene, Hekelgem en Meldert zwaar werden getroffen.

De schadeclaims van 1696.

Om een idee te hebben van de zware lasten, geven we de cijfers voor de Vrijheid Asse en voor  Baardegem en Meldert. De bedragen zijn uitgedrukt in gulden en stuivers[4].

  Vrijheid Asse Baardegrem Meldert
Jl contributie 24 950 5 885 – 16 7 224
Op 7 jaar 174 625 441 200 50 568
Reeds betaald 35 600 3 000 2 000
Brand 80 000 10 500 50 000
Fourage 7 500 2 030 2 275
Logementen 140 500 6 500 6 500
Transport 38 595 9 651 8 433 – 9
Hout 10 100 1 000 1 000
Koeien en paarden 12 010 3 050 600
Pionniers 2 350 1 025 975
Plundering 18 750    
Graan en stro 384 000 98 000 98 750
Totaal 868 457 231 145 – 12 268 541 – 9

Uit de vergelijking met de naburige dorpen kunnen we besluiten dat Meldert zwaar werd getroffen:

Essene liep voor 189 765 g 9 st schade op, Baardegem voor 231 145 g 12 st, Hekelgem voor 241 548 g 19 st en Meldert voor 268 541 g 9 st. Opvallend is dat de brandschade voor Baardegem eerder beperkt bleef, de andere factoren zijn min of meer in evenwicht.

Selectie uit de belastinglijst van Meldert.

219 gezinshoofden kregen een rekening gepresenteerd voor alle verachterde verloopen renten, belastinggen van pionniers, verteiringhen ende redemptiën, leveringen van diversche effecten gedaen ende gevraecht tot laste der voorschreven prochie. De betalingen mochten in vier schijven gebeuren: ¼ onmiddellijk, ¼ met Sint-Andriesmis, ¼ met Kerstmis 1696 en het resterende ¼ op Sint-Jansmis 1697. De gewone grondbelasting van 6 gulden per bunder werd verhoogd tot 18 gulden. Om een idee te geven van de grootte van de opgelegde bedragen, selecteerden we uit hun lijst[5] al de inwoners die meer dan 1 bunder bewerkten. Na de naam volgt de oppervlakte van de gronden in bunder, dagwand en roeden en het bedrag in gulden, stuivers en oorden

Aelbrecht Merten: met 2 b 89 r moet betalen 40-1-0.

Aelbrecht Peter: met 2 b 2 d 24 r moet betalen 46-2-1/2.

Arijs Joos met 1 b 1 d 96 r moet betalen 26-15-1/2.

Asselijns Jan met 1 b 1 d moet betalen 22-10-0.

Ardenois Carel met 2 b 1 d 67 r moet betalen 43-10-3/4.

Beeckman Pauwel met 8 b 18 r moet betalen 144-16-7/8.

De Biss(chop) Michiel met 3 b 1 d 14 r moet betalen 77-3-1/2.

De Boitselier Anthoon met 1 b 1 d 33 r moet betalen 23-19-1/4.

De Clerck Guillam, nu Franciscus met 51 b 3 d 71 r moet betalen 934-13-0.

De Clerck Joos met 15 b 3 d 44 r moet betalen 285-9-3/4.

De Gols Jan met 1 b 27 r moet betalen 19-4-0.

De Kegel Peter met 1 b 2 d 52 r moet betalen 29-7-1/4.

De Kempeneer Aert met 1 b 25 r moet betalen 19-2-2.

De Kempeneer Steven met 1 b 1 d 17 r moet betalen 23-5-3/4.

De Koecker Jan met 1 b 78 r moet betalen 21-9-7/8.

De Meersman Jan met 1 b 2 r moet betalen 18-2-1/4.

De Meersman Joos met 3 b 1 d 55 r moet betalen 60-19-1/2.

De Mol Jan, nu Van Geert Cornelius met 1 b 2 d 50 r moet betalen 29-5-0.

De Mol Merten met 1 b 1 d 19 r moet betalen 29-8-0.

De Groote ? van Moorsel met 1 b moet betalen 18-0-0.

De Ridder Jacques met 1 b 30 r moet betalen 19-7-0.

De Ridder Peter filius Jans met 5 b 9 r en 1/3 van 1 b bij abuis op Robijns gesteld, moet betalen 96-9-0.

De Ridder Peter met 1 b moet betalen 18-0-0.

De Valck Steven met 1 b 3 d 68 r moet betalen 34-11-7/8.

De Valck Thomas met 1 b 1 d 63 r moet betalen 25-6-1/4.

De Vis Guillam met 2 b 17 r moet betalen 26-14-5/8.

De Witte Jan met 4 b 1 d 84 r moet betalen 80-6-1/2.

De Witte Jacobus met 3 b 2 d 20 r moet betalen 63-18-0.

De Wolf Anthoon met 1 b 1 d 93 r moet betalen 26-14-3/8.

De Wolf Joos, nu Dionijs Verbremt met 1 b 3 d 9 r moet betalen 31-17-7/8.

Elskens Adriaan met 3 b 2 d 18 r moet betalen 63-16-7/8.

Geerstman Peter met 35 b 1 d 17 r moet betalen 668-5-3/4.

Godman Jan? met 13 b 97 r moet betalen 238-7-3/4.

Goeffinck Peter, nu De Leeuw Daniël met 1 b 1 d 99 r moet betalen 26-19-1/4.

Goossens Merten met 1 b 70 r moet betalen 21-3-0.

Henricus Jan met 2 b 3 d 21 r moet betalen 50-9-1/8.

Janssens Peter met 1 b 1 d 30 r moet betalen 23-17-0.

Kindermans Andreas met 1 b 68 r moet betalen 21-1-1/8.

Lemmens Peter met 5 b 83 r moet betalen 40-14-1/4.

Linthout Niclaes met 1 b 32 r moet betalen 19-9-1/4.

Lenaert Alexander, nu Van der Meersch Jan met 5 b 66 r moet betalen 92-19-5/8.

Maes Joos met 1 b 51 r moet betalen 20-5-3/4.

Mannaert Peter met 3 b 2 d 18 r moet betalen 67-4-3/4.

Marissens Jan met 1 b 2 d 14 r moet betalen 27-13-1/2.

Meert Joos tot Aalst met 1 b 97 r moet betalen 22-7-3/4.

Meijsman Steven met 1 b 1 d 98 r moet betalen 26-19-1/4.

Mertens Peter, nu Robert met 3 b 1 d 39 r moet betalen 60-6-0.

Robijns Gerard met 14 b 47 r moet betalen 254-1-5/8.

Robijns Jan, nu Geerstman Jan met 29 b 3 d 32 r moet betalen 436-19-1/4.

Robijns Jan Baptist met 2 b 1 d 3 r moet betalen 40-12-1/4.

Robijns Joos, nu Gillis met 4 b 3 d 83 r moet betalen 80-1-3/4.

Smet Jacques met 1 b 3 d 93 r moet betalen 35-14-0.

Thomas Joos met 1 b 4 r moet betalen 18-4-1/2.

Van Andenhoff Christoffel met 2 b 1 d 25 r moet betalen 41-3-1/2.

Van Buggenhout Jan met 6 b 43 r moet betalen 109-17-1/4.

Van Buggenhout Michiel met 1 b 1 d 63 r moet betalen 25-7-3/8.

Van den Biesen Jan met 8 b 3 d 22 r moet betalen 158-10-0.

Van den Biesen Michiel met 1 b 16 r moet betalen 18-13-1/2.

Van den Biesen ? met 2 b 1 d 32 r moet betalen 41-19-1/4.

Van den Bosch Joos met 1 b 36 r moet betalen 19-11-1/2.

Van den Hout, nu Van Vaerenbergh Jan met 2 b 2 d 64 r moet betalen 47-18-1/2.

Van den Hout Joos met 1 b 24 r moet betalen19-2-1/2.

Van der Borght Karel, nu De Nil Peter met 3 b 1 d 40 r moet betalen 60-6-0.

Van der Borght Jan met 3 b 65 r moet betalen 56-18-1/2.

Van der Jeught Franciscus met 1 b 83 r moet betalen 21-15-3/8.

Van der Jeught Michiel met 1 b 2 d 29 r moet betalen 28-7-0.

Van de Putte Michiel met 25 b 23 r moet betalen 451-1-3/8.

Van de Velde Gillis met 1 b 2 d 72 r moet betalen 30-5-1/4.

Van de Velde Jan met 2 b 1 d 58 r moet betalen 43-1-3/4.

Van den Wijngaert Peter, nu Verhoeven Peter met 1 b 1 d 18 r moet betalen 13-6-7/8.

Van Droogenbroeck Jacques met 1 b 1 d 70 r moet betalen 25-17-1/2.

Van Ighem Michiel met 1 b 1 d 76 r moet betalen 25-17-1/2.

Van Langenhoff Peter met 2 b 3 d 74 r moet betalen 52-17-1/2.

Van Langenhove Jacques filius Adriaen met 3 b 3 r moet betalen 54-3-3/8.

Van Mulders Gillis met 5 b 1 d 91 r moet betalen 47-12-1/8.

Van Neervelt Jasper, nu Jan Willems met 3 b 94 r moet betalen 58-5-1/2.

Van Nieuwenborgh Christiaen met 1 b 2 d 28 r moet betalen 28-5-7/8.

Van Nuffel Jan met 2 b 67 r moet betalen 38-19-5/8.

Van Nuffel Joos met 1 b 1 d 50 r moet betalen 24-15-0.

Van Onchem Gillis met 6 b 2 d 74 r moet betalen 120-6-3/8.

Van Onchem Joos met 2 b 6 r moet betalen 36-5-1/4.

Vermoesen Michiel met 2 b 14 r moet betalen 36-13-1/2.

Vinck Gillis &Franciscus Robijns met 11 b 1 d 58 r moet betalen 198-1-5/8.

Vinck Joos met 1 b 62 r moet betalen  20-16-1/4.

Met de betaling van de oorlogslasten hield de miserie voor de mensen niet op. Er waren nog de gewone uitgaven zoals de pachten. Er was weinig privébezit in Meldert daar 2/3 van de gronden in handen was van de abdij Affligem. De gemiddelde pachtprijs op het einde van de 17de eeuw was het equivalent van 17,8 werkdagen per hectare of 22 werkdagen per bunder, wat gelijk stond met 250 liter tarwe of 60 kg vlees[6]. Voor Gillis Van Mulders bijvoorbeeld, die in 1655 zo’n 5 b 2 d 70 r van de abdij pachtte, betekende dat 110,5 werkdagen of 1256 liter tarwe of 301 kg vlees.

Verplichte karweien en leveringen.

We vonden drie lijsten van leveringen voor het Franse leger en voor de geallieerden. De eerste Liste van de fouragie gelevert in het leger tot Geersbergen, Vitseroel t’Assche ende elders mitsgaders van brood, boter als andersints dateert van 1696. De tweede lijst off billet van costen is van Jan Van den Biesen van 19 juni 1695 en bevat eveneens een opsomming van de kosten voor leveringen en karweien die inwoners van Meldert uitvoerden voor verschillende legers met de bedoeling om die bedragen in mindering te brengen op de grondlasten. De lijst werd later nog aangevuld  met een corte specificatie van de billetten van costen. Uit de lijsten maken we op dat het vooral de paardenboeren waren die voor de karweien moesten opdraaien Waar de karweien of leveringen moesten uitgevoerd worden, werd niet altijd vermeld. Om het geheel overzichtelijker te maken, hebben we de drie lijsten samengevoegd en op naam gerangschikt.

Beeckman Pauwel

– met een vracht naar Ham: 3-0-0.

– idem naar Grimbergen: 3-0-0.

– idem naar Merchtem om brood: 2-0-0.

– idem naar Brussel: 3-0-0.

– met een vracht naar Vilvoorde, twee dagen: 6-0-0.

– idem met een vracht hout naar Steenvoorde: 2-0-0.

– idem naar het kwartier van Gent:, drie dagen: 9-0-0.

– naar Opwijk met brood en boter: 1-15-0.

– aan de vrouw van Joos De Clerck gegeven voor een groep Fransen: 2-12-0.

– idem: 2-8-0.

– in mijn huis aan een groep gegeven: een brood en drinken: 1-0-0.

– tweemaal naar Baardegem geweest om te beletten dat soldaten naar Meldert zouden komen: 0-12-0.

– gegeven aan de soldaten te Merchtem: 3-5-0.

– gegeven aan de luitenant die paarden kwam zoeken: 1-6-0.

– gegeven aan een groep ruiters: 1-6-0.

– naar Merchtem om het logementsgeld te betalen: 1-6-0.

– voor twee vaten haver, gehaald bij Joos De Clerck voor de officier van het volk van de drossaard van Brabant: 1-4-0.

– gegeven aan twee ruiters: 1-10-0.

– idem aan Jan Van vaerenbergh voor een groep soldaten: 5-4-0.

– met een vracht en een paard naar destelbergen: 4-10-0.

– tweemaal met een paard naar Dendermonde: 2-0-0.

– met een paard naar Affligem om brood te halen: 0-5-0.

Jan Buggenhout.

100 bussels stro naar Vitseroel: 3-0-0.

een stuk haver: 4-16-0.

Michiel Buggenhout.

-een stuk: 4-16-0.

De Bruecker Jan.

-voor de schade aan zijn tarwe door het kamp van de Engelsen en de foerage die niet klaar was: 5-0-0.

Guillam De Clerck:

– leverde op 18 juni 1697 een ton bier aan de Engelsen.

– reed met een wagen met drie paarden naar Hamme: 4-10-0.

– idem met een voer stro naar de Koeweide: 2-16-0.

– idem met Engelsen naar Kalken met een wagen en drie paarden: 9-0-0.

– idem met 2 wagens en vijf paarden naar Brussel in september 1694: 7-10-0.

– aan de Engelsen 26 pond brood geleverd op 18 juni 1694.

– een stuk vlees geleverd aan het kasteel Steenvoort: 1-10-0.

– met een vracht naar Mollem in 1694: 1-10-0.

Totaal voor Guillam De Clerck: 23-4-0.

Joos De Clerck.

-35 pond brood: 1-4-0.

De Kempeneer Steven.

– geleverd 7 ½ pond brood, 1 ¼ pond boter, samen: 0-13-3/4.

– twee voeders klaveren naar de Koeweide, zonder de vracht: 4-0-0.

Peter De Ridder.

– een zak haver 4-16-0.

– reed een vracht met 1 paard naar Herp: 1-10-0 en naar Hekelgem: 0-6-0.

– reed naar Gent in 3 dagen: 4-10-0 en nog eens tot Herp: 1-10-0.

Jacobus De Witte.

– leverde aan generaal Dopt te Geraardsbergen132 bussels en nog 854 te Vitseroel, samen 27-2-0;

– maakte drie voyagiën naar Geraardsbergen bij generaal Dopt: 7-4-0;

– leverde 11 pond boter op verzoek van Goeman à 6 stuivers het pond: 3-6-0;

– gaf een ½ pond boter aan de officieren die kwamen recognosceren de fouragie: 0-3-0.

– bracht  2 vrachten naar Vitseroel, nl. 116 bussels hooi en 24 vaten haver: 29-0-0.

-11 pond boter aan een partij op verzoek van Goeman aan 6 st het pond: 3-6-0.

Jan Geerstman.

– 60 bussels stro: 9-16-0.

– met 200 bussels hooi naar Vitseroel: 7-10-0.

– met een wagen en drie paarden naar Gent, drie dagen: 13-10-0.

– geleverd op 1 mei 1695 een ton bier, 100 staken voor piketten, met een vracht naar Vilvoorde: 18-0-0.

– met een kwartiermeester van de soldaten die hier gelegerd zijn, met mijn paard naar Aalst gevoerd om daar hun kwartier te maken: 0-15-0.

– betaald aan een partij ten huize van Joos De Clerck op 10 september 1695 in aanwezigheid van de vrouw: 1-10-0.

– idem op 5 oktober 1695 betaald aan een partij in aanwezigheid van Beeckman: 1-6-0.

– idem op 12 oktober aan de adjudant van Steenvoort in aanwezigheid van Van Vaerenbergh: 1-0-0.

– naar Opwijk met het regimentsgeld op 18 oktober 1695: 2-14-0.

– 200 cloppaerts geleverd in Brussel voor de luitenant van Moncade: 9-0-0.

– betaald aan de adjudant van Merchtem in aanwezigheid van De Mulder: 3-5-0.

– betaald aan een partij ten huize van Joos De Clerck op 16 januari 1696: 1-13-0.

– idem op 20 januari 1696: 0-19-1/2.

– naar Brussel met de lijst van de paarden: 1-0-0.

– in mijn huis een partij verfrissing aangeboden op 28 maart 1696: 2-14-0.

– met een paard en wagen van Peter Geerstman naar Wichelen: 1-10-0.

– met 200 tarwe cloppaert naar Asse op 21 oktober 1696: 7-4-0.

– naar Hekelgem met de bagage vanvan du Puishelestijn: 0-12-0.

Peter Geerstman.

– 50 bussels stro naar Vitseroel: 9-10-0.

60 mutsaarts op 8 oktober 1696 naar Vitseroel: 5-2-0.

– idem 40 bussels hooi: 4-0-0.

– met wagen en twee paarden naar Mechelen, 3 dagen: 9-0-0.

– met twee paarden naar Brussel, 2 dagen: 6-0-0.

– naar Bollebeek met drie paarden, 1 dag: 4-10-0.

– met een paard voor de kolonel, 1 dag: 1-10-0.

– twee reizen naar Gent, twee dagen: 12-0-0.

– naar Leuven met twee paarden, drie dagen: 9-0-0.

– naar Brussel met drie paarden, een dag: 4-10-0.

– naar Gent met drie paarden, drie dagen: 9-0-0.

– naar Herp met vier paarden, een dag: 6-0-0.

– naar Mollem en vabndaar naar Mechelen met drie paarden, drie dagen: 13-10-0.

– naar Gent met twee paarden, twee dagen: 6-0-0.

– tot Asse en vandaar naar Brussel voor de drossaard: 0-12-0.

Jan Goeman.

-50 bussels hooi en 60 stro naar Vitseroel: 11-6-0.

Adriaan Linthout.

– 50 bussels hooi, 60 stro, 20 korenvaten haver: 29-4-0.

– 200 bussels stro: 7-10-0.

–  een lam met een hamel: 14-0-0;

– 67 bussels à 16 pond, 9 sisters haver, nog 6 sisters op de plaats  voor ’t Schort van Slapperendorff, samen 24-0-0.

–  maakte een reis van drie dagen naar ?: 9-0-0;

– bracht voor de Engelsen een paard naar Grimbergen, een tocht van 2 dagen: 6-0-0;

– reed tweemaal naar Dendermonde met drie paarden en een keer met twee paarden: 4-8-0;

– bracht een ton bier voor Matha: 6-0-0;

– bracht in twee dagen een vracht naar Vilvoorde voor het volk van Lamot: 6-0-0; een vracht naar Hekelgem in mei 1696: 0-0-0;

– met paard en wagen naar Overmere voor Lamot: 3-0-0;

– leverde 50 staken die Joos De Clerck had gekocht voor het piket van Matha: 31-0-0.

Peter Mannaert.

– een voeder klaveren naar het klooster (=abdij) voor de Brandenburgers, zonder de vracht: 2-0-0.

– geleverd 2 pond brood, 1 pond boter ten behoeve van de Engelsen, samen: 0-16-0.

De pastoor

-100 bussels stro: 3-0-0.

Gillis Robijns.

– met een paard en Van de Putte naar Heist bij Lier, 4 dagen: 6-0-0

– met twee paarden naar Gent: 9-0-0

– naar drie paarden naar Dendermonde: 2-8-0

– om amonitiebrood  naar Affligem: 0-10-0

– met vier paarden tot onder Gent, 2 ½ dagen: 16-0-0

– met twee paarden naar Hofstade, 1 ½ dag: 4-10-0

Jan Robijns.

– met wagen en paard naar Ham: 1-10-0

– idem naar Brussel: 1-10-0

– idem van paardenvrachten: 14-1-0

– idem van daguren: 5-16-0

Joos Robijns:

– met een wagen met drie paarden naar Ham: 4-10-0

– met 2 paarden naar Brussel op 1 dag: 3-0-0

– geleverd 4 pond boter à 5 st het pond: 1-0-0

– met een vracht hooi en 3 paarden naar Asse: 1-16-0

– idem met de wagen van Jan Geerstman voor 2 dagen naar (onleesbaar): 6-0-0

– idem naar Gent voor 5 dagen: 9-0-0

– 200 cloppaerts geleverd in Brussel: 9-0-0

– idem nog het verteer door de Fransen op 23 april 1693: 3-0-0-

Franciscus Robijns

– een stuk: 4-16-0

Jacques Smet

-6 havermaat en 6 korenmaat haver: 8-8-0

Michiel Van de Putte

-50 broden en 50 bussels hooi aan het kamp te Vitseroel: 14-10-0

Jan Van den Biesen

-50 bussels hooi, 60 stro en 12 vaten haver: 11-6-0

Gillis Van den Bossche

-20 pond brood: 0-15-0

– hij pretendeert dat hij met de soldaten in mei 1696 in het kantonnement van Holestijnbeck 15 nachten de wacht hield op de toren: 6-0-0

Gillis Van Mulders

– 12 korenvaten haver: 7-4-0,

– 40 pond brood à ¾ stuiver het pond: 1-10-0

-een reis met soldaten naar Grimbergen: 1-10-0

-met een paard naar Gent, drie dagen: 4-10-0

-idem naar Overmere: 3-0-0

-idem naar Hekelgem: 0-6-0

-idem naar Hofstade: 1-10-0

-betaald voor drie ruiters, waarvan er twee bij Pauwel Beeckman waren: 2-5-0

Van Nieuwenborg Gillis

mutsaarts geleverd op de Koeweide, voor de helft te betalen vermits de andere helft wordt betaald door Hekelgem: 0-3-0

Franciscus Van Onchem

-11 pond brood à ¾ pond: 0-8-1/4

Gillis Van Onchem

-met een vracht naar Gent of Kalken: 7-10-0

-idem met twee paarden naar Brussel: 3-0-0

-idem met ,een paard naar Brussel: 1-10-0

-idem in ’t klooster om brood: 0-10-0

-idem naar Hekelgem met een vracht: 0-10-0

-idem naar dendermonde: 2-0-0

Jan Van Vaerenbergh

betaalde 21 stuivers aan de advocaat Van Mulders voor zijn specificatie: 1-1-0

-reed naar Ham met twee paarden: 3-0-0

-drie voederen klaveren geleverd in de Koeweide: 7-4-0

-een geleverd aan de Engelsen en een aan de Pruis wanneer Zijne Hoogheid naar Aalst reed, dus memorie

-met twee paarden een dag naar Brussel: 3-0-0

-idem met twee paarden naar Brussel toen Lecluse hier logeerde: 6-0-0

-geleverd 20 pond brood, ½ pond boter, 7 bieren van 2 stuivers, samen: 1-16-1/2

-vlees weggevoerd met een paard: 1-10-0

amonitie brood in Merchtem gehaald voor ?? volk: 2-0-0

-van verteringen van partijen volgens zijn notitie en bevestigd door Jan Geerstman, van daguren van vervoer naar Brussel, merchtem, Baardegem en elders, gerekend tot heden de 19de december 1695, de som van 21-7-1/2

-idem 4 daguren in Brussel anno 1694: 4-0-0

-nog gegeven aan partijen op 26 februari 1696: 4-11-0

-idem nog 0-6-1/2

-idem aan Joos van Ternat op vraag van Michiel Van de Putte: 1-0-0

-een ton bier aan Matta: 6-0-0

-naar Gent met Matta anno 1695: 7-10-0

-naar Hekelgem: 0-12-0

-naar Dendermonde met een vracht: 2-0-0

Idem naar Destelbergen: 9-0-0

Vermoesen Michiel

-geleverd 14 pond brood: 0-14-0

Jan Willems

-met een paard naar Ham: 1-10-0

-idem naar Brussel: 1-10-0

Op 20 april 1707 werd een bedrag van 842-6-1/2 goedgekeurd als vergoeding voor de geleden prestaties, wat meestal overeenkwam met de ingediende kosten.

Besluit

Pastoor Franciscus Goetgebuer (1747 – 1800) klaagde over de armoede van de Meldertse bevolking. Dat was terecht[7]. De nabijheid van de rijke abdij, in vredestijd een weldaad, was in oorlogstijd bijzonder nadelig. De troepen, zowel de Franse aanvallers als de zogenaamde verdedigers, de Spanjaarden, Engelsen, Nederlanders, Brandenburgers … kwamen maar al te graag naar de abdij in de hoop daar een rijke buit te vinden of om er te overwinteren. De omliggende dorpen deelden in de miserie. Maar de ellende van de bevolking was erger dan de materiële nood. De mensen leefden voortdurend in angst voor het onvoorspelbare gedrag van de soldaten, voor plunderingen, brandstichtingen en opeisingen.

Wel verstaende dat den pachter van de augmentatie den tantième in de voorgaende conditie geëxprimeert niet en mach genieten dan hij sal ontfanghen hebben maer sal van ’t gene gecort off geliquideert wort genieten van ider hondert guldens 5 stuijvers daer mede hij hem bij dese sal houden gecontendeert in teecken van dier hebbe dese geteeckent den 5de januari 1696. Toirconden etta.

Edmond SCHOON

Ben VERMOESEN


[1] R. VERMOESEN, De Negenjarige Oorlog in het Land van Asse, in: ESDB, 2002, nrs. 10-11-12,  435 – 436.

[2] DOM BERNARD, Geschiedenis der Benedictijner Abdij van Affligem, Gent, A. Siffer, 1890,  284.

[3] ID., 286.

[4] ARA. Rekenkamers, nr. 1 378 Het Land van Asse, in: R. VERMOESEN, De Negenjarige Oorlog, 436.

[5] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 6887.

[6] C. VANDENBROECKE, Vlaamse koopkracht, gisteren, vandaag en morgen, Kritak, Leuven, 1984, 154.

[7] B. VERMOESEN, Uit het manuaal van pastoor Goetgebuer (Meldert (1747 – 1800), in: De faluintjes, 2010, nr. 1, 76.

Rechtszaken te Meldert tijdens de 17de eeuw.

Meldert 1841 Buurtwegen

Soude ick schuldigh wesen?

Met de publicatie van de processen van Meldertenaren voor de schepenbank van het Land van Asse wilden we een beeld schetsen van het leven in Meldert in de 17de eeuw. Hoe gingen de mensen toen met elkaar om? Met welke problemen kampten ze? De processtukken vertellen ons over vechtpartijen, achterstallige huur, erfeniskwesties, het onvermogen, vooral van weduwen, om leningen terug te betalen, het verbreken van een gegeven woord enz. Het was interessant om na te gaan welke argumenten en tegenargumenten aanklager en beschuldigde aanbrachten. Bij het overlopen van de lijst van de processen valt het op dat vaak dezelfde namen voorkomen. Dat waren dan mensen die het zich konden veroorloven om een proces te voeren, want ook toen duurde een proces meestal meerdere jaren. De aandachtige lezer zal opmerken dat in de meeste gevallen er geen vonnis is. Dat is te verklaren door het ontbreken van de vonnissen bij de processtukken. Maar voor ons vormde dat geen probleem, zo wordt niemand veroordeeld of beoordeeld. We hadden enkel de bedoeling de sluier van het 17de eeuwse Meldert even op te lichten.

Meldert in het Land van Asse

Vermits deze bundel een reeks processen uit de 17de eeuw bevat die voor de schepenbank van het Land van Asse werden gevoerd, is het voor een goed begrip nodig om de bestuurlijke situatie van Meldert uiteen te zetten zoals die was tijdens het ancien regime. Meldert behoorde tot het Land van Asse. Die entiteit omvatte het dorp Asse met de gehuchten Asbeek, Ter Heide, Krokegem, Koutertaverent en Walfergem en de buitenparochies Baardegem, Essene, Hekelgem, Mazenzele, Meldert en Mollem. Aan het hoofd stond een meier die vanaf de 17de eeuw ook overmeier of drossaard werd genoemd. Hij trad op als vertegenwoordiger van de hertog van Brabant en had uitgebreide bevoegdheden. Hij beëdigde de zeven schepenen, de vorsters en de bedesetters. De daders van zware misdrijven waarop een lichamelijke straf stond, moest hij overdragen aan de amman van Brussel. Maar het vonnis, executie door ophanging, onthoofding of levend verbranden, of verminking door radbraken of brandmerken, moest hij zelf uitvoeren. De stoffelijke resten van de veroordeelden werden als afschrikking tentoongesteld, bijvoorbeeld op de Boekthoutberg te Hekelgem. Ook de lagere justitie, waarbij goederen werden behandeld in de laatbanken, zoals de laatbank van de abdij Affligem of het laathof van de H. Geestdis te Meldert, ontsnapten aan zijn gezag. De gedupeerden daarvan konden wel in beroep gaan bij de schepenbank van Asse die door de meier werd voorgezeten. De meier was vooral als gerechtsofficier actief. Hij behandelde met de schepenen zaken met boeten en lichtere straffen. Ze zetelden in vierschaar in een zaal van het gasthuis van Asse. Voor Meldert en de andere buitenparochies ging de helft van de boeten naar de hertog, de andere helft naar de heer tot Asse. Enkele meiers uit de 17de eeuw waren Christoffel Van Wijnantshoven, Gillis Van Langenhove, Lucas Van Langenhove en Arnold Adriani (tot 1633). Adriani was nadien griffier van 1633 tot 1656. Hij trad ook op als notaris[1].

De eerste schepenbanken zouden ontstaan zijn in de tijd van Karel de Grote. Ze waren verbonden aan het hof van de vorst en beschikten over reële macht. De schepenen stonden hoog in aanzien. Aanvankelijk bestonden ze alleen in de steden, na 1200 ook op het platteland. De taken van de schepenbank waren uitgebreider dan die van de huidige burgemeester en schepenen. Het was een college van zeven leden, aanvankelijk aangesteld door de hertog, later door de heer. Ze werden gekozen uit de notabelen en waren min of meer de notarissen van hun tijd. Ze maakten contracten op, deden openbare verkopen, hypotheekacties van goederen, beheerden de financiën van de gemeenschap, zorgden voor de bescherming van weduwen en wezen en spraken recht in burgerlijke en criminele zaken. Vanaf de 17de eeuw werd voor een verkoop meestal een beroep gedaan op een notaris. De akte moest dan wel nog naar de schepenbank voor het wettelijk passeren en het zegelen van het document. De schepenbank had immers een eigen zegel en maakte met haar zegel het document officieel. De meier werd in de schepenbank bijgestaan door een ondermeier of vorster. Die werd aangeduid voor drie jaar. Voor zijn aanstelling moest hij een borgsom betalen. Het was zijn taak te helpen bij arrestaties, veroordeelden op te sluiten en te bewaken in de vrunte en de kettingen en de boeien te bewaren. Op dorpsniveau was de meier vertegenwoordigd door een dorpsofficier en een collecteur, ook rendant genoemd, die de belastingen inde die de bedezetters over alle belastingplichtigen verdeeld hadden[2]. De officier moest de bevelen van de meier en de schepenen uitvoeren, toezicht houden op de jacht, op de bomen van de heer en op de bevolking.

Een proces voor de schepenbank

Een zaak voor de schepenbank brengen, kon men door een verzoekschrift in te dienen. De indiener of eiser werd de suppliant genoemd. Gebeurde het op een andere manier dan heette de eiser aenlegger en de verweerder gedaeghde. De beide partijen hadden het recht om een procureur aan te stellen om hun zaak voor de schepenbank te verdedigen, wat nu advocaten doen. De procureurs boden hun eisen en verweer schriftelijk aan waarna de zaak op de rolle kwam voor kennisneming door de schepenen. Op deze schrifturen volgden een replique, een duplique, persisteringhe enz. Daar kon dan weer een antwoorde met verclaeren ende conclusie volgen. Tenslotte hielden de procureurs hun pleidooien. Na veel getrek en geduw volgde het vonnis.

De griffiers werden per geschreven bladzijde betaald, wat de soms ellenlange uitweidingen en herhalingen verklaart die in veel documenten voorkomen. De drossaard of de dorpsofficier hadden ook het recht iemand rechtstreeks voor de schepenbank te dagen. Zij traden dan op als openbaar aanklager.

29 maart 1613. Keukengevecht met Walen.

Zondag voor vasteavont 1613. Het ging er flink aan toe in de keuken van Jans Van der Borght te Meldert. Jonge mannen waren er samengekomen om wat te drinken en te dansen. Wanneer vreemde mannen binnenkwamen, vloog er binnen de kortste keren huisraad door de keuken. Daar kwam dan een proces van. Op verzoek van de overmeiers van het Land van Asse, Wijngaert en Van Ginderachter ondervroeg vorster[1] Van Langenhove enkele getuigen over de vechtpartij. Twee getuigenissen vonden we terug in de Schepenbank van Asse[2]. Hun verklaringen leren ons niet alleen meer over de feiten, maar ook iets over de toestand in Meldert.

De eerste getuige was Thomas De Forminair, een steenhouwer van 28 jaar. Hij verklaarde dat hij die avond in de keuken van Jans Van der Borght wat zat te drinken met Ignace, een Waal en smid van beroep. In de loop van de avond kwamen meerdere mannen binnen: de Walen Merten en Claes Cambie, Povre Jan, een zekere Laureys en anderen waarvan hij de naam niet kende. Er ontstond heel wat kabaal en ineens stond daar Merten Cambie met een roer[3] in zijn hand. Omdat hij niet wist wat Merten ermee wilde uitrichten, heeft hij samen met de huisvrouw het roer afgepakt en het onder de tafel gegooid. Daarop is hij naar buiten gegaan.

De tweede getuige, Joos Querenin, 26 jaar, getuigde dat Povre Jan de aanstoker was. Hij wou namelijk dansen met het meisje waarmee de knecht van Aert Robijns danste. Maar die wou haar niet loslaten. Een woedende Povre Jan ging zijn rapier[4] halen ende sijn rapier getrocken ende meijnende in de camer te stecken ende snijden. Maar andere jonge knechten werkten hem de deur uit. Povre Jan gaf echter niet op en stak door het venster in de mouw van de zoon van Peter Van den Wijngaert. Peter, een paardenknecht van de abdij, kwam Povre Jan ter hulp. De officier van Hekelgem (was die ook in de keuken?) trachtte het rapier af te nemen en riep de anderen om hem te helpen. De paardenknecht begreep de boodschap anders en sloeg de officier met een stok op zijn kop en ging hem dan met zijn vuisten te lijf. Daarop liepen de broers Jan en Laureys De Vleminck met Povre Jan weer naar binnen. Gillis Van Neervelt wou de situatie wat ontmijnen en vroeg wat ze wilden drinken. Maar de anderen werkten de drie weer de deur uit. Toen spanden de Walen Merten en Claes Cambie en Ignace Emplicor samen met de drie en begonnen met stenen, schotels, kandelaars en potten te gooien zodat er niemand met ruste en conste wezen en de getuige werd een stuck van sijn ouze (?) geworpen. De waard moest met zijn huisgenoten vluchten en liggend op den lochtinck zagen ze Merten Cambie wel twee uur lang met zijn roer met brandende lont rondlopen.

Hoe verliep het proces verder? Die vraag zal bij gebrek aan meer gegevens onbeantwoord blijven, maar op een andere vraag is een antwoord mogelijk, namelijk: wat deden die Walen in Meldert? Het beroep van de eerste getuige geeft een aanduiding: hij was steenkapper. Dat doet ons denken aan de zandsteengroeven van Meldert. Dat men voor de ontginning en het bewerken van de stenen ook een beroep deed op Walen is best mogelijk. Op meerdere plaatsen in Wallonië exploiteerde men al eeuwen steengroeven en in het begin van de 17de eeuw was er nood aan steenkappers. Met het Twaalfjarig Bestand in 1609 kwam er voorlopig een einde aan de godsdienstoorlogen. Na decennia van brandstichtingen en plunderingen kon de bevolking aan de restauratie van de verwoeste gebouwen beginnen. Wat er met de Sint-Walburgakerk is gebeurd, illustreert dat. Zij werd zwaar geteisterd bij de invallen van de geuzen op 29 september 1579 en op 16 juli 1580. Het dekenaal verslag van 1596 vermeldt dat rebellen haar volledig hadden uitgebrand. In 1598 begon het herstel met het koor, het noordelijk transept volgde in 1608 en de toren in 1613[5]. Voor het herstel van de op 18 juli 1580 verwoeste abdij liet aartsbisschop en abt van Affligem, Hovius, zowel te Laken als te Meldert een steenpoel openen. Er werden ook stenen geleverd voor de bouw van de basiliek van Scherpenheuvel, voor de Sint-Caroluskerk te Antwerpen, voor de Finnisterae en voor de O.-L.-Vrouwkapel in Sint-Goedele te Brussel en voor de jezuïetenkerk te Mechelen. Ook particulieren restaureerden hun verwoeste gebouwen. In veel gevallen kochten ze zandsteen voor de voeling en voor de deur- en raamomlijstingen[6]. Zo moet het ons niet verwonderen, gezien het grote werkaanbod, dat er Waalse steenkappers te Meldert verbleven.

Wat begon als een ruzie tussen twee Vlamingen om een meisje eindigde in een gevecht tussen Vlamingen en Walen.

Joos Buggenhout, den houtcapper.

Op twee jaar tijd, in 1619 en 1621, kreeg Joos Buggenhout twee processen aangesmeerd. Wat had deze ijverige man gedaan? Hij had op grond van anderen, zo beweerden zijn aanklagers toch, hout gekapt en zelfs bomen gerooid. Zijn eerste overtreding was duidelijk en een veroordeling volgde. De tweede aanklacht leidde tot een ingewikkeld proces dat drie jaar duurde en dan nog geen volledige opheldering over de feiten bracht.

20 januari 1619. De stouticheijt van Joos Buggenhout.

Op 29 januari 1619 veroordeelde de schepenbank van het Land van Asse[7] Joos Buggenhout tot een onmogelijke opdracht. Hij moest twee eiken die hij ten onrechte had gerooid terug plaatsen. Wat was er gebeurd?

De H. Geestmeesters van Meldert verhuurden een weide van 1 bunder aan Gabriël Van Mulders. Die hield daarvan 1 dagwand voor eigen gebruik en verhuurde 1 dagwand door aan H. Geesttafel van Essene. Nu had Joos op sijne stouticheijt sonder wille wete off consente van de H. Geestmeesters twee eiken gerooid en den cant affgesteken om de voorschreven boomen aff te vueren. Bovendien was hij al begonnen met een derde boom te ontgraven den welcken hij oock soude affgehouwen hebben als de H. Geestmeesters dat niet waren te weten gekomen. Zij leefden peijselijcke ende vredelijcke tot Joos hen kwam turberen[8]. Daarom vragen zij dat Joos zal veroordeeld worden om de voorschreven boomen ende cant wederomme te stellen in staet gelijck die sijn geweest voor date van ’t voorschreven affhouwen ende ontgraven. Maar als dat niet kan, moet hij de waarde van de bomen vergoeden. Was getekend Van den Dijcke.

27 februari 1620. Een huurcontract met de abdij.

Op 27 februari 1620 huurde Hendrik Van Ginderachter 1/3 deel van 30 bunder (= b) 60 roeden (=r ) land gelegen te Asse-ter-Heide op de Nieuwboskouter, waarvan het resterende deel gepacht was door Ingel Van den Driessche en Joos Van Nijverseel. Hij pachtte ook nog ¼ van 6 bunder 1 dagwand (= d) 45 roeden meers en 3 d 85 r weide uit een geheel van 20 b gelegen te Essene. De akte werd verleden door notaris Carel Van der Slachmolen. Anthoen De Clerck en Gabriël Van Mulders stelden zich borg verbindende hunne persoonen ende goederen, eigene ende vercregen ende te vercrijgen. De looptijd bedroeg 9 jaar en de pachtprijs bestond uit 3 sisteren[1] gerst, 2 sisteren roc, 1 sister haver voor elk bunder land, voor elke bunder meers 12 gulden, voor elke bunder weide 8 gulden te betalen binnen den huijse van Affligem tot Brussele[2] of elders daer hem geordonneerd sal worden in goed leverbaer graen op Kerstmis.

De huurder kreeg een aantal verplichtingen opgelegd:

– De vooschreven landen wel ende loffelijck te oeffenen ende te labeuren in tijde ende saisoene zonder de laatste drie jaren te veranderen van teelt.

– De meersen en de weiden te zuiveren van braamstruiken en houtwas.

– Alle bruggen, waterlopen en wegen onderhouden.

– De grachten en bermen onderhouden.

Indien de pachter aan die voorwaarden niet voldeed, dan kon de abdij die karweien zelf laten uitvoeren tegen dubbele kosten ten laste van de huurder.

– Onderverhuren is ten strengste verboden tenzij met toestemming van de verhuurder.

– Het opgaande hout mag de huurder kappen zolang dat met een houwmes kan.

– De bomen knotten mag als de takken 7 jaar oud zijn.

– De huurder moet de gepachte percelen jaarlijks beplanten met 12 abelen of populieren en die op zijn kosten in de was houden.

De huurovereenkomst werd te Brussel ondertekend op 27 februari 1620 in aanwezigheid van van de getuigen Anthoen De Clerck en Gabriël Van Mulders, beiden inwoners van Meldert en van Charles Snellinck, rentmeester van de abdij.

21 januari 1621. Is Joos Buggenhout de eigenaar?

Op 21 januari 1621 daagden Anthoen De Clerck en Ingel Van den Driessche Joos Buggenhout voor de schepenbank van het Land van Asse[3]. Zij hadden van Gielis De Clerck een bos geërfd, Den Houstock geheten, gelegen te Meldert en grenzend aan de gronden van de abdij langs twee zijden en met de andere zijden aan Merten Van Lichtere. Het bos is al meer dan dertig jaar in hun bezit in vredelijcke ende paisible possessie sonder dat hun iemand daaerinnen heeft geturbeert. Enige tijd geleden echter heeft Joos Buggenhout het zich veroorloofd int voorschreven Bosch te cappen off doen cappen eene groote quatiteijt elshout, wat in feite neerkomt op diefstal. Daardoor zagen zij zich genoodzaakt zich tot het gerecht te wenden om Joos bij vonnis te verplichten ’t voorschreven affgecapt hout te stellen in alsulcken staet als ’t selve is geweest voor zijn diefstal of hen te vergoeden na een behoorlijke taxatie van het afgekapte hout.

9 maart 1621. Versueck van Joos Buggenhout

In zijn antwoord vraagt Joos dat de aanleggers hem schriftelijk laten weten op welke gronden zij hun klacht hebben gebaseerd. Van hun advocaat Adriani wil hij weten met welke opdracht de twee pachters hem hebben gemachtigd.

13 februari 1622. Het antwoord van Joos Buggenhout.

Of er een antwoord kwam op zijn verzoek, weten we niet. Hij reageert bijna een jaar later op de klacht. Hij ontkent ten stelligste dat Anthoen en Ingel het bos hebben geërfd van Gielis De Clerck, want die was er nooit de eigenaar van en dus kunnen zij het al geen dertig jaar het bos in hun bezit hebben. De waarheid is dat het eigendom was van Jan Van der Elst[4], zoon van Peter[5], die er jaarlijks 5 gulden erfelijke rente op betaalde zoals blijkt uit een brief van 4 februari 1572. In die brief erkennen Barbara Van Nuffel, de weduwe van Jan Van der Elst, en Jan Van der Elst, de zoon van Cornelis, als toekomstige voogd van haar kinderen, dat zij aan Pauwelsen, de rentmeester van de abdij Affligem, 378 gulden 4 stuivers aan achterstallige pacht moet betalen. Die schuld was een gevolg van slechte oogsten en van verdrinckt stroo. Als pand voor de rente hadden zij onssen persoon ende goeden, have en erve gegeven. Het document is ondertekend door meier Peter Van Langenhove en Gillis Motmans, de bosmeester van de abdij.

Onderaan is nog vermeld dat het bedrag werd verminderd met 29 gulden 91/2 stuivers voor de levering van boter aan de abdij in 1576.

Volgens Joos hebben de aanleggers ten onrechte een restitutie of een betaling gevraagd. Hun klacht is niet ontvankelijk en hun eis dat hij de gerechtskosten zou betalen is dat evenmin.

Wat leert ons de brief van 1572? Dat Jan Van der Elst al in 1572 een lening was aangegaan en er een rente voor betaalde met het betwiste bos als onderpand.

22 maart 1622. Replycke van Anthoen en Ingel.

De reactie van de aanleggers bleef niet uit. Ze beweren nogmaals dat zij de eigenaars zijn en dat Joos ’t sijnen profijte hun hout heeft gestolen. Van de schepenbank verwachten ze dat die bepaalt wie de  eignaar was, zowel voor als na de afkapping. Ze zijn er zeker van dat de gedaagde in ’t minste en sal connen thoonen van sijnder sijde eenige possessie te hebben gehadt. Zijn afkapping was eene naeckte spolie[6]. Ze voegen er nog enkele argumenten aan toe:

-Het kan zijn dat Jan Van der Elst in 1572 de eigenaar was. Maar als hij nadien het bos nog bezat, dan zou hij hen zeker verboden hebben om dat hout te gebruiken.

– Ontkennen dat Gillies De Clerck een vroegere eigenaar was en ook de schadeloosstelling weigeren is ongehoord.

– Hun sterkste argument: al vele jaren gebruiken zij het hout van het bos, wat hun propriëteijt genoech aenwijst. Met hun lanckdurige possessie hebben sij (soo men seght) de panne metten steel.

15 november 1622. Duplycke van Joos Buggenhout.

Op zijn beurt wil Joos de argumenten van de tegenpartij weerleggen, want zij heeft egeene pertinente solutie gegeven. Niet Anthoen en Ingel, maar hij is de eigenaar want al meer dan 15 jaar heeft hij sijne hoornebeesten daerop geweijdt ende groenwaerde genooten. Hij aanvaardt hun stelling dat Jan Van der Elst ooit de eigenaar was, maar daaruit volgt dat hij, in naam van zijn echtgenote, Kathelijne Van der Elst, erfgenaam was van diezelfde Jan. Dat de aanleggers nu eens bewijzen dat zij het bos met recht van opvolging hebben verkregen. Dat hebben ze nog niet gedaan, integendeel zij soeken alle manieren te ontwercken van den selven titel te exiberen[7]. Sij hebben egeen recht ter wereld zich eigenaar te noemen.

9 mei 1623. Tussentijds vonnis.

Met een tussentijds vonnis lieten de wethouderen der poirt ende vrijheijt van Assche weten dat ze niet in staat zijn om tot een uitspraak te komen sonder ierst ende vooral informatie genomen te sijne op de feijten bij parijen geallegeert[8].

12 maart 1624. Joos Buggenhout brengt nieuwe feiten aan.

Omdat er in de rechtszaak geen schot komt, schrijft Joos op 13 januari 1624 een brief aan de Raad van Brabant en op 12 maart legt hij die aan de schepenbank voor. Het bos Den Houwelstock is belast met een jaarlijkse rente toebehorend aan Geertrui Van den Bossche, de moeder van Ingel. Hij meent nu dat Ingel vroeger er hout kapte als compensatie voor niet betaalde renten. Dat heeft hij aan enkele mensen verteld. Maar Anthoen, de andere aanlegger, heeft er nooit hout gekapt. Als bewijs voegde hij er volgend document aan toe:

Op 3 november 1572 bevestigden meier Gillis De Clercq en Robert Van der Eycken, Jan Van der Elst, Peter De Clercq, Joos De Clercq als laten van de H. Geesttafel van Meldert dat Jan Van der Elst en zijn vrouw Barbele Van Nuffel beloofden jaarlijks 5 gulden te betalen als erfelijke rente aan Peter Van der Jeught, zoon van Peter. Als onderpand gaven ze, zoals toen gebruikelijk was, een perceel land van 62 roeden, gelegen op het Pirenveld en grenzend aan het land van de abdij aan de ene zijde en met de andere zijde aan Peter Van der Elst van Moorsel, achteraan aan de weduwe Jan Van den Bossche en vooraan aan de straat. Ook een half bunder bos, ca 2 dagwand, Den Houwelstock geheten, gelegen tussen de goederen van de abdij en die van Jan Van der Elst. Ten derde nog een half dagwand land op het Zwanenveld, gelegen tussen de goederen van de abdij en die van Gillis Slerc. Wanneer de rente 14 dagen na de vervaldag nog niet is betaald, dan kon Peter Van der Jeught of na hem zijn erfgenamen commen slaen handt off handen aan de panden en er zoveel van wegnemen tot het bedrag van de rente.Wanneer Jan Van der Elst en Barbele Van Nuffel of na hen hun erfgenamen in staat zijn de lening af te lossen, dan moeten zij 80 gulden betalen.

Om uiteindelijk tot een oplossing te komen, nodigde Joos de schepenen van Asse uit om ooghsienelijck te demonstreren ’t goet daeraf. Hij bracht hen naar het bos en bezorgde hen een overzicht van wat er sedert 1572 met het bos gebeurde.

In 1572 gaf Jan Van der Elst het bos, samen met twee partijen land als onderpand voor een erfelijke lening aan Peter Van der Jeught. Louis Van der Jeught volgde Peter op en nu zijn het diens kinderen die recht hebben op de 5 gulden rente. Jan Van der Elst stierf kinderloos. Zijn nicht Cathelijne Van der Elst, de vrouw van Joos, was een erfgename samen met Anthoen De Clercq die erfde via zijn tante Barbara (Barbele) Van Nuffel. Samen hebben ze de 5 gulden rente betaald tot 1620, dat is enige maanden voor Joos het hout kapte.

Dat betwiste bos maakte al 30 jaar deel uit van een groter geheel. Dat andere deel (B op de tekening van Joos, zie hieronder) ligt ten oosten van Den Houwelstock (A op de tekening) en de ouders van Ingel Van den Driessche hebben dat ooit gekapt omdat zij daarop ook een rente betaalden. Maar 16 jaar geleden begon Ingel hout te kappen in A, het betwiste bos. Louis Van der Jeught eiste dan van hem dat hij de 5 gulden rente zou betalen. Ingel meende dat het geheel hem toekwam. Louis gebruikte dan het hout van Den Houwelstock zelf tot drie jaar geleden. Sindsdien heeft niemand de 2 dagwand (A) gehuurd omwille van de 5 gulden rente die erop rustte.

Toen 4 of 5 jaar geleden (!) het hout weer kapbaar was hebben Joos en Ingel hun erfenis (de 2 dagwand, A) met berrender keerssen verkocht aan Anthoen. Kort daarop verwierp Anthoen zijn aankoop omdat die van geender weerde was. Hij vroeg toen aan Joos om de helft van de achterstallige renten te betalen. Die was gezet op het bos en de twee partijen land, samen 3 d 12 r. Joos zou dan de helft van de rente hebben en dus ook de helft van het bos. Anthoen heeft dan een van de kinderen van Louis Van der Jeught naar Joos gezonden om de helft van de achterstallige renten te ontvangen. Joos betaalde 24 of 25 gulden, de rest betaalde Anthoen. Vermits die rente was gezet op 3 d 12 r waarvan  Joos 1 d 12 r zodat hij nog de helft van bos A, ca 44 r moest hebben en die 44 r heeft hij gekapt.

2 april 1624. Contrarie defentiën van Anthoen en Ingel.

Anthoen en Ingel reageren nog een laatste maal. Zij ontkennen ten stelligste dat Anthoen den questieusen bosch niet en souden hebben aengenomen als propriëtaris van den selven bosch. Of zij nu het bos door aankoop, erfenis of op een andere manier hebben verworven, dat heeft geen belang. Voor hen volstaat het dat zij eigenaars zijn en dus was de gedaagde niet georloft geweest hun in de selve possessie feijtelijck te commen turberen.

Besluit

Of de schepenbank een vonnis kon uitspreken, weten we (nog?) niet. Zonder officiële akten en zonder kadaster was dat een moeilijke opgave om een juist oordeel te vellen gezien de tegenstrijdige verklaringen. Ons komt het voor dat Joos Buggenhout wel de meest betrouwbare gegevens aanbracht. Iets voor een salomonsoordeel!

8 januari 1621 – Soude Hendrick schuldich wesen[1]?

Hendrick Van den Driessche, herbergier te Meldert en officier te Baardegem, huurde in 1618 een hofstede te Meldert van Gillis Verhasselt. De huurprijs bedroeg 32 gulden. Hendrick zat blijkbaar in moeilijkheden want hij liep een huurachterstand op van 23 gulden en er was nog meer aan de hand. Hij had nagelaten om voor sufficiënte borgstelling te zorgen en bovendien had hij nog twee appelbomen getrunckt op de forme gelijck men een wilg soude truncken. Voor Gillis Verhasselt waren dat voldoende redenen om de huur op te zeggen, maar Hendrick weigerde te vertrekken zodat Gillis zich genoodzaakt zag zich tot de schepenbank van Asse te wenden. Hij wil van de schepenen bekomen dat ze Hendrick verplichten de huurvoorwaarden na te komen.

Op 8 januari 1621 kreeg Hendrick te horen dat hij geen recht heeft op de hoeve en op al wat er daar te vinden is.

24 januari 1621. Een huurcontract.

Op 24 januari 1621 ondertekende Gillis Van den Wijngaert een contract voor de huur van een woonhuijs met eenen coollochtinge gelegen op Den grootten Domentschen Dries. Het was eigendom van Ingel Huijghe. Het contract gold voor 6 jaar en de prijs bedroeg 12 Rg, te betalen op 21 januari en dat vanaf 1622. Voor het lopende jaar moest hij met Kerstmis 12 Rg betalen. Gillis Van Onchem en Geraard De Grom waren de getuigen, Gillis handtekende met een merkteken.

17 juli 1624. Ruzie om Het Schuerbeke[2].

Toen Jan Van Ghete (Van Gete, Van Geite) en zijn vrouw Anna Van den Meerssche hun hofstede en 75 roeden land aan hun zonen nalieten, konden zij wellicht niet vermoeden dat hun erfenis aanleiding zou geven tot bijna een halve eeuw ruzie. Hun hoeve, Het Schuerbeke genoemd, was een half bunder groot en lag in het gehucht Klaarhaag grenzend aan de goederen van de abdij, aan dat van de weduwe en de erfgenamen van Bartolomeus De Rycke en aan de straat. Na hun dood kwam hun hofstede in het bezit van twee zonen Jacob (Jacques) en Jan, elk voor de helft. Omdat er na hen nog meerdere nakomelingen met de naam Jan en Jacob voorkomen, hebben we omwille van de duidelijkhied die namen genummerd. Jan I was de man van Anna Van den Meerssche. Hun zonen zijn Jan II en Jacob I. Jan II trouwde met Marie Sherts en kocht 1 dagwand land gelegen op het Schuerbekeveld. Van hen kennen we een zoon, namelijk Jan III. Na de dood van Marie hertrouwde Jan II met Josijne Shuijghs en samen konden ze de andere helft van de boerderij van Jacob I kopen. Blijkbaar was die in financiële nood geraakt door de troublen ende quaden tijt. Hun zoon is Jacob II. Jan II sterft als eerste en na de dood van Josijne zou de boerderij waarschijnlijk onder de twee zonen worden verdeeld, maar het liep anders. Jacob II was noch jonck van jaeren ende noch eene weese die de koijen was wachtende en de oudere broer Jan III profiteerde van het feit dat zijn halfbroer nog een kind was en heeft goederen aengeslaegen ende de selve blijven gebruijcken gelijck hij ’t selve alsnoch jegenwoordelijck is doende. Het ging om de hoeve, 1 d en 75 r land. Wanneer dat precies gebeurde kunnen we uit de stukken niet opmaken, maar het eigengereid optreden van Jan III was de aanleiding tot een proces voor de schepenbank van Asse dat meerdere jaren duurde. Het verloop van het proces was moeilijk te volgen daar er stukken ontbraken. Dat telkens dezelfde voornaam Jan opdook, vereenvoudigde de teksten niet. Daarom geven we onderaan de vier generaties, betrokken in het proces, schematisch weer[3].

De klacht van Jacob II.

Het eerste stuk uit de bundel is het versuecke van Jacob II, de aanlegger, aan de schepenbank om enkele getuigen te verhoren. Jacob II is dan 77 jaar en landmeter te Moorsel. De aanklacht was al vroeger ingediend, maar ontbreekt in de bundel. Als gevolg van dat verzoek verhoorden meier Arnouldt Adriani en schepen Gijsbrecht Van der Borght van de schepenbank van Asse op 17 juli 1624 drie getuigen. De meier en de schepenen wilden nagaan of Jan III, de oudere halfbroer, de boerderij en de twee percelen land van hun vader ten onrechte had ingepalmd.

De eerste getuige was Charles Van den Meerssche, pastoor te Gijzegem en 84 jaar. De pastoor weet dat de grootvader van Jan III en Jacob II de hoeve “Het Schuerbee” bezat, want hij heeft er nog gelogeerd. Na de dood van Jan I ging de hofstede naar Jan II en zijn broer Jacob I. Vele jaren geleden heeft hij eens een document in handen gehad waaruit bleek dat Jacob I zijn deel van de hofstede had verpacht aan zijn broer Jan II.

De tweede getuige was Jan De Wolf, een pachter van Moorsel, 50 jaar. Ook hij heeft Jan II en zijn vrouw gekend en hij weet nog dat Jan II 1 dagwand land op het Schuerbekeveld kocht van Margriete Beeckmans, die Margriete Stevens werd genoemd. Na de dood van Josijne, de tweede vrouw van Jan II, heeft de oudste zoon, Jan III, de gedaagde in dit proces, de vermelde goederen aangeslagen en hij heeft ze nog.

Anthoen Cooreman, de derde getuige, is ook een landbouwer van Moorsel. Hij is 56 jaar. Over Jan II vertelde hij dat die vuijt den boesem van sijne ouders was gebruijckende en besittende de halve hofstede en 75 roeden land. De andere helft heeft hij met zijn tweede vrouw Josijne gekocht van zijn broer Jacob I. De gedaagde, Jan III is tegenwoordig in het bezuit van al die goederen.

Een nieuwe wending in het proces.

Op 27 januari 1628 sloten Peter Cooreman en Jan Van Ghete een overeenkomst. Peter, een inwoner van Baardegem wou zijn aandeel in Het Schuerbeke, dat via zijn vrouw in hun bezit was gekomen, verkopen aan Jan.Wie was die Jan Van Ghete? Als Jacob II in 1624 het verzoek om getuigen te verhoren bij de scepenbank indiende, was hij al 77 jaar en zijn halfbroer, Jan III, was nog ouder. Die oderdom laat ons toe te veronderstellen dat beiden in 1628 al overleden waren In dat geval kon Peter Cooreman een schoonzoon zijn van Jan III en bezat hij een deel van diens erfenis. De koper, Jan IV kan dan een zoon zijn van Jan III die zijn aandeel wou uitbreiden. Maar hij kon ook een zoon zijn van Jacob II die een deel van zijn vaders goederen op die manier terug wou.

Drie dagen later maakten Peter Cooreman en Jan IV hun overeenkomst officieel door samen met Joos Van Langenhove voor notaris Arnouldt Adriani en de laten van het laathof Ter Borght van Baardegem te verschijnen. De verkoop behelsde de helft van de hofstede aan Jan en zijn vrouw Anna Brants. Peter Cooreman toont aan de notaris seker geschrift dat bewijst dat hij op 17 januari 1608 die hofstede verkocht heeft aan JanVan Ghete. Wie die Jan was blijft voorlopig onduidelijk.

Vijf maanden later, op 28 juni1628, werd de akte verleden door notaris Adriani geregistreerd door de laatbank van Ter Borght, de laatbank van Joncker Jacques Borluijt, filius Jacques. Adriaan Van Langenhove, man van Margriete Van Ghete, was de griffier. Voor de laatbank waren meier Jan Van Langenhove, Jan Van Bisen en Jan Beeckmans aanwezig.

Een nieuwe Jan Van Ghete

Om de zaak nog ingewikkelder te maken dook in 1631 een Jan op die zich verzette tegen de toe-eigening van de hofstede na Jan III door zijn kinderen, namelijk Peter Van Ghete die bijgestaan werd door Peter Van Langenhove, de man en voogd van Jenneken Van Ghete, Michiel Degdemaeckers, man en voogd van Marie Van Ghete, Jan Steenman, man en voogd van Barbara Van Ghete en Adriaan Van Langenhove, de man en voogd van Margriet Van Ghete.

Deze Jan IV is dan een zoon van Jacob II. Hij weerlegt de argumenten van de kinderen van Jan III:

– Dat Jacob II zijn deel van de hoeve aan hun vader, Jan III heeft verkocht, is niet waar.

– Dat hun vader de hoeve al over dertich, veertich ende meer jaeren altijt als zijn eijgen ende propre goet heeft in gebruijckt ende gepossideert betekentniet dat hij de eigenaar was.

Datde klacht van 1624 volgens hen waardeloos is omdat Jacob II toen al te seer oudt ende kints was is abusivelijck want leden van sulckenen ouderdom ordinaire noch sijn thunnen leste verstande.

Er volgde nog een reactie van Jan IV. Op 28 oktober 1631 daagt hij zijn aanklagers uit om met schriftelijke bewijzen te komen.

Besluit

De onvolledige bundel en de meerdere namen Jan Van Ghete maakten dat het verloop van het proces moeilijk te volgen was. Gezien het tijdstip, eind 16de en begin 17de eeuw, boden de parochieregisters geen hulp om de gezinnen te reconstrueren. Toch was het interessant om na te gaan hoe een erfeniskwestie decennia lang een familie kon verdelen.

16 september 1625. Krijgt de langstlevende alles[1].

Steven De Hooghe bezat een hoeve van 1 dagwand op het Dorp te Meldert, palende aan het goed van Geert Vermatten en aan de Sollendries. Hij was getrouwd met Josijne De Middeleere, maar het huwelijk bleef kinderloos. Hij overleed sonder hoir van sijnen lijf achter gelaten te hebben. Het bedrijf werd gesplitst: zijn weduwe, Josijne, kreeg de helft en de andere helft ging naar Jacquemijne, het enig kind van zijn overleden broer Jan. Josijne was tochteresse van die helft. Ze hertrouwde met Lenaert Van der Heijden. De problemen begonnen na het overlijden van Josijne. Hendrik Segers, de man van Jacquemijne, eiste nu het volledig bezit op van Jacquemijnes deel. Maar Lenaert bleef de hoffstadt int geheele besittende sonder van den voorschreven helfft te willen afstaen. Om tot een oplossing te komen, daagde Hendrik Lenaert voor de schepenbank van Asse. Van de schepenen verwachtte hij dat ze Lenaert zouden verplichten Jacquemijnes deel af te staan en ook alle vruchten, baten ende prouffijten die hij genoot sinds de dood van Josijne. Bovendien wilde hij inzage van alle documenten van Steven De Hooghe, die Lenaert in zijn bezit had.

Lenaert antwoordde op 16 september 1625. Hij ontkende dat na de dood van Steven de boerderij werd gesplitst. Dat kon niet omdat het Godthuijs van Affligem op het hof een cijns hief wat, zo beweerde hij, inhield dat het goed van de ene langstlevende op de andere langstlevende overging. Zijn vrouw erfde, als langstlevende de gehele boerderij en na haar dood kwam ze hem toe. Hendrik Segers had er geen enkel recht op. Hij beschikte wel over twee documenten van Steven De Hooghe. Het eerste document is een akte van 5 december 1594 en is opgesteld door de meier en de laten van de abdij en handelt over de helft van de boerderij, wat dus in tegenspraak is met zijn bewering dat er nooit een splitsing was. Het tweede document dateert van 11 december 1517 en is ook verleden door de schepenen van de abdij in hun laathof van Baardegem.

Het laatste document uit de bundel is de herhaalde vraag van Hendrik Segers om acces te hebben om inspectie genomen te worden van de twee brieven.

3 juni 1642. De hoeve bij het Oensbosch[2].

Jan Mannaert trouwde 24 juli 1629 met Margaretha Blanckaert. Zij kregen twee kinderen, Jan gedoopt op 23 oktober 1629 en Petrus, gedoopt op 9 januari 1634. Het echtpaar bezat een hofstede aan Den Oensbosch waar voordien een bos was. De hoeve grensde aan het Duivelsveld en aan Peter Van den Bossche en Joos Van den Houte. Na de dood van Jan werd de hoeve gesplitst in twee: de helft ging naar zijn weduwe Margaretha Blanckaert en de andere helft naar Paesschijne Altssteen (Haltssteen of Halsteen) en haar man Gillis (Egidius) De Nil. Over hun huwelijk vinden we in de parochieregisters geen spoor.

Na de dood van Jan Mannaert hertrouwde Margaretha met Joos Van den Houte op 9 april 1640. In het nieuwe gezin werden nog twee kinderen geboren: Michael, gedoopt op 23 oktober 1641 en Judocus, gedoopt op 20 april 1644. Gillis De Nil en Paesschijne Altssteen hadden ook twee kinderen: Lieven en Peter. Gillis hertrouwde na de dood van Paesschijne met Elisabeth Van den Berghe. Na de dood van Margaretha Blanckaert ontstond er een familieruzie. Haar deel kwam toen toe aan haar kinderen, maar Gillis De Nil die de hele boerderij beheerde wou het andere deel niet afstaan. Uiteindelijk kwam het tot een schikking tussen Joos Van den Houte die optrad voor de kinderen van Margaretha en Jan Mannaert en Gillis De Nil als voogd voor zijn kinderen met Paesschijne. De overeenkomst int minnelijck met malcanderen overcommen werd voorgelegd aan de stadhouder en de leenmannen van het Godthuijs van Affligem[3]. In die overeenkomst was bepaald dat Gillis afstand zou doen van de Margaretha’s deel, dat beide partijen, Joos en Gillis, binnen de zes weken het contract door de kinderen moesten laten goedkeuren en dat het ook ter goedkeuring werd voorgelegd aan de wethouders van Asse als overmomboiren (voogden). De kosten van het proces werden verdeeld over beiden.

De voogden voor de kinderen van Margaretha, Jan Blanckaert en Simoen Moyersoen ondertekenden op 7 juni 1641, maar Gillis echter maakte geen aanstalten om zijn kinderen het contract te laten tekenen en omdat hij in faulte is gebleven zag Joos zich verplicht in te treden den wech van rechte enzich tot de schepenbank van Asse te wenden. Op die aenspraecke reageerde Gillis op 18 november 1642 met het meest gebruikte argument: niet ik maar Joos is de verplichtingen niet nagekomen, want hij zelf is bereet het selve contract van sijne sijde te voldoen voor soo vele hem is mogelijck soo haest als hij aenlegger (Joos) van sijne sijde het selve sal hebben voldaen.

We zijn al de 25ste februari 1643 als Joos Van den Houte een replycke geeft op het antwoord van Gillis. Hij stelt dat de gedaagde, Gillis, van de griffier, in de plaats van een kopie, de twee originele stukken heeft meegekregen en die nu al maanden achterhoudt. Zijn advocaat zal hun toezegging nog eens bevestigen en hij is bereid om andermaal voor de schepenbank te verschijnen om zijn akkoord te herhalen, maar dan wel op voorwaarde dat de bijkomende kosten voor Gillis zijn omdat die door zijn frivoliteijt ontkentenisse ende impertinentie verantwoordelijk is voor de bijkomende last.

Op 25 februari 1643 keurden de overmeier en de schepenen van de Vrijheid van Asse de transactie van de helft van de boerderij, die Gillis ten onrechte in bezit had, goed zodat Gillis niet anders kan dan het contract te ondertekenen. Maar de bijkomende kosten van het proces wil hij niet betalen. Niet hij maar Joos heeft gereageerd alvorens hij de overeenkomst kon goedkeuren en in dat geval moet hijj de kosten betalen. Hij weerlegt ook dat zijn advocaat de twee originele stukken zou hebben meegenomen. In een latere reactie gaat Gillis nog een stap verder en beweert hij dat Joos de documenten heeft laten antidateren. Op 1 december 1643, na drie jaar procederen; maakten de schepenen hun besluit bekend: naer voorgaende advies van geleerde en meesters in de rechten. Ze kunnen geen vonnis vellen omdat de beide partijen eerst nog moeten verklaren dat wijlen Paesschijne Halststeen van Gillis geen andere kinderen heeft gehad dan Lieven en Peter De Nil.

30 maart 1645. Gouden ringen aan de cleerschapprije[4].

Gillis Plas was koster en schoolmeester. Dom Wilfried Verleyen vermeldt hem in zijn boek over Meldert als koster in 1634, 1635, 1636 en 1648 met de opmerking dat hij zijn taak als schoolmeester verwaarloosde, maar later toch beter onderwijs gaf. Hij trouwde met Jenneken (= Johanna) Van Andenhoven (ook Van Handenhoven) uit Wieze. Voor hun trouw in 1634 kocht Jenneken eene coetse met eene garderobe voor eene somme van vijfftich rinsgulden ende acht stuyvers. Jenneken betaalde 48 gulden, maar niet de resterende 2 gulden 8 stuivers omdat volgens haar de verkoper, Jan Van den Nest, een schrijnwerker uit Dendermonde in de cleerschapprije moest steken copere vergulde ringhen tot verciersel off stoffeersel der selve schapparije, wat hij niet had gedaan. We mogen wel veronderstellen dat Van den Nest herhaaldelijk trachtte om aan het resterende bedrag te komen, maar Jenneken betaalde niet. Uiteindelijk diende hij een klacht in bij de schepenbank van Asse. Wanneer dat precies gebeurde weten we niet, want de bundel is onvolledig, de klacht ontbreekt, maar er zijn nog voldoende stukken om het verloop van het proces te volgen.

In zijn replycke,zijn antwoord op de reactie van Gillis Plas en zijn vrouw, verklaarde Jan dat Jenneken na haar huwelijk tweemaal 24 gulden betaalde in aanwezigheid van Jan Doornix omdat Jenneken qualijck geld kende ende conde tellen. Bleef nog te betalen 2 g 8 st of 1 pattacon[5]. Ook na de dood van Jenneken weigerde Gillis de pattacon te betalen. De argumenten die hij aanvoerde zijn waardeloze bewijzen, vond Van den Nest. Ze dienden tot niets zoals het vijffde rat totten waegen. Zo beweerdeGillis dat de schrijnwerker berooft van sinnen is. Maar het tegendeel is waar want hij heeft vernomen dat Gillis berooft van sinnen is. Voor zijn tweede argument steunde Gillis op het placcaert van hooghoffelijck memorie van wijlen den keijser Carel den vijffden. Volgensdat plakkaat[6], dat verkopen regelde, viel het geëiste bedrag niet onder coopmanschap omdat de geleverde goederen niet in goede staat waren gezien de ontbrekende vergulde ringen. Maar Gillis was niet aanwezig bij de aankoop van de koets en dus kon hij dat niet weten. Tot hiertoe heeft het proces hem al 5 g 11 st gekost, maar hij is een man van eer met een goede naam die zijn ambacht verdedigt. Daarom is hij bereid een eed te doen dat al wat bij beweert waerachtich is.

Met een dyplycke reageerde Arnoult Adriani, de advocaat van Gillis Plas, op de replycke van Van den Nest. Die heeft de koets niet aan Jenneken verkocht, waerachtich is dat Jan Doornix de koper was. Zijn vrouw was de zus van Jenneken want zij zouden in 1634 ook trouwen. Die koop is gesloten op conditie dat er vergulde koperen ringen in de schapraai zouden steken. Als dat niet het geval was dan zou de koopsom slechts 48 gulden bedragen. Dat kunnen Jan Doornix en zijn vrouw, wijsene luijden met eere, getuigen en dat zullen ze affsweeren onder eedt.

Ook al liepen voor Jan Van de Nest de proceskosten al hoger op dan het bedrag dat hij kon recupereren, hij bleef verder procederen met een triplycke op 21 november 1645. Jenneken heeft wel degelijk de koets met garderobe gekocht want zij spraeck met haeren mondt dat zij de pattacon zou betalen. Het getuigenis van Jan Doonix is niet geldig, vindt hij. Als schoonbroer is hij te naer maeschap. Het plakkaat van keizer Karel, waarop Gillis zich steunde om de pattacon niet te betalen, slaat niet op een schuld en is dus niet van toepassing. Hij getuigt nog eens dat hij is gereputeerd binnen den stede van Dendermonde ende alomme elders.

Versueck van Gillis Plas. Op 23 mei 1645 diende Gillis nog een verzoek in bij de schepenbank. Het is hem opgevallen dat de advocaat van Van den Nest, Charles Van der Slachmolen, nergens heeft bevestigd dat hij door Van den Nest is aangesteld om zijn zaak te bepleiten. Van die aanstelling wil hij officieel op de hoogte worden gebracht en hij wil ook de schriftelijke bewijzen van de aanklacht zien.

Om zijn zaak kracht bij te zetten verscheen Jan Van den Nest op 15 november 1645 voor notaris Joos Impens te Dendermonde om in handen mijns notaris onder eed te verklaren dat hij in het proces ter goeder trouwen ende in sijne consciëntie niet beters weet off hij is daerinne wel gefondeert. Bovendien draagt hij zijn advocaat Van der Slachmolen op om, indien nodig dezelfde eed voor hof, wet ende vierschaere af te leggen.

Susteringhe van Jan Van den Nest. Gewapend met de akte van de notaris reageert Van den Nest op een nieuw verzoek van Gillis Plas van 19 juni 1646. Dat frivolen ongefundeerden versuecke diende alleen maar om het proces te laten aanslepen.

Responderinghe van Gillis Plas. De advocaat van Gillis, Arnoult Adriani, greep de “susteringhe” van Jan Van den Nest aan om op 19 oktober 1646 alle argumenten van de tegenpartij te weerleggen.

Verbael van de schepenbank. Op 23 januari 1647, 13 jaar na de verkoop, kwam de schepenbank in actie. De schepenen Peter Van Mulders en Arnoult Adriani (voorheen advocaat van Gillis Plas) ondervroegen enkele getuigen. De eerste die aan het woord kwam, was Peter Mesquin, 40 jaar en smid. Hij legde de eed af bij Guillam Van Langenhove, de vorster van het Land van Asse. In de winter van 1634 is de vrouw van Jan Doornix, inwoonster van Wieze, bij hem thuis geweest samen met de voorsone van Gillis Plas. Zij wou de jongen naar zijn thuis brengen. Daar het zeer koud was, had hij doen aenleggen eenen mutsaert om hun te wermen. Zo bij het vuur zittend op de bierbanck kwam het proces ter sprake. De vrouw van Jan Doornix zei toen dat Van den Nest de vergulde ringen, die Jenneken had gevraagd, niet had geleverd.

Cathelijne Vergillis, de 32-jarige vrouw van Peter Mesquin, getuigde als tweede. Zij herhaalde wat haar man had gezegd en voegde eraan toe dat ze bereid was om naar Dendermonde te gaan om aan Van den Nest te vragen of hij hem niet en schaemde den voorschreven pattacon te heijsschen door dien hij de voorschreven ringen niet en hadde geleverd.

De schepenen Peter Van Mulders en Jan Tsas ontvingen op 15 februari 1647 Carel Van der Slachmolen en Jan Van den Nest. Zij wraakten Jan Doornix, de zwager van Gillis Plas, als getuige. Een zekere Bisschop, daar ook aanwezig, voerde aan dat zowel de vrouw van Jan Doornix en Jenneken Van Andenhoven en hun kinderen waren overleden. Dat argument was voor de schepenen voldoende om Jan Doornix toch te ondervragen. De 49-jarige Doornix verklaarde dat de koets en de garderobe niet door Jenneken en Gillis waren gekocht, maar door hem en zijn vrouw. Meester Jan Van Grootendaele, chirurgijn te Dendermonde, had zich borg gesteld voor die aankoop. Hij betaalde 48 gulden bovenop het vertier in de Gouden Leeuw te Dendermonde. De koets was wel bedoeld voor Jenneken, de zus van zijn vrouw. Het geld kwam van Jenneken als betaling voor seker leengoed. Nadien had hij nog horen zeggen, zowel van Jenneken als van Jan Van den Nest, dat er 6 vergulde ringen bij de garderobe moesten zijn die 1 pattacon zouden kosten.

Responderinghe van Jan Van den Nest. Zoals te verwachten was, volgde er op 5 februari 1647 nog een reactie van Van den Nest bij de schepenen Jan T’ Sas, Peter Van Mulders en Steven Van de Velde. De koop werd met Jenneken gesloten omdat hij met Jan Doornix niet tot een akkoord kwam.

Decisie van de schepenen. Uiteindelijk reageren de schepenen. Volgens hen moest er een antwoord komen op drie vragen:

1 Is de eis tot betaling van 1 pattacon gerechtvaardigd?

2 Is het plakkaat van keizer Karel van toepassing op deze zaak?

3 Heeft de aanlegger de 6 gulden ringen beloofd?

Uit voorgaande bleek volgens de schepenen:

1 Dat gedaagde Gillis heeft moeten toegeven dat zijn vrouw de koets en garderobe had gekocht voor 50 g en 8st en daarvoor al 48 g had betaald.

2 In het schuldenboek van aanlegger Jan was te zien dat nog 1 pattacon moest worden betaald. Pleit ook voor de aanlegger dat hij is presenteerende sijnen deugdelijcken eedt.

3 Het plakkaat van de keizer is niet van toepassing, want de gedaagde zegt al een som betaald te hebben.

4De Gedaagde had de garderobe niet mogen aanvaarden toen bleek dat, zoals hij had gevraagd, de vergulde ringen niet in de garderobe zaten.

5 Wat Peter Mesquin en zijn vrouw getuigden, wisten ze van horen zeggen. Maar van hooren seggen lieght veele. Peter beweerde ook dat Van den Nest had gezegd dat de ringen maar 2 blanken[7] kosten, wat niet waar is, ze kosten12 stuivers.

6 Het is duidelijk dat Jan Doornix zijn schoonbroer met zijn getuigenis heeft willen helpen.

Daarom besluiten ze dat aanlegger Van den Nest recht heeft op de ontbrekende som van 2 g 8 st en dat de gedaagde Gillis Plas de proceskosten moet betalen.

Besluit

Drie zaken vallen op. Ten eerste dat de schepenen pas na jaren procederen, getuigen oproepen en dan tot een vonnis komen. Het is ook merkwaardig hoe sommige namen steeds terugkomen: Van der Slachmolen, Adriani …

In dit proces trad Adriani eerst op als advocaat en nadien als schepen, Van der Slachmolen als advocaat en overmeier van het Land van Asse. Ten slotte valt ook de verbetenheid van Jan Van den Nest op. Jaren bleef hij procederen omwille van zijn eer en van zijn ambacht, zelfs al liepen de kosten hoger op dan wat hij kon winnen.

25 juli 1652. Reijden over besaijden velde[8].

Peter De Craecker was zo vermetel om drie bomen te planten aan de straat lopende van Meldert naar het Kravaal (de Putstraat?). De achterliggende akkers huurde hij van de abdij. Maar hij had daarvoor geen toelating en omwille van sijne usurpatie ende temerariteijt (onbezonnenheid) kreeg hij een eerste amende. De barones van Jauche, de Vrouwe van en tot Asse, had er eveneens bomen laten planten, maar of zij een amende kreeg, wordt niet vermeld.

Peter beging echter nog een overtreding. In de Goede Week reed hij met paarden en wagen op een voetweg en over bezaaide akkers op De Hoevekouter[9]. Hij was op weg naar zijn dochter in Opwijk en koos blijkbaar voor de kortste weg. De officier van Baardegem kreeg daarover meerdere klachten en meldde het voorval aan de meier en die veroordeelde Peter tot eene pene van drije rinsguldens.

In Meldert kwam er in de eerste helft van de 17de eeuw één Peter De Craecker voor, getrouwd met Catharina De Brandt. Zij hadden zes kinderen:

Jacoba, °17 juni 1629, Egidius, °13 maart 1632, Maria, °7 maart 1634, Adriana, °6 november 1636, Anna, °6 mei 1638, Petrus, ° 27 februari 1642.

24 maart 1656. Jan Herman: metten minne geene betaelinghe[10].

Jan Herman ( Heremans), vergezeld van Jan Pardoens, kocht op 24 maart 1656 te Aalst bij Joanna De Man, weduwe van Franchoijs Van Haelen de volgende goederen:

– 2 ¾ ellen laken aan 13 schellingen een el.

– 4 dozijn knopen aan 5 groten het dozijn.

1 trekdraad en 10 ellen lint aan 5 groten 8 schellingen.

1 paar kousen aan 36 stuivers.

In het totaal had hij voor 2 ponden 9 schellingen 5 groten[11] gekocht. Na de verdeling van de erfenis van Franchoijs Van Halen was zijn handboek terecht gekomen in handen van Romein De Craeckere, ontvanger van Aalst. Die stelde vast dat de aankoop van Jan Herman nog niet was betaald. Nadat er metter minne geene betaelinghe volgde, richtte hij zich tot de schepenbank van Asse met de vraag om Jan Herman te veroordelen tot de betaling van de ontbrekende som.

26 september 1657. Gij sult mij bier tappen voor mijn gelt[1].

In opdracht van Johannes Charles Crabeels, hoofdmeier van het Land van Asse, ondervroegen de schepenen Bisschop en Gillis Breem drie getuigen van een vechtpartij op 26 september 1657 in de wijk Klaarhaag. Het vechten ontstond op een woensdagavond in de herberg van brouwer Joos De Wolf en zijn vrouw Anthonijne Van den Meerssche. Nadat enkele mannen behoorlijk veel hadden gedronken, kwam er ruzie over het bedrag van het gelag en het eindigde met stokslagen en zelfs met een messteek.

De eerste getuige was de waardin Anthonijne, 45 jaar. Zij legde de eed af bij officier Anthoen Van Ransbeke. Volgens haar relaas waren die woensdagavond Andries Van den Meerssche, officier van Moorsel, Christiaan Peters en anderen in haar herberg verzameld. Joos De Meersman, zoon van Joos, en Adriaan De Kegel kwamen later binnen en veroorzaakten onmiddellijk tumult. Joos vroeg Anthonijne om brandewijn te schenken, wat zij weigerde omdat haar brandewijn niet en dochte. De twee laatkomers dronken dan maar bier tot de tante zei dat zij wel een maat brandewijn wou schenken om Joos te plezieren. Het gevolg was dat Joos brandewijn bleef vragen en zelfs de anderen trakteerde. Toen hij eindelijk de rekening vroeg en Anthonijne hem antwoordde dat zij voor zijn gelag 5 stuivers 1 oord vroeg, begon Joos te fulmineren ende crackeel te soeken seggende dat sij hem te veele wilde doen geven. In zijn woede gooide hij een bierpot en twee glazen stuk op de vloer en stampte met een voet op de schapraai. Adriaan De Kegel volgde zijn voorbeeld en smeet ook een pot en twee glazen op de vloer stuk. Tegelijkertijd hebbende seer leelijck gevloeckt soo bij de duivels als bij Godt en brachten ze iedereen in roeren ende groote vervaertheijt. Joos riep nog blaest het licht vuijt, wat de waardin kon verhinderen. Dan sprong Adriaan met zijn landmeterstok op de tafel. Op het rumoer en getier kwamen de knechten van Joos De Wolf uit de keuken gelopen met clippels, stokken. Joos De Meersman liep wijselijk naar buiten en Adriaan, die nog van de tafel viel, volgde zijn voorbeeld.

De smid Christiaan Peters, 30 jaar en smid te Moorsel, getuigde als tweede. Hij schetste een vollediger beeld van die woelige avond. Hij had gezien dat Joos De Meersman en Adriaan De Kegel brandewijn dronken en toen hij voor hun consumpties 5 stuivers 1 oord moest betalen, riep hij dat Anthonijne was liegende off dat het soo veele niet en was. Hij bleef dat maar herhalen waarop zij hem verweet dat hij alleen maer crackeel en sochte. Een woeste Joos gooide een stoel op de vloer en Adriaan gaf Anthonijne een kaakslag. Dat had hij beter niet gedaan, want zij haalde een bank uit de keuken en sloeg er Adriaan mee in zijn gezicht in sulcker vueghen dat sij daermede het vel van sijnen neus was in stucken slaende ende dat hij wat was bloedende. De dochter, die ondertussen was binnengekomen, nam een stang uit de schouw om De Kegel daarmee te lijf te gaan, wat getuige Christiaan kon verhinderen en hij en Andries Van den Meerssche waarschuwden de ruziemakers zich koest te houden of zij souden hun vuijt slaen. Voor De Meersman was dat voldoende om te kalmeren en om peijs te maecken onder malcanderen liet hij van bij zijn thuis een mutsaard halen en de waardin bier tappen. Nadat zij nog vijf potten bier, ’t sij min off meer, hadden gedronken, weigerde Anthonijne nog meer bier te schenken, want het was al na middernacht. De Meersman bleef moeilijk doen: gij sult mij bier tappen voor mijn gelt off de duivel salt halen. Zij schonk dus nog bier, wat tot meer moeilijkheden leidde. Joos en Adriaan smeten een bierpot en twee glazen op de grond. Toen Adriaan op de tafel sprong, vertrok Joos met zijn vrouw. Christiaan zag dan dat brouwer Joos De Wolf met zijn zus Gudula en de knecht van hun vader, elk met een stok in de hand, binnen kwamen. De Kegel kreeg zo’n slag dat hij tussen de tafel en de bank tuimelde en probeerde buiten te komen. Maar hij had een lanck bloot mes in sijne handen en stak ermee in de mouw van Christiaan. Die vroeg hem waarom hij hem stak. Adriaan antwoordde dat hij het niet op hem had gemunt. Dan sloeg de knecht hem tweemaal in zij zijde en riep hem toe: gij sijt eenen korffdraeger. Die repliceerde: gij sijt een hond.

De derde getuige was Marie, de 25-jarige meid van Joos De Wolf. Zij bevestigde de verklaring van Christiaan Peters. Zij had ook gezien dat Adriaan sijn mes langen tijt te sien hebbende in sijne handen en toen hij het mes weggooide heeft hij haar vinger gekwetst.

In het Gezinnenboek Moorsel van D. Aelbrecht vonden we het gezin van Joos De Wolf. Hij en Anthonijne Van den Meerssche trouwden te Moorsel op 4 oktober 1635. Zij kregen12 kinderen die allemaal in Moorsel werden gedoopt:

1 Jan, °07 -07-1636, peter Johannes De Wolf, meter Martina Vinck.

2 Gudula, °14-01-1638, peter Judocus De Wolf, meter Gudula Van Langenhove.

3 Adriaan, °06-04-1640, peter Adrianus Van den Meerssche, meter Adriana Van den Bossche.

4 Anna, °09-02-1642, peter Anthonius Van Boven, meter Anna Van der Meerssche.

5 Michael, °05-12-1643, peter Michael Coremans, meter Judoca Crakers.

6 Paschasius, °17-12-1645, peter Paschasius De Wolf, meter Margareta Coremans.

7 Anna, °23-10-1646, peter Joannes Van Biesen, meter Anna Van de Storme.

8 Egidius, °29-10-1648, peter Egidius Van den Meerssche, meter Anna De Wolf.

9 Maria, °12-05-1650, peter Gerardus De Rob, meter Maria De Beijcker.

10 Judocus, °15-03-1652, peter Judocus Ancheau, meter Martina Van den Meerssche.

11 Cornelius, °06-11-1653, peter Cornelius Van den Meerssche, meter Paula Verdoodt.

12 Martinus, °18-10-1656, peter Judocus Van den Meerssche, meter Anna De Wolf.

13 mei 1658. Seer scandaleuse sitten sijn …. op den wech[2].

Hoofdmeier Crabeels liet enkele getuigen van een zeer bizar voorval op 13 april 1658 ondervragen door Peter Schelkens en schepen Gillis Breem.

Enkele tevoren, op een donderdag stapte Peter De Schoenmaker, een dove inwoner van Moorsel, maar afkomstig van Merchtem, van De Klaarhaag naar Kokerij. Aan de dries gekomen deed hij zijn schoenmakerskorf af en hurkte tegen de hofstede van Gillis Carnoy om achterwaerts te gaen. Toen hij wou rechtstaan, viel hij achterover, wat Joos De Nil, een toevallige passant, deed uitroepen: Peter valt daer in sijne vuijlicheijt. Peter Pauwels, de ondermeier van Affligem, kwam daar ook voorbij en die greep Peters korf en wandelde ermee weg. Met eene haesticheijt stond de schoenmaker op en liep Pauwels achterna, nog met sijn hemslippe op sijn broecke. Bij de ondermeier gekomen, rukte hij de korf van zijn rug. Pauwels gaf zich niet gewonnen. Het werd daar een trekken en duwen tot Pauwels zijn roer, zijn klein musket, nam en zijn tegenstander er herhaaldelijk mee stootte.  Tot de dove Peter het wapen kon grijpen en Pauwels een ferme klap op zijn hoofd gaf. Die vluchtte weg naar de Zurenmeerskouter, achternagezeten door de schoenlapper. Tot zover het relaas van de eerste getuigen Joos De Nil. Hij was de zoon van Joos, handwerker en 53 jaar. Hij legde de eed af in de handen van vorster Hendrik Van Innichoven. Wat er op de zurenmeerskouter gebeurde, heeft Joos niet gezien, wel zag hij korte tijd nadien dat Anthon Van Ransbeke, geholpen door Gillis Van den Wijngaerde en Peter Meskens een ernstig gekwetste Peter Pauwels naar het huis van Meskens bracht. Joos tekende zijn getuigenverslag met een X.

De smid Peter Meskens, 47 jaar en tweede getuige, verklaarde dat op die bewuste donderdagnamiddag de knecht van de weeskinderen van Gillis Carnoy naar zijn huis kwam gelopen en tegen hem en de officier Van Ransbeke zei dat de dove Peter de Schoenmaker een dode man had gezien. Zij liepen naar de aangeduide plaats en vonden daar Peter Pauwels seer dapper gequetst liggen in het veld van Gillis Van den Wijngaerde tegen de Zurenmeerskouter. Zij vroegen hem wat er gebeurd was en hij bracht er moeizaam uit dat de schoenlapper hem had geslagen. De twee mannen brachten Peter naar het huis van de smid. Daar kon de ondermeier het voorval beschrijven. Hij had Peter De Schoenmaker bevonden seer scandaleuse sitten sijn gevoeg doen op den wech daer hij moeste passeren. Hij had dan voor de grap zijn schoenmakerskorf meegenomen. Daerinne gram wordende had de schoenmaker hem zwaar toegetakeld. Peter Meskens zag drie steekwonden: twee op zijn hoofd en een diepe wonde in zijn schouder. Peter tekende zijn getuigenis met zijn naam.

De 42-jarige Michielijne (Machlijn) De Kegel, vrouw van Gillis De Meersman, kon meer informatie over de vechtpartij verstrekken. Zij zag Peter Pauwels met een korf op zijn rug weggaan van Peter de schoenlapper die midden op de Kokerijdries sijn broecke was opnestelende, een stok namen Pauwels achtervolgde. Terstond begonnen de twee mannen elkaar te slaan. Plots trok de schoenmaker een mes en sloeg ermee op het hoofd en de schouder van Pauwels. Zij hoorde die roepen: sout ghij mij steken oft wilt ghij mij steken. Al vechtend vielen ze toen op de grond. De schoenmaker die eerst recht kroop, gaf de ondermeier weer een slag op zijn hoofd zodat hij omver viel en sloeg dan nog eens met zijn korf. Pauwels riep dan dat het genoeg was. Meer had zij niet gezien want het was tijd om naar haar werk te gaan. Later bemerkte ze dat Pauwels naar het huis van Meskens werd gebracht door Anthon Van Ransbeke, Peter Meskens en Gillis Van den Wijngaerde. Ze ondertekende haar verklaring met Machlijn De Kegel.

Pachter Pauwel Robijns, 43 jaar kwam vertellen wat hij van zijn knecht, die op een veld aan de Kokerijdries werkte, had gehoord. Die had twee mannen op de dries zien ruzie maken om een koffer. Toen hij dichterbij kwam, herkende hij Peter Pauwels en Peter De Schoenmaker van Moorsel. Die laatste had in sijn hant een bloot mes waarmee hij Pauwels bedreigde zodat die wegliep naar den messinck van de wesen Gillis Carnoy. De knecht merkte toen op dat Pauwels seer bebloet op sijne linke seijde was. De schoenmaker vertrok met zijn koffer naar het huis van Gillis De Meersman, zag dat Pauwels hem volgde en keerde terug naar de weg, nog steeds gevolgd door de ondermeier. Meer wist de knecht daarover niet te vertellen. Was getekend Pauwel Pobijns.

Vermits van Michilijne De Kegel de naam van haar man vermeldde, namelijk Gillis De Meersman, kunnen we ook het gezin reconstrueren. Zij trouwden te Meldert op 7 mei 1638 en hadden 5 kinderen:

– Maria, °19-08-1638, Anna, °14-04-1641, Matthias, °18-11-1643, Maria, °23-05-1646 en Martina, °30-09-1648.

Over Pauwel Robijns, telg van een gekende familie, beschikken we over meer informatie. Hij werd te Hekelgem geboren in 1628 en overleed te Meldert op 3 februari 1671. Hij trouwde op 10 november 1640 te Essene met Adrienne Breynaert. Pauwel was pachter te Meldert. Van de abdij huurde hij in 1655 16 b 32 r land en 5 b 77 r weiden in de Faluintjes en nog 6 d 26 r land en de tiende van 13 b 1 d 32 r voor 460 gulden. Zij hadden 7 kinderen:

– Lucas, °20-08-1643, student te Leuven, overleden te Meldert op 1 september 1667. Hij had wellicht al lagere geestelijke wijdingen ontvangen.

– Anna, °ca 1645, trouwde met Jan De Witte op 2 december 1675. Zij woonden aan de Nieveldries. Jan werd griffier van de abdij voor het leenhof en de schepenbank.

– Catharina, °21 06-1646, trouwde te Hekelgem met Joos Van Nuffel op 18-11-1675.

– Johanna, °18-02-1658 en overleden op 29-08-1665.

– Jan, °24-08-1667, trouwde met Catharina Van den Wijngaerde.

– Martinus, overleden op 03-09-1667.

– Jacqueline, overleden op 24-12-1690.

10 april 1663. Hij was soo stout van in haer huijs te commen[3].

Op 10 april 1663 daagde officier Guilliam Van der Borght 3 Meldertenaren voor de schepenbank van Asse. Hoofdmeier Charles Ignatius Crabeels wou hen ondervragen nopende seecker fout gepleegd door een Jan, gekend als Gaesemaeckers, in het huis van Gillis Van Onchem[4] in de nacht van 7 op 8 april.

Die nacht kwam zijn broer Jan, zo getuigde Gillis, op zijn kamervenster kloppen omdat hij had gezien dat zijn meid een man, Jan Gaesemaeckers, had binnengelaten. Hij was aan haar venster gaan luisteren en had gehoord dat die Jan bij haer te bedde was gegaen. Gillis had daarvan niets gemerkt en ook niet gehoord dat de meid om hulp riep. Hij deed zijn vrouw opstaan en den solfferstock ontsteken hebbende ging ze naar de kamer van Marie, de meid. Daar zag ze Jan op het bed zitten en een lachende Marie vertelde haar dat Gaesemaeckers in de kamer was gekomen omdat hij meende dat Gillis dronken was. Een woedende Gillis schold Jan uit voor rabant fiel ende diergelijcke omdat hij sulcke dingen in sijn huijs quampt doen. Wat Jan antwoordde, verstond Gillis niet want hij had wel degelijk gedronken. ’s Anderendaags vernam hij nog dat Jan met sijne maerte van te vooren diverssche reijsen vleeschelijck hadde te doen gehadt ende namentlijck op den halff vasten dach tweemael mette selve vleeschelijck te hebben geconverseert. Gillis ondertekende met zijn naam.

Gillis’ vrouw, Jenneken (Joanna) Geertsman, 22 jaar, werd als tweede ondervraagd. Zij bevestigde dat haar schoonbroer Jan een paar dagen tevoren hen had gewekt omdat Gaesemaeckers in hun huis was. Haar man wou hem eerst niet geloven, maar na aandringen van Jan beval hij haar naar de kamer van Marie te gaan. In de kamer zag ze Gaesemaeckers treckende sijne broeck op en Marie zei dat hij haar niets had misdaan. Haar man werd kwaad, gaf haar een stok en zei smijtse alle beijde ten huijse vuijt. Eerst vroeg ze Jan nog waarom hij soo stout was van in haere huijs snachts te commen. Spottend antwoordde die dat eenen hond sijnen neus in den pot stack die was open vindende. Gaesemaeckers is dan vertrokken, maar de meid bleef op bed liggen tot de volgende morgen sonder op te staen off eenich misbaer te maecken. Zij ondertekende met Jenneken Gertsman.

Marie Van Storme, de 18-jarige meid, was de dochter van Cathelijn Van Droogenbroeck. Haar relaas, tegengesteld aan de vorige verklaringen, sprak het meest tot de verbeelding. Zij verklaarde dat Gaesemaeckers in de nacht van 8 april op haar venster klopte en vroeg om binnen te komen. Ick laet niemand inne, had zij geantwoord. Als uwen meester dat seght, doet gij open, was zijn wederwoord. Zij is dan opgestaan en heeft de deur geopend. Jan is beginnen te trecken middtsgaeders haeren covel op te heffen ende …. (we willen de lezers niet doen blozen) … ende ten lesten soo gesleurt ende getrocken tot in haer camerken alwaer hij haer naer lanckduerich sleuren ende roepen heeft op het bedde geworpen ende haer hemde opgeheven … (idem) … haer bekent tegen haeren wille ende consent. Dan heeft hij haar vastgehouden tot haar meesteres kwam. Aan haar heeft ze bekend dat ze meerdere malen haar meester en meesteres heeft geroepen dat Gaesemaeckers haar wilde verkrachten. Zij zijn niet gekomen hoewel ze haar zeker gehoord hebben want de deur van haar kamer komt uit in de keuken  en die van haar meester ook. Haar meesteresse vroeg Gaesemaeckers nog of hij haar verkracht had. De schepenen Jan Van der Slachmolen, Gillis Breem en Maerten Robijns zijn naar haar kleurrijk verslag van een wilde nacht komen luisteren. Marie ondertekende met een X.

7 december 1666. Een huwelijkscontract om alle questiën ende geschillen te vergoeden[5].

Tegenwoordig kijken we er niet van op als iemand voor de derde keer trouwt. Hoogstens hoor je een wat oudere persoon zuchten: “In wat voor tijd leven wij toch!”, alsof dat vroeger niet voorkwam. Onder staande tekst bewijst het tegendeel. Maar er is een groot verschil. Toen hertrouwde men uit bittere noodzaak. Wanneer een vrouw van een gezin met kinderen stierf, hertrouwde de man zo snel mogelijk, want er was een vrouw nodig om voor de kinderen te zorgen omdat hij van ’s morgens tot ’s avonds aan het werk was. Stierf de man en zijn vrouw bleef met kinderen achter, dan moest zij op zoek gaan naar een nieuwe kostwinner voor het gezin.

Op 20 maart 1666 sloten Michiel Van de Putte, nog vrijgezel en zoon van Jan, en Cathelijne Van der Slagmolen een huwelijkscontract voor notaris De Bisschop om te vergoeden alle questiën ende geschillen. Dat was nodig want Cathelijne trouwde voor de derde maal. Met haar eerste man, Andries Wouters, had ze twee kinderen, Joanna, te Meldert gedoopt op 13 januari 1657 en een tweede dochter waarvan we de naam niet konden achterhalen. Na de dood van Andries trouwde ze op 21 januari 1660 met Laureijs (Laurentius) Robijns[6]. Ook met hem kreeg ze twee kinderen, namelijk Petrus, overleden te Meldert op 13 september 1667 en Franciscus, gedoopt op 17 januari 1666 en overleden te Meldert op 27 februari 1715. Amper twee maanden na de geboorte van Franciscus trouwde ze met Michiel Van de Putte. Hun huwelijkscontract bevat enkele specifieke bepalingen voor haar vier kinderen en voorziet ook een regeling voor toekomende kinderen.

– Michiel en Cathelijne brengen al hun bezittingen, huidige en toekomstige in hun huwelijk.

– Als Cathelijne eerst sterft, dan is Michiel verplicht haar vier kinderen te onderhouden van cost ende dranck, cleeren ende leeden ende houden ter schoolen gaen naer hunnen staet tot de leeftijd van 16 jaar. Tot die tijd kan Michiel over al hun goederen en renten beschikken.

-Trouwen de kinderen of nemen ze de geestelijke staat aan, dan hebben ze recht op 50 gulden als huwelijksgeschenk of dot.

– Wie ongehuwd of leek bleef, had recht op 100 gulden, meer mocht, minder niet.

– Voor de erfenis van hun hoeve gold een aparte regeling.

Met haar tweede man, Laureijs Robijns, had Cathelijne op 29 oktober 1665 van Joannes Van Nuffel, bosmeester van de abdij, als enige erfgenaam van zijn oom Jan Wouters, een hofstede te Meldert gekocht voor 2350 gulden. Het was een boerderij met den huijse, schuere, stallen, hopnast ende andere edificiën daerop staende. De hoeve was de helft van een perceel van 5 d en grensde ten noorden aan de straat, ten oosten aan een weide die deel uitmaakte van het domein en eigendom bleef van Van Nuffel, ten zuiden aan François De Vis en de weduwe Peter Van den Wijngaerde. Op de boerderij rustte een grondcijns van de abdij van 10 schellingen. Als pand gaven ze Lauwereijs kindsdeel in de goederen van zijn moeder en van zijn vader. Bij de ondertekening van het contract betaalden Laureijs en Cathelijne 1 000 gulden. Voor het resterend bedrag zouden ze elk jaar met Kerstmis 81 gulden betalen tot de kwijting van het hele bedrag. In die som was ook de rente van 6 g 5 st vervat voor Gillis Van Nijverseel. Die 81 g zou komen van de erfenis van Anna Stevens, de overleden moeder van Lauwereijs (+ 1644), en van zijn vader Peter Robijns na diens overlijden (+ 1667). Het contract bepaalde nog dat de langstlevend de vrije beschikking zal hebben over de helft van de aangekochte boerderij. Zoals toen gebruikelijk was ook opgenomen dat, als de jaarlijkse afbetaling niet gebeurde, de verkoper het recht had om te slaen hand off handen aen de voorschreven panden tot de volle betaling van het achterstallig bedrag. Voor de schepenbank van de abdij waren aanwezig: Melchior Van den Driessche, Jan Van Langenhove, meester Philips Van Gete, Nicolaas Robijns, Gillis De Bally en Adriaan Van Nuffel. M. Wambacq ondertekende de verkoopsakte.

Toen Cathelijne met Michiel Van de Putte trouwde in maart 1666, bewoonde Cathelijne de hoeve. De aparte regeling in hun huwelijkscontract voor de erfenis van de boerderij hield in dat in geval van een overlijden van een van de echtgenoten, de langstlevende recht had op de volle eigendom van de helft van de boerderij. Na de dood van beiden zou de hoeve als volgt worden verdeeld. De helft gaat naar de twee kinderen van Cathelijne en Lauwerijs, de andere helft naar toekomende kinderen. Voor de andere bezittingen gold dezelfde regeling.

Cathelijne en Michiel kregen nog drie kinderen: Adriana, °27-03-1668, Petrus, °12-04-1671, Maria, °13-10-1674.

Maar de koopsom was nog niet volledig betaald en dat leidde tot latere problemen.

Jan Wouters, de oud-bosmeester had aan Anna Wouters, begijn te Mechelen bij testament een rente van 25 gulden toegekend. Als Anna zou sterven dan kwamen de 25 gulden toe aan de kinderen van Cathelijne en Andries, Johanna en haar zus. Johanna ontving de gulden en vergat de helft ervan aan haar zus te geven. Na meerdere pogingen de zaak met den minnen te regelen, wenden Johanna en haar man Peter De Valck zich tot de schepenbank van Asse om haar zus te verplichten haar deel te betalen. Het kwam tot een akkoord: zij zou het bedrag van drie jaren, plus intrest betalen, wat echter niet gebeurde.

Maar er was meer aan de hand. Michiel Van de Putte kon de beloofde 81 gulden niet betalen. Daar de hoeve gehypothekeerd was, wou Elisabeth Robijns[7], de weduwe van Jacques Van Droogenbroeck, molenaar op de Bellemolen te Essene en die de weide ernaast al in haar bezit had, van de situatie profiteren om de hoeve in handen te krijgen. In de rechtszaak over de renteverdeling voegde zij de kwestie van de hoeve eraan toe, geassisteerd door Cathelijnes derde man, Michiel Van de Putte. Hoe die zaak haar beslag kreeg, vernemen we uit latere documenten[8].

Peter De Valck wil de hoeve verkopen.

In 1689 laaide de smeulende familieruzie weer op. Peter De Valck, getrouwd met Joanna Wouters, de dochter uit Cathelijnes eerste huwelijk, wilde absoluut de hoeve verkopen. Die verkoop, zo stelde een vonnis van de schepenbank van 12 juli 1689, zou volgens de volgende voorwaarden verlopen:

– De kopers konden na het doven van de brandende kaars en na betaling van de beden en andere belastingen onmiddellijk over het gekochte goed beschikken.

– Na de toekenning, de palmslag, kan nog geboden worden tot profijt van de verkopers.

– De kopers moeten voor elke gulden van de koopsom 1stuiver betalen voor de kosten van de verkoop.

– De kopers moeten goede ende solvente borg stellen Voor de registratie ervan betalen ze de drossaard, de schepenen en de griffier 7 st.

– Er is een zitdag en de koopsom moet binnen de vier weken betaald zijn.

– De verkoper overhandigt binnen de drie weken na de verkoop de nodige documenten aan de drossaard en de schepenen. Hij zal daarvan een kopie krijgen.

– Indien de vorster of de oproeper die de verkoop leidt, zich vergist, dan sal die vrijelijck mogen repeteren ende herhalen zonder tegenspraak van anderen.

– Alle verplichtingen die op de goederen rusten, blijven gelden na de verkoop.

– Indien blijkt dat de borg van de koper onvoldoende was of de betaling gebeurde niet tijdig, dan verviel de verkoopsovereenkomst. Was het bedrag van de tweede verkoop hoger dan sal dat wesen ten prouffijte van de vercoopers ende geenszins tot prouffijte van alsulcken eersten gebreckelijcke cooper. Lag het bedrag lager dan moet de eerste koper het verschil bijpassen.

In de familie rees verzet tegen de manier waarop Peter De Valck de verkoop had geregeld. Michiel Van de Putte was niet akkoord met een enige zitdag en met de betalingstermijn van vier weken. Hij vond dat ontwijselijck. Hoe meer kerckgeboden, dit is hoe meer afroepingen in de kerk, hoe meer tijd de mensen hadden om de hoeve te bezichtigen en dus ook hoe meer kandidaat-kopers. Soo sullen wij commen ten hoochsten weerde, meende hij. Mogelijke kandidaten zouden ook afhaken omdat de tijd om hunne coopsomme te soecken off gereet te maecken te kort was.

Dan was er ook nog het probleem dat de hoeve nog niet was betaald. Aangekocht door Cathelijne met haar tweede man, Laureijs Robijns, had Cathelijne met haar derde man, Michiel Van de Putte het nodige geld niet bij elkaar gekregen. Op 26 juli 1689 beslisten de schepenen de verkoop uit te stellen.

De schuldenblijven.

Uit latere documenten[9] blijkt dat de schuldenlast op de boerderij niet werd afbetaald. Na de dood van Michiel in 1696 en van Cathelijne in 1701 ontstond er ruzie over de erfenis. Een nalatenschap leidt vaak tot onenigheid en zelfs tot levenslange vijandschap. In dit geval, met kinderen uit drie huwelijken, is dat niet verwonderlijk. De erfgenamen uit het eerste en het tweede huwelijk van Cathelijne kantten zich tegen Peter, een zoon van Cathelijne uit haar derde huwelijk met Michiel. De eerste partij, de aanleggers, na pogingen om alles in der minnen te regelen, spanden een proces in bij de schepenbank van Asse. Dat waren:

– Uit het eerste huwelijk: Elisabeth De Valck, dochter van Peter en Joanna Wouters, met haar man Jan De Coster.

– Uit het tweede huwelijk: de kinderen van François Robijns (zie voetnoot 1), namelijk Peter, Andries en Catharina Robijns.

De gedaagde in het proces was Peter Van de Putte.

De nalatenschap van Michiel en Cathelijne bestond, behalve uit de vermelde hoeve uit een boerderij te Baardegem. De aanleggers verweten Peter Van de Putte dat hij zich de hoeve te Meldert had toegeëigend en al jaren souden hebben geprouffiteert ende genoten de meubelen, peerden, koijen ende andere bestiaelen met waeghens, ploegh, egde ende andere getuigh mitsgaerdens de pachtgoederen, den houtwas, besaijtheyt ende alle andere voordelen sinds het overlijden van de ouders. Peter rechtvaardigde die inbezitneming door te wijzen op het feit dat hij alle schulden van de boerderij had betaald en dat die achterstel verre te boven gingen de weerde van het goed, de betaelinghe van de vuijtstel van twee dochters ende den onderhoud van eene moeder. Pas op9 april 1726 kwam de schepenbank tot een vonnis. Peter bleef eigenaar van de hofstede te Meldert en de aanleggers erfden elk 1/6de van het hof te Baardegem. Ze moesten bovendien 2/3 van de proceskosten betalen.

1666. Bedesetter in opspraak[1].

Joos Van den Houte[2], bedesetter van Meldert geraakte in een conflict met Adriaan Van Nuffel in verband met zijn collecte en zijn rekeningen van het hoofdgeld. In een proces voor de schepenbank van Asse werd Van den Houte veroordeeld tot het betalen van 2/3 van het betwiste bedrag, nl 47 gulden en 5 ½ stuivers. Maar Adriaan ging niet akkoord met het vonnis en richtte zich tot de wethouders van Brussel. Daar verdedigde Ludovicus Naechtegael de stad Brussel tegen Joos Van den Houte. Na mislukte pogingen om de zaak in der minne te regelen en zelfs na verscheyde menselijcke vermaeningen werd het voorgaande vonnis werd bevestigd. Overtuigd van zijn gelijk, legde Joos zich niet neer bij de opgelegde betaling en hij richtte zich tot de Soevereine Raad van Brabant waar men het geschil nog aanhangig was.

Een proces tegen de bedesetters van Meldert[1].

In 1667 spanden inwoners van Meldert bij de Raad van Brabant een proces aan tegen hun bedesetters. Bosmeester Joannes Van Nuffel, Pauwel Nicolaas, Joos Robijns, Jan Vermatten, Jan Van Iegem, Joos De Clerck, Peter Geerstman, Thomas en Joos Van den Wijngaerde, Joos De Meersman, Ingel De Ridder, Gillis Van Onsem, Gillis Heijman en vele anderen ondertekenden op 9 maart 1667 een verzoek aan Joannes Van Nuffel, kapelaan van Sint-Goriks te Brussel, om voor hen een lening van 400 gulden aan te gaan. Dat bedrag dachten ze nodig te hebben om de proceskosten te kunnen betalen. De lening zou na twee jaar afbetaald worden. Alle ondertekenaars stelden zich garant voor de terugbetaling.

Waarover het geschil met de bedesetters ging, weten we niet. Het moest alleszins gaan over lasten die de bedesetters oplegden en die veel Meldertenaren als onterecht beschouwden.

Handtekeningen van onder meer Pauwel Robijns, Niclaas Robijns, het merk van Joos Van de Wijngaert, Joos Robijns, Joannes Van Nuffel, Thomas Van den Wijngaert, Gillis Heijmans, het merk van Ingel, Jan Van Ieghem, Joos De meerrsman, Jan Vermatten ….


[1] R.A. Leuven, notaris Michael De Bisschop te Asse van 1654 tot 1688.

19 augustus 1668. Den officier gestooten ende gesleurt vuijt den huijse[3].

Wat gebeurde er op 19 augustus 1668 in de herberg van Gillis Breem. Volgens Peter De Hageleer werd hij gestampt en geslagen door Gillis Vinck en Franchois De Vis, maar volgens hen hebben ze hem alleen bij de hand genomen om met hem te praten. Voor De Hageleer, officier te Meldert had hij redenen genoeg om bij de drossaard van het Markizaat en de Vrijheid van Asse, Charles Ignatius Crabeel een klacht tegen de twee in te dienen.

In zijn klacht verklaarde hij dat hij de avond van 19 augustus in de herberg van Gillis Breem was om de cafébezoekers te controleren. Hij verwees daarbij naar de placcaten van den lande gericht aan alle officieren. Daarin werden zij strictelijck bevolen alle stonden en plaetsen te visiteren, de herbergen en cabaretten om te sien wat persoonen aldaer sijn logerende off drinckende. Besonder om te beletten de twisten ende gevechten die de selve peroonen souden mogen beginnen. We mogen aannemen dat heel wat officieren deze opdracht seer strictelijck nakwamen en zich geregeld in de herbergen lieten zien, dus ook De Hageleer.

Die 19de augustus constateerde de officier dat Gillis Vinck en Franchois De Vis seer hooge woorden ende crakeel hadden. Hij trachtte de twee te kalmeren, maar ze waren als rasende en hebben nergens willen mede tevreden sijn. Integendeel, hun woede richtte zich tegen hem en zij eisten met veele affdregende woorden dat hij onmiddellijk zou vertrekken anders zouden ze hem daer vuijt slaen. Peter ging niet weg en daarom hebben ze hem promtelijck geaggreseert, gestooten met vuijsten ende voeten ende gesleijpt off gesleurt vuijt den huijse gelijck een eerloos persoon. Tijdens dat gevecht had hij zijn hoed verloren en die moeten ze hem vergoeden. Dat hij, als man van de wet, werd aangevallen, had seer quade consequentie. Immers de justitie werd op die manier onder den voet gebrocht. Peter De Hageleer vroeg de drossaard dan ook dat beide mannen werden gestraft, ’t sij civilijck off communelijck off andersints conform de plakkaten.

Zoals te verwachten was, gaf Gillis Vinck een heel andere uitleg over wat er in het café was gebeurd. Dat de officieren de herbergen bezoeken om ongeregeldheden te beletten, daarmee ging hij akkoord. Maar het was ook hun taak om de velden te bewaken en ervoor te zorgen dat de vruchten niet werden beschadigd. Wat de officier hem ten laste legde is onwaar en dat zal hij in der eeuwigheijd niet connen bewijzen. De waarheid is dat hij Peter minnelijck metter handt genomen heeft en hem treckende goedertierelijck op d’ een sijede  gezegd heeft  dat hij zoveel schade had aan zijn boekweit op Den Suerenmeerschkouter. Hij smeekte hem: Gaet daer eens henen ende besiet ’t selve, ick weet dat ghij de beschaedigers inne vinden sult. Officier Peter wou niet gaan, hij bleef sitten drincken als een van de compagnie. Gillis heeft hem dan minnelijck metter handt hebbende hem gezegd dat het zijn plicht was om de veldvruchten te bewaken en als iemand een schadegeval aangaf, hij die zaak moest onderzoeken. Ze zijn dan samen minnelijck metten hande hebbende naar buiten gegaan tot aan den messinck, waar ze lange tijd met elkaar hebben gesproken.

In zijn antwoord stelde de drossaard dat een officier niet op twee plaatsen tegelijk kan zijn.

Het antwoord van Franchois De Vis is een kopie van de verklaring van zijn kompaan Gillis. Ook hij heeft de officier minnelijck metter handt genomen nadat die weigerde om de schade aan zijn vitsen[4] vast te stellen terwijl de beschadigers nog op het veld waren. Hij bleef liever zitten drinken met de anderen. Nadat hij hem nog eens op zijn plicht wees, zijn ze samen minnelijck tot aan de mesthoop gegaan en daar bleven ze een hele tijd praten. Pas daarna begon de officier getier maeckende als off hij den haes misbruijckt soude hebben.

5 september: verhoor van getuigen.

De schepen J. Slachmolen en meester Van Mulders als griffier verhoorden in opdracht van de drossaard drie getuigen.

Peter Mannaert, 36 jaar was opgeroepen door Peter De Hageleer. Hij heeft Gillis en Franchois op 19 augustus 1668 in de herberg van Gillis Breem gezien. Zij hadden daar eenighe hooge woorden ende crakeel en de officier is tussenbeide gekomen. Maar beide mannen antwoordden hem met affdreegende woorden dat hij moest vertrekken of dat ze hem anders naar buiten zouden slaan. Daarop hebben ze hem, slaand en stampend, tot aan de mesthoop gesleurd. Hij zag nog dat de officier zijn hoed verloor.

Als tweede getuige was Peter De Hageleer, 40 jaar, opgeroepen. Hij voegde nog enkele opmerkelijke feiten toe aan zijn klacht. Gillis en Franchois hadden ruzie met Peter Mannaert. Gillis had een hael[5] in zijn handen en Franchois een tang. Om het krakeel te sussen heeft hij hen aangesproken: hola, siet wat gij doet, daer en moet niet gevochten worden. Maar ze waren niet te bedaren. Na bedreigingen hebben ze hem geslagen, gestampt en naar buiten gesleurd. Veertien dagen lang heeft hij veel pijn gehad soo dat hij nauwelijcks gaen noch staen en coste.

Tenslotte sprak Joos Van den Houte, 61 jaar en afkomstig van Asse-ter-Heide. Volgens hem hadden de twee ruzie met Peter Goetvinck en enkele anderen uit de groep. Voorts verklaarde hij hetzelfde als Peter Mannaert. Als enige voegde hij er nog aan toe dat hij de officier weer zag binnenkomen met een andere hoed op zijn hoofd.

1 maart 1670. Sij heeft met haeren sikkel een cap gegeven[1].

Op 25 maart 1670 was ik, Elisabeth Van Ginderachter, weduwe van Jan Van Onchem[2], met mijn zoon Hendrik in de herberg Het Withuis op de Domentse dries. We dronken een glas met Peter, de zoon van Margaretha Van Kersavond, de weduwe Peter De Kempeneer[3]. Toen Margaretha met twee andere zonen binnen kwam, begon zij onmiddellijk met krakeel tegen mijn zoon en opeens sloeg zij met haar sikkel een kap in zijn hoofd. Daarop vielen zij en haar zonen mij en mijn Hendrik aan. Ze sloegen met stokken en andere dingen. Plots sloeg de weduwe met een stok zo hard op mijn hoofd dat er een diepe wonde ontstond. Ik verloor veel bloed en als gevolg van die slag heb ik twee maanden en half te bed gelegen. Er was gevaar dat ik zou sterven. Chirurgijn Jan Jacobs heeft mij al die tijd verzorgd. Ik ben nu nog niet helemaal genezen, want ik lijd nog veel pijn en ben nog altijd doof en blind. Behalve medicamenten heb ik delicate spijzen gekregen en heel die tijd kon ik mijn huishouden niet doen en geen ander werk verrichten. Ik meen dat het geenszins gepermitteerd is dat goede lieden zo barbaarlijk in een vrij huis worden behandeld. Daarom vraag ik dat de daders mij volledig schadeloos stellen vermits zij het gevecht zijn begonnen. Ik heb meermaals getracht de zaak in der minne te regelen, maar tevergeefs. Ik wend mij nu tot U. E. om door uw vonnis te bekomen dat de daders de kosten van de chirurgijn, alle uitgaven voor medicijnen en dure spijzen vergoeden. Alsook voor al het leed dat ik heb geleden, voor al de pijnen en het werkverlet, voor mijn blindheid en doofheid. Dat alles samen bedraagt duizend gulden.

Dat was de klacht die Elisabeth Van Ginderachter bij de drossaard neerlegde via haar advocaat Hendrik De Raedt. Op 25 juni 1670 kwam er een antwoord op de beschuldigingen van de gedaagde, de weduwe Peter De Kempeneer. Zoals te verwachten was, vond haar advocaat Schoonjans de beweringen van Van Ginderachter totaal onjuist en hij verwachtte dat Elisabeth ter goeder trouw zal handelen en de nodige schriftelijke bewijzen zou voorleggen om haar gelijk te bewijzen. Een maand later, op 23 juli, volgde het uitgebreid verweer. Margaretha Van Kersavond stelde dat alle herbergen sijn openstaende voor alle de wereldt, ’t sij om daer te commen drincken off andersints te logeren. Zij was op die bewuste dag wel in de herberg, maar is het gevecht niet begonnen en bijgevolg heeft zij met de wonde van Elisabeth niets te maken en is zij in geender manieren plichtich. Daarom vroeg zij de klacht van de weduwe Van Onchem niet ontvankelijk te verklaren.

In haar repliek bracht Elisabeth meer bezwarende feiten aan. Margaretha ontkende niet dat zij met haar zonen die dag in het Withuis was. Beweren dat zij met de wonde niets te maken heeft, is frivool ende ongefundeerd. Zij is wel degelijk met haar drie zonen het gevecht begonnen en dus moeten ook de zonen meebetalen voor alle kosten omdat die den cost eet ende dranck van haar genieten. Een bijkomend bewijs van de schuld van de weduwe De Kempeneer is dat zij korte tijd na het gevecht heeft doen vertransporteren vuijt haeren huijse op andere plaetsen alle haere beste meubelen ende cathijlen[4]. Oock in persoon met haere koeibeesten vluchtigh is geweest binnen het clooster van Afflighem ende aldaer blijven pernocteren[5]. Zo is het claerlijck dat de gedaegde in alle manieren plichtich is. Toen de drossaard haar dagvaardde, was zij bereid om alles in der minne te regelen. Daartoe zou zij geenszins bereid zijn aldien sij geheel onnoosel off onschuldigh hadde geweest.

Ook al onderzochten de schepenen Joos Van Ginderachter, Jan Van der Slachmolen, Guilliam ’t Kint en Merten Robijns wel ende rijpelijck alle argumenten, toch beslisten ze op 4 oktober 1670 dat ’t voorschreven proces nochtertijt niet en is in staet om definitievelijkck beslist te worden. Ze wilden eerst nog een aantal getuigen verhoren. Niettegenstaande het protest van De Kempeneers advocaat gingen de verhoren toch door.

Franchois Den Weduwijn[6], 31 jaar, brouwer en de herbergier van Het Withuis, werd als eerste ondervraagd door schepen Peter Moortgat. Hij verklaarde dat Elisabeth en haar zoon Hendrik met een zoon van de weduwe De Kempeneer op die 25ste maart in zijn herberg waren. Wanneer de weduwe  binnen kwam, begon ze te discussiëren met Elisabeth en haar zoon. Dan zijn ze op malcanderen toegeschoten en ontstond er een waar gevecht. Ze vochten met stokken en stoelen. Peter De Kempeneer heeft gesmeten met sijne stock op het hoofd der aenleggersse (Elisabeth). Sij was bloeiende ende gequest op haer voorhooft. Dat zij daarvan lang te bed heeft gelegen en in perickel van sterven is geweest, weet hij niet. Wel heeft hij vernomen dat zij door meester chirurgijn Jan Jacobs heeft moeten gecureert worden. Voor hem staat het vast dat de Maregaretha De Kempeneer het gevecht begon. Enige dagen later was hij bij de drossaard van Asse en daar hoorde hij dat de weduwe aan de drossaard zei: Hebbe ick iet misbruijckt, ick sal u contenteren. Ze voegde er wel aan toe dat ze gekomen was om een boete te vermijden.

Peter Janssens, 15 jaar, weet alleen dat Elisabeth op haar voorhoofd was gekwetst en daarna twee maanden te bed lag. Meester Jan Jacobs heeft haar gecureert. Anderen vertelden hem dat Margaretha nog in de maand maart haar meubelen en koeien in ’t klooster Affligem had verstopt.

Op 23 april 1671 was het de beurt aan Peter De Hageleer, de officier van de Vrijheid van Asse. Hij was dan 40 jaar oud. Hij bevestigde dat de zonen De Kempeneer nog bij hun moeder wonen. Een van hen,Peter, vertrouwde hem toe dat het zijn moeder was die de wonde had toegebracht. Het was ook waar dat de weduwe twee dagen na het gevecht met meubelen en koeien naar de abdij vluchtte. De koeien heeft hij daar gezien en aan de hofmeester[7] van ’t klooster vroeg hij daarvan een schriftelijk bewijs voor de drossaard. Op diens verzoek is hij daarna naar het huis van Margaretha gegaan. Ze was niet thuis, maar haar dochter Anneken antwoordde dat haar moeder de bekeuring wel, maar de smerte der aenleggersse niet zou betalen.

Joos Van Nijverseel, 56 jaar en pachter te Asse, heeft de weduwe in ’t klooster gezien met een pakje en ze zei dat ze daar met haar koeien was.

Een andere pachter van Asse, Peter Van den Driessche, 56 jaar, bevestigde de verklaring van Joos Van Nijverseel.

De laatste getuige was Elisabeth De Middeleir, 47 jaar en vrouw van Pauwel Van Langenhove. Zij werd verhoord op 28 april 1671. Ook zij wist dat de weduwe naar ’t klooster was gevlucht.

27 mei 1675. Het huijs onderhouden van recken ende plecken ende van daecke[8].

Anna De Moncheau, de weduwe van Gillis Van Langenhove, erfde van Jan De Frain een hofstede metten huijse en hopgrond genoemd Den Hueraer te Doment. Op Kerstmis 1674 verhuurde ze de boerderij voor 9 jaar aan Jacques De Coster. Het pachtgeld bedroeg 29 gulden. De huurovereenkomst bevatte nog enkele bijzondere bepalingen. Zo moest Jacques het huis onderhouden van recken ende plecken ende van daecke niet. De huisraad die Anna ook had geërfd, moest in het huis blijven. Het ging om een koets, twee kisten, een ketel, fluwijnen en een bijl. De huurder mocht de haaks staande cappen met het hames maer niet voorder. De laatste bepaling hield in dat het huurcontract verviel als de pacht na 6 weken na de vervaldag niet was betaald. Anna ondertekende het contract, jacques plaatste een merkteken.

De eerste betaling viel op Kerstmis 1675, maar Jacques kon niet betalen. Nadat soete vermaningen van Anna en van anderen niet hielpen, zag Anna zich genoodzaakt om haar huurder te laten dagvaarden op 27 mei 1675. Zij had toen ook geconstateerd dat Jacques vertrokken was met de huisraad en met de sloten van de deuren. Op het erf stonden nog hopstaken die getaxeerd werden op 5 g en 15 st. Zij eiste de betaling van de achterstallige pacht en een vergoeding voor de gestolen huisraad. De klacht, opgesteld door notaris M. De Bisschop, was ondertekend door Franchois Van Onchem en Hendrik Ophalvens.

Anna De Moncheau (Monceau) trouwde op 1 augustus 1671 met Gillis Van Langenhove. Zij hadden twee kinderen: Elisabeth (°9/02/1672) en Anna (°15/10/1673). Hoe zij erfgename was van Jan De Frain (Freyn) konden we niet achterhalen.

Jacques (Jacobus) De Coster trouwde met Judoca De Freyn (Frain) op 31 januari 1671. Was zij een dochter van Jan? Zij kregen een zoon: Judocus, °27/02/1672. Een Jacobus De Coster trouwde op 27 januari 1673 met Joanna De Baetselier. Hun dochter was Joanna, geboren op 25 januari 1674. Als het om dezelfde Jacobus gaat, was Judoca De Freyn kort na de geboorte van haar zoon overleden en hertrouwde Jacobus met Joanna De Baetselier. Was dat de reden waarom hij de hoeve verliet?

29 mei 1676. Het stellen van affgepande koijen onder den rechte[9].

Het woord affgepande doet ons denken aan een pandjeshuis. In de 17de eeuw was het verpanden van goederen nog algemeen in gebruik. Wie in geldnood zat, bracht iets van waarde, een kostbaar juweel of een gouden ring, naar een pandjeshuis. Daar schatte men de waarde ervan en gaf daarvoor een lening met intrest en een beperkte looptijd. Op de vervaldag kreeg men, na betaling van het geleende bedrag plus de rente, het verpande goed terug. Kon men niet terugbetalen dan bleef het verpande in het pandjeshuis. Maar de titel is misleidend, want in dit proces gaat het niet om verpande koeien, wel om de inbeslagname van de dieren. Dat overkwam Gillis Van Onchem. Op last van de bosmeester[10] had de meier van de abdij Michiel Wambacq[11] Gillis Van Onchem de opdracht gegeven twee koeien naar de stal van de officier van justitie Hendrik Van Onchem te brengen. Ze moesten daar blijven tot hun verkoop om een schuld af te lossen. Maar korte tijd nadien waren de koeien verdwenen. Gestolen? Door Gillis zelf weggehaald? Hij diende alvast een klacht in bij de schepenbank van Asse tegen meier Michiel Wambacq, want die achtte hij verantwoordelijk voor de diefstal van de koeien. Hij had er moeten voor zorgen dat ze goed bewaakt werden.

Wambacq wees elke verantwoordelijkheid voor het bewaken van de dieren af. Hij was rechter in deze zaak, niet de bewaker. Gillis moest zich richten tot Hendrik Van Onchem, Als officier van justitie moest hij zorg dragen voor de koeien, zeker nu ze in zijn stal stonden. Hij moest erover waken dat ze hem niet worden ontvrempt off commen te ontvluchten off andersints. Bijgevolg moet hij opdraaien voor alle schade die Gillis Van Onchem leed en voor de intresten. Maar Wambacq achtte het niet uitgesloten dat Gillis zelf de koijen vuijt den stal Van Hendrick Van Onchem, sijnen cousijn, heeft gehaelt off doen vuijthaelen. Van Gillis’ advocaat, A. Adriani, eiste de meier dat hij voor de schepenbank zou verschijnen om de eed af te leggen dat hij te goeder trouw handelde en voldoende borg had voorzien om eventueel de proceskosten te kunnen betalen.

4 februari 1676. Metter minnen eenighe betaelinghe niet connen bekomen[12].

Notaris J. Schoonjans stelde op 4 februari 1676 een pachtcontract op voor Jan Jacobs, de verhuurder en Franchois Van Onchem, de huurder. Het ging om een perceel land van 3d gelegen op Het Labues dat Van Onchem voor 6 jaar wou pachten aan 18 gulden per jaar, te betalen met Kerstmis. Al na 1 jaar bleef Franchois in gebreke: met Kerstmis betaalde hij niet. Zoals voorzien in het contract spande de ondertussen weduwe geworden vrouw van Jan Jacobs, na 6 weken en na metter minnen eenighe betaelinghe niet te connen becommen een proces in tegen Franchois.

Jan Jacobs en zijn vrouw Anna Van Mulders hadden twee dochters: Catharina, ° 28/09/1672, en Joanna, ° 28/01/1674. Een Franchois Van Onchem trouwde te Meldert op 16 februari 1658 met Christina De Waegeneer. Zij hadden drie kinderen: Henricus, °18/08/1659, Joanna, ° 20/05/1670, Jan, ° 2/11/1671. Mogelijk hertrouwde hij met Anna Van den Hauw. Met haar had hij nog een zoon: Judocus, ° 3/03/ 1673.

30 maart 1676. Hofstede tweemaal verkocht[13].

Jacques De Ridder wou een hofstede van 32 roeden verkopen. Ze grensde aan de straat, de weduwe Hendrik Van den Broeck, de rentmeester van Brussel en aan de weduwe Gillis Beeckman. Hendrik Cordemans bood 300 gulden, maar Hendrik Applicoen verhoogde zijn bod driemaal tot 309 gulden. Toch ging de verkoop niet door omdat Jacques’ vrouw plotseling overleed waardoor hun kinderen mede-eigenaar werden. Met toestemming van de drossaard en de schepenen van Asse, de oppervoogden en van de naest bestaende vrienden van sijne minderjarige kinderen kon de verkoop toch doorgaan op 30 maart 1676. Jan Van den Broeck had als bloedverwant de hofstede behoorlijck ende solemelijck geërft en hij werd de nieuwe eigenaar. Geen gelukkige keuze want hij betaalde niet, ook niet nadat hij dickwijls met der minnen vermaent was zodat Jacques een proces tegen hem inspande.

1679. Een kwalijke erfenis[14].

Een erfenis krijgen, daar dromen de mensen van. Maar soms kan da

t wel eens tegenvallen. Dat ondervond Adriaan De Gols als erfgenaam van Guillam Van Mulders. Die erflater had namelijk al jaren verzuimd de jaarlijkse rente van 12 gulden te betalen aan de weduwe en de erfgenamen van Gillis Speeckaert uit Aalst. De schuld was opgelopen tot 120 gulden. Dat Adriaan dat bedrag niet beschikbaar had, is aannemelijk, maar dat leverde hem in 1679 een proces op vanwege de weduwe en de erfgenamen.

23 maart 1680. Jan De Witte curator ten sterfhuize van pastoor Jan Ardennois[15].

Johannes Ardennois werd op 5 juni 1668 benoemd tot pastoor van Meldert. Voordien was hij onderpastoor te Asse. Hij was er in botsing gekomen met zijn pastoor wegens zijn zelfstandig optreden in de Sint-Hubertuskapel te Asse-ter-Heide. In 1669 getuigde de deken dat hij zijn dienst behoorlijk deed. Toe Hollandse troepen in 1674 de streek plunderden, vluchtte hij naar de abdij waar zijn confraters van Hekelgem en Mazenzele al een schuiloord hadden opgezocht. Pastoor Jan werd door zijn rechtschapenheid en zijn weldadigheid graag gezien. Hij overleed in juni 1678[1]. Op 23 maart 1680 presenteerde Jan De Witte[2], aangesteld als curator, de rekeninghe, bewijs ende reliqua die mits desen aan U. E. die schepenen der vrijheijt ende Lande van Assche is doende Jan De Witte als curator gestelt ten sterffhuijse van wijlen heer Jan Ardennois in sijn leven pastoor van Meldert ende dat van ontfanck ende handelingen bij hem in dier qualiteit gehadt van de penningen van de meubelen ten selven sterffhuijse bevonden als andersints mitsgaeders den vuijtgave bij hem daer tegens gedaen in gulden ende stuijvers.

Ontfanck (in gulden-stuivers-oorden).

1 De penningen van de verkochte meubelen op 18 augustus en 14 september 1678: 437-10-0.

2 Van meester Steven Van Mulders ontvangen op 23 augustus 1678: 42-10-0 van de verkoop van het paard.

3 Van Michiel Bamvers? Ontvangen van geleverde swingen (vlas): 3-0-0.

4 Van Gillis Van Mulders ontvangen van een obligatie: 48-0-0.

5 Van dezelfde ontvangen van een verlopen rente: 2-16-0.

6 Van Adriaan Van Nuffel als gewezen H. Geestmeester van Meldert voor de pastoor: 7-12-0.

7 Op 27 januari 1679 ontvangen van de rentmeester De Middeleer: 15-15-0.

8 Van Gillis Breem uit het inkomen van de Armen Van Meldert voor 1674: 7-12-0.

9 Van de weduwe Niclaas De Vriendt van een rente van 24 stuivers: 1-8-0

10 Van Guille Van Mulders van een obligatie met rente van 5-7-2 op Sint-Andriesmis: 86-0-0.

11 Van meester Pauwels Van Capenberghe, de heer rentmeester Van Nuffel, de heer hofmeester van de abdij en Peter Geerstman voor 5100 kareelstenen door hen gekocht: 305-14-0.

12 Uit de verkoop van schaarhout op Schooneikenbos op 11 december 1678: 25-14-0.

13 Van de weduwe Joris De Meersman enkele achterstallige pachten van de kapelrij van St.-Walburga die pastoor Ardennois enige tijd bediende: 7-12-0.

14 Van Jan De Mol van de wijktienden van de pastorij: 51-0-0.

15 Van 238 bussels haverstro verkocht aan 36 stuivers voor 100: 4-5-2.

16 Van meerdere personen voor verkoop van stro, kaf, bonen en een partij hooi op de openbare verkoop op 19 januari laatsleden: 40-18-0.

17 Van Michiel Arijs voor 200 cloppaerden aan hem verkocht aan 44 stuivers voor honderd: 4-8-0.

18 Van meerdere personen voor 22 vaten koren verkocht aan 16 ½ stuivers het vat: 18-3-0.

19 Voor 6 vaten erwten aan 13 stuivers het vat: 3-18-0.

20 Voor 5 vaten boekwei: 3-5-0.

21 Voor 5 vaten ¼ bonen aan 16 stuivers het vat: 4-4-0.

22 Op 28 april 1679 in Brussel verkocht 15 ½ sisters haver: 23-10-0.

23 Van de heer rentmeester op Kerstmis 1677: 22-0-0.

24 Van dezelfde ontvangen op 23 december 1679: 63-0-0.

25 Van dezelfde nog ontvangen voor de pastorij palende aan de Moortersboomgaard voor 1676-1677 tot 6 augustus 1678 aan 5-4-0 per jaar: 13-13-0.

26 Van dezelfde nog van jaren cijns: 1-1-0.

27 Van Joos De Bruecker van een jaar rente: 2-0-0.

28 Van Merten De Mol van een obligatie van 3 g 2 st vallende op 29 mei, gepasseerd voor notaris De Bisschop: 50-0-0.

29 Van dezelfde van rente tot 29 mei 1679: 9-7-2.

30 Van Jan Van der Borght, gewezen kerkmeester van Meldert, uit het inkomen van de kerk: 55-4-1.

31 Van dezelfde van 1/3 deel van de bonen van het Schooneikenbos waarvan de H. Geest en de Kerk de andere 2/3 toekomt: 6-13-1.

Summa summarum van den ontfanck beloopt een duijsent een hondert negenthien guldens ende eenen stuijver, dus hier: 1119-1-0.

Vuijtgeef bij den rendant gedaen tegens den voorschreven ontfanck

1 Aan de pastoor van Mazenzele voor zijn dienst bij begrafenissen en het celebreren van 30 missen tot lafenis van de ziel van wijlen Jan Ardennois: 31-0-0.

2 Aan dezelfde nog betaald voor het recht van de overrock van de pastoor op 2 mei 1679: 6-0-0.

3 Aan de pastoor van Hekelgem voor 93 missen door hem en andere priesters gecelebreerd voor de lafenis van Jan Ardennois volgens de kwitantie van 20 november 1678: 27-18-0.

4 Aan Niclaas Romijn, koster van Meldert, voor zijn dienst in begrafenissen, voor het maken en leveren van een paar schoenen volgens de kwitantie van 21 maart 1679: 13-0-0.

5 Aan Gillis Kindermans voor het traktement van vrienden en buren die op de uitvaart waren, voor de levering van bier, winkelwaar: 68-0-0.

6 Aan dezelfde nog geleverd voor de levering van waren volgens de rekening van 2 december 1677 en van 27 oktober 1678: 4-7-0.

7 Aan Gillis De Keijser voor geleverd vlees: 8-8-0.

8 Nog aan dezelfde voor geleverd vlees bij de uitvaart volgens de kwitantie van 23 augustus 1678: 1-3-0.

9 Voor het aanwerven van dorsers om het schaarhout te kappen en te verkopen: 1-4-0.

10 Naar Asse geweest om aan de procureur De Bisschop instructies te geven om een verzoek op te stellen dat moet dienen als antwoord in de zaak tegen Charles Ardennois: 1-10-0.

11 Voor de rendant voor het opmaken van de schulden: vier stuivers per blad, samen 1-16-0.

12  Voor de kopie daarvan: 1-7-0.

13 Voor de rendant voor het schrijven en maken van deze rekening aan 4 ½ stuiver per blad, voor 24 bladen: 5-12-2.

14 Voor de kopie zal de rendant aan U.E. moeten betalen 3-15-0.

15 Voor de auditie van de rendant bij U.E.: 7-16-6.

16 Voor de werktijd van de rendant bij het maken van de rekeningen: 1-4-0.

17 Voor de rendant die recht heeft op de 20ste penning van de ontvangsten en uitgaven. Voor de ontvangsten van 1119-1-0 bedraagt de 20ste penning: 55-0-0.

18 Voor het schrijven en opmaken van de rekeningen van de Kerk van Meldert voor het jaar 1671 en gedaan voor Andries De Bruecker, kerkmeester: 2-8-0.

19 Betaald aan Charles Ardennois: 17-14-1.

20 Ook betaald aan Charles Ardennois, student, als legaat volgens het testament van de pastoor: 1-12-2.

21 Aan Joanna Van de Putte, gewezen dienstmeid[3], als loon: 19-7-0.

22 Aan Hendrik Van den Bossche voor een halve ton bier geleverd op 10 juli 1678: 3-0-0.

23 Aan Peter Fariseau voor ¾ wijn geleverd op 29 april 1676: 25-10-0.

24 Aan Peter Goetvinck, de wagenmaker, voor de reparaties aan de ploeg en de kar: 4-11-0.

25 Aan Jan Van Laer voor diverse daguren: 6-9-2.

26 Aan Jan Van Zeebroeck voor geleverd koren en hooi: 1-10-0.

27 Aan Jan De Mol voor geleverde latten, vlees, boter, daguren: 26-14-0.

28 Aan Michiel Van de Putte voor geleverde boter en werk: 16-0-0.

Aan dezelfde voor de kosten die aan U.E. griffier betaald voor het conflict tussen de pastoor en Van de Putte.

29 Aan de bosmeester van Affligem voor een koop hout in 1669: 33-4-0.

30 Aan Jan Laus voor een nieuwe schop en drie hoefijzers: 1-14-0.

31 Aan Gillis Van Onchem om het graan van Het Rot binnen te halen, de meubelen uit het klooster van Affligem te halen, voor geleverde eieren en boter: 3-16-0.

32 Aan Merten Van Herreweghen voor de reparatie aan het paardengetuig: 0-12-2.

33 Aan Merten De Mol voor drie hopen staken, gekocht in 1675 en voor een achterploeg met toebehoren: 7-8-0.

34 Aan de weduwe Joris De Meersman voor werk, hout halen enz.: 5-4-0.

35 Aan Guill. Vastenavondts voor wit brood, suiker en andere door hem geleverd tijdens de ziekte van de pastoor: 1-0-0.

36 Aan Joos Berlange voor geleverd suiker, rozijnen en andere winkelwaar: 1-2-2.

37Aan Jan Van der Slachmolen voor geleverd bier en andere volgend de rekening van 29 april 1667: 15-6-0.

38 Aan Joos Dauwe, gareelmaker te Lebbeke, voor de levering van paardengetuig: 4-9-0.

39 Aan Peter Spanooghe van Dendermonde voor de huur van een zolder:10-0-0.

40 Aan Peter De Mesmaecker voor de reparatie aan sloten en het hangen van deuren: 1-12-0.

41 Aan Peter Van den Bossche voor vlas dat hij had gezaaid op 8 mei 1679 volgens de getuigenis van Jan Van Laer: 1-1-0.

42 Aan Joos Robijns voor een hesp en vier pond boter aan 5 stuivers het pond:3-0-0.

43 Aan meester Michiel De Bisschop als ereloon voor de zaak tegen Gillis De Clerck en Charles Ardennois:12-8-2.

44 Aan Jacques Jacobs voor de reis die hij ondernam naar Nieuwkerke bij Oudenaarde op vraag van Charles Ardennois: 1-0-0.

45 Aan Joos De Bruecker voor een ton die hij tijdens de verkoop van meubelen gekocht heeft. Maar toe hij ze naar zijn huis had gedragen, bemerkte dat het een van zijn tonnen was die hij aan de pastoor had geleend, waarna hij ze terug bracht: 1-17-0.

46 Aan Gillis De Clercq of zijn erfgenamen voor bier, gelag en achterstel van pacht op Het Rot: 4-10-1.

47 Aan de rendant voor het schrijven en adresseren van brieven aan zijn zuster Catharina Ardennois in het klooster van Sint-Elisabeth te Vorst, om het goed aldaar in kerkgeboden te leggen en meerdere reizen naar Asse in verband met de zaak Charles Ardennois, Gillis De Clercq en anderen: 1-4-0.

48 De 17de maart 1680 betaald aan portkosten voor Ronse en Nieuwkerke en om vrienden de rekeningen te bezorgen: 3-0-0.

49 Aan U.E. griffier de kosten betaald voor de zaak tussen de rendant en wijlen Gillis De Clercq: 1-7-0 en nog eens voor de zaak tegen Charles Ardennois: 11-10-0.

50 Aan meester Jan Blondeel, chirurgijn, voor het stellen van een clisterie[1] bij de pastoor.

51 Aan Gillis Van den Broecke en Peter De Hageleer voor de kosten van dagvaarding en de uitvoering: 2-7-0.

52 Aan Jan Van Nest van Dendermonde voor geleverde lakens en kousen: 10-0-0.

54 Aan Peter De Hageleer voor voldoening van een opdracht: 3-0-0.

55 Aan Jan De Mol voor het laten valideren van de tienden:6-0-0.

56 Voor de auditeurs: 5-0-0.

Summa van de vuijtgeven beloopt een duisent eenennegentich guldens ende vijfthien stuijvers, 1091-15-0 Ende den geheelen ontfanck beloopt als voorenter somme van 1119-1-0. Alsoo dat den doender meer heeft ontvangen als vuijtgegeven de somme van 37-7-0

Aldus gehoort en gesloten op den 23ste meert 1680 ten overstaen van Hendrick Van Innochoven vorster loco des drossaerds J. Van ginderachter ende Laureijs Robijns schepenen.

Jan De Witte had nog een bijkomend probleem. Pastoor Ardennois had gedurende vier of vijf jaar Het Rot bewerkt en hij had daarop grote beternisse ende melioratie gedaen soo met labeuren, mergelen[2], off aerde op te voeren als met te mesten ende andersints. De curator wou de waardevermeerdering van de grond door luyden hun des verstaende laten taxeren. Anderzijds had de pastoor als gevolg van de oorlog verlies geleden ter waarde van drie of vier jaar pacht. Hij wou dat de abdij daar kwijtschelding voor verleende. Ondertussen had Gillis Breem het land nu in pacht.

De tekst geeft een beeld uit het leven van de pastoor. Hij was een ijverige boer. Hij bezat een paard, kar, een ploeg en kon erwten, bonen, koren hooi en stro verkopen. Hij was niet onbemiddeld want hij stond tal van leningen toe. Het aantal achterstallige pachten tonen zijn mildheid.

25 juni 1680. In sulcker vuegen soude ick tweemael betaelen[3].

Toen Peter Geerstman, brouwer en schepen van de abdij, in 1671 zo’n 70 roeden land in het Meerbroeck verkocht, had hij zeker niet verwacht dat die verkoop negen jaar later nog voor problemen zorgde. De koper waren de twee broers Jan en Franchois Van Buggenhout[4]. Het perceel was belast met een rente van 7 gulden. Wat ze bij de aankoop niet wisten en daarom weigerden de broers te betalen. Het goed was niet gesuijvert van lasten. Maar Jan was al begonnen met het land te bewerken en zo was de impasse volledig. Joos, Michiel en Pauwelijne, de kinderen van Franchois, besloten in 1674 om de koopsom te betalen. Op 24 mei van dat jaar overhandigde Joos de 100 gulden ten huize van Geerstman. Met zijn vader en zijn oom kwam hij tot de volgende overeenkomst. Zij zouden aan hem, zijn broer Michiel en zijn zus Pauwelijne drie jaar lang 16 ponden groten met een intrest van 6,25 betalen. De overeenkomst werd afgesloten op 28 mei 1674. Gillis Van Onchem en Gillis Hooft waren er getuigen van en De Raedt was de notaris.

Drie jaar ging het goed, maar in 1678 herbegonnen de moeilijkheden. Michiel had het vercocht landt aengeslaegen ende tsedert blijven besitten tot exclusie van Jan Van Buggenhout, zijn oom. Blijkbaar was die in dat jaar met de betaling gestopt en met dezelfde reden als voorheen: het land was nog met de rente belast. Michiel wendde zich tot de schepenbank van Asse om van Jan, die het land meerdere jaren had bewerkt, de koopsom te eisen. Jan zag zich in sulcker vuegen gestelt dat hij tweemael soude hebben moeten betaelen de weerde van het vercocht goed sonder te spreken van de rente daerop vuijtgaende en tot noch toe niet gesuijvert. De kwestie bleef aanslepen. In 1680 werd ten behoeve van de schepenbank een tweede inventaris opgesteld van de schrifturen, stucken, titulen ende munimenten[5] mitsgaeders acten ende noten, kortom van alle stukken in het proces dat nog steed ongedesideert was. Geraakten de schepenen er zelf niet meer wijs uit?

2 mei 1681. Jenneken kan niet betalen[6].

Peter Vinck en Jenneken Van Mulders kochten op 2 mei 1658 land van Charles Sammens en Anna Van den Dorpe uit Aalst voor 900 gulden. Volgens de aankoopakte moest die aanzienlijke som betaald zijn binnen de drie jaren door elk jaar 300 gulden over te maken. Tot de volledige kwijting kwam er een rente bij van 6,25%. Maar Jenneken werd weduwe en kon slechts 100 gulden afbetalen en vanaf 2 mei 1681 betaalde ze ook geen intrest meer. In 1685 diende Jan De kistenmaecker in opdracht van de weduwe Anna Van den Dorpe en haar erfgenamen een klacht in tegen Jenneken. Ze wilden dat de schepenen haar verplichtten de retserende 800 gulden van stonden aene te moeten aflossen ofwel promptelijck te besetten ende realiserenaen ende op goede sufficiënte panden ten contentemente van dse erfgenamen.

Peter en Jenneken trouwden te Meldert op 23 november 1631. Zij kregen 6 kinderen:

– Arnold, °17/02/1633, Petrus, ° 21/11/1634, David, °8/10/1636, Erasmus, °9/02/1639, Anna Maria, °19/02/1641, Egidius, °12/03/1643.

13 mei 1681. Zes minnelijcke vermaeningen, alles tevergeefs[1].

Gillis Van Onchem ondertekende op 2 april 1678 een overeenkomst met De Ridder, griffier van de stad Aalst en bosmeester van Affligem. Voor 60 gulden kocht hij schaarhout en betaalde hij ook de pacht voor Joos Van den Wijngaert. De som moest uiterlijk twee maanden later betaald zijn, maar drie jaar later had De Ridder nog geen gulden gezien, ook niet na 6 minnelijcke vermaeningen. Om toch aan zijn geld te geraken, restte hem alleen den wegh van rechte. Hij wendde zich tot de schepenbank van Asse om Gillis te verplichten promptelijck te verplichten de 60 gulden te betalen.

29 juli 1681. Testament van Anna Van Mulders, begijn[2].

Voor veel mensen is een begijntje zoiets als een benedictines, een zuster die in alle eenvoud en soberheid leeft binnen de muren van een convent. Anna Van Mulders, begijntje in het Groot Begijnhof te Mechelen geeft ons toch een ander beeld van de “soberheid” van de begijnen. Dat kunnen we opmaken uit haar testament dat ze op 4 april 1674 te Mechelen liet opmaken door notaris Conradus Van Herreweghen. Zij is dan siekelijck nochtans haer memorie ende verstandt wel machtigh. Zoals in die tijd gebruikelijk was, begon zij haar wilsbeschikking met: voor eerst recommandeert (ze) haere ziel in de bermertige handen Godts ende gebeden van het geheel hemels gezelschap. Zij wenst dat haer dood lichaam ter gewijde aerde, begerende ’t selve begraven te worden in de kercke van den begijnhove. Zij wil ook dat er 500 missen tot laeffenisse haerer ziel gecelebreerd worden. Haar bezittingen bestemd ze voor:

– Een zilveren lepel aan haar peten Anna Van Mulders, dochter van Guilliam; Anna Van Mulders, dochter van Gillis; Anna Catharina Vinck, Anna Catharina De Kegel, Jans dochter en Maria Jacobs.

– Een poseleijnen schotelken met silver beslaeghen is voor begijntje Helene Van Hemelen.

– Het convent krijgt 3 gulden (=g), de meestersse 1 patacon en elk begijntje 1 g.

– Haar biechtvader geeft ze 12 g.

– Wat overblijft van de verkoop van haar meubelen en obligaties, na aftrek van alle kosten, moet belegd worden op goede vaste panden. De renten daarvan zijn bestemd voor familieleden die de komende 25 jaar hun sullen commen te begeven tot geestelijcken staet ’t sij de selve sijn manspersoonen ofte vrouwpersoonen. Daarbij horen haar nichten die al op het begijnhof wonen. Na hun dood komt het bedrag toe aan hun erfgenamen.

De gronden die zij bezit wil ze onder haar broers en zussen of hun kinderen verdelen in gelijke parten: Guillam, de kinderen van Jan, de dochter van Elisabeth, de kinderen van Jenneken en de kinderen van Cathelijne.

-Als executeur van haar testament kiest ze juffrouw Jenneken Maria Van Mulders, haar nicht, die daarvoor 25 g krijt. Jenneken spande op 29 juli 1681 een proces in tegen Aert Vinck, molenaar op de Neermolen en tegen Guillam De Vis en Jacquemijne Carnoy. De reden werd niet vermeld.

3 december 1683. Over ’t geld van de huisarmen[1].

Adriaan De Gols zal wel onaangenaam verrast zijn geweest toen hij, als erfgenaam van Guillam Van Mulders, vernam dat hij een schuld van 48 gulden 13 stuivers erfde. Wat was er gebeurd?

Adriaan was getrouwd met Maria Van Mulders, een van de kinderen van Guillam Van Mulders[2] en Cathelijne Van der Jeught. Zijn schoonvader was huisarmenmeester geweest en had in 1668 een tekort op zijn rekeningen van 90 g 8 st. Hij betaalde daarvan 60 g 17 st zodat hij nog voor 29 g 11 I/2 st in het krijt stond. Maar er dook ook een tweede tekort op. Guillam was pachter geweest van een tiendenwijk van de pastoor en in 1673 had hij daar een schuld van 19 g 2 st. Zijn totale schuldenlast beliep 48 g 13 1/2 .st. Meerdere pogingen van de landdeken, de pastoor, de kerk- en armenmeesters brachten geen oplossing zodat ze op 29 november 1686 besloten Gillis Hooft, de schoolmeester, te autoriseren om via de schepenbank van Asse aan hun geld te geraken. Voor de parochie tekenden landdeken Egidius Van der Borght, pastoor A. De pauw, Jan Robijns, J. De Clercq en Carel Van der Borght. Notaris M. De Bisschop stelde de akte op.

In zijn antwoord op de beschuldigingen erkende Adriaan De Gols dat zijn schoonvader in 1668 als armenmeester een tekort had van 29 g 11 ½ st. Maar Gillis Hooft is te lichtveerdich ende van cleijne consideratie geweest met zijn klacht bij de schepenen want hij wist heel goed dat de erfgenamen van Guillam kort na zijn dood het catsereel[3] waarin de schulden waren genoteerd, hebben gevraagd en niet gekregen. Het is nog altijd in het bezit van de aanlegger, Gillis Hooft. Hij was in staat om alle schuldenaars te connen presseren ende dwingen tot betalinge van hunne resterende schuld. Adriaan had dus het noodsaeckelijck instrument niet in handen om de rekening aan te zuiveren. Hij en met hem de mede-erfgenamen waren ervan overtuigd ontlast te sijn van te purgeren het slote van de rekening van Guillam. Voor Adriaan is het duidelijk dat Gillis Hooft hem wil pesten door een proces in te spannen. Toch blijft hij bereid om de achterstallen op te halen mits hebbende het dickmaels gemeld catsereel om sich daermede te behelpen.

Wat de huur van de tiendenwijk betreft, de opbrengst was veel minder dan wat aan Guillam was toegezegd en de kerkmeesters beloofden hem om in dat geval de huur te verminderen, Ze stelden voor om de pacht van een ½ bunder meers, die hij in die wijk huurde, kwijt te schelden. Guillam ging daarmee akkoord en als bleek dat na die kwijtschelding er nog een tekort op de rekening was, dan zou hij dat bedrag onmiddellijk betalen.

In zijn duplycke haakte Gillis in op het probleem van het catsereel, het maenboeck. Anna en Barbara, zijn schoonzussen, brachten zelf het boek bij Gillis met het verzoek na te gaan of er nog debiteuren waren en of hij, in dat geval, hen zou aanmanen tot betalen. Dat heeft hij ook gedaan en allen verklaarden dat zij al hadden betaald. Barbara haalde dan het boek terug zonder hem voor zijn werk te betalen. Zij beweerde dat ze het aan de griffier van Asse, haar voogd, moest bezorgen. Dat heeft zij ook aan de pastoor gezegd. Hij heeft sindsdien het boek niet meer gezien. Hij is wel bereid de griffier daarover aan te spreken. Wat de tienden aangaat, hij heeft nooit geweten dat men een exacte opbrengst van een wijk vooropstelde. Wat Adriaan daarover beweerde, is zeker onjuist.

In zijn reactie liet Adriaan weten dat het catsereel wel degelijk aan Gillis is overhandigd bij zijn aanstelling tot rentmeester van de huisarmen. Hij kon dus de schuldenaars praemen tot betaling, want het was zijn plicht de rekeningen aan te zuiveren. Hij blijft er ook bij dat Gillis alle resterende schulden heeft gecollecteerd ende ontvangen. Hij moet niet meer betalen. De pacht voor de tiendenwijk die Guillam gedurende drie jaar had, is volledig betaald.

Pastoor De Pauw stond natuurlijk aan de zijde van zijn rentmeester Gillis. Hij bezorgde notaris De Bisschop op 26 mei 1687 een ondertekende verklaring waarin hij bevestigde dat Barbara hem zei dat ze het manuaal van haar vader zaliger aan de griffier van Asse had overhandigd. De griffier vroeg haar zelfs om de pastoor zijn groeten over te maken. Dat was na de hoogmis nabij de uitgang van de kerk.

Het proces sleepte zich voort. Gillis wou nu dat de schepenen Adriaan en zijn advocaat Jan Schoonjans zouden dagvaarden om voor hen onder eed te verklaren dat ze te goeder trouw handelden en dat ze, als blijkt dat Adriaan schuldig is, zij de proceskosten zullen betalen. Hij wou ook dat ze schriftelijke bewijzen van hun onschuld voorlegden.

Adriaan bracht daarop twee ontvangstbewijzen die ze vonden nadat ze het sterfhuis van Guillam grondig hadden doorzocht. Het eerst kwam van notaris J. De Witte en dateerde van 18 juli 1679. De notaris bevestigde daarin dat hij, als curator ten sterfhuis van pastoor Joannes Ardennois, de som van 86 g had ontvangen van Guillam Van Mulders. Dat was de terugbetaling van een obligatie van 86 g met een rente van 5 g 7 ½ st waarvan de eerste betaling viel op St-Andriesmis 1676. Het tweede ontvangstbewijs was van de hand van dezelfde notaris. Hij bevestigde op 9 januari 1676 de ontvangst van 80 g voor de tiendenpacht van 1670, 1671 en 1672 als aflossing van een obligatie van 80 g.

Op 5 november 1688 stelden de schepenen vast dat het selve proces noch niet en is in staet om definitievelijck beslecht te worden en dat zowel gedaagde Adriaan De Gols, als aanlegger Gillis Hooft binnen de 8 dagen nog bijkomende stukken konden indienen. Gillis liet weten dat hij bij zijn aanstelling als rentmeester van de huisarmen het rekenboek nooit heeft gekregen en hij blijft erbij dat de erfgenamen van Guillam Van Mulders sonder eenighe exceptie schuldich sijn te betalen, ook de 19 g 2 st van de tiendenpacht, want er is nooit een kwijtschelding beloofd bij mindere opbrengsten. Adriaan van zijn kant bleef op zijn standpunt dat Gillis de namen van de debiteuren kende en de achterstallige bijdragen kon innen en dat hij nu probeert om de kosten van het proces te vermijden dat hij zo lichtveerdelijck heeft ingespannen.

Uiteindelijk kwam er een uitspraak van de schepenen. Op 18 april 1690, 4 jaar nadat de klacht was neergelegd, veroordeelden de schepenen Adriaan De Gols tot de betaling van 29 g 10 st.

20 mei 1686. Hekelgem vermaant Meldert[4].

De parochies van Hekelgem en Meldert leverden samen op 31 juli 1684 differente fouragiën te Aalst. Zij waren daartoe verplicht geweest door kolonel Du Bie[5]. Volgens de Hekelgemnaren hadden zij meer geleverd dan die van Meldert en ter compensatie eisten ze nu van Meldert een tegemoetkoming van 20 gulden. Franchois Robijns[6] en Joos Pauwels[7], regeerders van Hekelgem, en Guillam De Clercq en Jan Robijns, bedesetters van Meldert, ondertekenden een akkoord daarover. Nadat de bedesetters diversche reisen tot betaelinghe van voorschreven somme hebben doen vermaenen, verloren de regeerders van Hekelgem hun geduld en waren ze genoodzaakt inne te gaen den wegh van rechte. Ze dienden een klacht in bij de schepenbank om van de bedesetters de betaling te eisen.

29 december 1685. Huijssoeckinge bij Gillis De Meij[8].

 Gillis De Meij moet het in de winter van 1685 bijzonder koud hebben gehad. Vermits hout toen de enige brandstof was, ging hij op zoek. De houten brug over de gracht tussen Het Stevensveld en Het Goosenbroek leek hem goede brandstof. Op een avond, tussen 7 en 8 uur kapte hij ze in meerdere stukken en bracht die naar zijn huis en verborg ze in de staken en achter bussels schaarhout. Wellicht hoopte hij dat er geen getuigen waren, maar dat de brug was verdwenen viel natuurlijk vlug op. De drossaard, samen met Michiel Van de Putte en Peter Geerstman, schepenen van Affligem en van Asse en de officieren Peter De Hageleer en Jan Van der Borght voerden op 19 december 1685 wettige visitatie ende huijssoeckinge uit in meerdere huizen van Meldert. Bij Gillis vonden ze gezaagd hout, 10 voet lang, 1 voet breed en besmeurt met aarde. Er lagen ook meerdere bussels takken. Toen de officieren begonnen met de bussels weg te dragen, kwam Gillis tussenbeide. De bussels waren niet van hem, beweerde hij, ze waren van Elisabeth Verdoodt, de vrouw met wie hij samenwoonde. Daarover ondervraagd, verklaarde Elisabeth dat slechts de kleinste bussel van haar was. Zij bracht Gillis nog meer in moeilijkheden door te zeggen dat hij ’s avonds grote stukken hout had gekliefd. De officieren zochten dan voort en vonden nog 2 berken, 1 kerselaar en een staak van ceder waarvoor Gillis geen verklaring kon geven. Vermits zijn daden directelijck strijden tegen de notoire plaeccaten van sijne majesteit rekende de drossaard erop dat de schepenen van Asse zouden veroordelen met alsulcke straffe, pene oft correctie zoals de plakkaten voorschrijven. Een plakkaat was in de Nederlanden in de 16de tot 18de eeuw een ordonnantie waardoor de voorschriften van de overheid ter kennis van het volk werden gebracht.

20 mei 1686. De coije ende peert in arrest genomen[9].

Melchior Carnoy, 27 à 28 jaar en soldaat te peerde ten dienste van sijne Majesteit van Spaniën onder het regiment van den heere colonel Dumon, voorheen officier van Hekelgem, en Peter De Hageleer, de officier van Meldert, verschenen op 10 januari 1690 voor notaris De Raedt. Op verzoek van Jan Everaert, collecteur van Hekelgem, hadden zij Carel Van Camp driemaal aangemaand zijn belastingen te betalen. Omdat Van Camp nog niet betaalde, namen ze op 20 mei 1686 zijn koe en paard mee. Daar Van Camp zich bij de bedesetters ging beklagen, vroegen Melchior en Peter dat de bedesetters de oppositie van Van Camp souden weren ende agt doen, wat ze echter niet deden. Daarop legden de officieren bij notaris De Raedt op

10 januari 1690 een attestatie des wettige reden af als bewijs dat ze naar recht hadden gehandeld.

1687. Een verswegen chijns[1] – 45.

Was Andries De Bruecker naïef of sluw? In 1701 ging hij een lening aan van 200 gulden met een rente van 5% bij rentmeester Huygens. Hij wist niet of verzweeg dat de panden die hij als borg gaf, belast waren met een cijns van 2 g per jaar. Twee jaar later stelde de schoonzoon van de rentmeester Callaert, vast dat er nog geen rente was betaald. Hij liet de wanbetaling officieel vatstellen en als hij beslag wilde leggen op de panden, ontdekt hij tot zijn verbijstering dat er een cijns op rust ten voordele van Marie Amelrijcx en dat er de laatste 16 jaar geen betaling was. Hij betaalde de schuld aan Marie en ondernam enkele pogingen om van Andries de achterstallige bedragen te krijgen. Vergeefse moeite! Hij richtte zich ten slotte tot de schepenbank van Asse om Andries te verplichten onmiddellijk 88 gulden te betalen.

18 februari 1687. In faute gebleven voor de hure[2].

De hopkoopman Carel (Charel) Ardennois wonende in de cleirhage sloot op 18 februari 1687 met Pauwel Van Capenbergh uit Opwijk een huurovereenkomst voor een hoeve te Baardegem. Het ging om een hofstede met huijs daerop staende, groot 1 d 20 r en palende aan de straat tegen de kerk, Jan De Backer, de jezuïeten van Aalst, Andries Van den Meersch en de voetweg naar Dendermonde. De pacht bedroeg 31 g voor een termijn van 6 jaar. Volgens de voorwaarden moest de huurder goede sorge dragen dat ’t selve huijs mette hoffstede door sijn onachtsaemenheijt niet en worde geslecht off misbruijckt maer wel verbetert. Carel mocht geen hout kappen, behalve wat hij met een houwmes kon afslaan. Als pand gold persoon en bezittingen en Jan Van den Biesen stelde zich ook borg.

Waren er slechte hopjaren of kende Carel andere tegenslag? Het eerste jaar betaalde hij nog de huur, de volgende twee jaren niet zodat hij was deugdhdelijck schuldich ende ten achteren gebleven 62 g. Pauwel trachtte niet langer om zelf aan het huurgeld te geraken, hij richtte zich tot de schepenbank om door een vonnis aan zijn geld te geraken.

Carel Ardennois werd vermeld in de inventaris van het sterfhuis van pastoor Jan Ardennois die in 1678. Curator Jan De Witte ging in opdracht van de pastoot meerdere malen naar Asse “in verband met de zaak van Carel”. Ging het om deze huurachterstand of had Carel nog andere moeilijkheden?

12 juli 1688. Een ongelukkige erfgenaam[3].

Guilliam De Suer was een pechvogel. Zijn ouders stierven vroeg en hij kende ook geen lang leven. Maar hij kon wel rekenen op zijn voogd Andries De Bruecker. Hij was er bij toen Guilliam op 12 juli 1688 een lening aanging bij Gillis Van de Velde en zijn vrouw Cathelijne Stevens. Het ging om een bedrag van 96 g en met een rente van 6,25% of 6 g per jaar. De akte werd verleden door de schepenbank van de abdij. Michiel Wambacq was de meier, Michiel Van de Putte en Gillis Robijns ondertekenden als schepenen. Guilliam gaf als onderpand 1d land gelegen in De Hoorick, palend aan Adriaan De coster, Jan Seghers en de straat. Het tweede pand was een perceel van 1bunder gelegen in Het Plasbroek te Hekelgem en grenzend aan Joos Meert, Elisabeth Robijns, de jezuïeten van Aalst en de straat.Het was belast met een grondcijns van 4 g 10 st. ten voordele van de kerk- en huisarmen van Essene. Tot 1691 betaalde Guilliam de rente. Zoals in elke akte werd ook hier voorzien dat, in geval van wanbetaling, de leninggever zoveel goederen mocht opeisen tot het ontbrekende bedrag was vereffend. Met de dood van Guilliam werd Andries erfgenaam en de schepenbank van Asse verplichtte hem de 18 g achterstal te betalen.

Gillis Van de Velde en Cathelijne Stevens trouwden op 18 mei 1673, Peter de Suer en Anna Van den Driessche op 20 november 1656. Hun zoon Wilhelmus (Guilliam) werd op 31 juli 1658 geboren.

1689. Gillis Van Onchem weigert schulden van zijn vrouw te betalen[4].

Moet je de schulden die je vrouw maakte voor het huwelijk betalen? Die vraag zal Gillis Van Onchem wellicht vaak uit zijn slaap hebben gehouden. Hij trouwde met Anna Dedemaeckers, de weduwe van Hendrik Van Ransbeke. Zij had met Hendrik op 19 september 1662 een lening aangegaan van 400 gulden met een rente van 5% of 20 gulden per jaar, bij Jan Coene en Elisabeth Puttemans. De akte werd opgesteld door de schepenen van het leenhof van de abdij, namelijk Charles de la Mars[5], meier en schepen Melchior Van den Driessche. Hendrik en Anna gaven de volgende goederen als onderpand:

-Een dagwand land gelegen op Het Meirbroek, grenzend aan Guillam Van Mulders, Jan De Gols, Jan Buggenhout en aan de kerkgoederen.

– Een ½ d land grenzend aan Leonard Verheijden, de hoeve van Jan Coene en de straat.

– Een meersken grenzend aan de abdijgoederen, Jan Buggenhout, de weduwe Hendrik Van den Wijngaert en de hoeve van Coene.

De drie partijen land waren belast met een grondcijns aan de abdij en aan het Hof te Mutsereel[6].

-Een hofstede met huis en andere gebouwen, Het Keijserrrijck, gelegen aan de straat, de erfgenamen Leonard Verheijden, Hendrik Van Onchem en de abdijgoederen.

Zoals gebruikelijk was in de akte voorzien dat, in geval van wanbetaling, de leengever het recht had om beslag te leggen op de onderpanden tot het bedrag van de schuld. In 1689 legde François Ferdinand uit Antwerpen, voor de erfgenamen van Jan Coene en Elisabeth Puttemans, een klacht neer bij de schepenbank van Asse omdat de achterstallige renten waren opgelopen tot 185 g. Hij verzocht de schepenen Gillis Van Onchem te veroordelen tot onmiddellijke betaling van de 185 g.

Met Anna Dedemaeckers had Gillis nog een zoon, Egidius, gedoopt op 3 juli 1678. Gillis kwam wel vaker in contact met de schepenbank. Zo was er in 1676 twijfel of hij wel de twee koeien die hij naar de stal van Hendrik Van Onchem moest brengen stiekem niet had weggehaald. Twee jaar later werd hij gedaagd omdat hij een aankoop van schaarhout niet had betaald.

1689. Het geld van de broederschap[7].

Uit het register van rekeninghe van de broederschap van Sinte Walburgis binnen de prochie van Meldert begonst van den jaere verschenen 1664 alwaer onder staet naervolgende:

Den  XIIII° februari XVI° drijenseventich heeft Guillam Van Mulders[8] filius van Gabriël ontfangen van Franchois De Vis filius Peter het sloth (van de rekening) van Jan Van Ighem, sijnen voorsaet bedraegende de somme van drijentwintich guldens ende veertien stuivers. Item van Gillis Breem sijn sloth bedraegende drijentwintich guldens ende dertien stuivers waerbij Gillis Breem heeft bij gelijt ende verschooten dertien stuivers, comt tsamen te bedraegen achtenveertich rinsguldens waervan Guillam Van Mulders heeft gelooft te geven intrest in advenant van den penninck sestien (6,25%) bedraegende drij guldens des jaers altijt te betaelen te Lichtmisse, welcke somme belooft den voorschreven Van Mulders te restitueren aen de meesters van het broederschap van Sint Walburgis binnen Meldert binnen den tijt van drije jaeren off de selve te besetten op sufficiënte panden ten contentemente van de meesters ende hooftman ten dien tijde sijnde acte den veertiensten februari ut supra ter presentie van Gillis Breem auwerman, Franchois De Vis broeder, Franchois De Vis filius Jans oock broeder van het voorschreven broederschap ende mij als des hooftman quod attestor ende is onderteeckent Guillam Van Mulders, J. Ardennois (pastoor) van Meldert, Gillis Breem, Franchois De Vis ende Franchois De Vis filius Jans.

De broederschap van Sinte-Walburga bestond al op het einde van de 15e eeuw. De leden namen, vergezeld van de pastoor en de koster, deel aan de processie van de H. Gudula te Moorsel waar zij na afloop van de plechtigheid werden getrakteerd[9]. Zoals we uit het register kunnen opmaken, leenden Gillis Breem, hoofdman van de broederschap en Franchois De Vis, als lid, elk 23 g 13 st, samen 48 g aan Guillam Van Mulders op 14 februari 1673 – 48 g uit de kas van de broederschap. Guillam beloofde het bedrag binnen de drie jaar terug te betalen en voldoende onderpand te geven. Toen hij in november 1681 stierf, was de schuld nog niet vereffend. Gillis had wel al uit eigen zak het tekort bij de broederschap aangezuiverd. In 1689 moesten de erfgenamen van Guillam Van Mulders nog 8 g betalen en Peter Van den Bossche, die optrad namens de erfgenamen van Gillis richtte zich in 1689 tot de schepenbank om Adriaan De Gols, erfgenaam van Guillam, te verplichten de ontbrekende 8 g te betalen.

Het was niet de eerste keer dat Adriaan De Gols voor de schepenbank werd gedaagd omwille van de schulden van zijn schoonvader Guillam. In 1686 moest hij 29 g 10 st aan de huisarmen betalen een tekort dat Guillam als armenmeester had nagelaten.

20 februari 1690. Arme weduwe[10] (1).

De weduwe van Joos De Wolf geraakte na het overlijden van haar man in de problemen toen ze vroeger aangegane leningen niet kon afbetalen. Bij den heere borgemeester en schepen der stede van Aelst en bij Franchois Van Ransbeke had Joos een lening aangegaan. Van geen van beide kon zijn weduwe de rente betalen. De burgemeester stelde Petrus Judocus Touriani aan als advocaat om zijn zaak bij de schepenbank van Asse te bepleiten. Op 29 november 1689 werd de weduwe samen met haar zoon Anthoen voor de schepenen gedaagd om na te gaan welk bedrag ze nog schuldig was, rekening houdend met de afbetaalde som en de kosten van het gerecht. Schepen J. Van Mulders liet hen op 20 februari weten dat haar schuld 181 g bedroeg. Anthoen aanvaardde die taxatie niet en stelde De Raedt als advocaat aan. Op de zitting van 2 mei 1690 konden beide advocaten hun standpunten nog eens verdedigen, waarna de schepenen beslisten dat ze eis van Touriani aanvaardden.

1690. Arme weduwe[11] (2).

Op 15 juli 1667 kocht Joos hout bij Franchois Van Ransbeke voor 48 gulden. Daar hij het nodige geld niet bezat, ging hij bij Franchois een lening aan met een looptijd van 50 jaar en een intrest van 6,25%. Van Ransbeke transporteerde de lening met de jaarlijkse rente naar de huisarmen van Meldert op conditie dat, als de lening werd afbetaald, de 48 gulden opnieuw werden belegd ten voordele van de huisarmen. Van die goede bedoeling kwam niets in huis. De weduwe was niet in staat om de jaarlijkse 3 g te betalen en in 1684 was het tekort al opgelopen tot 30 g. Daar diverssche minnelijke vermaeningen niet hielpen, besloten de pastoor en de armenmeesters om ook een proces in te spannen bij de schepenbank.

8 april 1690. Uit het sethboeck[12].

Gillis Beeckman leverde in opdracht van de bedesetters materialen voor militairen. Waarschijnlijk ging het om hulp voor de Spaanse troepen tegen de frequente invallen van de Fransen onder Lodewijk XIV. Op 8 april 1690 keurden op verzoek van collecteur Jan Van der Borght de bedestters Geeraert Robijns, Joos De Meersman, Carel Van der Borght en Steven De Kempeneer die uitgaven goed. Een kopie, door notaris J. Schoonjans voor in overeenstemming met verklaart, werd aan de schepenbank bezorgd. Hieronder het extract uit het settingboek.

Extract vuijt den sethboeck der prochie van Meldert omme gestelt den 12den januari 1690 bij de bedesetters aldaer daerinne geseth te sijn seekere ontcosten behelsende leveringhe van fouragie, mutsaert, picetten, haver, hoij ende andersints, in den welcken onder andere saet als volght:

Gillis Beeckman 52 – 10 – 1 oort.

Gevalideerd         41 – 12 – 0.

Ontfaen                  1 – 0 – 0.

Later op het jaar, op 11 juli dat jaar plunderden de Fransen een vijftal huizen in Meldert.

1692. Veroordeeld door eigen schepenbank[13].

Schepen Michiel Cornelis[14] moest als gevolg van een lening, aangegaan op 18 februari 1688 bij de kinderen Pauwel Anthonis, 18 gulden erfelijke rente betalen. Als pand stelde hij een hoffstede metten huijse ende andere edificiën op Nievel, groot 1 d, palende aan de Nieveldries, de Molenkouter, de abdij en Gillis Beeckman en een perceel land van 1 d grenzend aan de straat, de Molenbeek, Gillis De Nil en de wezen Jan Beeckman. De akte werd verleden door de schepenen Philips Van Gete, Gillis De Bailliu en Adriaan Van Nuffel en meier Michiel Wambacq van de abdij. Anthoen Anthonis was de voogd van de kinderen. Het kapitaal had Pauwel ontvangen van Anthoen Verheijlewegen. In 1691 spande Joan Willems uit Meldert voor de kinderen Anthonis een proces in bij de schepenbank van Asse. Michiel Cornelis betaald de helft van het kapitaal terug en stopte met de betaling van de rente in 1686 en had dus nog een schuld van 45 g over 5 jaar rente, die hij volgens de schepen promptelijck moest vergoeden.

4 februari 1692. Arme weduwe[15] (3).

De weduwe van Joos De Nil kwam ook na de dood van haar man in moeilijkheden. Hij had een lening verkregen van advocaat A. Adriani, maar toen hij stierf kon zijn weduwe drie jaar na een de rente niet betalen. Na de dood van Adriani verkocht zijn weduwe de lening aan een zekere Cornaille. Die heer, nadat hij alle mogelijke debvoyren deed om de 9 ponden groten Vlaams (= 18 gulden) te innen, besloot hij om ook de schepenbank in te schakelen.

Schulden bleven ook de weduwe van Guillam Van Mulders, Kathelijne Van der Jeught achtervolgen en zelfs na haar dood eisten de collecteurs van Meldert, Jan Van der Borght en Stevens De Valck, respectievelijk 23 en 5 gulden 1 blank. Daar de arme weduwe slechts een koijbeeste met eenighe cleyne meubelkens bezat, vroegen ze de schepenbank de toelating om die te verkopen.

22 april 1692. Een bedde ende wolle goederen[16].

Van koopman Jan Rogier Caeyman uit Aalst kocht Andries De Bruecker een bedde ende wolle goederen. Hij betaalde een deel van de aankoopsom en bleef ten achteren de somme van sesthien guldens ende thien stuijvers. Maenen tot betalinge van de tachterheijt was tevergeefs en verliesende sijne patiëntie trok hij naar de schepenbank om zo aan zijn geld te geraken.

1 mei 1692. Ingel De Ridder[17].

Peter Sannens en zijn vrouw Beatrice Vanden Dorpe wachtten 6 jaar alvorens naar de schepenbank te stappen. Ingel De Ridder moest hen elk jaar 25 g erfelijke rente betalen, maar sinds 1686 hadden ze niets meer ontvangen. In 1692 beliep zijn schuld 150 g. Van de schepenen vroegen ze om Ingel te verplichten hen promptelijck te betalen.

17 mei 1692. Eene gemaeckte bane[18].

In de jaren 1640 pachtte Jan Vergillius het hele Swertland van de abdij. Daar liep toen een voetweg door voor aen de straete besloten met eenen steenen stichele en met eene voetbrugge over het beeckxke. Maar 50 jaar later is het Swertland in kleinere percelen verdeeld en zijn er meerdere pachters. De boeren hebben, na onderling overleg, de voetweg verbreed tot een veldbaan waarover ze met hun kar kunnen rijden om hun perceel te bereiken. Dat was Gillis Robijns, meier van de abdij, niet ontgaan en samen met de schepenen van de abdij besloten ze in 1692 op die weg dezelfde taks op te leggen als die van de publieke straten volgens het edict van 3 februari 1570. Pechvogel was Jan Goeman, want de weg liep voor get grootste deel over zijn perceel. Hij betaalde de taks niet. Gillis Robijns reageerde erg kordaat en liet de roode grijse koije van Goeman verkopen voor 29 g 15 st. Goeman verzamelde daarop meerdere getuigenissen waarmee hij naar de schepenbank trok. Joos Van den Wijngaert, 72 jaar, verklaarde dat hij binnen sijn gedencken geen cautergat off losgat en hebbe geweten van ’t Swertlant tot behoef van iemand anders. Christiaen Van den Velde, 91 jaar, heeft nooit geweten van enige belasting. De pachters van Affligem “laten bij gedoogh malcanderen reijden” en dat wil hij “in alle bancken van rechten bij eedt vercleeren. Gillis Robijns ondervroeg zelf een aantal getuigen: Michiel Van de Putte, schepen van Affligem en 57 jaar oud, Peter De Hgeleer, officier van het Land van Asse, 61 jaar, Peter Kindermans, 52 of 53 jaar oud, Barbara Goossens, 75 jaar en huisrouw van Michiel Van Biesen en Joanna Van den Wijngaert, oud 72 jaar en huisvrouw van Jan De Boitselier. Zij bevestigden het standpunt van Jan Goeman en zijn twee getuigen. Van de drossaard heeft hij ook vernomen dat er op die weg geen belasting werd geheven, zelfs niet “in de drooge jaeren soo winters als somers ende andersints oock niet in der slechten ende miserabelen tijt. Daarom besloten ze op 25 januari 1693 dat er geen taks wordt geheven op die veldweg. Behalve de getuigen ondertekende ook Middeleer als rentmeester van de abdij. Notaris Schoonjans bezorgde een kopie aan de schepenbank.

11 november 1692. Met drij peerden ten dienste[19].

Joos Van Damme, pachter van Baardegem, aanvaardde in 1692 om, in opdracht van de bestuurders van Baardegem en Meldert met sijne waegen ende drij peerden ten dienste van Sijne Majestijt bepaalde karweien uit te voeren voor 4 g 17 st per dag. De twee gemeenten zouden elk de helft van de kosten dragen. Meldert moest in het totaal 303 g 2 ½ st aan Joos Van Damme. Niettegenstaande meerdere aanmaningen bleef Meldert talmen met de uitbetaling. Het wachten moe, wendde Joos zich op 11 oktober 1692 tot de schepenen van Asse. Die verklaarden Joos eis tot betaling ontvankelijk en op 11 november van dat jaar overhandigde officier Michiel Jacobs, in hun naam, aan het gemeentebestuur de opdracht Joos Van Damme te vergoeden. Zij moesten echter hun eis nog tweemaal herhalen en op 2 december voegden ze er nog 6 g 1 st gerechtskosten bij.

23 maart 1695. Nog een verswegen rente[20].

Voor de schepenen van het Godtshuijs van Affligem verschenen op 21 maart 1695 Cathelijne Van Nieuwenborgh en haar zoon Peter. Zij was weduwe van Peter De Vis. Gillis Van Nieuwenborgh had samen met zijn vrouw Cathelijne De Nil voor notaris J. De Witte op 17 oktober 1682 een overeenkomst afgesloten. In ruil voor een obligatie van 50 gulden konden zij beschikken over ¾ van een perceel gelegen te Hekelgem en palend aan de goederen van de abdij, de H. Geesttafel van Hekelgem en Lucas Crick. Nu 13 jaar later diende Peter De Kempeneer een verzoek in bij de schepenen van Asse. Volgens hem was het perceel belast met een cijns van 3 g ten voordele van de broederschap van de H. Walburga en was die nooit betaald. Gillis Van Nieuwenborgh ontkende het bestaan van zo’n cijns want die was hem nooit meegedeeld off aangetoond. Hij vraagt de schepenen dat ze het arrest op de voorschreven drije vierendeelen lants met de gerst daerop staende … qualijck, onbehoorelijck  te verklaren en aan Peter De Kempeneer de kosten aan te rekenen.

23 juli 1696. Drijgende de huijsen aff te branden[1] – 63.

23 juli 1696: opschudding in Meldert. Drie schelmen vallen de mensen lastig. Een van hen, een zekere Van den Daele, beweert dat zij Franse soldaten zijn van het garnizoen van Bergen. Zij hebben de opdracht om te controleren of Meldert de contributies aan het Franse leger heeft betaald. Zij willen de bewijzen zien. Bovendien willen ze een gids, want ze moeten ook nog naar Baardegem, Mazenzele, Opwijk, Brussegem en Mollem. In Meldert dwingen ze Gillis Geerstman om hun gids te zijn, maar voor de rest vangen ze bot. Er is niemand die op hun eis wil ingaan, waarop ze een paard en drie pattacons eisen d’welck hun niet en is toe gestaen, soo hebben sij vervoordert met vier ende stroo om in brand te steken tot aen het dak … te weten het huijs van Jan Van den Biesen. Gelukkig kan een vrouw de drie brandende pijlen wegnemen. Maar dan trekken ze naar het huis van de bedesetter Jan Goeman waar ze de paardenstallen met geweld openbreken. Als de boeren dreigend op hen afkomen, schieten ze naar hen en, mette baillonette op de strompe willen een ieder doorsteken. Maar boeren mag je niet onderschatten. Ze kunnen een van de fielen ende schelmen gevangen nemen, waarop de twee anderen wegvluchten. Gillis Geerstman, Jan Van Laer en (onleesbaar) waarschuwen Hubertus Moortgat, drossaard van het Land van Asse, om hem de wandaden te melden en om de prise du corps van Van den Daele aan te geven.

Meldert leed, net zoals heel het omliggende, zwaar onder de Franse annexatieoorlogen. Op 7 juli 1691 plunderden Fransen het centrum van Meldert. Het Hof te Mutsereel ging op 13 september van dat jaar in de vlammen op. Het was al eens in 1684 platgebrand[2].

1697. Was Michiel Van de Putte nalatig als collecteur[1].

Peter Van de Putte, de zoon van Michiel, zal wel geschrokken zijn als officier Franchois Van Onchem hem een dagvaarding van de schepenbank bracht. Volgens Jan Van der Borght, de collecteur, moest hij 78 gulden betalen, een bedrag dat zijn vader als collecteur nog zou schuldig zijn volgens de bede- en oncostboecken. Dat ontkende Peter ten stelligste, want zijn vader had voor zijn overlijden met de pastoor en Joan Van Zeebroeck, schepen van de Vrijheid en het Land van Asse, de rekeningen overlopen en daarbij werd vastgesteld dat er een tekort was van 37 g. Michiel heeft die som ter handt gestelt in aanwezigheid van de twee geloofweerdige getuigen. Van der Borght had met enorme lichtveerdicheijt ende onbedachtheijt die klacht ingediend. Het tegendeel was immers waar. Zijn vader had meerdere malen moeten aandringen om 216 g 15 st te ontvangen van de bedesetters. Dat was het bedrag van twee ordonnanties door de drossaard ondertekend op 14 december 1695. Het betrof de campagnewagen voor de parochie die Michiel ter beschikking had gesteld en voor de levering van boter, brood, hooi, stro en dergelijke. Dacht Van der Borgt dat Peter eenen slechten jonghman ende sonder couragie was van iemand te consulteren over soodanich onrechtveerdigh bestaen?

Extracten uit setboeken leren ons dat het proces nog in 1700 niet was opgelost:

Ierst saet in den oncostboeck van sesthien hondert vijffen negentich de somme van 36-2-2.

– Item den oncostboeck: 1696 150-7-1.

– Item de bede van 1696 :150-2-2.

– Item den oncostboeck van 1697: 375-17-1.

Samen = 612-9-2.

– Ierst tegen moet corten van ’t gene bij oronnantie op de rekeninghe is gevalideerd:

– Ierst cort van de voorgaende ordonnenties dat hij boni hadde de somme van 23-19-0.

– Item de ordonnantie van 238-15-0.

– Item cort noch: 14-19-0.

– Item cort noch: 21-4-2.

– Item het cortbillet van sesthien hondert vijff ende sesthien hondert sessennegentich 143-17-3.

– Item het cortbillet van sesthein hondert sevenennegentich 121-13-2.

Samen = 564-8-3.

Er bleef een tekort van zo’n 48 g. Op verzoek van Jan Van der borght overhandigde Franchois Van Onsem (Onchem) een affvraginghe om de innehouden der selve te reguleren. Peter antwoordde dat hij geen schuld en kent noch oock de prochie oversulcx dat den selven Van der Borght ende de prochie soude hebben te kussen sijn gat.

20 juni 1697. Een verdwenen testament[2].

Na het overlijden van Alexander Paon kocht zijn dochter Elisabeth op 9 januari 1692 een hoeve met land, samen 1 dagwand, op Doment voor 139 gulden van Jan Van den Bossche en Christina Roodemont uit Londerzeel. Het was een onbehuijsde hoffstede, grenzend aan De Grote Dries, aan de erfgenamen van Jan Van Nuffel, griffier van de abdij, aan het Labues en aan Steven Meert. De akte werd verleden door notaris Hendrik De Raedt. Het goed was suiver ende onbelast dan alleenelijck belast met eenen clijnen chijns van ontrent een oort des jaers aen den heere van off tot Assche voor den opstal daeraen gelegen. Daar het land bezaaid was, kon Elisabeth de vroegere eigenaars vergoeden voor het gewas ofwel hen het perceel nog een jaar laten gebruiken, mits betaling van de pacht. De akte werd door meester Arnout Adriani overhandigd aan de Henricus Franciscus de Cottereau, markies van de Vrijheid en het Land van Asse. Op 10 augustus 1692 ondertekenden Michiel Cornelis, Jan Van Mulders, Adriaan Verspecht en Gerard Robijns, als schepenen van Asse de kopie voor de schepenbank.

Vier jaar later was haar moeder, Anna Van den Hauw, hertrouwd met Franchois Van Onsem (ook onchem). Elisabeth zelf sieck liggende te bedde ende voor haere doot willende maecken haer testament offte vuijterste wille liet de desservitor Bernardus Herreyns[3] en twee eerelijcke luijden, de getuigen Robert Mertens, de koster, en Jan Ophalvens komen om haar testament op te stellen. Ze liet de boerderij, ondertussen wel een behuijsde hoffstede geworden, na aan haar moeder. Wanneer ook haar moeder overleed, ging de hoeve over in handen van Anna’s tweede man, Franchois Van Onsem, als langstlevende echtgenoot. Franchois stierf kinderloos en zijn broer Gillis meende dat hij nu de wettige erfgenaam was en nam de hoeve in gebruik. Maar dat was zonder Jan Poels gerekend. Hij was de man van Anna’s zus, Petronella Van den Hauw en volgens hem kwam de hofstede toe aan zijn vrouw. Hij diende een klacht in bij de schepenbank van Asse.

In zijn antwoord op die klacht stelde Gillis Van Onchem dat Jan Poels inder eeuwicheijdt niet en sal connen proberen vast te stellen dat Gillis van de erfenis was uitgesloten. Er was immers het testament, maar het probleem was dat Bernardus Herreyns het niet meer had. Hij was in 1696 pastoor van Aaigem geworden en Engelse militairen hadden al zijn documenten meegenomen toen ze de pastorie plunderden. Aan Gillis verklaarden de twee getuigen dat in haar testament Elisabeth de hoeve aan haar moeder toewees. Bijgevolg hadden Anna en Franchois de hoeve terecht gebruikt. Na Franchois’ dood had Gillis het land bewerkt ende gereet gemaeckt om op sijnen behoorlijcken tijt lijnsaet konde ingesaeijt geworden hebben om schoon vlas te winnen. Jan Poels wachtte de uitspraak van de rechtbank niet af en zaaide gerst op de akker. En hij deed nog meer. Hij had in den hoppelochtinck comen grafferen ende de hoppekuijlen heeft comen open doen eene volle maendt vroeger als alsulcke hop die welcke daerinne staet is tollererende. Want het dient te sijn genoteert dat het eene soorte van roode hoppe is die welcke daerinne geplant is die man ordinaris wel eene maendt later opendoet ende niet als andere. Ende nota oock heeft hij de selve kuijlen open gedaen ende de keesten alreede geproffiteert ten tijde als het snachts soo defftich noch was vriesende. Bijgevolg had Gillis al heel wat schade geleden. Wat Jan Poels en zijn advocaat, Jan Schoonjans, ook mochten beweren, het was allemaal valsch ende onwaerachtich. Gillis rekende erop dat de schepenen de klacht van Poels zouden verwerpen.

In zijn replycke stelde Poels dat er helemaal geen testament was. Dat kon ook niet omdat een moeder niet van haar kinderen kan erven en dus heeft Anna de hoeve nooit geërfd en kon ze die niet nalaten aan haar tweede man. Hij ontdekte ook dat er een cijns op rustte van  1 oord aan de heer van Asse voor een opstal[4]. Dat Gillis dat niet wist, bewijst dat hij geen wettige erfgenaam was. Als Elisabeth dan toch een testament had, dan was de akte nooit ondertekend want Elisabeth en de getuigen konden niet schrijven. De handtekening was wettelijk verplicht volgens het Eeuwig Edict van 1611. De opsteller van een testament, hetzij een notaris, een pastoor of anderen moeten dat vermelden. Men moest geen bibliotecque openen om het ongeijck des gedaeghde (Gillis Van Onchem) van alle canten te doen sien. Hij vindt het logisch dat Van Onchem hem moet vergoeden voor alle vruchten en baten die Anna genoten heeft na de dood van haar dochter.

Gillis reageerde met een weerlegging van 90 artikels waarin hij zijn argumenten nog eens op een rij zette. Hij bleef erbij dat Anna van haar dochter had geërfd volgens de costuijmen van Assche. Pastoor Herreyns had op zijn vraag al bij notaris Slachmolen  op 7 april 1696 een ondertekende verklaring afgegeven waarin hij bevestigde dat hij op vraag van Elisabeth een testament opstelde om haer huijs met de stede aan haar moeder over te laten. Robben Merten en Jan Ophalvens waren daarbij aanwezig. Hij vestigde ook de aandacht op het feit dat Calixtus Schoonjans samen met Jan Poels de klacht had ingediend. Calixtus was de zoon van advocaat Jan Schoonjans. Kan men wel geloof hechten aan iemand die optreedt als advocaat in zijn eigen zaak. Hij verzocht de rechters om daar eens met een gesondt verstandt over te oordelen.

De volgende stap in het proces was de vraag van Jan Poels aan de schepenen om Jan Ophalvens, Anthoen Arijs, Calixtus en Jan Schoonjans te verhoren. Gillis was ondertussen overleden en zijn weduwe verzette zich tegen de ondervraging van Jan Ophalvens. Die had op 22 juni 1696 getuigd dat hij het testament had ondertekend, maar was nu op zijn verklaring teruggekomen. Volgens Gillis’ weduwe omwille van familiebanden. Ophalvens’ moeder was Cathelijne Van den Hauwe, de zus van Jan Van den Hauwe en schoonvader van Jan Poels. Dat maakte zijn getuigenis niet betrouwbaar. De schepenen gingen niet in op het verzoen van Gillis’ weduwe. Op de zitting van 20 juni1697 ondervroegen Hendrik Van den Bossche en Van Mulders Jan Ophalvens. Ophalvens, een 44-jarige wever tuijght ende vercleert voor de waerheijt dat de desservitor Heer Arreyns het testament opstelde, maar dat niemand het ondertekende. De andere ondervraagden brachten geen nieuwe feiten naar voren.

Op 6 oktober komen de schepenen H. Paijez en Stoeffs tot een uitspraak. Het proces kan niet definitivelijck beslecht worden. Beide partijen krijgen de rekening gepresenteerd. Ieder moet  4 g 16 st betalen.

21 oktober 1698. Met warmerhandt gegeven[5].

Stel: je schoonzus bezit een hofstede en na de dood van je broer, haar man, blijft zij alleen achter. Dan droom je wel eens van een mooie erfenis. Maar ’t kan verkeren.

Deze geschiedenis begint bij Jan De Moncheau. Hij bezat een hoffstedeken metter huijse ende andere edificiën, gelegen aan de kerk en palende aan de straat, aan Joos Van den Hout en aan de Sollendries. Na zijn dood erfde zijn dochter Anna de hoeve. Zij was getrouwd met Gillis Van Langenhove en zij hadden een dochter, Anna Van Langenhove. Na Gillis’ dood hertrouwde Anna met Gillis De Meije die naer lange jaeren getrouwd sijnde is commen te sterven. Kort na hem overleed ook de dochter Anna Van Langenhove. Zo bleef Anna De Moncheau alleen achter op de boerderij. Sieckelijck te bedde liggende liet zij op 9 oktober 1697 door notaris J. De Witte haar testament opmaken. Zij schonk haar bezittingen metter warmerhandt aan Jan De Valck en zijn vrouw Cathelijne Marissens. Die donatie gebeurde voor het onderhoud van Anna soo van eet ende dranck als van lieffde, affectie ende andere weldaden haer in haer sieckte bewesen ende noch sullen moeten doen. Pastoor Johannes Cleersnijders en Franchois Van Onchem waren de getuigen. Jan en Cathelijne mochten de hofstede onmiddellijk bezetten. Ze moeten alleen nog een cijns aan de abdij betalen.

Die schenking was een streep door de rekening van Joanna De Meije, de zus van Gillis. Op 22 november 1698 schakelde zij de drossaard in. Volgens haar was haar broer, door zijn huwelijk met Anna De Moncheau, de erfgenaam van de hofstede, Anna had alleen het vruchtgebruik. Ze verzocht de drossaard om Jan De Valck en zijn vrouw instantelijck te ordonneren affstand te doen ende quitteren de possessie vant voorschreven hoffstedeken met restitutie van alle vruchten, baten ende proffijten bij hem genoten. Jammer voor haar, maar Gillis Vinck, 55 jaar, Jan Buggenhout, 50 jaar en Joos De Clerck, 45 jaar, hadden als buren al op 11 september 1698 getuigd dat Anna wel degelijk de boerderij aan Jan De Valck als donatie inter vivos had overgemaakt.

Anna De Moncheau  trouwde met Gillis Van Langenhove op 1 augustus 1671 en hertrouwde met Gillis De Meije op 2 juni 1677.

1699. De vrouwe van het Hof te Putte in geldnood[6].

Op 13 augustus 1664 gingen Jasper Breem en zijn vrouw Joanna Van der Borght van het Hof te Putte te Brussel een lening aan bij Franciscus Vander Plancken. Het ging om een bedrag van 600 g met een rente van 37 g 10 st. Notaris J. De Beerth stelde de akte op. Als onderpand gaven Jasper en Joanna:

– Een ½ bunder en ettelijcke roeden land, palend aan de dries, de heirbaan naar Aalst, Jan Van de Putte en Merten Coene. Het perceel was belast met 2 st cijns aan de abdij en met een erfelijke rente van 21 g aan Andries De Wever. Deze ½ b kochten Jasper en zijn vrouw van Peter Van Neervelt en Cathelijne Breem.

– 1 ½ d land, grenzend aan Joos De Clerck, Joos Robijns en de kerk van Meldert. Dit stuk had Jasper van zijn vader geërfd.

– Een erfelijke rente van 14 g voor Pauwels Stevens van 16 maart 1648 volgens de akte van de schepenen van het Godtshuijs van Affligem.

In 1679 kon Joanna, inmiddels weduwe geworden, de rente al 13 jaar niet meer betalen. Ridder Urbanus Van der Borght, raedt ende commissaris van sijne Majesteijts souvereijnen ende financiën, diendeals erfgernaam van Franciscus Vander Plancken, bij de schepenbank een eis tot betaling in. Jan Geerstman reageerde daarop met de schulden over te nemen. De gesworen erfflaten van de taeffele van den Heiligen Geest van Meldert van haeren heerelijcke laethove, Gillis Breem, Joos Robijns, Michiel Van de Putte en meierPeter Geerstman stelden op 27 november 1679 de akte daarvan op.

24 maart 1699. Over het waeggeld[7].

Stephanus Van Mulders bezat een waag en wie iets wou verhandelen waarvan het gewicht belangrijk was, kwam bij hem om het goed te wegen en betaalde daarvoor 1 blank of 3 oorden per honderd. Na Stephanus was zijn broer Jan Baptista de waagmeester. Charles Ardennois maakte ook gebruik van de waag en betaalde stipt aan Stephanus volgens zijn verklaring van 17 maart 1691 aan notaris Slachmolen: van de commerschappen … om gewogen te worden soude geven ende betaelen de blancq par honderts onder meer, dwelck hij noijnt en heeft gerefuseerd. Maar met Jan Baptista nam hij het niet zo nauw en in 1691 had hij een schuld van 6 g en hij was er ook niet op vuijt om sijne plicht van recht ende rechtveerdige schuld te betaelen. Jan Baptista zag maar een mogelijkheid om aan zijn geld te geraken: zich wenden tot de schepenbank van Asse.

Klein Meljerts vocabularium uit de 17de eeuw.

Hij heeft de panne metten steel zei Angel en met die beeldrijke uitspraak bracht hij ons op het idee om een aantal bijzondere en plastische woorden en gezegdes van onze Meljertse voorgangers te verzamelen. Juridische termen zijn hier niet in opgenomen. Waar nodig zijn die in een voetnoot onder het artikel verklaard.

Beslechten: beslissen.

Bij drancke wesen: dronken zijn.

Bij drancken wesende hem in sijne woorden bevangen: iemand die dronken is in de val laten lopen.

Carelleren: beledigen, uitschelden.

Catsereel = keitsereel: een manuaal.

Clipel: stok.

Commen slaen handt off handen: zich iets toe-eigenen.

Crakeel hebben: ruzie maken.

Den cost eet ende dranck genieten: kost en inwoon hebben.

De dach van eeren: de trouwdag.

De derde reijsse: de derde keer.

De panne met den steel hebben: alles hebben.

Den haes misbruijcken: een zware misdaad begaan.

Den wegh van chicane inne gaen: vitten, moeilijkheden veroorzaken.

Eenen hond steckt sijn neus in eenen pot die hij open is vindende: profiteren van een goede gelegenheid.

Eene onvermete colère: een onbedwingbare woede.

Fusiek: geweer.

Futselingen: bagatellen.

Gedestrueerd: verwoest.

Gram worden: kwaad worden.

Hael: ketelhaak van de schoorsteen.

Hames: houwmes, kort breed mes.

Het huijs onderhouden van recken ende plecken ende daecken: het huis volledig onderhouden.

Het vijffde rat totten waegen: het vijfde wiel aan de wagen.

Hoornebeesten: koeien.

In brolie geloopen: in de war gelopen.

In perickel van sterven: in levensgevaar.

Inne den wegh van rechte gaen: een proces inspannen.

Is het gat schoon: is de situatie gunstig.

Kints sijn: dement.

Langen: stelen.

Lochtinck: groentetuin.

Maenen tot: aanporren.

Maerte: meid.

Maeschap: familie.

Malcanderen metter handt toeslaen: een akkoord bezegelen met een handdruk.

Met hand en mond lenen: lenen op handslag of gegeven woord.

Mette baillonette op de strompe: de bajonet op het geweer.

Metter minnen vermaent: vriendelijk aangespoord.

Metter warmerhandt: met een handdruk.

Minnelijck met malcanderen overcommen: goed met elkaar overeenkomen.

Mutsaert: takkenbos.

Op sijne stouticheijt: met durf.

Pampieren: documenten.

Pene: boete.

Peis maecken: vrede sluiten.

Praemen tot: aanzetten tot.

Presseren: dwingen.

Promptelijck: dadelijk.

Schoon gelijck een ganzegat: een gunstige situatie.

Seer grammoedich: kwaad.

Sijn debvoyren doen: zijn best doen.

Sijne broeck opnestelen: zijn broek optrekken.

Soo claer als het licht van den middach: zeer klaar, duidelijk.

Sonder hoir van sijnen lijff: zonder kinderen.

Sonder vertreck: zonder uitstel.

Sonder wille wete of consente: zonder kennis.

Straertschinders: vandalen.

Stichel: muurtje.

Sweerende met opgerichte vingeren lijffelijcken ter heiligenwaerts: zweren met opgestoken vingers.

Tachterheijt: achterstel.

’t Krieken van den dach: de vroege morgen.

Van hooren seggen lieght men veele!

Vuijt den boesem sijne ouders was gebruijckende: het bezit van zijn ouders gebruiken.

Vuijt picantigheijt: uit nijdigheid.

Naamlijst.

Vermelde personen. Datum.
Adriana Arnoult – meier van Asse 17 juli 1624 30 maart 1645
Altssteen (Haltssteen) Paesschijne 3 juni 1642
Anthonis Anthoon 1692
Anthonis Pauwel 1692
Applicoen Hendrik 30 maart 1676
Ardennois Jan – pastoor van Meldert 23 maart 1680
Ardennois Charles 23 maart 1680 18 februari 1687 24 maart 1699
Arijs Michiel 23 maart 1680
Beeckmans Jan 17 juli 1624
Blanckaert Jan 3 juni 1642
Blanckaert Margaretha 3 juni 1642
Borluijt Jacques – jonker 17 juli 1624
Breem Gillis – schepen van de schepenbank van Asse. Armmeester te Meldert. 26 september 1657 13 mei 1658 10 april 1663 19 augustus 1668 23 maart 1680
Breem Jasper 1699
Beeckman Gillis 30 maart 1676 8 april 1690
Blondeel Jan – chirurgijn 23 maart 1680
Buggenhout Joos 20 januari 1619 21 januari 1621
Cambie Claes 29 maart 1613
Cambie Merten 29 maart 1613
Carnoy Gillis 13 mei 1658
Carnoy Melchior 20 mei 1686
Cleersnijders Johannes – pastoor te Meldert 21 oktober 1698
Cooreman Anthoon 17 juli 1624
Cooreman Peter 17 juli 1624
Cordemans Hendrik 30 maart 1676
Cornelis Michiel 1692 20 juni 1697
Crabeels Johannes Charles – hoofdmeier van Asse 26 september 1657 13 mei 1658 10 april 1663 19 augustus 1668
Dauwe Joos 23 maart 1680
De Baetselier Joanna 27 mei 1675
De Bruecker Andries – kerkmeester te Meldert 23 maart 1680 1687 22 april 1692
De Bruecker Joos 23 maart 1680
De Clerck Anthoon 27 februari 1620 21 januari 1621
De Clerck Gielis 21 januari 1621 23 maart 1680
De Clercq Guillam 20 mei 1686
De Coster Jacques 27 mei 1675
De Craecker Peter 25 juli 1652
De Craeckere Romein – ontvanger van Aalst 24 maart 1656
De Forminair Thomas 29 maart 1613
Deghdemaeckers Michiel 17 juli 1624
De Frain Jan 27 mei 1675
De Gols Adriaan 1679 3 december 1683
De Grom Geraard 24 januari 1621
De Hageleer Peter – officier te Meldert 19 augustus 1668 1 maart 1670 20 mei 1686
De Hooghe Steven 16 september 1625
De Kegel Adriaan 26 september 1657
De Kegel Michielijne 13 mei 1658
De Kempeneer Peter 1 maart 1670 23 maart 1695
De Kempeneer Steven – bedezetter te Meldert 8 april 1690
De Keijser Gillis 23 maart 1680
De Kistemaecker Jan 2 mei 1681
De Man Joanna 24 maart 1656
De Meersman Joos 26 september 1657 8 april 1690
De Meersman Joris 23 maart 1680
De Meij Gillis 29 december 1685 21 oktober 1698
De Mesmaecker Peter 23 maart 1680
De Middeleir Elisabeth 1 maart 1670
De Middeleere Josijne 16 september 1625
De Mol Jan 23 maart 1680
De Mol Merten 23 maart 1680
De Moncheau (Monceau) Anna 27 mei 1675 21 oktober 1698
De Moncheau Jan 21 oktober 1698
De Nil Cathelijne 23 maart 1695
De Nil Egidius 3 juni 1642
De Nil Joos 13 mei 1658
De Raedt Hendrick – procureur (advocaat) 1 maart 1670 20 juni 1697
De Ridder Ingel 1 mei 1692
De Ridder Jacques 30 maart 1676
De Rycke Bartolomeus 17 juli 1624
De Schoenmaker Peter 13 mei 1658
De Suer Guilliam 12 juli 1688
De Valck Jan 21 oktober 1698
De Vis Franchois 19 augustus 1668
De Vleminck Laureijs 29 maart 1613
De Vriendt Niclaas 23 maart 1680
De Waegeneer Christina 4 februari 1676
De Witte Jan 23 maart 1680
De Wolf Jan 17 juli 1624
De Wolf Joos 26 september 1657 20 februari 1690
Dedemaeckers Anna 1689
Den Weduwijn Franchois 1 maart 1670
Doornix Jan 30 maart 1645
Everaert Jan – collecteur te Hekelgem 20 mei 1686
Fariseau Peter 23 maart 1680
Gaesemaeckers Jan 10 april 1663
Geerstman Gillis 23 juli 1696
Geerstman Jan 1699
Geerstman Joanna 10 april 1663
Geerstman Peter – brouwer en schepen van de schepenbank van de abdij Affligem. 23 maart 1680 25 juni 1680 29 december 1685
Goeman Jan 17 mei 1692
Goetvinck Peter 23 maart 1680
Herman (Heremans) Jan 24 maart 1656
Herreyns Bernardus – deservitor te Meldert 20 juni 1697
Hooft Gillis – schoolmeester te Meldert 3 december 1683
Huijghe Ingel 24 januari 1621
Impens Joos – notaris te Dendermonde 30 maart 1645
Jacobs Jacques 23 maart 1680
Jacobs Jan 4 februari 1676
Jacobs Michiel – officier 11 november 1692
Janssens Peter 1 maart 1670
Kindermans Gillis 23 maart 1680
Laus Jan 23 maart 1680
Mannaert Jan 3 juni 1642
Mannaert Peter 19 augustus 1668
Marissens Cathelijne 21 oktober 1698
Mertens Robert – koster te Meldert 20 juni 1697
Meskens Peter – smid 13 mei 1658
Mesquin Peter – smid 30 maart 1645
Moortgat Hubertus – drossaard van het Land van Asse 23 juli 1696
Moyersoen Simoen 3 juni 1642
Paon Alexander 20 juni 1697
Pardoens Jan 24 maart 1656
Pauwels Joos 20 mei 1686
Pauwels Peter – ondermeier van Affligem 13 mei 1658
Peters Christiaan – smid te Moorsel 26 september 1657
Plas Gillis – koster en schoolmeester te Meldert 30 maart 1645
Poels Jan 20 juni 1697
Povre Jan 29 maart 1613
Querenin Joos 29 maart 1613
Robijns Aert 29 maart 1613
Robijns Franchois 20 mei 1686
Robijns Geeraert – bedezetter te Meldert 8 april 1690 20 juni 1697
Robijns Gillis – meier van de abdij Affligem 17 mei 1692
Robijns Jan 3 december 1683 20 mei 1686
Robijns Joos 23 maart 1680
Robijns Laurentius 7 december 1666
Robijns Maerten (Merten) – schepen van de schepenbank van Asse 10 april 1663 1 maart 1670
Robijns Pauwel 13 mei 1658
Roodemont Christina 20 juni 1697
Romijn Niclaas – koster van Meldert 23 maart 1680
Sammens Charles 2 mei 1681
Segers Hendrick 16 september 1625
Snellinck Charles – rentmeester abdij Affligem 27 februari 1620
Spanooghe Peter   23 maart 1680
Speeckaert Gillis 1679
Steeman Jan 17 juli 1624
Stevens Cathelijne 12 juli 1688
‘T Kint Guilliam – schepen van de schepenbank van Asse 1 maart 1670
Touriani Petrus Judocus – procureur (advocaat) 20 februari 1690
Van Bi(e)sen Jan 17 juli 1624
Van Buggenhout Franchois 25 juni 1680
Van Buggenhout Jan 25 juni 1680
Van Capenberghe Pauwel 23 maart 1680 18 februari 1687
Van Damme Joos 11 november 1692
Van De Nest Jan 23 maart 1680
Van De Putte Joanna 23 maart 1680
Van De Putte Michiel – schepen van de schepenbank van de abdij Affligem 7 december 1666 23 maart 1680 29 december 1685
Van De Putte Peter 1697
Van De Velde Gillis 12 juli 1688
Van Den Biesen Jan 18 februari 1687
Van Den Bossche Hendrik 23 maart 1680
Van Den Bossche Jan 20 juni 1697
Van Den Bossche Peter 3 juni 1642 23 maart 1680
Van Den Driessche Hendrick 8 januari 1621
Van Den Driessche Ingel 27 februari 1620 21 januari 1621
Van Den Driessche Melchior 7 december 1666
Van Den Driessche Peter 1 maart 1670
Van Den Hauw Anna 20 juni 1697
Van Den Houte Joos – bedezetter van Meldert 3 juni 1642. 1666. 19 augustus 1668
Van Den Meerssche Andries – officier van Moorsel 26 september 1657
Van Den Meerssche Anna 17 juli 1624
Van Den Meerssche Anthonijne 26 september 1657
Van Den Meerssche Charles 17 juli 1624
Van Den Nest Jan – schrijnwerker te Dendermonde 30 maart 1645
Van Den Wijngaert Gillis 24 januari 1621 13 mei 1658
Van Den Wijngaert Joos 13 mei 1681
Van Den Wijngaert Peter 29 maart 1613
Van Der Borght Carel – bedezetter te Meldert 3 december 1683 8 april 1690
Van Der Borght Guilliam – officier 10 april 1663
Van Der Borght Gijsbrecht – schepen van Asse 17 juli 1624
Van Der Borght Jan – Kerkmeester van Meldert 29 maart 1613
Van Der Borght Jan – collecteur te Meldert 23 maart 1680 8 april 1690 1697
Van Der Borght Joanna 1699
Van Der Borght Urbanus 1699
Van Der Elst Jan 21 januari 1621
Van Der Heijden Lenaert 16 september 1625
Van Der Jeught Cathelijne 3 december 1683
Van Der Jeught Peter 21 januari 1621
Vander Plancken Franciscus 1699
Van Der Slachmolen Charles – notaris en procureur (advocaat) te Asse 27 februari 1620 30 maart 1645
Van Der Slachmolen Jan – schepen van de schepenbank van Asse 10 april 1663 1 maart 1670 23 maart 1680
Van Der Slagmolen Cathelijne 7 december 1666
Van Droogenbroeck Cathelijn 10 april 1663
Van Gete Philips 7 december 1666
Van Ghete Jan 17 juli 1624
Van Ghete Barbara 17 juli 1624
Van Ghete Jenneken 17 juli 1624
Van Ghete Marie 17 juli 1624
Van Ginderachter Elisabeth 1 maart 1670
Van Ginderachter Hendrick 27 februari 1620
Van Ginderachter Joos – schepen van de schepenbank van Asse 1 maart 1670
Van Halen Franchoijs 24 maart 1656
Van Handenhoven Joanna (Jenneken) 30 maart 1645
Van Herreweghen Merten 23 maart 1680
Van Innichoven Hendrick – vorster van Asse 13 mei 1658
Van Kersavond Margaretha 1 maart 1670
Van Laar Jan 23 juli 1696
Van Langenhove Adriaen – griffier van de laatbank Ter Borght 17 juli 1624
Van Langenhove Gillis 27 mei 1675 21 oktober 1698
Van Langenhove (vorster van Asse) 29 maart 1613
Van Langenhove Jan 7 december 1666
Van Langenhove Margriete 17 juli 1624
Van Mulders Anna – begijn te Mechelen 4 februari 1676 29 juli 1681
Van Mulders Gabriël 20 januari 1619 27 februari 1620
Van Mulders Gillis 23 maart 1680
Van Mulders Guilliam 1679. 1689. 23 maart 1680 3 december 1683
Van Mulders Jan 20 juni 1697
Van Mulders Jenneken (Joanna) 2 mei 1681
Van Mulders Joannes Baptist 24 maart 1699
Van Mulders Maria 3 december 1683
Van Mulders Peter – schepen van de schepenbank van Asse 30 maart 1645
Van Mulders Stephanus 24 maart 1699
Van Mulders Steven 23 maart 1680
Van Neervelt Gillis 29 maart 1613
Van Nieuwenborgh Cathelijne 23 maart 1695
Van Nieuwenborgh Gillis 23 maart 1695
Van Nijverseel Gillis 7 december 1666
Van Nijverseel Joos – pachter te Asse 27 februari 1620 1 maart 1670
Van Nuffel Adriaan – H. Geestmeester van Meldert 1666. 23 maart 1680
Van Nuffel Barbara 21 januari 1621
Van Nuffel Joannes – bosmeester van de abdij Affligem 7 december 1666
Van Onchem Franchois 4 februari 1676 20 juni 1697 21 oktober 1698
Van Onchem Gillis 24 januari 1621
Van Onchem Gillis 10 april 1663 29 mei 1676 23 maart 1680 13 mei 1681 1689 20 juni 1697
Van Onchem Hendrick 29 mei 1676
Van Onchem Jan 1 maart 1670
Van Ransbeke Anthoon – officier van Meldert 26 september 1657 13 mei 1658
Van Ransbeke Franchois 20 februari 1690
Van Ransbeke Hendrik 1689
Van Storme Marie 10 april 1663
Van Zeebroeck Jan – schepen van de schepenbank van Asse 23 maart 1680 1697
Vastenavondts Guilliam 23 maart 1680
Verdoodt Elisabeth 29 december 1685
Vergillis Cathelijne 30 maart 1645
Vergillius Jan 17 mei 1692
Verhasselt Gillis 8 januari 1621
Verheijlewegen Anthoon 1692
Vermatten Geert 16 september 1625
Verspecht Adriaan 20 juni 1697
Vinck Gillis 19 augustus 1668
Vinck Peter 2 mei 1681
Wambacq Michiel – meier van de schepenbank van Affligem. 29 mei 1676
Wouters Andries 7 december 1666
Wouters Jan 7 december 1666

[1] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3394.

[2] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr.3386.

[3] Bernardus Herreyns werd desservitor na het overlijden van pastoor Henricus Hieron of Jeronne op 19 september 1693.

[4] Opstal: een gebouw.

[5] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3409.

[6] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3427.

[7] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3400.


[1] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 585.

[2] J.OCKELEY, Kerkelijke toestanden van de tweede helft van de 16de eeuw tot het einde van de 18de eeuw, in: Meldert, Ascania, Meldert nummer, 1969, 105.


[1] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3139.

[2] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3207.

[3] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3262.

[4] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr.3195.

[5] Charles de la Marche of Mars was meier van het leenhof van de abdij vanaf 1616. Hij was getrouwd met Catharina de la Quadra, overleden in 1635. Het leenhof was met het beheer van de lenen van de abdij en met de vervolging op de inbreuken op het leenrecht. W.VERLEYEN, Het leenhof van Affligem, in: Recht en Geschiedenis, leuven, 2006, 469 – 479.

[6] Onder abt Willem Michiels (1518) kwam de abdij in het bezit van het Hof te Mutsereel. In 1684 staken Franse soldaten de hoeve in brand.

[7] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3208.

[8] GUILLIAM VAN MULDERS, zoon van GABRIEL VAN MULDERS en KATHELIJNE VAN GINDERACHTER. GUILLIAM is overleden omstreeks 1681. GUILLIAM huwde met KATELIJNE (ELISABETH) VAN DER JEUGHT. Kind van GUILLIAM en KATELIJNE: BARBARA VAN MULDERS. Zij is gedoopt op zondag 23 april 1662 in MELDERT.

[9] W. VERLEYEN, Meldert, 213;

[10] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3231.

[11] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3234.

[12] R. A. leuven, schepenbank van Asse nr. 3222.

[13] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr.3287.

[14] MICHAEL CORNELIS, zoon van JOANNES CORNELIS en BARBARA WAMBACQ. Hij is gedoopt op zondag 6 juli 1636 in HEKELGEM. MICHAEL trouwde, 20 jaar oud, op zondag 24 juni 1657 in HEKELGEM met ANNA SMET, 22 jaar oud. Zij is gedoopt op woensdag 1 november 1634 in HEKELGEM. ANNA is overleden op maandag 16 december 1697 in HEKELGEM, 63 jaar oud.

[15] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3279.

[16] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3283.

[17] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3273.

[18] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3327.

[19] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3267.

[20] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3376.


[1] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3037.

[2] Guillam Van Mulders was de zoon Gabriël en Cathelijne Van Ginderachter. Hij trouwde met Kathelijne Van der Jeught te Meldert op 17 november 1648. Hij overleed in november 1681 en werd in de kerk van Meldert begraven. Op zijn grafsteen stond: Hier ligt begreaven den eersamen Guillelmus Van Mulders sterft nov 1681. Guillelmus en Kathelijne hadden 8 kinderen:

– Joanna, °11/11/1649, begijn te Mechelen, overleed op 6/09/1703 excecutrice van het testament van haar tante Anna.

– Maria, °1654, huwelijk met Adriaan De Gols, zij hadden een zoon: Michael, ° 30/05/1696.

– Egidius, °4/03/1657.

– Judocus, °5/05/1659.

– Barbara, °23/04/1662 huwelijk met Jacobus De Witte.

– Petrus, °20/06/1666, overleden voor 1682.

– Anna, °28/03/1668.

– Elisabeth, °20/04/1671.

[3] Catsereel, keitsereel of manuaal: handboek, dagboek, register.

[4] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3061.

[5] Meldert en de omliggende dorpen leden zwaar onder de Franse oorlogen. In 1686 was Meldert belast met 8 000 guldens ten gevolge van zware contributies opgelegd door de Fransen. W. VERLEYEN, Meldert, blz. 36.

[6] FRANCISCUS ROBYNS, zoon van ARNOUT ROBIJNS en ANNA VAN DEN BROECK. Hij is gedoopt op woensdag 2 januari 1647 in HEKELGEM. FRANCISCUS trouwde, 21 jaar oud, op donderdag 23 augustus 1668 in ESSENE met CATHARINA WAMBACQ, 19 jaar oud. Zij is een dochter van MICHIEL WAMBACQ en JOANNA DE BAST. Zij is gedoopt op dinsdag 17 november 1648 in ESSENE.

[7] JUDOCUS PAUWELS, zoon van PETRUS PAUWELS. Hij is gedoopt op zondag 1 april 1640 in HEKELGEM. JUDOCUS is overleden, 58 jaar oud. Hij is begraven op dinsdag 6 mei 1698 te HEKELGEM. JUDOCUS trouwde, 28 jaar oud, op zaterdag 25 augustus 1668 in TERALFENE met JUDOCA VAN DEN BROECK, 21 jaar oud. Het kerkelijk huwelijk vond plaats op zaterdag 25 augustus 1668. Zij is een dochter van FRANCISCUS VAN DEN BROECK en ELISABETH EEMAN. Zij is gedoopt op vrijdag 2 augustus 1647 in TERALFENE. JUDOCA is overleden, 50 jaar oud. Zij is begraven op dinsdag 17 juni 1698 te HEKELGEM.

[8] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 573.

[9] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 188.


[1] Schepenbank van Asse, nr. 2924.

[2] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2925.


[1] Clisterie: lavement

[2] Mergelen: om de grond vruchtbaarder te maken strooiden de boeren mergel op hun land. Mergel is een mengsel van klei en kalk.

[3] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2873.

[4] De familie Van Buggenhout. Jan en Franchois hadden nog twee zussen: Anna en Barbara.

Jan Van Buggenhout was getrouwd met Paulina Verdoodt. Zijn broer Franchois met Geertui Pauwels op 28 januari 1648. Zij hadden drie kinderen: Michiel, °19/04/1646, Judocus (Joos), °6/09/1648 en Pauwelijne.

[5] Munimenten: bewijsstukken

[6] R. A. Leuven, schepenbank Asse, nr. 3620.


[1] W. VERLEYEN, Meldert, 182.

[2] Jan De Witte was de zoon van Jan, boer te Strijtem en van Margriet Cools. Zoon Jan trouwde te Meldert op 2 december 1675 met Anna Robijns. Hij woonde na hun huwelijk op de Nieveldries en werd griffier van de abdij voor het leenhof en voor de schepenbank. Hij overleed ca 1710.

[2] Michiel Van de Putte en Charles Ardennois getuigden voor de schepenen van Asse en op verzoek van Jan Van de Putte dat Janneken, zijn dochter omtrent drie jaren tot zijn dood de meid van de pastoor was. Schepenbrief nr. 4617.

[3] Michiel Van de Putte en Charles Ardennois getuigden voor de schepenen van Asse en op verzoek van Jan Van de Putte dat Janneken, zijn dochter ontrent drie jaren tot zijn dood de meid van de pastoor was. Schepenbrief nr. 4617.

Requeste oft informatie genomen bij de schepenen der vrijheijt ende Lande van Assche ten versuecke van Jan Van De Putte interdicerende over Janneken sijne dochter als aenlegger ter eendere sijden op ende tegens Andries Ardenois presbyter ter anderen ende dat vuijt crachte van seeckere brieven van requestoriën op hun gedepeseert bij de heeren borgemeester ende schepenen der stede van Geeraertsbergen in dathe den……….


[1] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2463.

[2] Van Jan Van Onchem en Elisabeth Van Ginderachter vinden we in de parochieregisters van Meldert, Essene en Hekelgem niets terug.

[3] Peter De Kempeneer en zijn vrouw Margaretha Van Kersavond. Zij trouwden te Essene op 7 februari 1641 en hadden 7 kinderen, te Essene gedoopt: Maria, °21/02/1642, Anna, °2/12/1642, Catharina en Stephanus, °28/01/1645, Peter, °5/02/1646, Jacobus, °10/02/1650, Jan, °9/02/1653.

[4] Cathijlen: inboedel, roerende goederen.

[5] Pernocteren: overnachten.

[6] Een Franchois De Weduwe kan de herbergier en brouwer De Weduwijn zijn. Hij was getrouwd te Meldert met Francisca Brems op 24 februari 1669. Zij hadden 4 kinderen: Anna, °21/01/1670, Joanna, °10/01/1672, Catharina, °27/02/1673, Melchior, °30/05/1675.

[7] Hofmeester: de monnik verantwoordelijk voor de tuin.

[8] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2696.

[9] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2686.

[10] Waarschijnlijk was Jan Van Nuffel, de broer van de Affligemse prior Vedastus Van Nuffel, de bosmeester. Hij werd aangesteld in 1664. Hij was te Hekelgem geboren op 10 maart 1633.

[11] Michiel Wambacq was sinds 1664 meier van de Affligemse schepenbank.

[12] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2730.

[13] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2728.

[14] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2817

[15] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2763.


[1] R.A. Leuven, Schepenbank Asse, nr. 2391.

[2] Joos Van den Houte trouwde te Meldert op 4 september 1640 met Margaretha Blanckaert. Zij hadden twee kinderen: Michael, gedoopt op 23 oktober 1641 en Judocus, gedoopt op 20 april 1644.

[3] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 551.

[4] Vitsen: of wikken van het vlinderbloemige geslacht zoals de tuinboon.

[5] Hael: ketelhaak van de schoorsteen.


[1] R.A. Leuven, Schepenbank Asse, nr. 240.

[2] R.A. Leuven, Schepenbank Asse, nr. 251.

[3] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 270.

[4] Gillis Van Onchem en Joanna Geertsman trouwden te Meldert op 5 april onder 1659. Hun 5 kinderen werden te Meldert gedoopt: – Jan, °23-12-1658, Judocus, °28-07-1660, Petrus, °16-05-1669, Anna, °12-07-1673, Catharina, °29-01-1675.

Joanna was de dochter van Judocus en Gertrudis Van Langenhove, gedoopt te Meldert op 3 juli 1640. Zij had nog een zus, Barbara, gedoopt op 26 april 1637.

[5] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2400.

[6] Laureijs Robijns was de zoon van Peter en Anna Stevens.

Peter, °Meldert in 1590 overleed te Meldert op 24 oktober 1667. Anna Stevens stierf te Meldert op 16 augustus 1644. Zij hadden 4 kinderen, te Meldert gedoopt: Laurentius, °7-10-1629, Cathelijne, °4-04-1632, begijn te Mechelen, Franciscus, °28-10-1634, +28-09-1662, x met Joanna Marie Vinck, Anna, °7-10-1634.

[7] Elisabeth Robijns trouwde op 18 april 1667 met Jacobus (Jacques) Van Droogenbroeck. In Essene werden twee kinderen gedoopt: Martinus op 27 februari 1667 en Jacobus op 20 april 1671. Zij hertrouwde met Joannes Van de Putte en kreeg nog negen kinderen.

[8] Schepenbank, nr. 3181.

[9] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4007.


[1] R. A. Leuven,  schepenbank van Asse, nr. 1493.

[2] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1848.

[3] Het leenhof van Affligem was aan geen enkel ander onderworpen en kon autonoom vonnissenvellen. Aan het hoofd stond de stadhoudergeneraal. Waar de abdij belangrijke goederen had, bezat zij een een laatbank die optrad bij betwistingen. Deze grondheerlijke hoven gingen meestal terug tot de 12de -13de eeuw. W. VERLEYEN, Negen eeuwen Affligem 1083 – 1983, 227.

[4] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1929.

[5] Een pattacon was een veel gebruikte munt, geïntroduceerd in 1612 in de Lage Landen onder het bewind van Albrecht en Isabella.

[6] Een plakkaat was in de 16de en 17de eeuw een ordonnantie van de regering om haar beslissingen aan het volk kenbaar te maken.

[7] Blank: 3 oorden, 80 oorden = 1 stuiver.

[8] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 491.

[9] De Hoevekouter lag op Baardegem.

[10] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2212.

[11] 1 pond Vlaams = 20 schellingen = 240 groten.



[1] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1354.

[2] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1611.

[3] De familie Van Ghete:

1 Jan x Anna Van den Meerssche bezitten de hofstede

2 Jan II en Jacob I: elke de helft van de hoeve, Jan II kan de andere helft kopen

3 Jacob II en Jan III.  Jacob dient klacht in tegen Jan III in 1624 want die heeft de hoeve ingepalmd

4 Jan IV is de zoon van Jacob II.

De kinderen van Jan III zijn: Peter, Jenneken, Marie, Barbara en Margriet.


[1] Sister: inhoudsmaat van ca 49 liter.

[2] Aan de rentmeester van het kwartier Brussel.

[3] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1388.

[4] Jan Van der Elst was in 1574 laat van het laathof van de H. Geestdis te Meldert.

[5] Peter Van der Elst was op 16 oktober 1581 het slachtoffer van een bende soldaten die hem meenamen naar Aalst en zijn paard afnamen. Zie E. SCHOON & B. VERMOESEN, Die van Meldert betalen niet.

[6] Spolie: misdaad.

[7] Exiberen: voor te leggen.

[8] Allegeren: bewijzen voorleggen.


[1] Een vorster hield oorspronkelijk toezicht op de bossen, maar gaandeweg werd zijn taak uitgebreid tot de gemeentegronden en tot alle velden en weiden. Hij kon boeten opleggen en assisteerde de meier of drossaard voor al diens taken. Voor meer informatie zie “De gewestelijke en lokale overheidsinstellingen in Brabant en Mechelen tot 1795, Algemeen Rijksarchief publ. 3301, 2000, blz. 712 e.v.

[2] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 388.

[3] Roer: pijl van riet of buis, ook vuurroer – Het vuurroer was net als het musket de opvolger van de verouderde haakbus. Het wapen had een gladde loop en werd meestal ontstoken met een lontslot. De kogels die voor het roer werden gebruikt waren twee keer zo klein als musketkogels. De afmetingen van een roer waren ook veel kleiner, en het was daarmee een stuk lichter dan het musket. De energie van de kogel was echter niet groot genoeg om een goed harnas te doorboren. De soldaten in een compagnie die bewapend waren met het roer noemde men roerdragers, schutten of harquebusiers. Een goede roerdrager kon vier schoten lossen in een minuut tijd. Tot omstreeks 1639 konden in een compagnie van gemiddeld honderd vijftig soldaten wel vijftig roerdragers ingedeeld zijn.. https://nl.wikipedia.org/wiki/Roer_(wapen)

[4] Rapier: lange degen.

[5] VERLEYEN, W., Meldert, 129.

[6] VERMOESEN, B., De zansteengroeven van de Abdij Affligem, HK Belledaal.

[7] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1355.

[8] Turberen: in beroering brengen, hinderen.



[1] Ockeley, J., De rechtspleging in het begin van de 17de eeuw in het Land van Asse, in: Recht in geschiedenis, Davidsfonds, Leuven, 2006, 259 – 263.

[2] SCHOON, E., Een genante geldzaak te Meldert in het jaar 1738, in: De Faluintjes, 2015, nr. 4. Rijksarchief Leuven, Schepenbank Land van Asse.