Bloemlezing van documenten behelzende de abdij Affligem beslecht door de schepenbank van Asse.

1536 – Ruzie over hoptienden.

In 1531 diende de abdij een klacht in bij de Raad van Brabant tegen inwoners van Hekelgem en Meldert. Die hadden op het einde van de 15de eeuw op gronden van de abdij die weinig opbrachten hopvelden aangelegd en er nooit tienden voor betaald. Dat was ook zo voor boeren uit Baardegem, Mazenzele en Moorsel. De abdij eiste nu een vergoeding voor 12 ½ patar[1] per dagwand. De boeren hadden zich daartegen verzet omdat het over onontgonnen gronden ging.

Volgens een verordening van Karel de Grote moest iedere persoon elk jaar 10% van zijn opbrengsten aan de kerk afstaan. Het ging vooral om opbrengsten van de graanoogst, de veldvruchten en het vee. Die verplichting kende een ingewikkelde evolutie. De tienden dienden voor het levensonderhoud van de parochiepriesters, voor steun aan de armen en voor het onderhoud van het kerkgebouw. Elk van de drie partijen kreeg 1/3 van de tienden. Grootgrondbezitters, feodale heren, kapittels en abdijen maakten misbruik van die regeling om tienden in te lijven. Er waren grote tienden op graangewassen en kleine op veld- en tuingewassen zoals raapzaad. Vleestienden werden geheven op voortbrengselen van de stal zoals van varkens en lammeren en het neerhof. Vanaf de 12de eeuw ontstonden de novale of nieuwe tienden op opbrengsten van nieuw ontgonnen gronden en op nieuwe gewassen.

Was de hop toen een nieuw gewas? In de 15de eeuw begonnen de brouwers in Brabant hop toe te voegen aan hun brouwsels. Daardoor bekwam hun bier een betere stabiliteit, een enigszins een bittere smaak en een langere bewaartijd. Dat was zo’n belangrijke verbetering dat in de volgende eeuwen de hop in onze streken een enorme groei kende. Grote en middelgrote landbouwbedrijven schakelden in de loop van die eeuw in de regio Aalst-Affligem-Asse over op de hopcultuur. Zelfs binnen de Aalsterse stadswallen werden hopvelden aangelegd.

Op 14 juli 1536 volgde het vonnis. Op elk dagwand hop moest 12 ½ patar worden betaald zoals voor granen en andere vruchten of in natura voor een gelijkwaardig bedrag. Het belang van dit vonnis is dat het aantoont dat er al op het einde van de 15de eeuw in onze gemeente hopvelden waren.

1542 – Verkoop van land op ’t Dorreken[2].

Jan Gillisjans verkocht in 1542 1 ½ dagwand land aan Jans De Nul en zijn vrouw Kathelijnen Jacops. Het perceel was gelegen te Esene op ’t Dorreken en paalde aan de goederen van de abdij, Gillis Kints en de H. Geeste van Asse en was belast met een grondcijns aan de abdij van 9 myten Brabants[3].

Jan Gillisjans, alias van Pullewouwe, geboren ca 1510 en overleden voor 10 februari 1555 trouwde met Catelijn Van der slachmolen, overleden na 1569, dochter van Joos Van der Slachmolen. Zij hadden zes kinderen:

1- Beatrix, trouwde met Jan Van Nijverseele.

2- Elisabeth, trouwde voor 1566 met Adriaan Vander Haegen, de zoon van Aert.

3- Joanna, trouwde met Jan Sceerlinck, alias Thiers.

4- Joosken.

5- Josyne.

6- Maria.

Jan stierf vermoedelijk in 1554. Dat kunnen we besluiten uit volgende vaststellingen:

1- Zijn pacht van 6 viertelen gaat dan over op zijn zwager Willem Van der Slachmolen

2- Er komt een andere pachter op de Overheide[4].

Jan was pachter op het Hof te Asbeek, ook Hof te Montenaken genoemd. Er is een contract gekend van 28 januari 1528. Zijn moeder Margriete Moyesoens gaf hiervoor als pand 6 dagwand beemt. Vermoedelijk bezat het hof hopvelden. Zo verkocht Jan Moyesoens in 1575 7000 pond hop[5]. Later was hij waarschijnlijk pachter op het Hof te Pameymont[6].

1574 – Verkoop van land te Hekelgem[7].

Op 19 september 1574 verkocht Joos Van der Heyden, de zoon van Stevens, 2 percelen land aan Gillis De Raedt, schepen van Affligem. Peter Van Langenhove, meier en de schepenen van de abdij Mertens, Verelst en Neervelt stelden de akte op. Het eerste perceel, gelegen te Hekelgem, paalde aan de voetweg van het bos naar de kerk van Hekelgem, de Buikouterhaag en aan de goederen van de weduwe Hant De Meije. Het tweede veld lag op Het Beijken en grensde aan de goederen van Johanna Van der Heyden, de H. Geest van Hekelgem en de goederen van de abdij.

Handtekening van meier Jan Van Ghinderachtere.

1583 – Gillis Van Onsem wacht op zijn rente[8].

Gillis Van Onsem, zoon van Henric, bezat een hofstede met huis, stallen en andere toebehoorten te Asbeek. Zijn hoeve grensde aan de straat, de goederen van Sinte Lijsbetten uit Brussel en Jan Raspoets. Jan Meert nam de hoeve over voor een erfelijke rente van 9 karolusgulden te betalen op kerstavond vanaf 1583. Van Jan Meert ging de rente over op Janne Veldeken en zijn vrouw Goedele Meert, de dochter van Jan. Daar zij niet betaalden, hadden de erfgenamen van Gillis het recht om de hand te slaan aan de hofstede en andere panden tot volledige betaling van de renten en de gerechtskosten. Aldus beslisten de schepenen van de abdij, Daneels en L. Thielman, op 8 december 1532.

Werd de rente betaald? Het document vermeldt alleen dat op 6 augustus 1548 Janne Danneel en Christine Van Hulle 1/3 van de rente betaalden.

1593 – De kinderen van Geraert Van Vaerenbergh in de problemen[9].

Geraert Van Vaerenbergh had een erfelijke lening aangegaan van 18 gulden bij jonkheer Elias de la Ramourie. Daar hij zijn financiële problemen niet onder controle kreeg, betaalde hij die rente niet. Anna Van Tryst, de vrouw van de jonkheer, wendde zich via haar advocaat Jannen Mertens op 15 september 1584 tot de Raad van Brabant om beslag te mogen leggen op zijn bezittingen tot 54 gulden, namelijk het achterstel van drie jaar. De schepenen van Affligem verleenden hun toestemming om, na kerkgebod, de procedure tot beslagneming te starten. Tegen dit vonnis tekende de advocaat van de kinderen Van Varerenbergh[10], Geraert Van der Slachmolen, tevergeefs beroep aan. Maar het proces bleef aanslepen tot de definitieve uitspraak van de schepenen op 28 mei 1593. Anna Van Tryst kon eindelijk de achterstallige renten recupereren.

Alsoo ende nae dien opten eenenentwintichsten dach der maendt van mei anno vijftien hondert ende negenentachtich voere meijer ende schepenen des Gidtshijs van Affligem gecompareerd waere geweest joncker Elias de la Ramourie als man ende wettich momboir van jouff. Anna Van Tryst executant ten eendere op ende tegen Gielijssen De Witte in houwelijck hebbende Barbele, Joosten De Mets in houwelijck hebbende Anna Van Vaerenbergh ende Marie Van Vaerenbergh jonge dsochter ende suster des voorschreven Barbele ende Anna Van vaerenbergh kinderen wijlen Geeraerts Van Vaerenbergh opponenten ten andere sijden. Aldaer die voorschreven executant bij Jannen Merttens sijnen procureur hadde versocht gehadt adjucatie ende aenwijsinge van de panden in sekeren constitutiebrieff van achttiene rinsguldens erffelijck begrepen ende als die voorschreven jouffrouwe Anna Van Tryst op den XXIII dach der maendt van augustus anno XV ende vijffventachtich hadde vercregen tegen Geeraerd Van Vaerenberghe volgende copije ende autorisatie bij den Raede van Brabant omme die voorschreven belastinge te mogen doene hem sonderlinge gegeven ende verleent.

1595 – Hoe werden de hoeven van de abdij verpacht[11]?

Drie voormalige schepenen en meiers getuigden op 30 januari 1595 dat de pacht van de hofstaden van de abdij altijd in het cijnsboek werd genoteerd onder de rubriek pacht van hofstaden en dat ze werden verpacht ad modum domistadij, alsof het om knechten ging.

De eerste getuige was Gilles Raedt. Hij diende de abdij 25 of 26 jaar als schepen en meer dan 10 jaar als meier. Gillis Van Ginderachter, 66 jaar oud, was 28 jaar schepen en hij

heeft nooit anders geweten dan dat de hoeven gehouden werden als opsetene domistadij. De vierde  getuige, Guillaume Snellinck, was 23 jaar rentmeester van de abdij en heeft van vorige schepenen en meiers van de laatste vijftig jaar nooit anders gehoord dan dat de hofstaden altijd zijn verpacht geweest ad modum domistadij.

De drie getuigen stelden hun verklaring op voor Aert Mottemans te Brussel.

Wellicht gaat het hier om dom Arnoud Motmans, afkomstig van Leuven. Hij legde de geloften af in 1552 en ontving de priesterwijding op 1 april 1557. In 1563 werd hij prior en op 8 januari tot abt gekozen, maar zijn verkiezing werd nooit door de paus bevestigd. Hij was een voortreffelijk bestuurder. In 1580 trok hij zich terug in de priorij Waver. Dom Motmans overleed op 14 juni 1597.

Ick Gillis Raedt als meijer des Godtshuijs van Affligem ende den voorschreven Godtshuijse gedient hebbende van over de vijff off sessentwintich jaeren voir schepenen ende nu van over thien jaeren geleden voir meijere attestere midts desen als dat ick noijt anders en hebbe gehoirt van mijne voorsaeten in officie ende andere ouders (ouderen) van over de vijff ende sessendertich jaeren ende meer als meijers, schepenen ende anderssints gedient hebbende off de goeden ende panden staende int cheijnsboeck des voorschreven Goidtshuijs van Affligem onder de capittelen geïntituleert pacht van hofstaden ende sijn altijt gehouden geweest gelijck die noch……..

1615 – Matthias Hovius berispt Affligem.

Matthias Hovius werd op 25 september 1595 tot aartsbisschop van Mechelen benoemd en tegelijk tot de 29ste abt van Affligem die toen uit amper vier monniken bestond. De abdij lag sinds 1580 in puin en de monniken verbleven sinds 1595 in het Keizershof te Mechelen tot ze in 1605 naar Affligem konden terugkeren om met de wederopbouw van de abdij te beginnen. Aanvankelijk was Hovius de monniken niet goed gezind. Hij wilde de abdij afschaffen om zo over alle inkomsten van Affligem te beschikken voor de uitbouw van zijn aartsbisdom. In zijn laatste jaren echter steunde hij het herstel van de abdij waar hij soms een week lang verbleef. Dat blijkt ook uit zijn ordonnantie van 22 januari 1615 die Beda Regaus in zijn Bona et Jura (kolom 402 e.v.) opnam. Daarin vaardigde hij een aantal maatregelen uit tot verbetering van de werking van de Affligemse schepenbank.

De ordonnantie is gericht aan de meier, griffier en de wethouders van de schepenbank van de abdij met de duidelijke vermelding dat zij zich voertaen sullen schuldich zijn te reguleren.

1- De overmeier Jan Mertens mag niet optreden als advocaat voor de schepenbank.

2- De overmeier moet samen met de schepenen op geregelde tijden de straten en wegen controleren.

3- Alle procedures van de schepenbank en ook de regeling van de onbetaalde cijns worden beslecht door de meier en twee schepenen.

4- Een rechtszitting wordt gehouden door de meier en vier schepenen.

5- De zittingen hebben om de veertien dagen plaats op maandag. Als die dag een feestdag is, verschuift de zitting naar dinsdag.

6- De zittingen gaan door in de abdij in een lokaal door de E.H. Proost aan te duiden.

7- Alle brieven de schepenbank worden gezegeld in aanwezigheid van twee schepenen.

8- De proost zal ook over een sleutel van de comme der registers ende munimenten beschikken.

9- De meier, de griffier en de schepenen zullen in de plaats van 33 gulden 7 stuivers die ze tot nu als zitpenning ontvingen, voortaan mondcost in de abdij hebben zonder een financiële vergoeding.

10- Overmeier Mertens zal aan de schepenbank binnen de veertien dagen een copie autenticq van alle instructies van zijn dienst bezorgen.

11- Griffier Peter Van Ginderachter moet van de akten van de wettelijke verkopingen van de schepenbank en van andere bewijsstukken een kopie bezorgen aan de schepenbank van Asse voor de registratie van de stukken.

Tot heden werden de ordonnanties niet goed onderhouden wat nadelig was voor de abdij. Vanaf nu moeten alle beter hun debvoiren doen, zeker wat betreft de achterstallige cijns. Ik beveel dat Michiel ’t Serbranckx als griffier en Carel Van der Slachmolen als meier Jan Mertens en Peter Van Ginderachter een straf op te leggen. Ik Reker erop dat allen deze onderrichtingen punctuelijck zullen onderhouden.

1616 – Een pachtcontract voor een hoeve te Asbeek[12].

Op 16 december 1616 verhuurde Margriete Moijesoen, de weduwe van wijlen Guillam Snellincq, gewezen rentmeester van de abdij, een stenen huis met galerij en boomgaard in Asbeek aan timmerman Louis Costermans voor 40 gulden. Het contract hield voor de pachter meerdere verplichtingen in.

1 Wanneer de pachter de huur opzegt, moet hij een huurder zoeken die de goedkeuring heeft van de eigenaar.

2 De helft van het fruit in de boomgaard komt aan de verhuurster toe.

3 De dammen tussen de beek en de vijver en die langs de boomgaard moeten elk jaar worden hersteld.

4 Wanneer de verhuurster of iemand die vanwege haar naar Asse komt, dan krijgt zij of die andere persoon logement op de neerkamer tegen de koolhof.

5 De huurder kan geen kosten van reparatie inbrengen  dan alleen degene die noodzakelijk waren en de goedkeuring van de eigenaar hadden.

Zes jaar later, in 1622, kwam het tot een conflict tussen Margriete en Louis. Hij had samen met Peter Verheyden, Ingel van den Driesch en Lambrecht Tielman van haar een aantal bomen gekocht. Daar was een abeel bij die aan de kant van de beek stond die langs de weide achter het pachthof stroomde en zo verder langs de vijver voor het stenen huis. Van Louis verwachtte ze dat hij de abeel boven de grond zou afzagen zodat de zijkant van de beek niet zou instorten. Maar Lois haalde heel de stronk uit de grond om dat hout nog te recupereren en zo liet hij een groot gat achter dat bij de minste vloed nog zou vergroten. Dat getuigde volgens haar van quaden aensien vermits in de pachtovereenkomst stond dat de bomen boven de grond moesten worden afgezaagd. Om verdere schade aan de weide te voorkomen, daagde ze Louis op 7 februari 1623 voor de schepenbank met het verzoek dat de schepenen hem zouden veroordelen om de berm in de oorspronkelijke staat te herstellen.

1619 – De klacht van pachter Andries Van der Straeten[13].

Andries Van der Straeten pachtte in 1610 de Hoeve ter Heyden Bossche in de Vrijheid van Asse van de abdij Affligem. De hoeve was toen, volgens een schrijven van Andries aan de aartsbisschop Hovius,  seer desolaet, onversien van wooninghe, schure of stallingen, dan alleenlyck eenighe hutten staende op micken[14]. De afgaande pachter had de hoeve verwoest, verbrand en het hout verkocht. De aartsbisschop-abt gaf hem de toestemming om een nieuwe schuur te bouwen met het hout dat hij in de bossen van Affligem  mocht kappen.

De aartsbisschop, Matthias Hovius, te Mechelen geboren in 1542 en in 1567 tot priester gewijd, werd op 25 september 1595 tot aartsbisschop van Mechelen benoemd en tegelijk tot de 29ste abt van de abdij Affligem. Dat was een gevolg van de oprichting van het aartsbisdom Mechelen. De abdij werd toen als dotatie toegewezen aan het aartsbisdom. Affligem telde op dat ogenblik amper vier monniken. De abdij lag sinds 1580 in puin en de monniken verbleven vanaf 1595 in het Keizershof te Mechelen tot ze in 1605 naar Affligem konden terugkeren om met de wederopbouw van de abdij te beginnen. Aanvankelijk was Hovius de monniken niet goed gezind. Hij wilde de abdij afschaffen om zo over alle inkomsten van Affligem te beschikken voor de uitbouw van zijn aartsbisdom want hij kampte heel de tijd met financiële moeilijkheden. In de abdij nam een proost, door Hovius aangesteld, het dagelijks bestuur waar. In zijn laatste jaren echter steunde hij het herstel van Affligemj waar hij soms een week lang verbleef.

In 1619 verkreeg Andries een tweede pachtcontract voor een termijn van 9 jaar. Daar de hutten op de hoeve onbewoonbaar waren, mocht hij eenighe nieuwe edificiën oprichten. Van 1612 tot 1613 had hij al een dure schuur gebouwd en in 1620 startte hij met de bouw van een woonhuis, stallingen, een bakhuis en een wagenhuis. Dat werk heeft hem, zo schreef hij, zo kreupel gemaakt dat hij zijn handen en vingers niet meer kon gebruiken. Hij was er zo slecht aan toe dat hij soms twee tot drie maanden bedlegerig was. Daarenboven had hij bij het aanhalen van de bomen en ander materiaal zijn paarden versleten en zijn wagen stuk gevoerd. Zo’n werk zou hij nu niet meer aanvaarden, zelfs niet voor driehonderd pond groten.

Toen hij de brief schreef, had hij al enkele jaren de hoeve verlaten en hij herinnerde de Hoogw. Heer eraan dat hij toestond dat de nieuwe gebouwen werden getaxeerd door een onpartijdige expert om hem voor zijn werk te kunnen vergoeden. De taxatie bedroeg 3 759 gulden en 10 stuivers zonder de wagenvrachten het werk. Daarvan heeft hij slechts 400 gulden ontvangen zodat het resterend bedrag 3 360 gulden 6 stuivers bedraagt en na aftrek van zijn pacht nog 1 186 gulden 6 stuivers zonder de vergoeding voor de vrachten en het werk.

Andries wees er nog op dat in 1610 de beste velden uitgemergeld[15] en uitgeteerd waren en de slechte akkers begroeid met rieten, biezen en doornen. Het was onmogelijk om daarop vruchten te winnen tenzij na zware arbeid en toch verhoogde abt Hovius de pacht. De voorgaande pachter betaalde maar 260 gulden. Hij huurde de hoeve in 1610 voor 380 gulden en in 1619 was de pacht verhoogd tot 420 gulden.

Dom Wilfried beschreef de hoeve als volgt; Ze lag in Walfergem (Asse) en was in 1370 verhuurd voor 23 mudden rogge, 4 mudden gerst, 19 mudden haver en 24 fl. De landerijen lagen te Asse, Essene, Hekelgem en Meldert. Op 9 november 1650 werd de hoeve getaxeerd op 6 990 fl. Hendrik Van der Straeten was dan de pachter. Met het voorhof en bijvang, groentetuin, hoplochting en boomgaard met het blok achter de schuur bedroeg de oppervlakte 2 b 1 dw. In 1787 was de totale oppervlakte van het bedrijf 50 ha 40 a 22 ca[16]. Bij de confiscatie van de abdijgoederen in 1796 noteerden experts in dienst van de Franse overheid dat la cense de Terheydenbosch 40 b 32 r groot was en met de weduwe Gheude als pachter. Zij betaalde jaarlijks 860 gulden en 10 mudden haver. Ze had in 1796 een achterstallige pacht van 430 gulden voor 1795[17].

Het is jammer dat de laatste bladzijde van het document ontbreekt zodat we het antwoord van de abdij niet kennen. Dat de velden er verwaarloosd bijlagen was zeker een gevolg van de godsdienstoorlogen. Bezettingen, opeisingen, muitende Spaanse soldaten en de inquisitie hadden ervoor gezorgd dat veel mensen op de vlucht waren. Op 9 april 1609 werd een Twaalfjarig Bestand ondertekend zodat er eindelijk een periode van vrede aanbrak. De mensen herstelden hun huizen en konden hun akkers weer bewerken. De brief van Andries Van der Straeten typeert de tijd. De boeren brengen hun bedrijf weer in orde en zijn het slachtoffer van de geldhonger van overheid en grote eigenaars die ook hun bezittingen wilden herstellen.

1621 – Adriaan Van Linthout koopt De Putterije[18].

Op 20 december 1621 verkopen Karlen De Coninck en zijn vrouw Marie De Witte de weide De Putterije aan Adriaan Linthout en zijn vrouw Johanna De Vlaminck. De weide grensde aan de straat, de 6 dagwand van Aert Van de Putte en de Asbroek. Het goed was belast met een grondcijns van 9 cappuijnen, een vierlinck of in geld 3 gulden 5 stuivers ½ braspenning aan de abdij te betalen met Kerstmis plus een laatste rente van 18 carolusgulden.

1630 – Landmeter Joos Wouters betaalt niet[19].

Joos Wouters liet de schilder Jan Van Benthem in opdracht van de abdij drie koppen vergulden en zwart stofferen voor 5 gulden en nog eens 2 koppen met dezelfde opdracht voor zijn woonhuis binnen het klooster van Affligem voor 3 gulden. Maar Wouters betaalde de rekening niet, ook niet na het vele en menichvuldige minnelijck debvoiren van de schilder. Hij was zelfs naar Aalst en naar het huis van de schilder gegaan om aan zijn geld te geraken. Dus bleef er voor Van Benthem niets anders over dan inne te trecken den wech van rechte en de schepenen van Asse te vragen Wouters te verplichten de geëiste 8 gulden te betalen[20].

Het zinsdeel “voor zijn woonhuis binnen het klooster” roept nogal wat vragen op die een antwoord vereisen. Joos was een zoon van Andries en Anna Lemmens, een zus van Franchois Lemmens, de bosmeester van de abdij. Joos was meester timmerman en trouwde tweemaal. Eerst met Anna Robijns, dochter van Aert, de pachter op het Hof te Koudenberg te Hekelgem en daarna met Anna Van Mulders. Hij had geen kinderen en woonde te Meldert. Op 14 februari 1623 werd hij door aartsbisschop en abt Jacobus Boonen belast met de restauratie van de abdijkerk die sinds de brand van 1580 in puin lag. Er stonden nog slechts enkele muren overeind. Zijn taak omvatte zowel het timmer- als het metselwerk, de restauratie van de gewelven en de vloeren, de bepleistering en het witten, het herstel en verhogen van de twee torens en de bedaking met leien. De abdij zorgde voor de stenen en het hout. Op 1 september 1625 moest alles klaar zijn[21]. Om dat te realiseren moest Joos wel een beroep doen op bijzonder veel vaklui.

In 1644 maakte hij samen met zijn halfbroer Jan, bosmeester van Affligem, nog plannen voor een reeks verbouwingen van de abdij. De hiervoor vermelde opdracht aan schilder Jan Van Benthem had zeker te maken met zijn opdracht als restaurateur van de abdij. Het woonhuis binnen het klooster was de woning die zijn schoonbroer Franchois had laten bouwen achter de oostvleugel van de abdij toen de monniken nog in het Keizershof in Mechelen verbleven. Na hun terugkeer in 1605 gebruikte ze dat huis als refter en keuken en nadien nog als infirmerie. In 1637 werd het afgebroken. De vraag is dus: woonde Joos ook in dat huis tot 1605 of gaat het om een onjuiste formulering en moet het zijn: het huis binnen het klooster.

1632 – De griffier van de abdij eist betaling van renten[22].

Op 30 juni 1632 wil Peter Van Ginderachter, de griffier van de schepenbank van Affligem, van Peter Verhasselt weten waarom hij zijn vierde deel van een erfelijke rente van 24 gulden niet betaalde. Via zijn advocaat Adriani richtte hij zich tot de schepenbank van Asse. De ¾ van die rente was in handen van Peter Hujoel en zijn erfgenamen.

Dat Peter Verhasselt die 1/4 of 6 gulden moest betalen blijkt uit seker geschrift tusschen den voorschreven Verhasselt ende Peter Van Ginderachter. Dat was het begin van een gerechtelijke procedure die anderhalf jaar zou duren.

Op 30 juli 1633 oordeelden de schepenen van Asse dat de voorgelegde stukken Peter Van Ginderachter toelieten de procedure tegen Peter Verhasselt en Peter Hujoel voort te zetten. Voor Peter Verhasselt was dat een teken dat hij zijn gelijk niet kon halen en hij gaf in consignatie aan Carel Van Innichoven, de vorster van de schepenbank, zijn vierde part van de rente. Peter Hujoel deed hetzelfde voor de overige 3/4den. Maar volgens de schepenen kon men zich alleen ontlasten van eenige quijtbare renten de selve moet affleggen ende quijten in handen van de gene die daertoe sijn gericht, met andere woorden de rente moest aan Peter Van Ginderachter worden betaald. Uiteindelijk, het procederen moe, verzochten zowel Peter Van Ginderachter als Peter Hujoel en zijn familie de schepenen om een vonnis. Na advies van geleerden ende meesters in rechten dat Peter Van Ginderachter voor ¾ van de rente panden van Peter Hujoel en zijn familie mocht aanslaan tot het bedrag van de achterstallige rente. Bovendien werden zij ook veroordeeld tot het betalen van de gerechtskosten.

1634 – De koeien mogen er niet door[23].

1634. Al drie jaar is er te Asbeek een conflict tussen twee pachters. De weduwe van Jan De Valck wil niet dat er door haar straatje koeien naar de weide gedreven worden en zeker niet dar er wagens getrokken door paarden door komen. Voor de pachters op de hoeve van Margriete Moeijsoen, de weduwe van de abdijrentmeester Guillaume Snellinck is dat onaanvaardbaar. Margriete schakelde advocaat Adriani in om haar zaak bij de schepenbank van Asse te bepleiten.

Over welke staat ging het? Het straatje met aan de kant een voetpad is een zijweg van de reijbane loopende van Aelst op Brussel. De huidige steenweg werd pas in 1704 aangelegd. Was die reijbane dande oude Romeinse heirbaan of de oude handelsweg die van de abdij via de Abdijstraat, de Domentseweg en een deel van de Gentsesteenweg aansloot op de oude heirbaan[24]? Uit de context van het document kunnen we afleiden dat het gaat om het straatje op de bijgevoegde kaart links van de splitsing van de hoofdweg met op het einde voorbij de scherpe bocht naar links de aansluiting op de voetweg.

Om zich over de zaak goed te kunnen informeren riepen de schepenen Steven Van Mulders en Thomas De Pleckere op 20 september 1634 vier getuigen op. De eerste getuige was Merten Verhaegen, een 65-jarige arbeider uit Asbeek. Sinds zijn jeugd woonde hij in Asbeek en hij was al dikwijls in het straatje geweest. Hij weet dat tot drie jaar gelden de voetweg werd gebruikt om het vee naar de weiden te leiden, maar zelf heeft hij dat niet gezien en zeker niet dat er waegens, ploegen off eghden  door reden. Trouwens voor veertien jaar lag de ingang van het straatje zo hoog dat het voor wagens, geladen of leeg, niet mogelijk was om er in te rijden. In de straat, aan de kant van het blok De Filleijt” ligt er een bron die men, voor de troublen begonnen langs drie kanten heeft omheind. Hij heeft vaak van het water uit de bron gedronken. Maar tussen de omheinde bron en de beek is er nu zo weinig plaats dat het niet mogelijk is om er met wagens te passeren. Merten verklaarde voorts dat er ook abelen stonden en dat de schuur van de weduwe De Valck langs de kant van het gehucht Ter Beken zo dicht tegen de beek staat dat men met wagens daardoor niet over de stenen brug kan rijden in de richting van De Weijtsbeke of het Bekerveld. Hij is meermaals in die schuur geweest, ook eens toen er een bruiloft was en hij uit nieuwsgierigheid naar bruid en bruidegom ging kijken.

Adriaan Schockaert, 60 jaar en Asbekenaar, vertelde dat zijn vader nog op het pachthof van Snellincq heeft gewerkt en hij is dus dikwijls in de straat geweest. Van zijn vader en ook van Christiaan De Corte hoorde hij dat men tot drie jaar geleden langs de straat dieren naar de weide bracht, wagens reden er niet door. Die van Ter Beken moesten hun varkens laten hoeden met die van Asse en ze mochten hun dieren door de dreef leiden. Hij herinnerde zich ook dat hij elf tot veertien jaar gelden zijn koeien door het straatje naar Het Weijtsbroeck wilde drijven en dat Josijne Van der Borcht, de weduwe van Peter De Valck, en schoonmoeder van de gedaagde weduwe van Jan De Valck hem niet doorliet zodat hij genoodzaakt was om terug te keren. Aan de ingang van de weide van De Valck stond een stichele, een getimmerde overstap, en in de zijkant van de beek was er een gat gevuld met doornen. Zelf was hij jarenlang voerman, maar hij heeft nooit iemand met paarden door de dreef zien rijden en hij heeft wel vijf of zes pachters van het hof van Snellincq gekend.

 Rombout Verhaegen, een 59-jarige arbeider uit Asbeek bevestigde de verklaringen van de getuigen voor hem. Hij herinnerde zich een conflict met Josijne De Valck, kleindochter van Josijne Van der Borcht. Zij verhinderde dat enkele meiden van Adriaan De Waghenere, pachter van het hof van Snellincq, met de koeien door het straatje wilden gaan en dat Josijne de dieren met eene peertse wederomme dede keeren ende gaen van aldaer sij gecommen waeren. Volgens hem stond de stichele dwars over de dreef net aan de ingang van de weide.

Timmerman Ingel Van der Heyden, 66 jaar, was de laatste getuige. Hij woonde al 44 jaar in Asbeek en was 28 jaar lang de tiendensteker voor Adriaan Schockaert en Adriaan De Waghenere. Dat de voetweg werd gebruikt om koeien, paarden, schapen en ander vee door te leiden, weet hij niet. Van Adriaan Schockaert en Christiaan De Corte vernam hij dat het wel het geval was tot drie jaar geleden. Tot slot vertelde hij nog dat, als Den Cluijsberch was bezaaid, het Bekerveld braak lag en omgekeerd.

Na het verhoor van de getuigen eiste Margriete Moeijsoen op 17 oktober dat haar tegenstandster alle schriftelijke bescheeden zou voorleggenwaarop zijzich steunde om de toegang tot het straatje aan anderen te verbieden. Bovendien wilde ze ook dat de weduwe De Valck een borg zou stellen omdat ze een vrouw was van afgaende middelen. Die ontkende ten stelligste dat zij financiële problemen had. Alle inwoners van de Vrijheid, zo stelde ze, weten dat zij is versien van vele schoone gronden, van erffven ende behuijsde hoffsteden die sij voor geene thien duijsent guldens en soude willen acquiteren en bijgevolg hoefde  ze niet voor een borg te zorgen. Op 23 januari 1635 gaven de schepenen haar daarin gelijk. Of ze haar ook gelijk gaven en de boeren met hun koeien door het straatje niet meer mochten passeren, weten we niet.

In 1622 had Margriete al eens een proces ingespannen bij de schepenbank. Timmerman Louis Costermans, de pachter van haar hoeve te Asbeek, had samen met Peter Verheyden, Ingel Van den Driesch en Lambrecht Tielman een aantal van haar bomen gekocht. Daar was een abeel bij die stond aan de kant van de beek die langs de weide achter het pachthof stroomde en zo verder langs de vijver voor het stenen huis. Van Louis verwachtte ze dat hij de abeel boven de grond zou afzagen zodat de zijkant van de beek niet zou instorten. Maar Louis haalde heel de stronk uit de grond om dat hout nog te recupereren en zo liet hij een groot gat achter dat bij de minste vloed nog zou vergroten. Dat getuigde volgens haar van quaden aensien vermits in de verkoopsovereenkomst stond dat de bomen boven de grond moesten worden afgezaagd. Om verdere schade aan de weide te voorkomen, daagde ze Louis op 7 februari 1623 voor de schepenbank met het verzoek dat de schepenen hem zouden veroordelen om de berm in de oorspronkelijke staat te herstellen[25]. In hetzelfde dossier zat ook het pachtcontract van 16 december 1616. Margriete Moijesoen verhuurde een stenen huis met galerij en boomgaard in Asbeek aan Costermans voor 40 gulden. Het contract hield voor de pachter meerdere verplichtingen in.

1 Wanneer de pachter de huur opzegt, moet hij een huurder zoeken die de goedkeuring heeft van de eigenaar.

2 De helft van het fruit in de boomgaard komt aan de verhuurster toe.

3 De dammen tussen de beek en de vijver en die langs de boomgaard moeten elk jaar worden hersteld.

4 Wanneer de verhuurster of iemand die vanwege haar naar Asse komt, dan krijgt zij of die andere persoon logement op de neerkamer tegen de koolhof.

5 De huurder kan geen kosten van reparatie inbrengen dan alleen degene die noodzakelijk waren en de goedkeuring van de eigenaar hadden.

1637 – De kinderen Snellincq verkopen al hun bomen (1637)[26].

Na de dood van hun moeder, Margriete Moijesoen die al weduwe was van de abdijrentmeester Guillaume Snellincq, verkopen haar kinderen alle bomen die op de gronden van hun erfenis stonden. Dat gebeurde onder strikte voorwaarden.

1 De kopers betalen de helft van de koopsom op Sinte Mertensmesse (11 november) en de andere helft op Sinte Andriesmesse (30 november).

2 Wie eerste bod uitbrengt tot tevredenheid van de verkopers, krijgt den palmslach en als er geen opbod komt, heeft hij recht op 24 stuivers.

3 Wie de palmslag heeft, mag voor de anderen tot driemaal toe opbieden. Van elk bod van 24 stuivers is 2/3 voor de verkoper en 1/3 voor de bieder. Nadien mag ieder bieden zoveel hij wil.

4 De laatste bieder bij de vuijtganck van der berrender keerssen off stockslaeghe moet binnen de acht dagen de koopsom betalen ten huize van advocaat Snellincq in Brussel op de hoek van de Nieuwe Ossenmarkt op straf van 10 gulden voor elke koop.

5 De kopers moeten onmiddellijk voldoende borg geven. Als iemand geen borg wil of kan geven, dan zal men de goederen opnieuw verkopen. Is de verkoopsom lager dan bij de eerste verkoop, dan zal de gebreckelijcken cooper het verschil plus de onkosten en de schade moeten vergoeden. Bedraagt de koopsom hoger dan bij de eerste verkoop, dan komt het verschil de verkopers ten goede.

6 De kopers zullen de bomen die op de kanten staan, net boven de grond afzagen. Halen zij de stronken uit de grond, dan moeten ze de putten op hun kosten binnen de veertien dagen vullen. Tegen Sint- Andries moeten alle bomen gekapt en alles opgeruimd zijn. Is dat niet gebeurd, dan worden de bomen geconfisqueerd. De struiken mogen niet beschadigd worden.

7 Het hout wordt weggevoerd langs de wegen die de pachter zal aanduiden.

8 De kopers zullen in handen van de advocaat Snellincq 7,5 stuivers op elke koop betalen voor de registratie van de borgstelling.

9 Om de bomen te ontgraven mogen de putten niet groter zijn dan vier voeten in de ronde.

10 De struiken die de kopers hebben verwijderd om de bomen te kappen, moeten zij herplanten.

Verslag van de verkoop.

Aan het stenen huis.

1 Twee appelaren en een perelaar in de boomgaard, ingesteld door meester Nicolaas Snellincq, geen hoger bod: 6-5-0.

2 Vier appelaars tegen de straat, waarvan een op de grond ligt, ingesteld door meester Snellincq, geen hoger bod: 6-5-0.

3 Een appelaar en een kerselaar tegen de straat lopende naar de dam van de vijver, ingesteld door meester Snellincq, met zesmaal hoger bod: 11-0-0.

4 Aan de vijver twee appelaars en twee elzen, ingesteld door dezelfde advocaat, met zesmaal hoger bod: 4-10-0.

5 In de boomgaard een appelaar, twee kerselaars en een notelaar, ingesteld door Hendrik Van Ginderachter, met driemaal een hoger bod: 6-10-0.

6 Acht pruimelaars, voor de boomgaard, ingesteld door Gillis Verhasselt, met driemaal opbod: 1-17-0.

7 Een beuk, twee appelaars en twee perelaars, ingesteld door Jan Baptist Boonaet, met viermaal een hoger bod: 6-10-0.

8 Aan de bocht voor het huis een notelaar, twee notelaars bij de schuur op de andere boomgaard, ingesteld door de advocaat, met viermaal een hoger bod: 11-10-0.

9 Drie appelaars en een perelaar langs de straat, ingesteld door Guillam Van Langenhove, met driemaal een opbod: 7-5-0.

10 Twee appelaars en twee tronkeiken[27], ingesteld door de advocaat, met viermaal een hoger bod: 8-0-0.

11 Aan de andere straat op het einde van de poel drie wilgen, een els en een tronklinde, ingesteld door Steven De Raedt, met driemaal een opbod: 5-5-0.

12 Aan de andere zijde van de vijver drie wilgen, ingesteld door Arnoult Adriani, met driemaal een hoger bod: 7-0-0.

13 Drie notelaars tegen de vijver en twee olmen aan de straat, ingesteld door Merten De Meester, met driemaal een hoger bod: 13-10-0.

Achter de gaelderije.

1 Tien kerselaars, ingesteld door meester Jan Baptist Boonaet, met driemaal een hoger bod: 2-8-0.

2 Een populier en drie wilgen, ingesteld bij Gillis Van Langenhove, met driemaal een hoger bod: 6-0-0.

3 De berk over de beek, een grote beuk, twee tronkeiken en een opgaande eik, ingesteld bij de advocaat, met achtmaal een hoger bod: 20-0-0.

4 Op de hoofddam aan de brug 21 wilgen, ingesteld door de advocaat, met driemaal een hoger bod: 6-0-0.

5 Vier opgaande wilgen en een tronkwilg aan de bron, ingesteld door Gillis Verhasselt, met driemaal een hoger bod: 13-0-0.

6 Langs de voetweg tussen het bos en de bron drie elzen, een opgaande eik en een tronkeik, ingesteld door Arnoult Adriani, met driemaal een hoger bod: 11-0-0.

7 Op de Putberg vier opgaande espen, ingesteld door Joos Rogiers, met driemaal een hoger bod: 8-10-0.

8 Ook op de Putberg zes espen, ingesteld door Jan Baptist Boonaet, met driemaal een hoger bod: 9-0-0.

9 Idem tegenover de vijver zes espen, ingesteld door advocaat Snellincq, met viermaal een hoger bod: 8-10-0.

10 Idem beneden aan de weg twee espen, twee olmen en een opgaande eik, ingesteld door Carel Van Innichoven, met driemaal een hoger bod: 11-0-0.

Op de Putberg.

1 Int afhangen van den berch een esp, een tronkeik en vier opgaande eiken, ingesteld door de advocaat, met viermaal een hoger bod: 8-0-0.

2 Tegen Het Vilt twee opgaande eiken, een tronkeik en een esp tegen de voetweg, ingesteld door Arnoult Adriani, met driemaal een hoger bod: 9-0-0.

3 Op dezelfde plaats drie espen en een kerselaar, ingesteld door Jan De Troch, met driemaal een hoger bod: 10-0-0.

4 Op De Steenpoel tegen de straat twee opgaande eiken aan malkanderen gewassen als een gaffel, twee opgaande eiken en een tronkes, ingesteld door de advocaat, met zesmaal een hoger bod: 15-10-0.

5 Ook drie tronkeiken, een olm, drie kerselaars, twee opgaande eiken en een esp, ingesteld door Jan Cornelis, met viermaal een hoger bod: 12-0-0.

Tegen ’t Gaetkensblock ende Rotbroeck ende daer binnen.

1 Twee tronkeiken en twee kerselaars, ingesteld door Carel Van Innichoven, met driemaal een hoger bod: 8-10-0.

2 Aldaar ook een tronkels, een kerselaar en twee tronkessen, ingesteld door Carel Van Innichoven, met driemaal een hoger bod: 8-0-0.

Op de Wijtsbeek.

1 Een opgaande kerselaar, een tronkkerselaar, een tronkeik, een els met een gaffel, nog een opgaande els en nog een kerselaar aan de Molenbeek, ingesteld door (onleesbaar), met zesmaal een hoger bod: 9-10-0.

Op Bekerveld

1 Twee tronkeiken, ingesteld door de advocaat, met driemaal een hoger bod: 7-10-0.

Op ledich lant int Bosselken.

1 Een tronkeik, twee kerselaars, een perelaar en een esp die op de grond ligt, ingesteld door François Linthout, met driemaal een hoger bod: 7-0-0.

2 Twee opgaande eiken, een tronkeik, een opgaande es en een tronkes, ingesteld door de advocaat, met zesmaal een hoger bod: 25-0-0.

Derden coop vervolgens int weijken tegen den dreeff.

3 Drie tronkeiken, twee tronkessen, twee kerselaars en twee opgaande essen, ingesteld door Joos Rogiers, met driemaal een hoger bod: 25-10-0.

4 Een opgaande eik en twee tronkeiken, ingesteld door meester Jan Baptist Boonaet, met viermaal een hoger bod: 11-0-0.

5 Tegen ’t Bekerveld nog drie tronkeiken, een kerselaar en een es, ingesteld door Carel Van Innichoven, met driemaal een hoger bod: 18-10-0.

Iersten coop tegen Cleijn ledich landt aen De 3 Dachwanden.

1 Drie tronkeiken zonder een gaffel en een tronkes, ingesteld door de advocaat, met zesmaal een hoger bod: 22-10-0.

2 Vijf tronkeiken en een tronkes, ingesteld bij de advocaat, met viermaal een hoger bod: 15-10-0.

3 Nog vier opgaande essen en twee tronkessen, ingesteld door Carel Van Innichoven, met driemaal een hoger bod: 29-0-0.

Bijzondere koop.

Tussen de vijver en de beek op de dam, beginnend aan de grobbe waar het beekwater in de vijver vloeit tot aan de bron: 59 wilgepoten, ingesteld door Merten De Meester, met driemaal een hoger bod: 3-0-0.

1637 – Wie heeft recht op de cijns van de Merchtemkouter[28]?

Volgens Steven Herrebosch, de ontvanger van de cijns voor de abdij te Merchtem, kwam de cijns van een stuk land op de Merchtemkouter naast de Weijenberghe en tegen het koutergat in de Vrijheid van Merchtem toe aan de abdij. Het ging om 9 viertelen rogs. Hij was in het bezit van dat perceel gekomen op 12 september 1637. Maar Steven Van der Slachmolen, man van Margarite Van Nieuwenhove en voorheen van Peter Verhasselt, eiste van de ontvanger een cijns van 9 gulden per jaar. Zijn voorouders hadden op dat stuk land altijd de cijns geïnd. Van de Schepenbank van Asse verwachtte hij dat Steven Herrebosch zou veroordeeld worden tot betaling van  225 gulden, namelijk zijn achterstel plus kosten.

Had Steven Herrebosch zich onopzettelijk vergist of was het een sluwe zet om aan de cijns te ontkomen? Daar het document onvolledig is, zullen we het antwoord niet te weten komen.

Gedaegde den welcken was getreden in possessie van dien op den twelffsten september sesthien hondert ende sevenendertich getelt in voldoeninghe van sijne achterstel de somme van twee hondert vijffentwintich rinsguldens blijckende bij de autentijcke cpoije van de quittantie hier mede gaende

Hebbende daer vor aen voorschreven voorsaeten des aenleggers ende aen sijn huisvrouwe gegeven de ….

1641 – Gillis betaalt het vet rund niet[29].

Gillis Van Ransbeke kocht, tussen 1641 en 1649, een vet rund van dom Rumoldus Crabbe, de hofmeester van de abdij voor 15 gulden. Maar dom Rumoldus kon int minnelijck egeene betaelinge becommen wat debvoiren tot dien eijnde gedaen. Om aan zijn geld te geraken bleef hem niets anders over dan Gillis door de schepenbank van Asse te laten dagvaarden in de hoop dat de schepenen hem zouden verplichten zijn schulden te betalen.

Rumoldus Crabbe was afkomstig van Brussel en trad in 1627 in. In 1636 was hij pomarius, de verantwoordelijke voor de boomgaard, en vanaf 1641 was hij hofmeester. In 1649 vertrok hij naar de priorij Bornem. Hij kampte voortdurend met hoofdpijn en overleed op 15 juli 1650.

Gillis Van Ransbeke vinden we in die tijd niet in Meldert.

1645 – De boswachter van de abdij blijft in gebreke[30].

Stel je huurt een stuk land en de vruchten die je daarop hebt gezaaid worden vernietigd door een kamperend leger, een storm of overvloedige regens. Moet je dan de pacht betalen? Dat is een eeuwenoude strijdvraag. De verhuurder had natuurlijk gerekend op die inkomsten en de huurder op de opbrengst. Voor beiden een moeilijke zaak. De abdij voorzag in haar pachtcontract voor dergelijk voorval een schadeloosstelling als ze tijdig op de hoogte werd gebracht en de schade kon laten taxeren. Maar niet alle eigenaars waren daartoe bereid zoals onderstaand geval aantoont.

Jan Maurissens, boswachter van de abdij, pachtte in 1645 en 1646 van Guillaume Plas de naerweijde gelegen in Den Rooden Meersch  te Meldert. In 1645 viel er zoveel regen dat de weide bijna heel de tijd onder water stond en hij er geen enkel profijt van had en dus betaalde hij de pacht niet. Dat leverde hem een proces op want Guillaume had een klacht tegen hem ingediend bij de schepenbank van Asse.

In Meldert komt er midden 17de eeuw een familie Marissens voor: Jan en Barbara Fijn. Zij hadden 6 kinderen te Meldert gedoopt:

1- Gertrudis, ° op 17 november 1637.

2- Margareta, ° op 27 november 1639.

3- Judoca, ° op 12 augustus 1641.

4- Jan, ° op9 augustus 1643.

5- Martinus, ° op 19 maart 1646.

6- Catharina, ° op 7 augustus 1649.

Een Guillaume Plas komt dan niet in Meldert voor.

1661 – Is meier de Charles de la Mars een woekeraar?[31]

Charles de la Marche of de la Mars was meier van de abdij Affligem van 1616 tot 1657. Hij was gehuwd met Catharina de la Quadra, overleden in 1635. Zijn pensioen van 75 gulden stopte in 1661. Was hij overleden of was het een strafmaatregel van de abdij omwille van zijn frauduleus gedrag? Zijn slechte reputatie was in elk geval bij de abdij bekend geraakt. Hierbij twee rechtszaken waarbij Charles de la Mars betrokken was.

De zaak Jan De Deken

In 1650 ging Jan De Deken uit Mazenzele een lening aan van 8 ponden Vlaams bij Charles de la Mars, meier van de abdij Affligem. Twee jaar later leende hij nog eens 10 ponden, samen 18 ponden Vlaams of 108 rijnsgulden. Zoals bepaald door de wet, vroeg de meier geen intrest. Keizer Karel had op 29 oktober 1540 een plakkaat uitgevaardigd dat bepaalde dat het alleen aan den goeden coopman geoirloft ende toegelaten was intrest te vragen tot een rente van maximum 8,33%. Aan anderen was het verboden van met geld winst te maken, dat werd beschouwd als woeker. Volgens Jan had de meier hem door groote persuasie, inportun schrijven ende continuele drijgementen zodanig gedwongen ende affgeperst dat hij elk jaar 8 gulden betaalde voor de eerste lening en 12 gulden voor de tweede. In het totaal had hij al 75 gulden betaald in de mening dat hij zo zijn leningen afbetaalde en dat er slechts nog 37 gulden van overbleef. Zijn verontwaardiging was dan ook groot toen hij ontdekte dat volgens De la Mars hij alleen maar de intrest op de lening had betaald. Dat was volledig in tegenstrijd met het plakkaat van de keizer waarin uitdrukkelijk vermeld was dat het is notoir ende wel expressellycken verboden dat men van geleenden gelde egeenen intrest schuldich en is te betaelen noch en vermach heijsschen vele min te doen betaelen. Zijn betalingen waren dus afkortingen van de geleende bedragen. Als de la Mars dat niet aanvaardde was hij eenen waerachtghen woecker, zeker gezien het hoge bedrag dat hij eiste, meer als drije dobbelen intrest.

Maar de meier perste niet alleen Jan De deken af. Ook van andere schamele persoonen woonende alhier onder Assche ende binnen de Lande van Brabant eiste hij zo’n hoge intrest dat hij ze tot de beenen toe is vuijtmergelende ende hun vleesch ende bloed is opetende. Bovendien ontkende hij, ter quaeder trouw sijnde, dat De Deken hem geld had gegeven. Gelukkig had Jan enkele getuigen. Tegenover notaris Michiel De Bisschop verklaarde Jan De Nil, 28 jaar, onder eed dat hij samen met de vrouw van De Deken naar de woning van de meier te Aalst was geweest. Daar aangekomen gaf de vrouw hem een som geld om het voor haar te tellen en aan de meier te geven. Die nam de munten uit zijn handen en zei dat hij het geld zelf wel zou tellen. Hij ging er mee naar zijn comptoirken. De Nil, gezeten op seker banxcken hoorde hem het geld tellen. De Dekens vrouw zei toen dat het 12 gulden was, wat de meier bevestigde met de woorden jae, jae, wij sullen geen abuus hebben. Peter Van den Driessche, 60 jaar, getuigde dat hij met Jan De Deken naar sieur De la Mars was geweest om er 48 gulden te lenen. De meier overhandigde Jan slechts 44 gulden, 4 gulden diende als intrest. Een derde getuige, de 54-jarige Joos De Nil, verklaarde dat hij drie jaar geleden met Jan De Deken meeging naar de meier en dat Jan daar een som geld aan de meier gaf. Hoeveel weet hij niet. Hij hoorde wel dat de meier zei dat Jan nog tijd genoeg had om de lening te betalen. Anna Moyensoen, de weduwe van Adriaan Van den Biesen betaalde voor Jan aan de meier 2 gulden. Erger nog overkwam het de kinderen en erfgenamen van Gillis Van Ransbeke. Hun vader had bij de la Mars een lening aangegaan en volledig terugbetaald. Op de keerzijde van het contract stonden de afbetalingen genoteerd. De la Mars had dat gedeelte van het contract afgesneden, maar men kon nog zien eenighe beenen van de letteren off woord betaelt. De meier ontkende met eenen quaden eed de betalingen. Toch moest hij zijn misstap toegeven aan enkele monniken.

De la Mars beging trouwens meerdere criminele feiten. Als notaris vervalste hij[32] een akte en alleen door tussenkomst van goede vrienden kreeg hij alleen een boete. Hij werd, aldus Jan De Deken alleenelijck gegeeselt in de borse. Het verwonderde Jan dat de overmeier, die toch op de hoogte was van de criminele handel van de meier, hem als advocaat liet optreden. Maar het is zoals men zegt: om liefde van den smeer, leckt de kat den candeleer. Tot slot van zijn verweer drukte De Deken de hoop uit dat de overmeier, nadat hij zijn weerlegging aandachtig heeft gelezen en zich goed heeft geïnformeerd, de la Mars niet zal favoriseren, maar tegen hem sijn swerdt sal trecken ende daerover straffen naer behooren.

Op 17 augustus 1660 kwam het tot een akkoord tussen Charles de la Mars junior, die zijn vader vertegenwoordigde, en Jan De Deken met zijn vrouw Pierijne Moysoene. Omdat er noch vele costen souden hebben connen te gereijsen besloten ze het proces te beëindigen. Voor notaris H. De Raedt en in aanwezigheid van de getuigen Michiel De Baetselier en Servaas Moysoene kwam de volgende overeenkomst tot stand. Jan De Deken zou direct 6 gulden en binnen de 8 dagen 36 gulden aan de la Mars betalen. De 14 gulden die Jan nog schuldig was door de verplichting van een koppel kippen te geven, kwam te vervallen. Omdat de advocaat van De Deken, Slachmolen, zijn extraordinaire debvoiren had gedaan, stelde de notaris voor dat Jan hem eene coppel haesen versch wesende zou geven.

De zaak Joos De Nil[33].

Ook Joos De Nil, eveneens uit Mazenzele en zoon van Machiel, ging bij meier de la Mars een lening aan. Op 6 mei 1659 ontving hij 96 gulden. Die lening bestond uit graan ter waarde van 24 gulden, en een bedrag van 60 gulden dat nog werd aangevulde met 12 gulden. De akte werd verleden door notaris De Bisschop. Van een intrest was bij het opstellen van de akte geen sprake. In de volgende twee jaar betaalde Joos 61 gulden 1 stuiver af zodat hij nog 38 gulden 6 stuivers had af te korten. Tot zijn ergernis ontdekte Joos dat de la Mars de bedragen had veranderd. Er stond nu 62 gulden in de plaats van 60 en 14 gulden en niet 12. Hij had er dus 4 gulden bij gedaan. De Nil, onnoosel sijnde, zwichtte voor de dreigementen van de meier en aanvaardde de verhoging van het bedrag. Ook uit vrees voor bijkomende kosten.

Maar het ergste moest nog komen. Op 21 januari 1661 diende de la Mars bij de schepenbank een klacht in tegen De Nil wegens wanbetaling. Volgens een akte van notaris De Bisschop van 1 oktober 1655 had De Nil bij de meier een lening aangegaan van 210 gulden 10 stuivers met een intrest van 6,25%. Daarvan had hij al 61 gulden 1 stuiver afbetaald en was hij hem nog 150 gulden schuldig. Volgens De Nil zou hij nooit zo’n akte ondertekenen en was het zo klaar als de sonne in den middagh dat de akte vals was.Joos dreigde dat hij naar de Raad van Brabant zou stappen omdat hij de originele akte niet kon tonen en dan zou hij de strooperije int claer brengen. Toenkwam de La Mars met een nieuwe overeenkomst daterend van 1 januari 1659 op de proppen, een obligatie van 150 gulden. Die akte bezorgde hij op 29 maart 1661 aan de schepenbank van Asse. Die overeenkomst was opgesteld door Laureijs Robijns en Gillis Van Buggenhout met Martinus Wambacq, de griffier van de abdij, en de schepen Nicolaas Faseel als getuigen. Joos en Jan De Nil, zijn neef uit Mazenzele, hadden de tekst ondertekend en nog volgens de tekst had Jan De Nil zich borg gesteld voor die lening.

Joos reageerde via zijn neef Jan die het inmiddels tot notaris had gebracht. Hij is hoogst verwonderd dat de la Mars zich niet van zijn kwade trouw heeft bekeerd terwijl hij goed weet dat de 150 gulden hem niet toekomen. Dat hij, noch onnoosel sijnde, die tekst ondertekende is het gevolg van de dreigementen van de meier. Dat was ware schelmenhandel. Het antwoord van de la Mars liet niet op zich wachten. Joos De Nil is van eene quade inborst. Dat hij naar de Raad van Brabant wou gaan is frivool ende vidiculeus. Bovendien is het onbegrijpelijk dat De Nil de akte vals noemt. Zijn neef Jan, zelf notaris en niet onnoosel ofte slecht, zou toch de minste onjuistheid of onrechtvaardigheid hebben bespeurd. Integendeel, hij stelde zich borg. Hij vraagt de schepenen dat zij de stelling van Joos De Nil zouden verwerpen.

In zijn repliek stelt De Nil vast dat de meier de originele akte nog altijd niet heeft getoond en hij weet waarom. Omdat daervuijt het bedroch noch meer sal commen te blijcken. In vergelijking met de tekst van de lening van 96 gulden zal men vaststellen dat de laatste akte met andere hande ende penne geschreven werd. Dat Jan De Nil in 1659 geen bezwaren maakte en de overeenkomst ondertekende, komt door het feit dat hij toen nog onnoosel ende jonck was en zeker nog geen notaris. En hij besluit dat de la Mars een overgroot woeckeraer is den welcken onder de cristene menschen niet en behoort gerekent te worden off te verkeeren.

1661 – Griffier Wambacq in conflict met de hoogmeier van Asse[34].

Andreas Creusen[35], de aartsbisschop van Mechelen, tevens abt van Affligem, ordonneerde in 1661dat de kerk- en armenrekeningen van Essene voortaan elk jaar ontrent Pasen aan de pastoor en de gequalificeerde ingesetenen” moesten voorgelegd worden in aanwezigheid van Franchois Wambacq[36], griffier en schepen Affligem, die de rekeningen mee zou ondertekenen. Hetzelfde gold ook voor de reparaties aan de kerk. Die ordonnantie leidde tot een conflict tussen Wambacq en de hoofdmeier van het Land van Asse. Volgens de hoofdmeier ging dat besluit in tegen de jurisdictie van het Land van Asse, want het kwam hem toe de rekeningen te verifiëren.

Toen kerkmeester Jan De Meije en armenmeester Gillis De Baetselier hun rekeningen aan de pastoor wilden voorleggen in het huis van brouwer Niclaas Meert, verschenen zowel Franchois Wambacq als de hoofdmeier. Wat volgt is het getuigenis dat schepen Jan Van Slachmolen aflegde op 9 mei 1661voor de schepenbank van Asse na klacht van de hoofdmeier tegen Franchois Wambacq.

Het was Franchois Wambacq die de ruzie begon door de hoofdmeier toe te roepen dat hij in het huis niets te zoeken had. Daarop volgde een bitsig gesprek.

Hoofdmeier: Ik kom naar de preek luisteren, want die is bij kerkgebod afgekondigd.

Franchois Wambacq Wij hebben u niet nodig, gij zult de preek niet horen en daarbij wij hebben den bruijt aan u.

Hoofdmeier: Wij zullen ze horen en gij kunt hier wel de zaak in uw voordeel beslissen, maar op mijn verzoek heeft de Raad van Brabant …

Franchois Wambacq: Ik lach daarmee en ik heb den bruijt van uwe redenen ende gijlieden en sult de rekeninge niet hooren, gij en hebt er niet te doen.

Daarop riep de hoofdmeier de schepen Jan Van Slachmolen bij zich en verzocht de anderen de kamer te verlaten, want ze hadden iets te bespreken. Iedereen ging weg behalve Wambacq. Die bleef weigeren te vertrekken tot de hoofdmeier Hendrik Van Innichoven, de vorster van het Land van Asse, verzocht Franchois Wambacq buiten te zetten. Toen die zag dat het de vorster menens was, ging hij al knorrende weg. Kerkmeester Jan De Meije wou waarschijnlijk de gemoederen wat bedaren door te zeggen dat hij nog een uurtje aan zijn rekening moest werken. Maar Wambacq kon het niet laten om nog eens terug te slaan: Ick hebbe de rekening in mijnen sack ende gijlieden en hebt er niet mede te doen, gij sult se niet horen ende wij hebben den bruijt van ulen.

1662 – Martinus Wambacq ruziet met de bedesetters van Essene[37].

Adriaan Van Vaerenberg, pachter en bedesetter van Essene had blijkbaar verwacht dat Martinus Wambacq, griffier van de abdij, zou weigeren de bedeboecken van de parochie ter beschikking te stellen van de bedesetters. Daarom was hij met alle bedesetters, de officier en de voornaamste pachters van Essene naar de weduwe van Franchois Wambacq gegaan om die boeken op te eisen. Franchois was collecteur geweest en had in die functie de boeken in zijn bezit gehad en die waren bij zijn weduwe gebleven als erfgename van haar in 1661 overleden man. De bedesetters wilden die bedeboeken omdat de opmeting van de parochiegoederen daarin was opgenomen. Aan de hand daarvan konden ze het bezit van elke pachter bepalen en dus ook zijn aandeel in de beden.

Maar Martinus, de zoon van Franchois en ook griffier van de abdij, had de vraag van de bedesetters verwacht. Hij refuseerde sonder eenich het minste fondament de gevraagde documenten te overhandigen, ook al was de vraag niet aan hem, maar aan zijn moeder gesteld. Adriaan ging met zijn groep naar het huis van brouwer Nicolaas Meert om te overleggen. Toen Martinus er ook verscheen, richtte Adriaan zich tot hem en zei dat zijn moeder verplicht was de opmeting te geven omdat de parochie die had betaald. Martinus antwoordde, zonder te beseffen dat Adriaan de vertegenwoordiger van de parochie was, dat hij een leugenaar was: ghij lieghter bij Godt aen ende voorts ghij sijt eenen waersegger. Voor Adriaan was de griffier te ver gegaan. Dat hij publiekelijk in soo eene treffelijcke vergaederinghe beledigd werd, eiste een reactie want dat zou niemand accepteren. Volgens een oud gebruik en spreekwoord is een uitspraak als ghij lieghter aen eenen slach weerdich want het was een vernedering voor alle schepenen en bedesetters en hij sloeg Martinus in het gezicht. Daarmee was voor Adriaan het conflict beslecht, maar niet zo voor Martinus. Hij greep zijn pistool en trakteerde hen op een scheut saet. Het schot met hagel verwondde meerdere aanwezigen. Sommigen hadden tot 25 kwetsuren ende saijkens in hun lijf. De littekens zijn nog altijd te zien. Anderen hebben nog altijd hagel in hun lichaam, wat te zien is aan een verdikking van de huid.

Martinus heeft met zijn schot veel pijn en smart veroorzaakt en dat hij dan nog het lef had om Adriaan bij de schepenbank aan te klagen was voor hem ongefondeerd ende niet ontfanckbaer. Dat hij zich bovendien beriep op zijn functie als griffier van de abdij en zijn positie als notaris bij de Raad van Brabant, op de voorname positie van zijn vader en de veele rijkelijcke middelen die hij had om zijn daad vrij te pleiten, zijn dwaese discourssen en hebben niets met de zaak te maken. Net zo min als het verwijt dat hij een slechte pachter was die niet eens twee paarden had. Wie het meeste stouffen, hebben het minste bij te setten. Zijn status en rijkdom permitteren hem niet om anderen valselijk te beschuldigen. Dat hij beweert dat het schot per ongeluk is afgegaan, is omdat hij de kosten van de chirurgijnen voor de verzorging van de wonden wil ontlopen. Adriaan verzocht via zijn advocaat Theodorus Van Paeffenrode, de schepenbank dan ook om Martinus te veroordelen tot betaling van 200 gulden als vergoeding voor de kosten en de geleden pijnen en smarten.

1663 – Problemen voor wever Jan Van Vaereberghe[38].

Jan Van Vaerenberghe uit de Bosstraat te Hekelgem kocht voor 8 rijnsgulden hard stro bij Gillis Pijl, de ontvanger van de stad Aalst. Die leverde het stro op 31 januari 1663 en ontving 2 gulden en daar bleef het bij. Van Vaerenberghe kon zijn schuld niet meer aflossen zodat voor Gillis een proces bij de schepenbank nog de enige mogelijkheid was om nog aan zijn geld te geraken.

1663 – Ruzie over een losweg[39].

Jan ’t Kints, een pachter van Mollem, huurde van de abdij de Martijneweide, 1,5 dagwand groot, te Mollem. Hij had de pacht van zijn vader Aert overgenomen. Net zoals zijn vader sinds 1635 deed, bracht hij ook zijn koeien en andere beesten via een dreef, die langs het goed van de erfgenamen van Joos De Clerck liep, naar zijn weide. Zo’n zogenaamde losweg was de enige toegang tot een bepaald perceel en gaf vaak aanleiding tot discussies zelfs in onze tijd omdat die weg maar de breedte had van een kleine boerenkar en nu wilden zware tractoren met enorme karren dezelfde weg gebruiken.

In de zomer van 1662 ontstond er ruzie tussen Jan ’t Kints en Hendrik Vranckx uit Krokegem, de tweede man van Eisabeth Wambacq. Hendrik Vranckx verbood Jan ’t Kints om die weg nog te gebruiken. Elisabeth had een deel van de Martijneweide geërfd van haar eerste man, Steven van Mulders, de zoon van Rafaël. Steven van Mulders had er nooit bezwaar tegen gehad dat de losweg over zijn deel van de Martijneweide liep. Dat was toen een perceel van 7 dagwand. Maar na Peters dood ruzieden de kinderen van zijn eerste huwelijk met Catharina Van den Bossche met Elisabeth over die erfenis. Uiteindelijk werd het goed onder 7 verdeeld en Elisabeth kreeg alleen het vruchtgebruik over 1,5 dagwand. Ze vond dat ze zich niet kon veroorloven daarvan nog een losweg af te staan. Bovendien beweerde ze dat de koeien van Jan ’t Kints heel wat beschadigingen aanrichtten met als gevolg dat ze er geen profijt van had: zij had in eenen termijn geen half graen. Ze meende ook dat de dreef vroeger op de dam lag tussen de vijver en het goed van Steven Van Mulders en Aert ’t Kint, de vader van Jan, had die verlegd wat haar eerste man had  toegelaten. Om dat verbod kracht bij te zetten, riep ze de hulp in van jonker Servatius Caimo, rentmeester van de abdij. Die schreef de aartsbisschop en abt van Affligem, Jacobus Boonen aan. Hendrik Vranckx en Elisabeth Wambacq huurden te Krokegem 8 bunder weide en meersen van de abdij en ze betaalden stipt de pacht, ook nadat die met 6 rijnsgulden was verhoogd. Elisabeth had zelfs plannen om op haar deel van de Martijneweide een hoeve te bouwen en dat zou de abdij veel meer pacht opbrengen. Uiteindelijk op 29 mei 1663 stelde Elisabeth een compromis voor. Jan ’t Kints kreeg nog vrije toegang tot zijn weide tot het einde van zijn pachtovereenkomst.

1665 – Zware straffen voor illegale houtkap[40].

Een plakkaat uit 1623 legde de straffen vast voor het stelen van hout uit de bossen en specifieerde over welk hout het ging: heesters, dijssels, lanckwagens, peertssen, latreeesen of dachroeden, bessemstocken en tuinstokken.

1- Voor het kappen en weghalen van groen hout: viermaal de waarde van het gestolen hout.

2- Voor het stelen van opgaand hout: 25 rijnsgulden.

Omdat er uit de bossen van de abdij hout was verdwenen, het jaartal ontbreekt, stelde de overmeier van het Land van Asse, Arnouldt Adriani, met twee schepenen een onderzoek in. In het huis van Peter Coppens te Asse-ter-Heide vonden ze het gestolen hout. Peter Coppens bekende dat hij met Aert Van de Perre het hout had gekapt en het naar zijn huis had gevoerd. Hij kreeg een boete van 25 rijnsgulden en daar bovenop nog viermaal de waarde van zijn buit.

1667 – Testament van Anna en Joanna Wambacq[41].

Anna en Joanna, twee begijntjes van het Groot Begijnhof te Brussel, lieten op 9 mei 1667 te Essene door notaris Michiel De Bisschop hun testament opstellen. Zij wilden in de kerk van het begijnhof begraven worden met een eerlijcke vuijtvaert, dat er 30 missen voor hun zielenheil worden opgedragen en dat er na de begrafenis aalmoezen worden uitgedeeld. De langstlevende zal aan elk van hun broers en zussen na de uitvaart 6 gulden geven en alle goederen die de overledene bezat, komen toe aan de langstlevende die daarover naar eigen goeddunken kan beschikken.

Anna en Joanna waren dochters van Franciscus en Catharina Troch. Franciscus werd omstreeks 1580 te Essene gedoopt als zoon van Michiel en Barbara De Wever. Hij overleed op donderdag 30 juni 1661 te Essene, ongeveer 81 jaar oud. Hij trouwde in 1613 te Essene met Catharina Troch, de dochter van Jan en Cathelijne Plas. Cathelijne werd gedoopt omstreeks 1587. Zij hadden 9 kinderen te Essene gedoopt.

1 Barbara, gedoopt op zondag 3 augustus 1614 en overleden op vrijdag 2 augustus 1652 in Hekelgem, 37 jaar oud.

2 Elisabeth, gedoopt op donderdag 21 januari 1616, en overleden op vrijdag 7 december 1674 in Asse, 58 jaar oud. Zij trouwde met Peter Van Mulders, griffier te Asse. Hij werd in 1608 te Asse gedoopt en overleed in 1660, 52 jaar oud.

3 Michiel, gedoopt op dinsdag 17 oktober 1617 en overleden op zondag 22 1690 in Essene, 73 jaar oud. Michiel was de eerste bewoner van Het Ankerhof en meier van de schepenbank van de abdij. Zie ook Jaarboek Belledaal, 2008, 213.

4 Martinus, gedoopt op zaterdag 19 oktober 1619 en overleden op woensdag 6 februari 1675, 55 jaar oud. Hij was notaris te Essene en griffier van de abdij.

5 Catharina, gedoopt op zondag 12 december 1621 en overleden op zaterdag 15 maart 1681 te Asse, 59 jaar oud.

6 Anna, gedoopt op woensdag 7 februari 1624 en overleden voor 1625.

7 Anna, gedoopt op zaterdag 22 maart 1625.

8 Lucas, gedoopt op donderdag 14 juni 1629 en overleden op 10 september 1670 in Essene, 41 jaar oud.

9 Joanna, gedoopt op woensdag 13 januari 1638.

1670 – Eerste schepen Jan Van Langenhove in gebreke[42].

Op 29 augustus 1670 ging Jan Van Langenhove[43] van Baardegem, de eerste schepen van Affligem, een lening aan van 64 ponden grooten Vlems bij Martinus De Cleijne, schoenmaker te Brussel. De jaarlijkse rente bedroeg 24 gulden. Van Langenhove was vergezeld van zijn zonen Joos en Peter en van Nicolaas Meert, de man van zijn dochter Clara. De akte werd opgesteld door Peter en Jan De Meersman en Pauwel Gillisjans, de gezworen erflaters van Affligem onder Baardegem. Als onderpand gaven ze 3 dagwand weide, Den Brauwier genoemd en gelegen te Baardegem; De weide paalde aan de goederen van de abdij en meester Guillam ’t Kint, de erfgenamen Nicolaas Verhasselt en de jezuïeten van Aalst. Ook nog een weide van 2 dagwand en 53 roeden die paalde aan Den Brauwier, de erfgenamen Michiel De Meersman, de jezuïeten van Aalst en de straat. Van 1671 tot 1674 betaalde Jan Van Langenhove slechts 6 gulden per jaar. Zijn schulden waren in 1675 opgelopen tot 54 gulden, plus 8 gulden bijkomende kosten en Martinus De Cleijne, ook Martin Petit genoemd, wendde zich tot de schepenbank van Asse om toch aan zijn geld te geraken.

1673 – Jan Roodemont eigent zich de tiendeschoven toe[44].

Andries De Vogel was in 1673 de pachter van de abdij voor de tienden te Asse-ter-Heide. De gezworen tiendensteker, Jan Van Houw, wou de tiendenschoven die hem toekwamen tekenen en afzonderen van de rest van de oogst. Maar Jan Roodemont, zoon van Aert, hield daar geen rekening mee en op 13 augustus 1673 liet hij alle tarweschoven op Den Heylborrebosch binden en op een hoop samenbrengen. Toen Jan Van Houw die fraude ontdekte, liet hij elke tiendenschoof weghalen, want volgens de plakkaten van de koning mocht niemand een tiendenvrucht uit het veld wegvoeren tenzij met toestemming van de tiendensteker of de tiendenpachter. Hij duidde andere schoven als tienden aan tot grote ergernis van Jan Roodemont. Die tracteerde hem seer qualijck en sloeg hem met zijn gaffel. Jan Van Houw hield er een aantal blauwe plekken aan over. Roodemont volhardde in zijn boosheid en voerde de afgezonderde tiendenschoven weg. Daarop diende Andries De Vogel een klacht in bij de schepenbank van Asse met de eis dat Roodemont de weggevoerde schoven moet terugbrengen.

1673 – Miciel Wambacq aangeklaagd[45].

De kinderen van Pauwel Van Vaerenbergh en Joanna Schockaert, Jan en Joanna met haar man Adriaan Van der Borgt, erfden van hun ouders elk ¼ van een stuk land, genoemd De Biest. Het paalde aan de Rabauwstichel. Maar Michiel Wambacq eigende zich dat deel toe. Na mislukte pogingen om hun erfenis in hun bezit te krijgen, wendden ze zich tot de schepenbank van Asse om hun erfdeel in hun bezit te krijgen en om een vergoeding voor de geleden schade te eisen. Het jaartal ontbreekt.

1673 – De familie De Cort verdrinkt in de schulden[46].

Op 12 april 1660 stelden de schepenen van Affligem, Guillam De Baetselier en Erasmus Merchie, de nalatenschap op van Franchois de Cort. Zijn weduwe Anna Van der Biesen kreeg het vruchtgebruik van twee hofsteden die haar zonen Michiel en Pauwels erfden. Anna beloofde met opgerechte vingeren ten hemelwaarts dat zij de hoeven niet zou opeisen en samen beloofden ze de jaarlijkse rente van 31 gulden 5 stuivers te betalen aan Martinus Wambacq ten behoeve van de weduwe van Charles de la Mars, gewezen meier van Affligem. De eerste hofstede met huis en ast was 3 dagwand groot en was gelegen te Uwijck in Essene. Ze paalde aan Jacques Van Wichele, aan de kapel, aan de erven Philips Schoemans en aan de straat. Het goed was belast met een grondcijns aan de abdij. De andere hofstede, groot ½ bunder, ook in Essene gelegen, paalde aan de straat, aan Franciscus Van Liere en aan de Weijdemeersch en was belast met een grondcijns aan de markiezin van Asse. De twee hofsteden dienden als onderpand voor de lening.

Drie jaar later blijkt dat de rente niet werd betaald en Martinus Wambacq wil overgaan tot inbeslagname van de eerste hofstede tot de achterstallen zijn betaald. Maar dan ontdekt hij dat er, met de hoeve als onderpand, nog meer leningen zijn aangegaan. Er is een rente van 5 gulden aan advocaat Van der Moesen, van 6 gulden aan Hendrik Van Solten en van 10 gulden aan de weduwe van Jacques Van Dongelberge. Daardoor loopt het totale tekort op tot 136 gulden, een bedrag dat Martinus Wambacq al aan de weduwe de la Mars heeft voorgeschoten. Tot zijn ontzetting constateert hij dat de tweede hoeve ook met renten is belast: een onkwijtbare rente van 3 gulden, 18 gulden aan de erfgenamen van advocaat Langereijt, 7 gulden aan procureur Bisschop en 6 gulden 5 stuivers aan de erfgenamen van advocaat Nivors(?). Die renten werden de laatste jaren niet betaald. Om enige druk op de schuldenaars te leggen, liet hij een hoeveelheid mest en hopstaken van de eerste hoeve weghalen. De schulden van de tweede hoeve zijn volgens Wambacq hoger dan de waarde van de hofstede zelf en daarom wil hij dat de familie De Cort eerst alle schulden vergoed en dan pas de hoeve verkoopt. Als hij het doet dan zal hij schade lijden.

1675 – Eerste schepen Jan Van Langenhove nogmaals in gebreke[47].

Op 27 mei 1675 ging Nicolaas Meert uit Essene een lening aan van 123 gulden 13 stuivers 1 oord die meester Michiel Wambacq te zijne laste nam voor de weduwe Parijs. De akte werd verleden door notaris Hendrik De Raedt. Jan Van Langenhove, eerste schepen van Affligem, stelde zich borg voor zijn schoonzoon Nicolaas, de man van zijn dochter Clara. Hij beloofde om het bedrag met de intrest binnen het jaar terug te betalen. Jan De Witte en Jan Mertens waren de getuigen.

Dat Jan Van Langenhove zich borg stelde is merkwaardig daar hij zelf de rente van een lening van 64 ponden groten Vlaams[48] niet kon betalen. Maar ook Nicolaas Meert zat zonder geld en had een groot gezin. Hij was in 1658 getrouwd en in 1675 had hij 8 kinderen waarvan het jongste 2 jaar was[49]. Daar Michiel Wambacq inzag dat  hij van beiden niet en siet te becomen, daagde hij op 12 december 1678 Jan Van Langenhove voor de schepenbank van Asse.

1676 – Een erfenis aanvaarden kan kwalijke gevolgen hebben[50].

Dat ondervond Jan Kieckens de weduwnaar van Anna Vranckx die zelf weduwe was van meester Martinus Wambacq, gewezen griffier van de abdij. Wat was er gebeurd?

Meester Gillis De Ridder en zijn vrouw Elisabeth Camerman wilden bij de moeder van Jan Van Bellingen een lening aangaan. Maar om zeker te zijn dat de ontleners de rente konden betalen, wilde Jans moeder hun financiële positie kennen. Meester Martinus Wambacq[51] kreeg de opdracht om voor haar een staat van hun goederen op te stellen. De griffier voerde zijn opdracht niet correct uit want hij verzweeg dat De Ridder en Camerman zeven maanden eerder al een lening hadden afgesloten met een jaarlijkse rente van 11 gulden 11 stuivers 1 oort bij zijn eigen moeder Catharina De Troch. Het gevolg was dat Jans moeder aan het echtpaar De Ridder een bedrag van 1 700 gulden leende. De akte werd verleden voor de schepenbank van Affligem op 4 augustus 1665.

Toen de rente van die laatste lening niet werd betaald, wilden de erfgenamen van sieur Jan Van Bellingen, die erfgenaam van zijn moeder was geweest, de goederen van De Ridder aanslaan en zo ontdekten ze dat de vroeger aangegane lening nog moest worden afgelost waardoor ze een groot verlies leden. De schuld lag bij Martinus Wambacq die de lening in zijn staat van de goederen niet had vermeld. Een klacht indienen tegen Martinus konden ze niet want die was al overleden zoals ook zijn vrouw Anna Vranckx en zo kwam de klacht bij Jan Kieckens terecht, haar tweede man. Voor de schepenbank van Affligem eisten de erfgenamen van Jan Van Bellingen volledige schadeloosstelling van Jan Kieckens.

Ook Jan Van den Driessche zal wel geschrokken zijn toen hij ontdekte dat zijn erfenis van Franchois Van Hemelrijck belast was met een schuld van 118 rijnsgulden 8 stuivers aan dom Rupertus Beijdaels, de hofmeester van de abdij. Franchois Van Hemelrijck had die lening aangegaan in 1668. Acht jaar later, op 13 december 1676, diende de hofmeester via zijn advocaat Schoonjans een klacht in bij de schepenbank van Asse om Joos Van den Driessche te verplichten het achterstallig bedrag te betalen[52].

1676 – Heeft Adriaan De Ridder oorlogsschade geleden[53]?

Trokken in 1676 en 1677 Hollandse, Duitse, Spaanse en Franse troepen door Hekelgem en vernielde ze daarbij de veldvruchten? Dat beweerde Adriaan De Ridder[54]. Zijn hop, granen en hofkruiden werden gestolen of vernield en als pachter van de abdij rekende hij op vrijstelling van pacht voor vier jaar. Zijn huurcontract met de abdij voorzag immers die vrijstelling in geval van overmacht of hagelschade. Maar Franchois De Middeleer, de rentmeester van de abdij, ging daar niet mee akkoord en weigerde de vrijstelling van pacht. Volgens hem was er in die jaren geen oorlogsschade en moeste Adriaan zijn achterstallige pacht van 33 gulden 13 ½ stuivers wel degelijk betalen. Nadat De Ridder niet was ingegaan op meerdere vermaningen, besloot De Middeleer in 1682 tegen de Ridder een klacht in te dienen bij de schepenbank van Asse.

Als antwoord op de klacht van de rentmeester overhandigde Adriaan aan de schepenen het getuigenis van Dierik De Donder, Peter De Mesmaecker, Joos Van den Bossche en Philips De Donder. Zij verklaarden dat Adriaan sinds 1665 tegenover de kloosterpoort woonde op een erf van de abdij. In 1667 stelden ze vast dat Adriaan al zijn vruchten en zijn hopstaken verloor door het geweld van melitere die kampeerden op de Brabantse kant van Aalst. In 1674 hadden Duitse, Spaanse en Hollandse troepen die van Oudenaarde kwamen ook al zijn vruchten gestolen of vernield. En in 1677 was dat nog eens gebeurd. De hele discussie ging over de vraag of er in 1674, 1676 en 1677 vreemde troepen in de buurt van de abdij waren. Wat leert ons de geschiedenis? In “Geschiedenis der Benedictijner Abdij van Affligem” schreef dom Bernard[55]:

In 1673 had Affligem opnieuw veel van den oorlog te verduren… De monniken ontvingen de armen in hun gasthuis, kleedden er een oneindig getal, bijzonder uit de naburige plaatsen, de huizen door het vuur des oorlogs verteerd, herstelden zij geheel of ten deele, zij bezorgden aan de landbouwers tot zelfs het graan om hunne akkers te bezaaien, verschaften hun peerden en wagens, scholden hunne schulden kwijt … Het klooster was waarlijk met de ondergang bedreigd. Men ziet in de rekeningen wat zij van 1674 tot 1684 aan de landbouwers hadden kwijtgescholden: op het kantoor van Brussel 133 926 gulden, op dat van Aalst 87 593 gulden, op dat van Nijvel 117 692 gulden en op dat van Waver 25 878 gulden… Het kwam zo ver dat Affligem in 1679 een half miljoen schuld had. Daarom verkochten ze veel van hunne goederen, onder andere te Schilde en te Ranst. Dom Bernard vermeldt geen bezetting van de abdij of kampementen in de buurt, maar uit de tekst kunnen we afleiden dat er veel armoede was als gevolg van de rondtrekkende legers met plunderingen en vernielingen tot gevolg.

Als de abdij zoveel mensen hielp waarom dan Adriaan De Ridder niet? In zijn klacht tegen Adriaan stipte De Middeleer aan dat die geen “pertinente specificaties” van zijn schade had meegedeeld. Dat was voor hem het bewijs dat er geen schade was en hij heeft ook geen weet van kampementen van legers in de buurt van Aalst. Voor het verlies van hopstaken kon hij geen tegemoetkoming geven vermits die geen eigendom van de abdij waren. Trouwens, als er gevaar dreigde, kon De Ridder met zijn meubelen en zijn vruchten naar de abdij vluchten zoals zoveel boeren deden. Maar Adriaan was ook nalatig geweest. Hij woonde tegenover de abdij en hij kon dus gemakkelijk iemand van de administratie van de abdij vragen om zijn schade te komen taxeren, wat andere pachters wel hadden gedaan. De pachtovereenkomst voorzag immers in een vrijstelling van pacht als er schade was door overmacht of hagel. Zijn laatste argument om de vrijstelling te weigeren was dat Peter De Mesmaecker, die de helft van de hofstede bewoonde, geen schadevergoeding had aangevraagd.

In zijn duplycke trachtte Adriaan De Ridder de beschuldigingen te weerleggen:

1- Hij heeft voldoende zijn overgroote schaeden aangetoond.

2- Zijn getuigen zullen ook onder eed bij hun verklaringen blijven.

3- In 1667 ging zijn hele hopoogst verloren want als de hop niet aan staken kan groeien, is er geen hop.

4- De Middeleer beweerde dat hij zich tot de abdij moest wenden want in 1667 was hij nog geen rentmeester. Dat argument houdt geen steek. Als dat waar is dan heeft De Middeleer hier geen mond van spreken.

5- Het is wel waar dat in 1676 en 1677 zowel Hollandse, Duitse, Spaanse en Franse troepen aan de abdij zijn gepasseerd en later ook terugkeerden. Of zij nu kampeerden of alleen passeerden, ze hebben zijn oogst vernield en gestolen.

6- Dat hij met zijn meubelen en zijn vruchten naar de abdij had moeten vluchten, kon niet. Ze stonden nog op het veld te rijpen. En om de granen binnen te halen en te dorsen was er geen tijd.

7- Dat de rentmeester beweert dat hij voor vrijstelling van de vier jaar pacht, de juiste bedragen niet kan vinden is onzin. Hij moet maar in de boeken kijken.

8- Op het verwijt dat hij niemand van de kloosterlingen vroeg om de schade te komen vaststellen, antwoordt De Ridder dat de monniken hem en zijn buren kwamen troosten en zij beloofden dat er kwijtschelding van pacht zou volgen. Joos Van den Bossche en andere buren hebben al een vrijstelling van drie jaar gekregen.

9- Dat Peter De Mesmaecker geen aanvraag tot vrijstelling van pacht indiende, komt omdat de rentmeester hem bedreigde en nu hem is stil houdende ende vuijt siet wat hier van dese saecke sal comen, welcken vuijtval hij is verwachtende als wanneer hij sal versoeken gelijck den gedaegde ten desen sal genieten.

10- Hij is tevreden dat hem al een jaar vrijstelling is toegezegd, maar hij rekent erop dat de schepenen hem drie jaar zullen toekennen.

1677 – Vechtpartij in de abdij[56].

Tijdens de invallen van de legers van Lodewijk XIV in de laatste decennia van de 17de eeuw hebben de abdij en de omgeving veel te lijden gehad van plunderingen en opeisingen. In 1677 maakten Franse soldaten die te Ninove kampeerden de streek onveilig. Veel inwoners van de omliggende parochies waren met hun bezittingen naar de abdij gevlucht. Door de dreiging van de militairen en de opeengepakte massa binnen de abdijmuren ontstonden er weldra spanningen en zelfs een vechtpartij.

Een discussie tussen Joos De Craecker en Jan Goeman over het paard van Goeman ontaardde in een waar gevecht. Peter Geerstman kwam Goeman ter hulp en wierp De Craecker onder sijn solen en sloeg hem dapperlijck met vuijsten tot De Craecker eenen grooten clippel kon grijpen en daarmee zo hard op het hoofd van Jan Goeman sloeg dat die 14 dagen in de abdij in bed moest blijven.

Op 19 augustus 1677 legden Jan Van Brempt, 31 jaar, en Peter Van Nieuwenhove, 25 jaar, beiden wagenknechten van de abdij, op verzoek van Jan Goeman bovenstaande verklaring af bij notaris Joannes Schoonjans.

1679 – Een proces over schoolgeld[57].

Verkoopsovereenkomsten en contracten voor de levering van goederen en diensten werden vroeger vaak afgesloten zonder schriftelijk bewijs. Men vertrouwde op het woord van eer, op de naam en de faam van beide partijen. Wanneer de situatie veranderde door tegenslag of sterfgevallen leidde dat dikwijls tot processen omdat de schuldenaars, meestal de weduwe en/of de kinderen, niet in staat waren de aangegane schuld af te betalen of niet op de hoogte waren van de transactie. Wie dan over een schriftelijk bewijs beschikte, stond sterk in zijn schoenen zoals artikel 159 uit de constume ende rechten der stadt Brussel aantoont:

Kooplieden wesende lieden met eere en staende tot goede naem ende faem als sijdelaken coopers, laken vercoopers ende andere van gelijcke qualiteijt, oock wijntaverniers, brouwers ende herbergiers wordt volcommen gelijck gegeven op hunlieder boecken aengaende de actieve schulden ende passieve schulden ende daerop recht gedaen mits de selve boecken bij hunlieden eed confirmerende ende daertoe affirmerende dat de partijen daerin geschreven sijndeugdelijck, rechtveerdich ende onbetaelt.

Onderstaande bijdrage is daar een typisch voorbeeld van. De kinderen van Lucas Wambacq[58] liepen school en woonden een bepaalde tijd in bij koster en schoolmeester Andries De Wever[59] te Hekelgem. Hij kocht ook bomen, varkens, graan en andere goederen bij Lucas met dien verstande dat Andries die kosten zou aftrekken van het schoolgeld. Of Andries die kosten in zijn manuaal noteerde, is niet duidelijk omdat er bladen ontbraken. Na de dood van Lucas (1670) en van Andries (1673) waren de rekeningen nog niet vereffend en de tweede man van zijn weduwe Josine De Meye, Anthoon Antheunis, spande een proces in tegen Andries Van der Straeten, man van Cathelijne Wambacq[60], een dochter van Lucas. Het proces sleepte aan en op 8 maart 1678 beslisten de schepenen dat ze nog niet in staat waren om een vonnis uit te spreken en dat verder onderzoek nodig was.

Op 15 maart 1679 ondervroegen schepen Charles Van Langenhove en griffier Van Mulders ten huize van Michiel Wambacq, broer van Lucas en voogd van zijn kinderen, enkele getuigen. Andries Van der Straeten werd bijgestaan door advocaat De Raedt en Jos De Meije had Schoonjans als advocaat. Haar tweede man, Anthoon Antheunis was dan ook al overleden. Er ontstond al dadelijk een twist omdat Schoonjans zich verzette tegen Michiel Wambacq en Michiel Cornelis als getuigen omwille van hun verwantschap met de kinderen van Lucas. Michiel Wambacq was de oom en Michiel Cornelis de neef van de kinderen. De schepen beslisten dat ze mochten getuigen.

Peter Symons kwam als eerste getuige aan bod. Hij was een 63-jarige arbeider uit Essene. Hij vertelde dat hij zo’n 8 jaar geleden samen met Pauwel Rogge en Joos Steppe schaarhout kapte in een bos in het Grietenbroek dat Lucas pachtte van de abdij. Terwijl ze aan het werk waren, zag hij dat Andries De Wever van Michiel Wambacq eenige latteboomen, zo groot als hopstaken, kocht voor 9 gulden per 100. Hoeveel latteboomen De Wever kocht, weet hij niet en ook niet of hij die achteraf heeft weggehaald.

Pauwel Rogge, 55 jaar en ook afkomstig van Essene, was eveneens bij de verkoop van de latteboomen aanwezig omdat hij de mutsaards samenbond. Volgens hem kocht Andries De Wever er 100 voor 10 gulden. Wat er daarna met dat hout gebeurde, weet hij niet.

Essenaar Michiel Wambacq, meier van de abdij en brouwer, 61 jaar, bevestigde dat hij 200 latteboomen aan de schoolmeester verkocht voor 20 gulden. Die waren eigendom van de kinderen van zijn overleden broer Lucas. Die verkoop hield in dat De Wever de prijs voor de bomen, zou aftrekken van het schoolgeld. De latteboomen werden nadien weggehaald.

Michiel Cornelis, pachter en schepen van de Vrijheid en het Land van Asse, 44 jaar, heeft gehoord dat wijlen Lucas Wambacq aan De Wever varkens en graan had verkocht. Hij was ook op de koopdag in het sterfhuis van Lucas en zag daar dat De Wever een bierboom kocht. Voorts weet hij nog dat Lucas met zijn paarden en wagen twee vrachten bomen naar De Wever heeft gevoerd. Of die daarvoor betaalde, kwam hij niet te weten.

Als reactie op de getuigenissen legde Josine een uittreksel uit het manuaal van haar overleden man voor aan de schepenbank. Daaruit bleek dat de kinderen van Lucas, Francis en Michiel, in haar huis hebben gewoond en er de lessen volgden 24 oktober 1663 tot 25 juni 1664 en van 6 december 1666 tot 8 mei 1667. Cathelijne liep er school van 10 januari tot 12 maart 1666, Michiel en Aert van 14 november 1669 tot 26 juni 1670 en Francis nog eens van 24 november 1669 tot 26 juni 1670. In het manuaal staat ook een eigenhandig geschreven nota van Michiel Wambacq dat het totale schoolgeld 93 gulden bedraagt. Over de leveringen van varkens, mout, graan en andere goederen vond zij niets terug in het manuaal zodat Michiel Wambacq die leveringen niet kon bewijzen. Een tegenzet van Andries Van der Straeten liet niet lang op zich wachten. Het manuaal van Andries is onsienelijck in stucken gescheurt ende daer vuijtgenomen verscheijden blaederen. Hij wou dat Josine het volledige manuaal toonde en dan zou de jury, soo claer als de son, zien dat er bedrog in het spel was. Wat de leveringen van goederen betrof, Lucas verkocht 2 varkens, Francis en Michiel getuigden onder eed op 10 juli 1679 dat er nadien nog 3 varkens zijn geleverd, 2 zakken graan, een brouwsel mout en de 2 vrachten bomen.

Item de kinderen van Lucas Wambacq hebben tot onsen huijse gewoont vier jaeren ende seven maenden tot twintich guldens t’jaers ende ende een jaer over en dweer schoelen gekommen bedraeght al t’samen drijentnegentich guldens mits het tghene dat sij gegheven hebben off wel dat sijn konnen tonnen dat sal hun goede betalin(g) doen.

Anthoon Anthonis kwam op 23 maart 1679 met een voorstel. Hij wou de prijs van enkele geleverde goederen aftrekken van het schoolgeld, maar Andries Van der Straeten vond de lijst van de goederen onvolledig. En zo bleef de zaak op de rol staan en bleven de proceskosten stijgen.

Franchois ende Michiel van den 24ste 8ber 1663 tot den 25ste juli 1664.

Cattelijn Wambacq den xde januari 1666 tot den 12de meert 1666.

Franchois ende Michiel Wambacq den 6de Xber 1666 tot den 8ste meert 1667.

Aert Wambacq den 4de Xber 1668 tot den 16de meye 1669.

Michiel ende Aert Wambacq den 14de 8ber 1669 tot den 21ste juni 1670.

Franchois Wambacq den 24ste 9ber 1669 tot den 26ste juni 1670.

Hierop ontfaen den 13de april 1665 – 12 guldens.

Item van het schoolegaen van de boven geschreven soude bedraeghen de somme van 93 guldens.

1679 – Collecteur Jan Mattens in de problemen[61].

In 1671 ging Peter Linthout een huurcontract aan met de abdij voor twee percelen voor een termijn van 9 jaar. Een van de condities van het contract was dat de beden en andere lasten hem ten laste vielen. De goederen lagen op de Bellekouter te Hekelgem. Na zijn dood in 1677 vroeg zijn weduwe aan dom Ambrosius Van Lierde[62], de syndicus om het pachtcontract te verbreken. Dat gebeurde in 1678 en dom Ambrosius verhuurde dezelfde goederen aan Jacques Van Droogenbroeck vanaf 1679 en met dezelfde voorwaarde. Na het overlijden van Peter Linthout was Jan Van Vaerenbergh als curator van het sterfhuis aangesteld. Toen collecteur Jan Mattens de beden, settingen en andere lasten voor 1677 en 1678 ten bedrage van 35 gulden 12 ½ stuivers kwam opeisen, weigerde Jan Van Vaerenbergh te betalen met als reden dat de huur verlopen was en dat hij zich bijgevolg tot de abdij moest wenden. Dom Ambrosius Van Lierde antwoordde dat de abdijgoederen geamortiseerd[63] waren. Jan Mattens wendde zich dan tot de schepenbank van Asse met een klacht tegen de abdij.

Franciscus De Middeleer, de rentmeester van Affligem, diende dan op 15 augustus 1679 via de advocaat Van Mulders een verweerschrift in. Hij bevestigde dat Peter Linthout de goederen van de abdij op de Bellekouter pachtte vanaf 1671 en voor een termijn van 9 jaar met als voorwaarde dat alle beden, settingen en andere lasten voor zijn rekening waren. Na Peters dood verhuurde de abdij dezelfde goederen aan Jacques Van Droogenbroeck. Bijgevolg vielen de belastingen voor 1677 en 1678 ten laste van de weduwe die, volgens de rentmeester, voldoende middelen bezat om de schulden te betalen. Met de goederen die men in het sterfhuis had verkocht, kon men gemakkelijk alle schulden vereffenen. Indien de collecteur beter zijn debvoiren had gedaan, dan had hij zeker zijn geld gekregen. Bovendien was het hoochhuys te Belle verkocht aan meier Wambacq en de weduwe Linthout had recht op het1/4 deel van de verkoopsom. Van dat bedrag kon hij zijn deel opeisen. De klacht tegen de abdij noemde de rentmeester een frivoliteijt.

1679 – Officier De Hageleer in de duim gebeten[64].

Omtrent Kerstmis 1679 betrapten Ingel Carnoy en Michiel Vermoesen, beiden bospreters van de abdij, Joos Verdoodt en zijn vrouw tijdens het kappen van hout in het Affligembos. Volgens een plakkaat van 1623 was illegaal hout kappen een zware overtreding waarop strenge straffen stonden, tot viermaal de waarde van het gestolen hout. De boswachters wilden een bewijs van de diefstal en namen daarom het schort van de vrouw af. Die wilde dat absoluut vermijden en riep haar man toe om op de twee mannen te schieten. Uiteindelijk liep het voorval nog goed af en gaf het paar de “boschdieverije” toe ten huize van Joos Robijns. Maar kwaad bloed kruit waar het niet gaan kan en op 21 juli 1679 betrapte de dorpsofficier Peter De Hageleer[65] hen tijdens het maaien van gras op de weide van Jan Robijns in De Faluintjes. Om een straf te ontlopen beschuldigde de vrouw Peter ervan hij haar “oneerlijck soude hebben betast ende met haer dienvolgende vleesschelijck te hebben geconverseert”. Die beschuldiging herhaalde Joos ook op 10 augustus op het kerkhof in het bijzijn van meerdere kerkgangers. Dat verwijt leidde tot een vechtpartij waarbij Joos de officier in zijn duim beet. Alsof dat nog niet genoeg was, dook Joos op 13 augustus ’s nachts tussen elf en twaalf uur op voor het huis van De Hageleer al roepend “compter vuijt ghij donder, ghij blixem ende straetschendere, ick sal u den kop klieven” en nog meer “affdragende woorden”. Dat was volgens Peter een daad van pure straatschenderij die verdiende “vuijttersten gestraft te worden andere ten exempele” en daarvoor richtte hij zich tot de schepenbank van Asse.

1682 – Welke tiendenpachter moest betalen[66]?

Volgens een verordening van Karel de Grote moeste iedere persoon elk jaar 10 % van zijn opbrengsten afstaan aan de Kerk. Het ging om opbrengsten van de grond en van de veeteelt. De bedoeling was om de plaatselijke geestelijkheid en de armen van de parochie bestaansmiddelen te geven. De opbrengst ging aanvankelijk voor 1/3 naar de armen, voor 1/3 naar het onderhoud van de kerk en de erediensten en voor 1/3 naar de pastoor. In de loop van de eeuwen kende die verplichting een ingewikkelde evolutie. Zo stond heer Herebert, pastoor van Asse, in 1086 een deel van de tienden van de parochie Asse af aan de pas gestichte abdij Affligem. De inning van de tienden konden verhuurd worden aan een tiendenpachter. In Essene ontstond er een conflict tussen Andries Van der Staeten[67] en Jasper Camermans[68] die de inning van de tienden van Andries had overgenomen.

In 1682 diende Andries Van der Straeten bij de schepenbank van Asse een klacht in tegen Jasper Camermans. In 1670 had Andries het derde deel van de tienden van de abdij in Essene gepacht voor een jaarlijks bedrag van 121 gulden. In 1674 liet hij vuijt pure vriendschap die pacht over aan Jasper Camermans op conditie dat hij de tienden stipt zou betalen zodat Andries geen problemen zou krijgen met de Affligemse rentmeester Cocquille. Maar, zo vermeldde Andries in zijn klacht, Jasper was een slechte betaler. Van 1674 tot 1679 droeg hij de geïnde tienden niet over aan de rentmeester met het gevolg dat die van Andries Van der Straeten de betaling eiste. Hij vroeg de schepenen Jasper te veroordelen tot betaling van de achterstallige tienden zodat hij niet meer sou worden gemolesteerd door Cocquille. Volgens een kwitantie van 29 januari 1682 beschouwde de rentmeester Andries nog altijd als huurder van de tienden voor de periode 1670 tot 1679. Pas op 14 april van dat jaar gaf de advocaat van Jasper, Bisschop, toe dat zijn cliënt inderdaad de pacht had overgenomen.

Voor Andries Van der Straeten betekende deze bevestiging dat hij aan de rentmeester geen verantwoording meer moest afleggen en ook dat de kosten van het proces volledig ten laste van Jasper Camermans vielen vermits hij in gebreke was gebleven. Hij had de acte van decharge vroeger moeten indienen. Voor dit laatste argument steunde hij zich op het Eeuwig Edict van 1611 dat de rechters verplichtte de proceskosten te laten betalen door degene die veroordeeld werd.

Jan Camermans reageerde op de beschuldiging van Van der Straeten. Andries zou vuijt eenen puren haet off revengie een proces tegen hem aangespannen hebben omdat zijn varken van Andries klaveren had gegeten. Andries had hem inderdaad voorgesteld om de tiendenpacht van hem over te nemen, wat hij aanvaardde zonder dat hij daer toe groote liefde was hebbende. Het is evenwel onwaar dat de rentmeester of de monniken van de abdij Andries molesteerden want hij had de selve thiende die binnen sijnen tijt is verschenen seer loffelijck gedraegen ende betaelt. Een brief van de rentmeester toonde dat aan en als illustratie de brief van dom Ambrosius Van Lierde, de syndicus van de abdij, waarin hij meedeelde dat hij op de hoogte was van de pachterswissel voor de tienden en waarin hij ook zijn tevredenheid uitte over Jasper Camermans Die brief pleitte Jasper meteen vrij van Andries’ beschuldiging van wanbetaling.

Er was dus geen enkele reden voor Andries om hem na twee jaar met een proces op kosten te jagen. Op 23 september 1682 besliste de Souvereine Raad van Brabant, om de schepenbank van Asse uit hun onbeslistheid te helpen, dat elke partij de helft van de proceskosten moest betalen.

Den ondergeschreven als administrateur van de temporele goederen des Goidtshuijs van Affligem ………. bij desen dat hij als pachter van het derde paert van de thiende des voorschreven Goidtshuijs van Affligem haer bestreckende onder de prochie van Esschen heeft aenveert jasper Camerman bij overlatinge van Andries Van Der Straten ende dat hij met den rentmeester Concquille metten selven Camerman van het selve overlaten altijt tevreden sijn geweest ende den selven Andries daervan hebben ontslagen volgens ons voorgaende daeraff aen den voornoemde Camerman gegeven.

Actum desen 25ste october 1682 des torconden etha. Fr. Ambrosius Van Lierde relig. v. Affligem.

1687 – De kerkmeesters van Asse in conflict met de abdij[69].

In de jaren tachtig van de 17de eeuw wilden de kerkmeesters van Asse herstellingswerken aan het hoogkoor en de toren van de kerk laten uitvoeren en een tiendklok laten gieten. Een tiendklok of banale klok was een aparte klok ten behoeve van de pachters van de tienden[70]. Zij hadden het recht om een tiende gedeelte te heffen van de oogst en het jonggeboren vee, maar waren anderzijds wel verplicht om aan de plaatselijke gemeenschap een klok ter beschikking te stellen. Deze moest geplaatst worden in de toren en zodanig groot en zwaar zijn, dat de klok over het hele gebied waarover de belasting werd geheven, gehoord kon worden. Daar de abdij sinds 1086 de tienden in de parochie Asse mocht innen, rekenden de kerkmeesters op het klooster om de kosten van de herstellingen en van de klok te betalen. Het kwam tussen de beide partijen niet tot een overeenkomst en de kerkmeesters dienden bij de Raad van Brabant een klacht in tegen de abdij. De schepenbank van Asse bezit de notulen van een zitting van de Raad waar de abdij was vertegenwoordigd door dom Andreas Le Roy[71] en de Kerk van Asse door Jan Crabeels, de zoon van hoofddrossaard Charles Ignatius Crabeels, de schepenen Steven Van Mulders en Charles Van Langenhove en de kerkmeesters Hendrik Van den Bossche en Michiel Bruijlant. Het resultaat van die zitting was dat de abdij 100 patacons[72] zou betalen voor een klok van minimum 3 000 pond die de kerkmeesters konden laten gieten.

1691 – De “kele” van de Damvijver[73].

Met mondelinge toestemming van de hofmeester van de abdij hadden Guillam Cornelis en Lucas Crick eene kele oft wateringhe gemaakt op de hoek van de Affligemse Damvijver[74] aan de hofstede van Hendrik Michiels. Zij hadden met houten planken een toegang tot de vijver gemaakt om zo hun paarden, koeien en andere dieren te laten drinken. Na het overlijden van Guillam en Lucas realiseerde de hofmeester zich dat hun erfgenamen dezelfde kele gebruikten en dat het gevaar bestond dat zij en andere buren die toegang als een oude servitut, een verworven recht, zouden beschouwen zodat de kele er voor altijd moest blijven. Om dat te verhinderen ontboden de meier Gillis Robijns en de schepenen Michiel Cornelis, Andries Seghers en Nicolaas Meert op 17 december 1691 Peter Clauwaert, als erfgenaam van Guillam Cornelis, en Jasper Robijns, als man van de weduwe Lucas Crick, op de Affligemse schepenbank. Zij wilden dat Peter en Jasper een verklaring ondertekenden waarin zij erkenden dat de kele geen oude servitut was. En ook dat ze bereid waren om op verzoek van de hofmeester de toegang tot de Damvijver te verwijderen en de wal in zijn oorspronkelijke staat te herstellen. Beiden ondertekenden gewillichlijck het document.

1695 – De weduwe van rentmeester De Middeleer eist betaling van tantièmes[75].

In de jaren 90 van de 17de eeuw bleven onze streken geteisterd door de voortdurende oorlogen van Lodewijk XIV. Op 11 juli 1690 plunderden Franse soldaten zo’n 50 huizen in Meldert. In september van dat jaar kampeerden 3 vendels aan de poorten van de abdij. Op 13 november arriveerden 400 Franse soldaten aan de abdij. De bevolking sloeg op de vlucht. Eind november kwam een half legioen Fransen in de abdij overwinteren. In 1691 werd er aan de abdij gevochten tussen Fransen en Spanjaarden. Op 7 juli leed Meldert onder een nieuwe golf van brandstichting en plundering. In Hekelgem en 7 andere dorpen staken de Fransen de huizen in brand. Door tussenkomst van de monniken bleven de huizen rond de abdij gespaard. Door de continuele miseriën van zware oorlogsbelastingen, leveringen van paarden en voedsel, door de vele wagendiensten konden de boeren hun pacht niet betalen. Zo leed Baardegem van 1689 tot 1695 voor 231 gulden 16 stuivers oorlogsschade en de Kerk schold in 1690, 1691 en 1693 de pachten deels kwijt[76]. Ook de pachters van de abdij verzochten de proost om kwijtschelding wat hen seer liberaelijck werd toegestaan. Blijkbaar ging de rentmeester Franchois De Middeleer daarmee akkoord. Maar na zijn dood eiste zijn weduwe Anna Van Neucker de tantièmes op waarop haar man recht had als vergoeding voor het innen van de pachten en het schrijven van de kwitanties. In twee gevallen liep de weigering van de boeren om die tantièmes te betalen uit op een proces voor de schepenbank van Asse.

Pauwel Beeckman van Baardegem was door sijn geleden schaeden ende ravagiën niet in staat zijn pachten te betalen. Anna Van Neucker eiste van hem tot het jaar 1693 87 gulden 13 ½ stuivers. Daar er geen andere processtukken zijn, is het best mogelijk dat Pauwel de tantièmes toch betaalde.

Weerstand bood Joos Van den Wijngaert[77], man van Catharina Wambacq, uit Hekelgem. Van hem eiste de weduwe voor de jaren 1684 en van 1689 tot 1693 in het totaal 130 gulden 13 ½ stuivers. Joos, voor de schepenbank gedaagd, argumenteerde dat er bij het reguleren van de kwijtschelding nooit sprake was van betaling van tantièmes aan de rentmeester. Wijlen Ambrosius Van Lierde en Willebrordus Resquens[78] hebben dat niet vermeld. Joos kon zich ook niet voorstellen dat de monniken meer bezorgd zouden zijn voor hun rentmeester dan voor hun eigen. Bovendien had de rentmeester geen werk want hij moest geen pachten innen en geen kwitanties schrijven. De weduwe zou zich beter informeren over de rechten en plichten van haar man. Hij besloot met de opmerking dat de pachters alleen verplichtingen hebben tegenover de abdij.

Zoals te verwachten was reageerde Anna Van Neucker met een uitgebreide weerlegging van de argumenten van haar tegenpartij. Zij wilde met haar replyck Joos Van den Wijngaert vuijt sijnen dolenden droom helpen. Zij beschikte over een akte van kwijtschelding van 31 januari 1695 opgesteld door Robertus Van de Velde[79], de syndicus van de abdij met deze duidelijke vermelding: ter oorsaecke van den lanckdurige oorlog, logementen, fourageringen ende ander verlies is aen de naervolgende pachters quijtgescholden als volght: met daervan betalende den tantième aen joufvrouwe de weduwe van wijlen den heer rentmeester De Middeleer. Heeft zij voor Robertus Van de Velde, die pas in september 1694 uit Neerwaver terugkeerde naar Affligem, verzwegen dat er al een akte van kwijtschelding bestond? De verklaring van Willebrordus Resquens had volgens haar geen enkele waarde want hij was de spijkermeester en hij had zich niet te bemoeien met het werk van de syndicus. Om de zaak nog ingewikkelder te maken ondertekende Catharina Wambacq, de vrouw van Joos, de akte op 10 februari 1695 waarmee ze zich akkoord verklaarde om de tantièmes te betalen.

In zijn duplycke herhaalde Joos dat zowel Ambrosius Van Lierde als Willebrordus Requens de kwijtschelding van de pachten verleenden voor zijn verlies en de weduwe had zich niet te moeien met den redelijcken ende descreten handel tusschen de abdije ende hem. Hij betwistte ook de geldigheid van de akte van Robertus Van de Velde. Hij heeft die akte niet ondertekend. Hij kan lezen en schrijven en het kwam hem toe de overeenkomst te ondertekenen want in de gedrukte costumen van Brussel staat: geene gertauwde vrouwen (geen koopvrouwen wesende) en mogen staende het houwelijck geene beloften doen, hen selve off hare mans te verbinden off eenige schulden te maecken sonder consent ende authorisatie van de selve hare man. Bijgevolg telt alleen de akte van kwijtschelding van Ambrosius Van Lierde en Willebrordus Resquens en daarin is geen sprake van tantièmes. Op het verwijt dat Resquens zich niet te bemoeien had met de kwijtschelding, antwoordde Joos dat het precies zijn taak was om de graanpachters te ontvangen en te helpen.

Het proces bleef aanslepen. Uiteindelijk deden de schepenen van Asse een beroep op de Souvereine Raad van Brabant. In april 1697 was er nog geen uitspraak.

Ick onder geschreven verclare dat aen Joos Van Den Wijngaert pachter der abdije van Afflighem quijtgeschollen sijn, te weten de jaren 1689 voor de helft, 1690, 1691 ende 1692 geheel, 1693 een derde paert ende 1694 twee derde paerten. Aldus gedaen in de abdije van Affligem 29 9ber 1695 ende was onderteeckent fr. Willibrordus risquens spijckermeester van Afflighem.

Collata concordat cum suo originali quod attestor J. Schoonians notaris.

1695 – Jan Van den Brande gecalengierd[80].

Pech voor Jan Van den Brande en Joos Van den Biesen uit Baardegem. Toen ze op 29 december 1695 om 5 u. in het Mustereelbos grondhout kapten ten behoeve van Jan werden ze door Michiel Verherwegen, de bosofficier van de abdij, betrapt. Hij liet de volgende dag de schade taxeren door Peter Gerstman en Jan Van Zeebroeck. Zij bepaalden de schade op 2 gulden 12 stuivers. Verherweghen stelde een pv op, ten exemple van anderen, die hij overmaakte aan de drossaard van het Land van Asse. Die legde hen een boete op voor illegale houtkap van 12 gulden. Jan Van den Brande werd voor de schepenbank gedaagd om beide boetes te betalen.

1696 – Advocaat Judocus De Haen gaat in de fout[81].

Op 17 januari 1696 diende advocaat Judocus De Haen bij de schepenbank van Asse een klacht in tegen Gillis Robijns, de meier van Affligem. Die zou meerdere jaren een rente van 18 gulden, bepand op bepaalde goederen, niet hebben betaald. Het ging om de jaren 1689, 1693, 1694 en 1695. Het moet voor de advocaat bijzonder affrontelijk zijn geweest dat de meier aan de schepenen 5 kwitanties kon voorleggen die aan Jasper Robijns waren verleden. De eerste kwitantie, van 28 november 1689 betrof het jaar 1689, de tweede de jaren 1689 en 1690. Voor 1693 was er een kwijtschelding omwille van de geleden oorlogsschade. 1694 werd voldaan op 24 april 1696 en in 1695 was de rente niet meer in het bezit van Gillis Robijns.

1700 – Was Willebrordus Resquens te voortvarend[82]?

In het voorjaar van 1700 daagde spijkermeester Willebrordus Resquens Cornelis Willems voor de schepenbank van Asse voor een pachtachterstand van 1 806 gulden. Cornelis was de voogd van de kinderen van wijlen Peter Van den Bossche en het was Peter die van de abdij meerdere percelen in huur had. In zijn antwoord van 15 juni 1700 betwistte Cornelis het bedrag van de achterstel omdat er na het overlijden van Peter Van den Bossche geen eindafrekening was gemaakt. Bijgevolg kon de spijkermeester die merckabele somme van penningen niet verantwoorden. Hij vermeldde ook de kwijtschelding niet die de abdij had verleend voor de geleden oorlogsschade en hij verzweeg in zijn klacht ook dat hij de meubelen van de wezen had laten verkopen en wat de opbrengst ervan was. Cornelis verklaarde dat hij steeds bereid was om voor de schepenbank te verschijnen als de spijkermeester een correcte rekening kon voorleggen.

1705 – Jan Schelfout wil zijn geld[83].

In 1705 nam Fanciscus Goossens uit Hekelgem de akkers over die hij van de abdij pachtte. Omdat Schelfout, naar zijn mening, de gronden met vele ende notabele melioratiën ende beternissen had verrijkt, vroeg hij P. Van Nieuwenhove en Jan Verleysen op 28 oktober 1704 de verbeteringen te taxeren. Zij kwamen tot een bedrag van 15 ponden groten Vlaams[84].

Maar Franciscus Goossens was Jan Schelfout nog meer schuldig:

1- Een hoeveelheid hopstaken voor 12 gulden.

2- Om het hout te splijten op 3 dagwand, 3 g.

3- Voor het scheuren van 1 d klaveren, 2 g.

4- Voor de overname van 2 d rapen, 4 g.

In het totaal bedroeg de schuld van Franciscus Goossens 111 gulden. Ondanks meerdere pogingen geraakte Jan Schelfout niet aan zijn geld zodat een klacht bij de schepenbank op 1 oktober 1705 nog de enige mogelijkheid was.

1710 – De erfenis van Jan De Witte en Anna Robijns[85].

Op 15 januari 1710 verscheen Joannes De Witte, onderpastoor van O.- L.-Vrouw Waver samen met zijn zussen en broers voor Philippus Van Innichoven, vorster en stadhouder van drossaard Hubertus Moortgat van het Land van Asse voor de verdeling van de erfenis van hun ouders. Jan was de zoon van Jan, een boer uit Strijtem en Margriet Cools. Hij trouwde te Meldert op 2 december 1675 met Anna Robijns. Hij was griffier van de abdij voor het leenhof en voor de schepenbank. In 1683 werd hij meisenier met zijn broer Adriaan en zijn oom Jan De meij als stravers. Hij overleed ca 1710. Anna Robijns was de dochter van Pauwel en Adrienne Breynaert uit Tollembeek[86].

Zij erfden elk 1031 gulden 15 1 stuivers.

1- Jacqueline was vergezeld van haar man Guillam De Boitselier, meier van Affligem. Zij kreeg Den Bonten Akker met de bomen, groot 265 ½ roeden en palende aan de Molenvijver, en een rente van 200 gulden ten laste van Gillis De Decker uit Hekelgem .

2- Egidius kreeg de weide met de bomen achter de molen, groot 100 r, Den Hoorinck, een onbehuisde hofstede met de bomen, groot 182 ½ r, Het Broek, 30 r en een rente ten laste van Jan De Kegel uit de Klaarhaag van 78 g.

3- Judocus erfde de helft van 408 r op de Molenkouter en palend aan de hofstede van zijn vader en kreeg van Adriana 488 – 13 ¼.

4- Aan Andries kwam de andere helft van de 408 r met de bomen toe en ontving nog 473 – 13 ¼ van Adriana.

5- Jacobus ontving Het Queddelvelt aan de Wallenmeers, groot 271 r en kreeg van Joannes 135 – 17 ½ en van Franciscus 146 – 3.

6- Joannes kreeg Het Swijn met de bomen, gelegen onder Hekelgem en palende aan De Grote Rammelaar en aan De Koeweide, groot 294 r, een hopveld van 109 ½ r met een schuur achter de hofstede Den Rosmarijn. Hij moest aan Jacobus 135 – 17 ½ opleggen.

7- Franciscus erfde Den Rosmarijn, 121 ½ r groot met een steenput, ast, oven en opleggen aan Jacobus 146 – 3.

8- Adriana en haar man Franchois Robijns erfden de ouderlijke hofstede met huis, steenput, ast en oven, de fruitbomen, groot 121 ½ r. Zij betalen Judocus 488 – 13 ¼ en aan Egidius 146 11 ¼.

Alle erfgenamen konden vanaf 1712 over de goederen beschikken.Jan de Witte was zo zorgvuldig geweest om zijn hofstede door timmerman Jan De Vis en metselaar Joos Van den Brande te laten schatten op 30 september 1709.:

-de schuur: 428.

-de vleuge metten aenhanck: 70.

-het bakhuis met de oven: 40.

-de steenput: 180.

-de hopast: 112.

-het huis met de kelders en ander metserije: 1580.

-de steenput aan Den Rosmarijn: 150.

-het huis Den Rosmarijn: 130.

Mijnheer greffier gelieft aen mijnen broeder Franciscus op mijnen cavel te stellen, wesende “Den Rosemarijn” alias “Slappentap” ende mij op den sijnen, het selve accepterende al off ick daer selver present waere, daer vooren verbindende mijnen persoon ende goederen ettha. Actum 22ste januari 1710. E. De Witte.

1771 – De aanstelling van Benedictus Emmanuel De Witte als griffier van de abdij[87].

Op 30 december ondertekende proost Beda Regaus[88] in opdracht van de aartsbisschop Johannes von Franckenberg de aanstelling van Benedictus De Witte als griffier. Wij geven de tekst van de aanstelling in een hertaalde versie.

Wij aartsbisschop aan allen die dit zullen lezen, zaligheid in de Heer.

Wij laten weten dat wij, geïnformeerd over de bekwaamheid en naarstigheid van Benedictus Emmanuel De Witte, hem omwille van zijn goede naam, na het ontslag van zijn vader Joannes Baptista De Witte, hebben aangesteld tot griffier van onze heerlijkheid en (schepen)bank van Affligem voor het Land van Asse, van ons leenhof en onze laatbanken in de kwartieren van Brussel, Merchtem, Buggenhout, Londerzeel en omgeving. Hij zal als griffier alle voorvallen en toebehoren trouw bedienen, namelijk de notulen en de rollen van procedures van de vierschaar en van hoger beroep opstellen, zoals ook de akten van de goederen, onze besluiten of die van onze meiers bekend maken, de vonnissen noteren, opdrachten in verband met de goederen, erfenissen en onterfenissen en wettelijke passeringen[89] registreren. Voor zover wettelijk toegelaten zal hij op verzoek behoorlijke extracten schrijven en alle documenten aangaande onze rechten en plichten bijhouden, onze rechten verdedigen en doen wat hij als een trouwe griffier schuldig is. Hij zal van alle activiteiten binnen zijn griffierschappen voor ons een inventaris maken.

Bekend met de hierboven beschreven plichten en met het gewone salaris zal hij de eed van trouw in onze handen of in die van onze vertegenwoordiger afleggen. Wij bevelen onze officieren, meiers, schepenen, leenmannen en laten aan hem naar reden en recht behulpzaam te zijn. Was ondertekend: Beda Regaus.

1791 – Strijd om de erfenis van Andries Robijns[90].

Andries Robijns bezat een ½ bunder land op Den Boonhof. Na zijn dood werd dit perceel het voorwerp van een strijd onder zijn erfgenamen. Die waren verdeeld in twee kampen: Petronella De Kegel enerzijds en de kinderen uit zijn eerste en tweede huwelijk anderzijds.

Andries Robijns was de zoon van François en Joanna Maria Vinck. Hij was te Meldert gedoopt op donderdag 26 januari 1702. Van 1750 tot 1759 was hij koster en van 1750 tot 1759 Armen- en H. Geestmeester. Hij was de eerste van 6 generaties Robijns die te Meldert koster waren. Andries overleed op vrijdag 29 juli 1791 in de leeftijd van 89 jaar. Hij trouwde een eerste maal, 23 jaar oud, op zondag 23 september 1725 met Joanna Isabella Rosa De Witte, 26 jaar. Egidius Mertens en Jacobus De Witte waren hun getuigen. Joanna was de dochter van Jacobus en Barbara Van Mulders en werd te Meldert gedoopt op donderdag 8 januari 1699. Bij haar doop waren Elisabeth Van Mulders en Joannes De Witte de meter en peter. Joanna overleed op donderdag 26 februari 1733, 34 jaar. Zij kregen twee kinderen:

1 Joanna Maria, gedoopt op donderdag 4 maart 1728. Getuigen waren Joanna Maria De Witte en Petrus Robijns. Zij trouwde op 4 december 1754 met Egidius Franciscus Van Gerwen, 27 jaar, koster te Moorsel. Getuigen waren Andreas Cooreman en Francisca Melis. Egidius was de zoon van Joannes Benedictus Van Gerwen en Maria Brusselmans.

2 Petrus Benedictus, gedoopt op zondag 19 maart 1730. Hij trouwde op 48-jarige leeftijd op donderdag 10 september 1778 met Joanna Maria Van der Schueren, 27 jaar Zij werd te Meldert gedoopt op woensdag 14 oktober 1750 en was de dochter van Alexander en Jacoba De Baetselier. Petrus Benedictus stierf op zondag 23 maart 1788. Zij overleed op dinsdag 18 november 1788, 38 jaar. Hij werd in 1773 aangesteld als koster te Meldert.

Na de dood van Joanna op 26 februari 1733 hertrouwde Andries op woensdag 28 juli 1733 in Mazenzele met Catharina Meert, 27 jaar. Zij was in Mazenzele gedoopt op dinsdag 22 september 1705 en overleed te Meldert op maandag 19 augustus 1753. Zij hadden 6 kinderen:

1 Guillelmus, gedoopt op zondag 18 april 1734.

2 Catharina, gedoopt op maandag 15oktober 1736.

3 Petronella, gedoopt op 13 april 1737.

4 Franciscus, gedoopt op zondag 15 mei 1740.

5 Egidius, gedoopt op zondag 27 mei 1742.

6 Petrus, gedoopt op 8 april 1746.

Met zijn derde vrouw, Petronella De Kegel uit Hekelgem, trouwde Andries in 1756. Zij kregen 5 kinderen:

1 Laurentius, gedoopt op zondag 1 mei 1757, overleden op 12 februari 1762.

2 Anna Plilippina, gedoopt op donderdag 26 oktober 1758, overleden op maandag 6 maart 1769.

3 Alexander, gedoopt op dinsdag 9 september 1760, overleden op dinsdag 30 maart 1762.

4 Isabella, gedoopt op dinsdag 30 januari 1762 en overleden op zaterdag 26 maart 1763.

5 Joanna Catharina, gedoopt op dinsdag 29 juli 1766.

Na de dood van Andries op 29 juli 1791 eiste Petronella het bezit op van een ½ bunder land op Den Boonhof, palende aan de cappelerije van Meldert, Joseph Van Malderen, Peter Beeckman[91] en Den Mutsereel. Volgens haar viel de erfenis onder de costuymen[92] van het Land van Asse waar het als mobilair werd beschouwd en zij de erfgename was van alle mobilair. Maar Petrus Benedictus en twee kinderen van Egidius Van Gerwen en Joanna Maria[93], namelijk Joanna Catharina met haar man J.B. Moreels en Anna Catharina en haar man Petrus Van Nieuwenborgh hadden het land al op 27 maart 1792 bewerkt en de bomen die er op stonden hadden ze openbaar verkocht. Via haar advocaat De Smedt vroeg Petronella de schepenbank van Asse om haar tegenpartij te veroordelen tot de teruggave van het land, de opbrengst van de verkoop van de bomen en de betaling van een schadevergoeding. De gedaagden schakelden advocaat Gillis in. We weten dat de molens van het gerecht langzaam malen, ook toen al, zodat we niet verwonderd moeten zijn dat er twee jaar later, in 1794 nog geen vonnis was.

1793 – Joannes De Cort wou de tiendensteker voor zijn[94].

Andries Van den Bergh, de tiendensteker[95] van de abdij te Hekelgem, ging op 8 augustus 1793 naar de Buikouter om na te gaan of Joannes De Cort, een kossaard[96] van Hekelgem, zijn tarwe al had geoogst. Die bewerkte namelijk een veld waarop de abdij het tiendenrecht had. Joannes had, waarschijnlijk met pik en pikhaak, de tarwe al gepikt en ze in schoven gebonden. Andries schatte de oogst op 14 tot 15 elflingen en keerde de volgende morgen om half vijf terug om te vertienden, het tiende part of 1 elfling[97] op te halen. Onderweg zag hij Joannes De Coster samen met Judocus Van Nieuwenhove, een pachter van Hekelgem. Met paard en kar, waarop zo’n 14 of 15 elflingen lagen, reden zij weg. Daar Andries vermoedde dat er kwaad opzet mee gemoeid was, spoedde hij zich naar het veld van Joannes De Coster waar geen enkele schoof meer lag. Om uit te zoeken waar Judocus Van Nieuwenhove de schoven had gebracht, ging hij tussen 9 en 10 u. naar diens boerderij waar hij te horen kreeg dat de schoven niet van het veld van De Coster kwamen, maar uit de schuur van Gillis Verbeken. Andries wou ook uitleg van De Coster horen, maar trof alleen zijn vrouw thuis. Van haar kreeg hij alleen injurieuse woorden naar zijn hoofd geslingerd. Nog dezelfde dag bracht Andries verslag uit bij Livinus De Wemer, de hofmeester van de abdij. Die sprak op 19 augustus advocaat Stephanus Franciscus Gillis aan om namens de abdij een klacht neer te leggen bij de schepenbank van Asse en, zoals de wet het voorschrijft, als vergoeding het dubbel recht van tienden te eisen en om den baetsught ende besmettelijcken handel des gedaegde in te tomen. J. D. Gheude, de drossaard, voegde er nog een geldboete van 100 pattacons aan toe wegens het niet naleven van de wet.


[1] Patar: oude munt gelijk aan 1 gulden of 20 stuivers.

[2] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 8070.

[3] Een mijt was een kleine middeleeuwse munt. Een stuiver was gelijk aan 72 Brabantse mijten. Er bestond ook een Vlaamse mijt die anderhalve keer zoveel waard was als de Brabantse.

[4] Uit S.G. 1

[5] P. LINDEMANS, Geschiedenis van de Landbouw, dl p, 144.

[6] Ascania, S.g., 754.

[7] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 8109.

[8] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 8061.

[9] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4593.

[10] De kinderen van Geraert Van Vaerenbergh:

1- Barbele getrouwd met Gielyssen De Witte

2- Anna getrouwd met Joosten De Mets

3- Marie

[11] R.A. Leuven, Schepenbank van Affligem, nr. 8013.

[12] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1434.

[13] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 7421.

[14] Gebouwd op gaffelvormige palen.

[15] Al in de middeleeuwen werden de akkers voor graanwinning gemergeld om verzuring te voorkomen. Maar in de 16de eeuw waren de meeste mergellagen uitgeput. Door de dieren op stal te houden beschikten de boeren over stalmest ter vervanging van de mergel.

[16] W. VERLEYEN, De abdijhoeven buiten Affligem, in: Jaarboek Belledaal 1986, 11.

[17] E. SCHOON, De oude abdij Affligem geconfisqueerd, 2017, 40. Onuitgegeven bron.

[18] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.8112.

[19] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2002.

[20] Deze zaak dateert uit de 1ste helft van de 17de eeuw, +/- 1630.

[21] W. VERLEYEN, De familieclan van Franchoys Lemmens (+1637) Bosmeester van Affligem, in: Vlaamse Stam, jg. 33, nr. 10, oktober 1997.

[22] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 7645.

[23] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1693.

[24] J. OCKELEY, Leven onder de Toren, 2014, 10 – 11.

[25] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1434.

[26] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 5189.

[27] Tronk: stam van een boom. Dachwanden

[28] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 1801.

[29] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2002.

[30] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2002.

[31] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2205.

[32] W. VERLEYEN, Het leenhof van Affligem, in: Recht in Geschiedenis, red. J. Ockeley, Leuven 2006, 472.

[33] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2294.

[34] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 261

[35] Andreass Creusen, de 31ste abt van Affligem, was doctor in de theologie en was van 1657 tot 1666 abt.

[36] Franchois Wambacq werd omstreeks 1580 in Essene geboren als zoon van Michel en Barbara De Wever. Hij overleed op donderdag 30 juni 1661 en werd in de kerk van Essene begraven. In 1638 kocht hij het Hof te Belle van de abdij: “15 juni heeft den aertsbisschop Boonen het pachthof van Belle onder paelenslagh verkogt aan Franciscus Wambacq voor gl 9000 ende daer waeren 24 hooghen op de conditie staen in probis.

[37] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2300.

[38] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2394.

[39] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2303.

[40] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 538.

[41] R.A. Leuven. Michiel De Bisschop notaris te Asse van 1654 tot 1688.

[42] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2775

[43] Jan Van Langenhove was de zoon van Judocus en Clara Scholasters; Hij werd te Baardegem gedoopt in 1611 en overleed op zondag 23 maart 1681 in Baardegem, 70 jaar oud. Hij was meier van het laathof Goubau te Baardgem en pachter op het Hof te Houtem. Hij trouwde op donderdag 6 oktober 1633 in Opwijk met Barbara Van den Broeck, 27 jaar. Zij werd gedoopt op donderdag 18 mei 1606 in Opwijk en overleed in Baardegem op vrijdag 29 augustus1664, 58 jaar oud.

Nicolaas Meert werd in Essene gedoopt in 1635 en overleed op zondag 10 februari 1709 in Essene, 74 jaar oud. Hij trouwde op maandag 2 september 1658 in Baardegem met Clara Van Langenhove, 20 jaar oud en dochter van Jan en Clara. Zij werd op woensdag 3 maart 1638 in Baardegem gedoopt en overleed op zaterdag 16 mei 1676 in Essene, 38 jaar oud. Nicolaas hertrouwde op 41-jarige leeftijd op zondag 20 september 1676 in Sint-Amands met Clara De Keersmaecker, 32 jaar. Zij werd gedoopt op zondag 11 september 1644 in Sint-Amands. Clara overleed op vrijdag 12 april 1720 in Essene, 75 jaar oud.

Kinderen van Nicolaas en Clara Van Langenhove: te Essene gedoopt:

1- Joannes, gedoopt op dinsdag 28 oktober 1659

2- Petrus, gedoopt op zaterdag 29 januari 1661 en overleden te Essene in 1699, 38 jaar.

3- Barbara, gedoopt op donderdag 19 april 1663

4- Catharina, gedoopt op donderdag 16 oktober 1664, Catharina Van den Broeck was getuige bij de doop.

5- Franciscus, gedoopt op zondag 24 april 1667, Joannes Lemmens was getuige bij de doop.

6- Anna, gedoopt op woensdag 29 januari 1670, Anna Van Langenhove en Egidius Linthout waren getuigen.

7- Judocus, gedoopt op zondag 11 oktober 1671, Catharina Gerstmans en Petrus Van Langenhove waren getuigen.

8- Maria, gedoopt op zondag 1 oktober 1673, Adrianus De Ridder en Maria Pinnock waren getuigen.

Kinderen van Nicolaas en Clara De Keersmaecker te Essene gedoopt:

1- Daniël, gedoopt op dinsdag 26 maart 1680, getuigen waren Maria De Keersmaecker en Daniël Van den Brande.

2- Elisabeth, gedoopt op zondag 29 maart 1682, getuigen waren Elisabeth De Keersmaecker en Petrus Gerstmans.

3- Jacobus Meert, gedoopt op donderdag 6 januari 1684 en overleden te Essene in 1759, 75 jaar oud.

4- Guillelmus, gedoopt op woensdag 3 oktober 1685, getuigen waren Petronella Tossyns en Joannes Van de Mael.

5- Carolus, gedoopt op dinsdag 4 november 1687

[44] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2569.

[45] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2591.

[46] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2593.

[47] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2796.

[48] 1 pond Vlaams groten = 12 ponden parisis = 6 gulden.

[49] Zie 1678 Eerste schepen Jan Van Langenhove in gebreke.

[50] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2664.

[51] Martinus Wambacq was een zoon van Franciscus. Franciscus was in Essene geboren en er overleden in 1661. Hij trouwde met Catharina De Troch. Martinus, geboren in Essene op 19 oktober 1619 overleed in de abdij op 8 februari 1675. Hij was getrouwd met Anna Vrankx en was notaris te Essene en griffier van de abdij.

[52] Idem, nr. 2737.

Dom Rupertus Beijdaels was afkomstig van Brussel. Hij legde in de abdij de geloften af op 28 januari 1657 en ontving de priesterwijding op 18 september 1660. Hij was novicemeester, hofmeester (ook spijkermeester genoemd), gastenmeester, prior en proost. In 1683 werd hij door Franse soldaten met geweld naar Aalst gevoerd omdat hij hen geen 20 koeien had geleverd. Dom Rupertus stierf op 29 augustus 1685.

[53] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2968.

[54] Adriaan De Ridder trouwde op zaterdag 13 juli in Hekelgem met Barbara Van de Velde. Hij overleed in Hekelgem op woensdag 5 maart 1692. Zij hadden zes kinderen te Hekelgem gedoopt.

1 Guillelmus, gedoopt op maandag 2 november 1676.

2 Adriaan, gedoopt op donderdag 3 maart 1678.

3 Angelus, gedoopt op zondag 1 juni 1681 en overleden te Hekelgem in 1703, 22 jaar oud.

4 Laurentius, gedoopt op dinsdag 11 januari 1684 en overleden te Hekelgem in 1743, 59 jaar oud.

5 Jacob, gedoopt op zaterdag 5 oktober 1686 en overleden te Hekelgem in 1720, 34 jaar oud.

6 Petrus, gedoopt op vrijdag 18 november 1689 en overleden te Hekelgem in 1766, 77 jaar oud.

[55] Dom Bernard O.S.B., Geschiedenis der Benedictijner Abdij van Affligem, Gent, A. Siffer, 1890, 273 – 275.

[56] R.A. Leuven, notariaat Joannes Schoonjans te Asse.

[57] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94 nr. 2827.

[58] LUCAS WAMBACQ, zoon van FRANCISCUS WAMBACQ en CATHARINA DE TROCH. Hij is gedoopt op donderdag 14 juni 1629 in ESSENE. LUCAS is overleden op woensdag 10 september 1670 in ESSENE, 41 jaar oud.

[59] ANDREAS DE WEVER, zoon van MERTEN DE WEVER en GEERTRUYDE VAN ROSSEM. Hij is gedoopt omstreeks 1610. ANDREAS is overleden op zaterdag 21 oktober 1673 in HEKELGEM, ongeveer 63 jaar oud. Koster te Hekelgem.

ANDREAS:

(1) trouwde, ongeveer 23 jaar oud, op zondag 19 juni 1633 in HEKELGEM met PETRONELLA DE MERCHIE, 21 jaar oud. Zij is een dochter van ERASMUS DE MERCHIE en AMELBERGA VERROTEN. Zij is gedoopt op donderdag 22 december 1611 in HEKELGEM. PETRONELLA is overleden, 23 jaar oud. Zij is begraven op zondag 11 november 1635 te HEKELGEM.

Notitie bij PETRONELLA: Overleden aan de pest.

(2) trouwde, ongeveer 40 jaar oud, op dinsdag 1 maart 1650 in HEKELGEM met JUDOCA DE MEYE, 26 jaar oud. Zij is gedoopt op zondag 15 oktober 1623 in HEKELGEM. JUDOCA is overleden na 1679, minstens 56 jaar oud. Zij trouwde later na 1673 met ANTHOON ANTHONIS.

[60] CATHERINA WAMBACQ, dochter van LUCAS WAMBACQ en CATHARINA BREIJNAERS. Zij is gedoopt op donderdag 28 april 1650 in ESSENE. CATHERINA trouwde, 20 jaar oud, op donderdag 22 januari 1671 in ESSENE met ANDREAS VAN DER STRAETEN. Hij is een zoon van HENDRICK VAN DER STRAETEN en CATHARINA VAN DEN DAELE. ANDREAS is overleden op donderdag 20 februari 1698 in ESSENE.

[61] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2822.

[62] Ambrosius Van Lierde was afkomstig van Aaigem waar hij in 1623 was geboren. Hij legde de geloften af op 18 oktober 1644 en ontving de priesterwijding op 25 mei 1652. Hij verbleef  in de priorijen van Neerwaver en Bornem. In 1644 keerde hij naar Affligem terug. Hij werd er econoom en graanmeester. In 1670 benoemde men hem tot de eerste syndicus. Op 15 februari 1672 sloot hij een overeenkomst met de Raad van Financiën voor het uitbaten van nieuwe steengroeven te Meldert en te Asbeek om de sluis Slijkens te Oostende te vernieuwen. Hij zou de Historia Affligemense geschreven hebben. Dom Ambrosius was zeer begaafd en bijzonder sluw.

[63] Geamortiseerde goederen: goederen van de dode hand, d.w.z. onroerende goederen die niet vererfd kunnen worden.

[64] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2737.

[65] Peter De Hageleer was getrouwd met Elisabeth Goossens. Zij hadden vier kinderen te Meldert geboren:

1 Anna, gedoopt op 13 januari n1669.

2 Joanna, gedoopt op 14 september 1670.

3 Egidius, gedoopt op 30 september 1672.

4 Judocus, gedoopt op 20 februari 1675.

[66] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2902.

[67] Andreas Van der Straeten was de zoon van Hendrik en Catharina Van den Daele. Hij overleed op donderdag 20 februari 1698 in Essene. Andreas trouwde op donderdag 22 januari 1671 in Essene met Catherina Wambacq. Egidius De Ridder en Petrus De Smedt waren hun getuigen Catharina was de dochter van Lucas en Catharina Breijnaert. Zij kregen vijf kinderen die in Essene werden gedoopt.

1 Michael, gedoopt op zondag 8 november 1671.

2 Joanna, gedoopt op dinsdag 24 januari 1673.

3 Petrus, gedoopt op donderdag 19 april 1674.

4 Joannes, gedoopt op vrijdag 28 februari 1676.

5 Joanna Maria, gedoopt op donderdag 25 mei 1679. Zij trouwde, 28 jaar oud, op zaterdag 10 december 1707 in Essene met Adrianus Ceuppens.

[68] Jasper Camermans was de zoon van Geeraert die op 19 november 1621 te Essene trouwde met Elisabeth de Meije. Jasper, gedoopt op 2 juni 1623 trouwde te Essene op 11 mei 1647 met Anna Van Linthout. Zij overleed op 8 oktober 1669. Jasper hertrouwde te Essene op 1 mei 1670 met Marie Van der Elst. Kinderen uit het eerste huwelijk te Essene gedoopt

1- Gerard, gedoopt op 30 augustus 1648.

2- Jan, gedoopt op 13 maart 1653.

3- Hendrik, gedoopt op 23 juli 1656.

4- Elisabeth, gedoopt op 2 juli 1657.

Uit het tweede huwelijk: Angelus, gedoopt te Essene op 17 maart 1675 en overleden op 7 december 1686.

[69] R.A. Leuven, Schepenbank van Affligem, nr. 7108.

[70] Tienden waren een soort belasting van kerkelijke oorsprong waarvan 1/ 3 bestemd was voor het onderhoud van de kerk en de eredienst .

[71] Andreas Le Roy, een Brusselaar trad in 1663 in de abdij in en ontving de priesterwijding op 23 mei 1671. Hij werd prior in Neerwaver en syndicus in Affligem. Dom Andreas onderscheidde zich door zijn grote lichaamskracht.

[72] De patacon of patagon was een munt uit de Lage Landen die in 1612 werd geïntroduceerd. Deze zilvermunt had een waarde van 48 stuivers. Op de voorzijde staat een gekroond stokkenhuis en de vuurslag van het Gulden Vlies; op de keerzijde het gekroonde Bourgondisch wapen omhangen met de ketting van het Gulden Vlies.

[73] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3332.

[74] De Damvijver lag in de Langestraat en is te zien op de ferrariskaart rechts van het woord Dorp. Helemaal recht de Cleynen Rammeleer. Links van de abdijgebouwen de 5 met elkaar door loden buizen verbonden visvijvers: de Weimeersvijver, de Rietvijver, de Grauwvijver, de Paddevijver en de Ouden vijver.

[75] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3332 en 3374.

[76] W. VERLEYEN, Negen eeuwen Affligem, 49; ID., Meldert 38; J. OCKELEY, Baardegem, 84.

[77] Joos Van den Wijngaert, was de zoon van Arnout en brouwer in Hekelgem.

[78] Ambrosius Van Lierde was afkomstig van Aaigem waar hij in 1623 was geboren. Hij legde de geloften af op 18 oktober 1644 en ontving de priesterwijding op 25 mei 1652. Hij verbleef  in de priorijen van Neerwaver en Bornem. In 1644 keerde hij naar Affligem terug. Hij werd er econoom en graanmeester. In 1670 benoemde men hem tot de eerste syndicus. Op 15 februari 1672 sloot hij een overeenkomst met de Raad van Financiën voor het uitbaten van nieuwe steengroeven te Meldert en te Asbeek om de sluis Slijkens te Oostende te vernieuwen. Hij zou de Historia Affligemense geschreven hebben. Dom Ambrosius was zeer begaafd en bijzonder sluw.

Willibrordus Riquens  was afkomstig van Antwerpen. Hij legde de geloften af op 2 februari 1637 en ontving de priesterwijding op 25 februari 1679. In de abdij vervulde hij meerdere functies: catecheet, sacrista, pomarius, cantor, graanmeester, subprior, ontvanger van de cijnzen en syndicus. Op 15 april 1721 volgde zijn benoeming tot prior te Bornem waar hij ook overleed op 18 december 1724.

[79] Robertus Van de Velde, een Brusselaar, ontving de professie op 12 juni 1677 en de priesterwijding op 19 september 1682. Van 1687 tot 1694 verbleef hij te Neerwaver. Na zijn terugkeer in Affligem werd hij syndicus en in 1708 econoom. Hij was een harde werker die zich met weinig tevreden stelde. In 1716 werd hij prior van Neerwaver. Hij overleed op 28 september 1722.

[80] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 587.

[81] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3387.

[82] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3647.

[83] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 3756.

[84] 1 pond groten Vlaams = 6 gulden.

[85] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr.5485.

[86] Voor meer informatie over de familie De Witte-Robijns zie B. VERMOESEN, Jan De Witte, Anna Robijns en kinderen: een merkwaardige familie te Meldert, in: De Faluintjes, 2008, nr. 2.

[87] B. REGAUS, Directorium Abbatiae Haffligemensis, Bona et Jura monasterii Haffligemensis, A.R. Brussel, 2002, kolom 396 e.v.

[88] Beda Regaus was de laatste proost van de abdij. Na de uitdrijving van de monniken in 1796 verbleef hij van 1798 tot aan zijn dood  bij zijn griffier Benedictus De Witte.

[89] Wettelijke Passeringen, ook schepenkennissen of schepenboeken genoemd omvatten hoofdzakelijk akten in verband met onroerende goederen (koop en verkoop van huizen, hofsteden, landerijen of bossen, leningen met een onroerend goed als onderpand, schenkingen, …). Af en toe is een huwelijkscontract of een testament opgetekend. De contracten werden neergelegd of ‘gepasseerd’ op de schepenbank en ingeschreven in de schepenregisters.

[90] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4542.

[91] De kinderen van Petrus Benedictus en Joanna Van der Schueren:

1 Felix, gedoopt op 31 januari 1778.

2 Petronella, gedoopt op 31 juli 1779.

3 Franciscus, gedoopt op 18 mei 1781.

4 Victoria, gedoopt op 16 augustus 1786.

[92] Costuymen: het gewoonterecht.

[93] De kinderen van Egidius Van Gerwen, koster te Moorsel, en Joanna Maria Robijns te Moorsel gedoopt:

1 Andreas, gedoopt op 18 oktober 1755.

2 Anna Catharina, gedoopt op 24 januari 1757, trouwde met Petrus Van Nieuwenborgh.

3 Joanna Catharina, gedoopt op 3 december 1758, trouwde met Joannes Baptista Moreels.

4 Joannes, gedoopt op 18 september 1760.

5 Jan Baptist, gedoopt op 27 augustus 1766.

[94] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4541.

[95] Een tiendensteker haalde de tienden op. In dit geval zou Andries over het tarweveld lopen en elke tiende schoof apart leggen of, eens de schoven in elflingen samen stonden, een elfling opgeëist hebben.

[96] Kossaard = keuterboer.

[97] Als het geoogste klaar in schoven was gebonden, zette men de schoven in groepen van 10 (een tienling) of 11 (een elfling) samen om te drogen.

Een gedachte over “Bloemlezing van documenten behelzende de abdij Affligem beslecht door de schepenbank van Asse.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s