Rechtszaken te Meldert tijdens de 17de eeuw.

Meldert 1841 Buurtwegen

Soude ick schuldigh wesen?

Met de publicatie van de processen van Meldertenaren voor de schepenbank van het Land van Asse wilden we een beeld schetsen van het leven in Meldert in de 17de eeuw. Hoe gingen de mensen toen met elkaar om? Met welke problemen kampten ze? De processtukken vertellen ons over vechtpartijen, achterstallige huur, erfeniskwesties, het onvermogen, vooral van weduwen, om leningen terug te betalen, het verbreken van een gegeven woord enz. Het was interessant om na te gaan welke argumenten en tegenargumenten aanklager en beschuldigde aanbrachten. Bij het overlopen van de lijst van de processen valt het op dat vaak dezelfde namen voorkomen. Dat waren dan mensen die het zich konden veroorloven om een proces te voeren, want ook toen duurde een proces meestal meerdere jaren. De aandachtige lezer zal opmerken dat in de meeste gevallen er geen vonnis is. Dat is te verklaren door het ontbreken van de vonnissen bij de processtukken. Maar voor ons vormde dat geen probleem, zo wordt niemand veroordeeld of beoordeeld. We hadden enkel de bedoeling de sluier van het 17de eeuwse Meldert even op te lichten.

Meldert in het Land van Asse

Vermits deze bundel een reeks processen uit de 17de eeuw bevat die voor de schepenbank van het Land van Asse werden gevoerd, is het voor een goed begrip nodig om de bestuurlijke situatie van Meldert uiteen te zetten zoals die was tijdens het ancien regime. Meldert behoorde tot het Land van Asse. Die entiteit omvatte het dorp Asse met de gehuchten Asbeek, Ter Heide, Krokegem, Koutertaverent en Walfergem en de buitenparochies Baardegem, Essene, Hekelgem, Mazenzele, Meldert en Mollem. Aan het hoofd stond een meier die vanaf de 17de eeuw ook overmeier of drossaard werd genoemd. Hij trad op als vertegenwoordiger van de hertog van Brabant en had uitgebreide bevoegdheden. Hij beëdigde de zeven schepenen, de vorsters en de bedesetters. De daders van zware misdrijven waarop een lichamelijke straf stond, moest hij overdragen aan de amman van Brussel. Maar het vonnis, executie door ophanging, onthoofding of levend verbranden, of verminking door radbraken of brandmerken, moest hij zelf uitvoeren. De stoffelijke resten van de veroordeelden werden als afschrikking tentoongesteld, bijvoorbeeld op de Boekthoutberg te Hekelgem. Ook de lagere justitie, waarbij goederen werden behandeld in de laatbanken, zoals de laatbank van de abdij Affligem of het laathof van de H. Geestdis te Meldert, ontsnapten aan zijn gezag. De gedupeerden daarvan konden wel in beroep gaan bij de schepenbank van Asse die door de meier werd voorgezeten. De meier was vooral als gerechtsofficier actief. Hij behandelde met de schepenen zaken met boeten en lichtere straffen. Ze zetelden in vierschaar in een zaal van het gasthuis van Asse. Voor Meldert en de andere buitenparochies ging de helft van de boeten naar de hertog, de andere helft naar de heer tot Asse. Enkele meiers uit de 17de eeuw waren Christoffel Van Wijnantshoven, Gillis Van Langenhove, Lucas Van Langenhove en Arnold Adriani (tot 1633). Adriani was nadien griffier van 1633 tot 1656. Hij trad ook op als notaris[1].

De eerste schepenbanken zouden ontstaan zijn in de tijd van Karel de Grote. Ze waren verbonden aan het hof van de vorst en beschikten over reële macht. De schepenen stonden hoog in aanzien. Aanvankelijk bestonden ze alleen in de steden, na 1200 ook op het platteland. De taken van de schepenbank waren uitgebreider dan die van de huidige burgemeester en schepenen. Het was een college van zeven leden, aanvankelijk aangesteld door de hertog, later door de heer. Ze werden gekozen uit de notabelen en waren min of meer de notarissen van hun tijd. Ze maakten contracten op, deden openbare verkopen, hypotheekacties van goederen, beheerden de financiën van de gemeenschap, zorgden voor de bescherming van weduwen en wezen en spraken recht in burgerlijke en criminele zaken. Vanaf de 17de eeuw werd voor een verkoop meestal een beroep gedaan op een notaris. De akte moest dan wel nog naar de schepenbank voor het wettelijk passeren en het zegelen van het document. De schepenbank had immers een eigen zegel en maakte met haar zegel het document officieel. De meier werd in de schepenbank bijgestaan door een ondermeier of vorster. Die werd aangeduid voor drie jaar. Voor zijn aanstelling moest hij een borgsom betalen. Het was zijn taak te helpen bij arrestaties, veroordeelden op te sluiten en te bewaken in de vrunte en de kettingen en de boeien te bewaren. Op dorpsniveau was de meier vertegenwoordigd door een dorpsofficier en een collecteur, ook rendant genoemd, die de belastingen inde die de bedezetters over alle belastingplichtigen verdeeld hadden[2]. De officier moest de bevelen van de meier en de schepenen uitvoeren, toezicht houden op de jacht, op de bomen van de heer en op de bevolking.

Een proces voor de schepenbank

Een zaak voor de schepenbank brengen, kon men door een verzoekschrift in te dienen. De indiener of eiser werd de suppliant genoemd. Gebeurde het op een andere manier dan heette de eiser aenlegger en de verweerder gedaeghde. De beide partijen hadden het recht om een procureur aan te stellen om hun zaak voor de schepenbank te verdedigen, wat nu advocaten doen. De procureurs boden hun eisen en verweer schriftelijk aan waarna de zaak op de rolle kwam voor kennisneming door de schepenen. Op deze schrifturen volgden een replique, een duplique, persisteringhe enz. Daar kon dan weer een antwoorde met verclaeren ende conclusie volgen. Tenslotte hielden de procureurs hun pleidooien. Na veel getrek en geduw volgde het vonnis.

De griffiers werden per geschreven bladzijde betaald, wat de soms ellenlange uitweidingen en herhalingen verklaart die in veel documenten voorkomen. De drossaard of de dorpsofficier hadden ook het recht iemand rechtstreeks voor de schepenbank te dagen. Zij traden dan op als openbaar aanklager.

29 maart 1613. Keukengevecht met Walen.

Zondag voor vasteavont 1613. Het ging er flink aan toe in de keuken van Jans Van der Borght te Meldert. Jonge mannen waren er samengekomen om wat te drinken en te dansen. Wanneer vreemde mannen binnenkwamen, vloog er binnen de kortste keren huisraad door de keuken. Daar kwam dan een proces van. Op verzoek van de overmeiers van het Land van Asse, Wijngaert en Van Ginderachter ondervroeg vorster[1] Van Langenhove enkele getuigen over de vechtpartij. Twee getuigenissen vonden we terug in de Schepenbank van Asse[2]. Hun verklaringen leren ons niet alleen meer over de feiten, maar ook iets over de toestand in Meldert.

De eerste getuige was Thomas De Forminair, een steenhouwer van 28 jaar. Hij verklaarde dat hij die avond in de keuken van Jans Van der Borght wat zat te drinken met Ignace, een Waal en smid van beroep. In de loop van de avond kwamen meerdere mannen binnen: de Walen Merten en Claes Cambie, Povre Jan, een zekere Laureys en anderen waarvan hij de naam niet kende. Er ontstond heel wat kabaal en ineens stond daar Merten Cambie met een roer[3] in zijn hand. Omdat hij niet wist wat Merten ermee wilde uitrichten, heeft hij samen met de huisvrouw het roer afgepakt en het onder de tafel gegooid. Daarop is hij naar buiten gegaan.

De tweede getuige, Joos Querenin, 26 jaar, getuigde dat Povre Jan de aanstoker was. Hij wou namelijk dansen met het meisje waarmee de knecht van Aert Robijns danste. Maar die wou haar niet loslaten. Een woedende Povre Jan ging zijn rapier[4] halen ende sijn rapier getrocken ende meijnende in de camer te stecken ende snijden. Maar andere jonge knechten werkten hem de deur uit. Povre Jan gaf echter niet op en stak door het venster in de mouw van de zoon van Peter Van den Wijngaert. Peter, een paardenknecht van de abdij, kwam Povre Jan ter hulp. De officier van Hekelgem (was die ook in de keuken?) trachtte het rapier af te nemen en riep de anderen om hem te helpen. De paardenknecht begreep de boodschap anders en sloeg de officier met een stok op zijn kop en ging hem dan met zijn vuisten te lijf. Daarop liepen de broers Jan en Laureys De Vleminck met Povre Jan weer naar binnen. Gillis Van Neervelt wou de situatie wat ontmijnen en vroeg wat ze wilden drinken. Maar de anderen werkten de drie weer de deur uit. Toen spanden de Walen Merten en Claes Cambie en Ignace Emplicor samen met de drie en begonnen met stenen, schotels, kandelaars en potten te gooien zodat er niemand met ruste en conste wezen en de getuige werd een stuck van sijn ouze (?) geworpen. De waard moest met zijn huisgenoten vluchten en liggend op den lochtinck zagen ze Merten Cambie wel twee uur lang met zijn roer met brandende lont rondlopen.

Hoe verliep het proces verder? Die vraag zal bij gebrek aan meer gegevens onbeantwoord blijven, maar op een andere vraag is een antwoord mogelijk, namelijk: wat deden die Walen in Meldert? Het beroep van de eerste getuige geeft een aanduiding: hij was steenkapper. Dat doet ons denken aan de zandsteengroeven van Meldert. Dat men voor de ontginning en het bewerken van de stenen ook een beroep deed op Walen is best mogelijk. Op meerdere plaatsen in Wallonië exploiteerde men al eeuwen steengroeven en in het begin van de 17de eeuw was er nood aan steenkappers. Met het Twaalfjarig Bestand in 1609 kwam er voorlopig een einde aan de godsdienstoorlogen. Na decennia van brandstichtingen en plunderingen kon de bevolking aan de restauratie van de verwoeste gebouwen beginnen. Wat er met de Sint-Walburgakerk is gebeurd, illustreert dat. Zij werd zwaar geteisterd bij de invallen van de geuzen op 29 september 1579 en op 16 juli 1580. Het dekenaal verslag van 1596 vermeldt dat rebellen haar volledig hadden uitgebrand. In 1598 begon het herstel met het koor, het noordelijk transept volgde in 1608 en de toren in 1613[5]. Voor het herstel van de op 18 juli 1580 verwoeste abdij liet aartsbisschop en abt van Affligem, Hovius, zowel te Laken als te Meldert een steenpoel openen. Er werden ook stenen geleverd voor de bouw van de basiliek van Scherpenheuvel, voor de Sint-Caroluskerk te Antwerpen, voor de Finnisterae en voor de O.-L.-Vrouwkapel in Sint-Goedele te Brussel en voor de jezuïetenkerk te Mechelen. Ook particulieren restaureerden hun verwoeste gebouwen. In veel gevallen kochten ze zandsteen voor de voeling en voor de deur- en raamomlijstingen[6]. Zo moet het ons niet verwonderen, gezien het grote werkaanbod, dat er Waalse steenkappers te Meldert verbleven.

Wat begon als een ruzie tussen twee Vlamingen om een meisje eindigde in een gevecht tussen Vlamingen en Walen.

Joos Buggenhout, den houtcapper.

Op twee jaar tijd, in 1619 en 1621, kreeg Joos Buggenhout twee processen aangesmeerd. Wat had deze ijverige man gedaan? Hij had op grond van anderen, zo beweerden zijn aanklagers toch, hout gekapt en zelfs bomen gerooid. Zijn eerste overtreding was duidelijk en een veroordeling volgde. De tweede aanklacht leidde tot een ingewikkeld proces dat drie jaar duurde en dan nog geen volledige opheldering over de feiten bracht.

20 januari 1619. De stouticheijt van Joos Buggenhout.

Op 29 januari 1619 veroordeelde de schepenbank van het Land van Asse[7] Joos Buggenhout tot een onmogelijke opdracht. Hij moest twee eiken die hij ten onrechte had gerooid terug plaatsen. Wat was er gebeurd?

De H. Geestmeesters van Meldert verhuurden een weide van 1 bunder aan Gabriël Van Mulders. Die hield daarvan 1 dagwand voor eigen gebruik en verhuurde 1 dagwand door aan H. Geesttafel van Essene. Nu had Joos op sijne stouticheijt sonder wille wete off consente van de H. Geestmeesters twee eiken gerooid en den cant affgesteken om de voorschreven boomen aff te vueren. Bovendien was hij al begonnen met een derde boom te ontgraven den welcken hij oock soude affgehouwen hebben als de H. Geestmeesters dat niet waren te weten gekomen. Zij leefden peijselijcke ende vredelijcke tot Joos hen kwam turberen[8]. Daarom vragen zij dat Joos zal veroordeeld worden om de voorschreven boomen ende cant wederomme te stellen in staet gelijck die sijn geweest voor date van ’t voorschreven affhouwen ende ontgraven. Maar als dat niet kan, moet hij de waarde van de bomen vergoeden. Was getekend Van den Dijcke.

27 februari 1620. Een huurcontract met de abdij.

Op 27 februari 1620 huurde Hendrik Van Ginderachter 1/3 deel van 30 bunder (= b) 60 roeden (=r ) land gelegen te Asse-ter-Heide op de Nieuwboskouter, waarvan het resterende deel gepacht was door Ingel Van den Driessche en Joos Van Nijverseel. Hij pachtte ook nog ¼ van 6 bunder 1 dagwand (= d) 45 roeden meers en 3 d 85 r weide uit een geheel van 20 b gelegen te Essene. De akte werd verleden door notaris Carel Van der Slachmolen. Anthoen De Clerck en Gabriël Van Mulders stelden zich borg verbindende hunne persoonen ende goederen, eigene ende vercregen ende te vercrijgen. De looptijd bedroeg 9 jaar en de pachtprijs bestond uit 3 sisteren[1] gerst, 2 sisteren roc, 1 sister haver voor elk bunder land, voor elke bunder meers 12 gulden, voor elke bunder weide 8 gulden te betalen binnen den huijse van Affligem tot Brussele[2] of elders daer hem geordonneerd sal worden in goed leverbaer graen op Kerstmis.

De huurder kreeg een aantal verplichtingen opgelegd:

– De vooschreven landen wel ende loffelijck te oeffenen ende te labeuren in tijde ende saisoene zonder de laatste drie jaren te veranderen van teelt.

– De meersen en de weiden te zuiveren van braamstruiken en houtwas.

– Alle bruggen, waterlopen en wegen onderhouden.

– De grachten en bermen onderhouden.

Indien de pachter aan die voorwaarden niet voldeed, dan kon de abdij die karweien zelf laten uitvoeren tegen dubbele kosten ten laste van de huurder.

– Onderverhuren is ten strengste verboden tenzij met toestemming van de verhuurder.

– Het opgaande hout mag de huurder kappen zolang dat met een houwmes kan.

– De bomen knotten mag als de takken 7 jaar oud zijn.

– De huurder moet de gepachte percelen jaarlijks beplanten met 12 abelen of populieren en die op zijn kosten in de was houden.

De huurovereenkomst werd te Brussel ondertekend op 27 februari 1620 in aanwezigheid van van de getuigen Anthoen De Clerck en Gabriël Van Mulders, beiden inwoners van Meldert en van Charles Snellinck, rentmeester van de abdij.

21 januari 1621. Is Joos Buggenhout de eigenaar?

Op 21 januari 1621 daagden Anthoen De Clerck en Ingel Van den Driessche Joos Buggenhout voor de schepenbank van het Land van Asse[3]. Zij hadden van Gielis De Clerck een bos geërfd, Den Houstock geheten, gelegen te Meldert en grenzend aan de gronden van de abdij langs twee zijden en met de andere zijden aan Merten Van Lichtere. Het bos is al meer dan dertig jaar in hun bezit in vredelijcke ende paisible possessie sonder dat hun iemand daaerinnen heeft geturbeert. Enige tijd geleden echter heeft Joos Buggenhout het zich veroorloofd int voorschreven Bosch te cappen off doen cappen eene groote quatiteijt elshout, wat in feite neerkomt op diefstal. Daardoor zagen zij zich genoodzaakt zich tot het gerecht te wenden om Joos bij vonnis te verplichten ’t voorschreven affgecapt hout te stellen in alsulcken staet als ’t selve is geweest voor zijn diefstal of hen te vergoeden na een behoorlijke taxatie van het afgekapte hout.

9 maart 1621. Versueck van Joos Buggenhout

In zijn antwoord vraagt Joos dat de aanleggers hem schriftelijk laten weten op welke gronden zij hun klacht hebben gebaseerd. Van hun advocaat Adriani wil hij weten met welke opdracht de twee pachters hem hebben gemachtigd.

13 februari 1622. Het antwoord van Joos Buggenhout.

Of er een antwoord kwam op zijn verzoek, weten we niet. Hij reageert bijna een jaar later op de klacht. Hij ontkent ten stelligste dat Anthoen en Ingel het bos hebben geërfd van Gielis De Clerck, want die was er nooit de eigenaar van en dus kunnen zij het al geen dertig jaar het bos in hun bezit hebben. De waarheid is dat het eigendom was van Jan Van der Elst[4], zoon van Peter[5], die er jaarlijks 5 gulden erfelijke rente op betaalde zoals blijkt uit een brief van 4 februari 1572. In die brief erkennen Barbara Van Nuffel, de weduwe van Jan Van der Elst, en Jan Van der Elst, de zoon van Cornelis, als toekomstige voogd van haar kinderen, dat zij aan Pauwelsen, de rentmeester van de abdij Affligem, 378 gulden 4 stuivers aan achterstallige pacht moet betalen. Die schuld was een gevolg van slechte oogsten en van verdrinckt stroo. Als pand voor de rente hadden zij onssen persoon ende goeden, have en erve gegeven. Het document is ondertekend door meier Peter Van Langenhove en Gillis Motmans, de bosmeester van de abdij.

Onderaan is nog vermeld dat het bedrag werd verminderd met 29 gulden 91/2 stuivers voor de levering van boter aan de abdij in 1576.

Volgens Joos hebben de aanleggers ten onrechte een restitutie of een betaling gevraagd. Hun klacht is niet ontvankelijk en hun eis dat hij de gerechtskosten zou betalen is dat evenmin.

Wat leert ons de brief van 1572? Dat Jan Van der Elst al in 1572 een lening was aangegaan en er een rente voor betaalde met het betwiste bos als onderpand.

22 maart 1622. Replycke van Anthoen en Ingel.

De reactie van de aanleggers bleef niet uit. Ze beweren nogmaals dat zij de eigenaars zijn en dat Joos ’t sijnen profijte hun hout heeft gestolen. Van de schepenbank verwachten ze dat die bepaalt wie de  eignaar was, zowel voor als na de afkapping. Ze zijn er zeker van dat de gedaagde in ’t minste en sal connen thoonen van sijnder sijde eenige possessie te hebben gehadt. Zijn afkapping was eene naeckte spolie[6]. Ze voegen er nog enkele argumenten aan toe:

-Het kan zijn dat Jan Van der Elst in 1572 de eigenaar was. Maar als hij nadien het bos nog bezat, dan zou hij hen zeker verboden hebben om dat hout te gebruiken.

– Ontkennen dat Gillies De Clerck een vroegere eigenaar was en ook de schadeloosstelling weigeren is ongehoord.

– Hun sterkste argument: al vele jaren gebruiken zij het hout van het bos, wat hun propriëteijt genoech aenwijst. Met hun lanckdurige possessie hebben sij (soo men seght) de panne metten steel.

15 november 1622. Duplycke van Joos Buggenhout.

Op zijn beurt wil Joos de argumenten van de tegenpartij weerleggen, want zij heeft egeene pertinente solutie gegeven. Niet Anthoen en Ingel, maar hij is de eigenaar want al meer dan 15 jaar heeft hij sijne hoornebeesten daerop geweijdt ende groenwaerde genooten. Hij aanvaardt hun stelling dat Jan Van der Elst ooit de eigenaar was, maar daaruit volgt dat hij, in naam van zijn echtgenote, Kathelijne Van der Elst, erfgenaam was van diezelfde Jan. Dat de aanleggers nu eens bewijzen dat zij het bos met recht van opvolging hebben verkregen. Dat hebben ze nog niet gedaan, integendeel zij soeken alle manieren te ontwercken van den selven titel te exiberen[7]. Sij hebben egeen recht ter wereld zich eigenaar te noemen.

9 mei 1623. Tussentijds vonnis.

Met een tussentijds vonnis lieten de wethouderen der poirt ende vrijheijt van Assche weten dat ze niet in staat zijn om tot een uitspraak te komen sonder ierst ende vooral informatie genomen te sijne op de feijten bij parijen geallegeert[8].

12 maart 1624. Joos Buggenhout brengt nieuwe feiten aan.

Omdat er in de rechtszaak geen schot komt, schrijft Joos op 13 januari 1624 een brief aan de Raad van Brabant en op 12 maart legt hij die aan de schepenbank voor. Het bos Den Houwelstock is belast met een jaarlijkse rente toebehorend aan Geertrui Van den Bossche, de moeder van Ingel. Hij meent nu dat Ingel vroeger er hout kapte als compensatie voor niet betaalde renten. Dat heeft hij aan enkele mensen verteld. Maar Anthoen, de andere aanlegger, heeft er nooit hout gekapt. Als bewijs voegde hij er volgend document aan toe:

Op 3 november 1572 bevestigden meier Gillis De Clercq en Robert Van der Eycken, Jan Van der Elst, Peter De Clercq, Joos De Clercq als laten van de H. Geesttafel van Meldert dat Jan Van der Elst en zijn vrouw Barbele Van Nuffel beloofden jaarlijks 5 gulden te betalen als erfelijke rente aan Peter Van der Jeught, zoon van Peter. Als onderpand gaven ze, zoals toen gebruikelijk was, een perceel land van 62 roeden, gelegen op het Pirenveld en grenzend aan het land van de abdij aan de ene zijde en met de andere zijde aan Peter Van der Elst van Moorsel, achteraan aan de weduwe Jan Van den Bossche en vooraan aan de straat. Ook een half bunder bos, ca 2 dagwand, Den Houwelstock geheten, gelegen tussen de goederen van de abdij en die van Jan Van der Elst. Ten derde nog een half dagwand land op het Zwanenveld, gelegen tussen de goederen van de abdij en die van Gillis Slerc. Wanneer de rente 14 dagen na de vervaldag nog niet is betaald, dan kon Peter Van der Jeught of na hem zijn erfgenamen commen slaen handt off handen aan de panden en er zoveel van wegnemen tot het bedrag van de rente.Wanneer Jan Van der Elst en Barbele Van Nuffel of na hen hun erfgenamen in staat zijn de lening af te lossen, dan moeten zij 80 gulden betalen.

Om uiteindelijk tot een oplossing te komen, nodigde Joos de schepenen van Asse uit om ooghsienelijck te demonstreren ’t goet daeraf. Hij bracht hen naar het bos en bezorgde hen een overzicht van wat er sedert 1572 met het bos gebeurde.

In 1572 gaf Jan Van der Elst het bos, samen met twee partijen land als onderpand voor een erfelijke lening aan Peter Van der Jeught. Louis Van der Jeught volgde Peter op en nu zijn het diens kinderen die recht hebben op de 5 gulden rente. Jan Van der Elst stierf kinderloos. Zijn nicht Cathelijne Van der Elst, de vrouw van Joos, was een erfgename samen met Anthoen De Clercq die erfde via zijn tante Barbara (Barbele) Van Nuffel. Samen hebben ze de 5 gulden rente betaald tot 1620, dat is enige maanden voor Joos het hout kapte.

Dat betwiste bos maakte al 30 jaar deel uit van een groter geheel. Dat andere deel (B op de tekening van Joos, zie hieronder) ligt ten oosten van Den Houwelstock (A op de tekening) en de ouders van Ingel Van den Driessche hebben dat ooit gekapt omdat zij daarop ook een rente betaalden. Maar 16 jaar geleden begon Ingel hout te kappen in A, het betwiste bos. Louis Van der Jeught eiste dan van hem dat hij de 5 gulden rente zou betalen. Ingel meende dat het geheel hem toekwam. Louis gebruikte dan het hout van Den Houwelstock zelf tot drie jaar geleden. Sindsdien heeft niemand de 2 dagwand (A) gehuurd omwille van de 5 gulden rente die erop rustte.

Toen 4 of 5 jaar geleden (!) het hout weer kapbaar was hebben Joos en Ingel hun erfenis (de 2 dagwand, A) met berrender keerssen verkocht aan Anthoen. Kort daarop verwierp Anthoen zijn aankoop omdat die van geender weerde was. Hij vroeg toen aan Joos om de helft van de achterstallige renten te betalen. Die was gezet op het bos en de twee partijen land, samen 3 d 12 r. Joos zou dan de helft van de rente hebben en dus ook de helft van het bos. Anthoen heeft dan een van de kinderen van Louis Van der Jeught naar Joos gezonden om de helft van de achterstallige renten te ontvangen. Joos betaalde 24 of 25 gulden, de rest betaalde Anthoen. Vermits die rente was gezet op 3 d 12 r waarvan  Joos 1 d 12 r zodat hij nog de helft van bos A, ca 44 r moest hebben en die 44 r heeft hij gekapt.

2 april 1624. Contrarie defentiën van Anthoen en Ingel.

Anthoen en Ingel reageren nog een laatste maal. Zij ontkennen ten stelligste dat Anthoen den questieusen bosch niet en souden hebben aengenomen als propriëtaris van den selven bosch. Of zij nu het bos door aankoop, erfenis of op een andere manier hebben verworven, dat heeft geen belang. Voor hen volstaat het dat zij eigenaars zijn en dus was de gedaagde niet georloft geweest hun in de selve possessie feijtelijck te commen turberen.

Besluit

Of de schepenbank een vonnis kon uitspreken, weten we (nog?) niet. Zonder officiële akten en zonder kadaster was dat een moeilijke opgave om een juist oordeel te vellen gezien de tegenstrijdige verklaringen. Ons komt het voor dat Joos Buggenhout wel de meest betrouwbare gegevens aanbracht. Iets voor een salomonsoordeel!

8 januari 1621 – Soude Hendrick schuldich wesen[1]?

Hendrick Van den Driessche, herbergier te Meldert en officier te Baardegem, huurde in 1618 een hofstede te Meldert van Gillis Verhasselt. De huurprijs bedroeg 32 gulden. Hendrick zat blijkbaar in moeilijkheden want hij liep een huurachterstand op van 23 gulden en er was nog meer aan de hand. Hij had nagelaten om voor sufficiënte borgstelling te zorgen en bovendien had hij nog twee appelbomen getrunckt op de forme gelijck men een wilg soude truncken. Voor Gillis Verhasselt waren dat voldoende redenen om de huur op te zeggen, maar Hendrick weigerde te vertrekken zodat Gillis zich genoodzaakt zag zich tot de schepenbank van Asse te wenden. Hij wil van de schepenen bekomen dat ze Hendrick verplichten de huurvoorwaarden na te komen.

Op 8 januari 1621 kreeg Hendrick te horen dat hij geen recht heeft op de hoeve en op al wat er daar te vinden is.

24 januari 1621. Een huurcontract.

Op 24 januari 1621 ondertekende Gillis Van den Wijngaert een contract voor de huur van een woonhuijs met eenen coollochtinge gelegen op Den grootten Domentschen Dries. Het was eigendom van Ingel Huijghe. Het contract gold voor 6 jaar en de prijs bedroeg 12 Rg, te betalen op 21 januari en dat vanaf 1622. Voor het lopende jaar moest hij met Kerstmis 12 Rg betalen. Gillis Van Onchem en Geraard De Grom waren de getuigen, Gillis handtekende met een merkteken.

17 juli 1624. Ruzie om Het Schuerbeke[2].

Toen Jan Van Ghete (Van Gete, Van Geite) en zijn vrouw Anna Van den Meerssche hun hofstede en 75 roeden land aan hun zonen nalieten, konden zij wellicht niet vermoeden dat hun erfenis aanleiding zou geven tot bijna een halve eeuw ruzie. Hun hoeve, Het Schuerbeke genoemd, was een half bunder groot en lag in het gehucht Klaarhaag grenzend aan de goederen van de abdij, aan dat van de weduwe en de erfgenamen van Bartolomeus De Rycke en aan de straat. Na hun dood kwam hun hofstede in het bezit van twee zonen Jacob (Jacques) en Jan, elk voor de helft. Omdat er na hen nog meerdere nakomelingen met de naam Jan en Jacob voorkomen, hebben we omwille van de duidelijkhied die namen genummerd. Jan I was de man van Anna Van den Meerssche. Hun zonen zijn Jan II en Jacob I. Jan II trouwde met Marie Sherts en kocht 1 dagwand land gelegen op het Schuerbekeveld. Van hen kennen we een zoon, namelijk Jan III. Na de dood van Marie hertrouwde Jan II met Josijne Shuijghs en samen konden ze de andere helft van de boerderij van Jacob I kopen. Blijkbaar was die in financiële nood geraakt door de troublen ende quaden tijt. Hun zoon is Jacob II. Jan II sterft als eerste en na de dood van Josijne zou de boerderij waarschijnlijk onder de twee zonen worden verdeeld, maar het liep anders. Jacob II was noch jonck van jaeren ende noch eene weese die de koijen was wachtende en de oudere broer Jan III profiteerde van het feit dat zijn halfbroer nog een kind was en heeft goederen aengeslaegen ende de selve blijven gebruijcken gelijck hij ’t selve alsnoch jegenwoordelijck is doende. Het ging om de hoeve, 1 d en 75 r land. Wanneer dat precies gebeurde kunnen we uit de stukken niet opmaken, maar het eigengereid optreden van Jan III was de aanleiding tot een proces voor de schepenbank van Asse dat meerdere jaren duurde. Het verloop van het proces was moeilijk te volgen daar er stukken ontbraken. Dat telkens dezelfde voornaam Jan opdook, vereenvoudigde de teksten niet. Daarom geven we onderaan de vier generaties, betrokken in het proces, schematisch weer[3].

De klacht van Jacob II.

Het eerste stuk uit de bundel is het versuecke van Jacob II, de aanlegger, aan de schepenbank om enkele getuigen te verhoren. Jacob II is dan 77 jaar en landmeter te Moorsel. De aanklacht was al vroeger ingediend, maar ontbreekt in de bundel. Als gevolg van dat verzoek verhoorden meier Arnouldt Adriani en schepen Gijsbrecht Van der Borght van de schepenbank van Asse op 17 juli 1624 drie getuigen. De meier en de schepenen wilden nagaan of Jan III, de oudere halfbroer, de boerderij en de twee percelen land van hun vader ten onrechte had ingepalmd.

De eerste getuige was Charles Van den Meerssche, pastoor te Gijzegem en 84 jaar. De pastoor weet dat de grootvader van Jan III en Jacob II de hoeve “Het Schuerbee” bezat, want hij heeft er nog gelogeerd. Na de dood van Jan I ging de hofstede naar Jan II en zijn broer Jacob I. Vele jaren geleden heeft hij eens een document in handen gehad waaruit bleek dat Jacob I zijn deel van de hofstede had verpacht aan zijn broer Jan II.

De tweede getuige was Jan De Wolf, een pachter van Moorsel, 50 jaar. Ook hij heeft Jan II en zijn vrouw gekend en hij weet nog dat Jan II 1 dagwand land op het Schuerbekeveld kocht van Margriete Beeckmans, die Margriete Stevens werd genoemd. Na de dood van Josijne, de tweede vrouw van Jan II, heeft de oudste zoon, Jan III, de gedaagde in dit proces, de vermelde goederen aangeslagen en hij heeft ze nog.

Anthoen Cooreman, de derde getuige, is ook een landbouwer van Moorsel. Hij is 56 jaar. Over Jan II vertelde hij dat die vuijt den boesem van sijne ouders was gebruijckende en besittende de halve hofstede en 75 roeden land. De andere helft heeft hij met zijn tweede vrouw Josijne gekocht van zijn broer Jacob I. De gedaagde, Jan III is tegenwoordig in het bezuit van al die goederen.

Een nieuwe wending in het proces.

Op 27 januari 1628 sloten Peter Cooreman en Jan Van Ghete een overeenkomst. Peter, een inwoner van Baardegem wou zijn aandeel in Het Schuerbeke, dat via zijn vrouw in hun bezit was gekomen, verkopen aan Jan.Wie was die Jan Van Ghete? Als Jacob II in 1624 het verzoek om getuigen te verhoren bij de scepenbank indiende, was hij al 77 jaar en zijn halfbroer, Jan III, was nog ouder. Die oderdom laat ons toe te veronderstellen dat beiden in 1628 al overleden waren In dat geval kon Peter Cooreman een schoonzoon zijn van Jan III en bezat hij een deel van diens erfenis. De koper, Jan IV kan dan een zoon zijn van Jan III die zijn aandeel wou uitbreiden. Maar hij kon ook een zoon zijn van Jacob II die een deel van zijn vaders goederen op die manier terug wou.

Drie dagen later maakten Peter Cooreman en Jan IV hun overeenkomst officieel door samen met Joos Van Langenhove voor notaris Arnouldt Adriani en de laten van het laathof Ter Borght van Baardegem te verschijnen. De verkoop behelsde de helft van de hofstede aan Jan en zijn vrouw Anna Brants. Peter Cooreman toont aan de notaris seker geschrift dat bewijst dat hij op 17 januari 1608 die hofstede verkocht heeft aan JanVan Ghete. Wie die Jan was blijft voorlopig onduidelijk.

Vijf maanden later, op 28 juni1628, werd de akte verleden door notaris Adriani geregistreerd door de laatbank van Ter Borght, de laatbank van Joncker Jacques Borluijt, filius Jacques. Adriaan Van Langenhove, man van Margriete Van Ghete, was de griffier. Voor de laatbank waren meier Jan Van Langenhove, Jan Van Bisen en Jan Beeckmans aanwezig.

Een nieuwe Jan Van Ghete

Om de zaak nog ingewikkelder te maken dook in 1631 een Jan op die zich verzette tegen de toe-eigening van de hofstede na Jan III door zijn kinderen, namelijk Peter Van Ghete die bijgestaan werd door Peter Van Langenhove, de man en voogd van Jenneken Van Ghete, Michiel Degdemaeckers, man en voogd van Marie Van Ghete, Jan Steenman, man en voogd van Barbara Van Ghete en Adriaan Van Langenhove, de man en voogd van Margriet Van Ghete.

Deze Jan IV is dan een zoon van Jacob II. Hij weerlegt de argumenten van de kinderen van Jan III:

– Dat Jacob II zijn deel van de hoeve aan hun vader, Jan III heeft verkocht, is niet waar.

– Dat hun vader de hoeve al over dertich, veertich ende meer jaeren altijt als zijn eijgen ende propre goet heeft in gebruijckt ende gepossideert betekentniet dat hij de eigenaar was.

Datde klacht van 1624 volgens hen waardeloos is omdat Jacob II toen al te seer oudt ende kints was is abusivelijck want leden van sulckenen ouderdom ordinaire noch sijn thunnen leste verstande.

Er volgde nog een reactie van Jan IV. Op 28 oktober 1631 daagt hij zijn aanklagers uit om met schriftelijke bewijzen te komen.

Besluit

De onvolledige bundel en de meerdere namen Jan Van Ghete maakten dat het verloop van het proces moeilijk te volgen was. Gezien het tijdstip, eind 16de en begin 17de eeuw, boden de parochieregisters geen hulp om de gezinnen te reconstrueren. Toch was het interessant om na te gaan hoe een erfeniskwestie decennia lang een familie kon verdelen.

16 september 1625. Krijgt de langstlevende alles[1].

Steven De Hooghe bezat een hoeve van 1 dagwand op het Dorp te Meldert, palende aan het goed van Geert Vermatten en aan de Sollendries. Hij was getrouwd met Josijne De Middeleere, maar het huwelijk bleef kinderloos. Hij overleed sonder hoir van sijnen lijf achter gelaten te hebben. Het bedrijf werd gesplitst: zijn weduwe, Josijne, kreeg de helft en de andere helft ging naar Jacquemijne, het enig kind van zijn overleden broer Jan. Josijne was tochteresse van die helft. Ze hertrouwde met Lenaert Van der Heijden. De problemen begonnen na het overlijden van Josijne. Hendrik Segers, de man van Jacquemijne, eiste nu het volledig bezit op van Jacquemijnes deel. Maar Lenaert bleef de hoffstadt int geheele besittende sonder van den voorschreven helfft te willen afstaen. Om tot een oplossing te komen, daagde Hendrik Lenaert voor de schepenbank van Asse. Van de schepenen verwachtte hij dat ze Lenaert zouden verplichten Jacquemijnes deel af te staan en ook alle vruchten, baten ende prouffijten die hij genoot sinds de dood van Josijne. Bovendien wilde hij inzage van alle documenten van Steven De Hooghe, die Lenaert in zijn bezit had.

Lenaert antwoordde op 16 september 1625. Hij ontkende dat na de dood van Steven de boerderij werd gesplitst. Dat kon niet omdat het Godthuijs van Affligem op het hof een cijns hief wat, zo beweerde hij, inhield dat het goed van de ene langstlevende op de andere langstlevende overging. Zijn vrouw erfde, als langstlevende de gehele boerderij en na haar dood kwam ze hem toe. Hendrik Segers had er geen enkel recht op. Hij beschikte wel over twee documenten van Steven De Hooghe. Het eerste document is een akte van 5 december 1594 en is opgesteld door de meier en de laten van de abdij en handelt over de helft van de boerderij, wat dus in tegenspraak is met zijn bewering dat er nooit een splitsing was. Het tweede document dateert van 11 december 1517 en is ook verleden door de schepenen van de abdij in hun laathof van Baardegem.

Het laatste document uit de bundel is de herhaalde vraag van Hendrik Segers om acces te hebben om inspectie genomen te worden van de twee brieven.

3 juni 1642. De hoeve bij het Oensbosch[2].

Jan Mannaert trouwde 24 juli 1629 met Margaretha Blanckaert. Zij kregen twee kinderen, Jan gedoopt op 23 oktober 1629 en Petrus, gedoopt op 9 januari 1634. Het echtpaar bezat een hofstede aan Den Oensbosch waar voordien een bos was. De hoeve grensde aan het Duivelsveld en aan Peter Van den Bossche en Joos Van den Houte. Na de dood van Jan werd de hoeve gesplitst in twee: de helft ging naar zijn weduwe Margaretha Blanckaert en de andere helft naar Paesschijne Altssteen (Haltssteen of Halsteen) en haar man Gillis (Egidius) De Nil. Over hun huwelijk vinden we in de parochieregisters geen spoor.

Na de dood van Jan Mannaert hertrouwde Margaretha met Joos Van den Houte op 9 april 1640. In het nieuwe gezin werden nog twee kinderen geboren: Michael, gedoopt op 23 oktober 1641 en Judocus, gedoopt op 20 april 1644. Gillis De Nil en Paesschijne Altssteen hadden ook twee kinderen: Lieven en Peter. Gillis hertrouwde na de dood van Paesschijne met Elisabeth Van den Berghe. Na de dood van Margaretha Blanckaert ontstond er een familieruzie. Haar deel kwam toen toe aan haar kinderen, maar Gillis De Nil die de hele boerderij beheerde wou het andere deel niet afstaan. Uiteindelijk kwam het tot een schikking tussen Joos Van den Houte die optrad voor de kinderen van Margaretha en Jan Mannaert en Gillis De Nil als voogd voor zijn kinderen met Paesschijne. De overeenkomst int minnelijck met malcanderen overcommen werd voorgelegd aan de stadhouder en de leenmannen van het Godthuijs van Affligem[3]. In die overeenkomst was bepaald dat Gillis afstand zou doen van de Margaretha’s deel, dat beide partijen, Joos en Gillis, binnen de zes weken het contract door de kinderen moesten laten goedkeuren en dat het ook ter goedkeuring werd voorgelegd aan de wethouders van Asse als overmomboiren (voogden). De kosten van het proces werden verdeeld over beiden.

De voogden voor de kinderen van Margaretha, Jan Blanckaert en Simoen Moyersoen ondertekenden op 7 juni 1641, maar Gillis echter maakte geen aanstalten om zijn kinderen het contract te laten tekenen en omdat hij in faulte is gebleven zag Joos zich verplicht in te treden den wech van rechte enzich tot de schepenbank van Asse te wenden. Op die aenspraecke reageerde Gillis op 18 november 1642 met het meest gebruikte argument: niet ik maar Joos is de verplichtingen niet nagekomen, want hij zelf is bereet het selve contract van sijne sijde te voldoen voor soo vele hem is mogelijck soo haest als hij aenlegger (Joos) van sijne sijde het selve sal hebben voldaen.

We zijn al de 25ste februari 1643 als Joos Van den Houte een replycke geeft op het antwoord van Gillis. Hij stelt dat de gedaagde, Gillis, van de griffier, in de plaats van een kopie, de twee originele stukken heeft meegekregen en die nu al maanden achterhoudt. Zijn advocaat zal hun toezegging nog eens bevestigen en hij is bereid om andermaal voor de schepenbank te verschijnen om zijn akkoord te herhalen, maar dan wel op voorwaarde dat de bijkomende kosten voor Gillis zijn omdat die door zijn frivoliteijt ontkentenisse ende impertinentie verantwoordelijk is voor de bijkomende last.

Op 25 februari 1643 keurden de overmeier en de schepenen van de Vrijheid van Asse de transactie van de helft van de boerderij, die Gillis ten onrechte in bezit had, goed zodat Gillis niet anders kan dan het contract te ondertekenen. Maar de bijkomende kosten van het proces wil hij niet betalen. Niet hij maar Joos heeft gereageerd alvorens hij de overeenkomst kon goedkeuren en in dat geval moet hijj de kosten betalen. Hij weerlegt ook dat zijn advocaat de twee originele stukken zou hebben meegenomen. In een latere reactie gaat Gillis nog een stap verder en beweert hij dat Joos de documenten heeft laten antidateren. Op 1 december 1643, na drie jaar procederen; maakten de schepenen hun besluit bekend: naer voorgaende advies van geleerde en meesters in de rechten. Ze kunnen geen vonnis vellen omdat de beide partijen eerst nog moeten verklaren dat wijlen Paesschijne Halststeen van Gillis geen andere kinderen heeft gehad dan Lieven en Peter De Nil.

30 maart 1645. Gouden ringen aan de cleerschapprije[4].

Gillis Plas was koster en schoolmeester. Dom Wilfried Verleyen vermeldt hem in zijn boek over Meldert als koster in 1634, 1635, 1636 en 1648 met de opmerking dat hij zijn taak als schoolmeester verwaarloosde, maar later toch beter onderwijs gaf. Hij trouwde met Jenneken (= Johanna) Van Andenhoven (ook Van Handenhoven) uit Wieze. Voor hun trouw in 1634 kocht Jenneken eene coetse met eene garderobe voor eene somme van vijfftich rinsgulden ende acht stuyvers. Jenneken betaalde 48 gulden, maar niet de resterende 2 gulden 8 stuivers omdat volgens haar de verkoper, Jan Van den Nest, een schrijnwerker uit Dendermonde in de cleerschapprije moest steken copere vergulde ringhen tot verciersel off stoffeersel der selve schapparije, wat hij niet had gedaan. We mogen wel veronderstellen dat Van den Nest herhaaldelijk trachtte om aan het resterende bedrag te komen, maar Jenneken betaalde niet. Uiteindelijk diende hij een klacht in bij de schepenbank van Asse. Wanneer dat precies gebeurde weten we niet, want de bundel is onvolledig, de klacht ontbreekt, maar er zijn nog voldoende stukken om het verloop van het proces te volgen.

In zijn replycke,zijn antwoord op de reactie van Gillis Plas en zijn vrouw, verklaarde Jan dat Jenneken na haar huwelijk tweemaal 24 gulden betaalde in aanwezigheid van Jan Doornix omdat Jenneken qualijck geld kende ende conde tellen. Bleef nog te betalen 2 g 8 st of 1 pattacon[5]. Ook na de dood van Jenneken weigerde Gillis de pattacon te betalen. De argumenten die hij aanvoerde zijn waardeloze bewijzen, vond Van den Nest. Ze dienden tot niets zoals het vijffde rat totten waegen. Zo beweerdeGillis dat de schrijnwerker berooft van sinnen is. Maar het tegendeel is waar want hij heeft vernomen dat Gillis berooft van sinnen is. Voor zijn tweede argument steunde Gillis op het placcaert van hooghoffelijck memorie van wijlen den keijser Carel den vijffden. Volgensdat plakkaat[6], dat verkopen regelde, viel het geëiste bedrag niet onder coopmanschap omdat de geleverde goederen niet in goede staat waren gezien de ontbrekende vergulde ringen. Maar Gillis was niet aanwezig bij de aankoop van de koets en dus kon hij dat niet weten. Tot hiertoe heeft het proces hem al 5 g 11 st gekost, maar hij is een man van eer met een goede naam die zijn ambacht verdedigt. Daarom is hij bereid een eed te doen dat al wat bij beweert waerachtich is.

Met een dyplycke reageerde Arnoult Adriani, de advocaat van Gillis Plas, op de replycke van Van den Nest. Die heeft de koets niet aan Jenneken verkocht, waerachtich is dat Jan Doornix de koper was. Zijn vrouw was de zus van Jenneken want zij zouden in 1634 ook trouwen. Die koop is gesloten op conditie dat er vergulde koperen ringen in de schapraai zouden steken. Als dat niet het geval was dan zou de koopsom slechts 48 gulden bedragen. Dat kunnen Jan Doornix en zijn vrouw, wijsene luijden met eere, getuigen en dat zullen ze affsweeren onder eedt.

Ook al liepen voor Jan Van de Nest de proceskosten al hoger op dan het bedrag dat hij kon recupereren, hij bleef verder procederen met een triplycke op 21 november 1645. Jenneken heeft wel degelijk de koets met garderobe gekocht want zij spraeck met haeren mondt dat zij de pattacon zou betalen. Het getuigenis van Jan Doonix is niet geldig, vindt hij. Als schoonbroer is hij te naer maeschap. Het plakkaat van keizer Karel, waarop Gillis zich steunde om de pattacon niet te betalen, slaat niet op een schuld en is dus niet van toepassing. Hij getuigt nog eens dat hij is gereputeerd binnen den stede van Dendermonde ende alomme elders.

Versueck van Gillis Plas. Op 23 mei 1645 diende Gillis nog een verzoek in bij de schepenbank. Het is hem opgevallen dat de advocaat van Van den Nest, Charles Van der Slachmolen, nergens heeft bevestigd dat hij door Van den Nest is aangesteld om zijn zaak te bepleiten. Van die aanstelling wil hij officieel op de hoogte worden gebracht en hij wil ook de schriftelijke bewijzen van de aanklacht zien.

Om zijn zaak kracht bij te zetten verscheen Jan Van den Nest op 15 november 1645 voor notaris Joos Impens te Dendermonde om in handen mijns notaris onder eed te verklaren dat hij in het proces ter goeder trouwen ende in sijne consciëntie niet beters weet off hij is daerinne wel gefondeert. Bovendien draagt hij zijn advocaat Van der Slachmolen op om, indien nodig dezelfde eed voor hof, wet ende vierschaere af te leggen.

Susteringhe van Jan Van den Nest. Gewapend met de akte van de notaris reageert Van den Nest op een nieuw verzoek van Gillis Plas van 19 juni 1646. Dat frivolen ongefundeerden versuecke diende alleen maar om het proces te laten aanslepen.

Responderinghe van Gillis Plas. De advocaat van Gillis, Arnoult Adriani, greep de “susteringhe” van Jan Van den Nest aan om op 19 oktober 1646 alle argumenten van de tegenpartij te weerleggen.

Verbael van de schepenbank. Op 23 januari 1647, 13 jaar na de verkoop, kwam de schepenbank in actie. De schepenen Peter Van Mulders en Arnoult Adriani (voorheen advocaat van Gillis Plas) ondervroegen enkele getuigen. De eerste die aan het woord kwam, was Peter Mesquin, 40 jaar en smid. Hij legde de eed af bij Guillam Van Langenhove, de vorster van het Land van Asse. In de winter van 1634 is de vrouw van Jan Doornix, inwoonster van Wieze, bij hem thuis geweest samen met de voorsone van Gillis Plas. Zij wou de jongen naar zijn thuis brengen. Daar het zeer koud was, had hij doen aenleggen eenen mutsaert om hun te wermen. Zo bij het vuur zittend op de bierbanck kwam het proces ter sprake. De vrouw van Jan Doornix zei toen dat Van den Nest de vergulde ringen, die Jenneken had gevraagd, niet had geleverd.

Cathelijne Vergillis, de 32-jarige vrouw van Peter Mesquin, getuigde als tweede. Zij herhaalde wat haar man had gezegd en voegde eraan toe dat ze bereid was om naar Dendermonde te gaan om aan Van den Nest te vragen of hij hem niet en schaemde den voorschreven pattacon te heijsschen door dien hij de voorschreven ringen niet en hadde geleverd.

De schepenen Peter Van Mulders en Jan Tsas ontvingen op 15 februari 1647 Carel Van der Slachmolen en Jan Van den Nest. Zij wraakten Jan Doornix, de zwager van Gillis Plas, als getuige. Een zekere Bisschop, daar ook aanwezig, voerde aan dat zowel de vrouw van Jan Doornix en Jenneken Van Andenhoven en hun kinderen waren overleden. Dat argument was voor de schepenen voldoende om Jan Doornix toch te ondervragen. De 49-jarige Doornix verklaarde dat de koets en de garderobe niet door Jenneken en Gillis waren gekocht, maar door hem en zijn vrouw. Meester Jan Van Grootendaele, chirurgijn te Dendermonde, had zich borg gesteld voor die aankoop. Hij betaalde 48 gulden bovenop het vertier in de Gouden Leeuw te Dendermonde. De koets was wel bedoeld voor Jenneken, de zus van zijn vrouw. Het geld kwam van Jenneken als betaling voor seker leengoed. Nadien had hij nog horen zeggen, zowel van Jenneken als van Jan Van den Nest, dat er 6 vergulde ringen bij de garderobe moesten zijn die 1 pattacon zouden kosten.

Responderinghe van Jan Van den Nest. Zoals te verwachten was, volgde er op 5 februari 1647 nog een reactie van Van den Nest bij de schepenen Jan T’ Sas, Peter Van Mulders en Steven Van de Velde. De koop werd met Jenneken gesloten omdat hij met Jan Doornix niet tot een akkoord kwam.

Decisie van de schepenen. Uiteindelijk reageren de schepenen. Volgens hen moest er een antwoord komen op drie vragen:

1 Is de eis tot betaling van 1 pattacon gerechtvaardigd?

2 Is het plakkaat van keizer Karel van toepassing op deze zaak?

3 Heeft de aanlegger de 6 gulden ringen beloofd?

Uit voorgaande bleek volgens de schepenen:

1 Dat gedaagde Gillis heeft moeten toegeven dat zijn vrouw de koets en garderobe had gekocht voor 50 g en 8st en daarvoor al 48 g had betaald.

2 In het schuldenboek van aanlegger Jan was te zien dat nog 1 pattacon moest worden betaald. Pleit ook voor de aanlegger dat hij is presenteerende sijnen deugdelijcken eedt.

3 Het plakkaat van de keizer is niet van toepassing, want de gedaagde zegt al een som betaald te hebben.

4De Gedaagde had de garderobe niet mogen aanvaarden toen bleek dat, zoals hij had gevraagd, de vergulde ringen niet in de garderobe zaten.

5 Wat Peter Mesquin en zijn vrouw getuigden, wisten ze van horen zeggen. Maar van hooren seggen lieght veele. Peter beweerde ook dat Van den Nest had gezegd dat de ringen maar 2 blanken[7] kosten, wat niet waar is, ze kosten12 stuivers.

6 Het is duidelijk dat Jan Doornix zijn schoonbroer met zijn getuigenis heeft willen helpen.

Daarom besluiten ze dat aanlegger Van den Nest recht heeft op de ontbrekende som van 2 g 8 st en dat de gedaagde Gillis Plas de proceskosten moet betalen.

Besluit

Drie zaken vallen op. Ten eerste dat de schepenen pas na jaren procederen, getuigen oproepen en dan tot een vonnis komen. Het is ook merkwaardig hoe sommige namen steeds terugkomen: Van der Slachmolen, Adriani …

In dit proces trad Adriani eerst op als advocaat en nadien als schepen, Van der Slachmolen als advocaat en overmeier van het Land van Asse. Ten slotte valt ook de verbetenheid van Jan Van den Nest op. Jaren bleef hij procederen omwille van zijn eer en van zijn ambacht, zelfs al liepen de kosten hoger op dan wat hij kon winnen.

25 juli 1652. Reijden over besaijden velde[8].

Peter De Craecker was zo vermetel om drie bomen te planten aan de straat lopende van Meldert naar het Kravaal (de Putstraat?). De achterliggende akkers huurde hij van de abdij. Maar hij had daarvoor geen toelating en omwille van sijne usurpatie ende temerariteijt (onbezonnenheid) kreeg hij een eerste amende. De barones van Jauche, de Vrouwe van en tot Asse, had er eveneens bomen laten planten, maar of zij een amende kreeg, wordt niet vermeld.

Peter beging echter nog een overtreding. In de Goede Week reed hij met paarden en wagen op een voetweg en over bezaaide akkers op De Hoevekouter[9]. Hij was op weg naar zijn dochter in Opwijk en koos blijkbaar voor de kortste weg. De officier van Baardegem kreeg daarover meerdere klachten en meldde het voorval aan de meier en die veroordeelde Peter tot eene pene van drije rinsguldens.

In Meldert kwam er in de eerste helft van de 17de eeuw één Peter De Craecker voor, getrouwd met Catharina De Brandt. Zij hadden zes kinderen:

Jacoba, °17 juni 1629, Egidius, °13 maart 1632, Maria, °7 maart 1634, Adriana, °6 november 1636, Anna, °6 mei 1638, Petrus, ° 27 februari 1642.

24 maart 1656. Jan Herman: metten minne geene betaelinghe[10].

Jan Herman ( Heremans), vergezeld van Jan Pardoens, kocht op 24 maart 1656 te Aalst bij Joanna De Man, weduwe van Franchoijs Van Haelen de volgende goederen:

– 2 ¾ ellen laken aan 13 schellingen een el.

– 4 dozijn knopen aan 5 groten het dozijn.

1 trekdraad en 10 ellen lint aan 5 groten 8 schellingen.

1 paar kousen aan 36 stuivers.

In het totaal had hij voor 2 ponden 9 schellingen 5 groten[11] gekocht. Na de verdeling van de erfenis van Franchoijs Van Halen was zijn handboek terecht gekomen in handen van Romein De Craeckere, ontvanger van Aalst. Die stelde vast dat de aankoop van Jan Herman nog niet was betaald. Nadat er metter minne geene betaelinghe volgde, richtte hij zich tot de schepenbank van Asse met de vraag om Jan Herman te veroordelen tot de betaling van de ontbrekende som.

26 september 1657. Gij sult mij bier tappen voor mijn gelt[1].

In opdracht van Johannes Charles Crabeels, hoofdmeier van het Land van Asse, ondervroegen de schepenen Bisschop en Gillis Breem drie getuigen van een vechtpartij op 26 september 1657 in de wijk Klaarhaag. Het vechten ontstond op een woensdagavond in de herberg van brouwer Joos De Wolf en zijn vrouw Anthonijne Van den Meerssche. Nadat enkele mannen behoorlijk veel hadden gedronken, kwam er ruzie over het bedrag van het gelag en het eindigde met stokslagen en zelfs met een messteek.

De eerste getuige was de waardin Anthonijne, 45 jaar. Zij legde de eed af bij officier Anthoen Van Ransbeke. Volgens haar relaas waren die woensdagavond Andries Van den Meerssche, officier van Moorsel, Christiaan Peters en anderen in haar herberg verzameld. Joos De Meersman, zoon van Joos, en Adriaan De Kegel kwamen later binnen en veroorzaakten onmiddellijk tumult. Joos vroeg Anthonijne om brandewijn te schenken, wat zij weigerde omdat haar brandewijn niet en dochte. De twee laatkomers dronken dan maar bier tot de tante zei dat zij wel een maat brandewijn wou schenken om Joos te plezieren. Het gevolg was dat Joos brandewijn bleef vragen en zelfs de anderen trakteerde. Toen hij eindelijk de rekening vroeg en Anthonijne hem antwoordde dat zij voor zijn gelag 5 stuivers 1 oord vroeg, begon Joos te fulmineren ende crackeel te soeken seggende dat sij hem te veele wilde doen geven. In zijn woede gooide hij een bierpot en twee glazen stuk op de vloer en stampte met een voet op de schapraai. Adriaan De Kegel volgde zijn voorbeeld en smeet ook een pot en twee glazen op de vloer stuk. Tegelijkertijd hebbende seer leelijck gevloeckt soo bij de duivels als bij Godt en brachten ze iedereen in roeren ende groote vervaertheijt. Joos riep nog blaest het licht vuijt, wat de waardin kon verhinderen. Dan sprong Adriaan met zijn landmeterstok op de tafel. Op het rumoer en getier kwamen de knechten van Joos De Wolf uit de keuken gelopen met clippels, stokken. Joos De Meersman liep wijselijk naar buiten en Adriaan, die nog van de tafel viel, volgde zijn voorbeeld.

De smid Christiaan Peters, 30 jaar en smid te Moorsel, getuigde als tweede. Hij schetste een vollediger beeld van die woelige avond. Hij had gezien dat Joos De Meersman en Adriaan De Kegel brandewijn dronken en toen hij voor hun consumpties 5 stuivers 1 oord moest betalen, riep hij dat Anthonijne was liegende off dat het soo veele niet en was. Hij bleef dat maar herhalen waarop zij hem verweet dat hij alleen maer crackeel en sochte. Een woeste Joos gooide een stoel op de vloer en Adriaan gaf Anthonijne een kaakslag. Dat had hij beter niet gedaan, want zij haalde een bank uit de keuken en sloeg er Adriaan mee in zijn gezicht in sulcker vueghen dat sij daermede het vel van sijnen neus was in stucken slaende ende dat hij wat was bloedende. De dochter, die ondertussen was binnengekomen, nam een stang uit de schouw om De Kegel daarmee te lijf te gaan, wat getuige Christiaan kon verhinderen en hij en Andries Van den Meerssche waarschuwden de ruziemakers zich koest te houden of zij souden hun vuijt slaen. Voor De Meersman was dat voldoende om te kalmeren en om peijs te maecken onder malcanderen liet hij van bij zijn thuis een mutsaard halen en de waardin bier tappen. Nadat zij nog vijf potten bier, ’t sij min off meer, hadden gedronken, weigerde Anthonijne nog meer bier te schenken, want het was al na middernacht. De Meersman bleef moeilijk doen: gij sult mij bier tappen voor mijn gelt off de duivel salt halen. Zij schonk dus nog bier, wat tot meer moeilijkheden leidde. Joos en Adriaan smeten een bierpot en twee glazen op de grond. Toen Adriaan op de tafel sprong, vertrok Joos met zijn vrouw. Christiaan zag dan dat brouwer Joos De Wolf met zijn zus Gudula en de knecht van hun vader, elk met een stok in de hand, binnen kwamen. De Kegel kreeg zo’n slag dat hij tussen de tafel en de bank tuimelde en probeerde buiten te komen. Maar hij had een lanck bloot mes in sijne handen en stak ermee in de mouw van Christiaan. Die vroeg hem waarom hij hem stak. Adriaan antwoordde dat hij het niet op hem had gemunt. Dan sloeg de knecht hem tweemaal in zij zijde en riep hem toe: gij sijt eenen korffdraeger. Die repliceerde: gij sijt een hond.

De derde getuige was Marie, de 25-jarige meid van Joos De Wolf. Zij bevestigde de verklaring van Christiaan Peters. Zij had ook gezien dat Adriaan sijn mes langen tijt te sien hebbende in sijne handen en toen hij het mes weggooide heeft hij haar vinger gekwetst.

In het Gezinnenboek Moorsel van D. Aelbrecht vonden we het gezin van Joos De Wolf. Hij en Anthonijne Van den Meerssche trouwden te Moorsel op 4 oktober 1635. Zij kregen12 kinderen die allemaal in Moorsel werden gedoopt:

1 Jan, °07 -07-1636, peter Johannes De Wolf, meter Martina Vinck.

2 Gudula, °14-01-1638, peter Judocus De Wolf, meter Gudula Van Langenhove.

3 Adriaan, °06-04-1640, peter Adrianus Van den Meerssche, meter Adriana Van den Bossche.

4 Anna, °09-02-1642, peter Anthonius Van Boven, meter Anna Van der Meerssche.

5 Michael, °05-12-1643, peter Michael Coremans, meter Judoca Crakers.

6 Paschasius, °17-12-1645, peter Paschasius De Wolf, meter Margareta Coremans.

7 Anna, °23-10-1646, peter Joannes Van Biesen, meter Anna Van de Storme.

8 Egidius, °29-10-1648, peter Egidius Van den Meerssche, meter Anna De Wolf.

9 Maria, °12-05-1650, peter Gerardus De Rob, meter Maria De Beijcker.

10 Judocus, °15-03-1652, peter Judocus Ancheau, meter Martina Van den Meerssche.

11 Cornelius, °06-11-1653, peter Cornelius Van den Meerssche, meter Paula Verdoodt.

12 Martinus, °18-10-1656, peter Judocus Van den Meerssche, meter Anna De Wolf.

13 mei 1658. Seer scandaleuse sitten sijn …. op den wech[2].

Hoofdmeier Crabeels liet enkele getuigen van een zeer bizar voorval op 13 april 1658 ondervragen door Peter Schelkens en schepen Gillis Breem.

Enkele tevoren, op een donderdag stapte Peter De Schoenmaker, een dove inwoner van Moorsel, maar afkomstig van Merchtem, van De Klaarhaag naar Kokerij. Aan de dries gekomen deed hij zijn schoenmakerskorf af en hurkte tegen de hofstede van Gillis Carnoy om achterwaerts te gaen. Toen hij wou rechtstaan, viel hij achterover, wat Joos De Nil, een toevallige passant, deed uitroepen: Peter valt daer in sijne vuijlicheijt. Peter Pauwels, de ondermeier van Affligem, kwam daar ook voorbij en die greep Peters korf en wandelde ermee weg. Met eene haesticheijt stond de schoenmaker op en liep Pauwels achterna, nog met sijn hemslippe op sijn broecke. Bij de ondermeier gekomen, rukte hij de korf van zijn rug. Pauwels gaf zich niet gewonnen. Het werd daar een trekken en duwen tot Pauwels zijn roer, zijn klein musket, nam en zijn tegenstander er herhaaldelijk mee stootte.  Tot de dove Peter het wapen kon grijpen en Pauwels een ferme klap op zijn hoofd gaf. Die vluchtte weg naar de Zurenmeerskouter, achternagezeten door de schoenlapper. Tot zover het relaas van de eerste getuigen Joos De Nil. Hij was de zoon van Joos, handwerker en 53 jaar. Hij legde de eed af in de handen van vorster Hendrik Van Innichoven. Wat er op de zurenmeerskouter gebeurde, heeft Joos niet gezien, wel zag hij korte tijd nadien dat Anthon Van Ransbeke, geholpen door Gillis Van den Wijngaerde en Peter Meskens een ernstig gekwetste Peter Pauwels naar het huis van Meskens bracht. Joos tekende zijn getuigenverslag met een X.

De smid Peter Meskens, 47 jaar en tweede getuige, verklaarde dat op die bewuste donderdagnamiddag de knecht van de weeskinderen van Gillis Carnoy naar zijn huis kwam gelopen en tegen hem en de officier Van Ransbeke zei dat de dove Peter de Schoenmaker een dode man had gezien. Zij liepen naar de aangeduide plaats en vonden daar Peter Pauwels seer dapper gequetst liggen in het veld van Gillis Van den Wijngaerde tegen de Zurenmeerskouter. Zij vroegen hem wat er gebeurd was en hij bracht er moeizaam uit dat de schoenlapper hem had geslagen. De twee mannen brachten Peter naar het huis van de smid. Daar kon de ondermeier het voorval beschrijven. Hij had Peter De Schoenmaker bevonden seer scandaleuse sitten sijn gevoeg doen op den wech daer hij moeste passeren. Hij had dan voor de grap zijn schoenmakerskorf meegenomen. Daerinne gram wordende had de schoenmaker hem zwaar toegetakeld. Peter Meskens zag drie steekwonden: twee op zijn hoofd en een diepe wonde in zijn schouder. Peter tekende zijn getuigenis met zijn naam.

De 42-jarige Michielijne (Machlijn) De Kegel, vrouw van Gillis De Meersman, kon meer informatie over de vechtpartij verstrekken. Zij zag Peter Pauwels met een korf op zijn rug weggaan van Peter de schoenlapper die midden op de Kokerijdries sijn broecke was opnestelende, een stok namen Pauwels achtervolgde. Terstond begonnen de twee mannen elkaar te slaan. Plots trok de schoenmaker een mes en sloeg ermee op het hoofd en de schouder van Pauwels. Zij hoorde die roepen: sout ghij mij steken oft wilt ghij mij steken. Al vechtend vielen ze toen op de grond. De schoenmaker die eerst recht kroop, gaf de ondermeier weer een slag op zijn hoofd zodat hij omver viel en sloeg dan nog eens met zijn korf. Pauwels riep dan dat het genoeg was. Meer had zij niet gezien want het was tijd om naar haar werk te gaan. Later bemerkte ze dat Pauwels naar het huis van Meskens werd gebracht door Anthon Van Ransbeke, Peter Meskens en Gillis Van den Wijngaerde. Ze ondertekende haar verklaring met Machlijn De Kegel.

Pachter Pauwel Robijns, 43 jaar kwam vertellen wat hij van zijn knecht, die op een veld aan de Kokerijdries werkte, had gehoord. Die had twee mannen op de dries zien ruzie maken om een koffer. Toen hij dichterbij kwam, herkende hij Peter Pauwels en Peter De Schoenmaker van Moorsel. Die laatste had in sijn hant een bloot mes waarmee hij Pauwels bedreigde zodat die wegliep naar den messinck van de wesen Gillis Carnoy. De knecht merkte toen op dat Pauwels seer bebloet op sijne linke seijde was. De schoenmaker vertrok met zijn koffer naar het huis van Gillis De Meersman, zag dat Pauwels hem volgde en keerde terug naar de weg, nog steeds gevolgd door de ondermeier. Meer wist de knecht daarover niet te vertellen. Was getekend Pauwel Pobijns.

Vermits van Michilijne De Kegel de naam van haar man vermeldde, namelijk Gillis De Meersman, kunnen we ook het gezin reconstrueren. Zij trouwden te Meldert op 7 mei 1638 en hadden 5 kinderen:

– Maria, °19-08-1638, Anna, °14-04-1641, Matthias, °18-11-1643, Maria, °23-05-1646 en Martina, °30-09-1648.

Over Pauwel Robijns, telg van een gekende familie, beschikken we over meer informatie. Hij werd te Hekelgem geboren in 1628 en overleed te Meldert op 3 februari 1671. Hij trouwde op 10 november 1640 te Essene met Adrienne Breynaert. Pauwel was pachter te Meldert. Van de abdij huurde hij in 1655 16 b 32 r land en 5 b 77 r weiden in de Faluintjes en nog 6 d 26 r land en de tiende van 13 b 1 d 32 r voor 460 gulden. Zij hadden 7 kinderen:

– Lucas, °20-08-1643, student te Leuven, overleden te Meldert op 1 september 1667. Hij had wellicht al lagere geestelijke wijdingen ontvangen.

– Anna, °ca 1645, trouwde met Jan De Witte op 2 december 1675. Zij woonden aan de Nieveldries. Jan werd griffier van de abdij voor het leenhof en de schepenbank.

– Catharina, °21 06-1646, trouwde te Hekelgem met Joos Van Nuffel op 18-11-1675.

– Johanna, °18-02-1658 en overleden op 29-08-1665.

– Jan, °24-08-1667, trouwde met Catharina Van den Wijngaerde.

– Martinus, overleden op 03-09-1667.

– Jacqueline, overleden op 24-12-1690.

10 april 1663. Hij was soo stout van in haer huijs te commen[3].

Op 10 april 1663 daagde officier Guilliam Van der Borght 3 Meldertenaren voor de schepenbank van Asse. Hoofdmeier Charles Ignatius Crabeels wou hen ondervragen nopende seecker fout gepleegd door een Jan, gekend als Gaesemaeckers, in het huis van Gillis Van Onchem[4] in de nacht van 7 op 8 april.

Die nacht kwam zijn broer Jan, zo getuigde Gillis, op zijn kamervenster kloppen omdat hij had gezien dat zijn meid een man, Jan Gaesemaeckers, had binnengelaten. Hij was aan haar venster gaan luisteren en had gehoord dat die Jan bij haer te bedde was gegaen. Gillis had daarvan niets gemerkt en ook niet gehoord dat de meid om hulp riep. Hij deed zijn vrouw opstaan en den solfferstock ontsteken hebbende ging ze naar de kamer van Marie, de meid. Daar zag ze Jan op het bed zitten en een lachende Marie vertelde haar dat Gaesemaeckers in de kamer was gekomen omdat hij meende dat Gillis dronken was. Een woedende Gillis schold Jan uit voor rabant fiel ende diergelijcke omdat hij sulcke dingen in sijn huijs quampt doen. Wat Jan antwoordde, verstond Gillis niet want hij had wel degelijk gedronken. ’s Anderendaags vernam hij nog dat Jan met sijne maerte van te vooren diverssche reijsen vleeschelijck hadde te doen gehadt ende namentlijck op den halff vasten dach tweemael mette selve vleeschelijck te hebben geconverseert. Gillis ondertekende met zijn naam.

Gillis’ vrouw, Jenneken (Joanna) Geertsman, 22 jaar, werd als tweede ondervraagd. Zij bevestigde dat haar schoonbroer Jan een paar dagen tevoren hen had gewekt omdat Gaesemaeckers in hun huis was. Haar man wou hem eerst niet geloven, maar na aandringen van Jan beval hij haar naar de kamer van Marie te gaan. In de kamer zag ze Gaesemaeckers treckende sijne broeck op en Marie zei dat hij haar niets had misdaan. Haar man werd kwaad, gaf haar een stok en zei smijtse alle beijde ten huijse vuijt. Eerst vroeg ze Jan nog waarom hij soo stout was van in haere huijs snachts te commen. Spottend antwoordde die dat eenen hond sijnen neus in den pot stack die was open vindende. Gaesemaeckers is dan vertrokken, maar de meid bleef op bed liggen tot de volgende morgen sonder op te staen off eenich misbaer te maecken. Zij ondertekende met Jenneken Gertsman.

Marie Van Storme, de 18-jarige meid, was de dochter van Cathelijn Van Droogenbroeck. Haar relaas, tegengesteld aan de vorige verklaringen, sprak het meest tot de verbeelding. Zij verklaarde dat Gaesemaeckers in de nacht van 8 april op haar venster klopte en vroeg om binnen te komen. Ick laet niemand inne, had zij geantwoord. Als uwen meester dat seght, doet gij open, was zijn wederwoord. Zij is dan opgestaan en heeft de deur geopend. Jan is beginnen te trecken middtsgaeders haeren covel op te heffen ende …. (we willen de lezers niet doen blozen) … ende ten lesten soo gesleurt ende getrocken tot in haer camerken alwaer hij haer naer lanckduerich sleuren ende roepen heeft op het bedde geworpen ende haer hemde opgeheven … (idem) … haer bekent tegen haeren wille ende consent. Dan heeft hij haar vastgehouden tot haar meesteres kwam. Aan haar heeft ze bekend dat ze meerdere malen haar meester en meesteres heeft geroepen dat Gaesemaeckers haar wilde verkrachten. Zij zijn niet gekomen hoewel ze haar zeker gehoord hebben want de deur van haar kamer komt uit in de keuken  en die van haar meester ook. Haar meesteresse vroeg Gaesemaeckers nog of hij haar verkracht had. De schepenen Jan Van der Slachmolen, Gillis Breem en Maerten Robijns zijn naar haar kleurrijk verslag van een wilde nacht komen luisteren. Marie ondertekende met een X.

7 december 1666. Een huwelijkscontract om alle questiën ende geschillen te vergoeden[5].

Tegenwoordig kijken we er niet van op als iemand voor de derde keer trouwt. Hoogstens hoor je een wat oudere persoon zuchten: “In wat voor tijd leven wij toch!”, alsof dat vroeger niet voorkwam. Onder staande tekst bewijst het tegendeel. Maar er is een groot verschil. Toen hertrouwde men uit bittere noodzaak. Wanneer een vrouw van een gezin met kinderen stierf, hertrouwde de man zo snel mogelijk, want er was een vrouw nodig om voor de kinderen te zorgen omdat hij van ’s morgens tot ’s avonds aan het werk was. Stierf de man en zijn vrouw bleef met kinderen achter, dan moest zij op zoek gaan naar een nieuwe kostwinner voor het gezin.

Op 20 maart 1666 sloten Michiel Van de Putte, nog vrijgezel en zoon van Jan, en Cathelijne Van der Slagmolen een huwelijkscontract voor notaris De Bisschop om te vergoeden alle questiën ende geschillen. Dat was nodig want Cathelijne trouwde voor de derde maal. Met haar eerste man, Andries Wouters, had ze twee kinderen, Joanna, te Meldert gedoopt op 13 januari 1657 en een tweede dochter waarvan we de naam niet konden achterhalen. Na de dood van Andries trouwde ze op 21 januari 1660 met Laureijs (Laurentius) Robijns[6]. Ook met hem kreeg ze twee kinderen, namelijk Petrus, overleden te Meldert op 13 september 1667 en Franciscus, gedoopt op 17 januari 1666 en overleden te Meldert op 27 februari 1715. Amper twee maanden na de geboorte van Franciscus trouwde ze met Michiel Van de Putte. Hun huwelijkscontract bevat enkele specifieke bepalingen voor haar vier kinderen en voorziet ook een regeling voor toekomende kinderen.

– Michiel en Cathelijne brengen al hun bezittingen, huidige en toekomstige in hun huwelijk.

– Als Cathelijne eerst sterft, dan is Michiel verplicht haar vier kinderen te onderhouden van cost ende dranck, cleeren ende leeden ende houden ter schoolen gaen naer hunnen staet tot de leeftijd van 16 jaar. Tot die tijd kan Michiel over al hun goederen en renten beschikken.

-Trouwen de kinderen of nemen ze de geestelijke staat aan, dan hebben ze recht op 50 gulden als huwelijksgeschenk of dot.

– Wie ongehuwd of leek bleef, had recht op 100 gulden, meer mocht, minder niet.

– Voor de erfenis van hun hoeve gold een aparte regeling.

Met haar tweede man, Laureijs Robijns, had Cathelijne op 29 oktober 1665 van Joannes Van Nuffel, bosmeester van de abdij, als enige erfgenaam van zijn oom Jan Wouters, een hofstede te Meldert gekocht voor 2350 gulden. Het was een boerderij met den huijse, schuere, stallen, hopnast ende andere edificiën daerop staende. De hoeve was de helft van een perceel van 5 d en grensde ten noorden aan de straat, ten oosten aan een weide die deel uitmaakte van het domein en eigendom bleef van Van Nuffel, ten zuiden aan François De Vis en de weduwe Peter Van den Wijngaerde. Op de boerderij rustte een grondcijns van de abdij van 10 schellingen. Als pand gaven ze Lauwereijs kindsdeel in de goederen van zijn moeder en van zijn vader. Bij de ondertekening van het contract betaalden Laureijs en Cathelijne 1 000 gulden. Voor het resterend bedrag zouden ze elk jaar met Kerstmis 81 gulden betalen tot de kwijting van het hele bedrag. In die som was ook de rente van 6 g 5 st vervat voor Gillis Van Nijverseel. Die 81 g zou komen van de erfenis van Anna Stevens, de overleden moeder van Lauwereijs (+ 1644), en van zijn vader Peter Robijns na diens overlijden (+ 1667). Het contract bepaalde nog dat de langstlevend de vrije beschikking zal hebben over de helft van de aangekochte boerderij. Zoals toen gebruikelijk was ook opgenomen dat, als de jaarlijkse afbetaling niet gebeurde, de verkoper het recht had om te slaen hand off handen aen de voorschreven panden tot de volle betaling van het achterstallig bedrag. Voor de schepenbank van de abdij waren aanwezig: Melchior Van den Driessche, Jan Van Langenhove, meester Philips Van Gete, Nicolaas Robijns, Gillis De Bally en Adriaan Van Nuffel. M. Wambacq ondertekende de verkoopsakte.

Toen Cathelijne met Michiel Van de Putte trouwde in maart 1666, bewoonde Cathelijne de hoeve. De aparte regeling in hun huwelijkscontract voor de erfenis van de boerderij hield in dat in geval van een overlijden van een van de echtgenoten, de langstlevende recht had op de volle eigendom van de helft van de boerderij. Na de dood van beiden zou de hoeve als volgt worden verdeeld. De helft gaat naar de twee kinderen van Cathelijne en Lauwerijs, de andere helft naar toekomende kinderen. Voor de andere bezittingen gold dezelfde regeling.

Cathelijne en Michiel kregen nog drie kinderen: Adriana, °27-03-1668, Petrus, °12-04-1671, Maria, °13-10-1674.

Maar de koopsom was nog niet volledig betaald en dat leidde tot latere problemen.

Jan Wouters, de oud-bosmeester had aan Anna Wouters, begijn te Mechelen bij testament een rente van 25 gulden toegekend. Als Anna zou sterven dan kwamen de 25 gulden toe aan de kinderen van Cathelijne en Andries, Johanna en haar zus. Johanna ontving de gulden en vergat de helft ervan aan haar zus te geven. Na meerdere pogingen de zaak met den minnen te regelen, wenden Johanna en haar man Peter De Valck zich tot de schepenbank van Asse om haar zus te verplichten haar deel te betalen. Het kwam tot een akkoord: zij zou het bedrag van drie jaren, plus intrest betalen, wat echter niet gebeurde.

Maar er was meer aan de hand. Michiel Van de Putte kon de beloofde 81 gulden niet betalen. Daar de hoeve gehypothekeerd was, wou Elisabeth Robijns[7], de weduwe van Jacques Van Droogenbroeck, molenaar op de Bellemolen te Essene en die de weide ernaast al in haar bezit had, van de situatie profiteren om de hoeve in handen te krijgen. In de rechtszaak over de renteverdeling voegde zij de kwestie van de hoeve eraan toe, geassisteerd door Cathelijnes derde man, Michiel Van de Putte. Hoe die zaak haar beslag kreeg, vernemen we uit latere documenten[8].

Peter De Valck wil de hoeve verkopen.

In 1689 laaide de smeulende familieruzie weer op. Peter De Valck, getrouwd met Joanna Wouters, de dochter uit Cathelijnes eerste huwelijk, wilde absoluut de hoeve verkopen. Die verkoop, zo stelde een vonnis van de schepenbank van 12 juli 1689, zou volgens de volgende voorwaarden verlopen:

– De kopers konden na het doven van de brandende kaars en na betaling van de beden en andere belastingen onmiddellijk over het gekochte goed beschikken.

– Na de toekenning, de palmslag, kan nog geboden worden tot profijt van de verkopers.

– De kopers moeten voor elke gulden van de koopsom 1stuiver betalen voor de kosten van de verkoop.

– De kopers moeten goede ende solvente borg stellen Voor de registratie ervan betalen ze de drossaard, de schepenen en de griffier 7 st.

– Er is een zitdag en de koopsom moet binnen de vier weken betaald zijn.

– De verkoper overhandigt binnen de drie weken na de verkoop de nodige documenten aan de drossaard en de schepenen. Hij zal daarvan een kopie krijgen.

– Indien de vorster of de oproeper die de verkoop leidt, zich vergist, dan sal die vrijelijck mogen repeteren ende herhalen zonder tegenspraak van anderen.

– Alle verplichtingen die op de goederen rusten, blijven gelden na de verkoop.

– Indien blijkt dat de borg van de koper onvoldoende was of de betaling gebeurde niet tijdig, dan verviel de verkoopsovereenkomst. Was het bedrag van de tweede verkoop hoger dan sal dat wesen ten prouffijte van de vercoopers ende geenszins tot prouffijte van alsulcken eersten gebreckelijcke cooper. Lag het bedrag lager dan moet de eerste koper het verschil bijpassen.

In de familie rees verzet tegen de manier waarop Peter De Valck de verkoop had geregeld. Michiel Van de Putte was niet akkoord met een enige zitdag en met de betalingstermijn van vier weken. Hij vond dat ontwijselijck. Hoe meer kerckgeboden, dit is hoe meer afroepingen in de kerk, hoe meer tijd de mensen hadden om de hoeve te bezichtigen en dus ook hoe meer kandidaat-kopers. Soo sullen wij commen ten hoochsten weerde, meende hij. Mogelijke kandidaten zouden ook afhaken omdat de tijd om hunne coopsomme te soecken off gereet te maecken te kort was.

Dan was er ook nog het probleem dat de hoeve nog niet was betaald. Aangekocht door Cathelijne met haar tweede man, Laureijs Robijns, had Cathelijne met haar derde man, Michiel Van de Putte het nodige geld niet bij elkaar gekregen. Op 26 juli 1689 beslisten de schepenen de verkoop uit te stellen.

De schuldenblijven.

Uit latere documenten[9] blijkt dat de schuldenlast op de boerderij niet werd afbetaald. Na de dood van Michiel in 1696 en van Cathelijne in 1701 ontstond er ruzie over de erfenis. Een nalatenschap leidt vaak tot onenigheid en zelfs tot levenslange vijandschap. In dit geval, met kinderen uit drie huwelijken, is dat niet verwonderlijk. De erfgenamen uit het eerste en het tweede huwelijk van Cathelijne kantten zich tegen Peter, een zoon van Cathelijne uit haar derde huwelijk met Michiel. De eerste partij, de aanleggers, na pogingen om alles in der minnen te regelen, spanden een proces in bij de schepenbank van Asse. Dat waren:

– Uit het eerste huwelijk: Elisabeth De Valck, dochter van Peter en Joanna Wouters, met haar man Jan De Coster.

– Uit het tweede huwelijk: de kinderen van François Robijns (zie voetnoot 1), namelijk Peter, Andries en Catharina Robijns.

De gedaagde in het proces was Peter Van de Putte.

De nalatenschap van Michiel en Cathelijne bestond, behalve uit de vermelde hoeve uit een boerderij te Baardegem. De aanleggers verweten Peter Van de Putte dat hij zich de hoeve te Meldert had toegeëigend en al jaren souden hebben geprouffiteert ende genoten de meubelen, peerden, koijen ende andere bestiaelen met waeghens, ploegh, egde ende andere getuigh mitsgaerdens de pachtgoederen, den houtwas, besaijtheyt ende alle andere voordelen sinds het overlijden van de ouders. Peter rechtvaardigde die inbezitneming door te wijzen op het feit dat hij alle schulden van de boerderij had betaald en dat die achterstel verre te boven gingen de weerde van het goed, de betaelinghe van de vuijtstel van twee dochters ende den onderhoud van eene moeder. Pas op9 april 1726 kwam de schepenbank tot een vonnis. Peter bleef eigenaar van de hofstede te Meldert en de aanleggers erfden elk 1/6de van het hof te Baardegem. Ze moesten bovendien 2/3 van de proceskosten betalen.

1666. Bedesetter in opspraak[1].

Joos Van den Houte[2], bedesetter van Meldert geraakte in een conflict met Adriaan Van Nuffel in verband met zijn collecte en zijn rekeningen van het hoofdgeld. In een proces voor de schepenbank van Asse werd Van den Houte veroordeeld tot het betalen van 2/3 van het betwiste bedrag, nl 47 gulden en 5 ½ stuivers. Maar Adriaan ging niet akkoord met het vonnis en richtte zich tot de wethouders van Brussel. Daar verdedigde Ludovicus Naechtegael de stad Brussel tegen Joos Van den Houte. Na mislukte pogingen om de zaak in der minne te regelen en zelfs na verscheyde menselijcke vermaeningen werd het voorgaande vonnis werd bevestigd. Overtuigd van zijn gelijk, legde Joos zich niet neer bij de opgelegde betaling en hij richtte zich tot de Soevereine Raad van Brabant waar men het geschil nog aanhangig was.

Een proces tegen de bedesetters van Meldert[1].

In 1667 spanden inwoners van Meldert bij de Raad van Brabant een proces aan tegen hun bedesetters. Bosmeester Joannes Van Nuffel, Pauwel Nicolaas, Joos Robijns, Jan Vermatten, Jan Van Iegem, Joos De Clerck, Peter Geerstman, Thomas en Joos Van den Wijngaerde, Joos De Meersman, Ingel De Ridder, Gillis Van Onsem, Gillis Heijman en vele anderen ondertekenden op 9 maart 1667 een verzoek aan Joannes Van Nuffel, kapelaan van Sint-Goriks te Brussel, om voor hen een lening van 400 gulden aan te gaan. Dat bedrag dachten ze nodig te hebben om de proceskosten te kunnen betalen. De lening zou na twee jaar afbetaald worden. Alle ondertekenaars stelden zich garant voor de terugbetaling.

Waarover het geschil met de bedesetters ging, weten we niet. Het moest alleszins gaan over lasten die de bedesetters oplegden en die veel Meldertenaren als onterecht beschouwden.

Handtekeningen van onder meer Pauwel Robijns, Niclaas Robijns, het merk van Joos Van de Wijngaert, Joos Robijns, Joannes Van Nuffel, Thomas Van den Wijngaert, Gillis Heijmans, het merk van Ingel, Jan Van Ieghem, Joos De meerrsman, Jan Vermatten ….


[1] R.A. Leuven, notaris Michael De Bisschop te Asse van 1654 tot 1688.

19 augustus 1668. Den officier gestooten ende gesleurt vuijt den huijse[3].

Wat gebeurde er op 19 augustus 1668 in de herberg van Gillis Breem. Volgens Peter De Hageleer werd hij gestampt en geslagen door Gillis Vinck en Franchois De Vis, maar volgens hen hebben ze hem alleen bij de hand genomen om met hem te praten. Voor De Hageleer, officier te Meldert had hij redenen genoeg om bij de drossaard van het Markizaat en de Vrijheid van Asse, Charles Ignatius Crabeel een klacht tegen de twee in te dienen.

In zijn klacht verklaarde hij dat hij de avond van 19 augustus in de herberg van Gillis Breem was om de cafébezoekers te controleren. Hij verwees daarbij naar de placcaten van den lande gericht aan alle officieren. Daarin werden zij strictelijck bevolen alle stonden en plaetsen te visiteren, de herbergen en cabaretten om te sien wat persoonen aldaer sijn logerende off drinckende. Besonder om te beletten de twisten ende gevechten die de selve peroonen souden mogen beginnen. We mogen aannemen dat heel wat officieren deze opdracht seer strictelijck nakwamen en zich geregeld in de herbergen lieten zien, dus ook De Hageleer.

Die 19de augustus constateerde de officier dat Gillis Vinck en Franchois De Vis seer hooge woorden ende crakeel hadden. Hij trachtte de twee te kalmeren, maar ze waren als rasende en hebben nergens willen mede tevreden sijn. Integendeel, hun woede richtte zich tegen hem en zij eisten met veele affdregende woorden dat hij onmiddellijk zou vertrekken anders zouden ze hem daer vuijt slaen. Peter ging niet weg en daarom hebben ze hem promtelijck geaggreseert, gestooten met vuijsten ende voeten ende gesleijpt off gesleurt vuijt den huijse gelijck een eerloos persoon. Tijdens dat gevecht had hij zijn hoed verloren en die moeten ze hem vergoeden. Dat hij, als man van de wet, werd aangevallen, had seer quade consequentie. Immers de justitie werd op die manier onder den voet gebrocht. Peter De Hageleer vroeg de drossaard dan ook dat beide mannen werden gestraft, ’t sij civilijck off communelijck off andersints conform de plakkaten.

Zoals te verwachten was, gaf Gillis Vinck een heel andere uitleg over wat er in het café was gebeurd. Dat de officieren de herbergen bezoeken om ongeregeldheden te beletten, daarmee ging hij akkoord. Maar het was ook hun taak om de velden te bewaken en ervoor te zorgen dat de vruchten niet werden beschadigd. Wat de officier hem ten laste legde is onwaar en dat zal hij in der eeuwigheijd niet connen bewijzen. De waarheid is dat hij Peter minnelijck metter handt genomen heeft en hem treckende goedertierelijck op d’ een sijede  gezegd heeft  dat hij zoveel schade had aan zijn boekweit op Den Suerenmeerschkouter. Hij smeekte hem: Gaet daer eens henen ende besiet ’t selve, ick weet dat ghij de beschaedigers inne vinden sult. Officier Peter wou niet gaan, hij bleef sitten drincken als een van de compagnie. Gillis heeft hem dan minnelijck metter handt hebbende hem gezegd dat het zijn plicht was om de veldvruchten te bewaken en als iemand een schadegeval aangaf, hij die zaak moest onderzoeken. Ze zijn dan samen minnelijck metten hande hebbende naar buiten gegaan tot aan den messinck, waar ze lange tijd met elkaar hebben gesproken.

In zijn antwoord stelde de drossaard dat een officier niet op twee plaatsen tegelijk kan zijn.

Het antwoord van Franchois De Vis is een kopie van de verklaring van zijn kompaan Gillis. Ook hij heeft de officier minnelijck metter handt genomen nadat die weigerde om de schade aan zijn vitsen[4] vast te stellen terwijl de beschadigers nog op het veld waren. Hij bleef liever zitten drinken met de anderen. Nadat hij hem nog eens op zijn plicht wees, zijn ze samen minnelijck tot aan de mesthoop gegaan en daar bleven ze een hele tijd praten. Pas daarna begon de officier getier maeckende als off hij den haes misbruijckt soude hebben.

5 september: verhoor van getuigen.

De schepen J. Slachmolen en meester Van Mulders als griffier verhoorden in opdracht van de drossaard drie getuigen.

Peter Mannaert, 36 jaar was opgeroepen door Peter De Hageleer. Hij heeft Gillis en Franchois op 19 augustus 1668 in de herberg van Gillis Breem gezien. Zij hadden daar eenighe hooge woorden ende crakeel en de officier is tussenbeide gekomen. Maar beide mannen antwoordden hem met affdreegende woorden dat hij moest vertrekken of dat ze hem anders naar buiten zouden slaan. Daarop hebben ze hem, slaand en stampend, tot aan de mesthoop gesleurd. Hij zag nog dat de officier zijn hoed verloor.

Als tweede getuige was Peter De Hageleer, 40 jaar, opgeroepen. Hij voegde nog enkele opmerkelijke feiten toe aan zijn klacht. Gillis en Franchois hadden ruzie met Peter Mannaert. Gillis had een hael[5] in zijn handen en Franchois een tang. Om het krakeel te sussen heeft hij hen aangesproken: hola, siet wat gij doet, daer en moet niet gevochten worden. Maar ze waren niet te bedaren. Na bedreigingen hebben ze hem geslagen, gestampt en naar buiten gesleurd. Veertien dagen lang heeft hij veel pijn gehad soo dat hij nauwelijcks gaen noch staen en coste.

Tenslotte sprak Joos Van den Houte, 61 jaar en afkomstig van Asse-ter-Heide. Volgens hem hadden de twee ruzie met Peter Goetvinck en enkele anderen uit de groep. Voorts verklaarde hij hetzelfde als Peter Mannaert. Als enige voegde hij er nog aan toe dat hij de officier weer zag binnenkomen met een andere hoed op zijn hoofd.

1 maart 1670. Sij heeft met haeren sikkel een cap gegeven[1].

Op 25 maart 1670 was ik, Elisabeth Van Ginderachter, weduwe van Jan Van Onchem[2], met mijn zoon Hendrik in de herberg Het Withuis op de Domentse dries. We dronken een glas met Peter, de zoon van Margaretha Van Kersavond, de weduwe Peter De Kempeneer[3]. Toen Margaretha met twee andere zonen binnen kwam, begon zij onmiddellijk met krakeel tegen mijn zoon en opeens sloeg zij met haar sikkel een kap in zijn hoofd. Daarop vielen zij en haar zonen mij en mijn Hendrik aan. Ze sloegen met stokken en andere dingen. Plots sloeg de weduwe met een stok zo hard op mijn hoofd dat er een diepe wonde ontstond. Ik verloor veel bloed en als gevolg van die slag heb ik twee maanden en half te bed gelegen. Er was gevaar dat ik zou sterven. Chirurgijn Jan Jacobs heeft mij al die tijd verzorgd. Ik ben nu nog niet helemaal genezen, want ik lijd nog veel pijn en ben nog altijd doof en blind. Behalve medicamenten heb ik delicate spijzen gekregen en heel die tijd kon ik mijn huishouden niet doen en geen ander werk verrichten. Ik meen dat het geenszins gepermitteerd is dat goede lieden zo barbaarlijk in een vrij huis worden behandeld. Daarom vraag ik dat de daders mij volledig schadeloos stellen vermits zij het gevecht zijn begonnen. Ik heb meermaals getracht de zaak in der minne te regelen, maar tevergeefs. Ik wend mij nu tot U. E. om door uw vonnis te bekomen dat de daders de kosten van de chirurgijn, alle uitgaven voor medicijnen en dure spijzen vergoeden. Alsook voor al het leed dat ik heb geleden, voor al de pijnen en het werkverlet, voor mijn blindheid en doofheid. Dat alles samen bedraagt duizend gulden.

Dat was de klacht die Elisabeth Van Ginderachter bij de drossaard neerlegde via haar advocaat Hendrik De Raedt. Op 25 juni 1670 kwam er een antwoord op de beschuldigingen van de gedaagde, de weduwe Peter De Kempeneer. Zoals te verwachten was, vond haar advocaat Schoonjans de beweringen van Van Ginderachter totaal onjuist en hij verwachtte dat Elisabeth ter goeder trouw zal handelen en de nodige schriftelijke bewijzen zou voorleggen om haar gelijk te bewijzen. Een maand later, op 23 juli, volgde het uitgebreid verweer. Margaretha Van Kersavond stelde dat alle herbergen sijn openstaende voor alle de wereldt, ’t sij om daer te commen drincken off andersints te logeren. Zij was op die bewuste dag wel in de herberg, maar is het gevecht niet begonnen en bijgevolg heeft zij met de wonde van Elisabeth niets te maken en is zij in geender manieren plichtich. Daarom vroeg zij de klacht van de weduwe Van Onchem niet ontvankelijk te verklaren.

In haar repliek bracht Elisabeth meer bezwarende feiten aan. Margaretha ontkende niet dat zij met haar zonen die dag in het Withuis was. Beweren dat zij met de wonde niets te maken heeft, is frivool ende ongefundeerd. Zij is wel degelijk met haar drie zonen het gevecht begonnen en dus moeten ook de zonen meebetalen voor alle kosten omdat die den cost eet ende dranck van haar genieten. Een bijkomend bewijs van de schuld van de weduwe De Kempeneer is dat zij korte tijd na het gevecht heeft doen vertransporteren vuijt haeren huijse op andere plaetsen alle haere beste meubelen ende cathijlen[4]. Oock in persoon met haere koeibeesten vluchtigh is geweest binnen het clooster van Afflighem ende aldaer blijven pernocteren[5]. Zo is het claerlijck dat de gedaegde in alle manieren plichtich is. Toen de drossaard haar dagvaardde, was zij bereid om alles in der minne te regelen. Daartoe zou zij geenszins bereid zijn aldien sij geheel onnoosel off onschuldigh hadde geweest.

Ook al onderzochten de schepenen Joos Van Ginderachter, Jan Van der Slachmolen, Guilliam ’t Kint en Merten Robijns wel ende rijpelijck alle argumenten, toch beslisten ze op 4 oktober 1670 dat ’t voorschreven proces nochtertijt niet en is in staet om definitievelijkck beslist te worden. Ze wilden eerst nog een aantal getuigen verhoren. Niettegenstaande het protest van De Kempeneers advocaat gingen de verhoren toch door.

Franchois Den Weduwijn[6], 31 jaar, brouwer en de herbergier van Het Withuis, werd als eerste ondervraagd door schepen Peter Moortgat. Hij verklaarde dat Elisabeth en haar zoon Hendrik met een zoon van de weduwe De Kempeneer op die 25ste maart in zijn herberg waren. Wanneer de weduwe  binnen kwam, begon ze te discussiëren met Elisabeth en haar zoon. Dan zijn ze op malcanderen toegeschoten en ontstond er een waar gevecht. Ze vochten met stokken en stoelen. Peter De Kempeneer heeft gesmeten met sijne stock op het hoofd der aenleggersse (Elisabeth). Sij was bloeiende ende gequest op haer voorhooft. Dat zij daarvan lang te bed heeft gelegen en in perickel van sterven is geweest, weet hij niet. Wel heeft hij vernomen dat zij door meester chirurgijn Jan Jacobs heeft moeten gecureert worden. Voor hem staat het vast dat de Maregaretha De Kempeneer het gevecht begon. Enige dagen later was hij bij de drossaard van Asse en daar hoorde hij dat de weduwe aan de drossaard zei: Hebbe ick iet misbruijckt, ick sal u contenteren. Ze voegde er wel aan toe dat ze gekomen was om een boete te vermijden.

Peter Janssens, 15 jaar, weet alleen dat Elisabeth op haar voorhoofd was gekwetst en daarna twee maanden te bed lag. Meester Jan Jacobs heeft haar gecureert. Anderen vertelden hem dat Margaretha nog in de maand maart haar meubelen en koeien in ’t klooster Affligem had verstopt.

Op 23 april 1671 was het de beurt aan Peter De Hageleer, de officier van de Vrijheid van Asse. Hij was dan 40 jaar oud. Hij bevestigde dat de zonen De Kempeneer nog bij hun moeder wonen. Een van hen,Peter, vertrouwde hem toe dat het zijn moeder was die de wonde had toegebracht. Het was ook waar dat de weduwe twee dagen na het gevecht met meubelen en koeien naar de abdij vluchtte. De koeien heeft hij daar gezien en aan de hofmeester[7] van ’t klooster vroeg hij daarvan een schriftelijk bewijs voor de drossaard. Op diens verzoek is hij daarna naar het huis van Margaretha gegaan. Ze was niet thuis, maar haar dochter Anneken antwoordde dat haar moeder de bekeuring wel, maar de smerte der aenleggersse niet zou betalen.

Joos Van Nijverseel, 56 jaar en pachter te Asse, heeft de weduwe in ’t klooster gezien met een pakje en ze zei dat ze daar met haar koeien was.

Een andere pachter van Asse, Peter Van den Driessche, 56 jaar, bevestigde de verklaring van Joos Van Nijverseel.

De laatste getuige was Elisabeth De Middeleir, 47 jaar en vrouw van Pauwel Van Langenhove. Zij werd verhoord op 28 april 1671. Ook zij wist dat de weduwe naar ’t klooster was gevlucht.

27 mei 1675. Het huijs onderhouden van recken ende plecken ende van daecke[8].

Anna De Moncheau, de weduwe van Gillis Van Langenhove, erfde van Jan De Frain een hofstede metten huijse en hopgrond genoemd Den Hueraer te Doment. Op Kerstmis 1674 verhuurde ze de boerderij voor 9 jaar aan Jacques De Coster. Het pachtgeld bedroeg 29 gulden. De huurovereenkomst bevatte nog enkele bijzondere bepalingen. Zo moest Jacques het huis onderhouden van recken ende plecken ende van daecke niet. De huisraad die Anna ook had geërfd, moest in het huis blijven. Het ging om een koets, twee kisten, een ketel, fluwijnen en een bijl. De huurder mocht de haaks staande cappen met het hames maer niet voorder. De laatste bepaling hield in dat het huurcontract verviel als de pacht na 6 weken na de vervaldag niet was betaald. Anna ondertekende het contract, jacques plaatste een merkteken.

De eerste betaling viel op Kerstmis 1675, maar Jacques kon niet betalen. Nadat soete vermaningen van Anna en van anderen niet hielpen, zag Anna zich genoodzaakt om haar huurder te laten dagvaarden op 27 mei 1675. Zij had toen ook geconstateerd dat Jacques vertrokken was met de huisraad en met de sloten van de deuren. Op het erf stonden nog hopstaken die getaxeerd werden op 5 g en 15 st. Zij eiste de betaling van de achterstallige pacht en een vergoeding voor de gestolen huisraad. De klacht, opgesteld door notaris M. De Bisschop, was ondertekend door Franchois Van Onchem en Hendrik Ophalvens.

Anna De Moncheau (Monceau) trouwde op 1 augustus 1671 met Gillis Van Langenhove. Zij hadden twee kinderen: Elisabeth (°9/02/1672) en Anna (°15/10/1673). Hoe zij erfgename was van Jan De Frain (Freyn) konden we niet achterhalen.

Jacques (Jacobus) De Coster trouwde met Judoca De Freyn (Frain) op 31 januari 1671. Was zij een dochter van Jan? Zij kregen een zoon: Judocus, °27/02/1672. Een Jacobus De Coster trouwde op 27 januari 1673 met Joanna De Baetselier. Hun dochter was Joanna, geboren op 25 januari 1674. Als het om dezelfde Jacobus gaat, was Judoca De Freyn kort na de geboorte van haar zoon overleden en hertrouwde Jacobus met Joanna De Baetselier. Was dat de reden waarom hij de hoeve verliet?

29 mei 1676. Het stellen van affgepande koijen onder den rechte[9].

Het woord affgepande doet ons denken aan een pandjeshuis. In de 17de eeuw was het verpanden van goederen nog algemeen in gebruik. Wie in geldnood zat, bracht iets van waarde, een kostbaar juweel of een gouden ring, naar een pandjeshuis. Daar schatte men de waarde ervan en gaf daarvoor een lening met intrest en een beperkte looptijd. Op de vervaldag kreeg men, na betaling van het geleende bedrag plus de rente, het verpande goed terug. Kon men niet terugbetalen dan bleef het verpande in het pandjeshuis. Maar de titel is misleidend, want in dit proces gaat het niet om verpande koeien, wel om de inbeslagname van de dieren. Dat overkwam Gillis Van Onchem. Op last van de bosmeester[10] had de meier van de abdij Michiel Wambacq[11] Gillis Van Onchem de opdracht gegeven twee koeien naar de stal van de officier van justitie Hendrik Van Onchem te brengen. Ze moesten daar blijven tot hun verkoop om een schuld af te lossen. Maar korte tijd nadien waren de koeien verdwenen. Gestolen? Door Gillis zelf weggehaald? Hij diende alvast een klacht in bij de schepenbank van Asse tegen meier Michiel Wambacq, want die achtte hij verantwoordelijk voor de diefstal van de koeien. Hij had er moeten voor zorgen dat ze goed bewaakt werden.

Wambacq wees elke verantwoordelijkheid voor het bewaken van de dieren af. Hij was rechter in deze zaak, niet de bewaker. Gillis moest zich richten tot Hendrik Van Onchem, Als officier van justitie moest hij zorg dragen voor de koeien, zeker nu ze in zijn stal stonden. Hij moest erover waken dat ze hem niet worden ontvrempt off commen te ontvluchten off andersints. Bijgevolg moet hij opdraaien voor alle schade die Gillis Van Onchem leed en voor de intresten. Maar Wambacq achtte het niet uitgesloten dat Gillis zelf de koijen vuijt den stal Van Hendrick Van Onchem, sijnen cousijn, heeft gehaelt off doen vuijthaelen. Van Gillis’ advocaat, A. Adriani, eiste de meier dat hij voor de schepenbank zou verschijnen om de eed af te leggen dat hij te goeder trouw handelde en voldoende borg had voorzien om eventueel de proceskosten te kunnen betalen.

4 februari 1676. Metter minnen eenighe betaelinghe niet connen bekomen[12].

Notaris J. Schoonjans stelde op 4 februari 1676 een pachtcontract op voor Jan Jacobs, de verhuurder en Franchois Van Onchem, de huurder. Het ging om een perceel land van 3d gelegen op Het Labues dat Van Onchem voor 6 jaar wou pachten aan 18 gulden per jaar, te betalen met Kerstmis. Al na 1 jaar bleef Franchois in gebreke: met Kerstmis betaalde hij niet. Zoals voorzien in het contract spande de ondertussen weduwe geworden vrouw van Jan Jacobs, na 6 weken en na metter minnen eenighe betaelinghe niet te connen becommen een proces in tegen Franchois.

Jan Jacobs en zijn vrouw Anna Van Mulders hadden twee dochters: Catharina, ° 28/09/1672, en Joanna, ° 28/01/1674. Een Franchois Van Onchem trouwde te Meldert op 16 februari 1658 met Christina De Waegeneer. Zij hadden drie kinderen: Henricus, °18/08/1659, Joanna, ° 20/05/1670, Jan, ° 2/11/1671. Mogelijk hertrouwde hij met Anna Van den Hauw. Met haar had hij nog een zoon: Judocus, ° 3/03/ 1673.

30 maart 1676. Hofstede tweemaal verkocht[13].

Jacques De Ridder wou een hofstede van 32 roeden verkopen. Ze grensde aan de straat, de weduwe Hendrik Van den Broeck, de rentmeester van Brussel en aan de weduwe Gillis Beeckman. Hendrik Cordemans bood 300 gulden, maar Hendrik Applicoen verhoogde zijn bod driemaal tot 309 gulden. Toch ging de verkoop niet door omdat Jacques’ vrouw plotseling overleed waardoor hun kinderen mede-eigenaar werden. Met toestemming van de drossaard en de schepenen van Asse, de oppervoogden en van de naest bestaende vrienden van sijne minderjarige kinderen kon de verkoop toch doorgaan op 30 maart 1676. Jan Van den Broeck had als bloedverwant de hofstede behoorlijck ende solemelijck geërft en hij werd de nieuwe eigenaar. Geen gelukkige keuze want hij betaalde niet, ook niet nadat hij dickwijls met der minnen vermaent was zodat Jacques een proces tegen hem inspande.

1679. Een kwalijke erfenis[14].

Een erfenis krijgen, daar dromen de mensen van. Maar soms kan da

t wel eens tegenvallen. Dat ondervond Adriaan De Gols als erfgenaam van Guillam Van Mulders. Die erflater had namelijk al jaren verzuimd de jaarlijkse rente van 12 gulden te betalen aan de weduwe en de erfgenamen van Gillis Speeckaert uit Aalst. De schuld was opgelopen tot 120 gulden. Dat Adriaan dat bedrag niet beschikbaar had, is aannemelijk, maar dat leverde hem in 1679 een proces op vanwege de weduwe en de erfgenamen.

23 maart 1680. Jan De Witte curator ten sterfhuize van pastoor Jan Ardennois[15].

Johannes Ardennois werd op 5 juni 1668 benoemd tot pastoor van Meldert. Voordien was hij onderpastoor te Asse. Hij was er in botsing gekomen met zijn pastoor wegens zijn zelfstandig optreden in de Sint-Hubertuskapel te Asse-ter-Heide. In 1669 getuigde de deken dat hij zijn dienst behoorlijk deed. Toe Hollandse troepen in 1674 de streek plunderden, vluchtte hij naar de abdij waar zijn confraters van Hekelgem en Mazenzele al een schuiloord hadden opgezocht. Pastoor Jan werd door zijn rechtschapenheid en zijn weldadigheid graag gezien. Hij overleed in juni 1678[1]. Op 23 maart 1680 presenteerde Jan De Witte[2], aangesteld als curator, de rekeninghe, bewijs ende reliqua die mits desen aan U. E. die schepenen der vrijheijt ende Lande van Assche is doende Jan De Witte als curator gestelt ten sterffhuijse van wijlen heer Jan Ardennois in sijn leven pastoor van Meldert ende dat van ontfanck ende handelingen bij hem in dier qualiteit gehadt van de penningen van de meubelen ten selven sterffhuijse bevonden als andersints mitsgaeders den vuijtgave bij hem daer tegens gedaen in gulden ende stuijvers.

Ontfanck (in gulden-stuivers-oorden).

1 De penningen van de verkochte meubelen op 18 augustus en 14 september 1678: 437-10-0.

2 Van meester Steven Van Mulders ontvangen op 23 augustus 1678: 42-10-0 van de verkoop van het paard.

3 Van Michiel Bamvers? Ontvangen van geleverde swingen (vlas): 3-0-0.

4 Van Gillis Van Mulders ontvangen van een obligatie: 48-0-0.

5 Van dezelfde ontvangen van een verlopen rente: 2-16-0.

6 Van Adriaan Van Nuffel als gewezen H. Geestmeester van Meldert voor de pastoor: 7-12-0.

7 Op 27 januari 1679 ontvangen van de rentmeester De Middeleer: 15-15-0.

8 Van Gillis Breem uit het inkomen van de Armen Van Meldert voor 1674: 7-12-0.

9 Van de weduwe Niclaas De Vriendt van een rente van 24 stuivers: 1-8-0

10 Van Guille Van Mulders van een obligatie met rente van 5-7-2 op Sint-Andriesmis: 86-0-0.

11 Van meester Pauwels Van Capenberghe, de heer rentmeester Van Nuffel, de heer hofmeester van de abdij en Peter Geerstman voor 5100 kareelstenen door hen gekocht: 305-14-0.

12 Uit de verkoop van schaarhout op Schooneikenbos op 11 december 1678: 25-14-0.

13 Van de weduwe Joris De Meersman enkele achterstallige pachten van de kapelrij van St.-Walburga die pastoor Ardennois enige tijd bediende: 7-12-0.

14 Van Jan De Mol van de wijktienden van de pastorij: 51-0-0.

15 Van 238 bussels haverstro verkocht aan 36 stuivers voor 100: 4-5-2.

16 Van meerdere personen voor verkoop van stro, kaf, bonen en een partij hooi op de openbare verkoop op 19 januari laatsleden: 40-18-0.

17 Van Michiel Arijs voor 200 cloppaerden aan hem verkocht aan 44 stuivers voor honderd: 4-8-0.

18 Van meerdere personen voor 22 vaten koren verkocht aan 16 ½ stuivers het vat: 18-3-0.

19 Voor 6 vaten erwten aan 13 stuivers het vat: 3-18-0.

20 Voor 5 vaten boekwei: 3-5-0.

21 Voor 5 vaten ¼ bonen aan 16 stuivers het vat: 4-4-0.

22 Op 28 april 1679 in Brussel verkocht 15 ½ sisters haver: 23-10-0.

23 Van de heer rentmeester op Kerstmis 1677: 22-0-0.

24 Van dezelfde ontvangen op 23 december 1679: 63-0-0.

25 Van dezelfde nog ontvangen voor de pastorij palende aan de Moortersboomgaard voor 1676-1677 tot 6 augustus 1678 aan 5-4-0 per jaar: 13-13-0.

26 Van dezelfde nog van jaren cijns: 1-1-0.

27 Van Joos De Bruecker van een jaar rente: 2-0-0.

28 Van Merten De Mol van een obligatie van 3 g 2 st vallende op 29 mei, gepasseerd voor notaris De Bisschop: 50-0-0.

29 Van dezelfde van rente tot 29 mei 1679: 9-7-2.

30 Van Jan Van der Borght, gewezen kerkmeester van Meldert, uit het inkomen van de kerk: 55-4-1.

31 Van dezelfde van 1/3 deel van de bonen van het Schooneikenbos waarvan de H. Geest en de Kerk de andere 2/3 toekomt: 6-13-1.

Summa summarum van den ontfanck beloopt een duijsent een hondert negenthien guldens ende eenen stuijver, dus hier: 1119-1-0.

Vuijtgeef bij den rendant gedaen tegens den voorschreven ontfanck

1 Aan de pastoor van Mazenzele voor zijn dienst bij begrafenissen en het celebreren van 30 missen tot lafenis van de ziel van wijlen Jan Ardennois: 31-0-0.

2 Aan dezelfde nog betaald voor het recht van de overrock van de pastoor op 2 mei 1679: 6-0-0.

3 Aan de pastoor van Hekelgem voor 93 missen door hem en andere priesters gecelebreerd voor de lafenis van Jan Ardennois volgens de kwitantie van 20 november 1678: 27-18-0.

4 Aan Niclaas Romijn, koster van Meldert, voor zijn dienst in begrafenissen, voor het maken en leveren van een paar schoenen volgens de kwitantie van 21 maart 1679: 13-0-0.

5 Aan Gillis Kindermans voor het traktement van vrienden en buren die op de uitvaart waren, voor de levering van bier, winkelwaar: 68-0-0.

6 Aan dezelfde nog geleverd voor de levering van waren volgens de rekening van 2 december 1677 en van 27 oktober 1678: 4-7-0.

7 Aan Gillis De Keijser voor geleverd vlees: 8-8-0.

8 Nog aan dezelfde voor geleverd vlees bij de uitvaart volgens de kwitantie van 23 augustus 1678: 1-3-0.

9 Voor het aanwerven van dorsers om het schaarhout te kappen en te verkopen: 1-4-0.

10 Naar Asse geweest om aan de procureur De Bisschop instructies te geven om een verzoek op te stellen dat moet dienen als antwoord in de zaak tegen Charles Ardennois: 1-10-0.

11 Voor de rendant voor het opmaken van de schulden: vier stuivers per blad, samen 1-16-0.

12  Voor de kopie daarvan: 1-7-0.

13 Voor de rendant voor het schrijven en maken van deze rekening aan 4 ½ stuiver per blad, voor 24 bladen: 5-12-2.

14 Voor de kopie zal de rendant aan U.E. moeten betalen 3-15-0.

15 Voor de auditie van de rendant bij U.E.: 7-16-6.

16 Voor de werktijd van de rendant bij het maken van de rekeningen: 1-4-0.

17 Voor de rendant die recht heeft op de 20ste penning van de ontvangsten en uitgaven. Voor de ontvangsten van 1119-1-0 bedraagt de 20ste penning: 55-0-0.

18 Voor het schrijven en opmaken van de rekeningen van de Kerk van Meldert voor het jaar 1671 en gedaan voor Andries De Bruecker, kerkmeester: 2-8-0.

19 Betaald aan Charles Ardennois: 17-14-1.

20 Ook betaald aan Charles Ardennois, student, als legaat volgens het testament van de pastoor: 1-12-2.

21 Aan Joanna Van de Putte, gewezen dienstmeid[3], als loon: 19-7-0.

22 Aan Hendrik Van den Bossche voor een halve ton bier geleverd op 10 juli 1678: 3-0-0.

23 Aan Peter Fariseau voor ¾ wijn geleverd op 29 april 1676: 25-10-0.

24 Aan Peter Goetvinck, de wagenmaker, voor de reparaties aan de ploeg en de kar: 4-11-0.

25 Aan Jan Van Laer voor diverse daguren: 6-9-2.

26 Aan Jan Van Zeebroeck voor geleverd koren en hooi: 1-10-0.

27 Aan Jan De Mol voor geleverde latten, vlees, boter, daguren: 26-14-0.

28 Aan Michiel Van de Putte voor geleverde boter en werk: 16-0-0.

Aan dezelfde voor de kosten die aan U.E. griffier betaald voor het conflict tussen de pastoor en Van de Putte.

29 Aan de bosmeester van Affligem voor een koop hout in 1669: 33-4-0.

30 Aan Jan Laus voor een nieuwe schop en drie hoefijzers: 1-14-0.

31 Aan Gillis Van Onchem om het graan van Het Rot binnen te halen, de meubelen uit het klooster van Affligem te halen, voor geleverde eieren en boter: 3-16-0.

32 Aan Merten Van Herreweghen voor de reparatie aan het paardengetuig: 0-12-2.

33 Aan Merten De Mol voor drie hopen staken, gekocht in 1675 en voor een achterploeg met toebehoren: 7-8-0.

34 Aan de weduwe Joris De Meersman voor werk, hout halen enz.: 5-4-0.

35 Aan Guill. Vastenavondts voor wit brood, suiker en andere door hem geleverd tijdens de ziekte van de pastoor: 1-0-0.

36 Aan Joos Berlange voor geleverd suiker, rozijnen en andere winkelwaar: 1-2-2.

37Aan Jan Van der Slachmolen voor geleverd bier en andere volgend de rekening van 29 april 1667: 15-6-0.

38 Aan Joos Dauwe, gareelmaker te Lebbeke, voor de levering van paardengetuig: 4-9-0.

39 Aan Peter Spanooghe van Dendermonde voor de huur van een zolder:10-0-0.

40 Aan Peter De Mesmaecker voor de reparatie aan sloten en het hangen van deuren: 1-12-0.

41 Aan Peter Van den Bossche voor vlas dat hij had gezaaid op 8 mei 1679 volgens de getuigenis van Jan Van Laer: 1-1-0.

42 Aan Joos Robijns voor een hesp en vier pond boter aan 5 stuivers het pond:3-0-0.

43 Aan meester Michiel De Bisschop als ereloon voor de zaak tegen Gillis De Clerck en Charles Ardennois:12-8-2.

44 Aan Jacques Jacobs voor de reis die hij ondernam naar Nieuwkerke bij Oudenaarde op vraag van Charles Ardennois: 1-0-0.

45 Aan Joos De Bruecker voor een ton die hij tijdens de verkoop van meubelen gekocht heeft. Maar toe hij ze naar zijn huis had gedragen, bemerkte dat het een van zijn tonnen was die hij aan de pastoor had geleend, waarna hij ze terug bracht: 1-17-0.

46 Aan Gillis De Clercq of zijn erfgenamen voor bier, gelag en achterstel van pacht op Het Rot: 4-10-1.

47 Aan de rendant voor het schrijven en adresseren van brieven aan zijn zuster Catharina Ardennois in het klooster van Sint-Elisabeth te Vorst, om het goed aldaar in kerkgeboden te leggen en meerdere reizen naar Asse in verband met de zaak Charles Ardennois, Gillis De Clercq en anderen: 1-4-0.

48 De 17de maart 1680 betaald aan portkosten voor Ronse en Nieuwkerke en om vrienden de rekeningen te bezorgen: 3-0-0.

49 Aan U.E. griffier de kosten betaald voor de zaak tussen de rendant en wijlen Gillis De Clercq: 1-7-0 en nog eens voor de zaak tegen Charles Ardennois: 11-10-0.

50 Aan meester Jan Blondeel, chirurgijn, voor het stellen van een clisterie[1] bij de pastoor.

51 Aan Gillis Van den Broecke en Peter De Hageleer voor de kosten van dagvaarding en de uitvoering: 2-7-0.

52 Aan Jan Van Nest van Dendermonde voor geleverde lakens en kousen: 10-0-0.

54 Aan Peter De Hageleer voor voldoening van een opdracht: 3-0-0.

55 Aan Jan De Mol voor het laten valideren van de tienden:6-0-0.

56 Voor de auditeurs: 5-0-0.

Summa van de vuijtgeven beloopt een duisent eenennegentich guldens ende vijfthien stuijvers, 1091-15-0 Ende den geheelen ontfanck beloopt als voorenter somme van 1119-1-0. Alsoo dat den doender meer heeft ontvangen als vuijtgegeven de somme van 37-7-0

Aldus gehoort en gesloten op den 23ste meert 1680 ten overstaen van Hendrick Van Innochoven vorster loco des drossaerds J. Van ginderachter ende Laureijs Robijns schepenen.

Jan De Witte had nog een bijkomend probleem. Pastoor Ardennois had gedurende vier of vijf jaar Het Rot bewerkt en hij had daarop grote beternisse ende melioratie gedaen soo met labeuren, mergelen[2], off aerde op te voeren als met te mesten ende andersints. De curator wou de waardevermeerdering van de grond door luyden hun des verstaende laten taxeren. Anderzijds had de pastoor als gevolg van de oorlog verlies geleden ter waarde van drie of vier jaar pacht. Hij wou dat de abdij daar kwijtschelding voor verleende. Ondertussen had Gillis Breem het land nu in pacht.

De tekst geeft een beeld uit het leven van de pastoor. Hij was een ijverige boer. Hij bezat een paard, kar, een ploeg en kon erwten, bonen, koren hooi en stro verkopen. Hij was niet onbemiddeld want hij stond tal van leningen toe. Het aantal achterstallige pachten tonen zijn mildheid.

25 juni 1680. In sulcker vuegen soude ick tweemael betaelen[3].

Toen Peter Geerstman, brouwer en schepen van de abdij, in 1671 zo’n 70 roeden land in het Meerbroeck verkocht, had hij zeker niet verwacht dat die verkoop negen jaar later nog voor problemen zorgde. De koper waren de twee broers Jan en Franchois Van Buggenhout[4]. Het perceel was belast met een rente van 7 gulden. Wat ze bij de aankoop niet wisten en daarom weigerden de broers te betalen. Het goed was niet gesuijvert van lasten. Maar Jan was al begonnen met het land te bewerken en zo was de impasse volledig. Joos, Michiel en Pauwelijne, de kinderen van Franchois, besloten in 1674 om de koopsom te betalen. Op 24 mei van dat jaar overhandigde Joos de 100 gulden ten huize van Geerstman. Met zijn vader en zijn oom kwam hij tot de volgende overeenkomst. Zij zouden aan hem, zijn broer Michiel en zijn zus Pauwelijne drie jaar lang 16 ponden groten met een intrest van 6,25 betalen. De overeenkomst werd afgesloten op 28 mei 1674. Gillis Van Onchem en Gillis Hooft waren er getuigen van en De Raedt was de notaris.

Drie jaar ging het goed, maar in 1678 herbegonnen de moeilijkheden. Michiel had het vercocht landt aengeslaegen ende tsedert blijven besitten tot exclusie van Jan Van Buggenhout, zijn oom. Blijkbaar was die in dat jaar met de betaling gestopt en met dezelfde reden als voorheen: het land was nog met de rente belast. Michiel wendde zich tot de schepenbank van Asse om van Jan, die het land meerdere jaren had bewerkt, de koopsom te eisen. Jan zag zich in sulcker vuegen gestelt dat hij tweemael soude hebben moeten betaelen de weerde van het vercocht goed sonder te spreken van de rente daerop vuijtgaende en tot noch toe niet gesuijvert. De kwestie bleef aanslepen. In 1680 werd ten behoeve van de schepenbank een tweede inventaris opgesteld van de schrifturen, stucken, titulen ende munimenten[5] mitsgaeders acten ende noten, kortom van alle stukken in het proces dat nog steed ongedesideert was. Geraakten de schepenen er zelf niet meer wijs uit?

2 mei 1681. Jenneken kan niet betalen[6].

Peter Vinck en Jenneken Van Mulders kochten op 2 mei 1658 land van Charles Sammens en Anna Van den Dorpe uit Aalst voor 900 gulden. Volgens de aankoopakte moest die aanzienlijke som betaald zijn binnen de drie jaren door elk jaar 300 gulden over te maken. Tot de volledige kwijting kwam er een rente bij van 6,25%. Maar Jenneken werd weduwe en kon slechts 100 gulden afbetalen en vanaf 2 mei 1681 betaalde ze ook geen intrest meer. In 1685 diende Jan De kistenmaecker in opdracht van de weduwe Anna Van den Dorpe en haar erfgenamen een klacht in tegen Jenneken. Ze wilden dat de schepenen haar verplichtten de retserende 800 gulden van stonden aene te moeten aflossen ofwel promptelijck te besetten ende realiserenaen ende op goede sufficiënte panden ten contentemente van dse erfgenamen.

Peter en Jenneken trouwden te Meldert op 23 november 1631. Zij kregen 6 kinderen:

– Arnold, °17/02/1633, Petrus, ° 21/11/1634, David, °8/10/1636, Erasmus, °9/02/1639, Anna Maria, °19/02/1641, Egidius, °12/03/1643.

13 mei 1681. Zes minnelijcke vermaeningen, alles tevergeefs[1].

Gillis Van Onchem ondertekende op 2 april 1678 een overeenkomst met De Ridder, griffier van de stad Aalst en bosmeester van Affligem. Voor 60 gulden kocht hij schaarhout en betaalde hij ook de pacht voor Joos Van den Wijngaert. De som moest uiterlijk twee maanden later betaald zijn, maar drie jaar later had De Ridder nog geen gulden gezien, ook niet na 6 minnelijcke vermaeningen. Om toch aan zijn geld te geraken, restte hem alleen den wegh van rechte. Hij wendde zich tot de schepenbank van Asse om Gillis te verplichten promptelijck te verplichten de 60 gulden te betalen.

29 juli 1681. Testament van Anna Van Mulders, begijn[2].

Voor veel mensen is een begijntje zoiets als een benedictines, een zuster die in alle eenvoud en soberheid leeft binnen de muren van een convent. Anna Van Mulders, begijntje in het Groot Begijnhof te Mechelen geeft ons toch een ander beeld van de “soberheid” van de begijnen. Dat kunnen we opmaken uit haar testament dat ze op 4 april 1674 te Mechelen liet opmaken door notaris Conradus Van Herreweghen. Zij is dan siekelijck nochtans haer memorie ende verstandt wel machtigh. Zoals in die tijd gebruikelijk was, begon zij haar wilsbeschikking met: voor eerst recommandeert (ze) haere ziel in de bermertige handen Godts ende gebeden van het geheel hemels gezelschap. Zij wenst dat haer dood lichaam ter gewijde aerde, begerende ’t selve begraven te worden in de kercke van den begijnhove. Zij wil ook dat er 500 missen tot laeffenisse haerer ziel gecelebreerd worden. Haar bezittingen bestemd ze voor:

– Een zilveren lepel aan haar peten Anna Van Mulders, dochter van Guilliam; Anna Van Mulders, dochter van Gillis; Anna Catharina Vinck, Anna Catharina De Kegel, Jans dochter en Maria Jacobs.

– Een poseleijnen schotelken met silver beslaeghen is voor begijntje Helene Van Hemelen.

– Het convent krijgt 3 gulden (=g), de meestersse 1 patacon en elk begijntje 1 g.

– Haar biechtvader geeft ze 12 g.

– Wat overblijft van de verkoop van haar meubelen en obligaties, na aftrek van alle kosten, moet belegd worden op goede vaste panden. De renten daarvan zijn bestemd voor familieleden die de komende 25 jaar hun sullen commen te begeven tot geestelijcken staet ’t sij de selve sijn manspersoonen ofte vrouwpersoonen. Daarbij horen haar nichten die al op het begijnhof wonen. Na hun dood komt het bedrag toe aan hun erfgenamen.

De gronden die zij bezit wil ze onder haar broers en zussen of hun kinderen verdelen in gelijke parten: Guillam, de kinderen van Jan, de dochter van Elisabeth, de kinderen van Jenneken en de kinderen van Cathelijne.

-Als executeur van haar testament kiest ze juffrouw Jenneken Maria Van Mulders, haar nicht, die daarvoor 25 g krijt. Jenneken spande op 29 juli 1681 een proces in tegen Aert Vinck, molenaar op de Neermolen en tegen Guillam De Vis en Jacquemijne Carnoy. De reden werd niet vermeld.

3 december 1683. Over ’t geld van de huisarmen[1].

Adriaan De Gols zal wel onaangenaam verrast zijn geweest toen hij, als erfgenaam van Guillam Van Mulders, vernam dat hij een schuld van 48 gulden 13 stuivers erfde. Wat was er gebeurd?

Adriaan was getrouwd met Maria Van Mulders, een van de kinderen van Guillam Van Mulders[2] en Cathelijne Van der Jeught. Zijn schoonvader was huisarmenmeester geweest en had in 1668 een tekort op zijn rekeningen van 90 g 8 st. Hij betaalde daarvan 60 g 17 st zodat hij nog voor 29 g 11 I/2 st in het krijt stond. Maar er dook ook een tweede tekort op. Guillam was pachter geweest van een tiendenwijk van de pastoor en in 1673 had hij daar een schuld van 19 g 2 st. Zijn totale schuldenlast beliep 48 g 13 1/2 .st. Meerdere pogingen van de landdeken, de pastoor, de kerk- en armenmeesters brachten geen oplossing zodat ze op 29 november 1686 besloten Gillis Hooft, de schoolmeester, te autoriseren om via de schepenbank van Asse aan hun geld te geraken. Voor de parochie tekenden landdeken Egidius Van der Borght, pastoor A. De pauw, Jan Robijns, J. De Clercq en Carel Van der Borght. Notaris M. De Bisschop stelde de akte op.

In zijn antwoord op de beschuldigingen erkende Adriaan De Gols dat zijn schoonvader in 1668 als armenmeester een tekort had van 29 g 11 ½ st. Maar Gillis Hooft is te lichtveerdich ende van cleijne consideratie geweest met zijn klacht bij de schepenen want hij wist heel goed dat de erfgenamen van Guillam kort na zijn dood het catsereel[3] waarin de schulden waren genoteerd, hebben gevraagd en niet gekregen. Het is nog altijd in het bezit van de aanlegger, Gillis Hooft. Hij was in staat om alle schuldenaars te connen presseren ende dwingen tot betalinge van hunne resterende schuld. Adriaan had dus het noodsaeckelijck instrument niet in handen om de rekening aan te zuiveren. Hij en met hem de mede-erfgenamen waren ervan overtuigd ontlast te sijn van te purgeren het slote van de rekening van Guillam. Voor Adriaan is het duidelijk dat Gillis Hooft hem wil pesten door een proces in te spannen. Toch blijft hij bereid om de achterstallen op te halen mits hebbende het dickmaels gemeld catsereel om sich daermede te behelpen.

Wat de huur van de tiendenwijk betreft, de opbrengst was veel minder dan wat aan Guillam was toegezegd en de kerkmeesters beloofden hem om in dat geval de huur te verminderen, Ze stelden voor om de pacht van een ½ bunder meers, die hij in die wijk huurde, kwijt te schelden. Guillam ging daarmee akkoord en als bleek dat na die kwijtschelding er nog een tekort op de rekening was, dan zou hij dat bedrag onmiddellijk betalen.

In zijn duplycke haakte Gillis in op het probleem van het catsereel, het maenboeck. Anna en Barbara, zijn schoonzussen, brachten zelf het boek bij Gillis met het verzoek na te gaan of er nog debiteuren waren en of hij, in dat geval, hen zou aanmanen tot betalen. Dat heeft hij ook gedaan en allen verklaarden dat zij al hadden betaald. Barbara haalde dan het boek terug zonder hem voor zijn werk te betalen. Zij beweerde dat ze het aan de griffier van Asse, haar voogd, moest bezorgen. Dat heeft zij ook aan de pastoor gezegd. Hij heeft sindsdien het boek niet meer gezien. Hij is wel bereid de griffier daarover aan te spreken. Wat de tienden aangaat, hij heeft nooit geweten dat men een exacte opbrengst van een wijk vooropstelde. Wat Adriaan daarover beweerde, is zeker onjuist.

In zijn reactie liet Adriaan weten dat het catsereel wel degelijk aan Gillis is overhandigd bij zijn aanstelling tot rentmeester van de huisarmen. Hij kon dus de schuldenaars praemen tot betaling, want het was zijn plicht de rekeningen aan te zuiveren. Hij blijft er ook bij dat Gillis alle resterende schulden heeft gecollecteerd ende ontvangen. Hij moet niet meer betalen. De pacht voor de tiendenwijk die Guillam gedurende drie jaar had, is volledig betaald.

Pastoor De Pauw stond natuurlijk aan de zijde van zijn rentmeester Gillis. Hij bezorgde notaris De Bisschop op 26 mei 1687 een ondertekende verklaring waarin hij bevestigde dat Barbara hem zei dat ze het manuaal van haar vader zaliger aan de griffier van Asse had overhandigd. De griffier vroeg haar zelfs om de pastoor zijn groeten over te maken. Dat was na de hoogmis nabij de uitgang van de kerk.

Het proces sleepte zich voort. Gillis wou nu dat de schepenen Adriaan en zijn advocaat Jan Schoonjans zouden dagvaarden om voor hen onder eed te verklaren dat ze te goeder trouw handelden en dat ze, als blijkt dat Adriaan schuldig is, zij de proceskosten zullen betalen. Hij wou ook dat ze schriftelijke bewijzen van hun onschuld voorlegden.

Adriaan bracht daarop twee ontvangstbewijzen die ze vonden nadat ze het sterfhuis van Guillam grondig hadden doorzocht. Het eerst kwam van notaris J. De Witte en dateerde van 18 juli 1679. De notaris bevestigde daarin dat hij, als curator ten sterfhuis van pastoor Joannes Ardennois, de som van 86 g had ontvangen van Guillam Van Mulders. Dat was de terugbetaling van een obligatie van 86 g met een rente van 5 g 7 ½ st waarvan de eerste betaling viel op St-Andriesmis 1676. Het tweede ontvangstbewijs was van de hand van dezelfde notaris. Hij bevestigde op 9 januari 1676 de ontvangst van 80 g voor de tiendenpacht van 1670, 1671 en 1672 als aflossing van een obligatie van 80 g.

Op 5 november 1688 stelden de schepenen vast dat het selve proces noch niet en is in staet om definitievelijck beslecht te worden en dat zowel gedaagde Adriaan De Gols, als aanlegger Gillis Hooft binnen de 8 dagen nog bijkomende stukken konden indienen. Gillis liet weten dat hij bij zijn aanstelling als rentmeester van de huisarmen het rekenboek nooit heeft gekregen en hij blijft erbij dat de erfgenamen van Guillam Van Mulders sonder eenighe exceptie schuldich sijn te betalen, ook de 19 g 2 st van de tiendenpacht, want er is nooit een kwijtschelding beloofd bij mindere opbrengsten. Adriaan van zijn kant bleef op zijn standpunt dat Gillis de namen van de debiteuren kende en de achterstallige bijdragen kon innen en dat hij nu probeert om de kosten van het proces te vermijden dat hij zo lichtveerdelijck heeft ingespannen.

Uiteindelijk kwam er een uitspraak van de schepenen. Op 18 april 1690, 4 jaar nadat de klacht was neergelegd, veroordeelden de schepenen Adriaan De Gols tot de betaling van 29 g 10 st.

20 mei 1686. Hekelgem vermaant Meldert[4].

De parochies van Hekelgem en Meldert leverden samen op 31 juli 1684 differente fouragiën te Aalst. Zij waren daartoe verplicht geweest door kolonel Du Bie[5]. Volgens de Hekelgemnaren hadden zij meer geleverd dan die van Meldert en ter compensatie eisten ze nu van Meldert een tegemoetkoming van 20 gulden. Franchois Robijns[6] en Joos Pauwels[7], regeerders van Hekelgem, en Guillam De Clercq en Jan Robijns, bedesetters van Meldert, ondertekenden een akkoord daarover. Nadat de bedesetters diversche reisen tot betaelinghe van voorschreven somme hebben doen vermaenen, verloren de regeerders van Hekelgem hun geduld en waren ze genoodzaakt inne te gaen den wegh van rechte. Ze dienden een klacht in bij de schepenbank om van de bedesetters de betaling te eisen.

29 december 1685. Huijssoeckinge bij Gillis De Meij[8].

 Gillis De Meij moet het in de winter van 1685 bijzonder koud hebben gehad. Vermits hout toen de enige brandstof was, ging hij op zoek. De houten brug over de gracht tussen Het Stevensveld en Het Goosenbroek leek hem goede brandstof. Op een avond, tussen 7 en 8 uur kapte hij ze in meerdere stukken en bracht die naar zijn huis en verborg ze in de staken en achter bussels schaarhout. Wellicht hoopte hij dat er geen getuigen waren, maar dat de brug was verdwenen viel natuurlijk vlug op. De drossaard, samen met Michiel Van de Putte en Peter Geerstman, schepenen van Affligem en van Asse en de officieren Peter De Hageleer en Jan Van der Borght voerden op 19 december 1685 wettige visitatie ende huijssoeckinge uit in meerdere huizen van Meldert. Bij Gillis vonden ze gezaagd hout, 10 voet lang, 1 voet breed en besmeurt met aarde. Er lagen ook meerdere bussels takken. Toen de officieren begonnen met de bussels weg te dragen, kwam Gillis tussenbeide. De bussels waren niet van hem, beweerde hij, ze waren van Elisabeth Verdoodt, de vrouw met wie hij samenwoonde. Daarover ondervraagd, verklaarde Elisabeth dat slechts de kleinste bussel van haar was. Zij bracht Gillis nog meer in moeilijkheden door te zeggen dat hij ’s avonds grote stukken hout had gekliefd. De officieren zochten dan voort en vonden nog 2 berken, 1 kerselaar en een staak van ceder waarvoor Gillis geen verklaring kon geven. Vermits zijn daden directelijck strijden tegen de notoire plaeccaten van sijne majesteit rekende de drossaard erop dat de schepenen van Asse zouden veroordelen met alsulcke straffe, pene oft correctie zoals de plakkaten voorschrijven. Een plakkaat was in de Nederlanden in de 16de tot 18de eeuw een ordonnantie waardoor de voorschriften van de overheid ter kennis van het volk werden gebracht.

20 mei 1686. De coije ende peert in arrest genomen[9].

Melchior Carnoy, 27 à 28 jaar en soldaat te peerde ten dienste van sijne Majesteit van Spaniën onder het regiment van den heere colonel Dumon, voorheen officier van Hekelgem, en Peter De Hageleer, de officier van Meldert, verschenen op 10 januari 1690 voor notaris De Raedt. Op verzoek van Jan Everaert, collecteur van Hekelgem, hadden zij Carel Van Camp driemaal aangemaand zijn belastingen te betalen. Omdat Van Camp nog niet betaalde, namen ze op 20 mei 1686 zijn koe en paard mee. Daar Van Camp zich bij de bedesetters ging beklagen, vroegen Melchior en Peter dat de bedesetters de oppositie van Van Camp souden weren ende agt doen, wat ze echter niet deden. Daarop legden de officieren bij notaris De Raedt op

10 januari 1690 een attestatie des wettige reden af als bewijs dat ze naar recht hadden gehandeld.

1687. Een verswegen chijns[1] – 45.

Was Andries De Bruecker naïef of sluw? In 1701 ging hij een lening aan van 200 gulden met een rente van 5% bij rentmeester Huygens. Hij wist niet of verzweeg dat de panden die hij als borg gaf, belast waren met een cijns van 2 g per jaar. Twee jaar later stelde de schoonzoon van de rentmeester Callaert, vast dat er nog geen rente was betaald. Hij liet de wanbetaling officieel vatstellen en als hij beslag wilde leggen op de panden, ontdekt hij tot zijn verbijstering dat er een cijns op rust ten voordele van Marie Amelrijcx en dat er de laatste 16 jaar geen betaling was. Hij betaalde de schuld aan Marie en ondernam enkele pogingen om van Andries de achterstallige bedragen te krijgen. Vergeefse moeite! Hij richtte zich ten slotte tot de schepenbank van Asse om Andries te verplichten onmiddellijk 88 gulden te betalen.

18 februari 1687. In faute gebleven voor de hure[2].

De hopkoopman Carel (Charel) Ardennois wonende in de cleirhage sloot op 18 februari 1687 met Pauwel Van Capenbergh uit Opwijk een huurovereenkomst voor een hoeve te Baardegem. Het ging om een hofstede met huijs daerop staende, groot 1 d 20 r en palende aan de straat tegen de kerk, Jan De Backer, de jezuïeten van Aalst, Andries Van den Meersch en de voetweg naar Dendermonde. De pacht bedroeg 31 g voor een termijn van 6 jaar. Volgens de voorwaarden moest de huurder goede sorge dragen dat ’t selve huijs mette hoffstede door sijn onachtsaemenheijt niet en worde geslecht off misbruijckt maer wel verbetert. Carel mocht geen hout kappen, behalve wat hij met een houwmes kon afslaan. Als pand gold persoon en bezittingen en Jan Van den Biesen stelde zich ook borg.

Waren er slechte hopjaren of kende Carel andere tegenslag? Het eerste jaar betaalde hij nog de huur, de volgende twee jaren niet zodat hij was deugdhdelijck schuldich ende ten achteren gebleven 62 g. Pauwel trachtte niet langer om zelf aan het huurgeld te geraken, hij richtte zich tot de schepenbank om door een vonnis aan zijn geld te geraken.

Carel Ardennois werd vermeld in de inventaris van het sterfhuis van pastoor Jan Ardennois die in 1678. Curator Jan De Witte ging in opdracht van de pastoot meerdere malen naar Asse “in verband met de zaak van Carel”. Ging het om deze huurachterstand of had Carel nog andere moeilijkheden?

12 juli 1688. Een ongelukkige erfgenaam[3].

Guilliam De Suer was een pechvogel. Zijn ouders stierven vroeg en hij kende ook geen lang leven. Maar hij kon wel rekenen op zijn voogd Andries De Bruecker. Hij was er bij toen Guilliam op 12 juli 1688 een lening aanging bij Gillis Van de Velde en zijn vrouw Cathelijne Stevens. Het ging om een bedrag van 96 g en met een rente van 6,25% of 6 g per jaar. De akte werd verleden door de schepenbank van de abdij. Michiel Wambacq was de meier, Michiel Van de Putte en Gillis Robijns ondertekenden als schepenen. Guilliam gaf als onderpand 1d land gelegen in De Hoorick, palend aan Adriaan De coster, Jan Seghers en de straat. Het tweede pand was een perceel van 1bunder gelegen in Het Plasbroek te Hekelgem en grenzend aan Joos Meert, Elisabeth Robijns, de jezuïeten van Aalst en de straat.Het was belast met een grondcijns van 4 g 10 st. ten voordele van de kerk- en huisarmen van Essene. Tot 1691 betaalde Guilliam de rente. Zoals in elke akte werd ook hier voorzien dat, in geval van wanbetaling, de leninggever zoveel goederen mocht opeisen tot het ontbrekende bedrag was vereffend. Met de dood van Guilliam werd Andries erfgenaam en de schepenbank van Asse verplichtte hem de 18 g achterstal te betalen.

Gillis Van de Velde en Cathelijne Stevens trouwden op 18 mei 1673, Peter de Suer en Anna Van den Driessche op 20 november 1656. Hun zoon Wilhelmus (Guilliam) werd op 31 juli 1658 geboren.

1689. Gillis Van Onchem weigert schulden van zijn vrouw te betalen[4].

Moet je de schulden die je vrouw maakte voor het huwelijk betalen? Die vraag zal Gillis Van Onchem wellicht vaak uit zijn slaap hebben gehouden. Hij trouwde met Anna Dedemaeckers, de weduwe van Hendrik Van Ransbeke. Zij had met Hendrik op 19 september 1662 een lening aangegaan van 400 gulden met een rente van 5% of 20 gulden per jaar, bij Jan Coene en Elisabeth Puttemans. De akte werd opgesteld door de schepenen van het leenhof van de abdij, namelijk Charles de la Mars[5], meier en schepen Melchior Van den Driessche. Hendrik en Anna gaven de volgende goederen als onderpand:

-Een dagwand land gelegen op Het Meirbroek, grenzend aan Guillam Van Mulders, Jan De Gols, Jan Buggenhout en aan de kerkgoederen.

– Een ½ d land grenzend aan Leonard Verheijden, de hoeve van Jan Coene en de straat.

– Een meersken grenzend aan de abdijgoederen, Jan Buggenhout, de weduwe Hendrik Van den Wijngaert en de hoeve van Coene.

De drie partijen land waren belast met een grondcijns aan de abdij en aan het Hof te Mutsereel[6].

-Een hofstede met huis en andere gebouwen, Het Keijserrrijck, gelegen aan de straat, de erfgenamen Leonard Verheijden, Hendrik Van Onchem en de abdijgoederen.

Zoals gebruikelijk was in de akte voorzien dat, in geval van wanbetaling, de leengever het recht had om beslag te leggen op de onderpanden tot het bedrag van de schuld. In 1689 legde François Ferdinand uit Antwerpen, voor de erfgenamen van Jan Coene en Elisabeth Puttemans, een klacht neer bij de schepenbank van Asse omdat de achterstallige renten waren opgelopen tot 185 g. Hij verzocht de schepenen Gillis Van Onchem te veroordelen tot onmiddellijke betaling van de 185 g.

Met Anna Dedemaeckers had Gillis nog een zoon, Egidius, gedoopt op 3 juli 1678. Gillis kwam wel vaker in contact met de schepenbank. Zo was er in 1676 twijfel of hij wel de twee koeien die hij naar de stal van Hendrik Van Onchem moest brengen stiekem niet had weggehaald. Twee jaar later werd hij gedaagd omdat hij een aankoop van schaarhout niet had betaald.

1689. Het geld van de broederschap[7].

Uit het register van rekeninghe van de broederschap van Sinte Walburgis binnen de prochie van Meldert begonst van den jaere verschenen 1664 alwaer onder staet naervolgende:

Den  XIIII° februari XVI° drijenseventich heeft Guillam Van Mulders[8] filius van Gabriël ontfangen van Franchois De Vis filius Peter het sloth (van de rekening) van Jan Van Ighem, sijnen voorsaet bedraegende de somme van drijentwintich guldens ende veertien stuivers. Item van Gillis Breem sijn sloth bedraegende drijentwintich guldens ende dertien stuivers waerbij Gillis Breem heeft bij gelijt ende verschooten dertien stuivers, comt tsamen te bedraegen achtenveertich rinsguldens waervan Guillam Van Mulders heeft gelooft te geven intrest in advenant van den penninck sestien (6,25%) bedraegende drij guldens des jaers altijt te betaelen te Lichtmisse, welcke somme belooft den voorschreven Van Mulders te restitueren aen de meesters van het broederschap van Sint Walburgis binnen Meldert binnen den tijt van drije jaeren off de selve te besetten op sufficiënte panden ten contentemente van de meesters ende hooftman ten dien tijde sijnde acte den veertiensten februari ut supra ter presentie van Gillis Breem auwerman, Franchois De Vis broeder, Franchois De Vis filius Jans oock broeder van het voorschreven broederschap ende mij als des hooftman quod attestor ende is onderteeckent Guillam Van Mulders, J. Ardennois (pastoor) van Meldert, Gillis Breem, Franchois De Vis ende Franchois De Vis filius Jans.

De broederschap van Sinte-Walburga bestond al op het einde van de 15e eeuw. De leden namen, vergezeld van de pastoor en de koster, deel aan de processie van de H. Gudula te Moorsel waar zij na afloop van de plechtigheid werden getrakteerd[9]. Zoals we uit het register kunnen opmaken, leenden Gillis Breem, hoofdman van de broederschap en Franchois De Vis, als lid, elk 23 g 13 st, samen 48 g aan Guillam Van Mulders op 14 februari 1673 – 48 g uit de kas van de broederschap. Guillam beloofde het bedrag binnen de drie jaar terug te betalen en voldoende onderpand te geven. Toen hij in november 1681 stierf, was de schuld nog niet vereffend. Gillis had wel al uit eigen zak het tekort bij de broederschap aangezuiverd. In 1689 moesten de erfgenamen van Guillam Van Mulders nog 8 g betalen en Peter Van den Bossche, die optrad namens de erfgenamen van Gillis richtte zich in 1689 tot de schepenbank om Adriaan De Gols, erfgenaam van Guillam, te verplichten de ontbrekende 8 g te betalen.

Het was niet de eerste keer dat Adriaan De Gols voor de schepenbank werd gedaagd omwille van de schulden van zijn schoonvader Guillam. In 1686 moest hij 29 g 10 st aan de huisarmen betalen een tekort dat Guillam als armenmeester had nagelaten.

20 februari 1690. Arme weduwe[10] (1).

De weduwe van Joos De Wolf geraakte na het overlijden van haar man in de problemen toen ze vroeger aangegane leningen niet kon afbetalen. Bij den heere borgemeester en schepen der stede van Aelst en bij Franchois Van Ransbeke had Joos een lening aangegaan. Van geen van beide kon zijn weduwe de rente betalen. De burgemeester stelde Petrus Judocus Touriani aan als advocaat om zijn zaak bij de schepenbank van Asse te bepleiten. Op 29 november 1689 werd de weduwe samen met haar zoon Anthoen voor de schepenen gedaagd om na te gaan welk bedrag ze nog schuldig was, rekening houdend met de afbetaalde som en de kosten van het gerecht. Schepen J. Van Mulders liet hen op 20 februari weten dat haar schuld 181 g bedroeg. Anthoen aanvaardde die taxatie niet en stelde De Raedt als advocaat aan. Op de zitting van 2 mei 1690 konden beide advocaten hun standpunten nog eens verdedigen, waarna de schepenen beslisten dat ze eis van Touriani aanvaardden.

1690. Arme weduwe[11] (2).

Op 15 juli 1667 kocht Joos hout bij Franchois Van Ransbeke voor 48 gulden. Daar hij het nodige geld niet bezat, ging hij bij Franchois een lening aan met een looptijd van 50 jaar en een intrest van 6,25%. Van Ransbeke transporteerde de lening met de jaarlijkse rente naar de huisarmen van Meldert op conditie dat, als de lening werd afbetaald, de 48 gulden opnieuw werden belegd ten voordele van de huisarmen. Van die goede bedoeling kwam niets in huis. De weduwe was niet in staat om de jaarlijkse 3 g te betalen en in 1684 was het tekort al opgelopen tot 30 g. Daar diverssche minnelijke vermaeningen niet hielpen, besloten de pastoor en de armenmeesters om ook een proces in te spannen bij de schepenbank.

8 april 1690. Uit het sethboeck[12].

Gillis Beeckman leverde in opdracht van de bedesetters materialen voor militairen. Waarschijnlijk ging het om hulp voor de Spaanse troepen tegen de frequente invallen van de Fransen onder Lodewijk XIV. Op 8 april 1690 keurden op verzoek van collecteur Jan Van der Borght de bedestters Geeraert Robijns, Joos De Meersman, Carel Van der Borght en Steven De Kempeneer die uitgaven goed. Een kopie, door notaris J. Schoonjans voor in overeenstemming met verklaart, werd aan de schepenbank bezorgd. Hieronder het extract uit het settingboek.

Extract vuijt den sethboeck der prochie van Meldert omme gestelt den 12den januari 1690 bij de bedesetters aldaer daerinne geseth te sijn seekere ontcosten behelsende leveringhe van fouragie, mutsaert, picetten, haver, hoij ende andersints, in den welcken onder andere saet als volght:

Gillis Beeckman 52 – 10 – 1 oort.

Gevalideerd         41 – 12 – 0.

Ontfaen                  1 – 0 – 0.

Later op het jaar, op 11 juli dat jaar plunderden de Fransen een vijftal huizen in Meldert.

1692. Veroordeeld door eigen schepenbank[13].

Schepen Michiel Cornelis[14] moest als gevolg van een lening, aangegaan op 18 februari 1688 bij de kinderen Pauwel Anthonis, 18 gulden erfelijke rente betalen. Als pand stelde hij een hoffstede metten huijse ende andere edificiën op Nievel, groot 1 d, palende aan de Nieveldries, de Molenkouter, de abdij en Gillis Beeckman en een perceel land van 1 d grenzend aan de straat, de Molenbeek, Gillis De Nil en de wezen Jan Beeckman. De akte werd verleden door de schepenen Philips Van Gete, Gillis De Bailliu en Adriaan Van Nuffel en meier Michiel Wambacq van de abdij. Anthoen Anthonis was de voogd van de kinderen. Het kapitaal had Pauwel ontvangen van Anthoen Verheijlewegen. In 1691 spande Joan Willems uit Meldert voor de kinderen Anthonis een proces in bij de schepenbank van Asse. Michiel Cornelis betaald de helft van het kapitaal terug en stopte met de betaling van de rente in 1686 en had dus nog een schuld van 45 g over 5 jaar rente, die hij volgens de schepen promptelijck moest vergoeden.

4 februari 1692. Arme weduwe[15] (3).

De weduwe van Joos De Nil kwam ook na de dood van haar man in moeilijkheden. Hij had een lening verkregen van advocaat A. Adriani, maar toen hij stierf kon zijn weduwe drie jaar na een de rente niet betalen. Na de dood van Adriani verkocht zijn weduwe de lening aan een zekere Cornaille. Die heer, nadat hij alle mogelijke debvoyren deed om de 9 ponden groten Vlaams (= 18 gulden) te innen, besloot hij om ook de schepenbank in te schakelen.

Schulden bleven ook de weduwe van Guillam Van Mulders, Kathelijne Van der Jeught achtervolgen en zelfs na haar dood eisten de collecteurs van Meldert, Jan Van der Borght en Stevens De Valck, respectievelijk 23 en 5 gulden 1 blank. Daar de arme weduwe slechts een koijbeeste met eenighe cleyne meubelkens bezat, vroegen ze de schepenbank de toelating om die te verkopen.

22 april 1692. Een bedde ende wolle goederen[16].

Van koopman Jan Rogier Caeyman uit Aalst kocht Andries De Bruecker een bedde ende wolle goederen. Hij betaalde een deel van de aankoopsom en bleef ten achteren de somme van sesthien guldens ende thien stuijvers. Maenen tot betalinge van de tachterheijt was tevergeefs en verliesende sijne patiëntie trok hij naar de schepenbank om zo aan zijn geld te geraken.

1 mei 1692. Ingel De Ridder[17].

Peter Sannens en zijn vrouw Beatrice Vanden Dorpe wachtten 6 jaar alvorens naar de schepenbank te stappen. Ingel De Ridder moest hen elk jaar 25 g erfelijke rente betalen, maar sinds 1686 hadden ze niets meer ontvangen. In 1692 beliep zijn schuld 150 g. Van de schepenen vroegen ze om Ingel te verplichten hen promptelijck te betalen.

17 mei 1692. Eene gemaeckte bane[18].

In de jaren 1640 pachtte Jan Vergillius het hele Swertland van de abdij. Daar liep toen een voetweg door voor aen de straete besloten met eenen steenen stichele en met eene voetbrugge over het beeckxke. Maar 50 jaar later is het Swertland in kleinere percelen verdeeld en zijn er meerdere pachters. De boeren hebben, na onderling overleg, de voetweg verbreed tot een veldbaan waarover ze met hun kar kunnen rijden om hun perceel te bereiken. Dat was Gillis Robijns, meier van de abdij, niet ontgaan en samen met de schepenen van de abdij besloten ze in 1692 op die weg dezelfde taks op te leggen als die van de publieke straten volgens het edict van 3 februari 1570. Pechvogel was Jan Goeman, want de weg liep voor get grootste deel over zijn perceel. Hij betaalde de taks niet. Gillis Robijns reageerde erg kordaat en liet de roode grijse koije van Goeman verkopen voor 29 g 15 st. Goeman verzamelde daarop meerdere getuigenissen waarmee hij naar de schepenbank trok. Joos Van den Wijngaert, 72 jaar, verklaarde dat hij binnen sijn gedencken geen cautergat off losgat en hebbe geweten van ’t Swertlant tot behoef van iemand anders. Christiaen Van den Velde, 91 jaar, heeft nooit geweten van enige belasting. De pachters van Affligem “laten bij gedoogh malcanderen reijden” en dat wil hij “in alle bancken van rechten bij eedt vercleeren. Gillis Robijns ondervroeg zelf een aantal getuigen: Michiel Van de Putte, schepen van Affligem en 57 jaar oud, Peter De Hgeleer, officier van het Land van Asse, 61 jaar, Peter Kindermans, 52 of 53 jaar oud, Barbara Goossens, 75 jaar en huisrouw van Michiel Van Biesen en Joanna Van den Wijngaert, oud 72 jaar en huisvrouw van Jan De Boitselier. Zij bevestigden het standpunt van Jan Goeman en zijn twee getuigen. Van de drossaard heeft hij ook vernomen dat er op die weg geen belasting werd geheven, zelfs niet “in de drooge jaeren soo winters als somers ende andersints oock niet in der slechten ende miserabelen tijt. Daarom besloten ze op 25 januari 1693 dat er geen taks wordt geheven op die veldweg. Behalve de getuigen ondertekende ook Middeleer als rentmeester van de abdij. Notaris Schoonjans bezorgde een kopie aan de schepenbank.

11 november 1692. Met drij peerden ten dienste[19].

Joos Van Damme, pachter van Baardegem, aanvaardde in 1692 om, in opdracht van de bestuurders van Baardegem en Meldert met sijne waegen ende drij peerden ten dienste van Sijne Majestijt bepaalde karweien uit te voeren voor 4 g 17 st per dag. De twee gemeenten zouden elk de helft van de kosten dragen. Meldert moest in het totaal 303 g 2 ½ st aan Joos Van Damme. Niettegenstaande meerdere aanmaningen bleef Meldert talmen met de uitbetaling. Het wachten moe, wendde Joos zich op 11 oktober 1692 tot de schepenen van Asse. Die verklaarden Joos eis tot betaling ontvankelijk en op 11 november van dat jaar overhandigde officier Michiel Jacobs, in hun naam, aan het gemeentebestuur de opdracht Joos Van Damme te vergoeden. Zij moesten echter hun eis nog tweemaal herhalen en op 2 december voegden ze er nog 6 g 1 st gerechtskosten bij.

23 maart 1695. Nog een verswegen rente[20].

Voor de schepenen van het Godtshuijs van Affligem verschenen op 21 maart 1695 Cathelijne Van Nieuwenborgh en haar zoon Peter. Zij was weduwe van Peter De Vis. Gillis Van Nieuwenborgh had samen met zijn vrouw Cathelijne De Nil voor notaris J. De Witte op 17 oktober 1682 een overeenkomst afgesloten. In ruil voor een obligatie van 50 gulden konden zij beschikken over ¾ van een perceel gelegen te Hekelgem en palend aan de goederen van de abdij, de H. Geesttafel van Hekelgem en Lucas Crick. Nu 13 jaar later diende Peter De Kempeneer een verzoek in bij de schepenen van Asse. Volgens hem was het perceel belast met een cijns van 3 g ten voordele van de broederschap van de H. Walburga en was die nooit betaald. Gillis Van Nieuwenborgh ontkende het bestaan van zo’n cijns want die was hem nooit meegedeeld off aangetoond. Hij vraagt de schepenen dat ze het arrest op de voorschreven drije vierendeelen lants met de gerst daerop staende … qualijck, onbehoorelijck  te verklaren en aan Peter De Kempeneer de kosten aan te rekenen.

23 juli 1696. Drijgende de huijsen aff te branden[1] – 63.

23 juli 1696: opschudding in Meldert. Drie schelmen vallen de mensen lastig. Een van hen, een zekere Van den Daele, beweert dat zij Franse soldaten zijn van het garnizoen van Bergen. Zij hebben de opdracht om te controleren of Meldert de contributies aan het Franse leger heeft betaald. Zij willen de bewijzen zien. Bovendien willen ze een gids, want ze moeten ook nog naar Baardegem, Mazenzele, Opwijk, Brussegem en Mollem. In Meldert dwingen ze Gillis Geerstman om hun gids te zijn, maar voor de rest vangen ze bot. Er is niemand die op hun eis wil ingaan, waarop ze een paard en drie pattacons eisen d’welck hun niet en is toe gestaen, soo hebben sij vervoordert met vier ende stroo om in brand te steken tot aen het dak … te weten het huijs van Jan Van den Biesen. Gelukkig kan een vrouw de drie brandende pijlen wegnemen. Maar dan trekken ze naar het huis van de bedesetter Jan Goeman waar ze de paardenstallen met geweld openbreken. Als de boeren dreigend op hen afkomen, schieten ze naar hen en, mette baillonette op de strompe willen een ieder doorsteken. Maar boeren mag je niet onderschatten. Ze kunnen een van de fielen ende schelmen gevangen nemen, waarop de twee anderen wegvluchten. Gillis Geerstman, Jan Van Laer en (onleesbaar) waarschuwen Hubertus Moortgat, drossaard van het Land van Asse, om hem de wandaden te melden en om de prise du corps van Van den Daele aan te geven.

Meldert leed, net zoals heel het omliggende, zwaar onder de Franse annexatieoorlogen. Op 7 juli 1691 plunderden Fransen het centrum van Meldert. Het Hof te Mutsereel ging op 13 september van dat jaar in de vlammen op. Het was al eens in 1684 platgebrand[2].

1697. Was Michiel Van de Putte nalatig als collecteur[1].

Peter Van de Putte, de zoon van Michiel, zal wel geschrokken zijn als officier Franchois Van Onchem hem een dagvaarding van de schepenbank bracht. Volgens Jan Van der Borght, de collecteur, moest hij 78 gulden betalen, een bedrag dat zijn vader als collecteur nog zou schuldig zijn volgens de bede- en oncostboecken. Dat ontkende Peter ten stelligste, want zijn vader had voor zijn overlijden met de pastoor en Joan Van Zeebroeck, schepen van de Vrijheid en het Land van Asse, de rekeningen overlopen en daarbij werd vastgesteld dat er een tekort was van 37 g. Michiel heeft die som ter handt gestelt in aanwezigheid van de twee geloofweerdige getuigen. Van der Borght had met enorme lichtveerdicheijt ende onbedachtheijt die klacht ingediend. Het tegendeel was immers waar. Zijn vader had meerdere malen moeten aandringen om 216 g 15 st te ontvangen van de bedesetters. Dat was het bedrag van twee ordonnanties door de drossaard ondertekend op 14 december 1695. Het betrof de campagnewagen voor de parochie die Michiel ter beschikking had gesteld en voor de levering van boter, brood, hooi, stro en dergelijke. Dacht Van der Borgt dat Peter eenen slechten jonghman ende sonder couragie was van iemand te consulteren over soodanich onrechtveerdigh bestaen?

Extracten uit setboeken leren ons dat het proces nog in 1700 niet was opgelost:

Ierst saet in den oncostboeck van sesthien hondert vijffen negentich de somme van 36-2-2.

– Item den oncostboeck: 1696 150-7-1.

– Item de bede van 1696 :150-2-2.

– Item den oncostboeck van 1697: 375-17-1.

Samen = 612-9-2.

– Ierst tegen moet corten van ’t gene bij oronnantie op de rekeninghe is gevalideerd:

– Ierst cort van de voorgaende ordonnenties dat hij boni hadde de somme van 23-19-0.

– Item de ordonnantie van 238-15-0.

– Item cort noch: 14-19-0.

– Item cort noch: 21-4-2.

– Item het cortbillet van sesthien hondert vijff ende sesthien hondert sessennegentich 143-17-3.

– Item het cortbillet van sesthein hondert sevenennegentich 121-13-2.

Samen = 564-8-3.

Er bleef een tekort van zo’n 48 g. Op verzoek van Jan Van der borght overhandigde Franchois Van Onsem (Onchem) een affvraginghe om de innehouden der selve te reguleren. Peter antwoordde dat hij geen schuld en kent noch oock de prochie oversulcx dat den selven Van der Borght ende de prochie soude hebben te kussen sijn gat.

20 juni 1697. Een verdwenen testament[2].

Na het overlijden van Alexander Paon kocht zijn dochter Elisabeth op 9 januari 1692 een hoeve met land, samen 1 dagwand, op Doment voor 139 gulden van Jan Van den Bossche en Christina Roodemont uit Londerzeel. Het was een onbehuijsde hoffstede, grenzend aan De Grote Dries, aan de erfgenamen van Jan Van Nuffel, griffier van de abdij, aan het Labues en aan Steven Meert. De akte werd verleden door notaris Hendrik De Raedt. Het goed was suiver ende onbelast dan alleenelijck belast met eenen clijnen chijns van ontrent een oort des jaers aen den heere van off tot Assche voor den opstal daeraen gelegen. Daar het land bezaaid was, kon Elisabeth de vroegere eigenaars vergoeden voor het gewas ofwel hen het perceel nog een jaar laten gebruiken, mits betaling van de pacht. De akte werd door meester Arnout Adriani overhandigd aan de Henricus Franciscus de Cottereau, markies van de Vrijheid en het Land van Asse. Op 10 augustus 1692 ondertekenden Michiel Cornelis, Jan Van Mulders, Adriaan Verspecht en Gerard Robijns, als schepenen van Asse de kopie voor de schepenbank.

Vier jaar later was haar moeder, Anna Van den Hauw, hertrouwd met Franchois Van Onsem (ook onchem). Elisabeth zelf sieck liggende te bedde ende voor haere doot willende maecken haer testament offte vuijterste wille liet de desservitor Bernardus Herreyns[3] en twee eerelijcke luijden, de getuigen Robert Mertens, de koster, en Jan Ophalvens komen om haar testament op te stellen. Ze liet de boerderij, ondertussen wel een behuijsde hoffstede geworden, na aan haar moeder. Wanneer ook haar moeder overleed, ging de hoeve over in handen van Anna’s tweede man, Franchois Van Onsem, als langstlevende echtgenoot. Franchois stierf kinderloos en zijn broer Gillis meende dat hij nu de wettige erfgenaam was en nam de hoeve in gebruik. Maar dat was zonder Jan Poels gerekend. Hij was de man van Anna’s zus, Petronella Van den Hauw en volgens hem kwam de hofstede toe aan zijn vrouw. Hij diende een klacht in bij de schepenbank van Asse.

In zijn antwoord op die klacht stelde Gillis Van Onchem dat Jan Poels inder eeuwicheijdt niet en sal connen proberen vast te stellen dat Gillis van de erfenis was uitgesloten. Er was immers het testament, maar het probleem was dat Bernardus Herreyns het niet meer had. Hij was in 1696 pastoor van Aaigem geworden en Engelse militairen hadden al zijn documenten meegenomen toen ze de pastorie plunderden. Aan Gillis verklaarden de twee getuigen dat in haar testament Elisabeth de hoeve aan haar moeder toewees. Bijgevolg hadden Anna en Franchois de hoeve terecht gebruikt. Na Franchois’ dood had Gillis het land bewerkt ende gereet gemaeckt om op sijnen behoorlijcken tijt lijnsaet konde ingesaeijt geworden hebben om schoon vlas te winnen. Jan Poels wachtte de uitspraak van de rechtbank niet af en zaaide gerst op de akker. En hij deed nog meer. Hij had in den hoppelochtinck comen grafferen ende de hoppekuijlen heeft comen open doen eene volle maendt vroeger als alsulcke hop die welcke daerinne staet is tollererende. Want het dient te sijn genoteert dat het eene soorte van roode hoppe is die welcke daerinne geplant is die man ordinaris wel eene maendt later opendoet ende niet als andere. Ende nota oock heeft hij de selve kuijlen open gedaen ende de keesten alreede geproffiteert ten tijde als het snachts soo defftich noch was vriesende. Bijgevolg had Gillis al heel wat schade geleden. Wat Jan Poels en zijn advocaat, Jan Schoonjans, ook mochten beweren, het was allemaal valsch ende onwaerachtich. Gillis rekende erop dat de schepenen de klacht van Poels zouden verwerpen.

In zijn replycke stelde Poels dat er helemaal geen testament was. Dat kon ook niet omdat een moeder niet van haar kinderen kan erven en dus heeft Anna de hoeve nooit geërfd en kon ze die niet nalaten aan haar tweede man. Hij ontdekte ook dat er een cijns op rustte van  1 oord aan de heer van Asse voor een opstal[4]. Dat Gillis dat niet wist, bewijst dat hij geen wettige erfgenaam was. Als Elisabeth dan toch een testament had, dan was de akte nooit ondertekend want Elisabeth en de getuigen konden niet schrijven. De handtekening was wettelijk verplicht volgens het Eeuwig Edict van 1611. De opsteller van een testament, hetzij een notaris, een pastoor of anderen moeten dat vermelden. Men moest geen bibliotecque openen om het ongeijck des gedaeghde (Gillis Van Onchem) van alle canten te doen sien. Hij vindt het logisch dat Van Onchem hem moet vergoeden voor alle vruchten en baten die Anna genoten heeft na de dood van haar dochter.

Gillis reageerde met een weerlegging van 90 artikels waarin hij zijn argumenten nog eens op een rij zette. Hij bleef erbij dat Anna van haar dochter had geërfd volgens de costuijmen van Assche. Pastoor Herreyns had op zijn vraag al bij notaris Slachmolen  op 7 april 1696 een ondertekende verklaring afgegeven waarin hij bevestigde dat hij op vraag van Elisabeth een testament opstelde om haer huijs met de stede aan haar moeder over te laten. Robben Merten en Jan Ophalvens waren daarbij aanwezig. Hij vestigde ook de aandacht op het feit dat Calixtus Schoonjans samen met Jan Poels de klacht had ingediend. Calixtus was de zoon van advocaat Jan Schoonjans. Kan men wel geloof hechten aan iemand die optreedt als advocaat in zijn eigen zaak. Hij verzocht de rechters om daar eens met een gesondt verstandt over te oordelen.

De volgende stap in het proces was de vraag van Jan Poels aan de schepenen om Jan Ophalvens, Anthoen Arijs, Calixtus en Jan Schoonjans te verhoren. Gillis was ondertussen overleden en zijn weduwe verzette zich tegen de ondervraging van Jan Ophalvens. Die had op 22 juni 1696 getuigd dat hij het testament had ondertekend, maar was nu op zijn verklaring teruggekomen. Volgens Gillis’ weduwe omwille van familiebanden. Ophalvens’ moeder was Cathelijne Van den Hauwe, de zus van Jan Van den Hauwe en schoonvader van Jan Poels. Dat maakte zijn getuigenis niet betrouwbaar. De schepenen gingen niet in op het verzoen van Gillis’ weduwe. Op de zitting van 20 juni1697 ondervroegen Hendrik Van den Bossche en Van Mulders Jan Ophalvens. Ophalvens, een 44-jarige wever tuijght ende vercleert voor de waerheijt dat de desservitor Heer Arreyns het testament opstelde, maar dat niemand het ondertekende. De andere ondervraagden brachten geen nieuwe feiten naar voren.

Op 6 oktober komen de schepenen H. Paijez en Stoeffs tot een uitspraak. Het proces kan niet definitivelijck beslecht worden. Beide partijen krijgen de rekening gepresenteerd. Ieder moet  4 g 16 st betalen.

21 oktober 1698. Met warmerhandt gegeven[5].

Stel: je schoonzus bezit een hofstede en na de dood van je broer, haar man, blijft zij alleen achter. Dan droom je wel eens van een mooie erfenis. Maar ’t kan verkeren.

Deze geschiedenis begint bij Jan De Moncheau. Hij bezat een hoffstedeken metter huijse ende andere edificiën, gelegen aan de kerk en palende aan de straat, aan Joos Van den Hout en aan de Sollendries. Na zijn dood erfde zijn dochter Anna de hoeve. Zij was getrouwd met Gillis Van Langenhove en zij hadden een dochter, Anna Van Langenhove. Na Gillis’ dood hertrouwde Anna met Gillis De Meije die naer lange jaeren getrouwd sijnde is commen te sterven. Kort na hem overleed ook de dochter Anna Van Langenhove. Zo bleef Anna De Moncheau alleen achter op de boerderij. Sieckelijck te bedde liggende liet zij op 9 oktober 1697 door notaris J. De Witte haar testament opmaken. Zij schonk haar bezittingen metter warmerhandt aan Jan De Valck en zijn vrouw Cathelijne Marissens. Die donatie gebeurde voor het onderhoud van Anna soo van eet ende dranck als van lieffde, affectie ende andere weldaden haer in haer sieckte bewesen ende noch sullen moeten doen. Pastoor Johannes Cleersnijders en Franchois Van Onchem waren de getuigen. Jan en Cathelijne mochten de hofstede onmiddellijk bezetten. Ze moeten alleen nog een cijns aan de abdij betalen.

Die schenking was een streep door de rekening van Joanna De Meije, de zus van Gillis. Op 22 november 1698 schakelde zij de drossaard in. Volgens haar was haar broer, door zijn huwelijk met Anna De Moncheau, de erfgenaam van de hofstede, Anna had alleen het vruchtgebruik. Ze verzocht de drossaard om Jan De Valck en zijn vrouw instantelijck te ordonneren affstand te doen ende quitteren de possessie vant voorschreven hoffstedeken met restitutie van alle vruchten, baten ende proffijten bij hem genoten. Jammer voor haar, maar Gillis Vinck, 55 jaar, Jan Buggenhout, 50 jaar en Joos De Clerck, 45 jaar, hadden als buren al op 11 september 1698 getuigd dat Anna wel degelijk de boerderij aan Jan De Valck als donatie inter vivos had overgemaakt.

Anna De Moncheau  trouwde met Gillis Van Langenhove op 1 augustus 1671 en hertrouwde met Gillis De Meije op 2 juni 1677.

1699. De vrouwe van het Hof te Putte in geldnood[6].

Op 13 augustus 1664 gingen Jasper Breem en zijn vrouw Joanna Van der Borght van het Hof te Putte te Brussel een lening aan bij Franciscus Vander Plancken. Het ging om een bedrag van 600 g met een rente van 37 g 10 st. Notaris J. De Beerth stelde de akte op. Als onderpand gaven Jasper en Joanna:

– Een ½ bunder en ettelijcke roeden land, palend aan de dries, de heirbaan naar Aalst, Jan Van de Putte en Merten Coene. Het perceel was belast met 2 st cijns aan de abdij en met een erfelijke rente van 21 g aan Andries De Wever. Deze ½ b kochten Jasper en zijn vrouw van Peter Van Neervelt en Cathelijne Breem.

– 1 ½ d land, grenzend aan Joos De Clerck, Joos Robijns en de kerk van Meldert. Dit stuk had Jasper van zijn vader geërfd.

– Een erfelijke rente van 14 g voor Pauwels Stevens van 16 maart 1648 volgens de akte van de schepenen van het Godtshuijs van Affligem.

In 1679 kon Joanna, inmiddels weduwe geworden, de rente al 13 jaar niet meer betalen. Ridder Urbanus Van der Borght, raedt ende commissaris van sijne Majesteijts souvereijnen ende financiën, diendeals erfgernaam van Franciscus Vander Plancken, bij de schepenbank een eis tot betaling in. Jan Geerstman reageerde daarop met de schulden over te nemen. De gesworen erfflaten van de taeffele van den Heiligen Geest van Meldert van haeren heerelijcke laethove, Gillis Breem, Joos Robijns, Michiel Van de Putte en meierPeter Geerstman stelden op 27 november 1679 de akte daarvan op.

24 maart 1699. Over het waeggeld[7].

Stephanus Van Mulders bezat een waag en wie iets wou verhandelen waarvan het gewicht belangrijk was, kwam bij hem om het goed te wegen en betaalde daarvoor 1 blank of 3 oorden per honderd. Na Stephanus was zijn broer Jan Baptista de waagmeester. Charles Ardennois maakte ook gebruik van de waag en betaalde stipt aan Stephanus volgens zijn verklaring van 17 maart 1691 aan notaris Slachmolen: van de commerschappen … om gewogen te worden soude geven ende betaelen de blancq par honderts onder meer, dwelck hij noijnt en heeft gerefuseerd. Maar met Jan Baptista nam hij het niet zo nauw en in 1691 had hij een schuld van 6 g en hij was er ook niet op vuijt om sijne plicht van recht ende rechtveerdige schuld te betaelen. Jan Baptista zag maar een mogelijkheid om aan zijn geld te geraken: zich wenden tot de schepenbank van Asse.

Klein Meljerts vocabularium uit de 17de eeuw.

Hij heeft de panne metten steel zei Angel en met die beeldrijke uitspraak bracht hij ons op het idee om een aantal bijzondere en plastische woorden en gezegdes van onze Meljertse voorgangers te verzamelen. Juridische termen zijn hier niet in opgenomen. Waar nodig zijn die in een voetnoot onder het artikel verklaard.

Beslechten: beslissen.

Bij drancke wesen: dronken zijn.

Bij drancken wesende hem in sijne woorden bevangen: iemand die dronken is in de val laten lopen.

Carelleren: beledigen, uitschelden.

Catsereel = keitsereel: een manuaal.

Clipel: stok.

Commen slaen handt off handen: zich iets toe-eigenen.

Crakeel hebben: ruzie maken.

Den cost eet ende dranck genieten: kost en inwoon hebben.

De dach van eeren: de trouwdag.

De derde reijsse: de derde keer.

De panne met den steel hebben: alles hebben.

Den haes misbruijcken: een zware misdaad begaan.

Den wegh van chicane inne gaen: vitten, moeilijkheden veroorzaken.

Eenen hond steckt sijn neus in eenen pot die hij open is vindende: profiteren van een goede gelegenheid.

Eene onvermete colère: een onbedwingbare woede.

Fusiek: geweer.

Futselingen: bagatellen.

Gedestrueerd: verwoest.

Gram worden: kwaad worden.

Hael: ketelhaak van de schoorsteen.

Hames: houwmes, kort breed mes.

Het huijs onderhouden van recken ende plecken ende daecken: het huis volledig onderhouden.

Het vijffde rat totten waegen: het vijfde wiel aan de wagen.

Hoornebeesten: koeien.

In brolie geloopen: in de war gelopen.

In perickel van sterven: in levensgevaar.

Inne den wegh van rechte gaen: een proces inspannen.

Is het gat schoon: is de situatie gunstig.

Kints sijn: dement.

Langen: stelen.

Lochtinck: groentetuin.

Maenen tot: aanporren.

Maerte: meid.

Maeschap: familie.

Malcanderen metter handt toeslaen: een akkoord bezegelen met een handdruk.

Met hand en mond lenen: lenen op handslag of gegeven woord.

Mette baillonette op de strompe: de bajonet op het geweer.

Metter minnen vermaent: vriendelijk aangespoord.

Metter warmerhandt: met een handdruk.

Minnelijck met malcanderen overcommen: goed met elkaar overeenkomen.

Mutsaert: takkenbos.

Op sijne stouticheijt: met durf.

Pampieren: documenten.

Pene: boete.

Peis maecken: vrede sluiten.

Praemen tot: aanzetten tot.

Presseren: dwingen.

Promptelijck: dadelijk.

Schoon gelijck een ganzegat: een gunstige situatie.

Seer grammoedich: kwaad.

Sijn debvoyren doen: zijn best doen.

Sijne broeck opnestelen: zijn broek optrekken.

Soo claer als het licht van den middach: zeer klaar, duidelijk.

Sonder hoir van sijnen lijff: zonder kinderen.

Sonder vertreck: zonder uitstel.

Sonder wille wete of consente: zonder kennis.

Straertschinders: vandalen.

Stichel: muurtje.

Sweerende met opgerichte vingeren lijffelijcken ter heiligenwaerts: zweren met opgestoken vingers.

Tachterheijt: achterstel.

’t Krieken van den dach: de vroege morgen.

Van hooren seggen lieght men veele!

Vuijt den boesem sijne ouders was gebruijckende: het bezit van zijn ouders gebruiken.

Vuijt picantigheijt: uit nijdigheid.

Naamlijst.

Vermelde personen. Datum.
Adriana Arnoult – meier van Asse 17 juli 1624 30 maart 1645
Altssteen (Haltssteen) Paesschijne 3 juni 1642
Anthonis Anthoon 1692
Anthonis Pauwel 1692
Applicoen Hendrik 30 maart 1676
Ardennois Jan – pastoor van Meldert 23 maart 1680
Ardennois Charles 23 maart 1680 18 februari 1687 24 maart 1699
Arijs Michiel 23 maart 1680
Beeckmans Jan 17 juli 1624
Blanckaert Jan 3 juni 1642
Blanckaert Margaretha 3 juni 1642
Borluijt Jacques – jonker 17 juli 1624
Breem Gillis – schepen van de schepenbank van Asse. Armmeester te Meldert. 26 september 1657 13 mei 1658 10 april 1663 19 augustus 1668 23 maart 1680
Breem Jasper 1699
Beeckman Gillis 30 maart 1676 8 april 1690
Blondeel Jan – chirurgijn 23 maart 1680
Buggenhout Joos 20 januari 1619 21 januari 1621
Cambie Claes 29 maart 1613
Cambie Merten 29 maart 1613
Carnoy Gillis 13 mei 1658
Carnoy Melchior 20 mei 1686
Cleersnijders Johannes – pastoor te Meldert 21 oktober 1698
Cooreman Anthoon 17 juli 1624
Cooreman Peter 17 juli 1624
Cordemans Hendrik 30 maart 1676
Cornelis Michiel 1692 20 juni 1697
Crabeels Johannes Charles – hoofdmeier van Asse 26 september 1657 13 mei 1658 10 april 1663 19 augustus 1668
Dauwe Joos 23 maart 1680
De Baetselier Joanna 27 mei 1675
De Bruecker Andries – kerkmeester te Meldert 23 maart 1680 1687 22 april 1692
De Bruecker Joos 23 maart 1680
De Clerck Anthoon 27 februari 1620 21 januari 1621
De Clerck Gielis 21 januari 1621 23 maart 1680
De Clercq Guillam 20 mei 1686
De Coster Jacques 27 mei 1675
De Craecker Peter 25 juli 1652
De Craeckere Romein – ontvanger van Aalst 24 maart 1656
De Forminair Thomas 29 maart 1613
Deghdemaeckers Michiel 17 juli 1624
De Frain Jan 27 mei 1675
De Gols Adriaan 1679 3 december 1683
De Grom Geraard 24 januari 1621
De Hageleer Peter – officier te Meldert 19 augustus 1668 1 maart 1670 20 mei 1686
De Hooghe Steven 16 september 1625
De Kegel Adriaan 26 september 1657
De Kegel Michielijne 13 mei 1658
De Kempeneer Peter 1 maart 1670 23 maart 1695
De Kempeneer Steven – bedezetter te Meldert 8 april 1690
De Keijser Gillis 23 maart 1680
De Kistemaecker Jan 2 mei 1681
De Man Joanna 24 maart 1656
De Meersman Joos 26 september 1657 8 april 1690
De Meersman Joris 23 maart 1680
De Meij Gillis 29 december 1685 21 oktober 1698
De Mesmaecker Peter 23 maart 1680
De Middeleir Elisabeth 1 maart 1670
De Middeleere Josijne 16 september 1625
De Mol Jan 23 maart 1680
De Mol Merten 23 maart 1680
De Moncheau (Monceau) Anna 27 mei 1675 21 oktober 1698
De Moncheau Jan 21 oktober 1698
De Nil Cathelijne 23 maart 1695
De Nil Egidius 3 juni 1642
De Nil Joos 13 mei 1658
De Raedt Hendrick – procureur (advocaat) 1 maart 1670 20 juni 1697
De Ridder Ingel 1 mei 1692
De Ridder Jacques 30 maart 1676
De Rycke Bartolomeus 17 juli 1624
De Schoenmaker Peter 13 mei 1658
De Suer Guilliam 12 juli 1688
De Valck Jan 21 oktober 1698
De Vis Franchois 19 augustus 1668
De Vleminck Laureijs 29 maart 1613
De Vriendt Niclaas 23 maart 1680
De Waegeneer Christina 4 februari 1676
De Witte Jan 23 maart 1680
De Wolf Jan 17 juli 1624
De Wolf Joos 26 september 1657 20 februari 1690
Dedemaeckers Anna 1689
Den Weduwijn Franchois 1 maart 1670
Doornix Jan 30 maart 1645
Everaert Jan – collecteur te Hekelgem 20 mei 1686
Fariseau Peter 23 maart 1680
Gaesemaeckers Jan 10 april 1663
Geerstman Gillis 23 juli 1696
Geerstman Jan 1699
Geerstman Joanna 10 april 1663
Geerstman Peter – brouwer en schepen van de schepenbank van de abdij Affligem. 23 maart 1680 25 juni 1680 29 december 1685
Goeman Jan 17 mei 1692
Goetvinck Peter 23 maart 1680
Herman (Heremans) Jan 24 maart 1656
Herreyns Bernardus – deservitor te Meldert 20 juni 1697
Hooft Gillis – schoolmeester te Meldert 3 december 1683
Huijghe Ingel 24 januari 1621
Impens Joos – notaris te Dendermonde 30 maart 1645
Jacobs Jacques 23 maart 1680
Jacobs Jan 4 februari 1676
Jacobs Michiel – officier 11 november 1692
Janssens Peter 1 maart 1670
Kindermans Gillis 23 maart 1680
Laus Jan 23 maart 1680
Mannaert Jan 3 juni 1642
Mannaert Peter 19 augustus 1668
Marissens Cathelijne 21 oktober 1698
Mertens Robert – koster te Meldert 20 juni 1697
Meskens Peter – smid 13 mei 1658
Mesquin Peter – smid 30 maart 1645
Moortgat Hubertus – drossaard van het Land van Asse 23 juli 1696
Moyersoen Simoen 3 juni 1642
Paon Alexander 20 juni 1697
Pardoens Jan 24 maart 1656
Pauwels Joos 20 mei 1686
Pauwels Peter – ondermeier van Affligem 13 mei 1658
Peters Christiaan – smid te Moorsel 26 september 1657
Plas Gillis – koster en schoolmeester te Meldert 30 maart 1645
Poels Jan 20 juni 1697
Povre Jan 29 maart 1613
Querenin Joos 29 maart 1613
Robijns Aert 29 maart 1613
Robijns Franchois 20 mei 1686
Robijns Geeraert – bedezetter te Meldert 8 april 1690 20 juni 1697
Robijns Gillis – meier van de abdij Affligem 17 mei 1692
Robijns Jan 3 december 1683 20 mei 1686
Robijns Joos 23 maart 1680
Robijns Laurentius 7 december 1666
Robijns Maerten (Merten) – schepen van de schepenbank van Asse 10 april 1663 1 maart 1670
Robijns Pauwel 13 mei 1658
Roodemont Christina 20 juni 1697
Romijn Niclaas – koster van Meldert 23 maart 1680
Sammens Charles 2 mei 1681
Segers Hendrick 16 september 1625
Snellinck Charles – rentmeester abdij Affligem 27 februari 1620
Spanooghe Peter   23 maart 1680
Speeckaert Gillis 1679
Steeman Jan 17 juli 1624
Stevens Cathelijne 12 juli 1688
‘T Kint Guilliam – schepen van de schepenbank van Asse 1 maart 1670
Touriani Petrus Judocus – procureur (advocaat) 20 februari 1690
Van Bi(e)sen Jan 17 juli 1624
Van Buggenhout Franchois 25 juni 1680
Van Buggenhout Jan 25 juni 1680
Van Capenberghe Pauwel 23 maart 1680 18 februari 1687
Van Damme Joos 11 november 1692
Van De Nest Jan 23 maart 1680
Van De Putte Joanna 23 maart 1680
Van De Putte Michiel – schepen van de schepenbank van de abdij Affligem 7 december 1666 23 maart 1680 29 december 1685
Van De Putte Peter 1697
Van De Velde Gillis 12 juli 1688
Van Den Biesen Jan 18 februari 1687
Van Den Bossche Hendrik 23 maart 1680
Van Den Bossche Jan 20 juni 1697
Van Den Bossche Peter 3 juni 1642 23 maart 1680
Van Den Driessche Hendrick 8 januari 1621
Van Den Driessche Ingel 27 februari 1620 21 januari 1621
Van Den Driessche Melchior 7 december 1666
Van Den Driessche Peter 1 maart 1670
Van Den Hauw Anna 20 juni 1697
Van Den Houte Joos – bedezetter van Meldert 3 juni 1642. 1666. 19 augustus 1668
Van Den Meerssche Andries – officier van Moorsel 26 september 1657
Van Den Meerssche Anna 17 juli 1624
Van Den Meerssche Anthonijne 26 september 1657
Van Den Meerssche Charles 17 juli 1624
Van Den Nest Jan – schrijnwerker te Dendermonde 30 maart 1645
Van Den Wijngaert Gillis 24 januari 1621 13 mei 1658
Van Den Wijngaert Joos 13 mei 1681
Van Den Wijngaert Peter 29 maart 1613
Van Der Borght Carel – bedezetter te Meldert 3 december 1683 8 april 1690
Van Der Borght Guilliam – officier 10 april 1663
Van Der Borght Gijsbrecht – schepen van Asse 17 juli 1624
Van Der Borght Jan – Kerkmeester van Meldert 29 maart 1613
Van Der Borght Jan – collecteur te Meldert 23 maart 1680 8 april 1690 1697
Van Der Borght Joanna 1699
Van Der Borght Urbanus 1699
Van Der Elst Jan 21 januari 1621
Van Der Heijden Lenaert 16 september 1625
Van Der Jeught Cathelijne 3 december 1683
Van Der Jeught Peter 21 januari 1621
Vander Plancken Franciscus 1699
Van Der Slachmolen Charles – notaris en procureur (advocaat) te Asse 27 februari 1620 30 maart 1645
Van Der Slachmolen Jan – schepen van de schepenbank van Asse 10 april 1663 1 maart 1670 23 maart 1680
Van Der Slagmolen Cathelijne 7 december 1666
Van Droogenbroeck Cathelijn 10 april 1663
Van Gete Philips 7 december 1666
Van Ghete Jan 17 juli 1624
Van Ghete Barbara 17 juli 1624
Van Ghete Jenneken 17 juli 1624
Van Ghete Marie 17 juli 1624
Van Ginderachter Elisabeth 1 maart 1670
Van Ginderachter Hendrick 27 februari 1620
Van Ginderachter Joos – schepen van de schepenbank van Asse 1 maart 1670
Van Halen Franchoijs 24 maart 1656
Van Handenhoven Joanna (Jenneken) 30 maart 1645
Van Herreweghen Merten 23 maart 1680
Van Innichoven Hendrick – vorster van Asse 13 mei 1658
Van Kersavond Margaretha 1 maart 1670
Van Laar Jan 23 juli 1696
Van Langenhove Adriaen – griffier van de laatbank Ter Borght 17 juli 1624
Van Langenhove Gillis 27 mei 1675 21 oktober 1698
Van Langenhove (vorster van Asse) 29 maart 1613
Van Langenhove Jan 7 december 1666
Van Langenhove Margriete 17 juli 1624
Van Mulders Anna – begijn te Mechelen 4 februari 1676 29 juli 1681
Van Mulders Gabriël 20 januari 1619 27 februari 1620
Van Mulders Gillis 23 maart 1680
Van Mulders Guilliam 1679. 1689. 23 maart 1680 3 december 1683
Van Mulders Jan 20 juni 1697
Van Mulders Jenneken (Joanna) 2 mei 1681
Van Mulders Joannes Baptist 24 maart 1699
Van Mulders Maria 3 december 1683
Van Mulders Peter – schepen van de schepenbank van Asse 30 maart 1645
Van Mulders Stephanus 24 maart 1699
Van Mulders Steven 23 maart 1680
Van Neervelt Gillis 29 maart 1613
Van Nieuwenborgh Cathelijne 23 maart 1695
Van Nieuwenborgh Gillis 23 maart 1695
Van Nijverseel Gillis 7 december 1666
Van Nijverseel Joos – pachter te Asse 27 februari 1620 1 maart 1670
Van Nuffel Adriaan – H. Geestmeester van Meldert 1666. 23 maart 1680
Van Nuffel Barbara 21 januari 1621
Van Nuffel Joannes – bosmeester van de abdij Affligem 7 december 1666
Van Onchem Franchois 4 februari 1676 20 juni 1697 21 oktober 1698
Van Onchem Gillis 24 januari 1621
Van Onchem Gillis 10 april 1663 29 mei 1676 23 maart 1680 13 mei 1681 1689 20 juni 1697
Van Onchem Hendrick 29 mei 1676
Van Onchem Jan 1 maart 1670
Van Ransbeke Anthoon – officier van Meldert 26 september 1657 13 mei 1658
Van Ransbeke Franchois 20 februari 1690
Van Ransbeke Hendrik 1689
Van Storme Marie 10 april 1663
Van Zeebroeck Jan – schepen van de schepenbank van Asse 23 maart 1680 1697
Vastenavondts Guilliam 23 maart 1680
Verdoodt Elisabeth 29 december 1685
Vergillis Cathelijne 30 maart 1645
Vergillius Jan 17 mei 1692
Verhasselt Gillis 8 januari 1621
Verheijlewegen Anthoon 1692
Vermatten Geert 16 september 1625
Verspecht Adriaan 20 juni 1697
Vinck Gillis 19 augustus 1668
Vinck Peter 2 mei 1681
Wambacq Michiel – meier van de schepenbank van Affligem. 29 mei 1676
Wouters Andries 7 december 1666
Wouters Jan 7 december 1666

[1] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3394.

[2] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr.3386.

[3] Bernardus Herreyns werd desservitor na het overlijden van pastoor Henricus Hieron of Jeronne op 19 september 1693.

[4] Opstal: een gebouw.

[5] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3409.

[6] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3427.

[7] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3400.


[1] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 585.

[2] J.OCKELEY, Kerkelijke toestanden van de tweede helft van de 16de eeuw tot het einde van de 18de eeuw, in: Meldert, Ascania, Meldert nummer, 1969, 105.


[1] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3139.

[2] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3207.

[3] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3262.

[4] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr.3195.

[5] Charles de la Marche of Mars was meier van het leenhof van de abdij vanaf 1616. Hij was getrouwd met Catharina de la Quadra, overleden in 1635. Het leenhof was met het beheer van de lenen van de abdij en met de vervolging op de inbreuken op het leenrecht. W.VERLEYEN, Het leenhof van Affligem, in: Recht en Geschiedenis, leuven, 2006, 469 – 479.

[6] Onder abt Willem Michiels (1518) kwam de abdij in het bezit van het Hof te Mutsereel. In 1684 staken Franse soldaten de hoeve in brand.

[7] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3208.

[8] GUILLIAM VAN MULDERS, zoon van GABRIEL VAN MULDERS en KATHELIJNE VAN GINDERACHTER. GUILLIAM is overleden omstreeks 1681. GUILLIAM huwde met KATELIJNE (ELISABETH) VAN DER JEUGHT. Kind van GUILLIAM en KATELIJNE: BARBARA VAN MULDERS. Zij is gedoopt op zondag 23 april 1662 in MELDERT.

[9] W. VERLEYEN, Meldert, 213;

[10] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3231.

[11] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3234.

[12] R. A. leuven, schepenbank van Asse nr. 3222.

[13] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr.3287.

[14] MICHAEL CORNELIS, zoon van JOANNES CORNELIS en BARBARA WAMBACQ. Hij is gedoopt op zondag 6 juli 1636 in HEKELGEM. MICHAEL trouwde, 20 jaar oud, op zondag 24 juni 1657 in HEKELGEM met ANNA SMET, 22 jaar oud. Zij is gedoopt op woensdag 1 november 1634 in HEKELGEM. ANNA is overleden op maandag 16 december 1697 in HEKELGEM, 63 jaar oud.

[15] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3279.

[16] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3283.

[17] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3273.

[18] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3327.

[19] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3267.

[20] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3376.


[1] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3037.

[2] Guillam Van Mulders was de zoon Gabriël en Cathelijne Van Ginderachter. Hij trouwde met Kathelijne Van der Jeught te Meldert op 17 november 1648. Hij overleed in november 1681 en werd in de kerk van Meldert begraven. Op zijn grafsteen stond: Hier ligt begreaven den eersamen Guillelmus Van Mulders sterft nov 1681. Guillelmus en Kathelijne hadden 8 kinderen:

– Joanna, °11/11/1649, begijn te Mechelen, overleed op 6/09/1703 excecutrice van het testament van haar tante Anna.

– Maria, °1654, huwelijk met Adriaan De Gols, zij hadden een zoon: Michael, ° 30/05/1696.

– Egidius, °4/03/1657.

– Judocus, °5/05/1659.

– Barbara, °23/04/1662 huwelijk met Jacobus De Witte.

– Petrus, °20/06/1666, overleden voor 1682.

– Anna, °28/03/1668.

– Elisabeth, °20/04/1671.

[3] Catsereel, keitsereel of manuaal: handboek, dagboek, register.

[4] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 3061.

[5] Meldert en de omliggende dorpen leden zwaar onder de Franse oorlogen. In 1686 was Meldert belast met 8 000 guldens ten gevolge van zware contributies opgelegd door de Fransen. W. VERLEYEN, Meldert, blz. 36.

[6] FRANCISCUS ROBYNS, zoon van ARNOUT ROBIJNS en ANNA VAN DEN BROECK. Hij is gedoopt op woensdag 2 januari 1647 in HEKELGEM. FRANCISCUS trouwde, 21 jaar oud, op donderdag 23 augustus 1668 in ESSENE met CATHARINA WAMBACQ, 19 jaar oud. Zij is een dochter van MICHIEL WAMBACQ en JOANNA DE BAST. Zij is gedoopt op dinsdag 17 november 1648 in ESSENE.

[7] JUDOCUS PAUWELS, zoon van PETRUS PAUWELS. Hij is gedoopt op zondag 1 april 1640 in HEKELGEM. JUDOCUS is overleden, 58 jaar oud. Hij is begraven op dinsdag 6 mei 1698 te HEKELGEM. JUDOCUS trouwde, 28 jaar oud, op zaterdag 25 augustus 1668 in TERALFENE met JUDOCA VAN DEN BROECK, 21 jaar oud. Het kerkelijk huwelijk vond plaats op zaterdag 25 augustus 1668. Zij is een dochter van FRANCISCUS VAN DEN BROECK en ELISABETH EEMAN. Zij is gedoopt op vrijdag 2 augustus 1647 in TERALFENE. JUDOCA is overleden, 50 jaar oud. Zij is begraven op dinsdag 17 juni 1698 te HEKELGEM.

[8] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 573.

[9] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 188.


[1] Schepenbank van Asse, nr. 2924.

[2] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2925.


[1] Clisterie: lavement

[2] Mergelen: om de grond vruchtbaarder te maken strooiden de boeren mergel op hun land. Mergel is een mengsel van klei en kalk.

[3] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2873.

[4] De familie Van Buggenhout. Jan en Franchois hadden nog twee zussen: Anna en Barbara.

Jan Van Buggenhout was getrouwd met Paulina Verdoodt. Zijn broer Franchois met Geertui Pauwels op 28 januari 1648. Zij hadden drie kinderen: Michiel, °19/04/1646, Judocus (Joos), °6/09/1648 en Pauwelijne.

[5] Munimenten: bewijsstukken

[6] R. A. Leuven, schepenbank Asse, nr. 3620.


[1] W. VERLEYEN, Meldert, 182.

[2] Jan De Witte was de zoon van Jan, boer te Strijtem en van Margriet Cools. Zoon Jan trouwde te Meldert op 2 december 1675 met Anna Robijns. Hij woonde na hun huwelijk op de Nieveldries en werd griffier van de abdij voor het leenhof en voor de schepenbank. Hij overleed ca 1710.

[2] Michiel Van de Putte en Charles Ardennois getuigden voor de schepenen van Asse en op verzoek van Jan Van de Putte dat Janneken, zijn dochter omtrent drie jaren tot zijn dood de meid van de pastoor was. Schepenbrief nr. 4617.

[3] Michiel Van de Putte en Charles Ardennois getuigden voor de schepenen van Asse en op verzoek van Jan Van de Putte dat Janneken, zijn dochter ontrent drie jaren tot zijn dood de meid van de pastoor was. Schepenbrief nr. 4617.

Requeste oft informatie genomen bij de schepenen der vrijheijt ende Lande van Assche ten versuecke van Jan Van De Putte interdicerende over Janneken sijne dochter als aenlegger ter eendere sijden op ende tegens Andries Ardenois presbyter ter anderen ende dat vuijt crachte van seeckere brieven van requestoriën op hun gedepeseert bij de heeren borgemeester ende schepenen der stede van Geeraertsbergen in dathe den……….


[1] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2463.

[2] Van Jan Van Onchem en Elisabeth Van Ginderachter vinden we in de parochieregisters van Meldert, Essene en Hekelgem niets terug.

[3] Peter De Kempeneer en zijn vrouw Margaretha Van Kersavond. Zij trouwden te Essene op 7 februari 1641 en hadden 7 kinderen, te Essene gedoopt: Maria, °21/02/1642, Anna, °2/12/1642, Catharina en Stephanus, °28/01/1645, Peter, °5/02/1646, Jacobus, °10/02/1650, Jan, °9/02/1653.

[4] Cathijlen: inboedel, roerende goederen.

[5] Pernocteren: overnachten.

[6] Een Franchois De Weduwe kan de herbergier en brouwer De Weduwijn zijn. Hij was getrouwd te Meldert met Francisca Brems op 24 februari 1669. Zij hadden 4 kinderen: Anna, °21/01/1670, Joanna, °10/01/1672, Catharina, °27/02/1673, Melchior, °30/05/1675.

[7] Hofmeester: de monnik verantwoordelijk voor de tuin.

[8] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2696.

[9] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 2686.

[10] Waarschijnlijk was Jan Van Nuffel, de broer van de Affligemse prior Vedastus Van Nuffel, de bosmeester. Hij werd aangesteld in 1664. Hij was te Hekelgem geboren op 10 maart 1633.

[11] Michiel Wambacq was sinds 1664 meier van de Affligemse schepenbank.

[12] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2730.

[13] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2728.

[14] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2817

[15] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2763.


[1] R.A. Leuven, Schepenbank Asse, nr. 2391.

[2] Joos Van den Houte trouwde te Meldert op 4 september 1640 met Margaretha Blanckaert. Zij hadden twee kinderen: Michael, gedoopt op 23 oktober 1641 en Judocus, gedoopt op 20 april 1644.

[3] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 551.

[4] Vitsen: of wikken van het vlinderbloemige geslacht zoals de tuinboon.

[5] Hael: ketelhaak van de schoorsteen.


[1] R.A. Leuven, Schepenbank Asse, nr. 240.

[2] R.A. Leuven, Schepenbank Asse, nr. 251.

[3] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 270.

[4] Gillis Van Onchem en Joanna Geertsman trouwden te Meldert op 5 april onder 1659. Hun 5 kinderen werden te Meldert gedoopt: – Jan, °23-12-1658, Judocus, °28-07-1660, Petrus, °16-05-1669, Anna, °12-07-1673, Catharina, °29-01-1675.

Joanna was de dochter van Judocus en Gertrudis Van Langenhove, gedoopt te Meldert op 3 juli 1640. Zij had nog een zus, Barbara, gedoopt op 26 april 1637.

[5] R. A. Leuven, schepenbank van Asse nr. 2400.

[6] Laureijs Robijns was de zoon van Peter en Anna Stevens.

Peter, °Meldert in 1590 overleed te Meldert op 24 oktober 1667. Anna Stevens stierf te Meldert op 16 augustus 1644. Zij hadden 4 kinderen, te Meldert gedoopt: Laurentius, °7-10-1629, Cathelijne, °4-04-1632, begijn te Mechelen, Franciscus, °28-10-1634, +28-09-1662, x met Joanna Marie Vinck, Anna, °7-10-1634.

[7] Elisabeth Robijns trouwde op 18 april 1667 met Jacobus (Jacques) Van Droogenbroeck. In Essene werden twee kinderen gedoopt: Martinus op 27 februari 1667 en Jacobus op 20 april 1671. Zij hertrouwde met Joannes Van de Putte en kreeg nog negen kinderen.

[8] Schepenbank, nr. 3181.

[9] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 4007.


[1] R. A. Leuven,  schepenbank van Asse, nr. 1493.

[2] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1848.

[3] Het leenhof van Affligem was aan geen enkel ander onderworpen en kon autonoom vonnissenvellen. Aan het hoofd stond de stadhoudergeneraal. Waar de abdij belangrijke goederen had, bezat zij een een laatbank die optrad bij betwistingen. Deze grondheerlijke hoven gingen meestal terug tot de 12de -13de eeuw. W. VERLEYEN, Negen eeuwen Affligem 1083 – 1983, 227.

[4] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1929.

[5] Een pattacon was een veel gebruikte munt, geïntroduceerd in 1612 in de Lage Landen onder het bewind van Albrecht en Isabella.

[6] Een plakkaat was in de 16de en 17de eeuw een ordonnantie van de regering om haar beslissingen aan het volk kenbaar te maken.

[7] Blank: 3 oorden, 80 oorden = 1 stuiver.

[8] R. A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 491.

[9] De Hoevekouter lag op Baardegem.

[10] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 2212.

[11] 1 pond Vlaams = 20 schellingen = 240 groten.



[1] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1354.

[2] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1611.

[3] De familie Van Ghete:

1 Jan x Anna Van den Meerssche bezitten de hofstede

2 Jan II en Jacob I: elke de helft van de hoeve, Jan II kan de andere helft kopen

3 Jacob II en Jan III.  Jacob dient klacht in tegen Jan III in 1624 want die heeft de hoeve ingepalmd

4 Jan IV is de zoon van Jacob II.

De kinderen van Jan III zijn: Peter, Jenneken, Marie, Barbara en Margriet.


[1] Sister: inhoudsmaat van ca 49 liter.

[2] Aan de rentmeester van het kwartier Brussel.

[3] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1388.

[4] Jan Van der Elst was in 1574 laat van het laathof van de H. Geestdis te Meldert.

[5] Peter Van der Elst was op 16 oktober 1581 het slachtoffer van een bende soldaten die hem meenamen naar Aalst en zijn paard afnamen. Zie E. SCHOON & B. VERMOESEN, Die van Meldert betalen niet.

[6] Spolie: misdaad.

[7] Exiberen: voor te leggen.

[8] Allegeren: bewijzen voorleggen.


[1] Een vorster hield oorspronkelijk toezicht op de bossen, maar gaandeweg werd zijn taak uitgebreid tot de gemeentegronden en tot alle velden en weiden. Hij kon boeten opleggen en assisteerde de meier of drossaard voor al diens taken. Voor meer informatie zie “De gewestelijke en lokale overheidsinstellingen in Brabant en Mechelen tot 1795, Algemeen Rijksarchief publ. 3301, 2000, blz. 712 e.v.

[2] R.A. Leuven, Schepenbank van Asse, nr. 388.

[3] Roer: pijl van riet of buis, ook vuurroer – Het vuurroer was net als het musket de opvolger van de verouderde haakbus. Het wapen had een gladde loop en werd meestal ontstoken met een lontslot. De kogels die voor het roer werden gebruikt waren twee keer zo klein als musketkogels. De afmetingen van een roer waren ook veel kleiner, en het was daarmee een stuk lichter dan het musket. De energie van de kogel was echter niet groot genoeg om een goed harnas te doorboren. De soldaten in een compagnie die bewapend waren met het roer noemde men roerdragers, schutten of harquebusiers. Een goede roerdrager kon vier schoten lossen in een minuut tijd. Tot omstreeks 1639 konden in een compagnie van gemiddeld honderd vijftig soldaten wel vijftig roerdragers ingedeeld zijn.. https://nl.wikipedia.org/wiki/Roer_(wapen)

[4] Rapier: lange degen.

[5] VERLEYEN, W., Meldert, 129.

[6] VERMOESEN, B., De zansteengroeven van de Abdij Affligem, HK Belledaal.

[7] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, nr. 1355.

[8] Turberen: in beroering brengen, hinderen.



[1] Ockeley, J., De rechtspleging in het begin van de 17de eeuw in het Land van Asse, in: Recht in geschiedenis, Davidsfonds, Leuven, 2006, 259 – 263.

[2] SCHOON, E., Een genante geldzaak te Meldert in het jaar 1738, in: De Faluintjes, 2015, nr. 4. Rijksarchief Leuven, Schepenbank Land van Asse.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s