De strijd om de Peelinckvijvers.

Veronderstel eens dat je ouders net zijn gestorven en je broers en zussen vragen je om de erfenis te regelen. Omdat een broer en zijn vrouw ook al dood zijn, verkoop je direct een groot perceel van je ouders. Zo kun je de kinderen van je overleden broer snel hulp bieden. Maar dan blijkt dat je ouders schulden hebben, veel schulden en met de erfenis kom je niet toe om de schulden te betalen. Je verneemt ook dat sommige van de erfgenamen zich tegen de verkoop verzetten. Een schoonbroer denkt: pakken wat kan en haalt een aantal bomen weg van de verkochte grond en besluit daarna om de erfenis te weigeren. Het wordt voor jou een kluwen van problemen want de koper van een groot perceel weigert nu om de helft van de koopsom te betalen vermits de bomen zijn verdwenen. Om uit de moeilijkheden te geraken zie je maar een oplossing: je trekt naar de rechtbank en daarmee begin je een jurdische strijd die heel lang kan duren.

Wat hierboven werd beschreven, overkwam Gillis De Witte, een zoon van Jan en Catharina Van den Eekhout. Hij was griffier van de baronnie van Wemmel en Bodegem en advocaat bij de Raad van Brabant. Om de situatie goed te kunnen begrijpen, schetsen we eerst een beeld van de familie De Witte van Essene.

De familie De Witte te Essene.

De eerste naam De Witte in Essene vinden we in 1574.

I Egidius De Witte, zoon van Jan, trouwde met Barbara Van Vaerenbergh, dochter van Gerard, boer op het Hof te Belle. Hij nam in 1573 de Bellemolen van zijn schoonvader Gerard Van Vaerenbergh over. In 1576 pachtte hij ook het Hof te Belle van de abdij. Gillis was kerkmeester in Essene in 1572, buitenpoorter van Aalst en meisenier van Grimbergen in 1574. Voor hij zich op de Bellemolen vestigde, was hij molenaar op de IJzerbeekmolen te Asse. In 1598 pachtte hij van de abdij 95 b of 118, 75 ha. Gillis overleed te Essene voor 1612, Barbara na 1612. Van zijn broer Jan stammen de griffiers van de abdij af[1]. Kinderen van Egidius en Barbara:

1 Gerard, meisenier in 1607, brouwer te Essene wellicht vader van:

 Catharina, trouwde met Dierick Struelens, brouwer

Josijne, trouwde op 30 augustus 1614 met Michiel Wambacq

2 Marie, trouwde met  Carel De Coninck, cit. 1612

3 Kathelijne, trouwde met Joos Van Ruijssevelt, cit. in 1612 en 1619, hertrouwde met Jan Camerman

4 Anna, trouwde metPeter Van der Beke, 1619

5 Barbara, + voor 1619, trouwde met Jacques Van der Hulst, griffier van Opwijk

6 Adriana, trouwde met Peter Van den Eeckhout, cit. in 1619

7Joannes, trouwde metCatharina Van den Eeckhout, cit. in 1619, zie II

8 Gillis, vermoord in 1594 door Peter Meert.

II Joannes (Jan) De Witte, werd gedoopt omstreeks 1590. Hij trouwde, ongeveer 24 jaar oud, op dinsdag 25 november 1614 in Essene met Catharina Van den Eeckhout, ongeveer 15 jaar oud. Zij is gedoopt omstreeks 1599. Kinderen van Joannes en Catharina te Essene gedoopt:

1 François gedoopt op maandag 17 oktober 1616

2 Gerardus, gedoopt op 17 oktober 1616

3 Arnoldus (Arnoult), gedoopt op woensdag 12 september 1618, griffier van Bodegem, overleden voor 1663. Hij trouwde met Joanna Marie Buvet, overleden na 1669. Een dochter was Joanna Maria en een zoon heette Engelbertus. Egidius (Gillis) was voogd over de kinderen.

4 Anna, gedoopt op 12 mei 1620, trouwde met Joos Meert te Essene

5 Barbara, gedoopt op maandag 21 november 1622 en overleden in 1651 in Essene, 29 jaar

6 Egidius, zie III

7 Maria, gedoopt op maandag 20 november 1628. Maria trouwde, 18 jaar oud, op dinsdag 15 oktober 1647 in Essene met Lucas Geerstman, zoon van Judocus en Gertrudis Van Langenhove. Hij was weduwnaar van Anna Van Vaerenbergh (ovl. vóór 1647), met wie hij trouwde op zaterdag 26 mei 1646 in Essene.

8 Jan, gedoopt op 3 mei 1631, notaris te Essene

9  Franciscus, gedoopt op 9 december 1637

10 Joanna, gedoopt op 21 januari 1642.

Op 4 mei 1652 verkochten Jan De Witte en Catharina Van den Eeckhout sekere hoffstadt metten huijse, nast, hopstaecken, boomen ende andere edefitiën daerop staende alsoo de selve gestaen ende gelegen is in de prochie van Esschene gemeijnelijck geheeten “Den Boonhoff”, groot 4 ½ d, palend aan de goederen van Geerard Van Vaerenberghe, De Peelinckvijvers, de goederen van mijnheer Steenlant en aan de straat, met een grondcijns aan het Godshuis van Affligem. Alle de bomen, houtwas, en andere edifitiën waren in de koop begrepen. De koper was hun zoon Arnoult en zijn vrouw Joanna Maria Buvet en de koopprijs bedroeg 2 461 g 7 ½ st. De koop hield ook in dat aan Arnoult, als oudste (in leven zijnde) zoon na hun dood de vijvers genoemd het Hoff ter Heijden” en de “Carloije Vijver, zouden toekomen. Nu worden ze samen genoemd de Pelinkvijver, groot omtrent 10 d, palend aan de voorschreven hofstad. Als compensatie voor de andere 6 nog levende kinderen stelden Jan en Catharina hun testament op waarin ze bepaalden dat uiterlijk drie maanden na hun dood ieder 360 g zou ontvangen van Arnoult en zijn vrouw.

Na de dood van Jan en Catharina ontstond er een conflict met de kinderen van Arnoult enerzijds en Franchois, Joos Meert, de man Anna De Witte en Lucas Geerstman, de vader en voogd van zijn kinderen anderzijds. Volgens de akte van 4 mei 1652 moest Arnoult na de dood van zijn ouders 360 g aan elk van zijn broers en zussen. Maar Arnoult en zijn vrouw waren inmiddels ook overleden en hun kinderen betaalden niet. Op 15 september 1671 dienden Gillis, Jan en Franchois De Witte, Joos Meert, Anna De Witte en Catharina Geerstman een klacht in tegen de kinderen bij de schepenbank van Asse.

Fricx kaart van 1712: de Pelinkvijvers aan de Essenbeek.

Een grote hoeve

Op 17 maart 1668, na het overlijden van Catharina Van den Eeckhout maakte Joos Van Langenhove, een gezworen landmeter, een staat op hun de onroerende goederen:

1. Een land, gelegen op Den Moorter, groot 52 r, belast met een cijns

2. Een d gelegen op hetzelfde veld, cijnsgrond, 100 r

3. Een veld van 80 r, gelegen op hetzelfde veld, cijnsgrond, 80 r

4. Een veld gelegen op Den Foijst, groot 1 d, cijnsgrond, 100 r.

5. Op hetzelfde veld een perceel van 68 r cijnsgrond

6. Op hetzelfde veld 1 d 32 r, cijnsgrond

7. Een land gelegen op het Rommelveldt, groot 5 d 10 r

8. Een land op hetzelfde veld, groot 1 d 27 r, cijnsgrond

9. Een half b land gelegen op Den Montil, cijnsgrond

10. Een land gelegen op t Gulden Bunder, groot 2 d 50 r

11. Een land gelegen op ‘t zelfde veld, groot 1 d

12. Een land op ‘t zelfde veld, groot 1 d 68 r

13. Een onbehuisde hofstede genoemd Ten Biesen, groot 1 d 40 ½ r, cijnsgrond

14. Een land gelegen in Teralfene, groot 180 r

15. Een blok land gelegen in Sint-Kathelijne-Lombeek, groot met de maten van Essene 1 d 80 r

16. Den Quaeden Bruggen Lochtinck, groot 1 d 91 r, cijnsgrond

17. Een partij van het eussel waar het huis op staat, groot 1 b, cijnsgrond

18. Een ander partij in de Vijvereussel, groot 3 d 74 r, cijnsgrond

19. Nog een partij in dezelfde Vijvereussel, groot 6 d 74 r, cijnsgrond

20. Op Den Esschenen Elsch zowel land als wijde, groot 9 d 19 r.

Totaal 11 bunder 3 d 45 ½ r.

III Egidius, gedoopt op donderdag 5 februari 1626 en overleed voor 1671, griffier van Bodegem, Wemmel,  Kraainem en elders. Hij trouwde met Joanna Servranckx en hertrouwde na haar dood met Catharina Van IJsendijcke, dochter van Gaspar en Catharina de Villers. Catharina overleed voor 1706. Uit het eerste huwelijk werden twee kinderen geboren:

1 Maria Clara, trouwde met Jan de Fraie, haakmeester in het Zoniënwoud

2 Catharina Maria, trouwde met Frans Van Gindertaelen, lic. Rechten, schepen van Brussel, overleden voor 1713

Egidius wil de goedenisse doen.

Op 7 november 1671 compareerden voor notaris David De Smet meester Gillis De Witte,  Jan en Franchois De Witte, Joos Meert en zijn vrouw Anna De Witte als efrgenamen van hun ouders Jan en Catharina. Onder solemnelen eed verklaarden zij van geen andere effecten of schulden van het sterfhuis van wijlen hun ouders weet hebben dan wat in de onderstaande lijst was opgenomen. Uitzondering is gemaakt voor De Peerlinck Vijvers.

Gillis betaalde een aantal rekeningen en schulden van zijn ouders:

– Aan de heer Raad De Dongelberghe, viscomte de Sillebeke 379 g 3 st voor een lening die Joos Meert en zijn vrouw op 5 januari 1669 hadden aangegaan. De rente bedroeg 18 g 15 st en was  de voorbije 4 vier jaar niet betaald. 

– Aan de broederschap en de confrerie van het H. Sacrament in de parochiekerk van Sint- Niklaas te Brussel de som van 612 g 10 st voor een lening met een rente van 25 g die zijn vader Jan De Witte bij diens ouders had aangegaan op 25 februari 1645. De akte was verleden door notaris Arnoult De Witte.

– 75 g aan Joanna van Sinnicq, begijntje te Brusse,l voor een erfelijke rente van 18 g 15 st  waarvan de laatste 4 jaar de rente niet werd betaald.

– Aan de weduwe van wijlen Jaecques de Dongelberghe, visverkoper 12 g.

– Gillis betaalde nog 587 g 9 st voor niet gespecificeerde leningen en renten.

– Aan notaris De Smeth 85 g 7 ½ st.

Totaal van de betalingen: 1751 g  9 ½ st. Deze som moet verminderd worden met het bedrag dat pastoor Van Lint voor de Pelinkvijver betaalde.

– Een erfelijke rente van 50 g van een lening van 800 g. De akte van de lening werd verleden door de schepenbank van Affligem op 31 augustus 1665. Vijf jaar achterstallige rente met een korting van 33 g 8 st, blijft: 216 g  10 ½ st..

– Nog een erfelijke rente van 12 g 10 st van een lening van 200 g. De akte  werd verleden door de schepenen van Affligem eveneens op 31 augustus 1665. De rente werd al 9 jaar niet meer betaald, bleef te vergoeden: 112 g.

– Een derde erfelijke rente van 28 g 2 ½ st. De akte van de lening van 450 g dateert van 31 augustus 1665. De rente was al 8 jaar niet meer betaald, bleef over 225 g.

– Een andere erfelijke rente van 31 g 5 st van een lening van 500 g van 23 februari 1665. De achterstallige rente bedraagt 218 g 15 st.

– Gillis De Witte betaalde voor de goedenisse ende constitutiebrieve van die lening 9 g 6 st. – – Catharina Van Eeckhout ging zelf een lening aan van 450 g met een erfelijke rente van 28 g 2 ½ st. De akte van de lening opgesteld door de wethouders van Brussel op 15 december 1668 en werd belast met een onderpand op 5 d en 10 r land gelegen op het  Trommelvelt. De rente was al 4 jaar verlopen, het achterstal bedroeg 112 g 10 st.

– Een andere rente van 12 g 10 st komt van een lening van 200 g die Catharina aanging op van 16 april 1665. Noataris David De Smeth stelde de akte op. De achterstallige rente bedroeg 87 g  10 st.

Totaal van de schulden: 3582 g  2 ½ st.

– De kosten van de begrafenis: 831 g 12  1/2 st.

– Nog te betalen aan de timmerman en anderen: 167 g 6 ½ st..

 Totaal van alle schulden: 9154 g 0 St.

Gillis had nog met een ander probleem te kampen. Zijn schoonbroer Lucas Geerstman en zijn vrouw Maria hadden op 16 januari 1665 bij hem een lening van 120 g aangegaan met een jaarlijkse rente van 7 g 10 st. Als pand stelden ze hun eigen goederen voor en de toekomstige erfenis van Maria’s ouders, Jan De Witte en Catharina Van den Eeckhout, en van zijn eigen ouders Joos en Geertrui Van Langenhove. Maar Lucas maakte die belofte van de waarborg niet waar en Gillis trok naar de schepenbank met de vraag Lucas te verplichten om effectief voor de nodige waarborg te zorgen of om de lening, vermeerderd met de onbetaalde renten, terug te geven. Op 10 april 1674 veroordeelden de schepenen Lucas tot de verplichte waarborg of de teruggave van de lening en tot de betaling van de helft van de gerechtskosten. Maar er gebeurde niets en op 11 maart 1681 werd Lucas nog eens veroordeeld.

Lucas Geerstman, was een zoon van Judocus uit Meldert en Gertrudis Van Langenhove uit Baardegem. Zijn naam vonden we niet terug in de geboorteregisters van Baardegem, Meldert of Essene. Hij trouwde op 26 mei 1646 met Anna Van Vaerenbergh uit Essene. Anna overleed voor 1647 en Lucas  hertrouwde op dinsdag 15 oktober 1647 in Essene met Maria De Witte, Zij is gedoopt op maandag 20 november 1628 in Essene. Kinderen van Lucas en Maria in Essene gedoopt:

1- Catharina, gedoopt op maandag 16 november 1648

2- Adriana, gedoopt op woensdag 29 november 1651

3- Joanna, gedoopt op maandag 1 oktober 1657

4- Anna, gedoopt op maandag 8 augustus 1667.

Verkoop van de goederen van Jan De Witte en Catharina Van den Eeckhout.

Gesteund door zijn broers Jan en Franchois verkocht Gillis de goederen. Een eerste deel werd te Brussel verkocht. De eerste zitdag werd gehouden met de heere op des amptmans camere gestaen binnen deser stadt Brussel op vrijdag 26 februari 1672  Er werd niet geboden. De tweede zitdag op vrijdag 11 maart verliep zoals de eerste. Op de derde zitdag op 26 maart kwam een bod van  2 600 g. De vierde en laatste  zitdag op 8 april  verliep tumultueus. Er werd voortdurend geboden. Pas na het uitgaan van de vierde kaars werd de koop toegewezen aan David De Smeth die verklaarde dat hij optrad als koper voor een derde persoon. Het ging om 5 percelen.

– Twee d land gelegen op Den Montille palend aan sieur Charles Van Slachmolen, de  huisarmen van Essene, het Rode Klooster en Jan De Witte.

– Een stuk land van 75 r op Den Moortere, palend aan Jan De Maij, de huisarmen van Essene, het Godshuis van Affligem en de voetweg.

– Eén d gelegen op hetzelfde veld, palend aan Affligem, jonker Jan Besar, Guilliam Coppens  de voetweg naar Belle.

– Een huis met schuur, stallen, en andere edifitiën met weiden en dammen, geheten Den Conckel en Het vijvereusel,” groot omtrent 3 b.

– Een andere hofstede met ast, groot ½ b, palend aan de goeden van (onleesbaar), de kerklochting en de straat.

– Een andere lochting gelegen de woning, groot omtrent 1 ½ d, De Quaijbruggen Lochtinck genoemd, palend aan Jan De Witte en de straat.

– 5 d 10 r land met de vruchten erop, palend aan Het Ruijnincxveldeken, de straat, Steenland, de erfgenamen van Hendrick Wellens, het  Godshuis van Affligem en de erfgenamen van Franchois Wambacq.

Het was Gillis die de 5 percelen kocht, in het totaal 5 b 3 d 9 ½ r  voor 3 275 g. Hij diende echter nog de cijns, meestal met achterstel, te betalen. Aan de abdij 168 g 15 st, aan een heer Norderwijck voor Het Vijvereusel 49 g 10 st, aan de heer van Asse voor De Quadebruggen 13 g 15st. De verkoop bracht uiteindelijk 2 994 g 13 ½ st op.

Een tweede verkoop had te Essene plaats. De eerste zitdag werd gehouden op 5 april 1672 in aanwezigheid van vorster Hendrick Van Innichoven en de schepenen Joos Van Ginderachter, Guilliam ’t Kint, Gillis Breem, Merten Robijns en Nicolaes Meert. De tweede zitdag had plaats op 20 april 1672 ten overstaan van vorster Hendrick Van Innichoven en de schepenen Jan Van Der Slachmolen en Merten Robijns. De derde zitdag volgde op 2 mei 1672 met vorster Carel Steppe en de schepenen Jan Van Der Slachmolen en Nicolaes Meert. Waren ook aanwezig meester Gillis De Witte, Jan en Franchois De Witte, Joos Meert, man van Anna De Witte en meester David De Smeth. De vierde en laatste zitdag op 17 mei 1672 met de drossaard Crabeels en de schepenen Joos Van Ginderachter, Jan Van Der Slachmolen, Gillis Breem, Peeter Mortgat en Nicolaes Meert ten overstaan van meester Gillis De Witte, Jan en Franchois De Witte en meester David De Smeth als verkopers en griffier Van Mulders. De verkoop omvatte:

1. Een perceel gelegen op Den Moirte”, groot 80 r, palend aan Franchois Van Varenberghe,  de erfgenamen Wellens, mijnheer Besar en Adriaen Van Den Wijngaert, met een cijns aan de abdij, voor 80 g. Koper: Gillis De Witte.

2. Eén d gelegen op Den Foost, palend aan de straat, Joos Meert, Gillis De Ridder en de huisarmen van Essene;  met een grondcijns aan de abdij. Koper meester Michiel Wambacq voor 78 g.

3. Een stuk land op hetzelfde veld, groot 68 r, palend aan de erfgenamen Dondelbergh, Het Heijcken, mijnheer Besar, en meester Michiel Wambacq, met cijns aan de abdij,. Koper:  meester Michiel Wambacq voor 70 g.

4. Een stuk land, 1 d 32 r, gelegen op hetzelfde veld, palend aan Het Heijcken, het Godshuis van Affligem, Michiel Wambacq  en de erfgenamen Dondelbergh, met cijns aan Godshuis. Koper: meester Michiel Wambacq voor 120 g.

5. Een perceel van 1 d 27 r, gelegen op het  Rommelvelt, palend aan de erfgenamen Geeraert Camerman, Jan De Meij en Peter Van Langenhove, met cijns aan het Godshuis. Koper: meester Gillis De Witte voor 120 g.

6. Een half bunder gelegen op Den Montille, palend aan de straat, mijnheer Besar en Adriaen De Ridder, met dezelfde grondcijns aan ’t Godshuis. Koper: meester Michiel Wambacq voor 210 g

7. Een land, groot 3 d 50 r, gelegen op Het Gulden Bunder,  palend aan mijnheer Besar en de erfgenamen Bertel De Hertoge. Koper: meester Michiel Wambacq voor 460 g.

8. Eén d gelegen op hetzelfde veld, palend aan de erfgenamen Lucas Wambacq, mijnheer Besar, de erfgenamen Hendrick Wellens en Jan Coppens. Koper: meester Michiel Wambacq voor 110 g.

9. Een veld, groot 1 d en 80 r, gelegen in Teralfene, palend aan de erfgenamen Geeraert Eeckhout, Guilliam Gijsens en de abdij Affligem. Koper: meester Gillis De Witte voor 100 g.

10. Een perceel van 1 d 80 r, liggend rondom sijne heijmen in Sint- Kathelijne- Lombeek,  genoemd Den Esschene Winckel,  zonder de ast, palend aan de erfgenamen Andries Timmermans, Martinus Wambacq, de straat en Mertten Van Blijenbergh. Koper: meester Gillis De Witte voor 160 g.

11. Een stuk land, groot 2 b 1 d 19 r, gelegen op Den Esschene Elsch, palend aan de erfgenamen Franchois Van Hemelrijcx, Franchois De Bailliuw, Jaspar Camermans en  Michiel Cornelis, met grondcijns aan de abdij. Is nog in huur bij Adriaen Van Varenbergh  tot Sint-Andriesmis 1674. Daarvan zal de koper genieten 40 g per jaar. Koper: meester Gillis De Witte voor  850 g.

De verkoop van de Pelinkvijver.

De verkoop van Den Peerlinck Vijver bestond uit een weide, een elsbroek en de vijver, groot omtrent 10 d, palend aan De Montil, mijnheer Steenlant, Den Boonhof en de weduwe Gillis De Ridder. Het was deels een leenroerig goed onder het leenhof van de  heerlijkheid tot Asse en deels van de Souvereijnen Leenhove van Brabant[2]. De koper kon in het bezit van het goed komen met Kerstmis 1672. De huur die met Kerstmis werd betaald was nog voor de verkopers zoals dat ook het geval was met de vis van de vijvers. De eerste zitdag werd gehouden op 11 oktober 1672 ten overstaan van de drossaard Crabeels en de schepenen Guilliam ’t Kint, Jan Van Der Slachmolen, Peeter Moortgat, Steven Van Mulders, Michiel Cornelis, en Peter De Meersman. De tweede zitdag volgde op 25 oktober 1672 met  de vorster die de drossaard verving en de schepenen meester Guilliam ’t Kint, Jan Van Der Slachmolen, Peeter De Meersman en Michiel Cornelis. De derde en laatste zitdag viel op 8 november 1672. Waren aanwezig: vorster Hendrick Van Innichoven, de schepenen Guilliam ’t Kint, Michiel Cornelis, en Hendrick Van Onchem. Voor de verkopers tekenden meester Gillis De Witte, Jan en Franchois De Witte en Anna De Witte, de vrouw van Joos Meert. De koper was meester Gillis De Witte voor 1455 – 0 – 0.

Op  22 december 1672 boden Gillis De Witte en Mattheus Van Lint zich bij de griffie van het markizaat en de  vrijheid van het Land van Asse aan. Gillis verklaarde dat hij de koop van De Perelinck Vijvers had gedaan voor Matheus Van Lint, pastoor van de parochie van Essene die de koop aanvaardde. Op 5 januari 1673 gaven Gillis, Franchois en Jan als vertegenwoordigers van alle erfgenamen, hun advocaat David De Smet de opdracht om de verkoop te laten registreren door de Souvereijnen Leenhove van Brabant ende voor stadthouderen ende leenmannen van den leenhove van Assche samen met pastoor Mattheus Van Lint. De verkopen brachten de som op van 2709 g 7 ½ st. Maar notaris David De Smeth had 2794 g 15 st uitgegeven waardoor er een tekort was van 85 g 7 ½ st.

Op 6 januari 1673 schreef Gillis aan pastoor Van Lint[3] dat de verkoop van de Pelinkvijver volledig geregeld was en hij verzocht hem om de koopsom te betalen omdat hij het geld nodig had om de schulden van zijn ouders te betalen. Op 10 januari volgde een tweede brief. Had Van Lint vernomen dat sommige leden van de familie verzet boden tegen de verkoop van de Pelinkvijver? Gillis verzekert hem dat er van enig verzet geen sprake meer is.

Maar dat was duidelijk gelogen. Op 20 januari 1673 liet Joanna Maria, dochter van Arnoldus (Arnoult) en Joanna Maria Buvet (ook Binnet) bij notaris David De Smeth registreren dat zij afzag van haar erfenis van haar grootouders Jan De Witte en Catharina Van den Eeckhout. Zij werd gevolgd door haar broer Engelbertus, griffier van de heerlijkheden Kraainem, St.-Lambrechts- en St.-Pieters-Woluwe. Hij liet bij dezelfde notaris nog registreren dat hij afzag van zijn recht op de Peelinckvijvers. Gillis, die het geld zo snel mogelijk in handen wil hebben, reageerde op die tegenslag met een reeks brieven aan de pastoor. Diens antwoorden ontbreken in het dossier:

9 februari. Gillis wijst Van Lint erop dat, als hij voor 21 februari het resterend bedrag van de koopsom niet heeft voldaan, hij de rente waarmee het goed is belast, moet betalen. Hij verzoekt hem om, als iemand komt vragen of hij alles al heeft betaald, daarop positief te antwoorden.

18 februari. Gillis antwoordt op een brief van de pastoor die nog eenich achterdenken heeft over de verkoop. Mijn broers en ik, schrijft Gillis, hebben als afgevaardigden van de familie notaris De Smeth de opdracht tot de verkoop gegeven en dat volstond. Hij geeft zelfs zijn goederen in Essene gelegen als waarborg en hij nodigt de pastoor uit om met Pasen aanwezig te zijn als hij de schuldeisers vergoedt. Dan kan hij vaststellen dat er van al het geld niets aan hem toekomt. Gillis drukt ook zijn verwondering uit over het feit dat niemand van de paters hem over deze kwestie kwam spreken. Behoorde Van Lint tot een of andere orde?

-7 april. Een antwoord op de brief van Van Lint van 28 maart waarin hij liet verstaan Gillis niet te vertrouwen. Gillis bevestigt zijn voornemen om al zijn goederen in Essene gelegen als waarborg te geven en voegde er nog aan toe dat de lieden van het leenhof van Brabant eerdaags zullen komen en dat de vele kosten hiervan voor de pastoor zijn.

– 14 april. Gillis is verontwaardigd omdat Van Lint geen antwoorden geeft. Hij nodigt hem uit om de volgende maandag samen met hem voor de schepenen van de abdij te verschijnen om de waarborg te regelen zodat er een einde kan komen aan hun affaire.

– 2 mei. Gillis wil nog dezelfde week zijn geld en wijst er nog eens op dat de lieden van het leenhof van Brabant zullen komen wat grote onkosten meebrengt.

Op 2 juni liet Catharina Geerstman, dochter van Lucas en van wijlen Marie De Witte, notaris David De Smeth weten dat ook zij afzag van de erfenis van haar grootouders. Op 27 juni deed meesterEngelbert De Witte, griffier van de heerlijkheden van Kraainem,, Sint- Lambrechts- en Sint- Pieters-Woluwe, zoon van wijlen meester Arnoult De Witte en Johanna Maria Buvet, dezelfde aangifte.

In de clinch met pastoor Van Lint.

Gillis reageerde met een schrijven van 4 juli 1673 aan de wethouders van het markizaat en de vrijheid van Asse. Het sterfhuis van zijn ouders, Jan en Catharina, is belast met veel schulden en daarom heeft hij hun goederen, met toestemming van de wethouders verkocht. Een tweede reden was om de wezen van zijn zus Maria De Witte, getrouwd met Lucas Geerstman, te helpen. Het betrof Den Peerlinckvijvers, groot 10 d. De koper was Mattheus Van Lint, pastoor van Essene. Maar Joos Meert, man van zijn zus Anna, verzette zich tegen de verkoop omdat er meer schulden waren dan de verkoop kon opbrengen. Om dezelfde reden had ook Lucas Geerstman zich tegen de verkoop verzet, hoewel hij eerst akkoord ging. Zijn dochter Catharina Geerstman volhardde na de dood van haar vader in het verzet. Gillis verzocht daarom de schepenen om hem de procuratie te geven om de erfenis voort af te handelen. Enkele dagen later diende hij een klacht in tegen de pastoor omdat hij nog 700 g van de koopsom moest betalen.

In een uitgebreid verweer erkende Van Lint de aankoop van de Pelinkvijver. Bij die aankoop was bepaald dat de verkoper en de koper elkaar binnen de 14 dagen moesten voldoen. Gillis moest hem de vereiste akte bezorgen en hij zou betalen. Maar Gillis kon hem die akte niet bezorgen en hij betaalde slechts een deel van de koopsom. Hij twijfelt  eraan of Gillis wel het recht had om het goed te verkopen. Zo was Catharina, de dochter van Lucas Geerstman en  Maria De Witte, nog geen 28 maar slechts 25 jaar en dan mocht er niets van haar erfenis  worden verkocht zonder 4 getuigen en dat is niet gebeurd. Bovendien bleven de vrouw van zijn broer Franchois en de meid van zijn broer Jan gras maaien op de Pelinkvijver zodat het goed zich niet meer in de originele toestand bevond.

In een replycke van 168 artikels herhaalde Gillis al zijn argumenten en weerlegde hij alle opmerkingen van Van Lint. De kern van zijn betoog was dat hij wel degelijk de procuratie had om de goedenisse van zijn ouders te doen en als Van Lint de volle koopsom betaalt, dan zal hij ook de wettelijke documenten krijgen.

De weerstand van de familie tegen het optreden van Gillis in de erfenis breidde uit. Op 5 augustus ondertekenden Joos Meert en Anna De Witte een document waarin ze stelden dat ze nooit aan Gillis de opdracht hadden gegeven om hun part in de erfenis van de Pelinkvijver en het daaraan gelegen leenroerig goed van het leenhof van Brabant en van  heer tot Asse te verkopen. Zij verzetten zich tegen die verkoop en hadden er de voorkeur aan gegeven dat er andere goeden van hun ouders werden verkocht om de schulden te betalen. Zij ontkennen dat de pastoor van Essene hen zou hebben aangezet om enige bomen of ander hout op de Peirlinck Vijvers of de dammen te kappen. Ze deden dat uit eigen wil om met de  opbrengst de weduwe de la Mars, die was opgelicht door hun ouders, te betalen. Ook om hen uit de nood te helpen want anders moesten ze leven van de tafel van de H. Geest tot groot schandaal van de familie. 

In zijn schrijven van 29 augustus stelt Gillis dat Van Lint een leugenaar is. Hij wil dat de pastoor een verklaring ondertekent dat hij te goeder trouw handelt en dat hij onder eed ontkent dat hij familieleden heeft aangezet om op het verkochte goed bomen te kappen of gras te maaien.

Het laatste document dateert van 5 oktober 1673. Van Lint bevestigt daarin zijn goede trouw en ontkent dat hij heeft aangezet om de bomen te kappen of het gras te maaien. Hij kondigt  aan dat hij zijn aankoop aan anderen wil overlaten op voorwaarde dat hij zijn geld met intrest terug krijgt.

Epiloog.

Op 8 juni 1739 werden de Pelinkvijvers opnieuw afgepaald in aanwezigheid van Joannes Emmanuel Loovens, hoofddrossaard van het Land en Markizaat van Asse, Petrus Van Den Bossche, Gillis Meert, en Joannes Baptista Lahoese, schepenen. Het document was ondertekend door Petrus Van Den Bossche, Gillis Meert, en Joannes Baptista Lahoese. De afpaling gebeurde op verzoek van de paters Live Vrouwenbroeders van het clooster Ter Muijlen. Er werden een aantal houten en stenen palen geplaatst op de scheiding met andere eigenaars:

– Op de scheiding met het goed van N. Van Steenlant. Als de beek die langs de berm op het goed van Van Steenlant loopt, wordt geruimd dan moet de aarde op het goed van Van Steenlant worden gestort. Van Steenlant merkte op dat de paters teveel van zijn grond innamen. Hun bomen moeten binnen het jaar worden verwijderd.


[1] B. VERMOESEN, Een rijke geschiedenis, in: De kracht van water de Bellemolen, 2020, 16.

[2] Een leenhof was bevoegd voor de registratie van transacties en de regeling van conflicten over ‘leengoederen’. Het ging dan meestal om onroerend goed (gronden, kastelen), maar ook om rechten die tot inkomsten konden leiden, zoals tollen, jacht- en visrechten, verplichtingen van jaarlijkse leveringen… Die leengoederen waren in het feodale systeem in de loop der eeuwen ‘in leen gegeven’ door een ‘leenheer’ (meestal de vorst) aan ‘leenmannen’. Een leenman was wel de eigenaar van het leengoed en kon het verkopen of doorgeven aan zijn erfgenamen, maar bij die transacties moest de nieuwe leenman een belasting betalen aan de leenheer (in dit geval de vorst), en ‘leenhulde’ doen. Traditioneel ging dit gepaard met een ceremonie waarin de leenman blootshoofds zijn handen in die van de leenheer legde en een eed van trouw aflegde. Maar zeker vanaf het midden van de 18e eeuw was dit voornamelijk een administratieve handeling. In een leenhof werden die transacties en leenhulden geregistreerd.  Het Leenhof van Brabant was tijdens het ancien regime het hoogste ‘registratiekantoor’ en de hoogste rechtbank van het hertogdom Brabant en de Landen van Overmaas voor zogenaamde ‘leengoederen’. Het Leenhof was ook bevoegd voor rechtszaken over deze leengoederen (ook al gebeurde dit in de loop van de 17e en 18e eeuw steeds vaker door de Raad van Brabant). Het Leenhof was tevens een beroepsrechtbank voor alle lagere leenhoven in het hertogdom Brabant. Bron:Wikipedia.

[3] Mattheus Van Lint was al pastoor te Essene in 1641. In een van zijn brieven spreekt Gillis hem aan als “Eerwaarde Pater”.

Advertentie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s