Antwerpenaar Jan Karel Broeckmans werd op 20 december 1716 pastoor te Hekelgem. Hij ontving zijn priesterwijding op 42-jarige leeftijd op 3 december 1700. Zijn eerste opdracht was deservitor te Bavegem en vervolgens vanaf 4 december 1701 pastoor te Neigem. Hij was begaan met zijn kerk en liet heel wat werken uitvoeren. Er was na de oorlogen van de Franse koning Lodewijk XIV een tijd van vrede aangebroken en er kwam welvaart. In 1712 werd het houten gewelf van het koor vernieuwd, in 1715 werden het hoogaltaar en twee zijaltaren gemarmerd, kostprijs 430 gulden en in 1716 werd het dak van de kerk in orde gebracht en het interieur gewit. De nieuwe communiebank, aangekocht in 1719, kostte 131 gulden 16 stuivers. Datzelfde jaar liet hij het gebinte en het dak van de toren herstellen en in 1722 kwam er een nieuwe biechtstoel, toegewijd aan O.-L.-Vrouw, voor 470 gulden. De deken had het jaar voordien tijdens de visitatie opgemerkt dat er in de kerk een zeer vuile biechtstoel stond. De Raad van Brabant verbood op 24 september 1721 het gaaischieten op ‘pene van thien pattacons’. De schutters schoten naar een vogel die men op een wip uit de kerktoren stak, met nogal wat schade tot gevolg. De pastoor en de kerkmeesters mochten de gaten sluiten waaruit de wip werd gestoken.[1]
Aanvankelijk beoordeelde de deken pastoor Broeckmans als een middelmatig priester (1716).
Dat viel hem blijkbaar zwaar want tijdens de volgende visitaties was hij afwezig, in 1717 verbleef hij in Antwerpen en in 1720 in Brussel. We vernemen ook iets over de rivaliteit met de abdij. In 1712 klaagde hij erover dat de parochianen in de abdijkerk de mis gingen bijwonen omdat de paters niet preekten. Van bij zijn aanstelling tot zijn dood in 1724 hield hij een memorieboek bij waarin hij de landpachten noteerde en allerlei interessante gegevens. Pastoor Broeckmans overleed op 6 augustus 1724.
Testament van pastoor Broeckmans.
Op 17 juni 1723 liet Joannes Carolus Broeckmans, pastoor van Hekelgem, nog gezond van lichaam en geest, door notaris Eg. Crick van Asse zijn testament opstellen[2]. Als hij kwam te overlijden beval hij zijn ziel aan zijn barmhartige zaligmaker Jezus Christus en aan de moeder Gods aan en ook aan zijn geliefde heiligen: Jozef, Joachim en Anna, de aartsengelen Michael en Raphael, Joannes Baptista, Joannes Evangelist, Joannes Chrysostomus, Carolus Borromeus, zijn patronen, en alle andere Gods lieve heiligen. Voorts bepaalde hij dat:
1- Hij wil begraven worden aan de voet van het altaar van de Allerheiligste Rozenkrans in de kerk van Hekelgem en dat op zijn graf een blauwe zerksteen met letters van witte marmer wordt gelegd.
2- Het is zijn wens dat zijn uitvaart kort na zijn dood plaats vindt en dat hij naar zijn graf wordt gedragen door de pastoors van Essene, Meldert, zijn onderpastoor en een andere priester te kiezen door de executrice van zijn testament.
3- Hij wil dat er in zijn sterfhuis na de uitvaart alleen een sober ‘pastorael noenmaal’ voor de concelebranten, zijn testateurs en vrienden van Antwerpen wordt aangeboden. Dezelfde dag zal er in de kerk van Hekelgem ook een requiemmis worden opgedragen tot lafenis van zijn ziel waarvoor aan iedere priester prompt drie gulden zal ontvangen.
4- Tijdens de uitvaartdienst zullen op het hoogaltaar maar vier kaarsen en ook vier kaarsen aan de baar branden.
5- Na de dienst zal men aan de arme mensen van buiten de parochie die de dienst bijwoonden twee gulden en tien stuivers in de kerk geven en niets buiten de kerk.
6- De armen van Hekelgem die de dienst bijwoonden krijgen tweehonderd witte broden van een stuiver.
7- Hij wil dat terstond na zijn overlijden 1579 missen van 8 stuivers gecelebreerd worden tot lafenis van zijn ziel zoals hij in een brief heeft opgeschreven. Indien de executrice van zijn testament die brief niet vindt, kan zij de missen laten celebreren naar haar goeddunken.
8- De testateur wil vanaf de derde dag na zijn uitvaart in de kerk van Hekelgem aan het altaar van de Heilige Rozenkrans dertig requiemmissen worden opgedragen en dat daarna aan zijn graf een miserere en de profundis gelezen worden. In de zomer om zeven uur en in de winter om acht uur. Aan hetzelfde altaar zullen vier kaarsen en aan de baar zes kaarsen van witte was van een pond branden. De kaarsen moeten om de veertien dagen vernieuwd worden. De pastoor of de deservitor zal hiervoor twintig gulden ontvangen, de koster drie gulden op conditie nochtans dat hij de missen heeft gediend met zijn overrok aan.
9- De testateur verlangt dat op de eerste maandag van de maand na zijn overlijden aan het altaar van de Heilige Rozenkrans tot lafenis van zijn ziel en die van zijn vrienden en van de overleden broeders en zusters van dezelfde broederschap het officie van de doden en een gezongen requiemmis met de gewone diensten aan de baar gecelebreerd worden. Op de vooravond zullen de doodsklokken worden geluid en op de dag van de dienst driemaal een half uur lang. Aan de baar zullen twaalf kaarsen branden, tien op het hoogaltaar, vier op het altaar van de Heilige Rozenkrans, een voor het beeld van Sint-Jozef, een voor het beeld van de heilige Anna en vier kaarsen op het altaar van de heilige engelbewaarder. Ieder kaars zal een pond wegen.
10- Voor de relieken van Sint-Cornelis moeten twee kaarsen branden en een voor het beeld van Sint-Rochus, iedere kaars van een vierendeel witte was. Die kaarsen zullen de volgende zondagen, zijnde de eerste zondag van de maand als ook op de feestdagen van de Heilige Rozenkrans worden ontstoken en gedurende de goddelijke dienst branden totdat zij opgebrand zijn.
11- Op dezelfde dag krijgen alle broeders en zusters van Rozenkrans een wit brood van zes stuivers en in geld vijftien stuivers. Daarvoor zullen de broeders en zusters tijdig worden verwittigd zodat zij de dag voordien, zijnde de zondag, een volle aflaat komen verdienen tot lafenis van zijn vrienden en van de broeders en zusters van de Heilige Rozenkrans. Aan de armen van Hekelgem die dan de dienst Gods bijwoonden, worden driehonderd witte broden van een stuiver uitgedeeld. Als hij testateur zou overlijden omtrent een feestdag van de heilige maagd Maria voor de eerste zondag van de maand dan zullen de dag na de feestdag de diensten moeten geschieden. Daarvoor zal de pastoor of de deservitor acht gulden ontvangen en de koster samen met het luiden vier gulden.
12- Aan de kerk van Hekelgem legateert de testateur vier van schilderijen, te weten: de boodschap, Christus tussen twee wenende engelen, de driekoningen en Christus gekruisigd. Ze hangen boven de schouw in zijn kamer samen met twintig gulden om de schilderijen te versieren en te bewaren zodat de ze niet bedorven worden. De testateur wil dat ze in de kerk worden gehangen in het koor van Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans.
13- Aan Constantia Theresia Van Diepenbeeck, dochter van Abraham en van Joanna Margarita Broeckmans, zijn nicht wonend bij de witzusters te Antwerpen, schenkt hij zestig gulden om daar in de kerk een kleine uitvaart te houden tot lafenis van zijn ziel en de rest voor een recreatie in hun refter.
14- Aan de armste priesters van het Irishcollege[3] te Antwerpen schenkt hij al zijn zwarte kleren, mantels, zwarte toga, oude dikken nachttabbaard, al zijn goede hemden en kragen en voor de bibliotheek van het college enige boeken die hij heeft aangeduid en met zijn naam ondertekend. De boeken moeten daar in de bibliotheek blijven. De crediteuren van het college hebben er geen recht op en in het geval van onenigheid kan de executrice of haar erfgenamen ze altijd mogen opeisen.
15- De testateur begeert dat er jaarlijks en voor eeuwig tot lafenis van zijn ziel, die van zijn vrienden en van de broeders en zusters van de Heilige Rozenkrans een gezongen jaargetijde in de kerk van Hekelgem zal gecelebreerd worden aan het altaar van de Heilige Rozenkrans in de maand oktober de eerste maandag na de feestdag van de Heilige Rozenkrans. De pastoor zal dat twee zondagen te voren te aankondigen zowel voor als na de middag om ieder aan te sporen tot devotie voor de heilige rozenkrans. Daartoe zullen de klokken een half uur lang luiden op de avond voordien, ’s anderendaags ’s morgens vroeg en tweemaal voor de mis en ook ’s avonds. Daarvoor zal de pastoor drie gulden ontvangen en de koster dertig stuivers mits hij aan de baar de miserere en de profundis zingt. Op het altaar van de heilige maagd Maria zullen vier kaarsen branden, op het hoogaltaar zes, aan de lijkbaar zes, op het altaar van de heilige engelbewaarder vier, voor de beelden van de heilige Jozef en Anna elk een, ieder kaars van een pond, voor de relieken van Sint-Cornelis twee, voor het beeld van de heilige Rochus een, ieder een vierendeel van witte was. Na de dienst zal ook jaarlijks aan vijftien broeders en zusters van de heilige rozenkrans zeven stuivers met een wit brood van zes stuivers uitgedeeld worden. Wie het geld en het brood jaarlijks zullen genieten, heeft de pastoor al uitgekozen. De namen staan op een blad en na de dood van een van hen zal de pastoor een nieuwe kandidaat aanduiden. De broden moeten voor de mis op de tafel van de provisor van de broederschap liggen en na de dienst worden uitgedeeld. De pastoor, koster en de provisor zullen jaarlijks ook genieten van een der voorschreven witte broden van zes stuivers. Opdat deze fundatie wel eeuwig volbracht kan worden, zal de testateur in de muur naast het altaar onder het beeld van de heilige Jozef een blauwe steen laten metselen waarin met wit leesbare letters van witte plaaster de datum van het jaargetijde wordt aangebracht met de vermelding dat het jaargetijde voor de lafenis van zijn ziel is en ook de penningen die daarvoor zijn voorzien. Als de steen niet tijdens zijn leven is aangebracht, dan moet de executrice daarvoor de opdracht geven. Daarvoor laat hij de som van honderd dertig gulden na. Aan de Kapel van de Heilige Rozenkrans in de kerk van Hekelgem laat hij de volgende renten na:
– Een rente van 32 gulden van een kapitaal van achthonderd gulden op 12 november tot last van molenaar Peeter Maes, bepand volgens de akte gepasseerd voor schepenen van Affligem op 10 december 1714. ondertekend J. De Witte.
– Een rente van 12 gulden 15 stuivers van een kapitaal van driehonderd vijftig gulden 9 mei tot last van Andries Willems en consoorten, bepand volgens de akte gepasseerd voor voorschreven schepenen van Affligem op (onleesbaar).
– Een rente van 8 gulden van een kapitaal van 200 gulden op 17 november sprekende tot last van Peeter Verleijsen en Catharina De Valck volgens de akte gepasseerd voor de voorschreven schepenen op 2 december 1715. Ondertekend J. De Witte.
16- Als de lasten betaald zijn dan zal het resterende geld worden gebruikt voor de versiering van het beeld van Onze-Lieve-Vrouw.
17- De testateur heeft aan de kardinaal-aartsbisschop van Mechelen en aan de eerw. heren proost en religieuzen van Affligem beloofd om na zijn dood 600 gulden te doen betalen voor de nieuwbouw van de pastorie van Hekelgem. Zij zullen voor hen ook een gelijke som vinden als rente van een kapitaal van 7 000 gulden. Dat bedrag moet na zijn dood worden betaald.
18- De testateur legateert aan Jan Baptista Van Der Elst en Catharina Constantia Broeckmans, zijn zuster en zwager, hun leven lang 1400 gulden en na hun dood aan Jacobus Van Der Elst, hun zoon. In het geval die komt te overlijden zonder wettig kind of kinderen zal het bedrag toekomen aan Anna Marie, Susanna, Catharina en Maria Constantia Van Diepenbeecq, kinderen van wijlen Abraham en Joanna Margarita Broeckmans.
19- Anna Marie Van Diepenbeecq, dochter van Abraham en Margarita Broeckmans, weduwe van Lowies Josephus Coeberghen, in zijn leven secretaris van Zantvliet ene Berendrecht ontvangt een som van 1800 gulden.
20- Aan Susanna Van Diepenbeecq acht gulden, aan Marie Constantia Van Diepenbeecq 1700 gulden, Catharina Van Diepenbeecq 1600 gulden, aan Franciscus en Catharina Broeckmans, zijn kozijn en nicht uit Holten in Duitsland 100 gulden.
21- Aan de Philippina en Anna Laporte, geestelijke dochters die in Aalst wonen schenkt hij zijn grote kleerkast, de houten scribaen[4] die in die kast stond en naderhand onder zijn tafel en nog een andere scribaen met twee deuren en 23 ‘laijen’ met nog 50 gulden.
22- Aan Elisabeth Ravijts, dochter van Laurijs, zijn meid, schenkt hij voor haar trouwe dienst van vele jaren 1170 gulden, bedrag haar prompt na zijn dood moet gegeven worden tenzij hij het bedrag voor haar al heeft belegd. Zij krijgt ook een pluimen beddeken waarmee zij gewoonlijk sliep, het beste van de twee oude wollen matrassen, een gestreept garen behangsel, een hoofdkussen door haar uit te kiezen, alle de oude fluwijnen en een paar van de beste, de vier beste paar lakens met de naad over het bed, alle de oude dekens uitgenomen een en de twee kleine witte die tot netheid van de bedden dienen, drie kleine lakens, alle oude servetten met een half dozijn van de beste, al de blauwe en de gedamde doeken met al de voorschoten, vier messen door haar te kiezen, drie lepels en drie Engels vorken, een zoutvat, mosterdpot en de inlandse peperdoos, zes oude inlandse tinnen borden door haar te kiezen, vier middelbare tinnen schoteltjes, zijn nachttabbaard, drie paar van de beste kousen, al zijn schoenen, muilen, het ledikant, strozak en de behangsels waarop de testateur gewoon is op te slapen ende al de boter met de kuipen de in zijn sterfhuis worden gevonden.
23- Aan de voorschreven Elisabeth Ravijts laat hij 100 gulden na voor een …… en voor een vol jaar huur 42 gulden.
24- Aan Adriana Goijens van Vlierzele schenkt hij 50 gulden en aan Jan Baptista Resteau, zoon van de koster alhier, 12 gulden.
25- Anna Maria Van Diepenbeecq, zijn erfgenaam en executrice zal na zijn dood zonder uitstel al de kosten van de begrafenis, uitvaart, zielenmissen, de voorschreven legaten gemaakt aan Elisabeth Ravijts, de juffrouwen Laporte, Adriana Goijens, de vrienden van Holten, Jan Baptista Resteau, de rouw en de huur van de voorschreven Elisabeth Ravijts, de onkosten van zijn zerksteen, versiersels van de schilderijen door hem gemaakt aan de kerk van Hekelgem en nog een klein legaat bij de heer comparant op het apart bezet geschreven en bij hem ondertekend. Dat moet eerst gebeuren met contante penningen, met de opbrengst van de resterende meubelen en katteilen in het sterfhuis gevonden en ook met de kapitalen en de renten die men in zijn sterfhuis aantreft.
26- Alle nog resterende goederen komen toe aan de voorschreven juf. Anna Marie Van Diepenbeecq, weduwe van de heer Lowies Josephus Coeberghen, dochter van wijlen de heer Abrahams en Joanna Margarita Broeckmans en na haar dood aan haar kind behouden van de voorschreven man en eventueel nog andere kinderen. Ingeval het kind of de kinderen komen te overlijden zonder wettige kinderen aan Marie Constantia Van Diepenbeecq, ook dochter des voorschreven Abrahams en Joanna Margarita Broeckmans.
Aldus gedaan te Hekelgem in het en woonhuis van de testateur ter presentie van de eerw. heer Ludovicus De Clerck, pastoor van Teralfene en Peeter Van Den Bosch, zoon van Michiel, getuigen.

Handtekening van pastoor Broecmans
Op 16 december 1624 liet pastoor Broeckmans bij dezelfde notaris noteren dat ‘boven ’t gene in den voors. testament vuijtgedruckt ’t naervolgende sal achtervolght ende volbracht worden’
2800 missen zullen worden opgedragen tot lafenis van zijn ziel zoals hierna bepaald. Voor elke mis krijgt de celebrant 10 stuivers.
-Door kanunnik Van Der Elst van Turnhout 50 missen voor 10 stuivers per mis.
-Door onderpastoor Norbertus Breugelmans onderpastoor te Hekelgem 100 missen voor 10 stuivers per mis aan het altaar van de H. Rozenkrans te Hekelgem.
-Door de pastoor van Essene 50 missen in zijn kerk.
-Door de pastoor van Meldert 50 missen in zijn kerk.
-Door de pastoor van Mazenzele 50 missen in zijn kerk.
-Door de pastoor van Baardegem 50 missen in zijn kerk.
-Door Ambrosius religieus in de abdij Affligem 50 missen te celebreren in de abdijkerk aan het altaar van O.-L.-Vrouw.
De volgende celebranten ontvingen 8 stuivers per mis.
-De eerw. heren van het Ierscollege te Antwerpen 300 missen.
-De paters van de Ierse predikheren 300 missen aan het altaar van de Allerheiligsten Rozenkrans.
-De Ierse paters-minderbroeders te Leuven 300 missen.
-De paters predikheren van Brussel 300 missen aan het altaar van de H. Rozenkrans.
-De paters van Lieve- Vrouw-Broeders te Brussel 300 missen.
-De paters van Lieve-Vrouw-Broeders te Aalst 50 missen.
-De paters van Lieve Vrouw-Broeders te Muilem 50 missen.
-150 missen ter ere van de heilige Joseph door de paters discalsen[7] te Antwerpen.
-250 missen van de H. Rozenkrans door de paters predikheren van het klooster ‘Het Wicht’ te Antwerpen.
-200 missen door de paters Miniemen te Antwerpen.
-100 missen door de paters Bogaarden te Antwerpen.
Al die missen moeten requiemmissen zijn.
-Aan de luiders die op zijn uitvaart de klokken zullen luiden worden als volgt betaald: aan Peeter Van Den Bosch voor driemaal de grote klok een uur op een dag 12 stuivers; de koster krijgt 8 stuivers om de kleine klok te luiden.
De 100 gulden voorzien voor Susanna Van Diepenbeeck in zijn testament vervalt en zal aan zijn erfgenamen worden gegeven.
In zijn testament legateerde de pastoor 1170 gulden 17 stuivers aan zijn meid Elisabeth Ravijts met nog eens 200 gulden. Hij bepaalt nu dat Elisabeth dat geld direct na zijn dood in het sterfhuis krijgt nog voor er aan ieders anders wordt geraakt.
De 400 gulden voor zijn onderpastoor Norbertus Breugelmans moet binnen de drie maanden na zij sterven door zijn erfgenaam worden uitbetaald.
Het legaat voor Peeter Van Den Bosch moet prompt na zijn dood worden betaald.
Laurijs Ravijts, de vader van zijn meid, krijgt 100 gulden, zijn wollen slaapmuts, zijn pruik, drie van de slechtste jupons, zijn ‘smette dicke carlije broeck’ en alles prompt te betalen zoals voorgaande.
Peeter Van Den Bosch, zoon van Michiel krijgt zijn grote boterkuip met 100 mutsaards boven wat al gelegateerd was.
Zijn onderpastoor Norbertus Breugelmans krijgt als extra zijn kragen.
Rentmeester van de kerk Peeter Verleijsen krijgt voor zijn diensten aan de pastoor 25 gulden direct te betalen.
Aan zijn meid Elisabeth Ravijts schenkt hij al zijn lakens, fluwijnen, ammelakens, servetten, handdoeken, hemden, dassen, slaapmutsen, zakdoeken, kousen, blauwe sokken, wollen sokken, alle ‘bombesijne’ en wollen slaaphemden, een paar nieuwe ‘blaeders’ van hoofdkussens, al de ‘spinaele’ slaapmutsen, zijn klein koffertje en de grote koffer door haar te kiezen met zijn bed en het nieuwe groene deken.
In zijn testament bepaalde Broecmans dat aan 15 arme mensen een wit brood van 6 stuivers en 15 stuivers in geld. Daar voegde hij nu aan toe dat de volgende arme mensen na de uitvaart het zelfde zullen ontvangen: de weduwe Nicolaes De Bosaer, de weduwe Dau, Francoise De Pape, de weduwe Jan Van De Perre, de weduwe Peeter Van De Velde, Peeter Lanson, Jenneken Smeth, Peeter Vertonghen, Adriaen Vertonghen, Andries Vertonghen, Peeter Van Den Bosch, zoon van Michiels, Marie De Vis, Theresia Van Den Bosch, Michiel Eeckhout en Peeter De Vuijst.
De aanvulling noteerde de notaris met als getuigen Joos Eeman ende Franchois Cornelis

Handtekeningen van onder meer Anna Van Diepenbeeck,Michael Hennessy, onderpastoor Breugelmans en notaris Crick.
Inventaris ten sterhuize.
Op 21 februari 1725 compareerde voor notaris Egidius Crick juffr. Anna Maria Van Diepenbeecq, weduwe van de heer Lowies Josephus Coeberghen, gewezen secretaris van Santvliet en Berendrecht die voor Elisabeth Ravijts, gewezen meid van de pastoor, een lening toekende van 1 248 gulden aan Steven Van Onchem en Josina Van Dossenaer. Daarmee werd een beslissing uitgevoerd van pastoor Broeckmans in zijn constitutiebrief gepasseerd voor schepenen van de abdij Affligem van 16 februari 1722 ondertekend door Jan. De Witte. Opgesteld te Hekelgem met als getuigen de eerw. heren Michael Hennessy, president van het Ierscollege te Antwerpen en deservitor van Hekelgem Norbertus Breugelmans[8].
Joannes Carolus Broeckmans overleed op 20 december 1724. Anna Maria Van Diepenbeecq, weduwe van Lowies Joseph Coeberghe, gewezen secretaris van Santvliet en Berendrecht, executeur, gaf aan de notaris Egidius Crick de opdracht om met als getuigen Peeter Ledeghen en Adriaen Mattijs de inventaris op te stellen. A. H. Van De Velde, ‘corte roede’ van Antwerpen en Peeter Ledeghen, officier van het Land van Asse, dagvaarden Joanna Philippina en Anna Laport, Adriana Goossens, Elisabeth Ravijts en haar vader, Norbertus Breugelmans, Peeter Verleijsen, Jan Baptista Resteau en Peeter Van Den Bosch, zoon van Michiel. Compareerden niet: Jan Franchois Van Der Elst als voogd voor Jacobus Van Der Elst, Maria Constantia Van Diepenbeecq en Theresia Catharina Van Diepenbeecq.
De niet gelegateerde meubels in de keuken.
Een pers met 2 deuren en een schuif, een houten tafel, een schutsel om ’t gebraad op te zetten, een koel tonnetje, een koperen bluspot, een ijzeren kroon, een metalen mortier met metalen stamper, een tafel met een ‘weecken’ voet, een hard blad en het lijnwaden tafelkleed, een hanghorloge, 2 strijkijzers, een schilderij boven de schouw verbeeldend de benedictie van Jacob, een vlakke staande lamp, een staand ijzer, een scherfmes, een blaaspijp, een kokschop, een ‘vonck laije’, een ijzeren ‘spitteken’ eneen ijzeren gaffel, 4 biezen stoelen en een borstel.
De meubels van het salon.
Een ledikant, een strooien zak, een bed met hoofdpeluw, een ‘cabidor’ met een koperen pot daarin, 5 staande Spaanse lederen stoelen met 9 Spaanse lederen stoelen, een biezen leunstoel met 3 biezen stoelen, een ‘schinck’ met het blad, een tafel van week hout met kruisvoet, het tafelkleed, een spiegel hangend tussen de vensters, 3 landschapschilderijtjes, een schilderij met de boodschap aan Maria, een schilderij met de offerande van de H. Drie Koningen, een schilderij voorstellend een boerenkermis, een katoenen schouwkleed, een kapstok.
De meubels van de nieuw keuken.
Een hard houten openslaande tafel, een glazen bakje, een theepot, een solfraan pot met zilver beslag, een week houten schappraai[9] met 4 deuren en twee schuiven, een groten koperen ketel met een koperen emmer, een koperen ketel met deksel, een koperen stoofbekken met ‘scheil’, een koperen emmer, 2 koperen pannetjes, een koperen tafelring, een rood koperen keteltje, een roden koperen waterketel, een koperen ‘pispot’, een pannetje met het deksel, twee klein stoofbekken met 2 oren, twee met een staart, een blaker en ‘snutter’ alle in koper, een koperen ‘marmitteken’, een chocoladepot, een koperen ‘cassoir’ met een trechter, een visspaan met een ijzeren pannetje, een grote taartschotel met het deksel, een koperen ketel met drie poten, een oude koperen ‘marmitte’, een ijzeren spit, haal en lat, een klein spit en een ijzeren blaker, een ijzeren hoge pot, 14 bier glazen en 7 wijnromers, een tinnen theepot, 4 tinnen potten, 3 tinnen theepotten, 4 tinnen kommetjes, 2 tinnen kandelaars, een tinnen tafelring, een tinnen trechter, een tinnen druplepel, een tinnen wijwatervat, een tinnen kom, 24 tinnen borden van Engels tin, een Engelse tinnen schotel, 2 Engelse dienborden, 5 tinnen schotels van Engels tin, 3 tinnen schotels met een visbord, 6 tinnen lepels met 8 tinnen vorken, 2 tinnen zoutvaten, 5 glazen potten met 4 stenen potten, een pot ‘leest’, een ‘menagierken’, een stenen stoop, 7 glazen schotels en borden, 4 stenen hoge en een van aardewerk. een leunstoel.
Meubels op de zolder boven de kelderkamer:
Een hard houten schappraai met 4 deuren, een tinnen kandelaar, zoutvat en vier zilveren lepels, een lederen broek met een broekzak, een lijnwaden mand, een kapstok, een bus met leder overtrokken, een zacht houten tafel met voet, een schrijflei, 7 grote schotels Engels tin, een nagelbak, peperdoos en 3 bierkranen, 2 lijnwaden koorden, een tinnen bak met een kraan.
Meubels op de zolder boven de achterkeuken:
Een wan, hangspit met een deel appels en een biezen tas.
Meubels op de zolder boven de keuken en het salon:
Een pluimen bed met een hoofdkussen met een deel schappen van de bibliotheek, 2 schuiven met een tafelvoet, 2 touwen, een ladder, 3 biertonnen, een wafelijzer, stenen potjes, een matras, een tinnen waterpot, een gieter en andere rommel.
Op de trap:
Een ijzeren handboom, zaag en 2 houten houwmessen.
Meubels op de kelderkamer.
Een Hollandse theetafel, een leunstoel, een houten stoel, een zachthouten tafel met een tafelkleed, een lessenaar, een horloge, een gordijn voor het venster 4 zilveren lepels met 4 zilveren vorken, een zoutvat, een peperdoos met een mosterdpot met lepeltje alles van zilver met een zilveren theelepel, 2 schilderijen beide de gekruiste Jezus en een van Hiëronymus, een blaasbalg, enige planken van de bibliotheek, een schrijflei, 506 boeken alle gebonden in verschillende banden, een koppel zakpistolen, nog een deel andere boeken in papier gebonden, een constitutiebrief van 1200 gulden met een rente van 60 gulden ten laste van Steven Van Onchem, gepasseerd voor de schepenen van de abdij Affligem op 16 februari 1722. Ondertekend J. De Witte, een rente van 800 gulden met een rente van 32 gulden ten laste van Peeter Maes, gepasseerd voor de schepenen van de abdij op 10 december 1714, een rentebrief van 400 gulden met een rente van 16 stuivers vallend op 16 november ten laste van Peeter, gepasseerd voor de schepenen van de abdij op 2 december 1715. Afgelost op 25 april 1716, een constitutiebief van 700 gulden met een rente van 35 gulden vallend op 4 januari tot last van Franciscus Vonck, gepasseerd voor de schepenen van de abdij op 10 januari 1718, een constitutiebrief van 350 gulden laste van Michiel Vermoesen en consoorten volgens de akte gepasseerd voor de schepenen van de abdij op 17 juni 1715, een obligatie van 7000 gulden ten laste van zijne eminentie de kardinaal aartsbisschop van Mechelen, een ‘scribaentje’ vast aan de bibliotheek met een deurtje en negen luiken een met een sleutel waarin het volgende werd gevonden: in een zak 96 gulden 2 stuivers 1/2 courant geld, in een andere zak in schellingen en 208 gulden 1 stuiver 19 courant geld, in een ander luik in een zakje 70 gulden in pattacons, halve en dubbelle schellingen, in een ander zakje in kronen een half Frans pistool, een ducaat, samen 276 gulden 8 1/2 stuivers, in hetzelfde luik in schellingen 151 gulden 4 stuivers en in het laatste luik in kronen, schellingen, 5 pistolen, een gouden schelling, samen 193 gulden 15 3/4 stuivers, een gouden ring.
De meubels gelegateerd aan Elisabeth Ravijts:
Gevonden in de keuken: een ijzeren ketting met een ijzeren tang, een koperen kandelaar, drie biezen stoelen, een ijzeren ‘cassoir’.
Meubels in de nieuwe keuken: 2 koperen ketels, een ijzeren potje, drie lepels, 63 vorken Engels tin, een zoutvat, mostaardpot en peperdoos, een dozijn en half oude tinnen borden, 6 tinnen schotels.
Meubels gevonden op de zolder boven de kelderkamer: een beschilderde kist.
Meubels gevonden op de zolder boven de achterkeuken: een matras, een kleine koffer met leder overtrokken, een ‘calemander’ nachttabbaard met een hoed, een rooster, 2 zwarte jupons met een broek, 3 witte slaapkleden.
Meubels gevonden op de kelderkamer: een hard houten tafel met het tafelkleed, het ledikant, strooien zak, bed, hoofdpeluw, 2 kussens, een nieuw groen deken met het behangsel, een ledikant met het behangsel, 2 witte dekens, een blauw, groen en rood deken, 2 zilveren lepels, 2 zilveren vorken met een zilver zoutvat, een ‘brandeleer’ met een kroon, een wit wollen slaapkleed, 2 biertonnen in de stal, een emmer, 4 witte schorten, 4 ‘gedamde’ doeken, 5 dassen, 12 blauwe schorten met een deel blauwe ‘cloddekens, 22 servetten, 4 lakens, 3 paar schoenen, 4 ‘bombesijne’ slaapkleden, 4 ‘hammelaeckens’, 30 servetten met 12 ‘hammelaeckens’, nog 22 servetten 17 handdoeken, 7 lijnwaden doeken met 10 paar lakens, nog 18 paar lakens, 11 servetten, 32 hemden, 17 dassen. 11 ‘spinaele’ slaapmutsen, 35 lijnwaden slaapmutsen met 12 hemden, 22 fluwijnen 18 zakdoeken met 10 priesterskragen, 2 paar ‘spinaele’ kousen, 18 lijnwaden mutsen met 19 doeken gedampt, blauw en wit.
De meubels gelegateerd aan Peeter Van Den Bosch:
Gevonden in de keuken:Een zwarte schappraai met twee deurtjes van zacht hout, een klein openslaande tafel, 2 kinderstoeltjes.
Meubels gevonden op de zolder boven de achterkeuken: een slaapkooi met twee kinderstoeltjes
Meubels op de kelderkamer: een matras met een ‘schabelle’, een grote boterkuip in de stal met een bierton, het hoveniersgereedschap.
De meubels gelegateerd aan Laurijs Ravijts
Gevonden op de kelderkamer: de dikke laken ‘surtonts’ met pruik.
De meubels gelegateerd aan de heren van het Ierschcollege in Antwerpen Gevonden op de kelderkamer: 2 zwarte mantels, ‘surtonts’, een toga en een jupon.
De meubels gemaakt aan de juffr. Laport:
Op de kelderkamer: een hard houten kleerkast met 2 deuren en twee laden met een scribaan met nog een grotere scribaan met 2 deuren en 23 laden.
De meubels buiten het huis:
Een hard houten schappraai onder het duivenkot met 2 deuren met een bankje, een deel hout in de galerij, gaffel, mesthaak en riek met een deel planken, een spit en 4 ijzeren beitels, 8 biertonnen in de stal met een deel brandhout en gezaagd hout.
In de andere stal een deel hout met 5 kleine kuipen, een emmer, een ijzeren staand ijzer voor de grote ketel.
Aldus gedaan ende geïnventariseerd 8 januari 1725.
Besluit.
Joannes Carolus Broeckmans werd pastoor in Hekelgem na de oorlogsjaren van eind 17de eeuw toen de Franse koning Lodewijk XIV onze streken voortdurend teisterde. Er kwam welvaart en hij profiteerde van de vrede om de kerk te verfraaien. Hij zorgde goed voor zijn parochianen, maar kon kritiek moeilijk aanvaarden. Hij was welgesteld zoals blijkt uit zijn overvloedige huisvoorraad met heel wat tinnen en zilveren voorwerpen. Hij had ook een grote kennissenkring en zijn familie en vrienden bedacht hij allemaal in zijn testament. Bijzonder opvallend was zijn grote bekommernis om zijn zielenheil. Honderden missen moesten tot lafenis van zijn ziel gecelebreerd worden.
[1] B. VERMOESEN, De parochie van Hekelgem tot 1792, in: Jaarboek Belledaal, 2008, 84 – 86.
[2] R.A. Leuven, notaris Eg. Crick, toegang 882/522, nr. 21.
[3][3] Het Irishcollege in Antwerpen was een Iers pastoraal college, gewijd aan St. Patrick voor Ierse seculiere priesters, dat rond 1600 werd geopend tijdens de strafwetten in Antwerpen. Het was een dependance van het Irishcollege in Douai. Het college werd in 1629 herontwikkeld door Lawrence Sedgrave, een priester uit Leinster (afkomstig uit een rijke katholieke familie waartoe ook Walter Sedgrave, voormalig burgemeester van Dublin, behoorde), die het pand kocht. Studenten volgden colleges aan het jezuïetencollege in Antwerpen, waar de Ierse jezuïet pater Richard Archdeacon (Arsdekin), SJ, lesgaf, en later, vanaf 1716, studeerden studenten aan het diocesane seminarie van Antwerpen in de Schoenmarkt. Wikipedia.
[4]Scribaene = Scriban = 1) Kabinet Vlaams 2) Oud-Vlaamse schrijftafel 4) Schrijfkabinet 5) Schrijftablet 6) Schrijftafel
[5] R. A. Leuven, Notaris Crick Egidius, Asse, Code van de inventaris: 882/522, nr. 22.
[6] Een codicil is een handgeschreven, gedagtekend en ondertekend document waarin u aanvullende wensen voor na uw overlijden vastlegt. Het is een juridisch document, maar in tegenstelling tot een testament heeft u hiervoor geen notaris nodig.Wikipedia.
[7] Discalsen (afgeleid van het Latijnse discalceatus) is een andere naam voor de Ongeschoeide Karmelieten. Dit is een rooms-katholieke bedelorde die bekend staat om hun strenge, contemplatieve levenswijze en collectieve armoede.
[8] R. A. Leuven, Notaris Crick Egidius, Asse, Code van de inventaris: 882/522, nr. 23.
[9] Een schapraai (of schabberij) is een traditioneel woord voor een voorraadkast of provisiekast. Het is doorgaans een kast met planken waar etenswaren in worden bewaard, vergelijkbaar met een kelderkast of een vaste keukenkast.
