Jan Plas, de processenkampioen.

De familie Plas te Hekelgem[1][2].

Jan was de zoon van Adrianus en Elisabeth De Smedt. Adrianus werd gedoopt te Mazenzele omstreeks 1648 en overleed te Hekelgem op 29 januari 1724. Hij trouwde te Meuzegem–Wolvertem op 4 augustus 1674 met Elisabeth De Smet, gedoopt te Mazenzele op 18 september 1656 en aldaar overleden op 17 oktober 1713.

Kinderen uit dit huwelijk te Mazenzele gedoopt:

1. Barbara, gedoopt op 19 mei 1675 en overleden te Mazenzele op 28 oktober 1741. Zij huwde te Mazenzele op 5 februari 1701 met Laurentius Van Huyneghem, gedoopt te Asse op 2 februari 1668 en aldaar overleden op 3 november 1741.

2. Gillis, gedoopt op 18 april 1677. Hij huwde te Mazenzele op 30 augustus 1716 met Petronilla Michiels, gedoopt te Mazenzele op 29 januari 1692 en aldaar overleden op 3 mei 1742. Een notitie van 6 december 1729 geeft aan dat Gillis meisenier was te Grimbergen.

3. Hendrick, gedoopt op 3 december 1679 en overleden op 21 januari 1754. Hij huwde te Mazenzele op 25 februari 1705 met Petronilla Wouters, gedoopt te Mazenzele op 27 juli 1672 en aldaar overleden op 2 juli 1739.

4.Joannes, (Jan) werd gedoopt op maandag 19 mei 1681 in Mazenzele. Hij overleed op vrijdag 15 mei 1744 in Hekelgem, 62 jaar oud. Hij trouwde, 32 jaar oud, op woensdag 21 maart 1714 in Hekelgem met Margaretha Moerenhout, 36 jaar oud. Zij is gedoopt op donderdag 10 februari 1678 in Rossem–Wolvertem. Margaretha overleed op donderdag 17 oktober 1715 in Hekelgem, 37 jaar oud. Zij was de weduwe van Egidius Van Ginderachter (1673 – ±1713), met wie zij trouwde op zaterdag 3 februari 1703 in Rossem-Wolvertem. Met haar eerste man had Margaretha zes kinderen:

5. Judocus,

6. Egidius, gedoopt op 8 september 1688, overleden te Brussegem op 28 mei 1752.

7. Petrus, gedoopt op 5 oktober 1690.

8. Adrianus, gedoopt op 18 oktober 1693, overleden te Mollem op 2 mei 1752. Hij trouwde te Bollebeek op 22 augustus 1724 met Cecilia Jacobs.

9. Petronilla, gedoopt op 29 september 1697.

De Blakmeershoeve op de Ferrariskaart 1777

Het gezin van Jan Plas.

In 1714 werd Jan Plas pachter op het Hof te Blakmeers en daarmee werd hij lid van de beperkte kring van notabelen van de parochie.

Kinderen van Joannes en Margaretha:

1. Franciscus Benedictus, gedoopt op donderdag 21 maart 1715 in Hekelgem. Franciscus  overleed op vrijdag 27 juli 1798 in Hekelgem, 83 jaar oud. Hij trouwde, 49 jaar oud, op zondag 7 oktober 1764 in Hekelgem met Joanna Verherstraeten, 32 jaar oud. Zij werd gedoopt op donderdag 13 december 1731 in Asse. Joanna overleed op vrijdag 2 november 1810 in Hekelgem, 78 jaar oud.

2. Joanna Maria, tweeling van Franciscus.

Na de dood van Margaretha die overleed op 17 oktober trouwde Jan, 35 jaar oud, op zondag 19 juli 1716 in Mollem met Maria Anna Coppens, 34 jaar oud. Zij is gedoopt op dinsdag 3 maart 1682 in Mollem. Maria is overleden op vrijdag 28 maart 1721 in Hekelgem, 39 jaar oud. Met Maria had Jan één kind: Elisabeth, gedoopt op maandag 27 september 1717 in Hekelgem. Elisabeth overleed op vrijdag 16 mei 1794 in Essene, 76 jaar oud. Zij trouwde, 25 jaar oud, op woensdag 7 augustus 1743 in Hekelgem met Joannes Baptist Van De Putte, 31 jaar oud. Hij was een zoon van François en Joanna Van Den Broeck, gedoopt op zondag 9 augustus 1711 in Essene. Joannes overleed op woensdag 22 augustus 1764 in Essene, 53 jaar oud.

Jan trouwde een derde maal, 45 jaar oud, op zaterdag 11 januari 1727 in Hekelgem met Elisabeth Goossens, 20 jaar oud. Zij is gedoopt op woensdag 9 juni 1706 in Mazenzele. Elisabeth overleed op zondag 15 november 1772 in Hekelgem, 66 jaar oud. Zij trouwde later op zondag 11 juli 1745 in Hekelgem met Egidius Plas (1703-1778). Kinderen van Elisabeth en Joannes:

1. Judocus, gedoopt op woensdag 19 november 1727 in Hekelgem en overleden op dinsdag 5 september 1815 in Essene, 87 jaar oud. Hij trouwde, 27 jaar oud, op dinsdag 20 mei 1755 in Essene met Barbara Van De Putte, 25 jaar oud.

2. Catharina Theresia, gedoopt op dinsdag 7 juni 1729 in Hekelgem.

3. David, gedoopt op woensdag 11 juli 1731 in Hekelgem. David overleed in 1762, 31 jaar oud.

4. Guillelmus, gedoopt op maandag 15 juni 1733 in Hekelgem.

5. Gerardus, gedoopt op woensdag 3 november 1734 in Hekelgem. Hij overleed op maandag 21 juli 1794 in Hekelgem, 59 jaar oud.

Jan overleed in 1744 op 62-jarige leeftijd en zou tijdens zijn leven heel wat moeilijkheden ondervinden, vooral met het gerecht.

Boer op de Blakmeershoeve.

De Blakmeershoeve was een van de grote hoeves van de abdij Affligem in Hekelgem. De eerste vermelding van een pachter, Geert Schoonjans, was in 1615. Onder Joos Smeth werd in 1649 de hoeve vernieuwd. Hij bewerkte in 1650 zo’n 25 bunder land en weide en in 1672 betaalde hij 500 gulden voor 28 bunder 18,50 roeden. De familie Smeth verliet de hoeve in 1683 en werd opgevolgd door Aart Wambacq. In 1684 kon de abdij verhinderen dat Franse soldaten de hoeve in brand staken. Dat schrijft dom Wilfried Verleyen, de Affligemse historicus en dat in tegenstelling tot Remi De Schrijver[3] die beweerde dat Franse troepen de hele boerderij door brand vernielden. Nadien werd, aldus De Schrijver, een nieuwe hoeve gebouwd 250 m noordwaarts op een hogere en vastere grond. Dom Verleyen die noteerde dat in 1726 een nieuwe paardenstal, een koeienstal en een kelderkamer werden gebouwd. Dat de hoeve van 1684 tot 1726 in puin lag is niet aannemelijk. Een nieuwe schuur kwam er in 1779. In 1696 werd de weduwe van Aart de laatste maal als pachter vermeld. Zij verliet het Hof ten Blakmeers om met haar tweede man, Frans Willems, de afspanning De Kroon uit te baten. Hun plaats werd ingenomen door Philip Franssens die er tot 1714 bleef en door Jan Plas werd opgevolgd. De hoeve omvatte toen 37 bunder land, weide, ‘broekagie’ met nog de Jongenbos van 5 bunder en de nieuwenbos van 17 bunder. Of Jan een uitstekende boer was, weten we niet, wel dat hij geregeld in aanraking kwam met het gerecht zoals blijkt uit de stukken van de schepenbank van Asse.

14 december 1723. schepenbank van Asse – rechtszaak over betaling van klaveren.

Voor de schepenen van het markiezaat van de poortvrijheid en Land van Asse compareerde Jan Plas, vertegenwoordigd door meester Egidius Crick, als aanlegger tegen Guilliam Cortvrint met als advocaat Van Mulders. Nadat de gedaagde Cortvrint door officier Peeter Ledeghen driemaal was gedaagd, vroeg advocaat Egidius Crick dat Cortvrint zou worden veroordeeld tot de betaling van 47 gulden 12 ½ stuivers voor de klaveren die Jan Plas aan Cortvrint had geleverd. De schepenen gingen op de vraag in en eisten ook dat de gedaagde de proceskosten zou betalen, in het totaal 55 gulden 14 1/2 gulden.

Daar Cortvrint weigerde de proceskosten te betalen, kwam er op 13 juni 1724 een nieuw proces. Dat had Guilliam beter niet gedaan want nu werd hij veroordeeld om ook de bijkomende proceskosten te betalen, in het totaal 54 gulden 11 stuivers. Het gevolg was dat er aangepaste kohieren waren waartegen Jan Plas zich vergeefs verzette.

14 december 1723. schepenbank van Asse – rechtszaak over betaling van de belastingen.

Jan Plas ging niet akkoord met de belastingen die collecteur Franchois Ledegen hem had opgelegd. In het ‘oncostboeck’ van Hekelgem van Sint-Jan 1724 tot Sint-Jan 1725, opgesteld door de bedesetters, werd elke bunder land, weide en bos gekwotiseerd op 1 gulden 18 stuivers. Jan Plas werd belast voor 34 bunder 2 dagwand en 47 roeden wat een bedrag opleverde van 67 gulden 5 stuivers 1 oord. Hij verzette zich tegen de opgegeven oppervlaktes en betaalde niet. Collecteur Ledegen diende, na mislukte pogingen tot een minnelijke schikking, op 26 november 1726 een klacht in bij de schepenbank van Asse. Maar in plaats van te betalen, legde Jan Plas zelf een klacht neer tegen de collecteur. Uit het Oncostboeck blijkt dat in Hekelgem 522 bunder 58 roeden in aanmerking kwamen voor die grondbelasting. Dat gaf een bedrag van 991 gulden 16 stuivers. De lijst was opgesteld op 5 juni 1725 door de bedesetters Thomas Verleysen, Jan Baptista ’t Sas, Peter Verleysen en, merkwaardig, Jan Plas zelf. Daar Plas weigerde te betalen, kwam de zaak op 7 juni 1728 in handen van de hoofddrossaard Jacobus Josephus Jacops. Op 26 oktober 1728 volgde de uitspraak. In’ gebanne vierschaere’ beslisten de schepenen Martinus Linthout, Peter Verleysen en Hendrik De Voghel dat Jan Plas het verschuldigde bedrag moest betalen. Maar daarmee was de zaak nog niet opgelost. In het archief van de schepenbank vonden we nog een vonnis van 27 mei 1732 waarin de boer van de Blakmeershoeve nog eens werd veroordeeld voor de betaling van de 67 gulden 15 stuivers 1 oord en bijkomende gerechtskosten. Het vonnis was ondertekend door Jan Van den Bossche, Jan Van Assche, Hendrik De Voghel, Peter Verleysen, Philippe Van Humbeeck en Jacobus Meert. P. Robijns was de griffier.

1727. Was Jan Plas de vader van het kind van Joanna De Smedt[4]?

Tijdens de hoppluk september – oktober 1727 zou Jan Plas een van de pluksters hebben verkracht. Dat gerucht deed de ronde en dat was voor de hoofddrossaard van het Land van Asse, Jacobus Josephus Jacops, de aanleiding om een vooronderzoek in te stellen.

7 juni 1728:

De schepenen van de schepenbank van Asse, Hendrik De Voghel en Martinus Linthout ondervroegen op zijn verzoek Maria Anna Keijmolen. Deze 51-jarige vroedvrouw woonde in Ternat. Zij vertelde aan de schepenen dat in de namiddag van 4 juni 1728 Jan De Pauw haar kwam vragen om aanstonds mee te gaan naar het huis van Peter De Smedt wiens dochter zwanger was van Jan Plas. Dat bevestigde Jan De Pauw en ze spoedde zich naar Asse-Terheide. In de keuken zag zij Joanna liggen omringd door andere vrouwen. Zij onderzocht haar en stelde vast dat haar water nog niet was gebroken. Maria zei dat ze Joanna wilde helpen bij de geboorte op voorwaarde dat ze bekend maakte wie de vader van het kind was. Joanna legde daarop in haar handen de eed af dat Jan Plas van de Blakmeershoeve de vader was en dat zij nooit ‘vleselijcke conversatie’ heeft gehad tenzij eenmaal met Jan Plas. Francis Van den Houte en Gerard De Valck waren er getuigen van. Dat gebeurde in zijn schuur in aanwezigheid van twee andere vrouwen. Joanna had hen zelfs om hulp gevraagd, maar zij wilden of durfden haar niet komen helpen. Ook na de geboorte bleef Joanna beweren dat Jan Plas de vader was.

19 april 1728: bijkomende verhoren.

– Anna De Cort[5], de vrouw van Ingel De Coster, 44 jaar en van Asse-Terheide, bevestigde de verklaring van Joanna. Zij voegde er nog aan toe dat Jan Plas had gezegd dat hij haar nek zou breken.

– Petronella De Smedt, de zus van Joanna, was thuis toen de boer en zijn vrienden binnen vielen. Hij schreeuwde en tierde dat hij wou weten wat Joanna van hem vertelde. Een angstige Joanna antwoordde dat ze alleen eer en deugd van hem kon vertellen. Achteraf voegde ze eraan toe dat ze uit schrik niet meer wist wat ze had gezegd.

– Joanna Van Vaerenbergh, de vrouw van Merten Van den Broeck, legde dezelfde getuigenis af als Anna De Cort.

12 juni 1728: Nog meer getuigen.

De schepenen Hendrik De Voghel[6] en Martinus Linthout riepen nog meer getuigen op.

– Petronella De Valck uit Mazenzele, 32 of 33 jaar, was een van de hoppluksters in september 1727. Op de 3de of 4de dag was zij met de andere vrouwen uit de kamer waar zij sliepen naar de schuur gegaan omwille van de ‘vuijlicheijt van luijsen’ van Joanna De Smet. Kort na middernacht kwam de boer binnen en ging bij Joanna liggen. Zij hoorde hem zeggen ‘ick en sal u geen quat doen’. Na ongeveer een half uur, toen de honden begonnen te blaffen, ging hij weg.

– Marie De Blanck, 32 jaar, was een van de pluksters. Aan Joannes Van den Bossche en Peter Van Humbeek zegt ze dat ze met Joanna en Petronella De Smedt in één kamer sliepen.

– Jan De Pauw van Asse-Terheide, 40 jaar, heeft Hendrik Plas horen zeggen dat ze het huis van Joanna in brand zullen steken als ze bleef herhalen dat ze ‘groot gaende’ was van hem.

7 juni 1728: getuigenis van Joanna De Smedt.

De twee getuigen, Francis Van den Houte, een 52-jarige Assenaar en Gerard De Valck uit Asse-Terheide, 32 jaar, bevestigden de verklaring van de vroedvrouw. Joanna zelf werd door officier Carel Rogiers voor de schepenbank gedaagd. Zij was 21 of 22 jaar oud en dochter van Catharina Geeroms. Op een avond, na de maaltijd tijdens de hoppluk was zij, samen met twee andere vrouwen, naar de schuur gegaan om er op het hooi wat te rusten. Zo rond middernacht was Jan Plas bij haar gekomen. Hij had haar nog nooit aangeraakt, maar nu begon hij haar ‘forselijck’ te verkrachten. Zij heeft zich daartegen verzet en de twee vrouwen om hulp gevraagd, maar die wilden haar niet helpen. Niettegenstaande haar verzet heeft de boer haar ‘forselijck gedefloreert’. Na zijn lust volbracht te hebben, dreigde hij ermee dat, als zij zou vertellen wat er was gebeurd, hij haar zou neerschieten. Zes weken geleden was hij naar het huis van haar moeder gekomen, samen met zijn vrouw, zijn knechten, zijn broer Franciscus, Francis Van den Houte, Cornelis De Boeck en nog enkele anderen. Hij greep Joanna bij haar arm en vroeg haar wat zij van hem te vertellen had. Uit angst durfde Joanna alleen maar deugdelijke dingen te zeggen. Hij schreeuwde haar toe dat hij zich zou ophangen als ze bleef vertellen dat ze van hem in verwachting was. Drie weken later kwam Catharina, de dochter van Francis Van den Houte, haar vragen mee te gaan naar haar ouders. Daar toonde ze haar een verklaring die ze moest ondertekenen. Hendrik Plas, een broer van Jan, dreigde ermee haar huis in brand te steken als ze niet tekende. Joanna ondertekende dan met een X.

22 juni 1728: hoofddrossaard vat de feiten ten laste van Jan Plas samen.

Drie hoppluksters sliepen in de schuur van Jan Plas op de Blakmeershoeve. Op een nacht werd Joanna, een van de pluksters, door Jan Plas verkracht. Later ging die samen met zijn kompanen Joanna bedreigen en zijn broer Hendrik verplichtte Joanna een verklaring van Jans onschuld te ondertekenen. Jan Plas was eerder al eens voor een dergelijk feit aangeklaagd.

Uit het doopregister van Asse: 7 (juni 1728 te Asse) is gedoopt Joannes onwettige zoon van Joanna De Smedt die tijdens de bevalling in tegenwoordigheid van de vroedvrouw Maria Anna Kijmolen en de getuigen Franciscus Van Den Houte en Gerardus De Valck verklaarde dat Joannes Plas de vader was.

13 juli 1728: de reactie van Jan Plas.

Volgens hopboer Jan Plas sliepen de drie pluksters met zijn dochters en meiden samen in één kamer. Daar zijn dochters kloegen over luizen bij de pluksters verzocht zijn vrouw de drie pluksters in de schuur te gaan slapen. Op een nacht, hij kwam juist uit zijn ast waar hij met de knechten het vuur onderhield om de hop te drogen, hoorde hij lawaai in de schuur. Hij opende de poort en vroeg wie daar was. De drie vrouwen maakten zich bekend en hij ging naar zijn huis. Vijf of zes weken geleden kwam zijn broer Hendrik hem melden dat Joanna De Smedt hem van verkrachting beschuldigde. Zo’n valse aanklacht kon hij niet aanvaarden en daarom trok hij met zijn vrouw, zijn broer en vrienden naar het huis van Joanna. Zij heeft toen openlijk gezegd dat zij geen betrekkingen hebben gehad en zij ondertekende een verklaring waarin ze ontkende dat hij de vader van haar kind was. Over die eerdere veroordeling zei hij dat hij toen weduwnaar was en abusief werd veroordeeld.

25 augustus 1728: op zoek naar meer bewijzen.

Jan Plas daagde de hoofddrossaard uit om echte bewijzen voor te leggen. Die vroeg op 26 oktober de getuigen opnieuw te verhoren en om nog meer mensen te ondervragen. Peter De Bailliu, Joannes Van den Bossche, Peter Van Humbeek en Gillis Van Ginderachter deden de ondervragingen.

– Mariana Keijmolen, Francis Van den Houte Jan De Pauw, Joanna Van den Houte en Gerard De Valck bleven bij hun getuihenis. Joanna kwam met nieuwe feiten. Jan Plas had in oktober haar ‘verscheide reijsen noch vleselijck bekent in de schuere’. Anna De Cort vertelde dat Joanna haar eens zei dat ze niet wist wie de vader was, maar later zei ze dat het een man was die geleek op de man van haar moeder. Op 4 juni duidde ze een zekere Joseph uit Bijgaarden aan als de vader. Maar na enig aandringen van Anna gaf ze toe dat het Jan Plas was. Petronella De Smedt, bevestigde de verklaringen van Anna De Cort.

– Joanna Van Vaerenbergh, wist niet dat Jan Plas Joanna verbood om hem als de vader van het kind aan te duiden en dat hij haar nek zou breken als ze het toch deed. Zij had niet gehoord dat Joanna om hulp riep die nacht in de schuur. Maar ze wist zeker dat Joanna tijdens het baren zei dat een zekere Joseph tijdens de hoppluk met ‘haer besigh hadde geweest, hadde geslapen ende vleesselijcke geconverseert’. Later zou ze aan die Joseph hebben voorgesteld om naar de pastoor te gaan en te trouwen. Petronella De Valck uit Mazenzele, 32 jaar, wist dat Jan Plas in de schuur is gekomen, maar dat ‘sij niet en is gewaer geworden’ dat hij bij Joanna was gaan liggen of dat zij om hulp riep.

– Marie De Blanc kwam pas op 14 december aan de beurt. Nu wist ze plots niet meer dat Jan Plas bij Joanna was gaan liggen en Francis Van den Houte en Cornelis De Boeck bevestigden dat Joanna een verklaring ondertekende waarin ze Jan Plas niets ten laste legde.

– Joanna Marie Van Ingelghem, waarschuwde Joanna op 19 april 1728 niets te ondertekenen als ze met Jan Plas iets had gehad. Joanna antwoordde haar dat hij ‘noijt aen mij is geweest en heeft noijt met mij vuijtstaens ofte te doen gehadt’ en dan ondertekende ze de brief.

– Catharina De Bruijn, vrouw van Govaert Van Brempt[7], ging in april 1728 naar Asse en onderweg stapte ze bij de moeder van Joanna binnen om voor haar een halve zak zout mee te brengen als ze met haar ‘kerre’ naar Brussel reed. Aan Joanna vroeg ze wie de vader van haar kind was en zij antwoordde dat het Joseph uit Bijgaarden was. Dat herhaalde ze nog eens op 7 mei. Joseph was vorige zondag nog bij haar gekomen toen ze naar Asse naar de mis ging. Hij wou haar toen ‘beschunken’. Catharina sprak ook nog met Joanna’s moeder omdat die vertelde dat Jan Plas haar dochter wel had verkracht. De moeder antwoordde dat Jan Verhertbruggen, de armenmeester van Asse, haar had verwittigd dat ze niets meer van de armendis zou krijgen als ze bleef volhouden dat Jan de vader was.

– Marie De Blanc kwam nog eens met een gewijzigde verklaring. Nu beweerde ze dat Joanna in de schuur tussen haar en Petronella De Valck sliep en dat de boer nooit in de schuur was geweest.

– Jan Temmerman, de smid uit Asse-Terheide, zag Joanna eens haar woning verlaten met een zekere Joseph. Hij vroeg haar moeder of zij met die Joseph zou trouwen en kreeg als antwoord dat ze met die deugniet niet kon trouwen want zij konden het kind niet onderhouden. Later stelde hij dezelfde vraag aan Joanna en die zei ‘wat soude ick met dien deugniet doen, ick sal wel eenen rijke persoon vinden om als vader te declareren’.

– Digna De Bailliu herinnerde zich nog dat in juni Peternelle, de zus van Joanna, haar kwam vragen om direct mee te gaan naar het huis van haar moeder om Joanna bij te staan tijdens haar bevalling. Daar er geen vroedvrouw was, hielp ze Joanna tot Joanna Van den Houte binnen kwam. Zij eiste van Joanna dat ze zou zeggen wie de echte vader was, anders zou ze haar niet hepen. Joanna zei, en iedereen kon het horen, dat Joseph van Bijgaarden de vader was en dat Plas haar nooit had aangeraakt.

– Anna De Cort, de vrouw van Engel De Coster, woonde met haar gezin in een deel van de hofstede van Joanna’s moeder. Zij was ook bij de geboorte en hoorde dat Joanna Joseph de vader noemde.

– Aan Engel De Coster vertelde Joanna dat ze met Joseph naar Asse was gegaan om te trouwen, maar uiteindelijk bij de pastoor niet wou binnen gaan omdat die ‘soude gaen kijven’.

20 juni 1729 nieuwe ondervragingen.

Hendrik De Voghel, Peter Verleysen met griffier P. Robijns ondervroegen nog eens Francis Van den Houte, Cornelis De Boeck, Joanna Maria Van Ingelghem, Maria De Blanc, Catharina De Bruijn en Jan Temmermans. Een dag later kwamen Digna De Bailliu, Anna De Cort en Engel De Coster aan de beurt, maar er kwamen geen nieuwe feiten aan het licht.

28 september 1730: het verzoek van Jan Verhertbruggen.

Jan verhertbruggen, een pachter van Asse, verzocht Carel Rogiers en Peter Ledegen om het kind van Joanna aan Jan Plas toe te wijzen. Zij weigerden tenzij de hoofddrossaard hen daartoe het bevel zou geven.

Aldus gedaen ende wettelijck verhoord desen 21ste juni 1729 present Joannes Van Den Bossche, Henricus De Voghel ende Peeter Verlijsen schepenen.

17 maart 1731: het oordeel van de hoofdrossaard.

De hoofdrossaard was van mening dat er bij delicten nooit duidelijker informatie was ingewonnen dan in dit proces. Het bewijs leverde de vroedvrouw die onder eed vernam dat het kind van Jan Plas was. Dat was in aanwezigheid van Francis Van den Houte en Gerard De Valck. Zij hebben dat bevestigd. Die getuigenissen werden versterkt door de bedreigingen van Jan Plas. Petronella De Valck en Maria De Blanc getuigden dat Jan Plas een half uur bij Joanna was gaan liggen. Jan Plas zelf zei dat hij in de schuur was geweest. Petronella De Valck en Marie De Blanc ontkenden later dat Jan Plas bij Joanna was gaan liggen ook al ze hadden in hun eerste getuigenis, onder eed afgelegd, het tegenovergestelde beweerd. Maar ze zaaiden twijfel: waren hun verklaringen geloofwaardig? Ook de eed van Joanna is geene genoghsaeme preuve’ gezien de tegenstrijdige verklaringen die ze herhaalde malen aflegde. Ook al was het delict een criminele zaak onderworpen aan zware straffen, de hoofddrossaard zag zich verplicht Jan Plas te dechargeren van alle calumnie. Jan Plas, ging dus vrijuit.

Waar was de vader van Joanna?

De moeder van Joanna werd herhaaldelijk een weduwe genoemd. Toch was het niet zeker dat haar man dood was. Peter De Smedt, zoon van Cornelis, was afkomstig van Teralfene en woonde in Asse-Terheide. Op 3 september 1706 werd hij veroordeeld wegens diefstal van drie koeien die hij op de markt te Brussel had verkocht. Hij werd gesnapt en zwaar gestraft door de leenmannen van de burcht en het kasteel van Liedekerke en substituut Paschier De Brauwer: geseling met scherpe roeden tot bloedens, brandmerking en verbanning uit Vlaanderen voor 15 jaar.

1733. Een milieudelict.

In de zomer van 1733 loosde Jan Plas het vuile water van 6 vlasputten in de Arckeijebeke (Okaaibeek?) met als gevolg dat enkele dieren van de abdij, die van het water van de beek hadden gedronken, ziek werden en een ervan stierf. Ook alle vissen van de beek tot aan de Dender waren dood. Op verzoek van drossaard Joannes Emmanuel Loovens onderzocht Jacobus Van der Elst de zaak. Voor de abdij, als benadeelde partij, stelden schepen Jacobus Meert en meier Martinus Linthout ook een onderzoek in. Het gevolg was dat de drossaard bij de schepenbank een klacht neerlegde tegen Jan Plas. De schepenen Peter Van de Putte, Carel Rogiers oordeelden dat zo’n daad niet gepermitteerd was en ‘noch en mach getolereerd worden ter oorsaecke het voorschreven rioolwater veroorsaeckt sieckten aen het vee ende teenemael vernietight ende ruineert de visscherije’. Zij verzochten de hoofdofficieren om Jan Plas een boete op te leggen.

1735. Een lening niet terugbetaald.

De erfgenamen van advocaat en jonkheer[8] Olivier Franciscus Limnander eisten van Jan Plas 231 gulden 14 stuivers 1 oord. Was dat voor achterstallige pacht of ging het om de afkorting van een lening, dat is niet duidelijk. Jan werd op 19 april 1735 door officier Gommaert Verloes voor de schepenen gedaagd door hun advocaat Egidius Crick. Advocaat Van Mulders verdedigde Plas met het argument dat het bedrag te hoog was daar zijn cliënt eerder al bedragen had overgemaakt. Crick eiste dat de tegenpartij de bewijzen van eerdere betalingen zou voorleggen. Op 4 mei 1735  toonde Van Mulders bewijzen van vroegere betalingen:

– Hij heeft kwitanties voor 147 gulden 10 stuivers. tot 16 november 1729.

– Een kwitantie voor vertier van 23 gulden van posthouder Jacobus Stombaije van Asse en van Jacobus Roselet van Hekelgem. 

– Een getuigenis van Jan Baptist Stoels dat hij 6 ponden betaalde.

– Een bewijs dat hij in Het Bourgondisch Kruis 30 gulden betaalde.

Het antwoord van Crick volgde op17 mei. Hij vond de kwitanties niet aannemelijk. De advocaten bleven elkaar verwijten toesturen tot de schepenen, na advies, ingewonnen bij de rechtsgeleerden van de ‘Souverynen Raede’ van Brabant, eisten dat beide partijen op 23 augustus 1735 zouden verschijnen ten huize van advocaat Goijvaerts te Brussel. Op 29 november 1735 volgde een uitspraak ten nadele van Jan Plas. Hij moest het geëiste bedrag betalen. Hendrik De Voghel, Gillis Meert en Peter Verleysen ondertekenden de uitspraak.

Acte van taxaet van costen voor de erfgenaemen van wijlen joncker Olivier Franciscus Limnander in sijn leven advocaet etta tegen Jan Plas sone Adriaens ende innegesetene van Hekelghem gedaeghde.

28 februari 1736. Proces tegen Jan Van den Houte.

Op 9 september 1733 gingen Jan Van den Houte en zijn vrouw Barbara De Nil een lening aan van 50 gulden met een rente van 2 gulden 10 stuivers bij Jan Plas. Notaris J. De Maré stelde de akte op. Het echtpaar beloofde de lening binnen de drie jaar terug te betalen. Dat gebeurde niet en Jan Plas diende bij de schepenbank van Asse een klacht in om de achterstallige rente te bekomen. De schepenen Peeter Verleijsen en Philippus Van Humbeke veroordeelden het echtpaar tot betaling van vier gulden 14 stuivers.

Besluit.

Van 1723 tot 1736 was Jan Plas betrokken bij zes processen: tweemaal als aanlegger en viermaal als gedaagde. Viermaal ging het over geldkwesties, één proces was het gevolg van een milieudelict en een ander was een bijzonder geval. Jan ontkende, ook al wees alles in zijn richting, dat hij de vader was  van een van zijn hoppluksters. Hij deinsde er niet voor terug zijn macht en aanzien als grote boer te gebruiken om getuigen een andere verklaring te laten afleggen.


[1] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 629.

[2] Bron: De familiegeschiedenis van Myriam Van Crombrugge (onuitgegeven).

[3]R. DE SCHRIJVER, Geschiedenis van het Hof ten Blakmeers, in: Jaarboek Belledaal, 2004, 29.

[4] Dit artikel is een bewerking van Edmond Schoon en B. Vermoesen, ‘Was Jan Plas de vader van het kind van Joanna De Smedt’ verschenen in Eigen Schoon en De Brabander, jg. 107 nr. 4, (2024) 470-478.

[5] Anna De Cort trouwde op zaterdag 30 oktober 1717 in Essene met Ingel De Coster.

[6] Hendrik De Voghel was de zoon van Andreas en Maria Van den Meerssche. Hij werd gedoopt op woensdag 17 januari 1685 in Asse en overleed op vrijdag 1 juni 1742 in Asse. Hij trouwde op dinsdag 24 juni 1710 in Meldert met Anna De Clerck, in Meldert gedoopt in 1688 en overleden op woensdag 15 oktober 1738 in Asse

[7] Govaert Van Brempt, gedoopt ca 1673 overleed op vrijdag 23 oktober 1744 in Meldert. Hij trouwde op zaterdag 1 december 1696 te Asse met Catharina De Bruyn, gedoopt ca 1674 en overleden op zondag 17 oktober 1756 in Meldert.

[8] Een jonkheer (afgekort als jhr.) is het adellijke predicaat voor de laagste rang binnen de Nederlandse en Belgische adel. Het wordt gevoerd door leden van een adellijke familie die geen hogere adellijke titel (zoals baron of graaf) bezitten. De vrouwelijke vorm is jonkvrouw. Wikipedia.

Plaats een reactie