Met de aanstelling van Franchoys Lemmens tot bosmeester van de bossen in het Affligemse gebied traden vijf generaties aan die allen welstellende familieleden waren. De bosmeester bekleedde een invloedrijke functie in de abdij. Hij was belast met het beheer van de uitgestrekte abdijbossen en met het toezicht op een achttal boswachters in uniform. De bosmeester was ook de jager van de abdij en hij had de zorg voor de jachthonden. Hoewel we over hun werk als bosmeester niets vernemen, leren we hen via diverse bronnen kennen als de notabelen van Hekelgem en Meldert en dat niet in het minst door hun huwelijken met leden van de eveneens vooraanstaande familie Robijns.
I- Franchoys Lemmens
Franchoys was afkomstig van Balen en was getrouwd met Jacquemijne Broeckx van Sint-Oedenrode.[1] Hij overleed te Meldert op 9 september 1637en zijn vrouw stierf te Meldert op 21 april 1617. Zij werden in de kerk begraven. Franchoys was een zoon van Godevaart van Balen. In het gezin waren er vijf kinderen:
1.Franchoys
2. Anna, getrouwd met Andries Wouters
3.Jacqemijne, getrouwd met Andries Wouters
4. N.
5.Cornelis, getrouwd met Catharina Van Vaerenbergh, overleden te Hekelgem op 15 december 1626
Dom Wilfried veronderstelde dat Franchoys emigreerde nadat Staatse troepen zijn dorp Balen in brand staken. Hij trad in dienst van Johannes Hauchin die deken was van het kapittel van Sint-Michiel te Brussel en in 1683 aartsbisschop van Mechelen en abt van Affligem werd. Toen de monniken van 1582 tot 1585, na de verwoesting van hun abdij in 1580, te Bergen verbleven, zond aartsbisschop Hauchin hem meer dan eens met het nodige geld. Wegens de onveilige wegen verkleedde hij zich als boer en verborg het geld in de holte van een riek.
In 1585 werd Lemmens bosmeester. Hij vestigde zich in de ruïnes van de abdij, huurde vijvers en akkers in de buurt en sloot op 17 juli 1586 een overeenkomst met het aartsbisdom over de grond binnen de abdijmuren die hij veranderde in akkers. De kerk gebruikte hij als stal en dat tot ergernis van de monniken. De altaren had hij omgevormd tot kribben. Franchoys ging er blijkbaar van uit dat de monniken niet naar de abdij zouden terugkeren en bouwde een huis achter de oostvleugel. Hij had enkele familieleden in huis gehaald: zijn schoonzus Heyken Broeckx en zijn nichten Herricken Broeckx, Lijsken Lemmens en Lijsken Wouters. Na de terugkeer van de monniken op 25 november 1605 vertrok hij naar een hofstede in de Broekstraat op Doment te Hekelgem.
Na een ziekte liet hij in 1601 samen met zijn vrouw hun testament opstellen bij notaris Philippus van Asbroeck te Brussel. Zij vroegen ‘tamelycke’ uitvaarten, gelezen dertigsten en gezongen jaargetijden. De langstlevende erfde 1/3 van alle goederen en kon er naar eigen goeddunken over beschikken en van de overige goederen had hij het vruchtgebruik. Na de dood van beiden moesten hun goederen in drie gelijke delen verdeeld worden: een deel voor zijn broers en zussen en hun kinderen, een deel voor de broer en twee zussen van Jacquemijne en een deel voor de stichting van twee studiebeurzen aan de universiteit te Leuven met voorrang voor de armsten en bekwaamsten.
Na een nieuwe ziekte in 1613 wijzigde hij het testament. Een aantal andere familieleden deelden in de erfenis en de kerk van Meldert ontving een erfelijke kwijtbare rente van 4 gulden bezet op het huis ‘Den Christiaen’, gelegen in de ‘Priesterije’ bestemd voor een eeuwigdurende jaargetijde. F. Lemmens genoot ook het vertrouwen van aartsbisschop Hovius die Hauchin in 1595 had opgevolgd. Zo adviseerde hij in 1619 de aartsbisschop over maatregelen tegen Jan Coucke, de ontvanger van Aalst, wegens zijn slecht beheer. In 1620 liet hij H. Calenus, de deken van Asse, de voorwaarden noteren voor een nieuwe stichting van een studiebeurs voor een bedrag van 100 gulden. Nog hetzelfde jaar ging hij op rust en liet zijn functie over aan zijn neef Jan Wouters.
Franchoys en zijn vrouw Jacqemijne boerden goed en konden geleidelijk hun bezittingen uitbreiden.
1) 20 januari.1585 Aankoop van een hofstede van 5 dagwand te Bleregem.
2) 12 januari 1600. Aankoop van 1 dagwand aan de Kempinne te Meldert.
3) 14 mei 1601. Een lening aan Joos De Coninck met een rente van rente van 12 carolusgulden.
4) 18 maart 1602. Aankoop van 1 dagwand land op de ‘Cammencoutere’ te Meldert.
5) 1 april 1603. Aankoop 75 roeden bos op de Cleerhaege’.
6) 14 juli 1603. Een lening met een rente van drie carolusgulden aan Godefridus Gestelius..
7) 17 juli 1606. Aankoop van ‘Den Suerenmeersch’ te Meldert, groot 2 dagwand.
8) 26 januari 1609. Een lening met een rente van 9 gulden aan Thomas Fourmenoot en Catharina Van Den Wijngaerde.
9) 12 januari 1610. Een lening met een rente van 6 gulden aan Ghijsbrecht Brisens.
F. Lemmens was een man van aanzien die zich gesteund voelde door de aartsbisschop, maar zijn relatie met de monniken, waarvan hij dacht dat ze niet meer naar het oude domein zouden terugkeren, verliep minder goed.
II- Joos Wouters.
De oudste Wouters, Joos was een neef van Franchoys Lemmens.[2] Hij was een zoon van zijn zus Anna, getrouwd met Andries Wouters uit Wieze. Het echtpaar boerde in 1618 te Bleregem maar was in 1630 gevestigd op het Sint-Huibrechtshof aan de Domentstraat te Meldert.[3]. Andries en Anna hadden vier kinderen:
1.Godfried, geboren te Balen in 1584 en te Brussel overleden op 26 april 1635. In 1614 werd hij pastoor te Hekelgem. In 1621 legde hij in de abdij zijn geloften af. Hij stierf aan een besmettelijke ziekte.
2.Nicolaus die van Lemmens een onbehuisde hofstede naast de Nedermolenvijver en een dagwand land op de Molenkouter erfde.
3.Machiel die de Boekhoutmolen te Hekelgem huurde.
4. Joos (Judocus)[4]
Dom Wilfried Verleyen schrijft in zijn monografie over Meldert dat Andries ook bosmeester was. Dat is in tegenspraak met zijn artikel over Franchoys Lemmens waarin hij Joos aanduidt als de opvolger van Franchoys.
Joos Wouters was landmeter en meester-timmerman te Meldert. Hij trouwde met Anna Robijns, dochter uit het tweede huwelijk van Arnold (Aert) met Elisabeth Van de Voorde. Hij was pachter op het Hof te Koudenberg te Hekelgem tot 1575 en daarna op een hof te Meldert.
Hij was lid van het laathof[5] van de abdij en kerk- en armenmeester te Meldert[6]. Na het overlijden van zijn vrouw hertrouwde Joos met Anna Van Mulders. Joos had geen kinderen.
Aartsbisschop Jacobus Boonen belastte hem met de restauratie van de abdijkerk. Na de verwoesting van de abdij in 1580 lag de kerk in puin. Alleen de noordelijke kruisbeuk en de aanpalende zijbeuk was nog overwelfd en sinds de terugkeer van de monniken in 1605 werd daar de mis opgedragen. Er lag heel wat hout uit de abdijbossen in Waals-Brabant op de meester-timmerman te wachten. Zijn opdracht was niet eenvoudig: metselwerk herstellen gewelven aanbrengen, opnieuw vloeren, bepleisteren en witten van de muren waarvoor hij zelf de Doornikse kalk moest leveren en de twee torens van de voorgevel verhogen. Hij moest de daken bedekken met leien, zorgen voor het nodige lood en ijzer, voor de kruisen op de torens en voor de vensters en de deuren. Daarvoor ontving hij van de monniken 20.000 fl. De
abdij zorgde voor de stenen, oude van de ruïnes en nieuwe uit de steengroeven die hij zelf moest zagen. Op 1 september diende alles klaar te zijn.
Restaureren betekende ook voor Joos op onbekende problemen stuiten. Al na enkele maanden vroeg hij een toeslag van 230 fl. voor de westgevel tussen de twee torens had hij 60 fl. extra nodig, voor het kleine torentje op de vliering 120, voor vergulde appels op het torentje, het koor en het stenen kruis met voetstuk op de zuidgevel 50 fl. Joos vroeg later nogmaals een toeslag voor bijkomend metselwerk, het afbreken van de schoorbogen en het dekken van de steunberen. Het werk schoot goed op dank zij de vele werklieden uit Meldert en Hekelgem en al op 20 augustus 1625 kon de aartsbisschop de kerk wijden.[7]

De abdijkerk na de restauratie door Joos Wouters. Maquette in het Abdijmuseum, gemaakt door Philemon De Witte in 1914 naar de gravure van Vorsterman uit Chronographia sacra Brabantiae van Sanderus
Op 11 april 1631 verscheen Joos met zijn vrouw Anna Robijns bij notaris Arnoult Adriani voor het verlijden van een akte.[8] Omwille van de aankoop van hout bij bosmeester Jan Wouters moest hij als gevolg van de contracten met de aartsbisschop van 11 april 1628, 7 augustus 1630 en 15 februari 1631 als onderpand geven:
- Een hofstede met zijn woonhuis en andere edificiën, groot omtrent 5 dagwanden grenzend aan de goeden van de erfgenamen van wijlen Joos Van Den Houte, de goeden van de erfgenamen van Joos Buggenhout en de straat.
- Een hofstede, groot 3 dagwanden gelegen in Meldert, met twee zijden tegen de straat en tegen de goeden van Henrick Van Onchem.
- Een hofstede, groot 2 ½ dagwanden, palend aan de goeden van Franchois Lemmens, het goed van het Godshuis van Affligem genoemd De Kempinne, het goed van Aert Vinck en de straat.
- Een weide, groot vijf dagwanden achter Den Neermolen, palend aan de Molenbeek, de straat, de beek van de molen en de goederen van Joos Van Neervelt.
Joos Wouters betaalde niet.
Joos liet bij de schilder Jan Van Benthem in opdracht van de abdij drie koppen vergulden en zwart stofferen voor 5 gulden en nog eens 2 koppen met dezelfde opdracht voor zijn woonhuis binnen het klooster van Affligem voor 3 gulden. Maar Wouters betaalde de rekening niet, ook niet na het vele en ‘menichvuldige minnelijck debvoiren’ van de schilder. Hij was zelfs naar Aalst en naar het huis van de schilder gegaan om aan zijn geld te geraken. Dus bleef er voor Van Benthem niets anders over dan ‘inne te trecken den wech van rechte’ en de schepenen van Asse te vragen Wouters te verplichten de geëiste 8 gulden te betalen.
In 1644 maakte hij samen met zijn halfbroer Jan, bosmeester van Affligem, nog plannen voor een reeks verbouwingen van de abdij. De hiervoor vermelde opdracht aan schilder Jan Van Benthem had zeker te maken met zijn opdracht als restaurateur van de abdij. Het woonhuis binnen het klooster was de woning die zijn oom Franchois had laten bouwen achter de oostvleugel van de abdij toen de monniken nog in het Keizershof in Mechelen verbleven. Na hun terugkeer in 1605 gebruikten ze dat huis als refter en keuken en nadien nog als infirmerie. In 1637 werd het afgebroken. De vraag is dus: woonde Joos ook in dat huis tot 1605 of gaat het om het huis binnen het klooster.
Blijkbaar was men tevreden met zijn werk want in 1644 kreeg hij nieuwe opdrachten: de gang van de slaapzaal bepleisteren, een groot venster aanbrengen in de noordgevel van de slaapzaal, de ‘wermkamer’ ombouwen tot een appartement voor de proost, een galerij bouwen om van de slaapzaal naar de bibliotheek en de latrines te gaan, van de proostkamer drie cellen maken en 12 cellen boven de oude refter inrichten.
Moeilijkheden te Dendermonde[9].
Als 55-jarige aanvaardde Joos de opdracht van de aartsbisschop Jacobus Boonen, vertegenwoordigd door Jan Coucker, ontvanger van de abdij en met als getuige Jan Wouters, om in Dendermonde te ‘macken sekere huijsingen in den hoff van Affligem gelegen bij den corenaet.[10] Op 19 september 1635 bezochten Jan Van der Straeten, in naam van de aartsbisschop, en de burgemeester van Dendermonde met Joos de werf. Ze wilden aan het oorspronkelijk plan enkele veranderingen aanbrengen. De grote schuur zou omgebouwd worden tot drie huizen waarvan er een (waarschijnlijk) was bestemd voor de burgemeester. Joos moest daarvan twee maquettes maken, een voor de aartsbisschop en een voor burgemeester Boeckhoute. Enkele dagen later ontbood Jan Van der Straeten landmeter Joos Wouters in de refuge van de abdij in Aalst en dicteerde aan Coucker een nieuw contract. Bosmeester Jan Wouters was daarbij aanwezig. Joos liet nog enige correcties aanbrengen. Ontvanger Coucker kreeg de opdracht om van het contract een netversie te schrijven. Daar Van der Straeten haastig was, wachtte hij niet tot de tekst klaar was en vertrok zonder het document te ondertekenen. Voor Joos was het duidelijk dat hij die laatste veranderingen moest uitvoeren. Maar hij werd bij de aartsbisschop te Brussel ontboden omdat de ontvanger problemen had met zijn rekeningen van de werken. Jan Van der Straeten wachtte hem daarop en zei: “Gij moet sien wat ghij hier seght. Den ontfanger Coucke meijnt mij dit al alleen op den hals te duwen seggende dat ick de veranderingen van het werck van Dendermonde hebbe doen doen”. Joos antwoordde hem dat hij de opdracht voor de veranderingen had gegeven. De aartsbisschop kreeg Joos evenwel niet te zien, maar hij legde een getuigenis af in de abdij ten overstaan van de (onleesbaar, licentiaat in de rechten), de pensionaris van Aalst en meester-schrijnwerker Jan De San.
In 1620 ging Joos Wouters op rust en liet zijn functie over aan zijn neef Jan Wouters. Hij was een invloedrijk man die als ondernemer veel mensen aan werk had geholpen.


Op heden desen XIX° dach der maent van september XVI° vijffendertich soo is gecompareert voor mij openbaer notaris in presentie van de getuijgen hieronder genoempt den eersaemen meester Joos Wouters landmeter ende timmerman van sijnen stiele inwoonder van de prochie van Meldert oud omtrent vijffvenveertich jaeren den welcken ter instantie van d’heer Jan Coucker ontfanger des Goidtshuijs van Affligem ende meester Jan Wouters bosmeester van ’t selve Goidtshuijs heeft geattesteerd ende vercleert onder olempnelen eed in handen mijns notaris gedaen waerachtich te wesen als dat hij den attestant metten hoochweerdichsten heere aertsbisschop van Mechelen heeft aengegaen…
III- Jan Wouters.
Jan was de zoon van Jacquemijne, de tweede zus van Franchoys Lemmens. Zij was getrouwd met Andries Wouters. en woonde te Meldert. Jan overleed op dinsdag t8 oktober 1664 en werd te Meldert begraven op woensdag 29 oktober 1664. Hij was getrouwd met Anna De Mulder. Jacquemijne en Andries hadden twee kinderen:
1. Jan wouters, zie verder.
2. Lijsken (Elisabeth), trouwde met Merten Robijns, zoon van Arnoud, gedoopt te Hekelgem ca 1580 en overleden te Meldert op 24 september 1659.Hij was schepen van Affligem en van het Land van Asse, kerk- en armenmeester te Hekelgem, pachter en brouwer op het Sint-Huibrechtshof te Doment. Zij haddeen acht kinderen. Zij kreeg een behuisde hofstede van ca een ½ bunder en nog een ½ bunder grond op de Rammelaer aan Nievel te Meldert.
Op 12 december 1641 lieten Jan Wouters en Anna De Mulder door notaris Franchois Wambacq hun testament opstellen [11] Meester Joannes Van Nuffel, stadhouder en bosmeester van Affligem, was hun enige erfgenaam. Zij schonken een som van 1000 gulden voor meerdere doeleinden:
1) Voor de huisarmen van Meldert om jaarlijks en voor eeuwig een jaargetijde laten celebreren voor de zielen van wijlen Franchois Lemmens en juffrouw Jacquemijne Broucx.
2) Voor een gezongen jaargetijde voor elk van de erflaters met na de dienst aan hun graf de lezing van de missere met deus en de profundis. Voor elk jaargetijde moesten ten eeuwigen dage vier gulden worden betaald waarvan 30 stuivers voor de pastoor, 15 voor de koster en 35 stuivers voor de kerk. Samen voor de twee jaargetijden 8 gulden.
3) Aan de arme scholieren van Meldert moet jaarlijks 15 gulden worden gegeven. De schoolmeester zal daartoe aan de pastoor en de armenmeester een lijst van de arme kinderen geven die wegens de armoede niet naar school kunnen gaan. Zij ontvangen dan hetzelfde bedrag dat de schoolmeester van de andere kinderen krijgt.
4) Aan de huisarmen van Meldert zal jaarlijks omtrent de kermis, op Goede Vrijdag en op de dag van de jaargetijden van de fondateurs, telkens voor 12 gulden aan brood uitgedeeld worden.
5) Drie gulden 10 stuivers zijn voor de pastoor en de armenmeesters voor hun moeite bij het distribueren van vermelde bedragen.
6) Daarenboven gaven zij nog 13 gulden tot vermeerdering van het inkomen voor de zaterdagse mis, die pastoor Holenjoul, in 1513 had gesticht.[12]

28 oct obiit alosti magister silvarum joes Wouters et 29 hic sepultus.
28 oktober (1664 te Meldert) is overleden de Aalsterse bosmeester Joannes Wouters en de 29ste hier begraven.
In 1649 liet hij verbouwingswerken aan de infirmerie van de abdij uitvoeren.
Een welstellend man.
1) Op 24 januari 1651 stond Jan een erfelijke rente toe van 12 rijnsgulden 10 stuivers aan Merten Van Nieuwenhuize en Anna Crick. Als pand gaven zij ½ bunder land.
2) Op 2 oktober 1656 schenking van 1 000 gulden aan Franchois Robijns, pastoor van Meldert en Gillis Brem en Joos Robijns, kerkmeesters. De schenking was het gevolg van het testament dat Jan en zijn vrouw Anna De Mulder door notaris Franchois Wambacq lieten opmaken op 12 december 1647 met als voorwaarden:
1. Dat er voor eeuwig in de kerk van Meldert een wekelijkse mis op dinsdag wordt opgedragen ter ere van de H. Anna aan het altaar van de H. Anna. Daarvoor zal uit het kapitaal 21 gulden gelicht worden waarvan 20 stuivers voor de bedienaar.
2. Tweewekelijks op zaterdag en dat voor eeuwig zal de pastoor de mis zingen aan het altaar van O.-L.-Vrouw. Daarvoor zullen 13 gulden worden betaald.
3.16 gulden zijn bestemd voor het onderhoud van de lampen.
4. De pastoor mocht 200 gulden gebruiken voor noodzakelijke kerkornamenten zoals een monstrans, een ciborie of ander sieraad voor de kerk.
5. Als er een besmettelijke ziekte zou uitbreken dat moet het geld op de eerste plaats gaan naar de allerarmsten.
6. Indien hun wil niet strikt wordt uitgevoerd dan zal Jan Van Nuffel of zijn erfgenamen zelf over het geld kunnen beschikken om het naar zijn of hun wil te besteden.
7. Een rente van 9 gulden zal door pastoor Joannes De Vos, armenmeester Nicolaes Robijns en rentmeester Jan Van Igem aan de weduwe en kinderen van Jan De Mol geschonken worden.
8. Een rente van 6 gulden ten laste van Gillis Van Nijversele, een rente van 18 gulden 15 stuivers ten laste van Jan Vermoesen, nog een rente van 18 gulden 15 stuivers ten laste van Joos De Wolf en een obligatie van 3 gulden ten laste van Cornelis Jeers (?) alles ten voordele van de armen.
9. Anna Wouters, begijn te Mechelen, kreeg een rente van 25 gulden.
De donateurs wilden dat hun instructies stipt werden opgevolgd. Als dat niet gebeurde, konden hun erfgenamen het betreffende bedrag zelf naar eigen keuze kunnen besteden.
De Kluiskapel.
In 1644 of 1645 had Jan Wouters op vraag van aartsbisschop Jacobus Boonen en van kluismeester.[13] Franciscus Laureijs[14] uit het bos Het Setsel 1 dagwand land afgepaald en beplant met grauw abeel tot profijt van de kapel. Tegelijk beplantte hij ook de grond rondom de kapel binnen de hagen, het ‘Cluijsenhof’ genoemd, met abelen. Op 26 januari 1660 stelde notaris Jan Van Nuffel daarover een akte op die werd ondertekend door Jan Wouters, Jacobus Van Paffenrode en Peeter Scherlinck[15].
Op 7 januari 1667 verscheen Jan Van Nuffel voor de meier Michiel Wambacq en de schepenen Jan Van Langenhove, meester Charles Van Gete, Adriaen Van Nuffel en meester Andries De Wever van de Affligemse schepenbank. Hij was de enige erfgenaam van meester Jan Wouters en Anna De Mulder volgens hun testament verleden door notaris Franchois Wambacq op 12 december 1641.[16] Het betrof de schenking van 1000 gulden voor de huisarmen van Meldert
Het kapitaal was samengesteld uit:
- Een rente van 9 gulden 7 stuivers ten laste van de weduwe en kinderen Jan De Mol.
- Een rente van 6 rijnsggulden 5 stuivers ten laste van Gillis Van Nijversele, verkregen van Lauwereijs Robijns en zijn vrouw volgens de constitutie van de schepenen van Asse van 25 april 1656.
- Een rente van 18 gulden 15 stuivers ten laste van Jan Vermoesen
- Een rente van 18 gulden 15 stuivers ten laste van Joos De Wolff
- Een personele obligatie van 3 rijnsgulden ten laste van Cornelis Jeers voor een hofstede van 15 roeden.
Jan Wouters bleef bosmeester tot 1653 toen zijn neef Jan Van Nuffel hem opvolgde.
IV- Andries Van Nuffel[17].
Jacquemijne Robijns, gedoopt te Meldert was een dochter van Merten en Elisabeth Wouters. Merten was schepen van Affligem en van het Land van Asse, kerk- en armenmeester te Hekelgem. Volgens een citaat uit 1618 woonde hij op het Bleregemblok en in 1630 was hij pachter en brouwer op het Sint-Huibrechtshof te Doment. Merten was ook medestichter van de Confrerie van de H. Rozenkrans te Hekelgem in 1634. Hij overleed te Meldert op 21 september 1659. Jacquemijne trouwde in de St.-Kathelijnekerk te Brussel op 31 oktober 1625 met Andries Van Nuffel uit Wieze, zoon van .Joos, gedoopt te Wieze ca 1600. Andries werd rentmeester van de abdij en schepen van de bank van Affligem in 1667.
Zij hadden acht kinderen:
1.Jacqueline, werd gedoopt te Meldert ca 1605 en is er overleden ca 1677. Zij trouwde te Brussel in de St.-Kathelijnekerk op 31 oktober 1625 met Andries Van Nuffel, rent- en bosmeester van de abdij, schepen van de bank van Affligem in 1667. Andries overleed in 1677. Het echtpaar woonde in Hekelgem en had vier kinderen:
a.Frans, werd benedictijn te Affligem
b.Joannes, zie verder.V Jan Van Nuffel
c. Martinius, werd prior van St.-Bernard aan de Schelde.
d.Joos, gedoopt te Hekelgem op 18 november 1675, gehuwd met Cathelijne Robijns.
2.Jan, gedoopt ca 1608, overleden te Meldert op 21 februari 1631 als vrijgezel.
3.Arnout, gedoopt in 1619, pachter te Hekelgem
4. Michiel, gedoopt te Hekelgem in 1621, superior der Oratorianen, pastoor te Kevelaar
5.Nicolaes, gedoopt te Hekelgem in 1623, te Meldert overleden op 30 oktober 1677 en begraven in de kerk.
6.Merten, gedoopt te Hekelgem in 1626, pachter op het St.-Huibrechtshof, overleden op 31 december 1679
7. Pauwel, gedoopt te Hekelgem ca 1628, pachter te Meldert, overleden te Meldert 3 februari 1671 getrouwd te Essene op 21 november 1640 met Adrienne Breynaert,
8.Franchoys, gedoopt te Meldert ca 1629, pastoor te Meldert en er overleden op 29 juni 1665.
Wanneer Andries bosmeester werd is niet duidelijk. Dom Wilfried Verleyen noteerde dat Jan bosmeester was in 1653-1656 en 1662-1667. Beda Regaus vermeldde hem niet als bosmeester.[18] Hij was poorter van het Land van Asse[19].
Adriaen weigerde zijn wijnvoorraad te tonen.
Adriaen kwam in 1656 in opspraak wegens zijn proces met de schepenbank van Asse.[20] Op alle dranken, bier en wijn, er moest er tol worden betaald. Voor wijn gebeurde dat bij de invoer in het hertogdom Brabant. Om het geld te innen stelde de Raad van Brabant een ‘impostpachter’ aan die volgens de ordonnantie van 1601 en 1643 moest optreden. Die was ook bevoegd om niet aangegeven wijnen op te sporen door huiszoekingen te verrichten. In 1656 liep het echter mis toen de impostpachter bij Adriaen Van Nuffel zijn kelder wou controleren. Het kwam tot een bitsig proces.
Charles Van den Driessche was op 12 juni 1656 aangesteld door de Raad van Brabant als pachter van de wijnimpost voor het Land van Asse voor de periode van 1 juni tot 30 november. Op 13 november bood hij zich samen met dorpsofficier Guillam Jacobs van Hekelgem aan bij Adriaen Van Nuffel in zijn huis nabij de abdij. Hij wou zijn kelder doorzoeken op niet aangegeven vaten wijn. Adriaen echter weigerde hem binnen te laten. Het kwam tot een proces en beide partijen zochten steun. Volgens Adriaen moest de controleur vergezeld zijn van twee schepenen of twee poorters als hij een huiszoeking deed bij een poorter. Blijkbaar werd de ordonnantie die dat bepaalde al lang niet meer toegepast en volstond de aanwezigheid van een deurwaarder of officier.

Item soe wie poorter es t’Assche dat niemant en sal op hem tuijghen hij en sij poirter t’Assche, item men en salne ?? panden dan met schepenen ocht ?? poorteren.
Geëxtraheert vuijt de previligiën der vrijheijt van Assche staende geschreven …
Maar volgens alle officieren van de overmeiers van de Vrijheid en het Land van Asse volstond de aanwezigheid van een deurwaarder of dorpsofficier. Zij verwezen naar de instructies van de Staten van Brabant over de impost van wijn en bier van 1601 en van 1643 en dat ze altijd al hebben geweten dat de impostpachter bij het zoeken naar niet aangegeven wijnen vergezeld was van een deurwaarder of officier van de gemeente.
Had Adriaen Van Nuffel gelijk? Volgens de meier en de schepenen van de Vrijheid en Land van Asse had Adriaen het recht aan zijn kant. Zij attesteerden op 9 januari 1657 dat niemand bij een poorter een huiszoeking mag doen tenzij vergezeld van twee schepenen of twee poorters conform de privilegies van Asse. De verklaring was ondertekend door Van Mulders. De schepenen van de abdij Affligem getuigden op 15 januari dat zij nooit gehoord hadden van ordonnanties van de Staten van Brabant over de impost van de wijnen en dat Adriaen Van Nuffel een man van eer is en dat hij nooit ruzie met een impostmeester heeft gehad. Melchior Van Den Driessche, 66 jaar en Guillam De Batselier, 68 jaar ondertekenden de verklaring. Andries De Wever, koster van Hekelgem en Guillam Jacobs spraken zich uit in dezelfde zin op 15 januari en dat in tegenspraak met de eerdere verklaring van de dorpsofficier.
Charles Van den Driessche reageerde via zijn advocaat Slachmulder op 18 januari 1657. Wat de ouderen beweerden, dat de impostmeester met twee schepenen huiszoekingen verrichtte, was onwaar. Het gebeurde altijd met assistentie van een deurwaarder of van een officier. Trouwens met de schepenen als getuige zou er veel misbruik zijn want de schepenen kennen niet alle inwoners van het Land van Asse en sommige dorpen hebben zelfs geen schepen. Sommige schepen zijn zelf wijnverkopers. De impostpachters zouden tot hun grote schade het ontdoken goed niet kunnen opsporen. Vermits hij als impostpachter zijn werk niet kon doen, vroeg hij dat aan Van Nuffel een boete werd opgelegd van 200 gulden carolus zoals voorzien in de plakkaten van 1601 en 1643. Het is de dorpsofficier die binnen het jaar de boete moet innen en zijn advocaat voegde er de volgende kopie aan toe:

Dat de voorschreven penen sullen bij de voorschreven collecteurs off pachters moeten geheijst worden binnen tsiaers voor de raeden auditeurs ende wethouderen respective hier vooren geroert de welcke (sommerlijck gebleken van den intentie des pachters) den beclaeghde sullen condemneren om de voorschreven penen te namptiseren daeraff den officier van der plaetse d’executie sal doen sonder eenich faveur off vertreck op pene dat van de selve penen off boeten te mogen verhaelt worden op de voors. raeden auditeurs, wethouderen off officier des in gebreke respectivelijck zijnde.
Op 29 januari 1657 liet Van Nuffel weten dat Van den Driessche nog altijd niet heeft aangetoond dat hij gemachtigd was om de controle op de wijn te doen zodat hem niets te verwijten viel. Bovendien is hij poorter van het Land van Asse en volgens het privilege van hertog Wenceslaus van 1369 mogen bij de poorters van Asse alleen huiszoekingen worden gedaan in het bijzijn van twee schepenen of poorters van dezelfde Vrijheid van Asse. Dat is zo gebeurd zolang de mensen zich kunnen herinneren. Van het bestaan van plakkaten weet hij naar zijn beste vermogen niets af. Die plakkaten en nog andere zijn immers nooit in het Land van Asse gepubliceerd en zolang dat niet is gebeurd, zijn ze ook niet van kracht. Bijgevolg mocht de impostpachter geen huiszoeking doen als hij geen schepenen of poorters als getuigen had. In Brussel doet de impostpachter zijn controle altijd in het bijzijn van de amman of zijn luitenant en twee schepenen. Van Nuffel liet nog opmerken dat hij geen herberg heeft en geen wijnverkoper of biertapper is en dat hij Van den Driessche alleen de opmerking heeft gemaakt dat hij voor de huiszoeking twee schepenen moest meebrengen. Hij beweerde ook dat hij geen wijn in zijn kelder had. Tenslotte voegde hij eraan toe dat hij een goed, eerlijk en vreedzaam persoon is die nooit met imposteurs, collecteurs of pachters problemen heeft gehad. Als bewijs voegde Adriaen er nog een attest van de gezworen ‘affschrijvere ten comptoire van de wijnen’ van Brussel aan toe.

Den ondergeschreven gesworene affschrijvere ten comptoire van de wijnen deser stadt verclaeren voor de gerechtighe waerheijt mits desen dat soo wanneer eenighe pachters van den accijse der selver wijnen hebbende presumptie van fraude op eenighe borgers ofte ingesetenen der selver stadt hunne huijsen niet en vermogen te visiteren sonder assistentie ofte bijwesen van den heere amptman ofte sijnen lieutenant met twee heeren schepenen gelijck die voors. pachters hun daernaer oock sijn regulerende ende ’t selve die ondergeschreven hebben sien practiserende. Oirconden ettha. Aldus gedaen binnen deser stadt Brussele den negenthiensten januari XVI° sevenenvijftich. De Bonte.
Gillis Van Nijversele, impostmeester van de Staten van Brabant verklaarde op 4 februari 1657 dat de impostmeesters altijd geassisteerd werden door de officier van de parochie zonder schepenen. Jacques Van Cattenberghe, schoolmeester, 41 jaar en gewezen collecteur en substituut van sieur Anthoen Crabbe, pachter en impostmeester van de wijnen voor het Land van Asse zei op dezelfde dag dat hij zelf had meegemaakt dat bij huisbezoeken de impostpachter vergezeld was van de meier of de officier van de gemeente. De overmeier Slants van Asse en meier tot Asse verklaarde op 5 februari 1657 op verzoek van Carel Van den Driessche dat hij met sieur Anthoen Crabbe, toen impostmeester van de wijnen, en met deurwaarder Meermans in herbergen en in de pastorie huiszoekingen deed zonder aanwezigheid van schepenen.
Een antwoord van Adriaen kon na de getuigenissen tegen hem niet wachten. Op 20 april reageerde zijn advocaat met een lang verweerschrift waarin hij alle argumenten van de tegenpartij opsomde en weerlegde. Hij benadrukte dat Van den Driessches stelling dat de plakkaten van 1601 en 1643 in het Land van Asse niet werden bekend gemaakt, niet heeft tegengesproken en bijgevolg bleven de ‘costuijmen’ van toepassing. Het verslag van deurwaarder Meermans toonde aan dat hij niet werd bestraft, alleen gesommeerd op verzoek van Van den Driessche om de 200 gulden te betalen. Adriaen weerlegde dan de verklaringen van de getuigen. Wat de overmeier vertelde, had minder aanzien dan wat een schepen beweerde. De twee andere getuigen zijn zelf collecteur geweest en willen hun eigen daden rechtvaardigen. Trouwens Jacques Van Callenberch had alleen maar herbergiers aan de steenweg van Asse en officier Jacobs had zijn getuigenis gewijzigd op verzoek van de impostpachter en was dus niet meer geloofwaardig. Die beschuldiging vroeg om een antwoord van Guillam Jacobs. Op 18 mei liet hij weten dat hij 58 jaar was en al 25 jaar officier van Hekelgem. Charles Van den Driessche had hem verzocht om zes weken vooraf het kerkgebod.[21] te doen van de controle van de wijnen en op 13 november 1656 boden de impostpachter en hij zich aan bij Adriaen Van Nuffel. Die dag had hij Van Nuffel een boete gegeven volgens de instructies voor de impost van de wijnen omdat Van Nuffel weigerde zijn kelder te openen. Later vernam hij nog dat Van Nuffel wijn bij zijn werklieden had verstopt. Als reactie op Van Nuffel eiste Charles op 25 mei dat hij de ‘eed de calumnia’.zou afleggen[22], wat Adriaen op 12 juni deed in het bijzijn van zijn advocaat Arnoult De Witte, griffier van Kraainem. en dat hij zijn domicilie te Brussel zou vestigen.
De schepenen van Asse dagvaardden Guillam Jacobs om op 28 december 1657 voor hen te verschijnen. Hij herhaalde dat Adriaen Van Nuffel weigerde hem en de impostpachter in de kelder toe te laten. Adriaen wou schepen Aert Robijns gaan halen, maar die was niet thuis. Guillam bevestigde dat Charles niet corrupt was en geen geld van Adriaen had ontvangen, maar ook dat hij de instructies van de Staten van Brabant betreffende de impost van de wijnen van 1601 en 1643 nooit had bekendgemaakt.
Op 26 september 1657 maakte de impostpachter de balans op van alle argumenten van Van Nuffel en zijn tegenargumenten: Als twee schepenen de impostpachter moeten vergezellen dan is de pachter de slaaf van de schepenen omdat in de buitenparochies een schepen moeilijk te vinden is en een fraudeur zal gemakkelijk weten dat de schepen op komst is. Uit de verklaringen van de overmeier, sieur Anthoen Crabbe en van meester Jacques Cattenbergh en van andere personen, blijkt dat zij geen schepenen nodig hadden voor een huiszoeking. De plakkaten van 1601 en 1643 zijn wel degelijk bekengemaakt. De rekeningen van de overmeiers bewijzen dat en ook een brief van de amman van 4 april 1643. Het privilege van hertog houdt niet in dat de pachter schepenen nodig heeft voor een huiszoeking.
Over de laatste verklaring van Guillam Jacobs zegt hij dat Adriaen de officier dronken had gemaakt en hem 2 rijnsgulden en zeven stuivers in een papier gewikkeld in zijn zak had gestoken. Die verklaring was trouwens door zijn zoon geschreven en Guillam had, bevangen door de drank, die getuigenis ondertekend.
De besproken plakkaten zijn wel degelijk in het Land van Asse bekendgemaakt en artikel vier bepaalde dat een pachter of collecteur altijd een huiszoeking mag doen ook in huizen van grote heren. Bij weigering riskeren ze een boete van 200 gulden. De zoon van Adriaen, Joannes, is bosmeester van de abdij en woont nog bij zijn vader. Van hem is gekend dat hij zoveel wijn vertiert als in een herberg en dat hij wijn bij anderen verbergt
In zijn laatste reactie van 16 oktober klaagde Adriaen de beledigingen van zijn zoon aan en beschuldigde hij Charles Van den Driessche ervan met opzet een lang en duur proces te willen voeren. Op zijn verzoek getuigden in december 1657 Michiel Steppe, officier van Essene, de gewezen overmeier Slants en de vorster van Asse dat ze de ordonnanties van de Staten van Brabant van 1601 en 1643 die hen recent zijn getoond nooit eerder hadden gezien.
Besluit.
Hoewel het document onvolledig is, onder meer het vonnis ontbreekt, kunnen we ervan uitgaan dat beide partijen voor een deel gelijk hadden. Het is best mogelijk dat de instructies van de Staten van Brabant niet overal duidelijk gecommuniceerd werden en dat de oude gebruiken in voege bleven. Anderzijds mogen we Adriaen niet onderschatten. Hij was een dorpsnotabele, trouwde met een dochter van een even notabele familie en was rent- en bosmeester van de abdij en schepen van Affligem. Van hem mag je verwachten dat hij goed op de hoogte was van de wetten en geplogenheden. Wou hij misbruik maken van zijn status door de impostpachter te manipuleren en de dorpsofficier om te kopen? Het vonnis had ons dat kunnen vertellen.
V- Jan Van Nuffel[23].
Jan (Joannes) Van Nuffel, was een zoon van Andries en Jacquemijne (Jacqueline) Robijns, gedoopt op vrijdag 18 maart 1633 in Hekelgem en te Meldert overleden op 29 augustus 1686. Hij werd rentmeester en stadhouder van de bossen van Affligem (1633 en 1667) griffier en notaris van Affligem tot 16b6 mogelijks tot 1690, stadhouder en ontvanger van het leenhof (1659-1685) ontvanger van het kwartier Mechelen (1667-1685). Jan trouwde met Ursula Van Aken, dochter van Maximilliaan, procureur. Zij woonden te Meldert op het dorp en hadden vijf kinderen:[24]
1. Anna Thereisia, gedoopt omstreeks 1665, zij huwde met Juan Antonio De Corsi Ursini Y Aviles, gedoopt te Madrid omstreeks 1658. Uit dit huwelijk:-Adriannuel De Salas De Ccorsini De Ursini en -Francisco Corsi
2. Joannes Franciscus, gedoopt op 19oktober 1670
3. Catharina Angelina, gedoopt te Meldert op 7 september 1672.
4. Michiel Joseph, vergezelde in 1694 zijn zus Anna Thersia naar Spanje en kreeg er een zoon Ramoci.
5. Johanna Maria, trouwde met Jacobus De Grave die op 9 april 1686 ontvanger van het kwartier van Mechelen werd door afstand van zijn schoonvader ten voordele van hem. Zij hadden geen kinderen.
In 1667 spanden inwoners van Meldert bij de Raad van Brabant een proces aan tegen hun bedesetters.[25] Bosmeester Jan Van Nuffel, Pauwel Nicolaas, Joos Robijns, Jan Vermatten, Jan Van Iegem, Joos De Clerck, Peter Geerstman, Thomas en Joos Van den Wijngaerde, Joos De Meersman, Ingel De Ridder, Gillis Van Onsem, Gillis Heijman en vele anderen ondertekenden op 9 maart 1667 een verzoek aan Joannes Van Nuffel, kapelaan van Sint-Goriks te Brussel, om voor hen een lening van 400 gulden aan te gaan. Dat bedrag dachten ze nodig te hebben om de proceskosten te kunnen betalen. De lening zou na twee jaar afbetaald worden. Alle ondertekenaars stelden zich garant voor de terugbetaling. Waarover het geschil met de bedesetters ging, weten we niet. Het moest alleszins gaan over lasten die de bedesetters oplegden en die veel Meldertenaren als onterecht beschouwden.

Handtekening Jan Van Nuffel
Op 8 februari 1667 liet Jan Van Nuffel, stadhouder en bosmeester van de abdij, als uitvoerder van het testament van Jan Wouters door de schepenen van de schepenbank van Affligem Nicolaes Robijns, Adriaen Van Nuffel en meester Andries De Wever bij notaris De Bisschop de akte opstellen van een schenking aan de kerk van Hekelgem. Het ging om:
1. 48 gulden bestemd voor twee wekelijkse missen in de kerk, een op donderdag ter ere van het H. Sacrament en een op vrijdag ter eren van het H. Kruis, maar die laatste werd gewijzigd in een schenking van 18 gulden aan de armen van Hekelgem volgens een verklaring van Egidius Lemmens, pastoor van Moorsel en mede-executeur van het testament.
2. Pastoor Martinus Van den Nest van Hekelgem ontving een erfelijke rente van 17 gulden 12 ½ stuivers ten laste van Peeter Van Neervfelt ten behoeve van de armen.
3. Een rente van 6 gulden 10 stuivers ten laste van de weduwe Geerardt De Corte was ook bestemd voor de armen.
4. Een rente van 18 gulden van een belegging van 18 maart 1652 door Wambacq voor de huisarmen van Moorsel waarvoor pastoor Lemmens en armenmeester Peeter De Clercq dienen te zorgen.
De goederen van Van Nuffel[26].
Deze goederen werden het meest verkocht in 1752 en 1755 als gevolg van de amortisatie.[27]
Op 29 oktober 1665 verkocht Jan Van Nuffel als enige erfgenaam van zijn oom Jan Wouters, een hofstede te Meldert voor 2 350 gulden. Het was een boerderij met ‘den huijse, schuere, stallen, hopast ende andere edificiën daerop staende’. De hoeve was de helft van een perceel van 5 dagwand en grensde ten noorden aan de straat, ten oosten aan een weide die deel uitmaakte van het domein en eigendom bleef van Van Nuffel, ten zuiden aan François De Vis en de weduwe Peter Van den Wijngaerde. Op de boerderij rustte een grondcijns van de abdij van 10 schellingen
Op 19 februari 1667verpachtte Jan een huis en andere edificiën, een steenput, een ‘coolhoff’, een boomgaard met fruitbomen en een hopveld aan Adriaen Van Nieuwenbosch. Noataris Michael De Bisschop stelde de akte op met als getuigen sieur Ludovicus Van de Kerckhove en Nicolaes Robijns. Het goed was gelegen te Meldert op het gehucht Nievel en paalde aan de dries, de erfgenamen Jacques Quereman en Peeter De Smet. De pachtsom bedroeg 30 gulden en dat voor een termijn van 9 jaar. Het contract voorzag bijzondere voorwaarden voor het hopveld en de hop. Adriaen moest het hopveld behoorlijk bemesten, de zomer- en winterkuilen aanleggen, de ranken tijdig van staken voorzien en de hopbellen tijdig plukken en drogen. De verhuurder zal jaarlijks de helft van de hopstaken leveren en in ruil komt de helft van de hop aan hem toe. Na opzeg van de pacht zullen de hopstaken worden getaxeerd en zullen de elskanten rondom de hoeve worden gekapt op kosten van huurder en verhuurder en aan elk komt de helft van het hout toe.
Schulden.
Jan liet bij zijn dood op 29 augustus 1686 een tekort in zijn rekeningen na zodat zijn goederen door de abdij werden aangeslagen.[28] Beda Regaus noteerde:
“Dezen rentmeester stervende is te kort gekomen in zijn rekening, waarom zijn goederen aangeslagen zijn, maar den prins de Bergh als erfgenaam van de aartsbisschop heeft zijn helft overgelaten aan Affligem voor een som geld int jaar 1703 ende Affligem is de zelve gegoed geweest voor schepenen van Affligem.[29]

Testament[30].
Op 20 augustus 1686 stelde M. De Bisschop het testament van Jan en Ursula op. Ze schonken aan de huisarmen van Meldert en Hekelgem elk 50 gulden die na de dood van de eerste testamenteur worden uitgedeeld. Als hun kinderen sterven zonder erfgenamen dan zal het derde deel van de resterende goederen en renten aan dezelfde huisarmen, elk voor de helft.
Besluit.
Over het specifieke werk van de bosmeesters vernemen we niets, wel over hun andere activiteiten. Ze waren notabelen die meerdere functies combineerden. Franchoys Lemmens bleef bekend door de stichting van een studiebeurs. Zijn opvolger Joos Wouters door zijn werk als restaurateur van de abdijkerk. Zijn neef Jan Wouters trad in zijn voetsporen. Van Andries Wouters onthouden we dat hij een grote wijnkelder had en dat zijn zoon Jan veel wijn dronk. Ze matigden zich zekere status aan zoals blijkt uit het langdurig proces over de wijnimpost.
[1] De tekst over Franchoys Lemmens is een samenvatting van het artikel van W. Verleyen, ‘De familieclan van Franchoys Lemmens (+1637) Bosmeester van de Abdij Affligem’, Vlaamse Stam, jg. 33, nr. 10 (1997) 441-445.
[2] B. Vermoesen, ‘De studiebeurs Franchoys Lemmens’, De Faluintjes, jg. 24, nr. 4 ( 2011) 455-465; E. Schoon en B. Vermoesen, ‘Het beheer van de studiebeurs Lemmens’, De Faluintjes Jaarboek 7 ( 2024) 347-360.
[3] W. Verleyen, Meldert , Genootschap voor Aalsterse Geschiedenis, (Aalst 1980) 181
[4] W. Verleyen, ‘De familieclan van Franchoys Lemmens (+1637) Bosmeester van de Abdij Affligem’, Vlaamse Stam, jg 33, nr. 10 ( 1997) 441-445.
[5] Een laathof (ook cijnshof of Latijn: curia) was onder het ancien régime een hof van een lagere heerlijkheid georganiseerd volgens het hofstelsel en met eigen rechtbank. Een laathof was tevens de benaming voor deze boerderij: een hof of hoeve van een laat. Het onderscheid tussen laat-, cijns- en leenhoven is niet altijd duidelijk; ze worden door mekaar gebruikt. Wikipedia. De abdij bezat een laathof waar ze belangrijke goederen had dat optrad bij bezitswisselingen en betwistingen.
[6] J. Ockeley, ‘Een oud geslacht uit het Land van Asse: De Familie Robijns’, Vlaamse Stam, jg. 2, (1966) 101-103.
[7] W. Verleyen, ‘De familieclan van Franchoys Lemmens, 441-445.
[8] R. A. Leuven, Inventarissen van het notariaat Vlaams-Brabant. Notaris Adriani Arnoldus (senior), Asse, toegang: 882/45.
[9] R. A. Leuven, . Inventarissen, toegang: 882/45.
[10] De abdij bezat een refuge te Dendermonde.
[11] R.A. Leuven, Notaris Adriani Arnoldus (senior), Asse, Code van de inventaris, 882/45, nr. 8.
[12] De Potter en Broeckaert, Histoire des environs de Bruxelles, Volume 1, 520.
[13] De kluismeester was een monnik van de abdij die instond voor het beheer van de kapel.
[14] Franciscus Laureijs van Brussel trad op 2 juni 1619 in de abdij in. In 1636 was hij broedermeester, in 1645 kluismeester en in 1651 hofmeester. Zijn grafsteen bevindt zich in de abdij van Dendermonde.
[15] B. Regaus, Diretorium Abbatiae Haffligemensis,. kol. 54 en 55
[16] E. Schoon, ‘De stichting van Jan Wouters, ‘De Faluintjes’, jg. 26, (2013) 200-205.
[17] E. Schoon en B. Vermoesen,’ Jan De Witte, Anna Robijns en kinderen, een merkwaardige familie te Meldert’, De Faluintjes, jg. 21 nr. 2, (2008) 195.
[18] W. Verleyen, Dom Vedastus Van Nuffel (1630-1707, Eigen Schoon en De Brabander, jg. 79,(1996)126.
[19]. Wie poorter wou worden, moest poortgeld betalen en een eed afleggen voor de meier en schepenen. Hij/zij was vrijgesteld van tol te Brussel en kon volgens het recht van 1484-1485 enkel door eigen schepenen berecht worden. Volgens de costumen van 1642 konden de poorters alleen voor eigen schepenen gedaagd worden, met uitzondering van enkele civiele zaken die door de schepenen van Brussel werden behandeld. In geschillen konden enkel poorters als getuige optreden tegen poorters. Zij mochten niet op de pijnbank gelegd worden, tenzij in aanwezigheid van vier schepenen.
[20] Dit is een samenvatting van E. Schoon en B. Vermoesen, ‘Hekelgem 1656. Ontdook Adriaen Van Nuffelde belastingen op wijn?
Het volledige artikel verscheen in htps://indeschaduwvanaffligem.video.blog/ en R.A Vorst, Raad van Brabant, Processen particulieren, 2de reeks, toegang I 100 nr. 7627.
[21] Kerkgebod:bekendmaking van een aanstaande gebeurtenis in de kerk of aan het kerkportaal.
[22] “Eed van calumnia” is een juridische term die verwijst naar een eed die werd afgelegd door een aanklager om te bevestigen dat hij te goeder trouw een aanklacht indiende en niet uit kwaadwilligheid of laster. Het is een eed waarbij de aanklager zweert dat hij niet vals beschuldigt en dat hij gelooft dat de beschuldigingen waar zijn. De term “calumnia” zelf betekent “laster” of “valse beschuldiging”. In het Nederlands kan het ook vertaald worden als “eed van smaad.
[23] W. Verleyen, , ‘Dom Vedastus Van Nuffel’Dom Vedastus Van Nuffel, 126
[24] J. Ockeley, ‘Een oud geslacht uit het Land van Asse: De Familie Robijns’, Vlaamse Stam, jg. 2, (1966) 102.
[25] R.A. Leuven, notaris Michael De Bisschop te Asse van 1654 tot 1688.
[26] B. Regaus, Bona et Jura monasterii Hafflighemensis, (kol. 47 en 48)
[27] Het overgaan van een onroerend goed in de dode hand. Een eigendom in dode hand was in de middeleeuwen een domein of een onroerend goed dat niet vererfd kon worden.
[28] W. Verleyen, ‘Dom Vedastus Van Nuffel’ Dom Vedastus Van Nuffel, 126.
[29] B. Regaus, Bona et Jura kol 48.
[30] R.A. Leuven, parochie Hekelgem, toegang 620, nr. 282
