De familie Cornelis te Hekelgem.

De oudste vermelding van een Cornelis in Hekelgem dateert van 1573. Laureys Cornelis werd toen vermeld als pachter van het Hof ter Saele. Het gezinsboek vermeldt een tweede Laureys die getrouwd was met Maria De Doncker[1]. Dat gezinsboek hebben we aangevuld met gegeven van de schepenbank van het Land van Asse en van het archief van Frans Moortgat[2]. Er zijn nog een aantal gezinnen waarvan we door gebrek aan bewijzen de band met de opgespoorde gezinnen niet met zekerheid konden vaststellen. Als we daarover informatie hadden dan volgens die gegevens achteraan.

Het Hof ter Saele kende een lange geschiedenis. Het hoorde bij de burcht van Hekelgem die waarschijnlijk was opgericht door een Frankische hoofdman en die zijn naam aan het dorp gaf. De burcht stond op een motte die in 1862 nog te zien was en dan werd afgevoerd om er de vroegere wallen en de vijver mee op te hogen[3]. Die burcht werd een eerste maal verwoest tijdens de oorlog tussen Vlaanderen en Brabant (1333–1334). Ze werd heropgebouwd, maar verdween definitief tijdens de godsdienstoorlogen op het einde van de 16de eeuw. Wanneer de burcht werd gebouwd, was niet te achterhalen. Verbesselt meent, te oordelen naar de vorm, de structuur en de ligging, dat het een hoog-middeleeuwse burcht was. Gezien de ligging nabij de grens met Vlaanderen en langs een oude verbindingsweg naar de Dender, zou het een belangrijke versterking zijn geweest. Van hieruit kon men de toegang tot Brabant bewaken. De oudste wegen van het dorp Hekelgem lopen alle richting de motte en bakenen grote kouters af. Het geheel verwijst naar een oorspronkelijke eenheid, een domeingoed, van ca 240 bunder, zowat de helft van Hekelgem en dat ouder is dan de abdij die in 1062 werd gesticht. De motte zou zelfs ouder zijn dan de kerk. Dat besluit Verbesselt afgaande op het wegennet. De kerk is niet het centraal punt, maar het motte complex. Ook de veldindeling wijst naar de burcht[4].

De Affligemse historicus dom Odo Cambier (+1651) heeft nog de ruïnes van de burcht gezien en schreef daarover[5].

“In de gemeente hadden wij ook een groot kasteel; omringd van water, en oudtijds Saele geheten. Een voorwerp der bewondering van eenieder was de fontein, waaruit het water zeer hoog opsprong en waarvan men heden nog overblijfsels ziet. De gebouwen uit gekapten arduin opgetrokken waren ruim en prachtig, zoals men kan opmerken uit de puinen. Daar neven ligt er nu nog een landgoed, waarschijnlijk vroeger een afhankelijkheid van ’t kasteel, een neerhof, zoals men dat noemt.”

De kerk en het Hof ter Saele. J. Verbesselt, Het parochiewezen in Brabant, 109.

In de 11de eeuw woonde er Heriman (Hermanus) van Heclengem. Hij verbleef er samen met zijn broer Sigerus (Zeger), Thidbaldus de Thidalmont (Doment) en Renizo, de jachtmeester van de graaf, nabij Affligem. Zij stonden als ridders in dienst van de graaf van Leuven en hadden hun bezittingen in leen van Ingelbertus Calverstert, broer van Herebrandus van Herdersem. Graaf Hendrik III van Leuven schonk voor 1106 zijn achterleen aan de abdij. De oudste gekende pachter is wellicht Boudewijn van Hekelgem die in 1291 een half dagwand heidegrond nabij het hof en de opstal verkreeg. Hij betaalde daarvoor jaarlijks met Kerstmis een denier aan de heer van Asse. De hoeve was toen belast met een cijns van 2 denier aan de heer van Asse en een vierling rogge aan de parochiekerk[6]. Op 23 december 1498 kocht de abdij het volledig omwalde hof van jonker Hendrik van Schoonhove en Jeanne Coteriau. Beda Regaus noteerde[7]:

“Hierboven is oock gesproken van ’t hoff van Hekelghem, ’t is ‘Ter Sale’, dan der huijsinge met het heel pachthoff is aen eene besonderen pachter … (geschrapt door B. Regaus). Dit hoff ‘Ter Sale’ is gecoght geweest 23 december 1498 van joncker Hendrick van Schoenhove, ende Janne Coteriau voor 100 ponden groot Vlaems, bestaande in landen, weijden,”

Het Hof vormde toen een vierkant van ca 17 a 3 ca. Het huis stond in het zuiden, ten westen stond een wagenloods, in het noorden de schuur en de paarden-en koeienstal vormden de oostkant.

I- Laureys.

Laureys was getrouwd met Elisabeth Van Neervelt. Zij hadden vier kinderen te Hekelgem gedoopt: Elisabeth overleed te Hekelgem op 15 maart 1630.

1- Laureys is niet vermeld in het parochieregister, maar was wellicht toch een zoon van Laureys en Elisabeth want een Laureys was peter van zijn tweede kind. Huwelijk met Maria De Doncker. Kinderen:

1) Elisabeth, gedoopt op 19 oktober 1627.

2) Laureys, gedoopt op 6 mei 1629.

3) Jan, gedoopt op 6 mei 1629.

4) Maximiliaan, gedoopt op 20 februari 1631.

In 1624 werd Laurentius de Jonge vermeld als bezitter van 8 paarden, 15 melkkoeien en 150 schapen. In 1629 was hij kerkmeester.

2- Anna, gedoopt op13 oktober 1604, peter Jan Stevens, meter Anna Van Bochout.

3 Jan, zie II.

4- Adrianus, gedoopt op 17 augustus 1611, Adrianus Van Rampelberghe, meter Catharina De Greve.

In 1573 pachtte Laureys van de abdij Affligem het hof met 54 bunder land en weide en betaalde een cijns van een vierling rogge waarmee het hof was belast ten voordele van de kerk. In 1596, 1611 en 1626 werd hij vermeld als kerkmeester en armenmeester. In de rekening van de armenmeester van 1620 vinden we speciale uitgave voor een arme vrouw die in Laureys Cornelis ‘backhuijs’ woont. In de jaren 1625 en volgende vermeldde de kerkrekening Laureys omdat hij ‘seven viertelen en halff raepsaet’ plantte op ‘hoff te Hekelghem, een vierlink koren Laureys het fruit op het kerkhof[8]. Vanaf 1578 teisterden de geuzen de hele omgeving. De winter daarop was er een massale aanwezigheid van plunderende soldaten. In 1580, op 16 juni, staken de geuzen de abdij, de kerken van Meldert en Hekelgem en andere gebouwen in brand. De burcht en het Hof ter Saele gingen eveneens in vlammen op. De burcht bleef in puin liggen, maar het hof werd heropgebouwd met materiaal van het kasteel. Het jaartal 1643 in de deuromlijsting herinnert daaraan. In het huis kwam er een grote zaal waar de schepenbank van de abdij vergaderde, althans volgens de Hekelgemse historicus Henri Roseleth. Dom Wilfried Verleyen betwistte deze stelling omdat de schepenen in de Voorpoort aan het begin van de huidige Abdijstraat een eigen lokaal hadden. In 1660 waren er 11 koeien en 100 schapen, in 1624 8 paarden, 15 melkkoeien en 150 schapen.

De hoeve omvatte 54 b land en weide. In 1671 bedroeg de jaarlijkse pacht 300 g, 18 mudden koren, 6 mudden gerst en 9 mudden haver. Toen was Jan al opgevolgd door zijn twee zonen Peter en Michiel.

Pentekening van de oude deur. Paul Lindemans, Eigen Schoon en De Brabander, 1928

II- Jan.

Jan Cornelis, gedoopt op 11 maart 1607, gehuwd met Barbara Wambacq. In 1653 volgde hij zijn vader Laureys als pachter op van het Hof ter Saele op. Jan en Barbara hadden samen 10 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Franciscus, werd gedoopt op 8 december 1632, peter Franciscus Wambacq, meter Catharina Van Vaerenbegh. Hij was armenmeester in 1692 tot 1695, 1697[9].

2- Catharina, gedoopt op 3 december 1634, peter Petrus Cornelis, meter Catharina Wambacq.

3- Michael, zie III.

4- Jan, gedoopt op 2 april 1638, peter Joannes Van Beringhen, meter Antonia >De Vleeshouder

5- Petrus, zie III- 2.

6- Guillelmus, zie III.

7- Arnoldus, gedoopt op 16 november 1644, peter Arnoldus Van de Putte, meter Catharina De Clercq.

8- Martinus, gedoopt op 22 augustus 1646, peter Martinus Wambacq, meter Catharina Wambacq.

9- Catharina, gedoopt op 30 januari 1649, peter Gerardus Eeckhout, meter Catharina De Troch.

10- Robertus, gedoopt op 10 november 1650, peter jonker Robertus Dandelet, meter Joanna De Bast.

In 1658 volgde Jan zijn vader op als pachter op het Hof ter Saele met 54 bunder land en weide. In 1671 liet hij het hof over aan zijn zonen Michiel en Peter. De hoeve bestond toen uit het hof met afhankelijkheden, 31 bunder 3 dagwand 53 roeden zaailand en 12 bunder 3 dagwand 75 roeden weiland en palend aan het Fortuyn 2 bunder 3 dagwand 36 roeden ‘broeckagie’. De pacht aan de abdij bedroeg 300 gulden 18 mudden koren, 6 mudden gerst en 9 mudden haver. Van de kapelrij van Sint-Gudula pachtte Jan nog 12 bunder land en weide op Keukenshage voor 140 gulden.

III- Michael.

Michael werd gedoopt op 7 juni 1636, peter Michiel Kerremans, meter Maria Cornelis. Michael trouwde op 24 juni 1657 met Anna Smet, gedoopt te Hekelgem in november 1634 en is er overleden op 16 december 1697. Zij hadden 7 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Franciscus, gedoopt op 21 maart 1658, peter 21 maart 1658, meter Joanna Droesselaer

2- Martinus, Zie IV.

3- Catharina, gedoopt op 28 november 1662, peter Martinus Robijns, meter Catharina De Troch.

4- Judoca, gedoopt op 27 december 1665, peter Judocus Smet, meter Judoca De Mey.

5- Joannes Baptist, gedoopt op 25 april 1669, peter Martinus Van de Nest, meter Elisabeth Robijns.

6- Andreas, zie IV- 2.

7- Jacobus Michel, gedoopt op 23 maart 1673, peter Franciscus Bailliu, meter Anna Van den Nest.

In 1673 waaide een deel van de schuur af en Franse soldaten staken wat er van de schuur nog overbleef in brand.

III- 2 – Petrus.

Petrus werd gedoopt op 8 februari 1640, peter Petrus Van Mulders, meter Anna Cornelis, huwelijk met Catharina Vleeshouder. Hij overleed te Hekelgem op 15 december 1700 en Catharina op 27 november 1686. Kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Anna, gedoopt op 30 december 1670, peter Franciscus De Balliu, meter Anna Wambacq

Joanna Vleeshouder.

2- Franciscus, zie V.

3- Guillelmus, gedoopt op 23 juli 1673, peter Guillelmus Cornely, meter Joanna Vleeshouder.

4- Maria, gedoopt op15 januari 1675, peter Martinus Wambacq, meter Maria Eeckhout.

5- Judoca, gedoopt op 10 oktober 1677, peter Martinus Leeman, meter Judoca Van den Abbeele.

6- Martinus, gedoopt op 9 januari 1680, peter Dom Martinus Cornely, meter Elisabeth Robijns.

7- Elisabeth, gedoopt op 9 februari 1682, peter Egidius De Vleeshouder, meter Elisabeth Robijns.

8- Catharina, gedoopt op 29 april 1684, peter Egidius Vleeshouder, meter Catharina Cornelis.

De broers Michael en Peter betaalden 300 gulden voor 31 bunder 3 dagwand 53 roeden zaailand en 12 bunder 3 dagwand 75 roeden weiland en ‘broekagie’ en het Fortuyn van 2 bunder 3 dagwand 36 roeden. Zij huurden ook 12 bunder land en weide op de Keukenshage van de kapelanie van het H. Sacrament in Sint-Goedele te Brussel. Van de parochie huurden ze 236 roeden land op Geukenshage. Michiel pachtte behalve van de abdij ook van kerk van Hekelgem: 2 dadwand 50 roeden land op de Buikouter, 1 dagwand 2 roeden op de Mattenslochting. In 1673 waaide een deel van de schuur af en staken de Fransen de rest in brand. Peter Cornelis behield later een deel van de pacht over en richtte naast de kerk een brouwerij op. Op 17 januari 1684 dreigde er nieuw gevaar. Soldaten van Lodewijk XIV wilden het Hof en de Blakmeershoeve in brand steken, maar de hofmeester van de abdij slaagde erin de soldaten met 80 patacons om te kopen. Het Hof was voorlopig gered, maar op 25 september 1689 stonden Franse soldaten aan de abdijpoort om alle gebouwen in brand te steken omdat de abdij de oorlogsschade nog niet had betaald. Dom Celestinus Ghijsbrechts slaagde er echter in om van de legerleiding een vrijgeleide te verkrijgen en zo ontsnapte de abdij aan een nieuwe vernieling. Proost Vedastus Van Nuffel, afkomstig van Hekelgem, noteerde dat de soldaten bij hun aftocht enkele huizen en het Hof ter Saele in brand staken. De pachter had met wat smeergeld de brand kunnen voorkomen. Gelukkig voor hem mocht hij zijn intrek nemen in de wasserij van de abdij, het huidige jeugdheem, tot de abdij het nodige geld had voor de herstelling van het Hof.

In 1699 liet Michiel zijn bedrijf over aan zijn zoon Martinus. Hij was armenmeester in 1669 en 1670. Peeter behield later een deel van de pacht en richtte in 1673 een brouwerij op waarvan een vermelding dateert van 1687 wegens een proces. Hij had een lening aangegaan bij Louis Verbruggen, kanunnik te Antwerpen, met een rente van 12 gulden 10 stuivers. De lening was bezet op zijn hofstede met huis, brouwkuip en andere edificiën gelegen tegenover de kerk en palend langs drie zijden aan de straat. In juni 1687 bleek dat Peeter de rente al zes jaar niet meer had betaald en een achterstand van 75 gulden had. De kanunnik spande een proces in met de bedoeling Peeter te verplichten tot onmiddellijke betaling[10].

Vanaf 1689 was Peeter Cornelis aan huis bij de schepenbank wegens schulden. Op 5 mei 1689 ondertekende hij een overeenkomst met Catharina Wambacq, de weduwe van Franchois Robijns. Hij erkende dat hij de parochie 87 gulden 19 stuivers schuldig was en dat hij dat bedrag onmiddellijk zou betalen. Maar op 5 juli had Catharina nog geen stuiver ontvangen en zij diende bij de schepenbank een klacht in om Peeter te verplichten de som onmiddellijk te betalen. Een nieuw proces volgde. Joos De Handschutter werkte een tijd als knecht bij Peeter. Toen hij het bedrijf verliet, had hij nog recht op 22 gulden. Peeter maakte geen aanstalten om hem zijn laatste loon te geven en dat mocht hij aan de schepenbank gaan uitleggen. In 1694 was Peeter De Vis curator in het sterfhuis van Guillam Van Neervelt. Peeter kwam hem opzoeken en vertelde dat Van Neervelt bij hem een lening had aangegaan met een rente van 25 gulden. De laatste 6 jaar was die rente niet meer betaald en hij wou dat De Vis die achterstal zou betalen. De Vis weigerde omdat hij geen enkel bewijs van die lening had gevonden. Peeter trok op 3 februari 1694 naar de schepenbank en al op 9 februari kreeg hij een antwoord. De schepenen gaven Peter De Vis gelijk.

III- 3- Guillelmus.

Guillelmus werd gedoopt op 11 september 1642, zijn peter was dom Guillelmus Van der Ost, meter Anna Cornelis. Hij trouwde met Elisabeth Robijns, was armenmeester in 1670 en van 1685 tot 1687. In de kerkrekeningen lezen we:

“Ontfanghen van Guilliam Cornelis van het euselken ghelegen inde Bosschraet groot ontrent een dachwant vorm als vooren over sijnen pacht”.

In 1684 bezat hij een stenen huis met kamketels en andere afhankelijkheden gelegen in Hekelgem met de naam ‘De Drij Koninghen’ gelegen aan de ‘herstraete’ naar Aalst en nabij de abdij Affligem.

Op 15 februari 1690 liet Guillelmus zijn testament opstellen bij notaris Roux. met als getuigen Martinus Van Horenbeke en Jan Cuijpers. In zijn testament bepaalde hij dat:

1) Hij wou begraven worden voor het altaar van Onze-Lieve Vrouw in de kerk van Onze-Lieve Vrouw te Waver.

2) Na zijn dood wou hij dat er 150 missen werden gecelebreerd tot lafenis van zijn ziel.

3) Zijn graf moest gesloten worden met een blauwe zerk van 18 gulden.

4) Aan de Kerk van Hekelgem schonk hij 100 gulden waarvan 50 gulden voor het onderhoud van de lampen en de andere 50 voor sieraden van Onze Lieve Vrouw aldaar.

5) Hij liet 50 gulden na voor een fundatie van zijn jaargetijde in de kerk waar hij zal begraven worden. Van de intrest zal de celebrant 16 stuivers ontvangen en de koster 8 stuivers. Met het resterend bedrag zal men 2 gelezen missen celebreren

6) De huisarmen van Hekelgem zullen 9 sisters koren ontvangen om als brood uit te delen.

7) Catharina, dochter van Cornelis Michiels krijgt een bed of 10 pond groot volgens haar keuze.

8) Joanna Cornelis, vrouw van Peeter Clauwaert krijgt zijn bed met deken en de toebehoorten, een paar lakens met al de meubels uitgezonderd de tonnen en de kuipen, de ‘beddecoetse ende cleerschapprije’.

9) Peeter Cornelis en zijn zoon Franciscus schenkt hij al zijn hemden die in de drie suikerkisten liggen waarmee hij naar Brussel was gevlucht.

10) Als al zijn schulden zijn betaald, laat hij de resterende goederen na aan Franciscus Cornelis, pastoor van Onze Lieve Vrouwe van Waver, Michiel, Peeter en Martinus Cornelis, zijn broers om onder hen alles gelijk te verdelen met de opmerking dat als de kinderen van Michiel en Peeter Cornelis voor hem sterven de erfenis naar hun ouders gaat.

11) Het vruchtgebruik van zijn erfelijke goederen is voor zijn broers Franciscus, Michiel, Peeter en Martinus Cornelis met die beperking dat zij tijdens het vruchtgebruik geen hout mogen rooien of opgaande bomen kappen.

12) Franciscus Cornelis krijgt zijn deel van de erfenis van Robert Cornelis, pater bij de Lieve-Vrouwe-Broeders te Mechelen

In augustus 1687 werden Guillam en zijn vrouw Elisabeth gedagvaard omdat zij in hun herberg ‘De Drij Koninghen’ een speelman hadden gevraagd op de dag van de processie van O.-L.-Vrouw van Affligem[11]. Er werd toen gedanst, gesprongen, gekust en ‘gelekt’. Dat was voor de proost van de abdij, Vedastus Van Nuffel, onaanvaardbaar daar er ook knechten van de abdij aanwezig waren. Elisabeth antwoordde aan de pedel die de dagvaarding bracht dat zij zich niet om dergelijke zaken bekommerde en dat zij er al met de proost over gesproken had. Zij diende 5 stuivers aan de pedel te betalen en werd niet meer

verontrust[12].

Hof ter Saele, het woonhuis

IV- Martinus.

Martinus werd gedoopt op 24 april 1660, peter Martinus Wambacq, meter Joanna De Bast Martinus. Hij trouwde met Anna Claes op 24 juni 1657. Zij overleed te Hekelgem op 26 december 1697. Kinderen te Hekelgem gedoopt:

1) Michael, gedoopt op 10 oktober 1700, peter Michael Cornelis, meter Maria De Nayer.

2) Anna, gedoopt op 19 mei 1702, peter Nicolaus Claus, meter Anna Cornelis.

3) Joanna, gedoopt op 26 april 1704, peter Michael Clauwaert, meter Joanna Cornelis.

4) Catharina, gedoopt op 19 september 1706, peter Franciscus Cornelis , meter Catharina Cornelis.

5) Franciscus, gedoopt op 6 juni 1709, peter dom Franciscus Cornelis, meter Anna Merciers.

6) Petrus, gedoopt op 6 juni 1709, peter Petrus, Clauwaert, meter Anna Buggenhout.

7) Anna Maria, gedoopt op 24 januari 1712.

8) Petronella, gedoopt op 10 januari 1714, peter Andreas Boitselier, meter Anna Clauwaert.

9) Anna Maria, gedoopt op 26 mei 1716, peter Philippus Hellincks, meter Anna Maria Crieck.

10) Drisina Francisca, gedoopt op 26 juni 1718, peter Franciscus Cornelis, meter Drisina Verbeeck.

11) Anna Maria, gedoopt op 5 februari 1721, peter Joannes Ballieuw, meter Maria Rouselet?

Martinus had een bedrijf van 46 bunder land en weide. In 1702 had hij 3 knechten en 1 meid en bezat hij 3 paarden, 1 veulen, 5 koeien, 1 vaars, 50 schapen en een halve ploeg[13]. In de dorpsrekeningen vinden we de naam Merten Cornelis die in 1704 16 gulden van de rentmeester van de parochie ontving voor het transport van een halve wagenvracht van Mechelen naar Zoutleeuw[14].

In 1710 verliet Martinus Cornelis het Hof en Geeraad Van Biesen werd de nieuwe pachter[15].

IV- 2- Andreas (Andries).

Andreas werd gedoopt op 14 mei 1671, peter Andreas De Wever, meter Maria Van Ghete. Hij trouwde, 24 jaar oud, met Anna Robijns op woensdag 9 november 1695 in Hekelgem Hij is overleden op woensdag 20 juli 1735 in Hekelgem, 64 jaar oud. Zij is overleden op zondag 24 september 1741 in Hekelgem. Andreas was armenmeester van 1675 tot 1678 en van 1679 tot 1684.

Kinderen te Hekelgem gedoopt:

1) Egidius, gedoopt op 16 juli 1696, peter Egidius Robijns, meter Anna Smet.

2) Joannes Baptist, gedoopt op 24 augustus 1697, meter Joanna Cornelis.

3) Elisabeth, gedoopt op 4 juni 1699, peter dom Fransciscus Cornely, meter Elisabeth Robijns.

4) Georgius, gedoopt op 20 augustus 1700, peter Georgius Van Hymbele, meter Aldegondis Longin.

5) Maria Anna, gedoopt op 9 oktober 1701, meter Martinus Robijns, meter  Maria Anna De Paep.

6) Anna Francisca, gedoopt op 6 september 1703, peter Franciscus Cornely, meter Anna Claes.

7) Catharina, gedoopt op 2 augustus 1705, peter Martinus Cornely, meter Anna Catharina De Wever.

8) Catharina, gedoopt op 9 maart 1708, peter Martinus Cornelis, meter Catharina Cornelis.

9) Jacobus, gedoopt op 5 juli 1709, peter dom Jacobus Cornelis, meter Petronella Van Neervelt.

10) Franciscus, gedoopt op 22 oktober 1711, peter Franciscus Cornelis, meter Anna Cornelis.

11) Jacobus, gedoopt op 23 september 1709, peter dom Jacobus Cornelis, meter Joanna Pensionaris.

In 1702 bezat pachter Andries 2 paarden, 3 koeien, 4 vaarzen en een halve ploeg[16].

In het begin van de 18de eeuw kwam er geen eind aan nieuwe belastingen[17]. Behalve de ‘bedeboeck’ en de ‘oncostboeck’ was er ook nog het ‘ommestellingeboeck’. Op 17 augustus 1705 hadden de Staten van Brabant beslist de gemeenten een supplement van een 21ste penning op te leggen, gevolgd door een 23ste penning op 12 november van hetzelfde jaar om de kantonneringen van graaf van Bergeyck te betalen. De bedesetters hieven een belasting van 4 gulden op elke bunder land, weide en bos. Voor Andries betekende dat 40 gulden 12 stuivers extra taks bij. Op 15 januari moest Hekelgem 1830 gulden aan het ‘subsidieboeck’ van de Staten van Brabant geven en dus kwam er nog eens een belasting van 4 gulden op elke bunder land, weide, beemd en ‘stockbosch’. Voor Andries met 11 bunder 1 dagwand 30 roeden bedroeg de belasting 45 gulden 8 stuivers.

In 1706 moest Hekelgem 585 gulden 1 stuiver bijdragen aan de bede en de bedesetters Jan Blondeel, Aert De Vis, Adriaan Van Nieuwenhove en Gillis Wambacq belastten elk bunder met 25 stuivers. Voor Andries steeg zijn deel tot 13 gulden 3 stuivers.

In 1707 bleef de taks op 25 stuivers. Andries bezat toen 8 bunder 2 dagwand 72 roeden en moest 10 gulden 17 stuivers betalen. Op 21 juni beslisten de bedesetters om de obligaties en de vergoedingen voor de pioniers te kunnen betalen de bijdrage voor de ‘oncostboeck’ voor elk bunder land en weide op 6 gulden vast te leggen. Andries met 10 bunder 2 dagwand 8 roeden moest 63 gulden 2 stuivers ophoesten. Met het oog op het bepalen van de oorlogsbelasting werden gebouwen van Andries aangeslagen voor 49 gulden 10 stuivers; wat tot de hoogste belasting van Hekelgem was.

De volgende jaren bleven de lasten op de inwoners toenemen. Het Franse invasieleger legde de gemeente een oorlogsbelasting op van 1227 gulden 16 stuivers, te betalen voor 15 mei 1708. Het Franse leger was Vlaanderen binnen gevallen in het kader van de Spaanse Successieoorlog. De Spaanse koning Karel II was zonder troonopvolger gestorven en de Franse koning Lodewijk XIV eiste de Spaanse kroon op. Maar ook de Habsburgse keizer had dezelfde eis en een nieuwe oorlog was begonnen. Toen in 1715 de vrede werd getekend kwamen de Zuidelijke Nederlanden onder het Oostenrijks bestuur. De bedesetters verdeelden de last als volgt: 2 gulden 10 stuivers op de gronden, 6 stuivers per paard, 6 stuivers per koe en 3 stuivers huisgeld. Andries Cornelis had 8 bunder 2 dagwand 72 roeden land, 2 paarden en 2 koeien en moest 22 gulden 18 stuivers bijdragen. Hoeveel Cornelis telkens betaalde werd niet vermeld, maar in 1708 was hij aan de collecteur een aanzienlijk bedrag verschuldigd. Op 3 juli 1708 was het geduld van collecteur Jan De Vis op en hij verzocht de schepenbank om de veldvruchten, de dieren, de hop en de hopstaken van Andries en ook van Merten Cornelis in beslag te mogen nemen om te verkopen. Andries reageerde scherp en noemde de rechtszaak “eene absurde middel om eenen eerlijcken man alsoo van sijne pachtinge af te worgen”[18].

Andreas bezocht blijkbaar graag de herberg van Jan Baptist Roseleth op de boekhoutberg. In 1727 had hij er een schuld van 40 gulden 15 stuivers. Hij had de voorbije jaren voor 16 gulden en 2 stuivers in die herberg verteerd Hij had drie vaten haver gekocht aan 18 stuivers het vat, dat maakte samen 2 gulden 14 stuivers. Toen Andries hout kocht in de ‘Pilleweydebroecken’ schoot Jan Baptist hem 8 gulden 7 stuivers voor en nog eens 2 gulden 16 stuivers toen Andries officier Gommaar Verloes niet kon betalen. Begin november 1726 verscheen advocaat Egidius Crick samen met de vrouw van Jan Baptist voor de schepenbank met het verzoek om Andries in gebreke te stellen. Peter Ledegen bracht de dagvaarding bij Andries, maar die reageerde niet. Op 12 november volgde een nieuwe dagvaarding en op 29 april 1727 de derde. Op 6 mei beslisten de schepenen dat Andries 49 gulden 6 stuivers moest betalen[19].

V- Franciscus.

Franciscus, zoon van Petrus, werdgedoopt op 22 februari 1672, zijn peter was dom Franciscus Cornely (zijn naam komt niet voor in het Necrologium van dom Wilfried Verleyen), meter Jacqueline De Wever. Franciscus trouwde met Anna De Merchy, weduwe van koster Andries Seghers. Kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Anna Maria, gedoopt op 23 augustus 1697, peter Martinus Robijns, meter Maria De Vries.

2- Franciscus, gedoopt op 14 september 1700, peter dom Franciscus Cornely, meter Joanna Cornely.

3- Joanna Maria, gedoopt op 25 februari 1702, peter Petrus Clauwaert, meter Joanna Maria De Messeneer.

Bij de algemene schatting van de huizen met het oog op het bepalen van de oorlogsbelasting werden gebouwen aangeslagen voor 49 gulden 10 stuivers; wat tot de hoogste belasting van Hekelgem was[20]. Hij was armenmeester van 1675 tot 1678 en van 1679 tot 1684[21]. In 1702 had pachter Franciscus 1 knecht en 1 meid en bezat hij 1 paard, 1 veulen, 2 koeien, 1 vaars en een halve ploeg[22].

Families Cornelis die we bij gebrek aan gegevens over doopsel en huwelijk niet konden linken aan de familie Cornelis van het Hof ter Saele.

Franciscus en Marria De Keyser.

Franciscus trouwde te Hekelgem met Maria De Keyser op 20 mei 1731. Kinderen te Hekelgem gedoopt:

1) Judocus, gedoopt op26 augustus 1732, peter R. dom Judocus, meter Theresia De Waeseneer.

2) Joanna Catharina, gedoopt op 7 maart 1734, peter Jaspar De Keyser, meter Joanna Catharina Van Nieuwenhove.

3) Emmanuel Josephus, gedoopt op 24 december 1737, peter Josephus Adrianus De Keyser, meter Anna Thersia De Maesseneer.

4) PetruAnna Clauwaert, Joannes, gedoopt op 9 september 1740, peter Petrus Clauwaert, meter Elisabeth De Keyser.

5) Anna Maria, gedoopt op 31 juli 1743, peter Cornelius Van Lierde.

Op een namiddag in oktober 1733 ging Marie Elisabeth De Keijser, de 20-jarige vrouw van Franciscus Cornelis naar hun klaverveld op de Keuckenshaeghe. Daar zag zij de vrouw van Adriaan De Vis die met twee van haar kinderen in hun veld klaveren afsneed en in haar voorschoot stopte. Zij meldde de diefstal aan advocaat De Maré die de feiten meldde bij drossaard Joannes Loovens. Die liet haar op 1 juni 1734 een verklaring afleggen en vervolgens Jacobus De Brucker ondervragen. Jacobus, nu dienstbode bij de weduwe Jan Van den Bossche in Baardegem, was op het ogenblik van de feiten in dienst bij Franciscus Cornelis. Jacobus getuigde dat hij de vrouw van Adriaan De Vis en enkele andere vrouwen op Keuckenhaeghe had gezien, maar kon niet zeggen dat zij op het veld van Cornelis 1742.

Op 26 april 1735 leenden Francis Cornelis en zijn vrouw Elisabeth De Keyser 300 gulden aan 4% aan Peter en Barbara De Cort, kinderen van Michael en Anna Van Mulders. Het kapitaal moest ten laatste op 1 mei 1742 afgekort zijn. Vanaf 1737 betaalden zij de intrest niet meer en op 15 maart 1742 werden zij voor de schepenen gedaagd om de lening terug te betalen of om er voldoende panden op te bezetten.

Petrus en Joanna Smet.

Joanna is overleden op dinsdag 22 november 1667 in Hekelgem. Kinderen te Hekelgem gedoopt:

1) Catharina, gedoopt op donderdag 6 november 1659 en is overleden op maandag 19 februari 1680, 20 jaar oud.

2) Joanna, gedoopt in 1665 en is overleden op zondag 27 september 1722, 57 jaar oud. Zij trouwde, 24 jaar oud, op zaterdag 14 mei 1689 in Hekelgem met Petrus Clauwaert, ongeveer 29 jaar oud. Hij is een zoon van Petrus Clauwaert en Catharina Robijns. Hij is gedoopt omstreeks 1660 in Hekelgem. Hij is overleden op zaterdag 11 september 1723 in Hekelgem, ongeveer 63 jaar oud.

3) Elisabeth, gedoopt op woensdag 14 september 1667.

Joanna Cornelis liet op 13 maart 1686 door de Van de Nest, pastoor van Hekelgem, en de getuigen Michiel Stevens en Michiel Jansens haar testament opstellen. Zij lag ziek te bed, maar beschikte wel nog over haar memorie ‘ende vijf sinnen’. Haar wensen waren:

1) Zij wou begraven worden in de kerk van Hekelgem naast haar zus Cathlijn.

2) Dat kort na haar overlijden de pastoor 100 missen zou celebreren voor haar zielenrust

3) Dat er jaarlijks twee jaargetijden worden gecelebreerd voor de zielenrust van haar zelf en van haar zus Cathlijne. Daarvoor zal de pastoor vijf schellingen ontvangen en de koster 15 stuivers.

4) Dat er na haar dood een eerlijke uitvaart volgens haar staat zal gebeuren. Haar vader zal daarvoor zorgen en daarvoor haar goederen gebruiken.

5) Dat zij 3 gulden schenkt aan: haar oom Gillis De Smet, haar ‘moeije’ Maria De Smet, de kinderen van haar oom Laurijs De Smet en al haar andere resterende goederen aan haar vader Peeter Cornelis op conditie dat hij haar goederen niet mag belasten, of verkopen.

Jan Cornelis en Elisabeth Gregoir.

Laurentius Cornelis en Maria De Doncker.

Martinus Cornelis en Anna Claes.

Petrus Cornelis en Anna Smet.

Drie priesters waren dooppeter, namelijk Franciscus Cornelis in 1672, 1699, 1706 en 1709, Judocus Cornelis in 1732 en Jacobus in 1714.


[1] A. Van den Broeck, Hekelgem Gezinsboek 1, 1604-1822, 1992, 166-167.

[2] Archief Frans Moortgat in Archief Belledaal.

[3] J. VERBESSELT, dl V Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13e eeuw, deel VI, (1966), 106.

[4] Ibidem

[5] OCKELEY, ‘Bona et Jura selecta ex Beda Regaus’, Fontes Affligemensis nr. 20, 47 en .W. Verleyen, ‘De abdijhoeven in en buiten Affligem’, Jaarboek Belledaal, ‘1987), 45.

[6] W. Verleyen, Negen eeuwen Affligem, 1983, (Affligem 1983) 224 en W. Verleyen, ‘De abdijhoeven in en buiten Affligem’, Jaarboek Belledaal, (1987), 45.

[7]. REGAUS, Bona et Jura monasterii Hafflighemensis, (Rijksarchief 2002) 188.

[8] Archief Frans Moortgat, doos 22.

[9] Archief Frans Moortgat, doos 22.

[10] E. Schoon en B. Vermoesen, ‘De Brouwerij Cornelis’, Geschiedenis van de brouwerijen in Affligem, Uitgave Gidsen Affligem (2025) 41.

[11] De processie ging toen uit op de zondag na 15 augustus.

[12] W. Verleyen, ‘Uitspattingen in de Drie Koningen’, Eigen Schoon en De Brabander, (1993).

[13] R.A. Vorst, Staten van Brabant, kartons T25, nr. 395/3, Kohier van hoofd- en beestengeld Hekelgem 1702

[14] E. SCHOON, De Dorpsfinanciën van Hekelgem in de 18de eeuw, deel 1.

[15] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr.3446.

[16] R.A. Vorst, Hekelgem 1702, Kohier van hoofd- en beestengeld, Staten van Brabant, kartons T25, nr. 395/3.

[17] R.A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr.3709.

[18] Idem, toegang 94, nrs. 3783, 3776 en 3824.

[19] Idem, nr. 645.

[20] Ibidem.

[21] Idem, nr. 3709.

[22] Kohier van Hoofd- en beestengeld Hekelgem 1702.

Plaats een reactie