De Franse koning Lodewijk XIV had, met
zijn ambitie om Frankrijk natuurlijke grenzen te geven, zijn
veroveringsoorlogen tijdens de Negenjarige Oorlog (1689 – 1697) in de
Zuidelijke Nederlanden uitgevochten. Voor onze streken betekende dat extra
belastingen, contributies, opeisingen, plunderingen en verwoestingen. In 1696
liet de raadsheer van Financiën Michel Servai een balans opmaken van de
oorlogsschade tot 1696. Zijn verslag geeft een beeld van de situatie per dorp op
het einde van de vijandelijkheden. Het bevat de verschillende factoren die
hebben bijgedragen tot de totale schade die de dorpen hebben geleden tot 1696.
De raadsheer maakte geen onderscheid tussen de contributies die de Fransen of
de geallieerden hebben geheven, maar wel tussen de rechtstreekse gevolgen van
de strijd zoals brandstichting, plundering, logementen, confiscaties, opgelegde
karweien enz.[1] Om voor Meldert aan de
geëiste bedragen te komen, hadden de bedesetters de inwoners een dubbele belasting
opgelegd. De eerste belasting gebeurde volgens gewoonelijcke costume deser lande usantie en de tweede volgens de
oppervlakte van de gronden die ze bewerkten. Daarvan volgt een lijst. Maar
eerst beschrijven we kort het verloop van de Negenjarige Oorlog (1689 – 1697)
in onze regio. Dan volgt een overzicht van de schadeclaims van Baardegem en
Meldert, vervolgens een lijst met de hoogste oorlogslasten en tenslotte een
selectie uit de lijst van de geleverde karweien van 1692 tot 1696.
De
Negenjarige oorlog (1689 – 1697).
Wonen in de schaduw
van de beroemde en rijke abdij Affligem bracht voor Meldert veel voordelen.
Maar in oorlogstijd was dat een groot nadeel. De troepen, zowel de aanvallende
Fransen als onze zogenaamde bevrijders, de Spanjaarden, Nederlanders, Engelsen,
Brandenburgers …, wisten heel goed dat de abdij een rijke buit was en kwamen
maar al te graag, plunderend en brandstichtend naar Affligem en Meldert deelde
mee in de klappen.
Dom Bernard beschreef
nogal beeldrijk hoe het leven in die tijd was voor de abdij en het omliggende[2]:
Toen
gevoelde Affligem meer dan ooit de ongelukken van der oorlogen; geen dag zonder
soldaten; geen morgend zonder vrees; geen avond zonder schrik; nauwelijks
mochten wij ons verheugen over het vertrek van éénen soldaat of wij moesten ons
bedroeven over de aankomst van velen: hooi en haver hadden wij in overvloed en
nogthans weldra was alles verdwenen en men voedde de peerden met gerst en
tarwe; voor de soldaten kon men geen bier of wijn genoeg opdienen; het droge
hout voor vele jaren, werd op eenige maanden verbrand. Alle rust was voor de
monniken verloren, de onbeschoftheid en de woede der soldaten was ons dagelijks
brood en het water der bitterheid onze drank; somtijds waren drij of vier
benden peerdenvolk en zooveel benden voetvolk met hunne oversten onze
medebewooners en iedereen zal gemakkelijk begrijpen hoe spoedig al wat er in
het klooster was, verteerd werd. Men haalde geld op, men kocht nieuwe
levensmiddelen, maar altijd hetzelfde gebrek.
Daarna volgden de oorlogsfeiten elkaar snel op[3]:
– Op 19 september
1690 viel een bende Fransen de abdij in en namen de proost gevangen omdat de
abdij de oorlogsschatting nog niet had betaald.
– De 25ste
arriveerde een nieuwe bende met de opdracht de abdij en Essene en Hekelgem af
te branden. Dank zij het moedige optreden van de monniken, beperkten de
soldaten zich tot het verbranden van enkele huizen en trokken dan verder om hun
opdracht uit te voeren.
– 13 oktober. 400
Franse soldaten komen ’s nachts toe aan de abdij. De bevolking slaat in paniek
op de vlucht.
– 29 november. De
helft van een Frans legioen komt in de abdij overwinteren. Op 28 december
arriveert generaal Du Puis met de andere helft en verandert de abdij in een
versterkte vesting.
– 24 maart 1691. Het
Franse legioen vertrekt.
– 12 mei. 20 Spaanse
ruiters in de abdij.
– 23 mei. Veldheer
Mocada komt met 70 ruiters de eerste groep versterken.
– 1 juni. 50 Fransen
vallen ’s nachts de abdij aan. Zij breken de deuren open en vertrekken nadat ze
voldoende geld kregen.
– 11 juni. Dezelfde
bende keert terug. Ze eisen bier en eten en vertrekken dan naar Meldert. Ze
komen diezelfde nacht terug om de paarden te stelen.
– Heel de zomer wordt
er rond de abdij gevochten tussen Spanjaarden en Fransen. Op 7 juli steken de
Fransen Meldert in brand omdat de oorlogsbelasting nog niet was betaald.
– 13 september.
Fransen steken in Asse 52 huizen in brand en in Meldert 2 huizen en het Hof te
Mutsereel.
– 1695. Na de
beschieting van Brussel van 13 tot 15 augustus kwamen enige Franse soldaten naar
de abdij en roofden gedurende 2 dagen al wat ze konden wegnemen en staken het
verblijf van de aartsbisschop in brand.
– 4 mei 1696. Graaf
Noyailles vestigt zich in de abtwoning.
Gevolg: het gebouw brandt af.
De verhalende bronnen over de oorlog
leren ons dat niet alleen de abdij, maar ook de omliggende dorpen Asse,
Baardegem, Essene, Hekelgem en Meldert zwaar werden getroffen.
De
schadeclaims van 1696.
Om een idee te hebben
van de zware lasten, geven we de cijfers voor de Vrijheid Asse en voor Baardegem en Meldert. De bedragen zijn
uitgedrukt in gulden en stuivers[4].
Vrijheid Asse
Baardegrem
Meldert
Jl contributie
24 950
5 885 – 16
7 224
Op 7 jaar
174 625
441 200
50 568
Reeds betaald
35 600
3 000
2 000
Brand
80 000
10 500
50 000
Fourage
7 500
2 030
2 275
Logementen
140 500
6 500
6 500
Transport
38 595
9 651
8 433 – 9
Hout
10 100
1 000
1 000
Koeien en paarden
12 010
3 050
600
Pionniers
2 350
1 025
975
Plundering
18 750
Graan en stro
384 000
98 000
98 750
Totaal
868 457
231 145 – 12
268 541 – 9
Uit de vergelijking
met de naburige dorpen kunnen we besluiten dat Meldert zwaar werd getroffen:
Essene liep voor 189 765
g 9 st schade op, Baardegem voor 231 145 g 12 st, Hekelgem voor 241 548 g 19 st
en Meldert voor 268 541 g 9 st. Opvallend is dat de brandschade voor Baardegem
eerder beperkt bleef, de andere factoren zijn min of meer in evenwicht.
Selectie
uit de belastinglijst van Meldert.
219 gezinshoofden
kregen een rekening gepresenteerd voor alle
verachterde verloopen renten, belastinggen van pionniers, verteiringhen ende
redemptiën, leveringen van diversche effecten gedaen ende gevraecht tot laste
der voorschreven prochie. De betalingen mochten in vier schijven gebeuren:
¼ onmiddellijk, ¼ met Sint-Andriesmis, ¼ met Kerstmis 1696 en het resterende ¼
op Sint-Jansmis 1697. De gewone grondbelasting van 6 gulden per bunder werd
verhoogd tot 18 gulden. Om een idee te geven van de grootte van de opgelegde
bedragen, selecteerden we uit hun lijst[5]
al de inwoners die meer dan 1 bunder bewerkten. Na de naam volgt de oppervlakte
van de gronden in bunder, dagwand en roeden en het bedrag in gulden, stuivers
en oorden
Aelbrecht Merten: met
2 b 89 r moet betalen 40-1-0.
Aelbrecht Peter: met
2 b 2 d 24 r moet betalen 46-2-1/2.
Arijs Joos met 1 b 1 d
96 r moet betalen 26-15-1/2.
Asselijns Jan met 1 b
1 d moet betalen 22-10-0.
Ardenois Carel met 2 b
1 d 67 r moet betalen 43-10-3/4.
Beeckman Pauwel met 8
b 18 r moet betalen 144-16-7/8.
De Biss(chop) Michiel
met 3 b 1 d 14 r moet betalen 77-3-1/2.
De Boitselier Anthoon
met 1 b 1 d 33 r moet betalen 23-19-1/4.
De Clerck Guillam, nu
Franciscus met 51 b 3 d 71 r moet betalen 934-13-0.
De Clerck Joos met 15
b 3 d 44 r moet betalen 285-9-3/4.
De Gols Jan met 1 b
27 r moet betalen 19-4-0.
De Kegel Peter met 1 b
2 d 52 r moet betalen 29-7-1/4.
De Kempeneer Aert met
1 b 25 r moet betalen 19-2-2.
De Kempeneer Steven
met 1 b 1 d 17 r moet betalen 23-5-3/4.
De Koecker Jan met 1 b
78 r moet betalen 21-9-7/8.
De Meersman Jan met 1
b 2 r moet betalen 18-2-1/4.
De Meersman Joos met 3
b 1 d 55 r moet betalen 60-19-1/2.
De Mol Jan, nu Van
Geert Cornelius met 1 b 2 d 50 r moet betalen 29-5-0.
De Mol Merten met 1 b
1 d 19 r moet betalen 29-8-0.
De Groote ? van
Moorsel met 1 b moet betalen 18-0-0.
De Ridder Jacques met
1 b 30 r moet betalen 19-7-0.
De Ridder Peter
filius Jans met 5 b 9 r en 1/3 van 1 b bij abuis op Robijns gesteld, moet
betalen 96-9-0.
De Ridder Peter met 1
b moet betalen 18-0-0.
De Valck Steven met 1
b 3 d 68 r moet betalen 34-11-7/8.
De Valck Thomas met 1
b 1 d 63 r moet betalen 25-6-1/4.
De Vis Guillam met 2 b
17 r moet betalen 26-14-5/8.
De Witte Jan met 4 b
1 d 84 r moet betalen 80-6-1/2.
De Witte Jacobus met
3 b 2 d 20 r moet betalen 63-18-0.
De Wolf Anthoon met 1
b 1 d 93 r moet betalen 26-14-3/8.
De Wolf Joos, nu Dionijs
Verbremt met 1 b 3 d 9 r moet betalen 31-17-7/8.
Elskens Adriaan met 3
b 2 d 18 r moet betalen 63-16-7/8.
Geerstman Peter met
35 b 1 d 17 r moet betalen 668-5-3/4.
Godman Jan? met 13 b
97 r moet betalen 238-7-3/4.
Goeffinck Peter, nu
De Leeuw Daniël met 1 b 1 d 99 r moet betalen 26-19-1/4.
Goossens Merten met 1
b 70 r moet betalen 21-3-0.
Henricus Jan met 2 b
3 d 21 r moet betalen 50-9-1/8.
Janssens Peter met 1 b
1 d 30 r moet betalen 23-17-0.
Kindermans Andreas
met 1 b 68 r moet betalen 21-1-1/8.
Lemmens Peter met 5 b
83 r moet betalen 40-14-1/4.
Linthout Niclaes met
1 b 32 r moet betalen 19-9-1/4.
Lenaert Alexander, nu
Van der Meersch Jan met 5 b 66 r moet betalen 92-19-5/8.
Maes Joos met 1 b 51 r
moet betalen 20-5-3/4.
Mannaert Peter met 3 b
2 d 18 r moet betalen 67-4-3/4.
Marissens Jan met 1 b
2 d 14 r moet betalen 27-13-1/2.
Meert Joos tot Aalst
met 1 b 97 r moet betalen 22-7-3/4.
Meijsman Steven met 1
b 1 d 98 r moet betalen 26-19-1/4.
Mertens Peter, nu
Robert met 3 b 1 d 39 r moet betalen 60-6-0.
Robijns Gerard met 14
b 47 r moet betalen 254-1-5/8.
Robijns Jan, nu
Geerstman Jan met 29 b 3 d 32 r moet betalen 436-19-1/4.
Robijns Jan Baptist
met 2 b 1 d 3 r moet betalen 40-12-1/4.
Robijns Joos, nu
Gillis met 4 b 3 d 83 r moet betalen 80-1-3/4.
Smet Jacques met 1 b
3 d 93 r moet betalen 35-14-0.
Thomas Joos met 1 b 4
r moet betalen 18-4-1/2.
Van Andenhoff
Christoffel met 2 b 1 d 25 r moet betalen 41-3-1/2.
Van Buggenhout Jan
met 6 b 43 r moet betalen 109-17-1/4.
Van Buggenhout
Michiel met 1 b 1 d 63 r moet betalen 25-7-3/8.
Van den Biesen Jan
met 8 b 3 d 22 r moet betalen 158-10-0.
Van den Biesen
Michiel met 1 b 16 r moet betalen 18-13-1/2.
Van den Biesen ? met
2 b 1 d 32 r moet betalen 41-19-1/4.
Van den Bosch Joos
met 1 b 36 r moet betalen 19-11-1/2.
Van den Hout, nu Van
Vaerenbergh Jan met 2 b 2 d 64 r moet betalen 47-18-1/2.
Van den Hout Joos met
1 b 24 r moet betalen19-2-1/2.
Van der Borght Karel,
nu De Nil Peter met 3 b 1 d 40 r moet betalen 60-6-0.
Van der Borght Jan
met 3 b 65 r moet betalen 56-18-1/2.
Van der Jeught
Franciscus met 1 b 83 r moet betalen 21-15-3/8.
Van der Jeught
Michiel met 1 b 2 d 29 r moet betalen 28-7-0.
Van de Putte Michiel
met 25 b 23 r moet betalen 451-1-3/8.
Van de Velde Gillis
met 1 b 2 d 72 r moet betalen 30-5-1/4.
Van de Velde Jan met
2 b 1 d 58 r moet betalen 43-1-3/4.
Van den Wijngaert
Peter, nu Verhoeven Peter met 1 b 1 d 18 r moet betalen 13-6-7/8.
Van Droogenbroeck
Jacques met 1 b 1 d 70 r moet betalen 25-17-1/2.
Van Ighem Michiel met
1 b 1 d 76 r moet betalen 25-17-1/2.
Van Langenhoff Peter
met 2 b 3 d 74 r moet betalen 52-17-1/2.
Van Langenhove
Jacques filius Adriaen met 3 b 3 r moet betalen 54-3-3/8.
Van Mulders Gillis
met 5 b 1 d 91 r moet betalen 47-12-1/8.
Van Neervelt Jasper,
nu Jan Willems met 3 b 94 r moet betalen 58-5-1/2.
Van Nieuwenborgh
Christiaen met 1 b 2 d 28 r moet betalen 28-5-7/8.
Van Nuffel Jan met 2 b
67 r moet betalen 38-19-5/8.
Van Nuffel Joos met 1
b 1 d 50 r moet betalen 24-15-0.
Van Onchem Gillis met
6 b 2 d 74 r moet betalen 120-6-3/8.
Van Onchem Joos met 2
b 6 r moet betalen 36-5-1/4.
Vermoesen Michiel met
2 b 14 r moet betalen 36-13-1/2.
Vinck Gillis
&Franciscus Robijns met 11 b 1 d 58 r moet betalen 198-1-5/8.
Vinck Joos met 1 b 62
r moet betalen 20-16-1/4.
Met de betaling van
de oorlogslasten hield de miserie voor de mensen niet op. Er waren nog de
gewone uitgaven zoals de pachten. Er was weinig privébezit in Meldert daar 2/3
van de gronden in handen was van de abdij Affligem. De gemiddelde pachtprijs op
het einde van de 17de eeuw was het equivalent van 17,8 werkdagen per
hectare of 22 werkdagen per bunder, wat gelijk stond met 250 liter tarwe of 60
kg vlees[6].
Voor Gillis Van Mulders bijvoorbeeld, die in 1655 zo’n 5 b 2 d 70 r van de
abdij pachtte, betekende dat 110,5 werkdagen of 1256 liter tarwe of 301 kg
vlees.
Verplichte
karweien en leveringen.
We vonden drie
lijsten van leveringen voor het Franse leger en voor de geallieerden. De eerste
Liste van de fouragie gelevert in het
leger tot Geersbergen, Vitseroel t’Assche ende elders mitsgaders van brood,
boter als andersints dateert van 1696. De tweede lijst off billet van costen is van Jan Van den Biesen van 19 juni 1695 en
bevat eveneens een opsomming van de kosten voor leveringen en karweien die
inwoners van Meldert uitvoerden voor verschillende legers met de bedoeling om
die bedragen in mindering te brengen op de grondlasten. De lijst werd later nog
aangevuld met een cortespecificatie van de
billetten van costen. Uit de lijsten maken we op dat het vooral de
paardenboeren waren die voor de karweien moesten opdraaien Waar de karweien of
leveringen moesten uitgevoerd worden, werd niet altijd vermeld. Om het geheel
overzichtelijker te maken, hebben we de drie lijsten samengevoegd en op naam
gerangschikt.
Beeckman
Pauwel
– met een vracht naar
Ham: 3-0-0.
– idem naar
Grimbergen: 3-0-0.
– idem naar Merchtem
om brood: 2-0-0.
– idem naar Brussel:
3-0-0.
– met een vracht naar
Vilvoorde, twee dagen: 6-0-0.
– idem met een vracht
hout naar Steenvoorde: 2-0-0.
– idem naar het
kwartier van Gent:, drie dagen: 9-0-0.
– naar Opwijk met
brood en boter: 1-15-0.
– aan de vrouw van
Joos De Clerck gegeven voor een groep Fransen: 2-12-0.
– idem: 2-8-0.
– in mijn huis aan
een groep gegeven: een brood en drinken: 1-0-0.
– tweemaal naar
Baardegem geweest om te beletten dat soldaten naar Meldert zouden komen: 0-12-0.
– gegeven aan de
soldaten te Merchtem: 3-5-0.
– gegeven aan de
luitenant die paarden kwam zoeken: 1-6-0.
– gegeven aan een
groep ruiters: 1-6-0.
– naar Merchtem om
het logementsgeld te betalen: 1-6-0.
– voor twee vaten
haver, gehaald bij Joos De Clerck voor de officier van het volk van de
drossaard van Brabant: 1-4-0.
– gegeven aan twee
ruiters: 1-10-0.
– idem aan Jan Van
vaerenbergh voor een groep soldaten: 5-4-0.
– met een vracht en
een paard naar destelbergen: 4-10-0.
– tweemaal met een
paard naar Dendermonde: 2-0-0.
– met een paard naar
Affligem om brood te halen: 0-5-0.
Jan
Buggenhout.
–
100
bussels stro naar Vitseroel: 3-0-0.
–
een
stuk haver: 4-16-0.
Michiel
Buggenhout.
-een stuk: 4-16-0.
De
Bruecker Jan.
-voor de schade aan
zijn tarwe door het kamp van de Engelsen en de foerage die niet klaar was:
5-0-0.
Guillam
De Clerck:
– leverde op 18 juni
1697 een ton bier aan de Engelsen.
– reed met een wagen
met drie paarden naar Hamme: 4-10-0.
– idem met een voer
stro naar de Koeweide: 2-16-0.
– idem met Engelsen
naar Kalken met een wagen en drie paarden: 9-0-0.
– idem met 2 wagens
en vijf paarden naar Brussel in september 1694: 7-10-0.
– aan de Engelsen 26
pond brood geleverd op 18 juni 1694.
– een stuk vlees geleverd
aan het kasteel Steenvoort: 1-10-0.
– 67 bussels à 16
pond, 9 sisters haver, nog 6 sisters op de plaats voor ’t
Schort van Slapperendorff, samen 24-0-0.
– maakte een reis van drie dagen naar ?: 9-0-0;
– bracht voor de
Engelsen een paard naar Grimbergen, een tocht van 2 dagen: 6-0-0;
– reed tweemaal naar
Dendermonde met drie paarden en een keer met twee paarden: 4-8-0;
– bracht een ton bier
voor Matha: 6-0-0;
– bracht in twee
dagen een vracht naar Vilvoorde voor het volk van Lamot: 6-0-0; een vracht naar
Hekelgem in mei 1696: 0-0-0;
– met paard en wagen
naar Overmere voor Lamot: 3-0-0;
– leverde 50 staken
die Joos De Clerck had gekocht voor het piket van Matha: 31-0-0.
Peter
Mannaert.
– een voeder klaveren
naar het klooster (=abdij) voor de Brandenburgers, zonder de vracht: 2-0-0.
– geleverd 2 pond
brood, 1 pond boter ten behoeve van de Engelsen, samen: 0-16-0.
De
pastoor
-100 bussels stro:
3-0-0.
Gillis
Robijns.
– met een paard en
Van de Putte naar Heist bij Lier, 4 dagen: 6-0-0
– met twee paarden
naar Gent: 9-0-0
– naar drie paarden
naar Dendermonde: 2-8-0
– om amonitiebrood naar Affligem: 0-10-0
– met vier paarden
tot onder Gent, 2 ½ dagen: 16-0-0
– met twee paarden
naar Hofstade, 1 ½ dag: 4-10-0
Jan
Robijns.
– met wagen en paard
naar Ham: 1-10-0
– idem naar Brussel:
1-10-0
– idem van
paardenvrachten: 14-1-0
– idem van daguren:
5-16-0
Joos
Robijns:
– met een wagen met
drie paarden naar Ham: 4-10-0
– met 2 paarden naar
Brussel op 1 dag: 3-0-0
– geleverd 4 pond
boter à 5 st het pond: 1-0-0
– met een vracht hooi
en 3 paarden naar Asse: 1-16-0
– idem met de wagen
van Jan Geerstman voor 2 dagen naar (onleesbaar): 6-0-0
– idem naar Gent voor
5 dagen: 9-0-0
– 200 cloppaerts geleverd in Brussel: 9-0-0
– idem nog het
verteer door de Fransen op 23 april 1693: 3-0-0-
Franciscus
Robijns
– een stuk: 4-16-0
Jacques
Smet
-6 havermaat en 6
korenmaat haver: 8-8-0
Michiel
Van de Putte
-50 broden en 50
bussels hooi aan het kamp te Vitseroel: 14-10-0
Jan
Van den Biesen
-50 bussels hooi, 60
stro en 12 vaten haver: 11-6-0
Gillis
Van den Bossche
-20 pond brood:
0-15-0
– hij pretendeert dat
hij met de soldaten in mei 1696 in het kantonnement van Holestijnbeck 15
nachten de wacht hield op de toren: 6-0-0
Gillis
Van Mulders
– 12 korenvaten
haver: 7-4-0,
– 40 pond brood à ¾
stuiver het pond: 1-10-0
-een reis met
soldaten naar Grimbergen: 1-10-0
-met een paard naar
Gent, drie dagen: 4-10-0
-idem naar Overmere:
3-0-0
-idem naar Hekelgem:
0-6-0
-idem naar Hofstade:
1-10-0
-betaald voor drie
ruiters, waarvan er twee bij Pauwel Beeckman waren: 2-5-0
Van
Nieuwenborg Gillis
–mutsaarts
geleverd op de Koeweide, voor de helft te betalen vermits de andere helft wordt
betaald door Hekelgem: 0-3-0
Franciscus
Van Onchem
-11 pond brood à ¾
pond: 0-8-1/4
Gillis
Van Onchem
-met een vracht naar
Gent of Kalken: 7-10-0
-idem met twee
paarden naar Brussel: 3-0-0
-idem met ,een paard
naar Brussel: 1-10-0
-idem in ’t klooster
om brood: 0-10-0
-idem naar Hekelgem
met een vracht: 0-10-0
-idem naar
dendermonde: 2-0-0
Jan
Van Vaerenbergh
–betaalde 21
stuivers aan de advocaat Van Mulders voor zijn specificatie: 1-1-0
-reed naar Ham met
twee paarden: 3-0-0
-drie voederen
klaveren geleverd in de Koeweide: 7-4-0
-een geleverd aan de
Engelsen en een aan de Pruis wanneer Zijne Hoogheid naar Aalst reed, dus
memorie
-met twee paarden een
dag naar Brussel: 3-0-0
-idem met twee
paarden naar Brussel toen Lecluse hier logeerde: 6-0-0
-geleverd 20 pond
brood, ½ pond boter, 7 bieren van 2 stuivers, samen: 1-16-1/2
-vlees weggevoerd met
een paard: 1-10-0
–amonitie brood in Merchtem gehaald voor ?? volk: 2-0-0
-van verteringen van
partijen volgens zijn notitie en bevestigd door Jan Geerstman, van daguren van
vervoer naar Brussel, merchtem, Baardegem en elders, gerekend tot heden de 19de
december 1695, de som van 21-7-1/2
-idem 4 daguren in
Brussel anno 1694: 4-0-0
-nog gegeven aan
partijen op 26 februari 1696: 4-11-0
-idem nog 0-6-1/2
-idem aan Joos van
Ternat op vraag van Michiel Van de Putte: 1-0-0
-een ton bier aan
Matta: 6-0-0
-naar Gent met Matta
anno 1695: 7-10-0
-naar Hekelgem:
0-12-0
-naar Dendermonde met
een vracht: 2-0-0
Idem naar
Destelbergen: 9-0-0
Vermoesen
Michiel
-geleverd 14 pond
brood: 0-14-0
Jan
Willems
-met een paard naar
Ham: 1-10-0
-idem naar Brussel:
1-10-0
Op 20 april 1707 werd een bedrag van
842-6-1/2 goedgekeurd als vergoeding voor de geleden prestaties, wat meestal
overeenkwam met de ingediende kosten.
Besluit
Pastoor Franciscus Goetgebuer (1747 –
1800) klaagde over de armoede van de Meldertse bevolking. Dat was terecht[7].
De nabijheid van de rijke abdij, in vredestijd een weldaad, was in oorlogstijd
bijzonder nadelig. De troepen, zowel de Franse aanvallers als de zogenaamde
verdedigers, de Spanjaarden, Engelsen, Nederlanders, Brandenburgers … kwamen
maar al te graag naar de abdij in de hoop daar een rijke buit te vinden of om
er te overwinteren. De omliggende dorpen deelden in de miserie. Maar de ellende
van de bevolking was erger dan de materiële nood. De mensen leefden voortdurend
in angst voor het onvoorspelbare gedrag van de soldaten, voor plunderingen,
brandstichtingen en opeisingen.
Wel verstaende dat den pachter van de augmentatie den tantième in de voorgaende conditie geëxprimeert niet en mach genieten dan hij sal ontfanghen hebben maer sal van ’t gene gecort off geliquideert wort genieten van ider hondert guldens 5 stuijvers daer mede hij hem bij dese sal houden gecontendeert in teecken van dier hebbe dese geteeckent den 5de januari 1696. Toirconden etta.
Edmond SCHOON
Ben VERMOESEN
[1] R. VERMOESEN, De Negenjarige Oorlog
in het Land van Asse, in: ESDB, 2002,
nrs. 10-11-12, 435 – 436.
[2] DOM BERNARD, Geschiedenis der Benedictijner Abdij van Affligem, Gent, A. Siffer,
1890, 284.
Met de publicatie van de processen van
Meldertenaren voor de schepenbank van het Land van Asse wilden we een beeld
schetsen van het leven in Meldert in de 17de eeuw. Hoe gingen de
mensen toen met elkaar om? Met welke problemen kampten ze? De processtukken
vertellen ons over vechtpartijen, achterstallige huur, erfeniskwesties, het
onvermogen, vooral van weduwen, om leningen terug te betalen, het verbreken van
een gegeven woord enz. Het was interessant om na te gaan welke argumenten en
tegenargumenten aanklager en beschuldigde aanbrachten. Bij het overlopen van de
lijst van de processen valt het op dat vaak dezelfde namen voorkomen. Dat waren
dan mensen die het zich konden veroorloven om een proces te voeren, want ook
toen duurde een proces meestal meerdere jaren. De aandachtige lezer zal
opmerken dat in de meeste gevallen er geen vonnis is. Dat is te verklaren door
het ontbreken van de vonnissen bij de processtukken. Maar voor ons vormde dat
geen probleem, zo wordt niemand veroordeeld of beoordeeld. We hadden enkel de
bedoeling de sluier van het 17de eeuwse Meldert even op te lichten.
Meldert
in het Land van Asse
Vermits deze bundel een reeks
processen uit de 17de eeuw bevat die voor de schepenbank van het
Land van Asse werden gevoerd, is het voor een goed begrip nodig om de
bestuurlijke situatie van Meldert uiteen te zetten zoals die was tijdens het
ancien regime. Meldert behoorde tot het Land van Asse. Die entiteit omvatte het
dorp Asse met de gehuchten Asbeek, Ter Heide, Krokegem, Koutertaverent en
Walfergem en de buitenparochies Baardegem, Essene, Hekelgem, Mazenzele, Meldert
en Mollem. Aan het hoofd stond een meier
die vanaf de 17de eeuw ook overmeier of drossaard werd genoemd. Hij
trad op als vertegenwoordiger van de hertog van Brabant en had uitgebreide
bevoegdheden. Hij beëdigde de zeven schepenen, de vorsters en de bedesetters.
De daders van zware misdrijven waarop een lichamelijke straf stond, moest hij
overdragen aan de amman van Brussel. Maar het vonnis, executie door ophanging,
onthoofding of levend verbranden, of verminking door radbraken of brandmerken,
moest hij zelf uitvoeren. De stoffelijke resten van de veroordeelden werden als
afschrikking tentoongesteld, bijvoorbeeld op de Boekthoutberg te Hekelgem. Ook
de lagere justitie, waarbij goederen werden behandeld in de laatbanken, zoals
de laatbank van de abdij Affligem of het laathof van de H. Geestdis te Meldert,
ontsnapten aan zijn gezag. De gedupeerden daarvan konden wel in beroep gaan bij
de schepenbank van Asse die door de meier werd voorgezeten. De meier was vooral
als gerechtsofficier actief. Hij behandelde met de schepenen zaken met boeten
en lichtere straffen. Ze zetelden in vierschaar in een zaal van het gasthuis
van Asse. Voor Meldert en de andere buitenparochies ging de helft van de boeten
naar de hertog, de andere helft naar de heer tot Asse. Enkele meiers uit de 17de
eeuw waren Christoffel Van Wijnantshoven, Gillis Van Langenhove, Lucas Van
Langenhove en Arnold Adriani (tot 1633). Adriani was nadien griffier van 1633
tot 1656. Hij trad ook op als notaris[1].
De eerste schepenbanken zouden
ontstaan zijn in de tijd van Karel de Grote. Ze waren verbonden aan het hof van
de vorst en beschikten over reële macht. De schepenen stonden hoog in aanzien. Aanvankelijk bestonden ze alleen
in de steden, na 1200 ook op het platteland. De taken van de schepenbank waren
uitgebreider dan die van de huidige burgemeester en schepenen. Het was een
college van zeven leden, aanvankelijk aangesteld door de hertog, later door de
heer. Ze werden gekozen uit de notabelen en waren min of meer de notarissen van
hun tijd. Ze maakten contracten op, deden openbare verkopen, hypotheekacties
van goederen, beheerden de financiën van de gemeenschap, zorgden voor de
bescherming van weduwen en wezen en spraken recht in burgerlijke en criminele
zaken. Vanaf de 17de eeuw werd voor een verkoop meestal een beroep
gedaan op een notaris. De akte moest dan wel nog naar de schepenbank voor het
wettelijk passeren en het zegelen van het document. De schepenbank had immers
een eigen zegel en maakte met haar zegel het document officieel. De meier werd
in de schepenbank bijgestaan door een ondermeier of vorster. Die werd aangeduid voor drie jaar. Voor zijn aanstelling
moest hij een borgsom betalen. Het was zijn taak te helpen bij arrestaties,
veroordeelden op te sluiten en te bewaken in de vrunte en de kettingen en de boeien te bewaren. Op dorpsniveau was
de meier vertegenwoordigd door een dorpsofficier
en een collecteur, ook rendant genoemd, die de belastingen inde die de
bedezetters over alle belastingplichtigen verdeeld hadden[2].
De officier moest de bevelen van de meier en de schepenen uitvoeren, toezicht
houden op de jacht, op de bomen van de heer en op de bevolking.
Een proces voor de
schepenbank
Een zaak voor de schepenbank brengen,
kon men door een verzoekschrift in te dienen. De indiener of eiser werd de suppliant genoemd. Gebeurde het op een
andere manier dan heette de eiser aenlegger
en de verweerder gedaeghde. De beide
partijen hadden het recht om een procureur
aan te stellen om hun zaak voor de schepenbank te verdedigen, wat nu
advocaten doen. De procureurs boden hun eisen en verweer schriftelijk aan
waarna de zaak op de rolle kwam voor
kennisneming door de schepenen. Op deze schrifturen
volgden een replique, een duplique,
persisteringhe enz. Daar kon dan weer een antwoorde met verclaeren ende conclusie volgen. Tenslotte hielden
de procureurs hun pleidooien. Na veel getrek en geduw volgde het vonnis.
De griffiers werden per geschreven bladzijde betaald, wat de soms ellenlange uitweidingen en herhalingen verklaart die in veel documenten voorkomen. De drossaard of de dorpsofficier hadden ook het recht iemand rechtstreeks voor de schepenbank te dagen. Zij traden dan op als openbaar aanklager.
29 maart 1613. Keukengevecht met Walen.
Zondag
voor vasteavont 1613. Het ging er
flink aan toe in de keuken van Jans Van der Borght te Meldert. Jonge mannen
waren er samengekomen om wat te drinken en te dansen. Wanneer vreemde mannen
binnenkwamen, vloog er binnen de kortste keren huisraad door de keuken. Daar
kwam dan een proces van. Op verzoek van de overmeiers van het Land van Asse,
Wijngaert en Van Ginderachter ondervroeg vorster[1]
Van Langenhove enkele getuigen over de vechtpartij. Twee getuigenissen vonden
we terug in de Schepenbank van Asse[2].
Hun verklaringen leren ons niet alleen meer over de feiten, maar ook iets over
de toestand in Meldert.
De
eerste getuige was Thomas De Forminair, een steenhouwer van 28 jaar. Hij
verklaarde dat hij die avond in de keuken van Jans Van der Borght wat zat te
drinken met Ignace, een Waal en smid van beroep. In de loop van de avond kwamen
meerdere mannen binnen: de Walen Merten en Claes Cambie, Povre Jan, een zekere
Laureys en anderen waarvan hij de naam niet kende. Er ontstond heel wat kabaal
en ineens stond daar Merten Cambie met een roer[3]in zijn hand. Omdat hij niet wist wat Merten ermee wilde uitrichten, heeft
hij samen met de huisvrouw het roer afgepakt en het onder de tafel gegooid.
Daarop is hij naar buiten gegaan.
De
tweede getuige, Joos Querenin, 26 jaar, getuigde dat Povre Jan de aanstoker
was. Hij wou namelijk dansen met het meisje waarmee de knecht van Aert Robijns
danste. Maar die wou haar niet loslaten. Een woedende Povre Jan ging zijn rapier[4]
halen ende sijn rapier getrocken ende
meijnende in de camer te stecken ende snijden. Maar andere jonge knechten werkten hem de deur uit.
Povre Jan gaf echter niet op en stak door het venster in de mouw van de zoon
van Peter Van den Wijngaert. Peter, een paardenknecht van de abdij, kwam Povre
Jan ter hulp. De officier van Hekelgem (was die ook in de keuken?) trachtte het
rapier af te nemen en riep de anderen om hem te helpen. De paardenknecht
begreep de boodschap anders en sloeg de officier met een stok op zijn kop en
ging hem dan met zijn vuisten te lijf. Daarop liepen de broers Jan en Laureys
De Vleminck met Povre Jan weer naar binnen. Gillis Van Neervelt wou de situatie
wat ontmijnen en vroeg wat ze wilden drinken. Maar de anderen werkten de drie
weer de deur uit. Toen spanden de Walen Merten en Claes Cambie en Ignace
Emplicor samen met de drie en begonnen met stenen, schotels, kandelaars en
potten te gooien zodat er niemand met
ruste en conste wezen en de getuige werd een stuck van sijn ouze (?) geworpen.
De waard moest met zijn huisgenoten vluchten en liggend op den lochtinck zagen ze Merten Cambie
wel twee uur lang met zijn roer met brandende lont rondlopen.
Hoe
verliep het proces verder? Die vraag zal bij gebrek aan meer gegevens
onbeantwoord blijven, maar op een andere vraag is een antwoord mogelijk,
namelijk: wat deden die Walen in Meldert? Het beroep van de eerste getuige
geeft een aanduiding: hij was steenkapper. Dat doet ons denken aan de
zandsteengroeven van Meldert. Dat men voor de ontginning en het bewerken van de
stenen ook een beroep deed op Walen is best mogelijk. Op meerdere plaatsen in
Wallonië exploiteerde men al eeuwen steengroeven en in het begin van de 17de
eeuw was er nood aan steenkappers. Met het Twaalfjarig Bestand in 1609 kwam er
voorlopig een einde aan de godsdienstoorlogen. Na decennia van brandstichtingen
en plunderingen kon de bevolking aan de restauratie van de verwoeste gebouwen
beginnen. Wat er met de Sint-Walburgakerk is gebeurd, illustreert dat. Zij werd
zwaar geteisterd bij de invallen van de geuzen op 29 september 1579 en op 16
juli 1580. Het dekenaal verslag van 1596 vermeldt dat rebellen haar volledig
hadden uitgebrand. In 1598 begon het herstel met het koor, het noordelijk
transept volgde in 1608 en de toren in 1613[5].
Voor het herstel van de op 18 juli 1580 verwoeste abdij liet aartsbisschop en
abt van Affligem, Hovius, zowel te Laken als te Meldert een steenpoel openen.
Er werden ook stenen geleverd voor de bouw van de basiliek van Scherpenheuvel,
voor de Sint-Caroluskerk te Antwerpen, voor de Finnisterae en voor de
O.-L.-Vrouwkapel in Sint-Goedele te Brussel en voor de jezuïetenkerk te
Mechelen. Ook particulieren restaureerden hun verwoeste gebouwen. In veel
gevallen kochten ze zandsteen voor de voeling en voor de deur- en
raamomlijstingen[6].
Zo moet het ons niet verwonderen, gezien het grote werkaanbod, dat er Waalse
steenkappers te Meldert verbleven.
Wat
begon als een ruzie tussen twee Vlamingen om een meisje eindigde in een gevecht
tussen Vlamingen en Walen.
Joos
Buggenhout, den houtcapper.
Op
twee jaar tijd, in 1619 en 1621, kreeg Joos Buggenhout twee processen
aangesmeerd. Wat had deze ijverige man gedaan? Hij had op grond van anderen, zo
beweerden zijn aanklagers toch, hout gekapt en zelfs bomen gerooid. Zijn eerste
overtreding was duidelijk en een veroordeling volgde. De tweede aanklacht
leidde tot een ingewikkeld proces dat drie jaar duurde en dan nog geen
volledige opheldering over de feiten bracht.
20 januari 1619. De
stouticheijt van Joos Buggenhout.
Op 29
januari 1619 veroordeelde de schepenbank van het Land van Asse[7]
Joos Buggenhout tot een onmogelijke opdracht. Hij moest twee eiken die hij ten
onrechte had gerooid terug plaatsen. Wat was er gebeurd?
De H. Geestmeesters van Meldert verhuurden een weide van 1 bunder aan Gabriël Van Mulders. Die hield daarvan 1 dagwand voor eigen gebruik en verhuurde 1 dagwand door aan H. Geesttafel van Essene. Nu had Joos op sijne stouticheijt sonder wille wete off consente van de H. Geestmeesters twee eiken gerooid en den cant affgesteken om de voorschreven boomen aff te vueren. Bovendien was hij al begonnen met een derde boom te ontgraven den welcken hij oock soude affgehouwen hebben als de H. Geestmeesters dat niet waren te weten gekomen. Zij leefden peijselijcke ende vredelijcke tot Joos hen kwam turberen[8]. Daarom vragen zij dat Joos zal veroordeeld worden om de voorschreven boomen ende cant wederomme te stellen in staet gelijck die sijn geweest voor date van ’t voorschreven affhouwen ende ontgraven. Maar als dat niet kan, moet hij de waarde van de bomen vergoeden. Was getekend Van den Dijcke.
27 februari 1620. Een
huurcontract met de abdij.
Op
27 februari 1620 huurde Hendrik Van Ginderachter 1/3 deel van 30 bunder (= b)
60 roeden (=r ) land gelegen te Asse-ter-Heide op de Nieuwboskouter, waarvan
het resterende deel gepacht was door Ingel Van den Driessche en Joos Van
Nijverseel. Hij pachtte ook nog ¼ van 6 bunder 1 dagwand (= d) 45 roeden meers
en 3 d 85 r weide uit een geheel van 20 b gelegen te Essene. De akte werd verleden
door notaris Carel Van der Slachmolen. Anthoen De Clerck en Gabriël Van Mulders
stelden zich borg verbindende hunne
persoonen ende goederen, eigene ende vercregen ende te vercrijgen. De
looptijd bedroeg 9 jaar en de pachtprijs bestond uit 3 sisteren[1]
gerst, 2 sisteren roc, 1 sister haver voor elk bunder land, voor elke bunder
meers 12 gulden, voor elke bunder weide 8 gulden te betalen binnen den huijse van Affligem tot Brussele[2]
of elders daer hem geordonneerd sal worden in goed leverbaer graen op Kerstmis.
De huurder kreeg een aantal
verplichtingen opgelegd:
– De vooschreven landen wel ende loffelijck te oeffenen ende te labeuren in
tijde ende saisoene zonder de laatste drie jaren te veranderen van teelt.
– De meersen en de weiden te zuiveren
van braamstruiken en houtwas.
– Alle bruggen, waterlopen en wegen
onderhouden.
– De grachten en bermen onderhouden.
Indien de pachter aan die voorwaarden
niet voldeed, dan kon de abdij die karweien zelf laten uitvoeren tegen dubbele
kosten ten laste van de huurder.
– Onderverhuren is ten strengste
verboden tenzij met toestemming van de verhuurder.
– Het opgaande hout mag de huurder
kappen zolang dat met een houwmes kan.
– De bomen knotten mag als de takken 7
jaar oud zijn.
– De
huurder moet de gepachte percelen jaarlijks beplanten met 12 abelen of
populieren en die op zijn kosten in de was houden.
De
huurovereenkomst werd te Brussel ondertekend op 27 februari 1620 in
aanwezigheid van van de getuigen Anthoen De Clerck en Gabriël Van Mulders,
beiden inwoners van Meldert en van Charles Snellinck, rentmeester van de abdij.
21 januari 1621. Is
Joos Buggenhout de eigenaar?
Op
21 januari 1621 daagden Anthoen De Clerck en Ingel Van den Driessche Joos
Buggenhout voor de schepenbank van het Land van Asse[3].
Zij hadden van Gielis De Clerck een bos geërfd, Den Houstock geheten, gelegen te Meldert en grenzend aan de gronden
van de abdij langs twee zijden en met de andere zijden aan Merten Van Lichtere.
Het bos is al meer dan dertig jaar in hun bezit in vredelijcke ende paisible possessie sonder dat hun iemand daaerinnen
heeft geturbeert. Enige tijd geleden echter heeft Joos Buggenhout het zich
veroorloofd int voorschreven Bosch te
cappen off doen cappen eene groote quatiteijt elshout, wat in feite
neerkomt op diefstal. Daardoor zagen zij zich genoodzaakt zich tot het gerecht
te wenden om Joos bij vonnis te verplichten ’t
voorschreven affgecapt hout te stellen in alsulcken staet als ’t selve is
geweest voor zijn diefstal of hen te vergoeden na een behoorlijke taxatie
van het afgekapte hout.
9 maart 1621. Versueck
van Joos Buggenhout
In zijn antwoord vraagt Joos dat de
aanleggers hem schriftelijk laten weten op welke gronden zij hun klacht hebben
gebaseerd. Van hun advocaat Adriani wil hij weten met welke opdracht de twee
pachters hem hebben gemachtigd.
13 februari 1622. Het
antwoord van Joos Buggenhout.
Of er een antwoord kwam op zijn
verzoek, weten we niet. Hij reageert bijna een jaar later op de klacht. Hij
ontkent ten stelligste dat Anthoen en Ingel het bos hebben geërfd van Gielis De
Clerck, want die was er nooit de eigenaar van en dus kunnen zij het al geen
dertig jaar het bos in hun bezit hebben. De waarheid is dat het eigendom was
van Jan Van der Elst[4],
zoon van Peter[5],
die er jaarlijks 5 gulden erfelijke rente op betaalde zoals blijkt uit een
brief van 4 februari 1572. In die brief erkennen Barbara Van Nuffel, de weduwe
van Jan Van der Elst, en Jan Van der Elst, de zoon van Cornelis, als
toekomstige voogd van haar kinderen, dat zij aan Pauwelsen, de rentmeester van
de abdij Affligem, 378 gulden 4 stuivers aan achterstallige pacht moet betalen.
Die schuld was een gevolg van slechte oogsten en van verdrinckt stroo. Als pand voor de rente hadden zij onssen persoon ende goeden, have en erve gegeven.
Het document is ondertekend door meier Peter Van Langenhove en Gillis Motmans,
de bosmeester van de abdij.
Onderaan is nog vermeld dat het bedrag
werd verminderd met 29 gulden 91/2 stuivers voor de levering van boter aan de
abdij in 1576.
Volgens Joos hebben de aanleggers ten
onrechte een restitutie of een betaling gevraagd. Hun klacht is niet
ontvankelijk en hun eis dat hij de gerechtskosten zou betalen is dat evenmin.
Wat leert ons de brief van 1572? Dat
Jan Van der Elst al in 1572 een lening was aangegaan en er een rente voor
betaalde met het betwiste bos als onderpand.
22 maart 1622. Replycke
van Anthoen en Ingel.
De reactie van de aanleggers bleef
niet uit. Ze beweren nogmaals dat zij de eigenaars zijn en dat Joos ’t sijnen profijte hun hout heeft
gestolen. Van de schepenbank verwachten ze dat die bepaalt wie de eignaar was, zowel voor als na de afkapping.
Ze zijn er zeker van dat de gedaagde in
’t minste en sal connen thoonen van sijnder sijde eenige possessie te hebben
gehadt. Zijn afkapping was eene
naeckte spolie[6].
Ze voegen er nog enkele argumenten aan toe:
-Het kan zijn dat Jan Van der Elst in
1572 de eigenaar was. Maar als hij nadien het bos nog bezat, dan zou hij hen
zeker verboden hebben om dat hout te gebruiken.
– Ontkennen dat Gillies De Clerck een
vroegere eigenaar was en ook de schadeloosstelling weigeren is ongehoord.
– Hun sterkste argument: al vele jaren
gebruiken zij het hout van het bos, wat hun propriëteijt
genoech aenwijst. Met hun lanckdurige
possessie hebben sij (soo men seght) de panne metten steel.
15 november 1622.
Duplycke van Joos Buggenhout.
Op zijn beurt wil Joos de argumenten
van de tegenpartij weerleggen, want zij heeft egeene pertinente solutie gegeven. Niet Anthoen en Ingel, maar hij
is de eigenaar want al meer dan 15 jaar heeft hij sijne hoornebeesten daerop geweijdt ende groenwaerde genooten. Hij
aanvaardt hun stelling dat Jan Van der Elst ooit de eigenaar was, maar daaruit
volgt dat hij, in naam van zijn echtgenote, Kathelijne Van der Elst, erfgenaam
was van diezelfde Jan. Dat de aanleggers nu eens bewijzen dat zij het bos met
recht van opvolging hebben verkregen. Dat hebben ze nog niet gedaan,
integendeel zij soeken alle manieren te
ontwercken van den selven titel te exiberen[7].
Sij hebben egeen recht ter wereld zich eigenaar te noemen.
9 mei 1623. Tussentijds
vonnis.
Met een tussentijds vonnis lieten de wethouderen der poirt ende vrijheijt van
Assche weten dat ze niet in staat zijn om tot een uitspraak te komen sonder ierst ende vooral informatie genomen
te sijne op de feijten bij parijen geallegeert[8].
12 maart 1624. Joos
Buggenhout brengt nieuwe feiten aan.
Omdat er in de rechtszaak geen schot
komt, schrijft Joos op 13 januari 1624 een brief aan de Raad van Brabant en op
12 maart legt hij die aan de schepenbank voor. Het bos Den Houwelstock is belast met een jaarlijkse rente toebehorend aan
Geertrui Van den Bossche, de moeder van Ingel. Hij meent nu dat Ingel vroeger
er hout kapte als compensatie voor niet betaalde renten. Dat heeft hij aan
enkele mensen verteld. Maar Anthoen, de andere aanlegger, heeft er nooit hout
gekapt. Als bewijs voegde hij er volgend document aan toe:
Op 3 november 1572 bevestigden meier
Gillis De Clercq en Robert Van der Eycken, Jan Van der Elst, Peter De Clercq,
Joos De Clercq als laten van de H. Geesttafel van Meldert dat Jan Van der Elst
en zijn vrouw Barbele Van Nuffel beloofden jaarlijks 5 gulden te betalen als
erfelijke rente aan Peter Van der Jeught, zoon van Peter. Als onderpand gaven
ze, zoals toen gebruikelijk was, een perceel land van 62 roeden, gelegen op het
Pirenveld en grenzend aan het land van de abdij aan de ene zijde en met de
andere zijde aan Peter Van der Elst van Moorsel, achteraan aan de weduwe Jan
Van den Bossche en vooraan aan de straat. Ook een half bunder bos, ca 2
dagwand, Den Houwelstock geheten,
gelegen tussen de goederen van de abdij en die van Jan Van der Elst. Ten derde
nog een half dagwand land op het Zwanenveld, gelegen tussen de goederen van de
abdij en die van Gillis Slerc. Wanneer de rente 14 dagen na de vervaldag nog
niet is betaald, dan kon Peter Van der Jeught of na hem zijn erfgenamen commen slaen handt off handen aan de
panden en er zoveel van wegnemen tot het bedrag van de rente.Wanneer Jan Van der Elst en Barbele Van
Nuffel of na hen hun erfgenamen in staat zijn de lening af te lossen, dan moeten
zij 80 gulden betalen.
Om uiteindelijk tot een oplossing te
komen, nodigde Joos de schepenen van Asse uit om ooghsienelijck te demonstreren ’t goet daeraf. Hij bracht hen naar
het bos en bezorgde hen een overzicht van wat er sedert 1572 met het bos gebeurde.
In 1572 gaf Jan Van der Elst het bos,
samen met twee partijen land als onderpand voor een erfelijke lening aan Peter
Van der Jeught. Louis Van der Jeught volgde Peter op en nu zijn het diens
kinderen die recht hebben op de 5 gulden rente. Jan Van der Elst stierf
kinderloos. Zijn nicht Cathelijne Van der Elst, de vrouw van Joos, was een
erfgename samen met Anthoen De Clercq die erfde via zijn tante Barbara
(Barbele) Van Nuffel. Samen hebben ze de 5 gulden rente betaald tot 1620, dat
is enige maanden voor Joos het hout kapte.
Dat betwiste bos maakte al 30 jaar deel uit van een groter geheel. Dat andere deel (B op de tekening van Joos, zie hieronder) ligt ten oosten van Den Houwelstock (A op de tekening) en de ouders van Ingel Van den Driessche hebben dat ooit gekapt omdat zij daarop ook een rente betaalden. Maar 16 jaar geleden begon Ingel hout te kappen in A, het betwiste bos. Louis Van der Jeught eiste dan van hem dat hij de 5 gulden rente zou betalen. Ingel meende dat het geheel hem toekwam. Louis gebruikte dan het hout van Den Houwelstock zelf tot drie jaar geleden. Sindsdien heeft niemand de 2 dagwand (A) gehuurd omwille van de 5 gulden rente die erop rustte.
Toen 4 of 5 jaar geleden (!) het hout
weer kapbaar was hebben Joos en Ingel hun erfenis (de 2 dagwand, A) met berrender keerssen verkocht aan Anthoen.
Kort daarop verwierp Anthoen zijn aankoop omdat die van geender weerde was. Hij vroeg toen aan Joos om de helft van de
achterstallige renten te betalen. Die was gezet op het bos en de twee partijen
land, samen 3 d 12 r. Joos zou dan de helft van de rente hebben en dus ook de
helft van het bos. Anthoen heeft dan een van de kinderen van Louis Van der
Jeught naar Joos gezonden om de helft van de achterstallige renten te
ontvangen. Joos betaalde 24 of 25 gulden, de rest betaalde Anthoen. Vermits die
rente was gezet op 3 d 12 r waarvan Joos
1 d 12 r zodat hij nog de helft van bos A, ca 44 r moest hebben en die 44 r
heeft hij gekapt.
2 april 1624. Contrarie
defentiën van Anthoen en Ingel.
Anthoen en Ingel reageren nog een
laatste maal. Zij ontkennen ten stelligste dat Anthoen den questieusen bosch niet en souden hebben aengenomen als propriëtaris
van den selven bosch. Of zij nu het bos door aankoop, erfenis of op een
andere manier hebben verworven, dat heeft geen belang. Voor hen volstaat het
dat zij eigenaars zijn en dus was de gedaagde niet georloft geweest hun in de selve possessie feijtelijck te commen
turberen.
Besluit
Of de schepenbank een vonnis kon uitspreken, weten we (nog?) niet. Zonder officiële akten en zonder kadaster was dat een moeilijke opgave om een juist oordeel te vellen gezien de tegenstrijdige verklaringen. Ons komt het voor dat Joos Buggenhout wel de meest betrouwbare gegevens aanbracht. Iets voor een salomonsoordeel!
8 januari 1621 –
Soude Hendrick schuldich wesen[1]?
Hendrick Van den Driessche, herbergier
te Meldert en officier te Baardegem, huurde in 1618 een hofstede te Meldert van
Gillis Verhasselt. De huurprijs bedroeg 32 gulden. Hendrick zat blijkbaar in
moeilijkheden want hij liep een huurachterstand op van 23 gulden en er was nog
meer aan de hand. Hij had nagelaten om voor sufficiënte
borgstelling te zorgen en bovendien had hij nog twee appelbomen getrunckt op de forme gelijck men een wilg
soude truncken. Voor Gillis Verhasselt waren dat voldoende redenen om de
huur op te zeggen, maar Hendrick weigerde te vertrekken zodat Gillis zich
genoodzaakt zag zich tot de schepenbank van Asse te wenden. Hij wil van de
schepenen bekomen dat ze Hendrick verplichten de huurvoorwaarden na te komen.
Op 8 januari 1621 kreeg Hendrick te
horen dat hij geen recht heeft op de hoeve en op al wat er daar te vinden is.
24 januari 1621. Een
huurcontract.
Op
24 januari 1621 ondertekende Gillis Van den Wijngaert een contract voor de huur
van een woonhuijs met eenen coollochtinge
gelegen op Den grootten Domentschen
Dries. Het was eigendom van Ingel Huijghe. Het contract gold voor 6 jaar en
de prijs bedroeg 12 Rg, te betalen op 21 januari en dat vanaf 1622. Voor het
lopende jaar moest hij met Kerstmis 12 Rg betalen. Gillis Van Onchem en Geraard
De Grom waren de getuigen, Gillis handtekende met een merkteken.
Toen Jan Van Ghete (Van Gete, Van Geite) en zijn vrouw
Anna Van den Meerssche hun hofstede en 75 roeden land aan hun zonen nalieten,
konden zij wellicht niet vermoeden dat hun erfenis aanleiding zou geven tot
bijna een halve eeuw ruzie. Hun hoeve, Het Schuerbeke genoemd, was een half
bunder groot en lag in het gehucht Klaarhaag grenzend aan de goederen van de
abdij, aan dat van de weduwe en de erfgenamen van Bartolomeus De Rycke en aan
de straat. Na hun dood kwam hun hofstede in het bezit van twee zonen Jacob
(Jacques) en Jan, elk voor de helft. Omdat er na hen nog meerdere nakomelingen
met de naam Jan en Jacob voorkomen, hebben we omwille van de duidelijkhied die
namen genummerd. Jan I was de man van Anna Van den Meerssche. Hun zonen zijn
Jan II en Jacob I. Jan II trouwde met Marie Sherts en kocht 1 dagwand land
gelegen op het Schuerbekeveld. Van hen kennen we een zoon, namelijk Jan III. Na
de dood van Marie hertrouwde Jan II met Josijne Shuijghs en samen konden ze de
andere helft van de boerderij van Jacob I kopen. Blijkbaar was die in
financiële nood geraakt door de troublen
ende quaden tijt. Hun zoon is Jacob II. Jan II sterft als eerste en na de
dood van Josijne zou de boerderij waarschijnlijk onder de twee zonen worden
verdeeld, maar het liep anders. Jacob II was noch jonck van jaeren ende noch eene weese die de koijen was wachtende
en de oudere broer Jan III profiteerde van het feit dat zijn halfbroer nog een
kind was en heeft goederen aengeslaegen
ende de selve blijven gebruijcken gelijck hij ’t selve alsnoch jegenwoordelijck
is doende. Het ging om de hoeve, 1 d en 75 r land. Wanneer dat precies
gebeurde kunnen we uit de stukken niet opmaken, maar het eigengereid optreden
van Jan III was de aanleiding tot een proces voor de schepenbank van Asse dat
meerdere jaren duurde. Het verloop van het proces was moeilijk te volgen daar
er stukken ontbraken. Dat telkens dezelfde voornaam Jan opdook, vereenvoudigde
de teksten niet. Daarom geven we onderaan de vier generaties, betrokken in het
proces, schematisch weer[3].
De klacht van Jacob II.
Het eerste stuk uit de bundel is
het versuecke van Jacob II, de
aanlegger, aan de schepenbank om enkele getuigen te verhoren. Jacob II is dan
77 jaar en landmeter te Moorsel. De aanklacht was al vroeger ingediend, maar
ontbreekt in de bundel. Als gevolg van dat verzoek verhoorden meier Arnouldt
Adriani en schepen Gijsbrecht Van der Borght van de schepenbank van Asse op 17
juli 1624 drie getuigen. De meier en de schepenen wilden nagaan of Jan III, de
oudere halfbroer, de boerderij en de twee percelen land van hun vader ten
onrechte had ingepalmd.
De eerste getuige was Charles Van den Meerssche, pastoor te
Gijzegem en 84 jaar. De pastoor weet dat de grootvader van Jan III en Jacob II
de hoeve “Het Schuerbee” bezat, want hij heeft er nog gelogeerd. Na de dood van
Jan I ging de hofstede naar Jan II en zijn broer Jacob I. Vele jaren geleden
heeft hij eens een document in handen gehad waaruit bleek dat Jacob I zijn deel
van de hofstede had verpacht aan zijn broer Jan II.
De tweede getuige was Jan De Wolf, een pachter van Moorsel,
50 jaar. Ook hij heeft Jan II en zijn vrouw gekend en hij weet nog dat Jan II 1
dagwand land op het Schuerbekeveld kocht van Margriete Beeckmans, die Margriete
Stevens werd genoemd. Na de dood van Josijne, de tweede vrouw van Jan II, heeft
de oudste zoon, Jan III, de gedaagde in dit proces, de vermelde goederen
aangeslagen en hij heeft ze nog.
Anthoen Cooreman, de derde getuige, is ook een landbouwer van Moorsel.
Hij is 56 jaar. Over Jan II vertelde hij dat die vuijt den boesem van sijne ouders was gebruijckende en besittende de
halve hofstede en 75 roeden land. De andere helft heeft hij met zijn tweede
vrouw Josijne gekocht van zijn broer Jacob I. De gedaagde, Jan III is
tegenwoordig in het bezuit van al die goederen.
Een nieuwe wending in het proces.
Op 27 januari 1628 sloten Peter
Cooreman en Jan Van Ghete een overeenkomst.
Peter, een inwoner van Baardegem wou zijn aandeel in Het Schuerbeke, dat
via zijn vrouw in hun bezit was gekomen, verkopen aan Jan.Wie was die Jan Van
Ghete? Als Jacob II in 1624 het verzoek om getuigen te verhoren bij de
scepenbank indiende, was hij al 77 jaar en zijn halfbroer, Jan III, was nog
ouder. Die oderdom laat ons toe te veronderstellen dat beiden in 1628 al
overleden waren In dat geval kon Peter Cooreman een schoonzoon zijn van Jan III
en bezat hij een deel van diens erfenis. De koper, Jan IV kan dan een zoon zijn
van Jan III die zijn aandeel wou uitbreiden. Maar hij kon ook een zoon zijn van
Jacob II die een deel van zijn vaders goederen op die manier terug wou.
Drie dagen later maakten Peter
Cooreman en Jan IV hun overeenkomst officieel door samen met Joos Van
Langenhove voor notaris Arnouldt Adriani en de laten van het laathof Ter Borght
van Baardegem te verschijnen. De verkoop behelsde de helft van de hofstede aan
Jan en zijn vrouw Anna Brants. Peter Cooreman toont aan de notaris seker geschrift dat bewijst dat hij op
17 januari 1608 die hofstede verkocht heeft aan JanVan Ghete. Wie die Jan was blijft voorlopig onduidelijk.
Vijf maanden later, op 28
juni1628, werd de akte verleden door notaris Adriani geregistreerd door de
laatbank van Ter Borght, de laatbank van Joncker
Jacques Borluijt, filius Jacques. Adriaan Van Langenhove, man van Margriete
Van Ghete, was de griffier. Voor de laatbank waren meier Jan Van Langenhove,
Jan Van Bisen en Jan Beeckmans aanwezig.
Een nieuwe Jan Van Ghete
Om de zaak nog ingewikkelder te
maken dook in 1631 een Jan op die zich verzette tegen de toe-eigening van de
hofstede na Jan III door zijn kinderen, namelijk Peter Van Ghete die bijgestaan
werd door Peter Van Langenhove, de man en voogd van Jenneken Van Ghete, Michiel
Degdemaeckers, man en voogd van Marie Van Ghete, Jan Steenman, man en voogd van
Barbara Van Ghete en Adriaan Van Langenhove, de man en voogd van Margriet Van
Ghete.
Deze Jan IV is dan een zoon van
Jacob II. Hij weerlegt de argumenten van de kinderen van Jan III:
– Dat Jacob II zijn deel van de
hoeve aan hun vader, Jan III heeft verkocht, is niet waar.
– Dat hun vader de hoeve al over dertich, veertich ende meer jaeren
altijt als zijn eijgen ende propre goet heeft in gebruijckt ende gepossideert betekentniet dat hij de eigenaar was.
– Datde
klacht van 1624 volgens hen waardeloos is omdat Jacob II toen al te seer oudt ende kints was is abusivelijck want leden van sulckenen ouderdomordinaire
noch sijn thunnen leste verstande.
Er volgde nog een reactie van Jan
IV. Op 28 oktober 1631 daagt hij zijn aanklagers uit om met schriftelijke
bewijzen te komen.
Besluit
De onvolledige bundel en de meerdere namen Jan Van Ghete maakten dat het verloop van het proces moeilijk te volgen was. Gezien het tijdstip, eind 16de en begin 17de eeuw, boden de parochieregisters geen hulp om de gezinnen te reconstrueren. Toch was het interessant om na te gaan hoe een erfeniskwestie decennia lang een familie kon verdelen.
16 september 1625.
Krijgt de langstlevende alles[1].
Steven
De Hooghe bezat een hoeve van 1 dagwand op het Dorp te Meldert, palende aan het
goed van Geert Vermatten en aan de Sollendries. Hij was getrouwd met Josijne De
Middeleere, maar het huwelijk bleef kinderloos. Hij overleed sonder hoir van sijnen lijf achter gelaten
te hebben. Het bedrijf werd gesplitst: zijn weduwe, Josijne, kreeg de helft
en de andere helft ging naar Jacquemijne, het enig kind van zijn overleden
broer Jan. Josijne was tochteresse
van die helft. Ze hertrouwde met Lenaert Van der Heijden. De problemen begonnen
na het overlijden van Josijne. Hendrik Segers, de man van Jacquemijne, eiste nu
het volledig bezit op van Jacquemijnes deel. Maar Lenaert bleef de hoffstadt int geheele besittende sonder
van den voorschreven helfft te willen afstaen. Om tot een oplossing te
komen, daagde Hendrik Lenaert voor de schepenbank van Asse. Van de schepenen
verwachtte hij dat ze Lenaert zouden verplichten Jacquemijnes deel af te staan
en ook alle vruchten, baten ende
prouffijten die hij genoot sinds de dood van Josijne. Bovendien wilde hij
inzage van alle documenten van Steven De Hooghe, die Lenaert in zijn bezit had.
Lenaert
antwoordde op 16 september 1625. Hij ontkende dat na de dood van Steven de
boerderij werd gesplitst. Dat kon niet omdat het Godthuijs van Affligem op het hof een cijns hief wat, zo beweerde
hij, inhield dat het goed van de ene langstlevende op de andere langstlevende
overging. Zijn vrouw erfde, als langstlevende de gehele boerderij en na haar
dood kwam ze hem toe. Hendrik Segers had er geen enkel recht op. Hij beschikte
wel over twee documenten van Steven De Hooghe. Het eerste document is een akte
van 5 december 1594 en is opgesteld door de meier en de laten van de abdij en
handelt over de helft van de boerderij, wat dus in tegenspraak is met zijn
bewering dat er nooit een splitsing was. Het tweede document dateert van 11
december 1517 en is ook verleden door de schepenen van de abdij in hun laathof
van Baardegem.
Het
laatste document uit de bundel is de herhaalde vraag van Hendrik Segers om acces te hebben om inspectie genomen te
worden van de twee brieven.
Jan Mannaert trouwde 24 juli 1629 met Margaretha
Blanckaert. Zij kregen twee kinderen, Jan gedoopt op 23 oktober 1629 en Petrus,
gedoopt op 9 januari 1634. Het echtpaar bezat een hofstede aan Den Oensbosch waar voordien een bos was.
De hoeve grensde aan het Duivelsveld en aan Peter Van den Bossche en Joos Van
den Houte. Na de dood van Jan werd de hoeve gesplitst in twee: de helft ging
naar zijn weduwe Margaretha Blanckaert en de andere helft naar Paesschijne
Altssteen (Haltssteen of Halsteen) en haar man Gillis (Egidius) De Nil. Over
hun huwelijk vinden we in de parochieregisters geen spoor.
Na de dood van Jan Mannaert hertrouwde Margaretha met
Joos Van den Houte op 9 april 1640. In het nieuwe gezin werden nog twee
kinderen geboren: Michael, gedoopt op 23 oktober 1641 en Judocus, gedoopt op 20
april 1644. Gillis De Nil en Paesschijne Altssteen hadden ook twee kinderen:
Lieven en Peter. Gillis hertrouwde na de dood van Paesschijne met Elisabeth Van
den Berghe. Na de dood van Margaretha Blanckaert ontstond er een familieruzie.
Haar deel kwam toen toe aan haar kinderen, maar Gillis De Nil die de hele
boerderij beheerde wou het andere deel niet afstaan. Uiteindelijk kwam het tot
een schikking tussen Joos Van den Houte die optrad voor de kinderen van
Margaretha en Jan Mannaert en Gillis De Nil als voogd voor zijn kinderen met
Paesschijne. De overeenkomst int
minnelijck met malcanderen overcommen werd voorgelegd aan de stadhouder en
de leenmannen van het Godthuijs van
Affligem[3]. In
die overeenkomst was bepaald dat Gillis afstand zou doen van de Margaretha’s
deel, dat beide partijen, Joos en Gillis, binnen de zes weken het contract door
de kinderen moesten laten goedkeuren en dat het ook ter goedkeuring werd
voorgelegd aan de wethouders van Asse als overmomboiren
(voogden). De kosten van het proces werden verdeeld over beiden.
De voogden voor de kinderen van Margaretha, Jan
Blanckaert en Simoen Moyersoen ondertekenden op 7 juni 1641, maar Gillis echter
maakte geen aanstalten om zijn kinderen het contract te laten tekenen en omdat
hij in faulte is gebleven zag Joos
zich verplicht in te treden den wech van
rechte enzich tot de schepenbank
van Asse te wenden. Op die aenspraecke reageerde
Gillis op 18 november 1642 met het meest gebruikte argument: niet ik maar Joos
is de verplichtingen niet nagekomen, want hij zelf is bereet het selve contract van sijne sijde te voldoen voor soo vele hem
is mogelijck soo haest als hij aenlegger (Joos) van sijne sijde het selve sal hebben voldaen.
We zijn al de 25ste februari 1643 als Joos Van
den Houte een replycke geeft op het
antwoord van Gillis. Hij stelt dat de gedaagde, Gillis, van de griffier, in de
plaats van een kopie, de twee originele stukken heeft meegekregen en die nu al
maanden achterhoudt. Zijn advocaat zal hun toezegging nog eens bevestigen en
hij is bereid om andermaal voor de schepenbank te verschijnen om zijn akkoord
te herhalen, maar dan wel op voorwaarde dat de bijkomende kosten voor Gillis
zijn omdat die door zijn frivoliteijt
ontkentenisse ende impertinentie verantwoordelijk is voor de bijkomende
last.
Op 25 februari 1643 keurden de overmeier en de schepenen
van de Vrijheid van Asse de transactie van de helft van de boerderij, die
Gillis ten onrechte in bezit had, goed zodat Gillis niet anders kan dan het
contract te ondertekenen. Maar de bijkomende kosten van het proces wil hij niet
betalen. Niet hij maar Joos heeft gereageerd alvorens hij de overeenkomst kon
goedkeuren en in dat geval moet hijj de kosten betalen. Hij weerlegt ook dat
zijn advocaat de twee originele stukken zou hebben meegenomen. In een latere
reactie gaat Gillis nog een stap verder en beweert hij dat Joos de documenten
heeft laten antidateren. Op 1 december 1643, na drie jaar procederen; maakten
de schepenen hun besluit bekend: naer
voorgaende advies van geleerde en meesters in de rechten. Ze kunnen geen
vonnis vellen omdat de beide partijen eerst nog moeten verklaren dat wijlen
Paesschijne Halststeen van Gillis geen andere kinderen heeft gehad dan Lieven
en Peter De Nil.
30
maart 1645. Gouden ringen aan de cleerschapprije[4].
Gillis Plas was koster en schoolmeester. Dom Wilfried
Verleyen vermeldt hem in zijn boek over Meldert als koster in 1634, 1635, 1636
en 1648 met de opmerking dat hij zijn taak als schoolmeester verwaarloosde,
maar later toch beter onderwijs gaf. Hij trouwde met Jenneken (= Johanna) Van
Andenhoven (ook Van Handenhoven) uit Wieze. Voor hun trouw in 1634 kocht
Jenneken eene coetse met eene garderobe
voor eene somme van vijfftich rinsgulden ende acht stuyvers. Jenneken
betaalde 48 gulden, maar niet de resterende 2 gulden 8 stuivers omdat volgens
haar de verkoper, Jan Van den Nest, een schrijnwerker uit Dendermonde in de cleerschapprije moest steken copere vergulde
ringhen tot verciersel off stoffeersel der selve schapparije, wat hij niet
had gedaan. We mogen wel veronderstellen dat Van den Nest herhaaldelijk
trachtte om aan het resterende bedrag te komen, maar Jenneken betaalde niet.
Uiteindelijk diende hij een klacht in bij de schepenbank van Asse. Wanneer dat
precies gebeurde weten we niet, want de bundel is onvolledig, de klacht
ontbreekt, maar er zijn nog voldoende stukken om het verloop van het proces te
volgen.
In zijn replycke,zijn antwoord op de reactie van Gillis
Plas en zijn vrouw, verklaarde Jan dat Jenneken na haar huwelijk tweemaal 24
gulden betaalde in aanwezigheid van Jan Doornix omdat Jenneken qualijck geld kende ende conde tellen. Bleef nog te
betalen 2 g 8 st of 1 pattacon[5].
Ook na de dood van Jenneken weigerde Gillis de pattacon te betalen. De
argumenten die hij aanvoerde zijn waardeloze bewijzen, vond Van den Nest. Ze
dienden tot niets zoals het vijffde rat
totten waegen. Zo beweerdeGillis
dat de schrijnwerker berooft van sinnen
is. Maar het tegendeel is waar want hij heeft vernomen dat Gillis berooft van sinnen is. Voor zijn tweede
argument steunde Gillis op het placcaert
van hooghoffelijck memorie van wijlen den keijser Carel den vijffden. Volgensdat plakkaat[6],
dat verkopen regelde, viel het geëiste bedrag niet onder coopmanschap omdat de geleverde goederen niet in goede staat waren
gezien de ontbrekende vergulde ringen. Maar Gillis was niet aanwezig bij de
aankoop van de koets en dus kon hij dat niet weten. Tot hiertoe heeft het
proces hem al 5 g 11 st gekost, maar hij is een man van eer met een goede naam
die zijn ambacht verdedigt. Daarom is hij bereid een eed te doen dat al wat bij
beweert waerachtich is.
Met een dyplycke reageerde
Arnoult Adriani, de advocaat van Gillis Plas, op de replycke van Van den Nest.
Die heeft de koets niet aan Jenneken verkocht, waerachtich is dat Jan Doornix de koper was. Zijn vrouw was de zus
van Jenneken want zij zouden in 1634 ook trouwen. Die koop is gesloten op
conditie dat er vergulde koperen ringen in de schapraai zouden steken. Als dat
niet het geval was dan zou de koopsom slechts 48 gulden bedragen. Dat kunnen
Jan Doornix en zijn vrouw, wijsene
luijden met eere, getuigen en dat zullen ze affsweeren onder eedt.
Ook al liepen voor Jan Van de Nest de proceskosten al
hoger op dan het bedrag dat hij kon recupereren, hij bleef verder procederen
met een triplycke op 21 november
1645. Jenneken heeft wel degelijk de koets met garderobe gekocht want zij spraeck met haeren mondt dat zij de
pattacon zou betalen. Het getuigenis van Jan Doonix is niet geldig, vindt hij.
Als schoonbroer is hij te naer maeschap. Het
plakkaat van keizer Karel, waarop Gillis zich steunde om de pattacon niet te
betalen, slaat niet op een schuld en is dus niet van toepassing. Hij getuigt
nog eens dat hij is gereputeerd binnen
den stede van Dendermonde ende alomme elders.
Versueck van Gillis
Plas. Op 23 mei 1645
diende Gillis nog een verzoek in bij de schepenbank. Het is hem opgevallen dat
de advocaat van Van den Nest, Charles Van der Slachmolen, nergens heeft
bevestigd dat hij door Van den Nest is aangesteld om zijn zaak te bepleiten.
Van die aanstelling wil hij officieel op de hoogte worden gebracht en hij wil
ook de schriftelijke bewijzen van de aanklacht zien.
Om zijn zaak kracht bij te zetten verscheen Jan Van den
Nest op 15 november 1645 voor notaris
Joos Impens te Dendermonde om in
handen mijns notaris onder eed te verklaren dat hij in het proces ter goeder trouwen ende in sijne consciëntie
niet beters weet off hij is daerinne wel gefondeert. Bovendien draagt hij
zijn advocaat Van der Slachmolen op om, indien nodig dezelfde eed voor hof, wet ende vierschaere af te leggen.
Susteringhe van Jan Van
den Nest. Gewapend
met de akte van de notaris reageert Van den Nest op een nieuw verzoek van
Gillis Plas van 19 juni 1646. Dat frivolen
ongefundeerden versuecke diende alleen maar om het proces te laten
aanslepen.
Responderinghe van
Gillis Plas. De
advocaat van Gillis, Arnoult Adriani, greep de “susteringhe” van Jan Van den
Nest aan om op 19 oktober 1646 alle argumenten van de tegenpartij te weerleggen.
Verbael van de
schepenbank. Op 23
januari 1647, 13 jaar na de verkoop, kwam de schepenbank in actie. De schepenen
Peter Van Mulders en Arnoult Adriani (voorheen advocaat van Gillis Plas)
ondervroegen enkele getuigen. De eerste die aan het woord kwam, was Peter Mesquin, 40 jaar en smid. Hij
legde de eed af bij Guillam Van Langenhove, de vorster van het Land van Asse.
In de winter van 1634 is de vrouw van Jan Doornix, inwoonster van Wieze, bij
hem thuis geweest samen met de voorsone van
Gillis Plas. Zij wou de jongen naar zijn thuis brengen. Daar het zeer koud was,
had hij doen aenleggen eenen mutsaert om
hun te wermen. Zo bij het vuur zittend op de bierbanck kwam het proces ter sprake. De vrouw van Jan Doornix zei
toen dat Van den Nest de vergulde ringen, die Jenneken had gevraagd, niet had
geleverd.
Cathelijne Vergillis, de 32-jarige vrouw van Peter Mesquin,
getuigde als tweede. Zij herhaalde wat haar man had gezegd en voegde eraan toe
dat ze bereid was om naar Dendermonde te gaan om aan Van den Nest te vragen of
hij hem niet en schaemde den voorschreven
pattacon te heijsschen door dien hij de voorschreven ringen niet en hadde
geleverd.
De schepenen Peter Van Mulders en Jan Tsas ontvingen op
15 februari 1647 Carel Van der Slachmolen en Jan Van den Nest. Zij wraakten Jan Doornix, de zwager van Gillis Plas,
als getuige. Een zekere Bisschop, daar ook aanwezig, voerde aan dat zowel de
vrouw van Jan Doornix en Jenneken Van Andenhoven en hun kinderen waren
overleden. Dat argument was voor de schepenen voldoende om Jan Doornix toch te
ondervragen. De 49-jarige Doornix verklaarde dat de koets en de garderobe niet
door Jenneken en Gillis waren gekocht, maar door hem en zijn vrouw. Meester Jan
Van Grootendaele, chirurgijn te Dendermonde, had zich borg gesteld voor die
aankoop. Hij betaalde 48 gulden bovenop het vertier in de Gouden Leeuw te
Dendermonde. De koets was wel bedoeld voor Jenneken, de zus van zijn vrouw. Het
geld kwam van Jenneken als betaling voor seker
leengoed. Nadien had hij nog horen zeggen, zowel van Jenneken als van Jan
Van den Nest, dat er 6 vergulde ringen bij de garderobe moesten zijn die 1
pattacon zouden kosten.
Responderinghe van Jan Van den Nest. Zoals te
verwachten was, volgde er op 5 februari 1647 nog een reactie van Van den Nest
bij de schepenen Jan T’ Sas, Peter Van Mulders en Steven Van de Velde. De koop werd
met Jenneken gesloten omdat hij met Jan Doornix niet tot een akkoord kwam.
Decisie van de
schepenen. Uiteindelijk
reageren de schepenen. Volgens hen moest er een antwoord komen op drie vragen:
1 Is de eis tot betaling van 1 pattacon gerechtvaardigd?
2 Is het plakkaat van keizer Karel van toepassing op deze
zaak?
3 Heeft de aanlegger de 6 gulden ringen beloofd?
Uit voorgaande bleek volgens de schepenen:
1 Dat gedaagde Gillis heeft moeten toegeven dat zijn
vrouw de koets en garderobe had gekocht voor 50 g en 8st en daarvoor al 48 g
had betaald.
2 In het schuldenboek van aanlegger Jan was te zien dat
nog 1 pattacon moest worden betaald. Pleit ook voor de aanlegger dat hij is presenteerende sijnen deugdelijcken eedt.
3 Het plakkaat van de keizer is niet van toepassing, want
de gedaagde zegt al een som betaald te hebben.
4De Gedaagde had de garderobe niet mogen
aanvaarden toen bleek dat, zoals hij had gevraagd, de vergulde ringen niet in
de garderobe zaten.
5 Wat Peter Mesquin en zijn vrouw getuigden, wisten ze
van horen zeggen. Maar van hooren seggen
lieght veele. Peter beweerde ook dat Van den Nest had gezegd dat de ringen
maar 2 blanken[7] kosten,
wat niet waar is, ze kosten12 stuivers.
6 Het is duidelijk dat Jan Doornix zijn schoonbroer met
zijn getuigenis heeft willen helpen.
Daarom besluiten ze dat aanlegger Van den Nest recht
heeft op de ontbrekende som van 2 g 8 st en dat de gedaagde Gillis Plas de
proceskosten moet betalen.
Besluit
Drie zaken vallen op. Ten eerste dat de schepenen pas na
jaren procederen, getuigen oproepen en dan tot een vonnis komen. Het is ook
merkwaardig hoe sommige namen steeds terugkomen: Van der Slachmolen, Adriani …
In dit proces trad Adriani eerst op als advocaat en
nadien als schepen, Van der Slachmolen als advocaat en overmeier van het Land
van Asse. Ten slotte valt ook de verbetenheid van Jan Van den Nest op. Jaren
bleef hij procederen omwille van zijn eer en van zijn ambacht, zelfs al liepen
de kosten hoger op dan wat hij kon winnen.
Peter De Craecker was zo vermetel om
drie bomen te planten aan de straat lopende van Meldert naar het Kravaal (de
Putstraat?). De achterliggende akkers huurde hij van de abdij. Maar hij had
daarvoor geen toelating en omwille van sijne
usurpatie ende temerariteijt (onbezonnenheid) kreeg hij een eerste amende. De barones van Jauche, de Vrouwe
van en tot Asse, had er eveneens bomen laten planten, maar of zij een amende
kreeg, wordt niet vermeld.
Peter beging echter nog een
overtreding. In de Goede Week reed hij met paarden en wagen op een voetweg en
over bezaaide akkers op De Hoevekouter[9].
Hij was op weg naar zijn dochter in Opwijk en koos blijkbaar voor de kortste
weg. De officier van Baardegem kreeg daarover meerdere klachten en meldde het
voorval aan de meier en die veroordeelde Peter tot eene pene van drije rinsguldens.
In Meldert kwam er in de eerste helft
van de 17de eeuw één Peter De Craecker voor, getrouwd met Catharina
De Brandt. Zij hadden zes kinderen:
Jacoba, °17 juni 1629, Egidius, °13
maart 1632, Maria, °7 maart 1634, Adriana, °6 november 1636, Anna, °6 mei 1638,
Petrus, ° 27 februari 1642.
24 maart 1656. Jan
Herman: metten minne geene betaelinghe[10].
Jan Herman ( Heremans), vergezeld van
Jan Pardoens, kocht op 24 maart 1656 te Aalst bij Joanna De Man, weduwe van
Franchoijs Van Haelen de volgende goederen:
– 2 ¾ ellen laken aan 13 schellingen
een el.
– 4 dozijn knopen aan 5 groten het
dozijn.
1 trekdraad en 10 ellen lint aan 5
groten 8 schellingen.
1 paar kousen aan 36 stuivers.
In het totaal had hij voor 2 ponden 9 schellingen 5 groten[11] gekocht. Na de verdeling van de erfenis van Franchoijs Van Halen was zijn handboek terecht gekomen in handen van Romein De Craeckere, ontvanger van Aalst. Die stelde vast dat de aankoop van Jan Herman nog niet was betaald. Nadat er metter minne geene betaelinghe volgde, richtte hij zich tot de schepenbank van Asse met de vraag om Jan Herman te veroordelen tot de betaling van de ontbrekende som.
26 september 1657. Gij
sult mij bier tappen voor mijn gelt[1].
In opdracht van Johannes Charles
Crabeels, hoofdmeier van het Land van Asse, ondervroegen de schepenen Bisschop
en Gillis Breem drie getuigen van een vechtpartij op 26 september 1657 in de
wijk Klaarhaag. Het vechten ontstond op een woensdagavond in de herberg van brouwer
Joos De Wolf en zijn vrouw Anthonijne Van den Meerssche. Nadat enkele mannen
behoorlijk veel hadden gedronken, kwam er ruzie over het bedrag van het gelag
en het eindigde met stokslagen en zelfs met een messteek.
De eerste getuige was de waardin Anthonijne,
45 jaar. Zij legde de eed af bij officier Anthoen Van Ransbeke. Volgens haar
relaas waren die woensdagavond Andries Van den Meerssche, officier van Moorsel,
Christiaan Peters en anderen in haar herberg verzameld. Joos De Meersman, zoon
van Joos, en Adriaan De Kegel kwamen later binnen en veroorzaakten onmiddellijk
tumult. Joos vroeg Anthonijne om brandewijn te schenken, wat zij weigerde omdat
haar brandewijn niet en dochte. De
twee laatkomers dronken dan maar bier tot de tante zei dat zij wel een maat
brandewijn wou schenken om Joos te plezieren. Het gevolg was dat Joos
brandewijn bleef vragen en zelfs de anderen trakteerde. Toen hij eindelijk de
rekening vroeg en Anthonijne hem antwoordde dat zij voor zijn gelag 5 stuivers
1 oord vroeg, begon Joos te fulmineren
ende crackeel te soeken seggende dat sij hem te veele wilde doen geven. In
zijn woede gooide hij een bierpot en twee glazen stuk op de vloer en stampte
met een voet op de schapraai. Adriaan De Kegel volgde zijn voorbeeld en smeet
ook een pot en twee glazen op de vloer stuk. Tegelijkertijd hebbendeseer leelijck gevloeckt soo bij de duivels als bij Godt en brachten
ze iedereen in roeren ende groote
vervaertheijt. Joos riep nog blaest
het licht vuijt, wat de waardin kon verhinderen. Dan sprong Adriaan met
zijn landmeterstok op de tafel. Op het rumoer en getier kwamen de knechten van
Joos De Wolf uit de keuken gelopen met clippels,
stokken. Joos De Meersman liep wijselijk naar buiten en Adriaan, die nog van de
tafel viel, volgde zijn voorbeeld.
De smid Christiaan Peters, 30 jaar en
smid te Moorsel, getuigde als tweede. Hij schetste een vollediger beeld van die
woelige avond. Hij had gezien dat Joos De Meersman en Adriaan De Kegel
brandewijn dronken en toen hij voor hun consumpties 5 stuivers 1 oord moest
betalen, riep hij dat Anthonijne was
liegende off dat het soo veele niet en was. Hij bleef dat maar herhalen
waarop zij hem verweet dat hij alleen maer
crackeel en sochte. Een woeste Joos gooide een stoel op de vloer en Adriaan
gaf Anthonijne een kaakslag. Dat had hij beter niet gedaan, want zij haalde een
bank uit de keuken en sloeg er Adriaan mee in zijn gezicht in sulcker vueghen dat sij daermede het vel van sijnen neus was in
stucken slaende ende dat hij wat was bloedende. De dochter, die ondertussen
was binnengekomen, nam een stang uit de schouw om De Kegel daarmee te lijf te
gaan, wat getuige Christiaan kon verhinderen en hij en Andries Van den
Meerssche waarschuwden de ruziemakers zich koest te houden of zij souden hun vuijt slaen. Voor De Meersman
was dat voldoende om te kalmeren en om peijs
te maecken onder malcanderen liet hij van bij zijn thuis een mutsaard halen
en de waardin bier tappen. Nadat zij nog vijf potten bier, ’t sij min off meer, hadden gedronken, weigerde Anthonijne nog meer
bier te schenken, want het was al na middernacht. De Meersman bleef moeilijk
doen: gij sult mij bier tappen voor mijn
gelt off de duivel salt halen. Zij schonk dus nog bier, wat tot meer
moeilijkheden leidde. Joos en Adriaan smeten een bierpot en twee glazen op de
grond. Toen Adriaan op de tafel sprong, vertrok Joos met zijn vrouw. Christiaan
zag dan dat brouwer Joos De Wolf met zijn zus Gudula en de knecht van hun
vader, elk met een stok in de hand, binnen kwamen. De Kegel kreeg zo’n slag dat
hij tussen de tafel en de bank tuimelde en probeerde buiten te komen. Maar hij
had een lanck bloot mes in sijne handen en
stak ermee in de mouw van Christiaan. Die vroeg hem waarom hij hem stak.
Adriaan antwoordde dat hij het niet op hem had gemunt. Dan sloeg de knecht hem
tweemaal in zij zijde en riep hem toe: gij
sijt eenen korffdraeger. Die repliceerde: gij sijt een hond.
De derde getuige was Marie, de
25-jarige meid van Joos De Wolf. Zij bevestigde de verklaring van Christiaan
Peters. Zij had ook gezien dat Adriaan sijn
mes langen tijt te sien hebbende in sijne handen en toen hij het mes
weggooide heeft hij haar vinger gekwetst.
In het Gezinnenboek Moorsel van D.
Aelbrecht vonden we het gezin van Joos De Wolf. Hij en Anthonijne Van den
Meerssche trouwden te Moorsel op 4 oktober 1635. Zij kregen12 kinderen die
allemaal in Moorsel werden gedoopt:
1 Jan, °07 -07-1636, peter Johannes De
Wolf, meter Martina Vinck.
2 Gudula, °14-01-1638, peter Judocus
De Wolf, meter Gudula Van Langenhove.
3 Adriaan, °06-04-1640, peter Adrianus
Van den Meerssche, meter Adriana Van den Bossche.
4 Anna, °09-02-1642, peter Anthonius
Van Boven, meter Anna Van der Meerssche.
5 Michael, °05-12-1643, peter Michael
Coremans, meter Judoca Crakers.
6 Paschasius, °17-12-1645, peter
Paschasius De Wolf, meter Margareta Coremans.
7 Anna, °23-10-1646, peter Joannes Van
Biesen, meter Anna Van de Storme.
8 Egidius, °29-10-1648, peter Egidius
Van den Meerssche, meter Anna De Wolf.
9 Maria, °12-05-1650, peter Gerardus
De Rob, meter Maria De Beijcker.
10 Judocus, °15-03-1652, peter Judocus
Ancheau, meter Martina Van den Meerssche.
11 Cornelius, °06-11-1653, peter
Cornelius Van den Meerssche, meter Paula Verdoodt.
12 Martinus, °18-10-1656, peter
Judocus Van den Meerssche, meter Anna De Wolf.
13 mei 1658. Seer
scandaleuse sitten sijn …. op den wech[2].
Hoofdmeier Crabeels liet enkele
getuigen van een zeer bizar voorval op 13 april 1658 ondervragen door Peter Schelkens
en schepen Gillis Breem.
Enkele tevoren, op een donderdag
stapte Peter De Schoenmaker, een dove inwoner van Moorsel, maar afkomstig van
Merchtem, van De Klaarhaag naar Kokerij. Aan de dries gekomen deed hij zijn
schoenmakerskorf af en hurkte tegen de hofstede van Gillis Carnoy om achterwaerts te gaen. Toen hij wou
rechtstaan, viel hij achterover, wat Joos De Nil, een toevallige passant, deed
uitroepen: Peter valt daer in sijne
vuijlicheijt. Peter Pauwels, de ondermeier van Affligem, kwam daar ook
voorbij en die greep Peters korf en wandelde ermee weg. Met eene haesticheijt stond de schoenmaker op en liep Pauwels
achterna, nog met sijn hemslippe op sijn
broecke. Bij de ondermeier gekomen, rukte hij de korf van zijn rug. Pauwels
gaf zich niet gewonnen. Het werd daar een trekken en duwen tot Pauwels zijn roer, zijn klein musket, nam en zijn
tegenstander er herhaaldelijk mee stootte.
Tot de dove Peter het wapen kon grijpen en Pauwels een ferme klap op
zijn hoofd gaf. Die vluchtte weg naar de Zurenmeerskouter, achternagezeten door
de schoenlapper. Tot zover het relaas van de eerste getuigen Joos De Nil. Hij
was de zoon van Joos, handwerker en 53 jaar. Hij legde de eed af in de handen
van vorster Hendrik Van Innichoven. Wat er op de zurenmeerskouter gebeurde,
heeft Joos niet gezien, wel zag hij korte tijd nadien dat Anthon Van Ransbeke,
geholpen door Gillis Van den Wijngaerde en Peter Meskens een ernstig gekwetste
Peter Pauwels naar het huis van Meskens bracht. Joos tekende zijn
getuigenverslag met een X.
De smid Peter Meskens, 47 jaar en
tweede getuige, verklaarde dat op die bewuste donderdagnamiddag de knecht van de
weeskinderen van Gillis Carnoy naar zijn huis kwam gelopen en tegen hem en de
officier Van Ransbeke zei dat de dove Peter de Schoenmaker een dode man had
gezien. Zij liepen naar de aangeduide plaats en vonden daar Peter Pauwels seer dapper gequetst liggen in het veld
van Gillis Van den Wijngaerde tegen de Zurenmeerskouter. Zij vroegen hem wat er
gebeurd was en hij bracht er moeizaam uit dat de schoenlapper hem had geslagen.
De twee mannen brachten Peter naar het huis van de smid. Daar kon de ondermeier
het voorval beschrijven. Hij had Peter De Schoenmaker bevonden seer scandaleuse sitten sijn gevoeg doen op den wech daer hij
moeste passeren. Hij had dan voor de grap zijn schoenmakerskorf meegenomen.
Daerinne gram wordende had de
schoenmaker hem zwaar toegetakeld. Peter Meskens zag drie steekwonden: twee op
zijn hoofd en een diepe wonde in zijn schouder. Peter tekende zijn getuigenis
met zijn naam.
De 42-jarige Michielijne (Machlijn) De
Kegel, vrouw van Gillis De Meersman, kon meer informatie over de vechtpartij
verstrekken. Zij zag Peter Pauwels met een korf op zijn rug weggaan van Peter
de schoenlapper die midden op de Kokerijdries sijn broecke was opnestelende, een stok namen Pauwels achtervolgde. Terstond begonnen de twee mannen elkaar
te slaan. Plots trok de schoenmaker een mes en sloeg ermee op het hoofd en de
schouder van Pauwels. Zij hoorde die roepen: sout ghij mij steken oft wilt ghij mij steken. Al vechtend vielen
ze toen op de grond. De schoenmaker die eerst recht kroop, gaf de ondermeier
weer een slag op zijn hoofd zodat hij omver viel en sloeg dan nog eens met zijn
korf. Pauwels riep dan dat het genoeg was. Meer had zij niet gezien want het
was tijd om naar haar werk te gaan. Later bemerkte ze dat Pauwels naar het huis
van Meskens werd gebracht door Anthon Van Ransbeke, Peter Meskens en Gillis Van
den Wijngaerde. Ze ondertekende haar verklaring met Machlijn De Kegel.
Pachter Pauwel Robijns, 43 jaar kwam
vertellen wat hij van zijn knecht, die op een veld aan de Kokerijdries werkte,
had gehoord. Die had twee mannen op de dries zien ruzie maken om een koffer.
Toen hij dichterbij kwam, herkende hij Peter Pauwels en Peter De Schoenmaker
van Moorsel. Die laatste had in sijn hant
een bloot mes waarmee hij Pauwels bedreigde zodat die wegliep naar den messinck van de wesen Gillis Carnoy. De
knecht merkte toen op dat Pauwels seer
bebloet op sijne linke seijde was. De schoenmaker vertrok met zijn koffer
naar het huis van Gillis De Meersman, zag dat Pauwels hem volgde en keerde
terug naar de weg, nog steeds gevolgd door de ondermeier. Meer wist de knecht
daarover niet te vertellen. Was getekend Pauwel Pobijns.
Vermits van Michilijne De Kegel de
naam van haar man vermeldde, namelijk Gillis De Meersman, kunnen we ook het
gezin reconstrueren. Zij trouwden te Meldert op 7 mei 1638 en hadden 5
kinderen:
Over Pauwel Robijns, telg van een
gekende familie, beschikken we over meer informatie. Hij werd te Hekelgem geboren
in 1628 en overleed te Meldert op 3 februari 1671. Hij trouwde op 10 november
1640 te Essene met Adrienne Breynaert. Pauwel was pachter te Meldert. Van de
abdij huurde hij in 1655 16 b 32 r land en 5 b 77 r weiden in de Faluintjes en
nog 6 d 26 r land en de tiende van 13 b 1 d 32 r voor 460 gulden. Zij hadden 7
kinderen:
– Lucas, °20-08-1643, student te
Leuven, overleden te Meldert op 1 september 1667. Hij had wellicht al lagere
geestelijke wijdingen ontvangen.
– Anna, °ca 1645, trouwde met Jan De
Witte op 2 december 1675. Zij woonden aan de Nieveldries. Jan werd griffier van
de abdij voor het leenhof en de schepenbank.
– Catharina, °21 06-1646, trouwde te
Hekelgem met Joos Van Nuffel op 18-11-1675.
– Johanna, °18-02-1658 en overleden op
29-08-1665.
– Jan, °24-08-1667, trouwde met
Catharina Van den Wijngaerde.
– Martinus, overleden op 03-09-1667.
– Jacqueline, overleden op 24-12-1690.
10 april 1663. Hij
was soo stout van in haer huijs te commen[3].
Op 10 april 1663 daagde officier
Guilliam Van der Borght 3 Meldertenaren voor de schepenbank van Asse.
Hoofdmeier Charles Ignatius Crabeels wou hen ondervragen nopende seecker fout gepleegd door een Jan, gekend als
Gaesemaeckers, in het huis van Gillis Van Onchem[4]
in de nacht van 7 op 8 april.
Die nacht kwam zijn broer Jan, zo
getuigde Gillis, op zijn kamervenster kloppen omdat hij had gezien dat zijn
meid een man, Jan Gaesemaeckers, had binnengelaten. Hij was aan haar venster
gaan luisteren en had gehoord dat die Jan bij
haer te bedde was gegaen. Gillis had daarvan niets gemerkt en ook niet
gehoord dat de meid om hulp riep. Hij deed zijn vrouw opstaan en den solfferstock ontsteken hebbende ging
ze naar de kamer van Marie, de meid. Daar zag ze Jan op het bed zitten en een
lachende Marie vertelde haar dat Gaesemaeckers in de kamer was gekomen omdat
hij meende dat Gillis dronken was. Een woedende Gillis schold Jan uit voor rabant fiel ende diergelijcke omdat hij sulcke dingen in sijn huijs quampt doen. Wat
Jan antwoordde, verstond Gillis niet want hij had wel degelijk gedronken. ’s
Anderendaags vernam hij nog dat Jan met sijne
maerte van te vooren diverssche reijsen vleeschelijck hadde te doen gehadt ende
namentlijck op den halff vasten dach tweemael mette selve vleeschelijck te
hebben geconverseert. Gillis ondertekende met zijn naam.
Gillis’ vrouw, Jenneken (Joanna)
Geertsman, 22 jaar, werd als tweede ondervraagd. Zij bevestigde dat haar
schoonbroer Jan een paar dagen tevoren hen had gewekt omdat Gaesemaeckers in
hun huis was. Haar man wou hem eerst niet geloven, maar na aandringen van Jan
beval hij haar naar de kamer van Marie te gaan. In de kamer zag ze
Gaesemaeckers treckende sijne broeck op
en Marie zei dat hij haar niets had misdaan. Haar man werd kwaad, gaf haar een
stok en zei smijtse alle beijde ten
huijse vuijt. Eerst vroeg ze Jan nog waarom hij soo stout was van in haere huijs snachts te commen. Spottend
antwoordde die dat eenen hond sijnen neus
in den pot stack die was open vindende. Gaesemaeckers is dan vertrokken,
maar de meid bleef op bed liggen tot de volgende morgen sonder op te staen off eenich misbaer te maecken. Zij ondertekende
met Jenneken Gertsman.
Marie Van Storme, de 18-jarige meid,
was de dochter van Cathelijn Van Droogenbroeck. Haar relaas, tegengesteld aan
de vorige verklaringen, sprak het meest tot de verbeelding. Zij verklaarde dat
Gaesemaeckers in de nacht van 8 april op haar venster klopte en vroeg om binnen
te komen. Ick laet niemand inne, had
zij geantwoord. Als uwen meester dat
seght, doet gij open, was zijn wederwoord. Zij is dan opgestaan en heeft de deur geopend. Jan is beginnen te trecken middtsgaeders haeren
covel op te heffen ende …. (we willen de lezers niet doen blozen) … ende ten lesten soo gesleurt ende getrocken
tot in haer camerken alwaer hij haer naer lanckduerich sleuren ende roepen
heeft op het bedde geworpen ende haer hemde opgeheven … (idem) … haer bekent tegen haeren wille ende
consent. Dan heeft hij haar vastgehouden tot haar meesteres kwam. Aan haar
heeft ze bekend dat ze meerdere malen haar meester en meesteres heeft geroepen
dat Gaesemaeckers haar wilde verkrachten. Zij zijn niet gekomen hoewel ze haar
zeker gehoord hebben want de deur van haar kamer komt uit in de keuken en die van haar meester ook. Haar meesteresse vroeg Gaesemaeckers nog of
hij haar verkracht had. De schepenen
Jan Van der Slachmolen, Gillis Breem en Maerten Robijns zijn naar haar
kleurrijk verslag van een wilde nacht komen luisteren. Marie ondertekende met
een X.
7 december 1666. Een
huwelijkscontract om alle questiën ende geschillen te vergoeden[5].
Tegenwoordig kijken we er niet van op
als iemand voor de derde keer trouwt. Hoogstens hoor je een wat oudere persoon
zuchten: “In wat voor tijd leven wij toch!”, alsof dat vroeger niet voorkwam.
Onder staande tekst bewijst het tegendeel. Maar er is een groot verschil. Toen
hertrouwde men uit bittere noodzaak. Wanneer een vrouw van een gezin met
kinderen stierf, hertrouwde de man zo snel mogelijk, want er was een vrouw
nodig om voor de kinderen te zorgen omdat hij van ’s morgens tot ’s avonds aan
het werk was. Stierf de man en zijn vrouw bleef met kinderen achter, dan moest
zij op zoek gaan naar een nieuwe kostwinner voor het gezin.
Op 20 maart 1666 sloten Michiel Van de
Putte, nog vrijgezel en zoon van Jan, en Cathelijne Van der Slagmolen een
huwelijkscontract voor notaris De Bisschop om
te vergoeden alle questiën ende geschillen. Dat was nodig want Cathelijne
trouwde voor de derde maal. Met haar eerste man, Andries Wouters, had ze twee
kinderen, Joanna, te Meldert gedoopt op 13 januari 1657 en een tweede dochter
waarvan we de naam niet konden achterhalen. Na de dood van Andries trouwde ze
op 21 januari 1660 met Laureijs (Laurentius) Robijns[6].
Ook met hem kreeg ze twee kinderen, namelijk Petrus, overleden te Meldert op 13
september 1667 en Franciscus, gedoopt op 17 januari 1666 en overleden te
Meldert op 27 februari 1715. Amper twee maanden na de geboorte van Franciscus
trouwde ze met Michiel Van de Putte. Hun huwelijkscontract bevat enkele
specifieke bepalingen voor haar vier kinderen en voorziet ook een regeling voor
toekomende kinderen.
– Michiel en Cathelijne brengen al hun
bezittingen, huidige en toekomstige in hun huwelijk.
– Als Cathelijne eerst sterft, dan is
Michiel verplicht haar vier kinderen te onderhouden van cost ende dranck, cleeren ende leeden ende houden ter schoolen gaen
naer hunnen staet tot de leeftijd van 16 jaar. Tot die tijd kan Michiel
over al hun goederen en renten beschikken.
-Trouwen de kinderen of nemen ze de
geestelijke staat aan, dan hebben ze recht op 50 gulden als huwelijksgeschenk
of dot.
– Wie ongehuwd of leek bleef, had
recht op 100 gulden, meer mocht, minder niet.
– Voor de erfenis van hun hoeve gold
een aparte regeling.
Met haar tweede man, Laureijs Robijns,
had Cathelijne op 29 oktober 1665 van Joannes Van Nuffel, bosmeester van de
abdij, als enige erfgenaam van zijn oom Jan Wouters, een hofstede te Meldert
gekocht voor 2350 gulden. Het was een boerderij met den huijse, schuere, stallen, hopnast ende andere edificiën daerop
staende. De hoeve was de helft van een perceel van 5 d en grensde ten
noorden aan de straat, ten oosten aan een weide die deel uitmaakte van het
domein en eigendom bleef van Van Nuffel, ten zuiden aan François De Vis en de
weduwe Peter Van den Wijngaerde. Op de boerderij rustte een grondcijns van de
abdij van 10 schellingen. Als pand gaven ze Lauwereijs kindsdeel in de goederen
van zijn moeder en van zijn vader. Bij de ondertekening van het contract
betaalden Laureijs en Cathelijne 1 000 gulden. Voor het resterend bedrag
zouden ze elk jaar met Kerstmis 81 gulden betalen tot de kwijting van het hele
bedrag. In die som was ook de rente van 6 g 5 st vervat voor Gillis Van
Nijverseel. Die 81 g zou komen van de erfenis van Anna Stevens, de overleden
moeder van Lauwereijs (+ 1644), en van zijn vader Peter Robijns na diens
overlijden (+ 1667). Het contract bepaalde nog dat de langstlevend de vrije
beschikking zal hebben over de helft van de aangekochte boerderij. Zoals toen
gebruikelijk was ook opgenomen dat, als de jaarlijkse afbetaling niet gebeurde,
de verkoper het recht had om te slaen
hand off handen aen de voorschreven panden tot de volle betaling van het
achterstallig bedrag. Voor de schepenbank van de abdij waren aanwezig: Melchior
Van den Driessche, Jan Van Langenhove, meester Philips Van Gete, Nicolaas Robijns,
Gillis De Bally en Adriaan Van Nuffel. M. Wambacq ondertekende de verkoopsakte.
Toen Cathelijne met Michiel Van de
Putte trouwde in maart 1666, bewoonde Cathelijne de hoeve. De aparte regeling
in hun huwelijkscontract voor de erfenis van de boerderij hield in dat in geval
van een overlijden van een van de echtgenoten, de langstlevende recht had op de
volle eigendom van de helft van de boerderij. Na de dood van beiden zou de
hoeve als volgt worden verdeeld. De helft gaat naar de twee kinderen van Cathelijne
en Lauwerijs, de andere helft naar toekomende kinderen. Voor de andere
bezittingen gold dezelfde regeling.
Cathelijne en Michiel kregen nog drie
kinderen: Adriana, °27-03-1668, Petrus, °12-04-1671, Maria, °13-10-1674.
Maar de koopsom was nog niet volledig
betaald en dat leidde tot latere problemen.
Jan Wouters, de oud-bosmeester had aan
Anna Wouters, begijn te Mechelen bij testament een rente van 25 gulden
toegekend. Als Anna zou sterven dan kwamen de 25 gulden toe aan de kinderen van
Cathelijne en Andries, Johanna en haar zus. Johanna ontving de gulden en vergat
de helft ervan aan haar zus te geven. Na meerdere pogingen de zaak met den minnen te regelen, wenden
Johanna en haar man Peter De Valck zich tot de schepenbank van Asse om haar zus
te verplichten haar deel te betalen. Het kwam tot een akkoord: zij zou het
bedrag van drie jaren, plus intrest betalen, wat echter niet gebeurde.
Maar er was meer aan de hand. Michiel
Van de Putte kon de beloofde 81 gulden niet betalen. Daar de hoeve
gehypothekeerd was, wou Elisabeth Robijns[7],
de weduwe van Jacques Van Droogenbroeck, molenaar op de Bellemolen te Essene en
die de weide ernaast al in haar bezit had, van de situatie profiteren om de
hoeve in handen te krijgen. In de rechtszaak over de renteverdeling voegde zij
de kwestie van de hoeve eraan toe, geassisteerd door Cathelijnes derde man,
Michiel Van de Putte. Hoe die zaak haar beslag kreeg, vernemen we uit latere
documenten[8].
Peter De Valck wil de
hoeve verkopen.
In 1689 laaide de smeulende
familieruzie weer op. Peter De Valck, getrouwd met Joanna Wouters, de dochter
uit Cathelijnes eerste huwelijk, wilde absoluut de hoeve verkopen. Die verkoop,
zo stelde een vonnis van de schepenbank van 12 juli 1689, zou volgens de
volgende voorwaarden verlopen:
– De kopers konden na het doven van de
brandende kaars en na betaling van de beden
en andere belastingen onmiddellijk over het gekochte goed beschikken.
– Na de toekenning, de palmslag, kan nog geboden worden tot
profijt van de verkopers.
– De kopers moeten voor elke gulden
van de koopsom 1stuiver betalen voor de kosten van de verkoop.
– De kopers moeten goede ende solvente borg stellen Voor de
registratie ervan betalen ze de drossaard, de schepenen en de griffier 7 st.
– Er is een zitdag en de koopsom moet
binnen de vier weken betaald zijn.
– De verkoper overhandigt binnen de
drie weken na de verkoop de nodige documenten aan de drossaard en de schepenen.
Hij zal daarvan een kopie krijgen.
– Indien de vorster of de oproeper die
de verkoop leidt, zich vergist, dan sal die
vrijelijck mogen repeteren ende herhalen zonder tegenspraak van anderen.
– Alle verplichtingen die op de
goederen rusten, blijven gelden na de verkoop.
– Indien blijkt dat de borg van de
koper onvoldoende was of de betaling gebeurde niet tijdig, dan verviel de
verkoopsovereenkomst. Was het bedrag van de tweede verkoop hoger dan sal dat wesen ten prouffijte van de
vercoopers ende geenszins tot prouffijte van alsulcken eersten gebreckelijcke
cooper. Lag het bedrag lager dan moet de eerste koper het verschil
bijpassen.
In de familie rees verzet tegen de
manier waarop Peter De Valck de verkoop had geregeld. Michiel Van de Putte was
niet akkoord met een enige zitdag en met de betalingstermijn van vier weken.
Hij vond dat ontwijselijck. Hoe meer kerckgeboden, dit is hoe meer
afroepingen in de kerk, hoe meer tijd de mensen hadden om de hoeve te
bezichtigen en dus ook hoe meer kandidaat-kopers. Soo sullen wij commen ten hoochsten weerde, meende hij. Mogelijke
kandidaten zouden ook afhaken omdat de tijd om hunne coopsomme te soecken off gereet te maecken te kort was.
Dan was er ook nog het probleem dat de
hoeve nog niet was betaald. Aangekocht door Cathelijne met haar tweede man,
Laureijs Robijns, had Cathelijne met haar derde man, Michiel Van de Putte het
nodige geld niet bij elkaar gekregen. Op 26 juli 1689 beslisten de schepenen de
verkoop uit te stellen.
De schuldenblijven.
Uit latere documenten[9]
blijkt dat de schuldenlast op de boerderij niet werd afbetaald. Na de dood van
Michiel in 1696 en van Cathelijne in 1701 ontstond er ruzie over de erfenis.
Een nalatenschap leidt vaak tot onenigheid en zelfs tot levenslange
vijandschap. In dit geval, met kinderen uit drie huwelijken, is dat niet
verwonderlijk. De erfgenamen uit het eerste en het tweede huwelijk van Cathelijne
kantten zich tegen Peter, een zoon van Cathelijne uit haar derde huwelijk met
Michiel. De eerste partij, de aanleggers, na pogingen om alles in der minnen te regelen, spanden een
proces in bij de schepenbank van Asse. Dat waren:
– Uit het eerste huwelijk: Elisabeth
De Valck, dochter van Peter en Joanna Wouters, met haar man Jan De Coster.
– Uit het tweede huwelijk: de kinderen
van François Robijns (zie voetnoot 1), namelijk Peter, Andries en Catharina
Robijns.
De gedaagde in het proces was Peter
Van de Putte.
De nalatenschap van Michiel en Cathelijne bestond, behalve uit de vermelde hoeve uit een boerderij te Baardegem. De aanleggers verweten Peter Van de Putte dat hij zich de hoeve te Meldert had toegeëigend en al jaren souden hebben geprouffiteert ende genoten de meubelen, peerden, koijen ende andere bestiaelen met waeghens, ploegh, egde ende andere getuigh mitsgaerdens de pachtgoederen, den houtwas, besaijtheyt ende alle andere voordelen sinds het overlijden van de ouders. Peter rechtvaardigde die inbezitneming door te wijzen op het feit dat hij alle schulden van de boerderij had betaald en dat die achterstel verre te boven gingen de weerde van het goed, de betaelinghe van de vuijtstel van twee dochters ende den onderhoud van eene moeder. Pas op9 april 1726 kwam de schepenbank tot een vonnis. Peter bleef eigenaar van de hofstede te Meldert en de aanleggers erfden elk 1/6de van het hof te Baardegem. Ze moesten bovendien 2/3 van de proceskosten betalen.
Joos
Van den Houte[2],
bedesetter van Meldert geraakte in een conflict met Adriaan Van Nuffel in
verband met zijn collecte en zijn rekeningen van het hoofdgeld. In een proces
voor de schepenbank van Asse werd Van den Houte veroordeeld tot het betalen van
2/3 van het betwiste bedrag, nl 47 gulden en 5 ½ stuivers. Maar Adriaan ging
niet akkoord met het vonnis en richtte zich tot de wethouders van Brussel. Daar
verdedigde Ludovicus Naechtegael de stad Brussel tegen Joos Van den Houte. Na
mislukte pogingen om de zaak in der minne te regelen en zelfs na verscheyde menselijcke vermaeningen werd
het voorgaande vonnis werd bevestigd. Overtuigd van zijn gelijk, legde Joos
zich niet neer bij de opgelegde betaling en hij richtte zich tot de Soevereine
Raad van Brabant waar men het geschil nog aanhangig was.
In 1667 spanden inwoners van Meldert bij de Raad van Brabant een proces aan tegen hun bedesetters. Bosmeester Joannes Van Nuffel, Pauwel Nicolaas, Joos Robijns, Jan Vermatten, Jan Van Iegem, Joos De Clerck, Peter Geerstman, Thomas en Joos Van den Wijngaerde, Joos De Meersman, Ingel De Ridder, Gillis Van Onsem, Gillis Heijman en vele anderen ondertekenden op 9 maart 1667 een verzoek aan Joannes Van Nuffel, kapelaan van Sint-Goriks te Brussel, om voor hen een lening van 400 gulden aan te gaan. Dat bedrag dachten ze nodig te hebben om de proceskosten te kunnen betalen. De lening zou na twee jaar afbetaald worden. Alle ondertekenaars stelden zich garant voor de terugbetaling.
Waarover het geschil met de bedesetters ging, weten we niet. Het moest alleszins gaan over lasten die de bedesetters oplegden en die veel Meldertenaren als onterecht beschouwden.
Handtekeningen van onder meer Pauwel Robijns, Niclaas Robijns, het merk van Joos Van de Wijngaert, Joos Robijns, Joannes Van Nuffel, Thomas Van den Wijngaert, Gillis Heijmans, het merk van Ingel, Jan Van Ieghem, Joos De meerrsman, Jan Vermatten ….
[1] R.A. Leuven, notaris Michael De Bisschop te Asse van 1654 tot 1688.
19
augustus 1668. Den officier gestooten ende gesleurt vuijt den huijse[3].
Wat gebeurde er op 19 augustus 1668 in
de herberg van Gillis Breem. Volgens Peter De Hageleer werd hij gestampt en
geslagen door Gillis Vinck en Franchois De Vis, maar volgens hen hebben ze hem
alleen bij de hand genomen om met hem te praten. Voor De Hageleer, officier te
Meldert had hij redenen genoeg om bij de drossaard van het Markizaat en de
Vrijheid van Asse, Charles Ignatius Crabeel een klacht tegen de twee in te
dienen.
In zijn klacht verklaarde hij dat hij
de avond van 19 augustus in de herberg van Gillis Breem was om de cafébezoekers
te controleren. Hij verwees daarbij naar de placcaten
van den lande gericht aan alle officieren. Daarin werden zij strictelijck bevolen alle stonden en
plaetsen te visiteren, de herbergen en cabaretten om te sien wat persoonen
aldaer sijn logerende off drinckende. Besonder om te beletten de twisten ende
gevechten die de selve peroonen souden mogen beginnen. We mogen aannemen
dat heel wat officieren deze opdracht seer
strictelijck nakwamen en zich geregeld in de herbergen lieten zien, dus ook
De Hageleer.
Die 19de augustus
constateerde de officier dat Gillis Vinck en Franchois De Vis seer hooge woorden ende crakeel hadden.
Hij trachtte de twee te kalmeren, maar ze waren als rasende en hebben nergens willen mede tevreden sijn. Integendeel,
hun woede richtte zich tegen hem en zij eisten met veele affdregende woorden dat hij onmiddellijk zou vertrekken
anders zouden ze hem daer vuijt slaen.
Peter ging niet weg en daarom hebben ze hem promtelijck
geaggreseert, gestooten met vuijsten ende voeten ende gesleijpt off gesleurt
vuijt den huijse gelijck een eerloos persoon. Tijdens dat gevecht had hij
zijn hoed verloren en die moeten ze hem vergoeden. Dat hij, als man van de wet,
werd aangevallen, had seer quade
consequentie. Immers de justitie werd op die manier onder den voet gebrocht. Peter De Hageleer vroeg de drossaard dan
ook dat beide mannen werden gestraft, ’t
sij civilijck off communelijck off andersints conform de plakkaten.
Zoals te verwachten was, gaf Gillis Vinck een heel andere uitleg
over wat er in het café was gebeurd. Dat de officieren de herbergen bezoeken om
ongeregeldheden te beletten, daarmee ging hij akkoord. Maar het was ook hun
taak om de velden te bewaken en ervoor te zorgen dat de vruchten niet werden
beschadigd. Wat de officier hem ten laste legde is onwaar en dat zal hij in der eeuwigheijd niet connen bewijzen.
De waarheid is dat hij Peter minnelijck
metter handt genomen heeft en hem
treckende goedertierelijck op d’ een sijede
gezegd heeft dat hij zoveel
schade had aan zijn boekweit op Den Suerenmeerschkouter. Hij smeekte hem: Gaet daer eens henen ende besiet ’t selve,
ick weet dat ghij de beschaedigers inne vinden sult. Officier Peter wou
niet gaan, hij bleef sitten drincken als
een van de compagnie. Gillis heeft hem dan minnelijck metter handt hebbende hem gezegd dat het zijn plicht was
om de veldvruchten te bewaken en als iemand een schadegeval aangaf, hij die
zaak moest onderzoeken. Ze zijn dan samen minnelijck
metten hande hebbende naar buiten gegaan tot aan den messinck, waar ze lange tijd met elkaar hebben gesproken.
In zijn antwoord stelde de drossaard
dat een officier niet op twee plaatsen tegelijk kan zijn.
Het antwoord van Franchois De Vis is
een kopie van de verklaring van zijn kompaan Gillis. Ook hij heeft de officier minnelijck metter handt genomen nadat
die weigerde om de schade aan zijn vitsen[4]
vast te stellen terwijl de beschadigers nog op het veld waren. Hij bleef liever
zitten drinken met de anderen. Nadat hij hem nog eens op zijn plicht wees, zijn
ze samen minnelijck tot aan de
mesthoop gegaan en daar bleven ze een hele tijd praten. Pas daarna begon de
officier getier maeckende als off hij den
haes misbruijckt soude hebben.
5 september: verhoor van
getuigen.
De schepen J. Slachmolen en meester
Van Mulders als griffier verhoorden in opdracht van de drossaard drie getuigen.
Peter Mannaert, 36 jaar was opgeroepen door Peter De
Hageleer. Hij heeft Gillis en Franchois op 19 augustus 1668 in de herberg van
Gillis Breem gezien. Zij hadden daar eenighe
hooge woorden ende crakeel en de officier is tussenbeide gekomen. Maar
beide mannen antwoordden hem met affdreegende
woorden dat hij moest vertrekken of dat ze hem anders naar buiten zouden
slaan. Daarop hebben ze hem, slaand en stampend, tot aan de mesthoop gesleurd.
Hij zag nog dat de officier zijn hoed verloor.
Als tweede getuige was Peter De Hageleer, 40 jaar, opgeroepen.
Hij voegde nog enkele opmerkelijke feiten toe aan zijn klacht. Gillis en
Franchois hadden ruzie met Peter Mannaert. Gillis had een hael[5]in zijn handen en Franchois een tang. Om het krakeel te sussen heeft hij
hen aangesproken: hola, siet wat gij
doet, daer en moet niet gevochten worden. Maar ze waren niet te bedaren. Na
bedreigingen hebben ze hem geslagen, gestampt en naar buiten gesleurd. Veertien
dagen lang heeft hij veel pijn gehad soo
dat hij nauwelijcks gaen noch staen en coste.
Tenslotte sprak Joos Van den Houte, 61 jaar en afkomstig van Asse-ter-Heide. Volgens hem hadden de twee ruzie met Peter Goetvinck en enkele anderen uit de groep. Voorts verklaarde hij hetzelfde als Peter Mannaert. Als enige voegde hij er nog aan toe dat hij de officier weer zag binnenkomen met een andere hoed op zijn hoofd.
1 maart 1670. Sij
heeft met haeren sikkel een cap gegeven[1].
Op 25 maart 1670 was ik, Elisabeth Van
Ginderachter, weduwe van Jan Van Onchem[2],
met mijn zoon Hendrik in de herberg Het Withuis op de Domentse dries. We
dronken een glas met Peter, de zoon van Margaretha Van Kersavond, de weduwe
Peter De Kempeneer[3].
Toen Margaretha met twee andere zonen binnen kwam, begon zij onmiddellijk met
krakeel tegen mijn zoon en opeens sloeg zij met haar sikkel een kap in zijn
hoofd. Daarop vielen zij en haar zonen mij en mijn Hendrik aan. Ze sloegen met
stokken en andere dingen. Plots sloeg de weduwe met een stok zo hard op mijn
hoofd dat er een diepe wonde ontstond. Ik verloor veel bloed en als gevolg van
die slag heb ik twee maanden en half te bed gelegen. Er was gevaar dat ik zou
sterven. Chirurgijn Jan Jacobs heeft mij al die tijd verzorgd. Ik ben nu nog
niet helemaal genezen, want ik lijd nog veel pijn en ben nog altijd doof en
blind. Behalve medicamenten heb ik delicate spijzen gekregen en heel die tijd
kon ik mijn huishouden niet doen en geen ander werk verrichten. Ik meen dat het
geenszins gepermitteerd is dat goede lieden zo barbaarlijk in een vrij huis
worden behandeld. Daarom vraag ik dat de daders mij volledig schadeloos stellen
vermits zij het gevecht zijn begonnen. Ik heb meermaals getracht de zaak in der
minne te regelen, maar tevergeefs. Ik wend mij nu tot U. E. om door uw vonnis
te bekomen dat de daders de kosten van de chirurgijn, alle uitgaven voor
medicijnen en dure spijzen vergoeden. Alsook voor al het leed dat ik heb
geleden, voor al de pijnen en het werkverlet, voor mijn blindheid en doofheid.
Dat alles samen bedraagt duizend gulden.
Dat was de klacht die Elisabeth Van Ginderachter bij de drossaard neerlegde
via haar advocaat Hendrik De Raedt. Op 25 juni 1670 kwam er een antwoord op de
beschuldigingen van de gedaagde, de weduwe Peter De Kempeneer. Zoals te
verwachten was, vond haar advocaat Schoonjans de beweringen van Van
Ginderachter totaal onjuist en hij verwachtte dat Elisabeth ter goeder trouw
zal handelen en de nodige schriftelijke bewijzen zou voorleggen om haar gelijk
te bewijzen. Een maand later, op 23 juli, volgde het uitgebreid verweer.
Margaretha Van Kersavond stelde dat alle herbergen sijn openstaende voor alle de wereldt, ’t sij om daer te commen
drincken off andersints te logeren. Zij was op die bewuste dag wel in de
herberg, maar is het gevecht niet begonnen en bijgevolg heeft zij met de wonde
van Elisabeth niets te maken en is zij in
geender manieren plichtich. Daarom vroeg zij de klacht van de weduwe Van
Onchem niet ontvankelijk te verklaren.
In haar repliek bracht Elisabeth meer bezwarende feiten aan. Margaretha
ontkende niet dat zij met haar zonen die dag in het Withuis was. Beweren dat
zij met de wonde niets te maken heeft, is frivool
ende ongefundeerd. Zij is wel degelijk met haar drie zonen het gevecht
begonnen en dus moeten ook de zonen meebetalen voor alle kosten omdat die den cost eet ende dranck van haar
genieten. Een bijkomend bewijs van de schuld van de weduwe De Kempeneer is dat
zij korte tijd na het gevecht heeft doen vertransporteren
vuijt haeren huijse op andere plaetsen alle haere beste meubelen ende cathijlen[4].
Oock in persoon met haere koeibeesten vluchtigh is geweest binnen het clooster
van Afflighem ende aldaer blijven pernocteren[5].
Zo is het claerlijck dat de gedaegde in
alle manieren plichtich is. Toen de drossaard haar dagvaardde, was zij
bereid om alles in der minne te regelen. Daartoe zou zij geenszins bereid zijn aldien sij geheel onnoosel off onschuldigh
hadde geweest.
Ook al onderzochten de schepenen Joos
Van Ginderachter, Jan Van der Slachmolen, Guilliam ’t Kint en Merten Robijns wel ende rijpelijck alle argumenten,
toch beslisten ze op 4 oktober 1670 dat ’t
voorschreven proces nochtertijt niet en is in staet om definitievelijkck beslist
te worden. Ze wilden eerst nog een aantal getuigen verhoren. Niettegenstaande
het protest van De Kempeneers advocaat gingen de verhoren toch door.
Franchois Den Weduwijn[6], 31 jaar, brouwer en de herbergier
van Het Withuis, werd als eerste ondervraagd door schepen Peter Moortgat. Hij
verklaarde dat Elisabeth en haar zoon Hendrik met een zoon van de weduwe De
Kempeneer op die 25ste maart in zijn herberg waren. Wanneer de
weduwe binnen kwam, begon ze te
discussiëren met Elisabeth en haar zoon. Dan zijn ze op malcanderen toegeschoten en ontstond er een waar gevecht. Ze
vochten met stokken en stoelen. Peter De Kempeneer heeft gesmeten met sijne stock op het hoofd der aenleggersse (Elisabeth).
Sij was bloeiende ende gequest op haer
voorhooft. Dat zij daarvan lang te bed heeft gelegen en in perickel van sterven is geweest, weet
hij niet. Wel heeft hij vernomen dat zij door meester chirurgijn Jan Jacobs heeft moeten gecureert worden. Voor hem
staat het vast dat de Maregaretha De Kempeneer het gevecht begon. Enige dagen
later was hij bij de drossaard van Asse en daar hoorde hij dat de weduwe aan de
drossaard zei: Hebbe ick iet misbruijckt,
ick sal u contenteren. Ze voegde er wel aan toe dat ze gekomen was om een
boete te vermijden.
Peter Janssens, 15 jaar, weet alleen dat Elisabeth
op haar voorhoofd was gekwetst en daarna twee maanden te bed lag. Meester Jan
Jacobs heeft haar gecureert. Anderen
vertelden hem dat Margaretha nog in de maand maart haar meubelen en koeien in
’t klooster Affligem had verstopt.
Op 23 april 1671 was het de beurt aan Peter De Hageleer, de officier van de
Vrijheid van Asse. Hij was dan 40 jaar oud. Hij bevestigde dat de zonen De
Kempeneer nog bij hun moeder wonen. Een van hen,Peter, vertrouwde hem toe dat
het zijn moeder was die de wonde had toegebracht. Het was ook waar dat de
weduwe twee dagen na het gevecht met meubelen en koeien naar de abdij vluchtte.
De koeien heeft hij daar gezien en aan de hofmeester[7]
van ’t klooster vroeg hij daarvan een schriftelijk bewijs voor de drossaard. Op
diens verzoek is hij daarna naar het huis van Margaretha gegaan. Ze was niet
thuis, maar haar dochter Anneken antwoordde dat haar moeder de bekeuring wel,
maar de smerte der aenleggersse niet
zou betalen.
Joos Van Nijverseel, 56 jaar en pachter te Asse, heeft de
weduwe in ’t klooster gezien met een pakje en ze zei dat ze daar met haar
koeien was.
Een andere pachter van Asse, Peter Van den Driessche, 56 jaar,
bevestigde de verklaring van Joos Van Nijverseel.
De laatste getuige was Elisabeth De Middeleir, 47 jaar en
vrouw van Pauwel Van Langenhove. Zij werd verhoord op 28 april 1671. Ook zij
wist dat de weduwe naar ’t klooster was gevlucht.
27
mei 1675. Het huijs onderhouden van recken ende plecken ende van daecke[8].
Anna De Moncheau, de weduwe van Gillis
Van Langenhove, erfde van Jan De Frain een hofstede
metten huijse en hopgrond genoemd Den
Hueraer te Doment. Op Kerstmis 1674 verhuurde ze de boerderij voor 9 jaar
aan Jacques De Coster. Het pachtgeld bedroeg 29 gulden. De huurovereenkomst
bevatte nog enkele bijzondere bepalingen. Zo moest Jacques het huis onderhouden
van recken ende plecken ende van daecke
niet. De huisraad die Anna ook had geërfd, moest in het huis blijven. Het
ging om een koets, twee kisten, een ketel, fluwijnen en een bijl. De huurder
mocht de haaks staande cappen met het
hames maer niet voorder. De laatste bepaling hield in dat het huurcontract
verviel als de pacht na 6 weken na de vervaldag niet was betaald. Anna
ondertekende het contract, jacques plaatste een merkteken.
De eerste betaling viel op Kerstmis
1675, maar Jacques kon niet betalen. Nadat soete
vermaningen van Anna en van anderen niet hielpen, zag Anna zich genoodzaakt
om haar huurder te laten dagvaarden op 27 mei 1675. Zij had toen ook
geconstateerd dat Jacques vertrokken was met de huisraad en met de sloten van
de deuren. Op het erf stonden nog hopstaken die getaxeerd werden op 5 g en 15
st. Zij eiste de betaling van de achterstallige pacht en een vergoeding voor de
gestolen huisraad. De klacht, opgesteld door notaris M. De Bisschop, was
ondertekend door Franchois Van Onchem en Hendrik Ophalvens.
Anna De Moncheau (Monceau) trouwde op
1 augustus 1671 met Gillis Van Langenhove. Zij hadden twee kinderen: Elisabeth
(°9/02/1672) en Anna (°15/10/1673). Hoe zij erfgename was van Jan De Frain (Freyn)
konden we niet achterhalen.
Jacques (Jacobus) De Coster trouwde
met Judoca De Freyn (Frain) op 31 januari 1671. Was zij een dochter van Jan?
Zij kregen een zoon: Judocus, °27/02/1672. Een Jacobus De Coster trouwde op 27
januari 1673 met Joanna De Baetselier. Hun dochter was Joanna, geboren op 25
januari 1674. Als het om dezelfde Jacobus gaat, was Judoca De Freyn kort na de
geboorte van haar zoon overleden en hertrouwde Jacobus met Joanna De
Baetselier. Was dat de reden waarom hij de hoeve verliet?
29 mei 1676. Het stellen van affgepande
koijen onder den rechte[9].
Het woord affgepande doet ons denken aan een pandjeshuis. In de 17de
eeuw was het verpanden van goederen nog algemeen in gebruik. Wie in geldnood
zat, bracht iets van waarde, een kostbaar juweel of een gouden ring, naar een
pandjeshuis. Daar schatte men de waarde ervan en gaf daarvoor een lening met
intrest en een beperkte looptijd. Op de vervaldag kreeg men, na betaling van
het geleende bedrag plus de rente, het verpande goed terug. Kon men niet
terugbetalen dan bleef het verpande in het pandjeshuis. Maar de titel is
misleidend, want in dit proces gaat het niet om verpande koeien, wel om de
inbeslagname van de dieren. Dat overkwam Gillis Van Onchem. Op last van de
bosmeester[10] had
de meier van de abdij Michiel Wambacq[11]
Gillis Van Onchem de opdracht gegeven twee koeien naar de stal van de officier
van justitie Hendrik Van Onchem te brengen. Ze moesten daar blijven tot hun
verkoop om een schuld af te lossen. Maar korte tijd nadien waren de koeien
verdwenen. Gestolen? Door Gillis zelf weggehaald? Hij diende alvast een klacht
in bij de schepenbank van Asse tegen meier Michiel Wambacq, want die achtte hij
verantwoordelijk voor de diefstal van de koeien. Hij had er moeten voor zorgen
dat ze goed bewaakt werden.
Wambacq wees elke verantwoordelijkheid
voor het bewaken van de dieren af. Hij was rechter in deze zaak, niet de
bewaker. Gillis moest zich richten tot Hendrik Van Onchem, Als officier van
justitie moest hij zorg dragen voor de koeien, zeker nu ze in zijn stal stonden.
Hij moest erover waken dat ze hem niet
worden ontvrempt off commen te ontvluchten off andersints. Bijgevolg moet
hij opdraaien voor alle schade die Gillis Van Onchem leed en voor de intresten.
Maar Wambacq achtte het niet uitgesloten dat Gillis zelf de koijen vuijt den stal Van Hendrick Van
Onchem, sijnen cousijn, heeft gehaelt off doen vuijthaelen. Van Gillis’
advocaat, A. Adriani, eiste de meier dat hij voor de schepenbank zou
verschijnen om de eed af te leggen dat hij te goeder trouw handelde en voldoende
borg had voorzien om eventueel de proceskosten te kunnen betalen.
4
februari 1676. Metter minnen eenighe betaelinghe niet connen bekomen[12].
Notaris
J. Schoonjans stelde op 4 februari 1676 een pachtcontract op voor Jan Jacobs,
de verhuurder en Franchois Van Onchem, de huurder. Het ging om een perceel land
van 3d gelegen op Het Labues dat Van Onchem voor 6 jaar wou pachten aan 18
gulden per jaar, te betalen met Kerstmis. Al na 1 jaar bleef Franchois in
gebreke: met Kerstmis betaalde hij niet. Zoals voorzien in het contract spande
de ondertussen weduwe geworden vrouw van Jan Jacobs, na 6 weken en na metter
minnen eenighe betaelinghe niet te connen becommen een proces in tegen
Franchois.
Jan Jacobs en zijn vrouw Anna Van
Mulders hadden twee dochters: Catharina, ° 28/09/1672, en Joanna, ° 28/01/1674.
Een Franchois Van Onchem trouwde te Meldert op 16 februari 1658 met Christina
De Waegeneer. Zij hadden drie kinderen: Henricus, °18/08/1659, Joanna, ° 20/05/1670,
Jan, ° 2/11/1671. Mogelijk hertrouwde hij met Anna Van den Hauw. Met haar had
hij nog een zoon: Judocus, ° 3/03/ 1673.
Jacques De Ridder wou een hofstede van
32 roeden verkopen. Ze grensde aan de straat, de weduwe Hendrik Van den Broeck,
de rentmeester van Brussel en aan de weduwe Gillis Beeckman. Hendrik Cordemans
bood 300 gulden, maar Hendrik Applicoen verhoogde zijn bod driemaal tot 309
gulden. Toch ging de verkoop niet door omdat Jacques’ vrouw plotseling overleed
waardoor hun kinderen mede-eigenaar werden. Met toestemming van de drossaard en
de schepenen van Asse, de oppervoogden en van de naest bestaende vrienden van sijne minderjarige kinderen kon de
verkoop toch doorgaan op 30 maart 1676. Jan Van den Broeck had als bloedverwant
de hofstede behoorlijck ende solemelijck
geërft en hij werd de nieuwe eigenaar. Geen gelukkige keuze want hij
betaalde niet, ook niet nadat hij dickwijls
met der minnen vermaent was zodat Jacques een proces tegen hem inspande.
Een erfenis krijgen, daar dromen de
mensen van. Maar soms kan da
t wel eens tegenvallen. Dat ondervond
Adriaan De Gols als erfgenaam van Guillam Van Mulders. Die erflater had
namelijk al jaren verzuimd de jaarlijkse rente van 12 gulden te betalen aan de
weduwe en de erfgenamen van Gillis Speeckaert uit Aalst. De schuld was
opgelopen tot 120 gulden. Dat Adriaan dat bedrag niet beschikbaar had, is
aannemelijk, maar dat leverde hem in 1679 een proces op vanwege de weduwe en de
erfgenamen.
23 maart 1680. Jan De Witte curator ten sterfhuize van pastoor Jan Ardennois[15].
Johannes Ardennois werd op 5 juni 1668 benoemd tot
pastoor van Meldert. Voordien was hij onderpastoor te Asse. Hij was er in
botsing gekomen met zijn pastoor wegens zijn zelfstandig optreden in de
Sint-Hubertuskapel te Asse-ter-Heide. In 1669 getuigde de deken dat hij zijn
dienst behoorlijk deed. Toe Hollandse troepen in 1674 de streek plunderden,
vluchtte hij naar de abdij waar zijn confraters van Hekelgem en Mazenzele al
een schuiloord hadden opgezocht. Pastoor Jan werd door zijn rechtschapenheid en
zijn weldadigheid graag gezien. Hij overleed in juni 1678[1].
Op 23 maart 1680 presenteerde Jan De Witte[2],
aangesteld als curator, de rekeninghe,
bewijs ende reliqua die mits desen aan U. E. die schepenen der vrijheijt ende
Lande van Assche is doende Jan De Witte als curator gestelt ten sterffhuijse
van wijlen heer Jan Ardennois in sijn leven pastoor van Meldert ende dat van
ontfanck ende handelingen bij hem in dier qualiteit gehadt van de penningen van
de meubelen ten selven sterffhuijse bevonden als andersints mitsgaeders den
vuijtgave bij hem daer tegens gedaen in gulden ende stuijvers.
Ontfanck
(in gulden-stuivers-oorden).
1 De penningen van de verkochte meubelen op 18 augustus
en 14 september 1678: 437-10-0.
2 Van meester Steven Van Mulders ontvangen op 23 augustus
1678: 42-10-0 van de verkoop van het paard.
3 Van Michiel Bamvers? Ontvangen van geleverde swingen (vlas): 3-0-0.
4 Van Gillis Van Mulders ontvangen van een obligatie:
48-0-0.
5 Van dezelfde ontvangen van een verlopen rente: 2-16-0.
6 Van Adriaan Van Nuffel als gewezen H. Geestmeester van
Meldert voor de pastoor: 7-12-0.
7 Op 27 januari 1679 ontvangen van de rentmeester De
Middeleer: 15-15-0.
8 Van Gillis Breem uit het inkomen van de Armen Van
Meldert voor 1674: 7-12-0.
9 Van de weduwe Niclaas De Vriendt van een rente van 24
stuivers: 1-8-0
10 Van Guille Van Mulders van een obligatie met rente van
5-7-2 op Sint-Andriesmis: 86-0-0.
11 Van meester Pauwels Van Capenberghe, de heer
rentmeester Van Nuffel, de heer hofmeester van de abdij en Peter Geerstman voor
5100 kareelstenen door hen gekocht: 305-14-0.
12 Uit de verkoop van schaarhout op Schooneikenbos op 11
december 1678: 25-14-0.
13 Van de weduwe Joris De Meersman enkele achterstallige
pachten van de kapelrij van St.-Walburga die pastoor Ardennois enige tijd
bediende: 7-12-0.
14 Van Jan De Mol van de wijktienden van de pastorij:
51-0-0.
15 Van 238 bussels haverstro verkocht aan 36 stuivers
voor 100: 4-5-2.
16 Van meerdere personen voor verkoop van stro, kaf,
bonen en een partij hooi op de openbare verkoop op 19 januari laatsleden:
40-18-0.
17 Van Michiel Arijs voor 200 cloppaerden aan hem verkocht aan 44 stuivers voor honderd: 4-8-0.
18 Van meerdere personen voor 22 vaten koren verkocht aan
16 ½ stuivers het vat: 18-3-0.
19 Voor 6 vaten erwten aan 13 stuivers het vat: 3-18-0.
20 Voor 5 vaten boekwei: 3-5-0.
21 Voor 5 vaten ¼ bonen aan 16 stuivers het vat: 4-4-0.
22 Op 28 april 1679 in Brussel verkocht 15 ½ sisters
haver: 23-10-0.
23 Van de heer rentmeester op Kerstmis 1677: 22-0-0.
24 Van dezelfde ontvangen op 23 december 1679: 63-0-0.
25 Van dezelfde nog ontvangen voor de pastorij palende
aan de Moortersboomgaard voor 1676-1677 tot 6 augustus 1678 aan 5-4-0 per jaar:
13-13-0.
26 Van dezelfde nog van jaren cijns: 1-1-0.
27 Van Joos De Bruecker van een jaar rente: 2-0-0.
28 Van Merten De Mol van een obligatie van 3 g 2 st vallende
op 29 mei, gepasseerd voor notaris De Bisschop: 50-0-0.
29 Van dezelfde van rente tot 29 mei 1679: 9-7-2.
30 Van Jan Van der Borght, gewezen kerkmeester van
Meldert, uit het inkomen van de kerk: 55-4-1.
31 Van dezelfde van 1/3 deel van de bonen van het
Schooneikenbos waarvan de H. Geest en de Kerk de andere 2/3 toekomt: 6-13-1.
Summa summarum van den
ontfanck beloopt een duijsent een hondert negenthien guldens ende eenen
stuijver, dus hier: 1119-1-0.
Vuijtgeef
bij den rendant gedaen tegens den voorschreven ontfanck
1 Aan de pastoor van Mazenzele voor zijn dienst bij
begrafenissen en het celebreren van 30 missen tot lafenis van de ziel van
wijlen Jan Ardennois: 31-0-0.
2 Aan dezelfde nog betaald voor het recht van de overrock van de pastoor op 2 mei 1679:
6-0-0.
3 Aan de pastoor van Hekelgem voor 93 missen door hem en
andere priesters gecelebreerd voor de lafenis van Jan Ardennois volgens de
kwitantie van 20 november 1678: 27-18-0.
4 Aan Niclaas Romijn, koster van Meldert, voor zijn
dienst in begrafenissen, voor het maken en leveren van een paar schoenen
volgens de kwitantie van 21 maart 1679: 13-0-0.
5 Aan Gillis Kindermans voor het traktement van vrienden
en buren die op de uitvaart waren, voor de levering van bier, winkelwaar:
68-0-0.
6 Aan dezelfde nog geleverd voor de levering van waren
volgens de rekening van 2 december 1677 en van 27 oktober 1678: 4-7-0.
7 Aan Gillis De Keijser voor geleverd vlees: 8-8-0.
8 Nog aan dezelfde voor geleverd vlees bij de uitvaart
volgens de kwitantie van 23 augustus 1678: 1-3-0.
9 Voor het aanwerven van dorsers om het schaarhout te
kappen en te verkopen: 1-4-0.
10 Naar Asse geweest om aan de procureur De Bisschop
instructies te geven om een verzoek op te stellen dat moet dienen als antwoord
in de zaak tegen Charles Ardennois: 1-10-0.
11 Voor de rendant voor het opmaken van de schulden: vier
stuivers per blad, samen 1-16-0.
12 Voor de kopie
daarvan: 1-7-0.
13 Voor de rendant voor het schrijven en maken van deze
rekening aan 4 ½ stuiver per blad, voor 24 bladen: 5-12-2.
14 Voor de kopie zal de rendant aan U.E. moeten betalen
3-15-0.
15 Voor de auditie van de rendant bij U.E.: 7-16-6.
16 Voor de werktijd van de rendant bij het maken van de
rekeningen: 1-4-0.
17 Voor de rendant die recht heeft op de 20ste
penning van de ontvangsten en uitgaven. Voor de ontvangsten van 1119-1-0
bedraagt de 20ste penning: 55-0-0.
18 Voor het schrijven en opmaken van de rekeningen van de
Kerk van Meldert voor het jaar 1671 en gedaan voor Andries De Bruecker,
kerkmeester: 2-8-0.
19 Betaald aan Charles Ardennois: 17-14-1.
20 Ook betaald aan Charles Ardennois, student, als legaat
volgens het testament van de pastoor: 1-12-2.
21 Aan Joanna Van de Putte, gewezen dienstmeid[3],
als loon: 19-7-0.
22 Aan Hendrik Van den Bossche voor een halve ton bier
geleverd op 10 juli 1678: 3-0-0.
23 Aan Peter Fariseau voor ¾ wijn geleverd op 29 april
1676: 25-10-0.
24 Aan Peter Goetvinck, de wagenmaker, voor de reparaties
aan de ploeg en de kar: 4-11-0.
25 Aan Jan Van Laer voor diverse daguren: 6-9-2.
26 Aan Jan Van Zeebroeck voor geleverd koren en hooi:
1-10-0.
27 Aan Jan De Mol voor geleverde latten, vlees, boter,
daguren: 26-14-0.
28 Aan Michiel Van de Putte voor geleverde boter en werk:
16-0-0.
Aan dezelfde voor de kosten die aan U.E. griffier betaald
voor het conflict tussen de pastoor en Van de Putte.
29 Aan de bosmeester van Affligem voor een koop hout in
1669: 33-4-0.
30 Aan Jan Laus voor een nieuwe schop en drie hoefijzers: 1-14-0.
31 Aan Gillis Van Onchem om het graan van Het Rot binnen
te halen, de meubelen uit het klooster van Affligem te halen, voor geleverde
eieren en boter: 3-16-0.
32 Aan Merten Van Herreweghen voor de reparatie aan het
paardengetuig: 0-12-2.
33 Aan Merten De Mol voor drie hopen staken, gekocht in
1675 en voor een achterploeg met toebehoren: 7-8-0.
34 Aan de weduwe Joris De Meersman voor werk, hout halen
enz.: 5-4-0.
35 Aan Guill. Vastenavondts voor wit brood, suiker en
andere door hem geleverd tijdens de ziekte van de pastoor: 1-0-0.
36 Aan Joos Berlange voor geleverd suiker, rozijnen en
andere winkelwaar: 1-2-2.
37Aan Jan Van der Slachmolen voor geleverd bier en andere
volgend de rekening van 29 april 1667: 15-6-0.
38 Aan Joos Dauwe, gareelmaker te Lebbeke, voor de
levering van paardengetuig: 4-9-0.
39 Aan Peter Spanooghe van Dendermonde voor de huur van
een zolder:10-0-0.
40 Aan Peter De Mesmaecker voor de reparatie aan sloten
en het hangen van deuren: 1-12-0.
41 Aan Peter Van den Bossche voor vlas dat hij had
gezaaid op 8 mei 1679 volgens de getuigenis van Jan Van Laer: 1-1-0.
42 Aan Joos Robijns voor een hesp en vier pond boter aan
5 stuivers het pond:3-0-0.
43 Aan meester Michiel De Bisschop als ereloon voor de
zaak tegen Gillis De Clerck en Charles Ardennois:12-8-2.
44 Aan Jacques Jacobs voor de reis die hij ondernam naar
Nieuwkerke bij Oudenaarde op vraag van Charles Ardennois: 1-0-0.
45 Aan Joos De Bruecker voor een ton die hij tijdens de
verkoop van meubelen gekocht heeft. Maar toe hij ze naar zijn huis had
gedragen, bemerkte dat het een van zijn tonnen was die hij aan de pastoor had
geleend, waarna hij ze terug bracht: 1-17-0.
46 Aan Gillis De Clercq of zijn erfgenamen voor bier,
gelag en achterstel van pacht op Het Rot: 4-10-1.
47 Aan de rendant voor het schrijven en adresseren van
brieven aan zijn zuster Catharina Ardennois in het klooster van Sint-Elisabeth
te Vorst, om het goed aldaar in kerkgeboden te leggen en meerdere reizen naar
Asse in verband met de zaak Charles Ardennois, Gillis De Clercq en anderen:
1-4-0.
48 De 17de maart 1680 betaald aan portkosten
voor Ronse en Nieuwkerke en om vrienden de rekeningen te bezorgen: 3-0-0.
49 Aan U.E. griffier de kosten betaald voor de zaak
tussen de rendant en wijlen Gillis De Clercq: 1-7-0 en nog eens voor de zaak
tegen Charles Ardennois: 11-10-0.
50 Aan meester Jan Blondeel, chirurgijn, voor het stellen
van een clisterie[1] bij
de pastoor.
51 Aan Gillis Van den Broecke en Peter De Hageleer voor
de kosten van dagvaarding en de uitvoering: 2-7-0.
52 Aan Jan Van Nest van Dendermonde voor geleverde lakens
en kousen: 10-0-0.
54 Aan Peter De Hageleer voor voldoening van een
opdracht: 3-0-0.
55 Aan Jan De Mol voor het laten valideren van de
tienden:6-0-0.
56 Voor de auditeurs: 5-0-0.
Summa van de vuijtgeven
beloopt een duisent eenennegentich guldens ende vijfthien stuijvers, 1091-15-0
Ende den geheelen ontfanck beloopt als voorenter somme van 1119-1-0. Alsoo dat
den doender meer heeft ontvangen als vuijtgegeven de somme van 37-7-0
Aldus gehoort en
gesloten op den 23ste meert 1680 ten overstaen van Hendrick Van
Innochoven vorster loco des drossaerds J. Van ginderachter ende Laureijs
Robijns schepenen.
Jan De Witte had nog een bijkomend probleem. Pastoor
Ardennois had gedurende vier of vijf jaar Het Rot bewerkt en hij had daarop grote beternisse ende melioratie gedaen soo
met labeuren, mergelen[2],
off aerde op te voeren als met te mesten ende andersints. De curator wou de
waardevermeerdering van de grond door luyden
hun des verstaende laten taxeren. Anderzijds had de pastoor als gevolg van
de oorlog verlies geleden ter waarde van drie of vier jaar pacht. Hij wou dat
de abdij daar kwijtschelding voor verleende. Ondertussen had Gillis Breem het
land nu in pacht.
De tekst geeft een beeld uit het leven van de pastoor.
Hij was een ijverige boer. Hij bezat een paard, kar, een ploeg en kon erwten,
bonen, koren hooi en stro verkopen. Hij was niet onbemiddeld want hij stond tal
van leningen toe. Het aantal achterstallige pachten tonen zijn mildheid.
25
juni 1680. In sulcker vuegen soude ick tweemael betaelen[3].
Toen Peter Geerstman, brouwer en
schepen van de abdij, in 1671 zo’n 70 roeden land in het Meerbroeck verkocht, had hij zeker niet verwacht dat die verkoop
negen jaar later nog voor problemen zorgde. De koper waren de twee broers Jan
en Franchois Van Buggenhout[4].
Het perceel was belast met een rente van 7 gulden. Wat ze bij de aankoop niet
wisten en daarom weigerden de broers te betalen. Het goed was niet gesuijvert van lasten. Maar Jan was al begonnen met het
land te bewerken en zo was de impasse volledig. Joos, Michiel en Pauwelijne, de
kinderen van Franchois, besloten in 1674 om de koopsom te betalen. Op 24 mei
van dat jaar overhandigde Joos de 100 gulden ten huize van Geerstman. Met zijn
vader en zijn oom kwam hij tot de volgende overeenkomst. Zij zouden aan hem,
zijn broer Michiel en zijn zus Pauwelijne drie jaar lang 16 ponden groten met
een intrest van 6,25 betalen. De overeenkomst werd afgesloten op 28 mei 1674.
Gillis Van Onchem en Gillis Hooft waren er getuigen van en De Raedt was de
notaris.
Drie jaar ging het goed, maar in 1678
herbegonnen de moeilijkheden. Michiel had het
vercocht landt aengeslaegen ende tsedertblijven besitten tot exclusie van Jan Van Buggenhout, zijn oom. Blijkbaar was die in dat jaar met de
betaling gestopt en met dezelfde reden als voorheen: het land was nog met de
rente belast. Michiel wendde zich tot de schepenbank van Asse om van Jan, die
het land meerdere jaren had bewerkt, de koopsom te eisen. Jan zag zich in sulcker vuegen gestelt dat hij tweemael
soude hebben moeten betaelen de weerde van het vercocht goed sonder te spreken
van de rente daerop vuijtgaende en tot noch toe niet gesuijvert. De kwestie
bleef aanslepen. In 1680 werd ten behoeve van de schepenbank een tweede
inventaris opgesteld van de schrifturen,
stucken, titulen ende munimenten[5]
mitsgaeders acten ende noten, kortom van alle stukken in het proces dat nog
steed ongedesideert was. Geraakten de
schepenen er zelf niet meer wijs uit?
Peter Vinck en Jenneken Van Mulders
kochten op 2 mei 1658 land van Charles Sammens en Anna Van den Dorpe uit Aalst
voor 900 gulden. Volgens de aankoopakte moest die aanzienlijke som betaald zijn
binnen de drie jaren door elk jaar 300 gulden over te maken. Tot de volledige
kwijting kwam er een rente bij van 6,25%. Maar Jenneken werd weduwe en kon
slechts 100 gulden afbetalen en vanaf 2 mei 1681 betaalde ze ook geen intrest
meer. In 1685 diende Jan De kistenmaecker in opdracht van de weduwe Anna Van
den Dorpe en haar erfgenamen een klacht in tegen Jenneken. Ze wilden dat de
schepenen haar verplichtten de retserende 800 gulden van stonden aene te moeten aflossen ofwel promptelijck te besetten ende realiserenaen ende op goede sufficiënte
panden ten contentemente van dse erfgenamen.
Peter en Jenneken trouwden te Meldert
op 23 november 1631. Zij kregen 6 kinderen:
13
mei 1681. Zes minnelijcke vermaeningen, alles tevergeefs[1].
Gillis Van Onchem ondertekende op 2 april 1678 een
overeenkomst met De Ridder, griffier van de stad Aalst en bosmeester van
Affligem. Voor 60 gulden kocht hij schaarhout en betaalde hij ook de pacht voor
Joos Van den Wijngaert. De som moest uiterlijk twee maanden later betaald zijn,
maar drie jaar later had De Ridder nog geen gulden gezien, ook niet na 6 minnelijcke vermaeningen. Om toch aan
zijn geld te geraken, restte hem alleen den
wegh van rechte. Hij wendde zich tot de schepenbank van Asse om Gillis te
verplichten promptelijck te
verplichten de 60 gulden te betalen.
29
juli 1681. Testament van Anna Van Mulders, begijn[2].
Voor veel mensen is een begijntje
zoiets als een benedictines, een zuster die in alle eenvoud en soberheid leeft
binnen de muren van een convent. Anna Van Mulders, begijntje in het Groot
Begijnhof te Mechelen geeft ons toch een ander beeld van de “soberheid” van de
begijnen. Dat kunnen we opmaken uit haar testament dat ze op 4 april 1674 te
Mechelen liet opmaken door notaris Conradus Van Herreweghen. Zij is dan siekelijck nochtans haer memorie ende
verstandt wel machtigh. Zoals in die tijd gebruikelijk was, begon zij haar
wilsbeschikking met: voor eerst
recommandeert (ze) haere ziel in de
bermertige handen Godts ende gebeden van het geheel hemels gezelschap. Zij
wenst dat haer dood lichaam ter gewijde
aerde, begerende ’t selve begraven te worden in de kercke van den begijnhove. Zij
wil ook dat er 500 missen tot laeffenisse
haerer ziel gecelebreerd worden. Haar bezittingen bestemd ze voor:
– Een zilveren lepel aan haar peten Anna Van Mulders, dochter van
Guilliam; Anna Van Mulders, dochter van Gillis; Anna Catharina Vinck, Anna
Catharina De Kegel, Jans dochter en Maria Jacobs.
– Een poseleijnen schotelken met silver beslaeghen is voor begijntje
Helene Van Hemelen.
– Het convent krijgt 3 gulden (=g), de
meestersse 1 patacon en elk begijntje
1 g.
– Haar biechtvader geeft ze 12 g.
– Wat overblijft van de verkoop van
haar meubelen en obligaties, na aftrek van alle kosten, moet belegd worden op goede vaste panden. De renten
daarvan zijn bestemd voor familieleden die de komende 25 jaar hun sullen commen te begeven tot
geestelijcken staet ’t sij de selve sijn manspersoonen ofte vrouwpersoonen. Daarbij
horen haar nichten die al op het begijnhof wonen. Na hun dood komt het bedrag
toe aan hun erfgenamen.
De gronden die zij bezit wil ze onder
haar broers en zussen of hun kinderen verdelen in gelijke parten: Guillam, de
kinderen van Jan, de dochter van Elisabeth, de kinderen van Jenneken en de
kinderen van Cathelijne.
-Als executeur van haar testament kiest ze juffrouw Jenneken Maria Van Mulders, haar nicht, die daarvoor 25 g krijt. Jenneken spande op 29 juli 1681 een proces in tegen Aert Vinck, molenaar op de Neermolen en tegen Guillam De Vis en Jacquemijne Carnoy. De reden werd niet vermeld.
3
december 1683. Over ’t geld van de huisarmen[1].
Adriaan De Gols zal wel onaangenaam
verrast zijn geweest toen hij, als erfgenaam van Guillam Van Mulders, vernam
dat hij een schuld van 48 gulden 13 stuivers erfde. Wat was er gebeurd?
Adriaan was getrouwd met Maria Van
Mulders, een van de kinderen van Guillam Van Mulders[2]
en Cathelijne Van der Jeught. Zijn schoonvader was huisarmenmeester geweest en
had in 1668 een tekort op zijn rekeningen van 90 g 8 st. Hij betaalde daarvan
60 g 17 st zodat hij nog voor 29 g 11 I/2 st in het krijt stond. Maar er dook
ook een tweede tekort op. Guillam was pachter geweest van een tiendenwijk van
de pastoor en in 1673 had hij daar een schuld van 19 g 2 st. Zijn totale
schuldenlast beliep 48 g 13 1/2 .st. Meerdere pogingen van de landdeken, de
pastoor, de kerk- en armenmeesters brachten geen oplossing zodat ze op 29
november 1686 besloten Gillis Hooft, de schoolmeester, te autoriseren om via de
schepenbank van Asse aan hun geld te geraken. Voor de parochie tekenden
landdeken Egidius Van der Borght, pastoor A. De pauw, Jan Robijns, J. De Clercq
en Carel Van der Borght. Notaris M. De Bisschop stelde de akte op.
In zijn antwoord op de beschuldigingen
erkende Adriaan De Gols dat zijn schoonvader in 1668 als armenmeester een
tekort had van 29 g 11 ½ st. Maar Gillis Hooft is te lichtveerdich ende van cleijne consideratie geweest met zijn
klacht bij de schepenen want hij wist heel goed dat de erfgenamen van Guillam
kort na zijn dood het catsereel[3]
waarin de schulden waren genoteerd, hebben gevraagd en niet gekregen. Het is
nog altijd in het bezit van de aanlegger, Gillis Hooft. Hij was in staat om
alle schuldenaars te connen presseren
ende dwingen tot betalinge van hunne resterende schuld. Adriaan had dus het
noodsaeckelijck instrument niet in
handen om de rekening aan te zuiveren. Hij en met hem de mede-erfgenamen waren
ervan overtuigd ontlast te sijn van te
purgeren het slote van de rekening van Guillam. Voor Adriaan is het
duidelijk dat Gillis Hooft hem wil pesten door een proces in te spannen. Toch
blijft hij bereid om de achterstallen op te halen mits hebbende het dickmaels gemeld catsereel om sich daermede te
behelpen.
Wat de huur van de tiendenwijk
betreft, de opbrengst was veel minder dan wat aan Guillam was toegezegd en de
kerkmeesters beloofden hem om in dat geval de huur te verminderen, Ze stelden
voor om de pacht van een ½ bunder meers, die hij in die wijk huurde, kwijt te
schelden. Guillam ging daarmee akkoord en als bleek dat na die kwijtschelding
er nog een tekort op de rekening was, dan zou hij dat bedrag onmiddellijk
betalen.
In zijn duplycke haakte Gillis in op
het probleem van het catsereel, het maenboeck.
Anna en Barbara, zijn schoonzussen, brachten zelf het boek bij Gillis met
het verzoek na te gaan of er nog debiteuren waren en of hij, in dat geval, hen
zou aanmanen tot betalen. Dat heeft hij ook gedaan en allen verklaarden dat zij
al hadden betaald. Barbara haalde dan het boek terug zonder hem voor zijn werk
te betalen. Zij beweerde dat ze het aan de griffier van Asse, haar voogd, moest
bezorgen. Dat heeft zij ook aan de pastoor gezegd. Hij heeft sindsdien het boek
niet meer gezien. Hij is wel bereid de griffier daarover aan te spreken. Wat de
tienden aangaat, hij heeft nooit geweten dat men een exacte opbrengst van een
wijk vooropstelde. Wat Adriaan daarover beweerde, is zeker onjuist.
In zijn reactie liet Adriaan weten dat
het catsereel wel degelijk aan Gillis is overhandigd bij zijn aanstelling tot
rentmeester van de huisarmen. Hij kon dus de schuldenaars praemen tot betaling, want het was zijn plicht de rekeningen aan te
zuiveren. Hij blijft er ook bij dat Gillis alle
resterende schulden heeft gecollecteerd ende ontvangen. Hij moet niet meer
betalen. De pacht voor de tiendenwijk die Guillam gedurende drie jaar had, is
volledig betaald.
Pastoor De Pauw stond natuurlijk aan
de zijde van zijn rentmeester Gillis. Hij bezorgde notaris De Bisschop op 26
mei 1687 een ondertekende verklaring waarin hij bevestigde dat Barbara hem zei
dat ze het manuaal van haar vader zaliger aan de griffier van Asse had
overhandigd. De griffier vroeg haar zelfs om de pastoor zijn groeten over te
maken. Dat was na de hoogmis nabij de uitgang van de kerk.
Het proces sleepte zich voort. Gillis
wou nu dat de schepenen Adriaan en zijn advocaat Jan Schoonjans zouden
dagvaarden om voor hen onder eed te verklaren dat ze te goeder trouw handelden
en dat ze, als blijkt dat Adriaan schuldig is, zij de proceskosten zullen
betalen. Hij wou ook dat ze schriftelijke bewijzen van hun onschuld voorlegden.
Adriaan bracht daarop twee
ontvangstbewijzen die ze vonden nadat ze het sterfhuis van Guillam grondig
hadden doorzocht. Het eerst kwam van notaris J. De Witte en dateerde van 18
juli 1679. De notaris bevestigde daarin dat hij, als curator ten sterfhuis van
pastoor Joannes Ardennois, de som van 86 g had ontvangen van Guillam Van
Mulders. Dat was de terugbetaling van een obligatie van 86 g met een rente van
5 g 7 ½ st waarvan de eerste betaling viel op St-Andriesmis 1676. Het tweede
ontvangstbewijs was van de hand van dezelfde notaris. Hij bevestigde op 9
januari 1676 de ontvangst van 80 g voor de tiendenpacht van 1670, 1671 en 1672
als aflossing van een obligatie van 80 g.
Op 5 november 1688 stelden de
schepenen vast dat het selve proces noch
niet en is in staet om definitievelijck beslecht te worden en dat zowel
gedaagde Adriaan De Gols, als aanlegger Gillis Hooft binnen de 8 dagen nog
bijkomende stukken konden indienen. Gillis liet weten dat hij bij zijn
aanstelling als rentmeester van de huisarmen het rekenboek nooit heeft gekregen
en hij blijft erbij dat de erfgenamen van Guillam Van Mulders sonder eenighe exceptie schuldich sijn te
betalen, ook de 19 g 2 st van de tiendenpacht, want er is nooit een
kwijtschelding beloofd bij mindere opbrengsten. Adriaan van zijn kant bleef op
zijn standpunt dat Gillis de namen van de debiteuren kende en de achterstallige
bijdragen kon innen en dat hij nu probeert om de kosten van het proces te
vermijden dat hij zo lichtveerdelijck
heeft ingespannen.
Uiteindelijk kwam er een uitspraak van
de schepenen. Op 18 april 1690, 4 jaar nadat de klacht was neergelegd,
veroordeelden de schepenen Adriaan De Gols tot de betaling van 29 g 10 st.
De parochies van Hekelgem en Meldert
leverden samen op 31 juli 1684 differente
fouragiën te Aalst. Zij waren daartoe verplicht geweest door kolonel Du Bie[5].
Volgens de Hekelgemnaren hadden zij meer geleverd dan die van Meldert en ter
compensatie eisten ze nu van Meldert een tegemoetkoming van 20 gulden.
Franchois Robijns[6] en
Joos Pauwels[7], regeerders van Hekelgem, en Guillam De
Clercq en Jan Robijns, bedesetters van Meldert, ondertekenden een akkoord
daarover. Nadat de bedesetters diversche
reisen tot betaelinghe van voorschreven somme hebben doen vermaenen, verloren
de regeerders van Hekelgem hun geduld en waren ze genoodzaakt inne te gaen den wegh van rechte. Ze
dienden een klacht in bij de schepenbank om van de bedesetters de betaling te
eisen.
29
december 1685. Huijssoeckinge bij Gillis De Meij[8].
Gillis De Meij moet het in
de winter van 1685 bijzonder koud hebben gehad. Vermits hout toen de enige
brandstof was, ging hij op zoek. De houten brug over de gracht tussen Het
Stevensveld en Het Goosenbroek leek hem goede brandstof. Op een avond, tussen 7
en 8 uur kapte hij ze in meerdere stukken en bracht die naar zijn huis en
verborg ze in de staken en achter bussels schaarhout. Wellicht hoopte hij dat
er geen getuigen waren, maar dat de brug was verdwenen viel natuurlijk vlug op.
De drossaard, samen met Michiel Van de Putte en Peter Geerstman, schepenen van
Affligem en van Asse en de officieren Peter De Hageleer en Jan Van der Borght
voerden op 19 december 1685 wettige visitatie ende huijssoeckinge uit in
meerdere huizen van Meldert. Bij Gillis vonden ze gezaagd hout, 10 voet lang, 1
voet breed en besmeurt met aarde. Er lagen ook meerdere bussels takken. Toen de
officieren begonnen met de bussels weg te dragen, kwam Gillis tussenbeide. De
bussels waren niet van hem, beweerde hij, ze waren van Elisabeth Verdoodt, de
vrouw met wie hij samenwoonde. Daarover ondervraagd, verklaarde Elisabeth dat
slechts de kleinste bussel van haar was. Zij bracht Gillis nog meer in
moeilijkheden door te zeggen dat hij ’s avonds grote stukken hout had gekliefd.
De officieren zochten dan voort en vonden nog 2 berken, 1 kerselaar en een
staak van ceder waarvoor Gillis geen verklaring kon geven. Vermits zijn daden
directelijck strijden tegen de notoire plaeccaten van sijne majesteit rekende
de drossaard erop dat de schepenen van Asse zouden veroordelen met alsulcke
straffe, pene oft correctie zoals de plakkaten voorschrijven. Een plakkaat was
in de Nederlanden in de 16de tot 18de eeuw een ordonnantie waardoor de
voorschriften van de overheid ter kennis van het volk werden gebracht.
20
mei 1686. De coije ende peert in arrest genomen[9].
Melchior Carnoy, 27 à 28 jaar en
soldaat te peerde ten dienste van sijne
Majesteit van Spaniën onder het regiment van den heere colonel Dumon, voorheen
officier van Hekelgem, en Peter De Hageleer, de officier van Meldert,
verschenen op 10 januari 1690 voor notaris De Raedt. Op verzoek van Jan
Everaert, collecteur van Hekelgem, hadden zij Carel Van Camp driemaal
aangemaand zijn belastingen te betalen. Omdat Van Camp nog niet betaalde, namen
ze op 20 mei 1686 zijn koe en paard mee. Daar Van Camp zich bij de bedesetters
ging beklagen, vroegen Melchior en Peter dat de bedesetters de oppositie van Van Camp souden weren ende agt
doen, wat ze echter niet deden. Daarop legden de officieren bij notaris De
Raedt op
10 januari 1690 een attestatie des wettige reden af als bewijs dat ze naar recht hadden gehandeld.
Was Andries De Bruecker naïef of sluw?
In 1701 ging hij een lening aan van 200 gulden met een rente van 5% bij
rentmeester Huygens. Hij wist niet of verzweeg dat de panden die hij als borg
gaf, belast waren met een cijns van 2 g per jaar. Twee jaar later stelde de
schoonzoon van de rentmeester Callaert, vast dat er nog geen rente was betaald.
Hij liet de wanbetaling officieel vatstellen en als hij beslag wilde leggen op
de panden, ontdekt hij tot zijn verbijstering dat er een cijns op rust ten
voordele van Marie Amelrijcx en dat er de laatste 16 jaar geen betaling was.
Hij betaalde de schuld aan Marie en ondernam enkele pogingen om van Andries de
achterstallige bedragen te krijgen. Vergeefse moeite! Hij richtte zich ten slotte
tot de schepenbank van Asse om Andries te verplichten onmiddellijk 88 gulden te
betalen.
18 februari 1687. In
faute gebleven voor de hure[2].
De hopkoopman Carel (Charel) Ardennois
wonende in de cleirhage sloot op 18
februari 1687 met Pauwel Van Capenbergh uit Opwijk een huurovereenkomst voor
een hoeve te Baardegem. Het ging om een hofstede
met huijs daerop staende, groot 1 d 20 r en palende aan de straat tegen de
kerk, Jan De Backer, de jezuïeten van Aalst, Andries Van den Meersch en de
voetweg naar Dendermonde. De pacht bedroeg 31 g voor een termijn van 6 jaar.
Volgens de voorwaarden moest de huurder goede
sorge dragen dat ’t selve huijs mette hoffstede door sijn onachtsaemenheijt
niet en worde geslecht off misbruijckt maer wel verbetert. Carel mocht geen
hout kappen, behalve wat hij met een houwmes kon afslaan. Als pand gold persoon
en bezittingen en Jan Van den Biesen stelde zich ook borg.
Waren er slechte hopjaren of kende
Carel andere tegenslag? Het eerste jaar betaalde hij nog de huur, de volgende
twee jaren niet zodat hij was deugdhdelijck
schuldich ende ten achteren gebleven 62 g. Pauwel trachtte niet langer om
zelf aan het huurgeld te geraken, hij richtte zich tot de schepenbank om door
een vonnis aan zijn geld te geraken.
Carel Ardennois werd vermeld in de
inventaris van het sterfhuis van pastoor Jan Ardennois die in 1678. Curator Jan
De Witte ging in opdracht van de pastoot meerdere malen naar Asse “in verband met
de zaak van Carel”. Ging het om deze huurachterstand of had Carel nog andere
moeilijkheden?
Guilliam De Suer was een pechvogel.
Zijn ouders stierven vroeg en hij kende ook geen lang leven. Maar hij kon wel
rekenen op zijn voogd Andries De Bruecker. Hij was er bij toen Guilliam op 12
juli 1688 een lening aanging bij Gillis Van de Velde en zijn vrouw Cathelijne
Stevens. Het ging om een bedrag van 96 g en met een rente van 6,25% of 6 g per
jaar. De akte werd verleden door de schepenbank van de abdij. Michiel Wambacq
was de meier, Michiel Van de Putte en Gillis Robijns ondertekenden als
schepenen. Guilliam gaf als onderpand 1d land gelegen in De Hoorick, palend aan
Adriaan De coster, Jan Seghers en de straat. Het tweede pand was een perceel
van 1bunder gelegen in Het Plasbroek te Hekelgem en grenzend aan Joos Meert,
Elisabeth Robijns, de jezuïeten van Aalst en de straat.Het was belast met een
grondcijns van 4 g 10 st. ten voordele van de kerk- en huisarmen van Essene.
Tot 1691 betaalde Guilliam de rente. Zoals in elke akte werd ook hier voorzien
dat, in geval van wanbetaling, de leninggever zoveel goederen mocht opeisen tot
het ontbrekende bedrag was vereffend. Met de dood van Guilliam werd Andries
erfgenaam en de schepenbank van Asse verplichtte hem de 18 g achterstal te
betalen.
Gillis Van de Velde en Cathelijne
Stevens trouwden op 18 mei 1673, Peter de Suer en Anna Van den Driessche op 20
november 1656. Hun zoon Wilhelmus (Guilliam) werd op 31 juli 1658 geboren.
1689.
Gillis Van Onchem weigert schulden van zijn vrouw te betalen[4].
Moet je de schulden die je vrouw
maakte voor het huwelijk betalen? Die vraag zal Gillis Van Onchem wellicht vaak
uit zijn slaap hebben gehouden. Hij trouwde met Anna Dedemaeckers, de weduwe
van Hendrik Van Ransbeke. Zij had met Hendrik op 19 september 1662 een lening
aangegaan van 400 gulden met een rente van 5% of 20 gulden per jaar, bij Jan
Coene en Elisabeth Puttemans. De akte werd opgesteld door de schepenen van het
leenhof van de abdij, namelijk Charles de la Mars[5],
meier en schepen Melchior Van den Driessche. Hendrik en Anna gaven de volgende
goederen als onderpand:
-Een dagwand land gelegen op Het
Meirbroek, grenzend aan Guillam Van Mulders, Jan De Gols, Jan Buggenhout en aan
de kerkgoederen.
– Een ½ d land grenzend aan Leonard
Verheijden, de hoeve van Jan Coene en de straat.
– Een meersken grenzend aan de abdijgoederen, Jan Buggenhout, de weduwe
Hendrik Van den Wijngaert en de hoeve van Coene.
De drie partijen land waren belast met
een grondcijns aan de abdij en aan het Hof te Mutsereel[6].
-Een hofstede met huis en andere
gebouwen, Het Keijserrrijck, gelegen
aan de straat, de erfgenamen Leonard Verheijden, Hendrik Van Onchem en de
abdijgoederen.
Zoals gebruikelijk was in de akte
voorzien dat, in geval van wanbetaling, de leengever het recht had om beslag te
leggen op de onderpanden tot het bedrag van de schuld. In 1689 legde François
Ferdinand uit Antwerpen, voor de erfgenamen van Jan Coene en Elisabeth
Puttemans, een klacht neer bij de schepenbank van Asse omdat de achterstallige
renten waren opgelopen tot 185 g. Hij verzocht de schepenen Gillis Van Onchem
te veroordelen tot onmiddellijke betaling van de 185 g.
Met Anna Dedemaeckers had Gillis nog
een zoon, Egidius, gedoopt op 3 juli 1678. Gillis kwam wel vaker in contact met
de schepenbank. Zo was er in 1676 twijfel of hij wel de twee koeien die hij
naar de stal van Hendrik Van Onchem moest brengen stiekem niet had weggehaald.
Twee jaar later werd hij gedaagd omdat hij een aankoop van schaarhout niet had
betaald.
Uit het register van rekeninghe van de
broederschap van Sinte Walburgis binnen de prochie van Meldert begonst van den
jaere verschenen 1664 alwaer onder staet naervolgende:
Den XIIII° februari XVI° drijenseventich heeft
Guillam Van Mulders[8]
filius van Gabriël ontfangen van Franchois De Vis filius Peter het sloth (van
de rekening) van Jan Van Ighem, sijnen voorsaet bedraegende de somme van
drijentwintich guldens ende veertien stuivers. Item van Gillis Breem sijn sloth
bedraegende drijentwintich guldens ende dertien stuivers waerbij Gillis Breem
heeft bij gelijt ende verschooten dertien stuivers, comt tsamen te bedraegen
achtenveertich rinsguldens waervan Guillam Van Mulders heeft gelooft te geven
intrest in advenant van den penninck sestien (6,25%) bedraegende drij guldens
des jaers altijt te betaelen te Lichtmisse, welcke somme belooft den
voorschreven Van Mulders te restitueren aen de meesters van het broederschap
van Sint Walburgis binnen Meldert binnen den tijt van drije jaeren off de selve
te besetten op sufficiënte panden ten contentemente van de meesters ende
hooftman ten dien tijde sijnde acte den veertiensten februari ut supra ter
presentie van Gillis Breem auwerman, Franchois De Vis broeder, Franchois De Vis
filius Jans oock broeder van het voorschreven broederschap ende mij als des
hooftman quod attestor ende is onderteeckent Guillam Van Mulders, J. Ardennois
(pastoor) van Meldert, Gillis Breem, Franchois De Vis ende Franchois De Vis filius
Jans.
De broederschap van Sinte-Walburga
bestond al op het einde van de 15e eeuw. De leden namen, vergezeld
van de pastoor en de koster, deel aan de processie van de H. Gudula te Moorsel
waar zij na afloop van de plechtigheid werden getrakteerd[9].
Zoals we uit het register kunnen opmaken, leenden Gillis Breem, hoofdman van de
broederschap en Franchois De Vis, als lid, elk 23 g 13 st, samen 48 g aan
Guillam Van Mulders op 14 februari 1673 – 48 g uit de kas van de broederschap.
Guillam beloofde het bedrag binnen de drie jaar terug te betalen en voldoende
onderpand te geven. Toen hij in november 1681 stierf, was de schuld nog niet
vereffend. Gillis had wel al uit eigen zak het tekort bij de broederschap
aangezuiverd. In 1689 moesten de erfgenamen van Guillam Van Mulders nog 8 g
betalen en Peter Van den Bossche, die optrad namens de erfgenamen van Gillis
richtte zich in 1689 tot de schepenbank om Adriaan De Gols, erfgenaam van
Guillam, te verplichten de ontbrekende 8 g te betalen.
Het was niet de eerste keer dat
Adriaan De Gols voor de schepenbank werd gedaagd omwille van de schulden van
zijn schoonvader Guillam. In 1686 moest hij 29 g 10 st aan de huisarmen betalen
een tekort dat Guillam als armenmeester had nagelaten.
De weduwe van Joos De Wolf geraakte na
het overlijden van haar man in de problemen toen ze vroeger aangegane leningen
niet kon afbetalen. Bij den heere
borgemeester en schepen der stede van Aelst en bij Franchois Van Ransbeke
had Joos een lening aangegaan. Van geen van beide kon zijn weduwe de rente
betalen. De burgemeester stelde
Petrus Judocus Touriani aan als advocaat om zijn zaak bij de schepenbank van
Asse te bepleiten. Op 29 november 1689 werd de weduwe samen met haar zoon
Anthoen voor de schepenen gedaagd om na te gaan welk bedrag ze nog schuldig
was, rekening houdend met de afbetaalde som en de kosten van het gerecht.
Schepen J. Van Mulders liet hen op 20 februari weten dat haar schuld 181 g
bedroeg. Anthoen aanvaardde die taxatie niet en stelde De Raedt als advocaat
aan. Op de zitting van 2 mei 1690 konden beide advocaten hun standpunten nog
eens verdedigen, waarna de schepenen beslisten dat ze eis van Touriani
aanvaardden.
Op 15 juli 1667 kocht Joos hout bij
Franchois Van Ransbeke voor 48 gulden. Daar hij het nodige geld niet bezat,
ging hij bij Franchois een lening aan met een looptijd van 50 jaar en een
intrest van 6,25%. Van Ransbeke transporteerde de lening met de jaarlijkse
rente naar de huisarmen van Meldert op conditie dat, als de lening werd
afbetaald, de 48 gulden opnieuw werden belegd ten voordele van de huisarmen.
Van die goede bedoeling kwam niets in huis. De weduwe was niet in staat om de
jaarlijkse 3 g te betalen en in 1684 was het tekort al opgelopen tot 30 g. Daar
diverssche minnelijke vermaeningen niet
hielpen, besloten de pastoor en de armenmeesters om ook een proces in te
spannen bij de schepenbank.
Gillis Beeckman leverde in
opdracht van de bedesetters materialen voor militairen. Waarschijnlijk ging het
om hulp voor de Spaanse troepen tegen de frequente invallen van de Fransen
onder Lodewijk XIV. Op 8 april 1690 keurden op verzoek van collecteur Jan Van
der Borght de bedestters Geeraert Robijns, Joos De Meersman, Carel Van der Borght
en Steven De Kempeneer die uitgaven goed. Een kopie, door notaris J. Schoonjans
voor in overeenstemming met verklaart,
werd aan de schepenbank bezorgd. Hieronder het extract uit het settingboek.
Extract
vuijt den sethboeck der prochie van Meldert omme gestelt den 12den januari 1690
bij de bedesetters aldaer daerinne geseth te sijn seekere ontcosten behelsende
leveringhe van fouragie, mutsaert, picetten, haver, hoij ende andersints, in
den welcken onder andere saet als volght:
Gillis
Beeckman 52 – 10 – 1 oort.
Gevalideerd 41 – 12 – 0.
Ontfaen 1 – 0 – 0.
Later op het jaar, op 11
juli dat jaar plunderden de Fransen een vijftal huizen in Meldert.
Schepen Michiel Cornelis[14]
moest als gevolg van een lening, aangegaan op 18 februari 1688 bij de kinderen
Pauwel Anthonis, 18 gulden erfelijke rente betalen. Als pand stelde hij een hoffstede metten huijse ende andere
edificiën op Nievel, groot 1 d, palende aan de Nieveldries, de Molenkouter,
de abdij en Gillis Beeckman en een perceel land van 1 d grenzend aan de straat,
de Molenbeek, Gillis De Nil en de wezen Jan Beeckman. De akte werd verleden
door de schepenen Philips Van Gete, Gillis De Bailliu en Adriaan Van Nuffel en
meier Michiel Wambacq van de abdij. Anthoen Anthonis was de voogd van de
kinderen. Het kapitaal had Pauwel ontvangen van Anthoen Verheijlewegen. In 1691
spande Joan Willems uit Meldert voor de kinderen Anthonis een proces in bij de
schepenbank van Asse. Michiel Cornelis betaald de helft van het kapitaal terug
en stopte met de betaling van de rente in 1686 en had dus nog een schuld van 45
g over 5 jaar rente, die hij volgens de schepen promptelijck moest vergoeden.
De weduwe van Joos De Nil kwam ook na
de dood van haar man in moeilijkheden. Hij had een lening verkregen van
advocaat A. Adriani, maar toen hij stierf kon zijn weduwe drie jaar na een de
rente niet betalen. Na de dood van Adriani verkocht zijn weduwe de lening aan
een zekere Cornaille. Die heer, nadat hij alle
mogelijke debvoyren deed om de 9 ponden groten Vlaams (= 18 gulden) te
innen, besloot hij om ook de schepenbank in te schakelen.
Schulden bleven ook de weduwe van
Guillam Van Mulders, Kathelijne Van der Jeught achtervolgen en zelfs na haar
dood eisten de collecteurs van Meldert, Jan Van der Borght en Stevens De Valck,
respectievelijk 23 en 5 gulden 1 blank. Daar de arme weduwe slechts een koijbeeste met eenighe cleyne meubelkens
bezat, vroegen ze de schepenbank de toelating om die te verkopen.
Van koopman Jan Rogier Caeyman uit
Aalst kocht Andries De Bruecker een bedde
ende wolle goederen. Hij betaalde een deel van de aankoopsom en bleef ten achteren de somme van sesthien guldens
ende thien stuijvers. Maenen tot betalinge van de tachterheijt was
tevergeefs en verliesende sijne patiëntie
trok hij naar de schepenbank om zo aan zijn geld te geraken.
Peter Sannens en zijn vrouw Beatrice
Vanden Dorpe wachtten 6 jaar alvorens naar de schepenbank te stappen. Ingel De
Ridder moest hen elk jaar 25 g erfelijke rente betalen, maar sinds 1686 hadden
ze niets meer ontvangen. In 1692 beliep zijn schuld 150 g. Van de schepenen
vroegen ze om Ingel te verplichten hen promptelijck te betalen.
In de jaren 1640 pachtte Jan
Vergillius het hele Swertland van de abdij. Daar liep toen een voetweg door voor aen de straete besloten met eenen
steenen stichele en met eene voetbrugge over het beeckxke. Maar 50 jaar
later is het Swertland in kleinere percelen verdeeld en zijn er meerdere
pachters. De boeren hebben, na onderling overleg, de voetweg verbreed tot een
veldbaan waarover ze met hun kar kunnen rijden om hun perceel te bereiken. Dat
was Gillis Robijns, meier van de abdij, niet ontgaan en samen met de schepenen
van de abdij besloten ze in 1692 op die weg dezelfde taks op te leggen als die
van de publieke straten volgens het edict van 3 februari 1570. Pechvogel was
Jan Goeman, want de weg liep voor get grootste deel over zijn perceel. Hij
betaalde de taks niet. Gillis Robijns reageerde erg kordaat en liet de roode grijse koije van Goeman verkopen
voor 29 g 15 st. Goeman verzamelde daarop meerdere getuigenissen waarmee hij
naar de schepenbank trok. Joos Van den Wijngaert, 72 jaar, verklaarde dat hij
binnen sijn gedencken geen cautergat off
losgat en hebbe geweten van ’t Swertlant tot behoef van iemand anders.
Christiaen Van den Velde, 91 jaar, heeft nooit geweten van enige belasting. De
pachters van Affligem “laten bij gedoogh
malcanderen reijden” en dat wil hij “in
alle bancken van rechten bij eedt vercleeren. Gillis Robijns ondervroeg
zelf een aantal getuigen: Michiel Van de Putte, schepen van Affligem en 57 jaar
oud, Peter De Hgeleer, officier van het Land van Asse, 61 jaar, Peter
Kindermans, 52 of 53 jaar oud, Barbara Goossens, 75 jaar en huisrouw van
Michiel Van Biesen en Joanna Van den Wijngaert, oud 72 jaar en huisvrouw van
Jan De Boitselier. Zij bevestigden het standpunt van Jan Goeman en zijn twee
getuigen. Van de drossaard heeft hij ook vernomen dat er op die weg geen
belasting werd geheven, zelfs niet “in de
drooge jaeren soo winters als somers ende andersints oock niet in der slechten
ende miserabelen tijt. Daarom besloten ze op 25 januari 1693 dat er geen
taks wordt geheven op die veldweg. Behalve de getuigen ondertekende ook
Middeleer als rentmeester van de abdij. Notaris Schoonjans bezorgde een kopie
aan de schepenbank.
11
november 1692. Met drij peerden ten dienste[19].
Joos Van Damme, pachter van Baardegem,
aanvaardde in 1692 om, in opdracht van de bestuurders van Baardegem en Meldert met sijne waegen ende drij peerden ten
dienste van Sijne Majestijt bepaalde karweien uit te voeren voor 4 g 17 st
per dag. De twee gemeenten zouden elk de helft van de kosten dragen. Meldert
moest in het totaal 303 g 2 ½ st aan Joos Van Damme. Niettegenstaande meerdere
aanmaningen bleef Meldert talmen met de uitbetaling. Het wachten moe, wendde
Joos zich op 11 oktober 1692 tot de schepenen van Asse. Die verklaarden Joos
eis tot betaling ontvankelijk en op 11 november van dat jaar overhandigde
officier Michiel Jacobs, in hun naam, aan het gemeentebestuur de opdracht Joos
Van Damme te vergoeden. Zij moesten echter hun eis nog tweemaal herhalen en op
2 december voegden ze er nog 6 g 1 st gerechtskosten bij.
Voor de schepenen van het Godtshuijs van Affligem verschenen op 21 maart 1695 Cathelijne Van Nieuwenborgh en haar zoon Peter. Zij was weduwe van Peter De Vis. Gillis Van Nieuwenborgh had samen met zijn vrouw Cathelijne De Nil voor notaris J. De Witte op 17 oktober 1682 een overeenkomst afgesloten. In ruil voor een obligatie van 50 gulden konden zij beschikken over ¾ van een perceel gelegen te Hekelgem en palend aan de goederen van de abdij, de H. Geesttafel van Hekelgem en Lucas Crick. Nu 13 jaar later diende Peter De Kempeneer een verzoek in bij de schepenen van Asse. Volgens hem was het perceel belast met een cijns van 3 g ten voordele van de broederschap van de H. Walburga en was die nooit betaald. Gillis Van Nieuwenborgh ontkende het bestaan van zo’n cijns want die was hem nooit meegedeeld off aangetoond. Hij vraagt de schepenen dat ze het arrest op de voorschreven drije vierendeelen lants met de gerst daerop staende … qualijck, onbehoorelijck te verklaren en aan Peter De Kempeneer de kosten aan te rekenen.
23
juli 1696. Drijgende de huijsen aff te branden[1]
– 63.
23 juli 1696: opschudding in Meldert.
Drie schelmen vallen de mensen lastig. Een van hen, een zekere Van den Daele,
beweert dat zij Franse soldaten zijn van het garnizoen van Bergen. Zij hebben
de opdracht om te controleren of Meldert de contributies aan het Franse leger
heeft betaald. Zij willen de bewijzen zien. Bovendien willen ze een gids, want
ze moeten ook nog naar Baardegem, Mazenzele, Opwijk, Brussegem en Mollem. In
Meldert dwingen ze Gillis Geerstman om hun gids te zijn, maar voor de rest
vangen ze bot. Er is niemand die op hun eis wil ingaan, waarop ze een paard en
drie pattacons eisen d’welck hun niet en
is toe gestaen, soo hebben sij vervoordert met vier ende stroo om in brand te
steken tot aen het dak … te weten het huijs van Jan Van den Biesen. Gelukkig
kan een vrouw de drie brandende pijlen wegnemen. Maar dan trekken ze naar het
huis van de bedesetter Jan Goeman waar ze de paardenstallen met geweld
openbreken. Als de boeren dreigend op hen afkomen, schieten ze naar hen en, mette baillonette op de strompe willen een
ieder doorsteken. Maar boeren mag je niet onderschatten. Ze kunnen een van
de fielen ende schelmen gevangen
nemen, waarop de twee anderen wegvluchten. Gillis Geerstman, Jan Van Laer en
(onleesbaar) waarschuwen Hubertus Moortgat, drossaard van het Land van Asse, om
hem de wandaden te melden en om de prise
du corps van Van den Daele aan te geven.
Meldert leed, net zoals heel het omliggende, zwaar onder de Franse annexatieoorlogen. Op 7 juli 1691 plunderden Fransen het centrum van Meldert. Het Hof te Mutsereel ging op 13 september van dat jaar in de vlammen op. Het was al eens in 1684 platgebrand[2].
1697.
Was Michiel Van de Putte nalatig als collecteur[1].
Peter Van de Putte, de zoon van
Michiel, zal wel geschrokken zijn als officier Franchois Van Onchem hem een
dagvaarding van de schepenbank bracht. Volgens Jan Van der Borght, de
collecteur, moest hij 78 gulden betalen, een bedrag dat zijn vader als
collecteur nog zou schuldig zijn volgens de bede-
en oncostboecken. Dat ontkende Peter ten stelligste, want zijn vader had
voor zijn overlijden met de pastoor en Joan Van Zeebroeck, schepen van de
Vrijheid en het Land van Asse, de rekeningen overlopen en daarbij werd
vastgesteld dat er een tekort was van 37 g. Michiel heeft die som ter handt gestelt in aanwezigheid van de
twee geloofweerdige getuigen. Van der
Borght had met enorme lichtveerdicheijt
ende onbedachtheijt die klacht ingediend. Het tegendeel was immers waar.
Zijn vader had meerdere malen moeten aandringen om 216 g 15 st te ontvangen van
de bedesetters. Dat was het bedrag van twee ordonnanties door de drossaard
ondertekend op 14 december 1695. Het betrof de campagnewagen voor de parochie
die Michiel ter beschikking had gesteld en voor de levering van boter, brood,
hooi, stro en dergelijke. Dacht Van der Borgt dat Peter eenen slechten jonghman ende sonder couragie was van iemand te
consulteren over soodanich onrechtveerdigh bestaen?
Extracten uit setboeken leren ons dat
het proces nog in 1700 niet was opgelost:
– Ierst
saet in den oncostboeck van sesthien hondert vijffen negentich de somme van
36-2-2.
– Item den oncostboeck:
1696 150-7-1.
– Item de bede van 1696
:150-2-2.
– Item den oncostboeck
van 1697: 375-17-1.
Samen = 612-9-2.
– Ierst tegen moet
corten van ’t gene bij oronnantie op de rekeninghe is gevalideerd:
– Ierst cort van de
voorgaende ordonnenties dat hij boni hadde de somme van 23-19-0.
– Item de ordonnantie
van 238-15-0.
– Item cort noch:
14-19-0.
– Item cort noch: 21-4-2.
– Item het cortbillet
van sesthien hondert vijff ende sesthien hondert sessennegentich 143-17-3.
– Item het cortbillet
van sesthein hondert sevenennegentich 121-13-2.
Samen = 564-8-3.
Er bleef een tekort van zo’n 48 g. Op
verzoek van Jan Van der borght overhandigde Franchois Van Onsem (Onchem) een
affvraginghe om de innehouden der selve te reguleren. Peter antwoordde dat hij
geen schuld en kent noch oock de prochie oversulcx dat den selven Van der
Borght ende de prochie soude hebben te kussen sijn gat.
Na het overlijden van Alexander Paon
kocht zijn dochter Elisabeth op 9 januari 1692 een hoeve met land, samen 1
dagwand, op Doment voor 139 gulden van Jan Van den Bossche en Christina
Roodemont uit Londerzeel. Het was een onbehuijsde
hoffstede, grenzend aan De Grote Dries, aan de erfgenamen van Jan Van
Nuffel, griffier van de abdij, aan het Labues en aan Steven Meert. De akte werd
verleden door notaris Hendrik De Raedt. Het goed was suiver ende onbelast dan alleenelijck belast met eenen clijnen chijns
van ontrent een oort des jaers aen den heere van off tot Assche voor den opstal
daeraen gelegen. Daar het land bezaaid was, kon Elisabeth de vroegere
eigenaars vergoeden voor het gewas ofwel hen het perceel nog een jaar laten
gebruiken, mits betaling van de pacht. De akte werd door meester Arnout Adriani
overhandigd aan de Henricus Franciscus de Cottereau, markies van de Vrijheid en
het Land van Asse. Op 10 augustus 1692 ondertekenden Michiel Cornelis, Jan Van
Mulders, Adriaan Verspecht en Gerard Robijns, als schepenen van Asse de kopie
voor de schepenbank.
Vier jaar later was haar moeder, Anna
Van den Hauw, hertrouwd met Franchois Van Onsem (ook onchem). Elisabeth zelf sieck liggende te bedde ende voor haere doot
willende maecken haer testament offte vuijterste wille liet de desservitor
Bernardus Herreyns[3] en
twee eerelijcke luijden, de getuigen
Robert Mertens, de koster, en Jan Ophalvens komen om haar testament op te
stellen. Ze liet de boerderij, ondertussen wel een behuijsde hoffstede geworden, na aan haar moeder. Wanneer ook
haar moeder overleed, ging de hoeve over in handen van Anna’s tweede man,
Franchois Van Onsem, als langstlevende echtgenoot. Franchois stierf kinderloos
en zijn broer Gillis meende dat hij nu de wettige erfgenaam was en nam de hoeve
in gebruik. Maar dat was zonder Jan Poels gerekend. Hij was de man van Anna’s
zus, Petronella Van den Hauw en volgens hem kwam de hofstede toe aan zijn
vrouw. Hij diende een klacht in bij de schepenbank van Asse.
In zijn antwoord op die klacht stelde
Gillis Van Onchem dat Jan Poels inder
eeuwicheijdt niet en sal connen proberen vast te stellen dat Gillis van de
erfenis was uitgesloten. Er was immers het testament, maar het probleem was dat
Bernardus Herreyns het niet meer had. Hij was in 1696 pastoor van Aaigem
geworden en Engelse militairen hadden al zijn documenten meegenomen toen ze de
pastorie plunderden. Aan Gillis verklaarden de twee getuigen dat in haar
testament Elisabeth de hoeve aan haar moeder toewees. Bijgevolg hadden Anna en
Franchois de hoeve terecht gebruikt. Na Franchois’ dood had Gillis het land
bewerkt ende gereet gemaeckt om op sijnen
behoorlijcken tijt lijnsaet konde ingesaeijt geworden hebben om schoon vlas te
winnen. Jan Poels wachtte de uitspraak van de rechtbank niet af en zaaide
gerst op de akker. En hij deed nog meer. Hij had in den hoppelochtinck comen grafferen ende de hoppekuijlen heeft comen
open doen eene volle maendt vroeger als alsulcke hop die welcke daerinne staet
is tollererende. Want het dient te sijn genoteert dat het eene soorte van roode
hoppe is die welcke daerinne geplant is die man ordinaris wel eene maendt later
opendoet ende niet als andere. Ende nota oock heeft hij de selve kuijlen open
gedaen ende de keesten alreede geproffiteert ten tijde als het snachts soo
defftich noch was vriesende. Bijgevolg had Gillis al heel wat schade
geleden. Wat Jan Poels en zijn advocaat, Jan Schoonjans, ook mochten beweren,
het was allemaal valsch ende
onwaerachtich. Gillis rekende erop dat de schepenen de klacht van Poels
zouden verwerpen.
In zijn replycke stelde Poels dat er
helemaal geen testament was. Dat kon ook niet omdat een moeder niet van haar
kinderen kan erven en dus heeft Anna de hoeve nooit geërfd en kon ze die niet
nalaten aan haar tweede man. Hij ontdekte ook dat er een cijns op rustte
van 1 oord aan de heer van Asse voor een
opstal[4].
Dat Gillis dat niet wist, bewijst dat hij geen wettige erfgenaam was. Als
Elisabeth dan toch een testament had, dan was de akte nooit ondertekend want
Elisabeth en de getuigen konden niet schrijven. De handtekening was wettelijk
verplicht volgens het Eeuwig Edict van 1611. De opsteller van een testament,
hetzij een notaris, een pastoor of anderen moeten dat vermelden. Men moest geen bibliotecque openen om het
ongeijck des gedaeghde (Gillis Van Onchem) van alle canten te doen sien. Hij vindt het logisch dat Van Onchem
hem moet vergoeden voor alle vruchten en baten die Anna genoten heeft na de
dood van haar dochter.
Gillis reageerde met een weerlegging
van 90 artikels waarin hij zijn argumenten nog eens op een rij zette. Hij bleef
erbij dat Anna van haar dochter had geërfd volgens de costuijmen van Assche. Pastoor Herreyns had op zijn vraag al bij
notaris Slachmolen op 7 april 1696 een
ondertekende verklaring afgegeven waarin hij bevestigde dat hij op vraag van
Elisabeth een testament opstelde om haer
huijs met de stede aan haar moeder over te laten. Robben Merten en Jan Ophalvens
waren daarbij aanwezig. Hij vestigde ook de aandacht op het feit dat Calixtus
Schoonjans samen met Jan Poels de klacht had ingediend. Calixtus was de zoon
van advocaat Jan Schoonjans. Kan men wel geloof hechten aan iemand die optreedt
als advocaat in zijn eigen zaak. Hij verzocht de rechters om daar eens met een gesondt verstandt over te
oordelen.
De volgende stap in het proces was de
vraag van Jan Poels aan de schepenen om Jan Ophalvens, Anthoen Arijs, Calixtus
en Jan Schoonjans te verhoren. Gillis was ondertussen overleden en zijn weduwe
verzette zich tegen de ondervraging van Jan Ophalvens. Die had op 22 juni 1696
getuigd dat hij het testament had ondertekend, maar was nu op zijn verklaring
teruggekomen. Volgens Gillis’ weduwe omwille van familiebanden. Ophalvens’
moeder was Cathelijne Van den Hauwe, de zus van Jan Van den Hauwe en
schoonvader van Jan Poels. Dat maakte zijn getuigenis niet betrouwbaar. De
schepenen gingen niet in op het verzoen van Gillis’ weduwe. Op de zitting van
20 juni1697 ondervroegen Hendrik Van den Bossche en Van Mulders Jan Ophalvens.
Ophalvens, een 44-jarige wever tuijght
ende vercleert voor de waerheijt dat de desservitor Heer Arreyns het
testament opstelde, maar dat niemand het ondertekende. De andere ondervraagden
brachten geen nieuwe feiten naar voren.
Op 6 oktober komen de schepenen H.
Paijez en Stoeffs tot een uitspraak. Het proces kan niet definitivelijck beslecht worden. Beide partijen krijgen de rekening
gepresenteerd. Ieder moet 4 g 16 st
betalen.
Stel: je schoonzus bezit een hofstede
en na de dood van je broer, haar man, blijft zij alleen achter. Dan droom je
wel eens van een mooie erfenis. Maar ’t kan verkeren.
Deze geschiedenis begint bij Jan De
Moncheau. Hij bezat een hoffstedeken
metter huijse ende andere edificiën, gelegen aan de kerk en palende aan de
straat, aan Joos Van den Hout en aan de Sollendries. Na zijn dood erfde zijn
dochter Anna de hoeve. Zij was getrouwd met Gillis Van Langenhove en zij hadden
een dochter, Anna Van Langenhove. Na Gillis’ dood hertrouwde Anna met Gillis De
Meije die naer lange jaeren getrouwd
sijnde is commen te sterven. Kort na hem overleed ook de dochter Anna Van
Langenhove. Zo bleef Anna De Moncheau alleen achter op de boerderij. Sieckelijck te bedde liggende liet zij
op 9 oktober 1697 door notaris J. De Witte haar testament opmaken. Zij schonk
haar bezittingen metter warmerhandt aan
Jan De Valck en zijn vrouw Cathelijne Marissens. Die donatie gebeurde voor het
onderhoud van Anna soo van eet ende
dranck als van lieffde, affectie ende andere weldaden haer in haer sieckte
bewesen ende noch sullen moeten doen. Pastoor Johannes Cleersnijders en
Franchois Van Onchem waren de getuigen. Jan en Cathelijne mochten de hofstede
onmiddellijk bezetten. Ze moeten alleen nog een cijns aan de abdij betalen.
Die schenking was een streep door de
rekening van Joanna De Meije, de zus van Gillis. Op 22 november 1698 schakelde
zij de drossaard in. Volgens haar was haar broer, door zijn huwelijk met Anna
De Moncheau, de erfgenaam van de hofstede, Anna had alleen het vruchtgebruik.
Ze verzocht de drossaard om Jan De Valck en zijn vrouw instantelijck te ordonneren affstand te doen ende quitteren de
possessie vant voorschreven hoffstedeken met restitutie van alle vruchten,
baten ende proffijten bij hem genoten. Jammer voor haar, maar Gillis Vinck,
55 jaar, Jan Buggenhout, 50 jaar en Joos De Clerck, 45 jaar, hadden als buren
al op 11 september 1698 getuigd dat Anna wel degelijk de boerderij aan Jan De
Valck als donatie inter vivos had overgemaakt.
Anna De Moncheau trouwde met Gillis Van Langenhove op 1
augustus 1671 en hertrouwde met Gillis De Meije op 2 juni 1677.
1699.
De vrouwe van het Hof te Putte in geldnood[6].
Op 13 augustus 1664 gingen Jasper
Breem en zijn vrouw Joanna Van der Borght van het Hof te Putte te Brussel een
lening aan bij Franciscus Vander Plancken. Het ging om een bedrag van 600 g met
een rente van 37 g 10 st. Notaris J. De Beerth stelde de akte op. Als onderpand
gaven Jasper en Joanna:
– Een ½ bunder en ettelijcke roeden land, palend aan de dries, de heirbaan naar
Aalst, Jan Van de Putte en Merten Coene. Het perceel was belast met 2 st cijns
aan de abdij en met een erfelijke rente van 21 g aan Andries De Wever. Deze ½ b
kochten Jasper en zijn vrouw van Peter Van Neervelt en Cathelijne Breem.
– 1 ½ d land, grenzend aan Joos De
Clerck, Joos Robijns en de kerk van Meldert. Dit stuk had Jasper van zijn vader
geërfd.
– Een erfelijke rente van 14 g voor
Pauwels Stevens van 16 maart 1648 volgens de akte van de schepenen van het Godtshuijs van Affligem.
In
1679 kon Joanna, inmiddels weduwe geworden, de rente al 13 jaar niet meer
betalen. Ridder Urbanus Van der Borght, raedt
ende commissaris van sijne Majesteijts souvereijnen ende financiën, diendeals erfgernaam van Franciscus Vander
Plancken, bij de schepenbank een eis tot betaling in. Jan Geerstman reageerde
daarop met de schulden over te nemen. De gesworen
erfflaten van de taeffele van den Heiligen Geest van Meldert van haeren
heerelijcke laethove, Gillis Breem, Joos Robijns, Michiel Van de Putte en
meierPeter Geerstman stelden op 27
november 1679 de akte daarvan op.
Stephanus Van Mulders bezat een waag
en wie iets wou verhandelen waarvan het gewicht belangrijk was, kwam bij hem om
het goed te wegen en betaalde daarvoor 1 blank of 3 oorden per honderd. Na
Stephanus was zijn broer Jan Baptista de waagmeester. Charles Ardennois maakte
ook gebruik van de waag en betaalde stipt aan Stephanus volgens zijn verklaring
van 17 maart 1691 aan notaris Slachmolen: van
de commerschappen … om gewogen te worden soude geven ende betaelen de blancq
par honderts onder meer, dwelck hij noijnt en heeft gerefuseerd. Maar met
Jan Baptista nam hij het niet zo nauw en in 1691 had hij een schuld van 6 g en
hij was er ook niet op vuijt om sijne
plicht van recht ende rechtveerdige schuld te betaelen. Jan Baptista zag
maar een mogelijkheid om aan zijn geld te geraken: zich wenden tot de
schepenbank van Asse.
Klein
Meljerts vocabularium uit de 17de eeuw.
Hij heeft de panne
metten steel zei Angel en met die beeldrijke uitspraak bracht hij ons op
het idee om een aantal bijzondere en plastische woorden en gezegdes van onze
Meljertse voorgangers te verzamelen. Juridische termen zijn hier niet in
opgenomen. Waar nodig zijn die in een voetnoot onder het artikel verklaard.
Beslechten: beslissen.
Bij drancke wesen: dronken zijn.
Bij drancken wesende hem in sijne woorden bevangen:
iemand die dronken is in de val laten lopen.
Carelleren: beledigen, uitschelden.
Catsereel = keitsereel: een manuaal.
Clipel: stok.
Commen slaen handt off handen: zich iets toe-eigenen.
Crakeel hebben: ruzie maken.
Den cost eet ende dranck genieten: kost en inwoon hebben.
De dach van eeren: de trouwdag.
De derde reijsse: de derde keer.
De panne met den steel hebben: alles hebben.
Den haes misbruijcken: een zware misdaad begaan.
Den wegh van chicane inne gaen: vitten, moeilijkheden
veroorzaken.
Eenen hond steckt sijn neus in eenen pot die hij open is
vindende: profiteren van een goede gelegenheid.
Eene onvermete colère: een onbedwingbare woede.
Fusiek: geweer.
Futselingen: bagatellen.
Gedestrueerd: verwoest.
Gram worden: kwaad worden.
Hael: ketelhaak van de schoorsteen.
Hames: houwmes, kort breed mes.
Het huijs onderhouden van recken ende plecken ende
daecken: het huis volledig onderhouden.
Het vijffde rat totten waegen: het vijfde wiel aan de
wagen.
Hoornebeesten: koeien.
In brolie geloopen: in de war gelopen.
In perickel van sterven: in levensgevaar.
Inne den wegh van rechte gaen: een proces inspannen.
Is het gat schoon: is de situatie gunstig.
Kints sijn: dement.
Langen: stelen.
Lochtinck: groentetuin.
Maenen tot: aanporren.
Maerte: meid.
Maeschap: familie.
Malcanderen metter handt toeslaen: een akkoord bezegelen
met een handdruk.
Met hand en mond lenen: lenen op handslag of gegeven
woord.
Mette baillonette op de strompe: de bajonet op het geweer.
Metter minnen vermaent: vriendelijk aangespoord.
Metter warmerhandt: met een handdruk.
Minnelijck met malcanderen overcommen: goed met elkaar
overeenkomen.
Mutsaert: takkenbos.
Op sijne stouticheijt: met durf.
Pampieren: documenten.
Pene: boete.
Peis maecken: vrede sluiten.
Praemen tot: aanzetten tot.
Presseren: dwingen.
Promptelijck: dadelijk.
Schoon gelijck een ganzegat: een gunstige situatie.
Seer grammoedich: kwaad.
Sijn debvoyren doen: zijn best doen.
Sijne broeck opnestelen: zijn broek optrekken.
Soo claer als het licht van den middach: zeer klaar,
duidelijk.
Sonder hoir van sijnen lijff: zonder kinderen.
Sonder vertreck: zonder uitstel.
Sonder wille wete of consente: zonder kennis.
Straertschinders: vandalen.
Stichel: muurtje.
Sweerende met opgerichte vingeren lijffelijcken ter
heiligenwaerts: zweren met opgestoken vingers.
Tachterheijt: achterstel.
’t Krieken van den dach: de vroege morgen.
Van hooren seggen lieght men veele!
Vuijt den boesem sijne ouders was gebruijckende: het
bezit van zijn ouders gebruiken.
Vuijt picantigheijt: uit nijdigheid.
Naamlijst.
Vermelde personen.
Datum.
Adriana
Arnoult – meier van Asse
17
juli 1624
30
maart 1645
Altssteen
(Haltssteen) Paesschijne
3
juni 1642
Anthonis
Anthoon
1692
Anthonis
Pauwel
1692
Applicoen
Hendrik
30
maart 1676
Ardennois
Jan – pastoor van Meldert
23
maart 1680
Ardennois
Charles
23
maart 1680
18
februari 1687
24
maart 1699
Arijs
Michiel
23
maart 1680
Beeckmans
Jan
17
juli 1624
Blanckaert
Jan
3
juni 1642
Blanckaert
Margaretha
3
juni 1642
Borluijt
Jacques – jonker
17
juli 1624
Breem
Gillis – schepen van de schepenbank van Asse. Armmeester te Meldert.
26
september 1657
13
mei 1658
10
april 1663
19
augustus 1668
23
maart 1680
Breem
Jasper
1699
Beeckman
Gillis
30
maart 1676
8
april 1690
Blondeel
Jan – chirurgijn
23
maart 1680
Buggenhout
Joos
20
januari 1619
21
januari 1621
Cambie
Claes
29
maart 1613
Cambie
Merten
29
maart 1613
Carnoy
Gillis
13
mei 1658
Carnoy
Melchior
20
mei 1686
Cleersnijders
Johannes – pastoor te Meldert
21
oktober 1698
Cooreman
Anthoon
17
juli 1624
Cooreman
Peter
17
juli 1624
Cordemans
Hendrik
30
maart 1676
Cornelis
Michiel
1692
20
juni 1697
Crabeels
Johannes Charles – hoofdmeier van Asse
26
september 1657
13
mei 1658
10
april 1663
19
augustus 1668
Dauwe
Joos
23
maart 1680
De
Baetselier Joanna
27
mei 1675
De
Bruecker Andries – kerkmeester te Meldert
23
maart 1680
1687
22
april 1692
De
Bruecker Joos
23
maart 1680
De
Clerck Anthoon
27
februari 1620
21
januari 1621
De
Clerck Gielis
21
januari 1621
23
maart 1680
De
Clercq Guillam
20
mei 1686
De
Coster Jacques
27
mei 1675
De
Craecker Peter
25
juli 1652
De
Craeckere Romein – ontvanger van Aalst
24
maart 1656
De
Forminair Thomas
29
maart 1613
Deghdemaeckers
Michiel
17
juli 1624
De
Frain Jan
27
mei 1675
De
Gols Adriaan
1679
3
december 1683
De
Grom Geraard
24
januari 1621
De
Hageleer Peter – officier te Meldert
19
augustus 1668
1
maart 1670
20
mei 1686
De
Hooghe Steven
16
september 1625
De
Kegel Adriaan
26
september 1657
De
Kegel Michielijne
13
mei 1658
De
Kempeneer Peter
1
maart 1670
23
maart 1695
De
Kempeneer Steven – bedezetter te Meldert
8
april 1690
De
Keijser Gillis
23
maart 1680
De
Kistemaecker Jan
2
mei 1681
De
Man Joanna
24
maart 1656
De
Meersman Joos
26
september 1657
8
april 1690
De
Meersman Joris
23
maart 1680
De
Meij Gillis
29
december 1685
21
oktober 1698
De
Mesmaecker Peter
23
maart 1680
De
Middeleir Elisabeth
1
maart 1670
De
Middeleere Josijne
16
september 1625
De
Mol Jan
23
maart 1680
De
Mol Merten
23
maart 1680
De
Moncheau (Monceau) Anna
27
mei 1675
21
oktober 1698
De
Moncheau Jan
21
oktober 1698
De
Nil Cathelijne
23
maart 1695
De
Nil Egidius
3
juni 1642
De
Nil Joos
13
mei 1658
De
Raedt Hendrick – procureur (advocaat)
1
maart 1670
20
juni 1697
De
Ridder Ingel
1
mei 1692
De
Ridder Jacques
30
maart 1676
De
Rycke Bartolomeus
17
juli 1624
De
Schoenmaker Peter
13
mei 1658
De
Suer Guilliam
12
juli 1688
De
Valck Jan
21
oktober 1698
De
Vis Franchois
19
augustus 1668
De
Vleminck Laureijs
29
maart 1613
De
Vriendt Niclaas
23
maart 1680
De
Waegeneer Christina
4
februari 1676
De
Witte Jan
23
maart 1680
De
Wolf Jan
17
juli 1624
De
Wolf Joos
26
september 1657
20
februari 1690
Dedemaeckers
Anna
1689
Den
Weduwijn Franchois
1
maart 1670
Doornix
Jan
30
maart 1645
Everaert
Jan – collecteur te Hekelgem
20
mei 1686
Fariseau
Peter
23
maart 1680
Gaesemaeckers
Jan
10
april 1663
Geerstman
Gillis
23
juli 1696
Geerstman
Jan
1699
Geerstman
Joanna
10
april 1663
Geerstman
Peter – brouwer en schepen van de schepenbank van de abdij Affligem.
23
maart 1680
25
juni 1680
29
december 1685
Goeman
Jan
17
mei 1692
Goetvinck
Peter
23
maart 1680
Herman
(Heremans) Jan
24
maart 1656
Herreyns
Bernardus – deservitor te Meldert
20
juni 1697
Hooft
Gillis – schoolmeester te Meldert
3
december 1683
Huijghe
Ingel
24
januari 1621
Impens
Joos – notaris te Dendermonde
30
maart 1645
Jacobs
Jacques
23
maart 1680
Jacobs
Jan
4
februari 1676
Jacobs
Michiel – officier
11
november 1692
Janssens
Peter
1
maart 1670
Kindermans
Gillis
23
maart 1680
Laus
Jan
23
maart 1680
Mannaert
Jan
3
juni 1642
Mannaert
Peter
19
augustus 1668
Marissens
Cathelijne
21
oktober 1698
Mertens
Robert – koster te Meldert
20
juni 1697
Meskens
Peter – smid
13
mei 1658
Mesquin
Peter – smid
30
maart 1645
Moortgat
Hubertus – drossaard van het Land van Asse
23
juli 1696
Moyersoen
Simoen
3
juni 1642
Paon
Alexander
20
juni 1697
Pardoens
Jan
24
maart 1656
Pauwels
Joos
20
mei 1686
Pauwels
Peter – ondermeier van Affligem
13
mei 1658
Peters
Christiaan – smid te Moorsel
26
september 1657
Plas
Gillis – koster en schoolmeester te Meldert
30
maart 1645
Poels
Jan
20
juni 1697
Povre
Jan
29
maart 1613
Querenin
Joos
29
maart 1613
Robijns
Aert
29
maart 1613
Robijns
Franchois
20
mei 1686
Robijns
Geeraert – bedezetter te Meldert
8
april 1690
20
juni 1697
Robijns
Gillis – meier van de abdij Affligem
17
mei 1692
Robijns
Jan
3
december 1683
20
mei 1686
Robijns
Joos
23
maart 1680
Robijns
Laurentius
7
december 1666
Robijns
Maerten (Merten) – schepen van de schepenbank van Asse
10
april 1663
1
maart 1670
Robijns
Pauwel
13
mei 1658
Roodemont
Christina
20
juni 1697
Romijn
Niclaas – koster van Meldert
23
maart 1680
Sammens
Charles
2
mei 1681
Segers
Hendrick
16
september 1625
Snellinck
Charles – rentmeester abdij Affligem
27
februari 1620
Spanooghe
Peter
23
maart 1680
Speeckaert
Gillis
1679
Steeman
Jan
17
juli 1624
Stevens
Cathelijne
12
juli 1688
‘T
Kint Guilliam – schepen van de schepenbank van Asse
1
maart 1670
Touriani Petrus Judocus – procureur (advocaat)
20
februari 1690
Van
Bi(e)sen Jan
17
juli 1624
Van
Buggenhout Franchois
25
juni 1680
Van
Buggenhout Jan
25
juni 1680
Van
Capenberghe Pauwel
23
maart 1680
18
februari 1687
Van
Damme Joos
11
november 1692
Van
De Nest Jan
23
maart 1680
Van
De Putte Joanna
23
maart 1680
Van
De Putte Michiel – schepen van de schepenbank van de abdij Affligem
7
december 1666
23
maart 1680
29
december 1685
Van
De Putte Peter
1697
Van
De Velde Gillis
12
juli 1688
Van
Den Biesen Jan
18
februari 1687
Van
Den Bossche Hendrik
23
maart 1680
Van
Den Bossche Jan
20
juni 1697
Van
Den Bossche Peter
3
juni 1642
23
maart 1680
Van
Den Driessche Hendrick
8
januari 1621
Van
Den Driessche Ingel
27
februari 1620
21
januari 1621
Van
Den Driessche Melchior
7
december 1666
Van
Den Driessche Peter
1
maart 1670
Van
Den Hauw Anna
20
juni 1697
Van
Den Houte Joos – bedezetter van Meldert
3
juni 1642. 1666.
19
augustus 1668
Van
Den Meerssche Andries – officier van Moorsel
26
september 1657
Van
Den Meerssche Anna
17
juli 1624
Van
Den Meerssche Anthonijne
26
september 1657
Van
Den Meerssche Charles
17
juli 1624
Van
Den Nest Jan – schrijnwerker te Dendermonde
30
maart 1645
Van
Den Wijngaert Gillis
24
januari 1621
13
mei 1658
Van
Den Wijngaert Joos
13
mei 1681
Van
Den Wijngaert Peter
29
maart 1613
Van
Der Borght Carel – bedezetter te Meldert
3
december 1683
8
april 1690
Van
Der Borght Guilliam – officier
10
april 1663
Van
Der Borght Gijsbrecht – schepen van Asse
17
juli 1624
Van
Der Borght Jan – Kerkmeester van Meldert
29
maart 1613
Van
Der Borght Jan – collecteur te Meldert
23
maart 1680
8
april 1690
1697
Van
Der Borght Joanna
1699
Van
Der Borght Urbanus
1699
Van
Der Elst Jan
21
januari 1621
Van
Der Heijden Lenaert
16
september 1625
Van
Der Jeught Cathelijne
3
december 1683
Van
Der Jeught Peter
21
januari 1621
Vander
Plancken Franciscus
1699
Van
Der Slachmolen Charles – notaris en procureur (advocaat) te Asse
27
februari 1620
30
maart 1645
Van
Der Slachmolen Jan – schepen van de schepenbank van Asse
10
april 1663
1
maart 1670
23
maart 1680
Van
Der Slagmolen Cathelijne
7
december 1666
Van
Droogenbroeck Cathelijn
10
april 1663
Van
Gete Philips
7
december 1666
Van
Ghete Jan
17
juli 1624
Van
Ghete Barbara
17
juli 1624
Van
Ghete Jenneken
17
juli 1624
Van
Ghete Marie
17
juli 1624
Van
Ginderachter Elisabeth
1
maart 1670
Van
Ginderachter Hendrick
27
februari 1620
Van
Ginderachter Joos – schepen van de schepenbank van Asse
1
maart 1670
Van
Halen Franchoijs
24
maart 1656
Van
Handenhoven Joanna (Jenneken)
30
maart 1645
Van
Herreweghen Merten
23
maart 1680
Van
Innichoven Hendrick – vorster van Asse
13
mei 1658
Van
Kersavond Margaretha
1
maart 1670
Van
Laar Jan
23
juli 1696
Van
Langenhove Adriaen – griffier van de laatbank Ter Borght
17
juli 1624
Van
Langenhove Gillis
27
mei 1675
21
oktober 1698
Van
Langenhove (vorster van Asse)
29
maart 1613
Van
Langenhove Jan
7
december 1666
Van
Langenhove Margriete
17
juli 1624
Van
Mulders Anna – begijn te Mechelen
4
februari 1676
29
juli 1681
Van
Mulders Gabriël
20
januari 1619
27
februari 1620
Van
Mulders Gillis
23
maart 1680
Van
Mulders Guilliam
1679.
1689.
23
maart 1680
3
december 1683
Van
Mulders Jan
20
juni 1697
Van
Mulders Jenneken (Joanna)
2
mei 1681
Van
Mulders Joannes Baptist
24
maart 1699
Van
Mulders Maria
3
december 1683
Van
Mulders Peter – schepen van de schepenbank van Asse
30
maart 1645
Van
Mulders Stephanus
24
maart 1699
Van
Mulders Steven
23
maart 1680
Van
Neervelt Gillis
29
maart 1613
Van
Nieuwenborgh Cathelijne
23
maart 1695
Van
Nieuwenborgh Gillis
23
maart 1695
Van
Nijverseel Gillis
7
december 1666
Van
Nijverseel Joos – pachter te Asse
27
februari 1620
1
maart 1670
Van
Nuffel Adriaan – H. Geestmeester van Meldert
1666.
23 maart 1680
Van
Nuffel Barbara
21
januari 1621
Van
Nuffel Joannes – bosmeester van de abdij Affligem
7
december 1666
Van
Onchem Franchois
4
februari 1676
20
juni 1697
21
oktober 1698
Van
Onchem Gillis
24
januari 1621
Van
Onchem Gillis
10
april 1663
29
mei 1676
23
maart 1680
13
mei 1681
1689
20
juni 1697
Van
Onchem Hendrick
29
mei 1676
Van
Onchem Jan
1
maart 1670
Van
Ransbeke Anthoon – officier van Meldert
26
september 1657
13
mei 1658
Van
Ransbeke Franchois
20
februari 1690
Van
Ransbeke Hendrik
1689
Van
Storme Marie
10
april 1663
Van
Zeebroeck Jan – schepen van de schepenbank van Asse
23
maart 1680
1697
Vastenavondts
Guilliam
23
maart 1680
Verdoodt
Elisabeth
29
december 1685
Vergillis
Cathelijne
30
maart 1645
Vergillius
Jan
17
mei 1692
Verhasselt
Gillis
8
januari 1621
Verheijlewegen
Anthoon
1692
Vermatten
Geert
16
september 1625
Verspecht
Adriaan
20
juni 1697
Vinck
Gillis
19
augustus 1668
Vinck
Peter
2
mei 1681
Wambacq
Michiel – meier van de schepenbank van Affligem.
[2] J.OCKELEY, Kerkelijke toestanden van
de tweede helft van de 16de eeuw tot het einde van de 18de
eeuw, in: Meldert, Ascania, Meldert nummer, 1969, 105.
[5] Charles de la Marche of Mars was meier
van het leenhof van de abdij vanaf 1616. Hij was getrouwd met Catharina de la
Quadra, overleden in 1635. Het leenhof was met het beheer van de lenen van de
abdij en met de vervolging op de inbreuken op het leenrecht. W.VERLEYEN, Het
leenhof van Affligem, in: Recht en Geschiedenis, leuven, 2006, 469 – 479.
[6] Onder abt Willem Michiels (1518) kwam
de abdij in het bezit van het Hof te Mutsereel. In 1684 staken Franse soldaten
de hoeve in brand.
[8] GUILLIAM
VAN MULDERS, zoon
van GABRIEL VAN MULDERS en KATHELIJNE
VAN GINDERACHTER. GUILLIAM is overleden omstreeks 1681. GUILLIAM huwde met KATELIJNE
(ELISABETH) VAN DER JEUGHT. Kind van GUILLIAM en KATELIJNE: BARBARA VAN MULDERS. Zij is gedoopt op
zondag 23 april 1662 in MELDERT.
[14] MICHAEL CORNELIS, zoon van JOANNES
CORNELIS en BARBARA WAMBACQ. Hij is gedoopt op zondag 6
juli 1636 in HEKELGEM. MICHAEL trouwde, 20 jaar oud, op zondag 24 juni 1657 in
HEKELGEM met ANNA SMET,
22 jaar oud. Zij is gedoopt op woensdag 1 november 1634 in HEKELGEM. ANNA is
overleden op maandag 16 december 1697 in HEKELGEM, 63 jaar oud.
[2] Guillam Van Mulders
was de zoon Gabriël en Cathelijne Van Ginderachter. Hij trouwde met Kathelijne
Van der Jeught te Meldert op 17 november 1648. Hij overleed in november 1681 en
werd in de kerk van Meldert begraven. Op zijn grafsteen stond: Hier ligt begreaven den eersamen Guillelmus
Van Mulders sterft nov 1681. Guillelmus en Kathelijne hadden 8 kinderen:
– Joanna,
°11/11/1649, begijn te Mechelen, overleed op 6/09/1703 excecutrice van het
testament van haar tante Anna.
– Maria, °1654,
huwelijk met Adriaan De Gols, zij hadden een zoon: Michael, ° 30/05/1696.
– Egidius,
°4/03/1657.
– Judocus,
°5/05/1659.
– Barbara,
°23/04/1662 huwelijk met Jacobus De Witte.
– Petrus,
°20/06/1666, overleden voor 1682.
– Anna, °28/03/1668.
– Elisabeth,
°20/04/1671.
[3] Catsereel, keitsereel of manuaal:
handboek, dagboek, register.
[5] Meldert en de omliggende dorpen leden
zwaar onder de Franse oorlogen. In 1686 was Meldert belast met 8 000 guldens
ten gevolge van zware contributies opgelegd door de Fransen. W. VERLEYEN, Meldert, blz. 36.
[6]FRANCISCUS ROBYNS, zoon van ARNOUT ROBIJNS en ANNA VAN DEN
BROECK. Hij is gedoopt op woensdag 2 januari 1647 in HEKELGEM. FRANCISCUS
trouwde, 21 jaar oud, op donderdag 23 augustus 1668 in ESSENE met CATHARINA WAMBACQ, 19
jaar oud. Zij is een dochter van MICHIEL WAMBACQ en JOANNA DE BAST. Zij is gedoopt op dinsdag 17 november 1648
in ESSENE.
[7]JUDOCUS PAUWELS, zoon van PETRUS PAUWELS. Hij is gedoopt op zondag 1 april 1640 in
HEKELGEM. JUDOCUS is overleden, 58 jaar oud. Hij is begraven op dinsdag 6 mei
1698 te HEKELGEM. JUDOCUS trouwde, 28 jaar oud, op zaterdag 25 augustus 1668 in
TERALFENE met JUDOCA VAN DEN BROECK, 21 jaar
oud. Het kerkelijk huwelijk vond plaats op zaterdag 25 augustus 1668. Zij is
een dochter van FRANCISCUS VAN DEN BROECK en ELISABETH EEMAN. Zij is gedoopt op vrijdag 2 augustus 1647
in TERALFENE. JUDOCA is overleden, 50 jaar oud. Zij is begraven op dinsdag 17
juni 1698 te HEKELGEM.
[4] De familie Van Buggenhout. Jan en
Franchois hadden nog twee zussen: Anna en Barbara.
Jan Van Buggenhout was getrouwd met
Paulina Verdoodt. Zijn broer Franchois met Geertui Pauwels op 28 januari 1648.
Zij hadden drie kinderen: Michiel, °19/04/1646, Judocus (Joos), °6/09/1648 en
Pauwelijne.
[2] Jan De Witte was de zoon van Jan,
boer te Strijtem en van Margriet Cools. Zoon Jan trouwde te Meldert op 2
december 1675 met Anna Robijns. Hij woonde na hun huwelijk op de Nieveldries en
werd griffier van de abdij voor het leenhof en voor de schepenbank. Hij overleed
ca 1710.
[2] Michiel Van de Putte en Charles
Ardennois getuigden voor de schepenen van Asse en op verzoek van Jan Van de
Putte dat Janneken, zijn dochter omtrent drie jaren tot zijn dood de meid van
de pastoor was. Schepenbrief nr. 4617.
[3] Michiel Van de Putte en Charles
Ardennois getuigden voor de schepenen van Asse en op verzoek van Jan Van de
Putte dat Janneken, zijn dochter ontrent drie jaren tot zijn dood de meid van
de pastoor was. Schepenbrief nr. 4617.
Requeste oft
informatie genomen bij de schepenen der vrijheijt ende Lande van Assche ten
versuecke van Jan Van De Putte interdicerende over Janneken sijne dochter als
aenlegger ter eendere sijden op ende tegens Andries Ardenois presbyter ter
anderen ende dat vuijt crachte van seeckere brieven van requestoriën op hun
gedepeseert bij de heeren borgemeester ende schepenen der stede van
Geeraertsbergen in dathe den……….
[2] Van Jan Van Onchem
en Elisabeth Van Ginderachter vinden we in de parochieregisters van Meldert,
Essene en Hekelgem niets terug.
[3] Peter De Kempeneer en
zijn vrouw Margaretha Van Kersavond. Zij trouwden te Essene op 7 februari 1641
en hadden 7 kinderen, te Essene gedoopt: Maria, °21/02/1642, Anna, °2/12/1642,
Catharina en Stephanus, °28/01/1645, Peter, °5/02/1646, Jacobus, °10/02/1650, Jan,
°9/02/1653.
[6] Een Franchois De
Weduwe kan de herbergier en brouwer De Weduwijn zijn. Hij was getrouwd te
Meldert met Francisca Brems op 24 februari 1669. Zij hadden 4 kinderen: Anna,
°21/01/1670, Joanna, °10/01/1672, Catharina, °27/02/1673, Melchior,
°30/05/1675.
[7] Hofmeester: de monnik
verantwoordelijk voor de tuin.
[10] Waarschijnlijk was Jan Van Nuffel, de
broer van de Affligemse prior Vedastus Van Nuffel, de bosmeester. Hij werd
aangesteld in 1664. Hij was te Hekelgem geboren op 10 maart 1633.
[11] Michiel Wambacq was sinds 1664 meier van
de Affligemse schepenbank.
[2] Joos Van den Houte
trouwde te Meldert op 4 september 1640 met Margaretha Blanckaert. Zij hadden
twee kinderen: Michael, gedoopt op 23 oktober 1641 en Judocus, gedoopt op 20
april 1644.
[4] Gillis Van Onchem en
Joanna Geertsman trouwden te Meldert op 5 april onder 1659. Hun 5 kinderen
werden te Meldert gedoopt: – Jan, °23-12-1658, Judocus, °28-07-1660, Petrus,
°16-05-1669, Anna, °12-07-1673, Catharina, °29-01-1675.
Joanna was de dochter
van Judocus en Gertrudis Van Langenhove, gedoopt te Meldert op 3 juli 1640. Zij
had nog een zus, Barbara, gedoopt op 26 april 1637.
[6] Laureijs Robijns was de zoon van
Peter en Anna Stevens.
Peter, °Meldert in 1590 overleed te Meldert op 24 oktober
1667. Anna Stevens stierf te Meldert op 16 augustus 1644. Zij hadden 4
kinderen, te Meldert gedoopt: Laurentius, °7-10-1629, Cathelijne, °4-04-1632,
begijn te Mechelen, Franciscus, °28-10-1634, +28-09-1662, x met Joanna Marie
Vinck, Anna, °7-10-1634.
[7] Elisabeth Robijns trouwde op 18 april
1667 met Jacobus (Jacques) Van Droogenbroeck. In Essene werden twee kinderen
gedoopt: Martinus op 27 februari 1667 en Jacobus op 20 april 1671. Zij
hertrouwde met Joannes Van de Putte en kreeg nog negen kinderen.
[3] Het leenhof van Affligem was aan geen
enkel ander onderworpen en kon autonoom vonnissenvellen. Aan het hoofd stond de
stadhoudergeneraal. Waar de abdij belangrijke goederen had, bezat zij een een
laatbank die optrad bij betwistingen. Deze grondheerlijke hoven gingen meestal
terug tot de 12de -13de eeuw. W. VERLEYEN, Negen eeuwen Affligem 1083 – 1983, 227.
[4]
Jan Van der Elst was in 1574
laat van het laathof van de H. Geestdis te Meldert.
[5] Peter Van der Elst was op 16 oktober
1581 het slachtoffer van een bende soldaten die hem meenamen naar Aalst en zijn
paard afnamen. Zie E. SCHOON & B. VERMOESEN, Die van Meldert betalen niet.
[1] Een vorster hield oorspronkelijk
toezicht op de bossen, maar gaandeweg werd zijn taak uitgebreid tot de
gemeentegronden en tot alle velden en weiden. Hij kon boeten opleggen en
assisteerde de meier of drossaard voor al diens taken. Voor meer informatie zie
“De gewestelijke en lokale
overheidsinstellingen in Brabant en Mechelen tot 1795, Algemeen Rijksarchief
publ. 3301, 2000, blz. 712 e.v.“
[3] Roer: pijl van riet of buis, ook
vuurroer – Het vuurroer was net als het musket
de opvolger van de verouderde haakbus. Het wapen had een gladde loop en werd meestal
ontstoken met een lontslot. De kogels die voor het roer werden gebruikt waren
twee keer zo klein als musketkogels. De afmetingen van een roer waren ook veel
kleiner, en het was daarmee een stuk lichter dan het musket. De energie van de
kogel was echter niet groot genoeg om een goed harnas
te doorboren. De soldaten in een compagnie die bewapend waren met het roer
noemde men roerdragers, schutten of harquebusiers. Een
goede roerdrager kon vier schoten lossen in een minuut tijd. Tot omstreeks 1639 konden in een
compagnie van gemiddeld honderd vijftig soldaten wel vijftig roerdragers
ingedeeld zijn.. https://nl.wikipedia.org/wiki/Roer_(wapen)
Deze website wordt beheerd door Ben Vermoesen & Edmond Schoon, de inhoud van de gepubliceerde artikelen mag door de lezer gebruikt worden om zijn publicaties aan te vullen indien hij telkens de herkomst ervan vermeldt.