Testament van Joannes Carolus Broeckmans pastoor te Hekelgem.

Antwerpenaar Jan Karel Broeckmans werd op 20 december 1716 pastoor te Hekelgem. Hij ontving zijn priesterwijding op 42-jarige leeftijd op 3 december 1700. Zijn eerste opdracht was deservitor te Bavegem en vervolgens vanaf 4 december 1701 pastoor te Neigem. Hij was begaan met zijn kerk en liet heel wat werken uitvoeren. Er was na de oorlogen van de Franse koning Lodewijk XIV een tijd van vrede aangebroken en er kwam welvaart. In 1712 werd het houten gewelf van het koor vernieuwd, in 1715 werden het hoogaltaar en twee zijaltaren gemarmerd, kostprijs 430 gulden en in 1716 werd het dak van de kerk in orde gebracht en het interieur gewit. De nieuwe communiebank, aangekocht in 1719, kostte 131 gulden 16 stuivers. Datzelfde jaar liet hij het gebinte en het dak van de toren herstellen en in 1722 kwam er een nieuwe biechtstoel, toegewijd aan O.-L.-Vrouw, voor 470 gulden. De deken had het jaar voordien tijdens de visitatie opgemerkt dat er in de kerk een zeer vuile biechtstoel stond. De Raad van Brabant verbood op 24 september 1721 het gaaischieten op pene van thien pattacons. De schutters schoten naar een vogel die men op een wip uit de kerktoren stak, met nogal wat schade tot gevolg. De pastoor en de kerkmeesters mochten de gaten sluiten waaruit de wip werd gestoken.

Aanvankelijk beoordeelde de deken pastoor Broeckmans als een middelmatig priester (1716). Dat viel hem blijkbaar zwaar want tijdens de volgende visitaties was hij afwezig, in 1717 verbleef hij in Antwerpen en in 1720 in Brussel. We vernemen ook iets over de rivaliteit met de abdij. In 1712 klaagde hij erover dat de parochianen in de abdijkerk de mis gingen bijwonen omdat de paters niet preekten. Van bij zijn aanstelling tot zijn dood in 1724 hield hij een  memorieboek bij waarin hij de landpachten noteerde en allerlei interessante gegevens. Pastoor Broeckmans overleed op 6 augustus 1724[1].

Op 17 juni 1723[2] liet heer ende meester Joannes Carolus Broeckmans, pastoor van Hekelgem, nog gezond van lichaam en geest, door notaris Eg. Crick van Asse zijn testament opstellen. Als hij kwam te overlijden beval hij zijn ziel aan zijn barmhartige zaligmaker Jezus Christus en aan de moeder Gods aan en ook aan zijn geliefde heiligen: Jozef, Joachim en Anna, de aartsengelen Michael en Raphael, Joannes Baptista, Joannes Evangelist, Joannes Chrisostomus, Carolus Borromeus, zijn patronen, en alle andere Gods lieve heiligen. Voorts bepaalde hij dat:

1- Hij wil begraven worden aan de voet van het altaar van de Allerheiligste Rozenkrans in de kerk van Hekelgem en dat op zijn graf een blauwe zerksteen met letters van witte marmer wordt gelegd.

2- Het is zijn wens dat zijn uitvaart kort na zijn dood plaats vindt en dat hij naar zijn graf wordt gedragen door de pastoors van Essene, Meldert, zijn onderpastoor en een andere priester te kiezen door de executrice van zijn testament.

3- Hij wil dar er in zijn sterfhuis na de uitvaart alleen een sober pastorael noenmaal voor de concelebranten, zijn testateurs en vrienden van Antwerpen wordt aangeboden. Dezelfde dag zal er in de kerk van Hekelgem ook een requiemmis worden opgedragen tot lafenis van zijn ziel waarvoor aan iedere priester prompt drie gulden zal ontvangen.

4- Tijdens de uitvaartdienst zullen op het hoogaltaar maar vier kaarsen en ook vier kaarsen aan de baar branden.

5- Na de dienst zal men aan de arme mensen van buiten de parochie die de dienst bijwoonden twee gulden en tien stuivers in de kerk geven en niets buiten de kerk.

6- De armen van Hekelgem die de dienst bijwoonden krijgen tweehonderd witte broden van  een stuiver.

7- Hij wil dat terstond na zijn overlijden 1579 missen van 8 stuivers gecelebreerd worden tot lafenis van zijn ziel zoals hij in een brief heeft opgeschreven. Indien de executrice van zijn testament die brief niet vindt, kan zij de missen laten celebreren naar haar goeddunken.

8- De testateur wil vanaf de derde dag na zijn uitvaart in de kerk van Hekelgem aan het altaar van de Heilige Rozenkrans dertig requiemmissen worden opgedragen en dat daarna aan zijn graf een miserere en de profundis gelezen worden. In de zomer om zeven uur en in de winter om acht uur.  Aan hetzelfde altaar zullen vier kaarsen en aan de baar zes kaarsen van witte was van een pond branden. De kaarsen moeten om de veertien dagen vernieuwd worden. De pastoor of de deservitor zal hiervoor twintig gulden ontvangen, de koster drie gulden op conditie nochtans dat hij de missen heeft gediend met zijn overrok aan.

9- De testateur verlangt dat op de eerste maandag van de maand na zijn overlijden aan  het  altaar van de Heilige Rozenkrans tot lafenis van zijn ziel en die van zijn vrienden en van de overleden broeders en zusters van dezelfde broederschap het officie van de doden en een gezongen requiemmis met de gewone diensten aan de baar gecelebreerd worden. Op de vooravond zullen de doodsklokken worden geluid en op de dag van de dienst driemaal een half uur lang. Aan de baar zullen twaalf kaarsen branden, tien op het hoogaltaar, vier op het altaar van de Heilige Rozenkrans, een voor het beeld van Sint-Jozef, een voor het beeld van de heilige Anna en vier kaarsen op het altaar van de heilige engelbewaarder. Ieder kaars zal een pond wegen.

10- Voor de relieken van Sint-Cornelis moeten twee kaarsen branden en een voor het beeld van Sint-Rochus, iedere kaars van een vierendeel witte was. Die kaarsen zullen de volgende zondagen, zijnde de eerste zondag van de maand als ook op de feestdagen van de Heilige Rozenkrans worden ontstoken en gedurende de goddelijke dienst branden totdat zij opgebrand zijn.

11- Op dezelfde dag krijgen alle broeders en zusters van Rozenkrans een wit brood van zes stuivers en in geld vijftien stuivers. Daarvoor zullen de broeders en zusters tijdig worden verwittigd  zodat zij de dag voordien, zijnde de zondag, een volle aflaat komen verdienen tot lafenis van zijn vrienden en van de broeders en zusters van de Heilige Rozenkrans. Aan de armen van Hekelgem die dan de dienst Gods bijwoonden, worden driehonderd witte broden  van een stuiver uitgedeeld. Als hij testateur zou overlijden omtrent een feestdag van de heilige maagd Maria voor de eerste zondag van de maand dan zullen de dag na de feestdag  de diensten moeten geschieden. Daarvoor zal de pastoor of de deservitor acht gulden ontvangen en de koster samen met het luiden vier gulden.

12- Aan de kerk van Hekelgem legateert de testateur vier van schilderijen, te weten: de boodschap, Christus tussen twee wenende engelen, de driekoningen en Christus gekruisigd. Ze hangen boven de schouw in zijn kamer samen met twintig gulden om de schilderijen te versieren en te bewaren zodat de ze niet bedorven worden. De testateur wil dart ze in de kerk worden gehangen in het koor van Onze-Lieve-Vrouw van de Rozenkrans.

13- Aan Constantia Theresia Van Dipenbeeck, dochter van Abraham en van Joanna Margarita Broeckmans, zijn nicht wonend bij de witzusters te Antwerpen, schenkt hij zestig gulden om daar in de kerk een kleine uitvaart te houden tot lafenis van zijn ziel en de rest voor een recreatie in hun refter.

14- Aan de armste priesters van het college te Antwerpen schenkt hij al zijn zwarte kleren, mantels, zwarte toga, oude dikken nachttambaert, al zijn goede hemden en kragen en voor de bibliotheek van het college enige boeken die hij heeft aangeduid en met zijn naam ondertekend. De boeken moeten daar in de bibliotheek blijven. De crediteuren van het  college hebben er geen recht op en in het geval van onenigheid kan de executrice of haar erfgenamen ze altijd mogen opeisen.

15- De testateur begeert dat er jaarlijks en voor eeuwig tot lafenis van zijn ziel, die van zijn vrienden en van de broeders en zusters van de Heilige Rozenkrans een gezongen jaargetijde in de kerk van Hekelgem zal gecelebreerd worden aan het altaar van de Heilige Rozenkrans in de maand oktober de eerste maandag na de feestdag van de Heilige Rozenkrans. De pastoor zal dat twee zondagen te voren te aankondigen zowel voor als na de middag om ieder aan te sporen tot devotie voor de heilige rozenkrans. Daartoe zullen de klokken een half uur lang luiden op de avond voordien, ’s anderendaags ’s morgens vroeg en tweemaal voor de mis en ook ’s avonds. Daarvoor zal de pastoor drie gulden ontvangen  en de koster dertig stuivers mits hij aan de baar de miserere en de profundis zingt. Op het altaar van de heilige maagd Maria zullen vier kaarsen branden, op het hoogaltaar zes, aan de bar zes, op het altaar van de heilige engelbewaarder vier, voor de beelden van de heilige Jozef en Anna elk een, ieder kaars van een pond, voor de relieken van Sint-Cornelis twee,  voor het beeld van de heilige Rochus een, ieder een vierendeel van witte was. Na de dienst zal ook jaarlijks aan vijftien broeders en zusters van de heilige rozenkrans zeven stuivers met een wit brood van zes stuivers uitgedeeld worden. Wie het geld en het brood jaarlijks zullen genieten, heeft de pastoor al uitgekozen. De namen staan op een blad en na de dood van een van hen zal de pastoor een nieuwe kandidaat aanduiden. De broden moeten voor de mis op de tafel van de provisor van de broederschap liggen en na de dienst worden uitgedeeld. De pastoor, koster en de provisor zullen jaarlijks ook genieten van een der voorschreven witte broden van zes stuivers. Opdat deze fundatie wel eeuwig volbracht kan worden, zal de testateur in de muur naast het altaar onder het beeld van de heilige Jozef  een blauwe steen laten metselen waarin met wit leesbare letters van witte plaaster de datum van het jaargetijde wordt aangebracht met de vermelding dat het jaargetijde voor de lafenis van zijn ziel is en ook de penningen die daarvoor zijn voorzien. Als de steen niet tijdens zijn leven is aangebracht, dan moet de executrice daarvoor de opdracht geven. Daarvoor laat hij de som van honderd dertig gulden na. Aan de Kapel van de Heilige Rozenkrans in de kerk van Hekelgem laat hij de volgende renten na:

– Een rente van 32 gulden van een kapitaal van achthonderd gulden op 12 november tot last van molenaar Peeter Maes mulder, bepand volgens de akte gepasseerd voor schepenen van Affligem op 10 december 1714. ondertekend J. De Witte.

– Een rente van 12 gulden 15 stuivers van een kapitaal van driehonderd vijftig gulden  9 mei tot last van Andries Willems en consoorten, bepand volgens de akte gepasseerd voor voorschreven schepenen van Affligem op de …………

– Een rente van 8 gulden van een kapitaal van 200 gulden op 17 november sprekende tot last van Peeter Verleijsen en Catharina De Valck volgens de akte gepasseerd voor de voorschreven schepenen op 2 december 1715. Ondertekend J. De Witte.

16- Als de lasten betaald zijn dan zal het resterende geld worden gebruikt voor de versiering van het beeld van Onze-Lieve-Vrouw.

17- De testateur heeft aan de kardinaal-aartsbisschop van Mechelen en aan de eerw. heren proost en religieuzen van Affligem beloofd om na zijn dood 600 gulden te doen betalen voor de nieuwbouw van de pastorie van Hekelgem. Zij zullen voor hen ook een gelijke som vinden  als rente van een kapitaal van 7000 gulden. Dat bedrag moet na zijn dood worden betaald.

18- De testateur legateert aan Jan Baptista Van Der Elst en Catharina Constantia Broeckmans, zijn zuster en zwager, hun leven lang 1400 gulden en na hun dood aan Jacobus Van Der Elst, hun zoon. In het geval die komt te overlijden zonder wettig kind of kinderen zal het bedrag toekomen aan Anna Marie, Susanna, Catharina en Maria Constantia Van Diepenbeecq, kinderen van wijlen Abraham en Joanna Margarita Broeckmans.

19 Anna Marie Van Diepenbeecq, dochter van  Abraham en Margarita Broeckmans, weduwe van Lowies Josephus Coeberghen, in zijn leven secretaris van Zantvliet ene Berendrecht ontvangt een som van 1800 gulden.

20- Aan Susanna Van Diepenbeecq acht gulden, aan Marie Constantia Van Diepenbeecq 1700 gulden, Catharina Van Diepenbeecq 1600 gulden, aan Franciscus en Catharina Broeckmans, zijn kozijn en nicht uit Holten in Duitsland 100 gulden.

21- Aan de Philippina en Anna Laporte, geestelijke dochters die in Aalst wonen schenkt hij zijn grote kleerkast, de houten scribaen[3] die in die kast stond en naderhand onder zijn tafel en nog een andere scribaen met twee deuren en 23 laijen met nog 50 gulden.

22- Aan Elisabeth Ravijts, dochter van Laurijs, zijn meid, schenkt hij voor haar trouwe dienst van vele jaren 1170, bedrag haar prompt na zijn dood moet gegeven worden tenzij hij het bedrag voor haar al heeft belegd. Zij krijgt ook een pluimen beddeken waarmee zij gewoonlijk sliep, het beste van de twee oude wollen matrassen, een gestreept garen behangsel, een hoofdkussen doorj haar uit te kiezen, alle de oude fluwijnen en een paar van de beste, de vier beste paar lakens met de naad over het bed, alle de oude dekens uitgenomen een en de twee kleine witte die tot nettigheijt van de beddens dienen, drie kleine hammelaeckens, alle oude servetten met een half dozijn van de beste, al de blauwe en de gedamde doeken met al de voorschoten, vier messen door haar te kiezen, drie lepels en  drie Engels vorken, een zoutvat, mosterdpot en de inlandse peperdoos, zes oude inlandse tinnen talloiren door haar te kiezen, vier middelbare tinnen schotelkens, zijn nachttabbaard, drie paar van de beste kousen, al zijn schoenen, muilen, het ledikant, strozak en de behangsels waarop de testateur gewoon is op te slapen ende al de boter met de kuipen de in zijn sterfhuis worden gevonden.

23- Aan de voorschreven Elisabeth Ravijts laat hij 100 gulden na voor een…… en voor een vol jaar huur 42 gulden.

24- Aan Adriana Goijens van Vlierzele schenkt hij 50 gulden en aan Jan Baptista Resteau, zoon van de koster alhier, 12 gulden.

25- Anna Maria Van Diepenbeecq, zijn erfgenaam en executrice zal na zijn dood zonder uitstel al de kosten van de begrafenis, uitvaert, zielenmissen, de voorschreven legaten gemaakt aan Elisabeth Ravijts, de juffrouwen Laporte, Adriana Goijens, de vrienden van Holten, Jan Baptista Resteau, de rouw en de huur van de voorschreven Elisabeth Ravijts, de onkosten van zijn zerksteen, versiersels van de schilderijen door hem gemaakt aan de kerk van Hekelgem en nog een klein legaat bij de heer comparant op het apart bezet geschreven en bij hem ondertekend. Dat moet eerst gebeuren met contante penningen, met de opbrengst van de resterende meubelen en katteilen in het sterfhuis gevonden en ook met de kapitalen en de renten die men in zijn sterfhuis aantreft.

26- Alle nog resterende goederen komen toe aan de voorschreven juf. Anna Marie Van Diepenbeecq, weduwe van de heer Lowies Josephus Coeberghen, dochter van wijlen de heer Abrahams en Joanna Margarita Broeckmans en na haar dood aan haar kind behouden van de voorschreven man en eventueel nog andere kinderen. Ingeval het kind of de kinderen komen te overlijden zonder wettige kinderen aan Marie Constantia Van Diepenbeecq, ook dochter des voorschreven Abrahams en Joanna Margarita Broeckmans.

Aldus gedaan te Hekelgem in het en woonhuis van de testateur ter presentie van de eerw. heer Ludovicus De Clerck, pastoor van Teralfene en Peeter Van Den Bosch, zoon van Michiel, getuigen.


[1] B. VERMOESEN, De parochie van Hekelgem tot 1792, in: Jaarboek Belledaal, 2008, 84 – 86.

[2] R.A. Leuven, notaris Eg. Crick, toegang 882/522, nr. 21.

[3] Scribaene = Scriban = 1) Kabinet Vlaams 2) Oud-vlaamse schrijftafel 3) Oudvlaamse schrijftafel 4) Schrijfkabinet 5) Schrijftablet 6) Schrijftafel

Plaats een reactie