De familie Plas te Hekelgem.

De eerste van de familie Plas te Hekelgem was Jan (Joannes). Hij was boer van het Hof ten Blakmeers. Joannes was dezoon van Adrianus en Elisabeth De Smet. De familie Plas was afkomstig van Mazenzele.

ADRIANUS PLAS.

Adrianus werd gedoopt te Mazenzele omstreeks 1648 en overleed te Hekelgem op 29 januari 1724. Hij trouwde te Meuzegem – Wolvertem op 4 augustus 1674 met Elisabeth De Smet, gedoopt te Mazenzele op 18 september 1656 en aldaar overleden op 17 oktober 1713.

Kinderen uit dit huwelijk te Mazenzele gedoopt:

1. Barbara, gedoopt op 19 mei 1675 en overleden te Mazenzele op 28 oktober 1741. Zij huwde te Mazenzele op 5 februari 1701 met Laurentius Van Huyneghem, gedoopt te Asse op 2 februari 1668 en aldaar overleden op 3 november 1741.

2. Gillis, gedoopt op 18 april 1677. Hij huwde te Mazenzele op 30 augustus 1716 met Petronilla Michiels, gedoopt te Mazenzele op 29 januari 1692 en aldaar overleden op 3 mei 1742. Een notitie van 6 december 1729 geeft aan dat Gillis meisenier was te Grimbergen.

3. Hendrick, gedoopt op 3 december 1679 en overleden op 21 januari 1754. Hij huwde te Mazenzele op 25 februari 1705 met Petronilla Wouters, gedoopt te Mazenzele op 27 juli 1672 en aldaar overleden op 2 juli 1739.

4. Joannes, volgt IIa.

5. Judocus, volgt IIb.

6. Egidius, gedoopt op 8 september 1688, overleden te Brussegem op 28 mei 1752.

7. Petrus, gedoopt op 5 oktober 1690.

8. Adrianus, gedoopt op 18 oktober 1693, overleden te Mollem op 2 mei 1752. Hij trouwde te Bollebeek op 22 augustus 1724 met Cecilia Jacobs.

9. Petronilla, gedoopt op 29 september 1697.

IIa – JOANNES, de tak van de Blakmeershoeve.

Joannes (Jan) werd gedoopt op maandag 19 mei 1681 in Mazenzele. Hij overleed op vrijdag 15 mei 1744 in Hekelgem, 62 jaar oud. Hij trouwde, 32 jaar oud, op woensdag 21 maart 1714 in Hekelgem met Margaretha Moerenhout, 36 jaar oud. Zij is gedoopt op donderdag 10 februari 1678 in Rossem – Wolvertem. Margaretha overleed op donderdag 17 oktober 1715 in Hekelgem, 37 jaar oud. Zij was de weduwe van Egidius Van Ginderachter (1673-±1713), met wie zij trouwde op zaterdag 3 februari 1703 in Rossem-Wolvertem. Met haar eerste man had Margaretha zes kinderen:

1. Henricus, gedoopt op woensdag 12 december 1703 in Rossem-Wolvertem.

2.Joanna Theresia, gedoopt in 1704. Joanna is overleden op dinsdag 9 september 1794 in Kobbegem, 90 jaar oud.

3. Anna Maria, gedoopt in 1705.

4. Anna Catharina, gedoopt op vrijdag 23 december 1707 in Hekelgem

5. Egidius, gedoopt op zondag 14 april 1709 in Hekelgem.

6. Maria, gedoopt op maandag 11 mei 1711 in Hekelgem.

Kinderen van Joannes en Margaretha:

1. Franciscus Benedictus, gedoopt op donderdag 21 maart 1715 in Hekelgem. Franciscus  overleed op vrijdag 27 juli 1798 in Hekelgem, 83 jaar oud. Hij trouwde, 49 jaar oud, op zondag 7 oktober 1764 in Hekelgem met Joanna Verherstraeten, 32 jaar oud. Zij werd gedoopt op donderdag 13 december 1731 in Asse. Joanna overleed op vrijdag 2 november 1810 in Hekelgem, 78 jaar oud.

2. Joanna Maria, gedoopt op donderdag 21 maart 1715 in Hekelgem.

Na de dood van Margaretha trouwde Jan, 35 jaar oud, op zondag 19 juli 1716 in Mollem met Maria Anna Coppens, 34 jaar oud. Zij is gedoopt op dinsdag 3 maart 1682 in Mollem. Maria is overleden op vrijdag 28 maart 1721 in Hekelgem, 39 jaar oud. Met Maria had Jan één kind: Elisabeth, gedoopt op maandag 27 september 1717 in Hekelgem. Elisabeth overleed op vrijdag 16 mei 1794 in Essene, 76 jaar oud. Zij trouwde, 25 jaar oud, op woensdag 7 augustus 1743 in Hekelgem met Joannes Baptist Van De Putte, 31 jaar oud. Hij was een zoon van François en Joanna Van Den Broeck, gedoopt op zondag 9 augustus 1711 in Essene. Joannes overleed op woensdag 22 augustus 1764 in Essene, 53 jaar oud.

Jan trouwde een derde maal, 45 jaar oud, op zaterdag 11 januari 1727 in Hekelgem met Elisabeth Goossens, 20 jaar oud. Zij is gedoopt op woensdag 9 juni 1706 in Mazenzele. Elisabeth overleed op zondag 15 november 1772 in Hekelgem, 66 jaar oud. Zij trouwde later op zondag 11 juli 1745 in Hekelgem met Egidius Plas (1703-1778). Kinderen van Elisabeth en Joannes:

1. Judocus, gedoopt op woensdag 19 november 1727 in Hekelgem en overleden op dinsdag 5 september 1815 in Essene, 87 jaar oud. Hij trouwde, 27 jaar oud, op dinsdag 20 mei 1755 in Essene met Barbara Van De Putte, 25 jaar oud.

2. Catharina Theresia, gedoopt op dinsdag 7 juni 1729 in Hekelgem.

3. David, gedoopt op woensdag 11 juli 1731 in Hekelgem. David overleed in 1762, 31 jaar oud.

4. Guillelmus, gedoopt op maandag 15 juni 1733 in Hekelgem.

5. Gerardus, gedoopt op woensdag 3 november 1734 in Hekelgem. Hij overleed op maandag 21 juli 1794 in Hekelgem, 59 jaar oud.

Ferrariskaart 1777.

Boer op de Blakmeershoeve.

De Blakmeershoeve was een van de grote hoeves van de abdij in Hekelgem. De eerste vermelding van een pachter, Geert Schoonjans, was in 1615. Onder Joos Smeth werd in 1649 de hoeve vernieuwd. Hij bewerkte in 1650 zo’n 25 b land en weide en in 1672 betaalde hij 500 gulden voor 28 b 18,50 r.[1] De familie Smeth verliet de hoeve in 1683 en werd opgevolgd door Aart Wambacq. In 1684 kon de abdij verhinderen dat Franse soldaten de hoeve in brand staken. Dat schrijft dom Wilfried Verleyen, de Affligemse historicus[2] en dat in tegenstelling tot Remi De Schrijver die beweerde dat Franse troepen de hele boerderij door brand vernielden. Nadien werd, aldus De Schrijver, een nieuwe hoeve gebouwd 250 m noordwaarts op een hogere en vastere grond[3]. Dom Verleyen die noteerde dat in 1726 een nieuwe paardenstal, een koeienstal en een kelderkamer werden gebouwd. Dat de hoeve van 1684 tot 1726 in puin lag is niet aannemelijk. Een nieuwe schuur kwam er in 1779.

In 1696 werd de weduwe van Aart de laatste maal als pachter vermeld. Zij verliet het Hof ten Blakmeers om met haar tweede man, Frans Willems, de afspanning De Kroon uit te baten.

Hun plaats werd ingenomen door Philip Franssens die er tot 1714 bleef en door Jan Plas werd opgevolgd. De hoeve omvatte toen 37 b land, weide, broekagie met nog de Jongenbos van 5 b en de nieuwenbos van 17 b. Of Jan een uitstekende boer was, weten we niet, wel dat hij geregeld in aanraking kwam met het gerecht zoals blijkt uit de stukken van de schepenbank van Asse.

In de clinch met Guuilliam Cortvrindt.

In 1723 schakelde Jan zijn advocaat Egidius Crick in om bij de schepenbank van Asse een klacht in te dienen tegen Guilliam Cortvrindt uit Hekelgem. Hij had hem meerdere ladingen klaver geleverd maar Cortvrindt maakte geen aanstalten om de rekening te betalen. Het ging om het behoorlijke gedrag van 47 g 12 ½ st. Nadat de schepenbank Cortvrindt tweemaal tevergeefs had gedagvaard , vroeg Crick de schepenen om Cortvrindt te veroordelen tot de betaling van de achterstallige rekening verhoogd met kosten, samen 55 g 14 st. De wanbetaler werd echter nog een derde maal en alweer tevergeefs, gedagvaard, ditmaal ten huize van Jan Louies te Hekelgem op 29 maart 1724. Het vonnis, ondertekend door schepen Ledegen en hoofddrossaard Mortgat, viel op 13 mei 1724: Guilliam moest de 55 g 14 st betalen.

Een klacht tegen Franchois Ledegen.

Franchois Ledegen, collecteur van Hekelgem, eiste van Jan Plas de betaling van 67 g 5 st 1 o als zijn deel in de grondbelasting (het Oncostboeck).Voor de jaren 1724 en 1725 hadden de bedesetters elke bunder land, weide en bos getaxeerd op 1 g 18 st. Voor Jan Plas met een landbouwbedrijf 34 b 2 47 r betekende dat een belasting van 67 g 5 st 1o en dat vond hij te veel. Hij verzette zich tegen de opgegeven oppervlaktes en betaalde niet. Collecteur Ledegen diende, na mislukte pogingen tot een minnelijke schikking, op 26 november 1726 een klacht in bij de schepenbank van Asse. Maar in plaats van te betalen, legde Jan Plas zelf een klacht neer tegen de collecteur. Uit het Oncostboeck blijkt dat in Hekelgem 522 b 58 r in aanmerking kwamen voor die grondbelasting. Dat gaf een bedrag van 991 g 16 st. De lijst was opgesteld op 5 juni 1725 door de bedesetters Thomas Verleysen, Jan Baptista ’t Sas, Peter Verleysen en, merkwaardig, Jan Plas zelf. Daar Plas weigerde te betalen, kwam de zaak op 7 juni 1728 in handen van de hoofddrossaard Jacobus Josephus Jacops. Op 26 oktober 1728 volgde de uitspraak. In gebanne vierschaere beslisten de schepenen Martinus Linthout, Peter Verleysen en Hendrik Voghel dat Jan Plas het verschuldigde bedrag moest betalen. Maar daarmee was de zaak nog niet opgelost. In het archief van de schepenbank vonden we nog een vonnis van 27 mei 1732 waarin de boer van de Blakmeers hoeve nog eens werd veroordeeld voor de betaling van de 67 g 15 st 1 o en bijkomende gerechtskosten. Het vonnis was ondertekend door Jan Van den Bossche, Jan Van Assche, Hendrik De Voghel, Peter Verleysen, Philippe Van Humbeeck en Jacobus Meert. P. Robijns was de griffier.

Was Jan Plas de vader van het kind van Joanna De Smedt?[4]

Tijdens de hoppluk september-oktober 1727 zou Jan Plas, de boer van de Blakmeershoeve een van de pluksters verkracht hebben. Dat gerucht deed de ronde en dat was voor de hoofddrossaard van het Land van Asse, Jacobus Josephus Jacops, de aanleiding om een vooronderzoek in te stellen.

7 juni 1728:

De schepenen van de schepenbank van Asse, Hendrik De Voghel en Martinus Linthout ondervroegen op zijn verzoek Maria Anna Keijmolen. Deze 51-jarige vroedvrouw woonde in Ternat. Zij vertelde aan de schepenen dat in de namiddag van 4 juni 1728 Jan De Pauw, die in een kamer van het huis van wijlen Peter De Smedt op Asse-ter-heide woonde, haar kwam vragen om aanstonds mee te gaan naar het huis van die Peter De Smedt. Maria wou weten of het voor Joanna was, voor de dochter van Peter, van wie men vertelde dat ze zwanger was van Jan Plas, de boer van de Blakmeershoeve. Dat bevestigde Jan De pauw en ze vertrokken dadelijk. Onderweg riep de vrouw van Jan Verhasselt haar toe dat ze verder moesten gaan want zij had het  kind al gedoopt. De vroedvouw hechtte daar geen geloof aan en spoedde zich naar Asse-ter-Heide. In de keuken zag zij Joanna liggen omringd door andere vrouwen. Zij onderzocht haar en stelde vast dat haar water nog niet was gebroken. Maria zei dat ze Joanna wilde helpen bij de geboorte op voorwaarde dat ze bekend maakte wie de vader van het kind was. Joanna legde daarop in haar handen de eed af dat Jan Plas van de Blakmeershoeve de vader was en dat zij nooit vleselijcke conversatie heeft gehad tenzij eenmaal met Jan Plas. Francis Van den Houte en Gerard De Valck waren er getuigen van. Dat gebeurde in zijn schuur in aanwezigheid van twee andere vrouwen. Joanna had hen zelfs om hulp gevraagd, maar zij wilden of durfden haar niet komen helpen. Ook na de geboorte bleef Joanna beweren dat Jan Plas de vader was.

19 april 1728: bijkomende verhoren.

– Anna De Cort, de vrouw van Ingel De Coster, 44 jaar en van Asse-ter-Heide, bevestigde de verklaring van Joanna[5]. Zij voegde er nog aan toe dat Jan Plas gezegd had dat hij haar nek zou breken.

– Petronella De Smedt, de zus van Joanna, was thuis toen de boer en zijn vrienden binnen vielen. Hij schreeuwde en tierde dat hij wou weten wat Joanna van hem vertelde. Een angstige Joanna antwoordde dat ze alleen eer en deugd van hem kon vertellen. Achteraf voegde ze eraan toe dat ze uit schrik niet meer wist wat ze had gezegd.

– Joanna Van Vaerenbergh, de vrouw van Merten Van den Broeck, legde dezelfde getuigenis af als Anna De Cort.

12 juni 1728: Nog meer getuigen.

De schepenen Hendrik De Voghel [6] en Martinus Linthout riepen nog meer getuigen op.

– Petronella De Valck uit Mazenzele, 32 of 33 jaar, was een van de hoppluksters in september 1727. Op de 3de of 4de dag was zij met de andere vrouwen uit de kamer waar zij sliepen weggegaan omwille van de vuijlicheijt van luijsen van Joanna De Smet. Zij, Maria De Blanck en Joanna zijn in de schuur op het hooi gaan liggen. Kort na middernacht kwam de boer binnen en ging bij Joanna liggen. Zij hoorde hem zeggen ick en sal u geen quat doen. Na ongeveer een half uur, toen de honden begonnen te blaffen, ging hij weg.

– Marie De Blanck, 32 jaar, uit Opwijk en vrouw van Joos Verdoodt[7], was een van de pluksters. Aan Joannes Van den Bossche en Peter Van Humbeek zegt ze dat ze met Joanna en Petronella De Smedt in één kamer sliepen.

– Jan De Pauw van Asse-ter-Heide, 40 jaar, heeft Hendrik Plas horen zeggen dat ze het huis van Joanna in brand zullen steken als ze bleef herhalen dat ze was groot gaende van Jan Plas.

7 juni 1728: getuigenis van Joanna De Smedt.

De twee getuigen, Francis Van den Houte, een 52-jarige Assenaar en Gerard De Valck uit Asse-ter-Heide, 32 jaar, bevestigden de verklaring van de vroedvrouw. Joanna zelf werd door officier Carel Rogiers voor de schepenbank gedaagd. Zij was 21 of 22 jaar oud en dochter van Catharina Geeroms. Zij had begin oktober hop geplukt bij Jan Plas. Op een avond, na de maaltijd, was zij, samen met twee andere vrouwen, naar de schuur gegaan om er op het hooi wat te rusten. Zo rond middernacht was Jan Plas bij haar gekomen. Hij had haar nog nooit aangeraakt, maar nu begon hij haar forselijck te verkrachten. Zij heeft zich daartegen verzet en de twee vrouwen om hulp gevraagd, maar die wilden haar niet helpen. Niettegenstaande haar verzet heeft de boer haar forselijck gedefloreert. Na zijn vleselijcken lust volbracht te hebben, dreigde hij ermee dat, als zij zou vertellen wat er was gebeurd, hij haar zou neerschieten. Zes weken geleden was hij naar het huis van haar moeder gekomen, samen met zijn vrouw, zijn knechten, zijn broer Franciscus, Francis Van den Houte, Cornelis De Boeck en nog enkele anderen. Hij greep Joanna bij haar arm en vroeg haar wat zij van hem te vertellen had. Uit angst durfde Joanna alleen maar deugdelijke dingen te zeggen. Hij schreeuwde haar toe dat hij zich zou ophangen als ze bleef vertellen dat ze van hem in verwachting was. Drie weken later kwam Catharina, de dochter van Francis Van den Houte, haar vragen mee te gaan naar haar ouders. Daar toonde ze haar een verklaring die ze moest ondertekenen. Hendrik Plas, een broer van Jan, dreigde ermee haar huis in brand te steken als ze niet tekende. Joanna ondertekende dan het blad met een X.

22 juni 1728: hoofddrossaard vat de feiten ten laste van Jan Plas samen.

Drie hoppluksters sliepen in de schuur van Jan Plas op de Blakmeershoeve. Op een nacht werd Joanna, een van de pluksters, door Jan Plas verkracht. Later ging die samen met zijn kompanen Joanna bedreigen en zijn broer Hendrik verplichtte Joanna een verklaring van Jans onschuld te ondertekenen. Jan Plas was eerder al eens voor een dergelijk feit aangeklaagd.

Uit het doopregister van Asse: 7 (juni 1728 te Asse) is gedoopt Joannes onwettige zoon van Joanna De Smedt die tijdens de bevalling in tegenwoordigheid van de vroedvrouw Maria Anna Kijmolen en de getuigen Franciscus Van Den Houte en Gerardus De Valck verklaarde dat Joannes Plas de vader was.

13 juli 1728: de reactie van Jan Plas.

Volgens hopboer Jan Plas sliepen de drie pluksters samen met zijn dochters en meiden samen in één kamer. Daar zijn dochters kloegen over luizen bij de pluksters verzocht zijn vrouw de drie pluksters in de schuur te gaan slapen. Op een nacht, hij kwam juist uit zijn ast waar hij met de knechten het vuur onderhield om de hop te drogen, hoorde hij lawaai in de schuur. Hij opende de poort en vroeg wie daar was. De drie vrouwen maakten zich bekend en hij ging naar zijn huis. Vijf of zes weken geleden kwam zijn broer Hendrik hem melden dat Joanna De Smedt hem van verkrachting beschuldigde. Zo’n valse aanklacht kon hij niet aanvaarden en daarom trok hij met zijn vrouw, zijn broer en vrienden naar het huis van Joanna. Zij heeft toen openlijk gezegd dat zij geen betrekkingen hebben gehad. Meer nog, in aanwezigheid van Francis Van den Houte en Cornelis De Boeck, ondertekende Joanna een verklaring waarin ze ontkende dat hij de vader van haar kind was. Over die eerdere veroordeling zei hij dat hij toen weduwnaar was en abusief werd veroordeeld. Hij wou toen niet in beroep gaan tegen het vonnis omdat het meisje arm was en geen schadevergoeding kon betalen.

25 augustus 1728: op zoek naar meer bewijzen.

Jan Plas daagde de hoofddrossaard uit om echte bewijzen voor te leggen. Die vroeg op 26 oktoberde getuigen opnieuw te verhoren en om nog meer mensen te ondervragen. De schepenen Martinus Linthout, Peter Verleysen en Hendrik De Voghel gingen in op de vraag van Jan Plas en riepen op 6 december de getuigen op voor een nieuw verhoor. Peter De Bailliu, Joannes Van den Bossche, Peter Van Humbeek en Gillis Van Ginderachter deden de ondervragingen.

– Mariana Keijmolen bleef bij haar eerste getuigenis.

– Francis Van den Houte hield vol dat hij Joanna onder eed en tijdens haar barensweeën hoorde  zeggen dat Jan Plas de vader van haar kind was.

– Gerard De Valck zei hetzelfde.

– Joanna kwam met nieuwe feiten. Jan Plas had in oktober haar verscheide reijsen noch vleselijck bekent in de schuere.

– Anna De Cort vertelde dat Joanna haar eens zei dat ze niet wist wie de vader was, maar later zei ze dat het een man was die geleek op de man van haar moeder. Op 4 juni duidde ze een zekere Joseph uit Bijgaarden aan als de vader. Maar na enig aandringen van Anna gaf ze toe dat het Jan Plas was.

– Petronella De Smedt, de vrouw van Jan De pauw, bevestigde de verklaringen van Anna De Cort.

– Joanna Van vaerenbergh, de vrouw van Merten Van den Broeck van Asse-ter-Heide, wist niet dat Jan Plas Joanna verbood om hem als de vader van het kind aan te duiden en dat hij haar nek zou breken als ze het toch deed. Zij had niet gehoord dat Joanna om hulp riep die nacht in de schuur. Maar ze wis zeker dat Joanna tijdens het baren zei dat een zekere Joseph tijdens de hoppluk met haer besigh hadde geweest, hadde geslapen ende vleesselijcke geconverseert. Later zou ze aan die Joseph hebben voorgesteld om naar de pastoor te gaan en te trouwen.

– Petronella De Valck uit Mazenzele, 32 jaar, wist dat Jan Plas in de schuur is gekomen, maar dat sij niet en is gewaer geworden dat hij bij Joanna was gaan liggen of dat zij om hulp riep.

– Jan De Pauw bleef bij zijn eerste getuigenis. Hij voegde er wel aan toe dat hij Jan Plas en zijn twee knechten in het huis van Joanna hoorde zeggen dat zij het huis van vier kanten in brand zouden steken.

– Marie De Blanc kwam pas op 14 december aan de beurt. Nu wist ze plots dat niet Jan Plas maar een man uit Lebbeke twee of drie nachten bij Joanna was gaan liggen.

– Francis Van den Houte en Cornelis De Boeck bevestigden dat Joanna een verklaring ondertekende waarin ze Jan Plas niets ten laste legde.

– Joanna Marie Van Ingelghem, de vrouw van Francis Van den Houte, waarschuwde Joanna op 19 april 1728 niets te ondertekenen als ze met Jan Plas iets had gehad. Joanna antwoordde haar dat hij noijt aen mij is geweest en heeft noijt met mij vuijtstaens ofte te doen gehadt en dan ondertekende ze de brief.

– Catharina De Bruijn, de vrouw van Govaert Van Brempt van Doment[8], ging in april 1728 naar Asse en onderweg stapte ze bij de moeder van Joanna binnen om voor haar een halve zak zout mee te brengen als ze met haar kerre naar Brussel reed. Aan Joanna Vroeg ze wie de vader van haar kind was en zij antwoordde dat het Joseph uit Bijgaarden was. Op 7 mei was ze weer in het huis van Joanna’s moeder om een ton azijn te bestellen. Ze sprak Joanna nog eens aan over het vaderschap en Joanna hield vol dat Joseph de vader was en dat Jan Plas haar nooit getoucheert had. Joseph was vorige zondag nog bij haar gekomen toen ze naar Asse naar de mis ging. Hij wou haar toen beschunken. Catharina sprak ook nog met Joanna’s moeder omdat die vertelde dat Jan Plas, een eerlijk man volgens Catharina, haar dochter wel had verkracht en dat terwijl Joanna die Joseph als de dader aanwees. De moeder antwoordde dat Jan Verhertbruggen, de armenmeester van Asse, haar had verwittigd dat ze niets meer van de armendis zou krijgen als ze bleef volhouden dat Jan de vader was.

– Marie De Blanc kwam nog eens met een gewijzigde verklaring. Nu beweerde ze dat Joanna in de schuur tussen haar en Petronella De Valck sliep en dat de boer nooit in de schuur was geweest.

– Jan Temmerman, de smid uit Asse-ter-Heide, zag Joanna eens haar woning verlaten met een zekere Joseph. Hij vroeg haar moeder of zij met die Joseph zou trouwen en kreeg als antwoord dat ze met die deugniet niet kon trouwen want zij konden het kind niet onderhouden. Later stelde hij dezelfde vraag aan Joanna en die zei wat soude ick met dien deugniet doen, ick sal wel eenen rijke persoon vinden om als vader te declareren.

– Digna De Bailliu, de vrouw van Jan Verhaselt herinnerde zich nog dat in juni Peternelle, de zus van Joanna, haar kwam vragen om direct mee te gaan naar het huis van haar moeder om Joanna bij te staan tijdens haar bevalling. Haar man was er tegen, maar uit christelijke liefde voor haar evennaaste was ze toch meegegaan. Daar er geen vroedvrouw was, hielp ze Joanna tot Joanna Van den Houte, de vrouw van Cornelis De Boeck binnen kwam. Zij eiste van Joanna dat ze zou zeggen wie de echte vader was, anders zou ze haar niet hepen. Joanna zei, en iedereen kon het horen, dat Joseph van Bijgaarden de vader was en dat Plas haar nooit had aangeraakt. Digna verliet dan het huis en vernam achteraf dat Joanna een soontien had dat in de kerk van Asse werd gedoopt.

– Joanna Van den Houte herhaalde de vorige getuigenis.

– Anna De Cort, de vrouw van Engel De Coster, woonde met haar gezin in een deel van de hofstede van Joanna’s moeder. Zij was ook bij de geboorte en hoorde dat Joanna  Joseph de vader noemde.

– Aan Engel De Coster vertelde Joanna dat ze met Joseph naar Asse was gegaan om te trouwen, maar uiteindelijk bij de pastoor niet wou binnen gaan omdat die soude gaen kijven.

20 juni 1729 nieuwe ondervragingen.

Hendrik De Voghel, Peter Verleysen met griffier P. Robijns ondervroegen nog eens Francis Van den Houte, Cornelis De Boeck, Joanna Maria Van Ingelghem, Maria De Blanc, Catharina De Bruijn en Jan Temmermans. Een dag later kwamen Digna De Bailliu, Anna De Cort en Engel De Coster aan de beurt, maar er kwamen geen nieuwe feiten aan het licht.

Aldus gedaen ende wettelijck verhoord desen 21ste juni 1729 present Joannes Van Den Bossche, Henricus De Voghel ende Peeter Verlijsen schepenen.

28 september 1730: het verzoek van Jan Verhertbruggen.

Jan verhertbruggen, een pachter van Asse, verzocht Carel Rogiers en Peter Ledegen om het kind van Joanna aan Jan Plas toe te wijzen. Zij weigerden tenzij de hoofddrossaard hen daartoe het bevel zou geven.

17 maart 1731: het oordeel van de hoofdrossaard.

De hoofdrossaard was van mening dat er bij delicten nooit duidelijker informatie was ingewonnen dan in dit proces. Het bewijs leverde de vroedvrouw die onder eed vernam dat het kind van Jan Plas was. Dat was in aanwezigheid van Francis Van den Houte en Gerard De Valck. Zij hebben dat bevestigd. Die getuigenissen werden versterkt door de bedreigingen van Jan Plas. Petronella De Valck en Maria De Blanc getuigden dat Jan Plas een half uur bij Joanna was gaan liggen. Jan Plas zelf zei dat hij in de schuur was geweest.

Petronella De Valck en Marie De Blanc ontkenden later dat Jan Plas bij Joanna was gaan liggen ook al ze hadden in hun eerste getuigenis onder eed afgelegd het tegenovergestelde beweerd. Maar ze zaaiden twijfel: waren hun verklaringen geloofwaardig? Ook de eed van Joanna is geene genosghsaeme preuve gezien de tegenstrijdige verklaringen die ze herhaalde malen aflegde. Ook al was het delict een criminele zaak onderworpen aan zware straffen, de hoofdsrossard zag zich verplicht Jan Plas te dechargeren van alle calumnie. Jan Plas, boer op het Hof te Blakmeers ging dus vrijuit.

Waar was de vader van Joanna?

De moeder van Joanna werd herhaaldelijk een weduwe genoemd. Toch was het niet zeker dat haar man dood was. Peter De Smedt, zoon van Cornelis, was afkomstig van Teralfene en woonde in Asse –ter-Heide. Op 3 september 1706 werd hij veroordeeld wegens diefstal. Hij had drie koeien gestolen, een van Peter Cortvrindt uit Denderleeuw, een van Jasper en een van Cornelis, een Fransman uit Ninove. Hij had ze op de markt te Brussel verkocht, maar werd toch gesnapt en zwaar gestraft door de leenmannen van de burcht en kasteel van Liedekerke en substituut Paschier De Brauwer: geseling met scherpe roeden tot bloedens, brandmerking en verbanning uit Vlaanderen voor 15 jaar.

Een milieudelict.

In de zomer van 1733 loosde Jan Plas het vuile water van 6 vlasputten in de Arckeijebeke (Okaaibeek?) met als gevolg dat enkele dieren van de abdij, die van het water van de beek hadden gedronken, ziek werden en een ervan stierf. Ook alle vissen van de beek tot aan de Dender waren dood. Op verzoek van drossaard Joannes Emmanuel Loovens onderzocht Jacobus Van der Elst de zaak. Voor de abdij, als benadeelde partij, stelden schepen Jacobus Meert en meier Martinus Linthout ook een onderzoek in. Het gevolg was dat de drossaard bij de schepenbank een klacht neerlegde tegen Jan Plas. De schepenen Peter Van de Putte, Carel Rogiers oordeelden dat zo’n daad niet gepermitteerd was en noch en mach getolereerd worden ter oorsaecke het voorschreven rioolwater veroorsaeckt sieckten aen het vee ende teenemael vernietight ende ruineert de visscherije. Zij verzochten de hoofdofficieren om Jan Plas een boete op te leggen.

Een lening niet terugbetaald.

De erfgenamen van jonker Olivier Franciscus Limnander eisten van Jan Plas 231 g 14 st 1 o. Was dat voor achterstallige pacht of ging het om de afkorting van een lening, dat is niet duidelijk. Jan werd op 19 april 1735 door officier Gommaert Verloes voor de schepenen gedaagd door hun advocaat Egidius Crick. Advocaat Van Mulders verdedigde Plas met het argument dat het bedrag te hoog was daar zijn cliënt eerder al bedragen had overgemaakt. Crick eiste dat de tegenpartij de bewijzen van eerdere betalingen zou voorleggen. Op 4 mei 1735  toonde Van Mulders bewijzen van vroegere betalingen:

– Hij heeft kwitanties voor 147 g 10 st. tot 16 november 1729.

– Een kwitantie voor vertier van 23 g van posthouder Jacobus Stombaije van Asse en van Jacobus Roselet van Hekelgem.  

– Een getuigenis van Jan Baptist Stoels dat hij 6 p betaalde.

– Een bewijs dat hij in Het Bourgondisch Kruis 30 g betaald.

Het antwoord van Crick volgde op17 mei. Hij vond de kwitanties niet aannemelijk. De advocaten bleven elkaar verwijten toesturen tot de schepenen, na advies, ingewonnen bij de rechtsgeleerden van de Souverynen Raede van Brabant, eisten dat beide partijen op 23 augustus 1735 zouden verschijnen ten huize van advocaat Goijvaerts te Brussel. Op 29 november 1735 volgde een uitspraak ten nadele van Jan Plas. Hij moet het geëiste bedrag betalen. Hendrik De Voghel, Gillis Meert en Peter Verleysen ondertekenden de uitspraak.

Een lening aan Jan Van den Houte.

Jan Van den Houte en zijn vrouw Barbara De Nil uit Meldert gingen op 9 september 1733 bij Jan Plas een lening van 50 g met een intrest van 5% aan bij Jan Plas. Zij moesten binnen de drie jaar de lening terugbetalen.

Na de dood van Jan ging zijn weduwe Elisabeth Goossens een tweede huwelijk aan met Egidius, broer van Jan. Hij overleed op 15 november 1772. Dit huwelijk bleef kinderloos.

IIIa. – FRANCISCUS BENEDICTUS PLAS.

Franciscus Benedictus, zoon van Jan en Margaretha, werd gedoopt op donderdag 21 maart 1715 in Hekelgem. Franciscus overleed op vrijdag 27 juli 1798 in Hekelgem, 83 jaar oud. Hij trouwde, 49 jaar oud, op zondag 7 oktober 1764 in Hekelgem met Joanna Verherstraeten, 32 jaar oud. Zij werd gedoopt op donderdag 13 december 1731 in Asse. Joanna overleed op vrijdag 2 november 1810 in Hekelgem, 78 jaar oud.

Kinderen uit dit huwelijk te Hekelgem gedoopt:

1. Barbara, gedoopt op 19 augustus 1765, aldaar overleden op 3 april 1854. Zij huwde te Hekelgem op 7 januari 1795 met Jacobus De Coster, gedoopt te Hekelgem op 30 oktober 1767 en aldaar overleden op 8 maart 1837.

Kinderen uit dit huwelijk te Hekelgem gedoopt/ geboren:

1. Gerardus, gedoopt op 28 januari 1800, overleden te Mons (Bergen) op 14 april 1820:

 Décédé suite à une “fièvre gastrique” à l’Hopital Civil de Mons. Il servait dans l’infanterie comme fusillier.

2. Maria Catharina, geboren op 1 oktober 1802, zij huwde te Hekelgem op 11 november 1829 met Petrus De Ridder, geboren te Ternat op 7 december 1799, overleden te Hekelgem op 21 augustus 1866, zoon van Adrianus en Elisabeth Faes.

2. Gerardus, gedoopt op 17 juli 1768, aldaar overleden op 9 januari 1839.

3. Henricus, gedoopt op 24 november 1770, aldaar overleden op 17 april 1814.

4. Thomas, gedoopt op 26 november 1773, aldaar overleden op 29 juni 1811.

IIIb. – ELISABETH.

Elisabeth, dochter van Jan en Margaretha Moerenhout, werd gedoopt te Hekelgem op 27 september 1717 en overleed te Essene op 16 mei 1794. Zij trouwde te Hekelgem op 7 augustus 1743 met Joannes Baptist Van de Putte, gedoopt te Essene op 9 augustus 1711,  aldaar overleden p 22 augustus 1764, zoon van François en Joanna Van den Broeck.

IIIc – JUDOCUS.

Judocus Plas, zoon van Jan en zijn derde vrouw Elisabeth Goossens, gedoopt te Hekelgem op 19 november 1727 overleed Essene op 5 september 1815. Hij trouwde te Essene op 20 mei 1755 met Barbara Van de Putte. Zij werd te Essene gedoopt op 8 december 1729 en overleed er in 1801. Barbara was een dochter van Peter en Maria Pepersack en weduwe van Jacobus De Bus met wie ze een kind had, Phillipus Jacobus De Bus. De hoofdrossard en de schepenen van Asse, als voogden van het kind, hadden hun toestemming gegeven mits de opmaak van een huwelijkscontract. Als Barbara als eerste van het nieuwe huwelijk zou sterven dan moest Judocus het kind opvoeden in de Roomsche catholijcke religie en het onderhouden van cost, drank, cleederen ende lijnwaert naer staet soo in saecke als gesontheijt behoorelijck doen leeren lesen ende schrijven. Op zijn 25 jaar zou hij 250 g ontvangen. Sterft Philippus eerder dan behied Judocus de goederen van de goederen van Jacobus De Bus.

Uit het huwelijk werden 9 kinderen geboren en te Essene gedoopt:

1. Egidius, gedoopt op 28 februari 1756 en overleden te Essene op 19 december 1756.

2. Joanna Maria Berlindis, gedoopt op 1 oktober 1757 en te Opwijk overleden op 18 mei 1820. Zij trouwde te Essene op 26 november 1793 met Hiëronymus Van Malder, gedoopt te Baardegem op 21 juli 1758, † te Opwijk op 17 maart 1839.

3. Maria Elisabeth, gedoopt op 13 oktober 1759 en overleden te Essene op 6 december 1839. Zij huwde te Essene op 22 juni 1791 met Joannes Baptist De Smedt, gedoopt te Essene op 7 januari 1760 en aldaar overleden op 12 mei 1835.

4. Maria Catharina, gedoopt op 22 juli 1761 en overleden te Essene op 18 november 1763.

5.Isabella, gedoopt op 22 april 1763 en overleden te Essene op 21 december 1806.

6. Cecilia, gedoopt op 30 oktober 1764 en overleden te Essene op 27 december 1767.

7. Joanna Catharina, gedoopt op 4 december 1766 en overleden te Lebbeke op 21 februari 1837. Zij huwde een 1ste maal met Joannes Ludovicus De Backer, gedoopt te Lebbeke op 11 juni 1757 en overleden te Lebbeke op 5 augustis 1810, zoon van Phillipus Jacobus en Judoca Van Daelem. Zij trouwde een 2de maal te Lebbeke op 26 augustus 1811 met Petrus Dauwe, gedoopt Lebbeke op 3 november 1750 en aldaar overleden op 23 juni 1826.

8.Maria Theresia, gedoopt op 9 april 1768 en overleden te Essene op 25 november 1824. Zij huwde met Egidius De Pauw, gedoopt te Essene op 5 juli 1757 en aldaar overleden op 18 maart 1808.

9. Joanna Maria, gedoopt op 20 maart 1770 en er overleden op 19 maart 1808, zij huwde te

huwde te Essene op 14 november 1804 met Franciscus De Mesmaecker, gedoopt te Essene op 22 mei 1762 en er overleden op 28 januari 1828

IIId. – GERARDUS.

Gerardus, gedoopt te Hekelgem op 3 november 1734, overleed aldaar op 21 juli 1794. Hij trouwde te Hekelgem op 31 juli 1769 met Joanna Maria Rollier, gedoopt te Pamel op 12 juni 1747, overleden te Hekelgem op 23 januari 1803, dochter van Nicolaas en Joanna Francisca Van der Elst. Gerard nam na de dood van zijn moeder Elisabeth op 15 november 1772 de hoeve over.

Kinderen uit dit huwelijk te Hekelgem gedoopt:

1. Elisabeth, volgt IVa.

2. Egidius, volgt IVb.

3. Judocus Benedictus, gedoopt op 8 maart 1775, aldaar overleden op 10 januari 1804.

4. Barbara, gedoopt op 18 januari 1778.

5. Judoca Carolina, volgt IVc.

6. Joannes Franciscus, gedoopt op 13 september 1781, aldaar overleden op 1 maart 1837.

7. Francisca Elisabeth, gedoopt op 31 augustus 1783, aldaar overleden op 15 oktober 1783.

8. Cornelius, volgt IVd.

9. Joanna Catharina, volgt IVe.

10. Carolus Franciscus, gedoopt op 20 juni 1790, aldaar overleden op 23 mei 1792.

Gerard en zijn vrouw Joanna Maria boerden goed en konden meerdere leningen toestaan:

– Op 17 februari 1791 leenden ze 800 g aan 3,5% aan Michiel Wambacq, zoon van Peter en zijn vrouw Catharina Willems uit Essene. Als borg gaven Michiel en Catharina 3 d 58 r land gelegen op Het Horeken, palende aan Ludovicus Rogiers, de heer Serclaes, Peter De Weese en Peter Van Vaerenbergh. Het perceel was belast met een grondcijns aan de abdij van 5 o. J. De Smedt was de notaris.

– Twee jaar later stonden ze een lening van 275 g toe aan Peter Monsieur en Franchoise Boom met een rente van 12 g 7 st 2 o per jaar. Werd de rente binnen de 6 weken na de vervaldag betaald, dan kregen ze een korting van 1 g. Als pand stelden ze een behuisde hofstede, groot 47 r, nabij het curenhuis van Hekelgem. Het perceel was ook belast met een grondcijns aan de abdij. Notaris Egidius De Coster stelde de akte op.

Gerard overleed in 1794 maar zijn weduwe tekende op 6 oktober 1795 een nieuwe pachtovereenkomst voor 6 jaar. Ze betaalde 700 g voor 38 b 1 d 55 r. Er was nog een achterstallige pacht van 350 g.

– Op 8 oktober 1795 leenden ze 700 g aan de abdij, die door de Franse bezetters zwaar was belast, met een rente van 28 g. Notaris Van der Schueren stelde de akte op[9].

Op 4 april 1798 bekende Michiel Meert aan notaris Van Itterbeke dat hij  300 g schuldig was aan Joanna Maria Rollier  voor de levering van kareelstenen. Ze beloofde binnen de drie jaar haar schuld te betalen plus een intrest van 3%.

Verkoop van de hoeve.

Vanaf 6 oktober 1795 was de burgerlijke grondwet van de Franse overheid in onze gewesten  van toepassing. Als gevolg van deze wetgeving werden alle kerkelijke goederen in onze contreien geconfisqueerd. In Frankrijk was dat al met de wet van 2 november 1789 gebeurd. De Franse republikeinen wilden immers de katholieke godsdienst uitroeien en met hun wet van 15 fructidor an IV (1 september 1796) werden de abdijen en kloosters in de 9 departementen van wat nu België is, opgeheven De geconfisqueerde goederen werden als nationaal goed in een “Caisse” ondergebracht in afwachting van hun verkoop. Zij dienden als onderpand voor de uitgifte van papiergeld, de assignaten.  De verkoop van het pachthof gebeurde op 26 juni 1798.

Affligem_10_1_2006 008Vooraf had de Franse overheid een beschrijving van de Blakmeershoeve laten opmaken: een hoeve genaamd “Ten Blauwkerse” (Blackmeersch) bestaande uit een woonhuis, schuur, paardenstallen, stallen, gebouwd in baksteen en bedekt met stro, met achtendertig bunder (47 ha 78 a 50 ca) land en weiden, verpacht aan de weduwe Gerard Plas met een pachtcontract eindigend jaar 11 voor een jaarlijkse pachtsom van 580 gulden, lasten niet inbegrepen. Deze goederen zijn gelegen en opgedeeld als volgt:

1- 33 ha 95 a 25 ca landbouwgrond in een stuk gelegen op het veld genaamd “Boschcauter”.

2- 5 ha 3 a weide gelegen op de plaats genoemd “Feesttruyn”.

3- 4 ha 40 a 12 ca gelegen op de plaats genaamd “Tijke”, vermoedelijk “Het Heiken”.

4- 1 ha 25 a 75 ca weide gelegen te Essene op de “Steenbrugge”.

Jean Valentin Cordier, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse stelden het PV van de schatting op 25 mei 1798 op. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op £ 920, en de verkoopprijs op £ 38 000, de 25 hoogstammige bomen werden geschat op £ 60, samen £ 38 060. Alles was voor 9 jaar verpacht aan de weduwe Gerard Plas met een pachtcontract van 25 december 1794 en eindigend op 25 december 1803 voor een jaarlijkse pachtsom van 580 gulden. De weduwe Plas liet  noteren dat de schuur op het erf haar eigendom was.

De verkoop had plaats te Brussel op 26 juni 1798 om 10 uur volgens affiche nr. 94, artikel 4. Het bieden ving aan met een openingsbod van 19 500 pond. Tijdens het branden van de laatste kaars werden de goederen toegewezen voor het eindbod van 540 000 pond aan burger Josse Adrien De Wolf wonende te Aalst. Joanna Maria werd meermaals aangemaand om het bedrijf te kopen, maar zij weigerde. Was dat onder invloed van Adriaan Rollier, pastoor van Teralfene? De aartsbisschop Johannes von Franckenberg, tevens abt van Affligem, had de gelovigen verboden om kerkelijk goed (zwart goed) te kopen. Alleen de familie Van de Putte van de Bellemolen te Essene kocht de molen die ze pachtte. Egidius (Gillis), de oudste zoon had er nochtans op aangedrongen om de hoeve toch te kopen. Hij kon nadien de gedwongen afstand van het hof moeilijk verkroppen. Met haar 60 ha was de Blakmeershoeve het belangrijkste landbouwbedrijf in Hekelgem. Nu is de semi-gesloten hoeve omgebouwd tot een riant woonhuis, met 24 are bestrijkende bebouwde vertrekken. Voor de restauratie van het schuurdak waren 24 000 dakpannen nodig.

Een nieuw pachtcontract.

Voor borgeresse Joanna Maria Rollier, zat er niets anders op dan met de nieuwe eigenaar een nieuw pachtcontract af te sluiten voor het Hof de Blauwkerre (!). Dat gebeurde op 19 juni 1799 bij notaris Philippe Van Itterbeke en voor een termijn van 6 jaar en bevatte de volgende artikels:

– Het Hof de Blauwkerre met land, weide en bos, groot 34 b werd verpacht voor 1 469 fr. 38 ct. (Frans geld) vanaf 25 december 1798. De pachter betaalt de pacht in de woning van de eigenaar in goud of zilveren speciën.  

– Alle belastingen zijn ten laste van de huurder.

– De pachter moet het land en de weiden behoorlijk bemesten en cultiveren.

– In geval van schade door hagel of overstroming zal de huurder de verhuurder binnen de 24 u. op de hoogte stellen van de schade om kwijtschelding of korting van pacht te bekomen. Een expert zal de schade vaststellen.

– De huurder moet jaarlijks in Charleroi of elders een vracht houille halen met een wagen bespannen met vier paarden en die naar de woning van de verhuurder brengen. Alle kosten van vertier en bareelrechten zijn ten laste van de huurder. De verhuurder zal de wagen aanduiden die de huurder daarvoor moet gebruiken.

– De huurder moet jaarlijks 300 mutsaards, samengesteld uit allerlei soorten hout zoals els, eik, zeselaeren maar geen wilg. leveren ten huize van de verhuurder.

– De huurder moet jaarlijks op verzoek van de huurder op de kanten van velden en weiden poten planten van witze, populieren of abbeelen, 25 voet van elkaar. De middelste poot is voor de pachter en zal dienen als tronkboom. De pachter zal de poten ophalen die de verhuurder zal aanduiden.

– De huurder heeft geen recht op de peplante poten.

– De huurder moet op zijn kosten de aanpalende straten en wegen onderhouden en de beken ruiumen.

– Overlijdt de pachter voor het einde van de pachttermijn, dan hebben de erfgenamen de keuze. Ze kunnen het pachtcontract overnemen of opzeggen. De opzeg moet gebeuren een jaar voor de volgende vervaldag.

– Als de erfgenamen na de pachttijd de hoeve willen verlaten, moeten ze een jaar vooraf hun opzeg meedelen.

– De huurder moet op zijn kosten het huis, de schuur en de stallen onderhouden

IVa – Elisabeth.

Elisabeth, de oudste dochter van Gerard en Joanna Maria, werd op 23 februari 1771 te Hekelgem gedoopt. Zij huwde te Hekelgem op 15 april 1812 met Josse Van der Heyden, gedoopt te Wemmel op 29 december 1781. In 1810 nam de ongetrouwde Elisabeth de Blakmeershoeve over na afrekening met haar broer Cornelis en haar zussen Carolina en Barbara. Met Isabella Josepha Van wambeke, de weduwe van Adriaan De Wolf, sloot Elisabeth een nieuwe pachtovereenkomst voor 6 jaar voor een bedrag van 1300 gulden. De hoeve omvatte toen 45 ha 53 a 36 ca aan land, weiden en bossen. Na haar huwelijk met Josse Van der Heyden in 1812 zetten ze samen uitbating voort tot 1836. Josse stierf op 20 juli in dat jaar en daar ze geen kinderen hadden zag Elisabeth zich genoodzaakt de pacht op te zeggen. De eigenares liet de waarde van de gebouwen schatten en er werd een minderwaarde sinds 1810 van 209 gulden 14 stuivers vastgeteld, bedrag dat Elisabeth moest betalen. Haar dieren, 7 paarden en 20 koeien, en landbouwalaam werd openbaar verkocht op 14 en 15 maart 1837 en bracht 11 264,31 Belgische fr. op. De volgende pachter, Hendrik Ermens uit Steenhuffel betaalde voor de prijzij 4 172,32 fr. en voor de houtwas2 729,32 fr. Daarmee eindigde de geschiedenis van de familie Plas op de Blakmeershoeve.

IVb – Egidius.

Egidius, zoon van Gerard en Joanna Maria, werd gedoopt op 22 februari 1773 en overleed aldaar op 26 september 1855. Hij huwde te Hekelgem op 31 december 1806 met Elisabeth Meert, gedoopt te Hekelgem op 13 ktober 1776, aldaar overleden op 1 juli 1846, dochter van Joannes Baptist en Petronille Van de Velde.

Kindren uit dit huwelijk te Hekelgem geboren:

1. Joannes Baptist, geboren op 10 mei 1807, overleden te Teralfene op 17 januari 1892. Hij huwde te Hekelgem op 28 november 1838 met Joanna Bernardina Van Nieuwenhove, geboren te Teralfene op 20 september 1797 en aldaar overleden op 4 april 1886, dochter van Joannes Baptista en Joanna Van Cutsem.Joannes Baptist was boer en voorzitter van de kerkraad te Teralfene.

2. Cornelius, geboren op 27 februari 1809, aldaar overleden op 12 januari 1889.

3. Petrus Jacobus, geboren op 8 juli 1810, aldaar overleden op 12 april 1892.

4. Joannes Baptist, geboren op 11 mei 1812, aldaar overleden op 4 september 1812.

5. Petrus Franciscus, geboren op 2 oktober 1813, overleden in 1893. Hij huwde te Teralfene op 4 mei 1859 met Martina Guldemont, geboren te Teralfene op 5 september 1835, aldaar overleden op 19 december 1890.

6. Letitia Paula, geboren op 6 maart 1817.

Bij de dood van zijn moeder rezen er moeilijkheden onder de kinderen. In 1806 volgde een eerste verkaveling, gevolgd door een volledige verdeling van de onroerende nalatenschap in 1809 met een akte van 8 november. De onroerende nalatenschap bestaande uit de 24 koeien en 8 paarden, landbouwalaam, huisraad, waarden  van de vruchten bedroeg op 3 maart 1812 zo’n 12 763 g 10 st 4 deniers[10]. Egidius was toen hij in 1806 trouwde al uit de gemeenschap getreden.

Egidius en zijn zus Carolina, de vrouw van Hubertus Schoon, moederlijcke oom en moey, van Carolina Amelia Boonen, stelden op 6 december 1854 notaris Josephus Angelus Crick aan om de erfenis van Carolina op te sporen. Zij was op 8 oktober 1854 overleden in de Vlierstraat te Brussel. Samen met de notaris werden ook Cornelis Josephus Plas, rentenier te Hekelgem, de echtgenoten Schoon-Plas en Joannes Egidius Van Lierde, rentenier te Hekelgem, aangesteld. Carolina Amelia was de dochter van Gerard Boonen en Barbara Plas, de zus van Egidius en Carolina. De inventaris van haar goederen werd door notaris Elias opgesteld op 8 november 1854. Voor de erfgenamen bleef de vraag of zij de successie zouden aanvaarden of afwijzen. In het laatste geval zou alles verkocht worden.

IVc – JUDOCA CAROLINA.

Judoca werd te Hekelgem gedoopt op 15 januari 1780, overleed aldaar op 5 april 1856. Zij trouwde een 1ste maal te Hekelgem op 29 januari 1807 met Petrus Jacobus Van Lierde, geboren te Hekelgem op 30 juni 1766, aldaar overleden op 8 februari 1821, zoon van Josephus Cornelis en Joanna Catharina De Kegel. Zij huwde een 2de maal te Hekelgem op 29 mei 1822 met Jan Hubert Schoon, gedoopt te Hekelgem op 3 november 1789, aldaar overleden op 13 februari 1863, zoon van Benedictus Emmanuel en (Jo)Anna Francisca Van Lierde.

Op 24 januari 1807 sloten Judoca Carolina en Petrus Jacobus een huwelijkscontract af bij notaris jean Hubert Bouwmans te Asse. Het contract bepaalde dat ze al hun bezittingen, behalve de onroerende, in de gemeenschap brachten. De langstlevende zal, als er geen kinderen zijn, tot zijn dood het vruchtgebruik genieten en al hun bezittingen erven. In het geval er kinderen zijn, zal de langstlevende zich schikken naar de bestaande wetgeving inzake successie.

Kinderen uit het eerste huwelijk te Hekelgem geboren:

1.Jean François, geboren op 7 november 1808

2.Jean Egide, geboren op 10 maart 1811

3.Jeanne Benedicte, geboren op 24 novermber 1813 en overleden te Hekelgem op 20 september 1876.

Kinderen uit het tweede huwelijk:

1.Amelia, geboren op 7 april 1822

2.Joanna Maria, geboren op 2 maart 1825.

Jean François (Joannes Franciscus) kreeg de studiebeurs Franchoys Lemmens-Broeckx uit Meldert. Vanaf 1826 studeerde hij aan het zeer vermaarde groot seminarie Saint Sulpice in Parijs. Priester gewijd te Amiens in 1835 en vanaf 1836 Oratoriaan. Pastoor oratoriaan op het eiland Nordstrand (Denemarken), erflater van de betwiste goederen te Affligem[11].

Jan Egidius werd molenaar en schepen te Hekelgem, ondervoorzitter van de harmonie van 1821 tot 1866 en erevoorzitter 1866-69[12]. Op de algemene vergadering van de Landbouwcomice van Asse in 1860, werd Joannes Egidius Van Lierde, schepen van Hekelgem, verkozen als lid van het vast bureau[13].

IVd – CORNELIS.

Cornelis werd te Hekelgem gedoopt op 4 december 1784 en overleed Essene op 14 juli 1827. Hij trouwde te Hekelgem op 24 oktober 1810 met Annie Robijns, gedoopt te Hekelgem op 30 augustus 1778 en te Essene overleden op 11 juli 1818, dochter van Martinus en Francisca Resteau.

Kinderen uit dit huwelijk:

1. Marie Philippine, geboren te Hekelgem op 19 december 1810, overleden te Essene op 8 augustus 1886.

2. Petrus Emmanuel, geboren te Essene op 13 mei 1817. Hij huwde een 1ste maal met Paulina Van de Velde, overleden te Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek op 24 oktober 1856. Hij huwde een 2de maal te Essene op 16 januari 1839 met Joanna Maria De Clerck, geboren te Essene op 17 juli 1815, aldaar overleden op 23 april 1839. Hij trouwde een 3de maal te Onze-Lieve-Vrouw-Lombeek op 18 juni 1857 met ReginaVan der Velden, geboren te Herfelingen op 4 februari 1824.

Petrus werd koopman in likeuren te Sint-Jans-Molenbeek. Op 15 februari 1853 verkocht hij aan Joannes Franciscus Bosteels en Maria Catharina Clauwaert 38 a 11 ca land gelegen op de Buikouter. Het perceel paalde aan de kinderen Roseleth en Jan Baptist Clauwaert en was belast met die eeuwigdurende jaargetijden in de kerk van Hekelgem waarvoor jaarlijks 10,88 fr. moest worden betaald.

IVe – JOANNA CATHARINA.

Joanna Catharina werd gedoopt te Hekelgem op 25 november 1787, overleed aldaar op 7 juni 1825. Zij huwde een 1ste maal te Hekelgem op 23 september 1813 met Jacobus Amandus Verbeecke, gedoopt te Hekelgem op 12 mei 1790, aldaar overleden op 24 juli 1817, zoon van François en Elisabeth Van Havermaet. Zij huwde een 2de maal te Hekelgem op 24 mei 1820 met Joannes Baptist De Smedt, geboren te Hekelgem op 12 maart 1796, zoon van Jan Baptist en Anna Maria Crols.

Kinderen uit het eerste huwelijk te Hekelgem geboren:

1. Seraphina, geboren op 23 november 1814

2. Ghislain, geboren op 19 januari 1817.

Kinderen uit het tweede huwelijk te Hekelgem geboren:

1. Anna Marie, geboren op 23 maart 1823.

2. Joanna Huberta, geboren op11 mei 1823.

IIb. – JUDOCUS, de broer van Joannes, pachter van de Blakmeershoeve.

Judocus, broer van Jan, werd gedoopt te Mazenzele op 3 oktober 1686 en overleed te Hekelgem op 7 februari 1745. Hij  was eerst getrouwd te Hekelgem op 27 januari 1723 met Catharina Verleysen, gedoopt te Hekelgem op 16 maart 1699, aldaar overleden op 16 augustus 1775.

Kinderen uit dit huwelijk te Hekelgem gedoopt:

1. Petrus, volgt IIIa.

2. Joanna Catharina, gedoopt te Hekelgem op 17 december 1725, zij huwde te Hekelgem op 26 november 1748 met Joannes Baptist Van de Perre, gedoopt te Hekelgem op 22 maart 1722, aldaar overleden op 27 april 1779, zoon van Franciscus en Judoca Vonck.

3. Franciscus, gedoopt op 25 november 1728.

4. Franciscus, gedoopt op 8 december 1729, aldaar overleden op 3 april 1773.

5. Henricus, volgt IIIb.

6. Joannes, gedoopt op 28 oktober 1736, aldaar overleden op 23 november 1776.

7. Anna Maria Francisca, volgt IIIc.

IIIa – PETRUS.

Petrus, gedoopt te Hekelgem op 13 februari 1724, aldaar overleden op 8 september 1757, hij huwde te Hekelgem op 24 september 1748 met Anna Maria Vonck, gedoopt te Hekelgem op 3 februari 1719, aldaar op 29 november 1811, dochter van Franciscus en Catharina Van der Biesen

Kinderen uit dit huwelijk te Hekelgem gedoopt:

1. Joannes, volgt IVa.

2. Joanna Catharina, gedoopt op 9 januari 1752, aldaar overleden op 15 juni 1754.

3. Petronella, gedoopt op 27 januari 1754, aldaar overleden op 10 maart 1830.

4 Franciscus. gedoopt te Hekelgem op 1 oktober 1756, aldaar overleden op 19 januari 1823, hij huwde te Hekelgem op 13 juni 1804 met Elisabeth Pieters, gedoopt te Meldert op 20 oktober 1763, overleden te Hekelgem op 20 juni 1849.

Op 9 december 1748 kochten Petrus en Anna Maria twee oude dagwanden land gelegen te Hekelghemop Den Cluijscauter van Adriana De Witte, weduwe van Guilliam De Baetselier. De meier  van Affligem, Hendrik ’t Sas stelde de akte op. Het perceel paalde aan de steenweg, de kinderen Martinus De Baetselier en Joannes Vonck. Het was belast met een grondcijns aan de abdij. Voor het stuk moesten ze jaarlijks 12 gulden erfrente betalen.

IVa. – JOANNES PLAS,

Joannes werd gedoopt te Hekelgem op 23 juli 1749, aldaar overleden op 5 februari 1830. Hij huwde te Hekelgem op 10 februari 1784 met Susanna De Gols, gedoopt te Hekelgem op 18 mei 1759, aldaar overleden op 6 oktober 1828, dochter van Petrus en Judoca De Wolf.

Kinderen uit dit huwelijk te Hekelgem gedoopt:

1. Franciscus, gedoopt op 18 november 1784, aldaar overleden op 10 februari 1840.

2. Joannes, gedoopt op 2 oktober 1786, aldaar overleden op 9 maart 1837.

3. Petrus Benedictus, gedoopt op 25 februari 1789. Hij was een dienstplichtige in 1809 en werd als volgt beschreven: Plas Pierre Benoit, lengte: 1,66 m, landbouwer, geboren te Hekelgem op 25 februari 1789, woonplaats Hekelgem, zoon van Plas Jean en De Gols Suzanne. Hij had een broer die toen als conscrit deel uitmaakte van het 112de régiment d’infanterie de ligne.

4. Joanna Catharina, gedoopt op 27 februari 1792. Zij trouwde te Hekelgem op 25 juli 1827 met Joannes Baptist Wambacq.

5. Joannes Franciscus, gedoopt op 29 januari 1795, overleden te Aalst op 7 juni 1847. Hij huwde met Maria Egidia Sienaert, geboren te Aaalst op 12 januari 1807, aldaar overleden op 31 mei 1850.

6. Egidius, gedoopt op 21 augustus 1799, aldaar overleden op 21 oktober 1849.

Joannes en Susanna hadden een huis aan de Langestraat.

IIIb – HENRICUS.

Henricus, gedoopt te Hekelgem op 25 april 1733, aldaar overleden op 16 februari 1797, hij huwde met Joanna Maria De Kegel, gedoopt te Hekelgem op 30 november 1738, aldaar overleden op 23 november 1804.

Kinderen uit dit huwelijk te Hekelgem gedoopt:

1. Petrus, volgt IVa.

2. Joannes, gedoopt op 20 april 1779, hij huwde met Izabella Van Nieuwenborgh.

Op 5 juli 1801 bekwamen Petrus en Joannes alle bezittingen van hun tante Catharina De Kegel voor 425 g of 770,97 Franse fr.

IVa. – PETRUS.

Petrus werd gedoopt te Hekelgem 28 maart 1775, overleed aldaar op 6 november 1847. Hij huwde te Hekelgem op 3 augustus 1808 met Maria Raes, gedoopt te Hekelgem op 9 maart 1787, aldaar overleden op 17 december 1853.

Kinderen uit dit huwelijk te Hekelgem geboren:

1. Izabella, geboren op 28 januari 1811, zij huwde te Hekelgem op 28 juni 1845 met Henricus De Vis, geboren te Meldert op 6 september 1808, zoon van JoannesBaptist en Petronilla De Leeuw.

2. Henricus, geboren op 16 juli 1819, hij huwde te Hekelgem op 17 november 1858 met Maria Josepha Plas, geboren op 4 augustus 1835, dochter van Judocus en Maria Anna Pieters.

3. Constantinus, geboren op 26 februari 1821, hij huwde te Hekelgem op 13 september 1854 met Apolonia De Bus, geboren Essene op 9 februari 1823.

IIIc – ANNA MARIA FRANCISCA.

Anna Maria Francisca werd gedoopt te Hekelgem op 15 oktober 1739, aldaar overleden op 22 januari 1803. Zij huwde te Hekelgem op 3 mei 1763 met Judocus Vonck, gedoopt te Hekelgem op 13 februari 1725, aldaar overleden op 10 september 1785, zoon van Joannes en Elisabeth Suys en weduwnaar van Joanna Verleysen

Bij hun huwelijk kregen ze dispensatie voor 4de graadbloedverwantschap.


[1] R. DE SCHRIJVER, Geschiedenis van het Hof ten Blakmeers, in: Jaarboek Belledaal, 2004, 29.

[2] W. VERLEYEN, De abdijhoeven in Affligem, Jaarboek Belledaal, XXX, 67.

[3] R. DE SCHRIJVER, art. cit., 29.

[4] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 629.

[5] Anna De Cort trouwde op zaterdag 30 oktober 1717 in Essene met Ingel De Coster.

[6] Hendrik De Voghel was de zoon van Andreas en Maria Van den Meerssche. Hij werd gedoopt op woensdag 17 januari 1685 in Asse en overleed op vrijdag 1 juni 1742 in Asse. Hij trouwde op dinsdag 24 juni 1710 in Meldert met Anna De Clerck, in Meldert gedoopt in 1688 en overleden op woensdag 15 oktober 1738 in Asse.

[7] Marie De Blanck, gedoopt op 7 januari 1681 in Opwijk, trouwde op 5 oktober 1709 in Opwijk met Joos Verdoodt. Zij overleed op 15 februari 1732 in Opwijk. Joos Verdoodt, gedoopt op 7 april 1687 in Opwijk overleed op 10 maart 1749 in Opwijk.

[8] Govaert Van Brempt, gedoopt ca 1673 overleed op vrijdag 23 oktober 1744 in Meldert. Hij trouwde op zaterdag 1 december 1696 te Asse met Catharina De Bruyn, gedoopt ca 1674 en overleden op zondag 17 oktober 1756 in Meldert.

[9] R.A. Leuven, archief abdij Affligem, 700, nr. 4676.

[10] R. DE SCHRIJVER, art. cit.

[11] Zie Ascania 1971-2-48 en Geschiedenis en rechtspositie van het oratorium op Nordstrand door Dr. Bernard Höting vertaald door Willy Beeckman e.a.

[12] Zie Ascania 1971-2-48.

[13] Zie Ascania 2004, nr.1, blz.5

2 gedachten over “De familie Plas te Hekelgem.

  1. Geachte,

    Als afstammeling van Henricus Plas en Joanna De Kegel en hun beide zonen Petrus Plas (x Maria Raes) en Joannes Plas (x Isabella Van Nieuwenborgh), las ik geboeid uw bijdrage. In de huwelijksbijlage van Petrus Raes vondt ik het overlijden van Henricus Plas (echtg. Joanna De kegel) op 16 Februari 1794 volgens zijn verklaring en dat van getuigen. Ook geïnteresseerd naar meer info betreft de akte waarin Petrus en zijn broer Joannes de eigendom van hun tante Catharina overnamen. Mvg Joachim Van Keymeulen

    Like

Geef een reactie op Joachim Van Keymeulen Reactie annuleren