Brandbrieven voor de pachthoven in Zellik in 1793[1]

Het laatste decennium van de 18de eeuw begon met een reeks oorlogen: de Brabantse Omwenteling met de vlucht van de Oostenrijkers (1789), hun terugkeer (1790), de bezetting door de Fransen (1792), de terugkeer van de Oostenrijkers (1793) en de terugkeer van de Franse revolutionairen. Dat heer en weer geloop van de legers bracht rekruteringen, deserties en ronddolende groepen ex-militairen mee die de streek onveilig maakten. Een middel om aan geld te geraken was het schrijven van een brandbrief: geld eisen of het huis en bij voorkeur een grote boerderij werd in brand gestoken. Dat overkwam enkele pachters van de grote pachthoeven van Zellik.

In de lente van 1793 ontvingen de pachters van de hoven van Bettegem, Bollebeek, Piëmont en Overjette een brandbrief. Ze moesten een bepaalde som in een put stoppen of hun hoeve werd in brand gestoken. Geen enkele pachter ging op die eis en allen brachten de brandbrief naar de drossaard van Asse. De drossaard van Brabant stelde daarop een onderzoek in en ondervroeg betrokkenen.

Op 3 juni kwam Judocus Josephus De Pauw als eerste getuigen. Hij was 46 jaar en pachter op het Hof te Bettegem[2]. Op 31 mei liet zijn herder, Joannes Peeters, hem een stuk papier zien met daarop het woord ‘Empereur’. Hij had dat papier afgetrokken van een olm  links van de weg van de hoeve naar de steenweg van Brussel naar Aalst. Dat voorval deed hem denken aan de nacht van 28 op 29 mei. Zijn honden waren toen zo furieus beginnen te blaffen dat hij opstond, naar buiten ging, maar niets meer opmerkte. Op 1 juni echter ontving hij een brief met de mededeling dat hij ‘op pene van brand’ 12 kronen in een put achter een boom op de steenweg moest leggen. In de plaats van 12 kronen stopte Judocus er een oude Nederlandse munt van twee oorden in en dekte de put af met twee bussels hout. De volgende dag zag hij dat de bussels waren verplaatst, maar het geld lag er nog. Van zijn herder hoorde hij dat die op dezelfde dag een man had gezien die op handen en voeten uit een tarweveld kwam gekropen en toen hij hem opmerkte snel wegliep.

De drossaard ondervroeg nog enkele leden van zijn huisgezin. De herder, Joannes Peeters, 25 jaar en afkomstig van Nederweert, leidde op 1 juni zijn schapen via de Nederdreef naar de steenweg. Daar zag hij een man met een rode hoed die uit het tarweveld (zie tekening 1, letter A) kwam gekropen en naar de steenweg ging. Toen hij Joannes opmerkte dook hij weer het tarweveld in.

Elisabeth Puttaert, 17 jaar en al vier jaar meid bij Engelbertus Van Ingelghem, molenaar op de windmolen van Zellik, ging op 1 juni omstreeks 10 u. een bussel klaveren halen In de dreef, het ‘Straetien’ geheten, een man uit het korenveld (zie tekening 1, letter B) komen. Hij droeg een blauw kort ‘juppon’,een lange wit en rood gestreepte broek en een rode hoed. Toen hij haar zag, vluchtte hij het tarweveld in.

‘Pachter dat is eenen brief voor u alleen te leesen misschien tot u verdriet gij hebt u plisier gehat als gij ons hebt verjaght als wij hier gepasseert sijn met de Vransche hossen omdat de ossen op u lant lippen hebt gij ons met u kneghten willen doodt slagen maer nu sijn wij bij het keijsers volck maer nu is het onsen toer wijlen sijn vansin alles komen te verbranden dat in ul hof is en rontom aen te steken met een loopende vier met onse poeder oft gij moet aen ons versoeck voldoen wijlen vraegen u maer twelf croonen en die moet gij selver leggen reght over ul hof op den caseij die naer Gent gaet daer sult gij eenen boom vinden met een pampier aengenaegelt en daer moet het gelt geleijt worden in  eenen put die achter den boom gemackt is en als het gelt daerin is moet gij den put toe doen dat gelt moet daer blijven dagh ende naght tot dat wijlen komen en als het daer niet en leijt wijlen sweren bij al de duijvels dat wij sullen doen het gene hier geschreven is en als gij sout peijsen van daer waght bij te setten gij seijt seker datse wijlen sullen doodt schiten wijlen sullen wel soeken met ons gewer over al oft daer niemant en is en als het daer niet en leijt wijlen sullen ul komen vinden als gij het minst sult peijsen soo gij seijt ons te verwachten. Weijlen hebben ul desen brief doen leggen met onsen voorpost, gaet gij dat aen iemant seggen sij konnen het gelt selver langen dat doet ul genen afslagh

Simon Van der Straeten, 32 jaar, collecteur van Zellik, deelde de drossaard mee dat zijn buurman, pachter Timmermans, ook op 1 juni een brandbrief had ontvangen en een inwoner van Hamme. Een zekere Van Itterbeeck had de brief gelezen en zei dat het geen minnebrief was, maar een om van te schrikken.

Op 4 juni zette de drossaard zijn ondervragingen voort. Cornelius Van der Hasselt[3], 50 jaar en pachter op het Hof te Bollebeek[4], kwam als eerste aan de beurt. Zijn knecht, Peeter Crabbe, bracht hem op 22 mei een brief die hij onder de poort had gevonden en waarin stond dat hij achter het kapelletje nabij de kerk van Bollebeek 21 kronen in een put moest leggen. Deed hij dat niet dan zou de hoeve in brand worden gestoken en alle inwoners vermoord. Cornelius verdacht een zekere Buijs, 15 jaar en zoon van een kuiper te Mollem omdat die aan de knecht had gezegd dat er onder de poort een brief lag. Hij voegde er nog aan toe dathij had gehoord dat Carolus Sas van Zellik, Judocus Van Bever van Ossel onder Brussegem, Lucas Timmermans en Josephus De Pauw van Zellik ook een branbrief hadden ontvangen.

Op 7 juni getuigde Petrus Crabbe. Hij was 27 jaar, afkomstig van Brussegem en al vijf jaar in dienst van Cornelius. Hij bevestigde de verklaring van de pachter. Joannes Van den Eede, 48 jaar en al 27 jaar knecht bij Cornelius, was op die 22ste mei buiten de hoeve aan het werk toen Buijs hem kwam zeggen dat er een brief onder de poort lag. Toen hij na zijn werk ging kijken, was er geen brief te zien. De drossaard voegde aan het dossier nog een schets toe die Gheude, de drossaard van Asse hem had bezorgd.

Jan Baptist Timmermans, 23 jaar, werkte bij zijn vader Lucas op het Hof te Piëmont[5]. Hij zag dat op 30 mei hun knecht Petrus Huijgh om vijf uur een brief bij zijn vader bracht die hem opende en er een ‘cartouche’ in vond. Hij las dat, als ze niet wilden dat de boerderij afbrandde, ze vijf kronen moesten stoppen in een put achter een boom op de steenweg van Brussel naar Gent. Die boom was met aarde bestreken. Zijn vader besliste om in geen geval te betalen en vermoedde dat de brief afkomstig was van een knecht die nog recht had op een deel van zijn loon. Petrus Huijgh legde dezelfde verklaring af. Ook deze branbrief kwam bij de drossaard terecht.

‘Pachter dat is eenen brief voor UL alleen te lesen, ick hebt hier in dese hof in mijne jongheijt gewoont maer gij hebt mijnen haerbeijt onderhouden, ick hebt moeten vroegh ende laet wercken soo goet als den houvekneght en dan wir ik nogh altijt verstoten soo dat van verdriet ben soldaet geworden maer nu sulle het mij betaelen ick en wet niet oft den selven pachter nogh is dat wet ick niet maer ick hebt eenen eet gesworen als ick uijt het huijs ben gegaen dat  ik het in brant soude gesteken hebben maer nu sal het geschieden als wij in de progge sullen komen logeren ofte moeten door passeren den boer van dit hof heeft mij wel voor het minste wel vijf croonen onderhouden van mijnen aerebeijt wilt gij mij die geven dan sa lick passeren en die vijf croonen moet gij op den casij leggen aghter eenen boom is eenen put daer moet gij het gelt in doen ende den put dan toe doen en dat gelt moet daer blijven dagh ende naght en als het gelt daer niet en leijt dan sweer ik bij al de duijvels dat ick met sulken cartussen sal met een loopende vier sal in brant steken dat is de vout van dien vervloeken boer dat ick soldaet ben den boom die bestreken is met aerde staet recht over het hof op den caseij en als gij daer sult op letten sa lick u om veer scheeten wij sullen wel soeken oft daer iemant en als gij dat aen iemant seght sij konnen het selver langen, ick hebt desen brief doen leggen met den voorpost soo gij seijt ons te verwaghten dat moet daer sito sijn’

Carolus ’t Sas, 49 jaar, was afkomstig van Wambeek en was pachter op het Hof Overjette[6] te Zellik. Zijn knecht Peeter Leemans gaf hem op 25 maart een brief die hij onder de poort had gevonden. De tekst was zeker door twee verschillende personen geschreven. De inhoud was gelijkaardig aan de andere brandbrieven. Carolus kreeg het bevel om 80 gulden in een put te leggen achter de eerste beukenboom met een ingekerfd kruis in de dreef van de het hof naar de steenweg. Carolus gaf de brief aan zijn schoonbroer Thomas Van der Hasselt die bij zijn broer op het Hof te Bollebeek woonde. Aan de drossaard zei hij dat in de nacht van 24 op 25 november 1792 zijn meid Joanna Leemans hem kwam wekken omdat de honden zo hard blaften en er onder haar raam vier mannen stonden, gewapend met stokken die Frans spraken. Carolus schoot daarop met zijn geweer door het raam en beval zijn knechten rond de hoeve te gaan kijken, maar ze zagen niemand meer.

Nota. In 1794 wer het Hooghof te Zellik in brand gestoken door, naar verluidt, Franse >Revolutionairen.


[1] RA Vorst, Archief van de drossaard van Brabant en van de provoost-generaal van het Hof van de Nederlanden, toegang I 16, nr. 233.

[2] Het aloude Hof te Bettegem was een van de grote domeinen van Zellik. Het Hof kende, volgens Jan Verbesselt in’ Het parochiewezen in Brabant’, 290, sinds de gallo-romeinse tijd een continue uitbating. Na de Frankische stamvaders verwierf de Sint-Baafsabdij het domein in de 8e of begin 9e eeuw. In de 10e en 11e eeuw ging voor de abdij een deel van de gronden verloren. In 1363 had het een oppervlakte van 56,5 bunder.

[3] CORNELIUS VANDER HASSELT, zoon van JOANNES VANDER HASSELT en MARIA LEEMANS, werd gedoopt op donderdag 12 december 1743 in BOLLEBEEK. Hij overleed op donderdag 30 december 1813 in MOLLEM, 70 jaar oud. CORNELIUS trouwde, 43 jaar oud, op dinsdag 22 mei 1787 in SINT-KWINTENS-LENNIK met JOANNA CATHARINA DE MOL, 27 jaar oud. Zij is gedoopt op dinsdag 16 oktober 1759 in SINT-KWINTENS-LENNIK en overleed op maandag 17 augustus 1807 in BOLLEBEEK, 47 jaar oud.

[4] Het Hof te Bollebeek is een typisch Brabantse hoeve met huidig gebouwenbestand opklimmend tot de zeventiende en achttiende eeuw. In 1117 schonk hertog Godfried I van Brabant zijn allodium in Bollebeek, aan de circa 1096 opgerichte vrouwenabdij van Meerhem bij Lede, die in 1102 werd overgebracht naar Vorst bij Brussel. De naam ‘Hof te Bollebeek’ komt voor het eerst voor in een pachtbrief van 1438. Bij het hof hoorde oorspronkelijk ook een inmiddels verdwenen watermolen. In 1684 en 1704 werd het grootste deel van het complex door brand vernield. In dezelfde periode werd het hof trouwens gesplitst in een ‘Groot Hof’ (Hof te Bollebeek) en een ‘Nieuw Hof’, het huidige Hof ter Heiden. Inventaris Onroerend Erfgoed 2025: Hoeve Hof te Bollebeek [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/76822 (geraadpleegd op 28 maart 2025).

[5] Het pachthof Piëmont ontstond uit een splitsing van het oude Hof te Bettegem dat eigendom was van de Sint-Baafsabdij van Gent en diende oorspronkelijk als opslagplaats voor de tienden die de laten van Sint-Baafs verschuldigd waren. De oudste vermelding van het hof komt voor in een rekening van 1475. In de loop van de zestiende eeuw bewerkte het hof 32 bunder land. In de eerste helft van de zeventiende eeuw waren de gebouwen zo erg vervallen dat ze moesten hersteld worden. In 1675-1676 werd het hof in brand gestoken door de Hollandse troepen. De huidige gebouwen klimmen mogelijk op tot de eerste helft of het midden van de achttiende eeuw. Heden gesloten hoevecomplex met gekasseide binnenplaats. : toegangspoort in de zuidwestelijke hoek, woning ten noorden, stallen ten oosten en ten zuiden en ruime langsschuur ten westen. Eenvoudige overluifelde inkom met nieuw ijzeren hek tussen bakstenen pijlers met zandstenen hoekblokken en houten latei.

Inventaris Onroerend Erfgoed 2025: Abdijhoeve ’t Hof te Piermont of Piémont [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/76848 (geraadpleegd op 28 maart 2025).

[6] Het hof Overjette werd ca 1100 aan de abdij Affligem geschonken. In 1713 bedroeg de exploitatie 77 b 1 d 63 r. Engelse soldaten plunderden de hoeve in 1745. De laatste abdijpachters waren Jan Van der Hasselt, Jan Van Bever, burgemeester en schepen en Karel t’ Sas (1790). In 1796 pachtte t’ Sas 74 b 84 r land voor 1334 g.

Brouwerijen te Hekelgem sinds mensenheugenis.

Brouwen: een eeuwenoud ambacht.

Het is algemeen geweten dat onze voorouders graag bier dronken. Maar zij waren niet de enigen. Ook in het Midden-Oosten en Noord-Afrika hield men van een pot schuimend bier. Het brouwen heeft een lange geschiedenis. Dit artikel begint dan ook met een korte schets van de evolutie van het brouwen van bier. Daarna volgt een overzicht van de brouwerijen die er in Hekelgem waren voor zover ze nog zijn op te sporen..

Een oud Egyptisch recept.

‘Om bier te maken moet men gerst laten weken gedurende een dag, daarna laten rusten en verder weken. In een laag als zeef doorboord vat gieten, laten drogen tot er vlokken ontstaan en dan blootstellen aan de zon tot het mengsel begint te werken’.

Dit Egyptisch recept uit de Oudheid toont aan dat bier al heel lang werd gebrouwen. Samen met mede en wijn behoort het tot de oudste gegiste dranken. Mede, bereid uit gegiste honing was de drank van de Kelten uit de wouden van Midden- en West-Europa. Wijn werd gedronken in het milde klimaat van de gebieden rond de Middellandse Zee en de Kaukasus waar de druif wilde gedijen. De volkeren uit de vruchtbare valleien van de Eufraat en de Tigris en van de Nijl legden zich toe op de graanteelt en dronken bier. Maar voor de oorsprong van het bier moeten we naar Mesopotamië, het gebied tussen Eufraat en Tigris, waar stenen platen werden gevonden, 6.000 jaar oud, met afbeeldingen van het brouwen. In het Louvre is er zelfs een document van 7.000 voor Christus dat een offergave van gerstebier aan de godin Nié Harda voorstelt. En het British Museum bewaart een 5.000 jaar oud document dat een bieroffer aan een godin voorstelt. Hamoerabi, koning in Babylonië omstreeks 2.000 voor Christus, liet een hele reglementering opstellen over het brouwen en het schenken van bier. Ook in het oude Peru en in de beginfase van de Chinese beschaving kende men al de techniek van het bierbrouwen. De Romeinen leerden het bier in Egypte kennen waar het gerstenwijn werd genoemd. Ze dronken liever wijn, dat is algemeen geweten, maar in gure streken verbouwden ze graan en brouwden er een soort bier mee.

Bij de Galliërs was het brouwen een huiselijke aangelegenheid. Ze gebruikten meer tarwe dan gerst en voegden er kummel en soms ook honing aan toe. Het bier bewaarden ze in houten vaten en noemden het cervoise, een benaming die refereert aan de Romeinse godin Ceres, de godin van de veldvruchten. De Germanen brouwden al bier rond 100 voor Christus. Zij gebruikten zowel gerst, tarwe als haver en aromatiseerden met honing, gember, champignons en zelfs allerlei schillen. De Noormannen konden tijdens hun veroveringstochten hun bier niet missen. Daarom namen ze op hun tochten ketels en gerst mee en waren op die manier zeker dat ze in vreemde streken toch hun favoriete drank hadden. Tot de negende eeuw bleef in onze streken de bierbereiding vrijwel ongewijzigd. Gemoute gerst, tarwe en eventueel haver werden geplet, in gedeelten aan water toegevoegd en lichtjes gekookt. De bekomen pap werd verkruimeld en gedurende enkele dagen gegist. Het beslag werd dan gekneed en in manden uitgelekt. Het vocht kwam in aardewerken kruiken en was klaar voor consumptie.

Monniken brouwen bier.

Karel de Grote liet keizerlijke brouwerijen installeren en stelde er de beste brouwers aan het hoofd. Het gevolg was dat bierbrouwen als een echt ambacht werd gezien. Het huisbrouwen geraakte geleidelijk in onbruik. In de meeste dorpen kwamen openbare brouwerijen waar de plaatselijke bevolking op bepaalde tijden voor de eigen behoeften aan bier kon zorgen, mits betaling van belasting aan de heer natuurlijk. Door de stichting van talrijke abdijen vanaf de twaalfde eeuw kwam de techniek van het brouwen in de kloosters. Ze dienden immers in de eigen behoeften te voorzien. De kloosters legden sterk de nadruk op het koken van de gemoute granen. De monniken leefden immers in gemeenschap en maatregelen om de drank hygiënisch te houden waren allerbelangrijkst. Zo ook met het voedsel. Ze ontwikkelden allerlei recepten om het eten te conserveren: kaas, visbereidingen, patés, confituren …

Het oudste geschreven document over het brouwen van bier in abdijen dateert van 820 na Christus en is van de hand van pater Ekkehard, prior van de gekende abdij van Sankt-Gallen in Zwitserland. De brouwerij, net als de bakkerij, was er ondergebracht in een stenen gebouw wegens het brandgevaar. Dat gebouw stond dicht bij een waterloop. Die inplanting vinden we later in de andere abdijen terug, ook in Affligem. Als het enigszins kon, was er ook een wind- of watermolen in de buurt. Op die manier was er een beperkt transport van water en graan. De cellarius of keldermeester had de leiding. Hij zorgde  er ook voor dat, gezien de beperkte houdbaarheid van het bier toen, het overschot aan de armen werd uitgdeeld. Bier drinken zag men in die tijd niet als schadelijk. Het was slechts licht gealcoholiseerd en vrij voedzaam. De meeste mensen moesten wel veel drinken want het eten was erg gezouten. Monniken mochten ‘s nachts opstaan om in de keuken te gaan drinken, wat overdag niet was toegestaan. De dagelijkse rantsoenen bier bedroegen ongeveer 2 l en 2,6 l voor het lekenpersoneel, wat evenwel als een deel van hun loon gold. In bepaalde kloosters mochten de nonnen tot 5 l per dag drinken en was er tijdens de vasten een brouwsel dat voedzamer was.

Over gruten en hop.

Cervoise was eigenlijk een vrij smaakloos brouwsel. Maar door toevoeging van gruten (of gruiten) kon men de drank pigmenteren. Al in 999 na Christus is er in een oorkonde van keizer Otto III aan de bisschop van Utrecht sprake van gruiten. Gruut of gruit was een mengsel van 5 of 6 gedroogde planten, vooral moerasplanten als gagel (= vlooienkruid), ledon, duizendblad, salie en wilde rozemarijn. Die werden vermalen met toevoeging van bessen en hars van dennen. Behalve smaakgevend zou gruut ook de gisting bevorderen. De bereiding vereiste een zeker vakmanschap. Iedere gruter had zijn eigen samenstelling van het mengsel. Per hl. brouwsel werd er zo’n 2 k gruut bijgevoegd. De verkoop ervan was zeer winstgevend en bijgevolg hielden de leenheren de verkoop in eigen handen. Door het gruutrecht bekwamen ze dat niemand bier mocht brouwen zonder gruten te hebben gekocht in een van hun gruuthuizen en dat er geen bier mocht ingevoerd zonder gruutrecht te betalen. De heren van Gruuthuse werden door hun handel de machtigste mannen van Brugge. Alleen de abdijen waren vrijgesteld van heffingen.

De grote vernieuwing in het brouwproces kwam er door het gebruik van hop. De Wenden, een Germaanse volksstam, brachten de plant die afkomstig is uit Babylonië, naar Duitsland. Van daaruit geraakte de hop over Europa verspreid. In 768 na Christus stelde Pepijn de Korte, de vader van Karel de Grote, hopvelden ter beschikking van de abdij van Saint-Denis te Parijs. De hop werd waarschijnlijk gebruikt als geneeskrachtig kruid. Maar ook de conserverende en smaakbevorderende werking waren toen al gekend. Het gehopte bier kwam in de tweede helft van de dertiende eeuw al voor in de Hanzesteden van Noord-Duitsland. Een halve eeuw later was het gebruik ingeburgerd in Nederland en Brabant. De heren van Gruuthuse die het monopolie op de gruuthandel in Vlaanderen bezaten, verboden er alsnog het gebruik van hop met het gevolg dat de Brabantse bieren er bijzonder gegeerd werden. Gehopt bier werd tenslotte in de vijftiende eeuw ook in Vlaanderen toegestaan en dat gebruik geraakte daarna in Engeland ingeburgerd. Toch bleef men nog aroma’s en kruiden in het bier mengen. En natuurlijk waren de leenheren er als de kippen bij om cijns te heffen op de gehopte bieren, met uitzondering van de abdijbieren. Voor de brouwerijen lag het grote voordeel van het gebruik van hop in de langere bewaartijd. Nu konden ze hun bier over een grotere afstand vervoeren en het kon over een langere periode gechonken worden. Toenemend verbruik was het gevolg.

Overal brouwerijen.

In de loop van de veertiende eeuw ontstonden overal brouwerijen. De brouwerij De Hoorn, opgericht in Leuven in 1366 op het jachtdomein van de burcht Keizersberg, bestaat nog steeds en heet nu Interbrew. Van de abdij van Sint-Truiden hingen op een bepaald moment wel 30 brouwerijen af. Zelfs het begijnhof van Tongeren had een eigen brouwerij. In meerdere dorpen bestond een «banal» brouwerij. Ban betekent dwangrecht, m.a.w. niemand van het dorp mocht zijn bier laten brouwen dan in de brouwerij van de heer, zo kon die er cijns op innen. Hoewel algemeen verspreid, toch bleef het brouwen nog een mysterieus gebeuren omdat de brouwers het gistingsproces niet volledig onder controle hadden. Ze waren er nog van overtuigd dat geheime krachten of kwade geesten zich ermee bemoeiden. Daar moesten ze natuurlijk tegen optreden. Het salomonsteken, de ster met de 6 armen, aanbrengen of rituele spreuken bij elke handeling opzeggen hielpen mislukkingen voorkomen. Een flinke bos brandnetels op de rand van de brouwketel leggen voorkwam onweerschade en boven de gistingkuip een kruis hangen hielp zeker. Het probaatste middel evenwel was de pastoor vragen om het bier te komen zegenen. Die voltrok met genoegen de bezwerende ritus want zijn optreden was niet gratis. Omdat hij tijdens zijn zegeningen met de stola was bekleed, sprak men van stoolrechten. Die vergoeding werd in natura betaald, bevoorbeeld 4 potten bier van elk brouwsel, of met klinkende munt.

Net zoals de andere ambachtslieden verenigden de brouwers zich in gilden die mettertijd machtige verenigingen werden en hoog in aanzien stonden. Een getuige daarvan is het prachtige Brouwershuis op de Grote Markt in Brussel dat het uitzicht van een stadhuis heeft. Voorname poorters wilden er graag lid van zijn zoals Jacob Van Artevelde in Gent. Het bierverbruik nam toe van 300 l per hoofd in de vijftiende eeuw tot zo’n 400 l in het begin van de zeventiende eeuw. Dat was voor een deel te wijten aan de goede reputatie van het bier. ‘Het bier uit Vlaanderen is een goed bier, vooral het dubbel uit Gent en Brugge dat alle anderen bieren versloeg. Het is erg verzadigend en voedzaam. Het is goed voor de bloeddruk en zorgt voor een gezonde kleur. Mensen die dit bier al vanaf hun jeugd dronken, bleven er stralend uitzien’. Geen wonder dat de groten uit die tijd bier met plezier dronken. Keizer Karel was een beproefd bierliefhebber. Zijn tijdgenoot Hendrik VIII uit Engeland schonk zijn hofdames dagelijks elk 24 pinten. Zijn dochter, Elisabeth I, dronk bij het ontbijt al een grote kan leeg. En Frederik de Grote van Pruisen verkondigde fier dat hij met biersoep was grootgebracht. Een andere reden voor het toenemend succes van het bier was dat het nog altijd een noodzakelijke aanvulling van het voedsel betekende. In een Antwerps godshuis voor oude vrouwen kregen de bewoners 4 l bier per dag. Op het einde van de zestiende eeuw kregen de arbeiders bij hun loon nog een bepaalde hoeveelheid bier. In de loop van de zeventiende eeuw betaalde de patroon dit extra ook in geld uit waardoor de benaming drinkgeld ontstond.

Door de oprichting van gilden kwam er een uitgebreide reglementering. De prijs van het bier werd nauwkeurig vastgelegd evenals de inhoud van de tonnen. De brouwers mochten op zondag niet werken. Ook de herbergiers kregen hun voorschriften: geen bier tappen in potten die vooraf in warm water hadden gelegen om meer schuim te bekomen, geen bier schenken tijdens de mis of na sluitingsuur. Dat was na 9 u. van Baafmis tot half maart en na 10 u. voor de zomerperiode. Dat verbod gold echter niet voor reizigers die in de herberg verbleven. De gilden bepaalden verder hoe en hoe lang de brouwers mochten werken. In Brussel luidde de brouwersklok in de toren van de (voormalige) Sint-Gorikskerk voor het begin en het einde van de werktijden. Brouwer werd men via het beproefde gildensysteem: eerst leerjongen voor 1 of 2 jaar, dan een praktische proef afleggen, namelijk het maken van een brouwsel en na het betalen van het toegangsgeld voor de gilde, was men meester-brouwer. In Brussel waren er in 1620 zeker 67 meester-brouwers, 80 in 1658 en 94 in 1678. Eens in de gilde opgenomen kon men rekenen op hulp en bijstand in geval van ziekte of nood. Vanaf de achttiende eeuw echter, toen er een tijd van vrijhandel met het buitenland aanbrak, werkten de vele gildenvoorschriften belemmerend voor de eigen brouwers. Die situatie duurde tot de Franse overheid tijdens de Franse Revolutie het hele oude systeem afschafte en met de opheffing van de abdijen verdwenen ook de abdijbrouwerijen.

Meer bierverbruik betekende ook meer accijnzen. Op het einde van de zestiende eeuw brachten de biertaksen in Antwerpen meer dan 60 % van de stadsinkomsten op. Dat gaf de brouwersgilden grote invloed op het stadsbestuur en daarvan profiteerden ze om vooral de vreemde bieren te laten belasten. In de zestiende eeuw kon men in Brussel immers al Duitse en Ierse bieren drinken. Een eeuw later waren er te Antwerpen bieren uit Mechelen, Leuven, Diest, Gouda, Danzig, Brunswijk en Hamburg. Leverde die actie onvoldoende resultaat op dan trachtten ze, in geval van hogere belastingen, hun inkomen veilig te stellen door te besparen op de grondstoffen, vooral op het verbruik van hop. Wat dan de kwaliteit van hun product verminderde en de aantrekkingskracht van vreemde bieren vermeerderde.

Een nieuwe wending in de brouwerijwereld kwam er door een beslissing van keizerin Maria-Theresia. Alle brouwerijen van leenheren, gelegen op vruchtbare grond, moesten worden afgebroken. Er was in die tweede helft van de achttiende eeuw een sterke demografische ontwikkeling en dus nood aan nieuwe landbouwgrond. Maar de voornaamste reden voor die maatregel was ongetwijfeld de vrijstelling van taksen van de heren. Heel wat boeren-brouwers profiteerden daarvan, wat niet altijd de kwaliteit van het bier ten goede kwam. Het thuisbrouwen was heel die tijd blijven bestaan. In 1685 waren er in Brugge nog 425 huisbrouwerijen en in 621 in 1718, kloosterbrouwerijen inbegrepen.

Moderne technieken.

Brouwen is altijd al een ingewikkeld proces geweest met een dertigtal verschillende handelingen. Oorspronkelijk werkten de brouwers met spontane gisting maar vanf de vijftiende eeuw voegden ze gist aan de wort toe. Toch konden ze de gisting moeilijk onder controle houden. Dat veranderde toen de Franse geleerde Louis Pasteur in 1871 interesse voor het bier kreeg. Door pasteurisatie, dit is verhitting tot 70 graden, schakelde hij de micro-organismen uit en creëerde hij een zuiver gistingsproces zonder bacteriën. Het resultaat was een bier met een zuivere smaak en een goed bewaarvermogen. Door die technische vooruitgang steeg het aantal brouwerijen in de negentiende eeuw. In 1869 waren er in ons land 2.535 brouwerijen, in 1907 al 3.387. Maar op dat ogenblik kwamen nieuwe problemen opdagen. Buitenlandse bieren van lage gisting overspoelden de markt en het duurde vrij lang voor de eigen brouwerijen daar passend op reageerden. De brouwerij van Koekelberg was de eerste in ons land die er in slaagde bier van lage gisting te produceren. Het werd een enorm succes. Een ander probleem waarmee ze kampten was de slechte kwaliteit van de inlandse hop door de aanplant van teveel mannelijke planten. Hun stuifmeel bevrucht de vrouwelijke hopbel waardoor de opbrengst stijgt maar de kwaliteit daalt.

 De twintigste eeuw ziet enerzijds het aantal brouwerijen voortdurend afnemen maar kent anderzijds een stroom van vernieuwingen. Een eerste verandering was de vorming van brouwerijcentrales. Door samenwerking konden de brouwers van een regio een lage prijs handhaven zonder aan de kwaliteit van het bier te raken. De kleinere brouwers, die niet in de centrales werden opgenomen, waren niet gelukkig met deze evolutie. De volgende stap was de algemene overschakeling naar bieren van lage gisting, de pilsen. Weer konden de meeste kleinere brouwers die stap niet zetten. De derde verandering was dat steeds meer brouwers hun mout bij gespecialiseerde mouters gingen kopen, liever dan in eigen mouterijen te investeren. De kleinere brouwers met veel telers onder hun klanten bleven zelf mouten.

De Eerste Wereldoorlog met de moeilijkheden om aan grondstoffen te geraken en de Duitse inbeslagname van het koper vanaf 1915, betekende het einde van veel, vooral kleinere brouwerijen. Na de oorlog duurde de crisis voort door een daling van het verbruik: er werd meer koffie gedronken, er kwam een nieuwe vorm van ontspanning, namelijk filmbezoek en vooral er daagde een geducht concurrent op, de cola. De Tweede Wereldoorlog bracht dezelfde problemen met bevoorrading en opeisingen van koperen ketels mee. Even kenden de kleinere brouwerijen met hun verpichte cafés in een klein afzetgebied rond de brouwerij een heropleving maar na 1960 ging het met hen definitief bergaf. Door een verminderd cafébezoek (de televisie), de hogere loonkosten en de concurrentie van de warenhuizen, sloten veel brouwerijen hun deuren. Eind 1970 leverden 7 brouwerijen 75 % van de totale productie. In die brouwerijen bepalen hoger geschoolden hoe er moet gewerkt worden met hopextracten, hopconcentraten of hoppelets (= geperste hopkorrels, vacuüm verpakt) en andere additieven om het bier een constante bitterheid, een goede bewaring en vooral een vaste prijs te geven. Maar hoe bekwaam de nieuwe meester-brouwers ook zijn, het is de smaak van de consument die bepaalt wat er gedronken wordt. Of dat nu gebrouwen is in een nog overlevende lokale brouwerij of in een fusiebrouwerij dat heeft geen belang zolang het maar volgens de beproefde formule is.

Hekelgemse brouwerijen.

Vermeldingen over de Hekelgemse brouwerijen vonden we in tal van bronnen: het archief van de schepenbank van het Land van Asse als de brouwers betrokken waren in een proces, in het kohier van hoofd- en beestengeld van 1702, in de volkstelling van 1755, het kadaster van Voncken van 1833 en de kadastrale legger van Popp ca 1860, in de biografieën van de brouwersfamilies die we publiceerden op de website ‘In de schaduw van Affligem’ en in andere publicaties. Waar mogelijk zijn de gegevens over de afkomst en het gezin van de brouwers toegevoegd omdat, net zoals bij molenaars, het beroep van vader vaak op een zoon overging en dat in de hoop om later nieuwe informatie te kunnen toevoegen. Bij de brouwers van de 20ste eeuw geldt de bescherming van de privacy en zijn die gegevens niet vermeld tenzij de familie die zelf meedeelde. Over de soorten bier vernemen we praktisch niets met uitzondering van de Affligemse brouwerij ( wit, bruin en licht bier ook klein bier genoemd) en die van Michiels.(klein en sterk bier).

De brouwerij van de abdij Affligem.

De geschiedenis van het Affligems abdijbier is praktisch zo oud als die van de abdij zelf. De regel van de heilige Benedictus, die de bekeerde krijgslieden besloten hadden te volgen, bepaalt dat de monniken zoveel mogelijk binnen het kloosterdomein in al hun levensbehoeften moeten voorzien. Een ander voorschrift staat de monniken een beperkt gebruik van wijn toe. Maar in onze streken was bier de gewone tafeldrank zodat we mogen aannemen dat de eerste Affligemse kloosterlingen hun eigen bier brouwden. Temeer daar ze al tijdens het bestuur van de eerste abt, Fulgentius (1089–1121), een tiende deel van al wat zij bezaten aan de armen gaven, ook van hun voedsel en drank. Dankzij het opzoekingswerk van de monniken dom Cyprianus Coppens en dom Wilfried Verleyen kunnen wij ons een vrij goed beeld vormen van de Affligemse brouwerijen.

De eerste brouwerij paalde aan het gastenkwartier en de werkplaatsen. Al in 1129 verwoestte een felle brand het hele gebouw. Dom Radulfus was bij die brand aanwezig. Zijn medebroeders noemden hem ‘De Zwijger‘ omdat hij sinds meerdere jaren niet meer had gesproken. Hij leefde immers teruggetrokken in een kluis in het bos. Toen hij nu zag dat men de brand niet onder controle kreeg – zo verhaalt de legende – bad hij in stilte en sprak dan de woorden: «Vuur blijf staan, vlam doof uit».  Onmiddellijk hield de brand op !

Vervolgens weten we dat abt Karel de Croy (1521 – 1564) een nieuwe brouwerij liet optrekken die bleef bestaan tot de geuzen in 1580 de hele abdij in brand staken. Het gebouw  werd hersteld in 1608 en nog eens in 1621 omdat het al dreigde in te storten. Door de uitwasemingen van de kokende brouwketels waren de balken waarop de stenen gewelven rustten, geheel verrot. Deze brouwerij is goed zichtbaar op de gravure van C. Lauwers (1658), ze staat onderaan links van het vissershuis. Enkele van de 57 biertonnen die de abdij toen bezat, staan ervoor. In het gebouw zelf waren er 5 brouwketels. Er stonden ook 2 bedden voor de brouwer en zijn knecht, in die tijd waren dat leken en zij sliepen in hun werkplaats. Enkele namen zijn nog bekend: Franciscus Vermeeren (1570), Judocus Rombouts (na 1570) met Guillam De Baetselier als tweede brouwer, Frans Van der Meulen (1578), A.G. Kimmel (1620) Francis Mertens (1730), Antoon Keulemans (1736), Cornelius Haeck (1746), J.B. De Kegel (1755), C.J. Bodaert (1759) en Petrus Vasseur (1768). Abt Karel de Croy betaalde in 1536 25 florijn voor de brouwer en 10 florijn voor de helper. Dat bedrag steeg tot 48 florijn in 1730, tot 60 florijn in 1755, tot 84 florijn in 1759 en tot 94 florijn in 1768.

Gravure van C. Lauwers in A. Sanderus, Chorographia sacra Babantiae, dl 1 (Brussel 1658). De brouwerij en de bakkerij staan helemaal onderaan in het midden. Links ervan een hopveld.

Het bier dat er werd gebrouwen bevatte zeker hop. Heel de streek rond Affligem had toen een goede reputatie omwille van de uitstekende hopkwaliteit. Hophandelaars van Engeland tot de Baltische Staten kochten ze op. De abdij zelf had in 1570 zo’n 42 hopkuilen, in 1620 waren dat er 1.500 en in 1654 al 6.500. In 1561 constateerde aartsbisschop-abt Jacobus Boonen dat niettegenstaande zijn verbod op sterk bier voor de monniken, de gasten en de knechten, er toch nog enkele vaten sterk bier werden gebrouwen. Alleen ‘gewoon’ bier mocht nog. Dat was bruin bier in de winter en wit in de zomer. Maar in 1770 verzochten de paters hun overste om heel het jaar door wit bier te mogen drinken, wat hen werd toegestaan. De armen kregen een lichter bier.

In 1761 viel een werkman in de kokende brouwketel en overleed aan zijn verwondingen. Toen stonden er 2 brouwketels met elk een capaciteit van ongeveer 40 biertonnen. Jaarlijks brouwde men 22 tot 23 brouwsels, 5 brouwsels meer dan een eeuw voordien. Voor het bruine bier gebruikte de brouwer 60 vaten (van ca 50 l) gerst en 6 vaten tarwe. Voor het lichte bier, bestemd voor de knechten en de armen, slechts 54 vaten gerst en 6 vaten tarwe. Voor een brouwsel van het witbier dat de paters in de zomer dronken, waren 30 vaten gerst, 9 vaten tarwe en 9 vaten haver nodig. De aalmoezenier kreeg jaarlijks 200 tonnen licht bier om aan de kloosterpoort de dorst van de armen te lessen.

Met de uitdrijving van de monniken en de verkoop van de abdij in 1796 door de Franse bezetter, was ook het lot van de eeuwenoude brouwerij bezegeld. Toen bijna een eeuw later, in 1869, de monniken het Bisschoppenhuis, het enige bewoonbare overblijvende gebouw van het oude kloostercomplex, konden terugkopen, herbegon het abdijleven in Affligem. In de Benedictuspoort en aanpalende gebouwen installeerden ze een nieuwe brouwerij met 3 brouwketels, een roerkuip en 95 tonnen voor een totaal bedrag van 5.754,61 fr. Het brouwen herbegon op 20 mei 1885. De brouwer, nu een monnik met de hulp van knechten, brouwde maandelijks 28 hectoliters maar hij moest nu mout en hop gaan kopen. Per brouwsel gebruikte hij 300 tot 350 k gerstemout  en 6 tot 9 k hop met 100 k kristalsuiker. Een nieuwe bezetter van ons land, ditmaal het Duitse leger, kwam in 1917 de koperen ketels weghalen. Het duurde tot 1920 voor de brouwerij was uitgerust met 2 nieuwe ketels ( van 35 en 36 hl) en een koelbak. Mout en hop werden opnieuw gekocht. Broeder Tobias Vergauwe brouwde de laatste maal op 13 maart 1940 want in mei waren de Duitsers er terug. De Tweede Wereldoorlog maakte na bijna 9 eeuwen definitief een einde aan het bierbrouwen in Affligem.

In 1578 betaalden de brouwers Adriaen Rampelbergh voor 7 amen, Joos Vermeere voor 11 amen en Hendrick De Clerck voor 15 amen accijnzen voor de periode van 1 juni tot 30 september. Over Adriaen Rampelbergh is wellicht de vader van Adriaen, zie verder. Van de twee andere bouwers vonden we geen informatie. Een amen is zoveel als 50 stopen, een stoop is vier pinten.

De brouwerij Michiels.

Bedesetter Rachen De Merchie verpachtte in 1612 de impost van de consumptie, de accijnzen op consumptiegoederen, aan zichzelf en bespaarde daarmee 50 g voor de gemeente, althans volgens zijn verklaring. Maar na de inning had hij een tekort van 14 g en om dat bedrag weg te werken verhoogde De Merchie de belasting op bier van 2 st per vat tot 10 st. Brouwer Jan Michiels weigerde te betalen, wat tot een fikse ruzie met De Merchie leidde. Die betichtte Michiels ervan dat hij klein bier verkocht als dubbel of sterk bier. Een grove belediging voor de brouwer die bovendien schadelijk was voor zijn zaak. Zelf achtte hij zich een man van eer en van ‘goeden naem ende fame int ’t stuck van sijnen handel’. Hij verweet De Merchie een dief te zijn en dat was de waarheid want iedereen, ook zijn eigen moeder, noemde De Merchie ‘den rijken dief’. Die uitspraak dreef de bedesetter ertoe om de brouwer een flinke mep te verkopen, over een bank te sleuren en zijn kraag te scheuren. Als reactie richtte Michiels zich tot de schepenbank en verzocht de schepenen De Merchie een boete op te leggen van 400 g. De helft was bestemd voor de armen en de andere helft voor hemzelf. Aan de schepenen om een rechtvaardig oordeel te vellen !

Jan Michiels was getrouwd met Maria Galiaerts. Ze hadden twee kinderen: Georgius, gedoopt te Hekelgem op  27 mei 1608 en Catharina, gedoopt te Hekelgem op 1 november 1609.

De brouwerij Lijsens Stede van Steven Verpaelt en Thieman Jacobs?

Op 18 maart 1624 verkocht Steven Verpaelt een brouwketel van zijn brouwerij Lijsens Stede, gelegen aan de straat van de abdij naar de kerk van Hekelgem (nu de Fosselstraat), aan Thielman Jacops. In de verkoop waren ook begrepen een ton, twee halve tonnen, een vierdeelvat, twee stortvaten en de steen waarop de brouwketel stond. Steven Verpaelt mocht de ketel nog tot eind februari 1625 gebruiken. Getuigen van de verkoop waren Merten Van den Houte, Lieven Derijcke en Gielis De Coster. In afwachting van de levering liet Thielman door Merten Combien een lokaal bouwen voor zijn nieuwe brouwerij. Maar Verpaelt verkocht ondertussen het brouwalaam aan een ander. In zijn klacht bij de schepenbank eiste Thielman een schadevergoeding van 32 g 3 st, te weten 23 g voor het bouwen van een brouwerij, 5 g loon voor de metselaar en 3 g 10 st voor verloren consumpties.

Van Steven Verpaelt is er in de parochieregisters niets te vinden, wel van Thielman Jacobs. Hij was getrouwd met Anna De Bruyn en ze hadden acht kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Jacobus, gedoopt op 26 april 1605.

2- Cornelius, gedoopt op 20 januari 1608.

3- Joannes, gedoopt op 16 maart 1610.

4- Stephanus, gedoopt op 29 december 1613.

5- Joannes, gedoopt 30 juni 1616.

6-  Joanna, gedoopt op 30 juni 1616.

7- Judocus, gedoopt op 4 augustus 1619.

8- Philippus, gedoopt op 24 april 1623.

De brouwerij Van Rampelberch.

Andries Seminck uit Erembodegem kocht schaarhout in het Hertegembos te Sint-Katharina-Lombeek. Met Adriaen Van Rampelberch, brouwer op Boekhout, had hij afgesproken dat die zich als borgsteller zou opgeven op conditie dat Andries hem daarvan kosteloos en schadeloos zou ontheffen. Die trok zich van het akkoord niets aan en, wat voor de brouwer erger was, hij betaalde de koopsom niet. Het gevolg was dat de verkopers, het wachten beu, Adriaen Rampelberch herinnerden aan zijn borgstelling en van hem de koopsom eisten. Adriaen zag zich genoodzaakt in 1657 de dorpsofficier Guillam Jacops aan te spreken om Andries te dwingen zijn belofte na te komen. Die toonde zich inschikkelijk en beloofde binnen de 8 dagen een schriftelijke verklaring die Adriaen onthief als borgsteller te ondertekenen. Maar een week later, op 13 maart, was die verklaring er nog niet en Adriaen stapte naar de schepenbank met de eis dat Andries zijn belofte zou nakomen.

Adriean Van Rampelberch trouwde op dinsdag 8 januari 1647 te Hekelgem met Maria Verhoeven. Zij overleed te Hekelgem op dinsdag 8 november 1667. Zij hadden een zoon Petrus, gedoopt te Hekelgem op 24 september 1646 (pas drie maanden later getrouwd!) Hij hertrouwde op woensdag 15 augustus 1668 te Teralfene met Joanna Sonck. In het gezin kwamen nog twee kinderen te Hekelgem gedoopt: Anna, gedoopt op 21 september 1670 en Catharina, gedoopt op 28 december 1672.

De brouwerij Vermoesen.

I Gillis.

Brouwer Gillis Vermoesen uit het Mazits kocht op 6 maart 1663 twee percelen land. Het eerste perceel, groot omtrent 1 dagwand, werd ‘Het Verleijsen Vijverken’ genoemd en was eigendom van de H. Geest van Hekelgem. Het paalde aan de voetweg van Boekhout naar Aalst, aan Michiel De Kegel, de straat en het kerkgoed van Hekelgem en was belast met twee sisteren rogge jaarlijks aan de pastoor te geven. Het tweede perceel was van de kerk van Hekelgem, ook omtrent 1 dagwand groot en paalde aan Het Verleijsen Vijverken, de straat, Gillis Verhoeven, Adriaen De Schrijver en Joos De Greve. Samen brachten de percelen 10 gulden 6 stuivers pacht op. Gillis kocht de percelen voor 700 gulden waarvan 300 gulden onkwijtbaar met een rente van 18 gulden 15 stuivers en de twee sisteren rogge. Dezelfde rente gold ook voor het tweede perceel. Gillis kon die 400 gulden in twee schijven afbetalen.

De aankoop van het land zorgde voor heel wat problemen want tegen de geplande aankoop kwam er protest. Nog voor de akte was verleden, was Gillis overleden en erfden de wezen van Jan Vermoesen van hun oom de hofstede met de brouwerij. Franchois Vermoesen, broer van Gillis en Jan vroeg de aartsbisschop om in het belang van de wezen de aankoop niet te laten doorgaan. Hij werd in zijn verzoek gesteund door heel wat gemeentenaren: Merten Robijns, Adriaen Van Rampelberch, Racen De Merchy, de weduwe Aert Robijns, Adriaen De Leeuw, Peeter Van Neervelt, Henderick De Donder, Michiel De Keghel, Joos De Greff end, Pauwels Van Den Eijnde, Jan Van Den Driessche, Jan De Vis, Henderick De Decker, Michiel Carnoy, Merten Van Den Berch en Enghel Verhoeven. Het advies dat de landdeken hen op 19 april liet weten was de verkoop van de percelen ten voordele van de huisarmen en de kerk toch te laten doorgaan tijdens een openbare verkoop aan de meest biedende.

In 1684 was hij een van de Hekelgemnaren die voor de parochie een lening afsloot omdat de parochie de contributie opgelgd door de Fransen onder Lodewijk XIV niet volledig kon betalen. Hij gaf zijn hofstede en brouwerij als pand.

Egidius was een zoon van Egidius en Anna De Batselier. Zijn ouders waren te Hekelgem getrouwd op 5 juli 1616. Er kwamen vijf kinderen in het gezin die te Hekelgem werden gedoopt:

1- Joannes, gedoopt op 15 september 1619.

2- Joannes, gedoopt op 8 oktober 1618.

3- Maria, gedoopt op 27 augustus 1621.

4- Egidius, gedoopt op 6 april 1625.

5- Franciscus, gedoopt op 17 april 1629.

Was de vader al brouwer en werd Egidius zijn opvolger? In de parochieregisters vinden we geen verder spoor meer van hem. Wel van zijn broer Franchois. Zie hierna.

II Franchois Vermoesen

Guilliam Camu zal nog lang gedacht hebben aan de dag van 15 maart 1664. Die dag was hij met zijn zoon Michiel met een lorrewagen bij brouwer Franchois Vermoesen klein bier gaan halen. Zij lieten de volgeladen wagen op de weg[1] staan en gingen bij Franchois vier of vijf potten bier drinken. Ondertussen hadden enkele mannen van Aalst de wagen opgemerkt en gingen ermee vandoor. Raphael Dedemaecker, een jonge kerel, had de diefstal gezien en hij verwittigde Guillam en Michiel. Die zetten onmiddellijk de achtervolging in samen met Gilleken de slager. Op de Boekhoutberg hoorden ze van mannen uit Essene dat er bij de dieven een Jan De Witte was, een Camermans en een De Jonghe. Toen de dieven hen opmerkten, stormden ze op hen af en onze gedupeerden vluchtten weg en konden ontkomen, behalve Guillam die gevallen was. Met hun stokken sloegen de dieven op hem los. Op zijn vraag waarom ze hem sloegen, antwoordden ze dat hij hen voor dieven had uitgemaakt. Uiteindelijk kon hij ontsnappen voor een van hen met zijn mes wou steken.

Franchois trouwde te Hekelgem met Anna Tonis op 9 oktober 1654. Franchois overleed te Hekelgem op 15 januari 1675 en Anna op 15 september 1677. Zij hadden zeven kinderen te te Hekelgem werden gedoopt:

1- Anna, gedoopt op 21 september 1655.

2- Egidius, gedoopt op 30 novermber 1656.

3- Joannes, gedoopt op 18 maart 1659.

4- Petrus, gedoopt op 00 oktober 1663.

5- Joannes, gedoopt op 6 mei 1666.

6- Petronella, gedoopt op 18 augustus 1669.

7- Catharina, gedoopt op 17 november 1670.

In 1684 werd zijn zoon Gillis genoemd als brouwer. Gillis was een van de Hekelgemnaren die dat jaar voor de parochie een lening afsloot bij ridder Van den Cruyce omdat de parochie de door de troepen van Lodewijk XIV opgelegde contributie niet kon betalen.

Brouwerij Sint-Huybrechtshof.

Brouwer Merten (Martinus) Robijns  werd te Hekelgem gedoopt in 1580. Hij werd schepen van Affligem en van het Land van Asse, kerk- en armenmeester te Hekelgem. Volgens een, citaat in 1618 woonde hij op het Bleregemblok en volgens een citaat in 1630 was hij pachter op het Sint-Huybrechthof in de Domentstraat. Dat was een boerderij met brouwerij. Hij was een medestichter van de Confrerie van de H. Rozenkrans te Hekelgem. Merten trouwde met Elisabeth Wauters in 1605, dochter van Andries en Anna Lemmens. Andries werd geboren te Hekelgem in 1580 en overleed te Meldert op 24 september 1659. Hij werd in de kerk begraven.

In een pachtboek van de abdij anno 1655 lezen we: ’Merten Robijns hout in hueringhe de goederen van den hovene van Cauwenberghe groot in winnende land 32 bunders 1 dagw 36 roeden ende 19 bunderen 18 roeden weide ende brouchagie. Totaal 51 bunderen en oneffen roeden binnen beloop … item hout den Rogiersmand onder Ter Alphenen tot 4 bunderen … item onder n…issel den coluneeussel’.

Van hun kinderen werd de eerste twee te Meldert gedoopt, de anderen te Hekelgem:

1- Jacqueline, (Jacobijn), gedoopt op 16 mei 1601, getrouiwd te Brussel op 30 oktober 1625 met Andries Van Nuffel, rentmeester en bosmeester van Affligem.

2- Jan, gedoopt in 1603, ongehuwd overleden te Meldert in 1632.

3- Aarnout (Arnold), gedoopt te Hekelgem op 1 mei 1619. Zie brouwerij Den Engel.

4- Michiel, gedoopt op 9 maart 1621. Volgens een citaat in 1669 was hij superior der oratorianen, pastoor te Keukelaer.

5- Nicolaas, gedoop op 20 april 1624.

6- Martinus (Merten), gedoopt op 15 februari 1626.

7- Pauwel, gedoopt op ?

8- Franchoys, Meldert 1629, priester gewijd te Brussel op 10 juni 1634, in 1637 pastoor te Meldert, + Meldert 1665, grafsteen in de kerk. Hij was een van de eersten die genoot van de studiebeurs Lemmens.

Of Arnold ook brouwer was in opvolging van zijn vader weten we niet. Zijn zoon Frans die trouwde met een dochter van de brouwerij Den Engel was het wel.

De brouwerij Den Engel.

Gillis Van den Broeck trouwde te Hekelgem met Magdalene Crick op 26 augustus 1623. Zij werden pachters van het ‘Hof den Engel’ met brouwerij te Hekelgem. In het gezin werden vier kinderen geboren en te Hekelgem gedoopt:

1- Catharina, gedoopt op 19 januari 1625.

2- Anna, gedoopt op 19 januari 1627.

3- Maria, gedoopt op 26 november 1628.

4- Petrus, gedoopt 10 augustus 1630.

Hun dochter Anna trouwde te Hekelgem op 7 oktober 1642 met Arnold Robijns, geboren op 1 mei 1619. Hij overleed te Brussel in 1689. Zij hadden zes kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Catharina, gedoopt op22 oktober 1644.

2- Frans, gedoopt op 2 januari 1647.

3- Joannes, gedoop top 30 april 1649.

4- Egidius, gedoop top 15 november 1651.

5- Jacoba, gedoopt op 15april 1654.

6- Joanna Maria, gedoop top 1 april 1656.

De weduwe van Arnold, Anna Van den Broeck was in 1684 een van de Helelgemnaren die bij ridder Van den Cruyce een lening aanging omdat de parochie de door troepen van Lodewijk XIV opgelegde contributie niet kon betalen. In 1699 was het de weduwe van hun zoon Frans die een aanmaning kreeg omwille van achterstallige renten van die lening.

Een brouwerij in het Zegershof?

De oudste zoon Arnold Robijns en Anna Van den Broeck, Frans (Franchois), gedoopt op woensdag 2 januari 1647 in Hekelgem overleed op zaterdag 5 februari 1689 in Hekelgem, 42 jaar oud. Hij was schepen van het Land van Asse en heer van het Zegershof. De gebouwen stonden op een motte van 17 a en de velden en bos hadden een oppervlakte van ca 24 dagwand. Hij trouwde te Essene 23 augustus 1668 met Catharina Wambacq, dochter van Michel, meier van de schepenbank van Affligem, notaris en van Joanna Catharina De Bast. Zij hadden negen kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Petrus, gedoopt op 11 oktober 1671.

2- Joannes Franciscus, gedoopt op 31 december 1672.

3- Judocus, gedoopt op 22 juni 1675.

4- Petrus, gedoopt op 19 november 1677.

5- Joanna, gedoopt op 19 februari 1680.

6- Andreas Arnoldus, gedoopt op 11 september 1682.

7- Philippus Josephus, gedoopt op 11 september 1682, overleden te Brussel op 2 mei 1732. Hij was licentiaat in de rechten, heer van Westmael, Zoersel, Rollant enz., rechtskundig adviseur. Hij volgde zijn vader op als eigenaar van het Zegershof. Hij trouwde te Brussel in de Sint-Niklaaskerk  op 7 april 1708 met zijn nicht Elisabeth ’t Sas. Zij liet de gebouwen tot puin vervallen en overleed te Brussel in 1756. Het is weinig waarschijnlijk dat er onder Philippus nog werd gebrouwen.

8- Anna Jacoba, gedoopt op 25 maart 1685.

9- Maria Josepha, gedoopt op 27 juni 1667.

Op 3 september 1678 diende Andries Segers als collecteur een klacht in tegen Franchois Robijns, pachter, brouwer en biertapper. Hij eiste de onmiddellijke betaling van 155 g 18 st waarvan de helft zijn contributie was en de andere helft een bede en andere dorpslasten. Franchois reageerde met een schrijven aan de schepenen waarin hij opmerkte dat hij zelf van de bedesetters nog 750 g tegoed had. Het ging om vertier en logementen van diverse gasten op vraag van de bedesetters en 80 g voor het ter beschikking stellen van zijn paard aan de gemeente. Hij stelde de bedesetters voor om de 150 g 18 st af te trekken van de 750 g waarop hij nog recht had en de schepenen verzocht hij om de bedesetters te verplichten die som ‘promptelijck’ te doen betalen.

In 1686 waren er twee brouwerijen volgens Beda Regaus in J. Ockeley, Bona & Jura selexta ex Beda Gegaus (Fontes Affligemenses 1975) 39.

De brouwerij Cornelis.

Peter Corneliswas de zoon van Joannes en Barbara Wambacq, pachters op het Hof ter Saele. Dat was een groot bedrijf. Ca 1624 waren er op de hoeve 15 melkkoeien en 150 schapen en acht paarden. Peter werd gedoopt op woensdag 8 februari 1640 in Hekelgem en hij overleed op 15 december 1700. Hij trouwde met Catharina De Vleeshouder, overleden te Hekelgem op 27 november 1686. Zij hadden 8 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Anna, gedoopt op 30 december 1670, zij trouwde met koster Franciscus Resteau.

2- Franciscus, gedoopt op 22 februari 1672, zijn peter was dom Franciscus Cornely (zijn naam komt niet voor in het Necrologium van dom Wildried Verleyen). Franciscus trouwde met Anna De Merchy, weduwe van koster Andries Seghers.

3- Guillelmus, gedoopt op 23 juli 1673.

4- Maria, gedoopt op 15 januari 1675.

5- Judoca, gedoopt op 1 oktober 1677.

6- Martinus, gedoopt op 9 januari 1680. Zijn peter was dom Martinus Cornely.

7- Elisabeth, gedoopt op 9 februari 1682.

8- Catharina, gedoopt op 29 april 1684.

Peter was kerkmeester in 1669 en armenmeester in 1672. Met zijn broer Michiel betaalden ze 300 g voor 31 b 3 d 53 r zaailand en 12 b 3 d 75 r weiland en broekagie en het Fortuyn van 2 b 3 d 36 r. Zij huurden ook 12 b land en weide op de Keukenshage van de kapelanie van het H. Sacrament in Sint-Goedele te Brussel. Van de parochie huurden ze 236 r land op Geukenshage. Michiel pachtte behalve van de abdij ook van kerk van Hekelgem: 2 d 50 r land op de Buikouter, 1 d 2 r op de Mattenslochting. In 1673 waaide een deel van de schuur af en staken de Fransen de rest in brand. Peter Cornelis behield later een deel van de pacht over en richtte naast de kerk een brouwerij op waarvan een vermelding in 1687. Hij ging een lening aan bij Louis Verbruggen, kanunnik te Antwerpen, met een rente van 12 g 10 st. De lening was bezet op zijn hofstede met huis, brouwkuip en andere edificiën, gelegen tegenover de kerk van Hekelgem. Op juni 1687 bleek dat Cornelis de rente al 6 jaar niet meer had betaald, een achterstal van 75 g. De kanunnik verzocht nu de schepenen Cornelis te verplichten tot onmiddellijke betaling.

Guilliam Cornelis: bezat in 1684 een stenen huis met kamketels en andere afhankelijkheden gelegen in  Hekelgem en De Drij Koninghen genoemd gelegen aan de ‘herstraete’ naar Aalst (= de Langestraat was toen de belangrijkste straat naar Aalst)..

De brouwerij Sint-Sebastiaan.

Van de herberg met brouwerij Sint-Sebastiaan aan de (huidige) Brusselbaan[2] vonden we vermeldingen in 1681, 1684 en 1755: ‘Eene hofstadt met den huyse, brouwwerije en andere esdificiën daerop staende, groot 286 roeden, geheeten ‘Sint-Sebastiaen’. We vermoeden dat Adriaan Van Nuffel er de eigennar van was.

Want op 16 juni 1681 werd de handbooggilde Sint-Sebastiaansgilde er opgericht. De akte van een rentestichting werd verleden voor de schepenen van de abdij. Adriaan Van Nuffel, hoofdman van de gilde, bezette in naam van de gilde een kapitaal van  48 rijnsgulden tegen een jaarrente van 3 gulden Midden 18de eeuw werd de wip van de gilde overgebracht naar de dries aan de Voorpoort van de abdij. De gilde had toen een lokaal in de herberg De Rose. Tijdens de Franse Revolutie werd ze neergehaald en verbrand.

Adriaan  (ook Andries genoemd) was afkomstig van Wieze. Hij trouwde met Jacqueline (Jacoba) Robijns op 31 oktober 1625 in de Sint-Kathelijnekerk te Brussel. Adriaan werd rent- en bosmeester en schepen van de abdij. Zij kregen vier zonen te Hekelgem gedoopt:

1- Franciscus, gedoopt op 12 augustus 1630.

2- Johannes, gedoopt op 10 maart 1633. Hij werd bosmeester, stadhouder en ontvanger van het leenhof en van het kwartier Mechelen. Hij woonde te Meldert op het dorp.

3- Martinus, gedoopt op 21 januari 1635. Hij werd monnik in de cisterciënzerabdij Sint-Bernard-aan-de-Schelde.

4- Judocus werd niet in Hekelgem gedoopt. Hij trouwde met Catharina Robijns uit Meldert. Volgens de telling van 1693 woonde hij er met zijn vrouw, vier kinderen en een meid.

.

Brouwerij Kieckens.

Nicolaes was in 1702 brouwer met twee knechten, een meid, twee paarden, vier koeien en 60 schapen die graasden op een weide in Teralfene. Hij trouwde te Hekelgem met Anna Eeckhaut op 1 februari 1686. In 1702 was hij weduwnaar want zijn vrouw werd niet vermeld in de lijst. Hij overleed te Hekelgem op 31 augustus 1717;

In de parochieregisters van Hekelgem is er maar 1 Nicolaes Kieckens te vinden, maar die overleed op 31 augustus 1717. Hij was getrouwd met Anna Eeckhout te Hekelgem op 1 februari 1986. Zij hadden negen kinderen:

1- Laurentius, gedoopt op 2 december 1686.

2- Elisabeth, gedoopt op 19 november 1688.

3- Melchior, gedoopt op 20 februari 1691.

4- Petrus, gedoopt op 13 december 1693.

5- Judocus, gedoopt op 21 augustus 1696.

6- Joannes, gedoopt op 1 juni 1699.

7- Anna Maria Joanna, gedoopt op 4 april 1704.

8- Cornelius, gedoopt op 19maart 1705.

9- Adrianus, gedoopt op 2 februari 1708.

De brouwerij van Jan Baptist Crick.

De enige Jan Baptist die volgens de parochieregisters in aanmerking komt als brouwer was de zoon van Michael en Van Den Broeck Anna. Michael was gedoopt te Hekelgem op 29 november 1675. Hij overleed er op 2 mei 1754 en Anna op 00 september 1706. Zij hadden vier kinderen:

1- Petronella gedoopt op 29 juni 1701.

2- Judocus gedoopt op 22 april 1702.

3- Judoca gedoopt op 7 december 1703.

4- Joannes Baptist gedoopt op 4 november 1705.

Het kohier van hoofd- en beestengeld gaf in 1702 aan dat Jan brouwer was met zijn vrouw, twee knechten, twee meiden, twee paarden, vier koeien en een vaars, een varken. De volkstelling van 1755 vermeldt een Jan Baptist als brouwer met twee knechten, twee meiden, twee paarden, vier koeien en een vaars, een varken. Werd Jan Baptist, overleden in 1754, hier aangehaald of gaat het om zijn zoon Jan Baptist geboren in 1705?

Brouwerij Peeter Van Den Biesen 1719.

In een conflict van de bedesetters en inwoners van Hekelgem en Meldert met de abdij Affligem was Peeter Van den Besien opgeroepen als getuige. De abdij beweerde dat op meerdere percelen land die vroeger weide waren, hop had gestaan en waarop geen hoptienden waren betaald. De opgeroepen getuigen stelden dat op sommige percelen wel eens een hopveld waren, maar nu al vele jaaren zaailand waarop allerlei vruchten hadden gestaan zoals tarwe, koren, gerst en haver en daarop werden telkens de tienden geheven.

De brouwerij van Peter Ceuppens.

In 1755 was Peter Ceuppens pachter, brouwer en herbergier, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 20 en een van 16 jaar, en een meid. Peter trouwde te Hekelgem  op 31 december 1733 met Anna Maria de Bailliu, de weduwe van Andreas Robijns. Hij overleed te Hekelgem op 5 maart 1775 en zijn vrouw op 6 juni 1776. Zij hadden een zoon, Andreas, gedoopt te Hekelgem  op 7 april 1737.

De Kaaszak.

I. Peeter De Donder

Peeter was de eerste eigenaar van wat ten tijde van Zacharias De Wever ‘De Kaaszak’ werd genoemd. Hij was te Hekelgem gedoopt op 24 februari 1711. Hij overleed er op 24 oktober 1766. Zijn vrouw, Elisabeth Van der Slachmeulen overleed te Hekelgem op 8 juli 1782. Zij hadden drie dochter te Hekelgem gedoopt:

1- Joanna Catharina, gedoopt op 10 januari 1742.

2- Maria, gedoopt op 6 juli 1744.

3- Maria Anna, gedoopt op 16 mei 1747.

Ze verkochten hun herberg met brouwerij op 2 december 1755, wellicht omdat er als brouwer geen opvolger was, aan J.B. De Smedt.

Jan Baptist De Smedt.

In 1755 heeft ‘Jan De Smedt, jonge man, sone Pauwels, bij coop vercregen van Peter De Donder, ses en sestig roeden onbehuysde hofstede onder de prochie van Hekelgem op Bouchout’. Het goed lag aan de Brusselse steenweg, links van het oude gemeentehuis van Hekelgem.

Joannes Baptist werd teHekelgem gedoopt op 12 november 1729. Hij trouwde te Hekelgem op 7 januari 1756 met Anna Van de Perre, te Hekelgem gedoopt op 28 maart 1734 als dochter van Franciscus en Judoca Vonck van het Zegershof. Jan Baptist overleed te Hekelgem op 1 juni 1762 als zijn jongste kind 4 maanden oud is. Anna trouwde na zijn dood met Judocus De Bailliu op 22 juni 1762 en na diens overlijden met Zacharias De Wever op 11 augustus 1765. Zij stierf te Hekelgem op 4 januari 1795. Zij hadden drie kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Suzanna, gedoopt op 5 oktober 1756, huwelijk met Petrus Stallaert uit Meuzegem waar ze zich vestigden.

2- Maria Judoca, gedoopt op 23 april 1759, huwelijk met Joannes De Bailliu. In 1815 was Joannes pachter van het Hof ter Sale. Hij sterft nog dat jaar en na haar overlijden in 1839 werd Jan Baptist De Wever de nieuwe pachter.

3- Joannes Baptist, gedoopt op 24 januari 1761, huwelijk met Anna Crols te Hekelgem op 23 augustus 1787. Zacharias De Wever was daarbij een van de getuigen. Anna was gedoopt te Hekelgem op 14 augustus 1763.

In 1761 staat hij op de lijst van ‘commerschap, neringhe, brouwerijen en herbergen’.

Na hun huwelijk bouwden ze er een huis op dat, toen Anna met Zacharias De Wever trouwde, de Kaaszak werd genoemd.

4 januari 1795 overleed Anna Van De Perre omstreeks 8 uur in de namiddag 60 jaar oud echtgenote van Zacharias De Wever uit (geboren) Sint Catharina Lombeke, P. De Laddersous pastoor.

De erfgenamen van Anna Van de Perre verkochten hun deel in de Kaessack aan de nieuwe echtgenoot van hun moeder Zacharius voor ‘ieder een somme van vierhonderd guldens couranten gelde’, vermeerderd met aan ieder nog in de twee eerstkomende jaren, een ‘somme  van sesse honderd vijfentwintgh guldens’.

II. Zacharias De Wever.

Op het einde van het ancien regime en tijdens de Franse overheersing was Zacharias De Wever, eigenaar van De Kaaszak een belangrijk man in Hekelgem. Als zakenman en politicus behoorde hij tot de vooraanstaanden in Hekelgem en de moeite waard om hem wat nader toe te lichten. Frans Moortgat beschreef Zacharias als volgt:

‘Een dorpsfiguur uit het einde van de 18de eeuw die verdient ontrukt te worden aan de vergetelheid is Zacharias De Wever. De rol die hij in het plaatselijk openbaar leven speelde, geeft hem recht op een ereplaats in de geschiedenis van zijn dorp. Zijn grote herberg gelegen op Boekhout aan de steenweg van Brussel naar Gent was tot ver in de omtrek bekend. Wij kennen De Wever als stamvader, oprichter van de herberg De Kaaszak, pachter, brouwer, bareelhouder, bedesetter, schepen van het Land van Asse, municipaal agent en maire van Hekelgem’.

Zacharias (Segerius)werd teSint-Katharina-Lombeek gedoopt op 8 december 1739 en overleed te Hekelgem op 5 januari 1828. Hij was een zoon van Jan Baptist en Maria Van Leeuw. In 1790 werd Zacharias als volgt beschreven: ‘52 jaar, 6 voet 2 duym lanck (1,70 m) blont roshayer, blauwe ogen’. Datzelfde jaar werd Zacharias schepen in de schepenbank van het Land van Asse. Van 1795 tot 1799 was hij vertegenwoordiger voor Hekelgem (agent municipale) in de kantonale gemeenteraad te Asse en nadien werd hij maire te Hekelgem. Hij trouwde een 1ste maal te Hekelgem op 11 augustus 1765 met Anna Van de Perre, gedoopt te Hekelgem op 28 maart 1734 en aldaar overleden op 4 januari 1795. Zij was de dochter van Franciscus en Judoca Vonck. Anna was eerst weduwe van Joannes Baptist De Smedt en daarna van Judocus De Bailliu. Uit het eerste huwelijk van Zacharias:

1. Joanna Catharina, gedoopt te Hekelgem op 13 juli 1765 en te Sint-Katharina-Lombeek overleden op 27 oktober 1852.

2. Maria Anna, gedoopt te Hekelgem op 12 mei 1768 en aldaar overleden op 14 maart 1796. Zij trouwde te Hekelgem op 2 maart 1788 met Guillaume Louies, gedoopt te Hekelgem op 28 december 1745 en aldaar overleden op 16 februari 1807. Hij was de zoon van Franciscus en Joanna Maria De Vis. Hij hertrouwde te Hekelgem op 24 maart 1800 met Anna Maria Heyvaert.

3. Anna Catharina, gedoopt te Hekelgem op 27 november 1769 en er overleden op 21 maart 1808. Zij huwde te Hekelgem op 3 januari 1791 met Petrus Franciscus Pauwels, gedoopt te Hekelgem op 29 januari 1765, en er overleden op 20 juli 1819.

4. Judocus, zie III.

5. NN, levenloos geboren kind, gedoopt te Hekelgem op 8 maart 1773.

6. Gillis (Egidius), gedoopt te Hekelgem op 21 april 1774 en aldaar overleden op 4 december 1847. Gillis werd gemeenteraadslid. Hij trouwde een 1ste maal te Hekelgem op 13 mei 1794 met Petronilla Carolina Pauwels, gedoopt te Hekelgem op 25 juli 1755 en aldaar overleden op 8 april 1796. Hij huwde een 2de maal te Hekelgem op 13 september 1796 met Joanna Maria Droeshoudt, gedoopt te Hekelgem op 19 februari 1773 en aldaar overleden op 9 oktober 1842.

7. Petrus, gedoopt te Hekelgem op 2 april 1778 en aldaar overleden op 5 juni 1855. Hij huwde te Hekelgem op 24 oktober 1804 met Joanna De Ridder, gedoopt te Hekelgem op 3 maart 1787 en aldaar overleden op 24 december 1864, dochter van Henri en Elisabeth Van Vaerenbergh.

Zacharias trouwde een 2de maal te Hekelgem op 7 februari 1807 met Jacqueline Cecile Van De Velde, gedoopt te Hekelgem op 28 mei 1777 en aldaar overleden op 27 juni 1813.

Door zijn huwelijk met Anna Van de Perre kwam Zacharias in het bezit van De Kaaszak, een erfenis van haar eerste man. Het was een hofstede met brouwerij, groot 66 roeden. Het gebouw paalde aan de steenweg van Brussel naar Aalst en was belast met een grondcijns aan de abdij. De naam Kaaszak komt wellicht van het feit dat er meestal een zakje met verse platte kaas hing uit te druipen.

Brouwer, zakenman en politicus.

Zacharias was een gewiekst zakenman. Van 1767 tot 1822 kocht en verkocht hij negen percelen land en een hofstede. Maar een poging om van de Franse overheid een hoeveel bewerkte blauwe steen die hij van de abdij had gekocht, te recupereren mislukte. Als herbergier was Zacharias erin geslaagd om zijn herberg als een soort gemeentehuis te laten functioneren. De vergaderingen van de bedesetters gingen er door en al wat te maken had met gemeentelijke opdrachten en zo profiteerde hij van het vertier. Zijn herberg, de Kaaszak was een groot huis met twee verdiepingen, boven 5 vensters en op het gelijkvloers 4 met een deur in het midden. Deur en vensters hadden een arduinen omlijsting. In 1779 had Zacharias de herberg laten verbouwen. Er was ook een grote boerderij aan de herberg verbonden en de bareel van de steenweg was daar gevestigd. In 1860 baatte zijn kleinzoon Joannes Franciscus De Wever het bedrijf uit. Na de Eerste Wereldoorlog werd alles afgebroken en vervangen door het huidige gebouw. Er was een winkel, een café en een zaal.

Als bedesetters en ook schepen van het Land van Asse was Zacharias een invloedrijk man en een vertegenwoordiger van het ancien regime. Toch had hij er geen moeite mee om in dienst te gaan van de Franse bezetter. In het voorjaar van 1796 stelde de Franse overheid een municipale raad aan. Joannes Botergergh werd de eerste agent municipale en Henri De Ridder de adjoint. Op 5 april 1797 werd Zacharias met 25 stemmen verkozen tot assesor van de vrederechter Etienne François Gillis. Een week later, op 12 april, volgde zijn verkiezing met 29 stemmen tot agent municipale. Zacharias bleef agent municipale tot 13 mei 1799, dan zat zijn tweejarige ambtstermijn erop. De Kaaszak, zijn hofstede met brouwerij fungeerde dan officieel als eerste gemeentehuis.

In 1795 schreef de Franse overheid een gedwongen lening uit. Voor Hekelgem stelde commissaris Spinnael een lijst op het geschatte bezit en van het jaarlijks inkomen. Zacharias staat op de 9de plaats met een geschat fortuin van 6600 pond en een jaarlijks inkomen van 1344 pond. Op de lijst van de te betalen bedragen komt Zacharias in rg 13 bij de burgers die 1000 pond moesten betalen. In rang 15, de hoogste rang, betaalde men 1200 pond. Zacharias werd er als cijnsplichtige beschreven.

Zacharias liet in 1795 een huis bouwen aan de overkant van de steenweg richting Aalst. Het gebouw van een verdieping telt vier traveeën met in de gevelsteen boven de deur zijn initialen ‘SDW’. Op 10 april 1795 verdeelde Zacharias zijn bezittingen onder zijn zes kinderen, Joanna Catharina, Maria Anna, Anna Catharina, Gillis, Petrus en Judocus. De Kaaszak werd door notaris S.F. Gillis omschreven als.: ‘eene hofstede met den gemetsten huijse van twee stagiën, schuere, stallingen ende alle edificiën daar op staende, soo de selve gelegen is onder de voorschrevene dorpe van Hekelgem, Boeckhout, groot van erve tweeënveertig roeden’. Zijn zoon Judocus nam later de woning over.

Een week voor zijn dood, op 29 december 1827, liet Zacharias door notaris Adrianus Franciscus De Lantsheere uit Opwijk zijn testament opstellen. Dat gebeurde in de slaapkamer van zijn vroeger huis waar hij inwoonde bij zijn kleinzoon Joannes De Wever, pachter en herbergier. Omwille van de goede zorgen van zijn kleinzoon liet hij hem na: een hoge horloge met kast, beddengoed, enkele kasten en andere meubelen, cash geld, kleren en lijnwaad en een bos van 7 r 87 ellen in de Steen.

III. Judocus.

Judocus werd gedoopt te Hekelgem op 25 juni 1771 en is aldaar overleden op 4 november 1826. Hij huwde te Asse op 9 mei 1799 met Maria Theresia De Smedt, gedoopt te Hekelgem op 17 april 1774 en aldaar overleden op 28 augustus 1814, dochter van Joannes Baptista en Anna Catharina Resteau. Judocus trad net als zijn vader in de politiek en werd gemeenteraadslid. Hij was ook pachter, herbergier, bareelhouder en baatte De Kaaszak uit. Zij hadden tien kinderen:

1- Anna Catharina, geboren op 15 juli 1799, overleden op 1 november 1801.

2- Jean François, geboren op 30 april 1804.

3- Anne Catherine, geboren op 14 december 1802, overleden op 24 september 1821.

4- Gilles, geboren op 4 november 1804.

5- Pierre François, geboren op 15 april 1806.

6- Jeanne Catherine, geboren op 19 juni 1807.

7- Marie Anne, geboren op 6 oktober 1808 en overleden op 13 augustus 1820.

8- Dorothee, geboren op 17 juni 1810.

9- Zacharie, geboren op 7 november 1811.

10- Jeanne Aurelie, geboren op 28 februari 1813, overleden op 21 november 1813.

Op de Villaretkaart (ca. 1745) staat de hoeve alleszins reeds ingekleurd (weze het de woning zélf alsook de vleugel waarin zich op vandaag de “Bar/ontvangstruimte” bevindt – de vleugel ook met de schouw). Deze beide vleugels gaan zeker terug tot 1700/1720; mogelijks nog verder in de tijd. De overige vleugels dateren van omstreeks 1790/1795.

Zacharias’ dochter Anne huwde met Franciscus Louis die het pand verder restaureerde/uitbouwde en voor het eerst ook exploiteerde als brouwerij. Zie verder Brouwerij Louis.

De brouwerij Clauwaert.

I. Peter Clauwaert.

Peter was een zoon van Petrus en Catharina Robijns. Hij is gedoopt omstreeks 1660 in Hekelgem en is aldaar overleden op zaterdag 11 september 1723 ongeveer 63 jaar oud. Hij trouwde, ongeveer 29 jaar oud, op zaterdag 14 mei 1689 met Joanna Cornelis, 24 jaar oud. Zij is gedoopt in 1665 in Hekelgem en aldaar overleden op zondag 27 september 1722, 57 jaar oud. Zij woonden nabij de Voorpoort van de abdij. Kinderen uit dit huwelijk te Hekelgem gedoopt:

1-. Anna Francisca, gedoopt op 21 januari 1690 en begraven te Hekelgem op 23 mei 1762.

2-. Petrus Josephus, gedoopt op 20 april 1693. Brouwer. zie verder II.

3- Franciscus, gedoopt op 21 augustus 1696. Brouwer, zie verder volgt III.

4- Joannes Baptist, gedoopt op 19 november 1698, overleden te Hekelgem, zie IV.

5- Joanna Catharina, gedoopt op 6 december 1700, overleden op 14 maart 1736.

6- Michaël, gedoopt op 21 mei 1703, overleden te Brussel op 20 januari 1748.

In 1687 was Peter paardenknecht in de abdij. In 1687 kwam hij in moeilijkheden na een klacht van de pastoor Adolf Droesbeeck van Erembodegem bij de aartsbisschop A. de Berghes tegen de knechten van de abdij. Volgens hem hadden zij zich onbetamelijk gedragen na de processie van O.-L.-Vrouw Hemelvaart in de herberg De Drie Koningen. Als gevolg van de aanklacht ondervroeg proost Vedastus Van Nuffel, bijgestaan door notaris Jan De Witte van Meldert, al het mannelijk dienstpersoneel van de abdij. Dat waren er 23 waarvan de meesten nog vrij jong waren. Enkele oudere knechten waren misschien niet meer actief maar mochten in de abdij van kost en inwoning genieten. De aanklacht luidde dat ze in De Drie Koningen bij de speelman waren geweest en daar hadden gedanst, gesprongen, gekust ende geleckt. Ook de waard en de waardin, nl. Guillam Cornelis, die niet kon schrijven, en Elisabeth Robijns, werden gedagvaard. Proost Vedastus dagvaardde 23 knechten en onder hen de paardenknecht Peter Clauwaert, een wagenmaker, een kuiper, een schoenmaker, een smid, een hovenier, een mulder, een kok en een schommelcock (een occassionele kok), een kleermaker, een portier en een organist. Peter Clauwaert verklaarde dat hij op 15 augustus mis had gehoord, gebiecht en gecommuniceerd, nadien aanwezig was in de vespers en bij de preek. Hij had deelgenomen aan de processie en was daarna  met enige eerelycke jonkmans naar De Drij Coninghen gegaan bij zijn oom en moye (tante) Elisabeth. Zij was de zus van zijn moeder waar hij na de dood van zijn moeder was opgegroeid. Hij was er ongeveer anderhalf uur gebleven, doch niet bij de speelman, die hij wel had gehoord in een andere kamer. Daar waren nog 18 a 19 jonkmans en enige dochters, onder wie de zusters van de pastoor van Erembodegem, vergezeld van de pastorieknecht. Peter Clauwaert was bereid zijn verklaring met een eed te bekrachtigen. Elisabeth Robijns maakte in het proces verbaal allusies op het feit dat zij familie was Vedastus Van Nuffel, afkomstig van Hekelgem en proost van de abdij.

Petrus huwde een 2de maal te Meldert op 25 mei 1667 met Elisabeth De Visch gedoopt te Meldert in 1645 en overleden na 1679. Kinderen uit dit 2de huwelijk te Hekelgem gedoopt:

5. Joannes, gedoopt op  12 april 1669, trouwde te Meldert met Gertrudis Verdoodt. Werd de tak te Meldert.

6. Catharina, gedoopt op 3 oktober 1670.

7. Franciscus, gedoopt op 19 februari 1673.

8. Guillelmus, gedoopt op 24 februari 1675.

9. Elisabeth, gedoopt op 2 maart 1677, overleden te Meldert op 25 december 1737.

In 1688, bij de dood van Elisabeth, wordt Peeter eigenaar van de Drij Koningen, als erfgenaam of ingekocht uit de erfenis. Peeter was naast herbergier ook kerkmeester (evenals zijn broer Michiel), bedezetter en landbouwer. Hij huurde van de abdij 35 dagwand en 65 roeden landbouwgrond (ongeveer 12 Ha). In 1712 werd hij vermeld als schepen van Hekelgem. Peeter trouwde met Joanna Cornelis, familielid van zijn oom Guilliam Cornelis. Bij de doop van zijn kinderen komen 2 paters van de abdij als dooppeter voor: Franciscus Conely en Dom Martinus Cornelis.

Na Peter Clauwaert komt de “Drij Koningen” in handen van zijn zoon Peeter die handtekent als Peeter Clauwaert fs. Ps. waarbij Ps staat voor Peeterszoon. Hij was naast landbouwer-herbergier ook schepen van het land van Assche.

Vanaf 1688 werd Peter in de kerkrekeningen vermeld als pachter van kerkgoederen en nog in dat jaar leverde hij aan koster Andries Segers een koe die hij zelf bereidde voor het dodenmaal van de broer van Andries. In 1696 was hij kerkmeester samen met zijn broer Michiel. Na de dood van Elisabeth Robijns verwierf hij de afspanning De Drij koningen. In de kerkrekeningen vinden we de volgende vermeldingen:

– In 1693 en 1696: betaald aan Peter 3 g voor het vertier in zijn huis voor het winnen van eenen silveren keeghel.

– 1697 en 1700: betaald aan Peter 9 g 3 st voor het vertier van de kerkmeesters na het omhalen van de kerkhop en het winnen van  eenen silveren voghel ende eenen keeghel.

In 1702 was Peter brouwer met twee knechten, een meid, twee paarden, drie koeien en een vaars: 15-16-0. Hij en Joanna waren welstellende mensen. Hij was ook een grote boer die niet minder dan 35 d 65 r gronden huurde. Derhalve was hij een belangrijke figuur in de gemeente. Van 1711 tot 1723 ondertekende hij als schepen van de schepenbank van Asse meerdere documenten en ook de rekeningen van de parochie. Zij konden ook nog land bijkopen.

II. Peter Josephus.

Peter Josephus was te Hekelgem gedoopt op 20 april 1693 en overleed aldaar op 12 april 1785. Hij huwde een 1ste maal te Hekelgem in 1724 met Maria Cooremans, gedoopt te Hekelgem in  1695 en aldaar overleden op 20 juni 1727. Hij hertrouwde te Liedekerke op 18 april 1728 met Joanna Maria Bastien, gedoopt te Liedekerke in 1702, overleden te Hekelgem op 2 januari 1785. Hij woonde op Boekhout.

Kinderen uit het eerste huwelijk te Hekelgem gedoopt:

1. Joanna Catharina, gedoopt op 18 april 1725, overleden te Hekelgem in 1808.

2. Joannes Franciscus, gedoopt op 18 april 1725, overleden te Hekelgem in 1782.

Kinderen uit het tweede huwelijk met Joanna Maria Bastien te Hekelgem gedoopt:

3. Michaël, gedoopt op 21 december 1728, overleden te Hekelgem vóór 1734.

4. Anna Maria, gedoopt op 11 januari 1730, overleden te Hekelgem in 1802.

5. Petrus, gedoopt op 13 maart 1732, overleden te Hekelgem in 1754.

6. Michaël, gedoopt op 2 februari 1734

7. Benedictus, gedoopt op 15 juli 1735, te Hekelgem overleden in 1800.

8. Joannes Baptist, gedoopt op 4 oktober 1736, zie verder “Dramatisch ongeval”.

9. Petrus Franciscus, gedoopt op 13 april 1738.

10. Ferdinand, gedoopt op 11 februari 1740.

11. Jacobus, gedoopt op 20 december 1741

12. Judocus, gedoopt op 20 maart 1744, overleden te Hekelgem in 1817.

In 1755 was Peter Josephus herbergier, brouwer en pachter met zijn vrouw met 7 kinderen, een van 28, een van 23, een van 20, een van 17,een van 15, een van 11 en een van 10 jaar. In 1721 is hij 61 of 62 jaar en schepen van het Land van Asse. Petrus Josephus erfde van zijn ouders een hofstede met huis en land, groot 2 d 15 r op Boekhout, palend aan de steenweg en de hofstede van Geeraert Van Den Biesen. De hofstede was belast met 5 g 12 st 1 bl grondcijns aan de abdij.

Peter was collecteur van Hekelgem van 1756 tot 1769 en bedesetter 1722 tot 1732. In 1758 betaalde hij als welstellende boer voor de 20ste penning 25 g 9 st 1 o voor 7 b 58 r land, een woning en een nerick of commerschap (brouwerij en taverne).

De handtekeningen van Jan Baptist ’t Sas, M. Van der Schueren, Michiel Bellemans en Peeter Clauwaert onder de rekening van 1733.

Peter was in staat om zijn bedrijf uit te breiden. Op 1 maart 1728 kocht hij voor 167 g een onbehuisde hofstede op Boekhout, palend aan de steenweg. Op 9 oktober 1747 kocht hij een hofstede van 2 d aan de steenweg te Hekelgem voor 2040 g en 20 g voor hopstaken. Hij had een herberg waar de bedesetters regelmatig vergaderden, net zoals die dat ook deden in het Bourgoins Cruijs bij de familie Roseleth en later in De Kaaszak bij Zacharias De Wever. Voor het vertier ontving hij een vergoeding.

Als een van de grote boeren van Hekelgem behoorde hij tot de selecte groep die voor de overheid bepaalde opdrachten moest uitvoeren. Op 17 mei 1744 waren Franse troepen Vlaanderen binnengedrongen en verdreven de Hollanders uit de Barrièresteden. Op 23 november zochten Hollandse ruiters logement in Hekelgem. Peter moest 6 ruiters met een kwartiermeester-generaal onderdak bieden. Ze hadden ook 16 paarden bij. Nadien volgden nog verplichte leveringen.

Op 20 oktober 1763 trok de toen 72-jarige Peter, pachter en brouwer, naar Brussel om te getuigen in een proces dat door Peter Bosteels was aangespannen tegen Jan Baeck  die een carte figuratief van Hekelgem had getekend. Peter was, samen met de pastoor, de armenmeesters en de rendant, gedagvaard door officier Jan Cauckens ten huize van de schepen en rechtsgeleerde Theijs. Het ging om een aantal geschillen zoals de verkeerde vermelding van de eigenaar of de betwisting of er voor een bepaald perceel al of niet een losgat was.

Peter Clauwaert werd voogd van de kinderen van zijn broer Frans en zijn vrouw Anna na hun overlijden. Hij stelde de balans op van de ontvangsten en de uitgaven in 1747. Hij verhuurde De Drij Coninghen, huizen en een meers van 1744 tot 1747 voor 400-0-0.

III. Frans.

Franciscus werd te Hekelgem gedoopt op 21 augustus 1696 en te Hekelgem overleden op 17 augustus 1732. Hij trouwde met Anna Van der Slagmeulen, te Hekelgem overleden op 14 juli1743. Na zijn dood hertrouwde Anna met Joannes Ceurtvriendt. Zij hadden 3 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1. Joannes Baptist, gedoopt op 24 juni 1726.

2. Petrus, gedoopt op 12 augustus 1728.

3. Michael, gedoopt op 8 juli 1731.

Frans erfde van zijn ouders De Drij Coninghen met schuur, stallen, ast, brouwerij, stokerij met de ketels, kuip, leback, slang, balance onderhandt, stuijckmannen, drije riecken, eenen hacker, eenen bierboom, ende oock alle de schelfboomen behalvens in de nast, coets op de kelderkamer ende schappraye, coets op de slaepkamer, de schappraye in de keuken ende oock de stellingen die daer sijn huijsinghe hopstaecken daerop de prochie metinghe 73 r. Het huis was belast met een cijns aan de abdij, met een jaargetijde in de kerk van Hekelgem met uitdelen van een gulden brood.

IV. Joannes Baptist.

Joannes Baptist, zoon van Petrus en Joanna Cornelis (zie nr. I), gedoopt op 19 november 1698, trouwde met Catharina Pensionaris, gedoopt te Hekelgem op 22 maart 1719, dochter van Frans en Judoca Vonck. Zij hadden twee kinderen te Hekelgem gedoopt:

1. Franciscus, gedoopt op 28 januari 1751.

2. Joanna Catharina, gedoopt op 20 juni 1756.

Van Joannes weten we dat hij in ‘De Drij Koningen’ woonde, maar niet of hij nog brouwer was. In 1860  was er volgens de kadastrale legger van Popp geen brouwerij meer. Joannes wordt er vermeld als landboouwer.

.

Mouterij-brouwerij De Valck.

I. Jan VanNuffel.

De oudste vermelding van De Valk vinden we in een akte van 27 juli 1679. Jan Van Nuffel, de rentmeester van de abdij, kocht toen voor 1 500 g een gemetst huijs ende hoffstede mette mauterije, schuren, stallen, ast en andere edificiën daerop staende, soo ende gelijck ’t selve gestaen ende gelegen is onder de prochie van Hekelgem bij het clooster van Affligem mitsgaders den meersch daeraen gelegen ende tot dijen den hoplochtinck achter insgelijck gelegen, tsamen groot een bunder twee dachwanden LXIX roeden (2 ha 10 a 32 ca), palende voor tegen tsheeren straete …alleenlijck belast metten heerlijcken grontchijns daerop uijtgaende aen den Godtshuijse van Affligem ende eenen pot wijn aen de kercke van Hekelgem.

De verkopers waren de kanunniken van de O.-L.-Vrouwkathedraal te Antwerpen: Carolus Joannes De Sourneau, aartsdiaken; Pauwels Van Halmale, aartspriester en officiaal; Carolus Comperus en Anthonius Hoeffslach. Zij waren de provisors van een fundatie voor 12 arme priesters en het geld van de verkoop, 1500 g, was bestemd voor het onderhoud van die priesters. Volgens de Affligemse schepenen Adriaan Van Nuffel en Jan De Witte was de hofstede door haar goede ligging en deuchtsaemheijt 7 000 g waard. Jan Van Nuffel betaalde voor de hofstede die bekend werd onder de naam “De Valck”. Jan Van Nuffel was een zoon van Adriaan en Jacoba Robijns. Adriaan was afkomstig van Wieze en werd bos- en rentmeester en ook schepen van de abdij. Hij trouwde met Jacoba op 31 oktober 1625 in de Sint-Kathelijnekerk te Brussel. Zij hadden vier kinderen te Hekelgem gedoopt:

1. Franciscus, gedoopt op 12 augustus 1630. Hij trad in 1652 te Affligem in 1652 en kreeg als kloosternaam Vedastus.

2. Joannes, gedoopt op 18 maart 1633. Joannes werd zoals zijn vader bosmeester. Hij was ook griffier, stadhouder en ontvanger van het leenhof en ontvanger van het kwartier Mechelen. Hij trouwde met Ursula Van Aken en woonde eerst op het dorp te Meldert. Na zijn dood ontdekte men een tekort op zijn rekeningen en de abdij sloeg zijn goederen aan. Was dat een gevolg van de aankoop van De Valck?

3. Martinus, gedoopt op 21 januari 1635. Hij legde op 5 mei 1658 de geloften af in de cisterciënzerabdij Sint-Bernard-aan-de- Schelde.

4. Judocus trouwde te Hekelgem op 18 november 1675 met Catharina Robijns, geboren te Meldert op 21 juni 1646. Het gezin woonde te Meldert. Judocus overleed op 8 februari 1763 en werd in de kerk van Meldert begraven.

II. Jacobus De Witte.

Jacobus was griffier van de abdij. Hij verwierf De Valck op 17 februari 1708. Eigenlijk kocht zijn schoonvader, Michiel Clauwaert de volledige hofstede, groot 6 d 69 r, voor zijn schoonzoon Jacobus en zijn dochter Joanna Maria op 3 januari 1707. De grondcijns bedroeg toen 5 g 5 st ½ mijt, 26 ½ hennen en een kapoen voor de abdij en een pot wijn voor de Kerk van Hekelgem. Na het overlijden van Jacobus werd op 3 november 1751 de inventaris van het sterfhuis opgemaakt. De Valck werd dan als volgt beschreven: sekere hofstede mette steenen huijse, mouterije met de weijde, hof, bogaert ende block, groot int geheel 6 dagwanden 69 roeden, vercreghen bij decrete tegens de proviseurs der fondatie van Capello volgens brieve gepasseert voor schepenen van Afflighem in dathe 17de september 1708.

Jacobus trouwde te Hekelgem op 19 januari 1707 met Joanna Maria Clauwaert, dochter van Michiel en Anna Buggenhout. Voor dat huwelijk kreeg het paar dispensatie wegens bloedverwantschap in de vierde graad. Jacobus overleed in De Valck op 8 mei 1750 en zijn vrouw op 31 december 1751. Ze kregen 9 kinderen, te Hekelgem gedoopt:

1. Adriana, gedoopt op 22 oktober 1707, religieuze in Ten Rozen.

2. Joannes Baptist, gedoopt op 11 oktober 1708. Zijn dooppeter was zijn oom E.H. Jan De Witte. Hij overleed te Hekelgem op 20 november 1785. Hij trouwde met Theresia Meert  te Hekelgem op 20 mei 1747. Hij volgde zijn vader op als griffier van Affligem. Hun zoon Benedictus Emmanuel werd de laatste griffier van de abdij. Het is in zijn huis, ’t Griffiershof, dat de laatste proost Beda Regaus onderdak vond na de verdrijving van de monniken door de Franse overheid.

3. Jacobus, gedoopt op 26 augustus 1710.

4. Anna Maria, gedoopt op 4 juni 1712, trouwde met Martinus Van Vaerenbergh.

5. Benedictus, gedoopt op 21 maart 1714, zijn dooppeter was dom Odo De Craecker, proost van de abdij en zijn doopmeter domna Gertrudis Vinck, abdis. Hij werd priester gewijd ca 1739. Onderpastoor te Asse tot 30 juli 1787.

6. Joanna Petronella, gedoopt op 8 maart 1716, trouwde te Hekelgem op 23 oktober 1751 met Petrus Emmanuel Schoon. Voor de trouw verkreeg het paar dispensatie voor de drie roepen. Pastoor De Cuyper deed de huwelijksviering in de kapel van het Magdalenaklooster te Brussel. Joanna overleed te Hekelgem op 19 november 1787, Petrus op 22 augustus 1778. Hun zoon Benedictus trouwde met Van Lierde Anna Francisca.

7. Bernardus Hiëronymus, gedoopt op 26 januari 1718 door dom Hiëronymus De Wolf, syndicus van de abdij.

8. Maria Theresia, gedoopt op 2 mei 1719.

9. Anna Catharina, gedoopt op 19 augustus 1723.

Jacobus was een welvarend man. Hij kon zijn bezittingen aan onroerende goederen, landbouwgrond, bos, hopveld en 2 hofsteden uitbreiden tot ca 11 ha. Hij stond voor een bedrag van 4 092 gulden leningen toe aan 14 verschillende personen. De lange lijst van de verkoop van zijn roerende goederen op 19 januari 1752 toont ook zijn welstand. Opvallend daarin een staande horloge, 12 Spaanse lederen stoelen en twee schilderijen. Zijn volledige eigendom was een slordige 32 000 gulden waard, of 800 maal het gemiddelde jaarloon van een knecht van de abdij.

Als een van de weinige paardenboeren te Hekelgem, hij had twee paarden, voerde hij bepaalde taken in opdracht van de gemeente uit. Zo leverde hij hooi aan de geallieerden te Vilvoorde in 1745 en ontving daarvoor 17 g 10 st en nog eens 16 g 13 st voor wagen- vrachten, levering van brood en pottagie en voor het logement van huzaren.

De grafsteen van Jacobus ligt naast de kerk van Hekelgem, achter het monument. Hetzelfde familiewapen komt voor op een schilderij in het Brussels Museum voor Oude Kunst. Het is een XVde eeuws Brugs retabel met als schenker Jan De Witte.

Popp-kaart met aanduiding van De Valck rechts van nr. 330 gelegen voor het kruispunt Nieuwstraat en Langestraat.

III. Petrus Emmanuel Schoon.

Petrus Emmanuel Schoon, gedoopt te Hekelgem op 25 december 1712 trouwde op 23 oktober 1751 met Joanna Petronella De Witte in het Magdalenaklooster te Brussel. Petrus was de zoon van Cornelius en Judoca Pauwels. Joanna Petronella werd te Hekelgem gedoopt op 8 maart 1716 als dochter van Jacobus en Joanna Maria Clauwaert. Petrus overleed te Hekelgem op 22 augustus 1778 en Joanna op 19 november 1787. Zij hadden een zoon, Benedictus.

Na de verdeling van de nalatenschap van Jacobus De Witte volgde op 17 februari 1752 een ruil van de kavel van Joanna, de vrouw van Petrus Schoon met de kavel van Anna Maria, de vrouw van Martinus Van Vaerenbergh. Daarmee kwam De Valck in het bezit van Petrus en Joanna. De hofstede De Valck omvatte toen een stenen huis, schuur, stallen, waterput en edificiën, groot 33 a 32,4 ca, belast met een grondcijns aan de abdij, waarde 5 660 g 19 ¾ st, bomen en houtwas geschat op 62 g. Er is geen sprake meer van een mouterij.

IV. Benedictus Emmanuel Schoon.

Benedictus werd gedoopt te Hekelgem op 26 augustus 1752. Hij trouwde op 11 juli 1780 met Anna Francisca Van Lierde, gedoopt te Hekelgem op 7 mei 1756, dochter van Josephus en Joanna Catharina De Kegel. Benedicus overleed te Hekelgem op 19 maart 1808 en Anna op 13 september 1797. Zij hadden 12 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1. Joanna Maria, gedoopt op 3 mei 1781.

2. Benedictus, gedoopt 6 september 1782.

3. Joannes franciscus, gedoopt op 13 januari 1784.

4. Joanna Benedicta, gedoopt op 20 oktober 1785.

5. Joannes Baptist, gedoopt op 28 februari 1787.

6. Petrus Joannes, gedoopt op 7 juni 1788.

7. Joannes Hubertus, gedoopt op 3 november 1789.

8. Catharina Jacoba, gedoopt op 8 juli 1791.

9. Maria Francisca, gedoopt op 16 december 1792.

10. Maria Theresia, gedoopt op 19 april 1794.

11. Petrus Emmanuel, gedoopt op 7 februari 1796.

12. Petronella, gedoopt op 27 augustus 1797.

Op 11 november 1796 werden de monniken uit hun abdij verdreven. Aan de Voorpoort staat een menigte hen op te wachten. De proost richt zich tot zijn confraters en zegt hen: Verheug u en juich, want groot is uw beloning in de hemel. Die woorden ontroeren de omstanders. Velen slaan zich op de borst of steken hun armen omhoog. Buurvrouwen kunnen het niet langer aanzien en lopen wenend hun huizen binnen. Sommige monniken kunnen hun emoties nu moeilijk bedwingen, al hebben ze tot dan de gebeurtenissen onbewogen ondergaan. Langsheen de abdijmuur gaan ze dan richting Aalst tot aan de woning van hun kok, Egidius Beeckmans. Daar verspreiden ze zich. Enkele monniken blijven er ontbijten, anderen gaan daarvoor naar de pastoor van Hekelgem Petrus De Laddersous, naar Benedictus De Witte in het Griffiershof of naar schepen Benedictus Schoon in de brouwerij De Valk.

Achtergevel van De Valck. Foto Edmond Schoon.

Het huis van De Valck bleef bestaan tot omstreeks 1950 toen het werd verbouwd. In de zijgevel van het huis geven ankers het jaartal 1650 aan. De achtergevel, de zijgevels en de 2 kelders zijn bewaard gebleven. In een kelder is een waterput. Deze brouwerij ligt aan de Kamgracht die ook de brouwerij van de abdij van water voorzag. In het huis stonder er drie oude vlaamse schouwen in zandsteen die zo belangrijk bleken dat Dr. Jozef Weyns, stichter en archivaris van het openluchtmuseum Bokrijk er interesse voor had en er twee van aankocht. De derde kwam naar Nieuwerkerken bij Jozef Buekens. Ook de eiken trap waarover Jozef Weyns schrijft: Dikke, eiken prachtig gedraaide trapbalusters, waardig om te prijken in Rubens’ eigen huis. Hij verwierf 4 van die balusters en nog wat koper en tin.

J. Weyns, Het verhaal van ons huis (Davidsfonds) 76-79.

Brouwerij Den Calecoenschen Haen (ook Kalecoenschen Haen geschreven)

I. Petrus Vonck.

Hij bracht de naam Vonck naar Hekelgem. Hij was de zoon van Petrus, gedoopt te Aalst op 27 maart 1624 en overleden te Hekelgem op 4 maart 1673. Hij huwde te Hekelgem op 13 augustus 1644 (ondertrouw op 11 juli 1644) met Catharina Van der Hoeven, gedoopt te Hekelgem op 19 juli 1627 en aldaar overleden op 4 maart 1682.

11 juli (1644 te Hekelgem) hebben zich in mijn tegenwoordigheid verloofd Petrus Vonck en Catharina Van Der Hoeven, getuigen Joannes Vonck en Gaspard Van Der Hoeven. Op 13 augustus zijn ze gehuwd met dezelfde getuigen.

Kinderen uit dit huwelijk: Anna, Franciscus,  Joannes, Petronella, Antonia, Petrus, Susanna en Maria. Petrus was kerkmeester in 1658. Of hij de eerste brouwer van Den Kalcoenschen Haen was weten we niet, maar zijn zoon werd wel als de brouwer vermeld.

II. Petrus.

Petrus isde tweede van de generatie Vonck te Hekelgem Hij was het zesde kind van Petrus en Catharina Van der Hoeven,gedoopt te Hekelgem op 26 september 1656 en overleden op 12 september 1708. Hij trouwde met Maria Van den Wijngaert op 6 februari 1683. Maria overleed op 6 juli 1711. Petrus Vonck was de brouwer van Den Calecoenschen Haen. In het kohier van 1702 werd hij vermeld als brouwer met een dochter, een knecht, twee paarden, twee koeien, een vaars en een varken. Zijn vrouw staat niet in het kohier.

De verdeling van de erfenis van zijn ouders volgde op 12 september 1714. Officier Jan Van Huijnegem verving de drossaard van het Land van Asse, Hubert Mo(o)rtgat, om de akte op te stellen. Peter Clauwaert en Joannes Van den Bossche, de schepenen van het Land van Asse tekenden de akte. Petrus en Maria hadden nog 7 kinderen in leven: Elisabeth, Franciscus, Joannes, Petrus, Anna, Maria, Judoca, Petronella, Maria Anna en Philippus Ludovicus. Vooraf was, na voorgaande adviezen, bepaald dat wie de kavel A had, gehouden was om Elisabeth Vonk, de zus van hun vader en hun moijken, heel haar leven te onderhouden van eten drincken ende cleeren, soo bij sieckte als in gesontheijt. Hun vader had dat ook gedaan en had daarvoor het genot van haar erfenis. De helft van die erfenis kwam bij kavel A zolang Elisabeth leefde en na haar dood moest de bezitter van kavel A aan de andere kinderen eenmalig 50 gulden geven.

Petrus, het vierde kind, gedoopt op 12 januari 1694 en er overleden in 1756 trouwde met Anna Vermoesen, gedoopt op 27 augustus 1686 en er overleden op 6 februari 1772. Zij was een dochter van Judocus en Joanna Jacops. Petrus erfde een meers, een akker, een hopveld, de ast op de hofstede en het brandewijn gereck. Bezat vader Petrus behalve een brouwerij ook een stokerij?

Poppkaart: de Langestraat met links Den Kalecoenschen Haen op de hoek van de Langestraat en de Steenpoelweg, nrs. 725 en 726. Zie de pijl rechts. Rechts Het Hoeksken, pijl links, nr.127b.

III. Franciscus.

De tak Franciscus, zoon van Petrus en Maria Van den Wijngaert, gaat over Franciscus, zijn zoon Joannes (IV), zijn zonen Petrus (V) en Jan Baptist (VI) en de zoon van Petrus, nl. Bernardus (VI).

Franciscus,werd gedoopt te Hekelgem op 12 januari 1688 en overleed er op 8 februari 1722. Hij trouwde een 1ste maal voor 1713 met Catharina Van Wies, overleden te Hekelgem voor 1716 en huwde een 2de maal met Catharina Van der Bisen, overleden te Hekelgem op 26 september 1752.

Uit zijn 1ste huwelijk had Franciscus een zoon, Joannes, volgt IV.

Met zijn tweede vrouw had Franciscus nog 3 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Franciscus, gedoopt op 16 februari 1716, trouwde met Elisabeth Dauw.

2- Anna Maria, gedoopt op 3 februari 1719, trouwde met Petrus Plas.

3- Petronella, gedoopt op 29 april 1729.

Franchois erfde kavel A, namelijk:

– sekere hoffstede soo ende gelijck de selve gestaen ende gelegen is binnen de prochie van Hekelgem met den hoppelochtinck daer aen gelegen, groot 1 d 53 r, genoemd Den Kalecoenschen Haen. De hofstede paalde aan juffrouw Longien, Jan Vonck en de straat van Affligem naar Aalst (de Langestraat) en was belast met een oord cijns aan de abdij.

– Het huis met twee kamers en de poort, twee kelders, de borreput en het varkenskot.

– De goedbierketel, de brouwerij, de bak en de kuip, de onderbakken, leeckbakken, het rooster en de tonnen.

– De helft van de hopstaken, de lindeboom en alle fruitbomen.

– 43 r land op de Boekhoutberg, palend aan de steenweg en Jan Vonck. Het perceel was belast met een grondcijns van 6 st 1 o aan de markiezin van Asse.

Van die kavel moest Franchois 91 g 17 ½ st aan zijn broer Jan geven, en aan de anderen272 g 19 st 1 blank zodat zijn erfenis 1682 g 2 st bedroeg, hetzelfde bedrag van de andere kinderen.

IV. Joannes.

Joannes, de zoon van Franciscus, werd gedoopt op 1 oktober 1713 en overleed te Hekelgem op 18 december 1780. Hij trouwde met Catharina Timmermans, overleden te Hekelgem op 21 december 1761 in het kinderbed. Kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Martinus, gedoopt op 17 maart 1750 en nog hetzelfde jaar overleden

2- Jacoba, gedoopt op 5 juli 1751 en te Hekelgem overleden in 1828. Zij trouwde met Joannes Bernard Tavenier, gedoopt te Hekelgem op 28 februari 1744 en er overleden op 23 juni 1796. Zij woonden in de Langestraat en hadden 7 kinderen te Hekelgem gedoopt.

3- Petrus, gedoopt op 19 november 1753, volgt V.

4- Maria Anna, gedoopt op1 november 1755 en nog hetzelfde jaar overleden.

5- Joanna Maria Christina, gedoopt op 30 oktober 1756, overleden in 1832, huwelijk met Joannes Mattens te Hekelgem op 6 november 1781. Zij woonden in het Mazits en hadden 7 kinderen te Hekelgem gedoopt:

6- Francisca, gedoopt op 18 maart 1759 en nog het zelfde jaar overleden.

7- Egidius, gedoopt op 6 april 1760 en nog hetzelfde jaar overleden.

8- Jacobus, gedoopt op 15 december 1761 en hetzelfde jaar overleden.

Na de dood van Catharina Timmermans hertrouwde Joannes op 4 mei 1762 met Catharina Van Gheite. Zij werd te Hekelgem gedoopt op 24 oktober 1726 en overleed er op 25 maart 1783. Hun dochter Joanna Catharina, geboren op 12 juni 1765 werd niet in Hekelgem gedoopt. Drie kinderen werden te Hekelgem gedoopt:

1- Maria Theresia, gedoopt op 14 juni 1763 en overleden op 25 februari 1836. Zij trouwde met Petrus De Schrijver, gedoopt te Hekelgem op 22 november 1749 en overleden op 14 april 1806. Zij hadden vier kinderen te Hekelgem gedoopt:

2- Isabella, gedoopt op 2 mei 1767, overleden in 1824.

3- Joannes Baptist, gedoopt op 5 juli 1769, volgt VIb.

Op 28 februari 1764 gingen Joannes en Catharina een lening aan van 300 g bij Gillis Plas en Elisabeth Goossens. De rente bedroeg 10 g 10 st. Als pand gaven ze de helft van 2,5 d land palend aan de Boekhoustraat en de Morette en 1 d land op Erembodegem gelegen. Griffier Benedictus E. De Witte stelde de akte op.

Joannes was bedesetter van 1744 tot 1747 en nog eens in 1755. Om zijn devoiren gedaan als bedesetter betaalde de rendant van de parochie hem op 7 mei 1749 de som van 12 g. In de periode 1744 tot 1748, de tijd van de Franse bezetting tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog, was hij verplicht meerdere taken uit te voeren:

– Op 23 oktober 1744 moest hij 4 ruiters logies geven.

– In 1749 ontving hij van de rendant van de kerkrekeningen 15 g en nog eens 26 g voor de wagenvrachten door hem geleverd in 1745.

– Voor logementen van soldaten ontving hij achtereenvolgens 3 g 18 st, 3 g 12 st en 2 g 8 st – Volgens de generale ordonnantie de dathe 13de november 1748 ontving Joannes 134 g 8 st en daarna nog eens 145 g in 1749.

– Voor een opdracht op 7 mei 1749 ontving hij 40 g.

– Voor leveringen op 17 december 1748 de som van 12 g en nog eens 48 g 12 st.[3]

V. Petrus.

Petrus, de zoon van Joannes en Catharina Timmermans, werd gedoopt te Hekelgem op 19 november 1753 en overleed er op 5 februari 1805. Hij huwde een 1ste maal te Hekelgem op 21 augustus 1782 met Anna Catharina Haegeman, gedoopt omstreeks 1763, overleden te Hekelgem op 18 augustus 1785. Zij hadden twee kinderen:

1- Petrus, gedoopt op 29 november 1783.

2- Judocus, gedoopt op 13 augustus 1785 en overleden op 28 augustus 1788.

Petrus hertrouwde te Hekelgem met Petronella De Nil, gedoopt te Hekelgem op 16 januari 1755 en er overleden op 18 januari 1836. Petrus was in opvolging van zijn vader pachter en ook brouwer van Den Calecoenschen Haen, gelegen in de Langestraat rechtover de brouwerij van Johannes Boterbergh.

Kinderen uit het huwelijk van Petrus en Petronilla te Hekelgem gedoopt:

1- Jacobus, gedoopt op 14 september 1786, aldaar overleden in 1786.

2- Joannes Bernard, gedoopt op 15 november 1787, aldaar overleden in 1787.

3- Henricus, gedoopt op 11 augustus 1789, aldaar overleden op 19 april 1847. Hij huwde te Hekelgem op 3 februari 1819 met Isabella De Nil geboren te Hekelgem op 13 november 1802. Zij hadden een huis aan de Dorpstraat. Twee kinderen te Hekelgem gedoopt: Petronella en Constantia.

4- Anna Maria, gedoopt op 19 april 1791, aldaar overleden in 1792.

5- Petrus Joannes, gedoopt op 30 november 1793, aldaar overleden in 1797.

6- Joanna, gedoopt op 24 juni 1795, overleden te Iddergem op 12 november 1851. Zij trouwde te Iddergem op 15 juli 1824 met Bernardus De Luyck, gedoopt te Iddergem op 10 juli 1788, aldaar overleden op 19 april 1847 op 15 januari 1849.

7– Anna Catharina, geboren op 15 november 1799, aldaar overleden op 9 maart 1862. Zij trouwde te Hekelgem op 28 mei 1823 met Judocus De Wever, geboren te Hekelgem op 16 januari 1800, aldaar overleden op 11 februari 1853, zoon van Gillis (Egidius) en Joanna Maria Droeshoudt. Anna Catharina en Judocus hadden 6 kinderen te Hekelgem gedoopt: Nathalie, Jan Baptist, Maria Josephina, Constantinus, Ursula en Henrica.

Op de patentlijst van 1799 van de Franse overheid werd Petrus vermeld als ‘brasseur’.

Petronilla hertrouwde op 20 augustus 1806 met Jan Baptist Roseleth die de nieuwe brouwer van de Calecoenschen Haen werd.

VI. Jan Baptist Roseleth.

Jan Baptist gedoopt te Hekelgem op 23 juli 1773 was de zoon van Franciscus en Maria Anna Droeshout uitbater van het Bourgoins Cruijs op de Boekhoutberg. Jan Baptist overleed te Hekelgem op 20 juli 1848. Hij trouwde met Anna Maria Boterbergh op 5 juni 1795. Zij was de enige dochter van brouwer Joannes en Petronilla Temmerman afkomstig van Erembodegem, gedoopt te Hekelgem op 1 april 1774. De ouders hadden zich gevestigd als brouwers in de Langestraat bijna rechtover Den Calcoenschen Haen. Jan Baptist zette de zaak van zijn schoonouders voort.

Hij hertrouwde met Petronilla De Nil op 20 augustus 1806. Zij was toen 51 jaar en had nog twee kinderen van Petrus Vonck: Anna Catharina getrouwd met Judocus De Wever en Hendrik getrouwd met Isabella De Nil. Jan Baptist verhuisde naar de overkant en werd de brouwer van Den Calcoenschen Haen, de zesde generatie brouwers. Samen met zijn zoon uit zijn eerste huwelijk, Jan Frans, zette hij de zaak voort. Hij bleef er wonen tot het overlijden van Petronilla op 18 januari 1836. De brouwerij, een erfenis van Petrus Vonck, ging naar Anna Catharina Vonck, dochter van Petronilla. Zij verkocht op 17 maart 1840 de bouwvallige hofstede met de brouwerij, groot 31,80 aren, aan haar stiefvader Jan Baptist Roseleth over voor 1 000 fr. Later werd de brouwerij Bourgoniemans genoemd omdat Jan Baptist uit het Bourgondisch Kruis kwam.

VII. Jan Frans.

Jan Frans, gedoopt te Hekelgem op 3 april 1796 en aldaar overleden op 16 februari 1865, trouwde met Maria Theresia De Smedt te Hekelgem op 23 juni 1818, geboren te Hekelgem op 16 februari 1798 en er overleden op 26 mei 1836. Zij was een dochter van Joannes Baptist en Anna Maria Crols. Zij hadden negen kinderen te Hekelgem geboren:

1- Jean Baptiste, geboren op 14 december 1818.

2- Jeanne Petronille, geboren op 28 maart 1820.

3- Maria Ludovica, geboren op 17 juli 1822.

4- Pertus Josephus, geboren op 22 mei 1824.

5- Maria Theresia, geboren op 14 december 1826 en overleden op 6 september 1829.

6- Cecilia, geboren op 21 december 1828.

7- Joannes Augustus, geboren op 6 februari 1831, huwelijk met Maria Prudentia De Schrijver te Hekelgem op 29 augustus 1864.

8- Maria Theresia, geboren op 13 april 1834 en overleden op 18 februari 1839.

9- Maria Josepha, geboren op11 augustus 1834.

Jan en zijn vrouw gingen in de brouwerij van Boterbergh wonen en hij werd er brouwer. Daar was sedert 1806 alle brouwactiviteit stilgevallen. In Den Calcoenschen Haen werd sinds 1818 niet meer gebrouwen. Jan Baptist ging bij zijn zoon wonen en overleed er op 21 juli 1848. Hij erfde er het bezit van zijn moeder en bleef in het Hoeksken brouwen tot 1855. Met de akte van 6 juli 1855 werd de erfenis van de kinderen van Het Bougoins Cruys geregeld. Het deel van Jan Baptist, de hofstede, ging naar Jan Frans en die verhuisde naar het Bourgoins Cruys met drie ongetrouwde kinderen. Hij was een man van aanzien. Hij was 29 jaar lang lid van de gemeenteraad namelijk van 1832 tot 1861 en van 1836 tot 1861 was hij eerste schepen. Zijn overlijden werd aangegeven door Petrus Joannes Verleysen.

Bron: J. Gravez, Stamboom van de familie Roseleth deel II (Lede 2003) 12-15.

Het Hoeksken.

Joannes Botergergh

Joannes werd te Erembodegem gedoopt in 1742. Hij was een zoon van Franciscus en Joanna Van Nieuwenhove. Hij trouwde met Petronella Temmerman en het paar vestigde zich in de Langestraat als brouwers. Hun brouwerij werd ‘Het Hoeksken’ genoemd. Joannes Boterbergh was bedesetter in 1793 en 1794. In 1799 komt zijn naam voor als brouwer op de patentbelasting van de Franse overheid. Anna Maria overleed op 16 mei 1797. Ze hadden een kind: Joannes Franciscus.

De brouwerij Verleysen.

I Franciscus

Franciscus trouwde met Anna Geysels. Zij overleed te Hekelgem op 26 mei 1725. Zij hadden 6 kinderen:

1 Anna, gedoopt op 9 augustus 1689

2 Judocus, gedoopt op 11 december 1690

3 Martinus, gedoopt op 5 februari 1692

4 Elisabeth, gedoopt op 8 april 1694

5 Martinus, gedoopt op 3 mei 1695

6 Joannes, zie II.

Van Franciscus weten we (nog) niet of hij een brouwer was.

II Joannes

Joannes (Jan), gedoopt te Hekelgem op 11 maart 1697 en er overleden op 9 mei 1762. Hij trouwde te Hekelgem op 3 oktober 1731 met Judoca Aureys (Arijs), dochter van Petrus en Maria Vermoesen, gedoopt te Hekelgem op 9 oktober 1696 en er overleden op 19 november 1766.

Kinderen:

1 Maria, gedoopt op 4 december 1731

2 Petrus, zie III

3Joannes, gedoopt op 16 januari 1736

4 Judocus, gedoopt op 22 oktober 1642.

Paasmaandag 7 april 1760 was een dag die brouwer Jan Verleysen, die op het einde van de Hekelgemse Langestraat woonde, zich nog lang zou herinneren. Het was Kluizenkermis en hij had een speelman gevraagd. Omstreeks 7 u. ’s avonds, was zijn herberg bomvol met jonge mannen en vrouwen die dansten, zongen, riepen en vloekten. Plots kwam Peter Van Osselaer uit Erembodegem binnen gestormd gevolgd door een soldaat. Hij schreeuwde dat  de soldaat hem wou aanvallen. Die soldaat zag al dat volk en maakte zich direct uit de voeten. Een van de zonen van Jan, Peter, had hem opgemerkt, nam zijn geweer en liep hem met enkele mannen achterna. Daar Peter een houten been had, geraakte hij niet snel vooruit en hij gaf zijn geweer aan Peter van Osselaer. Het duurde niet lang of ze merkten de soldaat op in het gezelschap van enkele mannen. Op het geroep van de achtervolgers draaide de soldaat zich om. Peter Van Osselaer twijfelde niet en schoot. De soldaat wasq zodanig gekwetst dat zijn vrienden hem moesten dragen. Van Peter Van Osselaer vernam brouwer Jan dat hij langs de kant van de weg zat ‘zijn gevoeg’ te doen toen een groepje mannen met een soldaat hem lastig vielen en hij naar zijn herberg vluchtte.

De volgende dag vernam Jan dat de soldaat was overleden niettegenstaande de zorgen van een dokter en een chirurg. De soldaat maakte deel uit van het regiment van hertog van Saxengotha en hij was met wevers van Aalst naar Hekelgem gekomen om er te recruteren. Enkele soldaten  en de provoost kwamen naar Hekelgem om de moordenaar op te pakken en naar Aalst over te brengen. In de herberg troffen ze alleen Jan aan en namen hem mee. De schepenen van Asse onderwierpen hem en de wevers aan een verhoor en stelden vast dat hij onschuldig was en lieten hem vrij. Maar zijn drie zonen, Jan,  Peter en Judocus en Peter Van Osselaer vonden ze wel schuldig. De schepenen van Asse vroegen daarop advies  aan hun medeschepenen-rechtsgeleerden. Hoewel die verplicht waren gratis advies te verlenen, wilden ze niet raegeren alvorens een honorarium was betaald. Dat weigerden de schepenen van Asse en dus gebeurde er niets. Ondertussen vernam de stadhouder van Aalst dat de gevluchte Van Osselaer in de heerlijkheid van Steen was gezien. Hij werd er gearresteerd en bekende dat hij op de vlucht was omdat hij op een soldaat had geschoten.  De officier van Hulst verwittigde die van Erembodegem die de stadhouder en de leenmannen van Aalst op de hoogte bracht. Die hadden een premie beloofd aan wie Peter  kon aanhouden.Peter werd overgeleverd en bestraft met ‘de koorde tot datter de dood naergevolght is’.

Na dit vonnis was vader Verleysen van mening dat de rechtszaak tegen zijn zonen was opgelost. Hij richtte zich tot hoofddrossaard Joannes Emmanuel Loovens met de vraag of zijn gevluchte zonen naar huis konden terugkeren. Die liet weten dat hij daarop niet kon antwoorden omdat de rechtsgeleerden De Landre en Theijs geen advies wilden geven zolang hun honorarium niet was betaald. Jan had zijn zonen nodig voor het werk in de brouwerij en op de boerderij en betaalde 45 g  15 st gerechtskosten. De schepenen van Asse kregen het gevraagde document met de opdracht de zonen Petrus, Joannes en Judocus samen met Francis Tas voor hun schepenbank te dagen en te verhoren en daarna zouden ze een vonnis vellen. Ze werden driemaal voor de schepenbank gedaagd, maar ze lieten zich niet zien. Hoewel het vonnis nog niet was uitgesproken verplichte de hoofddrossaard Jan om de gerechtskosten al te betalen, want zo motiveerde hij zijn beqsluit: ‘volgens de goddelijcke, natrelijcke ende civiele rechten’ waren de ouders verplicht de schulden van hun kinderen te vetrgoeden. In de Bijbel staat dat ouders werden gestraft voor delicten van hun kinderen. Vader en zonen zijn van hetzelfde bloed en vlees zodat de ene de kosten draagt van de andere en omgekeerd tot ‘beternisse van beiden’. Voor het publiek en het algemeen belang kan men niet verantwoorden dat schulden niet worden vergoed. Jan weigerde te betalen en de hoofddrossaard besloot tot de verkoop van zijn onroerende goederen. Potesten haalden niets uit en de verkoop ging door op 19 januari 1761.

Op 24 januari schreef Jan  naar de Raad van Brabant dat op bevel van de hoofddrossaard zijn goederen werden verkocht zonder dat er hem iets ten laste werd gelegd. Hij verzocht de Raad om de verkoop nietig te verklaren en om de drossaard te verplichten oim hem volldedig schadeloos te stellen.Hij wees op het verlies dat hij leed doordat zijn klanten wegbleven en de schande voor zijn familie  Loovens reageerde met een uitgebreid schrijven waarin hij het verloop van de gebeurtenissen schetste. Dat mocht niet baten want de Raad van Brabant gaf Jan voolldedig gelijk en de drossaard was verplicht het vonnis uit te voeren. Drie dagen lanng trokken Peter, Jan en judocus rond om al hun bezittingen terug te halen. Alles samen kreeg brouwer Jan een vergoeding van 112 gulden.

III Petrus

Petrus, gedoopt te Hekelgem op 28 oktober 1733 en aldaar overleden op 5 april 1815 trouwde te Hekelgem op 9 november 1767 met Maria Anna Van den Berghe, gedoopt te Hekelgem op 18 februari 1743 en er overleden op 25 maart 1794. Omdat hij een houten been had, werd hij ‘Pikkels’ genoemd en die naam bleef de familie Verleysen behouden tot het midden van vorige eeuw.

Petrus Joannes was hun enig kind, zie III

IV Petrus Johannes.

In 1837 wordt Petrus Johannes vermeldt als brouwer. Hij werd te Hekelgem gedoopt op 8 februari 1768. Hij trouwde er  op 7 maart 1791 met Joanna Maria Van Vaerenbergh, gedoopt te Hekelgem op 10 oktober 1768 en er overleden op 13 juni 1839, dochter van Franciscus en Joanna Verdoodt. Petrus Johannes overleed te Hekelgem op 5 maart 1834. In zijn overlijdensakte staat dat hij ‘op het Hoeksken woonde’. Zij hadden vijf kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Petrus, gedoopt op 1 januari 1792, huwelijk met Isabella Wambacq, zie II.

2- Maria anna, gedoopt op 17 maart 1793.

3- Joannes Franciscus, gedoopt op 13 maart 1794.

4- Maria Elisabeth, geboren op 23 maart 1798.

5- Joanna Catharina, geboren op 3 mei 1799.

Op de patentlijst van de Franse overheid van 1799 werd een Verleysen Pierre vermeld als ‘brasseur’. Het is niet duidelijk of het gaat om Petrus, de vader van Petrus Johannes of Petrus Johannes zelf.

V. Petrus.

Petrus trouwde te Hekelgem met Isabella Wambacq op 26 mei 1827. Zij was een dochter van Egidius en Joanna Maria Vonck. Hij overleed op 12 augustus 1865 en Isabella op 19 februari 1857. Zij hadden zes kindern te Hekelgem geboren:

1- Maria Ludovica, geboren op 2 augustus 1828 en overleden op 7 december 1861.

2- Jan Baptist, , zie III.

3- Maria, gedoopt op 1 april 1833 en overleden op 30 september 1834.

4- Benedictus, geboren op 19 juni 1835 en overleden op 9 november 1837.

5- Maria, gedoopt op 9 november 1938 en overleden op 1 juni 1839.

6- Dymphna, geboren op 20 april 1840.

Volgens de kadastrale legger van Popp  bezat Petrus ca 1860 een herberg, gelegen art. 462, nr. 127b, een brouwerij van 70 ca en een huis 127a, groot 5,70 are. In 1860 totaal 2 ha 20 a. De brouwerij staat op de plaats waar de brouwerij Boterbergh stond.

VI. Jan Baptist.

Jan Baptist, geboren op 15 november 1830, trouwde op 7 augustus 1867 met Dymphna Vermoesen, dochter van Cornelius en Joanna Maria De gendt, geboren te Hekelgem op 7 septmber 1841. Jan Baptist overleed op 29 mei 1884. Zij hadden acht kinderen te Hekelgem geboren:

1- Cornelis Alfons, zie IV.

2- Maria Clemencia, geboren op 18 februari 1870.

3- Carel Ludovic, geboren op 23 januari 1872, trouwde met Maria Clemencia De geyseleer.

4- Eugeen Romaan, geboren op 21 december 1873.

5- Maria Coleta Victoria, geboren op 1 maart 1876.

6- Catharina Valentina, geboren op 21 augustus 1878.

7- Maria Cecilia, geboren op 22 november 1881.

8- N.N., geboren op 9 juni 1884 en overleden op 9 juni 1884.

Tot 1885 leverde Dymphna, weduwe geworden het bier aan de monniken van de abdij tot die  in dat jaar een eigen brouwerij hadden.

VII. Cornelis Alfons.

Cornelis, geboren op 25 juni 1868.

Tot 1914 heeft de brouwerij de naam ‘Brasserie J. B. Verleysen Vve’ met als adres Langestraat 208 niet de huidge nummer). In 1904, 1905 en 1909 wordt (Cornelis) Alfons Verleysen als brouwer vernoemd. In 1915 volgt de verkoop van hofstede met brouwerij, Langestraat wijk A nr. 127d, 127r en deel van 129b groot 18a 80 ca. Verkoop op maandag 22 februari 1915.

De brouwerij t’Kint.

Albien t’Kint stamt uit een familie die gedurende meerdere generaties actief was in de Hekelgemse politiek. Emmanuel  was schepen van 1834 tot 1842, zijn zoon Corneille was schepen van 1890 tot 1894, diens zoon Henri was het van 1921 tot 1932. Albien volgde het voorbeeld van zijn overgrootvader, grootvader en vader en werd schepen van 1939 tot 1942. In 1944 werd hij met algemene stemmen verkozen tot burgemeester en bleef dat tot 1958.

Albien werd geboren op30 januari 1882 en overleed op 25 april 1963. Hij was de zoon van Henri, geboren te Hekelgem op 18 september 1847 en van Maria Dionysia De Cort, dochter van Josse en Maria Catharina Arijs, geboren te Hekelgem op 13 maart 1852. Hij trouwde met Cecilia Verleysen.

Albien kocht de brouwerij Verleysen en bleef brouwen tot 1940. Nadien werd zijn bedrijf een depot van de brouwerij De Gheest. De brouwerij was ook gekend als ‘bij Pikkels’.

Brouwerij François Amelinckx?

Over François Amelinckx wiens naam voorkomt op de lijst van de patentbelasting van de Franse overheid in 1799 is in de parochieregisters en die van de burgerlijke stand niets te vinden.

Brouwerij Louis (Lowiezens)

I. Frans.

Frans was landbouwer en brouwer. Hij woonde op Boekhout. Hij werd te Hekelgem geboren op 7 april 1789 als zoon van schepen Guillelmus en Maria Anna De Wever, dochter van Judocus en Maria Theresia De Smedt, de brouwers van De Kaaszak. Hij trouwde te Hekelgem op 25 september 1818 met Maria Therese Hellinckx en overleed er op 20 april 1835. Zij woonden in bij haar vader, brouwer Judocus. Zij hadden zes kinderen:

1- François, geboren op 14 augustus 1819 en overleden op 23 september 1846.

2- Petrus Bellarminus, geboren op 9 april 1822, overleden op 28 augustus 1826.

3- Henricus Fredericus

4- Cécilia,.

5- Joannes Augustus.

6- Maria Theresia.

Frans was welstellend. In 1830 bezat hij twee huizen, de brouwerij, een boomgaard, tuin, een bos en meerdere percelen land. Hij bouwde ca. 1799/1800 eveneens de huidige vierkantige schoorsteen. Deze schouwen zijn de oudste en dus de zeldzaamste, want daterend van vóór de industriële revolutie..De oorspronkelijke brouwerijvleugel was gevestigd in de “Bar/ontvangstruimte” van het huidige ‘t Brouwershof. Franciscus was eveneens een van de oprichters van de Harmonie in 1813. De huidige grote feestzaal was als grote schuur deel van de boerderij. Deze functionele indeling is ook steeds zo gebleven.

II. August De Vis[3]

De dochter van Franciscus Louis, Maria Theresia huwde met August De Vis, geboren te Meldert op 27 juli 1833 die de brouwerij van zijn schoonvader overnam. August was een verwante van Jean-Baptist (?) De Vis, van het molenaargeslacht uit Meldert, die in Hekelgem in dezelfde periode de nieuwe molen op de Boekhoutberg optrok. Het echtpaar August De Vis-Louis had vijf kinderen te Hekelgem geboren:

1- Maria Josephina, geboren op 24 oktober 1861en overleden op 8 juli 1864.

2- Petrus Franciscus, geboren op 3 januari 18863, overleden op 3 juli 1864.

3- Cécilia Josephina, geboren op 22 oktober 1865.

4- Maria Mathildis, geboren op 10 juni 1869.

5- Maria Josepha Harlinda Valentina, geboren op 24 februari 1872.

Na de dood van Maria Theresia op 19 mei 1875 hertrouwde August met haar zus Cécilia op 28 november 1877.. De zussen van de bruid, Mathilde en Harlinde deelden in de erfenis en, daarom werd de brouwerij ‘Brasserie De Vis Soeurs’ genoemd. Een broer van Augustus was getuige op het huwelijk van Cecilia, en was dan brouwer te Moorsel. Een andere getuige was de schoonbroer van Eugeen Van De Putte, Valerie Baeten (35 jaar), brouwer te Nieuwerkerken, brouwerij ‘Het Anker’ die op 8 oktober 1889 te Essene huwde met Eulalie Van De Putte,geboren op 24 augustus 1856 te Essene.

III. Brasserie Enfants Louis .

Mathilde en Harlinde bleven ongehuwd en exploiteerden de brouwerij. Harlinde was de brouwster. Cecile huwde met Dominique Van de Putte van de Bellemolen. Hij was te Essene geboren op 8 augustus 1864.Een van Dominiques zussen – Collete – huwde in dezelfde periode met Alfons Verbrugghen, wiens vader Louis gehuwd was met Stefanie De Smet, de enige dochter van Eugène De Smet, textielfabrikant, lid van het Nationaal Congres in 1830, parlementslid en bouwheer van het ‘kasteel’ op Domein Verbrugghen.

Het waren Mathilde en Harlinde die de helft van het woongedeelte van de gesloten vierkantshoeve (met eveneens een tweede grote toegangspoort links) lieten afbreken, om er in 1913 het herenhuis in ‘art nouveau-stijl ’te bouwen voor hun jonge ongehuwde neven Eugène en Louis. Beide zussen waren eveneens – ca. 1922 – de ‘bouwheer van het tegenover gelegen, gewezen café “Sportwereld” (opgetrokken in ‘pakketbootstijl’.

Volgens de kadastrale legger van Popp, art. 242, bezaten de vier kinderen 6 ha 62a 50ca.

Dominique de man van Cécile, overleed op 6 september 1900, had twee zonen, Eugène en Louis Van de Putte; deze laatste werd burgemeester van Hekelgem in 1958, en was ook voorzitter van de Harmonie. Het was voornamelijk Eugène die de brouwerij exploiteerde. Hij werd ook voorzitter van de Harmonie. Tijdens WO II werden alle koperen brouwerijketels door de Duitsers ontmanteld en meegenomen, wat maakte dat vele dorpsbrouwerijen op korte tijd verdwenen. De concurrentie van nieuwe moderne, grote en efficiëntere brouwerijen – vooral in onze regio/Aalst (oa. Zeeberg) – maakte dat vele van deze plaatselijke brouwerijen ermee stopten en/of overschakelden naar bierdepot. Dit laatste was ook het geval voor onze brouwerij. Louis breidde het “Café Sportwereld” in 1958 uit met een feestzaal/concertzaal voor de Harmonie, waarvan hij toen voorzitter was.

Na dertig jaar leegstand en verval vatte vervolgens Marc Van de Putte – zoon van Eugène – in 1976, de idee om het ganse complex gefaseerd te restaureren en om te vormen naar feestzalen; mét respect en behoud van de authentieke elementen van het pand. Een restauratieproject van vele jaren … Een project dat ook op vandaag nog wordt verdergezet door de volgende generatie; inmiddels de 7de generatie op rij, sedert 1778.

 In de toegangspoort treft U rechts de oorspronkelijke “katrol” aan, waarmee biervaten werden opgehesen vanuit de bierkelders. Deze kelders (3), lopen parallel met de Brusselbaan door, onder de huidige “Hopzaal” (voorheen een “hopzaal”, en later omgebouwd tot ruimte waar de bierflessen werden gespoeld). In de jaren 1965-1974 was in deze lagere vleugel een knusse en sfeervolle dancing”-avant-la lettre” gevestigd, onder de naam “El Patio”, beter gekend als “De Zolder”. Later werd deze vleugel als receptieruimte/feestruimte voor kleinere diners geïntegreerd in het feestzalencomplex. Het is vanuit de eerste kelder (oudste kelder van ca. 1700/1720) – ter hoogte van het grote publiciteitspaneel van ‘t Brouwershof, dat op een diepte van ong. 3,5/4m een gang/kanaal loopt, onder de Brusselbaan, onder de tegenover gelegen parking naar … ?

Popp-kaart met van onder naar boven de Brusselbaan richting Aalst. Op nr. 57 en 63 een huis, op nr. 64 de brouwerij

III. Brasserie De Vis 1895 tot 1926.

Cécile Josephina, dochter van August, trouwde met Dominique Van de Putte op 5 september 1894. Petrus Dominique was een zoon van Eugeen Gustaaf en van Anna Catharina De Doncker. Hij werd te Essene geboren op 8 augustus 1864. Met Cécilia had hij twee kinderen:

1- Eugeen August,

2- Lodewijk August, geboren op 15 januari 1898. Hij bleef ongehuwd.

IV. Brouwerij De Vis gezusters tot 1957.

Eugeen werd geboren op 14 juli 1895. Hij trouwde met  Marie Cécile De Clippele, geboren op 6 mei 1895. Eugeen overleed op 17 juli 1958 en Marie op 19 juli 1965. Zij hadden drie kinderen te Hekelgem geboren:

1- Marie Louise, geboren op 17 november.

2- Louis, geboren op 23 augustus 1932.

3- Marc, geboren op 24 juni 1934.

Na de oorlog veranderde de naam in Bouwerij De Vis gezusters tot 1957. Na de stopzetting van de brouwerij werd het bedrijf een bierhandel voor de brouwerij De Blieck, De Blieck, De Zeeberg en Baten. Vanaf 1976 volgde de restauratie van de gebouwen en omvorming tot de feestzalen ‘Brouwershof’ door zoon Marc.

De brouwerij Lowiezens (Louis De Vis-Van de Putte) was de enige industriële brouwerij in Hekelgem. De vierkante schouw is typisch voor de periode vóór 1880, van dan af komt de ronde schouw in zwang, die is niet alleen sterker maar geeft ook minder aanleiding tot schouwbrand.

In de feestzaal staat nog een originele bierton (ter hoogte van de wijnbar, met de inscriptie “Louis”)

Brouwerij Vasseur.

Martinus Vasseur, gedoopt op 3 maart 1774 en overleden op 29 januari 1850. Hij trouwde met Joanna Maria Cooreman, overleden op 9 maart 1828. Het gezin woonde in deLangestraat op de hoek met de Bosstraat met een kleine brouwerij van 50 ca. Zij hadden vijf kinderen:

1- Joanna Maria, geboren op 11 augustus 1801.

2- Franciscus, geboren op 27 december 1802.

3- Joanna Theresia geboren op 28 april 1804.

4- Gudulla Constantia geboren op 8 april 1807.

5- Anna Francisca, geboren op 25 februari 1812.

Op de patentlijst van de Franse overheid van 1799 werd hij vermeld als ‘brasseur’. In 1860 stond de brouwerij op naam van Merckx Petrus, landbouwer Moorsel. Na het overlijden van Martinus had zijn schoonzoon Petrus Joannes Merckx de brouwerij overgenomen.

Poppkaart met kruispunt Langestraat-Bosstraat-Terlinden. De brouwerij Vasseur op nr. 287bis

De lijst met de patentbelasting van de Franse overheid van 1799 vermeldt François Amelinckx als ‘brasseur’. Daar zijn naam nergens voorkomt als brouwer is het niet zeker of hij een brouwer of een herbergier was.

Brouwerij Van Den Broeck

Heeft maar van 1925 tot 1926 bestaan. Ze stond op het einde van de Langestraat.

Brouwerij Sint-Hubertus (Biemans)

Brouwer Frans Jozef Van Langenhove, geboren te Hekelgem op 16 april 1856 was een zoon van  Benedictus en  van Anne Marie T’ Kint. Hij trouwde op 3 augustus 1880 met Maria Catharina De Voghel, geboren te Hekelgem op 21 februari 1862, dochter van Philippus en Augusta Joanna Schoon. Zij hadden elf kinderen te Hekelgem geboren:

1- Maria Leontina, geboren op 9 november 1880.

2- Frans, geboren op 4 september 1882.

3- Maria Julia, geboren op 20 januari 1884.

4- Maria Joanna, geboren op 4 november 1885.

5- Renaat Jan, geboren op 2 augustus 1887.

6- Maria Amelia, geboren op 17 juni 1889, overleden op 8 april 1891.

7- Jozef Maria, geboren op 22 februari 1891.

8- Cecilia Adelina, geboren op 21 mei 1893.

9- Sidonia Josephina, geboren op 11 september 1894.

10- Frans Florent, geboren op 22 juni 1896.

11- Arthur Clemens, geboren op 18 juli 1898.

De brouwerij bleef actief tot 1930 en werd in 1940 opgeheven. Nadien werd het een bierhandel voor de brouwerij Wielemans. Hij was ook molenaar. Zijn zoon Jan, schepen van 1944 tot 1946, zette die activiteiten voort.

Besluit.

In deze bijdrage staan de namen van 48 brouwers of gezinnen van brouwers in 26 brouwerijen. Wellicht is de lijst niet volledig en kan die nog worden aangevuld. De oudste brouwerij is die van de abdij. Het is mogelijk dat ze voor de grotere boeren uit de omtrek een stimulans was om ook met een huisbrouwwerij te beginnen. Als drank hadden de mensen niet veel keuze. Koffie en thee waren nog niet gekend en het mocht voor velen ook eens afwisselen met water.

Bij het overlopen van deze korte geschiedenis van de Hekelgemse brouwerijen valt het op dat er een aantal brouwerijen zijn die generaties lang bleven bestaan: die van de abdij, De Kaaszak, De Drij Koningen, De Valck, Den Calcoenschen Haen, Het Hoeksken (de Brouwerij Verleysen) en de brouwerij Louis. Andere brouwerijen verdwenen na een of twee generaties, maar mogelijk kunnen nieuwe gegevens daar verandering in brengen.

De 20ste eeuw bracht grote veranderingen teweeg en de twee wereldoorlogen met een gebrekkige bevoorrading tot gevolg en de toenemende industrialisatie van de brouwerijen en de wetenschappelijke inbreng betekenden het einde van de plaatselijke brouwerijen.

Bronnen.

Met dank aan Edmond Schoon, Luc Van de Putte en Raymond Van Geite voor hun informatie over de brouwerijen.

J. Lindemans,’Brouwerijen in het Land van Asse’, Eigen Schoon en De Brabander, jg 55, 24-28.

E. Schoon & B. Vermoesen, ‘Rechtszaken te Hekelgem in de 17de en 18de eeuw’, Het Bouroins Cruys; Zacharias De Wever,  een man van alle makten thuis; Het Verhaal van De Valck; De familie Clauwaert te Hekelgem; De familie Vonck; Het Hof ter saele; De volkstelling te Hekelgem in 1755, https://indeschaduwvanaffligem.video.blog/

E. Schoon, Kadaster van Hekelgem van 1830-1860 (Onuitgegeven 2005).

E. Schoon, Kohier van het hoofd- en beestengeld, R.A. Vorst, Staten van Brabant, kartons, toegang: T25, nr. 395/3.

E. Schoon, De patentbelasting te Hekelgem in 1799, Rijksarchief, Centrale administratie van het Dijle departement, N° 933. De patentbelasting was een personele belasting die in Frankrijk ingevoerd werd vanaf 17 maart 1791. Men beschouwde het patent als een vergunning om een bepaald beroep te mogen uitoefenen. Na verloop van tijd kreeg het meer het karakter van een belasting die op het beroepsinkomen werd geheven. Sommige beroepscategorieën zoals landbouwers, ambtenaren en loonarbeiders werden van het betalen van het patentrecht vrijgesteld. Met de wet van 6 fructidor an 4 (23 augustus 1796), werd deze belasting ook bij ons ingevoerd.

P.C. Popp, Atlas Cadastral, Brussel 1860).

RA Leuven, schepenbank van Asse, toegang 95 en 94.

B. Vermoesen, Biernummer, Info-Belledaal, jg 18 (2003) 6-16.


[1] Op de weg: de huidige Langestraat? De steenweg Brussel-Gent was toen nog niet aangelegd en de heirbaan was praktisch onbruikbaar. De langestraat was de voornaamste verbinding tussen Aalst en Asse.

[2] Brusselbaan: de steenweg werd in 1704 aangelegd. Voor het citaat van 1755 komt de Brusselbaan zeker in aanmerking.

[3] Gegevens meegedeeld door Luc Van de Putte, waarvoor dank.

In de clinch met de abdij Affligem.

De abdij Affligem had in de omliggende gemeenten bijzonder veel goederen. In Meldert bijvoorbeeld liep het bezit op tot 2/3 van de oppervlakte van de gemeente. Geen wonder dat er af en toe conflicten ontstonden tussen de gemeenten en de abdij. Meestal hadden die ruzies te maken met financiële bijdragen. Voor de bestuurders van de gemeenten, de bedesetters en collecteurs, was het een moeilijke opgave om het op te nemen tegen de machtige abdij die over meer middelen, kennis en relaties beschikte. We selecteerden een aantal voorbeelden.

1530 – Strijd om de Havernelle[1].

De Havernelle was een gebied gelegen deels op Asse, Essene en Ternat. Het was eigendom van de abdij Affligem en al meerdere jaren verpacht aan Peeters Van Varenbeghe. Zij eerste pachtcontract was 12 jaar geldig en na verloop van die tijd kreeg hij een nieuw contract voor 12 jaar dat nog 11 jaar geldig is. Hij had, naar eigen bewering, die gronden goed onderhouden en de pacht altijd stipt betaald. Maar nu had een zekere Willem Pinnock van Ternat die gronden in pacht gekregen van Jacop De Bijez, de rentmeester van de abdij.

Peeters Van Varenberghe liet het daar niet bij en diende bij de Raad van Brabant een klacht in.Willem Pinnock, meester Jacoppe Du Bijez, de vroegere rentmeester en de huidige rentmeeester Janne Herrioen werden ondervraagd evenals Peeters. Hij verzocht de Raad om hem de pacht terug te geven en dat Willem Pinnock de geleden schade zou vergoeden. Maar het draaide anders uit. In zijn vonnis van 24 december 1530 oordeelde de Raad dat de klacht van Peeters niet ontfankelijk was en veroordeelde Peeters Van Varenberghe tot de betaling van de kosten.

Caerle bij der gratie Goids Roomsch keijser allen &a saluijt, alsoe voirtijden, te wetene: inde maent van aprile int jaer duijsent vijf hondert dertich nae Paesschen oft daer omtrent van wegen Peeters Van Varenberghe hadde ons in onsen Rade geordineert inden voirs. onsen Lande van Brabant bij supplicatie te kennen gegeven geweest hoe wel hij diverse jaeren in pachtingen hadde gehouden ende gehadt zekere goeden toebehoirende den abte onss Goidshuijs van Hafflighem geheeten die goeden van Havernelle………..

De abdij betaalde de lasten niet meer[2].

Een conflict van de bedesetters van Meldert met de abdij ging over 14 b 2 d 19 r (18 ha 29 a 35 ca) meersen die aan meerdere pachters waren verhuurd. Die betaalden sinds aloude tijden alle lasten zoals beden, de 20ste penningen en bijdragen aan de ‘oncostboekjen’ (de buitengewone kosten), aan de parochie. Maar ca 1720 heeft de abdij die meersen beplant met elshout en verkocht ze het gras. De abdij betaalde aan de parochie alleen de 20ste penningen en voorts niets meer. De bedesetters rekenden voor Meldert het verlies aan inkomsten voor vier jaar uit en kwamen tot de volgende bedragen:

– voor de oncostboeken: 92 g 2 blank

– voor de bedenboeken: 49 g 2 st 1 o

Totaal verlies: 141 g 3 st 1 blank.

Na herhaaldelijk aandringen om alle lasten te betalen, reageerde de abdijprovisor met de mededeling dat hij geenszins van plan was om in de komende jaren de beden en voor de oncostboeken te betalen. Ten einde raad richtten de bedesetters zich in 1727 tot de Raad van Brabant met het verzoek de abdij te verplichten om haar verplichtingen na te komen. Het proces dat begon op 16 juli 1727 eindigde na herhaaldelijke tussenkomsten van de advocaten van beide partijen met de uitspraak van de Raad op 2 december 1739. De Raad verklaarde de eis van Meldert niet ontvankelijk en veroordeelde de parochie tot betaling van de proceskosten.

De abdij eist hoptienden[3].

Volgens een verordening van Karel de Grote moest iedere persoon elk jaar 10% van zijn opbrengsten aan de Kerk afstaan. Het ging vooral om opbrengsten van de graanoogst, de veldvruchten en het vee. Die verplichting kende een ingewikkelde evolutie. De tienden dienden voor het levensonderhoud van de parochiepriesters, voor steun aan de armen en voor het onderhoud van het kerkgebouw. Elk van de drie partijen kreeg 1/3 van de tienden. Grootgrondbezitters, feodale heren, kapittels en abdijen maakten misbruik van die regeling om tienden in te lijven. Er waren grote tienden op graangewassen en kleine op veld- en tuingewassen zoals raapzaad. Vleestienden werden geheven op voortbrengselen van de stal zoals van varkens en lammeren en het neerhof. Vanaf de 12de eeuw ontstonden de novale of nieuwe tienden op opbrengsten van nieuw ontgonnen gronden en op nieuwe gewassen.

Was de hop toen een nieuw gewas? In de 15de eeuw begonnen de brouwers in Brabant hop toe te voegen aan hun brouwsels. Daardoor bekwam hun bier een betere stabiliteit, een enigszins een bittere smaak en een langere bewaartijd. Dat was zo’n belangrijke verbetering dat in de volgende eeuwen de hop in onze streken een enorme groei kende. Grote en middelgrote landbouwbedrijven schakelden in de loop van die eeuw in de regio Aalst-Affligem-Asse over op de hopcultuur. Zelfs binnen de Aalsterse stadswallen werden hopvelden aangelegd

De eerste betwisting over hoptienden was in 1531. De abdij diende een klacht in  bij de Raad van Brabant tegen inwoners van Hekelgem en Meldert. Die hadden op het einde van de 15de eeuw op gronden van de abdij die niets opbrachten hopvelden aangelegd, wat toen een ‘nieuwigheid’ was en waar ‘zij hoppecruijt op wonden’. Al meer dan 40 jaar hadden zij er geen  tienden voor betaalden. Dat was ook zo voor boeren uit Baardegem, Mazenzele en Moorsel. De abdij eiste nu een vergoeding van 12 ½ patar  per dagwand. De boeren hadden zich daartegen verzet omdat het over onontgonnen gronden ging. Op 14 juli 1536 volgde het vonnis. Op elk dagwand hop moest 12 ½ patar worden betaald zoals voor granen en andere vruchten of in natura voor een gelijkwaardig bedrag. Het belang van dit vonnis is dat het aantoont dat er al op het einde van de 15de eeuw in onze streek hopvelden waren.

Op 6 november 1538 volgde de uitspraak. Gielis Vanden Mozen, Peeter De Deckere, Laureijs De Witte, Barbare weduwe wijlen Adriaens Verleijsen en haar zoon Michiel Verleijsen, en hun advocaat Janne Reijnen verschenen voor de Raad van Brabant samen met Janne Vander Goten, advocaat van de abdij. De pachters van de abdij kregen ongelijk en moesten voortaan de ‘33ste schoof’ als tienden geven.

Alsoe inde maent van junio lestleden oft dairomtrent van wegen Gielis Vander Moesen, Laureijs De Witte, Barbaren weduwe wijlen Adriaens Verleijsen, Peeters De Deckere, Elizabetten Bacheliers weduwe wijlen Jans Verleijsen ende Roelants Bachelier alias Besedtman hadde onsen heere den keijser coninck van Germaniën, van Castilliën, Ertshertoge van Oistrijcke, hertoge van Bourgoingniën, van Lothr. greve van Vlaenderen, van Artois in zijnen Rade geordineert inden voirs. zijnen Lande van Brabant bij supplicatie[4] te kennen gegeven geweest hoe dat die voirs. supplianten respectieve waeren gebruijckende zekere parcheelkens van landen gelegen tusschen die dorpen van Hafflighem ende Hekelghem onder nochtans die prochie van Ekelghem voirs. die alle tsamen als achterleenen gehouden waeren te leene van meesteren Henricke Vanden Zijpe secretaris ordinaris inden voirs. Rade welcke goeden ende parcheelen van landen

De abdij wil opnieuw hoptienden[5].

In 1719 deed zich een gelijkaardige zaak voor. De abdij eiste opnieuw en geheel onverwachts dat de boeren hoptienden betaalden en dat in een periode dat het niet goed ging met de hopteelt. In alle hopgemeenten gingen de boeren in het verzet en verzamelden liefst 31 getuigenissen van vooral oudere mannen uit Asse, Baardegem, Erembodegem, Hekelgem, Liedekerke, Meldert en Moorsel die verklaarden dat ze nooit hebben geweten dat ze als hopboer tienden moesten afstaan en ze dienden een klacht in bij de schepenbank van het Land van Asse. Wij maakten hiervan een selectie. Interessant is dat niet alleen hopboeren, maar ook anderen zoals een klompenmaker, een koopman, een pastoor een chirurgijn … ook een hopveld hadden.

– Carel De Buscop, een labeureur van Teralfene, 80 jaar.

– Jan Van Nijgen een kossaard van  Teralfene, 63 jaar.

– Thomas Vaeremans, geboortig van Erembodegem, labeurende in Terlafene, 65 jaar.

– Christiaen Van Vaerenbergh, pachter en biertapper van Liedekerke, 67 jaar..-Cornelis De

– Adriaen De Maeseneer, inwoner van Liedekerke, 75 jaar, chirurgijn.

– Engel De Pijper,  inwoner van Asse-Terheide, 80 jaar, pachter en hopkoopman.

– Melchior De Ridder van Asse-Terheide, steeldraaier, 70 jaar, bezit zelf 1 000 kuilen hop.

– Egidius Lemmens, priester, woont in de abdij Ten Roosen, 76 jaar, afkomstig van Hekelgem. Hij woonde van toen hij 10 jaar was bij zijn oom, de pastoor van Moorsel. Gedurende 30 à 40 jaar bediende hij de ‘cappelrije’ van Meldert. Zijn oom bezat een hopveld in Hekelgem waarin hij vaak heeft gewerkt.

– Peeter Clauwaert  van Hekelgem, schepen van het Land van Asse, pachter end brouwer, 61 of 62 jaar, hij was acht jaar koetsier van de abdij en heeft meermaals tienden opgehaald, maar nooit hoptienden. Hij somt een aantal oude hopovelden op die zaailand zijn geworden.

– Paulus Thomas geboren te Meldert, oud 72 à 73 jaar, heeft in het hopveld van zijn vader gewerkt.

– Peeter Van Den Biesen van Hekelgem, brouwer, omtrent 80 jaar, vermeldt ook dat een aantal hopvelden zaailand zijn geworden.

– Franciscus Verleijsen van Hekelgem, landbouwer en koopman van hop, 64 of 65 jaar.

– Steven De Kempeneer, inwoner tot Meldert  landbouwer, 78 jaar. Ook hij vermeldt hopvelden die akkers zijn geworden en voegde er aan toe dat een dagwand 400 kuilen hop telt

Thoon voor die bedesetters ende ingesetenen der prochie van Meldert mitsgaeders die bedesetters ende ingesetenen der prochie van Hekelghem respectieve prochiën van den Lande van Assche rescribenten teghens den heere proost ende religieuzen der abdije van Afflighem beneffens hun den hooghweirdighen heere aertsbisschop van Mechelen als abt der voorschreven abdije supplianten.

De abdij wil de volle tienden[6].

In de zomer van 1536 schrokken enkele boeren van Hekelgem en Meldert zich geen klein beetje toen heel onverwachts deurwaarder Michiel Breijs van de Raad van Brabant met enkele medewerkers op hun erf verscheen. Zij kwamen de grote tienden van de granen uit hun schuur halen. Wat was er aan de hand?

De abdij had een klacht ingediend bij de Raad van Brabant tegen Hendricx Vanden Zijpe, lid van de Raad van Brabant. Die bezat in naam van zijn vrouw een aantal percelen in Hekelgem en Meldert als leen van de abt van Affligem. Zijn pachters gaven daarop aan de abdij als tienden de 33ste schoof. Maar dat vond de abdij onvoldoende en eiste de volle tienden. Op 14 juni 1536 sprak de Raad zich uit ten voordele van de abdij met het nadelige gevolg voor de boeren.

Hendricx Vanden Zijpe ging tegen dat vonnis in beroep op 21 augustus 1536. Janne Reijnen trad op als zijn advocaat en Janne Van der Goten was de advocaat van de abdij. De raad velde het vonnis op 13 november 1538. Ten voordele van de Affligem.

Alsoe inde maent van junio lestleden oft dairomtrent van wegen meesteren Henricx Vanden Zijpe secretaris onss heere des keijsers in zijnen Rade geordineert in Brabant hadde onsen voirs. heere den keijser coninck van Germaniën, van Castilliën, Ertshertoge van Oistrijcke, hertoge van Bourgoingniën, van Lothr. greve van Vlaenderen, van Artois in zijnen Rade geordineert inden voirs. zijnen Lande van Brabant bij zijnder supplicatie gethoont ende te kennen gegeven geweest hoe dat hij inden naeme van zijnder huijsvrouwen was besittende zekere parcheelen van landen gelegen tusschen die dorpen van Haffligem ende Hekelghem onder nochtans die prochie van Hekelgem tsamen wesende een volle heerlijck leen onder hem hebbende achterleenen te leen ……. vanden abte van Hafflighem,…


[1] RA Vorst, inventaris van de Raad van Brabant, deel 1, archief van de griffies, toegang I 18, nr. 580, 186 e.v.

[2] RA Vorst, inventaris van het archief van de Raad van Brabant: Deel 1: Archief van de griffies, toegang I 18 nr.997, blz. 32.

[3] RA Vorst, Inventaris van het archief van de Raad van Brabant, Deel 1, Archief van de griffies, toegang I 18 nr. 582 135.

[4] Een smeekbede of supplicatie is een vorm van gebed waarin een of meerdere verzoeken worden gedaan aan een hogere macht. Deze verzoeken kunnen betrekking hebben op de verzoeker zelf (Alsjeblieft, spaar mijn leven) of op een ander (“spaar mijn kinds leven”). Het gebruik komt voor in vele religies.

[5] R. A. Vorst, Inventaire des archives du Conseil de Brabant. Partie 2: archives des secrétariats, toegang: I 19, nr. 8751.

[6] RA Vorst, inventaris van het archief van de Raad van Brabant: Deel 1: Archief van de griffies, toegang I 18 nr.584, blz. 188.

1684 – Hekelgem moet een lening terugbetalen.

Op 1 december 1684 verschenen voor notaris Nicolaus Rousseau te Brussel de volgende inwoners van Hekelgem: François Robijns, schepen van het Land van Asse, pachter, brouwer en burgemeester, collecteur Joos de Keghel, bedesetter Joos Pauwels, Joos Eeman, François Robijns[1] filius Mertens[2], bedesetters van Hekelgem, Hendrick Machiels, Joos Van Neervelt, Jan Verleijsen, Guilliam Cornelis, Jasper Robijns, Hendrick De Keghel filius Joos, Peeter De Kegel, Phlips Verleijsen, Machiel Cornelis, Marie Van Eeckhout weduwe van Martinus Robijns, Joos De Smet, Gillis De Decker, Joos Van Den Bossche, Gillis Vermoesen, Merten De Cort, Jan Van Nieuwenbergh, Peeter Van Den Broeck, Jan De Meij filius François. Zij wilden een lening aangaan omdat de parochie de door de Fransen opgelegde contributie van 7878 g 10 st niet kon betalen en omdat de Staten van Brabant op spoed aandrong.

Op 11 december 1683 had de gouverneur van de Nederlanden, de markies van Grana, Frankrijk de oorlog verklaard. Lodewijk XIV stuurde een leger van 60 000 soldaten dat Brabant en het Waasland verwoestte. Op 16 augustus 1684 werd de Vrede van Regensburg getekend en de inwoners van Vlaanderen, Brabant en Luxemburg konden weer eens oorlogslasten betalen.

Ridder Melchior Franchois Van Den Cruyce leende aan Hekelgem vierduizend rinsgulden tegen een jaarlijkse intrest van 250 gulden te betalen op 1 december. Als pand gaven ze:

– Franchois Robijns: een hofstede met een stenen huis, schuur, stallen en brouwerij genoemd Den Engel en een half bunder land gelegen op het Dassemveld.

– Michiel Cornelis met een half bunder land op het Rommelveld in Essene, een bos gelegen in Asbeek, groot een dagwand, een land in Essene op Den Moortere, groot een dagwand.

– Guilliam Cornelis: een stenen huis met kamketels en andere afhankelijkheden gelegen in  Hekelgem en De Drij Koninghen genoemd gelegen aan de ‘herstraete’ naar Aalst (= de heirstraat of de oude Romeinse weg; de steenweg was nog niet aangelegd)..

– Hendrick Michiels: een pachthof met edifitiën in Hekelgem, groot een half bunder.

– Gillis De Decker: een hofstede gelegen in Hekelgem,  groot zes dagwand 70 roeden.

– Joos Pauwels: twee dagwand en 22 roeden hofstede met schuur, stallen en andere edifitiën gelegen in Hekelgem, een bos van een dagwand en 23 roeden gelegen in  meerdere partijen bos genoemd ‘Den Bergnast’.

– Gillis Vermoesen: een hofstede en brouwerij met een huis en andere edificiën gelegen in Hekelgem  aan de straat, groot drie dagwand.

Actum tot Hekelgem met als getuigen Guilliam Van Muilders en Jooris Van Muilders. Onderteken D N. Rousseau notaris.

Hekelgem bleef in gebreke bij de betaling van de rente. In 1699 was er een achterstand van 1800 gulden en de erfgename van Melchior François Van den Cruyce, juffrouw. Marie richtte zich tot de Raad van Brabant om de betaling te eisen van de achterstallige rente. De huissier van de Raad overhandigde op 17 november 1699 een kopie aan de weduwe van François Robijns in Den Engel en aan de weduwe van François Robijns, zoon van Merten, in Sint-Huijbrechts en aan Hendrick Michiels.


R. A. Vorst, Inventaire des archives du Conseil de Brabant. Procès des communes, 1601-1700, Toegang: I 60, nr. 1672.

[1] FRANCISCUS ROBIJNS, zoon van MARTINUS ROBIJNS en MARIA EECKHOUT. Hij is gedoopt op woensdag 22 januari 1653 in HEKELGEM. FRANCISCUS is overleden op maandag 18 augustus 1698 in HEKELGEM, 45 jaar oud. Hij trouwde, 26 jaar oud, op zaterdag 23 september 1679 in HEKELGEM met MARGARETA CLAUWAERT, 25 jaar oud. Zij is een dochter van PETRUS CLAUWAERT en JOANNA VERLEYSEN. Zij is gedoopt op maandag 10 november 1653 in HEKELGEM. MARGARETA is overleden op zaterdag 15 november 1727 in HEKELGEM, 74 jaar oud. Zij trouwde later op zondag 19 december 1700 in HEKELGEM met EGIDIUS WAMBACQ (1671-1721).

[2] MARTINUS ROBIJNS, zoon van MARTINUS (MERTEN) ROBIJNS en ELISABETH WOUTERS. Hij is gedoopt op zondag 15 februari 1626 in HEKELGEM. MARTINUS is overleden op zondag 31 december 1679 in HEKELGEM, 53 jaar oud.

Notitie bij MARTINUS: Pachter op het Sint-Huijbrechthof te Hekelgem.

MARTINUS trouwde, 25 jaar oud, op vrijdag 17 november 1651 in HEKELGEM met MARIA EECKHOUT, 23 jaar oud. Zij is een dochter van GERARDUS EECKHOUT en ANNA CORTVRINT. Zij is gedoopt op zondag 24 september 1628 in HEKELGEM. MARIA is overleden op dinsdag 13 januari 1688 in HEKELGEM, 59 jaar oud.

De processen tegen Jan Verleysen.

Paasmaandag 7 april 1760[1] is een dag die brouwer en herbergier Jan Verleysen, die op het einde van de Hekelgemse Langestraat woonde, zich nog lang zou herinneren. Het was Kluizenkermis en hij had een speelman gevraagd. Omstreeks 7 u. ’s avonds was zijn herberg bomvol met jonge mannen en vrouwen die dansten, zongen, riepen en vloekten. Plots kwam Peter Van Osselaer uit Erembodegem binnen gestormd gevolgd door een soldaat. Hij schreeuwde dat de soldaat hem wou aanvallen. Die soldaat zag al dat volk en maakte zich direct uit de voeten. Een van de zonen van Jan, Peter, had hem opgemerkt, nam zijn geweer en liep hem met enkele mannen achterna. Daar Peter een houten been had, geraakte hij niet snel vooruit en hij gaf zijn geweer aan Peter van Osselaer. Het duurde niet lang of ze merkten de soldaat op in het gezelschap van enkele mannen. Op het geroep van de achtervolgers draaide de soldaat zich om. Peter Van Osselaer twijfelde niet en schoot. De soldaat was zodanig gekwetst dat zijn vrienden hem moesten dragen. Van Peter Van Osselaer vernam brouwer Jan dat hij langs de kant van de weg zat ‘zijn gevoeg’ te doen toen een groepje mannen met een soldaat hem lastig vielen en hij naar zijn herberg vluchtte.

De volgende dag vernam Jan dat de soldaat was overleden ondanks de zorgen van een dokter en een chirurg. De soldaat maakte deel uit van het regiment van de hertog van Saxen-Gotha en hij was met wevers van Aalst naar Hekelgem gekomen om er te rekruteren. Enkele soldaten  en de provoost kwamen naar Hekelgem om de moordenaar op te pakken en naar Aalst over te brengen. In de herberg troffen ze alleen Jan aan en namen hem mee. De schepenen van Asse onderwierpen hem en de wevers aan een verhoor en stelden vast dat hij onschuldig was en lieten hem vrij. Maar zijn drie zonen, Jan,  Peter en Judocus en Peter Van Osselaer vonden ze wel schuldig. De schepenen van Asse vroegen daarop advies  aan hun medeschepenen-advocaten. Hoewel die verplicht waren gratis advies te verlenen, wilden ze niet reageren alvorens een honorarium was betaald. Dat weigerden de schepenen van Asse en dus gebeurde er niets. Ondertussen vernam de stadhouder van Aalst dat de gevluchte Van Osselaer in de heerlijkheid van Steen was gezien. Hij werd er gearresteerd en bekende dat hij op de vlucht was omdat hij op een soldaat had geschoten.  De officier van Hulst verwittigde die van Erembodegem die de stadhouder en de leenmannen van Aalst op de hoogte bracht. Die hadden een premie beloofd aan wie Peter  kon arresteren. Hij werd overgeleverd en bestraft met ‘de koorde tot ‘datter de dood naergevolght is’.

Na dit vonnis was brouwer Jan van mening dat de rechtszaak tegen zijn zonen was opgelost. Hij richtte zich tot hoofddrossaard Joannes Emmanuel Loovens van het Land van Asse met de vraag of zijn gevluchte zonen naar huis konden terugkeren. Die liet weten dat hij daarop niet kon antwoorden omdat de advocaten nog altijd eerst geld wilden zien, maar als hij hen wilde betalen dan zou hij weten wat zijn zonen nog boven het hoofd hing. Jan betaalde en de schepenen ontvingen het lang verwachte rappoort. Ze moesten Jan, Peter en Judocus samen met Francis Tas voor de schepenbank dagen en verhoren. Nadat ze kennis hadden genomen van hun verslag zouden ze een vonnis vellen. De zonen en Francis wisten nu nog niet wat er hen te wachten stond en ze bleven weg. Hoewel er nog geen definitief vonnis was, kreeg Jan de opdracht om al 45 gulden 15 stuivers gerechtskosten te betalen. Maar hij weigerde. Hoofddrossaard Loovens daagde op 9 september de mannen voor de schepenbank van Asse te dagen voor een verhoor. Officier door Jan Baptist Van de Perre bezorgde de dagvaarding. Daar ze niet voor de schepenbank verschenen, volgden er nog dagvaardingen op 29 november, 12, 20 en 31 december met hetzelfde resultaat. Loovens gaf daarna aan Arnoldus Verstichel, de vorster van Asse, de opdracht om over te gaan tot de openbare verkoop van de ‘meublilaire goederen ende effecten’ van Jan Verleysen op 19 januari 1761 vanaf 2 u. Nog voor de verkoop zocht Jan notaris Eeman te Aalst op om hem zijn penibele situatie voor te leggen. De notaris liet bij Loovens een brief afgeven waarin hij Arnoldus Verstichel verbood om tot de verkoop over te gaan. Dat schrijven maakte geen indruk en de verkoop ging door

De hoofddrossard motiveerde zijn beslissing door er op te wijzen dat de ‘goddelijcke, naturelijcke ende civiele wetten’ hem daartoe verplichtten. In de Heilige Schrift leest men, zo betoogde hij, dat ouders werden gestraft voor delicten van hun kinderen. Vader en zonen zijn van hetzelfde bloed en vlees zodat de ‘eene de kosten van de andere draegt tot beternisse van beiden’. Voor het publiek en het algemeen belang kon hij niet verantwoorden dat de schulden niet werden vergoed. Vermits de zonen niet betaalden was het aan de vader want zij werkten voor hem.

Pro officio.

Ten versoecke van den heere Joannes Emanuel Loovens hoofddrossaert des Landts van Assche nomine officii ende impetrant van provisie van daeghsel personeel ende uijt crachte van de executorie bij den selven verworven voor schepenen des Lants van Assche op den 9de december 1760 geteeckent P. Gheude soo wordt door mij ondergeschreven officier des Lants van Assche gesommeert Francis Tas, Joannes, Peeter ende Judocus Verleijsen sonen Jans tot betaelinghe van den rapporte in hunne saecke geresen beloopende int geheel ter somme van vijfenveertigh guldens vijfthien stuijvers courant geld te voldoen in handen van den greffier des Lants van Assche tusschen heden ende seven daeghen mette costen op pene van executie.

Actum 12 december 1760. Jan Baptista Van De Perre.

De brouwerij Verleysen.

Joannes (Jan), gedoopt te Hekelgem op 11 maart 1697 en er overleden op 9 mei 1762. Hij was een zoon van Franciscus en Anna Geysels. Jan trouwde te Hekelgem op 3 oktober 1731 met Judoca Aureys (Arijs), dochter van Petrus en Maria Vermoesen, gedoopt te Hekelgem op 9 oktober 1696 en er overleden op 19 november 1766. Of Jans vader al een brouwer was, hebben we (nog) niet kunnen achterhalen.

Kinderen:

1- Maria, gedoopt op 4 december 1731.

2- Petrus, zie verder.

3-Joannes, gedoopt op 16 januari 1736.

4- Judocus, gedoopt op 22 oktober 1642.

Petrus, de oudste zoon, gedoopt te Hekelgem op 28 oktober 1733 en aldaar overleden op 5 april 1815 trouwde te Hekelgem op 9 november 1767 met Maria Anna Van den Berghe, gedoopt te Hekelgem op 18 februari 1743 en er overleden op 25 maart 1794. Hij volgde zijn vader op als brouwer. Omdat hij een houten been had, werd hij ‘Pikkels’ genoemd en die naam bleef de familie Verleysen behouden tot het midden van vorige eeuw.

Petrus Joannes was hun enig kind en de volgende brouwer.

De openbare verkoop.

Er waren 34 verkopen en die brachten 88 gulden 4 stuivers 2 oorden op. De lijst van de te kopen goederen geeft een beeld van wat er zo in een brouwerij-herberg-boerderij in de 18de eeuw te vinden was.

1-een boterkuip aan Jan Caukens Asse -0 – 1 – 0.

2- een ‘seen cuijp’ aan Guilliam De Koninck Erembodegem -0 – 5 – 2.

3- een koperen ketel aan Jan Caukens Asse – 1 – 0 – 0.

4- een koperen ‘aker’ J. B. Van De Velde Hekelgem – 2 – 8 – 0.

5- een ‘marremit’ aan Peter Verleijsen, zoon van Jan – 0 – 12 – 0.

6- een botervat aan Jan Verleijsen, zoon van Jan  – 0 – 3 – 0.

7- een kerfzaag aan J. B. Neirinckx van De Roos – 1 – 2 – 0.

8- een bierboom aan Jan De Smedt Hekelgem – 1 – 5 – 0.

9- een trechter aan Judocus Van Nieuwenhove Hekelgem – 0 – 9 – 0.

10- een ton met een onderbak aan Michiel Van Den Bossche Hekelgem – 0 – 10 – 0.

11- een half ton met een vierendeel vat aan Hendrick Verleijsen, zoon van Peter – 0 – 17 – 0.

12- twee tonnen aan J. B. Nierinckx van De Roos – 0 – 19 – 0.

13- een ton aan Peter Verleijsen, zoon van Peter – 0 – 6 – 0.

14- twee onderbakken, een kuip aan Franciscus Plas Hekelgem – 0 – 6 – 0.

15- twee strijkijzers aan Jan Caukens Asse – 0 – 12 – 0.

16- een ‘ijsepot’ aan Peter Verleijsen zoon van Jan – 0 – 4 – 0.

17- een ijzeren pottje, wasvat, rooster en vispaan aan J. B. Timmermans Erembodegem – 0 – 9 – 0.

18- een koperen lamp aan J. B. Van De Velde Hekelgem – 0 – 7 – 0.

19- dertien lepels aan Franciscus Plas Hekelgem – 0 – 19 – 0.

20- een pot en een pint aan Peter Verleijsen, zoon van Jan – 0 – 4 – 0.

21- een pot en een pint Jan De Smedt Hekelgem – 0 – 12 – 0.

22- twee potten aan Guilliam De Koninck Erembodegem – 0 – 9 – 0.

23- drie  glazen aan Rokus Arijs Erembodegem – 0 – 6 – 0.

24- een pot met een pint aan Guilliam De Koninck Erembodegem – 0 – 4 – 0.

25- vier glazen aan J. B. Van De Velde Hekelgem – 0 – 6 – 0.

26- een lamp en een pint aan Jan De Smedt – 0 – 13 – 0.

27- twee pinten en een ? aa dezelfde – 0 – 5 – 0.

28- vier schotels, een kommetje en een ‘tailloor’ aan Peter Verleijsen, zoon van Jan – 0 – 4 – 0.

29- drie glazen schotels en drie aarden schotels aan Peter Verleijsen, zoon van Jan – 0 – 4 – 0.

30- een deel aardewerk aan dezelfden – 0 – 3 – 0.

31- twee flessen twee …………, zoon van Jan – 10 – 0 – 0.

32- eenen abeel aen Peeter Verleijsen sone Jans – 10 – 0 – 0.

33- een zwarte koe aan Jan Verleijsen, zoon van Tomma – 36 – 0 – 0.

34- een rode koe aan dezelfden – 18 – 0 – 0.

Aldus gedaan en wettelijk verkocht deze 19de januari 1761 present de vorster en schepenen.  Ondertekend A. Van Stichel 1761, Gillis Plas en H. Van Zeebroeck. Ontvangen uit  handen van de schepenen vijfentwintig gulden zeven stuivers. Ondertekend Jan Baptista Van De Perre.

Concordantiam attestor J. B. Barbé notaris 1761.

Jan Verleysen in de tegenaanval.

Die openbare verkoop was voor Jan Verleysen en zijn familie een drama. Dat die verkoop aan de kerkdeur en een zijn eigen huis was aangekondigd, was een smet op zijn naam en de klanten bleven weg. Maar hij legde zich niet bij de feiten neer. Wat volgde was een stroom aan aanklachten en weerleggingen die tot eind 1761 duurde.

Op 24 januari richtte Jan een schrijven aan de Raad van Brabant. Daarin stelde hij dat op bevel van hoofddrossaard Loovens vorster Verstichel, twee schepenen en officier Van de Perre zijn meubels en effecten hadden verkocht zonder dat er iets hem ten laste was gelegd en met als voorwendsel dat zijn zonen niet op de dagvaarding waren ingegaan. Hij verzocht de Raad om de verkoop nietig te verklaren en om de drossaard te verplichten om hem volledig schadeloos te stellen.

Loovens verantwoordde zich bij de Raad met een uitgebreid schrijven waarin hij gedetailleerd het verloop van de gebeurtenissen beschreef.

Voor zijn verweer deed brouwer Jan weer een beroep op notaris Eeman. Die schreef op 10 februari 1761 aan de Raad dat het onaanvaardbaar is dat een vader wordt gestraft voor een onbewezen schuld van zijn zonen en voor een gebeuren waarvan hij noch de oorzaak noch de dader was. Dat de tegenpartij goddelijke, natuurlijke en civiele rechten inriep om de vader tot betaling te dwingen, wordt tegengesproken door een vonnis van de Raad van Vlaanderen tegen de baljuw en de meier van Erpe van 17 en 22 december 1757. Voorts stelde hij nog:

1- Dat hij recht had op de teruggave van wat hij al ten onrechte had betaald.

2- Dat de drossard nog niet heeft bepaald waarvan hij zijn zonen beschuldigd.

3- Zijn zoon Peter heeft een houten been en kon de achtervolgers niet bijhouden. Hij was dus niet bij de feiten betrokken.

4- De drossard stopte de vervolging en eiste toch betalingen.

In zijn reactie schreef de hoofddrossaard:

1- Als kinderen voor hun ouders werken dan genieten die dagelijks van de vruchten van hun werk. Dan is het normaal dat ze bijdragen voor de lasten.

2- De vader betaalde de kosten van het eerste rapport en daarmee bewees hij dat hij verantwoordelijk is voor de daden van zijn kinderen.

3- De vervolgingen zijn nog niet gestaakt.

4- Door tegen de verkoop bezwaar aan te tekenen verhoogt de brouwer de kosten en brengt hij zichzelf in nog meer moeilijkheden.

5- Hij is al 30 jaar in dienst als hoofddrossaard en heeft nog nooit meegemaakt dat ouders weigerden te betalen voor hun kinderen.

Het vonnis.

De Raad van Brabant sprak zich op 17 juli 1761 uit: de verkoop was onwettig en alle schade moest worden vergoed. De verkoop had 114 gulden opgebracht, de kosten van de schatting 4 gulden 16 stuivers. De geleden schade werd als volgt bepaald:

1- De zonen Jan en Judocus hadden drie dagen nodig om alle goederen en effecten terug te halen. Dat bracht een verlies aan werkuren mee à 1 g 4 st per dag met en de transportkosten een totaal van 7 g.

2- Peter met zijn houten been was klompenmaker. Hij ging naar notaris Eeman te Aalst en driemaal naar de Raad van Brabant te Brussel: 16 g 4 st.

3- Het ereloon voor de notaris: 28 g 18 st.

4- Verlies van klanten van de brouwerij en de herberg: 112 g.

Laatste verantwoording van de hoofddrossaard.

Loovens schreef in zijn laatste reactie dat hij na de moord op de soldaat de daders vervolgde in opdracht van de bevelhebber van het regiment en van de stadhouder van Aalst. De moord gebeurde door het samenkomen van ‘veele jonckheijdt van beijde sexen met eenen speelman’  wat door de plakkaten van de koning is verboden. Hij beschreef nog eens het hele voorval en besloot dat hij het recht had om te verkopen omdat de zonen noch de vader de kosten betaalden. Hij ging ook niet akkoord met het bedrag van het geschatte verlies.

Eind goed voor de Verleysens.

Notaris Eeman diende nog een brief te sturen naar de Raad van Brabant met de vraag om de hoofddrossaard te dwingen het vonnis uit te voeren. Het Hof ging daarop in en ordonneerde dat op 7 december 1761 het vonnis binnen de 8 dagen moest worden uitgevoerd.

Het proces tegen Daniël Geeraerts[2].

Jan Verleysen had in het rampzalige jaar 1761 nog andere zorgen. Op 9 december 1761 spraken de schepenen van het Land van Asse, Judocus Seijens en Martino Van Vaerenbergh het vonnis uit in de zaak van Daniël Geeraerts tegen Jan Verleysen. Jan werd verplicht 102 g van een geleend kapitaal en 21 g intrest te betalen en de kosten van het proces. Hoe kon het tot een proces komen tussen Geeraerts uit Dendermonde en Jan Verleysen uit Hekelgem?

Daniël Geeraerts was getrouwd met Marie Beeckman, dochter van Maria Arijs van Dendermonde. Jan Verleysen was getrouwd met Josina Arijs, een zus van Maria Arijs. Het proces ging over de erfenis van Maria Arijs. De verdeling van haar goederen had plaats op 22 oktober 1737 en bestond uit landen, erfgronden en huizen gelegen in het Land van Asse. Die gingen deels naar Josina Arijs en naar Peeter Arijs, schoonbroer van Jan en deels naar Marie Beeckman. Maria overleed te Dendermonde op 8 oktober 1751 en volgens de overeenkomst van de kavel moest Peeter een opleg van 102 gulden betalen aan Marie Beeckman. Die betaalde niet, wel Jan Verleysen die het bedrag als lening overnam en een rente betaalde tot 22 oktober 1754. Als reden voor de stopzetting gaf hij aan dat Marie Beeckman een natuurlijk kind was en volgens de ‘costumen’ van Brussel kon een natuurlijk kind niet erven als er nog wettige kinderen waren. Maar volgens Daniël Geeraerts zijn die 102 gulden de opleg bij de kavel en dat bedrag moest worden betaald. Zijn vrouw had immers onroerende goederen geërfd. Om Jan Veleysen te verplichten de lening af te lossen liet hij zijn advocaat Van Itterbeke een proces aanspannen tegen Jan Verleysen. Van Itterbeke stelde dat Maria Arijs in Dendermonde was overleden en dat de costumen van Dendermonde van toepassing waren en die bepaalden dat een natuurlijk kind goederen van de moeder kon erven.

Vonnis deffinitief gegeven in acte van Sieur Daniël Geeraerts in houwelijck hebbende Marie Beeckman dochter wijlen …. Beeckman daer moeder af was Marie Arijs ingesetene der Stadt van Dendermonde aenleggere tegens Jan Verleysen in houwelijck hebbende Josina Arijs ingesetene van hekelgem gedaegde.

In zijn verweer voerde advocaat De Maré voor Jan Verleysen aan dat de onroerende goederen, waaronder een brouwerij, in het Land van Asse lagen waar de costumen van Brussel wel golden. Als bewijs geeft hij dat Marie Beeckman de brouwerij niet heeft geërfd, ze kreeg wel de verkoopsom van 400 gulden op 4 februari 1755. Die opleg van 102 gulden was bestemd voor Maria Arijs en niet voor Marie Beeckman. Op 9 december 1761 spraken de schepenen van het Land van Asse, Judocus Seijens en Martino Van Vaerenbergh het vonnis uit. Jan Verleysen werd verplicht de 102 gulden verhoogd met een interest van 21 gulden en de proceskosten te betalen.


[1] R. A. Vorst, Inventaris van het archief van de Raad van Brabant. Processen van de particulieren, 1724-1796 (vnl. 1754-1774) Toegang: I 76, nr. 6841.

[2] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4326.

1670 – Geen repartitie voor Hekelgem.

Tussen de Vrijheid van Asse en de buitenparochies Baardegem, Meldert, Essene, Mazenzele en Mollem zijn eertijds diverse akkoorden gesloten over wederzijdse hulp bij  personele lasten, logementen van soldaten, opgelegde karweien zoals wagenvrachten en bevoorradingen. Tot nu toe werden die kosten verdeeld onder de verschillende parochies van het markizaat van Asse volgens het bedrag van de beden. Op 30 juni en op 13 en 14 augustus 1667 logeerden er in Hekelgem 30 regimenten ruiters onder het bevel van de graaf van Marchin en de prinse de Ligne. Dat kostte de bedesetters duizenden guldens die in de repartitie, de ‘smaldeling’ van het Land van Asse,  moesten opgenomen worden en dat is nog niet gebeurd. In 1668 werden zes paarden gestolen door soldaten van de koning van Frankrijk en ook daarvoor heeft de meierrij van Asse geen contributie gegeven. Om de drossaard en de regeerders van het Land van Asse te verplichten om de geleden kosten in de repartitie op te nemen, richtte advocaat Adriani op 11 april 1670 in naam van de bedesetters een brief aan de Raad van Brabant . Daarin beschreef de advocaat de hiervoor gemelde feiten. Hij voegde er onderstaande bewijzen aan toe..

‘Je soussigné adjudant de commissaire général de la cavalerie certifié les dites trouppes avoir logée audict village d’Hekelghem soubs le commandement de ces excellents mon sieurs le comte de Marchin et monsieur le prince de Ligne le 30ième de juin et 13ième d’aoust 1667 et estait soussigné François Lope de Vidanxxita plus bas estait escrit’.

Op 22 april volgde het antwoord van de drossaard. Volgens de bedesetters van Hekelgem steunen zij hun eis op vroeger gemaakte akkoorden. Die wil hij eerst zien alvorens hij de kosten in de repartitie wil opnemen. Op 16 mei 1670 ging advocaat Adriani op die vraag in en voegde er zes bewijsstukken bij.

‘Je confesse avoir pris du village d’Hekelghem six chevaux sur le Xième de mars 1668 par ordre de monsieur le marquis de Rochefort pour obliger a contribuer la mairie d’Assche et a cause que les villages du terroir d’Assche ont pour alors payée également la contribution ainsi est ce que nous désirones et voulones que les susdit chevaux passeront en generale conste du terroir et mairie d’Assche dont ie leur ait donné le présent certificat faict au camp de Ninove ce 12ième de may 1668. De Somville’

A. De ‘smaeldeelinge’ (repartitie) opgemaakt door meier Gielis Van Langenhove en de schepenen Gielis Van Ginderachtere, Symon Van Der Heijden, Willem Van Neervelt, Merten Vuijttersproct en Joos Van Langenhove van de Vrijheid van Asse voor het ter beschikking stellen van een halve legerwagen, twee paarden en een half en een vierendeel en half knecht voor de stad Brussel in dienst van de koning op 17 januari 1659

Asse                                       121 rinsguldens.

Baardegem                            18 rg.

Hekelgem                               44 rg.

Meldert                                   37 rg.

Essene                                   37 rg.

Mazenzele                              14 rg.

Mollem en Bollebeek             28 rg

Samen 300 rinsguldens.

Opgemaakt en wettelijk gesmaldeeld op 17 januari 1595 in aanwezigheid van Peeter De Clerck, Lieven Rinschaert, Joos Buggenhout, inwoners van Meldert, Jan Mertens van Mazenzele, Joos Van Der Borcht, Nicolaes De Nagel, Willem Van Der Slachmeulen, Machiel ene Ferry Wamback van Essene en Raphael Van Mulders inwoner van Mollem.

B. De smaldeling gemaakt om een gearresteerde verminkte persoon naar Tienen te brengen.

Asse                                        61 rg.

Baardegem                            9 rg.

Hekelgem                               22 rg

Meldert                                   18 rg 10 st.

Essene                                   18 rg 10 st.

Mazenzele                                7 rg.

Mollem & Bollebeek                 9 rg.

Samen 150 rinsguldens.

Wettelijk gesmaldeed op 15 november 1595 in aanwezigheid van meier Gielis Van Langenhove, burgemeester Gielis Van Ginderachtere, schepen Willem Van Neervelt;  Sacharias Esselijns, Lauwereijs De Greve, Adriaen Van Volcxem, Ghijsbrecht Esselijns, en Willem De Valck, inwoners van Asse; Joos Van Langenhove filius Gielis, Olivier De Meerschman en Gielis De Clerck, inwoners van Baardegem; Anthoon Maes en Jasper Verleijsen, inwoners van Hekelgem; Willem Wauters, Aert Robijns, Peeter Van Den Bossche, Lieven Rinschaert en Joos Buggenhout, inwoners van Meldert; Jan Van Den Bossche en Jan Mertens, inwoners van Mazenzele; Jan Jacops, Claes Meerte, Jan Van Cauwenberch en Joos Van Der Borcht, inwoners van Essene. Ondertekend G. Van Langenhove.

C. Na een schrijven van meier Gielis Van Langenhove en de schepenen van het Land van Asse over de vele klachten van de bedesetters van de buitenparochies over de verdeelsleutel (repartitie of smaldeling) voor de lasten aan parochies opgelegd, adviseerde de Raad van Brabant om een samenkomst met alle betrokkenen te beleggen om tot een vaste verdeelsleutel volgens het vermogen van elke parochie te komen. De Raad verwees naar de ordonnantie van 18 september 1595 waarin werd beslist een samenkomst voor alle betrokkenen te organiseren op 2 februari 1596. De volgende personen van de buitenparochies waren daarop aanwezig: voor Baardegem Peeter Van Den Biesen; voor Hekelgem Willem Van Neervelt en Hendrick De Clerck; voor Meldert Aert Robijns, Lieven Rinschaert, Jacus Van Den Bossche en Steven Ooge; voor Mazenzele Jan Mattens en Machiel Van De Velde; voor Essene Claes Meerte, Claes Van Grimbergen, Joos Van Der Borcht; voor Mollem en Bollbeek Peeter Verhasselt, Hendrick Geerstman, Willem Diericx en Gielis Leeman en voor de Vrijheid van Asse de wethouders,  een deel van de bedesetters en inwoners van Asse.

De meier gaf opdracht aan de griffier om de ordonnantie voor te lezen en de aanwezigen gingen met de voorgestelde repartitie akkoord behalve die van Mollen en Bollebeek. Daarop verzocht de meier dat ze hun bezwaar schriftelijk zouden indienen. De akte werd ondertekend door de schepen Gielis Van Ginderachter, Peeter De Clerck en G. Van Langenhove.

D. Op het verzoek van de parochies Baardegem en Hekelgem aan de Raad van Brabant  hebben de meier en de schepenen van de Vrijheid van Asse geantwoord op 10 mei 1607 dat ze door hun geweten en eed verplicht zijn de smaldeling te doen volgens de ‘qualiteijt, conditie ende macht’ van elke parochie zonder rekening te houden met de beden omdat in tijden van oorlog sommige dorpen zwaar worden getroffen en andere gespaard blijven. Ondertekend door meier Gielis Van Langenhove, schepenen Hendrick Van Ginderachter, Jan T’Sas, Hendrick De Clerck en Jan Van Den Wijngaerde.

E Op 30 september 1600 velde het Hof van de Raad van Brabant het vonnis. Alle lasten van de parochies van het Land van Asse van ‘herwagens, pioniers, fourage off andersints’ moeten over alle parochies worden verdeeld volgens de verdeelsleutel van de beden.

Daarmee was het probleem niet opgelost. De bedesetters van de Vrijheid van Asse en van Baardegem, Meldert, Essene, Mazenzele en Mollem gingen op 16 mei 1670 niet akkoord met een smaldeling. Volgens hen gaven de voorgelegde stukken van Hekelgem onvoldoende bewijzen om de kosten van logement en de inbeslagname van zes paarden over alle parochies te verdelen. Komt daarbij dat de troepen waarover Hekelgem klaagt er alleen hebben overnacht om de vijand in het oog te houden en er was geen order van de gouverneur-generaal. In dat geval zijn de kosten voor de betrokken gemeente. Aan andere dorpen is zo’n tegemoetkoming steeds geweigerd. De parochie heeft het logement niet geregeld, de soldaten hebben zelf een onderkomen gezocht en hebben zelf eten gezocht voor hen en hun paarden in de omliggende dorpen. Een repartitie gebeurde alleen na een order van de majesteit zoals blijkt uit een akkoord van 1654. De bedesetters ontkennen ook dat de paarden in beslag werden genomen omdat het Land van Asse de contributie niet volledig had betaald. Ieder dorp moet in die contributie bijdragen. De zes paarden zijn meegenomen van de abdij om hun pakken te dragen zoals er ook 16 paarden van Asse zijn meegenomen en die kosten moet Asse dragen. Tot slot merkten de bedesetters nog op dat Hekelgem weigerde te betalen toen Mazenzele en Asse ook zo’n logering hadden. Was ondertekend De Paepe.

Op 14 juni 1670 zond de Raad van Brabant Michiel De Bisschop naar een vergadering van de bedesetters van het Land van Asse om haar vonnis uit te voeren, namelijk dat  Hekelgem recht had op een verdeling van de oorlogslasten volgens de repartitie van de beden. Aanwezig waren Jan Van Der Slachmolen, meester Guilliam ’t Kint en Peeter Moortgat schepenen; Andries Van Stichele, Steven Jacobs, Philps De Handtschutter, Michiel Van De Velde, Jan Van Den Driessche, Joos Linthout, Merten Linthout, Pauwel De Backer, Jan De Valck, Peeter De Buijst, Jan Van Hersele en Jan Vereertbruggen, bedesetters van Asse, Baardegem, Mazenzele, Mollem en Essene en griffier Van Mulders.

De bedesetters van Hekelgem gaven niet toe en reageerden op 20 juni 1670 met de vraag dat het akkoord van 1654 aan de Raad zou worden overhandigd samen met ‘smaldeelinge boecken’ vanaf 1654. Ze wilden ook dat de bedesetters van het Land van Asse onder eed zouden getuigen van hun eerlijke bedoelingen. Op 8 augustus 1670 getuigde Michiel De Bisschop als vertegenwoordiger van de bedesetters van het Land van Asse bij notaris Van Droogenbroeck te Brussel dat ze in het proces te goeder trouw handelden. Aan de raad werd ook dit extract uit het akkoord van 1654 overhandigd:

‘personele lasten van forieringen ende logementen van soldaten vuijt seijnden van legerwaegens, pioniers ende generaelijck alle andere onder wat pretext ’t selve souden mogen geschieden ende daer ’t voorschreven Landt van Assche behoorelijck van wegen sijne majesteijt sal worden belast gevonden sullen worden op den voet van de hemelsche breijdde ende metingen daeraff gedaen’.

Op 25 februari 1671 reageerde Hekelgem met een uitgebreide ‘replique’. De troepen logeerden op bevel van de graaf van Marchin en van de prins de Ligne, generaals in het Spaanse leger. Hekelgem heeft trouwens tweemaal Spaanse troepen gelogeerd. De tweede maal hebben de soldaten zelf voor logement gezorgd, maar de eerste maal gebeurde dat op bevel van de generaals. Dan werden de soldaten voorzien van eten en drank en zo voldeed de parochie aan de voorwaarden van het akkoord van 1654. .

De ‘duplique’ van 25 februari 1671 van de andere bedesetters van het Land van Asse is het laatste document in dit proces. De tekst verduidelijkt dat de hele discussie gaat over het logement van drie compagnieën, negen regimenten en 18 ‘tercen’ cavalerie. Maar het order werd niet getekend door een ‘audiencier’   en Hekelgem kon niet aantonen dat er in dergelijk geval ooit al repartities zijn geweest. Hekelgem heeft ook geen opgave gegeven over het aantal gelogeerde soldaten zodat de kosten niet konden worden berekend. De bedesetters aanvaardden dat er een logement was, maar alleen dat van een leger op doortocht. Dan werden de argumenten die Hekelgem aanbracht ontkracht:

1. De smaldeling van 17 januari 1595 betreft de kosten van een halve legerwagen en twee paarden.

2. Die van 15 november ging over enige kosten toen de meier door een ‘gemutineerde’ gevangen was.

3. Op 2 februari 1596 hebben alle dorpen onder Asse een akkoord gesloten dat de smaldeling zal gelden voor wagens, paarden, en dergelijke lasten en voor opgelegde penningen volgens de repartitie van 1595.

4. Op 10 mei 1605 gaven de meier en de schepenen van de Vrijheid van Asse het advies dat de lasten moeten worden verdeeld volgens de ‘qualiteijt, conditie ende maght van elcke prochie. Dat heeft niets te maken met logementen van troepen.

5. De bedesetters stellen ook dat ten tijde van het logement de meeste van de bedesetters gevlucht waren en dat de lasten alleen op de schouders kwamen van degenen die zijn gebleven. Bijgevolg zouden de gevluchten nog winst halen bij een repartitie.

6. Door hun vlucht hebben soldaten in de andere dorpen naar voedsel en drank voor hen en voor hun paarden gezocht.

7. Op weg van Asse naar Aalst heeft een troep Fransen nog in Asse gelogeerd en er veel schade aangericht, maar de kosten bleven buiten de smaldeling.

8. De resolutie van 6 september 1654 heft het akkoord van 1646 op

9. De laatste weerlegging handelt over de inbeslagname van zes paarden van de abdij. De waarheid is dat de vijand de paarden genomen heeft om de pakken van de abdij te dragen.

Besluit.

Dat er na een proces dat anderhalf jaar duurde, geen reactie van Hekelgem meer kwam, betekende wellicht dat de bedesetters er de brui aan gaven en dat ze noodgedwongen zelf voor de kosten moesten opdraaien.

Rechtszaken te Hekelgem in de 19de eeuw.

1825 – Hekelgem, een pv van burgemeester De Doncker[1].

Op 3 oktober 1825 stelde burgemeester Joseph De Doncker een Pro Justitia op over een vechtpartij in zijn gemeente in de herberg van de weduwe Ledegen. Op die zondag deed hij samen met Joannes Bosteels, eerste assessor[2] van de gemeente, sieur Ferdinandus Pernot, marechaussée van de brigade van Asse die gevraagd was als steun voor de politie bij gelegenheid van de kermis en veldwachter Francis André de controle op de sluiting van de herbergen om 10 u. zoals voorzien in het politiereglement. Bij het pv voegde hij volgend schrijven. De spelling hebben wij om de leesbaarheid te vergroten aangepast:

Hekelgem den 3de 8ber 1825.

Wij hebben de eer hier nevens te zenden proces-verbaal van zaken die ons voorgevallen zijn in de executie van onze functie.  Alzo zult u zien. Wij hebben ook de eer te observeren dat de genoemde Judocus De Bailliu een grote bavard en stouterik is waar hij gedurende het dispuut met De Witte en Van Oudenhove 4 à 5 maal is binnen geweest, zonder twijfel met de goede (!) intentie van de marechaussée aan te randen en wat de gemelde De Witte en Van Oudenhove aangaat, deze zijn geheel brutale stouteriken die daarmee aan de kleine volkeren doen geloven dat er geen autoriteit of politie is. Dus verzoeken wij deze zaak ten opzichte van deze drie promptelijk te doen vervolgen opdat het publiek zou zien dat er autoriteit en politie is. Anderszins zou het met deze zeer slecht gaan. Wij kunnen uw en ons misnoegen in deze zaak niet genoeg uitdrukken daar wij nochtans niet anders betrachten dan het gemeen welvaren en rust dewelke zulke slechte personen door hun stoutigheden trachten te beletten.

Wij nemen ook de liberteit uw door dezen te vragen of in ’t toekomende men zulke stouteriken, en om beter te zeggen schobbejakken, met ’t geweld niet mag doen vertrekken opdat men aldus met ons niet zou moeten lachen. Anderszins moet de politie zeer slecht handelen want zulke stouteriken zouden anderen opmaken om benevens hen te zitten zolang zij dat willen en aldus daardoor de autoriteiten willen kooyjongens / vachers / maken. Dus verzoeken wij hierover UE antwoord opdat wij ons daaraan in ’t toekomende zouden kunnen reguleren.

De burgemeester en 1ste assessor der gemeente van Hekelgem.

Het pv van de burgemeester.

Om kwart voor elf kwamen ze aan de herberg van de weduwe Peeter Ledegen. Er waren nog zo’n twaalftal bezoekers. Na enige tijd verzocht hij de aanwezigen hun glas leeg te drinken, te betalen en te vertrekken. Niemand gaf een gevolg aan zijn oproep en de burgemeester had de indruk dat men de politie wou uitlachen door te zeggen dat hij beter zou naar huis gaan. Daarop hebben zij Benedictus Schoon, die bij zijn broer Francis woont, bij de haren gegrepen en heeft Ferdinandus Pernot hem enkele slagen met zijn sabel gegeven. Dan zijn alle klanten naar buiten gesprongen behalve Judocus De Bailliu[3] die bij zijn moeder woont, de weduwe van Jan Baptist De Bailliu. Die verzette zich en werd met geweld naar buiten geduwd waar enkele harde woorden vielen tussen hem en de marechaussée. Ondertussen verzocht Joannes Bosteels Constantinus De Witte[4], een jonge man van 23 à 24 jaar die bij zijn vader de heer Benedictus Emanuel De Witte, olieslager en pachter woont, en pachter Jan Baptist Van Oudenhove[5] de herberg te ontruimen. Zij antwoordden dat ze niet vertrokken en ze gingen zitten. De assessor greep De Witte vast om hem buiten te zetten. Die verdedigde zich Van Oudenhove greep de assessor zodanig vast  dat hij niet weg kon. De burgemeester hoorde het lawaai en liep naar binnen en zag hen vechten. Tegen Van Oudenhove zei hij :”Malheureuzen wat gaet gij doen tegen de politie vegten”. Hij antwoordde al vloekend:  “Het is gelijk, het is eenen schelen, hij moet er aen”, De burgemeester zag dat er niets aan te zeggen was, greep hem bij  de kraag, draaide hem om en met de hulp van anderen werd het gevecht gestopt. Daar ze bleven weigeren het huis te verlaten, verwittigde de burgemeester hen dat ze voor het vechten en de weigering om hun verzoek op te volgen geverbaliseerd zullen worden. Zij antwoordden: “Doet al wat gij kond en wilt, men draegt ons geen politie aen”. Dat belette ons om onze ronde voort te zetten want zodra we zouden vertrekken, zouden de anderen weer binnenkomen en enkelen waren al dronken. Uiteindelijk zijn De Witte en Van Oudenhove rond één uur naar huis gegaan.

Bevel tot aanhouding.

Joannes Declercq rechter ter instructie van het arrondissement Brussel, provincie Zuid-Brabant, gaf aan alle deurwaarders of agenten der openbare macht, mits zich aan de wet te houden, te dagvaarden:

1ste Judocus De Bailliu wonend bij zijn moeder, weduwe De Bailliu.

2de Constantinus De Witte, zoon van Benedictus.

3de Jan Baptist Van Oudenhove, pachter.

Allen inwoners van Hekelgem, voor belediging en mishandeling van de heer burgemeester &a ten einde over het hen ten  laste gelegde gehoord te worden. Verzoeken alle bewaarders der openbare macht om, zulks gevorderd wordende, de sterke hand te lenen ter uitvoering van dit tegenwoordig bevel hetwelk wij getekend en met onzen zegel bekrachtigd hebben.

Gedaan in ons kabinet in het Paleis van Justitie te Brussel de 6de 8ber 1825.

Bezorging van de dagvaarding.

Op 9 oktober 1825 bezorgden drie rijkwachters van de brigade van Asse, Joannes Scheemaker, brigadier, Louis Dirickx en Ferdinand Pernot marechaussées, samen met schepen Vertonghen een afschrift van het bevel van de heer Procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, aldaar zijn woonstede verkiezende, in het parket ten Paleize van Justitie aan Judocus De Bailliu en Jan Baptista Van Oudenhove te Hekelgem Constantinus De Witte was niet thuis, maar zijn vader verzekerde hen dat zijn zoon het bevel zou opvolgen.

Het verhoor.

Op 10 oktober sloot deurwaarder Florentius Josephus Olivier de twee gedaagden op in de gevangenis van Brussel. Ze werden nog dezelfde dag verhoord door rechter Joannes De Clercq bijgestaan door griffier Lebrun. Judocus De Bailliu kwam als eerste aan de beurt. Op de vraag welke reden hij had om de burgemeester en de schepen in de nacht van 2 op 3 oktober 1825 te beledigen en te mishandelen, antwoordde hij dat hij niets kwalijks had gedaan wat getuigen kunnen bevestigen. Hij heeft alleen om een glas bier gevraagd. Het waren De Witte en Van Oudenhove die weigerden weg te gaan. Als de anderen naar buiten gingen, heeft hij dat ook gedaan. Op de opmerking dat het pv vermeldde dat hij een slechterik is, zei hij dat die opmerking niet van hem komt. J. B. Van Oudenhovehield tijdens zijn verhoor staande dat hij niemand beledigde. Het was de schepen die hem wegtrok en hij heeft De Witte tegen gehouden.

Constantiuns De Witte was zich pas gaan aanmelden op 19 oktober. Deurwaarder Jan Hannotien sloot hem op in de gevangenis.

Ruzie voor een kerkstoel[6].

Op Pasen 19 april 1829 wou Joannes Alexis Vereecken het lof bijwonen. Hij was een zoon van Judocus, onderwijzer en broer van hoofdonderwijzer van Hekelgem Joannes Benedictus Vereecken. In de kerk ging hij op de stoel van zijn moeder zitten. Jan Baptist De Schrijver, stoelzetter en herbergier, kwam bij hem en vroeg hem of hij weer thuis woonde. Joannes Alexis bevestigde dat, maar de stoelzetter trok de stoel weg met zo’n geweld dat Joannes Alexis op de vloer viel. Toen De Schrijver met de stoel wou weggaan, eiste Joannes Benedictus die terug, wat De Schrijver weigerde. Hij beet de hoofdonderwijzer toe dat hij hem nog meer  schandaal zou bezorgen want het bleek dat de moeder van de broers al drie jaar niet meer had betaald en hij eiste een onmiddellijke betaling. Dat was niet correct want het geld moet aan de kerkmeesters worden gegeven. De discussie ontstemde de kerkgangers. Na het voorval gingen de twee broers naar de herberg van Jan Baptist waar ze hem allerlei verwijten naar het hoofd slingerden. Die heeft echter geen klacht tegen hen ingediend.

Joannes Benedictus deed dat wel en voegde er een getuigenis van de landbouwers Franciscus Van den Bossche en Everardus De Brandt aan toe. Op 21 april 1829 antwoordde vrederechter J. De Pauw aan de rechter dat er door het voorval slechts weinigen waren gestoord en Joannes Benedictus had het recht de stoel terug te eisen. Zijn broer had dat recht niet want hij was geen inwoner van Hekelgem. Een andere broer van Joannes Benedictus, ook een onderwijzer die niet in Hekelgem woonde, had al eerder zijn moeders stoel bezet en ook hij weigerde stoelgeld te betalen. Het bleek toen dat de moeder al drie jaar niet meer voor de stoel betaalde. Toen hebben de kerkmeesters de stoel in de sacristie gezet, maar kort daarop was hij vermist of gestolen. De Vereeckens brachten hem naar de kerk terug zonder te betalen. Volgens vrederechter De Witte van Hekelgem wou de stoelzetter allen dat er correct werd betaald.

De rechtbank van eerste aanleg te Brussel was van oordeel dat er onvoldoende bezwaren waren om de stoelzetter te veroordelen.


[1] R. A. Vorst, Tribunal de première instance de Bruxelles. Tribunal correctionnel. Dossiers des affaires jugées. Série I, an III-1897, Toegang I 993, nr. 435/14.

[2] Letterlijk betekent het begrip ‘assessor’ bijzitter of helper. Met assessors krijg je onder meer te maken in het onderwijs, tijdens een assessment of in protestantse kerken. In België kan de assessor bijvoorbeeld lid zijn van de rechtbank van eerste aanleg of van het hof van beroep.Bron: Wikipedia.

[3] JUDOCUS DE BAILLIU is geboren op vrijdag 8 mei 1801 in HEKELGEM, zoon van JOANNES BAPTIST DE BAILLIU en MARIA JUDOCA DE SMEDT. JUDOCUS is overleden op vrijdag 22 april 1881 in HEKELGEM, 79 jaar oud. JUDOCUS trouwde, 28 jaar oud, op maandag 3 augustus 1829 in HEKELGEM met ANNA MARIA COPPENS, 33 jaar oud. ANNA is geboren op maandag 11 januari 1796 in HEKELGEM, dochter van ANDRIES COPPENS en JOANNA MARIA CLAUWAERT. ANNA is overleden op woensdag 30 april 1862 in HEKELGEM, 66 jaar oud.

[4] CONSTANTINUS ALEXANDER DE WITTE is geboren op maandag 29 september 1800 in HEKELGEM, zoon van BENEDICTUS EMMANUËL DE WITTE en CATHARINA PAULA DE LANTSHEERE. CONSTANTINUS is overleden op dinsdag 14 maart 1882 in HEKELGEM, 81 jaar oud. Hij is begraven op zaterdag 18 maart 1882 te HEKELGEM.

[5] JAN BAPTIST (BRUTUS) VAN HOUDENHOVE, zoon van FRANCISCUS VAN (H)OUDENHOVE en ANNA MARIA HEREMAN. Hij is gedoopt op donderdag 17 september 1789 in MELDERT. JAN is overleden op vrijdag 18 oktober 1850 in HEKELGEM, 61 jaar oud. JAN:

(1) trouwde, 24 jaar oud, op vrijdag 19 augustus 1814 in HEKELGEM met MARIA LUDOVICA JOSEPHINA LIBAR (LIBER), ongeveer 33 jaar oud. Het kerkelijk huwelijk vond plaats op donderdag 29 mei 1823 in HEKELGEM. Zij is een dochter van JEAN JACQUES (JOANNES JACOBUS) LIBAR (LIBER) en JEANNE DE MARTIN. Zij is gedoopt omstreeks 1781. MARIA is overleden op zaterdag 7 juni 1823 in HEKELGEM, ongeveer 42 jaar oud. Zij begon eerder een relatie met JEAN CHARLES MARIN MICHEL de GUEROULT de la Pallière.

(2) trouwde, 49 jaar oud, op woensdag 12 juni 1839 in HEKELGEM met CATHARINA HUBERTINA DE WITTE, 48 jaar oud. Bij het burgerlijk huwelijk van CATHARINA en JAN waren de volgende getuigen aanwezig: FRANCOIS ANDRE (geb. ±1777), SERAPHIEN DE MEERSMAN (geb. ±1807), ALEXIS LESPIRT (1809-1865) en CAROLUS

[6] R. A. Vorst, Tribunal de première instance de Bruxelles. Tribunal correctionnel. Dossiers des affaires jugées. Série I, an III-1897, Toegang I 993, nr. 586/12.

Hekelgem 1702: kohier van het hoofd-en beestengeld.

Strijd om de Spaanse Nederlanden[1].

Op 2 oktober 1700 liet de Spaanse koning Karel II de Spaanse Nederlanden na aan de hertog van Anjou, een kleinzoon van de Franse koning Lodewijk XIV. In Brussel was men blij met die beslissing omdat zo een Franse annexatie werd vermeden. Maar dat was zonder Lodewijk XIV gerekend. Op 4 december verkreeg hij van zijn kleinzoon de volmacht voor de heerschappij over de Nederlanden en hij liet zijn troepen bij verrassing de belangrijkste versterkte steden in de Spaanse Nederlanden innemen. Dat zinde de Verenigde Provinciën, Engeland en Oostenrijk niet en zij sloten een verdrag om het gebied te heroveren. Zij wilden een barrière tussen Frankrijk en de Verenigde Provinciën. Zo werd ons land weer de speelbal in handen van de grote Europese mogendheden. In mei 1702 was het opnieuw oorlog die gekend staat als de Spaanse Successieoorlog en tot 1713 duurde. De abdij en de hele omgeving had heel wat te lijden toen in 1707 de legeraanvoerders Malborough en Wittenberg er hun intrek namen en de soldaten alles plunderden.

Kohier van hoofd- en beestengeld.

Oorlog betekende voor de mensen vernielingen, opeisingen en meer belastingen en voor de overheid extra uitgaven en nieuwe inkomsten zoeken. De Staten van Brabant vaardigden op 2 juni 1702 een plakkaat uit voor persoons- en beestenbelastingen. De officier, schepenen en bestuurders van de parochies moesten de lijsten opstellen. Het geld is uitgedrukt in gulden (g), stuivers (st) en oorden (o).

Het interessante aan de lijst is dat hij een beeld geeft van de sociaaleconomische toestand van de bevolking: de gezinssamenstelling, het beroep van het gezinshoofd, het aantal kinderen, meiden en of knechten in dienst, de veestapel. De grootverdieners betaalden het meest, de armen waren vrijgesteld:

– het gezinshoofd minimum 1 g afhankelijk van het beroep, de echtgenote was vrijgesteld en wordt in deze lijst niet vermeld.

– een weduwe 10 st.

– per volwassen kind 1 g.

– een paard 1 g.

– een koe 16 st, een vaars 8 st.

1. De pastoor hoefde niets te betalen omdat zijn inkomsten minder waren dan 300 g.

2. Gilliam De Valck, arbeider met een paard en twee koeien: 3-12-0.

3. De weduwe Joos Van den Bossche, haar zoon Franciscus en twee koeien: 3-2-10.

4. Andries Willems, arbeider, zijn zoon Philips, een koe en een vaars: 3-4-0.

5. Gillis Wambacq, neringdoender, tapper van bier, zijn zoon Michiel, een paard, twee koeien: 5-12-0.

6. Jan De Vis, vrijgezel, een meid, een koe en een vaars: 3-4-0.

7. Hendrick Michiels, pachter, zijn zonen Jan Baptist en Jacobus, twee meiden, twee paarden en een     veulen, vijf koeien en een vaars, een os, twee kalveren en een half ploeg; 14-8-0.

8. Adriaen Van Bellingen, bakker en winkelier: 5-0-0.

9. Peeter De Vis, een koe: 1-16-0.

10. De weduwe Joos Van den Wijngaert, twee koeien en een vaars: 2-10-0.

11. Peeter Clauwaert, brouwer, twee knechten, een meid, twee paarden, drie koeien en een vaars: 15-16-0.

12. Judocus Godefroije, chirugijn: 5-0-0.

13. Andries Cornelis, pachter, twee paarden, drie koeien en vier vaarzen, een half ploeg: 6-10-0.

14. Jan Baptist Crick, brouwer, twee knechten, twee meiden, twee paarden, vier koeien en een vaars, een varken: 17-15-0.

15. Gillis Van den Bergh, arbeider, een koe en een vaars: 2-14-0.

16. Andries Serteel, boer, een knecht, een paard, twee koeien en twee vaarzen: 5-8-0.

17. Peeter Pirongh, werkman, een koe 1-16-0.

18. Peeter De Keghel, zijn zoon, twee koeien en een vaars: 4-0-0.

19. Peeter Van den Bossche, werkman, zijn moeder, een meid, een koe en een vaars: 4-4-0.

20. De weduwe Jan Verhoeven, haar zoon en twee koeien: 3-2-0.

21. Weduwnaar Jan Verleijsen, boer, twee zonen en een dochter, twee koeien en een vaars: 6-0-0.

22. Michiel De Cort, werkman, zijn vader, twee koeien: 3-12-0.

23. Cornelis Houtsebaut, winkelier, een koe en een vaars, een kalf, een varken: 3-13-0.

24. Peeter Vonck, brouwer, een dochter, een knecht, twee paarden, twee koeien en een vaars, een varken14-3-0.

25. Gillis Jacops, werkman, een zoon, twee vaarzen: 2-16-0.

26. Michiel Crick, neringdoender, tapper van bier, een koe: 2-16-0.

27. Jan Vermoesen, vrijgezel, neringdoender, tapper van bier, zijn broer Adriaen, zijn zus Elisabeth, een paard, een koe en een vaars: 6-4-0.

28. Geert De Schrijver, werkman, twee koeien: 2-12-0.

29. Joos Vermoesen, werkman, een koe en een vaars: 2-4-0.

30. Peeter Verhoeven, werkman, een koe: 1-16-0.

31. Peeter Vermoesen, werkman, een koe: 1-16-0.

32. Joos Van den Eijnde, werkman, twee koeien: 2-12-0.

33. De weduwe Gillis Verhoeven: 0-10-0.

34. Thomaes Verleijsen, werkman, zijn zus Elisabeth, een koe: 2-16-0.

35. Weduwnaar Gillis Linssens, werkman, zijn dochter Anna, twee koeien: 3-12-0.

36. De weduwe Carel Everaert, haar zonen Jan en Laureijs, een meid, twee koeien, een varken: 5-5-0.

37. Michiel Van Gete, werkman, zijn dochter Elisabeth, een koe: 2-16-0.

38. Joos Verleijsen, werkman, een koe en een vaars: 2-4-0.

39. Peeter Verleijsen, werkman, een meid, een koe en een vaars:3-4-0.

40. Pauwel Ledeghen, werkman, een koe en een vaars: 2-4-0.

41. Gillis De Schrijver, werkman, een koe en een vaars: 2-4-0.

42. Jan Schelffhout, pachter, een knecht, een meid, een paard met een veulen, drie koeien en een vaars: 7-16-0.

43. Adriaen Carnoije, werkman, een koe: 1-16-0.

44. Joos De Sadeleir, werkman, zijn zoon Michiel, een koe en een vaars: 3-4-0.

45. Pauwel de Vos, werkman, twee koeien en een vaars: 3-0-0.

46. Gillis Verleijsen, werkman, twee koeien: 2-12-0.

47. Gerstiaen Suijs, boer, zijn zonen Franciscus en Jan, zijn dochter Marieanna, twee paarden en een koe: 6-16-0.

48. Jan Mertens, smid, een knecht, een koe: 5-16-0.

49. Peeter De Raet, radenmaker, een koe: 4-16-0.

50. Peeter Van den Biesen, werkman, een koe en een vaars: 2-14-0.

51. Barbara Van den Eede, neringdoender, tapper van bier, haar zonen Adriaen en Laureijs, twee koeien: 5-12-0.

52.Jacobus Steenwinckel, een knecht, een meid, twee paarden, drie koeien, een half ploeg: 8-8-0.

53. Jan Pensionaeris, werkman, een koe: 1-16-0.

54. Franciscus Dauwe, schoenmaker, een meid, twee koeien: 4-12-0.

55. Ambrosius Robrechts, werkman, een meid, twee koeien: 3-12-0.

56. Aert De Vis, timmerman, een koe, een vaars, een kalf en een varken: 5-13-0.

57. Andries Ledegen, werkman, een koe en een vaars: 2-4-0.

58. Gillis De Decker, werkman, een koe en een vaars, 1-4-0.

59. Peeter De Roeije, werkman, een koe: 2-16-0.

60. Peeter Mertens, werkman, zijn moeder Marie Verhoeven, een koe: 2-16-0.

61. Michiel Clauwaert, boer, een knecht, twee koeien: 3-12-0.

62. Domicus De Bus, werkman, een koe: 1-16-0.

63. Inghel Carnoije, een koe en een vaars: 2-4-0.

64. ? Van den Driessche, werkman, een koe en een vaars: 2-4-0.

65. Andries De Boitselier, boer, een knecht, een koe, een vaars en een varken: 3-7-0.

66. Adriaen Hellinckx, pachter, een zoon, twee paarden, twee koeien en een vaars, een half ploeg: 7-10-0.

67. Jacobus Van Ransbeeck, pachter, een knecht, twee paarden, twee koeien en een vaars, een varken, een half ploeg: 7-13-0.

68. Franciscus Willems, pachter, een paard en een veulen, twee koeien, een half ploeg: 5-12-0.

69. Philips Fransen, pachter, twee paarden, drie koeien, een vaars, een kalf, een varken een knecht, een meid, een half ploeg: 14-15-0.

70. Merten Cornelis, pachter, drie knechten, een meid, drie paarden en een veulen, vijf koeien en een vaars, 50 schapen, een half ploeg: 25-19-0.

71. Joos Eeman, pachter, een zoon en een dochter, twee paarden en een veulen, drie koeien en een vaars, een varken, een half ploeg: 9-17-0.

72. Franciscus Cornelis, pachter, een knecht, een meid, een paard en een veulen, twee koeien en een vaars, een half ploeg: 7-10-0.

73. Jan Schoon, boer, zijn zoon Peeter, een meid, twee paarden, drie koeien die grazen op een weide in Teralfene (Vlaanderen) en daar belast worden: 5-0-0.

74. Nicolaes Kieckens, brouwer, twee knechten, een meid, twee paarden, vier koeien en 60 schapen die grazen op een weide in Teralfene en daar belast worden: 13-0-0.

75. Peeter Van Nieuwenhove, weduwnaar en pachter, twee dochters, een knecht, twee paarden, een half ploeg: 7-0-0.

76. De weduwe Peeter Van den Brouck, een knecht, een meid, een varken, twee koeien die grazen op een weide in Teralfene en daar belast worden: 2-13-0.

77. Gerstiaen Droeshout, boer, zijn dochters Peetronelle en Marie, een knecht, een paard, een varken, twee koeien die grazen op een weide in Erembodegem (Vlaanderen) en daar belast worden:  5-3-0.

78. Jan Van de Velde, boer, een paard, twee koeien die grazen op een weide in Erembodegem daar belast worden: 2-0-0.

79. Hendrick De Keghel, weduwnaar en werkman, zijn zoon Michiel, twee koeien die grazen op een weide in Erembodegem en daar worden belast: 2-0-0.

80. Jan Van Nieuwenhove, boer, een knecht, twee paarden, twee koeien die ook grazen in Erembodegem: 4-0-0.

81. Jan Blondeel, pachter, een knecht, een meid, twee paarden, een varken, een half ploeg, drie koeien die grazen in Erembodegem: 7-18-0.

82. Jan De Vis, molenaar, zijn zoon Gilliam, een dochter, twee koeien en een kalf 11-18-0.

83. Peeter De Vis, officier, een koe, een vaars, een kalf en een varken: 1-13-0.

De lijst, met een bedrag van 418 gulden 19 stuivers werd ondertekend op 20 juli 1702 door officier Peeter De Vis, schepen van het Land van Asse en meester Andries De Boitselier, de bedesetters Joos Eeman, Gerstiaen Droeshout, Jan Baptista Crick, Jacobus Van Ransbeeck en de gezworen klerk Peeter De Keghel. Op de lijst komen 14 verschillende beroepen voor:

– arbeider/werkman: 32.

– bakker en winkelier: 1.

– boer (kleine boer): 9.

– brouwer: 4.

– chirurgijn: 1.

– molenaar: 1.

– officier: 1.

– pachter (grote boer): 12.

– radenmaker: 1.

– schoenmaker: 1.

– smid: 1.

– tapper: 4.

– timmerman: 1.

– winkelier: 1.

Opmerking: soms was het beroep niet ingevuld en dat is ook het geval bij weduwen.

Ellende door oorlogsgeweld.

De Franse koning Lodewijk XIV had, met zijn ambitie om Frankrijk natuurlijke grenzen te geven, zijn veroveringsoorlogen tijdens de Negenjarige Oorlog (1689 – 1697) in de Zuidelijke Nederlanden uitgevochten. Voor onze streken betekende dat extra belastingen, contributies, opeisingen, plunderingen en verwoestingen. Dat Hekelgem in de schaduw lag van de beroemde en rijke abdij Affligem bracht veel voordelen mee. Maar in oorlogstijd was dat een groot nadeel. De troepen, zowel de aanvallende Fransen als onze zogenaamde bevrijders, de Spanjaarden, Nederlanders, Engelsen, Brandenburgers …, wisten heel goed dat de abdij een rijke buit was en kwamen maar al te graag, plunderend en brandstichtend naar Affligem en Meldert deelde mee in de klappen. Dom Bernard beschreef nogal beeldrijk hoe het leven in die tijd was voor de abdij en het omliggende[2]:

Toen gevoelde Affligem meer dan ooit de ongelukken van der oorlogen; geen dag zonder soldaten; geen morgend zonder vrees; geen avond zonder schrik; nauwelijks mochten wij ons verheugen over het vertrek van éénen soldaat of wij moesten ons bedroeven over de aankomst van velen: hooi en haver hadden wij in overvloed en nogthans weldra was alles verdwenen en men voedde de peerden met gerst en tarwe; voor de soldaten kon men geen bier of wijn genoeg opdienen; het droge hout voor vele jaren, werd op eenige maanden verbrand. Alle rust was voor de monniken verloren, de onbeschoftheid en de woede der soldaten was ons dagelijks brood en het water der bitterheid onze drank; somtijds waren drij of vier benden peerdenvolk en zooveel benden voetvolk met hunne oversten onze medebewooners en iedereen zal gemakkelijk begrijpen hoe spoedig al wat er in het klooster was, verteerd werd. Men haalde geld op, men kocht nieuwe levensmiddelen, maar altijd hetzelfde gebrek.

Enkele voorbeelden om duidelijk te maken wat dom Bernard bedoelde:

– Op 11 juni 1691dringen 50 Franse soldaten de abdij binnen. Ze eisen er bier en eten en vertrekken dan naar Meldert. Ze komen diezelfde nacht terug om de paarden te stelen.

– Heel de zomer wordt er rond de abdij gevochten tussen Spanjaarden en Fransen. Op 7 juli steken de Fransen Meldert in brand omdat de oorlogsbelasting nog niet was betaald.

– 13 september. Fransen steken in Meldert 2 huizen en het Hof te Mutsereel in brand.

– 1695. Na de beschieting van Brussel van 13 tot 15 augustus kwamen enige Franse soldaten naar de abdij en roofden gedurende 2 dagen al wat ze konden wegnemen en staken het verblijf van de aartsbisschop in brand.

– 4 mei 1696. Graaf Noyailles vestigt zich in de abtswoning.  Gevolg: het gebouw brandt af.

De verhalende bronnen over de oorlog leren ons dat niet alleen de abdij, maar ook de omliggende dorpen Asse, Baardegem, Essene, Hekelgem en Meldert zwaar werden getroffen. Geen wonder dat het kohier van de armen zo langis. Al mogen we niet vergeten dat Vlamingen en belastingen betalen niet goed samengaat.

Kohier van de arme huishoudens en andere armen van de parochie van Hekelgem die onmogelijk het hoofdgeld konden betalen daar zij dagelijks van aalmoezen leven die hun door de pastoor en de abdij Affligem worden gegeven.

  1. Michiel De Donder en zijn vrouw.
  2. Adriaen Kerstiaens en zijn huisvrouw.
  3. Joanna Van Den Bossche.
  4. Peeter De Meschmaecker, weduwenaar  en zijn dochter.
  5. Gillis Van De Velde en zijn vrouw.
  6. De weduwe Gilliam Van Den Bos en haar zoon.
  7. De weduwe Adriaen Schoon en haar twee zonen.
  8. Gillis Daus en zijn vrouw.
  9. De weduwe Geert Verhoeven en haar dochter.
  10. Aert Jansens en zijn vrouw.
  11. De weduwe Jan Van Den Dries met haar dochter.
  12. Carel Pirongh met zijn dochter.
  13. Adriaen Ruijsinck en zijn vrouw.
  14. Joos Smeth en zijn vrouw.
  15. Jan De Clercq en zijn vrouw.
  16. Franciscus Ledegen en zijn vrouw.
  17. De weduwe Jan Stock.
  18. Josina Van Den Biesen.
  19. Franciscus Pensionaris en zijn vrouw.
  20. Nicolaes Stevenijens en zijn vrouw.
  21. Joos De Pelsmaecker en zijn vrouw.
  22. Peeter Van Den Velde en zijn vrouw met zijn dochter.
  23. Laurijs Jacop en zijn vrouw.
  24. De weduwe Inghel Van Den Driessche.
  25. De weduwe Merten Schoon met haar zoon.
  26. Peeter Arijs en  zijn vrouw.
  27. De weduwe Cornelis Everaert.
  28. Jacobus Van Den Wijngaert en zijn vrouw.
  29. Peeter Lanson en zijn zoon.
  30. Franciscus Van Nieuwenborght en zijn vrouw met hun zoon.
  31. Michiel Schoonejans en zijn vrouw.
  32. Franciscus Restiaeu koster en zijn vrouw.
  33. De weduwe Michiel De Keghel.
  34. Jan De Clercq en zijn vrouw.
  35. Franciscus Verlijsen en zijn vrouw.
  36. Jan Ledeghen en zijn vrouw en hun zoon.
  37. Gilliam Van Varenbergh en zijn vrouw.
  38. Peeter Ledeghen en zijn vrouw.
  39. Peeter Van Rampelbergh en zijn vrouw.
  40. Merten Mattens en zijn vrouw.
  41. Adriaen Van Latem en zijn vrouw.
  42. De weduwe Peeter De Vos.
  43. Jan Baptista Roseleth en zijn vrouw.
  44. ? Carnoije en zijn vrouw en dochter.
  45. Jan Schoonjans enzijn vrouw.
  46. Laurijs Verlijsen en zijn vrouw.
  47. Adriaen De Leeuw en zijn vrouw.
  48. Michiel Stevens en zijn  vrouw en zoon.
  49. Hendrick Van Eijghen en zijn vrouw.
  50. Geert Bellemans en zijn vrouw.
  51. Tieleman Vasseur en zijn vrouw.
  52. De weduwe Jan Van De Perre.
  53. Jan Mertens de oude en zijn vrouw.
  54. Jacques De Sadeleir en zijn vrouw.
  55. Elisabeth Raes en Joanna De Ageleir haar grootmoeder.
  56. Gillis Van De Perre en zijn vrouw en zoon.
  57. Joanna De Bolle, weduwe De Vis, met een zoon.
  58. Michiel Eeckhout en zijn vrouw.
  59. Merten De Vuijst en zijn zoon en dochter.
  60. Anthoon Van Gete.
  61. De weduwe Merten Van Den Biesen met haar zoon.
  62. Hendrick Step en zijn vrouw.
  63. Casen De Rest en zijn vrouw.
  64. De weduwe Michiel De Boitselier en haar dochter.
  65. De weduwe Michiel Jansens.
  66. Carel Step en zijn vrouw.
  67. Adriaen Vertongen en zijn vrouw.
  68. Peeter De Ridder en zijn vrouw.
  69. Gillis Lambert en zijn vrouwe.
  70. Peeter Van Varenbergh en zijn vrouw.
  71. Melsen Mattens en zijn vrouw.
  72. Jan Arijs en zijn vrouw.
  73. ? Eeckhout en zijn vrouw.
  74. Peeter Van Den Bossche filius Michiels en zijn vrouw.
  75. Jacques Taveniers en zijn vrouw.
  76. Hendrick De Lanoije en zijn vrouw.
  77. Jan Clauwaert en zijn vrouw.
  78. Jan De Vis en zijn vrouw.
  79. Peeter Pensionaris en zijn vrouw.
  80. Jan De Keghel en zijn vrouw.
  81. De Bruecker en zijn vrouwe.

Pastoor N. Van den Nest bevestigde dat de vermelde families arm zijn en “miserabele mensen” die leven van aalmoezen van goede lieden en van het inkomen van de H. Geest.


[1] RA Vorst, Staten van Brabant, kartons, toegang T25 nr.395/3

[2] Dom Bernard, Geschiedenis der Benedictijner Abdij van Affligem, Gent, A. Siffer, 1890,  284.

Essene 1702: Kohier van hoofd-en beestengeld[1].


[1] RA Vorst, Staten van Brabant, kartons, toegang T25 nr.395/3

Strijd om de Spaanse Nederlanden.

Op 2 oktober 1700 liet de Spaanse koning Karel II de Spaanse Nederlanden na aan de hertog van Anjou, een kleinzoon van de Franse koning Lodewijk XIV. In Brussel was men blij met die beslissing omdat zo een Franse annexatie werd vermeden. Maar dat was zonder Lodewijk XIV gerekend. Op 4 december verkreeg hij van zijn kleinzoon de volmacht voor de heerschappij over de Nederlanden en hij liet zijn troepen bij verrassing de belangrijkste versterkte steden in de Spaanse Nederlanden innemen. Dat zinde de Verenigde Provinciën, Engeland en Oostenrijk niet en zij sloten een verdrag om het gebied te heroveren. Zij wilden een barrière tussen Frankrijk en de Verenigde Provinciën. Zo werd ons land weer de speelbal in handen van de grote Europese mogendheden. In mei 1702 was het opnieuw oorlog die gekend staat als de Spaanse Successieoorlog en tot 1713 duurde. De abdij Affligem en de hele omgeving had heel wat te lijden toen in 1707 de legeraanvoerders Malborough en Wittenberg er hun intrek namen en de soldaten alles plunderden.

Kohier van hoofd- en beestengeld.

Oorlog betekende voor de mensen vernielingen, opeisingen en meer belastingen en voor de overheid extra uitgaven en nieuwe inkomsten zoeken. De Staten van Brabant vaardigden op 2 juni 1702 een plakkaat uit voor persoons- en beestenbelastingen. De officier, schepenen en bestuurders van de parochies moesten de lijsten opstellen. Het geld is uitgedrukt in gulden (g), stuivers (st) en oorden (o).

Het interessante aan de lijst is dat hij een beeld geeft van de sociaaleconomische toestand van de bevolking: de gezinssamenstelling, het beroep van het gezinshoofd, het aantal kinderen, meiden en of knechten in dienst, de veestapel. De grootverdieners betaalden het meest, de armen waren vrijgesteld.

Het gezinshoofd betaalde minimum 1 g afhankelijk van het beroep, de echtgenote was vrijgesteld, een weduwe 10 st, een volwassen kind (vanaf 14 jaar!) 1 g, een paard 1 g, een koe 16 st, een vaars 8 st, een varken en een schaap 3st. Een ploeg was dan weer zwaarder belast.

1. De pastoor: 8-0-0 (dit bedrag werd doorstreept en niet betaald?)

2.  De pastoorsmeid: 1-0-0.

3. Jacobus Van der Elst, pachter met een half ploeg, zijn vrouw Catelijne, een meisje van 12 jaar, een paard en twee koeien en een rund: 5-10-0.

4. Joos Van der Elst, weduwnaar, arbeider, een meisje van 13 jaar en twee runderen: 1-16-0

5. Jan De Smeth, officier van Affligem, zijn vrouw, een koe: 1-16-0.

6. Gillis De Smeth, zijn vrouw, een ploeg, zijn zoon Gillis 9 jaar, zijn dochter Barbara 13 jaar zijn knechten Joos en Anthoon, de meiden Anna en Peeternelle, drie paarden, twee veulens, zeven koeien, vijf runderen en vijf varkens: 21-7-0.

7. Laurijs Van  Mijlsbrugges, arbeider, zijn vrouw, zijn zonen Jan en Franciscus 12 en 10 jaar, een koe: 1-17-0.

8. De weduwe Jacques Van Droogenbroeck, molenares van twee molens, drie zonen, drie knechten, twee meiden, drie paarden, twee veulens, zes koeien en acht varkens: 26-0-0.

9. Jan Pauwels, arbeider, zijn vrouw, een zoon, zijn dochter Peeternelle, een koe en een rund: 5-4-0.

10. Peeter Verbeeren, arbeider, zijn vrouw, zijn zoon Geeraert 15 jaar, een koe en een rund: 3-4-0.

11. Jan Van Vaerenbergh, pachter, een ploeg, zijn vrouw, drie knechten, twee meiden, twee paarden, twee veulens, zeven koeien, drie runderen en twee varkens: 20-2-0.

12. Merten Van den Abbeele, arbeider, een koe, een rund en een varken: 1-7-0.

13. Gillam Van Vaerenbergh, arbeider, zijn vrouw, zijn zonen van 10 en 12 jaar, drie koeien en een rund: 3-16-0.

14. Gillis Van den Abbeele, arbeider, zijn vrouw, twee runderen: 2-4-0.

15. Michiel (onleesbaar), arbeider, zijn vrouw, een dochter, een zoon van twaalf en een koe: 3-12-0.

16. Jan De Clerck, kleermaker, doende lanslabeur, zijn schoonzoon Philips, zijn vrouw en een koe: 2-16-0.

17. Joos De Loose, arbeider, zijn vrouw, een koe en een rund: 2-4-0.

18. Carel Steppe, schoenmaker, doende lanslabeur, zijn vrouw en een koe: 1-16-0.

19. Gillis Van der Guchte, arbeider, zijn vrouw, twee koeien en een varken: 2-15-0.

20. Anthoon Taeleman, strodekker, doende lanslabeur, zijn vrouw, een zoon van 7, twee koeien: 2-12-0.

21. Caerel Van der Borght, arbeider, zijn vouw, een koe: 1-16-0.

22. Laurijs Arijs, arbeider, zijn vrouw, een dochter van 16 en een van drie, twee koeien en een rund: 4-0-0.

23.Peeter Goossens, een ploeg, zijn vrouw, een zoon van 11 en een dochter van 14, een paard en twee koeien: 6-2-0.

24.Peeter Timmerman, arbeider, zijn vrouw, een koe: 1-16-0.

25.Franciscus Tirron, arbeider, zijn vrouw, een knecht: 2-0-0.

26. Michiel De Cort: arbeider, zijn vrouw, twee zonen, twee koeien en een rund: 5-0-0.

27. Franciscus Van de Putte, knecht op de Avernellenmolen, zijn vrouw, een koe: 1-16-0.

28. Joos De Geijnt, arbeider, zijn vrouw, een koe, een rund, zijn zoon Michiel, een dochter, twee kinderen onder de 14: 4-4-0.

29. Franciscus De Geijnt, arbeider, zijn vrouw, een koe: 1-16-0.

30. Daneel Caemerman, herbergier, doende lanslabeur, zijn vrouw, twee dochters, een koe en een rund; 4-4-0.

31. Hendrick De Witte, arbeider, zijn vrouw: 1-0-0.

32. De weduwe Andries Van der Straeten, een brouwerij, twee paarden, twee veulens, vijf koeien, haar zoon Steven, een knecht, een meid, vier varkens en drie runderen: 16-16-0.

33. Merten Wambacq, arbeider, zijn vrouw, een koe en een rund: 2-4-0.

34. Laurijs De Moore, arbeider, zijn vrouw, zijn dochter Catharina, nog een dochter van 16, twee koeien, een rund en een kalf: 5-6-0.

35. Hendrick De Smeth, arbeider, zijn vrouw, zijn zoon Jan 16, twee koeien: 3-12-0.

36. De weduwe Gillis Van Onsem, boer, haar zoon Joos, een paard, een koe en een rund: 3-14-0.

37. Peeter De Meij, arbeider, zijn vrouw: 1-0-0.

38. Arnout De Meij, arbeider, zijn vrouw, zijn zoon Gillis 13 jaar, een koe en een rund: 2-4-0.

39. Joos De Coster, arbeider, zijn vrouw, een koe en een rund: 2-4-0.

40. Gillis Van den Weijngaert, herbergier en doende lanslabeur, zijn vrouw, zoon Michiel 18 jaar, twee koeien: 3-12-0.

41. Jan De Jonghe, arbeider, zijn vrouw, zijn zonen Michiel 17 jaar en Philips 10 jaar, een koe en een rund: 4-4-0.

42. Franciscus Wambacq, pachter met een half ploeg, zijn vrouw, een paard, twee koeien, twee runderen: 5-8-0.

43. Bartholomeus Caemerman, pachter met een half ploeg, zijn vrouw, twee paarden, een veulen, vijf koeien, twee runderen, een varken, zijn knecht Merten en zijn meid Anna: 11-9-0.

44. Peeter Wambacq, brouwer, zijn vrouw, zijn knechten Joos, Franchois en Lucas, zijn meiden Anna en Elisabeth, drie paarden, drie koeien, vijf runderen en drie varkens: 21-5-0.

45. Lucas Bruijlant, pachter met een ploeg, zijn vrouw, zijn zonen Jan 7 jaar en Nicolaes 8 jaar, zijn knechten Jan, Philips en Jan, een meid, drie koeien, drie runderen, drie paarden en een veulen,een varken:   16-1-0.

46. Jan Caemerman, herbergier en doende lanslabeur, zijn vrouw, zijn dochter François 17 jaar, zijn zoon Bertel 12 jaar, een koe: 2-16-0.

47. Nicolaes Meert, pachter met een half ploeg, zijn vrouw, zijn zonen Franciscus, Gillis 18 jaar en nog een zoon van 13 jaar, twee paarden, twee koeien, 9-2-0.

48.Gillis De Bus, herbergier en doende lanslabeur, zijn vrouw, zijn dochter Anna Marie (+ 14 jaar), een koe en een rund: 3-4-0.

49. (onleesbaar), paardensmid en doende lanslabeur, zijn vrouw, zijn ongetrouwde zoon koster, Catharina zijn meid,  zijn zonen Philips en Andries, zijn meid Catharina, een koe: 4-16-0.

50. Jacobus Van (onleesbaar), pachter met een half ploeg, zijn vrouw, zijn meid Joanna, zijn knecht Franciscus 18 jaar, twee koeien, een rund en twee paarden: 8-10-0.

51. Nicolaes Dauman, winkelier en doende lanslabeur, zijn vrouw, twee kinderen, 4 en 9 jaar: 2-0-0.

52. Franciscus Van der Slachmolen, wagenmaker en doende lanslabeur, zijn vrouw, een koe: 1-16-0.

53. Gelaudis Batholomeus, winkelier en herbergier, zijn vrouw: 2-0-0.

54. Baltasar De Bus, arbeider, zijn vrouw, een knecht van 20 jaar, een koe en een rund: 3-4-0.

55. Peeter Van den Wijngaert, schoenmaker en doende lanslabeur, zijn vrouw: 1-0-0.

56. Gillam Van Vaerenbergh, kuiper en doende lanslabeur, zijn vrouw, een koe: 1-16-0.

57. Jacobus De Meij, pachter met een half ploeg, zijn vrouw, zijn knecht Jan, zijn meid van 13 jaar, twee koeien, een rund, een paard en een veulen: : 7-0-0.

58. Aernoudt De Smedt, pachter met een half ploeg, zijn vrouw, zijn meid Marge, een paard, twee koeien en een rund: 6-10-0.

59. Peeter  Wilms, arbeider, zijn vrouw, een meid van 30 jaar, een koe en een rund: 3-4-0.

60. Gillis Coppens, arbeider, zijn vrouw, een koe en een rund: 2-4-0.

61. Jan Van Neervelt, officier van Essene, zijn vrouw, zijn dochters Joanna 17 jaar en Marie 12 jaar, zijn knecht Jan 18 jaar, een koe en een rund: 5-0-0.

62. Michiel Van den Houte, arbeider, zijn vrouw en een koe: 1-16-0..

63. Aernout Boon, arbeider, zijn vrouw: 1-0-0

64. Jan Steppe, officier van Essene, zijn vrouw, een koe en een kalf: 2-4-0.

Totaal van de belastingen: 327-0-0. Op 11 augustus 1702 ondertekenden de ‘regeerders’ van de parochie dit kohier: Lucas Bruijlants, Francis Wambacq, Antoon Taelman en de gezworen klerk Gillis De Smeth.

Cohier der prochie van Esschene van hooft, peerde ende beeste gelt voor de nieuwe subsidie van desen jaere 1702 volghens de instructie vuijtgesonden bij de heeren staeten van brabant.

Ellende door oorlogsgeweld.

De Franse koning Lodewijk XIV had, met zijn ambitie om Frankrijk natuurlijke grenzen te geven, zijn veroveringsoorlogen tijdens de Negenjarige Oorlog (1689 – 1697) in de Zuidelijke Nederlanden uitgevochten. Voor onze streken betekende dat extra belastingen, contributies, opeisingen, plunderingen en verwoestingen. Dat Essene in de schaduw lag van de beroemde en rijke abdij Affligem bracht veel voordelen mee. Maar in oorlogstijd was dat een groot nadeel. De troepen, zowel de aanvallende Fransen als onze zogenaamde bevrijders, de Spanjaarden, Nederlanders, Engelsen, Brandenburgers …, wisten heel goed dat de abdij een rijke buit was en kwamen maar al te graag, plunderend en brandstichtend naar Affligem en Essene deelde mee in de klappen. Dom Bernard beschreef nogal beeldrijk hoe het leven in die tijd was voor de abdij en het omliggende[2]:

Toen gevoelde Affligem meer dan ooit de ongelukken van der oorlogen; geen dag zonder soldaten; geen morgend zonder vrees; geen avond zonder schrik; nauwelijks mochten wij ons verheugen over het vertrek van éénen soldaat of wij moesten ons bedroeven over de aankomst van velen: hooi en haver hadden wij in overvloed en nogthans weldra was alles verdwenen en men voedde de peerden met gerst en tarwe; voor de soldaten kon men geen bier of wijn genoeg opdienen; het droge hout voor vele jaren, werd op eenige maanden verbrand. Alle rust was voor de monniken verloren, de onbeschoftheid en de woede der soldaten was ons dagelijks brood en het water der bitterheid onze drank; somtijds waren drij of vier benden peerdenvolk en zooveel benden voetvolk met hunne oversten onze medebewooners en iedereen zal gemakkelijk begrijpen hoe spoedig al wat er in het klooster was, verteerd werd. Men haalde geld op, men kocht nieuwe levensmiddelen, maar altijd hetzelfde gebrek.

Enkele voorbeelden om duidelijk te maken wat dom Bernard bedoelde:

– Op 11 juni 1691 dringen 50 Franse soldaten de abdij binnen. Ze eisen er bier en eten en vertrekken dan naar Meldert. Ze komen diezelfde nacht terug om de paarden te stelen.

– Heel de zomer wordt er rond de abdij gevochten tussen Spanjaarden en Fransen. Op 7 juli steken de Fransen Meldert in brand omdat de oorlogsbelasting nog niet was betaald.

– 13 september. Fransen steken in Meldert 2 huizen en het Hof te Mutsereel in brand.

– 1695. Na de beschieting van Brussel van 13 tot 15 augustus kwamen enige Franse soldaten naar de abdij en roofden gedurende 2 dagen al wat ze konden wegnemen en staken het verblijf van de aartsbisschop in brand. Het Ankerhof werd volledig vernield

– 4 mei 1696. Graaf Noyailles vestigt zich in de abtswoning.  Gevolg: het gebouw brandt af.

De verhalende bronnen over de oorlog leren ons dat niet alleen de abdij, maar ook de omliggende dorpen Asse, Baardegem, Essene, Hekelgem en Meldert zwaar werden getroffen. Uit het overzicht van de schadeclaims van 1696 voor de Negenjarige Oorlog, uitgebroken in 1689, blijkt dat Essene voor 189 765 g 9 st aan schade claimde waarvan 25 000 gulden voor brand en 553 839 g voor logementen[3]. Geen wonder dat het kohier van de armen zo lang is. Al mogen we niet vergeten dat Vlamingen en belastingen betalen niet goed samengaat.

Lijst van de arme ‘schamele menschen’ die uit schaamte geen hulp van de Tafel van de H. Geest willen ontvangen.

1. De weduwe De Messemaker, twee kinderen, een koe met een rund.

2. Merten Raese, arbeider, zijn vrouw met drie kleine kinderen onder de zeven jaar, een koe

3. Geerart Tiron, arbeider, zijn vrouw.

4. Gillis De Jonghe,  weduwenaar met drie ‘platte’ kinderen.

5. Peeter Van Den Bossche, arbeider, zijn vrouw, twee oude lieden.

6. De weduwe Melchior Van Den Driessche met twee kleine kinderen onder de 14 jaar, een zoon van  18 jaar die de kostwinnaar is, een koe.

7. Nicolaes Stevens, arbeider, zijn vrouw, beiden ‘onbequaem om hunnen kost te winnen’, twee kinderen oud tussen de 7 en 17 jaar, de zoon van 17 zorgt voor de ouders, een koe.

8. Joos Van Den Bossche, arbeider, zijn vrouw, een kind van 7 jaar, een zoon van 20 jaar, een koe.

9. De weduwe Jan Rosiers, arbeidster, drie kleine kinderen, een zoon van 25 jaar, de moeder is de kostwinner, een koe met een rund.

10. Peeter Stevens, arbeider, en zijn vrouw, een dochter van 9 jaar.

11. Joos Van Cauwenbergh, arbeider, zijn vrouw, zij bezitten niets.

12. Geeraert Caemerman, arbeider, zijn vrouw, twee kleine kinderen, een koe.

Lijst van de armen die hulp van de Tafel van de H. Geest of van goede lieden ontvangen.

1. De weduwe Andries Van Rooyde den oude, een oude vrouw van omtrent 70 jaar met een gehandicapte dochter, een koe, een zoon die zijn moeder bijstaat.

2. Peeter De Boitselier, arbeider, zijn vrouw met drie kleine kinderen en een koe.

3. Michiel De Jonghe en zijn vrouw,  beiden oud en een koe.

4. Adriaen De Jonghe en zijn vrouw.

5. Caerel Van Rooyde en zijn vrouw die niets hebben.

6. Merten Pauwels,  weduwenaar met drie kleine kinderen en een koe.

7. De weduwe Lucas Jacop, een oude vrouw, een dochter die haarmoeder bijstaat en een koe.

8. Franciscus Rogge, arbeider, en zijn vrouw die weinig hebben.

9. De weduwe Cornelis De Weese, een oude vrouw,  een zoon van 16 jaar,  een rund.

10. Nicolaes Symons, arbeider, met zijn vrouw.

11. Geerart Van Neervelt, arbeider, met zijn vrouw en een koe.

12. Daneel Van Braechem, arbeider, met zijn vrouw, een rund.

13. De weduwe Adriaen De Ridder, een oude vrouw met een koe.

14. Aernout Schellinck, arbeider, met zijn vrouw en drie kleine kinderen.

15. Jan Van Den Broeck met zijn vrouw met drie kleine kinderen en een koe.

16. Franciscus Verberen, arbeider, met zijn vrouw.

17. Hendrick De Ridder, weduwenaar met drie ‘platte’ kinderen.

18. Joos Van Langenhove met zijn vrouw en een rund.

19. Gillis Van ? met zijn vrouw, een dochter van 10 jaar, een koe.

20. Joos Van Den Bossche met zijn vrouw.

21. Geerart Schoeman, arbeider, met zijn vrouw, een kind van 9 jaar, een rund.

22. Adriaen Van Den Abbeele, arbeider, met zijn vrouw, een koe.

23. Gillis Van Den Abbeele, arbeider, met zijn vrouw.

24. Peeter Van Ransbeeck, arbeider, met zijn vrouw, een dochter van 13 jaar, een koe.

25. Jacques Vermatten, arbeider, met zijn vrouw, een dochter van 13 jaar, een rund.

26. Mattheus De Cort, arbeider, met zijn vrouw, een dochter van 12 jaar.

De lijst werd voor waar verklaard en ondertekend door J. Van Haecht, pastoor van Essene.

In Essene waren er 16 verschillende beroepen:

-arbeider: 30.

-boer: 1.

-brouwer: 2.

-herbergier: 5.

-kleermaker: 1.

-kuiper: 1.

-officier van de gemeente: 3.

-molenaar: 1.

-pachter: 11.

-paardensmid: 1.

-schoenmaker: 1.

-strodekker: 1.

-wagenmaker: 1.

-winkelier: 1.

Besluit.

In tegenstelling tot Hekelgem is er hier maar 1 vermelding van boer, kleine landbouwer vergeleken met de grote boeren, de pachters. Maar de kleermaker, de schoenmaker, de herbergiers, de paardensmid, de winkelier en de kuiper bewerken ook het land. Van de 63 gezinnen waarvan het beroep is gekend zijn er 30 aangeduid als arbeider. De ploeg was bijzonder belangrijk voor de boeren. Ze was ook duur want meerdere boeren deelden er een met een collega. Het meest opvallende aan dit kohier is dat 38 gezinnen in armoede leefden en ondersteuning nodig hadden. De opeenvolgende oorlogen hadden daar zeker schuld aan.


[1] RA Vorst, Staten van Brabant, kartons, toegang T25 nr.395/3

[2] Dom Bernard, Geschiedenis der Benedictijner Abdij van Affligem, Gent, A. Siffer, 1890,  284.

[3] R. Vermoesen, ‘De negenjarige Oorlog’, Eigen Schoon en De Brabander, jg. <LXXXV, (2002) 436.

Asse wil nieuwe tiendeklok.

1742. Het geduld van de hoofddrossaard, de schepenen, de bedesetters en de regeerders van de ‘Poort en Vrijheid van Asse’ is op. Al geruime tijd verzochten ze de abdij Affligem om hen een nieuwe tiendeklok te bezorgen. Hun huidige klok was al enkele malen gescheurd en hergoten, maar dat had niet geholpen want er zijn weer scheuren en er vallen zelfs stukken af die het gewelf van de kerk kunnen beschadigen. Ze is nu onbruikbaar en dat tot groot ‘ongerief’ van de Assenaren. Als tiendeheffer te Asse is volgens hen de abdij verplicht om voor een nieuwe goede klok te schenken. Hun griffier P. Gheude was al meermaals naar de abdij gegaan om het probleem aan te kaarten, maar hij vond er geen gehoor. Op 21 juni 1742 stapte hij in opdracht van het parochiebestuur naar Affligem met een ultimatum. Als de abdij binnen de drie maanden niet voor een nieuwe tiendeklok zorgde, dienden ze een klacht in bij de Raad van Brabant. Dat maakte weinig indruk op proost Odo De Craecker[1]. Hij antwoordde dat hij de kwestie aan de aartsbisschop en abt van Affligem, Thomas d’ Alsace[2], zou voorleggen.

Omdat op 17 oktober 1742 de abdij nog niet had gereageerd, spande Joannes Emmanuel Loovens een proces aan tegen de abdij bij de Raad van Brabant. Hij stelde dat Affligem jaarlijks de grote tienden inde en bijgevolg moest zorgen dat de parochie een goede tiendeklok had en dat de proost zich niet aan die verplichting had gehouden. Op 27 oktober kwam er een reactie van de aartsbisschop. Een proces tegen de abdij inspannen was zeker niet nodig want hij gaf nog liever twee klokken dan tegen Asse te moeten procederen. Zodra het werk dat toeliet, zou hij de klok laten hergieten. De secretaris van de aartsbisschop reageerde op 27 oktober 1742. Een proces tegen de abdij inspannen was zeker niet nodig want hij gaf nog liever twee klokken dat tegen de parochie te procederen. Zodra het werk het toeliet, zou de proost de klok laten hergieten.

De hoofddrossaard en de andere regeerders vertrouwden de zaak niet. Ze vreesden dat het hergieten van de klok de problemen niet zou oplossen zoals ze in het verleden al hadden ondervonden. Om hun eis voor een nieuwe klok kracht bij te zetten, lieten ze de klok door S. Roelants en Jan Van Laer, twee meester-klokkengieters van Brussel onderzoeken. Hun verslag was klaar op 20 augustus 1743 (zie verder). In een uitgebreid schrijven liet het aartsbisdom op 2 september 1743 weten dat de huidige problemen met de tiendeklok te wijten zijn aan de voorgaande hergietingen die de regeerders van de Vrijheid van Asse lieten uitvoeren. De afwijkende toon ten opzichte van de andere kerkklokken konden ze met geringe kosten zelf laten herstellen. Die oplossing hebben ze afgewezen omdat ze zich lieten beïnvloeden  door de meester-klokgieters om een nieuwe klok te eisen.

Patstelling.

Met het antwoord van het aartsbisdom was het duidelijk dat een oplossing van de Raad van Brabant moest komen. Beide partijen stelden een advocaat aan. Voor Asse was dat J. Henricy en de aartsbisschop koos voor Henry de L’ Escaille. Wat volgde was een drukke correspondentie tussen de advocaten waarbij telkens nieuwe argumenten opdoken. Om onnodige herhalingen te vermijden hebben we alle argumenten verzameld, eerst die van Asse gevolgd door het wederwoord van het aartsbisdom.  P staat voor parochie en A voor abdij/aartsbisdom.

1.P: De abdij heeft de plicht voor een nieuwe klok te zorgen want de jaarlijkse tienden leveren vier- à        vijfduizend gulden op.

    A: Wij hebben voor een klok gezorgd.

2. P: Het resultaat van de hergietingen is dat de boord buiten proportie is met de dikte van de ‘bourdon’ en het materiaal gelijkt meer op  ijzer dan op klokspijs.

    A: De parochie heeft niet te beslissen over de kwaliteit van de spijs van de klok, Als de ‘bourdon’ te dik is in verhouding tot de kuip, de boord buiten proportie met de diameter heeft dat geen belang zolang de klok de parochianen naar de kerk roept,.

3. P: Als het bisdom een klok wil laten gieten met het materiaal van de oude dan zullen de gebreken blijven.

    A: Wij hebben de klok laten hergieten en nog is de parochie niet tevreden.

4. P: De gescheurde klok kan de parochianen niet meer oproepen voor de goddelijke diensten.

    A: De parochianen kunnen de klok wel horen. 

5. P: De meester-klokkengieters hebben de klok niet goed bevonden.

    A: De regeerders hebben zich laten beïnvloeden door de meester-klokkengieters om een nieuwe klok te eisen.

6. P: De tiendeklok is opgelapt en niet meer gelijk aan de originele.

    A: De toon moet niet gelijk zijn aan vroeger.

7. P: De klokspijs is nu bros en grijs.

    A: Het bisdom heeft er geen weet van dat de klok bros en grijs is.

8. P: De abdij had ook experts kunnen aanstellen om de klok te onderzoeken.

9. P: De klank van de tiendeklok harmonieert niet met de andere klokken in de toren.

    A: De abdij is niet verplicht om voor een klok met dezelfde resonantie te zorgen. Een tiendeklok maakt geen deel uit van een beiaard.

10. P: Het aartsbisdom wil alleen het proces vertragen.

      A: Het is niet duidelijk wat de parochie nu wil. Gaat het over het gewicht of de vorm, de discordantie met de andere klokken of de hoorbaarheid in heel de parochie?

11. De parochianen laten zich niet tevreden stellen met appels voor citroenen noch met ketels voor klokken.

De laatste reactie kwam van het aartsbisdom op 12 januari 1745 en luidde: de parochie moet ophouden met te beweren dat ze geen behoorlijke klok heeft. Het vonnis van de Raad van brabant ontbreekt in het document.

Wij ondergeschreven meesters clockgieters binnen de stadt Brussel ende haere cuijpe verclaeren ten versoecke van den hoofddrossaert, schepenen ende regeerders der prochie ende vrijheijdt van Assche gevisiteert te hebben op den thoren van de parochiaele kercke van Assche sekere clocke de welcke men sijde te wesen de thiende clocke hanghende op den voorschreven thoren weghende salvo justo volghens ons oordeel vier duijsent vier hondert ponden de welcke wij bevonden hebben redelijck gegoten naer conste alhoewel de spijse ons bros en grijs dunckt ende dat den boord buijten proportie is van haeren diameter soo dat de selve volghens de dicte van den bordon soude behooren een weijnigh breeder te wesen om goede raisonnantie te geven mede dat den thoon van de voorschreven clocke in accoord niet en correspondeerd met de thoonen van de andere clocken op den voorschreven thoren sijnde maer dat het geluijd van de voorschreven thiende clocke ’t geheel ander geluijd irregulier maeckt ende t’eenemael bederft soo daenighlijck dat men soude segghen een oordeel te wesen ja teecken der waerheijdt hebben wij ten versoecke als vooren dese voorschreven declaratie gegeven met gelofte van de selve te vernieuwen voor alle hoven ende rechters des aensocht sijnde.

Aldus gedaen, gevisiteert ende geëxamineerd desen twintighsten augustus seventhien hondert drijenveertigh ende waeren onderteeckent S. Roelans ende Jan Van Laer.

Accordeert met de originele berustende ter greffie van Assche quod testor als greffier P. Gheude 1743.


[1] Aalstenaar Odo De Craecker ontving in de abdij de priesterwijding op 30 maart 1686. Hij bestuurde als proost de abdij gedurende 46 jaar, verfraaide het hospitium en bouwde de Benedictuspoort en de Voorpoort. Hij overleed in 1743.

[2] Kardinaal Thomas d’ Alsace was de 9de aartsbisschop van Mechelen en de 35ste abt van Affligem. Hij was afkomstig van  Brussel. Hij verbleef negen maanden in de abdij in afwachting van zijn benoeming tot aartsbisschop. Hij was de monnike heel genegen. Na een bestuur van 44 jaar overleed hij in 1759.