Paulus Van Malderen in conflict met de bedesetters van Meldert[1].


In 1748 geraakte Paulus Van Malderen in conflict met de bedesetters van Meldert. De ruzie ging over wie de kosten moest vergoeden voor de tweede sauvegardebrief die de bedesetters in Aalst lieten halen als bescherming voor de bevolking van het dorp tegen het willekeurig optreden van de Franse soldaten in de zomer van 1745. Volgens de bedesetters moest de gemeente voor de kosten opdraaien en had collecteur Paulus Van Malderen teveel aangerekend. Volgens Paulus moesten alle dorpsbewoners betalen. Drie jaar later kwam het tot een proces tussen beide partijen. Tijdens het proces werden op verzoek van Paulus een aantal getuigen opgeroepen. Hun verklaringen volgen hieronder. Vooreerst schetsen we een beeld van de miserie die de mensen van Meldert overviel met de inval van de Fransen tijdens de Successieoorlog.

De rampzalige zomer van 1745.

In augustus en september 1745 plunderden Franse soldaten Meldert en eisten ze de levering van allerlei goederen. De bedesetters H. Van Zeebroeck, Jan Willems, J. De Witte, J.L. Van Brempt. Stelden op 7 oktober 1745 een lijst op van de opeisingen en de verplichte taken.

– Op 13 juli waren 2 800 Franse soldaten de abdij binnen gevallen. Ze bleven er zes weken en Meldert moest mee instaan voor hun onderhoud.

– Een commando van de kolonel Grassin van omtrent 300 man infanterie met enige officieren te paard verteerden op drie en vier augustus voor 116 gulden en 4 stuivers waarvan een gedeeltelijke kwitantie.

– Op 16 september consumeerde een commando infanterie van het regiment met grijze kleren en purperen omslagen op hun mouwen: brood, boter, vlees, bier, wijn en andere voor 54 gulden en 4 stuivers, waarvan kwitantie.

– Op 19 september eiste een commando van omtrent 100 mannen van verscheidene regimenten, waaronder enigen van het regiment van Piëmont, bier, brood, boter, vlees en specerijen voor 36 gulden en 6 stuivers.

– Op 25 september geleverd aan een commando van ’t zelfde volk brood, kippen en andere voor 6 gulden 1 stuiver.

– In de maand augustus werden voor 36 werkdagen transporten gedaan met wagens waaronder een transport van 5 dagen met 4 paarden, een van 4 dagen met 3 paarden en een van 27 dagen met twee paarden en dat voor 164 gulden.

– Voorts nog meerdere opdrachten te voet en te paard naar Lippelo, Aalst en Affligem, in het totaal voor 82 dagen waarvan 68 met een paard en 16 te voet. De reis te paard zijn gerekend aan 3 gulden per dag en die te voet aan 1 gulden, samen 236 gulden.

– Tijdens de maand augustus werden 257 pioniers geleverd voor Lebbeke en Affligem aan 1 gulden voor iedere pionier maakt 257 gulden.

Totaal: 869-15-0.

De bedesetters stelden ook een lijst op van de plunderingen op 12 en 13 augustus:

‘Forcelijck ende reguereuselijck hebben zij uit de huizen en stallingen gesleurd’: allerlei meubels, kleren, lijnwaad, koper, tin, bier, boter, vlees, brood en andere, koeien, varkens en andere. Uit de schuren haalden ze vruchten en hooi. De schade beliep tot 3 184 gulden.

Op 26 mei 1746 klaagde pastoor F. Goetgebuer over de armoede in zijn parochie en het jaar daarop is de nood zo hoog dat de bedesetters, regeerders, ingezetenen en gegoeiden van Meldert aan Franciscus Beeckman en Peter van Ighem de opdracht gaven om een lening van 6 000 gulden aan te gaan tegen de intrest die ze konden bekomen. Daarmee wilden ze verscheidene particulieren terugbetalen die in 1745, 1746 en 1747 de kosten van de dagelijkse leveringen voor de gelegerde troepen voorgeschoten hadden. Hun opdracht hield ook in dat ze aan Staten van Brabant de toestemming voor die lening vroegen. Was getekend op 2 augustus 1748. Tekenden: J. De Witte, Franciscus Beeckman, Peter Van Ighem, Alexander VanderSchueren, A. De Coster, Guillam Vermoesen, Pauwel Van Malder.

Thoon Paulus Van Maldere(n) ingesetene ende gewesen collecteur der lastboecken der prochie van Meldert suppliant – de actuele bedesetters ende regeerders der selve prochie rescribenten.

Verhoor van de getuigen op 4 oktober 1748.

Jacobus De Wit(te), gewezen bedesetter van Meldert, 52 jaar, verklaarde dat hij in 1745 met Paulus Van Malderen naar het kwartier van de graaf van Saksen te Aalst ging om een tweede ‘sauvegardebrief[1] te halen voor de kerk en voor de inwoners van Meldert die zich met hun waardevolste bezittingen in de kerk hadden verschanst. De vrijgeleide van de eerste sauvegardebrief was immers al verstreken. Ze hebben die dag de brief niet gekregen. De volgende dag voelde hij zich niet goed en gaf hij Pauwel samen met de dorpsofficier de opdracht om nog eens naar Aalst te gaan en er te trachten de brief te krijgen, wat hen gelukte. Paulus betaalde daarvoor als collecteur van Meldert 15 dukaten[2] en enkele stuivers.. Jacobus was toen bedesetter.

Jacquelina De Witte, vrouw van herbergier Francis Robijns, 58 jaar, vertelde dat, toen de Franse troepen in 1745 in Aalst kwamen, er in het dorp een sauvegarde te voet logeerde tot zijn tijd verstreken was. Eind augustus vergaderden bij haar thuis de bedesetters

Hendrick Van Zeebroeck, en Judocus Van Brempt die aan Paulus de opdracht gaven in Aalst een tweede sauvegardebrief te halen. Omdat Paulus geen geld had, leende zij hem 13 dukaten die hij haar later teruggaf. De sauvegarde bleef nog een maand in haar huis om de kerk en de mensen die er zich schuil hielden te beveiligen.

Judocus Van Brempt,  47 jaar, herinnert zich dat dorpen zoals Mazenzele, Baardegem, Hekelgem en andere in 1745 omwille van de nabijheid van het Franse leger een tweede sauvegardebrief gekregen hebben die hun door de ‘heeren staeten’ was toegezonden. Voor Meldert is de collecteur Paulus Van Malderen die naar Aalst gaan halen. Dankzij die brief bleven de bezittingen van de mensen in de kerk en de kerkornamenten gespaard van diefstal en vernieling. Later beweerden enkele bedesetters dat de kosten voor de tweede sauvegardebrief verspild geld was daar al de kosten voor de sauvegardesoldaat ten laste van de gemeente waren.

Hendrick Van Zeebroeck, 40 jaar, pachter tot Meldert, wist nog dat in 1745 meerdere parochies een tweede sauvegardebrief gingen halen bij de graaf van Saxen te Aalst, vooral die parochies die het meeste gevaar voor plundering liepen zoals Hekelgem, Baardegem en Essene. Eind augustus 1745 gaf hij samen met Jacobus De Witte en Judocus Van Brempt aan Paulus Van Malderen de opdracht om ook voor een tweede sauvegardebrief te zorgen. Als collecteur diende hij voor de betaling te zorgen. Bedesetter Van Brempt heeft nog voorgesteld om een lijst te maken van de inwoners die bescherming in de kerk hadden gezocht en dan door hen de tweede brief te laten betalen, wat niet werd aanvaard. Uiteindelijk stelden ze aan Paulus een vergoeding van 15 dukaten voor die hij niet heeft aanvaard. Hij bracht 18 dukaten in rekening.

Hendrick Jacobs, 53 jaar, officier van Meldert, getuigde dat hij in 1745, toen de Franse troepen in Aalst lagen, van meerdere personen van Mazenzele vernam dat zij voor hun parochie een tweede sauvegardebrief hadden en dat andere dorpen dat ook hadden gedaan. Hij was er bij toen de bedesetters aan Paulus Van Malderen de opdracht gaven een tweede brief te gaan halen De vrouw van Francis Robijns gaf hem 13 dukaten mee..

Adrianus Gislain, 33 jaar, woonde in 1745 in Meldert en zat in de herberg van Robijns toen de bedesetters aan Paulus vroegen om een tweede sauvergardebrief te halen. Hij hoorde ook dat Van Brempt voorstelde de kosten ervan  door de mensen in de kerk te laten betalen.

Verhoor te Meldert op 25 november 1748.

In naam van de bedesetters verzocht hun advocaat Van der Straeten dat de commissarissen Anthonius Beeckmans en Peeter De Keghel zouden ondervragen.

Peeter De Keghel, een 51-jarige kossaard en wever die in de Klaarhaag woonde, beweerde dat Paulus de tweede brief heeft gehaald om zijn eigen huis te beschermen vermits hij maar ‘een bolleworp’ van de kerk woonde. Voor de eerste sauvegardebrief hadden de mensen van het dorp betaald. Op vraag van zijn buren ging hij naar de herberg ‘Het Begijnhof’ waar de sauvegarde was gelogeerd. Hij vroeg om zijn hulp omdat de troepen van Vlaanderen langs zijn gehucht door Meldert trokken om naar Brabant te gaan. Francis Robijns, de herbergier verzette zich daartegen omdat de sauvergarde het dorp moest beschermen. Het gevolg was dat de soldaten het hooi van Francis Beeckman uit de schuur haalden en meenamen terwijl de sauvegarde op het dorp bleef.

Anthonius Beeckman, een kossaard van het gehucht Parijs en geboren in Moorsel, 60 jaar, deelde dezelfde mening, namelijk dat de tweede sauvegardebrief werd gehaald om het dorp te beschermen en dat de afgelegen inwoners er geen hulp van kregen. Hij had zelf gezien dat burgemeester Jacobus De Witte de sauvegarde had opgewacht en naar zijn huis had gebracht. Toen hijzelf last kreeg van de troepen, is hij naar het dorp geweest om hulp te vragen, wat hem werd geweigerd. Maar zijn schoonzoon sprak de sauvegarde zelf aan en die kwam met hem mee.

Vervolg van het verhoor op 10 december 1748.

Francis Robijns,  meesterbrouwer en herbergier, omtrent 65 jaar, was niet thuis toen zijn vrouw aan Paulus Van Malderen 13 ducaten leende voor de sauvegardebrief. Wie die opdracht gaf, weet hij niet. De bedesetters Van Zeebroeck en Van Brempt en enkele Meldertenaren waren op dat ogenblik in zijn herberg.

Jacobus De Witte, pachter van Affligem, 52 jaar, kon niet zeggen of de Staten van Brabant aan de bedesetters in 1745 de opdracht gaven om een tweede sauvegardebrief te halen. Hij vernam wel dat de andere bedesetters beslisten dat de dorpsbewoners de kosten zouden betalen en dat de gemeente zou bijdragen in de daguren en de ‘mondcost’ wat ook is gebeurd.

Hendrick Van Zeebroeck, omtrent 40 jaar, pachter te Meldert, had niet om een tweede brief verzocht want hij woonde een kwartier gaans van het dorp. Zijn verdere verklaring kwam overeen met het getuigenis van Jacobus De Witte. Dat Paulus zou gezegd hebben dat hij voor de tweede brief vier gulden wilde betalen, heeft hij niet horen zeggen en evenmin dat Jacquelina De Witte, de vrouw van Robijns ook bereid was haar part te betalen.

Jan Willems, omtrent 50 jaar, pachter te Meldert, herinnerde zich niets meer van een tweede sauvegardebrief in 1745 toen hij bedesetter was.

Judocus Van Brempt, voor de tweede maal verhoord en nu boswachter van de abdij Affligem genoemd, verklaarde dat niemand van de bedesetters de tweede brief heeft geweigerd. Hij woonde in de Klaarhaag, op een half uur van het dorp en daar waren al enkele beesten gestolen. De sauvegarde van zijn gehucht kon niet op tegen de menigte en zond zijn knecht naar het dorp om de sauvegarde daar te gaan halen, maar hij was niet gekomen. Judocus is dan zelf naar het dorp getrokken en bracht de sauvegarde mee. Hij kon echter niet zeggen of dat gebeurde tijdens de eerste of de tweede brief. Voor de tweede brief was overeengekomen dat de dorpsbewoners de kosten zouden betalen. Hij stelde daarvoor een lijst op om ieders bijdrage te bepalen en gaf die aan Paulus die bereid was vier gulden te geven. Het plan is niet doorgegaan..

Jacquelina De Witte, herhaalde dat ze Paulus geld leende om de tweede sauvegardebrief te halen en dat met toestemming van de bedesetters en op kosten van de gemeente.

Elisabeth Nicolai,  vrouw van Franciscus S’heeren, ‘scheepmaecker’, omtrent 42 jaar, woonde 10 jaar als meid bij de pastoor[3]. Zij stond erbij toen Judocus Van Brempt aan de pastoor kwam vragen om bij te dragen in de kosten van de tweede sauvergardebrief. De pastoor weigerde omdat de sauvegarde die bij Robijns verbleef vaak bij hem bier liet halen als dat van Robijns hem niet aanstond. Hij kwam bij hem ook eten.

Besluit.

De verhoren maken ons duidelijk dat ook in moeilijke en gevaarlijke situaties de mensen in de eerste plaats aan eigen behoud denken.


[1] Sauvegardebrief: “Sauvegarde” is een Frans woord dat in het Nederlands verschillende betekenissen kan hebben, afhankelijk van de context. Het kan “bescherming”, “beveiliging”, “behoud” of “back-up” betekenen. In historische context verwijst het vaak naar een beschermbrief of vrijwaring die werd verleend aan personen of plaatsen om ze te beschermen tegen geweld of plundering. Bron: Wikipedia.

[2] De dukaat (van het Italiaans: ducato) is een gouden munt, die oorspronkelijk afkomstig was uit de Republiek Venetië. De dukaat verscheen daar voor het eerst in 1284, ten tijde van de doge Giovanni Dandolo en zou tot in de 18e eeuw in ongewijzigde vorm gebruikt worden. In navolging van de Venetiaanse dukaat werd de munt ook elders in Europa geslagen, waaronder de Duitse en Oostenrijkse staten en Hongarije, waarbij hetzelfde gewicht en goudgehalte werd gebruikt.

[3] Pastoor Vresins overleed op 12 december 1746 in de leeftijd van 70 jaar.

[1] R.A. Vorst, Inventaris van het archief van de Raad van Brabant. Deel 2: archief van de secretariaten, Toegang: I 19, nr. 9414.

Plaats een reactie