Brandbrieven voor de pachthoven in Zellik in 1793[1]

Het laatste decennium van de 18de eeuw begon met een reeks oorlogen: de Brabantse Omwenteling met de vlucht van de Oostenrijkers (1789), hun terugkeer (1790), de bezetting door de Fransen (1792), de terugkeer van de Oostenrijkers (1793) en de terugkeer van de Franse revolutionairen. Dat heer en weer geloop van de legers bracht rekruteringen, deserties en ronddolende groepen ex-militairen mee die de streek onveilig maakten. Een middel om aan geld te geraken was het schrijven van een brandbrief: geld eisen of het huis en bij voorkeur een grote boerderij werd in brand gestoken. Dat overkwam enkele pachters van de grote pachthoeven van Zellik.

In de lente van 1793 ontvingen de pachters van de hoven van Bettegem, Bollebeek, Piëmont en Overjette een brandbrief. Ze moesten een bepaalde som in een put stoppen of hun hoeve werd in brand gestoken. Geen enkele pachter ging op die eis en allen brachten de brandbrief naar de drossaard van Asse. De drossaard van Brabant stelde daarop een onderzoek in en ondervroeg betrokkenen.

Op 3 juni kwam Judocus Josephus De Pauw als eerste getuigen. Hij was 46 jaar en pachter op het Hof te Bettegem[2]. Op 31 mei liet zijn herder, Joannes Peeters, hem een stuk papier zien met daarop het woord ‘Empereur’. Hij had dat papier afgetrokken van een olm  links van de weg van de hoeve naar de steenweg van Brussel naar Aalst. Dat voorval deed hem denken aan de nacht van 28 op 29 mei. Zijn honden waren toen zo furieus beginnen te blaffen dat hij opstond, naar buiten ging, maar niets meer opmerkte. Op 1 juni echter ontving hij een brief met de mededeling dat hij ‘op pene van brand’ 12 kronen in een put achter een boom op de steenweg moest leggen. In de plaats van 12 kronen stopte Judocus er een oude Nederlandse munt van twee oorden in en dekte de put af met twee bussels hout. De volgende dag zag hij dat de bussels waren verplaatst, maar het geld lag er nog. Van zijn herder hoorde hij dat die op dezelfde dag een man had gezien die op handen en voeten uit een tarweveld kwam gekropen en toen hij hem opmerkte snel wegliep.

De drossaard ondervroeg nog enkele leden van zijn huisgezin. De herder, Joannes Peeters, 25 jaar en afkomstig van Nederweert, leidde op 1 juni zijn schapen via de Nederdreef naar de steenweg. Daar zag hij een man met een rode hoed die uit het tarweveld (zie tekening 1, letter A) kwam gekropen en naar de steenweg ging. Toen hij Joannes opmerkte dook hij weer het tarweveld in.

Elisabeth Puttaert, 17 jaar en al vier jaar meid bij Engelbertus Van Ingelghem, molenaar op de windmolen van Zellik, ging op 1 juni omstreeks 10 u. een bussel klaveren halen In de dreef, het ‘Straetien’ geheten, een man uit het korenveld (zie tekening 1, letter B) komen. Hij droeg een blauw kort ‘juppon’,een lange wit en rood gestreepte broek en een rode hoed. Toen hij haar zag, vluchtte hij het tarweveld in.

‘Pachter dat is eenen brief voor u alleen te leesen misschien tot u verdriet gij hebt u plisier gehat als gij ons hebt verjaght als wij hier gepasseert sijn met de Vransche hossen omdat de ossen op u lant lippen hebt gij ons met u kneghten willen doodt slagen maer nu sijn wij bij het keijsers volck maer nu is het onsen toer wijlen sijn vansin alles komen te verbranden dat in ul hof is en rontom aen te steken met een loopende vier met onse poeder oft gij moet aen ons versoeck voldoen wijlen vraegen u maer twelf croonen en die moet gij selver leggen reght over ul hof op den caseij die naer Gent gaet daer sult gij eenen boom vinden met een pampier aengenaegelt en daer moet het gelt geleijt worden in  eenen put die achter den boom gemackt is en als het gelt daerin is moet gij den put toe doen dat gelt moet daer blijven dagh ende naght tot dat wijlen komen en als het daer niet en leijt wijlen sweren bij al de duijvels dat wij sullen doen het gene hier geschreven is en als gij sout peijsen van daer waght bij te setten gij seijt seker datse wijlen sullen doodt schiten wijlen sullen wel soeken met ons gewer over al oft daer niemant en is en als het daer niet en leijt wijlen sullen ul komen vinden als gij het minst sult peijsen soo gij seijt ons te verwachten. Weijlen hebben ul desen brief doen leggen met onsen voorpost, gaet gij dat aen iemant seggen sij konnen het gelt selver langen dat doet ul genen afslagh

Simon Van der Straeten, 32 jaar, collecteur van Zellik, deelde de drossaard mee dat zijn buurman, pachter Timmermans, ook op 1 juni een brandbrief had ontvangen en een inwoner van Hamme. Een zekere Van Itterbeeck had de brief gelezen en zei dat het geen minnebrief was, maar een om van te schrikken.

Op 4 juni zette de drossaard zijn ondervragingen voort. Cornelius Van der Hasselt[3], 50 jaar en pachter op het Hof te Bollebeek[4], kwam als eerste aan de beurt. Zijn knecht, Peeter Crabbe, bracht hem op 22 mei een brief die hij onder de poort had gevonden en waarin stond dat hij achter het kapelletje nabij de kerk van Bollebeek 21 kronen in een put moest leggen. Deed hij dat niet dan zou de hoeve in brand worden gestoken en alle inwoners vermoord. Cornelius verdacht een zekere Buijs, 15 jaar en zoon van een kuiper te Mollem omdat die aan de knecht had gezegd dat er onder de poort een brief lag. Hij voegde er nog aan toe dathij had gehoord dat Carolus Sas van Zellik, Judocus Van Bever van Ossel onder Brussegem, Lucas Timmermans en Josephus De Pauw van Zellik ook een branbrief hadden ontvangen.

Op 7 juni getuigde Petrus Crabbe. Hij was 27 jaar, afkomstig van Brussegem en al vijf jaar in dienst van Cornelius. Hij bevestigde de verklaring van de pachter. Joannes Van den Eede, 48 jaar en al 27 jaar knecht bij Cornelius, was op die 22ste mei buiten de hoeve aan het werk toen Buijs hem kwam zeggen dat er een brief onder de poort lag. Toen hij na zijn werk ging kijken, was er geen brief te zien. De drossaard voegde aan het dossier nog een schets toe die Gheude, de drossaard van Asse hem had bezorgd.

Jan Baptist Timmermans, 23 jaar, werkte bij zijn vader Lucas op het Hof te Piëmont[5]. Hij zag dat op 30 mei hun knecht Petrus Huijgh om vijf uur een brief bij zijn vader bracht die hem opende en er een ‘cartouche’ in vond. Hij las dat, als ze niet wilden dat de boerderij afbrandde, ze vijf kronen moesten stoppen in een put achter een boom op de steenweg van Brussel naar Gent. Die boom was met aarde bestreken. Zijn vader besliste om in geen geval te betalen en vermoedde dat de brief afkomstig was van een knecht die nog recht had op een deel van zijn loon. Petrus Huijgh legde dezelfde verklaring af. Ook deze branbrief kwam bij de drossaard terecht.

‘Pachter dat is eenen brief voor UL alleen te lesen, ick hebt hier in dese hof in mijne jongheijt gewoont maer gij hebt mijnen haerbeijt onderhouden, ick hebt moeten vroegh ende laet wercken soo goet als den houvekneght en dan wir ik nogh altijt verstoten soo dat van verdriet ben soldaet geworden maer nu sulle het mij betaelen ick en wet niet oft den selven pachter nogh is dat wet ick niet maer ick hebt eenen eet gesworen als ick uijt het huijs ben gegaen dat  ik het in brant soude gesteken hebben maer nu sal het geschieden als wij in de progge sullen komen logeren ofte moeten door passeren den boer van dit hof heeft mij wel voor het minste wel vijf croonen onderhouden van mijnen aerebeijt wilt gij mij die geven dan sa lick passeren en die vijf croonen moet gij op den casij leggen aghter eenen boom is eenen put daer moet gij het gelt in doen ende den put dan toe doen en dat gelt moet daer blijven dagh ende naght en als het gelt daer niet en leijt dan sweer ik bij al de duijvels dat ick met sulken cartussen sal met een loopende vier sal in brant steken dat is de vout van dien vervloeken boer dat ick soldaet ben den boom die bestreken is met aerde staet recht over het hof op den caseij en als gij daer sult op letten sa lick u om veer scheeten wij sullen wel soeken oft daer iemant en als gij dat aen iemant seght sij konnen het selver langen, ick hebt desen brief doen leggen met den voorpost soo gij seijt ons te verwaghten dat moet daer sito sijn’

Carolus ’t Sas, 49 jaar, was afkomstig van Wambeek en was pachter op het Hof Overjette[6] te Zellik. Zijn knecht Peeter Leemans gaf hem op 25 maart een brief die hij onder de poort had gevonden. De tekst was zeker door twee verschillende personen geschreven. De inhoud was gelijkaardig aan de andere brandbrieven. Carolus kreeg het bevel om 80 gulden in een put te leggen achter de eerste beukenboom met een ingekerfd kruis in de dreef van de het hof naar de steenweg. Carolus gaf de brief aan zijn schoonbroer Thomas Van der Hasselt die bij zijn broer op het Hof te Bollebeek woonde. Aan de drossaard zei hij dat in de nacht van 24 op 25 november 1792 zijn meid Joanna Leemans hem kwam wekken omdat de honden zo hard blaften en er onder haar raam vier mannen stonden, gewapend met stokken die Frans spraken. Carolus schoot daarop met zijn geweer door het raam en beval zijn knechten rond de hoeve te gaan kijken, maar ze zagen niemand meer.

Nota. In 1794 wer het Hooghof te Zellik in brand gestoken door, naar verluidt, Franse >Revolutionairen.


[1] RA Vorst, Archief van de drossaard van Brabant en van de provoost-generaal van het Hof van de Nederlanden, toegang I 16, nr. 233.

[2] Het aloude Hof te Bettegem was een van de grote domeinen van Zellik. Het Hof kende, volgens Jan Verbesselt in’ Het parochiewezen in Brabant’, 290, sinds de gallo-romeinse tijd een continue uitbating. Na de Frankische stamvaders verwierf de Sint-Baafsabdij het domein in de 8e of begin 9e eeuw. In de 10e en 11e eeuw ging voor de abdij een deel van de gronden verloren. In 1363 had het een oppervlakte van 56,5 bunder.

[3] CORNELIUS VANDER HASSELT, zoon van JOANNES VANDER HASSELT en MARIA LEEMANS, werd gedoopt op donderdag 12 december 1743 in BOLLEBEEK. Hij overleed op donderdag 30 december 1813 in MOLLEM, 70 jaar oud. CORNELIUS trouwde, 43 jaar oud, op dinsdag 22 mei 1787 in SINT-KWINTENS-LENNIK met JOANNA CATHARINA DE MOL, 27 jaar oud. Zij is gedoopt op dinsdag 16 oktober 1759 in SINT-KWINTENS-LENNIK en overleed op maandag 17 augustus 1807 in BOLLEBEEK, 47 jaar oud.

[4] Het Hof te Bollebeek is een typisch Brabantse hoeve met huidig gebouwenbestand opklimmend tot de zeventiende en achttiende eeuw. In 1117 schonk hertog Godfried I van Brabant zijn allodium in Bollebeek, aan de circa 1096 opgerichte vrouwenabdij van Meerhem bij Lede, die in 1102 werd overgebracht naar Vorst bij Brussel. De naam ‘Hof te Bollebeek’ komt voor het eerst voor in een pachtbrief van 1438. Bij het hof hoorde oorspronkelijk ook een inmiddels verdwenen watermolen. In 1684 en 1704 werd het grootste deel van het complex door brand vernield. In dezelfde periode werd het hof trouwens gesplitst in een ‘Groot Hof’ (Hof te Bollebeek) en een ‘Nieuw Hof’, het huidige Hof ter Heiden. Inventaris Onroerend Erfgoed 2025: Hoeve Hof te Bollebeek [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/76822 (geraadpleegd op 28 maart 2025).

[5] Het pachthof Piëmont ontstond uit een splitsing van het oude Hof te Bettegem dat eigendom was van de Sint-Baafsabdij van Gent en diende oorspronkelijk als opslagplaats voor de tienden die de laten van Sint-Baafs verschuldigd waren. De oudste vermelding van het hof komt voor in een rekening van 1475. In de loop van de zestiende eeuw bewerkte het hof 32 bunder land. In de eerste helft van de zeventiende eeuw waren de gebouwen zo erg vervallen dat ze moesten hersteld worden. In 1675-1676 werd het hof in brand gestoken door de Hollandse troepen. De huidige gebouwen klimmen mogelijk op tot de eerste helft of het midden van de achttiende eeuw. Heden gesloten hoevecomplex met gekasseide binnenplaats. : toegangspoort in de zuidwestelijke hoek, woning ten noorden, stallen ten oosten en ten zuiden en ruime langsschuur ten westen. Eenvoudige overluifelde inkom met nieuw ijzeren hek tussen bakstenen pijlers met zandstenen hoekblokken en houten latei.

Inventaris Onroerend Erfgoed 2025: Abdijhoeve ’t Hof te Piermont of Piémont [online], https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/76848 (geraadpleegd op 28 maart 2025).

[6] Het hof Overjette werd ca 1100 aan de abdij Affligem geschonken. In 1713 bedroeg de exploitatie 77 b 1 d 63 r. Engelse soldaten plunderden de hoeve in 1745. De laatste abdijpachters waren Jan Van der Hasselt, Jan Van Bever, burgemeester en schepen en Karel t’ Sas (1790). In 1796 pachtte t’ Sas 74 b 84 r land voor 1334 g.

Plaats een reactie