Brouwerijen te Hekelgem sinds mensenheugenis.

Brouwen: een eeuwenoud ambacht.

Het is algemeen geweten dat onze voorouders graag bier dronken. Maar zij waren niet de enigen. Ook in het Midden-Oosten en Noord-Afrika hield men van een pot schuimend bier. Het brouwen heeft een lange geschiedenis. Dit artikel begint dan ook met een korte schets van de evolutie van het brouwen van bier. Daarna volgt een overzicht van de brouwerijen die er in Hekelgem waren voor zover ze nog zijn op te sporen..

Een oud Egyptisch recept.

‘Om bier te maken moet men gerst laten weken gedurende een dag, daarna laten rusten en verder weken. In een laag als zeef doorboord vat gieten, laten drogen tot er vlokken ontstaan en dan blootstellen aan de zon tot het mengsel begint te werken’.

Dit Egyptisch recept uit de Oudheid toont aan dat bier al heel lang werd gebrouwen. Samen met mede en wijn behoort het tot de oudste gegiste dranken. Mede, bereid uit gegiste honing was de drank van de Kelten uit de wouden van Midden- en West-Europa. Wijn werd gedronken in het milde klimaat van de gebieden rond de Middellandse Zee en de Kaukasus waar de druif wilde gedijen. De volkeren uit de vruchtbare valleien van de Eufraat en de Tigris en van de Nijl legden zich toe op de graanteelt en dronken bier. Maar voor de oorsprong van het bier moeten we naar Mesopotamië, het gebied tussen Eufraat en Tigris, waar stenen platen werden gevonden, 6.000 jaar oud, met afbeeldingen van het brouwen. In het Louvre is er zelfs een document van 7.000 voor Christus dat een offergave van gerstebier aan de godin Nié Harda voorstelt. En het British Museum bewaart een 5.000 jaar oud document dat een bieroffer aan een godin voorstelt. Hamoerabi, koning in Babylonië omstreeks 2.000 voor Christus, liet een hele reglementering opstellen over het brouwen en het schenken van bier. Ook in het oude Peru en in de beginfase van de Chinese beschaving kende men al de techniek van het bierbrouwen. De Romeinen leerden het bier in Egypte kennen waar het gerstenwijn werd genoemd. Ze dronken liever wijn, dat is algemeen geweten, maar in gure streken verbouwden ze graan en brouwden er een soort bier mee.

Bij de Galliërs was het brouwen een huiselijke aangelegenheid. Ze gebruikten meer tarwe dan gerst en voegden er kummel en soms ook honing aan toe. Het bier bewaarden ze in houten vaten en noemden het cervoise, een benaming die refereert aan de Romeinse godin Ceres, de godin van de veldvruchten. De Germanen brouwden al bier rond 100 voor Christus. Zij gebruikten zowel gerst, tarwe als haver en aromatiseerden met honing, gember, champignons en zelfs allerlei schillen. De Noormannen konden tijdens hun veroveringstochten hun bier niet missen. Daarom namen ze op hun tochten ketels en gerst mee en waren op die manier zeker dat ze in vreemde streken toch hun favoriete drank hadden. Tot de negende eeuw bleef in onze streken de bierbereiding vrijwel ongewijzigd. Gemoute gerst, tarwe en eventueel haver werden geplet, in gedeelten aan water toegevoegd en lichtjes gekookt. De bekomen pap werd verkruimeld en gedurende enkele dagen gegist. Het beslag werd dan gekneed en in manden uitgelekt. Het vocht kwam in aardewerken kruiken en was klaar voor consumptie.

Monniken brouwen bier.

Karel de Grote liet keizerlijke brouwerijen installeren en stelde er de beste brouwers aan het hoofd. Het gevolg was dat bierbrouwen als een echt ambacht werd gezien. Het huisbrouwen geraakte geleidelijk in onbruik. In de meeste dorpen kwamen openbare brouwerijen waar de plaatselijke bevolking op bepaalde tijden voor de eigen behoeften aan bier kon zorgen, mits betaling van belasting aan de heer natuurlijk. Door de stichting van talrijke abdijen vanaf de twaalfde eeuw kwam de techniek van het brouwen in de kloosters. Ze dienden immers in de eigen behoeften te voorzien. De kloosters legden sterk de nadruk op het koken van de gemoute granen. De monniken leefden immers in gemeenschap en maatregelen om de drank hygiënisch te houden waren allerbelangrijkst. Zo ook met het voedsel. Ze ontwikkelden allerlei recepten om het eten te conserveren: kaas, visbereidingen, patés, confituren …

Het oudste geschreven document over het brouwen van bier in abdijen dateert van 820 na Christus en is van de hand van pater Ekkehard, prior van de gekende abdij van Sankt-Gallen in Zwitserland. De brouwerij, net als de bakkerij, was er ondergebracht in een stenen gebouw wegens het brandgevaar. Dat gebouw stond dicht bij een waterloop. Die inplanting vinden we later in de andere abdijen terug, ook in Affligem. Als het enigszins kon, was er ook een wind- of watermolen in de buurt. Op die manier was er een beperkt transport van water en graan. De cellarius of keldermeester had de leiding. Hij zorgde  er ook voor dat, gezien de beperkte houdbaarheid van het bier toen, het overschot aan de armen werd uitgdeeld. Bier drinken zag men in die tijd niet als schadelijk. Het was slechts licht gealcoholiseerd en vrij voedzaam. De meeste mensen moesten wel veel drinken want het eten was erg gezouten. Monniken mochten ‘s nachts opstaan om in de keuken te gaan drinken, wat overdag niet was toegestaan. De dagelijkse rantsoenen bier bedroegen ongeveer 2 l en 2,6 l voor het lekenpersoneel, wat evenwel als een deel van hun loon gold. In bepaalde kloosters mochten de nonnen tot 5 l per dag drinken en was er tijdens de vasten een brouwsel dat voedzamer was.

Over gruten en hop.

Cervoise was eigenlijk een vrij smaakloos brouwsel. Maar door toevoeging van gruten (of gruiten) kon men de drank pigmenteren. Al in 999 na Christus is er in een oorkonde van keizer Otto III aan de bisschop van Utrecht sprake van gruiten. Gruut of gruit was een mengsel van 5 of 6 gedroogde planten, vooral moerasplanten als gagel (= vlooienkruid), ledon, duizendblad, salie en wilde rozemarijn. Die werden vermalen met toevoeging van bessen en hars van dennen. Behalve smaakgevend zou gruut ook de gisting bevorderen. De bereiding vereiste een zeker vakmanschap. Iedere gruter had zijn eigen samenstelling van het mengsel. Per hl. brouwsel werd er zo’n 2 k gruut bijgevoegd. De verkoop ervan was zeer winstgevend en bijgevolg hielden de leenheren de verkoop in eigen handen. Door het gruutrecht bekwamen ze dat niemand bier mocht brouwen zonder gruten te hebben gekocht in een van hun gruuthuizen en dat er geen bier mocht ingevoerd zonder gruutrecht te betalen. De heren van Gruuthuse werden door hun handel de machtigste mannen van Brugge. Alleen de abdijen waren vrijgesteld van heffingen.

De grote vernieuwing in het brouwproces kwam er door het gebruik van hop. De Wenden, een Germaanse volksstam, brachten de plant die afkomstig is uit Babylonië, naar Duitsland. Van daaruit geraakte de hop over Europa verspreid. In 768 na Christus stelde Pepijn de Korte, de vader van Karel de Grote, hopvelden ter beschikking van de abdij van Saint-Denis te Parijs. De hop werd waarschijnlijk gebruikt als geneeskrachtig kruid. Maar ook de conserverende en smaakbevorderende werking waren toen al gekend. Het gehopte bier kwam in de tweede helft van de dertiende eeuw al voor in de Hanzesteden van Noord-Duitsland. Een halve eeuw later was het gebruik ingeburgerd in Nederland en Brabant. De heren van Gruuthuse die het monopolie op de gruuthandel in Vlaanderen bezaten, verboden er alsnog het gebruik van hop met het gevolg dat de Brabantse bieren er bijzonder gegeerd werden. Gehopt bier werd tenslotte in de vijftiende eeuw ook in Vlaanderen toegestaan en dat gebruik geraakte daarna in Engeland ingeburgerd. Toch bleef men nog aroma’s en kruiden in het bier mengen. En natuurlijk waren de leenheren er als de kippen bij om cijns te heffen op de gehopte bieren, met uitzondering van de abdijbieren. Voor de brouwerijen lag het grote voordeel van het gebruik van hop in de langere bewaartijd. Nu konden ze hun bier over een grotere afstand vervoeren en het kon over een langere periode gechonken worden. Toenemend verbruik was het gevolg.

Overal brouwerijen.

In de loop van de veertiende eeuw ontstonden overal brouwerijen. De brouwerij De Hoorn, opgericht in Leuven in 1366 op het jachtdomein van de burcht Keizersberg, bestaat nog steeds en heet nu Interbrew. Van de abdij van Sint-Truiden hingen op een bepaald moment wel 30 brouwerijen af. Zelfs het begijnhof van Tongeren had een eigen brouwerij. In meerdere dorpen bestond een «banal» brouwerij. Ban betekent dwangrecht, m.a.w. niemand van het dorp mocht zijn bier laten brouwen dan in de brouwerij van de heer, zo kon die er cijns op innen. Hoewel algemeen verspreid, toch bleef het brouwen nog een mysterieus gebeuren omdat de brouwers het gistingsproces niet volledig onder controle hadden. Ze waren er nog van overtuigd dat geheime krachten of kwade geesten zich ermee bemoeiden. Daar moesten ze natuurlijk tegen optreden. Het salomonsteken, de ster met de 6 armen, aanbrengen of rituele spreuken bij elke handeling opzeggen hielpen mislukkingen voorkomen. Een flinke bos brandnetels op de rand van de brouwketel leggen voorkwam onweerschade en boven de gistingkuip een kruis hangen hielp zeker. Het probaatste middel evenwel was de pastoor vragen om het bier te komen zegenen. Die voltrok met genoegen de bezwerende ritus want zijn optreden was niet gratis. Omdat hij tijdens zijn zegeningen met de stola was bekleed, sprak men van stoolrechten. Die vergoeding werd in natura betaald, bevoorbeeld 4 potten bier van elk brouwsel, of met klinkende munt.

Net zoals de andere ambachtslieden verenigden de brouwers zich in gilden die mettertijd machtige verenigingen werden en hoog in aanzien stonden. Een getuige daarvan is het prachtige Brouwershuis op de Grote Markt in Brussel dat het uitzicht van een stadhuis heeft. Voorname poorters wilden er graag lid van zijn zoals Jacob Van Artevelde in Gent. Het bierverbruik nam toe van 300 l per hoofd in de vijftiende eeuw tot zo’n 400 l in het begin van de zeventiende eeuw. Dat was voor een deel te wijten aan de goede reputatie van het bier. ‘Het bier uit Vlaanderen is een goed bier, vooral het dubbel uit Gent en Brugge dat alle anderen bieren versloeg. Het is erg verzadigend en voedzaam. Het is goed voor de bloeddruk en zorgt voor een gezonde kleur. Mensen die dit bier al vanaf hun jeugd dronken, bleven er stralend uitzien’. Geen wonder dat de groten uit die tijd bier met plezier dronken. Keizer Karel was een beproefd bierliefhebber. Zijn tijdgenoot Hendrik VIII uit Engeland schonk zijn hofdames dagelijks elk 24 pinten. Zijn dochter, Elisabeth I, dronk bij het ontbijt al een grote kan leeg. En Frederik de Grote van Pruisen verkondigde fier dat hij met biersoep was grootgebracht. Een andere reden voor het toenemend succes van het bier was dat het nog altijd een noodzakelijke aanvulling van het voedsel betekende. In een Antwerps godshuis voor oude vrouwen kregen de bewoners 4 l bier per dag. Op het einde van de zestiende eeuw kregen de arbeiders bij hun loon nog een bepaalde hoeveelheid bier. In de loop van de zeventiende eeuw betaalde de patroon dit extra ook in geld uit waardoor de benaming drinkgeld ontstond.

Door de oprichting van gilden kwam er een uitgebreide reglementering. De prijs van het bier werd nauwkeurig vastgelegd evenals de inhoud van de tonnen. De brouwers mochten op zondag niet werken. Ook de herbergiers kregen hun voorschriften: geen bier tappen in potten die vooraf in warm water hadden gelegen om meer schuim te bekomen, geen bier schenken tijdens de mis of na sluitingsuur. Dat was na 9 u. van Baafmis tot half maart en na 10 u. voor de zomerperiode. Dat verbod gold echter niet voor reizigers die in de herberg verbleven. De gilden bepaalden verder hoe en hoe lang de brouwers mochten werken. In Brussel luidde de brouwersklok in de toren van de (voormalige) Sint-Gorikskerk voor het begin en het einde van de werktijden. Brouwer werd men via het beproefde gildensysteem: eerst leerjongen voor 1 of 2 jaar, dan een praktische proef afleggen, namelijk het maken van een brouwsel en na het betalen van het toegangsgeld voor de gilde, was men meester-brouwer. In Brussel waren er in 1620 zeker 67 meester-brouwers, 80 in 1658 en 94 in 1678. Eens in de gilde opgenomen kon men rekenen op hulp en bijstand in geval van ziekte of nood. Vanaf de achttiende eeuw echter, toen er een tijd van vrijhandel met het buitenland aanbrak, werkten de vele gildenvoorschriften belemmerend voor de eigen brouwers. Die situatie duurde tot de Franse overheid tijdens de Franse Revolutie het hele oude systeem afschafte en met de opheffing van de abdijen verdwenen ook de abdijbrouwerijen.

Meer bierverbruik betekende ook meer accijnzen. Op het einde van de zestiende eeuw brachten de biertaksen in Antwerpen meer dan 60 % van de stadsinkomsten op. Dat gaf de brouwersgilden grote invloed op het stadsbestuur en daarvan profiteerden ze om vooral de vreemde bieren te laten belasten. In de zestiende eeuw kon men in Brussel immers al Duitse en Ierse bieren drinken. Een eeuw later waren er te Antwerpen bieren uit Mechelen, Leuven, Diest, Gouda, Danzig, Brunswijk en Hamburg. Leverde die actie onvoldoende resultaat op dan trachtten ze, in geval van hogere belastingen, hun inkomen veilig te stellen door te besparen op de grondstoffen, vooral op het verbruik van hop. Wat dan de kwaliteit van hun product verminderde en de aantrekkingskracht van vreemde bieren vermeerderde.

Een nieuwe wending in de brouwerijwereld kwam er door een beslissing van keizerin Maria-Theresia. Alle brouwerijen van leenheren, gelegen op vruchtbare grond, moesten worden afgebroken. Er was in die tweede helft van de achttiende eeuw een sterke demografische ontwikkeling en dus nood aan nieuwe landbouwgrond. Maar de voornaamste reden voor die maatregel was ongetwijfeld de vrijstelling van taksen van de heren. Heel wat boeren-brouwers profiteerden daarvan, wat niet altijd de kwaliteit van het bier ten goede kwam. Het thuisbrouwen was heel die tijd blijven bestaan. In 1685 waren er in Brugge nog 425 huisbrouwerijen en in 621 in 1718, kloosterbrouwerijen inbegrepen.

Moderne technieken.

Brouwen is altijd al een ingewikkeld proces geweest met een dertigtal verschillende handelingen. Oorspronkelijk werkten de brouwers met spontane gisting maar vanf de vijftiende eeuw voegden ze gist aan de wort toe. Toch konden ze de gisting moeilijk onder controle houden. Dat veranderde toen de Franse geleerde Louis Pasteur in 1871 interesse voor het bier kreeg. Door pasteurisatie, dit is verhitting tot 70 graden, schakelde hij de micro-organismen uit en creëerde hij een zuiver gistingsproces zonder bacteriën. Het resultaat was een bier met een zuivere smaak en een goed bewaarvermogen. Door die technische vooruitgang steeg het aantal brouwerijen in de negentiende eeuw. In 1869 waren er in ons land 2.535 brouwerijen, in 1907 al 3.387. Maar op dat ogenblik kwamen nieuwe problemen opdagen. Buitenlandse bieren van lage gisting overspoelden de markt en het duurde vrij lang voor de eigen brouwerijen daar passend op reageerden. De brouwerij van Koekelberg was de eerste in ons land die er in slaagde bier van lage gisting te produceren. Het werd een enorm succes. Een ander probleem waarmee ze kampten was de slechte kwaliteit van de inlandse hop door de aanplant van teveel mannelijke planten. Hun stuifmeel bevrucht de vrouwelijke hopbel waardoor de opbrengst stijgt maar de kwaliteit daalt.

 De twintigste eeuw ziet enerzijds het aantal brouwerijen voortdurend afnemen maar kent anderzijds een stroom van vernieuwingen. Een eerste verandering was de vorming van brouwerijcentrales. Door samenwerking konden de brouwers van een regio een lage prijs handhaven zonder aan de kwaliteit van het bier te raken. De kleinere brouwers, die niet in de centrales werden opgenomen, waren niet gelukkig met deze evolutie. De volgende stap was de algemene overschakeling naar bieren van lage gisting, de pilsen. Weer konden de meeste kleinere brouwers die stap niet zetten. De derde verandering was dat steeds meer brouwers hun mout bij gespecialiseerde mouters gingen kopen, liever dan in eigen mouterijen te investeren. De kleinere brouwers met veel telers onder hun klanten bleven zelf mouten.

De Eerste Wereldoorlog met de moeilijkheden om aan grondstoffen te geraken en de Duitse inbeslagname van het koper vanaf 1915, betekende het einde van veel, vooral kleinere brouwerijen. Na de oorlog duurde de crisis voort door een daling van het verbruik: er werd meer koffie gedronken, er kwam een nieuwe vorm van ontspanning, namelijk filmbezoek en vooral er daagde een geducht concurrent op, de cola. De Tweede Wereldoorlog bracht dezelfde problemen met bevoorrading en opeisingen van koperen ketels mee. Even kenden de kleinere brouwerijen met hun verpichte cafés in een klein afzetgebied rond de brouwerij een heropleving maar na 1960 ging het met hen definitief bergaf. Door een verminderd cafébezoek (de televisie), de hogere loonkosten en de concurrentie van de warenhuizen, sloten veel brouwerijen hun deuren. Eind 1970 leverden 7 brouwerijen 75 % van de totale productie. In die brouwerijen bepalen hoger geschoolden hoe er moet gewerkt worden met hopextracten, hopconcentraten of hoppelets (= geperste hopkorrels, vacuüm verpakt) en andere additieven om het bier een constante bitterheid, een goede bewaring en vooral een vaste prijs te geven. Maar hoe bekwaam de nieuwe meester-brouwers ook zijn, het is de smaak van de consument die bepaalt wat er gedronken wordt. Of dat nu gebrouwen is in een nog overlevende lokale brouwerij of in een fusiebrouwerij dat heeft geen belang zolang het maar volgens de beproefde formule is.

Hekelgemse brouwerijen.

Vermeldingen over de Hekelgemse brouwerijen vonden we in tal van bronnen: het archief van de schepenbank van het Land van Asse als de brouwers betrokken waren in een proces, in het kohier van hoofd- en beestengeld van 1702, in de volkstelling van 1755, het kadaster van Voncken van 1833 en de kadastrale legger van Popp ca 1860, in de biografieën van de brouwersfamilies die we publiceerden op de website ‘In de schaduw van Affligem’ en in andere publicaties. Waar mogelijk zijn de gegevens over de afkomst en het gezin van de brouwers toegevoegd omdat, net zoals bij molenaars, het beroep van vader vaak op een zoon overging en dat in de hoop om later nieuwe informatie te kunnen toevoegen. Bij de brouwers van de 20ste eeuw geldt de bescherming van de privacy en zijn die gegevens niet vermeld tenzij de familie die zelf meedeelde. Over de soorten bier vernemen we praktisch niets met uitzondering van de Affligemse brouwerij ( wit, bruin en licht bier ook klein bier genoemd) en die van Michiels.(klein en sterk bier).

De brouwerij van de abdij Affligem.

De geschiedenis van het Affligems abdijbier is praktisch zo oud als die van de abdij zelf. De regel van de heilige Benedictus, die de bekeerde krijgslieden besloten hadden te volgen, bepaalt dat de monniken zoveel mogelijk binnen het kloosterdomein in al hun levensbehoeften moeten voorzien. Een ander voorschrift staat de monniken een beperkt gebruik van wijn toe. Maar in onze streken was bier de gewone tafeldrank zodat we mogen aannemen dat de eerste Affligemse kloosterlingen hun eigen bier brouwden. Temeer daar ze al tijdens het bestuur van de eerste abt, Fulgentius (1089–1121), een tiende deel van al wat zij bezaten aan de armen gaven, ook van hun voedsel en drank. Dankzij het opzoekingswerk van de monniken dom Cyprianus Coppens en dom Wilfried Verleyen kunnen wij ons een vrij goed beeld vormen van de Affligemse brouwerijen.

De eerste brouwerij paalde aan het gastenkwartier en de werkplaatsen. Al in 1129 verwoestte een felle brand het hele gebouw. Dom Radulfus was bij die brand aanwezig. Zijn medebroeders noemden hem ‘De Zwijger‘ omdat hij sinds meerdere jaren niet meer had gesproken. Hij leefde immers teruggetrokken in een kluis in het bos. Toen hij nu zag dat men de brand niet onder controle kreeg – zo verhaalt de legende – bad hij in stilte en sprak dan de woorden: «Vuur blijf staan, vlam doof uit».  Onmiddellijk hield de brand op !

Vervolgens weten we dat abt Karel de Croy (1521 – 1564) een nieuwe brouwerij liet optrekken die bleef bestaan tot de geuzen in 1580 de hele abdij in brand staken. Het gebouw  werd hersteld in 1608 en nog eens in 1621 omdat het al dreigde in te storten. Door de uitwasemingen van de kokende brouwketels waren de balken waarop de stenen gewelven rustten, geheel verrot. Deze brouwerij is goed zichtbaar op de gravure van C. Lauwers (1658), ze staat onderaan links van het vissershuis. Enkele van de 57 biertonnen die de abdij toen bezat, staan ervoor. In het gebouw zelf waren er 5 brouwketels. Er stonden ook 2 bedden voor de brouwer en zijn knecht, in die tijd waren dat leken en zij sliepen in hun werkplaats. Enkele namen zijn nog bekend: Franciscus Vermeeren (1570), Judocus Rombouts (na 1570) met Guillam De Baetselier als tweede brouwer, Frans Van der Meulen (1578), A.G. Kimmel (1620) Francis Mertens (1730), Antoon Keulemans (1736), Cornelius Haeck (1746), J.B. De Kegel (1755), C.J. Bodaert (1759) en Petrus Vasseur (1768). Abt Karel de Croy betaalde in 1536 25 florijn voor de brouwer en 10 florijn voor de helper. Dat bedrag steeg tot 48 florijn in 1730, tot 60 florijn in 1755, tot 84 florijn in 1759 en tot 94 florijn in 1768.

Gravure van C. Lauwers in A. Sanderus, Chorographia sacra Babantiae, dl 1 (Brussel 1658). De brouwerij en de bakkerij staan helemaal onderaan in het midden. Links ervan een hopveld.

Het bier dat er werd gebrouwen bevatte zeker hop. Heel de streek rond Affligem had toen een goede reputatie omwille van de uitstekende hopkwaliteit. Hophandelaars van Engeland tot de Baltische Staten kochten ze op. De abdij zelf had in 1570 zo’n 42 hopkuilen, in 1620 waren dat er 1.500 en in 1654 al 6.500. In 1561 constateerde aartsbisschop-abt Jacobus Boonen dat niettegenstaande zijn verbod op sterk bier voor de monniken, de gasten en de knechten, er toch nog enkele vaten sterk bier werden gebrouwen. Alleen ‘gewoon’ bier mocht nog. Dat was bruin bier in de winter en wit in de zomer. Maar in 1770 verzochten de paters hun overste om heel het jaar door wit bier te mogen drinken, wat hen werd toegestaan. De armen kregen een lichter bier.

In 1761 viel een werkman in de kokende brouwketel en overleed aan zijn verwondingen. Toen stonden er 2 brouwketels met elk een capaciteit van ongeveer 40 biertonnen. Jaarlijks brouwde men 22 tot 23 brouwsels, 5 brouwsels meer dan een eeuw voordien. Voor het bruine bier gebruikte de brouwer 60 vaten (van ca 50 l) gerst en 6 vaten tarwe. Voor het lichte bier, bestemd voor de knechten en de armen, slechts 54 vaten gerst en 6 vaten tarwe. Voor een brouwsel van het witbier dat de paters in de zomer dronken, waren 30 vaten gerst, 9 vaten tarwe en 9 vaten haver nodig. De aalmoezenier kreeg jaarlijks 200 tonnen licht bier om aan de kloosterpoort de dorst van de armen te lessen.

Met de uitdrijving van de monniken en de verkoop van de abdij in 1796 door de Franse bezetter, was ook het lot van de eeuwenoude brouwerij bezegeld. Toen bijna een eeuw later, in 1869, de monniken het Bisschoppenhuis, het enige bewoonbare overblijvende gebouw van het oude kloostercomplex, konden terugkopen, herbegon het abdijleven in Affligem. In de Benedictuspoort en aanpalende gebouwen installeerden ze een nieuwe brouwerij met 3 brouwketels, een roerkuip en 95 tonnen voor een totaal bedrag van 5.754,61 fr. Het brouwen herbegon op 20 mei 1885. De brouwer, nu een monnik met de hulp van knechten, brouwde maandelijks 28 hectoliters maar hij moest nu mout en hop gaan kopen. Per brouwsel gebruikte hij 300 tot 350 k gerstemout  en 6 tot 9 k hop met 100 k kristalsuiker. Een nieuwe bezetter van ons land, ditmaal het Duitse leger, kwam in 1917 de koperen ketels weghalen. Het duurde tot 1920 voor de brouwerij was uitgerust met 2 nieuwe ketels ( van 35 en 36 hl) en een koelbak. Mout en hop werden opnieuw gekocht. Broeder Tobias Vergauwe brouwde de laatste maal op 13 maart 1940 want in mei waren de Duitsers er terug. De Tweede Wereldoorlog maakte na bijna 9 eeuwen definitief een einde aan het bierbrouwen in Affligem.

In 1578 betaalden de brouwers Adriaen Rampelbergh voor 7 amen, Joos Vermeere voor 11 amen en Hendrick De Clerck voor 15 amen accijnzen voor de periode van 1 juni tot 30 september. Over Adriaen Rampelbergh is wellicht de vader van Adriaen, zie verder. Van de twee andere bouwers vonden we geen informatie. Een amen is zoveel als 50 stopen, een stoop is vier pinten.

De brouwerij Michiels.

Bedesetter Rachen De Merchie verpachtte in 1612 de impost van de consumptie, de accijnzen op consumptiegoederen, aan zichzelf en bespaarde daarmee 50 g voor de gemeente, althans volgens zijn verklaring. Maar na de inning had hij een tekort van 14 g en om dat bedrag weg te werken verhoogde De Merchie de belasting op bier van 2 st per vat tot 10 st. Brouwer Jan Michiels weigerde te betalen, wat tot een fikse ruzie met De Merchie leidde. Die betichtte Michiels ervan dat hij klein bier verkocht als dubbel of sterk bier. Een grove belediging voor de brouwer die bovendien schadelijk was voor zijn zaak. Zelf achtte hij zich een man van eer en van ‘goeden naem ende fame int ’t stuck van sijnen handel’. Hij verweet De Merchie een dief te zijn en dat was de waarheid want iedereen, ook zijn eigen moeder, noemde De Merchie ‘den rijken dief’. Die uitspraak dreef de bedesetter ertoe om de brouwer een flinke mep te verkopen, over een bank te sleuren en zijn kraag te scheuren. Als reactie richtte Michiels zich tot de schepenbank en verzocht de schepenen De Merchie een boete op te leggen van 400 g. De helft was bestemd voor de armen en de andere helft voor hemzelf. Aan de schepenen om een rechtvaardig oordeel te vellen !

Jan Michiels was getrouwd met Maria Galiaerts. Ze hadden twee kinderen: Georgius, gedoopt te Hekelgem op  27 mei 1608 en Catharina, gedoopt te Hekelgem op 1 november 1609.

De brouwerij Lijsens Stede van Steven Verpaelt en Thieman Jacobs?

Op 18 maart 1624 verkocht Steven Verpaelt een brouwketel van zijn brouwerij Lijsens Stede, gelegen aan de straat van de abdij naar de kerk van Hekelgem (nu de Fosselstraat), aan Thielman Jacops. In de verkoop waren ook begrepen een ton, twee halve tonnen, een vierdeelvat, twee stortvaten en de steen waarop de brouwketel stond. Steven Verpaelt mocht de ketel nog tot eind februari 1625 gebruiken. Getuigen van de verkoop waren Merten Van den Houte, Lieven Derijcke en Gielis De Coster. In afwachting van de levering liet Thielman door Merten Combien een lokaal bouwen voor zijn nieuwe brouwerij. Maar Verpaelt verkocht ondertussen het brouwalaam aan een ander. In zijn klacht bij de schepenbank eiste Thielman een schadevergoeding van 32 g 3 st, te weten 23 g voor het bouwen van een brouwerij, 5 g loon voor de metselaar en 3 g 10 st voor verloren consumpties.

Van Steven Verpaelt is er in de parochieregisters niets te vinden, wel van Thielman Jacobs. Hij was getrouwd met Anna De Bruyn en ze hadden acht kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Jacobus, gedoopt op 26 april 1605.

2- Cornelius, gedoopt op 20 januari 1608.

3- Joannes, gedoopt op 16 maart 1610.

4- Stephanus, gedoopt op 29 december 1613.

5- Joannes, gedoopt 30 juni 1616.

6-  Joanna, gedoopt op 30 juni 1616.

7- Judocus, gedoopt op 4 augustus 1619.

8- Philippus, gedoopt op 24 april 1623.

De brouwerij Van Rampelberch.

Andries Seminck uit Erembodegem kocht schaarhout in het Hertegembos te Sint-Katharina-Lombeek. Met Adriaen Van Rampelberch, brouwer op Boekhout, had hij afgesproken dat die zich als borgsteller zou opgeven op conditie dat Andries hem daarvan kosteloos en schadeloos zou ontheffen. Die trok zich van het akkoord niets aan en, wat voor de brouwer erger was, hij betaalde de koopsom niet. Het gevolg was dat de verkopers, het wachten beu, Adriaen Rampelberch herinnerden aan zijn borgstelling en van hem de koopsom eisten. Adriaen zag zich genoodzaakt in 1657 de dorpsofficier Guillam Jacops aan te spreken om Andries te dwingen zijn belofte na te komen. Die toonde zich inschikkelijk en beloofde binnen de 8 dagen een schriftelijke verklaring die Adriaen onthief als borgsteller te ondertekenen. Maar een week later, op 13 maart, was die verklaring er nog niet en Adriaen stapte naar de schepenbank met de eis dat Andries zijn belofte zou nakomen.

Adriean Van Rampelberch trouwde op dinsdag 8 januari 1647 te Hekelgem met Maria Verhoeven. Zij overleed te Hekelgem op dinsdag 8 november 1667. Zij hadden een zoon Petrus, gedoopt te Hekelgem op 24 september 1646 (pas drie maanden later getrouwd!) Hij hertrouwde op woensdag 15 augustus 1668 te Teralfene met Joanna Sonck. In het gezin kwamen nog twee kinderen te Hekelgem gedoopt: Anna, gedoopt op 21 september 1670 en Catharina, gedoopt op 28 december 1672.

De brouwerij Vermoesen.

I Gillis.

Brouwer Gillis Vermoesen uit het Mazits kocht op 6 maart 1663 twee percelen land. Het eerste perceel, groot omtrent 1 dagwand, werd ‘Het Verleijsen Vijverken’ genoemd en was eigendom van de H. Geest van Hekelgem. Het paalde aan de voetweg van Boekhout naar Aalst, aan Michiel De Kegel, de straat en het kerkgoed van Hekelgem en was belast met twee sisteren rogge jaarlijks aan de pastoor te geven. Het tweede perceel was van de kerk van Hekelgem, ook omtrent 1 dagwand groot en paalde aan Het Verleijsen Vijverken, de straat, Gillis Verhoeven, Adriaen De Schrijver en Joos De Greve. Samen brachten de percelen 10 gulden 6 stuivers pacht op. Gillis kocht de percelen voor 700 gulden waarvan 300 gulden onkwijtbaar met een rente van 18 gulden 15 stuivers en de twee sisteren rogge. Dezelfde rente gold ook voor het tweede perceel. Gillis kon die 400 gulden in twee schijven afbetalen.

De aankoop van het land zorgde voor heel wat problemen want tegen de geplande aankoop kwam er protest. Nog voor de akte was verleden, was Gillis overleden en erfden de wezen van Jan Vermoesen van hun oom de hofstede met de brouwerij. Franchois Vermoesen, broer van Gillis en Jan vroeg de aartsbisschop om in het belang van de wezen de aankoop niet te laten doorgaan. Hij werd in zijn verzoek gesteund door heel wat gemeentenaren: Merten Robijns, Adriaen Van Rampelberch, Racen De Merchy, de weduwe Aert Robijns, Adriaen De Leeuw, Peeter Van Neervelt, Henderick De Donder, Michiel De Keghel, Joos De Greff end, Pauwels Van Den Eijnde, Jan Van Den Driessche, Jan De Vis, Henderick De Decker, Michiel Carnoy, Merten Van Den Berch en Enghel Verhoeven. Het advies dat de landdeken hen op 19 april liet weten was de verkoop van de percelen ten voordele van de huisarmen en de kerk toch te laten doorgaan tijdens een openbare verkoop aan de meest biedende.

In 1684 was hij een van de Hekelgemnaren die voor de parochie een lening afsloot omdat de parochie de contributie opgelgd door de Fransen onder Lodewijk XIV niet volledig kon betalen. Hij gaf zijn hofstede en brouwerij als pand.

Egidius was een zoon van Egidius en Anna De Batselier. Zijn ouders waren te Hekelgem getrouwd op 5 juli 1616. Er kwamen vijf kinderen in het gezin die te Hekelgem werden gedoopt:

1- Joannes, gedoopt op 15 september 1619.

2- Joannes, gedoopt op 8 oktober 1618.

3- Maria, gedoopt op 27 augustus 1621.

4- Egidius, gedoopt op 6 april 1625.

5- Franciscus, gedoopt op 17 april 1629.

Was de vader al brouwer en werd Egidius zijn opvolger? In de parochieregisters vinden we geen verder spoor meer van hem. Wel van zijn broer Franchois. Zie hierna.

II Franchois Vermoesen

Guilliam Camu zal nog lang gedacht hebben aan de dag van 15 maart 1664. Die dag was hij met zijn zoon Michiel met een lorrewagen bij brouwer Franchois Vermoesen klein bier gaan halen. Zij lieten de volgeladen wagen op de weg[1] staan en gingen bij Franchois vier of vijf potten bier drinken. Ondertussen hadden enkele mannen van Aalst de wagen opgemerkt en gingen ermee vandoor. Raphael Dedemaecker, een jonge kerel, had de diefstal gezien en hij verwittigde Guillam en Michiel. Die zetten onmiddellijk de achtervolging in samen met Gilleken de slager. Op de Boekhoutberg hoorden ze van mannen uit Essene dat er bij de dieven een Jan De Witte was, een Camermans en een De Jonghe. Toen de dieven hen opmerkten, stormden ze op hen af en onze gedupeerden vluchtten weg en konden ontkomen, behalve Guillam die gevallen was. Met hun stokken sloegen de dieven op hem los. Op zijn vraag waarom ze hem sloegen, antwoordden ze dat hij hen voor dieven had uitgemaakt. Uiteindelijk kon hij ontsnappen voor een van hen met zijn mes wou steken.

Franchois trouwde te Hekelgem met Anna Tonis op 9 oktober 1654. Franchois overleed te Hekelgem op 15 januari 1675 en Anna op 15 september 1677. Zij hadden zeven kinderen te te Hekelgem werden gedoopt:

1- Anna, gedoopt op 21 september 1655.

2- Egidius, gedoopt op 30 novermber 1656.

3- Joannes, gedoopt op 18 maart 1659.

4- Petrus, gedoopt op 00 oktober 1663.

5- Joannes, gedoopt op 6 mei 1666.

6- Petronella, gedoopt op 18 augustus 1669.

7- Catharina, gedoopt op 17 november 1670.

In 1684 werd zijn zoon Gillis genoemd als brouwer. Gillis was een van de Hekelgemnaren die dat jaar voor de parochie een lening afsloot bij ridder Van den Cruyce omdat de parochie de door de troepen van Lodewijk XIV opgelegde contributie niet kon betalen.

Brouwerij Sint-Huybrechtshof.

Brouwer Merten (Martinus) Robijns  werd te Hekelgem gedoopt in 1580. Hij werd schepen van Affligem en van het Land van Asse, kerk- en armenmeester te Hekelgem. Volgens een, citaat in 1618 woonde hij op het Bleregemblok en volgens een citaat in 1630 was hij pachter op het Sint-Huybrechthof in de Domentstraat. Dat was een boerderij met brouwerij. Hij was een medestichter van de Confrerie van de H. Rozenkrans te Hekelgem. Merten trouwde met Elisabeth Wauters in 1605, dochter van Andries en Anna Lemmens. Andries werd geboren te Hekelgem in 1580 en overleed te Meldert op 24 september 1659. Hij werd in de kerk begraven.

In een pachtboek van de abdij anno 1655 lezen we: ’Merten Robijns hout in hueringhe de goederen van den hovene van Cauwenberghe groot in winnende land 32 bunders 1 dagw 36 roeden ende 19 bunderen 18 roeden weide ende brouchagie. Totaal 51 bunderen en oneffen roeden binnen beloop … item hout den Rogiersmand onder Ter Alphenen tot 4 bunderen … item onder n…issel den coluneeussel’.

Van hun kinderen werd de eerste twee te Meldert gedoopt, de anderen te Hekelgem:

1- Jacqueline, (Jacobijn), gedoopt op 16 mei 1601, getrouiwd te Brussel op 30 oktober 1625 met Andries Van Nuffel, rentmeester en bosmeester van Affligem.

2- Jan, gedoopt in 1603, ongehuwd overleden te Meldert in 1632.

3- Aarnout (Arnold), gedoopt te Hekelgem op 1 mei 1619. Zie brouwerij Den Engel.

4- Michiel, gedoopt op 9 maart 1621. Volgens een citaat in 1669 was hij superior der oratorianen, pastoor te Keukelaer.

5- Nicolaas, gedoop op 20 april 1624.

6- Martinus (Merten), gedoopt op 15 februari 1626.

7- Pauwel, gedoopt op ?

8- Franchoys, Meldert 1629, priester gewijd te Brussel op 10 juni 1634, in 1637 pastoor te Meldert, + Meldert 1665, grafsteen in de kerk. Hij was een van de eersten die genoot van de studiebeurs Lemmens.

Of Arnold ook brouwer was in opvolging van zijn vader weten we niet. Zijn zoon Frans die trouwde met een dochter van de brouwerij Den Engel was het wel.

De brouwerij Den Engel.

Gillis Van den Broeck trouwde te Hekelgem met Magdalene Crick op 26 augustus 1623. Zij werden pachters van het ‘Hof den Engel’ met brouwerij te Hekelgem. In het gezin werden vier kinderen geboren en te Hekelgem gedoopt:

1- Catharina, gedoopt op 19 januari 1625.

2- Anna, gedoopt op 19 januari 1627.

3- Maria, gedoopt op 26 november 1628.

4- Petrus, gedoopt 10 augustus 1630.

Hun dochter Anna trouwde te Hekelgem op 7 oktober 1642 met Arnold Robijns, geboren op 1 mei 1619. Hij overleed te Brussel in 1689. Zij hadden zes kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Catharina, gedoopt op22 oktober 1644.

2- Frans, gedoopt op 2 januari 1647.

3- Joannes, gedoop top 30 april 1649.

4- Egidius, gedoop top 15 november 1651.

5- Jacoba, gedoopt op 15april 1654.

6- Joanna Maria, gedoop top 1 april 1656.

De weduwe van Arnold, Anna Van den Broeck was in 1684 een van de Helelgemnaren die bij ridder Van den Cruyce een lening aanging omdat de parochie de door troepen van Lodewijk XIV opgelegde contributie niet kon betalen. In 1699 was het de weduwe van hun zoon Frans die een aanmaning kreeg omwille van achterstallige renten van die lening.

Een brouwerij in het Zegershof?

De oudste zoon Arnold Robijns en Anna Van den Broeck, Frans (Franchois), gedoopt op woensdag 2 januari 1647 in Hekelgem overleed op zaterdag 5 februari 1689 in Hekelgem, 42 jaar oud. Hij was schepen van het Land van Asse en heer van het Zegershof. De gebouwen stonden op een motte van 17 a en de velden en bos hadden een oppervlakte van ca 24 dagwand. Hij trouwde te Essene 23 augustus 1668 met Catharina Wambacq, dochter van Michel, meier van de schepenbank van Affligem, notaris en van Joanna Catharina De Bast. Zij hadden negen kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Petrus, gedoopt op 11 oktober 1671.

2- Joannes Franciscus, gedoopt op 31 december 1672.

3- Judocus, gedoopt op 22 juni 1675.

4- Petrus, gedoopt op 19 november 1677.

5- Joanna, gedoopt op 19 februari 1680.

6- Andreas Arnoldus, gedoopt op 11 september 1682.

7- Philippus Josephus, gedoopt op 11 september 1682, overleden te Brussel op 2 mei 1732. Hij was licentiaat in de rechten, heer van Westmael, Zoersel, Rollant enz., rechtskundig adviseur. Hij volgde zijn vader op als eigenaar van het Zegershof. Hij trouwde te Brussel in de Sint-Niklaaskerk  op 7 april 1708 met zijn nicht Elisabeth ’t Sas. Zij liet de gebouwen tot puin vervallen en overleed te Brussel in 1756. Het is weinig waarschijnlijk dat er onder Philippus nog werd gebrouwen.

8- Anna Jacoba, gedoopt op 25 maart 1685.

9- Maria Josepha, gedoopt op 27 juni 1667.

Op 3 september 1678 diende Andries Segers als collecteur een klacht in tegen Franchois Robijns, pachter, brouwer en biertapper. Hij eiste de onmiddellijke betaling van 155 g 18 st waarvan de helft zijn contributie was en de andere helft een bede en andere dorpslasten. Franchois reageerde met een schrijven aan de schepenen waarin hij opmerkte dat hij zelf van de bedesetters nog 750 g tegoed had. Het ging om vertier en logementen van diverse gasten op vraag van de bedesetters en 80 g voor het ter beschikking stellen van zijn paard aan de gemeente. Hij stelde de bedesetters voor om de 150 g 18 st af te trekken van de 750 g waarop hij nog recht had en de schepenen verzocht hij om de bedesetters te verplichten die som ‘promptelijck’ te doen betalen.

In 1686 waren er twee brouwerijen volgens Beda Regaus in J. Ockeley, Bona & Jura selexta ex Beda Gegaus (Fontes Affligemenses 1975) 39.

De brouwerij Cornelis.

Peter Corneliswas de zoon van Joannes en Barbara Wambacq, pachters op het Hof ter Saele. Dat was een groot bedrijf. Ca 1624 waren er op de hoeve 15 melkkoeien en 150 schapen en acht paarden. Peter werd gedoopt op woensdag 8 februari 1640 in Hekelgem en hij overleed op 15 december 1700. Hij trouwde met Catharina De Vleeshouder, overleden te Hekelgem op 27 november 1686. Zij hadden 8 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Anna, gedoopt op 30 december 1670, zij trouwde met koster Franciscus Resteau.

2- Franciscus, gedoopt op 22 februari 1672, zijn peter was dom Franciscus Cornely (zijn naam komt niet voor in het Necrologium van dom Wildried Verleyen). Franciscus trouwde met Anna De Merchy, weduwe van koster Andries Seghers.

3- Guillelmus, gedoopt op 23 juli 1673.

4- Maria, gedoopt op 15 januari 1675.

5- Judoca, gedoopt op 1 oktober 1677.

6- Martinus, gedoopt op 9 januari 1680. Zijn peter was dom Martinus Cornely.

7- Elisabeth, gedoopt op 9 februari 1682.

8- Catharina, gedoopt op 29 april 1684.

Peter was kerkmeester in 1669 en armenmeester in 1672. Met zijn broer Michiel betaalden ze 300 g voor 31 b 3 d 53 r zaailand en 12 b 3 d 75 r weiland en broekagie en het Fortuyn van 2 b 3 d 36 r. Zij huurden ook 12 b land en weide op de Keukenshage van de kapelanie van het H. Sacrament in Sint-Goedele te Brussel. Van de parochie huurden ze 236 r land op Geukenshage. Michiel pachtte behalve van de abdij ook van kerk van Hekelgem: 2 d 50 r land op de Buikouter, 1 d 2 r op de Mattenslochting. In 1673 waaide een deel van de schuur af en staken de Fransen de rest in brand. Peter Cornelis behield later een deel van de pacht over en richtte naast de kerk een brouwerij op waarvan een vermelding in 1687. Hij ging een lening aan bij Louis Verbruggen, kanunnik te Antwerpen, met een rente van 12 g 10 st. De lening was bezet op zijn hofstede met huis, brouwkuip en andere edificiën, gelegen tegenover de kerk van Hekelgem. Op juni 1687 bleek dat Cornelis de rente al 6 jaar niet meer had betaald, een achterstal van 75 g. De kanunnik verzocht nu de schepenen Cornelis te verplichten tot onmiddellijke betaling.

Guilliam Cornelis: bezat in 1684 een stenen huis met kamketels en andere afhankelijkheden gelegen in  Hekelgem en De Drij Koninghen genoemd gelegen aan de ‘herstraete’ naar Aalst (= de Langestraat was toen de belangrijkste straat naar Aalst)..

De brouwerij Sint-Sebastiaan.

Van de herberg met brouwerij Sint-Sebastiaan aan de (huidige) Brusselbaan[2] vonden we vermeldingen in 1681, 1684 en 1755: ‘Eene hofstadt met den huyse, brouwwerije en andere esdificiën daerop staende, groot 286 roeden, geheeten ‘Sint-Sebastiaen’. We vermoeden dat Adriaan Van Nuffel er de eigennar van was.

Want op 16 juni 1681 werd de handbooggilde Sint-Sebastiaansgilde er opgericht. De akte van een rentestichting werd verleden voor de schepenen van de abdij. Adriaan Van Nuffel, hoofdman van de gilde, bezette in naam van de gilde een kapitaal van  48 rijnsgulden tegen een jaarrente van 3 gulden Midden 18de eeuw werd de wip van de gilde overgebracht naar de dries aan de Voorpoort van de abdij. De gilde had toen een lokaal in de herberg De Rose. Tijdens de Franse Revolutie werd ze neergehaald en verbrand.

Adriaan  (ook Andries genoemd) was afkomstig van Wieze. Hij trouwde met Jacqueline (Jacoba) Robijns op 31 oktober 1625 in de Sint-Kathelijnekerk te Brussel. Adriaan werd rent- en bosmeester en schepen van de abdij. Zij kregen vier zonen te Hekelgem gedoopt:

1- Franciscus, gedoopt op 12 augustus 1630.

2- Johannes, gedoopt op 10 maart 1633. Hij werd bosmeester, stadhouder en ontvanger van het leenhof en van het kwartier Mechelen. Hij woonde te Meldert op het dorp.

3- Martinus, gedoopt op 21 januari 1635. Hij werd monnik in de cisterciënzerabdij Sint-Bernard-aan-de-Schelde.

4- Judocus werd niet in Hekelgem gedoopt. Hij trouwde met Catharina Robijns uit Meldert. Volgens de telling van 1693 woonde hij er met zijn vrouw, vier kinderen en een meid.

.

Brouwerij Kieckens.

Nicolaes was in 1702 brouwer met twee knechten, een meid, twee paarden, vier koeien en 60 schapen die graasden op een weide in Teralfene. Hij trouwde te Hekelgem met Anna Eeckhaut op 1 februari 1686. In 1702 was hij weduwnaar want zijn vrouw werd niet vermeld in de lijst. Hij overleed te Hekelgem op 31 augustus 1717;

In de parochieregisters van Hekelgem is er maar 1 Nicolaes Kieckens te vinden, maar die overleed op 31 augustus 1717. Hij was getrouwd met Anna Eeckhout te Hekelgem op 1 februari 1986. Zij hadden negen kinderen:

1- Laurentius, gedoopt op 2 december 1686.

2- Elisabeth, gedoopt op 19 november 1688.

3- Melchior, gedoopt op 20 februari 1691.

4- Petrus, gedoopt op 13 december 1693.

5- Judocus, gedoopt op 21 augustus 1696.

6- Joannes, gedoopt op 1 juni 1699.

7- Anna Maria Joanna, gedoopt op 4 april 1704.

8- Cornelius, gedoopt op 19maart 1705.

9- Adrianus, gedoopt op 2 februari 1708.

De brouwerij van Jan Baptist Crick.

De enige Jan Baptist die volgens de parochieregisters in aanmerking komt als brouwer was de zoon van Michael en Van Den Broeck Anna. Michael was gedoopt te Hekelgem op 29 november 1675. Hij overleed er op 2 mei 1754 en Anna op 00 september 1706. Zij hadden vier kinderen:

1- Petronella gedoopt op 29 juni 1701.

2- Judocus gedoopt op 22 april 1702.

3- Judoca gedoopt op 7 december 1703.

4- Joannes Baptist gedoopt op 4 november 1705.

Het kohier van hoofd- en beestengeld gaf in 1702 aan dat Jan brouwer was met zijn vrouw, twee knechten, twee meiden, twee paarden, vier koeien en een vaars, een varken. De volkstelling van 1755 vermeldt een Jan Baptist als brouwer met twee knechten, twee meiden, twee paarden, vier koeien en een vaars, een varken. Werd Jan Baptist, overleden in 1754, hier aangehaald of gaat het om zijn zoon Jan Baptist geboren in 1705?

Brouwerij Peeter Van Den Biesen 1719.

In een conflict van de bedesetters en inwoners van Hekelgem en Meldert met de abdij Affligem was Peeter Van den Besien opgeroepen als getuige. De abdij beweerde dat op meerdere percelen land die vroeger weide waren, hop had gestaan en waarop geen hoptienden waren betaald. De opgeroepen getuigen stelden dat op sommige percelen wel eens een hopveld waren, maar nu al vele jaaren zaailand waarop allerlei vruchten hadden gestaan zoals tarwe, koren, gerst en haver en daarop werden telkens de tienden geheven.

De brouwerij van Peter Ceuppens.

In 1755 was Peter Ceuppens pachter, brouwer en herbergier, met zijn vrouw en 2 kinderen, een van 20 en een van 16 jaar, en een meid. Peter trouwde te Hekelgem  op 31 december 1733 met Anna Maria de Bailliu, de weduwe van Andreas Robijns. Hij overleed te Hekelgem op 5 maart 1775 en zijn vrouw op 6 juni 1776. Zij hadden een zoon, Andreas, gedoopt te Hekelgem  op 7 april 1737.

De Kaaszak.

I. Peeter De Donder

Peeter was de eerste eigenaar van wat ten tijde van Zacharias De Wever ‘De Kaaszak’ werd genoemd. Hij was te Hekelgem gedoopt op 24 februari 1711. Hij overleed er op 24 oktober 1766. Zijn vrouw, Elisabeth Van der Slachmeulen overleed te Hekelgem op 8 juli 1782. Zij hadden drie dochter te Hekelgem gedoopt:

1- Joanna Catharina, gedoopt op 10 januari 1742.

2- Maria, gedoopt op 6 juli 1744.

3- Maria Anna, gedoopt op 16 mei 1747.

Ze verkochten hun herberg met brouwerij op 2 december 1755, wellicht omdat er als brouwer geen opvolger was, aan J.B. De Smedt.

Jan Baptist De Smedt.

In 1755 heeft ‘Jan De Smedt, jonge man, sone Pauwels, bij coop vercregen van Peter De Donder, ses en sestig roeden onbehuysde hofstede onder de prochie van Hekelgem op Bouchout’. Het goed lag aan de Brusselse steenweg, links van het oude gemeentehuis van Hekelgem.

Joannes Baptist werd teHekelgem gedoopt op 12 november 1729. Hij trouwde te Hekelgem op 7 januari 1756 met Anna Van de Perre, te Hekelgem gedoopt op 28 maart 1734 als dochter van Franciscus en Judoca Vonck van het Zegershof. Jan Baptist overleed te Hekelgem op 1 juni 1762 als zijn jongste kind 4 maanden oud is. Anna trouwde na zijn dood met Judocus De Bailliu op 22 juni 1762 en na diens overlijden met Zacharias De Wever op 11 augustus 1765. Zij stierf te Hekelgem op 4 januari 1795. Zij hadden drie kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Suzanna, gedoopt op 5 oktober 1756, huwelijk met Petrus Stallaert uit Meuzegem waar ze zich vestigden.

2- Maria Judoca, gedoopt op 23 april 1759, huwelijk met Joannes De Bailliu. In 1815 was Joannes pachter van het Hof ter Sale. Hij sterft nog dat jaar en na haar overlijden in 1839 werd Jan Baptist De Wever de nieuwe pachter.

3- Joannes Baptist, gedoopt op 24 januari 1761, huwelijk met Anna Crols te Hekelgem op 23 augustus 1787. Zacharias De Wever was daarbij een van de getuigen. Anna was gedoopt te Hekelgem op 14 augustus 1763.

In 1761 staat hij op de lijst van ‘commerschap, neringhe, brouwerijen en herbergen’.

Na hun huwelijk bouwden ze er een huis op dat, toen Anna met Zacharias De Wever trouwde, de Kaaszak werd genoemd.

4 januari 1795 overleed Anna Van De Perre omstreeks 8 uur in de namiddag 60 jaar oud echtgenote van Zacharias De Wever uit (geboren) Sint Catharina Lombeke, P. De Laddersous pastoor.

De erfgenamen van Anna Van de Perre verkochten hun deel in de Kaessack aan de nieuwe echtgenoot van hun moeder Zacharius voor ‘ieder een somme van vierhonderd guldens couranten gelde’, vermeerderd met aan ieder nog in de twee eerstkomende jaren, een ‘somme  van sesse honderd vijfentwintgh guldens’.

II. Zacharias De Wever.

Op het einde van het ancien regime en tijdens de Franse overheersing was Zacharias De Wever, eigenaar van De Kaaszak een belangrijk man in Hekelgem. Als zakenman en politicus behoorde hij tot de vooraanstaanden in Hekelgem en de moeite waard om hem wat nader toe te lichten. Frans Moortgat beschreef Zacharias als volgt:

‘Een dorpsfiguur uit het einde van de 18de eeuw die verdient ontrukt te worden aan de vergetelheid is Zacharias De Wever. De rol die hij in het plaatselijk openbaar leven speelde, geeft hem recht op een ereplaats in de geschiedenis van zijn dorp. Zijn grote herberg gelegen op Boekhout aan de steenweg van Brussel naar Gent was tot ver in de omtrek bekend. Wij kennen De Wever als stamvader, oprichter van de herberg De Kaaszak, pachter, brouwer, bareelhouder, bedesetter, schepen van het Land van Asse, municipaal agent en maire van Hekelgem’.

Zacharias (Segerius)werd teSint-Katharina-Lombeek gedoopt op 8 december 1739 en overleed te Hekelgem op 5 januari 1828. Hij was een zoon van Jan Baptist en Maria Van Leeuw. In 1790 werd Zacharias als volgt beschreven: ‘52 jaar, 6 voet 2 duym lanck (1,70 m) blont roshayer, blauwe ogen’. Datzelfde jaar werd Zacharias schepen in de schepenbank van het Land van Asse. Van 1795 tot 1799 was hij vertegenwoordiger voor Hekelgem (agent municipale) in de kantonale gemeenteraad te Asse en nadien werd hij maire te Hekelgem. Hij trouwde een 1ste maal te Hekelgem op 11 augustus 1765 met Anna Van de Perre, gedoopt te Hekelgem op 28 maart 1734 en aldaar overleden op 4 januari 1795. Zij was de dochter van Franciscus en Judoca Vonck. Anna was eerst weduwe van Joannes Baptist De Smedt en daarna van Judocus De Bailliu. Uit het eerste huwelijk van Zacharias:

1. Joanna Catharina, gedoopt te Hekelgem op 13 juli 1765 en te Sint-Katharina-Lombeek overleden op 27 oktober 1852.

2. Maria Anna, gedoopt te Hekelgem op 12 mei 1768 en aldaar overleden op 14 maart 1796. Zij trouwde te Hekelgem op 2 maart 1788 met Guillaume Louies, gedoopt te Hekelgem op 28 december 1745 en aldaar overleden op 16 februari 1807. Hij was de zoon van Franciscus en Joanna Maria De Vis. Hij hertrouwde te Hekelgem op 24 maart 1800 met Anna Maria Heyvaert.

3. Anna Catharina, gedoopt te Hekelgem op 27 november 1769 en er overleden op 21 maart 1808. Zij huwde te Hekelgem op 3 januari 1791 met Petrus Franciscus Pauwels, gedoopt te Hekelgem op 29 januari 1765, en er overleden op 20 juli 1819.

4. Judocus, zie III.

5. NN, levenloos geboren kind, gedoopt te Hekelgem op 8 maart 1773.

6. Gillis (Egidius), gedoopt te Hekelgem op 21 april 1774 en aldaar overleden op 4 december 1847. Gillis werd gemeenteraadslid. Hij trouwde een 1ste maal te Hekelgem op 13 mei 1794 met Petronilla Carolina Pauwels, gedoopt te Hekelgem op 25 juli 1755 en aldaar overleden op 8 april 1796. Hij huwde een 2de maal te Hekelgem op 13 september 1796 met Joanna Maria Droeshoudt, gedoopt te Hekelgem op 19 februari 1773 en aldaar overleden op 9 oktober 1842.

7. Petrus, gedoopt te Hekelgem op 2 april 1778 en aldaar overleden op 5 juni 1855. Hij huwde te Hekelgem op 24 oktober 1804 met Joanna De Ridder, gedoopt te Hekelgem op 3 maart 1787 en aldaar overleden op 24 december 1864, dochter van Henri en Elisabeth Van Vaerenbergh.

Zacharias trouwde een 2de maal te Hekelgem op 7 februari 1807 met Jacqueline Cecile Van De Velde, gedoopt te Hekelgem op 28 mei 1777 en aldaar overleden op 27 juni 1813.

Door zijn huwelijk met Anna Van de Perre kwam Zacharias in het bezit van De Kaaszak, een erfenis van haar eerste man. Het was een hofstede met brouwerij, groot 66 roeden. Het gebouw paalde aan de steenweg van Brussel naar Aalst en was belast met een grondcijns aan de abdij. De naam Kaaszak komt wellicht van het feit dat er meestal een zakje met verse platte kaas hing uit te druipen.

Brouwer, zakenman en politicus.

Zacharias was een gewiekst zakenman. Van 1767 tot 1822 kocht en verkocht hij negen percelen land en een hofstede. Maar een poging om van de Franse overheid een hoeveel bewerkte blauwe steen die hij van de abdij had gekocht, te recupereren mislukte. Als herbergier was Zacharias erin geslaagd om zijn herberg als een soort gemeentehuis te laten functioneren. De vergaderingen van de bedesetters gingen er door en al wat te maken had met gemeentelijke opdrachten en zo profiteerde hij van het vertier. Zijn herberg, de Kaaszak was een groot huis met twee verdiepingen, boven 5 vensters en op het gelijkvloers 4 met een deur in het midden. Deur en vensters hadden een arduinen omlijsting. In 1779 had Zacharias de herberg laten verbouwen. Er was ook een grote boerderij aan de herberg verbonden en de bareel van de steenweg was daar gevestigd. In 1860 baatte zijn kleinzoon Joannes Franciscus De Wever het bedrijf uit. Na de Eerste Wereldoorlog werd alles afgebroken en vervangen door het huidige gebouw. Er was een winkel, een café en een zaal.

Als bedesetters en ook schepen van het Land van Asse was Zacharias een invloedrijk man en een vertegenwoordiger van het ancien regime. Toch had hij er geen moeite mee om in dienst te gaan van de Franse bezetter. In het voorjaar van 1796 stelde de Franse overheid een municipale raad aan. Joannes Botergergh werd de eerste agent municipale en Henri De Ridder de adjoint. Op 5 april 1797 werd Zacharias met 25 stemmen verkozen tot assesor van de vrederechter Etienne François Gillis. Een week later, op 12 april, volgde zijn verkiezing met 29 stemmen tot agent municipale. Zacharias bleef agent municipale tot 13 mei 1799, dan zat zijn tweejarige ambtstermijn erop. De Kaaszak, zijn hofstede met brouwerij fungeerde dan officieel als eerste gemeentehuis.

In 1795 schreef de Franse overheid een gedwongen lening uit. Voor Hekelgem stelde commissaris Spinnael een lijst op het geschatte bezit en van het jaarlijks inkomen. Zacharias staat op de 9de plaats met een geschat fortuin van 6600 pond en een jaarlijks inkomen van 1344 pond. Op de lijst van de te betalen bedragen komt Zacharias in rg 13 bij de burgers die 1000 pond moesten betalen. In rang 15, de hoogste rang, betaalde men 1200 pond. Zacharias werd er als cijnsplichtige beschreven.

Zacharias liet in 1795 een huis bouwen aan de overkant van de steenweg richting Aalst. Het gebouw van een verdieping telt vier traveeën met in de gevelsteen boven de deur zijn initialen ‘SDW’. Op 10 april 1795 verdeelde Zacharias zijn bezittingen onder zijn zes kinderen, Joanna Catharina, Maria Anna, Anna Catharina, Gillis, Petrus en Judocus. De Kaaszak werd door notaris S.F. Gillis omschreven als.: ‘eene hofstede met den gemetsten huijse van twee stagiën, schuere, stallingen ende alle edificiën daar op staende, soo de selve gelegen is onder de voorschrevene dorpe van Hekelgem, Boeckhout, groot van erve tweeënveertig roeden’. Zijn zoon Judocus nam later de woning over.

Een week voor zijn dood, op 29 december 1827, liet Zacharias door notaris Adrianus Franciscus De Lantsheere uit Opwijk zijn testament opstellen. Dat gebeurde in de slaapkamer van zijn vroeger huis waar hij inwoonde bij zijn kleinzoon Joannes De Wever, pachter en herbergier. Omwille van de goede zorgen van zijn kleinzoon liet hij hem na: een hoge horloge met kast, beddengoed, enkele kasten en andere meubelen, cash geld, kleren en lijnwaad en een bos van 7 r 87 ellen in de Steen.

III. Judocus.

Judocus werd gedoopt te Hekelgem op 25 juni 1771 en is aldaar overleden op 4 november 1826. Hij huwde te Asse op 9 mei 1799 met Maria Theresia De Smedt, gedoopt te Hekelgem op 17 april 1774 en aldaar overleden op 28 augustus 1814, dochter van Joannes Baptista en Anna Catharina Resteau. Judocus trad net als zijn vader in de politiek en werd gemeenteraadslid. Hij was ook pachter, herbergier, bareelhouder en baatte De Kaaszak uit. Zij hadden tien kinderen:

1- Anna Catharina, geboren op 15 juli 1799, overleden op 1 november 1801.

2- Jean François, geboren op 30 april 1804.

3- Anne Catherine, geboren op 14 december 1802, overleden op 24 september 1821.

4- Gilles, geboren op 4 november 1804.

5- Pierre François, geboren op 15 april 1806.

6- Jeanne Catherine, geboren op 19 juni 1807.

7- Marie Anne, geboren op 6 oktober 1808 en overleden op 13 augustus 1820.

8- Dorothee, geboren op 17 juni 1810.

9- Zacharie, geboren op 7 november 1811.

10- Jeanne Aurelie, geboren op 28 februari 1813, overleden op 21 november 1813.

Op de Villaretkaart (ca. 1745) staat de hoeve alleszins reeds ingekleurd (weze het de woning zélf alsook de vleugel waarin zich op vandaag de “Bar/ontvangstruimte” bevindt – de vleugel ook met de schouw). Deze beide vleugels gaan zeker terug tot 1700/1720; mogelijks nog verder in de tijd. De overige vleugels dateren van omstreeks 1790/1795.

Zacharias’ dochter Anne huwde met Franciscus Louis die het pand verder restaureerde/uitbouwde en voor het eerst ook exploiteerde als brouwerij. Zie verder Brouwerij Louis.

De brouwerij Clauwaert.

I. Peter Clauwaert.

Peter was een zoon van Petrus en Catharina Robijns. Hij is gedoopt omstreeks 1660 in Hekelgem en is aldaar overleden op zaterdag 11 september 1723 ongeveer 63 jaar oud. Hij trouwde, ongeveer 29 jaar oud, op zaterdag 14 mei 1689 met Joanna Cornelis, 24 jaar oud. Zij is gedoopt in 1665 in Hekelgem en aldaar overleden op zondag 27 september 1722, 57 jaar oud. Zij woonden nabij de Voorpoort van de abdij. Kinderen uit dit huwelijk te Hekelgem gedoopt:

1-. Anna Francisca, gedoopt op 21 januari 1690 en begraven te Hekelgem op 23 mei 1762.

2-. Petrus Josephus, gedoopt op 20 april 1693. Brouwer. zie verder II.

3- Franciscus, gedoopt op 21 augustus 1696. Brouwer, zie verder volgt III.

4- Joannes Baptist, gedoopt op 19 november 1698, overleden te Hekelgem, zie IV.

5- Joanna Catharina, gedoopt op 6 december 1700, overleden op 14 maart 1736.

6- Michaël, gedoopt op 21 mei 1703, overleden te Brussel op 20 januari 1748.

In 1687 was Peter paardenknecht in de abdij. In 1687 kwam hij in moeilijkheden na een klacht van de pastoor Adolf Droesbeeck van Erembodegem bij de aartsbisschop A. de Berghes tegen de knechten van de abdij. Volgens hem hadden zij zich onbetamelijk gedragen na de processie van O.-L.-Vrouw Hemelvaart in de herberg De Drie Koningen. Als gevolg van de aanklacht ondervroeg proost Vedastus Van Nuffel, bijgestaan door notaris Jan De Witte van Meldert, al het mannelijk dienstpersoneel van de abdij. Dat waren er 23 waarvan de meesten nog vrij jong waren. Enkele oudere knechten waren misschien niet meer actief maar mochten in de abdij van kost en inwoning genieten. De aanklacht luidde dat ze in De Drie Koningen bij de speelman waren geweest en daar hadden gedanst, gesprongen, gekust ende geleckt. Ook de waard en de waardin, nl. Guillam Cornelis, die niet kon schrijven, en Elisabeth Robijns, werden gedagvaard. Proost Vedastus dagvaardde 23 knechten en onder hen de paardenknecht Peter Clauwaert, een wagenmaker, een kuiper, een schoenmaker, een smid, een hovenier, een mulder, een kok en een schommelcock (een occassionele kok), een kleermaker, een portier en een organist. Peter Clauwaert verklaarde dat hij op 15 augustus mis had gehoord, gebiecht en gecommuniceerd, nadien aanwezig was in de vespers en bij de preek. Hij had deelgenomen aan de processie en was daarna  met enige eerelycke jonkmans naar De Drij Coninghen gegaan bij zijn oom en moye (tante) Elisabeth. Zij was de zus van zijn moeder waar hij na de dood van zijn moeder was opgegroeid. Hij was er ongeveer anderhalf uur gebleven, doch niet bij de speelman, die hij wel had gehoord in een andere kamer. Daar waren nog 18 a 19 jonkmans en enige dochters, onder wie de zusters van de pastoor van Erembodegem, vergezeld van de pastorieknecht. Peter Clauwaert was bereid zijn verklaring met een eed te bekrachtigen. Elisabeth Robijns maakte in het proces verbaal allusies op het feit dat zij familie was Vedastus Van Nuffel, afkomstig van Hekelgem en proost van de abdij.

Petrus huwde een 2de maal te Meldert op 25 mei 1667 met Elisabeth De Visch gedoopt te Meldert in 1645 en overleden na 1679. Kinderen uit dit 2de huwelijk te Hekelgem gedoopt:

5. Joannes, gedoopt op  12 april 1669, trouwde te Meldert met Gertrudis Verdoodt. Werd de tak te Meldert.

6. Catharina, gedoopt op 3 oktober 1670.

7. Franciscus, gedoopt op 19 februari 1673.

8. Guillelmus, gedoopt op 24 februari 1675.

9. Elisabeth, gedoopt op 2 maart 1677, overleden te Meldert op 25 december 1737.

In 1688, bij de dood van Elisabeth, wordt Peeter eigenaar van de Drij Koningen, als erfgenaam of ingekocht uit de erfenis. Peeter was naast herbergier ook kerkmeester (evenals zijn broer Michiel), bedezetter en landbouwer. Hij huurde van de abdij 35 dagwand en 65 roeden landbouwgrond (ongeveer 12 Ha). In 1712 werd hij vermeld als schepen van Hekelgem. Peeter trouwde met Joanna Cornelis, familielid van zijn oom Guilliam Cornelis. Bij de doop van zijn kinderen komen 2 paters van de abdij als dooppeter voor: Franciscus Conely en Dom Martinus Cornelis.

Na Peter Clauwaert komt de “Drij Koningen” in handen van zijn zoon Peeter die handtekent als Peeter Clauwaert fs. Ps. waarbij Ps staat voor Peeterszoon. Hij was naast landbouwer-herbergier ook schepen van het land van Assche.

Vanaf 1688 werd Peter in de kerkrekeningen vermeld als pachter van kerkgoederen en nog in dat jaar leverde hij aan koster Andries Segers een koe die hij zelf bereidde voor het dodenmaal van de broer van Andries. In 1696 was hij kerkmeester samen met zijn broer Michiel. Na de dood van Elisabeth Robijns verwierf hij de afspanning De Drij koningen. In de kerkrekeningen vinden we de volgende vermeldingen:

– In 1693 en 1696: betaald aan Peter 3 g voor het vertier in zijn huis voor het winnen van eenen silveren keeghel.

– 1697 en 1700: betaald aan Peter 9 g 3 st voor het vertier van de kerkmeesters na het omhalen van de kerkhop en het winnen van  eenen silveren voghel ende eenen keeghel.

In 1702 was Peter brouwer met twee knechten, een meid, twee paarden, drie koeien en een vaars: 15-16-0. Hij en Joanna waren welstellende mensen. Hij was ook een grote boer die niet minder dan 35 d 65 r gronden huurde. Derhalve was hij een belangrijke figuur in de gemeente. Van 1711 tot 1723 ondertekende hij als schepen van de schepenbank van Asse meerdere documenten en ook de rekeningen van de parochie. Zij konden ook nog land bijkopen.

II. Peter Josephus.

Peter Josephus was te Hekelgem gedoopt op 20 april 1693 en overleed aldaar op 12 april 1785. Hij huwde een 1ste maal te Hekelgem in 1724 met Maria Cooremans, gedoopt te Hekelgem in  1695 en aldaar overleden op 20 juni 1727. Hij hertrouwde te Liedekerke op 18 april 1728 met Joanna Maria Bastien, gedoopt te Liedekerke in 1702, overleden te Hekelgem op 2 januari 1785. Hij woonde op Boekhout.

Kinderen uit het eerste huwelijk te Hekelgem gedoopt:

1. Joanna Catharina, gedoopt op 18 april 1725, overleden te Hekelgem in 1808.

2. Joannes Franciscus, gedoopt op 18 april 1725, overleden te Hekelgem in 1782.

Kinderen uit het tweede huwelijk met Joanna Maria Bastien te Hekelgem gedoopt:

3. Michaël, gedoopt op 21 december 1728, overleden te Hekelgem vóór 1734.

4. Anna Maria, gedoopt op 11 januari 1730, overleden te Hekelgem in 1802.

5. Petrus, gedoopt op 13 maart 1732, overleden te Hekelgem in 1754.

6. Michaël, gedoopt op 2 februari 1734

7. Benedictus, gedoopt op 15 juli 1735, te Hekelgem overleden in 1800.

8. Joannes Baptist, gedoopt op 4 oktober 1736, zie verder “Dramatisch ongeval”.

9. Petrus Franciscus, gedoopt op 13 april 1738.

10. Ferdinand, gedoopt op 11 februari 1740.

11. Jacobus, gedoopt op 20 december 1741

12. Judocus, gedoopt op 20 maart 1744, overleden te Hekelgem in 1817.

In 1755 was Peter Josephus herbergier, brouwer en pachter met zijn vrouw met 7 kinderen, een van 28, een van 23, een van 20, een van 17,een van 15, een van 11 en een van 10 jaar. In 1721 is hij 61 of 62 jaar en schepen van het Land van Asse. Petrus Josephus erfde van zijn ouders een hofstede met huis en land, groot 2 d 15 r op Boekhout, palend aan de steenweg en de hofstede van Geeraert Van Den Biesen. De hofstede was belast met 5 g 12 st 1 bl grondcijns aan de abdij.

Peter was collecteur van Hekelgem van 1756 tot 1769 en bedesetter 1722 tot 1732. In 1758 betaalde hij als welstellende boer voor de 20ste penning 25 g 9 st 1 o voor 7 b 58 r land, een woning en een nerick of commerschap (brouwerij en taverne).

De handtekeningen van Jan Baptist ’t Sas, M. Van der Schueren, Michiel Bellemans en Peeter Clauwaert onder de rekening van 1733.

Peter was in staat om zijn bedrijf uit te breiden. Op 1 maart 1728 kocht hij voor 167 g een onbehuisde hofstede op Boekhout, palend aan de steenweg. Op 9 oktober 1747 kocht hij een hofstede van 2 d aan de steenweg te Hekelgem voor 2040 g en 20 g voor hopstaken. Hij had een herberg waar de bedesetters regelmatig vergaderden, net zoals die dat ook deden in het Bourgoins Cruijs bij de familie Roseleth en later in De Kaaszak bij Zacharias De Wever. Voor het vertier ontving hij een vergoeding.

Als een van de grote boeren van Hekelgem behoorde hij tot de selecte groep die voor de overheid bepaalde opdrachten moest uitvoeren. Op 17 mei 1744 waren Franse troepen Vlaanderen binnengedrongen en verdreven de Hollanders uit de Barrièresteden. Op 23 november zochten Hollandse ruiters logement in Hekelgem. Peter moest 6 ruiters met een kwartiermeester-generaal onderdak bieden. Ze hadden ook 16 paarden bij. Nadien volgden nog verplichte leveringen.

Op 20 oktober 1763 trok de toen 72-jarige Peter, pachter en brouwer, naar Brussel om te getuigen in een proces dat door Peter Bosteels was aangespannen tegen Jan Baeck  die een carte figuratief van Hekelgem had getekend. Peter was, samen met de pastoor, de armenmeesters en de rendant, gedagvaard door officier Jan Cauckens ten huize van de schepen en rechtsgeleerde Theijs. Het ging om een aantal geschillen zoals de verkeerde vermelding van de eigenaar of de betwisting of er voor een bepaald perceel al of niet een losgat was.

Peter Clauwaert werd voogd van de kinderen van zijn broer Frans en zijn vrouw Anna na hun overlijden. Hij stelde de balans op van de ontvangsten en de uitgaven in 1747. Hij verhuurde De Drij Coninghen, huizen en een meers van 1744 tot 1747 voor 400-0-0.

III. Frans.

Franciscus werd te Hekelgem gedoopt op 21 augustus 1696 en te Hekelgem overleden op 17 augustus 1732. Hij trouwde met Anna Van der Slagmeulen, te Hekelgem overleden op 14 juli1743. Na zijn dood hertrouwde Anna met Joannes Ceurtvriendt. Zij hadden 3 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1. Joannes Baptist, gedoopt op 24 juni 1726.

2. Petrus, gedoopt op 12 augustus 1728.

3. Michael, gedoopt op 8 juli 1731.

Frans erfde van zijn ouders De Drij Coninghen met schuur, stallen, ast, brouwerij, stokerij met de ketels, kuip, leback, slang, balance onderhandt, stuijckmannen, drije riecken, eenen hacker, eenen bierboom, ende oock alle de schelfboomen behalvens in de nast, coets op de kelderkamer ende schappraye, coets op de slaepkamer, de schappraye in de keuken ende oock de stellingen die daer sijn huijsinghe hopstaecken daerop de prochie metinghe 73 r. Het huis was belast met een cijns aan de abdij, met een jaargetijde in de kerk van Hekelgem met uitdelen van een gulden brood.

IV. Joannes Baptist.

Joannes Baptist, zoon van Petrus en Joanna Cornelis (zie nr. I), gedoopt op 19 november 1698, trouwde met Catharina Pensionaris, gedoopt te Hekelgem op 22 maart 1719, dochter van Frans en Judoca Vonck. Zij hadden twee kinderen te Hekelgem gedoopt:

1. Franciscus, gedoopt op 28 januari 1751.

2. Joanna Catharina, gedoopt op 20 juni 1756.

Van Joannes weten we dat hij in ‘De Drij Koningen’ woonde, maar niet of hij nog brouwer was. In 1860  was er volgens de kadastrale legger van Popp geen brouwerij meer. Joannes wordt er vermeld als landboouwer.

.

Mouterij-brouwerij De Valck.

I. Jan VanNuffel.

De oudste vermelding van De Valk vinden we in een akte van 27 juli 1679. Jan Van Nuffel, de rentmeester van de abdij, kocht toen voor 1 500 g een gemetst huijs ende hoffstede mette mauterije, schuren, stallen, ast en andere edificiën daerop staende, soo ende gelijck ’t selve gestaen ende gelegen is onder de prochie van Hekelgem bij het clooster van Affligem mitsgaders den meersch daeraen gelegen ende tot dijen den hoplochtinck achter insgelijck gelegen, tsamen groot een bunder twee dachwanden LXIX roeden (2 ha 10 a 32 ca), palende voor tegen tsheeren straete …alleenlijck belast metten heerlijcken grontchijns daerop uijtgaende aen den Godtshuijse van Affligem ende eenen pot wijn aen de kercke van Hekelgem.

De verkopers waren de kanunniken van de O.-L.-Vrouwkathedraal te Antwerpen: Carolus Joannes De Sourneau, aartsdiaken; Pauwels Van Halmale, aartspriester en officiaal; Carolus Comperus en Anthonius Hoeffslach. Zij waren de provisors van een fundatie voor 12 arme priesters en het geld van de verkoop, 1500 g, was bestemd voor het onderhoud van die priesters. Volgens de Affligemse schepenen Adriaan Van Nuffel en Jan De Witte was de hofstede door haar goede ligging en deuchtsaemheijt 7 000 g waard. Jan Van Nuffel betaalde voor de hofstede die bekend werd onder de naam “De Valck”. Jan Van Nuffel was een zoon van Adriaan en Jacoba Robijns. Adriaan was afkomstig van Wieze en werd bos- en rentmeester en ook schepen van de abdij. Hij trouwde met Jacoba op 31 oktober 1625 in de Sint-Kathelijnekerk te Brussel. Zij hadden vier kinderen te Hekelgem gedoopt:

1. Franciscus, gedoopt op 12 augustus 1630. Hij trad in 1652 te Affligem in 1652 en kreeg als kloosternaam Vedastus.

2. Joannes, gedoopt op 18 maart 1633. Joannes werd zoals zijn vader bosmeester. Hij was ook griffier, stadhouder en ontvanger van het leenhof en ontvanger van het kwartier Mechelen. Hij trouwde met Ursula Van Aken en woonde eerst op het dorp te Meldert. Na zijn dood ontdekte men een tekort op zijn rekeningen en de abdij sloeg zijn goederen aan. Was dat een gevolg van de aankoop van De Valck?

3. Martinus, gedoopt op 21 januari 1635. Hij legde op 5 mei 1658 de geloften af in de cisterciënzerabdij Sint-Bernard-aan-de- Schelde.

4. Judocus trouwde te Hekelgem op 18 november 1675 met Catharina Robijns, geboren te Meldert op 21 juni 1646. Het gezin woonde te Meldert. Judocus overleed op 8 februari 1763 en werd in de kerk van Meldert begraven.

II. Jacobus De Witte.

Jacobus was griffier van de abdij. Hij verwierf De Valck op 17 februari 1708. Eigenlijk kocht zijn schoonvader, Michiel Clauwaert de volledige hofstede, groot 6 d 69 r, voor zijn schoonzoon Jacobus en zijn dochter Joanna Maria op 3 januari 1707. De grondcijns bedroeg toen 5 g 5 st ½ mijt, 26 ½ hennen en een kapoen voor de abdij en een pot wijn voor de Kerk van Hekelgem. Na het overlijden van Jacobus werd op 3 november 1751 de inventaris van het sterfhuis opgemaakt. De Valck werd dan als volgt beschreven: sekere hofstede mette steenen huijse, mouterije met de weijde, hof, bogaert ende block, groot int geheel 6 dagwanden 69 roeden, vercreghen bij decrete tegens de proviseurs der fondatie van Capello volgens brieve gepasseert voor schepenen van Afflighem in dathe 17de september 1708.

Jacobus trouwde te Hekelgem op 19 januari 1707 met Joanna Maria Clauwaert, dochter van Michiel en Anna Buggenhout. Voor dat huwelijk kreeg het paar dispensatie wegens bloedverwantschap in de vierde graad. Jacobus overleed in De Valck op 8 mei 1750 en zijn vrouw op 31 december 1751. Ze kregen 9 kinderen, te Hekelgem gedoopt:

1. Adriana, gedoopt op 22 oktober 1707, religieuze in Ten Rozen.

2. Joannes Baptist, gedoopt op 11 oktober 1708. Zijn dooppeter was zijn oom E.H. Jan De Witte. Hij overleed te Hekelgem op 20 november 1785. Hij trouwde met Theresia Meert  te Hekelgem op 20 mei 1747. Hij volgde zijn vader op als griffier van Affligem. Hun zoon Benedictus Emmanuel werd de laatste griffier van de abdij. Het is in zijn huis, ’t Griffiershof, dat de laatste proost Beda Regaus onderdak vond na de verdrijving van de monniken door de Franse overheid.

3. Jacobus, gedoopt op 26 augustus 1710.

4. Anna Maria, gedoopt op 4 juni 1712, trouwde met Martinus Van Vaerenbergh.

5. Benedictus, gedoopt op 21 maart 1714, zijn dooppeter was dom Odo De Craecker, proost van de abdij en zijn doopmeter domna Gertrudis Vinck, abdis. Hij werd priester gewijd ca 1739. Onderpastoor te Asse tot 30 juli 1787.

6. Joanna Petronella, gedoopt op 8 maart 1716, trouwde te Hekelgem op 23 oktober 1751 met Petrus Emmanuel Schoon. Voor de trouw verkreeg het paar dispensatie voor de drie roepen. Pastoor De Cuyper deed de huwelijksviering in de kapel van het Magdalenaklooster te Brussel. Joanna overleed te Hekelgem op 19 november 1787, Petrus op 22 augustus 1778. Hun zoon Benedictus trouwde met Van Lierde Anna Francisca.

7. Bernardus Hiëronymus, gedoopt op 26 januari 1718 door dom Hiëronymus De Wolf, syndicus van de abdij.

8. Maria Theresia, gedoopt op 2 mei 1719.

9. Anna Catharina, gedoopt op 19 augustus 1723.

Jacobus was een welvarend man. Hij kon zijn bezittingen aan onroerende goederen, landbouwgrond, bos, hopveld en 2 hofsteden uitbreiden tot ca 11 ha. Hij stond voor een bedrag van 4 092 gulden leningen toe aan 14 verschillende personen. De lange lijst van de verkoop van zijn roerende goederen op 19 januari 1752 toont ook zijn welstand. Opvallend daarin een staande horloge, 12 Spaanse lederen stoelen en twee schilderijen. Zijn volledige eigendom was een slordige 32 000 gulden waard, of 800 maal het gemiddelde jaarloon van een knecht van de abdij.

Als een van de weinige paardenboeren te Hekelgem, hij had twee paarden, voerde hij bepaalde taken in opdracht van de gemeente uit. Zo leverde hij hooi aan de geallieerden te Vilvoorde in 1745 en ontving daarvoor 17 g 10 st en nog eens 16 g 13 st voor wagen- vrachten, levering van brood en pottagie en voor het logement van huzaren.

De grafsteen van Jacobus ligt naast de kerk van Hekelgem, achter het monument. Hetzelfde familiewapen komt voor op een schilderij in het Brussels Museum voor Oude Kunst. Het is een XVde eeuws Brugs retabel met als schenker Jan De Witte.

Popp-kaart met aanduiding van De Valck rechts van nr. 330 gelegen voor het kruispunt Nieuwstraat en Langestraat.

III. Petrus Emmanuel Schoon.

Petrus Emmanuel Schoon, gedoopt te Hekelgem op 25 december 1712 trouwde op 23 oktober 1751 met Joanna Petronella De Witte in het Magdalenaklooster te Brussel. Petrus was de zoon van Cornelius en Judoca Pauwels. Joanna Petronella werd te Hekelgem gedoopt op 8 maart 1716 als dochter van Jacobus en Joanna Maria Clauwaert. Petrus overleed te Hekelgem op 22 augustus 1778 en Joanna op 19 november 1787. Zij hadden een zoon, Benedictus.

Na de verdeling van de nalatenschap van Jacobus De Witte volgde op 17 februari 1752 een ruil van de kavel van Joanna, de vrouw van Petrus Schoon met de kavel van Anna Maria, de vrouw van Martinus Van Vaerenbergh. Daarmee kwam De Valck in het bezit van Petrus en Joanna. De hofstede De Valck omvatte toen een stenen huis, schuur, stallen, waterput en edificiën, groot 33 a 32,4 ca, belast met een grondcijns aan de abdij, waarde 5 660 g 19 ¾ st, bomen en houtwas geschat op 62 g. Er is geen sprake meer van een mouterij.

IV. Benedictus Emmanuel Schoon.

Benedictus werd gedoopt te Hekelgem op 26 augustus 1752. Hij trouwde op 11 juli 1780 met Anna Francisca Van Lierde, gedoopt te Hekelgem op 7 mei 1756, dochter van Josephus en Joanna Catharina De Kegel. Benedicus overleed te Hekelgem op 19 maart 1808 en Anna op 13 september 1797. Zij hadden 12 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1. Joanna Maria, gedoopt op 3 mei 1781.

2. Benedictus, gedoopt 6 september 1782.

3. Joannes franciscus, gedoopt op 13 januari 1784.

4. Joanna Benedicta, gedoopt op 20 oktober 1785.

5. Joannes Baptist, gedoopt op 28 februari 1787.

6. Petrus Joannes, gedoopt op 7 juni 1788.

7. Joannes Hubertus, gedoopt op 3 november 1789.

8. Catharina Jacoba, gedoopt op 8 juli 1791.

9. Maria Francisca, gedoopt op 16 december 1792.

10. Maria Theresia, gedoopt op 19 april 1794.

11. Petrus Emmanuel, gedoopt op 7 februari 1796.

12. Petronella, gedoopt op 27 augustus 1797.

Op 11 november 1796 werden de monniken uit hun abdij verdreven. Aan de Voorpoort staat een menigte hen op te wachten. De proost richt zich tot zijn confraters en zegt hen: Verheug u en juich, want groot is uw beloning in de hemel. Die woorden ontroeren de omstanders. Velen slaan zich op de borst of steken hun armen omhoog. Buurvrouwen kunnen het niet langer aanzien en lopen wenend hun huizen binnen. Sommige monniken kunnen hun emoties nu moeilijk bedwingen, al hebben ze tot dan de gebeurtenissen onbewogen ondergaan. Langsheen de abdijmuur gaan ze dan richting Aalst tot aan de woning van hun kok, Egidius Beeckmans. Daar verspreiden ze zich. Enkele monniken blijven er ontbijten, anderen gaan daarvoor naar de pastoor van Hekelgem Petrus De Laddersous, naar Benedictus De Witte in het Griffiershof of naar schepen Benedictus Schoon in de brouwerij De Valk.

Achtergevel van De Valck. Foto Edmond Schoon.

Het huis van De Valck bleef bestaan tot omstreeks 1950 toen het werd verbouwd. In de zijgevel van het huis geven ankers het jaartal 1650 aan. De achtergevel, de zijgevels en de 2 kelders zijn bewaard gebleven. In een kelder is een waterput. Deze brouwerij ligt aan de Kamgracht die ook de brouwerij van de abdij van water voorzag. In het huis stonder er drie oude vlaamse schouwen in zandsteen die zo belangrijk bleken dat Dr. Jozef Weyns, stichter en archivaris van het openluchtmuseum Bokrijk er interesse voor had en er twee van aankocht. De derde kwam naar Nieuwerkerken bij Jozef Buekens. Ook de eiken trap waarover Jozef Weyns schrijft: Dikke, eiken prachtig gedraaide trapbalusters, waardig om te prijken in Rubens’ eigen huis. Hij verwierf 4 van die balusters en nog wat koper en tin.

J. Weyns, Het verhaal van ons huis (Davidsfonds) 76-79.

Brouwerij Den Calecoenschen Haen (ook Kalecoenschen Haen geschreven)

I. Petrus Vonck.

Hij bracht de naam Vonck naar Hekelgem. Hij was de zoon van Petrus, gedoopt te Aalst op 27 maart 1624 en overleden te Hekelgem op 4 maart 1673. Hij huwde te Hekelgem op 13 augustus 1644 (ondertrouw op 11 juli 1644) met Catharina Van der Hoeven, gedoopt te Hekelgem op 19 juli 1627 en aldaar overleden op 4 maart 1682.

11 juli (1644 te Hekelgem) hebben zich in mijn tegenwoordigheid verloofd Petrus Vonck en Catharina Van Der Hoeven, getuigen Joannes Vonck en Gaspard Van Der Hoeven. Op 13 augustus zijn ze gehuwd met dezelfde getuigen.

Kinderen uit dit huwelijk: Anna, Franciscus,  Joannes, Petronella, Antonia, Petrus, Susanna en Maria. Petrus was kerkmeester in 1658. Of hij de eerste brouwer van Den Kalcoenschen Haen was weten we niet, maar zijn zoon werd wel als de brouwer vermeld.

II. Petrus.

Petrus isde tweede van de generatie Vonck te Hekelgem Hij was het zesde kind van Petrus en Catharina Van der Hoeven,gedoopt te Hekelgem op 26 september 1656 en overleden op 12 september 1708. Hij trouwde met Maria Van den Wijngaert op 6 februari 1683. Maria overleed op 6 juli 1711. Petrus Vonck was de brouwer van Den Calecoenschen Haen. In het kohier van 1702 werd hij vermeld als brouwer met een dochter, een knecht, twee paarden, twee koeien, een vaars en een varken. Zijn vrouw staat niet in het kohier.

De verdeling van de erfenis van zijn ouders volgde op 12 september 1714. Officier Jan Van Huijnegem verving de drossaard van het Land van Asse, Hubert Mo(o)rtgat, om de akte op te stellen. Peter Clauwaert en Joannes Van den Bossche, de schepenen van het Land van Asse tekenden de akte. Petrus en Maria hadden nog 7 kinderen in leven: Elisabeth, Franciscus, Joannes, Petrus, Anna, Maria, Judoca, Petronella, Maria Anna en Philippus Ludovicus. Vooraf was, na voorgaande adviezen, bepaald dat wie de kavel A had, gehouden was om Elisabeth Vonk, de zus van hun vader en hun moijken, heel haar leven te onderhouden van eten drincken ende cleeren, soo bij sieckte als in gesontheijt. Hun vader had dat ook gedaan en had daarvoor het genot van haar erfenis. De helft van die erfenis kwam bij kavel A zolang Elisabeth leefde en na haar dood moest de bezitter van kavel A aan de andere kinderen eenmalig 50 gulden geven.

Petrus, het vierde kind, gedoopt op 12 januari 1694 en er overleden in 1756 trouwde met Anna Vermoesen, gedoopt op 27 augustus 1686 en er overleden op 6 februari 1772. Zij was een dochter van Judocus en Joanna Jacops. Petrus erfde een meers, een akker, een hopveld, de ast op de hofstede en het brandewijn gereck. Bezat vader Petrus behalve een brouwerij ook een stokerij?

Poppkaart: de Langestraat met links Den Kalecoenschen Haen op de hoek van de Langestraat en de Steenpoelweg, nrs. 725 en 726. Zie de pijl rechts. Rechts Het Hoeksken, pijl links, nr.127b.

III. Franciscus.

De tak Franciscus, zoon van Petrus en Maria Van den Wijngaert, gaat over Franciscus, zijn zoon Joannes (IV), zijn zonen Petrus (V) en Jan Baptist (VI) en de zoon van Petrus, nl. Bernardus (VI).

Franciscus,werd gedoopt te Hekelgem op 12 januari 1688 en overleed er op 8 februari 1722. Hij trouwde een 1ste maal voor 1713 met Catharina Van Wies, overleden te Hekelgem voor 1716 en huwde een 2de maal met Catharina Van der Bisen, overleden te Hekelgem op 26 september 1752.

Uit zijn 1ste huwelijk had Franciscus een zoon, Joannes, volgt IV.

Met zijn tweede vrouw had Franciscus nog 3 kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Franciscus, gedoopt op 16 februari 1716, trouwde met Elisabeth Dauw.

2- Anna Maria, gedoopt op 3 februari 1719, trouwde met Petrus Plas.

3- Petronella, gedoopt op 29 april 1729.

Franchois erfde kavel A, namelijk:

– sekere hoffstede soo ende gelijck de selve gestaen ende gelegen is binnen de prochie van Hekelgem met den hoppelochtinck daer aen gelegen, groot 1 d 53 r, genoemd Den Kalecoenschen Haen. De hofstede paalde aan juffrouw Longien, Jan Vonck en de straat van Affligem naar Aalst (de Langestraat) en was belast met een oord cijns aan de abdij.

– Het huis met twee kamers en de poort, twee kelders, de borreput en het varkenskot.

– De goedbierketel, de brouwerij, de bak en de kuip, de onderbakken, leeckbakken, het rooster en de tonnen.

– De helft van de hopstaken, de lindeboom en alle fruitbomen.

– 43 r land op de Boekhoutberg, palend aan de steenweg en Jan Vonck. Het perceel was belast met een grondcijns van 6 st 1 o aan de markiezin van Asse.

Van die kavel moest Franchois 91 g 17 ½ st aan zijn broer Jan geven, en aan de anderen272 g 19 st 1 blank zodat zijn erfenis 1682 g 2 st bedroeg, hetzelfde bedrag van de andere kinderen.

IV. Joannes.

Joannes, de zoon van Franciscus, werd gedoopt op 1 oktober 1713 en overleed te Hekelgem op 18 december 1780. Hij trouwde met Catharina Timmermans, overleden te Hekelgem op 21 december 1761 in het kinderbed. Kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Martinus, gedoopt op 17 maart 1750 en nog hetzelfde jaar overleden

2- Jacoba, gedoopt op 5 juli 1751 en te Hekelgem overleden in 1828. Zij trouwde met Joannes Bernard Tavenier, gedoopt te Hekelgem op 28 februari 1744 en er overleden op 23 juni 1796. Zij woonden in de Langestraat en hadden 7 kinderen te Hekelgem gedoopt.

3- Petrus, gedoopt op 19 november 1753, volgt V.

4- Maria Anna, gedoopt op1 november 1755 en nog hetzelfde jaar overleden.

5- Joanna Maria Christina, gedoopt op 30 oktober 1756, overleden in 1832, huwelijk met Joannes Mattens te Hekelgem op 6 november 1781. Zij woonden in het Mazits en hadden 7 kinderen te Hekelgem gedoopt:

6- Francisca, gedoopt op 18 maart 1759 en nog het zelfde jaar overleden.

7- Egidius, gedoopt op 6 april 1760 en nog hetzelfde jaar overleden.

8- Jacobus, gedoopt op 15 december 1761 en hetzelfde jaar overleden.

Na de dood van Catharina Timmermans hertrouwde Joannes op 4 mei 1762 met Catharina Van Gheite. Zij werd te Hekelgem gedoopt op 24 oktober 1726 en overleed er op 25 maart 1783. Hun dochter Joanna Catharina, geboren op 12 juni 1765 werd niet in Hekelgem gedoopt. Drie kinderen werden te Hekelgem gedoopt:

1- Maria Theresia, gedoopt op 14 juni 1763 en overleden op 25 februari 1836. Zij trouwde met Petrus De Schrijver, gedoopt te Hekelgem op 22 november 1749 en overleden op 14 april 1806. Zij hadden vier kinderen te Hekelgem gedoopt:

2- Isabella, gedoopt op 2 mei 1767, overleden in 1824.

3- Joannes Baptist, gedoopt op 5 juli 1769, volgt VIb.

Op 28 februari 1764 gingen Joannes en Catharina een lening aan van 300 g bij Gillis Plas en Elisabeth Goossens. De rente bedroeg 10 g 10 st. Als pand gaven ze de helft van 2,5 d land palend aan de Boekhoustraat en de Morette en 1 d land op Erembodegem gelegen. Griffier Benedictus E. De Witte stelde de akte op.

Joannes was bedesetter van 1744 tot 1747 en nog eens in 1755. Om zijn devoiren gedaan als bedesetter betaalde de rendant van de parochie hem op 7 mei 1749 de som van 12 g. In de periode 1744 tot 1748, de tijd van de Franse bezetting tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog, was hij verplicht meerdere taken uit te voeren:

– Op 23 oktober 1744 moest hij 4 ruiters logies geven.

– In 1749 ontving hij van de rendant van de kerkrekeningen 15 g en nog eens 26 g voor de wagenvrachten door hem geleverd in 1745.

– Voor logementen van soldaten ontving hij achtereenvolgens 3 g 18 st, 3 g 12 st en 2 g 8 st – Volgens de generale ordonnantie de dathe 13de november 1748 ontving Joannes 134 g 8 st en daarna nog eens 145 g in 1749.

– Voor een opdracht op 7 mei 1749 ontving hij 40 g.

– Voor leveringen op 17 december 1748 de som van 12 g en nog eens 48 g 12 st.[3]

V. Petrus.

Petrus, de zoon van Joannes en Catharina Timmermans, werd gedoopt te Hekelgem op 19 november 1753 en overleed er op 5 februari 1805. Hij huwde een 1ste maal te Hekelgem op 21 augustus 1782 met Anna Catharina Haegeman, gedoopt omstreeks 1763, overleden te Hekelgem op 18 augustus 1785. Zij hadden twee kinderen:

1- Petrus, gedoopt op 29 november 1783.

2- Judocus, gedoopt op 13 augustus 1785 en overleden op 28 augustus 1788.

Petrus hertrouwde te Hekelgem met Petronella De Nil, gedoopt te Hekelgem op 16 januari 1755 en er overleden op 18 januari 1836. Petrus was in opvolging van zijn vader pachter en ook brouwer van Den Calecoenschen Haen, gelegen in de Langestraat rechtover de brouwerij van Johannes Boterbergh.

Kinderen uit het huwelijk van Petrus en Petronilla te Hekelgem gedoopt:

1- Jacobus, gedoopt op 14 september 1786, aldaar overleden in 1786.

2- Joannes Bernard, gedoopt op 15 november 1787, aldaar overleden in 1787.

3- Henricus, gedoopt op 11 augustus 1789, aldaar overleden op 19 april 1847. Hij huwde te Hekelgem op 3 februari 1819 met Isabella De Nil geboren te Hekelgem op 13 november 1802. Zij hadden een huis aan de Dorpstraat. Twee kinderen te Hekelgem gedoopt: Petronella en Constantia.

4- Anna Maria, gedoopt op 19 april 1791, aldaar overleden in 1792.

5- Petrus Joannes, gedoopt op 30 november 1793, aldaar overleden in 1797.

6- Joanna, gedoopt op 24 juni 1795, overleden te Iddergem op 12 november 1851. Zij trouwde te Iddergem op 15 juli 1824 met Bernardus De Luyck, gedoopt te Iddergem op 10 juli 1788, aldaar overleden op 19 april 1847 op 15 januari 1849.

7– Anna Catharina, geboren op 15 november 1799, aldaar overleden op 9 maart 1862. Zij trouwde te Hekelgem op 28 mei 1823 met Judocus De Wever, geboren te Hekelgem op 16 januari 1800, aldaar overleden op 11 februari 1853, zoon van Gillis (Egidius) en Joanna Maria Droeshoudt. Anna Catharina en Judocus hadden 6 kinderen te Hekelgem gedoopt: Nathalie, Jan Baptist, Maria Josephina, Constantinus, Ursula en Henrica.

Op de patentlijst van 1799 van de Franse overheid werd Petrus vermeld als ‘brasseur’.

Petronilla hertrouwde op 20 augustus 1806 met Jan Baptist Roseleth die de nieuwe brouwer van de Calecoenschen Haen werd.

VI. Jan Baptist Roseleth.

Jan Baptist gedoopt te Hekelgem op 23 juli 1773 was de zoon van Franciscus en Maria Anna Droeshout uitbater van het Bourgoins Cruijs op de Boekhoutberg. Jan Baptist overleed te Hekelgem op 20 juli 1848. Hij trouwde met Anna Maria Boterbergh op 5 juni 1795. Zij was de enige dochter van brouwer Joannes en Petronilla Temmerman afkomstig van Erembodegem, gedoopt te Hekelgem op 1 april 1774. De ouders hadden zich gevestigd als brouwers in de Langestraat bijna rechtover Den Calcoenschen Haen. Jan Baptist zette de zaak van zijn schoonouders voort.

Hij hertrouwde met Petronilla De Nil op 20 augustus 1806. Zij was toen 51 jaar en had nog twee kinderen van Petrus Vonck: Anna Catharina getrouwd met Judocus De Wever en Hendrik getrouwd met Isabella De Nil. Jan Baptist verhuisde naar de overkant en werd de brouwer van Den Calcoenschen Haen, de zesde generatie brouwers. Samen met zijn zoon uit zijn eerste huwelijk, Jan Frans, zette hij de zaak voort. Hij bleef er wonen tot het overlijden van Petronilla op 18 januari 1836. De brouwerij, een erfenis van Petrus Vonck, ging naar Anna Catharina Vonck, dochter van Petronilla. Zij verkocht op 17 maart 1840 de bouwvallige hofstede met de brouwerij, groot 31,80 aren, aan haar stiefvader Jan Baptist Roseleth over voor 1 000 fr. Later werd de brouwerij Bourgoniemans genoemd omdat Jan Baptist uit het Bourgondisch Kruis kwam.

VII. Jan Frans.

Jan Frans, gedoopt te Hekelgem op 3 april 1796 en aldaar overleden op 16 februari 1865, trouwde met Maria Theresia De Smedt te Hekelgem op 23 juni 1818, geboren te Hekelgem op 16 februari 1798 en er overleden op 26 mei 1836. Zij was een dochter van Joannes Baptist en Anna Maria Crols. Zij hadden negen kinderen te Hekelgem geboren:

1- Jean Baptiste, geboren op 14 december 1818.

2- Jeanne Petronille, geboren op 28 maart 1820.

3- Maria Ludovica, geboren op 17 juli 1822.

4- Pertus Josephus, geboren op 22 mei 1824.

5- Maria Theresia, geboren op 14 december 1826 en overleden op 6 september 1829.

6- Cecilia, geboren op 21 december 1828.

7- Joannes Augustus, geboren op 6 februari 1831, huwelijk met Maria Prudentia De Schrijver te Hekelgem op 29 augustus 1864.

8- Maria Theresia, geboren op 13 april 1834 en overleden op 18 februari 1839.

9- Maria Josepha, geboren op11 augustus 1834.

Jan en zijn vrouw gingen in de brouwerij van Boterbergh wonen en hij werd er brouwer. Daar was sedert 1806 alle brouwactiviteit stilgevallen. In Den Calcoenschen Haen werd sinds 1818 niet meer gebrouwen. Jan Baptist ging bij zijn zoon wonen en overleed er op 21 juli 1848. Hij erfde er het bezit van zijn moeder en bleef in het Hoeksken brouwen tot 1855. Met de akte van 6 juli 1855 werd de erfenis van de kinderen van Het Bougoins Cruys geregeld. Het deel van Jan Baptist, de hofstede, ging naar Jan Frans en die verhuisde naar het Bourgoins Cruys met drie ongetrouwde kinderen. Hij was een man van aanzien. Hij was 29 jaar lang lid van de gemeenteraad namelijk van 1832 tot 1861 en van 1836 tot 1861 was hij eerste schepen. Zijn overlijden werd aangegeven door Petrus Joannes Verleysen.

Bron: J. Gravez, Stamboom van de familie Roseleth deel II (Lede 2003) 12-15.

Het Hoeksken.

Joannes Botergergh

Joannes werd te Erembodegem gedoopt in 1742. Hij was een zoon van Franciscus en Joanna Van Nieuwenhove. Hij trouwde met Petronella Temmerman en het paar vestigde zich in de Langestraat als brouwers. Hun brouwerij werd ‘Het Hoeksken’ genoemd. Joannes Boterbergh was bedesetter in 1793 en 1794. In 1799 komt zijn naam voor als brouwer op de patentbelasting van de Franse overheid. Anna Maria overleed op 16 mei 1797. Ze hadden een kind: Joannes Franciscus.

De brouwerij Verleysen.

I Franciscus

Franciscus trouwde met Anna Geysels. Zij overleed te Hekelgem op 26 mei 1725. Zij hadden 6 kinderen:

1 Anna, gedoopt op 9 augustus 1689

2 Judocus, gedoopt op 11 december 1690

3 Martinus, gedoopt op 5 februari 1692

4 Elisabeth, gedoopt op 8 april 1694

5 Martinus, gedoopt op 3 mei 1695

6 Joannes, zie II.

Van Franciscus weten we (nog) niet of hij een brouwer was.

II Joannes

Joannes (Jan), gedoopt te Hekelgem op 11 maart 1697 en er overleden op 9 mei 1762. Hij trouwde te Hekelgem op 3 oktober 1731 met Judoca Aureys (Arijs), dochter van Petrus en Maria Vermoesen, gedoopt te Hekelgem op 9 oktober 1696 en er overleden op 19 november 1766.

Kinderen:

1 Maria, gedoopt op 4 december 1731

2 Petrus, zie III

3Joannes, gedoopt op 16 januari 1736

4 Judocus, gedoopt op 22 oktober 1642.

Paasmaandag 7 april 1760 was een dag die brouwer Jan Verleysen, die op het einde van de Hekelgemse Langestraat woonde, zich nog lang zou herinneren. Het was Kluizenkermis en hij had een speelman gevraagd. Omstreeks 7 u. ’s avonds, was zijn herberg bomvol met jonge mannen en vrouwen die dansten, zongen, riepen en vloekten. Plots kwam Peter Van Osselaer uit Erembodegem binnen gestormd gevolgd door een soldaat. Hij schreeuwde dat  de soldaat hem wou aanvallen. Die soldaat zag al dat volk en maakte zich direct uit de voeten. Een van de zonen van Jan, Peter, had hem opgemerkt, nam zijn geweer en liep hem met enkele mannen achterna. Daar Peter een houten been had, geraakte hij niet snel vooruit en hij gaf zijn geweer aan Peter van Osselaer. Het duurde niet lang of ze merkten de soldaat op in het gezelschap van enkele mannen. Op het geroep van de achtervolgers draaide de soldaat zich om. Peter Van Osselaer twijfelde niet en schoot. De soldaat wasq zodanig gekwetst dat zijn vrienden hem moesten dragen. Van Peter Van Osselaer vernam brouwer Jan dat hij langs de kant van de weg zat ‘zijn gevoeg’ te doen toen een groepje mannen met een soldaat hem lastig vielen en hij naar zijn herberg vluchtte.

De volgende dag vernam Jan dat de soldaat was overleden niettegenstaande de zorgen van een dokter en een chirurg. De soldaat maakte deel uit van het regiment van hertog van Saxengotha en hij was met wevers van Aalst naar Hekelgem gekomen om er te recruteren. Enkele soldaten  en de provoost kwamen naar Hekelgem om de moordenaar op te pakken en naar Aalst over te brengen. In de herberg troffen ze alleen Jan aan en namen hem mee. De schepenen van Asse onderwierpen hem en de wevers aan een verhoor en stelden vast dat hij onschuldig was en lieten hem vrij. Maar zijn drie zonen, Jan,  Peter en Judocus en Peter Van Osselaer vonden ze wel schuldig. De schepenen van Asse vroegen daarop advies  aan hun medeschepenen-rechtsgeleerden. Hoewel die verplicht waren gratis advies te verlenen, wilden ze niet raegeren alvorens een honorarium was betaald. Dat weigerden de schepenen van Asse en dus gebeurde er niets. Ondertussen vernam de stadhouder van Aalst dat de gevluchte Van Osselaer in de heerlijkheid van Steen was gezien. Hij werd er gearresteerd en bekende dat hij op de vlucht was omdat hij op een soldaat had geschoten.  De officier van Hulst verwittigde die van Erembodegem die de stadhouder en de leenmannen van Aalst op de hoogte bracht. Die hadden een premie beloofd aan wie Peter  kon aanhouden.Peter werd overgeleverd en bestraft met ‘de koorde tot datter de dood naergevolght is’.

Na dit vonnis was vader Verleysen van mening dat de rechtszaak tegen zijn zonen was opgelost. Hij richtte zich tot hoofddrossaard Joannes Emmanuel Loovens met de vraag of zijn gevluchte zonen naar huis konden terugkeren. Die liet weten dat hij daarop niet kon antwoorden omdat de rechtsgeleerden De Landre en Theijs geen advies wilden geven zolang hun honorarium niet was betaald. Jan had zijn zonen nodig voor het werk in de brouwerij en op de boerderij en betaalde 45 g  15 st gerechtskosten. De schepenen van Asse kregen het gevraagde document met de opdracht de zonen Petrus, Joannes en Judocus samen met Francis Tas voor hun schepenbank te dagen en te verhoren en daarna zouden ze een vonnis vellen. Ze werden driemaal voor de schepenbank gedaagd, maar ze lieten zich niet zien. Hoewel het vonnis nog niet was uitgesproken verplichte de hoofddrossaard Jan om de gerechtskosten al te betalen, want zo motiveerde hij zijn beqsluit: ‘volgens de goddelijcke, natrelijcke ende civiele rechten’ waren de ouders verplicht de schulden van hun kinderen te vetrgoeden. In de Bijbel staat dat ouders werden gestraft voor delicten van hun kinderen. Vader en zonen zijn van hetzelfde bloed en vlees zodat de ene de kosten draagt van de andere en omgekeerd tot ‘beternisse van beiden’. Voor het publiek en het algemeen belang kan men niet verantwoorden dat schulden niet worden vergoed. Jan weigerde te betalen en de hoofddrossaard besloot tot de verkoop van zijn onroerende goederen. Potesten haalden niets uit en de verkoop ging door op 19 januari 1761.

Op 24 januari schreef Jan  naar de Raad van Brabant dat op bevel van de hoofddrossaard zijn goederen werden verkocht zonder dat er hem iets ten laste werd gelegd. Hij verzocht de Raad om de verkoop nietig te verklaren en om de drossaard te verplichten oim hem volldedig schadeloos te stellen.Hij wees op het verlies dat hij leed doordat zijn klanten wegbleven en de schande voor zijn familie  Loovens reageerde met een uitgebreid schrijven waarin hij het verloop van de gebeurtenissen schetste. Dat mocht niet baten want de Raad van Brabant gaf Jan voolldedig gelijk en de drossaard was verplicht het vonnis uit te voeren. Drie dagen lanng trokken Peter, Jan en judocus rond om al hun bezittingen terug te halen. Alles samen kreeg brouwer Jan een vergoeding van 112 gulden.

III Petrus

Petrus, gedoopt te Hekelgem op 28 oktober 1733 en aldaar overleden op 5 april 1815 trouwde te Hekelgem op 9 november 1767 met Maria Anna Van den Berghe, gedoopt te Hekelgem op 18 februari 1743 en er overleden op 25 maart 1794. Omdat hij een houten been had, werd hij ‘Pikkels’ genoemd en die naam bleef de familie Verleysen behouden tot het midden van vorige eeuw.

Petrus Joannes was hun enig kind, zie III

IV Petrus Johannes.

In 1837 wordt Petrus Johannes vermeldt als brouwer. Hij werd te Hekelgem gedoopt op 8 februari 1768. Hij trouwde er  op 7 maart 1791 met Joanna Maria Van Vaerenbergh, gedoopt te Hekelgem op 10 oktober 1768 en er overleden op 13 juni 1839, dochter van Franciscus en Joanna Verdoodt. Petrus Johannes overleed te Hekelgem op 5 maart 1834. In zijn overlijdensakte staat dat hij ‘op het Hoeksken woonde’. Zij hadden vijf kinderen te Hekelgem gedoopt:

1- Petrus, gedoopt op 1 januari 1792, huwelijk met Isabella Wambacq, zie II.

2- Maria anna, gedoopt op 17 maart 1793.

3- Joannes Franciscus, gedoopt op 13 maart 1794.

4- Maria Elisabeth, geboren op 23 maart 1798.

5- Joanna Catharina, geboren op 3 mei 1799.

Op de patentlijst van de Franse overheid van 1799 werd een Verleysen Pierre vermeld als ‘brasseur’. Het is niet duidelijk of het gaat om Petrus, de vader van Petrus Johannes of Petrus Johannes zelf.

V. Petrus.

Petrus trouwde te Hekelgem met Isabella Wambacq op 26 mei 1827. Zij was een dochter van Egidius en Joanna Maria Vonck. Hij overleed op 12 augustus 1865 en Isabella op 19 februari 1857. Zij hadden zes kindern te Hekelgem geboren:

1- Maria Ludovica, geboren op 2 augustus 1828 en overleden op 7 december 1861.

2- Jan Baptist, , zie III.

3- Maria, gedoopt op 1 april 1833 en overleden op 30 september 1834.

4- Benedictus, geboren op 19 juni 1835 en overleden op 9 november 1837.

5- Maria, gedoopt op 9 november 1938 en overleden op 1 juni 1839.

6- Dymphna, geboren op 20 april 1840.

Volgens de kadastrale legger van Popp  bezat Petrus ca 1860 een herberg, gelegen art. 462, nr. 127b, een brouwerij van 70 ca en een huis 127a, groot 5,70 are. In 1860 totaal 2 ha 20 a. De brouwerij staat op de plaats waar de brouwerij Boterbergh stond.

VI. Jan Baptist.

Jan Baptist, geboren op 15 november 1830, trouwde op 7 augustus 1867 met Dymphna Vermoesen, dochter van Cornelius en Joanna Maria De gendt, geboren te Hekelgem op 7 septmber 1841. Jan Baptist overleed op 29 mei 1884. Zij hadden acht kinderen te Hekelgem geboren:

1- Cornelis Alfons, zie IV.

2- Maria Clemencia, geboren op 18 februari 1870.

3- Carel Ludovic, geboren op 23 januari 1872, trouwde met Maria Clemencia De geyseleer.

4- Eugeen Romaan, geboren op 21 december 1873.

5- Maria Coleta Victoria, geboren op 1 maart 1876.

6- Catharina Valentina, geboren op 21 augustus 1878.

7- Maria Cecilia, geboren op 22 november 1881.

8- N.N., geboren op 9 juni 1884 en overleden op 9 juni 1884.

Tot 1885 leverde Dymphna, weduwe geworden het bier aan de monniken van de abdij tot die  in dat jaar een eigen brouwerij hadden.

VII. Cornelis Alfons.

Cornelis, geboren op 25 juni 1868.

Tot 1914 heeft de brouwerij de naam ‘Brasserie J. B. Verleysen Vve’ met als adres Langestraat 208 niet de huidge nummer). In 1904, 1905 en 1909 wordt (Cornelis) Alfons Verleysen als brouwer vernoemd. In 1915 volgt de verkoop van hofstede met brouwerij, Langestraat wijk A nr. 127d, 127r en deel van 129b groot 18a 80 ca. Verkoop op maandag 22 februari 1915.

De brouwerij t’Kint.

Albien t’Kint stamt uit een familie die gedurende meerdere generaties actief was in de Hekelgemse politiek. Emmanuel  was schepen van 1834 tot 1842, zijn zoon Corneille was schepen van 1890 tot 1894, diens zoon Henri was het van 1921 tot 1932. Albien volgde het voorbeeld van zijn overgrootvader, grootvader en vader en werd schepen van 1939 tot 1942. In 1944 werd hij met algemene stemmen verkozen tot burgemeester en bleef dat tot 1958.

Albien werd geboren op30 januari 1882 en overleed op 25 april 1963. Hij was de zoon van Henri, geboren te Hekelgem op 18 september 1847 en van Maria Dionysia De Cort, dochter van Josse en Maria Catharina Arijs, geboren te Hekelgem op 13 maart 1852. Hij trouwde met Cecilia Verleysen.

Albien kocht de brouwerij Verleysen en bleef brouwen tot 1940. Nadien werd zijn bedrijf een depot van de brouwerij De Gheest. De brouwerij was ook gekend als ‘bij Pikkels’.

Brouwerij François Amelinckx?

Over François Amelinckx wiens naam voorkomt op de lijst van de patentbelasting van de Franse overheid in 1799 is in de parochieregisters en die van de burgerlijke stand niets te vinden.

Brouwerij Louis (Lowiezens)

I. Frans.

Frans was landbouwer en brouwer. Hij woonde op Boekhout. Hij werd te Hekelgem geboren op 7 april 1789 als zoon van schepen Guillelmus en Maria Anna De Wever, dochter van Judocus en Maria Theresia De Smedt, de brouwers van De Kaaszak. Hij trouwde te Hekelgem op 25 september 1818 met Maria Therese Hellinckx en overleed er op 20 april 1835. Zij woonden in bij haar vader, brouwer Judocus. Zij hadden zes kinderen:

1- François, geboren op 14 augustus 1819 en overleden op 23 september 1846.

2- Petrus Bellarminus, geboren op 9 april 1822, overleden op 28 augustus 1826.

3- Henricus Fredericus

4- Cécilia,.

5- Joannes Augustus.

6- Maria Theresia.

Frans was welstellend. In 1830 bezat hij twee huizen, de brouwerij, een boomgaard, tuin, een bos en meerdere percelen land. Hij bouwde ca. 1799/1800 eveneens de huidige vierkantige schoorsteen. Deze schouwen zijn de oudste en dus de zeldzaamste, want daterend van vóór de industriële revolutie..De oorspronkelijke brouwerijvleugel was gevestigd in de “Bar/ontvangstruimte” van het huidige ‘t Brouwershof. Franciscus was eveneens een van de oprichters van de Harmonie in 1813. De huidige grote feestzaal was als grote schuur deel van de boerderij. Deze functionele indeling is ook steeds zo gebleven.

II. August De Vis[3]

De dochter van Franciscus Louis, Maria Theresia huwde met August De Vis, geboren te Meldert op 27 juli 1833 die de brouwerij van zijn schoonvader overnam. August was een verwante van Jean-Baptist (?) De Vis, van het molenaargeslacht uit Meldert, die in Hekelgem in dezelfde periode de nieuwe molen op de Boekhoutberg optrok. Het echtpaar August De Vis-Louis had vijf kinderen te Hekelgem geboren:

1- Maria Josephina, geboren op 24 oktober 1861en overleden op 8 juli 1864.

2- Petrus Franciscus, geboren op 3 januari 18863, overleden op 3 juli 1864.

3- Cécilia Josephina, geboren op 22 oktober 1865.

4- Maria Mathildis, geboren op 10 juni 1869.

5- Maria Josepha Harlinda Valentina, geboren op 24 februari 1872.

Na de dood van Maria Theresia op 19 mei 1875 hertrouwde August met haar zus Cécilia op 28 november 1877.. De zussen van de bruid, Mathilde en Harlinde deelden in de erfenis en, daarom werd de brouwerij ‘Brasserie De Vis Soeurs’ genoemd. Een broer van Augustus was getuige op het huwelijk van Cecilia, en was dan brouwer te Moorsel. Een andere getuige was de schoonbroer van Eugeen Van De Putte, Valerie Baeten (35 jaar), brouwer te Nieuwerkerken, brouwerij ‘Het Anker’ die op 8 oktober 1889 te Essene huwde met Eulalie Van De Putte,geboren op 24 augustus 1856 te Essene.

III. Brasserie Enfants Louis .

Mathilde en Harlinde bleven ongehuwd en exploiteerden de brouwerij. Harlinde was de brouwster. Cecile huwde met Dominique Van de Putte van de Bellemolen. Hij was te Essene geboren op 8 augustus 1864.Een van Dominiques zussen – Collete – huwde in dezelfde periode met Alfons Verbrugghen, wiens vader Louis gehuwd was met Stefanie De Smet, de enige dochter van Eugène De Smet, textielfabrikant, lid van het Nationaal Congres in 1830, parlementslid en bouwheer van het ‘kasteel’ op Domein Verbrugghen.

Het waren Mathilde en Harlinde die de helft van het woongedeelte van de gesloten vierkantshoeve (met eveneens een tweede grote toegangspoort links) lieten afbreken, om er in 1913 het herenhuis in ‘art nouveau-stijl ’te bouwen voor hun jonge ongehuwde neven Eugène en Louis. Beide zussen waren eveneens – ca. 1922 – de ‘bouwheer van het tegenover gelegen, gewezen café “Sportwereld” (opgetrokken in ‘pakketbootstijl’.

Volgens de kadastrale legger van Popp, art. 242, bezaten de vier kinderen 6 ha 62a 50ca.

Dominique de man van Cécile, overleed op 6 september 1900, had twee zonen, Eugène en Louis Van de Putte; deze laatste werd burgemeester van Hekelgem in 1958, en was ook voorzitter van de Harmonie. Het was voornamelijk Eugène die de brouwerij exploiteerde. Hij werd ook voorzitter van de Harmonie. Tijdens WO II werden alle koperen brouwerijketels door de Duitsers ontmanteld en meegenomen, wat maakte dat vele dorpsbrouwerijen op korte tijd verdwenen. De concurrentie van nieuwe moderne, grote en efficiëntere brouwerijen – vooral in onze regio/Aalst (oa. Zeeberg) – maakte dat vele van deze plaatselijke brouwerijen ermee stopten en/of overschakelden naar bierdepot. Dit laatste was ook het geval voor onze brouwerij. Louis breidde het “Café Sportwereld” in 1958 uit met een feestzaal/concertzaal voor de Harmonie, waarvan hij toen voorzitter was.

Na dertig jaar leegstand en verval vatte vervolgens Marc Van de Putte – zoon van Eugène – in 1976, de idee om het ganse complex gefaseerd te restaureren en om te vormen naar feestzalen; mét respect en behoud van de authentieke elementen van het pand. Een restauratieproject van vele jaren … Een project dat ook op vandaag nog wordt verdergezet door de volgende generatie; inmiddels de 7de generatie op rij, sedert 1778.

 In de toegangspoort treft U rechts de oorspronkelijke “katrol” aan, waarmee biervaten werden opgehesen vanuit de bierkelders. Deze kelders (3), lopen parallel met de Brusselbaan door, onder de huidige “Hopzaal” (voorheen een “hopzaal”, en later omgebouwd tot ruimte waar de bierflessen werden gespoeld). In de jaren 1965-1974 was in deze lagere vleugel een knusse en sfeervolle dancing”-avant-la lettre” gevestigd, onder de naam “El Patio”, beter gekend als “De Zolder”. Later werd deze vleugel als receptieruimte/feestruimte voor kleinere diners geïntegreerd in het feestzalencomplex. Het is vanuit de eerste kelder (oudste kelder van ca. 1700/1720) – ter hoogte van het grote publiciteitspaneel van ‘t Brouwershof, dat op een diepte van ong. 3,5/4m een gang/kanaal loopt, onder de Brusselbaan, onder de tegenover gelegen parking naar … ?

Popp-kaart met van onder naar boven de Brusselbaan richting Aalst. Op nr. 57 en 63 een huis, op nr. 64 de brouwerij

III. Brasserie De Vis 1895 tot 1926.

Cécile Josephina, dochter van August, trouwde met Dominique Van de Putte op 5 september 1894. Petrus Dominique was een zoon van Eugeen Gustaaf en van Anna Catharina De Doncker. Hij werd te Essene geboren op 8 augustus 1864. Met Cécilia had hij twee kinderen:

1- Eugeen August,

2- Lodewijk August, geboren op 15 januari 1898. Hij bleef ongehuwd.

IV. Brouwerij De Vis gezusters tot 1957.

Eugeen werd geboren op 14 juli 1895. Hij trouwde met  Marie Cécile De Clippele, geboren op 6 mei 1895. Eugeen overleed op 17 juli 1958 en Marie op 19 juli 1965. Zij hadden drie kinderen te Hekelgem geboren:

1- Marie Louise, geboren op 17 november.

2- Louis, geboren op 23 augustus 1932.

3- Marc, geboren op 24 juni 1934.

Na de oorlog veranderde de naam in Bouwerij De Vis gezusters tot 1957. Na de stopzetting van de brouwerij werd het bedrijf een bierhandel voor de brouwerij De Blieck, De Blieck, De Zeeberg en Baten. Vanaf 1976 volgde de restauratie van de gebouwen en omvorming tot de feestzalen ‘Brouwershof’ door zoon Marc.

De brouwerij Lowiezens (Louis De Vis-Van de Putte) was de enige industriële brouwerij in Hekelgem. De vierkante schouw is typisch voor de periode vóór 1880, van dan af komt de ronde schouw in zwang, die is niet alleen sterker maar geeft ook minder aanleiding tot schouwbrand.

In de feestzaal staat nog een originele bierton (ter hoogte van de wijnbar, met de inscriptie “Louis”)

Brouwerij Vasseur.

Martinus Vasseur, gedoopt op 3 maart 1774 en overleden op 29 januari 1850. Hij trouwde met Joanna Maria Cooreman, overleden op 9 maart 1828. Het gezin woonde in deLangestraat op de hoek met de Bosstraat met een kleine brouwerij van 50 ca. Zij hadden vijf kinderen:

1- Joanna Maria, geboren op 11 augustus 1801.

2- Franciscus, geboren op 27 december 1802.

3- Joanna Theresia geboren op 28 april 1804.

4- Gudulla Constantia geboren op 8 april 1807.

5- Anna Francisca, geboren op 25 februari 1812.

Op de patentlijst van de Franse overheid van 1799 werd hij vermeld als ‘brasseur’. In 1860 stond de brouwerij op naam van Merckx Petrus, landbouwer Moorsel. Na het overlijden van Martinus had zijn schoonzoon Petrus Joannes Merckx de brouwerij overgenomen.

Poppkaart met kruispunt Langestraat-Bosstraat-Terlinden. De brouwerij Vasseur op nr. 287bis

De lijst met de patentbelasting van de Franse overheid van 1799 vermeldt François Amelinckx als ‘brasseur’. Daar zijn naam nergens voorkomt als brouwer is het niet zeker of hij een brouwer of een herbergier was.

Brouwerij Van Den Broeck

Heeft maar van 1925 tot 1926 bestaan. Ze stond op het einde van de Langestraat.

Brouwerij Sint-Hubertus (Biemans)

Brouwer Frans Jozef Van Langenhove, geboren te Hekelgem op 16 april 1856 was een zoon van  Benedictus en  van Anne Marie T’ Kint. Hij trouwde op 3 augustus 1880 met Maria Catharina De Voghel, geboren te Hekelgem op 21 februari 1862, dochter van Philippus en Augusta Joanna Schoon. Zij hadden elf kinderen te Hekelgem geboren:

1- Maria Leontina, geboren op 9 november 1880.

2- Frans, geboren op 4 september 1882.

3- Maria Julia, geboren op 20 januari 1884.

4- Maria Joanna, geboren op 4 november 1885.

5- Renaat Jan, geboren op 2 augustus 1887.

6- Maria Amelia, geboren op 17 juni 1889, overleden op 8 april 1891.

7- Jozef Maria, geboren op 22 februari 1891.

8- Cecilia Adelina, geboren op 21 mei 1893.

9- Sidonia Josephina, geboren op 11 september 1894.

10- Frans Florent, geboren op 22 juni 1896.

11- Arthur Clemens, geboren op 18 juli 1898.

De brouwerij bleef actief tot 1930 en werd in 1940 opgeheven. Nadien werd het een bierhandel voor de brouwerij Wielemans. Hij was ook molenaar. Zijn zoon Jan, schepen van 1944 tot 1946, zette die activiteiten voort.

Besluit.

In deze bijdrage staan de namen van 48 brouwers of gezinnen van brouwers in 26 brouwerijen. Wellicht is de lijst niet volledig en kan die nog worden aangevuld. De oudste brouwerij is die van de abdij. Het is mogelijk dat ze voor de grotere boeren uit de omtrek een stimulans was om ook met een huisbrouwwerij te beginnen. Als drank hadden de mensen niet veel keuze. Koffie en thee waren nog niet gekend en het mocht voor velen ook eens afwisselen met water.

Bij het overlopen van deze korte geschiedenis van de Hekelgemse brouwerijen valt het op dat er een aantal brouwerijen zijn die generaties lang bleven bestaan: die van de abdij, De Kaaszak, De Drij Koningen, De Valck, Den Calcoenschen Haen, Het Hoeksken (de Brouwerij Verleysen) en de brouwerij Louis. Andere brouwerijen verdwenen na een of twee generaties, maar mogelijk kunnen nieuwe gegevens daar verandering in brengen.

De 20ste eeuw bracht grote veranderingen teweeg en de twee wereldoorlogen met een gebrekkige bevoorrading tot gevolg en de toenemende industrialisatie van de brouwerijen en de wetenschappelijke inbreng betekenden het einde van de plaatselijke brouwerijen.

Bronnen.

Met dank aan Edmond Schoon, Luc Van de Putte en Raymond Van Geite voor hun informatie over de brouwerijen.

J. Lindemans,’Brouwerijen in het Land van Asse’, Eigen Schoon en De Brabander, jg 55, 24-28.

E. Schoon & B. Vermoesen, ‘Rechtszaken te Hekelgem in de 17de en 18de eeuw’, Het Bouroins Cruys; Zacharias De Wever,  een man van alle makten thuis; Het Verhaal van De Valck; De familie Clauwaert te Hekelgem; De familie Vonck; Het Hof ter saele; De volkstelling te Hekelgem in 1755, https://indeschaduwvanaffligem.video.blog/

E. Schoon, Kadaster van Hekelgem van 1830-1860 (Onuitgegeven 2005).

E. Schoon, Kohier van het hoofd- en beestengeld, R.A. Vorst, Staten van Brabant, kartons, toegang: T25, nr. 395/3.

E. Schoon, De patentbelasting te Hekelgem in 1799, Rijksarchief, Centrale administratie van het Dijle departement, N° 933. De patentbelasting was een personele belasting die in Frankrijk ingevoerd werd vanaf 17 maart 1791. Men beschouwde het patent als een vergunning om een bepaald beroep te mogen uitoefenen. Na verloop van tijd kreeg het meer het karakter van een belasting die op het beroepsinkomen werd geheven. Sommige beroepscategorieën zoals landbouwers, ambtenaren en loonarbeiders werden van het betalen van het patentrecht vrijgesteld. Met de wet van 6 fructidor an 4 (23 augustus 1796), werd deze belasting ook bij ons ingevoerd.

P.C. Popp, Atlas Cadastral, Brussel 1860).

RA Leuven, schepenbank van Asse, toegang 95 en 94.

B. Vermoesen, Biernummer, Info-Belledaal, jg 18 (2003) 6-16.


[1] Op de weg: de huidige Langestraat? De steenweg Brussel-Gent was toen nog niet aangelegd en de heirbaan was praktisch onbruikbaar. De langestraat was de voornaamste verbinding tussen Aalst en Asse.

[2] Brusselbaan: de steenweg werd in 1704 aangelegd. Voor het citaat van 1755 komt de Brusselbaan zeker in aanmerking.

[3] Gegevens meegedeeld door Luc Van de Putte, waarvoor dank.

Plaats een reactie