In de clinch met de abdij Affligem.

De abdij Affligem had in de omliggende gemeenten bijzonder veel goederen. In Meldert bijvoorbeeld liep het bezit op tot 2/3 van de oppervlakte van de gemeente. Geen wonder dat er af en toe conflicten ontstonden tussen de gemeenten en de abdij. Meestal hadden die ruzies te maken met financiële bijdragen. Voor de bestuurders van de gemeenten, de bedesetters en collecteurs, was het een moeilijke opgave om het op te nemen tegen de machtige abdij die over meer middelen, kennis en relaties beschikte. We selecteerden een aantal voorbeelden.

1530 – Strijd om de Havernelle[1].

De Havernelle was een gebied gelegen deels op Asse, Essene en Ternat. Het was eigendom van de abdij Affligem en al meerdere jaren verpacht aan Peeters Van Varenbeghe. Zij eerste pachtcontract was 12 jaar geldig en na verloop van die tijd kreeg hij een nieuw contract voor 12 jaar dat nog 11 jaar geldig is. Hij had, naar eigen bewering, die gronden goed onderhouden en de pacht altijd stipt betaald. Maar nu had een zekere Willem Pinnock van Ternat die gronden in pacht gekregen van Jacop De Bijez, de rentmeester van de abdij.

Peeters Van Varenberghe liet het daar niet bij en diende bij de Raad van Brabant een klacht in.Willem Pinnock, meester Jacoppe Du Bijez, de vroegere rentmeester en de huidige rentmeeester Janne Herrioen werden ondervraagd evenals Peeters. Hij verzocht de Raad om hem de pacht terug te geven en dat Willem Pinnock de geleden schade zou vergoeden. Maar het draaide anders uit. In zijn vonnis van 24 december 1530 oordeelde de Raad dat de klacht van Peeters niet ontfankelijk was en veroordeelde Peeters Van Varenberghe tot de betaling van de kosten.

Caerle bij der gratie Goids Roomsch keijser allen &a saluijt, alsoe voirtijden, te wetene: inde maent van aprile int jaer duijsent vijf hondert dertich nae Paesschen oft daer omtrent van wegen Peeters Van Varenberghe hadde ons in onsen Rade geordineert inden voirs. onsen Lande van Brabant bij supplicatie te kennen gegeven geweest hoe wel hij diverse jaeren in pachtingen hadde gehouden ende gehadt zekere goeden toebehoirende den abte onss Goidshuijs van Hafflighem geheeten die goeden van Havernelle………..

De abdij betaalde de lasten niet meer[2].

Een conflict van de bedesetters van Meldert met de abdij ging over 14 b 2 d 19 r (18 ha 29 a 35 ca) meersen die aan meerdere pachters waren verhuurd. Die betaalden sinds aloude tijden alle lasten zoals beden, de 20ste penningen en bijdragen aan de ‘oncostboekjen’ (de buitengewone kosten), aan de parochie. Maar ca 1720 heeft de abdij die meersen beplant met elshout en verkocht ze het gras. De abdij betaalde aan de parochie alleen de 20ste penningen en voorts niets meer. De bedesetters rekenden voor Meldert het verlies aan inkomsten voor vier jaar uit en kwamen tot de volgende bedragen:

– voor de oncostboeken: 92 g 2 blank

– voor de bedenboeken: 49 g 2 st 1 o

Totaal verlies: 141 g 3 st 1 blank.

Na herhaaldelijk aandringen om alle lasten te betalen, reageerde de abdijprovisor met de mededeling dat hij geenszins van plan was om in de komende jaren de beden en voor de oncostboeken te betalen. Ten einde raad richtten de bedesetters zich in 1727 tot de Raad van Brabant met het verzoek de abdij te verplichten om haar verplichtingen na te komen. Het proces dat begon op 16 juli 1727 eindigde na herhaaldelijke tussenkomsten van de advocaten van beide partijen met de uitspraak van de Raad op 2 december 1739. De Raad verklaarde de eis van Meldert niet ontvankelijk en veroordeelde de parochie tot betaling van de proceskosten.

De abdij eist hoptienden[3].

Volgens een verordening van Karel de Grote moest iedere persoon elk jaar 10% van zijn opbrengsten aan de Kerk afstaan. Het ging vooral om opbrengsten van de graanoogst, de veldvruchten en het vee. Die verplichting kende een ingewikkelde evolutie. De tienden dienden voor het levensonderhoud van de parochiepriesters, voor steun aan de armen en voor het onderhoud van het kerkgebouw. Elk van de drie partijen kreeg 1/3 van de tienden. Grootgrondbezitters, feodale heren, kapittels en abdijen maakten misbruik van die regeling om tienden in te lijven. Er waren grote tienden op graangewassen en kleine op veld- en tuingewassen zoals raapzaad. Vleestienden werden geheven op voortbrengselen van de stal zoals van varkens en lammeren en het neerhof. Vanaf de 12de eeuw ontstonden de novale of nieuwe tienden op opbrengsten van nieuw ontgonnen gronden en op nieuwe gewassen.

Was de hop toen een nieuw gewas? In de 15de eeuw begonnen de brouwers in Brabant hop toe te voegen aan hun brouwsels. Daardoor bekwam hun bier een betere stabiliteit, een enigszins een bittere smaak en een langere bewaartijd. Dat was zo’n belangrijke verbetering dat in de volgende eeuwen de hop in onze streken een enorme groei kende. Grote en middelgrote landbouwbedrijven schakelden in de loop van die eeuw in de regio Aalst-Affligem-Asse over op de hopcultuur. Zelfs binnen de Aalsterse stadswallen werden hopvelden aangelegd

De eerste betwisting over hoptienden was in 1531. De abdij diende een klacht in  bij de Raad van Brabant tegen inwoners van Hekelgem en Meldert. Die hadden op het einde van de 15de eeuw op gronden van de abdij die niets opbrachten hopvelden aangelegd, wat toen een ‘nieuwigheid’ was en waar ‘zij hoppecruijt op wonden’. Al meer dan 40 jaar hadden zij er geen  tienden voor betaalden. Dat was ook zo voor boeren uit Baardegem, Mazenzele en Moorsel. De abdij eiste nu een vergoeding van 12 ½ patar  per dagwand. De boeren hadden zich daartegen verzet omdat het over onontgonnen gronden ging. Op 14 juli 1536 volgde het vonnis. Op elk dagwand hop moest 12 ½ patar worden betaald zoals voor granen en andere vruchten of in natura voor een gelijkwaardig bedrag. Het belang van dit vonnis is dat het aantoont dat er al op het einde van de 15de eeuw in onze streek hopvelden waren.

Op 6 november 1538 volgde de uitspraak. Gielis Vanden Mozen, Peeter De Deckere, Laureijs De Witte, Barbare weduwe wijlen Adriaens Verleijsen en haar zoon Michiel Verleijsen, en hun advocaat Janne Reijnen verschenen voor de Raad van Brabant samen met Janne Vander Goten, advocaat van de abdij. De pachters van de abdij kregen ongelijk en moesten voortaan de ‘33ste schoof’ als tienden geven.

Alsoe inde maent van junio lestleden oft dairomtrent van wegen Gielis Vander Moesen, Laureijs De Witte, Barbaren weduwe wijlen Adriaens Verleijsen, Peeters De Deckere, Elizabetten Bacheliers weduwe wijlen Jans Verleijsen ende Roelants Bachelier alias Besedtman hadde onsen heere den keijser coninck van Germaniën, van Castilliën, Ertshertoge van Oistrijcke, hertoge van Bourgoingniën, van Lothr. greve van Vlaenderen, van Artois in zijnen Rade geordineert inden voirs. zijnen Lande van Brabant bij supplicatie[4] te kennen gegeven geweest hoe dat die voirs. supplianten respectieve waeren gebruijckende zekere parcheelkens van landen gelegen tusschen die dorpen van Hafflighem ende Hekelghem onder nochtans die prochie van Ekelghem voirs. die alle tsamen als achterleenen gehouden waeren te leene van meesteren Henricke Vanden Zijpe secretaris ordinaris inden voirs. Rade welcke goeden ende parcheelen van landen

De abdij wil opnieuw hoptienden[5].

In 1719 deed zich een gelijkaardige zaak voor. De abdij eiste opnieuw en geheel onverwachts dat de boeren hoptienden betaalden en dat in een periode dat het niet goed ging met de hopteelt. In alle hopgemeenten gingen de boeren in het verzet en verzamelden liefst 31 getuigenissen van vooral oudere mannen uit Asse, Baardegem, Erembodegem, Hekelgem, Liedekerke, Meldert en Moorsel die verklaarden dat ze nooit hebben geweten dat ze als hopboer tienden moesten afstaan en ze dienden een klacht in bij de schepenbank van het Land van Asse. Wij maakten hiervan een selectie. Interessant is dat niet alleen hopboeren, maar ook anderen zoals een klompenmaker, een koopman, een pastoor een chirurgijn … ook een hopveld hadden.

– Carel De Buscop, een labeureur van Teralfene, 80 jaar.

– Jan Van Nijgen een kossaard van  Teralfene, 63 jaar.

– Thomas Vaeremans, geboortig van Erembodegem, labeurende in Terlafene, 65 jaar.

– Christiaen Van Vaerenbergh, pachter en biertapper van Liedekerke, 67 jaar..-Cornelis De

– Adriaen De Maeseneer, inwoner van Liedekerke, 75 jaar, chirurgijn.

– Engel De Pijper,  inwoner van Asse-Terheide, 80 jaar, pachter en hopkoopman.

– Melchior De Ridder van Asse-Terheide, steeldraaier, 70 jaar, bezit zelf 1 000 kuilen hop.

– Egidius Lemmens, priester, woont in de abdij Ten Roosen, 76 jaar, afkomstig van Hekelgem. Hij woonde van toen hij 10 jaar was bij zijn oom, de pastoor van Moorsel. Gedurende 30 à 40 jaar bediende hij de ‘cappelrije’ van Meldert. Zijn oom bezat een hopveld in Hekelgem waarin hij vaak heeft gewerkt.

– Peeter Clauwaert  van Hekelgem, schepen van het Land van Asse, pachter end brouwer, 61 of 62 jaar, hij was acht jaar koetsier van de abdij en heeft meermaals tienden opgehaald, maar nooit hoptienden. Hij somt een aantal oude hopovelden op die zaailand zijn geworden.

– Paulus Thomas geboren te Meldert, oud 72 à 73 jaar, heeft in het hopveld van zijn vader gewerkt.

– Peeter Van Den Biesen van Hekelgem, brouwer, omtrent 80 jaar, vermeldt ook dat een aantal hopvelden zaailand zijn geworden.

– Franciscus Verleijsen van Hekelgem, landbouwer en koopman van hop, 64 of 65 jaar.

– Steven De Kempeneer, inwoner tot Meldert  landbouwer, 78 jaar. Ook hij vermeldt hopvelden die akkers zijn geworden en voegde er aan toe dat een dagwand 400 kuilen hop telt

Thoon voor die bedesetters ende ingesetenen der prochie van Meldert mitsgaeders die bedesetters ende ingesetenen der prochie van Hekelghem respectieve prochiën van den Lande van Assche rescribenten teghens den heere proost ende religieuzen der abdije van Afflighem beneffens hun den hooghweirdighen heere aertsbisschop van Mechelen als abt der voorschreven abdije supplianten.

De abdij wil de volle tienden[6].

In de zomer van 1536 schrokken enkele boeren van Hekelgem en Meldert zich geen klein beetje toen heel onverwachts deurwaarder Michiel Breijs van de Raad van Brabant met enkele medewerkers op hun erf verscheen. Zij kwamen de grote tienden van de granen uit hun schuur halen. Wat was er aan de hand?

De abdij had een klacht ingediend bij de Raad van Brabant tegen Hendricx Vanden Zijpe, lid van de Raad van Brabant. Die bezat in naam van zijn vrouw een aantal percelen in Hekelgem en Meldert als leen van de abt van Affligem. Zijn pachters gaven daarop aan de abdij als tienden de 33ste schoof. Maar dat vond de abdij onvoldoende en eiste de volle tienden. Op 14 juni 1536 sprak de Raad zich uit ten voordele van de abdij met het nadelige gevolg voor de boeren.

Hendricx Vanden Zijpe ging tegen dat vonnis in beroep op 21 augustus 1536. Janne Reijnen trad op als zijn advocaat en Janne Van der Goten was de advocaat van de abdij. De raad velde het vonnis op 13 november 1538. Ten voordele van de Affligem.

Alsoe inde maent van junio lestleden oft dairomtrent van wegen meesteren Henricx Vanden Zijpe secretaris onss heere des keijsers in zijnen Rade geordineert in Brabant hadde onsen voirs. heere den keijser coninck van Germaniën, van Castilliën, Ertshertoge van Oistrijcke, hertoge van Bourgoingniën, van Lothr. greve van Vlaenderen, van Artois in zijnen Rade geordineert inden voirs. zijnen Lande van Brabant bij zijnder supplicatie gethoont ende te kennen gegeven geweest hoe dat hij inden naeme van zijnder huijsvrouwen was besittende zekere parcheelen van landen gelegen tusschen die dorpen van Haffligem ende Hekelghem onder nochtans die prochie van Hekelgem tsamen wesende een volle heerlijck leen onder hem hebbende achterleenen te leen ……. vanden abte van Hafflighem,…


[1] RA Vorst, inventaris van de Raad van Brabant, deel 1, archief van de griffies, toegang I 18, nr. 580, 186 e.v.

[2] RA Vorst, inventaris van het archief van de Raad van Brabant: Deel 1: Archief van de griffies, toegang I 18 nr.997, blz. 32.

[3] RA Vorst, Inventaris van het archief van de Raad van Brabant, Deel 1, Archief van de griffies, toegang I 18 nr. 582 135.

[4] Een smeekbede of supplicatie is een vorm van gebed waarin een of meerdere verzoeken worden gedaan aan een hogere macht. Deze verzoeken kunnen betrekking hebben op de verzoeker zelf (Alsjeblieft, spaar mijn leven) of op een ander (“spaar mijn kinds leven”). Het gebruik komt voor in vele religies.

[5] R. A. Vorst, Inventaire des archives du Conseil de Brabant. Partie 2: archives des secrétariats, toegang: I 19, nr. 8751.

[6] RA Vorst, inventaris van het archief van de Raad van Brabant: Deel 1: Archief van de griffies, toegang I 18 nr.584, blz. 188.

Plaats een reactie