Paasmaandag 7 april 1760[1] is een dag die brouwer en herbergier Jan Verleysen, die op het einde van de Hekelgemse Langestraat woonde, zich nog lang zou herinneren. Het was Kluizenkermis en hij had een speelman gevraagd. Omstreeks 7 u. ’s avonds was zijn herberg bomvol met jonge mannen en vrouwen die dansten, zongen, riepen en vloekten. Plots kwam Peter Van Osselaer uit Erembodegem binnen gestormd gevolgd door een soldaat. Hij schreeuwde dat de soldaat hem wou aanvallen. Die soldaat zag al dat volk en maakte zich direct uit de voeten. Een van de zonen van Jan, Peter, had hem opgemerkt, nam zijn geweer en liep hem met enkele mannen achterna. Daar Peter een houten been had, geraakte hij niet snel vooruit en hij gaf zijn geweer aan Peter van Osselaer. Het duurde niet lang of ze merkten de soldaat op in het gezelschap van enkele mannen. Op het geroep van de achtervolgers draaide de soldaat zich om. Peter Van Osselaer twijfelde niet en schoot. De soldaat was zodanig gekwetst dat zijn vrienden hem moesten dragen. Van Peter Van Osselaer vernam brouwer Jan dat hij langs de kant van de weg zat ‘zijn gevoeg’ te doen toen een groepje mannen met een soldaat hem lastig vielen en hij naar zijn herberg vluchtte.
De volgende dag vernam Jan dat de soldaat was overleden ondanks de zorgen van een dokter en een chirurg. De soldaat maakte deel uit van het regiment van de hertog van Saxen-Gotha en hij was met wevers van Aalst naar Hekelgem gekomen om er te rekruteren. Enkele soldaten en de provoost kwamen naar Hekelgem om de moordenaar op te pakken en naar Aalst over te brengen. In de herberg troffen ze alleen Jan aan en namen hem mee. De schepenen van Asse onderwierpen hem en de wevers aan een verhoor en stelden vast dat hij onschuldig was en lieten hem vrij. Maar zijn drie zonen, Jan, Peter en Judocus en Peter Van Osselaer vonden ze wel schuldig. De schepenen van Asse vroegen daarop advies aan hun medeschepenen-advocaten. Hoewel die verplicht waren gratis advies te verlenen, wilden ze niet reageren alvorens een honorarium was betaald. Dat weigerden de schepenen van Asse en dus gebeurde er niets. Ondertussen vernam de stadhouder van Aalst dat de gevluchte Van Osselaer in de heerlijkheid van Steen was gezien. Hij werd er gearresteerd en bekende dat hij op de vlucht was omdat hij op een soldaat had geschoten. De officier van Hulst verwittigde die van Erembodegem die de stadhouder en de leenmannen van Aalst op de hoogte bracht. Die hadden een premie beloofd aan wie Peter kon arresteren. Hij werd overgeleverd en bestraft met ‘de koorde tot ‘datter de dood naergevolght is’.
Na dit vonnis was brouwer Jan van mening dat de rechtszaak tegen zijn zonen was opgelost. Hij richtte zich tot hoofddrossaard Joannes Emmanuel Loovens van het Land van Asse met de vraag of zijn gevluchte zonen naar huis konden terugkeren. Die liet weten dat hij daarop niet kon antwoorden omdat de advocaten nog altijd eerst geld wilden zien, maar als hij hen wilde betalen dan zou hij weten wat zijn zonen nog boven het hoofd hing. Jan betaalde en de schepenen ontvingen het lang verwachte rappoort. Ze moesten Jan, Peter en Judocus samen met Francis Tas voor de schepenbank dagen en verhoren. Nadat ze kennis hadden genomen van hun verslag zouden ze een vonnis vellen. De zonen en Francis wisten nu nog niet wat er hen te wachten stond en ze bleven weg. Hoewel er nog geen definitief vonnis was, kreeg Jan de opdracht om al 45 gulden 15 stuivers gerechtskosten te betalen. Maar hij weigerde. Hoofddrossaard Loovens daagde op 9 september de mannen voor de schepenbank van Asse te dagen voor een verhoor. Officier door Jan Baptist Van de Perre bezorgde de dagvaarding. Daar ze niet voor de schepenbank verschenen, volgden er nog dagvaardingen op 29 november, 12, 20 en 31 december met hetzelfde resultaat. Loovens gaf daarna aan Arnoldus Verstichel, de vorster van Asse, de opdracht om over te gaan tot de openbare verkoop van de ‘meublilaire goederen ende effecten’ van Jan Verleysen op 19 januari 1761 vanaf 2 u. Nog voor de verkoop zocht Jan notaris Eeman te Aalst op om hem zijn penibele situatie voor te leggen. De notaris liet bij Loovens een brief afgeven waarin hij Arnoldus Verstichel verbood om tot de verkoop over te gaan. Dat schrijven maakte geen indruk en de verkoop ging door
De hoofddrossard motiveerde zijn beslissing door er op te wijzen dat de ‘goddelijcke, naturelijcke ende civiele wetten’ hem daartoe verplichtten. In de Heilige Schrift leest men, zo betoogde hij, dat ouders werden gestraft voor delicten van hun kinderen. Vader en zonen zijn van hetzelfde bloed en vlees zodat de ‘eene de kosten van de andere draegt tot beternisse van beiden’. Voor het publiek en het algemeen belang kon hij niet verantwoorden dat de schulden niet werden vergoed. Vermits de zonen niet betaalden was het aan de vader want zij werkten voor hem.

Pro officio.
Ten versoecke van den heere Joannes Emanuel Loovens hoofddrossaert des Landts van Assche nomine officii ende impetrant van provisie van daeghsel personeel ende uijt crachte van de executorie bij den selven verworven voor schepenen des Lants van Assche op den 9de december 1760 geteeckent P. Gheude soo wordt door mij ondergeschreven officier des Lants van Assche gesommeert Francis Tas, Joannes, Peeter ende Judocus Verleijsen sonen Jans tot betaelinghe van den rapporte in hunne saecke geresen beloopende int geheel ter somme van vijfenveertigh guldens vijfthien stuijvers courant geld te voldoen in handen van den greffier des Lants van Assche tusschen heden ende seven daeghen mette costen op pene van executie.
Actum 12 december 1760. Jan Baptista Van De Perre.
De brouwerij Verleysen.
Joannes (Jan), gedoopt te Hekelgem op 11 maart 1697 en er overleden op 9 mei 1762. Hij was een zoon van Franciscus en Anna Geysels. Jan trouwde te Hekelgem op 3 oktober 1731 met Judoca Aureys (Arijs), dochter van Petrus en Maria Vermoesen, gedoopt te Hekelgem op 9 oktober 1696 en er overleden op 19 november 1766. Of Jans vader al een brouwer was, hebben we (nog) niet kunnen achterhalen.
Kinderen:
1- Maria, gedoopt op 4 december 1731.
2- Petrus, zie verder.
3-Joannes, gedoopt op 16 januari 1736.
4- Judocus, gedoopt op 22 oktober 1642.
Petrus, de oudste zoon, gedoopt te Hekelgem op 28 oktober 1733 en aldaar overleden op 5 april 1815 trouwde te Hekelgem op 9 november 1767 met Maria Anna Van den Berghe, gedoopt te Hekelgem op 18 februari 1743 en er overleden op 25 maart 1794. Hij volgde zijn vader op als brouwer. Omdat hij een houten been had, werd hij ‘Pikkels’ genoemd en die naam bleef de familie Verleysen behouden tot het midden van vorige eeuw.
Petrus Joannes was hun enig kind en de volgende brouwer.
Er waren 34 verkopen en die brachten 88 gulden 4 stuivers 2 oorden op. De lijst van de te kopen goederen geeft een beeld van wat er zo in een brouwerij-herberg-boerderij in de 18de eeuw te vinden was.
1-een boterkuip aan Jan Caukens Asse -0 – 1 – 0.
2- een ‘seen cuijp’ aan Guilliam De Koninck Erembodegem -0 – 5 – 2.
3- een koperen ketel aan Jan Caukens Asse – 1 – 0 – 0.
4- een koperen ‘aker’ J. B. Van De Velde Hekelgem – 2 – 8 – 0.
5- een ‘marremit’ aan Peter Verleijsen, zoon van Jan – 0 – 12 – 0.
6- een botervat aan Jan Verleijsen, zoon van Jan – 0 – 3 – 0.
7- een kerfzaag aan J. B. Neirinckx van De Roos – 1 – 2 – 0.
8- een bierboom aan Jan De Smedt Hekelgem – 1 – 5 – 0.
9- een trechter aan Judocus Van Nieuwenhove Hekelgem – 0 – 9 – 0.
10- een ton met een onderbak aan Michiel Van Den Bossche Hekelgem – 0 – 10 – 0.
11- een half ton met een vierendeel vat aan Hendrick Verleijsen, zoon van Peter – 0 – 17 – 0.
12- twee tonnen aan J. B. Nierinckx van De Roos – 0 – 19 – 0.
13- een ton aan Peter Verleijsen, zoon van Peter – 0 – 6 – 0.
14- twee onderbakken, een kuip aan Franciscus Plas Hekelgem – 0 – 6 – 0.
15- twee strijkijzers aan Jan Caukens Asse – 0 – 12 – 0.
16- een ‘ijsepot’ aan Peter Verleijsen zoon van Jan – 0 – 4 – 0.
17- een ijzeren pottje, wasvat, rooster en vispaan aan J. B. Timmermans Erembodegem – 0 – 9 – 0.
18- een koperen lamp aan J. B. Van De Velde Hekelgem – 0 – 7 – 0.
19- dertien lepels aan Franciscus Plas Hekelgem – 0 – 19 – 0.
20- een pot en een pint aan Peter Verleijsen, zoon van Jan – 0 – 4 – 0.
21- een pot en een pint Jan De Smedt Hekelgem – 0 – 12 – 0.
22- twee potten aan Guilliam De Koninck Erembodegem – 0 – 9 – 0.
23- drie glazen aan Rokus Arijs Erembodegem – 0 – 6 – 0.
24- een pot met een pint aan Guilliam De Koninck Erembodegem – 0 – 4 – 0.
25- vier glazen aan J. B. Van De Velde Hekelgem – 0 – 6 – 0.
26- een lamp en een pint aan Jan De Smedt – 0 – 13 – 0.
27- twee pinten en een ? aa dezelfde – 0 – 5 – 0.
28- vier schotels, een kommetje en een ‘tailloor’ aan Peter Verleijsen, zoon van Jan – 0 – 4 – 0.
29- drie glazen schotels en drie aarden schotels aan Peter Verleijsen, zoon van Jan – 0 – 4 – 0.
30- een deel aardewerk aan dezelfden – 0 – 3 – 0.
31- twee flessen twee …………, zoon van Jan – 10 – 0 – 0.
32- eenen abeel aen Peeter Verleijsen sone Jans – 10 – 0 – 0.
33- een zwarte koe aan Jan Verleijsen, zoon van Tomma – 36 – 0 – 0.
34- een rode koe aan dezelfden – 18 – 0 – 0.
Aldus gedaan en wettelijk verkocht deze 19de januari 1761 present de vorster en schepenen. Ondertekend A. Van Stichel 1761, Gillis Plas en H. Van Zeebroeck. Ontvangen uit handen van de schepenen vijfentwintig gulden zeven stuivers. Ondertekend Jan Baptista Van De Perre.
Concordantiam attestor J. B. Barbé notaris 1761.
Jan Verleysen in de tegenaanval.
Die openbare verkoop was voor Jan Verleysen en zijn familie een drama. Dat die verkoop aan de kerkdeur en een zijn eigen huis was aangekondigd, was een smet op zijn naam en de klanten bleven weg. Maar hij legde zich niet bij de feiten neer. Wat volgde was een stroom aan aanklachten en weerleggingen die tot eind 1761 duurde.
Op 24 januari richtte Jan een schrijven aan de Raad van Brabant. Daarin stelde hij dat op bevel van hoofddrossaard Loovens vorster Verstichel, twee schepenen en officier Van de Perre zijn meubels en effecten hadden verkocht zonder dat er iets hem ten laste was gelegd en met als voorwendsel dat zijn zonen niet op de dagvaarding waren ingegaan. Hij verzocht de Raad om de verkoop nietig te verklaren en om de drossaard te verplichten om hem volledig schadeloos te stellen.
Loovens verantwoordde zich bij de Raad met een uitgebreid schrijven waarin hij gedetailleerd het verloop van de gebeurtenissen beschreef.
Voor zijn verweer deed brouwer Jan weer een beroep op notaris Eeman. Die schreef op 10 februari 1761 aan de Raad dat het onaanvaardbaar is dat een vader wordt gestraft voor een onbewezen schuld van zijn zonen en voor een gebeuren waarvan hij noch de oorzaak noch de dader was. Dat de tegenpartij goddelijke, natuurlijke en civiele rechten inriep om de vader tot betaling te dwingen, wordt tegengesproken door een vonnis van de Raad van Vlaanderen tegen de baljuw en de meier van Erpe van 17 en 22 december 1757. Voorts stelde hij nog:
1- Dat hij recht had op de teruggave van wat hij al ten onrechte had betaald.
2- Dat de drossard nog niet heeft bepaald waarvan hij zijn zonen beschuldigd.
3- Zijn zoon Peter heeft een houten been en kon de achtervolgers niet bijhouden. Hij was dus niet bij de feiten betrokken.
4- De drossard stopte de vervolging en eiste toch betalingen.
In zijn reactie schreef de hoofddrossaard:
1- Als kinderen voor hun ouders werken dan genieten die dagelijks van de vruchten van hun werk. Dan is het normaal dat ze bijdragen voor de lasten.
2- De vader betaalde de kosten van het eerste rapport en daarmee bewees hij dat hij verantwoordelijk is voor de daden van zijn kinderen.
3- De vervolgingen zijn nog niet gestaakt.
4- Door tegen de verkoop bezwaar aan te tekenen verhoogt de brouwer de kosten en brengt hij zichzelf in nog meer moeilijkheden.
5- Hij is al 30 jaar in dienst als hoofddrossaard en heeft nog nooit meegemaakt dat ouders weigerden te betalen voor hun kinderen.
Het vonnis.
De Raad van Brabant sprak zich op 17 juli 1761 uit: de verkoop was onwettig en alle schade moest worden vergoed. De verkoop had 114 gulden opgebracht, de kosten van de schatting 4 gulden 16 stuivers. De geleden schade werd als volgt bepaald:
1- De zonen Jan en Judocus hadden drie dagen nodig om alle goederen en effecten terug te halen. Dat bracht een verlies aan werkuren mee à 1 g 4 st per dag met en de transportkosten een totaal van 7 g.
2- Peter met zijn houten been was klompenmaker. Hij ging naar notaris Eeman te Aalst en driemaal naar de Raad van Brabant te Brussel: 16 g 4 st.
3- Het ereloon voor de notaris: 28 g 18 st.
4- Verlies van klanten van de brouwerij en de herberg: 112 g.
Laatste verantwoording van de hoofddrossaard.
Loovens schreef in zijn laatste reactie dat hij na de moord op de soldaat de daders vervolgde in opdracht van de bevelhebber van het regiment en van de stadhouder van Aalst. De moord gebeurde door het samenkomen van ‘veele jonckheijdt van beijde sexen met eenen speelman’ wat door de plakkaten van de koning is verboden. Hij beschreef nog eens het hele voorval en besloot dat hij het recht had om te verkopen omdat de zonen noch de vader de kosten betaalden. Hij ging ook niet akkoord met het bedrag van het geschatte verlies.
Eind goed voor de Verleysens.
Notaris Eeman diende nog een brief te sturen naar de Raad van Brabant met de vraag om de hoofddrossaard te dwingen het vonnis uit te voeren. Het Hof ging daarop in en ordonneerde dat op 7 december 1761 het vonnis binnen de 8 dagen moest worden uitgevoerd.
Het proces tegen Daniël Geeraerts[2].
Jan Verleysen had in het rampzalige jaar 1761 nog andere zorgen. Op 9 december 1761 spraken de schepenen van het Land van Asse, Judocus Seijens en Martino Van Vaerenbergh het vonnis uit in de zaak van Daniël Geeraerts tegen Jan Verleysen. Jan werd verplicht 102 g van een geleend kapitaal en 21 g intrest te betalen en de kosten van het proces. Hoe kon het tot een proces komen tussen Geeraerts uit Dendermonde en Jan Verleysen uit Hekelgem?
Daniël Geeraerts was getrouwd met Marie Beeckman, dochter van Maria Arijs van Dendermonde. Jan Verleysen was getrouwd met Josina Arijs, een zus van Maria Arijs. Het proces ging over de erfenis van Maria Arijs. De verdeling van haar goederen had plaats op 22 oktober 1737 en bestond uit landen, erfgronden en huizen gelegen in het Land van Asse. Die gingen deels naar Josina Arijs en naar Peeter Arijs, schoonbroer van Jan en deels naar Marie Beeckman. Maria overleed te Dendermonde op 8 oktober 1751 en volgens de overeenkomst van de kavel moest Peeter een opleg van 102 gulden betalen aan Marie Beeckman. Die betaalde niet, wel Jan Verleysen die het bedrag als lening overnam en een rente betaalde tot 22 oktober 1754. Als reden voor de stopzetting gaf hij aan dat Marie Beeckman een natuurlijk kind was en volgens de ‘costumen’ van Brussel kon een natuurlijk kind niet erven als er nog wettige kinderen waren. Maar volgens Daniël Geeraerts zijn die 102 gulden de opleg bij de kavel en dat bedrag moest worden betaald. Zijn vrouw had immers onroerende goederen geërfd. Om Jan Veleysen te verplichten de lening af te lossen liet hij zijn advocaat Van Itterbeke een proces aanspannen tegen Jan Verleysen. Van Itterbeke stelde dat Maria Arijs in Dendermonde was overleden en dat de costumen van Dendermonde van toepassing waren en die bepaalden dat een natuurlijk kind goederen van de moeder kon erven.

Vonnis deffinitief gegeven in acte van Sieur Daniël Geeraerts in houwelijck hebbende Marie Beeckman dochter wijlen …. Beeckman daer moeder af was Marie Arijs ingesetene der Stadt van Dendermonde aenleggere tegens Jan Verleysen in houwelijck hebbende Josina Arijs ingesetene van hekelgem gedaegde.
In zijn verweer voerde advocaat De Maré voor Jan Verleysen aan dat de onroerende goederen, waaronder een brouwerij, in het Land van Asse lagen waar de costumen van Brussel wel golden. Als bewijs geeft hij dat Marie Beeckman de brouwerij niet heeft geërfd, ze kreeg wel de verkoopsom van 400 gulden op 4 februari 1755. Die opleg van 102 gulden was bestemd voor Maria Arijs en niet voor Marie Beeckman. Op 9 december 1761 spraken de schepenen van het Land van Asse, Judocus Seijens en Martino Van Vaerenbergh het vonnis uit. Jan Verleysen werd verplicht de 102 gulden verhoogd met een interest van 21 gulden en de proceskosten te betalen.
[1] R. A. Vorst, Inventaris van het archief van de Raad van Brabant. Processen van de particulieren, 1724-1796 (vnl. 1754-1774) Toegang: I 76, nr. 6841.
[2] R. A. Leuven, schepenbank van Asse, toegang 94, nr. 4326.
