Het Hof ter Saele kent een lange geschiedenis. Het hoorde bij de burcht van Hekelgem die waarschijnlijk was opgericht door een Frankische hoofdman en die zijn naam aan het dorp gaf. De burcht stond op een motte die in 1862 nog te zien was en dan werd afgevoerd om er de vroegere wallen en de vijver mee op te hogen[1]. Die burcht werd een eerste maal verwoest tijdens de oorlog tussen Vlaanderen en Brabant (1333 – 1334). Ze werd heropgebouwd, maar verdween definitief tijdens de godsdienstoorlogen op het einde van de 16de eeuw. Wanneer de burcht werd gebouwd, was niet te achterhalen. Verbesselt meent, te oordelen naar de vorm, de structuur en de ligging, dat het een hoog-middeleeuwse burcht was. Gezien de ligging nabij de grens met Vlaanderen en langs een oude verbindingsweg naar de Dender, zou het een belangrijke versterking zijn geweest. Van hieruit kon men de toegang tot Brabant bewaken. De oudste wegen van het dorp Hekelgem lopen alle richting de motte en bakenen grote kouters af. Het geheel verwijst naar een oorspronkelijke eenheid, een domeingoed, van ca 240 b, zowat de helft van Hekelgem en dat ouder is dan de abdij die in 1062 werd gesticht.
De motte zou zelfs ouder zijn dan de kerk. Dat besluit Verbesselt afgaande op het wegennet. De kerk is niet het centraal punt, maar het mottecomplex. Ook de veldindeling wijst naar de burcht[2].
De Affligemse historicus dom Odo Cambier (+1651) heeft nog de ruïnes van de burcht gezien en schreef daarover:
In de gemeente hadden wij ook een groot kasteel; omringd van water, en oudtijds Saele geheten. Een voorwerp der bewondering van eenieder was de fontein, waaruit het water zeer hoog opsprong en waarvan men heden nog overblijfsels ziet. De gebouwen uit gekapten arduin opgetrokken waren ruim en prachtig, zoals men kan opmerken uit de puinen. Daarneven ligt er nu nog een landgoed, waarschijnlijk vroeger een afhankelijkheid van ’t kasteel, een neerhof, zoals men dat noemt.

1 de kerk, 2 het Hof ter Saele en 3 de pastorie
Bron: J. Verbesselt, Het parochiewezen in Brabant, 109.
In de 11de eeuw woonde er Heriman (Hermanus) van Heclengem. Hij verbleef er samen met zijn broer Sigerus (Zeger), Thidbaldus de Thidalmont (Doment) en Renizo, de jachtmeester van de graaf, nabij Affligem. Zij stonden als ridders in dienst van de graaf van Leuven en hadden hun bezittingen in leen van Ingelbertus Calverstert, broer van Herebrandus van Herdersem[3]. Graaf Hendrik III van Leuven schonk voor 1106 zijn achterleen aan de abdij. De oudste gekende pachter is wellicht Boudewijn van Hekelgem die in 1291 een half dagwand heidegrond nabij het hof en de opstal verkreeg. Hij betaalde daarvoor jaarlijks met Kerstmis een denier aan de heer van Asse. De hoeve was toen belast met een cijns van 2 denier aan de heer van Asse en een vierling rogge aan de parochiekerk[4]. Op 23 december 1498 kocht de abdij het volledig omwalde hof van jonker Hendrik van Schoonhove en Jeanne Coteriau[5]. Beda Regaus noteerde[6]: Hierboven is oock gesproken van ’t hoff van Hekelghem, ’t is “Ter Sale”, dan der huijsinge met het heel pachthoff is aen eene besonderen pachter …….. (geschrapt door B. Regaus). Dit hoff “Ter Sale” is gecoght geweest 23 december 1498 van joncker Hendrick van Schoenhove, ende Janne Coteriau voor 100 ponden groot Vlaems, bestaande in landen, weijden, wateringhe en bempden. Inden gracht van ’t hof bijt 1d. 80 r. In 1521 was Andries van Beringhen pachter en hij had dan 42 bunder 1 dagwand 75 roeden en vanaf 1541 was Jan Nijs op het hof.
De familie Cornelis.
De oudst bekende pachter van ’t Hof ’t Hekelgem (Ter Saele)[7] waarover we meer gegevens hebben, is Laureys Cornelis. Hij overleed te Hekelgem op 8 oktober 1673. Zijn vrouw, Elisabeth Van Neervelt, overleed eveneens te Hekeklgem op 25 maart 1630. Zij hadden 3 kinderen te Hekelgem gedoopt:
1) Jan, gedoopt op 11 maart 1607, zie verder
2) Anna, gedoopt op 13 oktober 1604, zij trouwde met Michael Crick
3) Adrianus, gedoopt op 17 augustus 1611
In 1611 en 1626 werd Laureys vermeld als kerkmeester en armenmeester. In de rekening van de armenmeester van 1620 vinden we speciale uitgave voor een arme vrouw die in Laureys Cornelis backhuijs woont. In de jaren 1625 en volgende kocht Laureys het fruit op het kerkhof. In 1573 pachtte hij van de abdij Affligem het hof met 54 bunder land en weide en betaalde een cijns van een vierling rogge waarmee het hof was belast ten voordele van de kerk. Vanaf 1578 teisterden de geuzen de hele omgeving. De winter daarop was er een massale aanwezigheid van plunderende soldaten. In 1580, op 16 juni, staken de geuzen de abdij, de kerken van Meldert en Hekelgem en andere gebouwen in brand. De burcht en het Hof ter Saele gingen eveneens in vlammen op. De burcht bleef in puin liggen, maar het hof werd heropgebouwd met materiaal van het kasteel. Het jaartal 1643 in de deuromlijsting herinnert daaraan. In het huis kwam er een grote zaal waar de schepenbank van de abdij vergaderde, althans volgens de Hekelgemse historicus Henri Roseleth. Dom Wilfried Verleyen betwistte deze stelling omdat de schepenen in de Voorpoort aan het begin van de huidige Abdijstraat een eigen lokaal hadden. In 1660 waren er 11 koeien en 100 schapen, in 1624 8 paarden, 15 melkkoeien en 150 schapen[8].
Het Hof vormde toen een vierkant van ca 17 a 3 ca. Het huis stond in het zuiden, ten westen stond een wagenloods, in het noorden de schuur en de paarden-en koeienstal vormden de oostkant.
Inmiddels was Jan Cornelis, gehuwd met Barbara Wambacq, in 1653 zijn vader Laureys[9], als pachter opgevolgd. Jan en Barbara hadden samen 10 kinderen te Hekelgem gedoopt:
1) Franciscus, gedoopt op 8 december 1632, armenmeester van 1692 tot 1695 en van 1697 tot 1700.
2) Catharina, gedoopt op 3 december 1634
3) Michael, gedoopt op 6 juli 1636, zie verder
4) Joannes, gedoopt op 27 april 1638
5) Petrus, gedoopt op 8 februari 1640, zie verder
6) Guillelmus, gedoopt op 11 september 1642, zijn peter was dom Guillelmus Van der Ost, hij trouwde met Elisabeth Robijns, was armenmeester in 1670 en van 1685 tot 1687. In de kerkrekeningen lezen we: ontfanghen van Guilliam Cornelis van het euselken ghelegen inde Bosschraet groot ontrent een dachwant vorm alsvooren over sijnen pacht.
7) Arnoldus, gedoopt op 16 november 1644
8) Martinus, gedoopt op 22 augustus 1646, armenmeester in 1662.
9) Catharina, gedoopt op 30 januari 1649
10) Robertus, gedoopt op 10 november 1650
De hoeve omvatte 54 b land en weide. In 1671 bedroeg de jaarlijkse pacht 300 g, 18 mudden koren, 6 mudden gerst en 9 mudden haver. Toen was Jan al opgevolgd door zijn twee zonen Peter en Michiel.
Michael, gedoopt op 7 juni 1636, trouwde op 24 juni 1657 met Anna Smet, gedoopt te Hekelgem in november 1634 en er overleden op 16 december 1697. Zij hadden 7 kinderen te Hekelgem gedoopt:
1) Franciscus, gedoopt op 21 maart 1658
2) Martinus, gedoopt op 24 april 1660
3) Catharina, gedoopt op 28 november 1662
4) Judoca, gedoopt op 27 december 1665
5) Joannes Baptist, gedoopt op 25 april 1669
6) Andreas, gedoopt op 14 mei 1671, trouwde met Anna Robijns
7) Jacobus Michael, gedoopt op 29 maart 1674
Bij de algemene schatting van de huizen met het oog op het bepalen van de oorlogsbelasting werden gebouwen aangeslagen voor 49 g 10 st; wat tot de hoogste belasting van Hekelgem was[10]. Hij was armenmeester van 1675 tot 1678 en van 1679 tot 1684.
Peter gedoopt op 8 februari 1640 en overleden op 15 december 1700 trouwde met Catharina De Vleeshouder, overleden te Hekelgem op 27 november 1686. Zij hadden 8 kinderen te Hekelgem gedoopt:
1) Anna, gedoopt op 30 december 1670, zij trouwde met koster Franciscus Resteau.
2) Franciscus, gedoopt op 22 februari 1672, zijn peter was dom Franciscus Cornely (zijn naam komt niet voor in het Necrologium van dom Wildried Verleyen). Franciscus trouwde met Anna De Merchy, weduwe van koster Andries Seghers.
3) Guillelmus, gedoopt op 23 juli 1673
4) Maria, gedoopt op 15 januari 1675
5) Judoca, gedoopt op 1 oktober 1677
6) Martinus, gedoopt op 9 januari 1680. Zijn peter was dom Martinus Cornely
7) Elisabeth, gedoopt op 9 februari 1682
8) Catharina, gedoopt op 29 april 1684.
Peter was armenmeester in 1672
De broers betaalden 300 g voor 31 b 3 d 53 r zaailand en 12 b 3 d 75 r weiland en broekagie en het Fortuyn van 2 b 3 d 36 r. Zij huurden ook 12 b land en weide op de Keukenshage van de kapelanie van het H. Sacrament in Sint-Goedele te Brussel. Van de parochie huurden ze 236 r land op Geukenshage. Michiel pachtte behalve van de abdij ook van kerk van Hekelgem: 2 d 50 r land op de Buikouter, 1 d 2 r op de Mattenslochting. In 1673 waaide een deel van de schuur af en staken de Fransen de rest in brand[11]. Peter Cornelis behield later een deel van de pacht over en richtte naast de kerk een brouwerij op. Op 17 januari 1684 dreigde er nieuw gevaar. Soldaten van Lodewijk XIV wilden het hof en het Blakmeershoeve in brand steken, maar de hofmeester van de abdij slaagde erin de soldaten met 80 patacons om te kopen. Het Hof was voorlopig gered, maar op 25 september 1689 stonden Franse soldaten aan de abdijpoort om alle gebouwen in brand te steken omdat de abdij de oorlogsschade nog niet had betaald. Dom Celestinus Ghijsbrechts was er echter in geslaagd om van de legerleiding een vrijgeleide te verkrijgen en zo ontsnapte de abdij aan een nieuwe vernieling. Proost Vedastus Van Nuffel, afkomstig van Hekelgem, noteerde dat de soldaten bij hun aftocht enkele huizen en het Hof ter Saele in brand staken. De pachter had met wat smeergeld de brand kunnen voorkomen. Gelukkig voor hem mocht hij zijn intrek nemen in de wasserij van de abdij, het huidige jeugdheem, tot de abdij het nodige geld had voor de herstelling van het hof.
In 1699 liet Michiel zijn bedrijf over aan zijn zoon Martinus.

Martinus, gedoopt op 9 januari 1680 overleed te Hekelgem op 25 augustus 1730. Hij trouwde met Anna Claes en samen hadden ze 11 kinderen te Hekelgem gedoopt:
1) Michael, gedoopt op 10 oktober 1700
2) Anna, gedoopt op 19 mei 1702
3) Joanna, gedoopt op 26 april 1704
4) Catharina, gedoopt op 19 september 1706
5) Franciscus, gedoopt op 6 juni 1709
6) Petrus, gedoopt op 6 juni 1709
7) Anna Maria, gedoopt op 24 januari 1712
8) Petronella, gedoopt op 10 januari 1714
9) Anna Maria, gedoopt op 26 mei 1716
10) Drisina Francisca, gedoopt op 26 juni 1718
11) Anna Maria, gedoopt op 5 februari 1721
Hij had een bedrijf van 46 b land en weide. In de dorpsrekeningen vinden we de naam Merten Cornelis die in 1704 16 g van de rentmeester van de parochie ontving voor het transport van een halve wagenvracht van Mechelen naar Zoutleeuw[12].

Pentekening van de oude deur. Paul Lindemans, ESDB, 1928
De familie De Bailliu.
In 1710 verliet Martinus Cornelis[13] verlaat Hof ’t Hekelgem en Geeraad Van Biesen werd de nieuwe pachter, maar slechts voor enkele jaren want in 1717 komt de familie De Bailliu[14] op de hoeve. Deze familie verbleef er meer dan 120 jaar namelijk tot 1839. De naam veranderde in Bailliu’s Hof.
Jan De Bailliu overleed te Hekelgemop 3 maart 1764. Zijn vrouw Josina (Judoca) Dubois overleed ook te Hekelgem op 30 oktober 1783. Zij hadden 12 kinderen te Hekelgem gedoopt :
1) Elisabeth, gedoopt op 7 mei 1717 en overleden te Hekelgem in 1785. Zij trouwde met Franciscus De Witte
2) Henricus, gedoopt op 16 december 1718
3) Anna, gedoopt op 8 december 1720
4) Petronella, gedoopt op 17 januari 1723
5) Franciscus, gedoopt op 26 november 1724
6) Franciscus, gedoopt op 7 december 1725
7) Judocus, gedoopt op 26 december 1727, trouwde met Anna Van de Perre
8) Carolus Henricus, gedoopt op 6 juli 1730
9) Barbara, gedoopt op 9 september 1732
10) Petrus Josephus, gedoopt op 7 november 1734
11) Joannes Baptist, gedoopt op 16 maart 1737
12) Joanna, gedoopt op 2 maart 1739.
Zijn bedrijf was verminderd. Hij had maar 3 of 4 paarden. Van 1721 tot 1724 en in 1735 en 1736 was hij bedesetter. Op 23 oktober 1744 logeerden een kapitein en 4 soldaten met 7 paarden van de Hollandse ruiterij in het Hof ter Saele. Dat was bij de inval van het Franse leger in onze streken. Frankrijk erkende het bestuur van Maria Theresia niet en maakte weer eens aanspraken op de Oostenrijkse Nederlanden.

Engelse en Hollandse soldaten kampeerden toen in Hekelgem. Op bevel van de overheid leverde Jan wagens en paarden en verzorgde hij het transport voor het leger. Op 14 maart 1748 ontving hij daarvoor en voor de levering van brood 55 g 2 st. Nog datzelfde jaar, op 13 november, kreeg hij 244 g 5 st en nog eens 252 g 2 st ook voor transport met zijn wagens. Op 3 november 1756 reed hij met bagage van Brussel naar Genappe, een tocht van drie dagen in dienst van hare majesteijts trouppen. In 1780 ontving zijn weduwe voor het logement van 2 ruiters en hun paarden van de compagnie van de drossaard van Brabant 6 st.
Jan Baptist De Bailliu, zoon van Jan, werd te Hekelgem gedoopt op 16 maart 1737. Hij trouwde te Hekelgem op 3 februari 1784 met Maria Judoca De Smedt. Zij was de dochter van Jan Baptist en Anna Van de Perre en was te Hekelgem gedoopt 23 april 1759. Jan Baptist overleed te Hekelgem op 30 januari 1815 en Maria Judoca op 10 september 1839. Zij hadden 9 kinderen te Hekelgem gedoopt:
1) Joanna Catharina, gedoopt op 23 november 1784
2) Petronella, gedoopt op 9 februari 1786, zij trouwde met Josephus Taelemans, zij werden landbouwers te Hekelgem.
3) Suzanna, gedoopt op 4 april 1788
4) Joannes Baptist, gedoopt op 20 februari 1790 en te Hekelgem overleden op 8 februari 1862.
5) Anna Maria, gedoopt op 9 februari 1792, huwelijk met Franciscus Van Der Straeten, landbouwer te Ternat.
6) Joanna Petronella, gedoopt op 17 januari 1794, zij trouwde met Judocus De Bailliu, landbouwer te Hekelgem.
7) Anna Catharina, gedoopt op 21 maart 1796, huwelijk met Judocus Arijs, landbouwer te Hekelgem.
8) Guillelmus, gedoopt op 28 april 1798 en overleden te Hekelgem op 20 jnui 1806..
9) Judocus, gedoopt op 8 mei 1801, boer te Hekelgem.

Op 28 oktober 1780 vroeg de drossaard aan de regeerders van de parochie een burgerwacht in te stellen voor een periode van drie vanaf 15 januari 1781. De bedoeling was om patrouilles te organiseren ter bescherming van de inwoners en hun goederen. 46 Hekelgemnaren gingen erop in, meestal de grotere boeren met hun knechten. Jan Baptist stelde zich kandidaat met zijn twee broers en hun knecht.
Op het einde van de 18de eeuw werd de brede dreef van de Kasteelstraat naar het Hof aangelegd. Hij was beplant met bomen en liet toe dat grote wagenvrachten de hoeve bereikten.
De openbare verkoop op 23 juni 1798.
Tot de Franse Revolutie vormde het Hof ter Saele een blok van 12 b ingesloten door de Bellestraat, de Kasteelstraat, de weg naar de Blakmeershoeve en de Geukenhaaglos. De openbare verkoop van het abdijgoed geeft ons een duidelijk van de gebouwen en het landbouwbedrijf.
Op 1 oktober 1795 werden de Zuidelijke Nederlanden en het prinsbisdom Luik bij de Franse republiek aangehecht en golden hier ook de Franse antikerkelijke wetten. Met de wet van 5 september 1796 werden alle religieuze gemeenschappen opgeheven, hun onroerend goed werd genationaliseerd en verkocht. Daarbij ging de Franse overheid als volgt tewerk. Eerst stelden commissarissen lijsten op van de onroerende goederen van kerken en kloosters. Ze vermeldden voor elk goed de aard (hoeve, land, weide, bos), de grootte, de pachter, de laatste pachttermijn, het bedrag en eventuele achterstallige pacht. Dan kwamen schatters die voor elk goed de jaarlijkse opbrengst, de pachtsom, de ligging noteerden en een verkoopprijs voorstelden.
Het Hof ter Saele werd beschreven als een hoeve met zestien bunder drie dagwand 26 roeden (21 ha 14 a 49 ca) land, weide en bos, verpacht aan Jean Baptiste De Bailliu voor een jaarlijkse pachtsom van 304 gulden, lasten niet inbegrepen. Deze goederen waren opgedeeld in:
1) Het hof bestaande uit een woonhuis, kamers, zolder, kelders, gebouwd in baksteen, gedekt met stro, schuur, bergplaats, paardenstal, stallen in leem, dit alles staande op een erf van één dagwand (31 a 44 ca), de groentetuin inbegrepen.
3) Vier bunder twee dagwand (5 ha 65 a 87 ca) landbouwgrond gelegen te Hekelgem op de plaats genaamd “Ceukenshaege”,
4) Zeven bunder twee dagwand 26 roeden (9 ha 51 a 30 ca) landbouwgrond.
5) Één bunder drie dagwand (2 ha 20 a 6 ca) weide en bos gelegen te Hekelgem op de plaats genaamd “Polderkens”,
6) Één bunder één dagwand (1 ha 57 a 19 ca) boomgaard en bos, gelegen te Hekelgem op de plaats genaamd “Den Boomgaert”,
Het PV van de schatting werd opgemaakt op 22 mei 1798. De schatters waren Jean Valentin Cordier, expert en Mathias Gruber, commissaris te Asse. De jaarlijkse opbrengst werd geschat op £ 920, en de verkoopprijs op £ 18 400, de 54 hoogstammige bomen op £ 120, samen £ 18 520. De goederen waren door de abdij voor 9 jaar verpacht aan burger Jean Baptiste De Ballieu. De pachter deed de schatters noteren dat hij van het schaarhout op de betrokken percelen het vruchtgebruik had. De schatters noteerden dit, maar schreven erbij dat dit in pachtcontract niet vermeld werd. De verkoop had plaats te Brussel op 23 juni 1798. Het bieden ving aan met een openingsbod van 11 250 pond. Met een bod van 350 000 pond werd Jean François Merckaert, uit Aalst de nieuwe eigenaar.
In 1820 werd baron Filips August de Mevius van Mechelen de volgende eigenaar.
Na de dood van Maria Judoca De Smedt in 1839, zij was toen al 24 jaar weduwe van Jan Baptist, volgde op vraag van de kinderen de openbare verkoop van de roerende voorwerpen op 12 en 13 maart 1840. Notaris Angelus Augustus Crick leidde de verkoop ter plaatse.
Onder de vele voorwerpen die er werden verkocht, waren onder andere 36 taillooren, een oliekaraf, 2 spiegels, 4 melkemmers, een theepot, een boterpot enz. Voorts 2 zwarte merries, 4 koeien, 3 runderen en twee varkens, een keef met kiekens en heel wat alaam zoals een ploeg, een voorderboom, 2 eggen enz. De eerste verkoopdag bracht de som op van 2 821, 90 fr. De volgende dag begon de verkoop met het hooi, van een hopast die op het hopveld stond en moest worden afgebroken enz. Die dag werd voor 638, 30 fr. verkocht.
Volgens het kadaster van 1830[15] bezat de weduwe van Jan Baptist de volgende goederen :
– 34 a 60 ca land op de Kwezel
– 29 a 30 ca land op de Boekhoutberg
– 24 a 30 ca land op Bleregem
– 14 a 40 ca bos op Bleregem
– 8 a 10 ca bos op Bleregem
– 14 a 20 ca land op de Kwezel
– 28 a 20 ca land op de Boekhoutberg
– 37 a 80 ca land op Boekhoutberg
– 6 a 80 ca bos in de Kasteelstraat
– 7 a 60 ca land in de Kasteelstraat
– 14 a hop in de Kasteelstraat
– 1 a 80 ca huis in de Kasteelstraat.
Jan Baptist De Wever
Na de dood van zijn moeder liet Jan Baptist, de 49-jarige ongehuwde zoon, in 1839 het bedrijf over aan Jan Baptist De Wever, bijgenaamd “den nieuwen boer”. Zijn kinderen waren in 1879 verplicht de hoeve te verlaten want alles werd openbaar verkocht. Het ging toen om een boerderij met 10 ha 70 a grond, verhuurd voor 2000 fr.
Na de dood van de Mevius ging het hof naar Sophie Caroline Adelaïde de Mevius en haar man Alexandre Louis Dugniolle. In 1860 bezat Alexandre behalve het Hof ter Saele ook een boomgaard verdeeld over twee percelen, voor en rechts van het Hof, respectievelijk van 75 a 70 ca en 38 a 50 ca, in het totaal 1 ha 14 a 40 ca. Om uit onverdeeldheid te geraken verkochten hun kinderen Jules, Louise, Maximilien, Jean, Alexandre en Eugénie ter Saele in 1859 het Hof met de landerijen. Notaris Edouard Auguste Vandenhouten uit Gamlaarden verkocht openbaar de 44 loten waarin de bezittingen waren verdeeld. Lot 1 was het hof zelf met paarden- en koeienstal, schuur, en enkele afhankelijkheden, boomgaard, hopveld en tuin, groot 85 a 70 ca. Bij de 43 andere loten waren er 8 hopvelden met een gezamenlijke grootte van 1 ha 95 a 35 ca, 2 boomgaarden samen 49 a 23 ca groot, 2 bossen, 94 a 46 ca groot, een weide van 25 a en 30 percelen landbouwgrond met een totale oppervlakte van 6 ha 85 a 25 ca of een gemiddelde grootte van 23 a per perceel. Notaris François Le Tellier van Ath kocht de hoeve voor 7500 fr. en een groot aantal percelen. Andere kopers waren onder meer Cornelius Plas, Adrien Arijs, Henri De Smet en Jan Egidius Van Lierde.

Het Hof ter Saele in 1859 met aanduiding van 13 van de 44 loten.
Romain Adolphe de Wolf, handelaar te Aaalst kocht het hof in 1860 en Jan Frans Van Hoorde, man van Theresia De Wolf in 1871. Hij liet de laatste arduinen grondvesten van de burcht uitbreken en de kasteelheuvel afgraven[16]. Die was begroeid met enkele bomen en houtgewas tussen de overblijfsels van de gebouwen. Er stonden ook fruitbomen. De graafwerken werden gedaan door vreemde arbeiders, polderboeren geheten, en duurden een hele zomer[17]. Henri Roseleth (+1939) heeft de fontein zelf nog gezien. Ze was met arduinstenen omwald en tot het begin van de 20ste eeuw leverde zij nog bij grote droogten, water voor de bevolking van de Kasteelstraat[18].
De familie Plas
Op 16 maart 1876 werd het Hof ter Sale 54 loten verkocht aan verscheidene landbouwers. De familie Plas kocht de eigenlijke hoeve met boomgaard en hoplochting (1, 70 ha). De bouwvallige schuur en stallen werden gesloopt en het woonhuis onderging meerdere veranderingen. Romain Plas maakte van de grote zaal een koeienstal.
Sinds 1965 is het weer een woonhuis. Karel Druwé en Begga D’haese, begonnen met de restauratie. Bij de laatste verbouwing in 1985 onder leiding van architect K. De Neve door radioloog dr. P. D’Haenens, verdween de zandstenen schouw van de opkamer. Het wapenschild van de gemeente is het vroegere zegel van het hof.
Besluit
Het hof ter Saele is eeuwenlang een belangrijk landbouwbedrijf geweest. Van de grote boerderijgebouwen is niets meer overgebleven, het woonhuis bleef gelukkig gespaard. In 197 werd het als volgt beschreven: Heden is het een éénlaags boerenhuis onder zadeldak (pannen) dat voor een groot deel werd gerestaureerd, hiervoor werden o.m. nieuwe Balegegemse steen en van Nieuwerkerken afkomstig afbraakmateriaal (kruiskozijnen) gebruikt. Acht traveeën brred huis met opkamer, opgetrokken uit baksteen op een afdgeschuinde plint van zandsteen. De zware gootsteen, de rondboogdeur in de achtergevel, en de gelijksoortige voordeur met verweerd opschrift “Anna/1643” op de imposten, zijn oorspronkelijk. Eén zijpuntzevel van baksteen zonder vlechtingen,de andere met zandstenen sokkel. Binnenin moerbalken met geprofileerde sloffen en kraagstenen van zandsteen en een schouw met geprofileerde rechtstaanden van zandsteen. Mooie bomendreef vanaf de straat[19].

[1] J. VERBESSELT, Het parochiewezen in Brabant tot het einde van de 13e eeuw, dl V, 1966, 106.
[2] IBIDEM, 110.
[3] IBIDEM, 106.
[4] W. VERLEYEN, Het Hof ter Saele, in: De abdijhoeven in en buiten Affligem, Jaarboek Belledaal, 1987, 45.
[5] W. VERLEYEN, Negen eeuwen Affligem, W. Verleyen, 1983, blz. 224.
[6] B. REGAUS, Bona et Jura monasterii Hafflighemensis, Rijksarchief 2002, D/2002/531/167, blz.188.
[7] H. ROSELETH, Middeleeuwsche Kasteelen te Hekelgem, in : Eigen Schoon en De Brabander, XI, (1928), 230.
[8] W. VERLEYEN, Het Hof ter Saele, 45.
[9] IBIDEM, 230.
[10] H. ROSELETH, Middeleeuwsche Kasteelen te Hekelgem, in : Eigen Schoon en De Brabander, XI, (1928), 230.
[11] J. OCKELEY, Bona et Jura selecta ex Beda Regaus, in: Fontes Affligemensis, nr. 20, 47.
[12] E. SCHOON, De Dorpsfinanciën van Hekelgem in de 18de eeuw, deel 1.
[13] IBIDEM, 230.
[14] IBIDEM, 230.
[15] E. SCHOON, Kadaster van hekelgem 1830 – 1860, 2005, onuitgegeven.
[16] H. ROSELETH, Middeleeuwse kastelen, in: Jaarboek Belledaal 1993, 31.
[17] IBIDEM, 31.
[18] IBIDEM, 31.
[19] Bouwen door de eeuwen heen in Vlaanderen, 2n, 1975, 261.
